← Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

L…

Part 9 of 11 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #47933, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (65)
  1. Opening about 3 min
  2. I about 19 min
  3. II about 27 min
  4. III. Veranderingen about 27 min
  5. IV about 34 min
  6. V. Verbannen about 32 min
  7. VI about 13 min
  8. VII. Mijn eerste halfjaar op Salem House about 32 min
  9. VIII about 26 min
  10. IX about 21 min
  11. X about 36 min
  12. XI about 29 min
  13. XII about 17 min
  14. XIII about 37 min
  15. XIV about 27 min
  16. XV about 18 min
  17. XVI about 38 min
  18. XVII about 31 min
  19. XVIII about 14 min
  20. XIX about 29 min
  21. XX about 16 min
  22. XXI about 35 min
  23. XXII about 38 min
  24. XXIII about 25 min
  25. XXIV about 15 min
  26. XXV about 35 min
  27. XXVI about 28 min
  28. XXVII. Tommy Traddles about 16 min
  29. XXVIII. Mijnheer Micawber's geldbelegging about 33 min
  30. XXIX about 13 min
  31. XXX about 14 min
  32. XXXI about 16 min
  33. XXXII about 34 min
  34. XXXIII. Zaligheid about 30 min
  35. XXXIV about 15 min
  36. XXXV. Neerslachtigheid about 37 min
  37. XXXVI. Enthousiasme about 30 min
  38. XXXVII about 15 min
  39. XXXVIII about 29 min
  40. XXXIX. Wickfield en Heep about 35 min
  41. XL about 16 min
  42. XLI about 28 min
  43. XLII about 35 min
  44. XLIII about 14 min
  45. XLIV about 27 min
  46. XLV about 27 min
  47. XLVI. Tijding about 23 min
  48. XLVII. Martha about 19 min
  49. XLVIII about 21 min
  50. XLIX. Geheimenissen about 20 min
  51. L about 18 min
  52. LI about 31 min
  53. LII about 39 min
  54. LIII about 9 min
  55. LIV about 25 min
  56. LV. Storm about 21 min
  57. LVI about 11 min
  58. LVII about 18 min
  59. LVIII about 12 min
  60. LIX. Terugkomst about 27 min
  61. LX. Agnes about 15 min
  62. LXI about 21 min
  63. LXII about 14 min
  64. LXIII about 12 min
  65. LXIV about 59 min

Continue:

L

Baas Peggotty's droom wordt bewaarheid.

Na het tooneel aan den oever van de rivier waren nu ongeveer drie maanden voorbijgegaan. Ik had Martha niet meer gezien, maar baas Peggotty had haar meermalen gesproken. Hare ijverige nasporingen hadden nog tot niets geleid en ook uit hetgeen baas Peggotty mij vertelde kon ik niet opmaken, dat men eenig spoor van Emily had ontdekt. Ik beken dat ik begon te wanhopen aan hare terugkomst en al meer en meer tot het denkbeeld begon over te hellen, dat zij dood was.

Baas Peggotty's overtuiging bleef echter ongeschokt. Voor zoover ik weet—en zijn eerlijk hart lag geheel voor mij open—bleef hij vast overtuigd, dat hij haar eindelijk zou vinden. Zijn geduld geraakte nooit uitgeput, en hoewel ik voor hem opzag tegen het oogenblik, waarop het hem duidelijk zou worden dat zijne hoop op een zandgrond gebouwd was, lag aan die vastgewortelde overtuiging toch zulk een edele, godsdienstige gedachte ten grondslag dat ik hoe langer hoe meer achting voor hem begon te koesteren.

Hij bepaalde zich niet tot hopen en vertrouwen en.... nietsdoen. Hij was altijd een ijverig en werkzaam man geweest en wist dat hij in alle dingen, waarin hij hulp noodig had, dat gedeelte van de taak, dat aan hem zelven was toegewezen, getrouw en met ijver moest vervullen. Ik heb hem in den avond naar Yarmouth zien wandelen, omdat de vrees hem bekroop, dat door de eene of andere toevallige omstandigheid het licht niet voor het welbekende venster van de oude boot zou staan. Ik weet, dat hij in een der nieuwsbladen iets lezende, dat op haar betrekking kon hebben, zijn stok opnam en een tocht van twee of drie dagen ging ondernemen. Nadat ik hem verteld had wat ik bij juffrouw Dartle had vernomen, maakte hij over zee een reis naar Napels en terug. Al deze reizen deed hij zonder eenige vermoeienis te ontzien, want, zei hij, hij moest sparen tegen den tijd, dat Emily weder bij hem zou zijn. Nooit hoorde ik hem klagen over de vele teleurstellingen, die hij ondervond; nooit hoorde ik hem zeggen dat hij vermoeid was, nooit zag ik hem wankelmoedig.

Dora had hem nadat wij getrouwd waren meermalen ontmoet en hield veel van hem. Ik zie hem in mijne verbeelding nog bij hare sofa staan met zijn ruige muts in de hand, terwijl de blauwe kijkers van mijn kind-vrouwtje hem vol bewondering aanstaarden. Nu en dan kwam hij in het schemeruur een praatje maken en dan wandelden wij, een pijp rookende, in den tuin; in zulke oogenblikken kwam mij duidelijker dan ooit het beeld van zijn verlaten woning voor oogen en het waas van gezelligheid, dat er in vroeger dagen over was uitgespreid, wanneer het vuur brandde in den haard en de wind door de reten blies.

Op zekeren avond vertelde hij mij dat hij den vorigen dag Martha gesproken had; zij had hem bij zijne woning opgewacht en hem verzocht Londen niet te verlaten eer hij haar nogmaals zou hebben gesproken.

„Zeide zij niet waarom?” vroeg ik.

„Ik heb het haar wel gevraagd, mijnheer Davy,” antwoordde hij, „maar zij sprak zooals gewoonlijk slechts weinig en toen zij mijn woord had, ging zij onmiddellijk weer heen.”

„Heeft zij ook gezegd wanneer gij verwachten kondt haar terug te zien?” vroeg ik weder.

„Neen, mijnheer Davy,” zei hij, als in gepeins verzonken met de hand over zijn gelaat strijkend. „Ik heb haar dat ook gevraagd, maar dat was meer—zeide zij—dan zij kon beloven.”

Aangezien ik reeds sinds langen tijd had nagelaten zijne hoop, die naar mijne overtuiging aan een zijden draad hing, aan te wakkeren, gaf ik hierop geen ander bescheid dan dat ik de veronderstelling uitsprak dat zij wel spoedig zou komen. De verwachtingen, die ik koesterde, hield ik voor mij zelven, want die waren niet vele.

Ongeveer veertien dagen later wandelde ik op een avond alleen in den tuin. Ik herinner mij dien avond zeer goed, want het was de tweede dag in de week, die mijnheer Micawber ons in zulk eene spanning liet doorbrengen. Het had den geheelen dag geregend, zoodat het zeer vochtig in de lucht was. Bladeren en takken hingen zwaar neer van het water; maar het was nu droog, hoewel de lucht nog bewolkt was; de vogels zongen echter hun hoogste lied. Terwijl ik zoo den tuin op en neerwandelde begon de schemering in te vallen en staakten de vogels een voor een hun gezang; de eigenaardige stilte volgde, alleen bekend bij hen die buiten wonen, wanneer geen blad beweegt en niets gehoord wordt dan het tikken van de neervallende regendroppels.

Opzij van onze woning stond een klein priëeltje van latwerk in het groen; uit den tuin kon men door dit traliewerk op den weg zien. Terwijl ik zoo over allerlei dingen liep te peinzen, viel mijn oog toevallig daarheen en zag ik eene gedaante naderen in een regenmantel gehuld. Zij wenkte mij haastig tot zich.

„Martha!” zei ik, aan haar verzoek gevolg gevende.

„Kunt gij met mij meegaan?” vroeg zij op angstig fluisterenden toon. „Ik ben bij hem geweest maar hij was niet thuis. Ik heb een papier op zijne tafel achtergelaten, waarop ik geschreven heb waarheen hij zich moet begeven. Men heeft mij verteld dat hij niet lang zou uitblijven. Ik heb tijding voor hem. Kunt gij terstond met mij meegaan?”

Mijn antwoord was dat ik onmiddellijk het hek uitging. Zij maakte eene haastige beweging met de hand, alsof zij mij wilde verzoeken geduld te hebben en het stilzwijgen te bewaren, en liep terug in de richting van de stad, vanwaar zij, zooals duidelijk aan hare kleeding te zien was, te voet naar Highgate was gekomen.

Ik vroeg haar of wij naar de stad moesten en op haar toestemmend antwoord, hield ik een ledig rijtuig aan, dat juist voorbijreed, en stapten wij er in. Toen ik haar vroeg waarheen de koetsier ons brengen moest, antwoordde zij: „In de buurt bij Golden Square! Maar snel!” Daarna kroop zij in een hoekje weg, met eene bevende hand voor het gelaat, terwijl zij met de andere telkens eene beweging maakte, alsof zij het geluid eener stem niet verdragen kon.

Ik werd zeer onrustig en wist niet of ik hopen of vreezen moest; zoodat ik zeer verlangde naar eenige opheldering. Maar ziende hoe zeer zij verlangde niet lastig gevallen te worden, terwijl ik zelf daartoe ook de meeste neiging voelde, deed ik geen moeite om het stilzwijgen te verbreken. Zonder een woord te spreken reden wij voort.

Nu en dan keek zij uit het portierraam, alsof zij meende dat wij te langzaam vorderden, hoewel wij inderdaad hard reden; overigens bleef zij stilzitten.

Wij stapten uit bij een der ingangen tot het door haar genoemde pleintje, waar ik den koetsier gelastte te wachten, niet wetende of wij 't rijtuig nog noodig zouden hebben. Zij legde de hand op mijn arm en trok mij haastig mede naar een der donkere straatjes, waarvan er een aantal in deze buurt waren; terwijl de huizen, voorheen door menschen uit den deftigen stand bewoond, nu tot in den nok aan verschillende personen verhuurd waren. Zij ging de openstaande deur van een dezer huizen binnen en liet mijn arm los, terwijl zij mij te kennen gaf, dat ik haar de algemeene trap op zou volgen, die in onmiddellijke gemeenschap stond met de straat. Het huis wemelde letterlijk van bewoners. Toen wij naar boven gingen, werden verscheidene deuren geopend en hoofden naar buiten gestoken; terwijl wij op de trap allerlei menschen tegenkwamen, die naar beneden gingen. Vóór wij de woning binnentraden, had ik verscheidene vrouwen en kinderen over de bloempotten heen uit de ramen zien kijken; wij schenen hunne nieuwsgierigheid te hebben opgewekt, want deze zelfde hoofden zag ik nu buiten de deuren steken. Het was een trap met breede treden en zware leuning van eene doffe houtsoort; boven de deuren bevonden zich kroonlijsten met gebeeldhouwde voorstellingen van vruchten en bloemen, terwijl overal breede vensterbanken waren. Maar al deze sporen van vroegere grootheid waren op de ellendigste wijze in verval; ouderdom, vocht en dampen, die uit de benedenkamers opstegen, hadden den vloer doen verrotten, zoodat die op sommige plaatsen niet dan met levensgevaar te betreden was. Ik merkte op dat hier en daar een zwakke poging was gedaan om het geheel te schragen door het ouderwetsche houtwerk met nieuw hout van de gemeenste soort op te lappen; maar het deed mij denken aan een huwelijk van een armen edelman met eene vrouw uit het volk; het scheen echter dat beide partijen hunne mésalliance hadden ingezien en zoo ver mogelijk van elkander waren gegaan. Verscheidene vensters, die op de trap uitzagen, waren achter stof en spinnewebben verscholen of geheel dichtgemetseld. In de nog bestaande ontbrak het glas bijna geheel en tusschen de vermolmde kozijnen door, die schijnbaar alle bedorven lucht wel naar binnen, doch niet naar buiten lieten, zag ik door andere glaslooze vensters in andere dergelijke verwaarloosde huizen en van een bijna duizelingwekkende hoogte op eene even verwaarloosde binnenplaats, die tot vuilnisbergplaats scheen te dienen van de gezamenlijke bewoners.

Wij stegen tot op de bovenste verdieping. Twee of drie malen gedurende het klimmen meende ik bij het onzekere licht de omtrekken van een vrouwelijke gestalte te herkennen, die voor ons uitliep. Toen wij de laatste treden beklommen, die ons nog van den zolder scheidden, kregen wij die gestalte geheel te zien. Zij stond bij een deur, draaide den sleutel om en ging een kamertje binnen.

„Wat is dat?” zei Martha zacht. „Zij is mijn kamertje binnengegaan. Ik ken haar niet.”

Ik kende haar wel. Tot mijne groote verbazing had ik juffrouw Dartle herkend.

Ik vertelde haar dat het eene dame was, die ik vroeger wel eens ontmoet had, en was nauwelijks daarmede gereed of wij hoorden hare stem, ofschoon wij niet konden verstaan wat zij zeide. Martha bleef mij verbaasd aankijken en bracht mij zachtjes verder naar boven en daarna door een achterdeurtje dat niet gesloten scheen te kunnen worden, zoodat zij het met de hand open duwde, naar een soort vliering met een schuin dak—waarschijnlijk in vroeger dagen tot bergplaats gediend hebbende. Tusschen deze vliering en het kamertje dat zij het hare genoemd had, was eene deur, die half open stond. Hier bleven wij staan, geheel buiten adem van het klimmen, terwijl zij mij de hand op den mond legde. Ik kon alleen zien, dat de kamer vrij groot was, dat er een ledikant op stond en er eenige prenten aan den muur hingen, die schepen moesten voorstellen. Ik kon noch juffrouw Dartle, noch de persoon tot wie wij haar hadden hooren spreken, zien. Mijne geleidster kon dat evenmin, want ik stond nog voordeeliger in dat opzicht. Gedurende eenige oogenblikken heerschte daar binnen doodsche stilte, Martha hield de eene hand op mijn mond en hield de andere luisterend omhoog.

„Het doet er weinig toe, of zij thuis is of niet,” zei juffrouw Dartle op hoogen toon, „ik ken haar niet. Ik kwam alleen om u te zien.”

„Mij?” antwoordde eene zachte stem.

Toen ik die hoorde, voer mij eene rilling door de leden. Het was de stem van Emily!

„Ja,” hernam juffrouw Dartle, „ik ben gekomen om u te zien. Gij schaamt u immers niet over het gezichtje, dat zooveel onheil heeft gesticht?”

Het was alsof ik haar voor mij zag, zoo duidelijk herkende ik hare schelle stem en den kouden, scherpen, bitteren toon, waarop zij sprak. Ik zag de schitterende zwarte oogen en de door hartstocht verwrongen gestalte; ik zag ook het litteeken over hare lippen trillen en kloppen, terwijl zij sprak.

„Ik ben gekomen,” vervolgde zij, „om het liefje van James Steerforth te zien, het meisje, dat met hem wegliep en in hare geboorteplaats op aller tong is; het schaamtelooze, brutale liefje van iemand als James Steerforth. Ik moest weten hoe zoo'n schepsel er wel uitziet.” Ik hoorde een geritsel alsof het ongelukkige voorwerp van al deze smaadredenen naar de deur was gevlucht en dat de spreekster haar in den weg was gaan staan. Er volgde nu een oogenblik stilte. Toen juffrouw Dartle weder begon, hoorde men hoe zij tusschen hare opeengeklemde tanden door sprak en met den voet op den grond stampte.

„Blijf hier!” riep zij, „of ik zal uwe schande door het geheele huis en over de straat uitroepen. Als gij tracht mij te ontsnappen, haal ik u terug, al zou het ook bij de haren zijn! Ik zou u kunnen steenigen!”

Een angstig gemompel was alles dat ik kon opvangen. Er volgden weder eenige oogenblikken stilte. Ik wist niet wat ik doen moest. Hoe ik ook verlangde een einde te maken aan het onderhoud, begreep ik toch ook dat ik geen recht had om tusschen beiden te treden: dat baas Peggotty alleen haar daar kon bezoeken en haar daar vandaan moest halen. Zou hij dan nooit komen? dacht ik in mijn ongeduld.

„Zoo!” hernam Rosa Dartle met een schamperen lach, „eindelijk zie ik haar dan toch voor mij! Hij moet wel half krankzinnig zijn geweest om zich door zoo'n gemaakte zedigheid en zoo'n hangend hoofdje te laten inpalmen!”

„In 's Hemels naam, heb medelijden met mij!” riep Emily. „Wie gij ook zijn moogt, gij kent mijne ongelukkige geschiedenis; heb dus in 's Hemels naam medelijden met mij, indien gij wilt dat men u later ook medelijden toone!”

„Mij! Welke overeenkomst is er tusschen u en mij!” antwoordde juffrouw Dartle trotsch.

„Niets dan onze sexe,” zei Emily, in tranen uitbarstende.

„En daarop zou zulk een verachtelijk schepsel nog aanspraken doen gelden; integendeel, als het mogelijk was dat ik nog iets anders voor u voelde dan afschuw, zou dat gevoel daardoor uitgebluscht worden. Onze sexe! Ja, gij zijt wel een eerwaardig lid daarvan!”

„Ik heb deze verwijten verdiend,” riep Emily, „maar het is vreeselijk ze te moeten aanhooren! Bedenk toch wat ik geleden heb, hoe diep ik gevallen ben! O, Martha, kom terug! O, kom toch thuis!”

Juffrouw Dartle nam in een stoel plaats met het gezicht naar de deur en keek naar den vloer, alsof Emily daar voor haar in het stof kroop. Ik kon nu hare opgekrulde lip zien en de wreede uitdrukking in hare oogen, die met bitter welgevallen op één plek gevestigd bleven.

„Luister naar hetgeen ik u zeggen zal,” sprak zij, „en bewaar uwe valsche kunsten voor hen, die er de dupe van willen zijn. Meent gij mij met uwe tranen te kunnen roeren? Niet meer dan gij mij met uwe glimlachjes zoudt bekoren, verkochte slavin, die gij zijt!”

„O, heb toch medelijden met mij!” riep Emily. „Toon dat gij nog iets voor mij voelt of ik zal krankzinnig sterven.”

„Dat zou eene al te geringe boete zijn voor uwe misdaden,” riep juffrouw Dartle. „Weet gij wel wat gij hebt gedaan? Hebt gij wel ooit gedacht aan de familie, die gij ongelukkig gemaakt hebt?”

„O, er gaat geen dag, geen nacht voorbij, dat ik niet daaraan denk!” riep Emily; ik kon nu zien hoe zij op hare knieën viel met het hoofd achterover, het bleeke gezichtje omhoog, de handen als in wanhoop gevouwen en opgestoken en de haren loshangende over de schouders. „Zou er wel ééne minuut zijn voorbij gegaan, dat ik niet wakend en slapend, het huis voor mij heb gehad, waarin ik mijne jeugd heb doorgebracht, zooals het was, toen ik het voor altijd den rug toekeerde? O, heerlijk tehuis! O, beste, beste oom, zoo gij ooit den zielsangst gekend hadt, dien uwe liefde mij gekost heeft, toen ik voor altijd van u heenging, zoudt gij mij nooit zóó hebben liefgehad; gij zoudt tenminste eenmaal in mijn leven boos op mij zijn geweest, opdat ik toch eenige troost kon hebben. Ik kan geen troost vinden.... nergens.... want allen hadden mij even lief!” Zij liet zich voorover vallen voor de trotsche, ongevoelige vrouw op den stoel en trachtte den zoom van hare japon te grijpen.

Rosa Dartle keek op haar neer met zulk een onbewegelijk gelaat alsof zij veranderd was in een bronzen beeld. Hare lippen waren stijf op elkaar geperst alsof zij begreep dat zij zich in bedwang moest houden—ik schrijf alleen hetgeen ik oprecht meen—om dat mooie, smeekende meisje niet met den voet van zich af te schoppen. Ik zag haar duidelijk, en de geheele uitdrukking van haar gelaat, hare geheele houding scheen dit aan te duiden. Zou hij dan nooit komen?

„Hoe kan zoo'n aardworm nog zoo ijdel zijn!” sprak zij, toen zij haar toorn zoover had bedwongen, dat zij weer spreken kon. „Uw tehuis! Meent gij soms, dat ik daaraan denk, dat gij den naam van zulk een gemeen huis hebt kunnen schaden? Neen, zij hebben eene rijkelijke vergoeding ontvangen! Uw tehuis! Men heeft handel met u gedreven en u verkocht, zooals alles, waarin die menschen handelen.”

„O, zeg dat niet!” riep Emily. „Zeg van mij wat gij wilt, maar werp nog niet meer schande dan ik reeds gedaan heb op het hoofd van menschen, die even achtenswaardig zijn als gij! Zoo gij werkelijk eene dame zijt, heb dan achting voor hen, al hebt gij dan geen medelijden met mij.”

„Ik spreek,” hernam juffrouw Dartle zonder zich te verwaardigen zelfs op haar smeeken te letten en hare japon wegtrekkende, alsof de aanraking met Emily haar bezoedelen zou, „ik spreek van zijn huis—waar ook ik woon. Gij,” vervolgde zij, terwijl zij met een smadelijken lach de hand uitstrekte en op het geknield liggende meisje neerkeek, „gij zijt de oorzaak van de verwijdering tusschen moeder en zoon, die beiden adellijk bloed in de aderen hebben; gij, die daar zelfs niet als keukenmeid zoudt zijn aangenomen, zijt de oorzaak van de smart, de gramschap, het verdriet, die daar zijn binnengeslopen. Zoo'n stuk vuil, van de waterkant opgenomen, om een uur lang uit het slijk opgeheven en er dan weder in neergesmakt te worden!”

„Neen, neen!” riep Emily, hare handen ineenslaande. „Toen hij voor de eerste maal mijn weg kruiste—o had hij mij nooit gezien vóór den dag dat ik naar het kerkhof zal worden gedragen!—was ik even deugdzaam opgevoed als gij of welke dame ook maar zijn kunt; toen zou ik de vrouw geworden zijn van een man, zoo braaf en eerlijk als gij of welke dame ook maar hebben kunt. Zoo gij met hem in één huis woont en hem kent, weet gij ook welk een macht hij oefenen kan op zulk een zwak, ijdel meisje als ik ben. Ik verdedig mij niet, maar ik weet wel en dat weet hij ook wel, of hij zal het weten wanneer hij op zijn sterfbed ligt en zijne ziel er mede bezwaard is, dat hij alles heeft in het werk gesteld om mij te bedriegen, dat ik in hem geloofde, hem vertrouwde en.... hem liefhad!” Rosa Dartle sprong van haar stoel op, deed een schrede achteruit en op hetzelfde oogenblik sloeg zij naar haar met zulk een boosaardig en door hartstocht verwrongen gelaat, dat ik op het punt stond mij tusschen de twee vrouwen in te werpen. De slag, in het wilde gegeven, was niet raak. Zooals zij daar nu stond te hijgen, bevend van het hoofd tot de voeten en met een gelaat, waarop niets dan hartstocht en verachting te lezen was, had ik nooit een menschelijk wezen gezien en heb ik ook na dien tijd nooit gezien.

„Gij hem liefhebben? Gij?” riep zij, hare gebalde vuist opheffende, waarin alleen een dolk ontbrak om het voorwerp van haar toorn te doorsteken. Emily was achteruit geweken, zoodat ik haar niet meer zien kon. Er volgde ook geen antwoord.

„En dat zegt gij mij,” hernam Rosa, „met die schaamtelooze lippen? Waarom geeselt men zulke schepsels niet? Als ik wat te zeggen had, zouden ze doodgegeeseld worden.”

En dat zou zij gedaan hebben, als zij de macht er toe gehad had. Zelfs zou ik haar niet bij eene pijnbank hebben vertrouwd, zoolang die woedende blik uit hare oogen straalde.

Langzaam, heel langzaam begon zij te lachen en wees met hare hand naar Emily, alsof zij een schandvlek ware voor God en de menschen. „Zij liefhebben!” sprak zij. „Dat karonje! En hij heeft haar ook liefgehad, zegt zij mij. Ha! ha! Wat kan zoo'n gemeen schepsel toch liegen!”

Haar spottende toon was nog vreeselijker dan hare uitbarstingen van woede. Veel liever zou ik tot doelwit van de laatste gestrekt hebben. „Ik ben hier gekomen, gij, reine bron van liefde,” vervolgde zij, „om, zooals ik reeds gezegd heb, te zien waarop zoo'n schepsel als gij wel lijkt. Ik was nieuwsgierig, maar ben nu voldaan. Ook wilde ik u zeggen, dat gij niet beter doen kunt dan maar zoo spoedig mogelijk dat huis van u opzoeken en u te verbergen onder al die brave menschen, die gij met uw geld wel zult troosten. Als het op is, kunt gij weer gelooven en vertrouwen en liefhebben! Ik meende dat gij een gebroken stuk speelgoed zoudt zijn, dat zijn tijd had uitgediend; een waardeloos snuisterijtje, dat gebroken en weggeworpen was. Maar nu ik zie dat gij van zuiver goud zijt, eene echte dame, een misleide onschuld met een hart vol liefde en vertrouwen, zooals gij er ook juist uitziet en zooals ook geheel overeenkomt met uwe geschiedenis, heb ik nog iets meer te zeggen. Luister goed, want hetgeen ik zeg, zal ik ook doen. Verstaat gij mij wel, mijn engel? Wat ik zeg, zal ik doen!”

Gedurende een oogenblik kon zij hare woede niet onderdrukken, maar onmiddellijk daarop kwam er weder een spottende glimlach op haar gelaat.

„Verberg u,” hernam zij, „zoo niet in uw huis dan elders. Blijf buiten mijn bereik, ergens in een donker hoekje, beter nog in het graf. Het zal mij verbazen of uw liefhebbend hart niet breken zal, of gij geen middel hebt gevonden om het tot kalmte te brengen. Ik heb wel eens gehoord, dat er middelen voor bestaan. Ik geloof dat ze niet moeielijk te vinden zijn.”

Zij hield op om te luisteren naar het schreien van Emily, dat haar als muziek in de ooren klonk.

„Ik ben misschien een wonderlijk schepsel,” ging Rosa voort, „maar ik kan niet vrij ademhalen in de zelfde lucht als gij. Die lucht is bezwangerd. Ik wil daarom die lucht gezuiverd hebben, gezuiverd van u. Als gij morgen nog hier zijt, zal ik uwe geschiedenis laten uitroepen boven aan de trap. Men heeft mij verteld, dat er fatsoenlijke vrouwen wonen in dit huis; het zou dus jammer zijn als zulk een licht onder de vrouwen als gij, verborgen bleef. Zoo gij ergens in de stad eene schuilplaats zoekt anders dan in uwe ware gedaante, die gij moogt aannemen zonder iets van mij te vreezen te hebben, zal ik u denzelfden dienst bewijzen, zoodra ik uw verblijf ken. Aangezien ik word bijgestaan door een man, die nog niet lang geleden naar uwe hand heeft gedongen, zal mij dat ook wel gelukken.”

Zou hij dan nooit, nooit komen? Hoe lang zou ik dat nog kunnen aanhooren? Hoe lang?

„Wee mij! Wee mij!” riep de ongelukkige Emily uit op een toon, die het hardvochtigst gemoed had moeten treffen, naar ik meende; maar Rosa's glimlach verdween niet. „Wat moet ik doen! Waar moet ik heen!”

„Doen?” antwoordde de andere. „Gelukkig zijn met uwe herinneringen! Uw leven wijden aan de herinnering van James Steerforth's teederheid—hij wilde u aan zijn knecht uithuwelijken nietwaar? Doen? U dankbaar toonen aan dien eerlijken, verdienstelijken man, die u wilde aannemen als een gift uit de handen van zijn meester! Of, indien al deze schoone herinneringen en het besef van uwe deugdzaamheid en de eervolle plaats, die gij in de oogen van ieder mensch inneemt, u niet kunnen voldoen, trouw dan met dien goeden man en wees blijde, dat hij u die gunst nog bewijzen wil. En wilt gij dat alles niet, welnu, maak u dan van kant. Er zijn middelen en vuilnishoopen genoeg voor zulke wanhopende schepsels als gij—tracht die te vinden—en probeer in den hemel te komen.”

Daar hoorde ik voetstappen op de trap, een voetstap, dien ik kende. Daar was hij, Goddank!

Terwijl zij deze laatste woorden gesproken had, was zij van de deur weggegaan, zoodat ik haar niet meer zien kon.

„Onthoud het goed!” voegde zij er langzaam en dreigend bij, terwijl zij de andere deur opende om heen te gaan, „om allerlei redenen, vooral omdat ik u innig haat, heb ik besloten u geen oogenblik met rust te laten, tenzij gij buiten mijn bereik komt of uw schoonschijnend masker afwerpt. Dit is alles wat ik u te zeggen heb, en wat ik zeg, dat doe ik!”

De voetstap op de trap kwam nader en nader.... ging langs haar heen op de gang.... klonk eindelijk in de kamer.

„Oom!”

Een akelige gil volgde op dit ééne woord. Ik wachtte nog een oogenblik en toen ik naar binnen keek, zag ik dat zij onbewegelijk in zijne armen lag. Gedurende eenige seconden keek hij haar in het gelaat en toen.... drukte hij er een kus op, zoo teeder, als slechts eene moeder had kunnen doen, en spreidde er een zakdoek overheen.

„Mijnheer Davy,” zei hij met zachte, trillende stem, „ik dank den Hemelschen Vader, dat Hij mijn droom heeft doen uitkomen! Ik dank Hem, dat Hij mij aan Zijne hand geleid heeft op den weg, waarlangs ik mijn lieveling zou terugvinden.”

Na deze woorden nam hij haar in zijne stevige armen, met het overdekte gezichtje tegen zijne borst, en bracht haar zacht en omzichtig naar beneden.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LI

Het begin van een langere reis.

Toen ik den volgenden morgen al heel vroeg in den tuin wandelde met tante—het goede mensch had weinig lichaamsbeweging in den laatsten tijd, omdat zij Dora oppaste—werd mij bericht dat baas Peggotty mij wenschte te spreken. Hij kwam mij halverwege den tuin reeds tegemoet, en nam zijn muts af voor tante, voor wie hij groote achting koesterde. Ik had haar alles verteld wat er den vorigen avond was voorgevallen. Zonder een woord te spreken ging zij naar hem toe, schudde hem zoo hartelijk mogelijk de hand en gaf hem een goedkeurend tikje op den arm. Zij deed dit zoo veelzeggend dat zij er volstrekt niet bij behoefde te spreken. Baas Peggotty verstond haar even goed.

„Ik zal nu naar binnen gaan, Trot, naar klein Bloesempje,” zei tante, „zij zal nu wel op zijn.”

„Toch niet omdat ik hier ben, mevrouw, hoop ik?” zei baas Peggotty. „Als ik mijn zinnen van morgen bij elkaar heb, meen ik te moeten begrijpen dat gij om mij wilt heengaan.”

„Gij hebt met Trot wat te bespreken, goede vriend,” antwoordde tante, „en zult dat beter kunnen doen zonder mij.”

„Met uw verlof, mevrouw,” antwoordde baas Peggotty, „maar als mijn gebabbel u niet hindert, zou ik liever hebben dat gij hier bleeft.”

„Zoudt gij werkelijk? Dan zal ik blijven.”

Zij stak haar arm door dien van baas Peggotty en geleidde hem, naar een priëeltje aan het einde van den tuin, waar zij op een bank plaats nam en ik naast haar ging zitten. Er was wel een stoel voor baas Peggotty, maar hij bleef liever staan met de hand op het kleine rustieke tafeltje. Terwijl hij daar, eer hij begon te spreken, eenige oogenblikken naar zijne muts stond te kijken, kon ik niet nalaten de opmerking te maken welk een vast karakter zijne gespierde hand deed vermoeden en hoe goed die paste bij zijn oprecht, gebruind gelaat en zijne grijze haren.

„Ik nam mijn geliefd kind gisteren avond mede naar mijne kamer,” begon hij te vertellen, terwijl hij ons met zijne eerlijke oogen aankeek, „naar mijne kamer, waar ik zoo lang op haar heb gewacht en alles voor haar ontvangst gereed was. Het duurde uren eer zij mij goed herkende en toen zij dit deed, knielde zij aan mijne voeten neer en vertelde mij alles.... alles. Het was alsof zij haar hart in een gebed uitstortte. O, toen ik hare stem hoorde, die mij vroeger zoo vroolijk in de ooren had geklonken, toen ik haar zoo vernederd zag, als kroop zij in het stof waarin onze Heiland eenmaal met Zijne heilige hand schreef—toen voelde ik toch te midden van mijne dankbaarheid een steek in mijn hart.”

Hij streek met de mouw langs zijn oogen, zonder eenige moeite te doen om zijne aandoening te verbergen; daarna ging hij met helderder stem voort:

„Dit gevoel duurde niet lang, want ik had haar terug. Ik behoefde er slechts aan te denken, dat ik haar terug had, toen was het al weer voorbij. Ik begrijp eigenlijk zelf niet waarom ik er nu nog over spreek. Een minuut geleden zou het niet in mij opgekomen zijn een woord over mij zelven te spreken, maar het ging zoo van zelf, dat ik het deed eer ik het wist.”

„Gij hebt genoeg bewezen dat gij u zelven weet te verloochenen,” zei tante; „gij zult daarvoor ook zeker beloond worden.”

Terwijl de schaduwen van de klimopbladeren op zijn gezicht speelden, boog baas Peggotty een weinig verbaasd het hoofd naar mijne tante alsof hij haar voor hare woorden wilde bedanken, en nam toen den draad van zijn verhaal weder op.

„Toen mijne Em'ly de vlucht nam uit het huis, waar die ellendeling haar gevangen hield—God straffe hem, want al hetgeen mijnheer Davy heeft vernomen is waar—was het nacht, een donkere nacht met een schitterenden sterrenhemel. Zij was half krankzinnig, liep langs het strand, meenende dat daar de oude boot lag en riep ons toe, dat wij het gezicht zouden afwenden, want dat zij er aankwam. Zij hoorde zich zelve roepen, alsof zij een ander was, en kwetste zich de voeten aan de scherpe steenen en rotsen, maar zij voelde er even weinig van, alsof zij zelve eene rots geweest was. Zoo liep zij voort en voor haar oogen scheen een groot licht en in haar ooren klonk voortdurend een dof gebrom. Opeens—zoo meende zij, begrijpt gij—opeens was het dag geworden, een koude, winderige dag en vond zij zich liggen op een hoop steenen aan het strand en bij haar stond eene vrouw, die haar in de taal van dat land aansprak en vroeg wat haar was overkomen.”

Hij zag alles wat hij vertelde. Terwijl hij sprak, stond het hem alles zoo levendig voor den geest, dat hij in zijn ernst en zijn ijver alles nog veel duidelijker beschreef dan ik het op dit oogenblik doen kan. Nu ik het na zulk een lang tijdsverloop neerschrijf, kan ik moeilijk gelooven, dat ik er niet zelf bij tegenwoordig ben geweest, zulk een diepen indruk heeft de beschrijving van Emily's lotgevallen in mijn geest achtergelaten.

„Toen Emily deze vrouw beter kon onderscheiden—hare oogen waren in het eerst nog verduisterd”—ging baas Peggotty voort, „herkende zij eene van de vrouwen, waarmede zij dikwijls aan het strand had staan praten. Zij kende den geheelen omtrek, want zij hadden alleen of te zamen verre tochten gemaakt per rijtuig of te voet of per boot langs het strand. Deze vrouw had geen kinderen, want zij was nog niet lang getrouwd, maar zij hoopte er spoedig een te krijgen. De Hemel geve dat het haar moge gelukkig maken en tot troost en eer zij haar leven lang. Moge het haar liefhebben en eeren in haar ouderdom, haar tot hulp en steun zijn tot haar laatsten snik, een engel voor haar zijn, hier en hiernamaals!”

„Amen!” zei tante.

„Zij was eerst wat bedeesd geweest,” hernam baas Peggotty, „toen Em'ly met de kinderen sprak, en aan haar werk gebleven—zij zat te spinnen, meen ik. Maar Em'ly had haar opgemerkt en haar aangesproken en aangezien het jonge vrouwtje ook zooveel van kinderen hield, hadden zij spoedig vriendschap gesloten, zoo zelfs dat als Em'ly later voorbijkwam, zij altijd bloemen van haar kreeg. Deze zelfde vrouw stond nu bij haar en vroeg wat haar overkomen was. Em'ly vertelde haar alles en de goede vrouw nam haar mede naar haar huis. Ja, waarlijk, dat deed zij.... Zij nam haar mede naar huis,” herhaalde hij met de handen voor de oogen.

De herinnering aan deze menschlievende daad ontroerde hem, meer dan iets hem sinds den avond van Emily's vlucht had gedaan. Tante en ik waagden het niet hem te storen.

„Het was een klein huisje, dat begrijpt gij,” ging hij voort, „maar er was ruimte in voor Emily, want haar man was op zee, en zij hield Emily's verblijf geheim en verzocht de buren—er waren er niet veel—het ook geheim te houden. Emily werd zwaar ziek en het zonderlingste is—voor geleerden is het dat misschien niet—zij vergat de taal van het land geheel en al en kon alleen spreken in haar eigen taal, die niemand kende. Zij herinnert zich, alsof zij gedroomd heeft, dat zij daar lag met hevige koorts, altijd sprekende in haar eigen taal, altijd meenende dat de oude boot daar op het strand lag; altijd smeekende dat men toch zou gaan vertellen, hoe zij daar lag te sterven, dat men een enkel woord van vergiffenis zou meebrengen. Bijna al dien tijd dacht zij nu eens, dat hij, van wien ik zooeven sprak onder het venster naar haar zat te loeren, dan weder dat hij, die haar zoover had gebracht, in de kamer was—en dan bad en smeekte zij de goede vrouw haar toch niet te verlaten, en op hetzelfde oogenblik wist zij dat men haar niet begreep, en vreesde zij dat men haar zou weghalen. Ook was telkens weder datzelfde licht voor hare oogen en datzelfde doffe gebrom in hare ooren; en er bestond geen gisteren, geen heden, geen morgen voor haar, en alles wat in haar leven was gebeurd en kon gebeurd zijn, en alles wat niet gebeurd was en niet kon gebeurd zijn, verdrong zich in hare koortsachtige droomen, en niets was haar duidelijk of welkom en toch zong en lachte zij. Hoe lang dit zoo voortduurde weet ik niet; maar daarna viel zij in slaap en in dien slaap werd zij, die altijd zoo sterk geweest was, zwakker dan het kleinste kind.”

Hij zweeg, alsof hij eerst de akeligheid van zijn eigen beschrijving moest te boven komen, maar na eenige seconden ging hij voort met zijn verhaal.

„Op een mooien achtermiddag werd zij wakker; het was zoo stil om haar heen, dat zij niets hoorde dan het kabbelen van het blauwe water tegen het strand. In het eerste oogenblik meende zij thuis te zijn en dat het Zondagmorgen was; maar de druivenbladeren, die zij voor het venster zag, en de bergen in het verschiet behoorden niet tot haar huis en waren met hare gewaarwordingen in tegenspraak. Toen kwam hare vriendin binnen om naar haar te kijken, en toen wist zij dat de oude boot niet daar op het strand lag, maar ver weg was; toen wist zij waar zij was en hoe zij daar was gekomen, en barstte zij in snikken uit aan de borst van die goede vrouw, die zich nu, naar ik hoop, verlustigen mag in de lieve oogjes van haar kindje!”

Hij kon niet over dat goede mensch spreken, zonder dat de tranen in zijne oogen kwamen. Het was te vergeefs of hij al trachtte ze binnen te houden. Hij begon opnieuw te snikken en poogde den zegen over haar uit te spreken.

„Dat deed mijne Em'ly goed,” vervolgde hij zoo aangedaan, dat ik hem niet kon aanzien zonder in zijne ontroering te deelen, terwijl tante van ganscher harte meeschreide, „dat deed Em'ly goed en zij werd langzaam beter. De kennis van de taal van het land was echter verdwenen zoodat zij zich slechts door teekens verstaanbaar maken kon. Zoo leefde zij eenigen tijd voort, langzaam in krachten toenemende, terwijl zij haar best deed de namen te leeren van de haar omringende voorwerpen—het scheen haar toe alsof zij ze nooit gehoord had—totdat zij op zekeren avond voor het venster naar een klein meisje zat te kijken, dat op het strand aan het spelen was. Plotseling stak dat kind de hand uit en zei: „Visschersdochter, kijk eens wat een mooie schelp!” Gij moet weten dat zij haar eerst „Mooie dame!” noemden, maar dat zij den kinderen geleerd had haar „Visschersdochter” te noemen. Em'ly begreep wat het kind zei en barstte in tranen uit. Van dat oogenblik af stond het gansche verleden haar weder helder voor den geest.”

„Toen zij sterk genoeg was,” ging baas Peggotty, na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, voort, „besloot zij die goede, jonge vrouw te verlaten en naar haar eigen land terug te keeren. De man was teruggekomen en te zamen brachten zij haar aan boord van een koopvaardijscheepje, dat haar over Livorno naar Frankrijk zou brengen. Zij had nog een weinig geld, maar het was minder dan weinig dat zij wilden aannemen voor alles wat zij gedaan hadden. Ik ben daar bijna blijde om, hoewel zij zoo arm waren. Hetgeen zij aan onze ongelukkige Em'ly hebben gedaan is opgelegd daar, waar roest noch mot, dieven noch inbrekers het kunnen bereiken en het zal langer duren dan al de schatten der wereld, mijnheer Davy!”

„Em'ly ging naar Frankrijk en nam dienst in een logement in een der havensteden, ten einde reizende dames te bedienen. Op zekeren dag komt daar die schurk—Laat hij mij nooit onder de oogen komen. Ik zou niet weten wat ik hem zou kunnen doen!—Zoodra zij hem zag, zonder dat hij haar nog had gezien, ontvluchtte zij de lucht, die hij had ingeademd. Zij kwam naar Engeland en stapte te Dover aan wal. Ik weet niet waar de moed haar begon te ontzinken, maar gedurende de geheele reis had zij het voornemen naar haar huis.... haar dierbaar huis terug te keeren. Zoodra zij Engeland's grond onder de voeten had, richtte zij zich daarheen. Maar de vrees dat zij geen vergiffenis zou vinden, de vrees, dat men haar zou herkennen en nawijzen, de vrees dat wellicht een of meer van ons in dien tijd zouden gestorven zijn, deed haar bijna met geweld omkeeren. „Oom, oom!” zeide zij tegen mij, „de vrees dat ik niet meer waardig was te doen wat mijn verscheurd en bloedend hart zoo vurig verlangde te doen, was de ergste, die ik gekend heb. Ik keerde terug en bad God, dat ik naar den ouden drempel zou mogen kruipen om dien te kussen en er met het gezicht op te blijven liggen, den ganschen nacht dat men mij daar den volgenden morgen dood zou vinden!””

„Zij kwam,” vervolgde baas Peggotty met eene stem, die hoe langer hoe zachter werd alsof deze gedachte hem nog met ontzetting vervulde, „naar Londen. Zij, die Londen nooit had gezien..... zij kwam daar... alleen... zonder geld... jong... en mooi.... Nauwelijks had zij een voet in Londen gezet of zij vond zooals zij meende—eene vriendin; eene fatsoenlijk uitziende vrouw sprak haar aan en beloofde haar naaiwerk te zullen verschaffen, dat zij in voldoenden voorraad had; ook zou zij haar voor dien nacht huisvesting verleenen en den volgenden dag in het geheim onderzoek doen naar mij en naar haar oude tehuis. En toen mijn kind,” zei hij luid en met een gelaat, waarop niets dan innige dankbaarheid te lezen stond, „op den drempel stond van..... ik kan het niet noemen, het is erger dan ik kon zeggen of denken.... toen vervulde Martha hare belofte en redde haar!”

Ik kon een kreet van vreugde onmogelijk onderdrukken.

„Jongeheer Davy!” zei hij, mijne hand in zijne gespierde vuist nemende, „gij zijt de eerste geweest, die op het denkbeeld gekomen is om hare hulp in te roepen. Ik dank u daarvoor, mijnheer! Zij meende wat zij zeide. Uit haar eigen bittere ervaringen had zij geleerd waar zij de wacht moest houden. En dat heeft zij gedaan. En God de Heer was met ons. Bleek en gejaagd kwam zij bij Em'ly, die rustig sliep. „Sta op,” riep zij, „de dood is te verkiezen boven een leven in dit huis!” De eigenares van de woning wilde haar tegenhouden, maar zij had even goed kunnen trachten de zee tegen te houden. „Ga uit den weg”, riep zij, „ik ben een geest, die haar oproept uit haar geopend graf!” Zij vertelde Em'ly dat zij mij gesproken had, dat zij wist hoe lief ik haar had en dat ik niets liever zou doen dan haar vergiffenis schenken. Fluks hielp zij haar zich aankleeden en nam haar toen mede. Em'ly beefde van angst en Martha scheen om hetgeen men zeide even weinig te geven alsof zij geen ooren had. Zij liep met mijn kind tusschen hen door en had voor niets oogen dan voor haar en bracht haar midden in den nacht veilig en wel uit dien afgrond des verderfs.”

„Zij bleef voor Em'ly zorgen,” vervolgde baas Peggotty na mijne hand losgelaten en de zijne op zijne hijgende borst gelegd te hebben, „zij bleef voor Em'ly zorgen tot den volgenden dag. Em'ly was doodop van vermoeidheid en angst en lag nu en dan te ijlen. Daarna ging zij mij zoeken en vervolgens u, mijnheer Davy. Zij vertelde Em'ly niet waarom zij uitging, uit vrees dat haar het hart in de schoenen zou zinken en zij weer zou trachten zich te verbergen. Hoe die wreede dame wist dat zij hier was, weet ik niet. Of de man, over wien ik al meer gesproken heb, haar dat huis had zien binnengaan of—hetgeen waarschijnlijker is—dat hij hare verblijfplaats door die vrouw is te weten gekomen, daar vraag ik niet verder naar. Ik heb mijn nichtje terug. Den geheelen avond hebben wij bij elkander gezeten, Em'ly en ik. Weinig heeft zij gesproken in al dien tijd, want de tranen beletten haar het spreken; minder nog heb ik van haar gezichtje gezien, dat voortdurend tegen mijne borst rustte, waar het van een kindergezichtje tot een meisjesgezichtje geworden is. Maar den geheelen avond heb ik haar armen om mijn hals gevoeld en wij weten nu dat wij elkander weer vertrouwen kunnen ons leven lang.”

Hij zweeg en zijne hand bleef op de tafel rusten en zoo als die daar lag drukte ze zooveel vastberadenheid uit, als men er leeuwen mede zou hebben bedwongen.

„Het was een lichtstraal in mijn leven, Trot,” zei tante, hare oogen afdrogende, „toen ik het besluit nam peetmoeder te worden van uw zusje Betsey Trotwood, die mij zoo teleurstelde; maar daarna zou mij niets grooter genoegen hebben kunnen geven dan peet te worden over het kindje van die goede jonge vrouw!”

Baas Peggotty knikte alsof hij wilde te kennen geven dat hij zich in tante's gevoel kon verplaatsen, maar hij scheen zich niet toe te vertrouwen iets over het voorwerp van haar lof in het midden te brengen. Wij bewaarden alle drie het stilzwijgen en bleven met onze eigen gedachten bezig—tante droogde zich herhaaldelijk de oogen af en zat zenuwachtig te snikken en te lachen en noemde zich zelve een zottin—tot ik eindelijk weder het woord nam.

„Hebt gij al over de toekomst gedacht?” vroeg ik aan baas Peggotty. „Ik behoef dat eigenlijk niet te vragen.”

„Juist, mijnheer Davy,” antwoordde hij „en ik heb die ook al met Em'ly besproken. Er liggen nog groote landen aan de overzij—dáár ligt onze toekomst.”

„Wilt gij samen buitenslands gaan?” vroeg ik.

„Ja!” antwoordde baas Peggotty met een hoopvollen glimlach. „Niemand kan mijn lieveling in Australië iets verwijten. Wij zullen daar een nieuw leven beginnen.”

Ik vroeg of hij den tijd van vertrek al bepaald had.

„Ik ben van morgen in de vroegte naar de dokken geweest,” antwoordde hij, „om informaties in te winnen omtrent de vertrekkende schepen. Over zes weken of twee maanden zeilt er een uit. Ik heb het van morgen gezien.... ben aan boord geweest.... daarmede zullen wij de reis doen.”

„Alleen?” vroeg ik.

„Ja, mijnheer David!” antwoordde hij. „Mijne zuster, ziet ge, is zoo gehecht aan u en alles wat u betreft, en zoo gewoon om alleen aan haar eigen landje te denken, dat het haar moeielijk zou vallen mede te gaan. Bovendien heeft zij iemand, voor wien zij zorgen moet, dat mogen wij niet vergeten, mijnheer Davy.”

„Arme Ham!” zei ik.

„Mijne goede zuster heeft de zorg voor zijne huishouding op zich genomen, mevrouw,” zoo wendde hij zich tot tante, „zij houden veel van elkander. Met haar zal hij kalm praten als een ander zijne lippen onmogelijk zou kunnen openen. Arme kerel! Hij heeft niet zooveel overgehouden om het weinige, dat hij heeft, nog te kunnen missen.”

„En juffrouw Gummidge,” vroeg ik.

„Ja, die heeft mij heel wat hoofdbreken gekost, dat verzeker ik u,” antwoordde baas Peggotty met een verlegen gezicht, dat echter langzamerhand ophelderde terwijl hij sprak. „Gij weet, dat als juffrouw Gummidge aan ‚den oude’ denkt, zij niet is wat men aangenaam gezelschap noemt. Onder ons gezegd, mijnheer Davy en u, mevrouw, als juffrouw Gummidge begint te grienen—ik bedoel te schreien—zou zij door menschen, die den oude niet gekend hebben, voor lastig gehouden worden. Maar ik heb den oude gekend, en ik heb ook zijne deugden gekend, dus ik begrijp haar—maar dat kunnen anderen niet zoo, natuurlijk.”

Tante en ik moesten dit toestemmen.

„Daarom zou mijne zuster,” hernam baas Peggotty, „ik zeg niet dat zij het heeft, maar zij zou wel eens last met haar kunnen krijgen. Het is daarom mijn plan, juffrouw Gummidge niet aan die twee vast te meeren, maar eene gelegenheid voor haar te zoeken, waar zij op zich zelve kan omtobben. Ik zal daarom, voor ik vertrek, een som voor haar vastzetten, zoodat zij onbekommerd leven kan. O, zij is zoo'n trouw schepsel, maar men kan van iemand op haar leeftijd en vooral van iemand, die zich altijd zoo ongelukkig gevoelt, niet verwachten, dat zij zich aan boord en in de wildernis erg op haar gemak zal gevoelen. Dat heb ik met haar voor.”

Hij vergat niemand. Hij dacht aan ieders aanspraken en verdiensten, behalve aan zijn eigene.

„Em'ly,” ging hij voort, „zal bij mij blijven.... 't arme kind! Zij heeft wel wat rust noodig eer wij op reis gaan. Zij zal de kleeren maken, die wij noodig hebben, en ik hoop dat haar het doorgestane leed nog wat langer geleden zal schijnen nu zij weder bij haar ouden oom is, die haar zoo innig lief heeft.”

Tante knikte als wilde zij de verwachting, die hij koesterde, in hem versterken, waarvoor baas Peggotty haar dankbaar was.

„Er is nog iets, mijnheer Davy,” hernam hij, de hand in zijn borstzak stekende, waarna hij hetzelfde bundeltje papieren, dat ik op dien avond gezien had, op de tafel uitrolde, „hier zijn die banknoten.... vijftig pond en tien. Ik wenschte daarbij het geld te voegen dat zij medegenomen heeft toen zij heenging. Ik heb haar dat gevraagd, zonder te zeggen waarom, en heb het daarbij opgeteld. Maar ik ben geen vlugge rekenaar; wilt gij het daarom eens nakijken?”

Hij gaf mij met veel verontschuldigingen over het slechte schrift een stukje papier en sloeg mij gade terwijl ik het nakeek. Het was volkomen in orde.

„Dank u, mijnheer,” zei hij, toen hij het terugnam. „Als gij er niet tegen hebt, mijnheer Davy, zal ik een dag voor mijn vertrek dit geld aan zijn adres en het andere aan dat van zijne moeder opzenden. Ik zal haar in niet meer woorden dan ik het aan u doe vertellen waarvan dat geld de prijs is; en dan ben ik weg en kan zij het mij niet terugzenden.”

Ik zei dat hij daaraan naar mijne meening goed zou doen, dat ik er volkomen van overtuigd was, indien hij meende dat hij er goed aan deed.

Toen hij het pakje weder in den zak had gestoken hernam hij: „Ik zei dat er nog één ding te bespreken was, maar daar waren er twee. Ik was er, toen ik van morgen uitging, niet zeker van of ik zelf wel naar Ham zou gaan om hem te vertellen hoe gelukkig ik ben. Ik schreef hem daarom een brief en deed dien zelf op de post, om hem te vertellen hoe de zaken nu staan en dat ik morgen zou komen om het weinige te doen, dat daar nog gedaan moet worden en, wellicht voor altijd, afscheid te nemen van Yarmouth en het strand.”

„En zoudt gij nu gaarne willen dat ik met u medeging?” vroeg ik, omdat ik zag dat hij iets binnen hield.

„Zoo gij mij dezen vriendschapsdienst zoudt willen bewijzen, mijnheer Davy,” antwoordde hij, „ik weet dat uwe komst hem een weinig zou opvroolijken.”

Mijn kind-vrouwtje was in die dagen nog al wel en zij drong er op aan dat ik gaan zou, toen ik er met haar over sprak, zoodat ik gereedelijk er in toestemde hem te vergezellen. Den volgenden morgen zaten wij in de diligence en reden opnieuw langs den bekenden weg naar Yarmouth.

Toen wij des avonds door de van ouds bekende straat wandelden—niettegenstaande mijn tegenstribbelen droeg baas Peggotty mijn valies—kon ik niet nalaten even bij Omer en Joram binnen te kijken, en daar zat mijn oude vriend Omer zijn pijpje te rooken. Aangezien ik liever niet tegenwoordig was bij de eerste ontmoeting van baas Peggotty met zijne zuster en Ham, nam ik mijnheer Omer tot voorwendsel om achter te blijven.

„Hoe maakt mijnheer Omer het?” vroeg ik, den winkel binnengaande.

Hij blies den rook van zijn pijp weg, opdat hij mij beter zou kunnen zien, en herkende mij weldra tot zijne groote vreugde.

„Ik zou gaarne opstaan, mijnheer, ten einde mijne erkentelijkheid te toonen voor de eer van dit bezoek, maar mijn beenen zijn onbruikbaar, zoodat ik mij moet laten rijden. Behalve mijn adem en mijn beenen ben ik zoo gezond als iemand maar zijn kan. Ik ben dankbaar dit te kunnen zeggen.”

Ik wenschte hem geluk met zijne tevredene, vroolijke stemming en merkte tegelijkertijd op dat zijn leunstoel op wieltjes stond.

„Is dat niet schrander uitgevonden?” vroeg hij, de richting van mijne oogen volgende, terwijl hij met zijn mouw de zijleuning wat opwreef. „Dat rijdt zoo licht als een veer en blijft zoo goed in het spoor als een postwagen. Goede Hemel, de kleine Minnie—mijne kleindochter, begrijpt gij, Minnie's kind—zet hare kleine handjes maar tegen den rug, geeft den stoel een duw en dan gaan we, zoo handig en prettig als gij ooit iets gezien hebt. En bovendien is het de gemakkelijkste stoel van de wereld om eene pijp in te rooken.”

Nooit zag ik iemand van zijn leeftijd, die zich zoo goed in alle omstandigheden wist te schikken en van alles den beste kant wist te vinden als mijnheer Omer. Hij was zoo opgewekt alsof de stoel, zijn asthma en zijne lamme beenen alleen uitgevonden waren om hem gemakkelijk een pijp te laten rooken!

„Ik kan u verzekeren,” hernam hij, „dat ik in dezen stoel meer van de wereld zie dan ik ooit buiten dezen stoel gezien heb. Gij zoudt u verbazen over het groot aantal menschen, die dagelijks een praatje met mij komen maken. Dat zoudt gij zeker! Er staat tweemaal zooveel in de courant als vroeger, nu ik in dezen stoel moet zitten. Het is verbazend zooveel boeken als ik lees! En daarvoor ben ik zoo dankbaar! Wat had ik moeten beginnen, als mijn oogen ziek waren geworden? Nu zijn mijne beenen ziek, maar wat beteekent dat? Als ik mijne beenen gebruikte, was mijn adem altijd veel korter. En nu? Als ik de straat of het strand eens op wil, dan heb ik niets anders te doen dan Dick te roepen, Joram's jongste leerling, en voort gaat het in mijn eigen rijtuig, evenals de Lord Mayor van Londen!”

Hij lachte zoo hartelijk dat hij een oogenblik het gevaar liep van te stikken.

„Goede Hemel!” hernam hij, toen hij zijne pijp weder in den mond had, „men heeft vette en magere jaren; men moet zich daarnaar weten te schikken. Joram maakt beste zaken, uitmuntende zaken.”

„Het verheugt mij dat te hooren,” zei ik.

„Dat wist ik,” antwoordde mijnheer Omer.

„En Joram en Minnie doen nog altijd alsof zij gisteren getrouwd waren. Wat kan een mensch meer verlangen! Wat beteekenen die beenen in vergelijking daarmede?”

De trotsche minachting, waarmede hij over zijn beenen sprak, terwijl hij daar in zijn stoel zat te rooken, was een van de zonderlingste ondervindingen, die ik ooit heb opgedaan.

„En sinds ik begonnen ben boeken te lezen, zijt gij begonnen boeken te schrijven, nietwaar, mijnheer?” vroeg hij en keek mij daarbij met eenige bewondering aan. „Wat was dat laatste boek mooi! Wat zit daar veel in! Ik heb het heelemaal gelezen—van woord tot woord! En ik heb geen oogenblik slaap gevoeld.... geen oogenblik!”

Ik betuigde lachend mijne voldoening over deze goede beoordeeling van mijn boek, maar ik moest in stilte bekennen dat zulk een lof niet veel beteekende.

„Ik geef u mijn woord, mijnheer,” vervolgde mijnheer Omer, „dat toen ik het boek op de tafel legde en den omslag bekeek—drie deelen compres gedrukt—ik mij zoo trotsch voelde als Punch bij de gedachte, dat ik eenmaal de eer had gehad uwe familie zoo goed te kennen. Goede Hemel, wat is dat al lang geleden! Te Blunderstone nietwaar? Gij waart toen nog zoo klein!”

Ik bracht hem van dit onderwerp af door over Emily te beginnen. Na hem de verzekering te hebben gegeven dat ik niet vergeten had hoeveel belang hij altijd in haar gesteld en hoe vriendelijk hij haar behandeld had, deed ik hem het geheele verhaal van hare redding met Martha's hulp; ik wist dat hem dit genoegen zou doen. Hij luisterde met de grootste aandacht en toen ik geëindigd had, zei hij met ontroerde stem:

„Dat verheugt mij meer dan ik u zeggen kan, mijnheer. Het is het beste bericht dat ik in langen tijd heb gehoord. Goede Hemel! En wat zal er nu van die ongelukkige Martha worden?”

„Gij roert daar een onderwerp aan, mijnheer Omer, dat mij sinds gisteren voortdurend bezig houdt,” antwoordde ik, „doch waarover ik u thans geen nadere inlichtingen kan geven. Peggotty heeft het met geen woord aangeroerd en ik acht het onderwerp wel wat kiesch om er over te beginnen. Ik ben er echter zeker van dat hij Martha niet zal vergeten; hij is altijd zoo belangeloos en zoo goed.”

„Want, weet ge,” zei mijnheer Omer, „ik wil gaarne meedoen als er iets voor haar gedaan moet worden. Reken maar op mij en laat mij maar weten voor hoeveel. Ik heb nooit gedacht dat zij voor goed verloren zou zijn en het verheugt mij nu te vernemen dat zij het niet is. En mijne dochter Minnie zal er ook blij om zijn. Jonge vrouwtjes zijn in sommige dingen zonderlinge schepsels—hare moeder was precies als zij maar zij heeft hetzelfde goede, zachtmoedige hart als hare moeder. Zooals Minnie over Martha spreekt, meent zij niet wat zij zegt. Waarom zij het noodig vindt comedie te spelen is mij onbegrijpelijk, maar comedie—is 't. Zij zou haar in het geheim helpen als zij er toe in de gelegenheid was. Reken dus op mij en laat mij maar weten voor hoeveel. Zult gij 't niet vergeten? En laat mij ook met een enkel woord weten, waarheen ik het zenden kan. Och Hemel, als iemand den tijd nadert, waarin het begin en het einde tot elkander komen, wanneer men voor de tweede maal in een rolwagentje wordt rondgereden, dan mag men blij zijn als men nog iets goeds kan doen. Men heeft dan zelf zooveel goedheid van anderen noodig. En ik spreek niet in het bijzonder over mij zelven, mijnheer, want mijn levensbeschouwing is, dat wij, hoe oud of jong wij ook zijn, allen voortdurend op weg zijn naar het graf, omdat de tijd nooit stilstaat. Als wij dus iets goeds kunnen doen, dan moeten wij het niet nalaten. Zoo denk ik er over.”

Hij klopte de asch uit zijne pijp en legde deze op een plank, die daartoe opzettelijk aan den rug van zijn stoel was aangebracht.

„Daar hebt gij Emily's neef, met wien zij getrouwd zou zijn,” hernam mijnheer Omer zijne handen wrijvende, „dat is de beste kerel uit geheel Yarmouth. Hij komt mij hier telkens opzoeken en leest mij 's avonds somtijds een uur lang voor. Dat is zoo'n beste man, als er maar een is—de goedheid zelve.”

„Ik ga hem nu een bezoek brengen,” zei ik.

„Zoo? Zeg hem dan, dat ik het heel goed maak en breng hem mijne groeten. Minnie en Joram zijn naar eene danspartij. Zij zouden ook trotsch zijn op uw bezoek, al was het alleen maar om hun vader. Minnie had van avond niet uit willen gaan, maar, zei ik, dan ga ik om zes uur naar bed. En nu,” zei hij, zoo hartelijk lachend, dat de stoel begon te kraken, „en nu zijn Minnie en Joram aan het dansen!”

Ik schudde hem de hand en wenschte hem goeden nacht.

„Wacht nog een minuut, mijnheer,” zei mijnheer Omer, „als gij heengingt zonder mijn kleine oliphant gezien te hebben, hadt gij het mooiste gemist. Gij hebt nooit zoo iets gezien! Minnie!”

Bovenaan de trap antwoordde een welluidend stemmetje: „Ik kom, grootvader!” waarop een klein, mooi meisje met golvende krullen naar beneden kwam en den winkel binnentrippelde.

„Dit is mijn klein oliphantje, mijnheer,” zei mijnheer Omer, terwijl hij het kind liefkoosde. „Een echte Siamees, mijnheer! Nietwaar, klein oliphantje?”

Het kleine oliphantje opende de deur van de kamer achter den winkel, zoodat ik kon opmerken, dat deze kamer was ingericht tot slaapkamer voor mijnheer Omer, die moeilijk naar boven kon gebracht worden; daarna verborg zij haar lieve kopje en hare lange krullen achter den stoel van mijnheer Omer.

„De oliphant stoot wel eens met den kop, mijnheer,” zei mijnheer Omer. „Wel, oliphantje, één, twee, drie!”

Op dit signaal draaide het oliphantje met eene handigheid, die ik bij zulk een klein kind niet verwacht zou hebben, den stoel van mijnheer Omer om en rolde dien in een oogwenk naar de slaapkamer, zonder den deurpost ook maar even te raken; mijnheer Omer genoot van dit kunststuk zijner kleindochter en keek zegevierend naar mij om, alsof hiermede op den arbeid van zijn geheele leven de kroon was gezet.

Na eene wandeling door de stad kwam ik bij de woning van Ham. Peggotty had nu voor goed bij hem haar intrek genomen en haar huisje met kar en paard vrij goed aan den nieuwen voerman op Blunderstone verkocht. Bedrieg ik mij niet dan was hetzelfde oude, luie paard nog altijd in dienst.

Ik vond de geheele familie in den zindelijken keuken bijeen; ook juffrouw Gummidge was door baas Peggotty zelven gehaald uit de oude schuit. Ik twijfel er aan of iemand anders haar zou hebben kunnen overhalen om haar post te verlaten. Blijkbaar had hij hun alles verteld. Zoowel Peggotty als juffrouw Gummidge zat met den boezelaar voor de oogen en Ham was juist uitgegaan om wat frissche lucht te zoeken aan het strand. Toen hij een oogenblik later terugkwam, was hij blijde mij te zien en ik meen wel te mogen aannemen dat mijne tegenwoordigheid hun allen goed deed. Er werden zelfs grappen ten beste gegeven over baas Peggotty's reis naar het vreemde land, waar hij, zooals wij zeiden, goud wilde zoeken; en reeds verheugden wij ons op de wonderen, die hij ons uit dat land in zijne brieven zou meedeelen. Wij noemden geen van allen Emily's naam, maar toch bleef zij niet onbesproken. Ham was de kalmste van allen.

Peggotty vertelde mij, toen zij mij naar een kamertje had gebracht, waar het krokodillenboek voor mij gereed lag, dat Ham altijd dezelfde was. Zij geloofde—zij vertelde mij dat met tranen in de oogen—dat hij nog altijd gebukt ging onder den slag, die hem getroffen had, hoewel hij vol moed en altijd even zachtzinnig was en harder werkte dan eenige scheepstimmerman op welke werf ook. Het gebeurde wel eens, vertelde zij, dat Ham des avonds over Emily sprak; maar dan was het altijd over hare kinderjaren. Over den tijd, toen zij volwassen was, bewaarde hij het stilzwijgen.

Ik meende op zijn gezicht gelezen te hebben dat hij mij alleen wenschte te spreken, waarom ik besloot hem den volgenden avond, wanneer hij van zijn werk kwam, te gemoet te gaan. Na dit plan gemaakt te hebben viel ik in slaap. Dien nacht, voor het eerst na zulk een langen tijd, brandde de kaars niet in het venster van de oude boot, waar baas Peggotty in zijn hangmat sliep en de wind als van ouds om zijn hoofd suisde.

Den geheelen volgenden dag besteedde hij aan den verkoop van de boot en van zijn vischtuig, pakte alles wat hem van dienst kon zijn bijeen, om het met den vrachtwagen naar Londen te zenden en deed het overige van de hand of schonk het aan juffrouw Gummidge. Deze was den geheelen dag om en bij hem. Aangezien ik een weemoedig verlangen had om de oude boot nog eens te zien, eer ze gesloten werd, sprak ik met baas Peggotty af, dat ik dien avond bij hem zou komen; maar ik regelde het zoo, dat ik eerst Ham ontmoette. Dit was gemakkelijk genoeg, want ik wist waar zijne werkplaats lag. Ik kwam hem tegen op een afgelegen hoekje van het strand, dat hij moest oversteken en keerde met hem terug, zoodat hij de gelegenheid had om met mij te spreken, indien hij dat verkoos. Ik had mij niet vergist, want wij hadden nog slechts een korten afstand afgelegd, toen hij zonder mij aan te kijken zeide:

„Mijnheer Davy, hebt gij haar gezien?”

„Eén oogenblik slechts, toen zij in zwijm lag,” antwoordde ik zachtjes.

Wij wandelden voort. „Mijnheer Davy,” begon hij weder, „denkt gij haar te zullen zien?”

„Zou dat niet te pijnlijk voor haar zijn?” vroeg ik.

„Dat heb ik ook gedacht, mijnheer,” antwoordde hij, „dat zou het zeker, dat zou het zeker.”

„Maar, Ham,” hernam ik, „indien ik haar wellicht iets zou kunnen schrijven... indien er iets is, dat ik haar uit uw naam zou kunnen schrijven, dan zou ik het eene heilige taak achten dat te doen, ja, dan zou ik zoo noodig met haar gaan spreken.”

„O, ja, daarvan ben ik overtuigd. Ik dank u, mijnheer, ik dank u hartelijk voor uwe vriendelijkheid. Ik geloof wel dat er iets is, dat ik haar gaarne zou zeggen of schrijven.”

„Zoo, wat dan?”

Wij wandelden weder eenigen tijd zwijgend voort en toen zei hij:

„Het is niet dat ik haar vergiffenis wil schenken, maar ik wilde haar verzoeken mij te vergeven dat ik haar ooit met mijne genegenheid ben lastig gevallen. Menigmaal denk ik dat als zij niet de belofte had afgelegd om met mij te trouwen, zij mij wellicht als vriend haar vertrouwen geschonken en mij verteld zou hebben wat er in hare ziel omging; dat zij mij misschien raad gevraagd en dat ik haar gered zou hebben.”

Ik drukte hem de hand. „Is dat alles?” vroeg ik.

„Er is nog iets,” antwoordde hij, „als ik maar wist hoe ik het zeggen moest, mijnheer Davy.”

Wij wandelden nu nog verder door dan wij reeds geweest waren, eer hij weder begon te spreken. Hij schreide niet in de tusschenpoozen, die ik door streepjes zal aanduiden; hij deed alleen zijn best om zich zoo nauwkeurig mogelijk uit te drukken.

„Ik had haar lief—en ik heb hare nagedachtenis nog lief—te lief om haar te kunnen doen gelooven dat ik gelukkig ben. Ik zou alleen gelukkig kunnen zijn als ik haar kon vergeten—en toch zou ik er niet toe kunnen komen haar te laten zeggen dat ik haar vergeten heb.—Maar indien gij, mijnheer Davy, die zoo geleerd zijt, haar kondt doen gelooven dat ik het mij niet zoo heel erg heb aangetrokken, dat ik haar nog wel liefheb en om haar treur; indien gij haar zoudt kunnen doen gelooven dat ik nog aan het leven hecht en hoop haar nog eens terug te zien, zonder smet of blaam, daar waar de goddeloozen niet meer woelen en de vermoeiden rust vinden—indien gij haar iets zoudt kunnen zeggen of schrijven dat haar gerust zal stellen, zonder dat de gedachte ooit in haar zou kunnen opkomen, dat ik nog eens zou kunnen trouwen of dat ooit iemand voor mij zou kunnen zijn, wat zij voor mij was—ik wilde u vragen of gij haar dat zoudt willen zeggen—met mijn zegen voor haar—van wie ik zoo innig veel hield.”

Ik drukte zijne ruwe hand nog eens en beloofde hem, dat ik trachten zou mij zoo goed mogelijk van deze taak te kwijten.

„Dank u,” antwoordde hij. „Het was heel vriendelijk van u mij tegemoet te komen. En het was ook vriendelijk van u hem te vergezellen. Mijnheer Davy, ik begrijp heel goed, dat, al zal mijne tante naar Londen gaan om hem uitgeleide te doen, ik hem niet meer zien zal. Ik ben daar bijna zeker van. Wij spreken dat wel niet uit, maar het zal toch zoo zijn en—het is beter zoo. Als gij hem voor de laatste maal de hand drukt—voor de allerlaatste maal—wilt gij hem dan den dank overbrengen van den wees, voor wien hij een vader geweest is?”

Ook dit beloofde ik getrouw te zullen volbrengen.

„Dank u nogmaals,” zei hij en schudde mij hartelijk de hand. „Ik weet waar gij heengaat. Goeden avond!”

Hij wuifde even met de hand, alsof hij wilde te kennen geven, dat hij de oude boot niet meer betreden kon en ging heen. Toen ik hem nakeek, terwijl hij eenzaam in den maneschijn langs het strand liep, zag ik hem het hoofd wenden naar de lichtende streep op de zee. Al voortloopende bleef hij er naar kijken, zoolang ik hem zien kon.

De deur van de boot stond open, toen ik naderbij kwam en binnentredende zag ik, dat alle meubels verdwenen waren behalve een van de oude bankjes, waarop juffrouw Gummidge plaats had genomen met een mandje aan den arm. Zij keek naar baas Peggotty's gelaat, die met den elleboog op den schoorsteenmantel geleund stond en aandachtig de bijna uitgebrande kolen in den haard gadesloeg. Toen hij mij zag, helderde zijn gelaat op en zei hij op een toon, die vrij opgeruimd klonk:

„Zoo, mijnheer Davy, komt gij volgens afspraak afscheid nemen van ons oude huis? Het ziet er hier nu ongezellig uit, hé?”

„Gij hebt dien tijd blijkbaar goed gebruikt,” antwoordde ik.

„Ja, wij hebben niet geluierd, mijnheer. Juffrouw Gummidge heeft gewerkt als een.... ja, ik weet niet, waarbij ik juffrouw Gummidge moet vergelijken, zoo ijverig is ze,” zei baas Peggotty, haar aanziende.

Juffrouw Gummidge leunde zwijgend op haar mand.

„Dat is hetzelfde bankje; waarop gij gewoon waart met Em'ly te zitten,” hernam baas Peggotty fluisterend. „Dat is het laatste wat ik medeneem. En daar is uw oude slaapkamertje, mijnheer Davy, kijk! Het ziet er van avond al heel ongezellig uit!”

En waarlijk, de wind, hoewel niet hevig, suisde klagend door de ledige woning. Alles was weg, zelfs het kleine spiegeltje met de lijst van oesterschelpen. Ik dacht aan den nacht toen ik daar gelegen had na de eerste groote verandering in het huis mijner moeder. Ik dacht aan mijne verrukking van dat blauwoogige kind. Ik dacht aan Steerforth en de dwaze vrees kwam in mij op, dat hij wellicht in de buurt zou zijn en mij bij den eersten hoek, dien ik omsloeg, zou tegenkomen.

„Het zal wel lang duren,” merkte baas Peggotty op, „eer de boot weer nieuwe bewoners zal hebben. Ze heeft nu den naam gekregen dat men er ongelukkig moet worden.”

„Behoort ze aan iemand in de buurt?” vroeg ik.

„Aan een mastenmaker in de stad,” antwoordde baas Peggotty. „Ik breng hem van avond den sleutel.”

Wij wierpen nog een blik in het andere kamertje en keerden toen terug naar juffrouw Gummidge, die nog altijd op het bankje zat. Baas Peggotty verzocht haar op te staan, ten einde het bankje naar buiten te brengen eer hij de kaars snoot, die op den schoorsteenmantel stond.

„Daniël,” zei juffrouw Gummidge, haar hand los latende en zijn arm nemende, „de laatste woorden, die ik in dit huis spreek zijn deze: Gij moogt mij niet achterlaten. Denkt gij er over, Daniël, mij achter te laten? Dat moogt gij niet doen.”

Baas Peggotty was ten hoogste verbaasd en keek van juffrouw Gummidge naar mij en van mij weder naar haar, alsof hij plotseling uit den slaap ontwaakte.

„Doe het toch niet, Daniël, doe het toch niet!” riep juffrouw Gummidge zenuwachtig uit.

„Neem mij met u mee, Daniël, neem mij met u mee, met Em'ly! Ik zal u trouw en ijverig dienen. Indien er slaven zijn in dat land, waarheen gij gaat, zal ik mij verbinden uwe slavin te zijn, maar laat mij niet achter, Daniël. Doe dat toch niet! Ik kan niet gelukkig meer zijn als gij mij achterlaat! Daniël, beste man!”

„Maar, goede ziel,” antwoordde baas Peggotty hoofdschuddend, „gij weet niet welk eene lange reis het is en welk een moeielijk leven wij zullen hebben.”

„Ja, dat weet ik, Daniël, dat kan ik wel gissen,” riep juffrouw Gummidge. „Maar mijn laatste woorden in dit huis zullen zijn, dat ik gaan zal waarheen gij mij zendt, om te sterven. Ik kan wel spitten, Daniël. Ik kan wel werken. Ik kan wel ontberingen verdragen. Ik kan wel zachtzinnig en geduldig zijn, Daniël, beter dan gij denkt, als gij 't maar met mij wildet probeeren. Ik raak de toelage, die gij voor mij bestemd hebt, Daniël, niet aan, al zou ik ook van honger sterven: maar ik wil met u en Em'ly meegaan, al was het naar het andere einde van de wereld! Ik weet wel waarom het is; gij denkt, dat ik nog steeds zoo'n jammerlijk ongelukkig schepsel ben; maar, beste man, dat ben ik niet meer. Ik heb hier niet zoo lang over uw verdriet zitten nadenken zonder dat het mij goed heeft gedaan. Och, jongeheer Davy, doe toch een goed woord voor mij; ik ken zijne gewoonten en die van Em'ly en ik ken hun verdriet en kan een troost voor hen zijn en altijd voor hen werken. Daniël, beste Daniël, laat mij met u meegaan!”

Juffrouw Gummidge nam zijne hand en kuste die met ongekunstelde aandoening, met ongekunstelden eerbied en dankbaarheid, die hij zoo ten volle verdiende.

Wij brachten het bankje naar buiten, bliezen de kaars uit, sloten de deur en gingen heen, de oude boot ledig en eenzaam achterlatende, als een donkere plek op het door de maan verlichte strand. Den volgenden dag keerden wij naar Londen terug en op het achterste bankje van de diligence zat juffrouw Gummidge, stralend van geluk.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LII

Ik woon eene uitbarsting bij.

Toen wij nog vierentwintig uur verwijderd waren van het tijdstip, door mijnheer Micawber op zulk eene geheimzinnige wijze aangeduid, bespraken tante en ik hetgeen ons te doen stond, want tante wilde Dora liever niet alleen laten. O, wat droeg ik haar in deze dagen gemakkelijk de trap op!

Hoewel mijnheer Micawber gezegd had prijs te stellen op de tegenwoordigheid van tante, kwamen wij nu toch maar overeen, dat zij thuis zou blijven en door mijnheer Dick en mij vertegenwoordigd worden. Zoo hadden wij reeds besloten, toen Dora ons besluit aan het wankelen bracht, door te verklaren, dat zij het zich zelve, noch haar ondeugenden man ooit vergeven zou, indien tante onder welk voorwendsel ook thuis bleef.

„Ik spreek geen woord met u,” zeide zij, hare krullen schuddende. „Ik zal zoo onaangenaam zijn als ik maar kan. Ik zal Jip den geheelen dag tegen u ophitsen. Ik zal zeggen, dat gij werkelijk een lastig oud mensch zijt, als gij niet meegaat!”

„Tut, tut, Bloesempje!” zei tante lachend. „Gij weet wel, dat gij 't niet zonder mij stellen kunt.”

„Ja, dat kan ik heel goed,” antwoordde Dora. „Gij zijt tot niets nut hier. Gij loopt den geheelen dag de trap niet voor mij op of af. Gij zit nooit bij mij en vertelt mij nooit van Doady, toen zijne schoenen heelemaal kapot waren en hij zelf zoo vuil en zoo stoffig was—dat arme, kleine ventje! Gij doet nooit iets om mij te believen, is 't wel?” Dora haastte zich tante te kussen en zei: „Ik zeg het maar uit de grap, hoor! Gij zijt een best, lief mensch!”—alsof tante een oogenblik dacht, dat zij het werkelijk meende!

„Maar, tante,” vervolgde zij nu ernstig, „luister nu eens. Gij moet gaan. Ik zal u zoo lang plagen, tot gij toch eindelijk mijn zin doet. Ik zal het mijn ondeugenden jongen zoo lastig maken, dat hij u wel mee moet nemen. Ik zal zoo onaangenaam zijn als ik maar kan—en Jip ook! Gij zult het wezenlijk betreuren als gij niet gegaan zijt! Maar,” ging zij voort, terwijl zij hare krullen naar achteren wierp en tante en mij nieuwsgierig aankeek, „waarom zoudt gij niet allebei gaan? Ik ben toch niet zoo erg ziek, ben ik wel?”

„Wat een vraag!” riep tante.

„Wat een verbeelding!” riep ik.

„Ja, ik weet wel dat ik een klein, dom ding ben,” zei Dora, terwijl zij ons om beurten aankeek en haar lippen tot een kus vooruitstak. „Welnu, dan moet gij ook beiden gaan, anders geloof ik u niet en dan begin ik te schreien.”

Ik zag op tante's gezicht dat zij op het punt was om te zwichten en Dora's oogen begonnen te glinsteren, toen zij het ook opmerkte.

„Wat zult gij mij veel te vertellen hebben als gij terugkomt, zóóveel dat ik wel een week zal noodig hebben om alles te begrijpen. Ik weet wel dat als er geldzaken in het spel zijn, ik het nooit zal begrijpen. En er zullen zeker geldzaken in het spel zijn! Al heb ik maar iets op te tellen, dan weet ik niet hoe ik er mij uit zal redden, en dan kijkt die ondeugende man van mij altijd zoo vreeselijk boos! Ziezoo, gij gaat nietwaar? Gij blijft immers maar één nacht uit en Jip zal wel op mij passen. Doady zal mij voor gij heengaat naar boven dragen en gij neemt voor Agnes een vreeselijk boozen brief mede, omdat zij nooit bij ons is gekomen.”

Zonder verdere beraadslagingen besloten wij te gaan en kwamen wij tot het besluit dat Dora een kleine bedriegster was, die veinsde ziek te zijn om door ons vertroeteld te worden. Zij verheugde zich over haar succes en was heel vroolijk; en met ons vieren, d. w. z. tante, mijnheer Dick, Traddles en ik, vertrokken wij dienzelfden avond met de diligence naar Canterbury.

In het hôtel, waar mijnheer Micawber ons ontboden had, vonden wij niet zonder eenige moeite midden in den nacht logies en reeds lag daar een brief van mijnheer Micawber aan mijn adres, mij meldende dat hij den volgenden morgen prompt te half tien ons zijne opwachting zou komen maken. Daarna begaven wij ons door allerlei donkere gangen, die roken alsof ze eeuwen lang in soep- en stalgeuren waren geweekt, naar onze kamers.

Al vroeg in den morgen slenterde ik in de schaduw van de ouderwetsche poorten en kerken door de oude welbekende straten. De kraaien zweefden boven de kerktorens en deze zelve, hoog boven de vruchtbare streek en de tallooze rivieren, staken hare spitsen in de heldere morgenlucht, alsof alles op de aarde onveranderlijk was. Toch herinnerden mij de klokken, toen ze begonnen te luiden, op droevige wijze aan de waarheid, dat er niets bestendig is hier beneden; ze vertelden mij van hun eigen ouderdom, van Dora's jeugd, van de velen, die nooit oud waren geworden, die geleefd en geliefd hadden en gestorven waren, van den Zwarten Prins, wiens wapenrusting sinds eeuwen daar in dat kerkgebouw was opgehangen en aan zooveel meer....

Ik sloeg een blik op het oude huis op den hoek van de straat, maar kwam er niet te dicht bij, opdat ik niet onwetend de zaak, waarvoor wij gekomen waren, zou schaden. De morgenzon bescheen met hare schuinsche stralen de gevels en dakvensters als met een gouden gloed; en deze stralen schenen iets van den ouden vrede in mijn hart wakker te roepen.

Ongeveer een uur lang wandelde ik door de velden en keerde toen door de hoofdstraat terug, die gedurende dezen tijd alle sporen van den nacht scheen afgeschud te hebben. Onder degenen, die in hunne winkels bezig waren, ontdekte ik ook mijn ouden vijand, den slager, thans opgeklommen tot kaplaarzen en een kindje, dat hij zoo zachtzinnig mogelijk in slaap suste. Hij scheen een eigen zaak te hebben en een waardig lid der maatschappij te zijn.

Toen wij aan het ontbijt zaten, verkeerden wij allen in eene nieuwsgierige, ongeduldige stemming en toen wij al dichter en dichter half tien naderden, keken wij met ingespannen verwachting naar mijnheer Micawber uit. Eindelijk veinsden wij niet langer dat het ontbijt ons nog bezig hield, waaraan, behalve mijnheer Dick, niemand veel eer bewezen had. Tante wandelde de kamer op en neer, Traddles zat op de sofa en deed alsof hij in een courant las, terwijl hij zijne oogen op den zolder gericht hield; en ik keek uit het venster ten einde van de nadering van mijnheer Micawber kennis te geven. Ik behoefde niet lang te wachten, want met den eersten slag van half tien sloeg hij den hoek van de straat om.

„Daar is hij!” riep ik, „en niet in zijn gewone kleeding.”

Tante maakte den strik van haar hoed vast—zij was met den hoed op beneden gekomen—en deed haar shawl om op eene wijze alsof zij zich slagvaardig maakte. Traddles knoopte met een vastberaden gezicht zijn jas dicht en mijnheer Dick, door al deze weinig goeds voorspellende verschijnselen in de war gebracht, vond het noodzakelijk ze na te volgen en trok zijn hoed met beide handen zoo ver over zijn ooren als hij kon, maar oogenblikkelijk daarna nam hij zijn hoofddeksel weer af, teneinde mijnheer Micawber te begroeten.

„Goeden morgen, heeren, goeden morgen, mevrouw,” zei mijnheer Micawber, terwijl mijnheer Dick zich van een zijner handen had meester gemaakt en die geweldig schudde.

„Hebt gij al ontbeten?” vroeg hij.

„Neem een karbonade.”

„Voor al het geld ter wereld niet, beste heer!” riep mijnheer Micawber, terwijl hij mijnheer Dick, die op weg was naar de schel, tegenhield; „eetlust en ik zijn elkander vreemd in den laatsten tijd, mijnheer Dixon.”

Mijnheer Dixon voelde zich zoo gestreeld door dezen nieuwen naam en scheen het zoo beleefd te vinden van mijnheer Micawber om hem dien te geven, dat hij opnieuw zijne hand begon te schudden en bijna kinderlijk lachte.

„Dick!” zei tante, „opgelet!”

Mijnheer Dick ging met een kleur naar zijne plaats.

„Nu, mijnheer,” zei tante, terwijl zij hare handschoenen aantrok, „wij zijn gereed om naar den Vesuvius te gaan of waarheen elders gij ons brengen wilt; liefst zoo spoedig mogelijk.”

„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik onderstel, dat gij zoo straks getuige zijn zult van eene uitbarsting. Ik meen de toestemming te hebben verkregen, mijnheer Traddles, te vermelden, dat wij met elkander in briefwisseling geweest zijn.”

„Het is inderdaad zoo, Copperfield,” zei Traddles, dien ik met verbazing aankeek. „Mijnheer Micawber heeft mij geraadpleegd betreffende hetgeen hij thans voornemens is te doen; en ik heb hem den besten raad gegeven, dien ik geven kon.”

„Bedrieg ik mij niet, mijnheer Traddles,” hernam mijnheer Micawber, „dan is hetgeen ik voornemens ben van het hoogste gewicht.”

„Zeer zeker,” antwoordde Traddles.

„Wellicht zult gij mij, mevrouw en mijne heeren, onder zulke omstandigheden de gunst willen bewijzen,” hervatte mijnheer Micawber, „u gedurende eenige oogenblikken over te geven aan de leiding van iemand, die, hoewel onwaardig om anders beschouwd te worden dan als een wrak op den oceaan des levens, toch uw medemensch is; die, ten gevolge van eigen misgrepen en van de opeenstapeling van noodlottige omstandigheden zijn natuurlijken vorm verloren heeft.”

„Wij stellen volkomen vertrouwen in u, mijnheer Micawber,” zei ik, „en zullen gaarne alles doen wat u aangenaam zijn kan.”

„Mijnheer Copperfield,” hernam hij, „uw vertrouwen is in het bestaande tijdsgewricht niet misplaatst. Ik verzoek u mij toe te staan op de klok af vijf minuten vooruit te mogen gaan, en u dan aan het kantoor van Wickfield en Heep—alwaar gij moet vragen naar mejuffrouw Wickfield—te mogen ontvangen.”

Tante en ik keken Traddles aan, die goedkeurend knikte.

„Op dit oogenblik heb ik niets hierbij te voegen,” zei mijnheer Micawber, waarna hij tot mijne groote verbazing, voor ons allen te gelijk eene buiging maakte en verdween; zijne houding was gedwongen en zijn gelaat zeer bleek.

Traddles glimlachte en schudde het hoofd—zijn haar stond kaarsrecht op zijn hoofd—toen ik hem aankeek met een vragenden blik; ik haalde daarom mijn horloge te voorschijn en begon de vijf minuten te tellen. Tante deed op haar horloge hetzelfde. Toen ze voorbij waren, bood Traddles haar zijn arm aan en gezamenlijk gingen wij naar het oude huis zonder een woord te wisselen.

Wij vonden daar mijnheer Micawber aan zijne schrijftafel in het uitgebouwde kantoortje; hij zat te schrijven of deed alsof hij schreef. Hij had de groote kantoorliniaal in zijn vest gestoken, maar er kwam nog wel een voet van dit instrument boven uit.

Aangezien het mij voorkwam als verwachtte hij dat ik zou beginnen te spreken, vroeg ik op luiden toon:

„Hé, mijnheer Micawber, hoe maakt gij 't?”

„Ah, mijnheer Copperfield,” antwoordde hij met iets gemaakts in zijne stem, „het doet mij genoegen u wel te zien.”

„Is juffrouw Wickfield thuis?” vroeg ik.

„Mijnheer Wickfield ligt ziek te bed, mijnheer; hij heeft rheumatische koortsen,” antwoordde hij, „maar juffrouw Wickfield zal blijde zijn eenige oude vrienden te zien. Komt gij niet binnen?”

Hij ging ons voor naar de eetkamer—het eerste vertrek dat ik in het huis had betreden—en de deur van het voormalige kantoor van mijnheer Wickfield openende, riep hij met luid klinkende stem:

„Mejuffrouw Trotwood, mijnheer David Copperfield, mijnheer Thomas Traddles en mijnheer Dixon!”

Ik had Uriah Heep niet gezien nadat ik hem die muilpeer had toegediend. Blijkbaar verbaasde hem ons bezoek; naar ik vermoed niet het minst omdat wij zelven er verbaasd over waren. Hij trok de wenkbrauwen niet te zamen, want hij had geen wenkbrauwen, ten minste niet noemenswaard; maar hij fronste het voorhoofd zoo sterk dat zijn kleine oogen zich bijna sloten, terwijl de haastige beweging van zijne uitgedroogde hand naar zijne kin verlegenheid en verrassing beide verried; alleen echter op het oogenblik dat wij binnentraden en ik hem over tante's schouders gadesloeg. Een oogenblik later was hij kruipender en nederiger dan ooit.

„Wel, sapperloot!” zei hij. „Dat is een onverwacht genoegen! Zoo opeens al mijne vrienden uit Londen—als ik dat maar zoo eens zeggen mag—voor mij te zien, mag ik wel eene verrassing noemen! Hoe maakt gij het, mijnheer Copperfield en.... als ik zoo vrij mag zijn.... hoe maakt het mevrouw Copperfield? Is zij vooruitgaande? Wij hebben ons zeer ongerust gemaakt bij de slechte berichten, die wij laatst ontvingen; wees daarvan verzekerd.”

Ik schaamde mij toen ik hem toestond mijne hand te nemen, maar ik wist niet wat ik doen moest.

„De toestanden zijn wel veranderd op het kantoor, sinds ik een eenvoudig klerkje was en uw pony vasthield, nietwaar juffrouw Trotwood?” zei hij met zijn walgelijksten glimlach. „Maar ik ben niet veranderd, juffrouw Trotwood.”

„Wel, mijnheer,” antwoordde tante, „om u de waarheid te zeggen, ik vermeen dat gij u trouw hebt gehouden aan hetgeen gij in uwe jeugd beloofdet; indien u dit eenig genoegen kan doen.....”

„Dank u, juffrouw Trotwood,” zei Uriah, terwijl hij zich kronkelde als een slang, „ik dank u voor de goede opinie, die gij van mij hebt. Micawber laat juffrouw Agnes eens waarschuwen en.... moeder. Moeder zal verrukt zijn als zij verneemt welk gezelschap er is!” voegde hij er bij, terwijl hij stoelen gereed zette.

„Hebt gij het niet te druk, mijnheer Heep?” vroeg Traddles, die opmerkte met welk een loerenden valschen blik hij ons te gelijk bespiedde en ontweek.

„Neen, mijnheer Traddles,” antwoordde Heep, terwijl hij op zijn kantoorstoel plaats nam en zijne beenige handen, met de palmen tegen elkander gedrukt, tusschen zijne magere knieën plaatste, „niet zoo, als ik wel wenschen kon; maar notarissen, haaien en bloedzuigers zijn niet spoedig tevreden, begrijpt ge! Mijnheer Micawber en ik hebben over het algemeen de handen vol, omdat mijnheer Wickfield geheel ongeschikt is tot eenig werk. Het is echter een genoegen zoowel als een plicht om voor hem werkzaam te zijn. Gij kent mijnheer Wickfield niet van nabij, nietwaar, mijnheer Traddles? Ik zelf meen slechts éénmaal de eer gehad te hebben u te ontmoeten?”

„Neen, mijnheer Heep, ik heb mijnheer Wickfield niet van nabij gekend; anders had ik u ongetwijfeld reeds vroeger een bezoek gebracht.”

Er lag iets in den toon, waarop dit antwoord gegeven werd, dat Uriah den spreker opnieuw deed aankijken met een donkeren, achterdochtigen blik. Het goedhartige, eenvoudige gezicht van Traddles en de steile haren stelden hem echter blijkbaar gerust; want terwijl hij zijn lichaam, maar vooral zijn hals akelig wrong, antwoordde hij:

„Dat spijt mij, mijnheer Traddles. Gij zoudt hem, evenals ik een bewonderenswaardig man gevonden hebben. Zijne kleine gebreken ziet men als van zelf over het hoofd ter wille van zijn goede hart. Maar als gij den lof van mijn compagnon op welsprekender wijze wilt hooren verkondigen, dan moet gij mijnheer Copperfield eens naar hem vragen. Hij koestert warme genegenheid voor de geheele familie.”

Ik werd door de komst van Agnes, die door mijnheer Micawber werd binnengeleid, verhinderd op dit compliment te antwoorden. Zij was niet zoo kalm als gewoonlijk, naar het mij toescheen; zij maakte den indruk van angstige gejaagdheid. Hare hartelijkheid, hare schoonheid, haar ernst kwamen echter des te meer uit.

Terwijl zij ons welkom heette zag ik dat Uriah elke harer bewegingen, elk harer woorden aandachtig bespiedde; hij deed mij daarbij aan den duivel denken. Intusschen hadden mijnheer Micawber en Traddles een teeken gewisseld en onopgemerkt, behalve door mij, ging Traddles de kamer uit.

„Gij behoeft niet te wachten Micawber,” zei Uriah.

Mijnheer Micawber stond met de hand aan de liniaal in zijn borstzak rechtop voor de deur en keek zijn patroon onafgebroken in het gelaat.

„Waar wacht gij op?” vroeg Uriah. „Hebt gij niet gehoord, Micawber, dat gij niet behoeft te wachten?”

„Jawel,” antwoordde mijnheer Micawber en bleef onbewegelijk staan.

„Maar waarom wacht gij dan?” herhaalde Uriah.

„Omdat.... kortom, omdat ik het verkies,” antwoordde mijnheer Micawber op heftigen toon.

Uriah's wangen hadden plotseling alle kleur verloren; hij sloeg mijnheer Micawber nauwlettend gade, terwijl zijne ademhaling hoe langer hoe korter werd en geen spier in zijn gelaat rustig bleef.

„Je bent een verloopen kerel, dat weet iedereen,” zei hij met een poging om te glimlachen, „ik vrees zelfs verplicht te zullen zijn je weg te zenden. Ga heen! Ik zal straks wel met je spreken.”

„Indien er één schurk op de wereld is,” antwoordde mijnheer Micawber, plotseling toornig uitbarstende, „met wien ik veel te veel gesproken heb in mijn leven, dan is het—Heep!”

Uriah viel bijna achterover van zijn kantoorstoel alsof hij een slag of een steek had gekregen. Daarna keek hij ons een voor een aan met eene dreigende, kwaadaardige uitdrukking op zijn gelaat en zei toen:

„Zoo! Is dit een komplot? Zijt gij hier volgens afspraak bijeengekomen? Is dat een onderstoken kaart met mijn klerk, mijnheer Copperfield? Pas maar op! Het zal u niet lukken! Wij kennen elkaar, gij en ik! Wij kunnen elkaar niet uitstaan! Gij waart altijd een trotsch manneke, van den eersten stap, dien gij in dit huis deedt! Gij zijt jaloersch op mij omdat ik er bovenop ben gekomen, nietwaar? Maak maar geen komplot tegen mij; ik ben gewapend! Ga heen, Micawber! Ik zal straks met jou wel afhandelen!”

„Mijnheer Micawber,” zei ik, „het schijnt dat er plotseling eene verandering met dezen kerel heeft plaats gehad, want hij vertoont zich nu in zijne ware gedaante. Maak het kort met hem!”

„Het staat u mooi,” zei Uriah steeds met dezelfde afschuwelijke stem, terwijl hij zich met zijne lange, magere hand de zweetdruppels van het voorhoofd wischte, „gemeene zaak te maken met mijn klerk, die tot het schuim der maatschappij behoort—evenals gij, Copperfield, voor zich eene liefdadige hand over u ontfermde—om mij te bekladden! Juffrouw Trotwood, gij hadt beter gedaan u tegen dit plan te verzetten, want ik zou de gangen van uw man wel eens scherper kunnen nagaan dan u lief is. Ik ben niet voor niets uwe geschiedenis te weten gekomen!—Juffrouw Wickfield, indien gij uw vader werkelijk liefhebt, zult gij het best doen om u niet met dien troep in te laten. Ik zal hem tot den bedelstaf brengen! Komt maar op! Ik heb sommigen van u toch in mijn macht! Bedenkt u tweemalen eer gij met mij begint! Bedenk je tweemalen, Micawber, als gij niet verpletterd wilt worden. Ik raad u terug te treden nu het nog tijd is, dwaas die gij zijt! Straks zal ik met je afhandelen! Waar is moeder?” vroeg hij, plotseling de afwezigheid van Traddles opmerkende. „'t Is mooi in iemand's eigen huis!”

„Juffrouw Heep is hier, mijnheer,” zei Traddles terugkeerende met de waardige moeder van een waardigen zoon. „Ik ben zoo vrij geweest mij aan haar voor te stellen.”

„Waartoe was dat noodig?” hernam Uriah. „Wat doet gij eigenlijk hier?”

„Ik ben de gevolmachtigde en de vriend van mijnheer Wickfield, mijnheer,” zei Traddles, zoo kortaf als een man van zaken maar zijn kan. „Ik heb een volmacht van hem in mijn zak om voor hem op te treden als procureur.”

„De oude ezel heeft zijn geheele verstand verdronken”, zei Uriah, met een gezicht, zoo afstootelijk als ik nog ooit van hem gezien had, „die volmacht is hem onder bedriegelijke voorwendsels afgeperst.”

„Ik weet dat hem sommige dingen onder bedriegelijke voorwendsels zijn afgeperst,” antwoordde Traddles bedaard; „en dat weet gij ook, mijnheer Heep. Indien gij het goed vindt, zullen wij mijnheer Micawber daarover eens raadplegen.”

„Ury...!” riep juffrouw Heep met zichtbaren angst.

„Houd uw mond, moeder,” antwoordde hij, „hoe minder men zegt, hoe minder men heeft te verantwoorden.”

„Maar, Ury....”

„Wilt ge uw mond houden, moeder, en alles aan mij overlaten?”

Ofschoon ik altijd wel geweten had dat zijne slaafsche onderwerping valsch, dat zijne vriendelijkheid gehuicheld was, had ik mij toch niet kunnen voorstellen welk een schurk er achter het masker, dat hij nu afwierp, verborgen was. De vlugheid, waarmede hij dit deed, toen hij tot het besef kwam dat alle verzet nutteloos was; de boosaardigheid, de haat, die hij ten toon spreidde, het gezicht, waarmede hij zich zelfs op dit oogenblik verheugde in het kwaad, dat hij had gesticht—in weerwil hij zich verloren voelde en niet meer wist om zelfs te trachten ons te overbluffen—dat alles verbaasde mij niettegenstaande de ondervinding, die ik van hem had opgedaan, niettegenstaande ik hem reeds zoo lang kende en zulk een innigen afschuw van hem had.

Ik zwijg over den blik, dien hij mij toewierp toen hij ons een voor een in de oogen trachtte te zien; want ik had altijd geweten dat hij mij haatte en ik zag op zijne wang nog het merkteeken van de muilpeer, die ik hem had toegediend. Maar toen ik zijn blik zich naar Agnes zag richten, toen ik de verbeten woede zag, waarmede hij zijne macht over haar voelde ontglippen, terwijl in zijne teleurstelling nog zoo duidelijk de vurige hartstocht te herkennen was, die hem beheerscht had bij het verlangen naar eene vrouw, wier deugden hij nooit zou hebben kunnen waardeeren, ontstelde ik louter bij de gedachte dat Agnes zoo lang binnen het bereik van dien man had geleefd.

Nadat hij eenigen tijd zijn kin gewreven en ons over zijne beenige vingers heen een voor een aangekeken had, wendde hij zich nog eens op half huilende, half hoonende toon tot mij:

„Gij acht het dus gerechtvaardigd, Copperfield, gij, die het hoofd zoo hoog draagt, dat ik in mijn eigen huis word aangevallen en door mijn klerk gespionneerd? Had ik dat gedaan dan zou ik er mij niet over verbaasd hebben, want ik geef mij niet uit voor een „gentleman”—hoewel ik niet van de straat ben opgeraapt, zooals gij, volgens mijnheer Micawber's verhaal—maar dat gij zooiets doet! En gij zijt niet bevreesd voor de gevolgen? Denkt gij er in het geheel niet aan wat ik zou kunnen doen als tegenweer, dat gij in de grootste moeilijkheden zoudt kunnen komen wegens het maken van komplot? Goed! Wij zullen zien! Mijnheer... hoe heet gij ook weer?.... gij wildet Micawber eenige vragen doen. Daar staat hij! Waarom laat gij hem nu niet praten? Hij kent zijn les.... dat zie ik al.”

Aangezien Uriah wel zag dat hetgeen hij zei noch op mij, noch op een van de anderen eenige uitwerking had, bleef hij met de handen in den zak op den hoek van de tafel zitten; hij had zijne magere beenen over elkander geslagen en wachtte zoo met een norsch gezicht de dingen af, die komen zouden.

Ik had de grootste moeite gehad om mijnheer Micawber ten minste eenigszins bedaard te houden; telkens was hij Uriah in de reden gevallen met de eerste lettergreep van scha-vuit, zonder het tot de tweede te kunnen brengen; maar nu barstte hij plotseling los trok de liniaal uit zijn borstzak—waarschijnlijk als een wapen om zich mede te verdedigen—en haalde een lang opgevouwen papier te voorschijn. Met den gewonen zwier opende hij het document, keek den inhoud even door met een gezicht, alsof hij een kunstgenot smaakte bij het doorbladeren en begon toen als volgt te lezen:

„Waarde juffrouw Trotwood, Waarde Heeren!”

„De Hemel beware den man!” zei tante zachtjes, „hij zou brieven schrijven, al stond er de doodstraf op!”

Mijnheer Micawber verstond haar niet en ging voort:

„Terwijl ik voor u verschijn als aanklager van den meest doortrapten booswicht, die wellicht ooit heeft bestaan”—zonder van den brief op te kijken, wees mijnheer Micawber met zijne liniaal naar Uriah Heep—„verzoek ik u geen verschooning voor mij zelven. Van mijne wieg af ben ik het slachtoffer geweest van finantiëele verplichtingen, waaraan ik niet in staat was te voldoen, en dientengevolge de prooi van de meest vernederende omstandigheden. Schande, gebrek, wanhoop en krankzinnigheid zijn te zamen of ieder afzonderlijk mijne metgezellen geweest op mijn loopbaan.”

De voldoening, waarmede mijnheer Micawber zich zelven beschreef als een slachtoffer van al deze rampspoeden, werd door niets geëvenaard dan door de emphase, waarmede hij zijn brief voorlas, en door de wijze, waarop hij met zijn hoofd hulde bracht aan den schrijver, wanneer hij meende een bijzonder indrukwekkenden volzin voorgelezen te hebben.

„Schande, gebrek, wanhoop en krankzinnigheid brachten mij op het kantoor—onze levendiger Gallische naburen zouden zeggen, bureau—van de firma, in naam gevoerd door Wickfield en Heep, doch in werkelijkheid beheerd door.... Heep alleen. Heep, Heep alleen is de drijfveer van de machine. Heep en Heep alleen is de falsaris en de bedrieger.”

Uriah was na deze woorden lijkwit geworden en deed een greep naar de brief, als wilde hij dien in stukken scheuren; doch met verbazende behendigheid of bij toeval trof mijnheer Micawber zijne knokkels zoo hevig met de liniaal, dat Uriah's hand langs zijn lichaam neerviel alsof ze gebroken was. De slag klonk alsof hij een stuk hout geraakt had.

„De Duivel hale je!” zei Uriah zich krommende van de pijn. „Ik zal met je afrekenen, dat beloof ik je.”

„Nader mij nog eens als gij durft, gij... Heep... gij samenraapsel van ongerechtigheden... gij... Heep! En als ge een hoofd hebt als een gewoon mensch zal ik het verpletteren. Kom op! Kom op!”

Ik geloof niet ooit iets zoo bespottelijks gezien te hebben—zelfs op dat oogenblik werkte het op mijn lachspieren—zooals mijnheer Micawber daar stond te schermen met zijn liniaal, roepende: „Kom op! Kom op!” terwijl Traddles en ik hem achteruit trokken in een hoek van de kamer, waaruit hij telkens weder tot den aanval oprukte.

Zijn vijand zat binnensmonds te mompelen en bond, na zijne gekwetste hand gewreven te hebben, den zakdoek er omheen; daarna hield hij die met de andere hand vast en bleef zwijgend naar den grond zitten staren.

Toen mijnheer Micawber weder eenigszins tot kalmte was gekomen, ging hij voort:

„Het salaris, dat mij in dienst deed treden van... Heep”—hij moest telkens even wachten eer hij dien naam kon uitspreken, maar dan deed hij het ook met volle kracht—„was voorloopig bepaald op niet meer dan tweeëntwintig en een halven shilling per week. Mijne verdere verdiensten zouden afhangen van de waarde mijner dienstbetooning, in andere, duidelijker woorden: van de laagheid van mijn karakter, van mijne baatzucht, van mijne armoede, van de algemeene zedelijke—of liever onzedelijke—overeenkomst tusschen mij en... Heep. Behoef ik nog te zeggen dat ik spoedig in de noodzakelijkheid werd gebracht een voorschot op mijn salaris te vragen van... Heep, ten einde mevrouw Micawber en mijne ongelukkig doch snel aanwassende familie van het noodige te voorzien? Behoef ik nog te zeggen dat deze noodzakelijkheid was voorzien door... Heep? Dat deze voorschotten werden gedekt door schuldbekentenissen in optima forma, geheel volgens de wetten en bepalingen, welke daaromtrent in ons land zijn vastgesteld? Dat ik op deze wijze geheel en al gewikkeld werd in het net, dat geknoopt voor mijne ontvangst gereed lag?”

Mijnheer Micawber's vreugde over de welsprekendheid, waarmede hij zijn eigen ongelukkigen toestand beschreef, scheen werkelijk op te wegen tegen al de ellende en al den angst, welke hij dientengevolge had moeten doorstaan.

Hij las voort:

„Toen eerst begon.... Heep.... mij met juist zooveel vertrouwen te begunstigen als noodig was om hem bij zijne helsche plannen van dienst te kunnen zijn. Toen begon ik—om eene uitdrukking van Shakespeare te gebruiken—langzamerhand te kwijnen, te versmelten. Ik besefte dat mijn diensten voortdurend gevraagd werden om allerlei vervalschingen te bewerkstelligen ten nadeele van iemand, dien ik voorloopig nog zal aanduiden als mijnheer W. Hem vooral moest voortdurend zand in de oogen worden gestrooid. Op alle mogelijke wijzen werd die mijnheer W. misleid, bedrogen, onkundig gelaten; terwijl intusschen de schurk... Heep... dankbaarheid en vriendschap huichelde voor dienzelfden zwaar benadeelden heer W. Dit was zeker heel erg, maar... er is meer. Het is niet mijn voornemen aan dezen brief zulk eene uitbreiding te geven, dat ik daarin wensch op te nemen eene gedetailleerde opgave—deze ligt trouwens elders gereed—van de verschillende kwade praktijken van geringen omvang, waarvan de persoon, dien ik mijnheer W. genoemd heb, het slachtoffer is geweest en waarin ik stilzwijgend medeplichtig was. Mijn oogmerk was, toen mij de keuze werd gelaten tusschen salaris en geen salaris, tusschen bakker en geen bakker, tusschen leven en van honger sterven, om mijn voordeel te doen van alle gelegenheden, waarbij ik tot de ontdekking kon komen van grootere nadeelen, waarvan bedoelde heer W. het slachtoffer was, van meer schurkenstreken, gepleegd door.... Heep. Aangespoord door eene waarschuwende stem in mijn binnenste, en door eene niet minder roerende en dringende vermaanster van buiten—die ik kortheidshalve zal aanduiden als mejuffrouw W.—nam ik de niet gemakkelijke taak op mij om in het geheim een onderzoek in te stellen, dat zich thans naar mijn beste weten uitstrekt over een tijdvak van twaalf achtereenvolgende maanden.”

Hij las dit alles voor alsof het een parlementsacte was en de klank van zijn eigen woorden scheen hem te verkwikken en aan te moedigen.

„Mijne beschuldigingen tegen.... Heep,” las hij verder, terwijl hij zijn vijand bespiedde en de liniaal onder het bereik van zijn linkerhand hield, „zijn de volgende:”

Ik geloof dat wij allen onzen adem inhielden, maar dat Uriah het deed, weet ik zeker.

„Primo,” las mijnheer Micawber. „Toen het geheugen en de vermogens van mijnheer W. tengevolge van oorzaken, waarvan de nasporing door mij ongewenscht mag geacht worden, verzwakten en verward raakten, heeft.... Heep.... de zaken van het kantoor opzettelijk in verwarring gebracht en ingewikkeld gemaakt. Wanneer mijnheer W. het minst geschikt was om zaken te behandelen werd hij door.... Heep juist gedwongen zich er mede in te laten. Heep verkreeg in zulke omstandigheden mijnheer W.'s handteekening onder de gewichtigste documenten, terwijl hij het liet voorkomen alsof ze in het minst niet belangrijk waren. Op deze wijze haalde hij mijnheer W. over, ja, dwong hem eene som gelds, die hem was toevertrouwd, van twaalf duizend zeshonderd veertien pond, twee shillings en negen stuivers te bezigen tot het betalen van schulden en het dekken van tekorten in de zaak, die nooit bestaan hebben of reeds lang te voren waren afgedaan. Bovendien gaf hij aan deze handelwijze den schijn alsof ze geheel en al en met oneerlijke bedoelingen door mijnheer W. was bedacht en ten uitvoer gebracht; en maakte er telkens gebruik van om mijnheer W. te kwellen en te dwarsboomen.”

„Dat zult gij bewijzen!” zei Uriah, dreigend het hoofd schuddende. „Wacht maar!”

„Vraag eens aan.... Heep, wie er na hem in zijn huisje gewoond heeft, mijnheer Traddles,” riep mijnheer Micawber, zijn lectuur stakende, „wilt ge?”

„De gek zelf.... en woont er nog,” zei Uriah op minachtenden toon.

„Vraag.... Heep .... of hij in dat huis ook een zakboekje heeft achtergelaten,” zei mijnheer Micawber, „wilt ge?”

Ik zag hoe Uriah's beenige hand onwillekeurig zijn kin losliet.

„Of vraag hem,” hernam mijnheer Micawber, „of hij er ooit een verbrand heeft in dat huisje? Indien hij ja zegt en vraagt waar de asch gebleven is, laat hij zich dan tot Wilkins Micawber wenden, dan zal hij iets vernemen, dat hem zeker niet aangenaam zijn zal!”

De zegevierende houding waarin mijnheer Micawber deze woorden uitsprak, maakte zulk een indruk op Uriah's moeder dat zij zenuwachtig uitriep:

„Ury! Ury! Wees nederig en tracht de zaak te schikken, beste!”

„Moeder!” antwoordde hij, „wilt gij wel eens zwijgen! Gij laat u bang maken en weet niet wat gij zegt! Nederig!” herhaalde hij, met een kwaadaardigen blik in mijne richting. „Ik heb eenigen van hen wel nederig weten te maken, zoo nederig als ik zelf was.”

Mijnheer Micawber verborg zijn kin weder in zijn boorden en ging voort met lezen.

„Secundo. Heep heeft naar mijn beste weten bij verschillende gelegenheden...”

„Maar ik wil dat niet langer aanhooren!” mompelde Heep. „Moeder, houd uw mond!”

„Wij zullen u dingen laten hooren, die voor goed uw wil zullen buigen; mijnheer,” zei mijnheer Micawber.

„Secundo. Heep heeft naar mijn beste weten bij verschillende gelegenheden opzettelijk en met bedriegelijke oogmerken de handteekening van mijnheer W. in boeken en onder acten nagemaakt en meer bepaald bij ééne gelegenheid, waarvan de bewijzen door mij, Wilkins Micawber, kunnen geleverd worden. Te weten, op de volgende wijze aldus:”

Nog eens, mijnheer Micawber schepte er bepaald behagen in zooveel mogelijk woorden te gebruiken, zooals hij altijd gewoon was geweest en zooals meer menschen gewoon zijn. Ik heb dat meermalen in mijn leven van verschillende personen opgemerkt. Het schijnt mij zelfs regel toe. Zoo, bijvoorbeeld, bij het afleggen van eeden, schijnen zij, die daartoe geroepen worden, bijzonder behagen te scheppen in eene opeenvolging van krachtige uitdrukkingen, die alle hetzelfde denkbeeld vertolken—verfoeien, afzweren, verafschuwen, enz.; de oude anathema's werden op dezelfde wijze smakelijk gemaakt. Wij spreken van de tyrannie der woorden, maar wij tyranniseeren ze zelve ook; wij houden er gaarne een overvloed van groote woorden op na bij sommige plechtige gelegenheden; wij meenen dat het deftig is en fraai klinkt. Evenmin als wij bij plechtige gelegenheden nauwgezet zijn op de beteekenis van onze livreien, als wij er maar mede kunnen pronken en als ze maar talrijk zijn, zoo schijnt ook de beteekenis van de woorden, die wij gebruiken, van ondergeschikt belang, als ze maar groot zijn en deftig klinken. En evenals er personen in ongelegenheid zijn gekomen door te veel met hunne livrei te pronken, zoo ken ik een volk, dat in groote moeielijkheden geraakt is en nog geraken zal, indien het zulk een uitgebreid woordenboek blijft gebruiken.

Mijnheer Micawber las voort; hij smakte bijna met de lippen.

„Te weten, op de navolgende wijze, aldus: Aangezien mijnheer W. ziekelijk was en de waarschijnlijkheid bestond dat zijn overlijden aanleiding zou kunnen geven tot onthullingen, die mijnheer Heep's macht over de familie W. zou kunnen schaden... ja, zou kunnen vernietigen—zooals ik ondergeteekende Wilkins Micawber op mij neem te bevestigen—tenzij heimelijk gebruik kon worden gemaakt van de kinderlijke liefde der dochter om een onderzoek naar den stand der zaken te voorkomen, heeft gezegde... Heep het verstandig geacht eene schuldbekentenis gereed te hebben, waarin mijnheer W. aan... Heep verklaart schuldig te zijn de genoemde som van twaalfduizend zes honderd veertien pond twee shillingen en negen stuivers met de interest. Deze som zou Heep geleend hebben aan mijnheer W. ten einde laatstgenoemde van openlijke schande te redden; er is echter geen woord van waar. De handteekening op dit document, volgens den inhoud van mijnheer W. en door Wilkins Micawber met de zijne bekrachtigd, zijn beide valsch en door... Heep vervaardigd. Ik heb in mijn bezit een zakboekje van... Heep, waarin verscheidene dergelijke nabootsingen van mijnheer W.'s handteekening, hoewel door het vuur beschadigd, te vinden en nog goed leesbaar zijn. Ik zelf heb een dergelijk document nooit onderteekend. En ik heb ook het document in mijn bezit.”

Uriah Heep sprong ontsteld op, haalde een bos sleutels te voorschijn en opende een zeker laadje; eensklaps bedacht hij zich echter en bleef ons, zonder in de lade te kijken, aanstaren.

„En ik heb ook het document in mijn bezit,” herlas mijnheer Micawber, in het rond kijkende alsof hij den tekst van eene preek voorlas, „dat is te zeggen, ik had het tot heden morgen in mijn bezit, doch heb het thans aan den Heer Thomas Traddles overhandigd.”

„Dat is waar,” zei Traddles.

„Ury, Ury!” riep de moeder, „wees toch nederig en tracht alles in der minne te schikken. Ik weet dat mijn zoon nederig zijn zal, heeren, indien gij hem tijd geeft om te denken. Mijnheer Copperfield, gij weet best hoe nederig hij altijd geweest is!”

Het was eigenaardig te zien hoe de moeder aan het oude kunstje gehecht bleef; niettegenstaande de zoon het reeds lang als nutteloos had opgegeven.

„Moeder,” zei hij, ongeduldig in den zakdoek om zijne gewonde hand bijtend, „gij deed beter een geladen geweer op mij af te schieten.”

„Maar ik heb u lief, Ury,” riep juffrouw Heep. Ik twijfel niet of zij deed dit ook en hij had haar ook lief, hoe vreemd het schijnen moge..... hoewel, zij pasten volkomen bij elkander.

„Ik kan het niet uitstaan dat gij de heeren zoo tart en u zelven nog meer in gevaar brengt. Ik heb den heeren, zoodra zij mij boven vertelden dat alles aan het licht was gekomen, gezegd dat ik voor uwe nederigheid instond en dat gij zeker boete zoudt doen. O, ziet toch, hoe nederig ik ben, heeren, en let niet op hem!”

„Nu moeder, daar is Copperfield?” antwoordde hij toornig, terwijl hij mij, dien hij voor den aanstoker hield, met zijne magere vingers aanwees,—ik liet hem in dien waan—„daar is Copperfield; hij zou u zeker wel honderd pond hebben willen geven voor nog minder dan gij gezegd hebt.”

„Ik kon het niet helpen, Ury,” riep zijne moeder, „maar ik kan u ook niet zoo het gevaar in den mond zien loopen door het hoofd zoo hoog te dragen.”

Hij bleef eenigen tijd op zijn zakdoek bijten en zei toen met een boosaardigen blik naar mij: „Wat hebt gij nog meer tegen mij in te brengen? Ga voort! waarom kijkt gij mij zoo aan?”

Mijnheer Micawber haastte zich zijn, brief weder op te nemen, blijde dat hij de voorlezing kon vervolgen.

„Tertio en ten laatste. Ik ben thans bij machte aan te toonen uit.... Heep's.... valsche boeken en.... Heep's.... geheime aanteekeningen, beginnende met het gedeeltelijk vernietigde zakboekje—op het oogenblik dat het door mevrouw Micawber gevonden werd ter plaatse, waar de asch van onzen huiselijken haard verzameld wordt, begreep ik er niets van—dat de zwakheden, de gebreken, ja zelfs de deugden, de vaderlijke genegenheid, het eergevoel van den ongelukkigen mijnheer W. jaren lang gebezigd zijn, misbruikt zijn om.... Heep's lage oogmerken te dienen. Mijnheer W. is jaren lang bedrogen en geplunderd, op alle denkbare wijzen, ten einde den schraapzuchtigen en inhaligen.... Heep.... te verrijken. Het voornaamste doel van.... Heep.... was, behalve dit verrijken, mijnheer en juffrouw W.—over zijne verdere oogmerken ten opzichte van deze laatste bewaar ik het stilzwijgen—geheel in zijne macht te krijgen.

„Voorts kan ik nog aantoonen dat zijn laatste handeling, eenige maanden geleden voltooid, niet meer of minder was dan mijnheer W. te bewegen om afstand te doen van zijn aandeel in de zaak, ja zelfs om het meubilair van dit huis te verkoopen, tegen betaling van eene zekere som op den eersten dag van elk kwartaal. Ik weet ook dat de strik, waarin mijnheer W. gevangen was, datzelfde nauwer werd toegehaald; zoo door onrustbarende, vervalschte rekeningen van het landgoed, waarvan mijnheer W. de rentmeester is, en wel op een tijdstip, waarin mijnheer W. zich gewaagd had in onvoorzichtige en slecht berekende speculaties en niet in het bezit was van het geld, waarvoor hij wettig en zedelijk verantwoordelijk was; zoo door voorgewende geldleeningen tegen hoogen interest, afkomstig van.... Heep en op bedriegelijke wijze door.... Heep aan mijnheer W. opgedrongen; voorts nog door tallooze gewetenlooze schurkenstreken meer.... tot de ongelukkige mijnheer W. ten einde raad was. Hij meende alles verloren te hebben: zijn geld, zijne hoop, zijne eer en in deze omstandigheden was zijn eenige toeverlaat: dit monster in menschengedaante.”—Mijnheer Micawber was blijkbaar zeer ingenomen met deze laatste uitdrukking—„die, door zich onmisbaar voor hem te maken, hem in het verderf had gestort. Dit alles heb ik op mij genomen te bewijzen. Wellicht volgt er nog meer!”

Ik fluisterde Agnes, die naast mij zat te schreien—zoowel van vreugde als van droefheid—eenige woorden toe, terwijl er eenige beweging onder ons ontstond alsof mijnheer Micawber geëindigd had. Met buitengewone deftigheid zei hij echter: „Pardon,” en ging toen op half neerslachtigen, half blijden toon over tot het lezen van het slot van zijn brief.

„Ik nader nu het einde. Er blijft mij nu niets meer over dan mijne beschuldigingen met bewijzen te staven en dan met mijne door het noodlot vervolgde familie te verdwijnen uit een wereld, waarin wij blijkbaar overtollig zijn. Dat zal spoedig genoeg plaatshebben. Het is redelijker wijze te verwachten dat onze jongste, als het zwakste lid van de familie, het eerst uit gebrek aan voedsel zal sterven en dat onze tweelingen de een na den ander zullen volgen. Zoo zij het! Wat mij zelf aangaat, mijn pelgrimstocht naar Canterbury heeft mij veel kwaad gedaan; eene opsluiting volgens de burgerlijke rechtspraak en gebrek zullen het overige doen. Ik vertrouw dat de arbeid en het gevaar verbonden aan een onderzoek, waarvan de geringste gegevens tusschen drukke werkzaamheden door en gebukt gaande onder finantiëele zorgen, bij het aanbreken van den morgen, in schemeravond of in het holle van den nacht, onder het bespiedend oog van dezen Duivel moest worden bijeengegaard, zullen zijn als eenige welriekende droppelen op mijn graf. Meer vraag ik niet. Laat men ter wille van de rechtvaardigheid van mij hetzelfde zeggen als van zekeren beroemden zeeheld, met wien ik mij niet vermeten zal te wedijveren, dat ik wars van alle baatzuchtige oogmerken slechts gehandeld heb uit liefde.

For England, Home, and Beauty.

Als altijd, enz. enz.

WILKINS MICAWBER.”

Zeer aangedaan, doch met zichzelven blijkbaar tevreden, vouwde mijnheer Micawber den brief dicht en gaf dien met eene buiging aan mijne tante over als iets, dat zij misschien wel wilde bewaren.

Zooals ik vroeger heb meegedeeld bij de beschrijving van mijn eerste bezoek, was er een ijzeren brandkast in de kamer. De sleutel stak er in. Bij Uriah scheen plotseling een vermoeden op te komen, want met een blik op mijnheer Micawber ging hij er heen en wierp de deuren open. De kast was ledig.

„Waar zijn de boeken?” riep hij met een woedend gezicht. „De boeken zijn gestolen!”

Mijnheer Micawber sloeg zich met de liniaal op de borst en zei: „Dat heb ik gedaan, toen ik als gewoonlijk—ofschoon iets vroeger—den sleutel bij u haalde.”

„Maak u niet ongerust,” zei Traddles. „Ze zijn in mijn bezit en ik zal ze in bewaring houden volgens de volmacht, waarvan ik reeds melding maakte.”

„Gij hebt gestolen goed in uw bezit!” riep Uriah.

„Indien gij dat zoo noemen wilt, mij goed,” antwoordde Traddles.

Hoe groot was mijne verbazing toen ik tante, die tot nu toe doodstil had zitten luisteren, plotseling zag opstaan en Uriah met beide handen bij den kraag vatten!

„Gij weet wel wat ik nu van u eisch!” riep zij.

„Ja, een kamer in het gekkenhuis.”

„Neen! Mijn eigendom!” antwoordde tante. „Agnes, lieve, zoolang ik in de meening verkeerd heb dat mijn geld werkelijk door uw vader was zoek gemaakt, heb ik er over gezwegen.... zelfs tegen Trot, zooals hij wel weet, heb ik er geen woord van gerept dat ik het aan uw vader gegeven had om het voor mij te beleggen. Maar nu ik weet dat deze kerel er verantwoordelijk voor was, wil ik het terug hebben. Kom, Trot, neem het hem af!”

Of tante onderstelde dat hij haar geld in zijn das verborgen had, durf ik niet zeggen; maar zij trok er zoo hevig aan alsof het werkelijk zoo was. Ik haastte mij tusschen beiden te treden en tante te verzekeren, dat wij allen ons best zouden doen om hem alles, wat hij zich op onrechtvaardige wijze had toegeëigend, te laten teruggeven. Deze verklaring stelde haar na eenig nadenken tevreden; maar zij was volstrekt niet verlegen over hetgeen zij gedaan had en ging doodkalm weer zitten.

Gedurende de laatste minuten had juffrouw Heep haar zoon op luidruchtige wijze vermaand om toch nederig te zijn en was voor ons allen een voor een op de knieën gevallen, terwijl zij de meest dwaze beloften deed. Haar zoon liet haar op een stoel plaats nemen en hield haar bij den arm vast, zonder eenig ruwheid of hardheid, terwijl hij mij met een kwaadaardigen blik toeriep:

„Wat wilt gij dat er gedaan zal worden?”

„Ik zal u vertellen wat er gedaan moet worden!” zei Traddles.

„Heeft die Copperfield geen tong?” mompelde Uriah. „Ik zou veel voor u willen doen, indien iemand mij met zekerheid vertellen kon dat die was uitgesneden.”

„Mijn Uriah zal wel nederig zijn!” riep zijne moeder. „Slaat geen acht op hetgeen hij zegt, beste heeren!”

„Hetgeen gedaan moet worden,” hernam Traddles, „is dit: Allereerst moet gij mij de bewuste schuldbekentenis overhandigen... nu, dadelijk.”

„En als ik die niet heb!” riep Uriah.

„Gij hebt die in uw bezit,” hernam Traddles. „Wij storen ons volstrekt niet aan uwe bewering van het tegendeel.”

Ik kan niet nalaten te bekennen, dat dit de eerste maal was, dat ik het heldere verstand en het kalme, bedaarde optreden van mijn ouden schoolmakker recht liet wedervaren.

„Daarna,” ging Traddles voort, „moet gij u gereed houden om alles uit te leveren wat gij u hebt toegeëigend, alles—tot den laatsten penning. Alle boeken en papieren van de firma moeten in ons bezit overgaan, evenzoo al uwe boeken en papieren, al het geld, alle rekeningen en quitantiën, zoo van de firma als van u. Kortom—alles.”

„Moeten? Dat weet ik volstrekt niet,” zei Uriah. „Gij moet mij den tijd laten om er over na te denken.”

„Zeker,” antwoordde Traddles, „intusschen en totdat alles naar ons genoegen geregeld is, zullen wij al die dingen in bewaring houden en u verzoeken liever gezegd dwingen—in uw eigen kamer te blijven en met niemand eenige gemeenschap te houden.”

„Dat doe ik niet,” zei Uriah met een vloek.

„De gevangenis van Maidstone zou zeker veiliger plaats zijn,” gaf Traddles ten antwoord, „en ofschoon de wet wellicht langen tijd noodig zal hebben om ons recht te verschaffen, zal zij zonder twijfel straffen. Goede Hemel, dat weet gij zoo goed als wij! Och, Copperfield, loop eens naar Guildhall en haal een paar politie-agenten!”

Nu barstte juffrouw Heep opnieuw uit en smeekte Agnes op haar knieën om voor hem in de bres te springen, terwijl zij uitriep, dat hij zoo nederig was en dat als hij niet deed wat wij verlangden, zij het zou doen en nog veel meer van dien aard; de angst voor haar lieveling bracht haar bijna tot wanhoop. Te vragen wat hij zou gedaan hebben als hij maar een weinigje moed had gehad, zou gelijk staan met de vraag wat een straathond zou doen als hij den aard van een tijger had. Hij was een lafaard van top tot teen en liet zijne lafhartigheid door zijne boosaardigheid en zijn spijt heen blijken, meer nog dan hij ooit in zijn verachtelijk leven gedaan had.

„Halt!” riep hij mij toe, terwijl hij zijn verhit gelaat met de hand afveegde. „Maak toch zoo'n rumoer niet, moeder! Welnu! Ga die schuldbekentenis dan maar halen en geef ze hun!”

„Wilt gij haar helpen, mijnheer Dick”, zei Traddles.

Trotsch op zijn opdracht, die mijnheer Dick volkomen begreep, vergezelde hij haar en bleef zoo trouw naast haar als een schaapherdershond bij zijn schapen. Juffrouw Heep bezorgde hem weinig last, want zij keerde niet alleen terug met het bewuste papier, maar zelfs met de cassette, waarin het geborgen was met een kasboek en eenige papieren, die ons later te pas kwamen.

„Goed!” zei Traddles, toen dit gebracht was. „Nu kunt gij heengaan, mijnheer Heep, en de zaken overdenken: onthoud echter wel—ik deel u dit nogmaals in tegenwoordigheid van alle aanwezigen mede—dat er maar één ding te doen is, namelijk hetgeen ik u gezegd heb, en dat het zonder uitstel dient te geschieden.”

Zonder de oogen van den grond op te richten, verliet Uriah sloffend het vertrek, met de hand aan de kin en bij de deur zei hij nogmaals:

„Copperfield, ik heb u altijd gehaat. Gij zijt altijd een gelukskind geweest en hebt mij altijd in de wielen gereden.”

„Zooals ik u al meer heb gezegd,” antwoordde ik, „hebt gij u door uwe inhaligheid en bedriegerij de geheele wereld tot vijand gemaakt. Wellicht kunt gij in de toekomst uw voordeel doen met te bedenken dat valschheid en bedrog gewoonlijk te veel willen doen in de wereld en in zelfbedrog eindigen. Dit is zoo zeker als de dood.”

„Of zoo zeker als wij op school leerden—dezelfde school, waar ik zooveel nederigheid opdeed—van negen tot elf dat de arbeid een vloek is, van elf tot een dat het een zegen, een genot, een eer is en ik weet niet wat nog al meer, nietwaar?” sprak hij op smalenden toon. „Gij spreekt bijna even overtuigend als zij. Kan nederigheid ons niet ver brengen? Hoe zou ik mijn vroegeren patroon zoover gekregen hebben zonder nederigheid? Maar jou, Micawber, gemeene hond, zal ik het betaald zetten!”

Mijnheer Micawber beantwoordde deze bedreiging en de uitgestoken hand met een minachtenden blik en bleef hem in eene uitdagende houding aankijken tot hij de kamer verlaten had; daarna noodigde hij mij met een ontroerde stem uit, om getuige te zijn bij het herstel van het wederzijdsch vertrouwen tusschen mevrouw Micawber en hem en deed daarop dezelfde uitnoodiging aan de andere leden van het gezelschap.

„De sluier, die zoo langen tijd mevrouw Micawber en mij heeft gescheiden, is thans verdwenen”, zei mijnheer Micawber; „mijne kinderen en de oorzaak van hun bestaan kunnen thans weder op den ouden voet met elkander omgaan.”

Aangezien wij hem allen dankbaar waren en hem dit allen wenschten te toonen, zouden wij zeker allen zijn medegegaan, indien Agnes het niet noodig had gevonden naar haar vader terug te keeren, die nog niet meer dan een zweem van hoop durfde voeden; bovendien moest er iemand achter blijven om op Uriah te passen. Traddles bleef tot dit laatste doel achter, om weldra door mijnheer Dick te worden afgelost; terwijl ik met tante en Mijnheer Dick naar de woning van mijnheer Micawber ging.

Toen ik haastig afscheid nam van het lieve meisje, aan wie ik zooveel was verplicht, en bedacht waarvoor zij—wellicht dienzelfden morgen—gered was, ook al had zij zelve reeds een besluit in dien zin genomen, dankte ik den Hemel voor de doorgestane ellende in mijne jeugd, want dientengevolge was ik met mijnheer Micawber in kennis gekomen. Zijne woning was niet ver af en toen de straatdeur, die onmiddellijk tot de zitkamer toegang verleende, geopend was, trad hij met zijne gewone plichtplegingen binnen en bevonden wij ons op eenmaal te midden van de geheele familie. Onder den uitroep: „Emma! Mijne levensgezellin!” stortte hij zich in de armen van mevrouw Micawber. Zij gaf een gil en sloeg de armen om haar echtgenoot. Mejuffrouw Micawber, die den van niets bewusten vreemdeling uit mevrouw Micawber's laatsten brief zat te sussen, was zichtbaar aangedaan. Het vreemdelingetje sprong op. De tweelingen gaven verscheidene hinderlijke doch onschuldige bewijzen van hunne blijdschap. Jongeheer Micawber, wiens gemoed door allerlei teleurstellingen nu reeds verbitterd scheen, bleek toch tegen deze aandoening niet bestand en schreide.

„Emma,” zei mijnheer Micawber, „de wolk is voorbij gedreven. Het wederzijdsch vertrouwen, waarop wij zulk een langen tijd hadden gebouwd, is hersteld om niet weder verbroken te worden. Zijt welkom, armoede,” riep mijnheer Micawber uit, terwijl hij in tranen uitbarstte. „Welkom ellende, ontbering, honger, lompen en bedelstaf! Wederzijdsch vertrouwen zal ons steunen!” Onder deze en dergelijke hoogdravende uitroepen had mijnheer Micawber zijne vrouw in een stoel doen plaatsnemen en de geheele familie omhelsd, hoewel, naar het mij voorkwam, de opsomming van al deze akelige voorstellingen aan de verschillende familieleden volstrekt niet welkom was; eindelijk gaf hij hun den raad Canterbury's inwoners te vergasten op hun gezang, aangezien hij niet wist waarvan zij anders zouden moeten leven. Aangezien echter mevrouw Micawber, door aandoeningen overstelpt, was flauw gevallen, kon er voorloopig aan niets gedacht worden dan aan middelen om haar bij te brengen. Tante en mijnheer Micawber slaagden hierin vrij spoedig; daarna werd tante voorgesteld en herkende mevrouw Micawber mij.

„Is dit uw gezin, mevrouw?” vroeg tante.

„Op het oogenblik zijn er niet meer,” antwoordde mevrouw Micawber.

„Goede Hemel, dat bedoel ik niet!” riep tante. „Ik bedoel of al deze kinderen van u zijn?”

„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber: „dit is ons kroost.”

„En waarvoor is die oudste jongen groot gebracht?” vroeg tante. „Wat heeft hij geleerd?”

„Toen ik hier kwam,” antwoordde mijnheer Micawber, „hoopte ik Wilkins voor de kerk op te leiden, of laat ik mij zuiverder uitdrukken—voor het koor. Er was echter geen plaats voor een tenor vacant in het eerwaardig gebouw, waardoor deze stad zulk een beroemdheid heeft gekregen, zoodat hij... kortom, meer in herbergen dan op gewijde plaatsen zijne stem laat hooren.”

„Maar hij doet zijn best,” voegde mevrouw Micawber er met moederlijke teederheid bij.

„Dat wil ik gaarne gelooven, lieve,” hernam mijnheer Micawber, „maar tot nog toe heeft hij het nog niet ver kunnen brengen.”

Jongeheer Micawber's gelaat nam dezelfde stuursche uitdrukking van zoo even weder aan. „Wat moet ik dan doen?” vroeg hij norsch. „Ben ik soms als timmerman of als rijtuigschilder geboren? Of kan ik hiernaast een apothekerswinkel opzetten? Of kan ik in de rechtbank zitting nemen en zeggen dat ik advocaat ben? Of met geweld eene plaats bij de opera veroveren? Of... in één woord, iets worden zonder er voor opgeleid te zijn?”

Tante bleef eenige oogen blikken in gepeins verzonken en zei toen:

„Mijnheer Micawber, het verbaast mij dat gij er nooit over gedacht hebt als landverhuizer naar de overzijde van den Oceaan te gaan?”

„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber; „dat is de droom geweest van mijne jeugd en op later leeftijd heb ik steeds de hoop gekoesterd, dat mij zulk een lot nog eens beschoren mocht zijn.”—Ik ben bijna overtuigd dat het denkbeeld nooit in zijne hersens was opgekomen.

„Zoo?” zei tante met een blik op mij. „Hoe goed zou het voor u en uwe familie zijn, indien gij thans kondt besluiten tot emigratie.”

„Het geld, mevrouw, het geld ontbreekt mij daarvoor,” antwoordde mijnheer Micawber op somberen toon.

„Dat is de eenige reden, het eenige bezwaar, mijnheer Copperfield,” voegde zijne vrouw er bij.

„Geld!” riep tante. „Maar gij doet ons een grooten dienst—hebt ons een grooten dienst bewezen, kan ik zeggen, want zonder twijfel zal er nu nog veel terecht komen—wat zouden wij dus beter kunnen doen dan u het geld te bezorgen?”

„Ik zou het niet als een geschenk kunnen aannemen,” antwoordde mijnheer Micawber vol vuur, „maar indien mij eene voldoende som tegen vijf procent 's jaars kon worden voorgeschoten waarvoor ik persoonlijk instond bijvoorbeeld op wisseltjes van twaalf, achttien en vierentwintig maanden, achtereenvolgens, ten einde mij tijd te laten om te zien of zich ook iets ‚opdoet’...”

„Kunnen? Het kan en zal gebeuren op de voorwaarden, die gij stelt,” antwoordde tante, „als gij maar besluiten kunt. Denkt er eens over te zamen. David kent eenige menschen, die eerlang naar Australië vertrekken. Indien gij besluit te gaan, waarom dan niet met hetzelfde schip? Gij kunt elkander helpen. Denkt er eens over, mijnheer en mevrouw Micawber. Neemt geen overhaast besluit.... gij hebt tijd in overvloed.”

„Er is slechts één vraag, die ik gaarne beantwoord zou zien, lieve mevrouw Trotwood,” zeide mevrouw Micawber. „Is het klimaat gezond?”

„Zoo prachtig als ergens ter wereld,” antwoordde tante.

„Goed,” hernam mevrouw Micawber, „dan rijst de volgende vraag bij mij: Zijn de omstandigheden en de toestanden in dat land van dien aard, dat voor een man van mijnheer Micawber's bekwaamheden de kans zou openstaan in het maatschappelijk leven vooruit te komen? Ik bedoel niet dat hij terstond zou kunnen verwachten gouverneur of iets dergelijks te worden, maar staat daar de weg voor hem open om zijne talenten te ontwikkelen en een werkkring zijner waardig te vinden? Dat zou reeds voldoende zijn.”

„Geen betere gelegenheid zoudt gij ergens kunnen vinden voor een man, die zich goed gedraagt en werken wil,” antwoordde tante.

„Voor een man, die zich goed gedraagt en werken wil,” herhaalde mevrouw Micawber peinzend. „Juist. Dan is het mij duidelijk dat mijnheer Micawber daar een passenden werkkring zal vinden.”

„Ik koester de overtuiging, geachte Mevrouw,” voegde mijnheer Micawber er bij, „dat Australië in de gegeven omstandigheden het land, het eenige land is voor mij en mijn gezin; dat zich daar aan dat strand zeker iets buitengewoons voor mij zal opdoen. Vergelijkenderwijze gesproken is het niet zoo heel ver en hoewel de vriendelijkheid van uw aanbod eenige overweging vereischt, verzeker ik u dat het eigenlijk geheel overbodig mag genoemd worden.”

Zal ik nog vertellen hoe hij in een oogenblik de gelukkigste aller stervelingen was geworden, hoe zeker hij zich reeds voelde van zijn geluk of hoe mevrouw Micawber zat te redeneeren over de gewoonten van de kangoroes! Zal ik mij die straat van Canterbury ooit kunnen herinneren op dien marktdag, zonder ook aan hem te denken, zooals hij met ons terugwandelde? Zal ik ooit vergeten hoe hij door het aannemen van onzekere manieren zich den schijn wilde geven alsof hij slechts eenigen tijd in het land vertoefde; hoe hij de stieren, die naar de markt werden gedreven, reeds aankeek met het oog van een Australischen grondbezitter?

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LIII

Nog een terugblik.

Ik moet thans weder eens stilstaan. O, mijn kind-vrouwtje! Te midden van al het gewoel om mij heen staat daar eene gedaante, stil en bleek, die mij in hare onschuldige liefde en kinderlijke schoonheid toeroept: „Blijf een oogenblik staan, keer u eens om en staar eens op het kleine bloesempje, dat daar zweeft over den grond!” En wanneer ik dat doe, verflauwt, verdwijnt al het andere uit mijn geheugen en ben ik weder in ons huisje met.... Dora alleen. Ik weet niet hoe lang zij ziek is geweest. In mijn gevoel was ik er zoo aan gewoon geraakt dat ik den duur van hare ziekte niet meer kan berekenen. In weken en maanden was het niet zoo heel lang, maar voor mijn gevoel was het zulk een droeve lange tijd! Men zegt niet meer tot mij: „heb nog eenige dagen geduld,” neen, ik ben begonnen te vreezen dat ik nimmer, nimmer meer mijn kind-vrouwtje met Jip in den tuin zal zien wandelen. Jip is, als 't ware plotseling, heel oud geworden. Mogelijk mist hij iets in zijne meesteres, dat hem levendiger en jonger maakte; hij zit voortdurend te droomen en is half blind en stijf; het spijt tante dat hij haar niet meer aanblaft, maar dicht bij haar kruipt op Dora's bed—terwijl zij er naast zit—en hare handen likt.

Dora kijkt ons om beurten glimlachend aan en is nog altijd mooi; geen ongeduldig woord, geen klacht komt over hare lippen. Zij zegt dat wij allen zoo goed voor haar zijn; dat zij weet hoe haar beste, oude, zorgzame jongen zich voor haar aftobt; dat tante nooit slaap schijnt te hebben, maar altijd bij haar zit en zoo vriendelijk en gedienstig is. Nu en dan komen de kleine vogeltjes, hare tantes, haar bezoeken en dan praten wij over onze bruiloft en over dien geheelen gelukkigen tijd.

Wat schijnt er een vreemdsoortige rust en stilstand in mijn leven te zijn gekomen—in alles, zoowel binnens- als buitenshuis—wanneer ik daar in de stille ziekenkamer zit, met de neergelaten gordijnen, met de blauwe oogen van mijn kind-vrouwtje op mij gericht en hare kleine vingertjes om mijne hand! Menig, menig uur heb ik zoo doorgebracht, maar van al die keeren staan mij een drietal het levendigst voor den geest.

* * * * *

Het is ochtend; Dora, door tante netjes gekapt, toont mij hoe hare fraaie lokken zich willen krullen om het kussen en hoe lang en blond ze zijn en zegt dat zij het veel liever los opgestoken in een netje draagt.

„Niet omdat ik er nu nog trotsch op ben, spotter, die gij zijt,” zegt zij glimlachend; „maar omdat gij gewoon waart te zeggen, dat gij het zoo mooi vondt en omdat ik, toen ik voor het eerst aan u begon te denken, dikwijls, voor den spiegel staande, er over peinsde of gij gaarne een lok er van zoudt willen hebben. O, wat waart gij een dwaze jongen, Doady, toen ik er u een gaf!”

„Dat was dienzelfden morgen, toen gij de bloemen teekendet, die ik u gegeven had, Dora, en toen ik u vertelde, hoe lief ik u had.”

„O, maar ik wilde u toen niet zeggen,” hernam Dora, „hoeveel tranen ik gestort had, juist omdat ik meende, dat gij zooveel van mij hieldt! Wanneer ik weer uit mag gaan, Doady, moeten wij al de plekjes weder eens opzoeken, waar wij zulk een dwaas verliefd paartje geweest zijn? En dan zullen wij al onze oude wandelingen nog eens doen? Maar wij mogen ook dien armen papa niet vergeten!”

„Ja, dat is goed, dat zal heerlijk zijn. Gij moet dus maar uw best doen om spoedig weer beter te zijn!”

„O, dat zal ik zeker! Ik ben nu al zooveel beter!”

* * * * *

Het is avond. Ik zit op denzelfden stoel, bij hetzelfde bed, met hetzelfde gezichtje op het mijne gericht. Wij hebben beiden eenigen tijd het stilzwijgen bewaard en op Dora's gelaat ligt een glimlach. Ik breng nu mijn lichten last niet meer van boven naar beneden. Zij blijft den ganschen dag liggen.

„Doady!”

„Liefste Dora!”

„Ik hoop, dat gij hetgeen ik zeggen zal niet onredelijk zult vinden, maar na alles wat gij mij van mijnheer Wickfield verteld hebt, zou ik Agnes zoo gaarne eens zien. O, ik zou haar zoo gaarne eens zien.”

„Ik zal het haar schrijven, liefste.”

„Wilt gij dat doen?”

„Terstond.”

„Wat zijt gij toch een beste jongen! Doady, neem mij eens in uw armen. Waarlijk, beste, het is geen gril van me. Het is geen dwaze inval van me. Ik verlang werkelijk haar eens te zien!”

„Ik geloof het wel, lieveling. Ik behoef haar dat maar te schrijven, dan ben ik er zeker van dat zij komen zal.”

„Wat zult gij het eenzaam hebben, als gij tegenwoordig beneden komt,” fluisterde Dora, met den arm om mijn hals.

„Ja, zeker heb ik het eenzaam, liefste, wanneer ik uw stoel daar zoo ledig zie.”

„Mijn stoel!” Zij klemde zich eenige oogenblikken aan mij vast. „En mist gij mij dan werkelijk, Doady?” vroeg zij, terwijl zij mij glimlachend aankeek. „Mij, dat onnoozele, domme meisje?”

„Maar, lieveling, wie zou ik meer kunnen missen dan u?”

„O, mannetje, ik ben zoo blij en toch zoo bedroefd!” Zij vlijde zich nog dichter tegen mij aan en hield mij met beide armen omklemd. Zij lachte en snikte en werd toen weer stil en scheen heel gelukkig.

„Ziezoo,” sprak zij, „nu ben ik tevreden. Maar zend Agnes mijne hartelijke groeten en schrijf haar dat ik heel, heel erg naar haar verlang; als ik haar gezien heb, heb ik niets meer te wenschen.”

„Behalve dat gij weer beter moogt worden.”

„Och, Doady, somtijds denk ik wel eens, dat ik nooit meer beter worden zal.... och, gij weet wel, ik was altijd zoo'n onnoozel, dom ding.”

„Zeg dat niet, Dora! Innige lieveling, zet die gedachte van u af.”

„Ik kan het niet helpen, Doady. Maar ik ben heel gelukkig, terwijl mijn beste jongen zich zoo eenzaam voelt met den ledigen stoel van zijn kind-vrouwtje tegenover zich.”

* * * * *

Het is nacht. Wederom zit ik bij haar. Agnes is gekomen en bleef een geheelen dag bij ons. Zij, tante en ik hebben den geheelen dag bij Dora gezeten. Wij hebben niet veel gepraat, maar Dora was volkomen tevreden en vroolijker dan ooit. Nu zijn wij alleen. Weet ik nu dat mijn kind-vrouwtje mij spoedig zal verlaten? Zij hebben het mij gezegd; zij hebben mij niets verteld, dat ik niet reeds zelf gedacht had, maar ik ben er volstrekt niet zeker van dat ik het volkomen besef. Ik kan het niet in mij opnemen. Ik heb vandaag meermalen met mijn tranen moeten vechten. Ik heb mij herinnerd, wie eenmaal geschreid heeft over de scheiding van de levenden en de dooden en dat aandoenlijk schoone verhaal rijpelijk overdacht. Ik heb mijn best gedaan om te berusten en mij zelven te troosten en ik hoop dat het mij eenigszins gelukt is; maar wat mijn geest nog niet kan bevatten, dat is, dat het einde onvermijdelijk is. Ik houd hare hand in de mijne, ik zie hare liefde voor mij; ik kan het kleine sprankje hoop, dat zij nog zal blijven leven, nog niet loslaten.

„Ik wil eens met u praten, Doady. Ik wil u iets zeggen dat ik al zoo dikwijls overdacht heb. Zult gij niet boos worden?” vroeg zij vriendelijk.

„Boos worden, lieveling?”

„Omdat ik niet weet wat gij denken zult of wat gij somtijds al gedacht hebt, Doady. Misschien hebt gij wel hetzelfde gedacht als ik. Beste Doady, ik geloof zeker dat ik te jong was.”

Ik legde mijn hoofd naast het hare op het kussen en zij keek mij strak aan en sprak heel zacht. Langzamerhand begon ik tot mijn schrik te begrijpen, dat zij van zich zelve sprak alsof zij er niet meer was.

„Ik geloof zeker dat ik veel te jong was. Ik bedoel niet alleen in jaren, maar in ondervinding, in mijne gedachten, eigenlijk in alles. Ik was nog zoo'n onnoozel jong ding. Ik geloof dat het beter ware geweest, als wij elkander maar hadden liefgehad als een paar kinderen en elkaar dan vergeten hadden. Ik heb dikwijls gedacht, dat ik nog niet geschikt was om te trouwen.”

Ik doe mijn best om mijn tranen te bedwingen en te antwoorden: „O, lieveling gij waart daartoe even geschikt als ik.”

Zij schudde hare krullen als in vroeger dagen. „'t Is mogelijk!” sprak zij, „maar als ik wat geschikter geweest was, zou ik het u ook gemaakt hebben. Bovendien waart gij zoo verstandig en dat was ik nooit.”

„Wij zijn heel gelukkig geweest, liefste.”

„Ik was heel, heel gelukkig. Maar langzamerhand zou mijn beste jongen zijn kind-vrouwtje moe zijn geworden. Zij zou hoe langer hoe minder eene goede levensgezellin voor hem zijn geworden. Hij zou hoe langer hoe meer gevoeld hebben, wat hij miste in zijn huis en zij zou geen beterschap hebben kunnen aanbrengen. Het is beter zooals het nu is.”

„O, liefste, liefste Dora, spreek toch niet zoo. Elk woord van u schijnt mij een verwijt.”

„Neen, geen lettergreep,” antwoordde zij, terwijl zij mij kuste. „Neen, lieveling, dat hebt gij nooit verdiend en ik heb u veel te lief gehad om u ooit iets in ernst te verwijten—dat is mijne eenige verdienste, Doady, behalve dat ik mooi was, of dat gij mij ten minste daarvoor hieldt. Is het erg eenzaam beneden, Doady?”

„Ja, heel, heel erg.”

„Schrei nu niet! Staat mijn stoel er nog?”

„Ja, op de oude plaats.”

„O, wat schreit mijn arme jongen nu! Stil, stil! Doe mij nu één genoegen. Ik wil zoo gaarne nog eens met Agnes praten. Als gij naar beneden gaat, zend Agnes dan eens bij mij en laat niemand boven komen, terwijl ik met haar spreek.... ook tante niet. Ik moet Agnes alleen spreken, heel alleen.”

Ik beloofde haar het onmiddellijk te zullen doen, maar ik kon haar, zoo bedroefd als ik was, niet verlaten.

„Ik zei dat het beter is, zooals het is!” fluisterde zij, terwijl zij mij met beide handen omkneld hield. „O, Doady, al waren wij nog jaren samen gebleven, gij hadt uw kind-vrouwtje niet meer lief kunnen hebben dan gij gedaan hebt; en na jaren zou zij u zoo vermoeid en teleurgesteld hebben, dat gij niet in staat zoudt zijn geweest haar maar half zoo lief te hebben! Ik weet, dat ik te jong en te kinderachtig was. Het is veel beter zooals het is!”

* * * * *

Toen ik beneden kwam, deelde ik Agnes het verzoek van Dora mede. Zij ging onmiddellijk naar boven en ik bleef alleen met Jip. Zijn pagode stond bij den haard en hij lag op zijn bedje van flanel en deed vergeefsche moeite om te slapen. De maan stond hoog en schitterend aan den hemel. Toen ik naar buiten keek in den donkeren nacht, begonnen mijne tranen hoe langer hoe meer te vloeien en werd mijn ongelouterd hart duchtig gekastijd.

Ik bleef bij den haard zitten peinzen met wroeging in het hart over al de geheime gedachten, die ik gedurende mijn huwelijk gekoesterd had. Ik herdacht elke kleine oneenigheid tusschen Dora en mij en voelde de waarheid dat het leven uit kleinigheden bestaat. Maar telkens rees ook weder in mijne herinnering op het beeld van het lieve kind, zooals ik haar de eerste maal leerde kennen, bekoorlijk in hare jonge liefde voor mij en onder de betoovering van mijne liefde voor haar. Zou het inderdaad beter zijn geweest, indien onze liefde als die van een paar kinderen geweest was, indien wij elkander vergeten hadden? O, mijn ongelouterd hart, geef mij hierop een antwoord!

Ik weet niet meer, hoe lang ik zoo gezeten had, toen de oude speelmakker van mijn kind-vrouwtje mij uit mijne overpeinzingen wekte. Hij was onrustig, strompelde uit zijn huisje naar mij toe, keek mij aan en liep naar de deur, en jankte om naar boven te gaan.

„Van nacht niet, Jip! Van nacht niet!” Hij kwam langzaam naar mij toe, likte mijne hand en keek mij met zijn half verglaasde oogen aan.

„O, Jip! Wellicht nooit meer!”

En daar legde hij zich neer aan mijne voeten, strekte zich uit, alsof hij ging slapen, liet een klagend gehuil hooren en was dood.

„O, Agnes! Zie toch eens!”

—Dat lieve gezichtje, zoo vol medelijden en droefheid, die stroom van tranen, die ernstige, stomme blik, die plechtig opgeheven hand....!

„Agnes?”

Het is voorbij. Er ligt een waas voor mijn oogen. Gedurende eenigen tijd is alles uit mijn geheugen gewischt....

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LIV

Gewaarwordingen van verschillenden aard.

Het is nu geen geschikt tijdstip om uit te weiden over mijn gemoedstoestand onder den druk van mijn leed. Ik begon te meenen, dat de toekomst mij niets meer kon aanbieden, dat alle lust, belangstelling en ijver voor mijn werk waren uitgebluscht, dat alleen een vroegtijdige dood uitkomst zou kunnen geven. Ik zeg, deze gedachten hielden mij bezig, evenwel niet onder den eersten schok van mijn bitter verdriet. Langzamerhand welden ze op. Hadden de gebeurtenissen, die ik thans ga verhalen, mij niet afgeleid, in den aanvang mijne smart eenigszins naar den achtergrond gedrongen en later vermeerderd, dan ware het mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk geweest, dat ik terstond in dien toestand was geraakt. Thans moest er eenige tijd voorbijgaan eer ik tot het besef kon komen van de grootte van mijn leed; een tijd, waarin ik meende dat het zwaarste leed reeds geleden was, waarin mijn hart troost kon vinden in de herinnering van al wat daar rein en schoon was in mijne geschiedenis van de laatste jaren, die thans voor eeuwig was afgesloten.

Wanneer mij voor de eerste maal de raad werd gegeven buitenslands te gaan, of hoe wij het onder elkander eens werden dat ik door reizen en verstrooiing herstel zou zoeken voor mijne verstoorde gemoedsrust, kan ik zelfs nu niet met zekerheid meedeelen. De geest van Agnes beheerschte in deze dagen dermate alles wat wij dachten, zeiden of deden, dat ik zeker niet ver mistast, indien ik dit plan aan haar invloed toeschrijf. Haar invloed liet zich echter altijd zoo onmerkbaar gevoelen, dat ik het niet meer weet. Ik begon nu werkelijk te denken dat het visioen, waarin zij mij eens had doen denken aan het geschilderde venster in de kerk, eene profetie was geweest van hetgeen zij in den tijd, als mij de grootste ramp zou treffen, voor mij worden zou. In die droeve dagen, van het oogenblik af, dat zij met opgeheven hand voor mij stond, was zij de troosteres, de weldoenster in mijne eenzame woning. Toen de Engel des Doods Dora's kamer binnenzweefde—zoo vertelde men mij later—was mijn kind-vrouwtje met een glimlach om de lippen aan Agnes' borst in slaap gevallen. Toen ik uit mijne bezwijming ontwaakte, brachten hare tranen mij het eerst tot de bewustheid van hetgeen was gebeurd, verzachtte hare weldadige nabijheid, haar lief gelaat, dat zich, als uit reiner en hooger gewesten neergedaald, over mij heenboog het eerst mijne bittere smart.

Laat mij voortgaan.

Ik zou reizen. Dat schijnt het eerst onder ons besloten te zijn geweest. Nu het stoffelijk overschot van mijn kind-vrouwtje aan den schoot der aarde was toevertrouwd, wachtte ik slechts op de „totale vernietiging van Uriah Heep”, zooals mijnheer Micawber mij schreef, en op het vertrek van de landverhuizers.

Op verzoek van Traddles, den hartelijksten en meest belangeloozen vriend in mijn leed, brachten wij nogmaals een bezoek aan Canterbury; ik bedoel Agnes tante en ik. Volgens afspraak stapten wij aan de woning van mijnheer Micawber af. Daar en bij mijnheer Wickfield was Traddles sinds onze onstuimige bijeenkomst onafgebroken werkzaam geweest. Toen mevrouw Micawber mij in zwaren rouw zag binnentreden, was zij hevig aangedaan. Mevrouw Micawber had een goed hart en had dit ook in al die jaren van tegenspoed behouden.

„Wel, mijnheer en mevrouw Micawber,” was tante's eerste vraag nadat wij allen een stoel hadden gekregen, „hebt gij eens nagedacht over mijn voorstel om de zee over te steken?”

„Beste mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „wellicht kan ik het besluit, waartoe mevrouw Micawber en uw gehoorzame dienaar, ook mag ik onze kinderen niet vergeten, gekomen zijn, zoowel ieder voor zich als gezamenlijk niet beter in woorden brengen dan door een regel aan te halen van een onzer beroemdste dichters! „Our boat is on the shore, and our bark is on the sea.””

„Dat doet mij genoegen,” zei tante. „Ik durf u alles goeds voorspellen van uw verstandig besluit.”

„Mevrouw,” hernam mijnheer Micawber, „gij bewijst ons eene groote eer.” Daarna raadpleegde hij eenige aanteekeningen, die hij gemaakt had. „Wat betreft de finantiëele hulp, zonder welke wij niet in staat zouden zijn onze broze kano op den oceaan der onderneming te laten uitloopen, meen ik u niet beter te kunnen voorstellen dan wisseltjes van mij aan te nemen—het is onnoodig hierbij te voegen: geschreven op zegel, zooals bij de verschillende Parlementsbesluiten is bepaald—op achttien, vierentwintig en dertig maanden. In den aanvang meen ik u voorgesteld te hebben twaalf, achttien en vierentwintig, maar bij nader inzien komt het mij voor dat eene dergelijke regeling mij onvoldoende ruimte van tijd toelaat om te wachten tot zich iets opdoet! Wij zouden,” vervolgde hij, rondkijkende alsof zijn oog gleed over honderden bunders uitstekend bouwland, „wij zouden ongelukkig kunnen zijn met onzen eersten oogst, of onzen oogst nog niet hebben binnengehaald op het oogenblik dat de eerste termijn verviel. Naar ik meen, is het moeilijk arbeid te vinden in dat gedeelte van onze overzeesche bezittingen, waar het ons lot zal zijn met den grond den strijd om het bestaan aan te binden.”

„Regel dat geheel zooals gij verkiest, mijnheer,” zei tante.

„Mevrouw,” hernam hij, „mevrouw Micawber en ik zijn zeer gevoelig voor de welwillende en vriendelijke medewerking van onze vrienden en beschermers. Ik wensch niets liever dan stipt mijn woord te houden. Nu wij op het punt zijn eene bladzijde in ons levensboek om te slaan en als het ware terugtreden om een sprong te nemen van ongewone grootte, is het voor mijn gevoel van eigenwaarde van het grootste belang en wellicht ook een navolgenswaardig voorbeeld voor mijn zoon, indien deze beschikkingen met de meeste nauwkeurigheid worden getroffen, als tusschen man en man.”

Ik weet niet of mijnheer Micawber met deze laatste uitdrukking eene bepaalde bedoeling had, noch of iemand dat heeft of had; maar het scheen dat hij daarmede erg ingenomen was, want bij herhaalde haar met een veelbeteekenend kuchje: „als tusschen man en man.”

„Ik heb,” ging hij voort, „van wissels gesproken—wissels, die den handel vergemakkelijken en aan de Joden hun ontstaan te danken hebben, die er, zooals ik heb ondervonden, een duivelsch gebruik van kunnen maken—omdat, ze gedisconteerd kunnen worden. Indien echter eene schuldbekentenis of eenig ander bewijsstuk doelmatiger geacht wordt, ben ik onmiddellijk bereid om zulk een document op te maken. Als tusschen man en man.”

Tante meende, dat waar beide partijen genegen zijn met alles genoegen te nemen, het niet moeilijk wezen zou deze zaak tot eene oplossing te brengen en mijnheer Micawber kon zich ook met deze uitspraak zeer wel vereenigen.

„Verder verzoek ik u verslag te mogen doen van de huishoudelijke toebereidselen, mevrouw,” hernam hij met niet weinig trots, „die noodig waren alvorens wij onze nieuwe bestemming tegemoet treden. Mijne oudste dochter gaat elken morgen om vijf uur uit om de kunst—indien ik het eene kunst noemen mag—aan te leeren van het melken. Mijne jongere kinderen hebben de opdracht zich, voor zooveel de omstandigheden daartoe de gelegenheid bieden, op de hoogte te stellen van de gewoonten van varkens en pluimgedierte, die in de armere gedeelten van de stad in menigte gehouden worden, eene taak, waarbij zij eenige malen in gevaar verkeerd hebben van overreden te worden. Ik zelf heb mij in de laatste weken toegelegd op de bakkunst en mijn zoon Wilkins gaat elken dag uit, gewapend met een wandelstok, ten einde zich te oefenen in het drijven van vee, indien namelijk de ruwe huurlingen, die met deze taak zijn belast, genoegen willen nemen met zijne vrijwillig aangeboden diensten; het grieft mij voor de eer van het menschdom te moeten zeggen dat hem dit nog niet dikwijls is mogen gelukken, dat hem, integendeel, onder het uiten van de gemeenste verwenschingen, herhaaldelijk de toestemming is geweigerd.”

„Dat is alles uitstekend!” zei tante op aanmoedigenden toon. „Ik twijfel niet of mevrouw Micawber zal ook haar tijd hebben weten te benutten.”

„Lieve mevrouw,” antwoordde mevrouw Micawber met den grootsten ernst, „ik wil gaarne bekennen dat ik mij niet onledig heb gehouden met zaken, die den landbouw of de veeteelt onmiddellijk betreffen, hoewel ik zeer goed besef dat beide aan dat overzeesche strand ten volle mijne aandacht zullen verdienen. Ik heb den tijd, dien ik niet aan mijne huishoudelijke plichten behoefde te wijden, gebruikt voor eene eenigszins uitvoerige briefwisseling met mijne familie. Het komt mij namelijk voor, mijn waarde heer Copperfield,” vervolgde zij, als gewoonlijk het woord tot mij richtende met wie of wien zij ook in gesprek was, „dat nu de tijd is aangebroken, waarin het verleden met den mantel der vergetelheid kan worden bedekt, mijne familie mijnheer Micawber en mijnheer Micawber mijne familie de hand kan reiken; dat de leeuw zich rustig kan nederleggen bij het lam en mijne familie op een goeden voet kan komen met mijnheer Micawber.”

Ik zei dat ik het daarmede geheel eens was.

„Dit is ten minste het licht, waarin ik deze zaak beschouw, mijnheer Copperfield,” ging mevrouw Micawber voort. „Toen ik nog bij papa en mama thuis was, en wij in onzen intiemen kring de eene of andere zaak behandelden, was papa gewoon te vragen: „In welk licht beschouwt mijne Emma deze zaak?” Ik weet dat papa bevooroordeeld was ten opzichte van zijne Emma; maar omtrent zulk eene gewichtige zaak als de koelheid, die daar altijd geheerscht heeft tusschen mijnheer Micawber en mijne familie, heb ik toch eene meening gevormd, al is die wellicht onjuist.”

„Natuurlijk hebt gij die, mevrouw,” zei tante.

„Juist,” hernam mevrouw Micawber. „Nu is het mogelijk dat ik tot verkeerde gevolgtrekkingen kom, het is zelfs heel waarschijnlijk; maar mijne persoonlijke meening is dat de klove tusschen mijnheer Micawber en mijne familie zoo groot is gebleven, omdat mijne familie voortdurend vreesde in mijnheer Micawber's geldelijke ongelegenheden te worden betrokken. Ik kan het niet helpen,” vervolgde zij met een, zoo mogelijk, nog ernstiger gezicht, „maar ik moet telkens denken, dat enkele leden mijner familie vreesden door mijnheer Micawber om hun naam gevraagd te worden. Ik bedoel daarmede niet om als peet op te treden bij den doop van onze kinderen, maar om op wissels geplaatst en op de Beurs verhandeld te worden.”

De scherpzinnigheid, die mevrouw Micawber bij deze ontdekking aan den dag meende te leggen, alsof niemand over dit punt ooit te voren had gedacht, scheen tante te verbazen, zoodat zij uitriep: „Wel, mevrouw, eerlijk gesproken, zou het mij niets verwonderen, indien gij gelijk hadt.”

„Aangezien mijnheer Micawber nu aan den vooravond staat van den dag, waarop hij de finantiëele kluisters, die hem knelden, zal afwerpen,” ging mevrouw Micawber voort, „en een nieuwe loopbaan zal beginnen in een land, waar voor zijne bekwaamheden de zoo noodige ruimte bestaat—naar mijne meening is dit van het grootste gewicht, want voor mijnheer Micawber's bekwaamheden is allereerst ruimte noodig—komt het mij voor, dat mijne familie den eersten stap tot toenadering moest doen. Ik zou niets liever zien dan eene ontmoeting tusschen mijnheer Micawber en mijne familie op eene feestelijk bijeenkomst, waarvan de kosten door mijne familie moesten gedragen worden; werd dan door een mijner familieleden op den voorspoed en de gezondheid van mijnheer Micawber gedronken, dan kon deze daarin eene aanleiding vinden om zijne inzichten bloot te leggen.”

„Lieve,” zei mijnheer Micawber, die een weinig warm was geworden, „het is wellicht beter terstond heel duidelijk te doen uitkomen, dat, indien ik voor dien troep mijne inzichten zou blootleggen, ze mogelijk niet bijzonder in den smaak zouden vallen; want het is mijne innige overtuiging dat uwe familie, in massa genomen, onbeschaamde opsnijders en ieder lid afzonderlijk onverantwoordelijke schobbejakken zijn.”

„Micawber!” riep zijne vrouw hoofdschuddend uit, „dat meent gij niet! Gij hebt elkander nooit begrepen!”

Mijnheer Micawber hoestte eens.

„Zij hebben u nooit begrepen, Micawber! Wellicht zijn zij daartoe ook niet in staat. Indien dit zoo is, dan zijn zij te beklagen.”

„Het spijt mij meer dan ik u zeggen kan, lieve Emma,” hernam mijnheer Micawber, „mij tot uitdrukkingen te hebben laten verleiden, die zelfs ook maar schijnbaar u zouden kunnen grieven. Al hetgeen ik wilde zeggen is, dat ik zeer goed op reis kan gaan zonder door uwe familie begunstigd te worden.... kortom, met een duw tot afscheid, dat ik.... kortom, liever Engeland verlaat zonder door hen gehaast te worden. Mochten zij zich verwaardigen op uwe mededeelingen te antwoorden, hetgeen ik na de door ons opgedane ondervinding heel onwaarschijnlijk acht, dan zal ik echter de laatste zijn om uwe wenschen te verijdelen.”

Nadat de zaak deze vriendschappelijke wending genomen had, bood mijnheer Micawber zijne vrouw een arm en zei met een blik op al de boeken en papieren, die voor Traddles op de tafel lagen, dat zij ons nu alleen zouden laten, waarop zij met eene zekere plechtigheid heengingen.

„Beste Copperfield,” zei Traddles, achterover in zijn stoel leunende en met een medelijdenden blik op mij, „ik maak geen verontschuldigingen nu ik u met zaken lastig val, want ik weet hoeveel belang gij er in stelt en wellicht kunnen ze een andere wending geven aan uwe gedachten. Ik hoop toch, dat gij wat zijt uitgerust?”

„O, zeker, ik voel mij heel wel,” antwoordde ik, „wij hebben meer reden om ons ongerust te maken over tante. Gij weet hoe zij zich afgetobt heeft in den laatsten tijd!”

„Zeker, zeker,” antwoordde Traddles. „Wie zou dat kunnen vergeten?”

„Maar dat is niet alles,” hernam ik. „Gedurende de laatste veertien dagen wordt zij door een nieuw verdriet gekweld; zij gaat elken dag heen en weer naar Londen. Menigmaal gaat zij des morgens zeer vroeg uit en komt dan niet thuis voor tegen middernacht. Zelfs gisteren avond, Traddles, met zulk een vermoeienden dag voor oogen. Gij weet hoeveel zij voor anderen over heeft en nu wil zij mij zelfs niet vertellen wat haar opnieuw zoo drukt.”

Tante was bleek en zat met diepe rimpels op haar gelaat, zwijgend in haar stoel, tot ik uitgesproken had; toen vonden eenige weerspannige tranen hun weg langs hare wangen en legde zij hare hand op de mijne.

„Het is niets, Trot; het is niets. Het zal spoedig gedaan zijn en dan zult gij alles weten. Nu, lieve Agnes, laat ons nu overgaan tot de zaken.”

„Ik moet mijnheer Micawber tot zijne eer nageven,” begon Traddles, „dat al schijnt hij met weinig succes voor zich zelven te werken, hij, onvermoeid is wanneer hij voor anderen werkt. Nooit heb ik zijn weerga gezien. Indien hij altijd op dezelfde wijze doet, moet hij op het oogenblik twee honderd jaar oud zijn. De spanning, waarin hij al dezen tijd heeft doorgebracht; de bijna krankzinnige ijver, waarmede hij dag aan dag heeft zitten zoeken en woelen tusschen boeken en papieren, om niets te zeggen van het ontzaglijk aantal brieven, dat hij geschreven heeft van deze woning naar die van mijnheer Wickfield, ja zelfs aan mij, terwijl hij tegenover mij aan tafel zat en veel gemakkelijker had kunnen uitspreken hetgeen hij te zeggen had... het is ongekend.”

„Brieven!” riep tante. „Ik geloof dat hij in brieven droomt!”

„En mijnheer Dick”, vervolgde Traddles, „heeft ook wonderen verricht! Zoodra hij ontslagen was van de bewaking van Uriah Heep, die hij met de grootste nauwgezetheid heeft verricht, begon hij zich aan mijnheer Wickfield te wijden. Zijn ijver om zich nuttig te maken bij de nasporingen, die wij in het werk hebben gesteld; de diensten, die hij bewees door copies en uittreksels te maken, brieven te halen en te brengen en zoo meer, wakkerden ook ons aan.”

„Dick is een merkwaardig man,” riep tante uit, „dat heb ik altijd gezegd. Is het niet zoo, Trot?”

„Het verheugt mij te kunnen zeggen, juffrouw Wickfield,” vervolgde Traddles, op kiesche wijze en plotseling ernstig wordende, „dat mijnheer Wickfield in uwe afwezigheid aanmerkelijk in beterschap is toegenomen. Ontslagen van de nachtmerrie, die hem zoo langen tijd heeft gekweld, en van den angst, waarin hij leefde, is hij bijna een ander mensch geworden. Nu en dan slaagt hij er zelfs in zijn geheugen en zijne aandacht op bepaalde punten te vestigen en is hij in staat geweest ons vele zaken duidelijk te maken, die zonder zijne hulp tot hopelooze moeielijkheden zouden aanleiding hebben gegeven. Maar ik moet nu onze resultaten meedeelen. Welnu, ik kan kort zijn, want ik wil niet uitweiden over al de gunstige omstandigheden, die ik heb waargenomen—dan zou ik nooit gereed komen.” Zijn eenvoud en zijn aangename toon waren voor ons het duidelijkste bewijs dat hij ons moed wilde inspreken en Agnes in staat stellen met meer vertrouwen over haar vader te kunnen oordeelen; het was ons daarom niet minder aangenaam.

„Laat ons nu eens zien,” ging hij voort, terwijl hij eenige papieren inkeek, die op de tafel lagen. „Nu wij onze balans opgemaakt en rekening gehouden hebben met opzettelijke en toevallige verwarring, met vervalschingen en bedriegerij en, is het ons duidelijk geworden dat indien mijnheer Wickfield zijne zaak op dit oogenblik liquideert en verantwoording doet van zijn beheer, niemand eenige schade zou lijden.”

„Den Hemel zij dank!” riep Agnes met hartstochtelijke blijdschap uit.

„Maar,” vervolgde Traddles, „hetgeen dan overblijft—en ik ben van de onderstelling uitgegaan dat het huis verkocht zal worden—is zoo weinig, alles en alles ongeveer een paar honderd pond, dat de vraag bij mij gerezen is, juffrouw Wickfield, waarom uw vader niet het beheer zou houden van het landgoed, dat hem is toevertrouwd. Zijne vrienden kunnen hem nu met raad bijstaan; hij is nu vrij. Gij zelve, juffrouw Wickfield—Copperfield.... ik...”

„Ik heb ook daarover nagedacht, Trotwood,” zei Agnes, mij aankijkende, „maar ik ben van meening dat het niet moet gebeuren, zelfs niet op aanraden van een vriend, dien ik zoo dankbaar en aan wien ik zooveel verschuldigd ben.”

„Ik zeg niet dat ik het aanraad,” hernam Traddles. „Ik bedoel alleen dat wij er over moeten denken.”

„Het doet mij genoegen u dit te hooren zeggen,” antwoordde Agnes kalm, „want nu durf ik hopen dat wij van dezelfde meening zijn. Waarde mijnheer Traddles, waarde Trotwood, wat kan ik nog meer wenschen dan dat papa het hoofd weder vrij en vrank kan oprichten? Ik heb altijd gehoopt hem, wanneer hij uit het net, waarin hij verstrikt was, bevrijd zou zijn, een klein gedeelte van de liefde en zorg te kunnen vergoeden, die ik hem verschuldigd ben, hem mijn leven te mogen wijden. Dit is jaren lang mijn vurigst verlangen geweest. Mijn grootste geluk zal zijn voortaan voor hem te kunnen zorgen en hem van alle verantwoordelijkheid ontslagen te weten.”

„Hebt gij er al over gedacht hoe gij daartoe in staat zult kunnen zijn, Agnes?”

„O, ja, meermalen! Ik zie er niet tegen op, Trotwood, en ik ben zeker te zullen slagen. Ik heb hier zooveel kennissen en vrienden, dat ik er zeker van ben. Stel maar vertrouwen in mij. Wij hebben niet veel behoeften. Als ik het lieve oude huis in huur neem en er een school opricht, maak ik mij nuttig en zal ik gelukkig zijn.”

Hare kalme, lieve stem bracht mij zoo duidelijk eerst het oude, gezellige huis en daarna mijn eigen eenzame woning voor oogen, dat mijn hart te vol was om te spreken. Traddles deed eenigen tijd alsof hij al zijne aandacht wijdde aan de papieren.

„Dan, juffrouw Trotwood,” zoo nam hij eindelijk weder het woord, „moet ik u nog inlichten omtrent dat geld van u.”

„Ja, mijnheer,” antwoordde tante met een zucht. „Al wat ik daarop zeggen kan is, dat, is het weg, dan kan ik het dragen, is het niet weg, dan zal ik heel blij zijn het terug te krijgen.”

„Bedrieg ik mij niet dan was het oorspronkelijk acht duizend pond geconsolideerde schuld?” vroeg Traddles.

„Juist.”

„Ik kan er niet meer dan vijf terecht brengen,” zei Traddles met een verlegen gezicht.

„.... duizend, bedoelt gij?” vroeg tante met bewonderenswaardige kalmte, „of pond?”

„Vijf duizend pond.”

„Dat is alles,” antwoordde tante. „Ik heb er drie opgenomen. Eén duizend pond betaalde ik voor u aan de Commons, Trot, en de andere twee heb ik zelve in bewaring. Toen ik de rest verloor, achtte ik het beter niets van deze twee duizend pond te zeggen, maar ze te bewaren voor den kwaden dag. Ik wilde eens zien, Trot, hoe gij u door het leven zoudt slaan; dat hebt gij met volharding, zelfvertrouwen en zelfverloochening gedaan en daarbij, evenals Dick, getoond een edel hart te bezitten. Spreek nu niet tegen mij, want ik heb mijne zenuwen op het oogenblik niet goed in mijn macht!”

Niemand, die haar daar had zien zitten, kaarsrecht en de armen over elkander, zou dat gedacht hebben; maar zij kon zich zoo uitstekend beheerschen.

„Dan kan ik u tot mijn groote vreugde meedeelen,” riep Traddles met een stralend gezicht, „dat wij al het geld hebben teruggevonden!”

„Feliciteert mij niet, geen van allen!” zei tante. „Waarom niet, mijnheer?”

„Omdat gij in de meening verkeerdet dat het geld door mijnheer Wickfield misbruikt was?” vroeg Traddles.

„Natuurlijk meende ik dat,” antwoordde tante, „en ik liet mij daardoor gemakkelijk tot zwijgen brengen. Geen woord, Agnes!”

„En inderdaad is het geld losgemaakt,” hervatte Traddles, „op een volmacht door u onderteekend, d. w. z. met uw naam onderteekend, want gij begrijpt dat de handteekening valsch en wie de dader was. Naderhand maakte de schurk mijnheer Wickfield wijs—en hij bewees het uit de cijfers—dat hij het geld op mondelingen last van zijn patroon gebruikt had om andere tekorten te dekken en moeilijkheden te voorkomen. Mijnheer Wickfield was in de handen van dien huichelaar zoo zwak en weerloos als een kind en betaalde u later nog verscheidene malen interest van een kapitaal, dat niet meer bestond waardoor hij medeplichtig werd aan het gepleegde bedrog.”

„En eindelijk nam hij de geheele schuld op zich,” voegde tante er bij „en schreef mij een wanhopenden brief, waarin hij zich zelven beschuldigde van diefstal en allerlei misdrijven. Op zekeren morgen bracht ik hem daarop een bezoek, verzocht een kaars en verbrandde den brief, terwijl ik hem vertelde dat als hij ooit in staat werd zich zelven en mij recht te verschaffen, hij dat doen moest; maar dat, als hij daartoe niet in staat was, ik zou zwijgen ter wille van zijne dochter.—Als iemand nu tot mij spreekt, ga ik heen.”

Wij bewaarden alle drie het stilzwijgen en Agnes bedekte haar gelaat met de handen.

„Dus, mijn waarde vriend,” hernam tante eindelijk, „gij hebt hem het geld weder afgeperst?”

„Gij moet weten,” antwoordde Traddles „mijnheer Micawber hield hem zoo vast en was telkens weder met zooveel nieuwe bewijzen bij de hand, dat hij ons niet kan ontsnappen. Opmerkelijk is het, dat hij dit geld niet heeft gestolen om aan zijne onverzadelijke schraapzucht te voldoen, maar alleen om zijn haat te koelen aan Copperfield. Hij bekende mij dit volmondig. Hij zou gaarne een even groote som geven, als hij er Copperfield maar mede kon benadeelen.”

„Aha,” zei tante, peinzend hare wenkbrauwen samentrekkend en met een blik op Agnes. „En waar is hij nu gebleven?”

„Ik weet het niet. Hij heeft de stad verlaten met zijne moeder, die al dien tijd heeft gesmeekt en gejammerd enz.... geheimen verklapt. Zij zijn met de nachtdiligence naar Londen vertrokken; dat is alles wat ik van hen weet, behalve dat hij bij het afscheid nog zoo vermetel was om zich kwaadaardig te toonen. Hij scheen in de meening te verkeeren, dat hij aan mij niet minder dank verschuldigd was dan aan mijnheer Micawber, hetgeen ik als een compliment aannam—zooals ik hem ook gezegd heb.”

„Zou hij nog eenig geld hebben, Traddles?” vroeg ik.

„O, zonder twijfel,” antwoordde Traddles. „Hij zal op de eene of andere wijze wel voor zich zelven gezorgd hebben. Maar indien het u mogelijk was zijne gangen na te gaan, Copperfield, zoudt gij ontwaren, dat geld dien man nooit van den slechten weg afhouden, maar dat hij juist daardoor in zijn ongeluk loopen zal. Hij is zulk een volleerde huichelaar, dat hij altijd zijn doel langs slinksche wegen zal trachten te bereiken. Dat is de eenige vergoeding voor het zelfbedwang dat hij zich oplegt. Hij kruipt altijd langs den grond naar zijn doel, wat het ook is, zoodat alles wat hij op zijn weg ontmoet, grooter schijnt en hij iedereen, die hem tegenkomt, verdenkt en haat. De kromme wegen worden dientengevolge ieder oogenblik krommer, zelfs zonder eenige reden. Men behoeft slechts even door te dringen in zijn gedrag op het kantoor van mijnheer Wickfield om dat in te zien.”

„Hij is een monster, een laaghartig monster,” zei tante.

„Dat zou ik nog niet zoo onvoorwaardelijk durven zeggen,” antwoordde Traddles. „Er zijn vele menschen laaghartig omdat zij er zich op toeleggen.”

„En nu mijnheer Micawber's zaken,” hernam tante.

„Ja, dat is waar ook,” antwoordde Traddles op vroolijken toon. „Nogmaals moet ik hier de verklaring afleggen dat mijnheer Micawber grooten lof toekomt. Ware hij niet met zulk een onuitputtelijk geduld en zooveel onverflauwden ijver werkzaam geweest, dan zouden wij niets noemenswaardigs hebben kunnen uitrichten. Bovendien moeten wij niet uit het oog verliezen dat mijnheer Micawber niet alleen gedaan heeft wat recht is, maar dat ook gedaan heeft uit een rechtvaardig beginselen zichzelven daarbij geheel heeft verloochend, had hij gezwegen dan zou hij voor zichzelven zeer gunstige voorwaarden hebben kunnen stellen.”

„Dat ben ik geheel met u eens,” zei ik.

„Wat zoudt gij hem dan willen geven?” vroeg tante.

„O, eer wij zoover zijn,” antwoordde Traddles een weinig verlegen, „moet ik, hoewel een weinig aarzelend, opmerken dat ik in de regeling van deze quaestie—de regeling is van het begin tot het einde onwettig—vergeten heb twee punten aan te stippen. De quitanties, die mijnheer Micawber hem gegeven heeft ten bewijze van voorschotten op zijn salaris....”

„..... moeten betaald worden,” viel tante in.

„Jawel, maar ik weet niet wanneer ze opvorderbaar zijn noch wie ze in bewaring heeft,” hernam Traddles, „en ik vermoed dat mijnheer Micawber nog vóór zijn vertrek gearresteerd en dat op zijn inboedel beslag gelegd zal worden.”

„Dan moet hij afgekocht worden evenals zijn inboedel,” zei tante. „Hoeveel is de geheele som?”

„Mijnheer Micawber heeft zijne operatiën—hij noemt dat geknoei zoo—nauwkeurig geboekt,” antwoordde Traddles glimlachend, „de totale som bedraagt honderd en drie pond en vijf shillings.”

„Welnu, wat zullen wij hem geven, deze som er onder begrepen?” vroeg tante. „Vijfhonderd pond?”

Deze som deed Traddles en mij opspringen van schrik. Wij gaven beiden den raad mijnheer Micawber eene kleine som in geld te overhandigen en Uriah's vorderingen, zonder mijnheer Micawber daarvan te verwittigen, te voldoen wanneer ze inkwamen. Wij stelden verder voor dat de reis en de uitrusting van de familie betaald zouden worden, dat men hun een voorschot zou geven van honderd pond en dat mijnheer Micawber's schikkingen omtrent de terugbetaling met allen ernst zouden worden behandeld, opdat hij zijn nieuw leven zou beginnen onder het besef van de verantwoordelijkheid voor deze som. Hierbij voegde ik nog den raad om baas Peggotty op de hoogte te stellen van mijnheer Micawber's karakter en geschiedenis en hem, op wien ik wist dat men zich kon verlaten, te machtigen den heer Micawber nog honderd pond voor te schieten indien hij daaraan behoefte had. Verder stelde ik voor mijnheer Micawber eenig belang in te boezemen voor baas Peggotty, door hem zooveel van diens geschiedenis mede te deelen als zonder onbescheiden te zijn kon gedaan worden en dienstig geacht werd; en te trachten de twee mannen met elkander in aanraking te brengen tot voordeel van beiden. Allen schonken aan deze voorstellen hunne goedkeuring en ik mag hierbij voegen dat de hoofdpersonen korten tijd later reeds vriendschap hadden gesloten.

Ik meende op te merken dat Traddles tante nogmaals met een angstigen blik aankeek, zoodat ik het noodig vond hem aan het tweede punt te herinneren, dat hij had aangekondigd.

„Gij en uwe tante zult mij wel willen verontschuldigen, Copperfield, wanneer ik thans een pijnlijk onderwerp aanroer; ik vrees ten minste dat het dit zijn zal,” sprak Traddles op aarzelenden toon; „maar het is noodzakelijk dat ik het u in herinnering breng. Op den dag waarop mijnheer Micawber zijne gedenkwaardige memorie voorlas, werd door Uriah Heep eene dreigende toespeling gemaakt op uw tante's.... echtgenoot.”

Tante bleef in dezelfde stijve houding zitten en bewaarde schijnbaar al hare kalmte, terwijl zij met een hoofdknik dit punt bevestigde.

„Misschien,” vervolgde Traddles, „was dit slechts eene ongegronde onbeschaamdheid.”

„Neen,” zei tante.

„Er bestond dus inderdaad zoo iemand en die iemand was in zijne macht?” fluisterde Traddles in zijne verlegenheid.

„Ja, mijn vriend,” antwoordde tante.

Traddles' gezicht betrok, terwijl hij verklaarde niet in staat geweest te zijn deze zaak aan te roeren, zoodat Uriah Heep, nu hij niet meer in onze macht was en zeker elke gelegenheid zou aangrijpen om ons onaangenaam te zijn, even goed van deze omstandigheid gebruik zou kunnen maken als van de vorderingen, welke hij op mijnheer Micawber kon doen gelden.

Tante bewaarde het stilzwijgen totdat nogmaals de tranen over hare wangen begonnen te stroomen.

„Gij hebt zeer verstandig gehandeld door deze aangelegenheid te berde te brengen,” sprak zij eindelijk.

„Kan ..... ik of ..... Copperfield iets voor u doen in deze zaak?” vroeg Traddles vriendelijk.

„Niets,” antwoordde tante. „Dank u nogmaals. Het is eene vruchtelooze bedreiging, Trot! Laat nu mijnheer en mevrouw Micawber binnenkomen. En spreekt geen van allen tegen mij!” Zij streek hare japon glad en bleef, rechtop als een kaars, naar de deur zitten kijken.

„Zoo, mijnheer en mevrouw Micawber,” sprak tante, toen deze binnentraden. „Wij hebben over uwe aanstaande reis gesproken en verzoeken u wel verschooning omdat wij u zoo lang buiten de kamer hebben gelaten; ik zal u nu eens vertellen welke schikkingen wij hebben getroffen.”

Zij deelde daarna alles mede wat wij besproken hadden, tot groote vreugde van het gansche gezin—ook de kinderen waren intusschen binnengekomen—en tot innige tevredenheid van mijnheer Micawber, die een geheele reeks van wisseloperatiën in het verschiet zag en zich niet wilde laten weerhouden om terstond weg te snellen en de zegeltjes te koopen, waarmede zijne schuldbekentenissen zouden worden gewaarmerkt. Zijne blijdschap was echter van korten duur, want vijf minuten later keerde hij in gezelschap van een deurwaarder terug en deelde ons onder een vloed van tranen mede, dat alles verloren was. Aangezien wij op deze omstandigheid, eene wraakneming van Uriah Heep, bedacht waren geweest, betaalden wij onmiddellijk de verschuldigde som en weder vijf minuten later zat mijnheer Micawber aan de tafel zijne wisseltjes in te vullen met een gezicht, dat straalde van vergenoegdheid, zooals het alleen deed bij het verrichten van deze bezigheid en bij het bereiden van punch. Het was waarlijk een bezienswaardig schouwspel, zooals hij daar met een genot als van een kunstenaar zijn wisseltjes zat te schrijven of liever te teekenen, ze telkens opnam om ze te bekijken, van voren, van achteren, ze tegen het licht hield, de datums en het bedrag in zijn zakboekje aanteekende en ze, toen ze gereed waren, nogmaals gadesloeg met een diep besef van hunne kostbaarheid.

„Het beste dat gij nu kunt doen, mijnheer—indien gij een raad van mij wilt aannemen—dat is,” zei tante, die hem aandachtig had gadegeslagen, „deze bezigheid voor eeuwig af te zweren.”

„Mevrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Micawber, „het is mijn voornemen van zulk eene gelofte aanteekening te houden op het maagdelijk blad der toekomst. Mevrouw Micawber zal mijne getuige zijn. Ik vertrouw,” voegde hij er op plechtigen toon bij, „dat mijn zoon Wilkins onthouden zal hoe oneindig beter het is de hand in het vuur te steken dan er de adders mede te beroeren, die het hartebloed zijns ongelukkigen vaders vergiftigd hebben.” Mijnheer Micawber was diep geroerd en in een oogenblik in een beeld der wanhoop herschapen; hij bekeek de adders met een blik, waarin wel is waar innige afschuw te lezen was, doch waarin de vereering van zooeven nog niet geheel was uitgebluscht, vouwde ze op en stak ze in den zak.

Hiermede waren de werkzaamheden voor dezen avond afgeloopen. Wij waren vermoeid en tante zou den volgenden morgen met mij naar Londen terugkeeren. Volgens afspraak zouden de Micawbers ons volgen, na het grootste gedeelte van hunne eigendommen aan een uitdrager te hebben verkocht; de zaken van mijnheer Wickfield zouden door Traddles zoo spoedig mogelijk geliquideerd worden en Agnes zou gedurende dien tijd medegaan naar Londen. Wij brachten den nacht door in het oude huis, dat na het vertrek van de Heeps als 't ware van eene besmettelijke ziekte gezuiverd was; ik sliep in mijn oude kamertje als een schipbreukeling in zijn eigen huis.

Den volgenden dag keerden wij terug naar tante's woning—niet naar de mijne, en toen wij des avonds met ons beiden alleen waren, vroeg zij:

„Verlangt gij waarlijk te weten, Trot, wat mij in de laatste dagen zoo heeft bezig gehouden?”

„Ja, zeker, tante. Indien er ooit een tijd is geweest, waarin ik gaarne al uw verdriet, al uw zorgen met u deelde, dan is het zeker op dit oogenblik.”

„Gij hebt zelf verdriet genoeg, mijn kind,” zei tante op hartelijken toon; „mijne kleine ellenden behoeven niet daarbij te komen. Een andere reden om ze voor u geheim te houden kan ik niet hebben, Trot.”

„Dat weet ik wel,” antwoordde ik. „Vertel mij nu maar wat u zoo drukt.”

„Wilt gij morgenochtend een eindje met mij gaan rijden?”

„Natuurlijk.”

„Goed, dan om negen uur. Ik zal u dan alles vertellen, beste jongen.”

Volgens de afspraak reden wij om negen uur in een klein wagentje naar Londen. Na een langen weg door tallooze straten afgelegd te hebben, kwamen wij aan de groote hospitalen. Voor het gebouw stond eene eenvoudige lijkkoets. De koetsier herkende tante en op een wenk van haar reed hij zachtjes voort; wij volgden.

„Begrijpt gij het nu, Trot?” vroeg tante. „Hij is dood.”

„In het hospitaal gestorven?”

„Ja.”

Zij zat onbewegelijk naast mij, maar ik zag hoe hare tranen wederom te voorschijn kwamen.

„Hij was daar vroeger nog eens geweest,” vertelde zij. „Langen tijd was hij ziekelijk—een gebroken, oude man. Toen hij nu laatst zijn toestand inzag, liet hij mij roepen. Hij had toen berouw, Trot; bitter berouw.”

„Ik weet dat gij er heen zijt geweest, tante.”

„Ja, ik ging er heen. Ik was veel bij hem in de laatste dagen.”

„Hij stierf in den avond voor wij naar Canterbury gingen, nietwaar?”

Tante knikte. „Niemand kan hem meer leed doen. De bedreiging was dus vruchteloos,” sprak zij.

Wij reden naar het kerkhof te Hornsey, een eind buiten Londen. „Hier ligt hij beter dan in Londen,” zei tante. „Hij is hier geboren.”

Wij stapten uit en volgden de eenvoudige kist naar een hoekje van het kerkhof, dat ik nu nog zeer goed zou weten te vinden, en hoorden daar den lijkdienst aan.

„Vandaag voor zevenendertig jaren was onze huwelijksdag,” zei tante, toen wij naar ons rijtuig terugwandelden. „God moge ons allen onze zonden vergeven!”

Zwijgend namen wij weder plaats en langen tijd bleven wij naast elkander zitten; zij met hare hand op de mijne. Eindelijk barstte zij in tranen uit en zei:

„Hij was een knappe man toen wij trouwden, Trot—maar o, wat was hij veranderd!”

Deze stemming duurde niet lang; zij was spoedig hare tranen meester en kreeg toen ook hare kalmte terug. „Mijn zenuwen spelen mij parten tegenwoordig,” sprak zij, „anders zou ik mijn tranen wel kunnen binnenhouden. God vergeve ons onze zonden!” Zoo reden wij terug naar haar kleine huisje te Highgate, waar wij het navolgende korte briefje van mijnheer Micawber vonden, dat met de morgenpost was bezorgd.

Canterbury—Vrijdag.

Geachte Mevrouw en Copperfield!

„Het schoone land van belofte, dat aan den horizon opdoemde, is opnieuw gehuld in mist en nevel en voor altijd onttrokken aan de blikken van een ongelukkigen sterveling, die door het noodlot wordt achtervolgd.

Nogmaals is een dwangbevel uitgevaardigd door het Hooge Hof van King's Bench te Westminster in de zaak Heep contra Micawber en de verweerder is eene gemakkelijke prooi voor den sheriff, aan wien in dit baljuwschap de hoogste rechtspraak is toegewezen.

Tot slavenketenen gedoemd, voel ik dat het einde spoedig daar zal zijn, want een menschenziel kan maar tot een zeker punt worden gemarteld en dat punt heb ik bereikt. God zegen u, God zegen u! Wie later met opzet of toevallig een bezoek brengt aan de plaats, alwaar in deze stad de schuldenaren worden opgesloten, zal, naar ik hoop met eenig medelijden, de plek aanstaren, waar met een roestigen spijker in den muur zijn gekrabd

de onleesbare letters: W. M.

P.S. Ik heropen dit schrijven om u te zeggen, dat onze gemeenschappelijke vriend, Mr. Thomas Traddles, die ons nog niet verlaten heeft en heel wel is, de vordering met de kosten betaald heeft uit naam van Mejuffrouw Trotwood, en dat ik mij met mijn gezin in den zevenden hemel bevind.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LV. Storm

Ik ben nu aan eene gebeurtenis genaderd, die zoo onuitwischbaar in mijn geheugen is gegrift, eene gebeurtenis, zoo vreeselijk en zoo innig verbonden met al hetgeen in de vorige bladzijden is beschreven, dat ik van het begin van mijn verhaal af haar grooter en grooter heb zien worden, evenals een toren aan het einde van eene uitgestrekte vlakte. Zelfs op de voorvallen uit mijn jeugd werpt zij eene ondoordringbare schaduw.

Jaren nadat zij plaats had, droomde ik er nog van. Menigmaal ben ik in den nacht ontsteld opgesprongen, meenende dat zij in al hare gruwzaamheid op mijn eenzame kamer plaats vond. Zelfs nu nog droom ik er van bij lange tusschenpoozen. Telkens wanneer het stormt of ik hoor spreken van het strand, moet ik er aan denken. Even duidelijk als ik thans nog voor mij zie wat er gebeurde, zal ik trachten het te beschrijven. Ik behoef mijn geheugen niet te hulp te roepen, want ik zie het voor mij, alsof het op dit oogenblik gebeurt.

Het tijdstip, waarop de landverhuizers zouden uitzeilen, naderde met rassche schreden en bracht ook mijne goede, oude kindermeid—toen zij mij voor de eerste maal ontmoette, was zij bijna niet tot bedaren te brengen—naar Londen. Ik was bijna voortdurend bij haar en haar broeder en de Micawbers—deze waren onafscheidelijk—maar Emily zag ik nooit.

Op zekeren avond, toen de dag van het vertrek ophanden was, zat ik alleen met Peggotty en haar broeder. Ons gesprek viel op Ham. Zij vertelde ons hoe hartelijk hij afscheid van haar had genomen en hoe flink en mannelijk hij zich altijd gedroeg, vooral in den laatsten tijd, terwijl zij meende, dat hij op zulk een zware proef was gesteld. Dit was een onderwerp, waarover het hartelijke schepsel nooit was uitgepraat en onze belangstelling bij het aanhooren van al de voorbeelden, die zij opsomde, zij, die altijd met en bij hem was, was even groot als haar lust om er van te vertellen.

Tante en ik hadden intusschen de twee huisjes in Highgate verlaten; ik zou op reis gaan en tante gaf er de voorkeur aan weder haar eigen huisje te Dover te betrekken. Zoo hadden wij tijdelijk kamers in Covent Garden. Toen ik dezen avond daarheen wandelde na het gesprek over Ham, peinzend ook over hetgeen tusschen hem en mij was voorgevallen te Yarmouth, werd mijn voornemen om voor Emily een brief achter te laten, op het oogenblik dat ik aan boord afscheid nam van haar oom, aan het wankelen gebracht. Het denkbeeld kwam in mij op of het niet beter zou zijn haar nu te schrijven. Het was mogelijk dat zij na de ontvangst van mijn brief eenig antwoord zou willen doen toekomen aan Ham. Daarvoor moest ik haar de gelegenheid geven.

Eer ik naar bed ging, schreef ik dan ook aan haar en vertelde haar dat ik hem gezien had en dat hij mij verzocht had haar te zeggen wat ik in vorige bladzijden reeds heb meegedeeld. Zoo getrouw mogelijk gaf ik zijn eigen woorden weer. Waartoe zou ik zijn eenvoudige taal, waaruit niets anders sprak dan trouw en goedheid, opgesierd hebben? Ik sloot dezen brief in bij eenige woorden van baas Peggotty, waarin ik verzocht mijn schrijven aan Emily te overhandigen, en ging toen naar bed.

Ik was toenmaals minder sterk dan ik meende en aangezien ik niet voor tegen het aanbreken van den morgen in slaap viel, bleef ik langer dan gewoonlijk liggen en stond onverkwikt op. Tante zat bij mijn bed; dat voelde ik in mijn slaap. Ik onderstel dat ieder mensch zoo iets voelen zou.

„Beste Trot,” sprak zij toen ik de oogen opende, „ik kon niet besluiten om u wakker te maken. Baas Peggotty is beneden; zal ik vragen of hij boven wil komen?”

„Goed,” antwoordde ik en een oogenblik later stond hij voor mijn bed.

„Mijnheer Davy,” zei hij, „ik heb Em'ly uw brief gegeven en zij heeft dit geantwoord; zij verzocht mij u te verzoeken het te lezen en zoo gij er niets stuitends of kwetsends in vindt, u met de bezorging te belasten.”

„Hebt gij het gelezen?” vroeg ik.

Hij knikte met een bedroefd gelaat. Ik opende den brief en las het navolgende:

„Ik heb uw boodschap ontvangen. O, wat kan ik schrijven om u te bedanken voor al uwe goedheid en vriendelijkheid?

Ik heb de woorden in mijn hart opgesloten en zal ze bewaren tot het einde. Ze zijn als scherpe doornen, maar toch ook een troost voor mij. O, ik heb zooveel gebeden. Als ik bedenk hoe goed ge zijt en hoe goed oom is, dan besef ik hoe God wel zijn moet en kan ik tot hem bidden.

Vaarwel voor eeuwig. Vaarwel, dierbare vriend; vaarwel voor altijd in deze wereld. Als ik in die andere wereld vergiffenis vindt, zal ik wellicht als kind ontwaken en tot u komen. Ontvang nogmaals mijn innigen dank. Vaarwel voor eeuwig!”

Zoo luidde haar brief, waarop de sporen van hare tranen zichtbaar waren.

„Mag ik haar zeggen, dat gij er niets stuitends in vindt; en wilt gij u dan met de bezorging belasten, mijnheer Davy?” vroeg baas Peggotty toen ik den brief gelezen had.

„Ongetwijfeld,” antwoordde ik.... „maar ik denk... Zou het niet beter zijn als ik er persoonlijk mede naar Yarmouth ging? Er is tijd genoeg; ik kan dus terug zijn eer het schip vertrekt. Ik moet telkens aan hem denken, zooals hij daar nu eenzaam is achtergebleven; hem dien brief ter hand te stellen en u te kunnen vertellen op het oogenblik van vertrek, dat hij dien gelezen heeft, zal beiden goed doen. Hij gaf mij zijne opdracht op zulk eene plechtige wijze ... de arme kerel ... dat ik die niet te volledig kan vervullen. De reis beteekent niets voor mij. Eenige afleiding zal mij goed doen. Ik vertrek dus van avond.”

Hoewel hij zijn best deed om het mij te ontraden, zag ik toch wel dat hij het met mij eens was; ware het noodig geweest mij aan te moedigen dan zou de uitdrukking op zijn gezicht dat zeker gedaan hebben. Op mijn verzoek ging hij langs het diligence-kantoor en nam eene plaats voor mij op den bok en dienzelfden avond reed ik weder langs den weg, waaraan zoo tallooze herinneringen voor mij waren verbonden.

„Vindt gij de lucht niet vreemd?” vroeg ik aan den koetsier, nog eer wij de eerste pleisterplaats bereikt hadden. „Ik kan mij niet herinneren de lucht ooit zoo vreemd gezien te hebben.”

„Ik ook niet,” antwoordde hij. „Die lucht voorspelt storm, mijnheer! Het zal in de eerstvolgende dagen niet pluis zijn op zee.”

Het was een sombere chaos van donkere, onstuimig voortdrijvende wolken, hier en daar gekleurd als met de rook van vochtige brandstof, nu en dan op de meest zonderlinge wijze opeengehoopt, den toeschouwer in den waan brengende, dat ze hoogten vormden grooter dan de diepte daar beneden. En de maan scheen blindelings tusschen het wolkenheir door te hollen, alsof zij niet meer luisterde naar de wetten der natuur, alsof zij verdwaald was en angstig wegvluchtte. Het had dien geheelen dag gewaaid, maar langzamerhand begon de wind hevig op te steken en betrok de lucht al meer en meer. Toen de nacht inviel sloten zich de wolken aaneen, zoodat het stikdonker was en te gelijkertijd nam de wind in hevigheid toe. Onze paarden konden er nauwelijks meer tegen op. Meer dan eens in het holst van den nacht—het was September; de nachten waren dus niet kort—keerde het voorspan om of bleef staan en vreesden wij dat de diligence zou omvallen. De regen werd door den storm voortgezweept, zoodat de droppels met zooveel kracht neerkwamen, alsof ze hagelsteenen waren; en telkens wanneer wij onder de beschutting konden komen van boomen of muren, bleven wij maar staan, omdat wij toch onmogelijk den strijd konden voortzetten.

Toen de dag aanbrak nam de storm nog in hevigheid toe. Ik was wel te Yarmouth geweest als de zeelieden zeiden dat het ruw weer was, maar iets dergelijks had ik nog nooit bijgewoond, zelfs in de verste verte niet. Na elken voet grond als het ware betwist te hebben, kwamen wij laat te Ipswich aan en vonden daar op de markt het grootste gedeelte van de inwoners bijeen, die des nachts waren opgestaan omdat zij zich in hunne huizen niet veilig waanden. Sommigen kwamen bij ons in de herberg, terwijl wij van paarden verwisselden, en vertelden ons van groote bladen zink, die van den kerktoren waren afgewaaid en in eene achterstraat terechtgekomen zoodat deze thans geheel versperd was. Anderen vertelden van landlieden, die van buiten naar de stad waren gekomen en groote boomen hadden gezien, die uit den grond waren gerukt, en geheele hooibergen over velden en wegen verspreid. En nog steeds nam de storm in hevigheid toe.

Terwijl wij voortworstelden in de richting van de zee, proefden wij reeds op grooten afstand het schuim en werden ons de zoute droppelen in het gezicht gejaagd. In den omtrek van Yarmouth stond het vlakke land mijlen in het rond onder water en toen wij de zee in het oog kregen, teekenden de golven zich tegen den horizon af als een verafgelegen kust met torens en gebouwen. De menschen in Yarmouth kwamen naar buiten, voorovergebogen en met verwilderde haren en betuigden hunne verbazing dat de postwagen in zulk noodweer nog was aangekomen.

Ik stapte in de oude herberg af en ging naar het strand om de zee te zien; voortwaggelend door de straten, die met zand en zeewier waren bedekt, terwijl ik telkens gevaar liep door vallende pannen of leien getroffen te worden en mij op de hoeken der straten aan de menschen, die ik tegenkwam, moest vasthouden evenals zij aan mij. Toen ik op het strand kwam zag ik niet alleen de schippers maar de halve bevolking op den uitkijk staan, verscholen achter alles wat eenigszins eene schuilplaats kon aanbieden; sommigen trotseerden nu en dan den woedenden storm om naar de zee te zien en werden, wanneer zij wilden terugkeeren, geheel uit den koers gewaaid.

Toen ik mij bij een dier groepjes voegde, vond ik jammerende vrouwen, wier echtgenooten op de haring- of oestervangst waren, en die terecht vreesden, dat er geen gelegenheid geweest was om de booten in veiligheid te brengen; oude, grijze zeelieden, die bedenkelijk het hoofd schudden, terwijl zij van de zee naar de lucht keken en onverstaanbare woorden onder elkander mompelden; reeders in angstige spanning; kinderen, die samenschoolden en de ouderen naar de oogen keken; stoute zeelieden, die met angst en onrust op het gelaat hunne kijkers op de zee richtten alsof zij een vijand bespiedden.

Wanneer ik tusschen de stormvlagen en de rondvliegende steenen en zandwolken door een oogenblik de oogen kon open houden, ontstelde ik telkens weder van de ontzagwekkende zee. Het scheen wel of de aanrukkende golven, die, wanneer ze haar toppunt bereikt hadden, schuimend neerploften, de geheele stad zouden bedelven; zij beukten het strand en groeven met één slag reusachtige holen in het zand, alsof zij de aarde wilden ondermijnen. Wanneer de wit gekuifde baren donderend kwamen aanrollen en eer zij het land bereikten, vaneen sloegen, scheen elk gedeelte nog de woedende kracht te behouden van het geheel en snelde het voort, om met andere golfgevaarten tot één afschrikwekkend monster saam te smelten. Golvende heuvelen werden plotseling in diepe ravijnen, ravijnen, waarboven nu en dan een stormvogel heengierde, in heuvelen herschapen; ontzaglijke massa's water vielen dreunend neder op het strand; in de grilligste vormen rolden de golven voort, alles op haar weg vernielend en medesleurend, om eindelijk, na tallooze malen van vorm te hebben verwisseld, op het strand te pletter te slaan; de kust, welke in mijne verbeelding aan den horizon verrezen was, verdween met zijn torens en gebouwen om in het volgende oogenblik weder te verrijzen; woest joegen de wolken op en over elkander voort; de gansche natuur scheen in een onstuimigen kampstrijd gewikkeld.

Aangezien ik Ham niet vond onder hen, die deze gedenkwaardige storm—volgens menschenheugenis de zwaarste die ooit op deze kust heeft gewoed—had bijeengebracht, begaf ik mij naar zijne woning. Deze was gesloten en toen niemand op mijn kloppen antwoordde, ging ik door achterstraatjes en stegen naar de werf waar hij werkte. Ik vernam daar dat hij naar Lowestoft was vertrokken ten einde iets aan een schip te kalefateren, dat aan zijne bekwame hand bijzonder was toevertrouwd; hij kon den volgenden morgen vroegtijdig terug zijn.

Ik keerde terug naar de herberg en na vergeefs getracht te hebben wat te slapen, maakte ik mijn toilet in orde. Het was toen reeds vijf uur in den namiddag. Ik had nog geen vijf minuten bij den haard in de gelagkamer gezeten, toen de bediende, die het vuur wat kwam opstoken, mij met eenige verontschuldigingen, omdat hij mij aansprak zonder daartoe uitgenoodigd te zijn, vertelde dat op eenige mijlen van de kust twee kolenschepen met man en muis waren vergaan en dat men nog meer schepen op de reede had gezien, die wanhopende pogingen deden om van de kust af te blijven. „De Hemel zij hen en alle arme schepelingen genadig, indien wij nog een dergelijken nacht moesten beleven!”

Ik was zeer terneergeslagen en voelde mij erg eenzaam, terwijl ik mij geheel noodeloos ongerust maakte over de afwezigheid van Ham. De jongste gebeurtenissen hadden mij meer aangegrepen dan ik zelf wist en het langdurige staan in dien hevigen wind had mij geheel van streek gebracht. Mijne gedachten en mijn geheugen waren zoo verward dat ik het juiste begrip van tijd en afstand scheen verloren te hebben. Ware ik de stad ingegaan, dan zou het mij b.v. niets verbaasd hebben, indien ik iemand ware tegengekomen, die op dat oogenblik in Londen zijn moest. Ik kan daarvoor geen betere uitdrukking vinden dan dat mijn geest aan eene zonderlinge onoplettendheid lijdende was; toch was ik vervuld met al de herinneringen, die het plaatsje natuurlijk bij mij opwekte en deze waren zelfs bijzonder duidelijk en levendig. In dezen toestand bracht ik het treurig bericht, dat de bediende mij meedeelde, onmiddellijk en zonder dat mijn wil daarop eenigen invloed had, in verband met mijne ongerustheid over Ham. De vrees kwam bij mij op dat hij over zee van Lowestoft zou zijn teruggekeerd en nu verloren was en deze vrees nam zulke groote afmetingen aan, dat ik besloot nog voor het middagmaal naar de werf te gaan en den scheepsbouwmeester te vragen of hij mijne onderstelling waarschijnlijk achtte. Indien dat zoo was, wilde ik zelf naar Lowestoft gaan en hem van dat roekelooze plan terughouden door hem mede te brengen.

Haastig bestelde ik het middagmaal en ging naar de werf, waar ik nog juist bijtijds aankwam, want de meesterknecht was bezig met een lantaarn in de hand de poort te sluiten. Hij lachte mij hartelijk uit toen ik hem de vraag deed en zei dat daarvoor niet de minste vrees bestond; niemand, hetzij hij zijn verstand gebruikte of niet gebruikte, zou in zulk een noodweer zich op zee wagen. Ham Peggotty zeer zeker niet, want die was een geboren zeeman. Ik had dit vooraf zoo goed geweten dat ik mij schaamde de vraag gedaan te hebben. Toch had ik het niet kunnen laten. Ik keerde dus naar de herberg terug.

Indien zulk een storm nog heviger worden kon dan geloof ik dat het ditmaal het geval was. Het gehuil en gebulder, het rammelen van de deuren en vensters, het loeien in de schoorsteenen, het schijnbare slingeren van het huis, waarin ik eene schuilplaats gevonden had, het ontzettend, aanhoudend rumoer om mij heen, dat alles was nog angstverwekkender dan 's morgens. Bovendien heerschte er op dit oogenblik volslagen duisternis, waardoor de wezenlijke en ingebeelde gevaren nog grooter werden.

Ik kon niet eten, ik kon niet stil zitten, ik kon mij met niets bezighouden. Er was iets in mij, dat eenigszins overeenstemde met den storm, iets dat rondwoelde in mijne herinneringen, maar toch traden telkens de storm en mijne ongerustheid over Ham weder op den voorgrond.

Mijn middagmaal werd bijna onaangeroerd weggenomen en ik trachtte mij door het gebruik van een paar glazen wijn een weinig op te frisschen. Vergeefsche poging! Ik viel voor den haard in een doffe sluimering doch bleef mij bewust zoowel van het geraas buiten als van de plaats, waar ik mij bevond. Beide werden echter overschaduwd door een nieuw en onverklaarbaar gevoel van angst, en toen ik ontwaakte of liever mij losrukte uit den toestand van bedwelming, die mij aan mijn stoel had gebonden, beefde ik over mijn gansche lichaam van ongegronde en onbegrijpelijke vrees. Ik liep eenigen tijd heen en weer, trachtte een oud nieuwsblad te lezen, luisterde naar de angstverwekkende geluiden buiten en zag allerlei gezichten en tooneelen in de opflikkerende vlammen.

Het was eene geruststelling dat eenige bedienden waren overeengekomen gedurende den nacht om beurten te blijven waken. Ik ging dus naar bed, doodmoe en slaperig; maar toen ik mij had neergelegd verdween dat gevoel, alsof ik door een tooverstok was aangeraakt en bleef ik zoo helder wakker als ik den geheelen dag niet geweest was.

Uren lang lag ik naar den wind en het water te luisteren; mij nu eens verbeeldende dat ik angstkreten, dan weder dat ik noodschoten hoorde of dat een of meer huizen in de stad invielen. Verscheidene malen stond ik op om naar buiten te kijken, maar ik zag niets dan den weerschijn van de flauw brandende kaars op de vensterruiten en van mijn eigen bleek gelaat, dat mij uit de zwarte duisternis scheen aan te staren. Eindelijk nam mijne rusteloosheid zoodanig toe, dat ik mij haastig aankleedde en naar beneden ging. In de groote keuken, waar ik de zijden spek en de risten uien, die aan de zoldering hingen, niet dan flauw kon onderscheiden, zaten de wakende bedienden in verschillende houdingen om de tafel, die met opzet van den grooten schoorsteen naar de deur was verschoven. Een aardig meisje, dat de ooren met haar schort had toegestopt en de oogen voortdurend op de deur scheen gevestigd te houden, gaf een gil, toen ik binnentrad, meenende een spook te zien; de anderen hadden hunne zinnen beter bij elkander en waren blijde dat ik het gezelschap kwam vergrooten. Een van hen, het onderwerp, dat zij besproken hadden, weder opnemende, vroeg mij of ik ook niet van meening was dat de geesten van de kolenschippers, die vergaan waren, nu in den storm rondwaarden.

Ik bleef daar, als ik mij wel herinner, twee uren. Eenmaal opende ik de buitendeur en sloeg een blik op de straat. Zand, zeewier en vlokken schuim, anders zag ik niets en ik moest hulp roepen om de deur weder te sluiten waar de wind vlak op stond.

Toen ik eindelijk naar mijne kamer terugkeerde, was het daar geheel duister; maar nu was ik zoo vermoeid, dat ik nogmaals mijn bed opzocht en terstond in slaap viel. Ik herinner mij nog zeer goed, dat ofschoon ik droomde van geheel andere plaatsen en dingen, het toch in mijn droom voortdurend stormde. Eindelijk verloor ik ook dit flauwe bewustzijn van de werkelijkheid en bevond ik mij met twee goede vrienden—wie het waren weet ik niet—in eene belegerde stad. Het gebulder van de kanonnen ging zoo onafgebroken voort, dat ik iets, wat ik gaarne hooren wilde, niet kon verstaan, en dit duurde zoo lang tot ik eene buitengewone inspanning deed en ontwaakte. Het was helder dag... acht of negen uur; in plaats van het kanongebulder woedde de storm nog steeds voort en er stond iemand op de gang te roepen en op mijne kamerdeur te kloppen.

„Wat is er?” riep ik.

„Een schip in nood! Vlak bij de kust!”

Ik sprong uit het bed en vroeg: „Wat voor een schip?”

„Een Spaansche of Portugeesche schoener, beladen met vruchten en wijn. Haast u mijnheer, indien gij er nog iets van zien wilt! Op het strand zegt men dat het elk oogenblik uit elkander kan slaan!”

De opgewonden stem ging nog steeds roepende de trap af en ik trok zoo spoedig mogelijk eenige kleedingstukken aan en snelde de straat op.

Een aantal menschen liepen voor mij uit, allen in dezelfde richting, naar het strand. Ik liep er meer dan een voorbij en stond weldra tegenover de onstuimige zee.

De storm mag op dat oogenblik een weinig bedaard zijn geweest, maar niet meer dan alsof in mijn droom een dozijn kanonnen van al de honderdtallen was tot zwijgen gebracht. De zee, den ganschen nacht telkens meer in beroering gebracht, was echter nog onstuimiger en angstverwekkender dan ik haar ooit gezien had. Alles wat men zag maakte den indruk van gezwollen te zijn en de hoogte, waarop de schuimende baren zich verhieven, over elkander heenkeken en elkaar vermorselden, de kracht, waarmede ze telkens en telkens weder het strand beukten, was ontzettend.

De inspanning, die het mij kostte in het eerst iets anders te hooren dan het geloei van den storm en het donderen van de golven, benevens de moeite die ik had om mij staande te houden, waren oorzaak dat ik, hoe ik de zee ook langs tuurde om het schip te ontdekken, niets zag dan de hooge, witgekuifde golven. Een half gekleede schipper, die naast mij stond, wees mij met den ontblooten arm,—er was een pijl op getatoueerd, die in dezelfde richting wees—naar links. En toen, ja, groote God, toen zag ik het vlak bij ons!

De eene mast was vlak boven het dek afgebroken en lag over boord, verward in zeilen en tuigage en beukte het schip, dat onafgebroken en met ongeloofelijke kracht slingerde en stampte, alsof het vaneen gespleten moest worden. Er werden pogingen in het werk gesteld om de tuigage af te kappen, want toen het wrak zich met de lange zijde naar ons toekeerde, zag ik duidelijk het scheepsvolk met bijlen aan het werk; vooral werd mijne aandacht getrokken door eene slanke gestalte met krullend haar, die boven de anderen uitstak. Op dit oogenblik ging van het stand een geweldige kreet op, die alles overstemde; de zee was over het stampende wrak heengeslagen en had alles wat er op was, menschen, tonnen, planken, de verschansing zelfs in de kokende branding verzwolgen. De tweede mast stond nog overeind met de overblijfselen van een gescheurd zeil en een netwerk van gebroken touwwerk, dat in den wind heen- en weerfladderde. Het schip heeft eens gestooten, schreeuwde dezelfde schipper mij met heesche stem in het oor, is toen weder losgeraakt en heeft opnieuw gestooten. Ook begreep ik uit zijne woorden dat het wrak splijten zou en dit kwam mij zeer waarschijnlijk voor omdat tegen zulk stampen en stooten geen menschen werk bestand kon zijn. Terwijl hij sprak ging er weder een kreet van medelijden op uit de verzamelde toeschouwers; vier man verrezen met het wrak uit de diepte en klemden zich vast in het nog bestaande want en in den mast; en weder boven alles uit zag ik die slanke gestalte met het krullende haar.

Er was een bel aan boord en terwijl het wrak als een razende slingerde en schudde, ons nu eens het geheele dek dan weder de kiel vertoonende, vooroverdook om tusschen twee golven te verdwijnen en in het volgend oogenblik bovenop een andere te staan, luidde de bel aanhoudend door en dat geluid, de doodsklok dier ongelukkigen, werd door den wind naar het strand gevoerd.

Weder was het geheele wrak voor een oogenblik verdwenen en toen het weder zichtbaar werd, waren er nog slechts twee mannen in het want. De angst nam op het strand met elke seconde toe. De mannen sloegen de handen wanhopend ineen, de vrouwen jammerden en keerden het gelaat af. Eenigen liepen half razend het strand op en neer, hulp roepende terwijl onmogelijk hulp kon worden geboden. Ik zelf behoorde tot deze laatsten en smeekte een troepje schippers, die ik kende, de ongelukkige menschen toch niet voor onze oogen te laten verdrinken.

Zij deelden mij met ontroerde stemmen mede—ik weet niet hoe, want ik was zelf te zenuwachtig om hunne woorden goed te begrijpen—dat de reddingboot al een uur geleden bemand was met de dappersten uit de stad, maar dat zij niets konden uitrichten; dat niemand zoo roekeloos zou zijn om met een lijn door de branding te waden en zoo de gemeenschap met het strand tot stand te brengen; zoodat er niets overbleef om te beproeven. Daar bemerkte ik dat er plotseling beweging kwam onder de toeschouwers op het strand, ik zag hen uitwijken en..... Ham liep tusschen hen door. Ik snelde naar hem toe—ik herinner het mij zeer goed—om ook hem tot helpen aan te sporen. Hoe verbijsterd ik ook was tengevolge van dit voor mij nieuwe en vreeselijke schouwspel, de vastberaden uitdrukking op zijn gelaat, de blik, dien hij naar de zee wierp—geheel dezelfde als op den morgen na Emily's verdwijning—deden mij plotseling het gevaar beseffen, waarin hij zich begaf. Met beide armen hield ik hem vast en smeekte de mannen, met wie ik had staan praten, niet naar hem te luisteren, hem niet toe te staan zich op te offeren, hem geen pas verder te laten doen!

Wederom ging er een kreet op langs het strand; naar het wrak kijkende zagen wij hoe het wreede zeil zich had losgerukt en telkens en telkens weder neersloeg op een der mannen, om daarna als zegepralend om de slanke gestalte rond te fladderen, die nu nog alleen in de mast was overgebleven.

Ten aanschouwe van zulk een wanhopenden toestand had ik evengoed den storm kunnen bezweren als den vastberaden kalmen man, die altijd iedereen voorging in het gevaar, van zijn eenmaal gevat besluit terugbrengen. „Jongeheer Davy,” zei hij, mijne beide handen in de zijne nemende, „als mijn tijd daar is, dan is er niets aan te veranderen; zoo niet, dan zal ik hem afwachten. De Heer daarboven zegene u en allen! Mannen, houdt u gereed! Ik ga er op los!”

Ik werd, doch niet met ruwheid, achteruitgebracht, tusschen eenige schippers en schippersvrouwen, die, als ik mij goed herinner, verklaarden dat er toch niets aan te doen was; had hij eenmaal een plan opgevat dan volvoerde hij het ook en ik zou door mijn optreden de mannen, die hem behulpzaam moesten zijn, maar hinderlijk wezen. Ik weet niet wat ik antwoordde, noch wat zij nog verder spraken; maar ik zag de mannen aan het strand heen en weerloopen, ik zag hen een lang touw halen van een kaapstander, die daar stond ik zag hen daarmede een kring van mannen binnengaan, die Ham aan mijn oog onttrok. Maar nu zag ik hem heel duidelijk; hij stond geheel alleen, gekleed in een zeemansbuis en broek, met één touw om den arm gewonden en in de hand en een ander om het lichaam; eenige van de flinkste mannen, die op een afstand stonden, hielden het andere uiteinde vast, terwijl Ham het losjes voor zich op den grond uitlegde.

Zelfs voor mijn ongeoefend oog was het duidelijk, dat het wrak bezweek. Ik zag dat het op het punt was van in het midden door te barsten en dat het leven van den man in den mast aan een zijden draad hing. Toch bleef hij zich er aan vastklemmen. Hij droeg eene zonderlinge, roode muts, lichter van kleur dan de matrozen gewoonlijk droegen, en terwijl de weinige planken, die hem van een wissen dood scheidden, dreigden vaneen te splijten, zagen wij hem allen met die muts wuiven. Zonderling! Deze beweging bracht mij een verloren vriend in herinnering!

Ham bespiedde geheel alleen staande de zee; achter hem was het doodstil, allen hielden den adem in; voor hem woedde de storm met onverpoosd geweld. Daar rolt een reusachtige golf terug.—Ham kijkt even om naar de mannen, die het touw houden, loopt de golf achterna en een oogenblik later zien wij hem kampen tegen de hooge zeeën, nu eens boven op een golf dan weder in de diepte, onder het schuim bedolven, in de volgende seconden teruggeworpen naar het strand..... Vlug halen de mannen het touw in en trekken hem op het strand. Hij was gewond. Ik zag bloed op zijn gelaat, maar hij scheen zich dat niet aan te trekken. Haastig beduidde hij hun dat zij hem meer vrij moesten geven—ik maakte dat tenminste uit de beweging van zijn hand op—en snelde nogmaals de zee in. Hij hield recht op het wrak aan, nu eens boven op eene golf, dan weder in de diepte, terug naar het strand en weder voorwaarts in de richting van het schip met forsche, krachtige slagen. De afstand beteekende niets, maar de kracht van de zee en van den storm maakte den strijd tot een doodstrijd. Eindelijk was hij het wrak zoo nabij, dat één enkele forsche slag hem zijn doel zou hebben doen bereiken, toen een hooge, groene berg, achter het schip om, op het strand scheen aan te rollen. Met een geweldigen sprong scheen hij er zich boven op te willen werpen...... maar het wrak was verdwenen! Ik zag eenige overblijfselen door het water dwarrelen alsof er niets meer dan een ton aan splinters was geslagen en liep toen met de anderen naar de plek, waar zij hem hadden ingepalmd. Op ieders gelaat was de grootste ontsteltenis te lezen. Zij sleepten hem tot aan mijne voeten.... maar hij lag onbewegelijk..... hij was dood. Men bracht hem naar de naastbijzijnde woning en aangezien niemand het mij verhinderde, bleef ik bij hem, terwijl alles in het werk werd gesteld om hem bij te brengen; maar de groote golf had hem doodgeslagen en zijn trouwe hart had voor eeuwig opgehouden te kloppen.

Toen alle hoop vervlogen en alles voorbij was, en ik nog bij zijn bed zat, werd de deur geopend en trad een oude schipper binnen, die Emily en mij gekend had toen wij nog kinderen waren. De man had tranen op zijn verweerd gelaat, dat doodsbleek was, en fluisterde met bevende lippen:

„Ga eens met mij mee, mijnheer?”

Er lag iets in zijn blik dat mij weder aan vroeger dagen herinnerde. Ontsteld vroeg ik hem met mijne hand op zijn arm:

„Is er een lijk aangespoeld?”

„Ja,” antwoordde hij.

„Ken ik het?” vroeg ik weder.

Geen antwoord. Hij bracht mij naar het strand en op dat gedeelte, waar zij en ik als kinderen schelpen hadden gezocht, op dat gedeelte, waar de oude boot, thans door den storm in splinters geslagen, gestaan had, tusschen de overblijfselen van de door hem onteerde woning, daar lag hij met den arm onder het hoofd, zooals ik hem zoo menigmaal had zien slapen, toen wij nog vrienden waren.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LVI

De nieuwe en de oude wonde.

O, Steerforth, het was niet noodig de laatste maal, dat wij elkander spraken, in dat uur, waarvan ik niet vermoedde dat het ons afscheidsuur zijn zou..... het was niet noodig te zeggen: „Blijf mij in vriendschap gedenken!” Ik heb dat altijd gedaan en zou ik nu anders hebben kunnen doen met dit schouwspel voor oogen!

Zij haalden een draagbaar, legden hem er op, bedekten hem met een vlag en droegen hem naar de stad. Al de dragers hadden hem gekend en met hem gevaren en hem vroolijk en opgewekt gezien. Zoo brachten zij hem naar de woning, waar de dood reeds zijn intrek had genomen; maar toen zij de baar op den drempel neerzetten, keken zij elkander en mij fluisterend aan. Ik begreep hen maar al te goed. De vraag kwam in hunne eerlijke harten op of zij hem daar wel mochten neerleggen in diezelfde kamer.

Wij gingen de stad in en brachten onzen droeven last naar de herberg. Zoodra ik eenigszins mijne gedachten verzameld had, zond ik een boodschap naar Joram met het verzoek mij een rijtuig te verschaffen, ten einde het lijk gedurende den nacht naar Londen te vervoeren. Ik begreep dat de zorg voor den verongelukte en de moeilijke taak om zijne moeder voor te bereiden, geheel op mij drukten en dien plicht nam ik mij voor zoo getrouw mogelijk te volbrengen.

Ik gaf aan den nacht de voorkeur, ten einde den toeloop van nieuwsgierigen te vermijden; maar ofschoon het reeds middernacht was eer ik de poort uitreed, stonden toch nog een aantal menschen te wachten. Hier en daar in de stad en op den weg zag ik er nog meer staan; maar eindelijk was ik alleen in den donkeren nacht, alleen met het stoffelijk omhulsel van den besten vriend uit mijne jeugd.

Op een heerlijken najaarsdag, terwijl de grond bedekt was met afgevallen bladeren, waarvan de geuren het luchtruim vervulden, en er nog veel meer in allerhande kleuren aan de boomen hingen, kwam ik tegen den middag te Highgate aan. Ik had de laatste mijl te voet afgelegd, peinzend over de wijze, waarop ik mij van mijne zware taak zou kwijten; het rijtuig wachtte op eenigen afstand tot ik den koetsier zou wenken op te rijden.

Toen ik de woning naderde, zag die er nog eveneens uit als voorheen. Alle luiken waren gesloten; geen teeken van leven op het pleintje met het poortje, dat naar de ongebruikte deur leidde. De wind was gaan liggen; het was bladstil.

In het eerste oogenblik ontbrak mij de moed om aan te schellen; en toen ik het eindelijk deed, scheen de klank van de schel reeds door het huis te verkondigen wat ik kwam doen. Het kamermeisje kwam naar buiten met den sleutel in de hand en toen zij de poort opende, vroeg zij met eene ernstige stem:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Zijt gij ziek?”

„Ik ben vermoeid en heb buitengewone ontroering gehad.”

„Is er een ongeluk gebeurd?..... Mijnheer James....?”

„St!” sprak ik. „Ja er is iets gebeurd, dat ik aan mevrouw Steerforth kom vertellen. Is mevrouw thuis?”

Het meisje antwoordde dat hare meesteres in den laatsten tijd zelden uitging, zelfs niet per rijtuig; dat zij hare kamer hield; dat zij nooit bezoek kreeg, doch mij wel zou ontvangen. „Mevrouw is op,” vertelde zij, „en juffrouw Dartle is bij haar. Welke boodschap moet ik overbrengen?” Ik droeg haar op niets van ons gesprek te laten blijken en alleen mijn kaartje boven te brengen en te zeggen dat ik in de huiskamer zou wachten. O, hoe anders zag deze er uit! De gordijnen waren half neergelaten en de harp had blijkbaar vele en nogmaals vele dagen onaangeroerd in dienzelfden hoek gestaan. Daar hing nog zijn portret als jongen; daar stond ook nog de cassette, waarin zijne moeder al zijne brieven bewaarde. Ik vroeg mij af, of zij ze nog wel eens zou lezen, of zij ze nog ooit zou lezen!

Het was zoo stil in huis, dat ik den lichten tred van het meisje op de trap hoorde. Zij bracht mij de boodschap terug, dat mevrouw Steerforth niet wel was en dus niet beneden kon komen, maar dat, indien ik haar wilde verontschuldigen, zij mij gaarne op haar eigen kamer zou ontvangen. Eenige oogenblikken later stond ik voor haar.

Zij zat in zijn kamer, niet in de hare. Natuurlijk begreep ik, dat zij die bewoonde ter herinnering aan hem en dat al de kleinigheden, die haar zijne liefhebberijen en zijne talenten in het geheugen riepen, daar om dezelfde reden waren gebleven, zooals hij ze had achtergelaten. Te gelijk met hare begroeting mompelde zij echter zoo iets als: „dat deze kamer zooveel gunstiger gelegen was nu zij zich altijd zoo onwel voelde,” haar strenge blik verbood zelfs een oogenblik twijfel te koesteren omtrent de waarheid van hare woorden.

Als gewoonlijk stond juffrouw Dartle bij haar stoel. Van het eerste oogenblik af, dat hare donkere oogen op de mijne rustten, begreep ik, dat zij mij aanzag als een ongeluksbode. Het litteeken was op dit oogenblik duidelijk zichtbaar. Zij deed een stap achteruit, opdat mevrouw Steerforth haar gezicht niet zou kunnen zien en scheen met haar schermen blik mijne gedachten te willen doorgronden.

„Het spijt mij u in den rouw te zien, mijnheer,” sprak mevrouw Steerforth.

„Ik heb helaas mijne vrouw verloren,” antwoordde ik.

„Gij zijt wel jong, om nu reeds zulk een groot verdriet te kennen,” antwoordde zij. „Het doet mij leed dat te vernemen. Het doet mij zeer leed. Moge de Tijd u troost brengen.”

„Ik hoop, dat de Tijd ons allen troost zal brengen,” antwoordde ik, terwijl ik haar aankeek. „Och, lieve mevrouw Steerforth, wij moeten allen daarbij troost vinden, wanneer ons een slag treft.”

Mijn ernstige toon en de tranen, die mij in de oogen waren gesprongen, schudden haar wakker. Haar geheele gedachtengang scheen plotseling een schok gekregen te hebben.

Ik deed mijn best om mijne stem in mijne macht te houden, maar zij beefde toen ik zacht zijn naam uitsprak. Zij herhaalde dien eenige malen in zichzelve en wendde zich toen met gemaakte kalmte tot mij met de vraag:

„Is mijn zoon ziek?”

„Heel ziek.”

„Hebt gij hem gezien?”

„Ja, ik heb hem gezien.”

„Zijt gij met elkander verzoend?”

Wat moest ik op deze vraag antwoorden? Ik kon ja noch neen zeggen. Zij keerde zich even om naar de plek waar Rosa stond, en deze gelegenheid nam ik waar, om met mijne lippen de beweging te maken alsof ik het woord: ‚Dood’ uitsprak.

Opdat mevrouw Steerforth niet geheel achterom zou kijken en daar duidelijk datgene lezen zou, waartoe zij nog niet genoegzaam was voorbereid, ving ik snel haar blik op; maar ik had gezien hoe Rosa Dartle met wanhoop en ontzetting op het gelaat de handen opgestoken en toen voor haar gelaat geslagen had.

De mooie vrouw.... o, wat leek zij op hem!.... keek mij met een doordringenden blik aan en bracht de hand naar haar voorhoofd. Ik smeekte haar kalm te blijven en zich voor te bereiden op hetgeen ik haar zeggen moest; maar ik had haar eerder moeten bidden om te schreien, want zij zat daar aan een steenen beeld gelijk.

„Toen ik laatst hier was,” stotterde ik, „vertelde juffrouw Dartle mij dat hij op zee was. De beide laatste nachten zijn verschrikkelijk geweest op zee. Als hij eergisteren nacht op zee was en zich dicht bij eene gevaarlijke kust bevond—zooals men mij vertelde was dit werkelijk het geval—en indien het schip, dat men heeft zien vergaan, werkelijk dat was, waarmede hij de reis deed....”

„Rosa!” zei mevrouw Steerforth, „kom bij mij!” Zij kwam doch zonder eenig medelijden of de minste zachtheid te toonen. Hare oogen schitterden als kolen vuur toen zij voor mevrouw Steerforth kwam staan en zij barstte in een afschuwelijken lach uit.

„Ziezoo,” sprak zij, „is uw trots nu voldaan! krankzinnig schepsel? Nu heeft hij voor u geboet... met zijn leven! Hoort gij 't wel?.... Met zijn leven!”

Mevrouw Steerforth was achterover gezonken in haar stoel en gaf geen geluid dan een dof gekreun, terwijl zij Rosa met wijdgeopende oogen aanstaarde.

„Haha!” riep Rosa, terwijl zij zich hartstochtelijk op de borst sloeg, „kijk mij maar aan! Kerm maar, zucht maar en kijk mij aan! Hier!”—zij wees naar het litteeken—„hier, dit is het werk van uw dooden zoon!”

Het gekerm, dat de arme moeder nu en dan hooren liet, sneed mij door de ziel. Er was niet de minste verandering in haar te bespeuren. Onafgebroken dezelfde beweging met het hoofd en niet de geringste verandering op haar gelaat. Voortdurend die gesloten mond, die vast opeengeklemde tanden, alsof een pijnlijke kramp hare kaken gesloten hield.

„Herinnert gij u nog wanneer hij dit deed?” vervolgde juffrouw Dartle. „Herinnert gij u nog, hoe de erfgenaam van uw karakter, wiens trots en drift door u zijn gevoed, mij voor mijn leven mismaakte? Kijk mij aan en zie hoe hij mij in zijne hooghartigheid heeft gemerkt tot mijn dood toe; en zucht en kerm dan omdat gij van hem gemaakt hebt wat hij was!”

„Juffrouw Dartle,” smeekte ik haar. „In 's Hemels naam.....”

„Ik wil spreken,” zeide zij, terwijl hare oogen in mijne richting vlammen schoten. „Zwijg! Kijk mij aan, zeg ik, gij, hooghartige moeder van een hooghartigen, valschen zoon! Zucht over de wijze, waarop gij hem hebt opgevoed, zucht over de wijze, waarop gij hem bedorven hebt, zucht over uw verlies, zucht over het mijne!”

Zij klemde hare vuisten dicht en hare vermagerde gestalte beefde alsof de hartstocht haar langzaam verteerde.

„Gij, hem zijne eigenzinnigheid euvel duiden!” riep zij uit. „Gij, beleedigd door zijne hooghartigheid! Gij, die, toen uw haar grijs werd, dezelfde hoedanigheden tegenover de zijne hebt gesteld, terwijl gij ze hem bij zijne geboorte hadt medegegeven! Gij, die hem van zijne wieg af hebt opgekweekt tot wat hij geworden is, en hem belet hebt te zijn wat hij worden moest! Hebt gij nu uwe belooning gekregen voor al die jaren arbeid?”

„Juffrouw Dartle, schaam u! Gij zijt wreed!”

„Ik zeg u,” antwoordde zij, „dat ik tot haar spreken wil. Geen macht op aarde zou mij kunnen weerhouden, terwijl ik hier sta. Heb ik al die jaren niet gezwegen en zal ik nu niet spreken? Ik heb hem meer liefgehad dan gij ooit gedaan hebt!” riep zij uit, terwijl zij zich woest tot haar wendde. „Ik kon hem liefhebben al beantwoordde hij mijne liefde niet! Ware ik zijn vrouw geweest, ik zou een jaar lang zijne slavin hebben willen zijn voor één woord van liefde! Wie weet beter dan ik zelve wat ik voor hem wilde? Gij waart veeleischend, hooghartig, zelfzuchtig! Mijne liefde zou geduldig geweest zijn, zou uw ellendig gejammer met voeten hebben getreden!”

Hare oogen schoten vonken en zij stampte op den grond alsof zij werkelijk iets vertrad.

„Zie hier!” vervolgde zij, terwijl zij zich op de mismaakte wang sloeg. „Toen hij begon in te zien wat hij gedaan had, berouwde 't hem! Ik kon voor hem zingen en met hem praten, en mijne belangstelling toonen in alles wat hij deed, en met moeite en inspanning de kennis verwerven van zaken, die hem het meest belang inboezemden, ik trok hem aan. Toen hij nog niet bedorven was, had hij mij lief. Ja, hij had mij lief! Menigmaal, als gij met een kort woord werd afgescheept, heeft hij mij aan zijn hart gedrukt!”

Zij sprak deze laatste woorden op honenden toon, maar toch scheen zij zich in hare razernij—zij was die nabij—met gretigheid te verdiepen in een tijd, toen zij nog vatbaar was voor zachtere aandoeningen.

„Zooals ik wel had kunnen vermoeden, indien hij mij niet verblind had door zijne hofmakerij, daalde ik langzamerhand af tot een pop, tot een stuk speelgoed, waarmede hij zich in zijne ledige uren kon bezighouden, dat hij kon wegwerpen en weder opnemen al naarmate zijne luimen hem ingaven. Toen hij dit spel moede werd, was ook ik het moe. Toen zijne genegenheid dood was, had ik evenmin willen beproeven, de macht, die ik nog bezat, in het strijdperk te brengen, als ik zijne vrouw zou geworden zijn, indien hij daartoe gedwongen ware geweest. Wij gaven elkander de vrijheid zonder een woord te spreken. Wellicht hebt gij dat gezien zonder eenigen spijt te gevoelen. Sedert ben ik voor u beiden niets geweest dan een beschadigd en ontsierd meubel, zonder oogen, zonder ooren, zonder gevoel, zonder herinneringen. Zuchten? Zucht over hetgeen gij van hem gemaakt hebt; niet over uwe liefde voor hem. Ik zeg het u, er is een tijd geweest, waarin ik hem meer liefhad dan gij deedt!”

Zij stond daar met hare schitterende, toornige oogen tegenover dien strakken, starenden blik en toen het gekerm opnieuw begon, deed haar dat even weinig aan alsof zij tegenover eene schilderij had gestaan.

„Juffrouw Dartle,” zei ik, „indien gij zoo hardvochtig zijn kunt om niets te voelen voor de wanhoop eener moeder.....”

„Wie voelt iets voor mij?” voegde zij mij op bitsen toon toe. „Zij heeft dit gezaaid. Laat haar zuchten over hetgeen zij heden oogst!”

„En indien zijne gebreken.....” begon ik.

„Gebreken!” riep zij, in een hartstochtelijken tranenvloed uitbarstend. „Wie durft kwaad spreken van hem? Hij had een hart, dat duizenden vrienden waard was, zooals die waartoe hij afdaalde!”

„Niemand kan meer van hem gehouden hebben, niemand zal zijne nagedachtenis meer in eere houden dan ik,” gaf ik ten antwoord. „Ik bedoelde dat als gij geen medelijden hebt met zijne moeder, of indien zijne gebreken—gij hebt ze is uwe bitterheid opgesomd...”

„Dat is niet waar!” riep zij, hare zwarte haren uittrekkend, „ik had hem lief!”

„..... niet uit uwe herinnering kunnen verdwijnen,” ging ik voort, „in een uur als dit, zie dan naar deze vrouw en al hadt gij haar nooit te voren gezien, gij zoudt haar bijstaan!”

Gedurende al dezen tijd had mevrouw Steerforth onbewegelijk in haar stoel gezeten en in de uitdrukking van haar oogen was niet de minste verandering gekomen. Roerloos, strak, wezenloos voor zich uit starende, loosde zij van tijd tot tijd een zucht met dezelfde beweging van haar hoofd; overigens gaf zij geen enkel teeken van leven. Plotseling knielde Rosa Dartle voor haar neer en begon hare japon los te maken.

„Vloek over u!” sprak zij, terwijl zij mijne oogen opzocht met eene uitdrukking van spijt en woede in de hare.

„Vervloekt zij het uur waarop gij hier voor het eerst een voet hebt gezet! Vloek over u! Ga heen!”

Nauwelijks was ik uit de kamer of ik haastte mij terug te keeren en aan de schel te trekken, ten einde de dienstboden te waarschuwen. Zij had de onbewegelijke gestalte in haar armen genomen en lag nu op haar knieën te schreien, riep haar bij haar naam wiegde haar als een kind aan hare borst en deed alles wat in haar vermogen was om den slapenden geest op te wekken. Ik was nu niet meer bang om haar alleen te laten en verliet onhoorbaar de kamer, waarna ik allen in huis bijeenriep om mij te helpen.

Een weinig later keerde ik terug en legden wij hem op de kamer zijner moeder neer. Men vertelde mij, dat zij nog in denzelfden toestand verkeerde en dat juffrouw Dartle haar niet wilde verlaten; er was om een dokter gezonden, men had alles beproefd, maar zij lag daar als een steenen beeld, behalve dat zij nu en dan een zucht slaakte.

Ik liep het huis der rouwe door en liet overal de gordijnen neer—in de kamer, waar hij lag, het laatst. Ik lichtte de loodzware hand op en drukte die aan mijn hart, in de geheele wereld scheen doodsche stilte te heerschen, die slechts afgebroken werd door het gekerm zijner moeder.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us