VII. Mijn eerste halfjaar op Salem House
Den volgenden dag begon de school. Ik herinner mij nog zeer goed, welk een indruk het op mij maakte, toen het gegons der stemmen in het schoollokaal plotseling ophield—mijnheer Creakle stond in de deur en keek op ons neer, zooals de reus uit het sprookje op zijn slachtoffers. Tungay stond naast hem, maar behoefde, naar het mij voorkwam, volstrekt niet zoo doordringend „Stilte!” te roepen, want alle jongens zaten zwijgend en onbewegelijk op hunne plaatsen.
Wij zagen mijnheer Creakle spreken en hoorden Tungay het volgende uitbulderen:
„Nu, jongens, zijn wij aan het begin van een nieuw halfjaar. Past op, dat gij uw best doet in dit halfjaar. Leert uwe lessen flink, want ik sla er flink op los. Ik zal niet zwak zijn. Het helpt niet of gij u al wrijft; de striemen blijven toch zichtbaar. En nu, alle jongens aan het werk!”
Toen deze geduchte toespraak geëindigd was en Tungay stampend was heengegaan, kwam mijnheer Creakle naar de plaats, die mij aangewezen was en vertelde mij, dat als ik zoo'n kwade bijter was, hij ook een kwade bijter zijn kon. Hij liet mij toen een Spaansch riet zien en vroeg mij of ik niet dacht, dat dit ook voor tand kon dienen? Was het een scherpe tand, zeg? Was het een oogtand, zeg? Was het er een met een scherpe punt, zeg? Beet hij goed, zeg? Beet hij goed? Bij elke vraag gaf hij mij een slag met het riet, die mij deed krimpen van de pijn; ik was dus al heel spoedig thuis op Salem House—zooals Steerforth later zei—en ook heel spoedig in tranen.
Ik heb niet willen zeggen, dat alleen mij zulk eene onderscheiding te beurt viel, integendeel, aan een groot aantal jongens—vooral aan de kleinsten—werd dezelfde eer bewezen, toen mijnheer Creakle de school rondging. De helft van de jongens zaten, nog voor de les begon, te wrijven en te schreien; en hoeveel er nog gewreven en geschreid hadden voor de dagtaak was afgedaan, durf ik niet neerschrijven, uit vrees, dat men mij van overdrijving zou beschuldigen.
Ik geloof, dat er nooit een man geleefd heeft, die meer van zijn beroep genoot dan mijnheer Creakle. Hij vond het bepaald een genot de jongens te ranselen, zooals een hongerig mensch geniet van een goeden maaltijd. Ik merkte op, dat hij het vooral op dikke jongens gemunt had; zulke jongens schenen een toovermacht op hem uit te oefenen, zoodat hij geen rust scheen te hebben, eer hij hen weder had afgerost. Ik behoorde blijkbaar niet tot de mageren, zooals ik maar al te gevoelig ondervond. Wanneer ik nu nog aan dien „kerel” denk, begint mijn bloed te koken van dezelfde onpartijdige verontwaardiging, die in mij zou opkomen, indien ik alles van hem wist zonder ooit in zijn macht te zijn geweest; maar het kookt over, omdat ik hem heb leeren kennen als een redeloos dier, als iemand, die niet meer recht had op het vertrouwen, dat hij genoot, dan op eene aanstelling als Admiraal van de vloot of Commandant van het leger; in beide betrekkingen zou hij zeker minder onheil gesticht hebben dan in die van opvoeder der jeugd.
En wij, kleine aanbidders van een onbarmhartigen afgod, wij kropen voor hem! Wanneer ik nu aan dit begin van ons eigenlijk leven terugdenk, o hoe komt mijn ziel dan in verzet tegen zulk eene laagheid! Hoe vreeselijk om zoo slaafsch onderworpen te zijn aan zulk een onmensch!
Daar zit ik in gedachten weder aan mijn lessenaar, naar hem opkijkende—ootmoedig naar hem opkijkende, terwijl hij een rekenschrift linieert voor een ander slachtoffer, wiens hand juist kennis heeft gemaakt met dezelfde liniaal en die nu de striemen poogt weg te wrijven met een zakdoek. Ik heb werk genoeg. Het is geen luiheid van mij dat ik hem zit aan te kijken, maar omdat ik in zijne oogen wil lezen wat hij verder doen zal, en of ik zelf het eerstvolgende slachtoffer zijn zal, dan wel een ander. Een geheele rij jongens van mijne grootte staren hem met dezelfde angstige belangstelling aan. Ik vermoed dat hij het wel ziet, al beweert hij het tegendeel. Onder het liniëeren trekt hij allerlei leelijke gezichten en nu valt zijn oog plotseling op onze rij en wij kijken in onze boeken en beven over al onze leden. In het volgende oogenblik zijn onze blikken weder op hem gevestigd. Een ongelukkig slachtoffer, dat zijne thema's niet netjes genoeg heeft geschreven, nadert op zijn bevel. De schuldige stottert eene verontschuldiging en belooft het den volgenden dag beter te zullen doen. Mijnheer Creakle zegt een aardigheid voor hij hem begint te ranselen, en wij—wij lachen! Ellendige kleine slaven, wij lachen, met gezichten zoo bleek als de muur en het hart in de schoenen!
Daar zit ik weder aan mijn lessenaar. Het is een heete, loome zomernamiddag. Er is een gebrom en gegons in de zaal alsof er paardevliegen in plaats van jongens om mij heen zitten. Ik heb nog den nasmaak in den mond van het walgelijk vette, lauwe vleesch—wij hebben eenige uren geleden het middagmaal gebruikt—en mijn hoofd is zoo zwaar als lood. Ik zou wel, ik weet zelf niet wat, willen geven als ik mocht slapen. Terwijl ik elke beweging van mijnheer Creakle met de oogen volg, zit ik te knipoogen als een jonge uil. Op een oogenblik overmant mij de slaap, maar ik blijf hem toch zien liniëeren; daar nadert hij zachtjes en wekt mij met een bloedigen striem over mijn rug.
Nu ben ik op de speelplaats en ofschoon ik hem niet zien kan, oefenen zijne oogen toch macht op mij uit. Het venster van de kamer, waar hij zit te eten—en dat weet ik—vervult die taak, en mijne oogen zijn er voortdurend op gevestigd. Als zijn gelaat daar zichtbaar wordt, neemt het mijne eene smeekende, onderdanige uitdrukking aan. Als hij door het venster kijkt, blijft de onverschrokkenste jongen—Steerforth uitgezonderd—steken in een vreugdekreet of in zijn spel en staart peinzend voor zich uit. Op zekeren dag gooit Traddles—de ongelukkigste jongen van de wereld—een van de ruiten van dat venster in met een bal. Ik huiver nog wanneer ik aan dat vreeselijk oogenblik denk; toen ik het zag gebeuren, onmiddellijk beseffende, dat de bal op mijnheer Creakle's heilig hoofd moest zijn neergekomen!
Arme Traddles! In zijn nauw hemelsblauw buisje, waarin zijne armen op Duitsche worsten geleken, was hij de vroolijkste en ongelukkigste van ons allen. Hij kreeg altijd slaag—ik geloof, dat hij in dit half jaar elken dag slaag kreeg behalve op een Pinkster-Maandag, toen hij alleen maar met de liniaal op beide handen geslagen werd—en zou er altijd aan zijn oom over schrijven, maar deed het nooit.
Na eenige oogenblikken met het hoofd op de lessenaar gelegen te hebben, richtte hij zich weder op, begon te lachen en geraamten te teekenen op zijne lei, nog eer zijne oogen droog waren. In het eerst vroeg ik mij zelven met verbazing af, welke troost Traddles vinden kon in het teekenen van geraamten, ja, zelfs beschouwde ik hem eenigen tijd als een soort kluizenaar, die zich door dit symbool van de sterfelijkheid telkens weder wilde te binnen brengen, dat slaag krijgen toch niet eeuwig kon duren. Nu geloof ik echter, dat hij het alleen deed, omdat ze gemakkelijk te teekenen en er geen gelaatstrekken bij noodig zijn.
Traddles was een beste, edele jongen, die het als een heilige plicht beschouwde van jongens om elkander trouw te blijven. Hij moest daarvoor bij verscheidene gelegenheden zwaar boeten; vooral op zekeren Zondag, toen Steerforth in de kerk gelachen had en de kerkeknecht, meenende, dat Traddles de schuldige was, dezen wegjoeg. Ik zie hem nog wegbrengen, door de geheele gemeente veracht. Nooit heeft hij gezegd wie de dader was, hoewel hij er zwaar voor werd gestraft en zoo lang opgesloten werd, dat hij terugkomende zijn Latijnsch woordenboek geheel met geraamten had overdekt—genoeg voor een kerkhof vol. Hij werd echter beloond, want Steerforth zei, dat Traddles nimmer een lafhartigheid zou kunnen begaan en wij allen voelden, dat hem geen grooter lof kon worden geschonken. Wat mij aangaat, ik zou veel voor hem hebben kunnen verdragen—al was ik niet half zoo dapper en ook veel jonger dan Traddles—om zulk eene belooning te verdienen.
Steerforth naar de kerk te zien wandelen, gearmd met juffrouw Creakle, was een schouwspel, dat ik nooit heb kunnen vergeten. Ik was van oordeel, dat juffrouw Creakle lang zoo mooi niet was als de kleine Emily en ik was ook niet verliefd op haar—ik zou het niet gedurfd hebben—; maar ik vond haar een allerliefst en aantrekkelijk meisje. Wanneer Steerforth met zijn witte broek haar parasol mocht dragen, was ik er trotsch op hem Steerforth te mogen noemen; ik meende, dat zij hem niet alleen moest liefhebben, maar hem moest aanbidden. Mijnheer Sharp en mijnheer Mell waren in mijne oogen achtenswaardige personen, maar zij stonden tot Steerforth in dezelfde verhouding als de sterren tot de zon.
Steerforth ging voort mij te beschermen en bleek een zeer nuttig vriend voor mij te zijn, want geen van de jongens waagde het iemand te plagen, dien hij zijne vriendschap waardig keurde. Hij kon mij niet verdedigen—ten minste hij deed het niet—tegen mijnheer Creakle, die zeer streng voor mij was; maar wanneer ik eens erger mishandeld was dan gewoonlijk, zei hij altijd, dat ik wat van zijn moed moest overnemen en dat hij het niet zou hebben verdragen; ik begreep, dat hij dit zeide om mij aan te moedigen en vond het zeer vriendelijk van hem. Er was ééne goede zijde, maar ook slechts ééne, in mijnheer Creakle's overdreven gestrengheid. Het plakkaat zat hem in den weg, wanneer hij achter de bank doorging, waarop ik zat, en mij in het voorbijgaan wilde afrossen; om deze reden werd het spoedig verwijderd en zag ik het nooit terug.
Eene toevallige omstandigheid versterkte den vriendschapsband tusschen Steerforth en mij op eene wijze, die niet weinig mijne eigenliefde streelde en mij groote voldoening schonk, hoewel er somtijds wel eens onaangenaamheden uit voortvloeiden. Bij zekere gelegenheid, dat hij mij de eer bewees op de speelplaats tegen mij te spreken, waagde ik de opmerking, dat iets of iemand—ik weet het nu niet meer—leek op iets of iemand in Peregrine Pickle. Hij antwoordde niet op deze opmerking, doch toen wij des avonds naar bed gingen, vroeg hij mij of ik dat boek had.
Ik antwoordde, dat ik het niet had en vertelde hem toen ook, wanneer ik dat boek en alle andere boeken, waarvan ik reeds vroeger melding maakte, gelezen had.
„En hebt gij er wat van onthouden?” vroeg Steerforth.
„O, zeker,” antwoordde ik, „ik heb een goed geheugen en zal er zeker wel wat van onthouden hebben.”
„Dan zal ik u eens wat zeggen, kleine Copperfield; gij moet er mij van vertellen. Ik kan 's avonds nooit in slaap komen en word 's morgens altijd veel te vroeg wakker. Wij zullen ze allen een voor een doorloopen. Wij zullen er ware Arabische nachten van maken.”
Ik voelde mij uitermate gestreeld door deze afspraak en wij brachten ons plan reeds denzelfden avond ten uitvoer. Hoe ik mijne uitverkoren schrijvers mishandelde, terwijl ik hunne verhalen trachtte na te vertellen, kan ik nu niet meer zeggen en zou ik ook niet gaarne weten; maar ik beschouwde al hetgeen ik van hen gelezen had, als de zuivere waarheid en voor zoover ik het mij herinneren kan, vertelde ik alles op eenvoudige, ernstige wijze, en deze beide eigenschappen hielpen er mij goed doorheen.
De keerzijde van de medaille was, dat ik 's avonds dikwijls slaperig of niet helder was en dientengevolge weinig lust had om mijn verhaal te beginnen; dan was het eene moeielijke taak, maar zij moest toch afgedaan worden, want Steerforth teleur te stellen kwam zelfs niet in mij op. Ook 's morgens, wanneer ik nog heel gaarne een uurtje zou hebben geslapen, was het verre van aangenaam, gewekt te worden, evenals de sultane Scheherezade, en eene lange geschiedenis te vertellen voor de bel werd geluid, die het sein gaf om op te staan; maar Steerforth bleef op zijn stuk staan en wanneer hij mij dan hielp bij mijne sommen en thema's of mij iets, dat te moeilijk voor mij was, uitlegde, was ik in geenen deele de verliezende partij. Laat ik echter rechtvaardig zijn jegens mij zelven. Ik werd volstrekt niet door zelfzuchtige beweegredenen gedreven, noch door vrees voor hem. Ik bewonderde hem en hield van hem en zijn tevreden gezicht was belooning genoeg voor mij. Ik schatte die belooning zoo hoog, dat ik met weemoed aan al deze beuzelarijen terugdenk. Steerforth was ook steeds bezorgd voor mij en toonde dit bij zekere gelegenheid op in het oog loopende wijze; voor den armen Traddles en de overige jongens was dit eene ware Tantaluskwelling. Al heel spoedig namelijk kwam Peggotty's brief—welk een heerlijke brief was dat!—vergezeld van een koek, eenige sinaasappelen en twee flesschen kruidenwijn. Zooals de plicht het gebood, legde ik dezen schat aan de voeten van Steerforth, met verzoek uitdeeling te houden.
„Ik zal u eens wat vertellen, Copperfieldje,” zei hij; „wij zullen den wijn bewaren om uw keel te smeren wanneer gij aan het vertellen zijt.”
Ik bloosde bij de gedachte aan zulk een zelfzuchtig gebruik en verzocht hem in mijne bescheidenheid, dat denkbeeld te laten varen. Hij zeide echter opgemerkt te hebben dat ik wat schor was—wat schraperig, zei hij eigenlijk—en daarom zou geen droppel op andere wijze gebruikt worden dan hij had besloten. Dientengevolge werden de flesschen in zijn koffer weggesloten, door hem zelven overgegoten in een medicijnfleschje en wanneer ik een hartversterking noodig had, mocht ik er wat van gebruiken door een penneschacht, die door de kurk gestoken was. Ten einde het middel wat krachtiger te maken, kneep hij er nu en dan een sinaasappel in uit of liet hij er pepermunt of gemberkoekjes in smelten en hoewel ik niet kan toegeven, dat door deze bijvoegsels de smaak werd verhoogd, of dat dit mengsel nu bepaald gekozen zou zijn voor eene maagversterking—hetzij des morgens of des avonds—slurpte ik het toch dankbaar op en was zeer gevoelig voor zijne herhaalde oplettendheden voor mij.
Het komt mij nu voor alsof wij maanden aan Peregrine en nog eens maanden aan de overige verhalen besteed hebben. Ik ben overtuigd, dat het nooit haperde, omdat ik uitverteld was en de hoeveelheid wijn was even rekbaar als de stof. Traddles—ik kan nooit aan dien jongen denken zonder een eenigszins vreemdsoortigen aandrang tot lachen, terwijl mij tevens tranen in de oogen komen—trad gewoonlijk op als publiek en deed, alsof hij bij de grappige gedeelten een stuip kreeg van het lachen en alsof de angst hem om het hart sloeg, wanneer het verhaal een akelige wending nam. Meermalen werd ik door zijne hartstochtelijke uitbarstingen afgeleid. Een van zijne grappen bestond in de bewering, dat hij het klappertanden niet kon nalaten, wanneer er sprake was van een Alguazil in verband met de avonturen van Gil Blas en ik herinner mij nog, dat toen Gil Blas den rooverkapitein in Madrid ontmoette, de onverbeterlijke grappenmaker zich uit louter angst—zooals hij beweerde—zoo aanstelde, dat mijnheer Creakle, die op de gang spionneerde, hem hoorde en hem een pak ransel gaf wegens wanordelijk gedrag op de slaapzaal.
Al het romantische en droomerige in mijne natuur werd door dit sprookjes vertellen in het donker in geen geringe mate opgewekt en uit dat oogpunt zal het waarschijnlijk niet in mijn belang zijn geweest. Ik voelde dit toen reeds eenigszins, maar dat ik op onze kamer geliefkoosd werd als een stuk speelgoed, wetende, hoe er over mijn talent als verteller onder de jongens werd gesproken en dat ik, hoewel de jongste, daaraan een zeker aanzien te danken had, dat alles spoorde mij aan om er mede voort te gaan. Het is zeer onwaarschijnlijk, dat in eene school, waar wreedheid aan het roer is, al staat er geen domkop aan het hoofd, veel geleerd zal worden. Ik geloof dat onze jongens in het algemeen dommer waren dan welke andere jongens ook van onzen leeftijd; zij waren steeds bevreesd voor slaag—wanneer zij namelijk een pak gehad hadden—zoodat zij niet in staat waren hunne aandacht aan het leeren te wijden; zij konden dat evenmin met lust en ijver doen, als iemand iets met lust en ijver doen kan, die voortdurend geplaagd en mishandeld wordt en zich ongelukkig gevoelt. Mijne kinderlijke ijdelheid dreef mij echter met de hulp van Steerforth voort en zonder mij voor veel—zoo al voor eenige—straf te vrijwaren, was ik toch gedurende den tijd, dien ik op Salem House doorbracht, eene uitzondering op den algemeenen regel in zoover ik nog eenige, zij het ook weinige, kennis opdeed. Ik werd hierin zooveel mogelijk bijgestaan door mijnheer Mell, die veel van mij toonde te houden, waarvoor ik hem thans nog dankbaar ben. Het deed mij altijd onaangenaam aan, wanneer ik opmerkte, dat Steerforth hem met stelselmatige minachting behandelde en zelden eene gelegenheid liet voorbijgaan, om hem te kwetsen of anderen op te zetten het te doen. Dit kwelde mij langen tijd, te meer, omdat ik reeds heel spoedig aan Steerforth, voor wien ik evenmin een geheim kon bewaren als een koekje of eenig ander tastbaar voorwerp, verteld had, dat Mijnheer Mell mij medegenomen had naar twee oude juffrouwen en wat ik daar beleefd had; ik verkeerde na dien tijd in voortdurenden angst, dat Steerforth het aan het licht zou brengen of er hem een verwijt van maken.
Wij konden niet vermoeden—geen van beiden, durf ik zeggen—toen ik dien morgen mijn ontbijt gebruikte en in de schaduw van de pauwenveeren, bij het liefelijk fluitspel, in slaap viel, welke gevolgen het bezoek van mijn onbeteekenend persoontje in dit hofje hebben zou. Toch zou het onverwachte en in hunne soort zeer ernstige gevolgen hebben.
Op zekeren dag, dat mijnheer Creakle wegens ongesteldheid zijne kamer hield, hetgeen natuurlijk met onverdeelde vreugde werd vernomen, ging het gedurende de morgenuren zeer onstuimig toe in de school. De verademing en de blijdschap waren oorzaak, dat de meeste jongens onhandelbaar waren en hoewel de gevreesde Tungay twee of drie malen op zijn houten been kwam binnenstampen en de namen van eenige belhamels opschreef, maakte dit weinig indruk. Zij wisten immers zeker, dat zij den volgenden dag toch weder afgerost zouden worden, wat zij ook deden of nalieten, en gaven er daarom wijselijk de voorkeur aan, dien dag eens flink den baas te spelen.
Het was eigenlijk maar een halve dag, want het was Zaterdag; maar aangezien het leven op de speelplaats mijnheer Creakle gehinderd zou hebben en het weder niet gunstig was voor eene wandeling, werden wij in de school gehouden en kregen wij wat minder moeilijk werk dan gewoonlijk. Het was ook de dag, dat mijnheer Sharp uitging om zijne pruik te laten opkrullen, zoodat mijnheer Mell, die altijd de onaangenaamste baantjes kreeg, alleen in de school was.
Indien ik het begrip „beer of stier” kon verbinden aan iemand, zoo zachtmoedig als mijnheer Mell, zou ik zeggen, dat hij dien namiddag, toen het tumult het toppunt bereikt had, zeer veel overeenkomst vertoonde met zulk een dier, wanneer het door duizend honden wordt vervolgd en opgejaagd. Ik zie hem nog voor mij, met het gloeiende hoofd in de magere hand, gebogen over het groote boek op zijne schrijftafel en te vergeefs beproevend voort te gaan met zijn vervelend en eentonig werk te midden van een kabaal, dat zelfs den voorzitter van het Lager Huis zou hebben doen duizelen. De jongens zaten geen oogenblik op hunne plaatsen, speelden stuivertje verwisselen in de hoeken van de zaal; daar waren lachende jongens, zingende jongens, pratende jongens, dansende jongens, brullende jongens; daar waren jongens, die met hunne voeten zaten te schuifelen, jongens, die om mijnheer Mell heendraaiden, jongens, die grijnsden, die leelijke gezichten trokken of grimassen maakten achter zijn rug, den spot dreven met zijne armoede, zijne laarzen, zijn jas, zijne moeder, ja met alles, dat hem toebehoorde en—dat zij hadden behooren te eerbiedigen.
„Stilte!” riep mijnheer Mell, terwijl hij plotseling opstond en met zijn boek op de lessenaar sloeg. „Wat moet dat beduiden? Dat is niet uit te staan! Het is om razend te worden! Hoe kunt gij mij dat nu aandoen, jongens?”
Het was mijn boek, waarmede hij op de tafel sloeg, en terwijl ik naast hem stond en den blik volgde, waarmede hij de zaal rondkeek, zag ik dat de jongens ophielden; sommige schenen verrast, andere bevreesd, enkelen gevoelden wellicht spijt.
Steerforth's plaats was aan het andere einde van de lange zaal. Hij leunde met den rug tegen den muur, had de handen in de zakken en toen mijnheer Mell sprak, keek hij hem aan en begon te fluiten.
„Stilte, jongeheer Steerforth!” riep mijnheer Mell.
„Houd zelf je mond,” gaf Steerforth terug, met een kleur als vuur. „Tegen wien spreekt gij?”
„Ga zitten,” zei mijnheer Mell.
„Ga zelf zitten,” antwoordde Steerforth, „en doe je werk.”
Er werd gegiegel en een zacht applaus gehoord, maar mijnheer Mell was zoo bleek geworden, dat er onmiddellijk stilte volgde en een jongen, die achter hem geslopen was om op nieuw zijne moeder na te apen, hield plotseling op en gaf voor dat zijne pen vermaakt moest worden.
„Indien gij meent, Steerforth,” zei mijnheer Mell, „dat ik niet weet welk eene macht gij op iedereen hier oefent”—hij legde, zonder te weten wat hij deed, veronderstel ik, zijne hand op mijn hoofd—„of dat ik niet heb opgemerkt, hoe gij de kleintjes opzet tegen mij, dan vergist gij u.”
„Ik geef mij zelfs de moeite niet om over je te denken,” antwoordde Steerforth op onverschilligen toon; „er is dus van vergissen geen sprake.”
„En zoo gij van uwe bevoorrechte positie in dit huis gebruikt maakt om een fatsoenlijk man te beleedigen,” vervolgde mijnheer Mell met trillende lippen....
„Een wat?.... Waar is die?” vroeg Steerforth.
Op dit oogenblik riep een van allen: „Schaam je, Steerforth! Dat is te erg!” Het was Traddles, wien mijnheer Mell, door hem te verzoeken zijn mond te houden, onmiddellijk uit het veld sloeg.
.... „Iemand te beleedigen, die niet gelukkig is in zijn leven en u nooit iets heeft misdaan; terwijl gij oud en wijs genoeg zijt om de vele redenen te begrijpen, die er zijn om hem niet te beleedigen,” vervolgde mijnheer Mell, terwijl zijne lippen hoe langer hoe heviger begonnen te trillen, „dat is laag en karakterloos. Gij kunt opstaan of blijven zitten, zooals gij verkiest, jongeheer Steerforth. Ga voort, Copperfield.”
„Copperfieldje,” zei Steerforth nadertredende, „wacht nog even. Ik zal u eens vooral wat vertellen, mijnheer Mell. Als gij de vrijheid neemt mij laag en karakterloos te noemen of iets van dien aard, zijt gij een onbeschaamde bedelaar. Gij zijt altijd een bedelaar, begrijpt gij, maar als gij dat doet, zijt gij een onbeschaamde bedelaar.”
Ik weet niet of hij mijnheer Mell te lijf wilde of dat mijnheer Mell hem wilde slaan, of dat beiden dat plan hadden. Ik zag echter plotseling de geheele school als het ware versteenen; ik zag mijnheer Creakle midden tusschen ons staan met Tungay aan zijne zij; ik zag mevrouw en juffrouw Creakle met den angst op het gelaat door de geopende deur kijken. Mijnheer Mell stond roerloos met de ellebogen op zijn lessenaar en het gelaat in zijne handen begraven.
„Mijnheer Mell,” zei mijnheer Creakle, terwijl hij hem bij een arm heen en weer schudde—hij sprak nu zoo verstaanbaar, dat Tungay zijne woorden niet behoefde te herhalen—„gij hebt u zelven immers niet vergeten, hoop ik?”
„Neen, mijnheer, neen,” antwoordde mijnheer Mell, terwijl hij hem hoofdschuddend aankeek en in de grootste vertwijfeling in zijne handen wreef. „Neen, mijnheer. Neen. Ik ben mij zelven gebleven, mijnheer. Neen, mijnheer Creakle, ik heb mij zelven niet vergeten.... ik.... ik ben mij zelven gebleven, mijnheer. Ik wilde wel, dat gij wat eerder aan mij gedacht hadt, mijnheer Creakle. Dat..... dat zou vriendelijker geweest zijn, mijnheer, veel vriendelijker en rechtvaardiger ook, mijnheer. Dat zou mij iets bespaard hebben, mijnheer.”
Mijnheer Creakle keek hem strak aan, legde zijne hand op Tungay's schouder, zette den voet op de naastbij zijnde bank en ging op de lessenaar zitten. Na nogmaals mijnheer Mell strak aangekeken te hebben, terwijl deze voortging zenuwachtig in de handen te wrijven, keerde mijnheer Creakle zich tot Steerforth en zeide:
„Nu, jongeheer Steerforth, als hij zich niet verwaardigt mij te vertellen, wat er gebeurd is, doe gij het dan.”
Steerforth was door deze vraag een oogenblik van zijn stuk gebracht; hij keek zijn tegenstander minachtend en toornig aan en bewaarde het stilzwijgen. Ik kon het niet helpen, dat ik op dit oogenblik dacht—ik herinner het mij zeer goed—wat is hij toch een kranige figuur, vergeleken met mijnheer Mell, die daar zoo treurig en hulpeloos tegenover staat.
„Waarom sprak hij over gunstelingen of iets dergelijks?” zei Steerforth eindelijk.
„Gunstelingen?” herhaalde mijnheer Creakle, terwijl de aderen op zijn voorhoofd hevig zwollen. „Wie sprak van gunstelingen?”
„Hij,” zei Steerforth.
„Wat bedoeldet gij daarmede, mijnheer?” vroeg mijnheer Creakle, terwijl hij zich met een toornigen blik naar zijn onderwijzer richtte.
„Ik bedoelde, mijnheer Creakle,” antwoordde mijnheer Mell op zachten toon, „wat ik zeide; dat geen der leerlingen het recht heeft van zijne begunstigde positie gebruik te maken, om mij te beleedigen.”
„U te beleedigen?” riep mijnheer Creakle. „Groote Goedheid! Maar sta mij toe u te vragen, mijnheer—Hoe heet gij ook weer?”—mijnheer Creakle sloeg de armen, met stok en al, over elkander en trok de wenkbrauwen zoo dicht bij elkaar, dat er bijna niets meer van zijne oogen te zien was, „of gij, toen gij van gunstelingen spraakt, den noodigen eerbied hebt bewezen aan mij? Aan mij, mijnheer,” herhaalde hij, zijn hoofd met een ruk voor en weder achterover buigend, „uw patroon, het hoofd van de school?”
„Het was niet oordeelkundig, mijnheer, dat wil ik wel aannemen,” antwoordde mijnheer Mell. „Ik zou het niet gedaan hebben, indien ik kalm gebleven was.”
Nu viel Steerforth in.
„Hij heeft ook gezegd, dat ik laag was en hij heeft gezegd, dat ik karakterloos was en toen noemde ik hem een bedelaar. Als ik kalm was geweest, zou ik hem wellicht geen bedelaar hebben genoemd. Ik deed het en ben nu bereid de gevolgen te dragen.”
Zonder te vermoeden welke gevolgen hij zou te dragen hebben, rees hij door dit kloeke gezegde zoo mogelijk nog meer in mijne achting. Ook op de andere jongens maakten zijne woorden indruk; er kwam eenige opschudding onder hen, hoewel niemand een woord durfde spreken.
„Het verbaast mij, Steerforth, al doet uwe oprechtheid u eer aan,” zei mijnheer Creakle,..... „u zeer zeker eer aan—het verbaast mij, Steerforth, dat moet ik zeggen, dat gij iemand, die aan Salem House verbonden is en door mij betaald wordt, zulk een bijnaam kunt geven.”
Steerforth lachte even.
„Dat is geen antwoord, jongeheer,” zei mijnheer Creakle, „dat is geen antwoord op mijne opmerking. Ik verwacht eene nadere verklaring van u, Steerforth.”
Mocht mijnheer Mell er zooeven nietig hebben uitgezien tegenover den knappen Steerforth, het is onmogelijk te zeggen, hoe nietig mijnheer Creakle thans in mijne oogen was geworden.
„Laat het hem ontkennen als hij kan,” zei Steerforth.
„Ontkennen dat hij een bedelaar is?” riep mijnheer Creakle. „Waar gaat hij dan bedelen?”
„Indien hij zelf al geen bedelaar is, dan is toch een zeer nauwe bloedverwant van hem een bedelaar,” antwoordde Steerforth. „Dat is hetzelfde.”
Hij glimlachte tegen mij en mijnheer Mell klopte mij vriendelijk op den schouder. Ik keek op met een blos op het gelaat en schaamte in het hart, doch mijnheer Mell's oogen waren op Steerforth gericht. Hij ging voort mij vriendelijk op den schouder te kloppen, maar bleef Steerforth aankijken.
„Indien gij wenscht, dat ik mij rechtvaardigen zal, mijnheer Creakle,” zei Steerforth, „dat ik zeggen zal wat ik bedoel.... wat ik te zeggen heb, is dat zijne moeder van aalmoezen leeft in een hofje.”
Mijnheer Mell bleef hem aankijken en mij op den schouder kloppen en zei, als ik het goed vernam, fluisterend tot zich zelven. „Dat dacht ik wel.”
Mijnheer Creakle keerde zich tot zijn ondermeester met een streng gelaat en gemaakt beleefden toon:
„Gij hoort wat deze jongeheer zegt, mijnheer Mell. Heb de goedheid hem in het bijzijn van de geheele school te logenstraffen.”
„Hij zegt de waarheid, mijnheer, ik behoef hem niet te logenstraffen,” sprak mijnheer Mell te midden van eene doodsche stilte. „Het is de zuivere waarheid.”
„Wil dan zoo goed zijn te verklaren”, vervolgde mijnheer Creakle, terwijl hij zijn hoofd op zijde hield en zijne oogen door hunne kassen rolden, „of ik daarvan tot op dit oogenblik iets geweten heb?”
„Ik geloof niet rechtstreeks”, antwoordde mijnheer Mell.
„Hoe, weet gij dat niet?” zei mijnheer Creakle. „Weet gij dat niet, man?”
„Ik vermoed, dat gij mijne omstandigheden nooit voor schitterend hebt gehouden”, antwoordde mijnheer Mell. „Gij weet hoe mijne positie is en altijd hier is geweest.”
„En ik vermoed”, zei mijnheer Creakle, terwijl de aderen op zijn voorhoofd hoe langer hoe dikker werden, „dat gij hier nooit op uwe plaats zijt geweest en deze school voor een liefdadigheidsinrichting hebt aangezien. Wij zullen scheiden, mijnheer Mell—hoe eerder hoe beter.”
„Niet beter dan terstond,” antwoordde mijnheer Mell, zich oprichtende.
„Zeer juist, mijnheer!” zei mijnheer Creakle.
„Ik zal afscheid van u nemen, mijnheer Creakle, en van u allen!” zei mijnheer Mell, terwijl hij de geheele school rondkeek en mij nogmaals vriendelijk op den schouder klopte. „En u, James Steerforth, kan ik niets beters toewenschen dan dat gij u nog eens zult schamen over hetgeen gij heden hebt gedaan. Op het oogenblik zou ik liever alles anders in u willen zien dan een vriend van mij of van iemand in wien ik belang stel.”
Nogmaals klopte hij mij op den schouder, nam toen zijne fluit en eenige boeken uit de schrijftafel, waarin hij den sleutel achterliet voor zijn opvolger, en verliet de school met zijn eigendom onder den arm. Mijnheer Creakle hield toen met Tungay's mond een toespraak, waarin hij Steerforth bedankte, dat hij—misschien met wat al te veel ijver—den goeden naam en het fatsoen van Salem House had opgehouden, en die hij besloot met Steerforth de hand te schudden, terwijl wij driemaal „hoezee!” riepen; ik wist niet goed waarom, maar onderstelde, dat het voor Steerforth was, zoodat ik met vuur meeschreeuwde, hoewel ik volstrekt niet vroolijk gestemd was. Daarop werd Traddles afgerost, omdat mijnheer Creakle tranen op zijn gezicht ontdekte en hij geen hoezee riep, waarna mijnheer Creakle terug ging naar de sofa of het bed, waarop hij gelegen had.
Wij waren nu aan ons zelve overgelaten en ik herinner mij zeer goed, dat wij elkander eenigszins verlegen aankeken. Wat mij zelven aangaat, ik voelde zooveel zelfverwijt en wroeging over hetgeen er was voorgevallen, dat alleen de vrees voor Steerforth mijne tranen terug hield. Ik zag, dat hij telkens naar mij keek, en vreesde dat hij het onkameraadschappelijk of, ons verschil in leeftijd in aanmerking genomen, ongepast zou vinden, indien ik toonde, dat ik bedroefd was over het voorgevallene. Op Traddles was hij zeer boos en hij verklaarde blijde te zijn, dat Traddles een pak slaag had gehad.
Arme Traddles! Hij was het tijdperk van met het hoofd op de lessenaar te liggen reeds voorbij en troostte zich als gewoonlijk met het teekenen van geraamten.
„Ik geef er niets om, maar mijnheer Mell is gemeen behandeld!” riep hij.
„Wie heeft hem gemeen behandeld, jongejuffrouw?” vroeg Steerforth.
„Wie? Gij!”
„Wat heb ik dan gedaan?”
„Wat gij gedaan hebt?” vroeg Traddles. „Gij hebt hem beleedigd en hem zijne betrekking doen verliezen.”
„Beleedigd!” herhaalde Steerforth op minachtenden toon. „Hij zal dat wel spoedig te boven komen, dat verzeker ik u. Hij is niet zoo teergevoelig als gij, juffrouw Traddles. En zijne betrekking was toch al niet zoo bijzonder schitterend—vindt gij wel? En dacht gij niet, dat ik naar huis zal schrijven en zorgen dat hem wat geld gezonden wordt?”
Wij vonden dit denkbeeld zeer edel van Steerforth, wiens moeder eene rijke weduwe was en, zooals ik reeds vertelde, alles deed wat hij vroeg. Wij waren blijde, dat Traddles op zulk eene wijze den mond gesnoerd werd en verhieven Steerforth hemelhoog, vooral toen hij ons vertelde, zooals hij zich wel verwaardigde te doen, dat hetgeen hij had gedaan, alleen om ons, tot ons bestwil was gedaan en dat hij meende recht te hebben op onze dankbaarheid door zoo onbaatzuchtig te handelen. Toen het avond was en ik in het duister zat te vertellen, meende ik echter voortdurend het klagende geluid van mijnheer Mell's fluit te hooren, en toen Steerforth, die vermoeid was, niet meer luisterde en ik in mijn eigen bed lag, verbeeldde ik mij telkens, dat hij ergens in mijne nabijheid heel treurig zat te spelen en voelde ik mij diep ongelukkig.
Al heel spoedig echter had het verdriet over mijnheer Mell plaats gemaakt voor bewondering van Steerforth, die geheel vrijwillig en zonder boeken—het kwam mij voor, dat hij alles van buiten kende—eenige lessen waarnam tot er een nieuwe onderwijzer was gevonden. Deze kwam van een gymnasium en werd, voor hij in functie trad, uitgenoodigd om in den familiekring het middagmaal te gebruiken, ten einde aan Steerforth te worden voorgesteld. Steerforth roemde hem zeer en vertelde ons, dat hij een kraan was. Zonder duidelijk te begrijpen wat Steerforth daarmee bedoelde, keek ik toch reeds hoog tegen hem op en twijfelde er niet aan of hij moest wel zeer knap zijn; hij trok zich echter veel minder van mij aan—niet dat hij mij had moeten begunstigen—dan mijnheer Mell gedaan had.
Er gebeurde in dit eerste halfjaar nog iets buiten het gewone schoolleven, dat om verscheidene redenen een indruk op mij maakte voor het leven.
Op zekeren namiddag, terwijl er in de school eene treurige verwarring heerschte en mijnheer Creakle duchtig van zijn rietje gebruik maakte, kwam Tungay binnen en riep met zijne gewone forsche stem: „Bezoek voor Copperfield!”
Er werden eenige woorden gewisseld tusschen hem en mijnheer Creakle aangaande den aard van het bezoek en over de kamer, waarin de bezoekers ontvangen moesten worden; daarna werd mij, die, volgens de gewoonte in dergelijke gevallen, was opgestaan en van verbazing en verlegenheid een kleur had gekregen, bevolen de achtertrap op te gaan en een schoon boordje om te doen eer ik mij naar de eetzaal begaf. Ik gehoorzaamde werktuigelijk aan dit bevel, maar was zoo gejaagd en zenuwachtig als ik mij zelven nooit had gezien; toen ik den knop van de eetkamerdeur reeds in de hand had en de gedachte in mij opkwam, dat het misschien mijne moeder kon zijn—ik had aan niemand dan aan mijnheer en juffrouw Murdstone gedacht—trok ik de hand terug en moest ik eerst uitsnikken voor ik binnenging.
In het eerste oogenblik zag ik niemand, maar aangezien ik eene drukking tegen de deur voelde, keek ik eens rond en ziet, daar stonden tot mijne niet geringe verbazing baas Peggotty en Ham, buigingen makende met de hoeden in de hand en elkander tegen den muur drukkende. Ik kon het niet helpen, dat ik lachte, maar het was veel meer uit pleizier van hen terug te zien dan om de dwaze vertooning, die zij maakten. Wij schudden elkander op de meest kameraadschappelijke wijze de hand en ik lachte en lachte, tot ik mijn zakdoek te voorschijn moest halen om mijne oogen af te wisschen.
Baas Peggotty, die gedurende dit bezoek geen oogenblik den mond sloot, scheen zeer aangedaan, toen hij mij dit zag doen en stiet Ham met den elleboog aan, om iets te zeggen.
„Wees maar vroolijk, jongeheer Davy!” zei Ham met zijn gewoon onnoozel lachje. „Wel, wel, wat zijt gij groot geworden!”
„Ben ik groot geworden?” vroeg ik, mijne oogen afdrogend. Ik schreide niet om iets of om een reden, maar het terugzien van oude vrienden deed mij zonder twijfel zoo aan—anders begrijp ik het niet.
„Groot geworden, jongeheer Davy? Of hij groot geworden is!” zei Ham.
„Of hij groot geworden is!” herhaalde baas Peggotty.
Zij lachten beiden, zoodat ik ook weder moest lachen en toen lachten wij alle drie, totdat ik weder op het punt was om in tranen uit te barsten.
„Weet gij ook hoe mijne mama het maakt, baas Peggotty?” vroeg ik. „En hoe mijne oude, lieve, lieve Peggotty het maakt?”
„Opperbest,” antwoordde baas Peggotty.
„En de kleine Emily en juffrouw Gummidge?”
„Opperbest,” herhaalde baas Peggotty.
Nu volgde er een oogenblik stilte. Ten einde daaraan een einde te maken haalde baas Peggotty twee reusachtige kreeften, een groote krab en een zak van zeildoek vol versche garnalen te voorschijn en stapelde die op Ham's armen op.
„Gij ziet,” zei baas Peggotty, „wij hebben goed onthouden, dat gij veel van een lekker hapje houdt, en daarom waren wij zoo vrij dit voor u mede te brengen. Ons oudje heeft ze gekookt. Juffrouw Gummidge heeft ze gekookt. Ja,” herhaalde hij zachtjes, bij het onderwerp blijvende, omdat hij op het oogenblik geen ander bij de hand had, „ja, juffrouw Gummidge heeft ze gekookt.”
Ik betuigde hun mijn dank en nadat baas Peggotty eerst Ham had aangekeken, die met zijn schaapachtig gezicht maar stond te grinniken, zonder een enkele maal eene poging te doen om zijn oom te helpen, zei hij:
„Wind en getij waren gunstig, ziet gij, en daarom zijn wij met een van onze Yarmouther loggers naar Gravesend gekomen. Mijne zuster schreef mij den naam van deze plaats en dat, als ik eens te Gravesend kwam, ik hierheen moest gaan en vragen hoe jongeheer Davy het maakt en hare groeten doen en hem gezondheid wenschen en zeggen, dat allen het opperbest maken. De kleine Emily, ziet ge, zal nu, als ik terugkom, aan mijne zuster schrijven, dat ik u gezien heb en dat gij het ook opperbest maakt—zoo gaat het als in een molentje rond.”
Ik moest een oogenblik nadenken, eer ik deze vergelijking van baas Peggotty begreep. Ik bedankte hem toen hartelijk en zeide, ongetwijfeld met eene kleur als vuur, dat kleine Emily zeker veel veranderd en grooter geworden zou zijn, sinds wij schelpen zochten aan het strand?
„O, zij is al haast een groote meid, dat is ze,” antwoordde baas Peggotty. „Vraag dat maar aan Ham.”
Ham's gezicht straalde van genoegen boven den zak met garnalen, terwijl hij toestemmend knikte.
„Zij krijgt een gezichtje!” zei baas Peggotty en zijn eigen gezicht straalde daarbij van louter vreugde.
„En zij leert zoo goed!” zei Ham.
„En zij schrijft zoo mooi!” vulde baas Peggotty aan. „De letters zijn zoo zwart als gitten en zoo groot, dat gij ze in de verte al kunt lezen.”
Het was een waar genot te zien met welk een geestdrift baas Peggotty bezield werd, als hij over zijn aangenomen dochtertje sprak. Terwijl ik dit schrijf, staat hij weder voor mij met zijn ruw en harig gezicht, waarop niets dan liefde en trots te lezen zijn, een gezicht, dat ik onmogelijk beschrijven kan. Zijne eerlijke oogen schitteren en flikkeren, alsof daar binnen iets in beweging wordt gebracht. Zijne ademhaling gaat sneller dan gewoonlijk en zijne groote, slappe handen schijnen elkaar onwillekeurig te vinden en worden gevouwen; terwijl hij in het volgend oogenblik, als om den ernst van zijne woorden ingang te doen vinden, den rechterarm oplicht, die in de oogen van een dwergje, zooals ik, een voorhamer gelijkt.
Ham gaf hem in opgewondenheid over de kleine Emily niets toe. Ik geloof, dat zij nog veel meer van haar verteld zouden hebben, als Steerforth niet onverwacht was binnengekomen, die, mij in gesprek vindende met twee vreemde mannen, het liedje, dat hij zong, afbrak en zeide: „Ik wist niet, dat gij hier waart”—het was niet de gewoonte bezoekers in de eetkamer te ontvangen—en ons voorbijstapte bij het verlaten van de kamer.
Of ik het deed uit trots op zulk een vriend als Steerforth dan wel uit verlangen om hem te verklaren, hoe ik aan zulke vrienden kwam als baas Peggotty en Ham, daarvan ben ik niet zeker, maar ik riep hem terug. Ik zei—Goede Hemel, hoe is het mogelijk, dat mij dit na zulk een langen tijd nog zoo helder voor den geest staat!—„Ga niet heen, Steerforth, als 't u blieft. Hier zijn twee Yarmouther visschers, goede, vriendelijke menschen, familie van het meisje, dat mij als kind verzorgd heeft; zij zijn van Gravesend gekomen om mij op te zoeken.”
„Wel, wel,” zei Steerforth. „Ik ben blijde u te zien. Hoe vaart gij?” Hij was zoo ongedwongen in zijne manieren, zoo vroolijk en luchtig zonder eenige aanmatiging, dat hij de menschen terstond voor zich innam. Ik geloof nog, dat hij door zijne houding, zijne levendigheid, zijne welluidende stem, zijn knap gelaat en zijne slanke gestalte en misschien ook door een zekere aangeboren aantrekkingskracht, zooals weinig menschen bezitten, eene toovermacht op hen uitoefende, waarvoor men uit natuurlijke zwakheid zwichten moest. Ik kon mijne oogen niet van hem afhouden, toen ik zag hoe ingenomen zij met hem waren en hoe zij in een oogenblik hunne harten voor hem openden.
„Gij moet ook in dien brief aan huis laten zetten, baas Peggotty,” zei ik, „dat mijnheer Steerforth zoo vriendelijk voor mij is en dat ik niet zou weten, hoe ik het hier stellen moest, indien hij er niet was.”
„Gekheid!” zei Steerforth lachend. „Gij moet zulke dwaasheden niet vertellen.”
„En als mijnheer Steerforth ooit in Norfolk of Suffolk komt, terwijl ik daar ben, baas Peggotty,” vervolgde ik, „kunt gij er op rekenen, dat ik hem medebreng naar Yarmouth. Hij moet uw huis eens zien. Gij hebt nooit zulk een aardig huis gezien, Steerforth. Het is van een schip gemaakt!”
„Van een schip gemaakt?” vroeg Steerforth. „Dan is het juist een huis voor zulk een onverschrokken zeeman.”
„Ja, ja, dat is het, mijnheer, dat is het,” zei Ham grinnikend. „Gij hebt gelijk, mijnheer. Jongeheer Davy, die mijnheer heeft gelijk. Een onverschrokken zeeman! Ha, ha, ha! Dat is hij ook, zeker, dat is hij ook!”
Baas Peggotty was niet minder ingenomen met dit compliment dan zijn neef, maar zijne bescheidenheid verbood hem het op even luidruchtige wijze te toonen.
„Wel, jongeheer,” antwoordde hij buigend en lachend, terwijl hij de uiteinden van zijne das wegmoffelde. „Ik dank u, ik dank u. Ik doe op mijne manier mijn best, mijnheer.”
„Men kan niet meer doen dan zijn best, mijnheer Peggotty,” antwoordde Steerforth. Hij had den naam reeds opgevangen.
„Ik ben er zeker van, dat gij ook uw best doet, jongeheer,” zei baas Peggotty, zijn hoofd schuddend—„en meer kan men niet doen. Ik ben u zeer verplicht voor uwe vriendelijke ontvangst, jongeheer. Ik ben wat ruw, jongeheer, maar ik meen het goed—ten minste, ik doe mijn best, begrijpt gij? Aan mijn huis is niet veel te zien, maar het staat voor u open, wanneer gij eens met jongeheer Davy wilt komen om het te zien. Ik ben een echte plakker,” vervolgde hij, waarmede hij bedoelde, dat hij maar niet kon wegkomen; want na elk gezegde had hij daarmede een begin gemaakt, maar was telkens weder teruggekomen; „maar ik wensch u beiden gezondheid en voorspoed!”
Ham herhaalde dezen wensch en wij namen op de hartelijkste wijze afscheid. Ik kwam dien avond in groote verzoeking om Steerforth het een en ander van de lieve, kleine Emily te vertellen, maar ik was te beschroomd om haar naam te noemen en te bevreesd, dat hij mij zou uitlachen. Ik herinner mij nog, dat ik langen tijd en met een gevoel van onrust nadacht over baas Peggotty's gezegde, dat zij bijna een volwassen meisje was, maar kwam toch tot het besluit, dat dit gekheid was.
Wij brachten de versnapering, die baas Peggotty meegebracht en zelf dien naam gegeven had, onopgemerkt naar onze kamer en dien avond was er groot souper. Voor Traddles had dit echter onaangename gevolgen; hij was te ongelukkig om, zooals alle anderen, goed door zulk een souper heen te komen. Des nachts werd hij ziek tengevolge van de krab en na volgens Demple, wiens vader apotheker was, genoeg drankjes en pillen te hebben geslikt om een paard te vergeven, kreeg hij een pak slaag met mijnheer Creakle's rietje en zes hoofdstukken uit het Grieksche testament over te schrijven, omdat hij weigerde de namen te noemen van zijne mededischgenooten.
Het overige gedeelte van het halfjaar is in mijne herinnering een mengelmoes van dagelijks terugkeerende rietslagen en ellende; van het heengaan van den zomer en het wisselende jaargetij; van de kille ochtenden, wanneer de bel ons uit het bed luidde en de koude, donkere avonden, wanneer wij er weer in geluid werden; van de slecht verlichte en karig verwarmde zaal, waar de avondschool werd gehouden, en van de morgenuren op school, waarin wij allen zaten te bibberen; van de geregelde afwisseling tusschen gekookt ossenvleesch en gebraden ossenvleesch, van propjes klei, die met den weidschen naam van boterhammen betiteld werden, van gekookt schapenvleesch en gebraden schapenvleesch; van boeken met ezelsooren, gebarsten leien, met tranen doortrokken schrijfboeken, stokslagen, afstraffingen met de liniaal, haarsnijden, regenachtige Zondagen, vette poddingen, alles in een atmospheer, waarvan inkt het hoofdbestanddeel uitmaakte.
Ik herinner mij echter nog zeer goed, hoe het verwijderd vooruitzicht op de vacantie, eerst zoo ver af, langzamerhand begon in te krimpen; hoe wij van maanden op weken en van weken op dagen kwamen en hoe bang ik was, dat ik niet zou gaan. Hoe Steerforth mij uit den brand hielp door mij te zeggen, dat ik zeker gaan zou en hoe bevreesd ik was, dat ik voor dien tijd mijn been nog zou breken. Hoe de dag van vertrek naderde, eerst over drie weken, dan over veertien dagen, eindelijk de volgende week, over-overmorgen, overmorgen, morgen, van avond—toen zat ik weder in den omnibus naar Yarmouth, op weg naar huis.
Ik deed menig dutje in den Yarmouther omnibus en werd door tallooze droomen over al deze dingen bezig gehouden; maar als ik nu en dan wakker werd, was hetgeen ik uit het raampje zag niet meer de speelplaats van Salem House en de geluiden, die ik opving, waren niet meer de slagen op den rug van dien armen Traddles, maar die van de zweep op de ruggen der paarden.
VIII
Mijne vacantie; meer bepaald een zekere gelukkige namiddag.
Toen wij vóór het aanbreken van den dag hij het logement aankwamen, waar de omnibus stilhield—het was niet hetzelfde, waar die vriend van mij kellner was—werd mij een klein, net slaapkamertje gewezen, op welks deur een dolfijn was geschilderd. Ik herinner mij, dat ik, in weerwil van den kop heete thee, dien men mij beneden bij een groot haardvuur had laten opdrinken, steenkoud was; dat ik met innig welgevallen in bed kroop, de dekens over het hoofd sloeg en weldra rustig sliep.
Te negen uur zou ik door mijn vriend Barkis gewekt worden, maar ik was reeds om acht uur op, een weinig huiverig ten gevolge van de korte nachtrust, en stond op den bepaalden tijd vóór hem. Hij ontving mij zooals hij zou gedaan hebben, als wij elkander vijf minuten geleden nog gezien hadden en ik even de gelagkamer was binnengegaan om een shilling te wisselen of iets dergelijks te doen.
Zoodra ik en mijn koffer waren opgeladen en de voerman gezeten was, stapte het luie paard in zijn gewonen gang met ons voort.
„Gij hebt u goed gehouden, Barkis,” zei ik, meenende dat hij gaarne zoo iets zou hooren.
Barkis veegde zijn wang af met zijne mouw en bekeek deze daarna, vermoedelijk in de onderstelling, dat hij er iets van zijn blos op zou terugvinden; hij gaf echter op geen andere wijze te kennen, dat hij erkentelijk was voor mijn complimentje.
„Ik heb uwe boodschap overgebracht, Barkis,” zei ik; „ik schreef aan Peggotty.”
„Zoo!” zei hij. Hij scheen knorrig te zijn en antwoordde op zeer stroeven toon.
„Was het zoo niet goed, Barkis?” vroeg ik na eene kleine aarzeling.
„Wat niet?” vroeg Barkis.
„De boodschap?”
„De boodschap was zeker goed genoeg,” zei hij, „maar daarmede was het uit.”
Ik begreep volstrekt niet wat hij bedoelde en herhaalde op vragenden toon: „Was het uit, Barkis?”
„Er is niets van gekomen,” verklaarde hij, mij eenigszins scheel aankijkende. „Geen antwoord.”
„Hadt gij dan een antwoord verwacht, Barkis?” vroeg ik met groote oogen. Er ging een nieuw licht voor mij op.
„Wanneer een man zegt, dat hij wel wil,” zei Barkis, terwijl hij mij voor de eerste maal zijn geheele gelaat toonde, „dan wil dat zooveel zeggen als dat hij een antwoord verwacht.”
„Jawel, Barkis.”
„Jawel,” herhaalde hij, terwijl hij weer tusschen de ooren van zijn paard doorkeek, „die man heeft sinds dien tijd op een antwoord gewacht.”
„Hebt gij haar dat ook gezegd, Barkis?”
„N....een,” bromde hij; maar hij scheen toch over deze wijsgeerige opmerking na te denken. „Ik kon toch niet naar haar toegaan en haar dat vertellen. Ik heb nog geen zes woorden met haar gewisseld. Ik kan niet naar haar toegaan en haar dat vertellen.”
„Wenscht gij, dat ik het zal doen, Barkis?” vroeg ik aarzelend.
„Als gij wilt, moogt gij het haar zeggen,” antwoordde hij en keerde mij nogmaals zijn gelaat toe. „Barkis wacht op antwoord. Zeg maar—hoe is haar naam ook?”
„Haar naam?”
„Ja, ja,” zei Barkis knikkende.
„Peggotty.”
„Doopnaam?”
„Neen, dat is haar doopnaam niet. Haar doopnaam is Clara.”
„Zoo, waarlijk!” zei Barkis.
Het scheen wel, dat deze omstandigheid hem ontzaglijk veel stof tot overdenking gaf, want hij zat een geruimen tijd te peinzen en zachtjes te fluiten.
„Welnu!” hernam hij eindelijk. „Gij zegt: „Peggotty, Barkis wacht op antwoord.” Zegt zij dan wellicht: „Waarop wacht Barkis antwoord?” Dan zegt gij: „Op hetgeen ik u schreef!” Dan zegt zij: „Wat schreeft gij mij dan?” En zegt gij: „Barkis wil wel!””
Deze buitengewoon vernuftige ingeving liet Barkis vergezeld gaan van een elleboogstoot, die mij gedurende eenige oogenblikken pijn in de zijde berokkende. Daarna bleef hij op de gewone wijze recht vooruit kijken met den voorarm op de knie en roerde het onderwerp niet meer aan; een half uur later haalde hij een stuk krijt uit den zak en schreef tegen den binnenwand van de kar: „Clara Peggotty,” blijkbaar om nu en dan zijn geheugen eens te gemoet te komen.
O, wat was het eene vreemde gewaarwording, naar huis te gaan terwijl het mijn thuis niet meer was; te ondervinden dat elk voorwerp, dat ik zag, mij herinnerde aan den heerlijken ouden tijd, die mij toescheen als een droom, dien ik nimmer meer droomen kon. De tijd, toen mijne moeder en ik en Peggotty alles en alles voor elkander waren, toen er nog niemand tusschen ons was gekomen, stond mij zoo helder voor den geest, doch wekte zulke droeve herinneringen bij mij op, dat ik niet zeker ben of ik niet liever had willen wegblijven en alles in Steerforth's gezelschap vergeten. Maar daar was ik er; ik zag ons huis weder en de kale oude olmen, die hunne takken als even zoo vele armen in de koude winterlucht staken en de overblijfselen van de verlaten kraaiennesten naar alle winden hadden verstrooid.
De voerman zette mijn koffer bij het tuinhek neer en liet mij alleen staan. Ik wandelde langs het pad naar huis, turende naar de vensters en bij elken stap vreezende het gelaat van mijnheer of juffrouw Murdstone te zullen ontdekken. Maar er was geen enkel gezicht te zien, en toen ik het huis genaderd was, opende ik de deur, die als van ouds bij dag niet gesloten was, en ging naar binnen.
God weet met welk een kinderlijk gevoel ik daar in de gang stond, terwijl het geluid van de stem mijner moeder uit de huiskamer tot mij doordrong. Zij zat zachtjes te zingen. Ik vermoed, dat zij ook zoo gezongen heeft toen ik als een zuigeling in hare armen lag. De wijs was nieuw voor mij en toch zoo oud, dat mijn hart tot berstens toe vol was.
Uit den mijmerenden toon, waarop mijne moeder haar liedje neuriede, meende ik te kunnen opmaken, dat zij alleen was. Zachtjes ging ik de kamer binnen; zij zat bij den haard, met een kindje aan de borst, dat het kleine mollige handje om haar hals had geslagen. Hare oogen waren op het kleine gezichtje gevestigd, terwijl zij het in slaap trachtte te zingen. In zoo ver had ik dus goed geraden; ander gezelschap had zij niet.
Ik sprak haar toe; zij schrikte en gaf een gil. Maar toen zij mij zag, noemde zij mij haar lieve David, haar eigen jongen! en terwijl zij mij halverwege te gemoet liep, knielde zij voor mij neer en kuste mij en legde mijn hoofd tegen hare borst naast het kleine schepseltje, dat zich daar genesteld had, en bracht de kleine handjes naar mijne lippen.
O, ware ik op dat oogenblik gestorven! Ware ik gestorven met dat gevoel in mijn hart! Ik zou dan zeker meer recht hebben gehad op eene plaats in den Hemel dan ooit daarna.
„Het is uw broertje,” zei mijne moeder, mij liefkoozend. „Davy, beste jongen! Mijn arm kind!” Daarna kuste zij mij nogmaals en nogmaals en sloeg den arm om mijn hals. Zoo stonden wij nog, toen Peggotty kwam aansnellen en op den grond naast ons neerviel en gedurende een kwartier ongeveer zich aanstelde of zij dol was.
Het scheen, dat men mij niet zoo vroeg had verwacht; de vrachtwagen was veel eerder dan gewoonlijk aangekomen. Ook scheen het, dat mijnheer en juffrouw Murdstone een bezoek brachten in de buurt en vóór den avond niet zouden terugkeeren. Ik had dit niet durven hopen. Ik had nooit aan de mogelijkheid durven denken, dat wij nog eens ongestoord met ons drieën bij elkander zouden zijn; voor het oogenblik had ik het gevoel alsof de oude tijd was teruggekeerd. Wij gebruikten te zamen het middagmaal. Peggotty wilde ons bedienen, maar mijne moeder wilde het niet toestaan; zij moest mede aanzitten. Ik at van mijn eigen bordje, waarop een oorlogsschip geteekend was in volle zeilen; Peggotty had het gedurende al dien tijd als een reliquie bewaard en zou het, zooals zij beweerde, voor geen honderd pond hebben afgestaan of gebroken. Ik dronk uit mijn oude kroesje met „David” er op en gebruikte mijn eigen vorkje en mijn eigen mes, dat nog altijd niet wilde snijden.
Terwijl wij zoo bij elkander zaten, meende ik eene geschikte gelegenheid te hebben om Peggotty over Barkis te spreken; maar nog eer ik had uitgesproken, begon zij te lachen en wierp den boezelaar over het gelaat.
„Peggotty,” vroeg mijne moeder, „wat is er aan de hand?”
Peggotty bleef maar lachen en hield den boezelaar stijf over haar gezicht, toen mijne moeder dien wilde wegtrekken.
„Wat, doet gij toch, mal schepsel!” vroeg mijne moeder lachend.
„Och, die dwaze vent wil met mij trouwen,” riep Peggotty.
„Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, is 't wel?” sprak mijne moeder.
„O, dat weet ik niet,” zei Peggotty. „Spreek er niet van! Ik zou hem niet willen hebben, al was hij van goud gemaakt! Ik wil geen man hebben!”
„Waarom zegt gij hem dat dan niet, dwaze meid?” vroeg mijne moeder.
„Het hem zeggen?” antwoordde Peggotty, achter haar boezelaar uitkijkend. „Hij heeft er nog geen woord met mij over gesproken. Hij past wel op. Als hij er een woord van tegen mij durfde zeggen, zou ik hem een klap in het gezicht geven.”
Haar eigen gezicht was zoo rood als ik ooit een gezicht gezien heb; zij bedekte het echter opnieuw en kreeg weder een geweldige lachbui, die nog door twee of drie andere gevolgd werd, waarna zij weder begon te eten.
Ik maakte in mij zelven de opmerking, dat al glimlachte mijne moeder, wanneer zij naar Peggotty keek, zij toch in eene ernstige stemming verkeerde en over iets scheen na te denken. Voor het eerst zag ik nu ook, dat zij veranderd was. Wel was zij nog mooi, maar haar gelaat droeg de sporen van veel zorg en over het algemeen was zij veel tengerder geworden; hare handen waren zoo dun en mager, dat men er wel doorheen kon zien. Bovendien werd zij op dit oogenblik nog door vrees geplaagd; zij was nu eenmaal spoedig angstig en zwaartillend.
„Peggotty,” sprak zij, terwijl zij hare hand op den arm der oude dienstbode legde, „gij zult toch niet gaan trouwen?”
„Ik, mevrouw?” antwoordde Peggotty verbaasd, „lieve hemel, neen!”
„Immers niet zoo heel spoedig?” vroeg mijne moeder weder, zoo vriendelijk mogelijk.
„Nimmer!” riep Peggotty.
Mijne moeder nam Peggotty's hand in de hare en sprak: „Gij moogt mij niet verlaten, Peggotty. Gij moet bij mij blijven. Het zal misschien niet lang zijn. Wat zou ik beginnen zonder u?”
„Ik u verlaten, mijn schat!” riep Peggotty. „Voor al het goud der wereld niet! Wie heeft u dit toch in dat kleine, onnoozele hoofdje gehaald?”—Peggotty had tot gewoonte aangenomen mijne moeder somtijds nog als een kind toe te spreken.
Mijne moeder antwoordde niet dan om haar te bedanken, waarop Peggotty voortging: „Ik u verlaten? Ik wilde mij zelve dat wel eens zien doen! Peggotty van u heengaan? Ik wilde haar wel eens daarop betrappen! Neen, neen,” vervolgde zij, het hoofd schuddend en met de armen kruiselings over de borst, „dat doet zij niet, liefste. Er zijn weliswaar een paar katten, die dat gaarne zouden zien, maar ik zal hun dat genoegen niet gunnen. Ik zal hen sarren, zoo lang ik kan. Ik blijf bij u tot ik een suf, oud vrouwtje ben. En wanneer ik te doof en te lam en te blind en te aftands ben om nog ergens goed voor te zijn, zelfs niet om bekeven te worden, dan ga ik naar mijn Davy en vraag hem om mij op te nemen.”
„En Peggotty,” zei ik, „ik zal heel blijde zijn als gij komt, en gij zult een leven bij mij hebben als een prinses.”
„Groote goedheid!” riep zij uit, „dat weet ik; daarvoor ken ik u genoeg!” En bij voorbaat kuste zij mij uit dankbaarheid voor mijne gastvrijheid. Daarna bedekte zij het hoofd weder met haar boezelaar, en lachte nog eens hartelijk om Barkis. Zij nam daarop het kleintje uit de wieg en suste het in slaap, ruimde vervolgens de tafel op en kwam weder binnen met een andere muts en haar werkdoosje en het ellemaatje en het stukje waskaars, juist zooals vroeger. Wij zaten om de kachel en praatten heel gezellig. Ik vertelde hun welk een gestrenge en hardvochtige meester mijnheer Creakle was, en beiden hadden medelijden met mij. Ik vertelde hun hoe Steerforth mij in bescherming had genomen, en Peggotty verklaarde, dat zij twintig mijlen zou willen loopen om hem te zien. Daarna nam ik mijn kleine broertje, dat weer wakker was geworden, van haar over, om het op mijne beurt te sussen. Toen hij in slaap was, kroop ik dicht tegen mijne moeder aan, zooals lang geleden mijne gewoonte geweest was, en zat met mijne armen om haar middel, en mijne kleine roode wang tegen haar schouder, en voelde heur zachte haren over mijn gezicht vallen—ik herinner mij, dat ik ze altijd vergeleek bij de vleugels van een engel—en was volmaakt gelukkig.
Terwijl ik daar zoo in het vuur zat te kijken en allerlei figuren zag in de gloeiende kolen, begon ik bijna te gelooven, dat ik nooit weg was geweest; dat mijnheer en juffrouw Murdstone slechts in mijne verbeelding bestonden en zouden verdwijnen evenals de figuren in het vuur; en dat van al hetgeen ik in het laatste jaar had ondervonden alleen mijne moeder en Peggotty en ik werkelijk bestaande wezens waren.
Peggotty zat zoo lang zij maar eenigszins zien kon hare kous te stoppen, en bleef toen zitten met de kous als een handschoen om hare linkerhand en een naald in de rechter, gereed om nog een steekje te doen, telkens wanneer het vuur eens opvlamde. Ik kan mij niet voorstellen wiens kousen Peggotty altijd, zoolang ik mij harer herinner, zat te stoppen of waar die onuitputtelijke hoeveelheid altijd vandaan kwam. Van mijne vroegste jeugd af heb ik haar nooit aan iets anders bezig gezien.
„Ik zou wel eens willen weten,” zei Peggotty eensklaps—zij had dikwijls zulke wonderlijke invallen—„wat er toch wel van Davy's oud-tante mag geworden zijn?”
„Lieve Hemel, Peggotty!” riep mijne moeder, die door deze vraag uit haar gepeins ontwaakte, „hoe komt gij daar nu op eens aan?”
„Ik zou het waarlijk gaarne eens weten, mevrouw.”
„Hoe komt dat mensch u zoo opeens in de gedachten?” vroeg mijne moeder. „Zijn er geen menschen genoeg om aan te denken?”
„Ik weet niet hoe het komt,” zei Peggotty; „het zal wel zijn omdat ik zoo dom ben, maar ik kan de menschen, aan wie ik moet denken, nooit zelf kiezen. Zij gaan en komen en zij gaan niet en komen niet, juist, zooals zij zelve willen. Ik ben waarlijk heel nieuwsgierig naar hetgeen van haar geworden is.”
„Wat kunt gij toch dwaze invallen hebben, Peggotty,” antwoordde mijne moeder. „Men zou meenen, dat gij gesteld waart op een tweede bezoek van dat mensch.”
„De Hemel beware mij daarvoor!” riep Peggotty.
„Welnu, spreek dan niet over zulke onverkwikkelijke dingen, dwaze meid!” zei mijne moeder. „Juffrouw Betsey woont veilig en wel in haar huisje aan het strand en zal daar ongetwijfeld wel stilletjes blijven. Vermoedelijk is zij ook niet voornemens ons ooit weder lastig te komen vallen.”
„Neen!” mompelde Peggotty. „Neen, dat is niet waarschijnlijk; ik ben toch nieuwsgierig of zij Davy nog iets zal nalaten bij haar dood!”
„Goede Hemel, Peggotty!” barstte mijne moeder uit. „Wat kunt gij toch dwaze taal uitslaan! Gij weet immers hoe boos zij was toen de arme jongen ter wereld kwam!”
„Ik vermoed, dat zij nu in het geheel niet geneigd zal zijn om het hem te vergeven,” mompelde Peggotty.
„Waarom zou zij dat niet?” vroeg mijne moeder, ietwat scherp.
„Omdat hij nu een broertje heeft, bedoel ik,” antwoordde Peggotty.
Mijne moeder begon onmiddellijk te schreien en verwonderde zich over Peggotty's driestheid om zoo iets te durven zeggen.
„Alsof dat kleine onschuldige ding daar in de wieg u of iemand anders ooit leed heeft gedaan, jaloersche meid!” sprak zij snikkend. „Gij deedt maar beter met Barkis, den voerman, te trouwen. Waarom doet gij het niet?”
„Als ik dat deed, zou ik juffrouw Murdstone al te gelukkig maken,” antwoordde Peggotty.
„Wat zijt gij toch eigenlijk slecht, Peggotty!” hernam mijne moeder. „Gij zijt zoo jaloersch op juffrouw Murdstone als zoo'n mal schepsel maar zijn kan. Gij zoudt zelve de sleutels wel in uw bezit willen hebben en alles uitgeven, nietwaar? Het zou mij niets verbazen, als gij dat wildet. Gij weet, dat zij het alleen uit vriendelijkheid en met de beste bedoelingen doet. Dat weet gij, Peggotty—dat weet gij heel goed.”
Peggotty mompelde nog iets van „beste bedoelingen, die de drommel mocht halen” en dat zij van die bedoelingen al meer dan genoeg had.
„Ik weet wel wat gij bedoelt, knorrepot, die gij zijt. Ik begrijp u heel goed, Peggotty,” vervolgde mijne moeder. „Gij weet wel, dat ik het doe en het verbaast mij, dat gij geen kleur krijgt als vuur. Maar laat ons bij juffrouw Murdstone blijven en dat andere punt laten varen, maar wat juffrouw Murdstone betreft..... gij hebt haar dikwijls genoeg hooren zeggen, dat zij mij te gedachteloos vindt en.... te.... te....”
„Te mooi,” vulde Peggotty aan.
„Welnu,” hernam mijne moeder lachend, „als zij dwaas genoeg is om dat te zeggen, kan ik dat helpen?”
„Niemand beweert, dat gij 't kunt helpen,” antwoordde Peggotty.
„Nu, dat mag ik waarlijk ook hopen! Hebt gij haar niet herhaaldelijk hooren zeggen dat zij mij van alle zorgen wil ontheffen, waarvoor zij meent, dat ik niet berekend ben en waarvoor ik—dat heb ik zelve leeren inzien—niet berekend ben; en is zij niet het eerste op en het laatst in bed en loopt zij niet den geheelen dag trap op, trap af, en doet zij niet alles? Kruipt zij niet in het kolenhok en in de provisiekast en waarin al niet? Dat is toch ver van plezierig—en zoudt gij nu willen beweren, dat zij dat alles niet doet uit „liefde voor mij?” Zoudt gij haar in verdenking willen brengen?”
„Ik breng niemand in verdenking,” zei Peggotty.
„Dat doet gij wel, Peggotty,” antwoordde mijne moeder. „Behalve uw werk doet gij niets anders. Gij brengt altijd iedereen in verdenking. Gij hebt daar plezier in. En wanneer gij spreekt over de goede bedoelingen van mijnheer Murdstone....”
„Daarover heb ik nog nooit gesproken.”
„Neen, Peggotty, maar gij maakt ze verdacht. Dat is juist wat ik zooeven zeide. Dat is slecht van u. Gij wilt iedereen in verdenking brengen. Ik zei zooeven, dat ik u begreep en nu ziet gij dat ik waarheid sprak. Wanneer gij spreekt over mijnheer Murdstone's goede bedoelingen—ik kan niet gelooven, dat gij die in uw hart zoudt minachten—dan moet gij wel evenals ik overtuigd wezen, dat ze goed zijn en hoe hij zich daardoor geheel laat leiden. En als hij voor zeker iemand wat streng schijnt te zijn, Peggotty—gij begrijpt en Davy zal het ook begrijpen, dat ik niemand bedoel, die hier aanwezig is—is dit alleen omdat hij overtuigd is, dat het voor het bestwil is van die zeker iemand. Om mijnentwil heeft hij zeker iemand lief en alles wat hij doet, is ter wille van die zeker iemand. Hij is beter in staat om dat te beoordeelen dan ik; want ik weet heel goed, dat ik een zwak, kinderachtig schepsel ben en dat hij een flink, ernstig man is. En hij heeft—de tranen keerden in hare oogen terug en biggelden langs hare zachte wangen—hij heeft veel moeite met mij; ik behoor hem zeer dankbaar en zelfs in mijne gedachten onderdanig te zijn. En als ik dat niet ben, Peggotty, dan heb ik berouw en beschuldig mij zelve van ondankbaarheid en voel twijfel opkomen in mijn hart en weet niet wat ik doen zal.”
Peggotty zat zwijgend, met de kin op den voet van de kous, in het vuur te staren.
„Kom, Peggotty,” sprak mijne moeder eindelijk, op geheel anderen toon, „laat ons vrede met elkander houden, want ik kan niet tegen onaangenaamheden. Gij zijt eene trouwe vriendin voor mij, dat weet ik; de trouwste, die ik in de wereld bezit. Wanneer ik u een lastig schepsel of een malle meid noem, of iets dergelijks, Peggotty, bedoel ik daar alleen mede, dat gij mijne trouwe vriendin zijt en altijd geweest zijt sinds den avond, toen mijnheer Copperfield mij dit huis binnen bracht en gij mij aan het hek te gemoet kwaamt.”
Peggotty draalde niet met het geven van een antwoord en bekrachtigde den vriendschapsband door mij eenige malen te omhelzen. Ik geloof wel, dat ik iets begreep van dit gesprek op dat oogenblik; maar thans ben ik er zeker van, dat het goede schepsel er alleen aanleiding toe gaf en er aan deelnam, opdat mijne moeder haar hart nog eens zou ontlasten. Haar doel werd volkomen bereikt, want mijne moeder was gedurende het overige gedeelte van den avond meer op haar gemak—ik herinner mij dit zeer goed.
Toen wij thee hadden gedronken, het vuur was opgerakeld en de kaarsen waren aangestoken, las ik Peggotty een hoofdstuk voor uit het krokodillenboek, ten einde ons nog eens in den ouden tijd te verdiepen. Zij haalde het boek uit haar zak—ik weet niet of zij het al dien tijd daarin bewaard had—en toen spraken wij over Salem House en kwamen weder op Steerforth, over wien ik nooit was uitgepraat. Wij waren innig gelukkig; en deze avond, de laatste van dien aard en bestemd om dat gedeelte van mijn leven voor goed af te sluiten, zal nimmer uit mijn geheugen gaan.
Het was bijna tien uur, toen wij het geratel van wielen hoorden. Wij stonden alle drie op en mijne moeder zei haastig, dat het al zoo laat was en dat mijnheer en juffrouw Murdstone niets verderfelijker achtten voor kinderen dan laat naar bed gaan, zoodat ik mij maar te rusten moest begeven eer zij binnen kwamen. Ik omhelsde haar en ging onmiddellijk met mijne kaars de trap op. Het was waarschijnlijk kinderlijke verbeelding, dat ik, naar het kamertje gaande, waar ik gevangen gezeten had, een kouden tocht voelde, dien zij in huis brachten en die de vertrouwelijkheid uit vroegere dagen, waarvan wij dezen avond zoo volop genoten hadden, als een veder wegblies.
Toen ik den volgenden morgen naar beneden zou gaan om te ontbijten, bekroop mij eene onaangename gewaarwording. Ik had mijnheer Murdstone nog niet gezien, nadat ik mijne gedenkwaardige misdaad had gepleegd. Evenwel, het moest, dus ik ging naar beneden, en trad, na twee malen halverwege te zijn geweest en op mijne teenen naar mijne kamer teruggekeerd te zijn, de huiskamer binnen.
Mijnheer Murdstone stond met zijn rug naar den haard en zijne zuster zat voor het theeblad. Hij keek mij strak aan, toen ik binnentrad, doch gaf geen enkel bewijs van herkenning. Na een oogenblik bedremmeld te zijn blijven staan, ging ik naar hem toe en zeide: „Wilt u het mij vergeven, mijnheer? Ik heb groot berouw over hetgeen ik gedaan heb.”
„Het doet mij genoegen te hooren, dat gij berouw hebt, David,” antwoordde hij.
De hand, die hij mij gaf, was dezelfde, waarin ik gebeten had. Ik kon niet nalaten een oogenblik te blijven kijken naar het roode lidteeken, dat was achtergebleven, maar het was niet zoo rood als ik werd, toen ik de sombere uitdrukking op zijn gelaat opmerkte.
„Hoe vaart gij, juffrouw?” vroeg ik aan juffrouw Murdstone.
„Goede Hemel!” zuchtte zij, terwijl zij mij het theeschepje gaf in plaats van hare hand, „hoe lang duurt die vacantie?”
„Een maand, juffrouw.”
„Van wanneer af?”
„Van vandaag, juffrouw.”
„O,” sprak zij. „Dan is er bijna één dag om.”
Elken morgen schreef zij op haar kalender een dag af. Vóór zij tot tien was gekomen deed zij het met een knorrig gezicht, maar toen zij telkens een getal van twee cijfers kon doorslaan, helderde het langzamerhand op en hoe meer wij het einde naderden, hoe vroolijker het werd.
Reeds op den eersten dag had ik het ongeluk op de hevigste wijze haar toorn op te wekken. Ik kwam in de kamer waar zij en mijne moeder zaten. Mijn broertje, nog slechts eenige weken oud, lag op moeder's schoot en ik nam hem met de grootste behoedzaamheid in mijne armen. Hoewel over het algemeen volstrekt niet zoo weekhartig van aard, gaf juffrouw Murdstone plotseling zulk een hartverscheurenden gil, dat ik het wichtje tengevolge van den schrik bijna had laten vallen.
„Maar, lieve Jane!” riep mijne moeder.
„Goede Hemel, Clara, zie toch eens!” schreeuwde juffrouw Murdstone letterlijk.
„Wat moet ik zien, lieve Jane?” vroeg mijne moeder, „waar....!”
„Hij heeft het kind!” riep juffrouw Murdstone. „De jongen heeft het kind!”
Zij was bijna ineengezakt van ontzetting, maar vermande zich om op mij toe te schieten en mij den kleine af te nemen. Daarna viel zij flauw en voelde zich zoo naar, dat men haar kersenbrandewijn moest geven om bij te komen. Toen zij hersteld was, verbood zij mij plechtig mijn broertje, onder welk voorwendsel ook, ooit weder aan te raken en mijne arme moeder, die, zooals ik zag, het anders gewenscht had, herhaalde gedwee het verbod, zeggende: „Ik twijfel niet of gij zult wel gelijk hebben, lieve Jane.”
Bij eene andere gelegenheid, toen wij weder met ons drieën bij elkander zaten, was hetzelfde lieve wichtje—ik had het werkelijk lief ter wille van mijne moeder—de onschuldige oorzaak, dat juffrouw Murdstone's drift opnieuw werd opgewekt. Terwijl het op den schoot mijner moeder lag, had deze naar de kleur van zijne oogjes gekeken en zei:
„Kom eens hier, Davy, en kijk mij eens aan.”
Ik zag dat juffrouw Murdstone haar werk neerlegde.
„Precies dezelfde,” sprak mijne moeder zacht. „Zonder twijfel de kleur van de mijne. Verwonderlijk, zooals zij elkaar gelijken.”
„Wat praat gij toch, Clara?” vroeg juffrouw Murdstone.
„Lieve Jane,” stotterde mijne moeder, een weinig uit het veld geslagen door haar barschen toon, „ik vind dat de kleine en Davy precies dezelfde oogen hebben.”
„Clara!” zei juffrouw Murdstone, toornig opstaande, „gij schijnt nu en dan uw verstand verloren te hebben!”
„Maar, lieve Jane,” bracht mijne moeder hiertegen in.
„Gij zijt eene zottin!” zei juffrouw Murdstone. „Wie anders zou mijns broeders kind kunnen vergelijken met uw jongen? Zij gelijken niets op elkander! Zij gelijken volstrekt niets op elkander! Zij verschillen in alle opzichten! Ik hoop dat zij dit ook zullen blijven doen! Ik wil zulke zotte vergelijkingen niet langer aanhooren!” Zij stond op en ging de kamer uit, terwijl zij de deur hard achter zich dichtsmeet.
Kortom, ik stond niet in de gunst bij juffrouw Murdstone; ik stond eigenlijk bij niemand in de gunst, zelfs niet bij mij zelven; want zij, die van mij hielden, konden het niet toonen, en zij die niet van mij hielden, toonden dit zoo in het oog vallend, dat ik rondliep met het bewustzijn, er altijd even gedwongen en saai uit te zien. Ik voelde, dat ik eigenlijk niets dan een lastpost voor hen was. Kwam ik de kamer binnen, waar zij zaten te praten met elkander, dan veranderde het gelaat van mijne moeder terstond, hoe opgeruimd zij bij mijn binnentreden ook scheen. Als mijnheer Murdstone in zijn beste humeur was, bracht mijne verschijning hem er uit en juffrouw Murdstone, die altijd in een slecht humeur was, versterkte ik slechts daarin. Mijn waarnemingsvermogen was genoeg ontwikkeld om te zien dat mijne moeder altijd het slachtoffer was; dat zij bang was om tegen mij te spreken of vriendelijk voor mij te zijn, omdat zij, door de wijze, waarop zij het deed, altijd hunne ontevredenheid opwekte en dan later eene terechtwijzing ontving; dat zij niet alleen bang was zelve iets te misdoen, maar voortdurend in angst verkeerde dat ik hun op eenigerlei wijze aanstoot zou geven, zoodat zij met een benauwd gezicht de geringste mijner bewegingen gadesloeg. Ik besloot daarom hun zoo weinig mogelijk in den weg te komen, en menige winteravond vond mij, in een overjas gehuld, op mijne sombere slaapkamer, verdiept in een of ander boek.
Nu en dan zat ik des avonds in de keuken bij Peggotty. Daar voelde ik mij op mijn gemak en was ik niet verlegen met mij zelven. Dit waren echter uitspattingen, die in de huiskamer niet werden goedgekeurd en de alles overheerschende zucht tot plagen maakte er spoedig een einde aan. Ik was nog noodig om mijne moeder flinkheid te leeren; zij moest daarin proeven afleggen en daarbij kon men mij goed gebruiken.
„David,” zei mijnheer Murdstone op zekeren dag na afloop van het middagmaal, toen ik als naar gewoonte de kamer wilde verlaten, „het spijt mij opgemerkt te hebben, dat gij zoo eenzelvig van aard zijt.”
„Zoo stug en norsch als een beer,” voegde juffrouw Murdstone er bij.
Ik bleef staan met gebogen hoofd.
„En, David,” vervolgde mijnheer Murdstone, „een eenzelvig, gesloten karakter is het slechtste, dat een mensch hebben kan.”
„Ik heb nooit stugger, weerspanniger jongen gezien,” voegde juffrouw Murdstone er weder bij. „Mij dunkt, Clara, gij moet dat toch ook wel opmerken?”
„Ik vraag u wel excuus, lieve Jane,” antwoordde mijne moeder, „maar zijt gij er wel zeker van—ik ben overtuigd, dat gij mijne opmerking niet euvel zult duiden—dat gij Davy goed begrijpt?”
„Ik zou mij schamen, Clara,” hernam juffrouw Murdstone, „als ik dezen jongen, of welken jongen ook, niet goed begrijpen kon. Ik beweer volstrekt niet knap te zijn, maar ik maak toch aanspraak op gezond verstand.”
„O, zonder twijfel, lieve Jane, ik bewonder steeds uw goed verstand....”
„O, goede Hemel! Zeg dat toch niet, Clara,” zoo viel juffrouw Murdstone mijne moeder bijna driftig in de rede.
„Maar ik ben er van overtuigd,” hervatte mijne moeder, „en iedereen is er van overtuigd, dat gij zulk een helder verstand hebt.... ik doe er elken dag op allerlei wijzen mijn voordeel mede... ik behoorde dat ten minste te doen... niemand kan er meer van overtuigd zijn dan ik. Daarom geef ik ook nu en dan slechts met de grootste angstvalligheid eene opmerking ten beste, lieve Jane, dat verzeker ik u.”
„Wij zullen aannemen, dat ik den jongen niet begrijp, Clara,” antwoordde juffrouw Murdstone, hare stalen armbanden wat verschuivend. „Ik wil bekennen, zoo gij wilt, dat ik den jongen volstrekt niet begrijp. Zijn karakter is veel te diepzinnig voor mij. Wellicht echter, dat mijn broeder met zijn helderen blik eenig inzicht kan krijgen in zijn karakter en ik meen, dat mijn broeder juist over dit onderwerp begonnen was, toen wij hem—niet zeer beleefd—in de rede vielen.”
„Ik ben van oordeel, Clara,” zei mijnheer Murdstone op ernstigen toon, „dat er betere en kalmere beoordeelaars in deze zaak zijn dan gij.”
„Edward,” antwoordde mijne moeder beschroomd, „gij zijt een veel beter beoordeelaar in alle zaken dan ik ooit zal beweren te zijn. Gij en Jane, beiden, zijt dat. Ik wilde alleen zeggen...”
„Gij hebt weder getoond, hoe zwak gij zijt en u onbedachtzaam uitgelaten,” antwoordde hij. „Doe uw best om dat te voorkomen, Clara en zet een wachtpost voor uwe lippen.”
Mijne moeder's lippen bewogen zich even, alsof zij antwoordde: „Ja, lieve Edward,” maar zij sprak die woorden niet hoorbaar uit.
„Ik herhaal, David, het spijt mij,” ging mijnheer Murdstone voort, zich naar mij omkeerende en mij strak aankijkend, „te hebben opgemerkt, dat gij zulk een eenzelvig, gesloten karakter hebt. Zulk een karakter kan ik niet onder mijne oogen zien ontwikkelen, zonder eene poging te doen om het te verbeteren. Gij moet uw best doen, jongetje, om het te veranderen. Wij zullen ook ons best doen om het te veranderen.”
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” sprak ik stotterend, „ik heb nooit eenzelvig willen zijn, zoo lang ik hier terug ben.”
„Verschuil u niet achter een leugen, jongen!” antwoordde hij zoo toornig, dat ik mijne moeder reeds onwillekeurig de handen zag uitsteken om tusschen beiden te komen. „Gij zijt alleen op uwe kamer gaan zitten, wanneer gij hier behoordet te zijn. Gij hebt u daar teruggetrokken in uwe eenzelvigheid. Gij weet thans, eens voor altijd, dat ik u hier verlang te zien. Verder verlang ik, dat gij hier gehoorzaam zijn zult. Gij kent mij, David. Ik wil het zoo.”
Juffrouw Murdstone liet een heesch gegrinnik hooren.
„Ik eisch, dat gij u eerbiedig, bereidwillig en dienstvaardig zult betoonen jegens mij,” ging hij voort, „jegens uwe moeder en jegens juffrouw Jane Murdstone. Ik wil niet, dat deze kamer geschuwd wordt, alsof er besmetting heerscht en dat nog wel door een kind. Ga zitten.”
Hij commandeerde mij als een hond en ik gehoorzaamde als een hond.
„En nog iets,” hernam hij. „Ik heb ook opgemerkt, dat gij een neiging bezit om met menschen om te gaan beneden uw stand. Gij behoort u niet gemeenzaam te maken met de dienstboden. In de keuken zult gij geen verbetering vinden van de vele gebreken, die u aankleven. Van de vrouw, die u opstookt, zeg ik niets, omdat gij, Clara,” hij wendde zich tot mijne moeder op ietwat lager toon, „omdat gij uit oude betrekking en ten gevolge van eene reeds te lang gevoede luim, een zwak voor haar hebt, waarvan ik mij geen denkbeeld kan maken.”
„En dat eene onverklaarbare dwaasheid is,” vulde juffrouw Murdstone aan.
„Ik zeg alleen,” hervatte hij, zich tot mij wendende, „dat ik uwe voorkeur van het gezelschap van juffrouw Peggotty afkeur en gij er dus van moet afzien; gij begrijpt mij, David, nietwaar, en gij weet ook wat de gevolgen zijn, als gij mij niet stipt gehoorzaamt.”
Ik wist het en—vooral ter wille van mijne ongelukkige moeder—gehoorzaamde ik hem stipt. Ik bleef niet meer op mijne kamer, ik ging niet meer naar de keuken, sprak Peggotty nauwelijks meer; ik zat mij dag in, dag uit in de huiskamer te vervelen, wachtende op den avond en des avonds op het tijdstip, dat ik naar bed mocht gaan.
Onder welk een ontzettenden dwang zat ik daar, uur op uur, in dezelfde houding, bang om een arm of been te bewegen, uit vrees, dat juffrouw Murdstone zou klagen—zooals zij bij het minste deed—over mijne ongedurigheid; bang ook om een oog te verdraaien, uit vrees, dat ik een ontevreden of uitvorschenden blik zou ontmoeten, die in mijn oogopslag nieuwe reden tot klagen zou vinden. Hoe ondragelijk vervelend daar te zitten luisteren naar het tikken van de pendule; te zitten kijken, hoe juffrouw Murdstone de kraaltjes aan een draadje reeg; mij duizendmaal af te vragen of zij wel ooit trouwen zou en zoo ja, hoe ongelukkig die man dan wel zou zijn; telkens en telkens weer de afdeelingen te tellen in het snijwerk van den schoorsteenmantel en mijne oogen langs de figuren en de krullen van het behangsel naar boven te laten dwalen, tot de zoldering!
Hoeveel wandelingen maakte ik niet langs modderige paden in het gure winterweer, de huiskamer met mijnheer en juffrouw Murdstone er in in gedachten meedragende, overal heen: een ontzaglijk zware vracht, die ik verplicht was te torsen; een dagmerrie, die ik onmogelijk kon afwerpen; een gewicht, dat mijn geest drukte en mij suf maakte!
Hoeveel maaltijden gebruikte ik niet, zwijgend en verlegen voor mij kijkende, telkens weder voelend, dat daar een mes en een vork te veel waren—de mijne; een bord en een stoel te veel waren—de mijne; een honger te veel was—de mijne; een persoon te veel was—ik zelf!
Hoeveel avonden bracht ik niet door, wanneer de kaarsen binnengebracht waren en men van mij verwachtte, dat ik mij bezig zou houden, terwijl ik geen onderhoudend boek durfde lezen, maar op een onbegrijpelijk, wreed uitgedacht rekenboek zat te turen; wanneer de tafels van maten en gewichten zich op wijzen zetten, als ‚Rule Britannia’ of ‚Weg zijn nu al mijn zorgen’; en als ze dan niet wilden stil staan om geleerd te worden, maar, gelijk de draad door het oog van mijn grootmoeder's naald, naar mijn ongelukkig hoofd kropen, het eene oor in, het andere uit!
Wat zat ik soms te gapen en te slapen, in weerwil van al mijn strijd; wat kon ik opschrikken, meenende, dat men het woord tot mij richtte, terwijl ik nooit antwoord kreeg op de enkele opmerking, die ik waagde te maken; ik had een gevoel alsof allen langs mij heen keken—ik was niets, ik bestond eigenlijk niet voor hen—en toch was ik hun allen te veel; het eenige genotvolle oogenblik van den geheelen avond was, als ik juffrouw Murdstone met een zucht hoorde zeggen, dat het negen uur en voor mij dus bedtijd was!
Zoo ging de vacantie voorbij, tot de morgen aanbrak, dat juffrouw Murdstone zei: „Dit is de laatste dag!” en mij het laatste kopje thee inschonk. Ik vond het volstrekt niet onaangenaam, dat ik weder zou vertrekken. Ik was langzamerhand in een staat van verdooving geraakt en het vooruitzicht Steerforth te zullen terugzien—al doemde het gezicht van mijnheer Creakle achter hem op—bracht mij weder eenigszins op streek. Nogmaals verscheen Barkis met zijne kar voor het tuinhek en nogmaals hoorde ik de waarschuwende stem van juffrouw Murdstone zeggen: „Clara!” toen mijne moeder zich over mij heen boog en mij vaarwel wenschte.
Ik kuste haar en het kleine broertje en was toen erg bedroefd; niet omdat ik heenging, want er was toch reeds een klove tusschen ons, die met elken dag grooter werd. En niet de kus, dien zij mij bij het heengaan gaf, leeft in mijne herinnering voort, al was die zoo hartelijk mogelijk, maar wel hetgeen op die omhelzing volgde.
Ik zat reeds in de kar, toen ik haar nog hoorde roepen; ik keek achterom en zag haar in het tuinhek staan met haar kindje hoog opgelicht, om mij mijn broertje nog eens te laten zien. Het was koud, stil weer en geen haar op haar hoofd, geen plooi van haar kleed bewoog, terwijl zij daar naar mij stond te kijken met haar kindje in de hoogte.
Zoo zag ik haar voor het laatst. Zoo zag ik haar later in mijne droomen naast mijn bed staan, mij aankijkende met denzelfden strakken blik en met haar kindje in de armen.
IX
Een merkwaardige verjaardag.
Ik ga in stilte alles voorbij wat op de school voorviel tot mijn verjaardag in Maart. Behalve dat Steerforth beminnenswaardiger was dan ooit, herinner ik er mij niets meer van. Hij zou tegen het einde van het semester, zoo niet vroeger, heengaan, en was knapper en flinker nog dan te voren—in mijne oogen ten minste—zoodat ik nog meer met hem was ingenomen; verder herinner ik mij niets. De groote gebeurtenis, waardoor dit tijdsbestek gekenmerkt is, schijnt de herinnering aan alle minder belangrijke feiten te hebben verduisterd en is alleen levendig gebleven. Het is mij zelfs moeilijk, aan te nemen, dat er tusschen mijn terugkeer op Salem House en dien verjaardag twee maanden zijn verloopen; ik moet het echter wel aannemen, omdat het een feit is; omdat ik thans weet, dat het zoo moet geweest zijn; anders zou ik geneigd zijn om te gelooven, dat de eene gebeurtenis de andere op den voet is gevolgd.
Hoe goed herinner ik mij welk soort weder het was dien dag! Ik ruik den mist nog, die over de speelplaats hing; ik zie nog den glinsterenden rijp, die over alles was verspreid; ik voel nog hoe vochtig en klam mijne haren langs mijn hoofd hingen; ik zie de schoolzaal nog, half in de schemering, hier en daar een kaars om ten minste iets te kunnen lezen; en den adem van de jongens, zich kronkelend door de koude ochtendlucht, wanneer zij in de handen bliezen en met de voeten op den grond stampten om eenige doorstraling te krijgen.
Wij hadden ontbeten en waren van de speelplaats naar binnen geroepen, toen mijnheer Sharp binnentrad en zeide:
„David Copperfield wordt in de spreekkamer verzocht.”
Ik verwachtte een mandje van Peggotty en sprong verheugd op. Enkelen van de jongens fluisterden mij in, dat zij bij de verdeeling van de verwachte heerlijkheden niet vergeten mochten worden, en met een gelaat, dat van blijde verwachting straalde, ging ik naar de spreekkamer.
„Haast u maar niet zoo, David,” zei mijnheer Sharp. „Er is tijd genoeg, beste jongen, haast u maar niet zoo.”
Had ik er acht op geslagen, dan zou ik zonder twijfel getroffen zijn geweest door den gevoelvollen toon, waarop hij sprak; maar ik lette daar niet op. Ik snelde naar de spreekkamer en vond daar mijnheer Creakle met de courant en het onafscheidelijke rietje naast zich en mevrouw Creakle met een geopenden brief in de hand. Geen mand echter.
„David Copperfield,” sprak mevrouw Creakle, terwijl zij mij naar de canapé geleidde en naast mij kwam zitten, „ik moet eens met u spreken. Ik heb u iets te vertellen, mijn jongen.”
Mijnheer Creakle, dien ik natuurlijk voortdurend in het oog hield, schudde het hoofd, zonder naar mij te kijken, en drong een zucht terug met een groot stuk geroosterd brood.
„Gij zijt nog te jong om te weten hoe de wereld dagelijks verandert,” sprak mevrouw Creakle, na eene kleine pauze.... „waren allen tehuis wel?”...... Nogmaals eene pauze.... „Was uwe mama wel?”
Ik begon te beven, al wist ik zelf niet waarom, en keek haar vragend aan, zonder echter een woord uit te brengen.
„Omdat,” vervolgde zij, „omdat ik tot mijn spijt u vertellen moet, dat uwe mama erg ziek is.”
Het scheen mij plotseling toe of er een nevel opkwam tusschen mevrouw Creakle en mij en of haar gelaat daarin zweefde. Daarna voelde ik heete tranen langs mijne wangen glijden en was de nevel verdwenen.
„Zij is zeer gevaarlijk ziek,” voegde zij er bij.
Nu wist ik alles.
„Zij is dood.”
Mevrouw Creakle behoefde mij dit niet meer te vertellen. Ik had reeds een kreet van wanhoop geuit, want ik voelde, dat ik nu geheel alleen stond in de wereld. Mevrouw Creakle was zeer lief voor mij; zij hield mij den geheelen dag bij zich en liet mij ook nu en dan alleen; en ik schreide en viel van uitputting in slaap, werd wakker en schreide opnieuw. Toen ik niet meer kon schreien, begon ik na te denken en nu eerst voelde ik de zwaarte van den slag ten volle en begon ik te begrijpen, dat voor zulk een smart geen leniging te vinden was. Toch kon ik mijne gedachten niet bepalen bij de ramp zelve; maar hielden ze zich bezig met bijzaken. Ik dacht aan ons huis, dat nu zeker gesloten zou zijn. Ik dacht aan mijn kleine broertje, dat, zooals mevrouw Creakle zeide, in den laatsten tijd erg kwijnde en nu ook wel sterven zou. Ik dacht aan het graf van mijn vader, op het kerkhof achter ons huis, en vroeg mij af of mijne moeder daar nu ook zou worden begraven onder den boom, dien ik zoo goed kende. Ik ging, toen ik alleen was, op een stoel staan, om in den spiegel te zien hoe rood mijne oogen waren en of ik erg bedroefd keek. Na eenige uren, toen mijne tranen, naar het scheen, niet meer zoo rijkelijk wilden vloeien, begon ik mij af te vragen wat mij, met betrekking tot mijn groot verlies, wel het meest zou aandoen wanneer ik naar huis reed—want ik zou naar huis gaan, om de begrafenis bij te wonen. Ik herinner mij, dat de jongens mij met een zekeren eerbied aankeken, dat ik tengevolge van mijne droefheid een persoon van gewicht geworden was in hunne oogen.
Indien ooit een kind oprecht bedroefd was, dan was ik het. Toch herinner ik mij dat deze belangrijkheid eene soort van voldoening voor mij was, toen ik dien namiddag op de speelplaats rondwandelde, terwijl de jongens in de school waren. Wanneer ik hen door de ramen naar mij zag kijken, terwijl zij van de eene klasse naar de andere gingen, gevoelde ik een zekere onderscheiding; ik keek bedroefder en wandelde langzamer. Toen de schooltijd om was en zij naar buiten kwamen en met mij spraken, vond ik het bijzonder welwillend van mij, dat ik niet hoogmoedig was en aan allen dezelfde aandacht bleef schenken als de vorige dagen.
Den volgenden avond zou ik naar huis gaan, niet met den postwagen, maar met een reusachtige diligence, die des avonds vertrok en de „boerenkar” werd genoemd, omdat zij gewoonlijk gebruikt werd door landlieden, die korte afstanden hadden af te leggen. Dien avond werd er niet verteld en Traddles stond er op mij zijn hoofdkussen te leenen. Ik weet niet waarom hij meende mij daarmede goed te doen, want ik had er zelf een; maar het was alles wat hij kon uitleenen, de arme jongen, behalve een velletje postpapier, vol geteekend met geraamten en dat gaf hij mij, toen ik vertrok, om troost en kalmte bij te vinden.
In den namiddag van den volgenden dag verliet ik Salem House, weinig denkende, dat ik er nimmer meer zou terugkomen. Wij reden den geheelen nacht zeer langzaam door en bereikten Yarmouth niet voor negen of tien uur in den morgen. Ik keek rond of ik Barkis ook zag, maar hij was er niet en in plaats van hem verscheen een dik, rond, kortademig, levendig, oud mannetje in het zwart, met vaalkleurige strikjes aan de knieën, zwarte kousen en een hoed met breeden rand, aan het portierraam en vroeg:
„Jongeheer Copperfield?”
„Die ben ik, Mijnheer.”
„Wilt gij wel zoo goed zijn met mij mede te gaan, jongeheer?” vroeg hij, het portier openend, „ik zal het genoegen hebben u naar mijn huis te brengen.”
Ik legde mijne hand in de zijne, nieuwsgierig om te weten wie hij was, en zoo wandelden wij naar een winkel in een nauw straatje, waar ik las: OMER, Lakenhandelaar, Kleedermaker, Koopman, Bedienaar bij begrafenissen, enz. Het was een benauwd, somber winkeltje, vol allerlei gemaakte en niet-gemaakte kleederen; terwijl één venster geheel ingenomen was door vilten mannen- en vrouwenhoeden.
Wij gingen een klein achterkamertje binnen, waar wij drie jonge meisjes bezig vonden aan allerlei zwart goed te naaien, waarvan eene groote hoeveelheid op de tafel lag, terwijl een aantal snippers en vodden den grond bedekten. Het was warm in de kamer en er heerschte eene benauwde lucht van warm zwart krip—ik wist toen nog niet wat ik eigenlijk rook, maar nu weet ik het.
De drie jonge meisjes, die zeer ijverig en welgemoed schenen, lichtten even het hoofd op, om te zien wie daar binnenkwam, en zetten daarna haar werk voort: Pik, pik, pik. Op hetzelfde oogenblik kwam er uit eene werkplaats, aan de overzijde van een plaatsje, waarop een der vensters uitzag, een regelmatig geluid van hamerslagen, die, zonder eenige variatie, aanhoudend hetzelfde wijsje aangaven: Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat......
„Wel,” vroeg mijn leidsman aan een van de meisjes, „hoe staat gij er mee, Minnie?”
„O, als het tijd is om te passen, zijn wij klaar,” antwoordde zij op levendigen toon, zonder op te kijken. „Maak u volstrekt niet ongerust, vader.”
Mijnheer Omer nam zijn breedgeranden hoed af, en ging hijgend zitten. Hij was zoo dik, dat hij eenigen tijd moest uitblazen eer hij kon zeggen:
„Dat is goed.”
„Vader,” zei Minnie op schertsenden toon, „wat wordt gij toch een dikzak!”
„Ja, ik weet niet waarvan, mijn kind!” antwoordde hij, nadenkend. „Ik ben nu eenmaal zoo.”
„Gij hebt een veel te gemakkelijk leventje,” zei Minnie. „Dat zal het wel zijn.”
„Waarom zou ik mij zelven dat niet gunnen, mijn kind!” zei mijnheer Omer.
„Ja, dat is zoo,” hernam zijne dochter. „Wij hebben het allen, Goddank, goed. Nietwaar vader?”
„Dat zal waar zijn,” verzekerde mijnheer Omer. „Wanneer ik wat op adem ben gekomen, zal ik dit jongmensch de maat nemen. Wilt gij met mij medegaan naar den winkel, jongeheer Copperfield?”
Op deze uitnoodiging ging ik mijnheer Omer voor en nadat hij mij een rol goed had laten zien, dat, volgens zijne verklaring, uiterst solide en te goed was, om voor iemand anders dan voor een vader of eene moeder gedragen te worden, nam hij mij de maat en schreef die in een boek op. Terwijl hij hiermede bezig was, vestigde hij mijne aandacht op zijn grooten voorraad goederen en op de nieuwe modes, die juist waren aangekomen, en op de oude modes, die juist waren afgeschaft. „Men verliest daarmede dikwijls een klein kapitaal op één dag,” zei hij. „Maar de modes zijn evenals de menschen. Zij komen en niemand weet wanneer, van waar of hoe; en zij verdwijnen en niemand weet wanneer, waarom of hoe. En zoo gaat het naar mijne meening in het menschelijk leven ook.”
Ik was te bedroefd om deze redeneering te volgen, die toch vermoedelijk ook in andere omstandigheden boven mijn bevattingsvermogen zou geweest zijn; bovendien bracht mijnheer Omer mij weder naar het achterkamertje, waar hij hijgend en zwoegend met mij aankwam. Daarna riep hij bovenaan een steile trap: „Breng de thee en de boterhammen boven!”
Nadat ik nog eenigen tijd had zitten rondkijken en peinzen en luisteren naar het pikken van de naalden en het wijsje in het hameren aan de overzijde van de plaats, werd het gevraagde op een presenteerblad boven gebracht en voor mij neergezet.
„Ik ken u van vroeger,” zei mijnheer Omer, na mij eenige oogenblikken te hebben aangekeken, waarin ik weinig eer bewezen had aan het ontbijt—al dat zwarte goed benam mij den eetlust—„ik ken u al heel lang, vriendje.”
„Zoo, mijnheer?”
„Zoo lang als gij leeft,” zei mijnheer Omer. „Ik mag wel zeggen: reeds voor uwe geboorte. Ik kende uw vader ook. Hij was vijf voet en negen en een halve duim lang en de kist was vijf voet en twintig duim.”
„Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat”—klonk het van de overzijde.
„De kist was vijf voet en twintig duim, in ronde cijfers,” herhaalde mijnheer Omer, met een zeker genoegen telkens weder dit onderwerp aanroerende. „Hij had het zelf zoo besteld of zij deed dit—dat is mij ontschoten.”
„Weet gij ook hoe het met mijn kleine broertje gaat?” vroeg ik.
Mijnheer Omer schudde het hoofd.
„Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat.”
„Hij ligt in de armen van zijne moeder,” antwoordde hij.
„Och, het arme, kleine ventje! Is hij dood?”
„Gij moet u dat niet zoo erg aantrekken,” sprak mijnheer Omer. „Ja, het kindje is ook gestorven.”
Dit bericht deed de nog versche wond opnieuw bloeden. Ik liet het nauwelijks aangeroerde ontbijt staan en ging in een hoek van de kamer met mijn hoofd op de tafel liggen, die Minnie haastig leeg maakte, opdat ik het rouwgoed niet zou bevlekken met mijne tranen. Zij was een lief, goedhartig meisje en streek mij met eene zachte hand de haren uit de oogen; maar zij was vroolijk, omdat haar werk bijna gereed was, en dus in eene geheel andere stemming dan ik!
Nu hield het gehamer op en een knappe, jonge man kwam dwars door den tuin en de kamer binnen. Hij had een hamer in de hand en een aantal draadnagels in den mond, zoodat hij die er eerst uit moest nemen alvorens hij spreken kon.
„Wel, Joram!” zei mijnheer Omer, „hoe staat gij er mede?”
„Ik ben gereed,” antwoordde Joram, „ze is af.”
Minnie kreeg even een kleur en de beide andere meisjes glimlachten tegen elkander.
„Wat? Hebt gij dan bij kaarslicht gewerkt, terwijl ik gisterenavond naar de club was? Hebt gij dat werkelijk gedaan?” vroeg mijnheer Omer met één oog dicht.
„Ja, gij hadt immers gezegd, dat wij er een uitstapje van konden maken, Minnie en ik en—gij? Dat wij er te zamen zouden heenrijden?”
„O, ik dacht, dat gij mij vergat en mij alleen wildet laten,” sprak mijnheer Omer lachend tot hij weder eene hoestbui kreeg.
„Gij waart zoo goed ons dat te beloven,” hernam de jonge man, „en daarom toog ik met ijver aan het werk, begrijpt gij. Wilt gij ook eens zien of ik mijne taak goed heb volbracht?”
„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Omer opstaande. „Wel,” voegde hij er, zich tot mij wendende bij, „wilt gij ook eens zien hoe.....”
„Neen vader,” zoo viel Minnie hem in de rede.
„Ik meende, dat het hem aangenaam zou zijn, beste meid,” zei mijnheer Omer. „Evenwel—gij hebt misschien gelijk.”
Ik kon onmogelijk zeggen hoe ik wist, dat zij de lijkkist bedoelden van mijne lieve, beste moeder. Ik had er nooit een hooren maken; ik had er, voor zoover ik weet, nooit een gezien; maar ik had plotseling begrepen, wat het geluid was, dat ik hoorde, en toen de jonge man binnenkwam, wist ik ook wat hij gemaakt had.
Toen het werk was afgeloopen, schudden de beide meisjes, wier namen ik niet vernam, de pluizen en draadjes van hare kleederen en gingen naar den winkel om er wat op te ruimen en de klanten af te wachten. Minnie bleef achter om hetgeen zij gemaakt hadden op te vouwen en in twee manden te pakken. Zij deed dit op hare knieën, terwijl zij er een vroolijk wijsje bij neuriede. Joram—hij was haar verloofde—ik twijfelde daaraan geen oogenblik—kwam binnen en stal een kus, terwijl zij bezig was—hij scheen mij niet op te merken—en zei, dat haar vader was uitgegaan om een rijtuig te bestellen en dat hij zich haasten moest om tijdig gereed te zijn. Daarna ging hij heen, terwijl zij haar vingerhoed en haar schaar in den zak en een naald met een zwarten draad voor op hare japon stak, en achter de glazen deur, zoodat ik al hare bewegingen kon blijven gadeslaan, haar hoed opzette en een smaakvol manteltje omdeed.
Ik merkte dit alles op, terwijl ik nog steeds in hetzelfde hoekje zat, met de hand onder het hoofd, peinzend over de meest verschillende onderwerpen. Weldra kwam het rijtuig voor; eerst werden de manden ingeladen, daarna mijn persoontje en vervolgens mijnheer Omer, Minnie en haar verloofde. Ik herinner mij, dat het een rijtuig was, dat gedeeltelijk voor verhuiskar was ingericht en door een zwart paard met een langen staart getrokken werd. Het was met eene doffe kleur geschilderd, en er was ruimte genoeg voor ons vieren.
Ik geloof, dat ik nooit aan zulke vreemdsoortige gewaarwordingen ben blootgesteld geweest—ik ben nu verstandiger—dan toen ik daar tusschen die menschen zat en bedacht waarmede zij zich, zoo even nog onledig hadden gehouden, terwijl zij thans in eene vroolijke, opgeruimde stemming verkeerden. Ik was niet boos op hen; ik was eerder bevreesd voor hen, alsof ik daar plotseling gezeten was tusschen wezens, die van een geheel ander maaksel waren dan ik. Zij waren uitgelaten vroolijk. De oude heer zat op de voorste bank en mende en de jongelui zaten achter hem en telkens, wanneer hij tegen hen sprak, bogen zij zich naar voren, de een aan de eene zijde, en de ander aan de andere zijde van zijn vet gezicht en hadden het bijzonder druk met hem. Zij zouden ook wel met mij gesproken hebben, maar ik bleef in mijn hoekje zitten pruilen, afgeschrikt door hunne vroolijkheid en hunne verliefdheid, hoewel zij volstrekt niet luidruchtig waren; het verbaasde mij eigenlijk, dat hunne hardvochtigheid niet gestraft werd.
Toen wij stilhielden om het paard te voeren en zij gingen eten en drinken en vroolijk waren, kon ik niets aanraken, dat zij aanraakten, en bleef vasten. Toen wij voor ons huis stilhielden, verliet ik zoo spoedig mogelijk het rijtuig, ten einde niet langer in hun gezelschap te blijven voor de gesloten vensters, die mij aanstaarden als een blinde, wiens oogen vroeger hadden geschitterd van levenslust. Toen ik het venster van de kamer mijner moeder en dat van mijn vroegere kamertje gesloten zag, behoefde ik mij niet af te vragen waaraan ik moest denken om de meeste tranen te storten.
Nog eer ik de deur bereikt had, lag ik reeds in Peggotty's armen en zij nam mij terstond mede in huis. Hare smart uitte zij nu eerst, nu zij mij bij zich had; zij wist zich echter spoedig te beheerschen, sprak op fluisterenden toon en liep zachtjes door het huis, alsof zij de doode uit haar slaap zou kunnen wekken. Zij was in vele nachten niet naar bed geweest; zij had alle nachten gewaakt. Zoo lang hare arme lieveling nog boven den grond was, kon zij haar niet alleen laten, vertelde zij mij.
Mijnheer Murdstone sloeg geen acht op mij, toen ik de huiskamer binnentrad, waar hij in een leunstoel bij den haard zat te schreien. Juffrouw Murdstone zat aan hare schrijftafel, die overdekt was met brieven en papieren; zij gaf mij een paar ijzige vingertoppen en vroeg of men mij de maat had genomen voor mijn rouwpak.
„Ja”, antwoordde ik.
„En uwe hemden,” vroeg zij, „hebt gij uwe hemden meegebracht?”
„Ja, juffrouw; ik heb al mijne kleeren meegebracht.”
Dit was alle troost, die zij in hare „flinkheid” voor mij over had. Het lijdt geen twijfel of zij vond het een waar genot, bij zulke gelegenheden te toonen hoe zij zich zelve beheerschen kon, hoe „flink” zij was, hoeveel geestkracht en gezond verstand, en hoe al hare duivelachtige eigenschappen nog meer heeten mogen, zij bezat. Zij was vooral trotsch op hare „flinkheid” in zaken en toonde dit thans door alles terug te brengen tot pen en inkt, en niet de minste ontroering te laten blijken. Zij zat het geheele overige gedeelte van den dag aan hare schrijftafel en ook den volgenden dag van den morgen tot den avond; voortdurend hoorde ik het krassen van hare harde pen, terwijl zij tegen iedereen op denzelfden onverstoorbaren fluistertoon sprak; geen spier in haar gelaat vertrok; geen oogenblik klonk hare stem zachter: hare japon en haar kapsel waren even glad als altijd.
Mijnheer Murdstone nam nu en dan een boek op, maar ik zag hem nooit lezen. Hij opende het en keek er in alsof hij las, maar al sloeg ik hem ook een uur achtereen gade, er werd geen blad omgekeerd; dan legde hij het weder weg en wandelde de kamer op en neer. Ik had niets te doen dan met gevouwen handen naar hem te zitten kijken en zijne voetstappen te tellen, uren achtereen. Hij sprak slechts zelden eenige woorden tot zijne zuster; tot mij in het geheel niet. Hij scheen in het stille huis „het” eenige te zijn, dat zich bewoog, behalve de klok.
In de dagen, die aan de begrafenis voorafgingen, zag ik Peggotty bijna niet; wanneer ik echter de trap op- of afkwam, vond ik haar altijd in de nabijheid van de kamer, waar mijne moeder en haar kindje lagen, en des avonds zat zij bij mijn bed totdat ik sliep. Eén of twee dagen voor de begrafenis—ik meen ten minste, dat het één of twee dagen was, want ik kan mij dien droeven tijd niet meer met juistheid voor den geest brengen, omdat er geen enkel rustpunt in was—nam zij mij mede in de kamer. Ik kan mij daarvan nog slechts herinneren, dat daar, onder een wit laken en door frissche bloemen omringd, voor mijn gevoel de oorzaak scheen te liggen van de plechtige stilte, die in het geheele huis heerschte; en dat ik, toen zij dat laken wilde oplichten, hare hand tegenhield en „o, neen, o, neen!” riep.
Indien de begrafenis gisteren had plaats gehad, zou ik mij die niet beter kunnen herinneren. De muffe lucht in de mooie kamer, toen ik binnenkwam, het knappend vuur in den haard, het tintelen van den wijn in de karaffen, de fatsoenen van de glazen en de borden, de flauwe zoete lucht van koek, de geur, door juffrouw Murdstone's japon de kamer rondgedragen, onze zwarte kleederen—dat alles is mij altijd bijgebleven. Dokter Chillip was ook in de kamer en kwam mij toespreken: „En hoe maakt jongeheer David het?” vroeg hij vriendelijk.
Ik kon onmogelijk antwoorden: „Heel goed!” Ik gaf hem eene hand en hij hield die in de zijne.
„Wel, wel,” zei hij, „wat worden zulke kleintjes toch spoedig groot!”—Er glinsterde iets in zijne oogen.—„Hij groeit ons boven het hoofd, juffrouw!”
Juffrouw Murdstone, tot wie deze woorden gericht waren, gaf geen antwoord.
„Het is hier treurig afgeloopen, mejuffrouw,” sprak dokter Chillip.
Een zuur gezicht en een stijve buiging was alles wat de goedhartige dokter ten antwoord kreeg, waarom hij mij medenam naar een hoek van de kamer en het stilzwijgen bewaarde.
Ik vermeld dit, omdat ik alles vermeld wat er gebeurde, hoewel ik er weinig belang in stelde. Eindelijk gaat de huisschel over en komen mijnheer Omer en nog een man binnen om ons aan te kleeden. Peggotty had mij lang geleden dikwijls verteld, dat zij, die het lijk van mijn vader naar hetzelfde graf gevolgd waren, ook in deze kamer waren aangekleed.
Ditmaal zijn de volgers: Mijnheer Murdstone, onze buurman, mijnheer Grayper, dokter Chillip en ik. Toen wij de deur uittraden, waren de dragers met hun last reeds in den tuin; zij gingen voor ons uit, het pad af, langs de olmen en door het hek, het kerkhof binnen, waar ik zoo menigen zomermorgen de vogels had hooren zingen.
Daar stonden wij om het graf. In mijne herinnering verschilt deze dag van alle andere dagen in mijn leven en schijnt de zon omfloerst te zijn geweest. Nu heerscht er plechtige stilte; wij hebben die blijkbaar uit ons huis medegebracht met de lieve doode, die daar in de geopende groeve wordt neergelaten; wij staan blootshoofds en ik hoor de stem van den geestelijke, die zegt: „Ik ben het Leven en de Opstanding, zegt de Heer!” Daarna hoor ik snikken en zie ik tusschen de omstanders het beschreide gezicht van onze goede, trouwe dienstbode, van Peggotty, het wezen, dat ik op deze aarde het meest lief heb en tot wie—daarvan is mijn kinderlijk hart overtuigd—de Heer eenmaal zal zeggen: „Welgedaan.”
Er is meer dan een bekend gezicht onder die omstanders; gezichten, die ik ken uit de kerk, waar ik altijd zat rond te kijken; gezichten van menschen, die mijne moeder gekend hebben, toen zij in den vollen bloei harer jeugd in het dorp kwam. Ik let niet op hen—ik denk slechts aan mijn groot verdriet—en toch zie en hoor ik hen allen; zelfs zie ik op den achtergrond het gezicht van Minnie, die voortdurend naar haar verloofde kijkt; Joram staat vlak bij mij.
Het is voorbij, de kuil is gevuld—wij keeren naar huis terug. Daar staat het voor ons, zoo lief en onveranderd, zoo vereenzelvigd met haar, die nu van ons is heengegaan, dat het verdriet van de vorige dagen niet is te vergelijken met de gewaarwording, die mij thans overmeestert. Zij nemen mij echter mede en dokter Chillip spreekt mij toe en laat mij thuis komende een glas water drinken, en als ik hem vraag naar mijn eigen kamertje te mogen gaan, brengt hij mij met vrouwelijke zachtheid er heen.
Dit alles schijnt mij toe gisteren gebeurd te zijn. Voorvallen uit latere jaren zijn spoorloos verdwenen naar de kust, waar al wat vergeten is weder te voorschijn zal komen; maar de gebeurtenis van dezen dag staat als eene onwrikbare rots te midden van den Oceaan.
Ik wist dat Peggotty mij in mijne kamer zou opzoeken. De sabbathstilte om ons heen—ik vergat te zeggen, dat de dag zooveel op een Zondag geleek—deed ons beiden weldadig aan. Zij zat naast mij op mijn kleine bedje en hield mijne hand vast, die zij nu en dan aan hare lippen bracht of streelde, zooals zij het handje van mijn kleine broertje zou gedaan hebben, en vertelde mij op hare eigenaardige wijze alles wat er in de laatste maanden was voorgevallen.
„Zij was al lang niet wel”, vertelde Peggotty. „Zij werd voortdurend heen- en weergeslingerd en voelde zich volstrekt niet gelukkig. Toen broertje geboren was, meende ik in het begin, dat zij geheel herstellen zou, maar zij was te zwak en ging bij den dag achteruit. Vóór de geboorte van den kleine zat zij gaarne alleen en meermalen betrapte ik haar, dat zij zat te schreien; naderhand had zij de gewoonte aangenomen van te zingen—zoo zacht, dat ik eens, toen ik haar hoorde, meende eene stem te vernemen, die langzaam naar omhoog zweefde. Ik geloof, dat zij in den laatsten tijd nog angstiger en bedeesder was geworden en dat een hard uitgesproken woord haar pijn deed. Voor mij bleef zij altijd dezelfde. Voor hare malle Peggotty bleef zij altijd dezelfde, die lieveling.”
Peggotty hield een oogenblik op en streelde eenigen tijd mijne hand.
„De laatste keer, dat ik haar gezien heb, zooals zij vroeger was—in den goeden, ouden tijd—was de avond toen gij thuis kwaamt, mijn beste. Den dag toen gij weder naar school gingt, zeide zij tegen mij: ‚Ik zal mijn lieveling nimmer terugzien; ik heb er een voorgevoel van, dat mij niet kan bedriegen.’
„Zij deed daarna haar best om zich goed te houden en menigmaal dat zij haar van luchthartigheid en onnadenkendheid beschuldigden, scheen zij ook werkelijk zoo te zijn; maar het was niet zoo. Zij vertelde haar echtgenoot nooit hetgeen zij mij verteld had—zij was bang om het aan iemand anders te vertellen—vóór zekeren avond, ongeveer eene week voor het werkelijk zoo was. ‚Lieve man’, sprak zij toen, ‚ik geloof dat ik sterven ga.’
„‚Ziezoo, nu is het van mijn hart, Peggotty,’ snikte zij, toen ik haar dien avond in bed hielp. ‚Hij zal het eenige dagen lang, van dag tot dag meer en meer gaan gelooven, de arme man... en dan is alles voorbij. O, ik ben zoo moe. Blijf bij mij zitten tot ik slaap; laat mij niet alleen. God zegene mijne beide kinderen! God bescherme en behoede mijn vaderloozen jongen!’
„Ik verliet haar toen niet meer. Dikwijls sprak zij met die twee, beneden—want zij hield van hen; zij kon er niet buiten iedereen lief te hebben uit hare omgeving—maar wanneer zij weg waren, keerde zij zich altijd weder naar mij, alsof zij alleen bij mij rust vinden en anders niet in slaap komen kon.
„Den laatsten avond gaf zij mij een kus en zeide: ‚Als mijn kleintje ook mocht sterven, Peggotty, leg hem dan in mijn armen en laat ons samen begraven.’—Haar vermoeden was juist geweest, want het arme schaap overleefde haar maar één dag.—‚Laat mijn beste jongen medegaan naar mijne laatste rustplaats,’ vervolgde zij, ‚en zeg hem, dat zijne arme moeder hem op haar ziekbed niet éénmaal, maar duizendmalen gezegend heeft.’”
Wederom volgden er eenige oogenblikken stilte en wederom streelde zij mijne hand.
„Het was reeds tamelijk ver in den nacht,” ging Peggotty voort, „toen zij mij een weinig drinken vroeg en toen zij gedronken had, lag er zulk een dankbare glimlach om haar mond... o, zij was toen zoo mooi, mijn lieveling!—De dag was aangebroken, toen zij mij begon te vertellen, hoe goed en zorgzaam mijnheer Copperfield altijd voor haar geweest was, hoeveel geduld hij met haar had gehad en hoe menigmaal hij gezegd had, als zij ontevreden was op zich zelve: dat een liefhebbend hart beter en meer waard was dan wijsheid en dat hij zoo gelukkig was in haar bezit. ‚Och, Peggotty, beste meid,’ vervolgde zij toen, ‚leg mij wat dichter naar u toe’; zij was zoo zwak. ‚Leg uw arm onder mijn hoofd,’ verzocht zij, ‚en keer mij naar u toe, want het is mij alsof uw gezicht zoo veraf is en ik wilde zoo graag dicht bij u zijn!’—Ik deed wat zij verzocht en o, Davy! de tijd was daar, dat de woorden, waarmede ik eens afscheid van u genomen had, waarheid werden: zij was blijde haar arm hoofd op den arm van hare oude, knorrige Peggotty te leggen en stierf als een kind, dat langzaam in slaap valt.”
* * * * *
Zoo eindigde Peggotty's verhaal. Van het oogenblik af, dat ik den dood mijner moeder vernam, was haar beeld, zooals ik haar het laatste jaar gezien had, uitgewischt. Van dat oogenblik af, bleef zij in mijne herinnering de jonge moeder, zooals ik mij haar uit mijne eerste levensjaren herinnerde, de lange krullen om haar vinger draaiend en met mij door de kamer dansend in de gezellige schemeruurtjes. Hetgeen Peggotty mij verteld had, bracht mij slechts de moeder uit mijne vroegste jeugd in herinnering. Het moge vreemd schijnen, toch is het waar. Met haar dood waren ook de beide laatste jaren uitgewischt en keerde zij tot mij terug, zooals zij geweest was in haar kalmen, onbezorgden tijd.
De moeder, die op het kerkhof lag, was de moeder uit mijn kindsheid; het kleine wezentje in hare armen, was ik, zooals ik eenmaal geweest was, toen zij mij aan haar boezem in slaap wiegde.
X
Ik word verwaarloosd en—verzorgd.
Het eerste, dat juffrouw Murdstone deed daags na de begrafenis, toen het licht weder vrijen toegang had tot de woning, was Peggotty den dienst op te zeggen. Over eene maand kon zij vertrekken. Met hoeveel tegenzin Peggotty in zulk een dienst zou zijn gebleven, geloof ik toch, dat zij ter wille van mij niet zou zijn heengegaan, al was haar de beste en voordeeligste dienst van de wereld aangeboden. Zij deelde mij mede, dat wij moesten scheiden en vertelde mij ook, waarom; wij beklaagden elkander in alle oprechtheid des harten.
Over mij en mijne toekomst werd geen woord gesproken; toch durf ik verklaren, dat zij blijde zouden geweest zijn, indien zij mij, evenals Peggotty, met eene maand opzeggens kwijt waren geweest. Op zekeren dag vatte ik moed en vroeg juffrouw Murdstone wanneer ik weder naar school zou gaan, waarop zij antwoordde, dat ik er misschien wel in het geheel niet meer zou heengaan. Verder vernam ik niets. Wel was ik zeer nieuwsgierig naar hetgeen er verder van mij worden zou en Peggotty niet minder, maar noch zij, noch ik kon dienaangaande iets gewaar worden.
Er was eene verandering in mijne omstandigheden gekomen, die mij veel onaangenaamheden bespaarde, doch mij, indien ik in staat geweest was om er eens grondig over na te denken, zonder twijfel de toekomst donker zou hebben doen uitzien. Het was deze: De dwang, dien men mij had opgelegd, was geheel opgeheven. Wel verre van mij steeds in de huiskamer te willen zien zitten, fronste juffrouw Murdstone zelfs nu en dan de wenkbrauwen als ik binnenkwam en gaf zij mij te kennen, dat ik maar liever heen moest gaan. Als ik mijn gezelschap maar niet aan mijnheer of juffrouw Murdstone opdrong, mocht ik gerust bij Peggotty in de keuken zitten; er werd nooit naar mij gezocht of gevraagd. In het eerst vreesde ik, dat mijnheer Murdstone zich verder met mijne opvoeding zou belasten of dat zijne zuster zich daaraan zou wijden; maar al spoedig begon ik in te zien, dat deze vrees geheel ongegrond was geweest en mij niets anders te wachten stond dan verwaarloozing.
Ik zal volstrekt niet beweren, dat deze ontdekking mij toenmaals erg verontrustte. Ik was nog versuft door den slag, die mij getroffen had, en onverschillig voor alles wat niet in betrekking stond tot de overledene. Ik herinner mij wel, nu en dan de mogelijkheid, te hebben overwogen, dat ik niets meer zou leeren of nergens voor zou opgeleid worden; dat ik zou opgroeien tot een armoedig, onbruikbaar mensch, die nergens toe deugde en een onnut leven zou leiden op het dorp; ook is het wel eens in mij opgekomen, of ik mij niet, even als de helden in de boeken, die ik gelezen had, aan zulk een lot moest onttrekken en zelf mijn fortuin zoeken in de wereld; maar dit waren voorbijgaande visioenen, droombeelden, die ik, wakend, op den wand van mijne kamer zag geschilderd of geschreven, doch die even spoedig weder verdwenen, zoowel van den wand als uit mijn brein.
„Peggotty,” fluisterde ik op zekeren avond, toen ik bij de keukenkachel mijne handen kwam warmen, „Peggotty, ik geloof, dat mijnheer Murdstone mij nog minder mag lijden dan vroeger. Hij heeft nooit veel van mij gehouden, maar hij zou mij nu wel willen wegkijken als hij kon.”
„Misschien is daarvan zijne droefheid de oorzaak,” antwoordde Peggotty, mijne haren streelende.
„Ik ben ook bedroefd, Peggotty, dat verzeker ik u. Indien ik gelooven kon, dat zijn verdriet de oorzaak was, dan zou ik er niet over denken. Maar dat is het niet, o, neen, dat is het niet.”
„Hoe weet gij, dat het dat niet is?” vroeg Peggotty, na eene pauze.
„O, zijn verdriet is het niet. Hij is op dit oogenblik, terwijl hij met juffrouw Murdstone bij den haard zit, erg bedroefd; maar als ik nu binnenkwam, Peggotty, zou hij wat anders worden.”
„Wat zou hij dan worden?” vroeg Peggotty.
„Boos”, antwoordde ik en bootste onwillekeurig zijn gezicht na. „Als hij alleen bedroefd was, zou hij mij niet zoo aankijken als hij doet. Ik ben alleen bedroefd, maar dat stemt mij zachter.”
Peggotty sprak gedurende eenige oogenblikken geen woord en ik warmde mijne handen, eveneens zwijgend.
„Davy”, zeide zij ten laatste.
„Wat is het, Peggotty?”
„Ik heb alles beproefd, beste, alles gedaan wat ik kon—alle manieren beproefd, die er zijn en alle manieren, die er niet zijn—om hier, in Blunderstone, een goeden dienst te krijgen, maar er is er geen, mijn lieveling.”
„En wat denkt gij nu te gaan doen, Peggotty?” fluisterde ik. „Gaat gij nu uw fortuin zoeken?”
„Ik geloof, dat ik zal moeten besluiten naar Yarmouth te gaan en daar af te wachten of zich iets voordoet,” antwoordde Peggotty.
„Gij hadt verder van mij af kunnen gaan,” zei ik, een weinig gerustgesteld, „zoodat gij geheel voor mij verloren waart. Ik zal u nu ten minste nu en dan kunnen zien, Peggotty. Gij zult dan ten minste niet aan het andere einde van de wereld zijn.”
„Dat verhoede de Hemel!” riep Peggotty met vuur. „Zoo lang gij hier zijt, lieveling, zal ik elke week overkomen om te zien hoe gij het maakt. Elke week éénmaal, zoo zeker als ik leef.”
Ik voelde mij na deze belofte duizend pond lichter; maar dit was nog niet alles, want Peggotty ging voort: „Zooals ik zeide, ga ik eerst een veertien dagen bij mijn broeder logeeren, om eens uit te zien en wat tot mij zelven te komen. Wellicht zouden zij, als gij hen hier toch te veel zijt, wel willen toestaan, dat ik u medeneem?”
Indien iets ter wereld—tenzij met de huisgenooten, behalve Peggotty, op een anderen voet te komen—mij op dit oogenblik genoegen had kunnen doen, dan was het dit plan. Het denkbeeld opnieuw omringd te zijn door al die eerlijke gezichten, opnieuw door hen verwelkomd te worden; opnieuw het vredige gevoel te ondervinden, wanneer des Zondags morgens de kerkklokken luidden; opnieuw de steentjes in het water te zien plassen en de schepen uit den mist te zien opduiken; dagelijks met de kleine Emily op- en neer te gaan en haar te vertellen van mijn groot verdriet, steentjes en schelpen met haar te zoeken op het strand—dat alles bracht mijn geschokt gemoed tot kalmte. In het volgende oogenblik echter bekroop mij reeds de vrees, dat juffrouw Murdstone hare toestemming zou weigeren; maar ik werd spoedig gerustgesteld, want terwijl wij nog aan het praten waren, kwam zij hare avond-inspectie houden over de provisiekast, en met een stoutmoedigheid, die mij verbaasde, bracht Peggotty onmiddellijk de zaak op het tapijt.
„De jongen zal daar leeg loopen,” zei juffrouw Murdstone, een pot met augurken bekijkend, „en ledigheid is des duivels oorkussen. Maar hij loopt hier ook ledig en zal overal ledig loopen—daarvan ben ik overtuigd.”
Peggotty had een toornig antwoord op de lippen—dat zag ik: maar zij hield het in, ter wille van de goede zaak, en bewaarde het stilzwijgen.
„Hm!” vervolgde juffrouw Murdstone, nog steeds de diepte peilend van den pot met augurken, „het voornaamste van alles is—van het grootste belang is het zelfs—dat mijn broeder met niets worde lastig gevallen. Het zou wellicht beter zijn, als ik ‚ja’ zei.”
Ik bedankte haar zonder eenige vreugde te toonen, want dan zou zij waarschijnlijk hare toestemming hebben ingetrokken. Ik kon niet nalaten te onderstellen, dat ik zeer voorzichtig had gehandeld; zij keek mij plotseling met zulk een zuur gezicht aan, dat de gedachte in mij opkwam of al het zuur uit den pot door hare zwarte oogen was opgezogen. Hoe het zij, de toestemming werd gegeven en niet weder ingetrokken en toen de maand uit was, waren Peggotty en ik gereed om te vertrekken.
Barkis kwam in huis om Peggotty's koffers te halen. Ik geloof, dat hij nog nooit binnen het tuinhek geweest was, maar nu kwam hij zelfs in huis en toen hij met den laatsten koffer op den schouder de deur uitging, lag er in den blik, waarmede hij mij aankeek, eene bijzondere uitdrukking, voor zoover ten minste het gezicht van Barkis uitdrukking hebben kon.
Peggotty was in eene gedrukte stemming, nu het oogenblik was aangebroken, waarop zij de woning verlaten zou, die zooveel jaren haar tehuis was geweest en waar zij de teederste betrekkingen van haar leven—met mijne moeder en mij—had aangeknoopt. Zij was al heel vroeg naar het kerkhof gegaan en zat nu in de kar met den zakdoek voor de oogen.
Zoo lang zij in deze stemming bleef, gaf Barkis geen teeken van leven; hij zat in zijne gewone, trage houding op zijne gewone plaats, als een groote pop; maar toen Peggotty begon rond te kijken en met mij te spreken, knikte hij eenige malen met het hoofd en grinnikte daarbij vergenoegd. Ik begreep volstrekt niet, wat hem daartoe aanleiding gaf of wat hij er mee bedoelde.
„Mooi weer, vandaag, Barkis!” zei ik bij wijze van beleefdheid.
„Niet slecht,” antwoordde hij. Barkis was altijd zeer voorzichtig in zijne uitdrukkingen en scheen niet gaarne de verantwoordelijkheid op zich te nemen van een beslist oordeel.
„Peggotty voelt zich nu weder geheel op haar gemak, Barkis,” zei ik om hem genoegen te doen.
„Zoo, is zij?” vroeg Barkis.
Nadat hij over dit feit met een wijsgeerig gezicht eenigen tijd had nagedacht, keek Barkis haar aan en vroeg: „Zijt gij nu weder geheel op uw gemak?”
Peggotty lachte en antwoordde in bevestigenden zin.
„Maar zeg mij nu eens eerlijk en oprecht: Zijt gij het waarlijk?” bromde Barkis, terwijl hij wat dichter naar haar toeschoof en haar met den elleboog aanraakte. „Zijt gij waarlijk op uw gemak? Waarlijk? Hé!”
Bij elke vraag schoof hij nog wat nader en gaf hij haar een duw met den elleboog, zoodat wij eindelijk met ons drieën in den linkerhoek van de kar waren terecht gekomen en ik zoo in de verdrukking zat, dat ik niet dan met moeite kon ademhalen.
Peggotty wees hem op mijne ongemakkelijke houding, waarop Barkis terstond ruimte begon te maken en gaandeweg weder in zijn gewone hoekje kwam te zitten. Ik kon echter niet nalaten in mij zelven de opmerking te maken, dat Barkis zich scheen te verbeelden zeer gelukkig te zijn geweest in het uitvinden van eene nette, aangename en handige manier om uiting aan zijne gevoelens te geven, zonder tot spreken genoodzaakt te zijn. Hij zat er blijkbaar eenigen tijd in zich zelven over te grinniken. Nu en dan keerde hij zich eens naar Peggotty om, en de vraag herhalende, of zij zich nu waarlijk meer op haar gemak voelde, drong hij weder zoo lang op, tot mij de adem benomen werd. En dit herhaalde hij hoe langer hoe vaker, telkens met denzelfden uitslag. Ten laatste stond ik op, wanneer ik hem zag aankomen, en ging op de voetplank staan, alsof ik van het uitzicht wilde genieten en—bevond mij daar goed bij.
Barkis was zoo beleefd om, geheel tot ons genoegen, aan een herberg stil te houden en ons op gebraden schapevleesch en bier te onthalen. Telkens wanneer Peggotty wilde drinken, kreeg hij een van zijne opdring-buien, zoodat zij zich herhaaldelijk verslikte. Toen wij echter het einde van onze reis naderden, had hij allerlei beslommeringen en dientengevolge minder tijd voor liefdesverklaringen, en toen wij op het Yarmouther plaveisel toch reeds tegen elkander werden geworpen en gehotst en geschud, kon hij aan niets anders denken.
Baas Peggotty en Ham wachtten ons op het oude plekje op. Zij ontvingen Peggotty en mij op de vriendelijkste wijze en schudden Barkis de hand. Hij stond, met den hoed achter op het hoofd en de beenen wijd van elkaar, zoo verlegen te kijken, dat hij, naar mij voorkwam, een treurig figuur maakte. Zij namen Peggotty's bagage op en wij waren op het punt van heen te gaan, toen Barkis mij heimelijk een teeken gaf met den wijsvinger, om even onder de poort te komen.
„Zeg eens,” bromde hij, „alles is in orde.”
Ik keek hem aan en antwoordde, moeite doende om eene even diepzinnige uitdrukking op mijn gelaat te krijgen als hij: „Zoo!”
„Wij zien elkaar nog terug,” vervolgde Barkis, terwijl hij mij vertrouwelijk toeknikte. „Het is in orde.”
Nogmaals antwoordde ik: „Zoo!”
„Ge weet wie wel wilde,” zeide mijn vriend, „het was Barkis. Ja, Barkis wil wel.”
Ik knikte bevestigend.
„Alles is in orde,” herhaalde hij en schudde mij de hand; „ik blijf uw vriend. Gij hebt het goed aangelegd. Alles is in orde.”
In zijne pogingen om bijzonder duidelijk te zijn, was Barkis zoo ontzettend geheimzinnig, dat ik hem wel een uur lang had kunnen aankijken, zonder meer wijsheid uit zijn gelaat te putten dan uit de wijzerplaat van eene stilstaande klok. Peggotty riep mij echter toe dat het tijd werd. Toen wij voortwandelden vroeg zij mij wat Barkis gezegd had, en ik antwoordde, dat hij mij gezegd had: „Alles is in orde.”
„Heb ik ooit zoo'n onbeschaamdheid meer gezien!” riep Peggotty uit. „Maar dat doet er niet toe, beste jongen. Wat zoudt gij wel zeggen, lieve Davy, als ik eens ging trouwen?”
„Wel,” antwoordde ik na eenige aarzeling, „ik onderstel, dat gij even veel van mij houden zoudt als nu, Peggotty.”
Tot groote verbazing van de voorbijgangers, zoowel als van baas Peggotty en Ham, die vooruit liepen, voelde de goede ziel zich verplicht te blijven staan en mij te omhelzen, onder herhaalde betuigingen van hare onveranderlijke liefde.
„Vertel mij nu eens wat gij er wel van zoudt zeggen, lieveling?” vroeg zij nogmaals toen wij verder gingen.
„Als gij met Barkis gingt trouwen, Peggotty?”
„Ja.”
„Ik geloof dat gij dan heel goed zoudt doen. Want, nietwaar, Peggotty, dan zoudt gij altijd het paard en de kar tot uwe beschikking hebben om mij te komen bezoeken; het zou u dan geen geld kosten en gij zoudt ook zeker zijn dat er plaats was.”
„Waar haalt die jongen het verstand vandaan!” riep zij. „Dat is het juist, waarover ik nu reeds een maand lang heb zitten peinzen! Ja, mijn lieveling, en ik denk ook, dat ik dan minder gebonden zal zijn, ziet ge? En het is ook aangenamer in zijn eigen huis te werken dan in dat van een ander. Ik weet niet of ik nog wel geschikt zou zijn om onder vreemden te dienen. En dan blijf ik ook altijd dicht bij de laatste rustplaats van mijn „beste” en kan er heengaan wanneer ik wil,” vervolgde zij peinzend, „en wanneer ik zelve eenmaal het hoofd neerleg, kan ik dicht bij mijn „beste” begraven worden!”
Gedurende eenige oogenblikken spraken wij geen van beiden een woord.
„Maar,” zei Peggotty eindelijk, „ik zou er in het geheel niet meer aan willen denken als mijn Davy er iets tegen had—al waren wij driemaal afgekondigd in de kerk en al versleet de verlovingsring in mijn zak.”
„Kijk mij eens aan, Peggotty,” zei ik „en zie zelve of ik niet heel blij ben en of ik het zelf ook niet wensch.” En waarlijk, dat deed ik ook van ganscher harte.
„Welnu, beste,” zei Peggotty, mij aan haar hart drukkende, „ik heb er dag en nacht over gedacht, op alle manieren en ik hoop ook op de juiste manier; maar ik zal er nog eens over denken en er met mijn broeder over spreken en intusschen houden wij het nog geheim, nietwaar, Davy? Barkis is een eenvoudige, beste man,” vervolgde Peggotty, „en indien ik mijn plicht tracht te doen bij hem, dan moet het wel mijn eigen schuld zijn als ik niet..... niet geheel op mijn gemak bij hem ben.” Zij lachte uit volle borst na deze woorden.
Deze aanhaling van Barkis' woorden was zoo te pas, en wekte zoodanig onzen lachlust op, dat wij telkens opnieuw begonnen en in de vroolijkste stemming bij de woning van baas Peggotty aankwamen. Behalve dat deze in mijne oogen een weinig was ingekrompen, zag zij er nog juist zoo uit als vroeger, en juffrouw Gummidge stond aan de deur te wachten, alsof zij daar al dien tijd gestaan had. Van binnen was alles hetzelfde gebleven, tot de zeeplanten in de blauwe kan op mijn slaapkamertje toe. Ik ging het uitgebouwde schuurtje binnen om eens rond te kijken en schijnbaar lagen daar nog dezelfde kreeften, krappen en schaalvisschen, behept met denzelfden lust om de geheele wereld te knijpen, op dezelfde wijze in elkander verward, in hetzelfde hoekje bijeen. Maar wie ik niet zag, dat was de kleine Emily en daarom vroeg ik baas Peggotty waar zij gebleven was.
„Zij is naar school, jongeheer,” antwoordde baas Peggotty, de zweetdroppelen van het voorhoofd wisschend, die het dragen van Peggotty's koffer daarop had te voorschijn geroepen; „zij zal”—hij keek op de oude Friesche klok—„over twintig minuten of een half uur thuis zijn. Wij missen haar allen, dat verzeker ik u.”
Juffrouw Gummidge slaakte een zucht.
„Kom, moedertje, moed gehouden!” riep baas Peggotty.
„Ik voel het erger dan iemand anders,” zei juffrouw Gummidge; „ik ben een ellendig, ongelukkig schepsel en zij was de eenige, voor wie ik nog geen lastpost was.”
Al kreunende en klagende ging juffrouw Gummidge het vuur aanblazen en baas Peggotty keek den kring rond en op haar wijzende, zeide hij achter zijne hand, op fluisterenden toon: „Ze denkt weer aan den oude!” Ik maakte hieruit op, dat er sedert mijn laatste bezoek geen verbetering gekomen was in juffrouw Gummidge's gemoedsgesteldheid.
Hoe het kwam, wist ik niet, maar de woning en wat er in en om was, maakte niet zulk een indruk op mij als den vorigen keer. Toch was er niets veranderd. Ik was zelfs een weinig teleurgesteld—misschien omdat Emily er niet was. Maar ik kende den weg, dien zij moest afkomen en wandelde in die richting op, ten einde haar te ontmoeten. Weldra zag ik op vrij grooten afstand een gedaante aankomen, die ik spoedig als Emily herkende; zij was wel gegroeid, maar toch nog altijd klein; toen zij naderbij kwam en ik zag dat hare blauwe oogen nog blauwer, en de kuiltjes in hare wangen nog dieper en zij zelve nog mooier en vroolijker geworden was, maakte zich eene zonderlinge gewaarwording van mij meester, zoodat ik deed alsof ik haar niet kende en haar voorbij liep, alsof ik heel in de verte naar iets keek. In latere jaren heb ik zoo iets wel meer gedaan, als ik mij niet vergis.
De kleine Emily trok er zich niets van aan. Zij herkende mij heel goed, maar in plaats van om te keeren en mij terug te roepen, liep zij lachend verder. Hierdoor was ik genoodzaakt haar achterna te loopen, maar zij liep zoo hard, dat wij reeds vlak bij de woning waren eer ik haar gevangen had.
„O, waart gij het?” sprak zij.
„Wist gij dan niet wie ik was, Emily?”
„En wist gij dan niet wie ik was?”
Ik wilde haar een kus geven, maar zij bedekte hare kersroode lippen met hare handen, zeide dat zij nu geen klein kind meer was en snelde heen, harder lachend dan ooit. Het scheen wel dat zij er pleizier in had mij te plagen en deze verandering in haar verbaasde mij. De theetafel was gereed en het bankje, dat ons vroeger tot zitplaats had gediend, stond nog op de oude plaats; maar in plaats van naast mij te komen zitten, schonk zij haar gezelschap aan de jammerende juffrouw Gummidge en op de vraag van baas Peggotty, waarom zij niet op hare oude plaats ging zitten, wierp zij hare krullen over haar gezicht, om het te verbergen en deed niets dan lachen.
„O, het is zoo'n katje!” zei baas Peggotty, terwijl hij haar met zijn breede hand over het hoofd streelde.
„Ja, dat is ze! Dat is ze!” riep Ham. „Ja, jongeheer Davy, dat is ze!” Al grinnikend bleef hij haar aankijken, vol bewondering en verrukking, zoodat zijne wangen langzamerhand met een gloeienden blos werden overtogen.
De kleine Emily werd door allen bedorven en door niemand erger dan door baas Peggotty zelven, van wien zij alles gedaan kon krijgen, alleen door hare zachte wang tegen zijn ruwen bakkebaard te leggen. Zoo meende ik tenminste, toen ik haar dat zag doen en ik vond dat baas Peggotty in zijn volle recht was. Zij was zoo lief en zoo zacht en kon zoo schalksch en zoo bedeesd tevens zijn, dat zij mij meer dan ooit in verrukking bracht. Zij had een goed hart ook, want toen wij na de thee om het vuur zaten en baas Peggotty onder het genot van zijn pijpje het verlies besprak, dat ik geleden had, stonden de tranen in hare oogen en keek zij mij over de tafel heen zoo weemoedig aan, dat ik haar innig dankbaar was.
„Ja,” zei baas Peggotty, terwijl hij hare krullen door zijne grove hand liet glijden, „hier is ook een weesje, jongeheer. En hier,” vervolgde hij, Ham een duw gevend, „is er nog een, al ziet hij er niet naar uit.”
„Als ik u tot voogd had, baas Peggotty”, zei ik, het hoofd schuddende, „zou ik het ook niet zoo voelen.”
„Goed gezegd, jongeheer Davy!” riep Ham met warmte uit. „Hoezee! Goed gezegd! Gij zoudt het niet voelen! Hoort gij 't? Hoort gij 't wel?” Hij gaf bij deze laatste woorden baas Peggotty den duw van zooeven terug en de kleine Emily stond op en kuste haar voogd.
„En hoe maakt het uw vriend, jongeheer?” vroeg baas Peggotty.
„Bedoelt gij Steerforth?”
„Juist, zoo heet hij!” riep baas Peggotty, zich tot Ham wendende. „Ik wist wel, dat het een naam is, die in ons bedrijf te pas komt.”
„Ik meende, dat gij hem Rudderford hadt genoemd,” zei Ham lachend.
„Welnu!” hernam baas Peggotty. „Gij stuurt immers met het roer, is 't niet? Zoo heel ver waart gij er dus niet vandaan. Hoe maakt hij het, jongeheer!”
„Toen ik heenging, was hij heel wel, baas Peggotty.”
„Dat is een vriend!” zei baas Peggotty, zijne pijp uitkloppend. „Dat is een vriend, als gij spreekt van vrienden. Men zou een uur loopen om hem te zien!”
„Hij is een knappe jongen, nietwaar?” zei ik, verrukt over den lof op mijn boezemvriend.
„Knap!” riep baas Peggotty uit. „Hij stond daar voor ons als..... ja..... als..... ik weet niet als wat. Als een prins misschien wel!”
„Ja, daar lijkt hij op.... op een prins!” antwoordde ik. „Hij is zoo dapper, zoo stoutmoedig als een leeuw, baas Peggotty; en gij kunt u geen denkbeeld maken van zijn rondborstigheid.”
„En, voor zoover ik er over kan oordeelen,” hernam baas Peggotty, „zal hij in het leeren uit allerlei boeken ook wel iedereen de baas zijn.”
„Ja,” zei ik, opgetogen, „hij weet alles; hij is verbazend knap.”
„Dat is me een vriend!” herhaalde baas Peggotty binnensmonds.
„Niets schijnt hem eenige moeite te kosten,” hernam ik. „Hij kent zijn les als hij er maar even in gekeken heeft. Hij is de beste cricket-speler, dien gij ooit hebt gezien. En bij het dammen, zal hij u zooveel schijven voor geven als gij maar wilt, en het toch gemakkelijk van u winnen!”
Baas Peggotty knikte met het hoofd alsof hij wilde zeggen: „Dat spreekt van zelf.”
„Hij spreekt zoo rad, dat hij iedereen kan overreden, en ik gaf wat, baas Peggotty, als gij hem eens kondt hooren zingen.”
Nogmaals knikte baas Peggotty met het hoofd, als wilde hij zeggen: „Ik twijfel er niet aan.”
„Bovendien heeft hij zulk een edelmoedig karakter, is hij zulk een ferme, trouwhartige jongen,” vervolgde ik, meegesleept door mijn meest geliefkoosd onderwerp, „dat men hem moeielijk zooveel lof kan toezwaaien als hij verdient. Ik ben overtuigd, dat ik nooit dankbaar genoeg kan zijn voor de edelmoedigheid, waarmede hij mij heeft beschermd, mij, die zooveel jonger was en zooveel lager op de school zat dan hij.”
Zoo bleef ik bijna zonder ophouden aan het doorslaan; tot mijn oog viel op de kleine Emily, die, over de tafel gebogen, met de grootste aandacht zat te luisteren. Zij hield haar adem in; hare blauwe oogen schitterden als twee diamanten en op hare wangen lag een donkere blos. Zij keek zoo buitengewoon ernstig en zag er zoo bijzonder lief uit, dat ik eensklaps zweeg en haar met bewondering aanstaarde; op hetzelfde oogenblik waren aller blikken op haar gevestigd; want toen ik ophield, keken zij lachend naar haar gezichtje.
„Het gaat Emily als mij,” zei baas Peggotty, „zij zou hem gaarne eens zien.”
Emily werd onder al die blikken verlegen; zij liet haar hoofdje hangen en een donkere blos verspreidde zich over haar gelaat en haar hals. Toen zij een oogenblik later opkeek en al die oogen nog op zich gevestigd zag—ik had haar wel een uur lang kunnen aankijken—snelde zij heen en bleef weg tot het bedtijd geworden was.
Ik sliep in het oude bed in den achtersteven van de schuit, en de wind loeide over de vlakte evenals vroeger. Ik kon echter niet nalaten mij te verbeelden, dat de klaagtonen, die ik hoorde, hen golden, die niet meer onder de levenden behoorden; in plaats van te denken, dat de zee in den nacht zou opkomen en de schuit medenemen, meende ik, dat de zee werkelijk opgekomen was, sinds ik het laatst deze zelfde geluiden had vernomen, en mijn gelukkig ouderlijk huis had medegesleept in de diepte. Ik herinner mij dat, toen de geluiden, door den wind en de zee voortgebracht, hoe langer hoe zwakker werden, ik mijn gebedje eindigde met de bede, dat ik, eenmaal groot zijnde, met de kleine Emily mocht trouwen—en zoo viel ik met de liefelijkste gedachten in slaap.
De dagen gingen even genoegelijk voorbij als de eerste maal, met uitzondering echter—voor mij eene zeer gewichtige uitzondering—dat de kleine Emily zelden met mij langs het strand wandelde. Zij moest lessen leeren, had allerlei naaiwerk en was het grootste gedeelte van den dag afwezig. Ik voelde echter wel, dat al ware zij den geheelen dag thuis geweest, wij toch niet meer zoo prettig zouden gewandeld hebben. Zij was wild en vol kinderlijke grillen, maar begon reeds meer de gewoonten aan te nemen van een volwassen meisje, dan ik had kunnen onderstellen. Het scheen wel, dat er een groote afstand tusschen ons gekomen was in dat jaar. Zij hield wel van mij, maar zij lachte mij uit en plaagde mij; ging ik haar tegemoet, dan nam zij een anderen weg en stond mij, als ik teleurgesteld thuis kwam, aan de deur uit te lachen. De aangenaamste oogenblikken waren die, wanneer zij op den drempel zat te naaien en ik haar, op het houten trapje aan hare voeten zittende, voorlas. Het komt mij nu voor, alsof ik de zon nooit zoo schitterend heb gevonden als op die heerlijke namiddagen in April; dat ik nooit zulk een zonnig klein meisjesfiguurtje gezien heb als de kleine Emily, zittende op den drempel van de huisdeur—als ik den hoofdtoegang tot de schuit zoo noemen mag—; dat de lucht nooit zoo helder, de zee nooit zoo effen was, dat ik nooit zulke heerlijke schepen aan den purperen horizon heb zien verdwijnen als toen.
Op den eersten avond na onze aankomst verscheen Barkis, bedremmeld en verlegen, en met een zakdoek vol sinaasappelen. Aangezien hij met geen woord over zijn eigendom sprak, onderstelden wij, dat hij ze vergeten had mede te nemen, toen hij heenging. Ham snelde hem achterna, om ze hem ter hand te stellen, maar kwam terug met de boodschap, dat ze voor Peggotty bestemd waren. Na deze overwinning op zich zelven behaald te hebben, verscheen hij elken avond, prompt op hetzelfde uur, altijd met een of ander pakje bij zich, waarover hij geen woord sprak en dat hij geregeld achter de deur zette en daar liet liggen. Deze bewijzen van zijne liefde waren van den meest verschillenden en zonderlingsten aard. Ik herinner mij o. m. een paar varkenspootjes, een vervaarlijk speldenkussen, zoo om en bij een half mud appelen, een paar gitten oorbellen, een rist Spaansche uien, een dominospel, een kanarievogel met kooi en een gerookte ham.
Over het geheel waren Barkis' liefdesbetuigingen, voor zoo ver ik mij herinner, van zonderlingen aard. Hij zei bijna nooit iets, maar zat bij het vuur in dezelfde houding als op de kar en staarde Peggotty, die tegenover hem zat, met strakke oogen aan. Op zekeren avond nam hij, naar ik onderstel door liefde gedreven, plotseling het stukje waskaars weg, dat Peggotty gebruikte om het garen glad te maken, stak het in zijn vestzak en nam het mede. Na dien tijd was het zijn grootste vermaak het te voorschijn te halen, wanneer het noodig was; het was half gesmolten en kleefde aan de voering vast, maar toch stak hij het telkens weder bij zich. Hij scheen zich bijzonder te vermaken en geen roeping te gevoelen om te praten. Zelfs wanneer hij Peggotty medenam om eene wandeling langs het strand te doen, maakte hij het zich niet druk en vergenoegde zich, naar ik onderstel, met nu en dan te vragen of zij zich wel goed op haar gemak voelde. Ik herinner mij, dat Peggotty nu en dan na zijn vertrek, den boezelaar over haar gezicht wierp en eene lachbui kreeg, die langer dan een half uur duurde. Waarlijk, wij verkeerden allen min of meer in zulk eene stemming, behalve de ongelukkige juffrouw Gummidge, wier verlovingstijd waarschijnlijk onder dergelijke omstandigheden was voorbijgegaan, zoodat zij telkens aan „den oude” herinnerd werd.
Toen het einde van mijn bezoek aan de vriendelijke visschersfamilie reeds nabij was, werd er besloten, dat Barkis en Peggotty eens een dag uit zouden gaan en dat Emily en ik hen zouden vergezellen. Ik sliep den nacht, die vooraf ging, zeer onrustig in het vooruitzicht van een ganschen dag met Emily samen te zullen zijn. Wij waren 's morgens voor dag en dauw op en toen wij nog aan het ontbijt zaten, zagen wij in de verte Barkis reeds aankomen in een soort sjees, die hij zelf mende in de richting van het voorwerp zijner liefdedroomen.
Peggotty droeg als gewoonlijk haar zindelijk, glad rouwkleed; maar Barkis was gedost in eene nieuwe jas, die de kleermaker zoo ruim had gemeten, dat de mouwen hem zelfs bij het koudste weder handschoenen bespaarden, terwijl de kraag zijne haren steil in de hoogte duwde. De blinkende knoopen waren eveneens van de grootste soort. Verder droeg hij een broek van grijs laken en een lichtgeel vest, zoodat hij in mijn oog een toonbeeld van deftigheid was.
Toen wij allen buiten waren, zag ik, dat baas Peggotty een ouden schoen in de hand hield, die ons achterna zou geworpen worden, opdat de tocht goed zou afloopen en die juffrouw Gummidge hem tot dat doel overhandigd had.
„Neen,” had zij gezegd, „het is beter, dat een ander het doet, Daniël. Ik ben een ellendig en ongelukkig schepsel; het zou hun ook maar tegenloopen in de wereld, evenals mij altijd alles tegenloopt.”
„Kom, oudje!” riep baas Peggotty. „Neem aan en gooi op!”
„Neen, Dan,” hernam zij op huilerigen toon en het hoofd schuddend. „Als ik alles maar minder voelde, zou ik ook meer kunnen. Gij voelt niet zooals ik, Dan; alles loopt u ook niet zoo tegen—doe het daarom liever zelf.”
Maar Peggotty, die van den een naar den ander was gegaan en allen gekust had, riep uit de sjees, waarin wij nu met ons vieren hadden plaats genomen—Emily en ik op twee kleine stoeltjes—dat juffrouw Gummidge het doen moest. En zoo deed zij het, maar het spijt me te moeten vertellen hoe zij de vreugde van onzen feestelijken uittocht bedierf door onmiddellijk in tranen uit te barsten en machteloos in Ham's stevige armen te zinken, verklarende wel te weten, dat zij een lastpost was en naar het armenhuis gebracht moest worden. Naar het mij voorkwam was dit een zeer verstandig denkbeeld van haar en had Ham het maar onmiddellijk ten uitvoer moeten brengen.
Eindelijk ving de rijtoer aan en het eerste wat wij deden was bij eene kerk stil te houden, waar Barkis het paard aan een paal vastbond en met Peggotty naar binnen ging, terwijl Emily en ik alleen in de sjees bleven. Ik maakte van deze gelegenheid gebruik om mijn arm om Emily's hals te slaan en haar voor te stellen, dat wij met het oog op mijn aanstaand vertrek den geheelen dag heel veel van elkander zouden houden en heel veel pleizier zouden hebben. Toen Emily hierin toestemde en mij zelfs veroorloofde haar een kus te geven, werd ik wanhopig verliefd; ik herinner mij zeer goed haar toen betuigd te hebben, dat ik nimmer een ander meisje zou kunnen liefhebben en bereid was om ieder, die haar over liefde zou durven spreken, overhoop te steken.
O, wat maakte de kleine Emily zich vroolijk over deze ontboezeming! Wat trok zij een nuffig gezichtje, alsof zij veel ouder en wijzer was dan ik, toen zij mij een „onnoozele jongen” noemde; en zij lachte daarbij zoo hartelijk, zoo bekoorlijk, dat ik de pijn, die deze geringschattende toespraak mij veroorzaakte, geheel vergat door het genoegen van haar te mogen zien.
Barkis en Peggotty bleven geruimen tijd in de kerk, maar kwamen er toch eindelijk weer uit en toen reden wij naar buiten. Onder het rijden keerde Barkis zich om en vroeg mij, een knipoogje makend—ik had eigenlijk gedacht, dat hij geen knipoogjes kon maken—: „Welke naam was het ook, dien ik op de kar heb geschreven?”
„Clara Peggotty,” antwoordde ik.
„En welken naam zou ik nu opschrijven, als er plaats voor was?” vroeg hij nogmaals met een knipoogje.
„Weer, Clara Peggotty,” raadde ik.
„Mis, Clara Peggotty Barkis,” antwoordde hij en barstte in zulk een schaterlach uit, dat de sjees er van schudde. Kortom, zij waren getrouwd en voor geen ander doel de kerk binnengegaan. Peggotty had gewild, dat het huwelijk in alle stilte zou voltrokken worden, zoodat er geen andere getuigen waren geweest dan de koster. Zij werd wat verlegen toen Barkis op zulk eene luidruchtige wijze hunne vereeniging bekend maakte en kon mij dien dag maar niet genoeg kussen en omhelzen, ten bewijze van hare onverflauwde toegenegenheid; spoedig werd zij echter weder de oude en verklaarde zij blijde te zijn, dat het achter den rug was.
Wij reden naar eene kleine herberg aan een zijweg, waar wij blijkbaar verwacht werden, een goeden maaltijd en een aangenamen dag hadden. Als Peggotty in de laatste tien jaren elke maand eens getrouwd was, zou zij niet méér op haar gemak kunnen zijn geweest: er was geen verschil in haar te bespeuren; zij was zoo gewoon, zoo kalm, alsof er niets gebeurd was en ging vóór de thee een wandeling maken met kleine Emily en mij; terwijl Barkis met een wijsgeerig gezicht zijn pijpje zat te rooken en zich, naar het mij voorkwam, zat te verkneuteren in zijn geluk. Indien dit zoo was, dan had dit peinzen zijn eetlust opgewekt, want, ik herinner het mij duidelijk, dat, hoewel hij aan het middagmaal zich te goed had gedaan aan varkensvleesch en groenten en ook zijn deel van de kippen niet had versmaad, bestelde hij bij de thee koud, gekookt spek en verorberde er, zoo kalm mogelijk, eene flinke portie van.
Na dien tijd heb ik dikwijls gedacht wat eene wonderlijke, onschuldige, zonderlinge bruiloft het toch geweest was! Toen de duisternis was ingevallen stapten wij weder in de sjees en reden in de opgeruimdste stemming huiswaarts, terwijl wij den tijd doorbrachten met naar de sterren te kijken en er over te praten. Ik was de hoofdpersoon en opende voor Barkis eene geheel nieuwe wereld. Ik vertelde hem alles wat ik wist, maar hij zou alles geloofd hebben wat maar in mijn hoofd was opgekomen om hem te vertellen; want hij had diep ontzag voor mijne knapheid en deelde zijne vrouw in mijne tegenwoordigheid mede, dat ik een wonder van geleerdheid was.
Toen wij de sterren hadden afgehandeld, of liever, toen ik van Barkis' verstand niet meer kon vorderen, sloegen kleine Emily en ik een ouden paardedeken om, waaronder wij tot het einde van den rit bleven zitten. O, wat had ik haar lief. Welk een geluk—zoo dacht ik—om met haar getrouwd te zijn en ergens buiten met haar te gaan wonen, altijd dezelfden te blijven, niet ouder en niet wijzer te worden, altijd als kinderen, hand aan hand door den zonneschijn en de groene velden te wandelen, onze hoofden des nachts op het zachte mos neer te leggen en daar in alle onschuld en reinheid te slapen en door de vogels begraven te worden als wij dood waren. Dergelijke tafereelen, zonder werkelijke wereld, beschenen door het licht onzer onschuld en vaag als de verst verwijderde sterren, doemden gedurende den geheelen verderen rit voor mijn geestesoog op. Ik verheug er mij nog in, dat er bij Peggotty's huwelijk twee zulke argelooze harten als Emily en ik tegenwoordig waren, dat de minnegoodjes in hun eenvoudigen bruidsstoet zulke kinderlijke vormen hadden aangenomen.
Laat in den avond kwamen wij gezond en wel aan onze oude schuit terug en daar namen Mijnheer en Mejuffrouw Barkis afscheid van ons en reden, dicht naast elkander gezeten, naar hunne eigene woning. Ik voelde toen voor het eerst dat ik Peggotty verloren had. Hadde hetzelfde dak Emily's hoofd niet beschermd, ik zou met een bezwaard hart naar bed zijn gegaan.
Baas Peggotty en Ham begrepen zeer goed wat er in mijn hart omging; zij zaten ons met een avond-boterham op te wachten en hunne vriendelijke, gastvrije gezichten verdreven spoedig alle zorgen. De kleine Emily kwam naast mij op het bankje zitten—de eenige keer gedurende mijn bezoek—en zoo kwam er aan dezen wonderbaren dag een wonderbaar slot.
Het was dien nacht vloed en spoedig, nadat wij naar bed waren, gingen baas Peggotty en Ham op de vischvangst uit. Ik was er wat trotsch op alleen te zijn gelaten ter bescherming van juffrouw Gummidge en de kleine Emily, en wenschte maar, dat er een leeuw of een slang of eenig ander kwaadaardig monster zou opdagen om ons aan te vallen, opdat ik het zou kunnen vernietigen en mijzelven met roem overladen. Er daagde echter geen enkel soortgelijk dier aan het Yarmouther strand op en zoo vergenoegde ik mij met den geheelen nacht tot laat in den morgen over draken te droomen.
Tegen den morgen kwam Peggotty en riep mijn naam zooals gewoonlijk onder het venster van mijne kamer, alsof het bestaan van een zekeren Barkis evenzoo van het begin tot het einde een droom geweest was. Na het ontbijt nam zij mij mede naar haar eigen woning, een lief, klein huisje. Van alle meubelen, die er stonden, schijnt een oud bureau van donkerkleurig hout in de mooie kamer—de keuken met den vloer van tegels was tevens huiskamer—den meesten indruk op mij gemaakt te hebben. Het had een klep, die neergeslagen kon worden en dan als schrijftafel dienst deed; terwijl er een exemplaar in quarto van Fox' Geschiedenis der Martelaren in lag. Ik ontdekte dit kostbare werk terstond en maakte er mij meester van. Ik herinner mij er niets meer van, maar zoo vaak ik later bij Peggotty Barkis kwam, klom ik op een stoel, opende de bewaarplaats van dit juweel, spreidde de armen over den neergeslagen klep uit en begon het boek met frisschen moed te verslinden. Ik vrees het meest aangetrokken geweest te zijn door de prenten, voorstellingen van de afschuwelijkste martelingen van allerlei aard; de martelaren en Peggotty's huis zijn sinds dien tijd onafscheidelijk geweest in mijne herinnering, en zijn het nog.
Eindelijk nam ik afscheid van baas Peggotty en Ham en juffrouw Gummidge en kleine Emily; ik bracht den laatsten nacht door in Peggotty's woning op een klein dakkamertje—het krokodillenboek lag op eene plank aan het hoofdeneinde—dat steeds voor mij beschikbaar zou blijven, zooals Peggotty zeide, en altoos in denzelfden toestand zou gehouden worden.
„Oud of jong, beste Davy, zoo lang ik leef en dit dak boven mijn hoofd heb,” sprak Peggotty, „zult gij uw kamertje vinden alsof ik u elk oogenblik verwachtte. Ik zal het elken dag ‚doen’, mijn lieveling, zooals ik uw oude kamertje in Blunderstone ‚deed’; en al gaat gij ook naar China, het kamertje blijft zooals het nu is.”
De liefde en aanhankelijkheid van mijne oude kindermeid deden mij goed, en ik betuigde haar, zoo goed als ik kon, mijn dank. Veel kon ik niet zeggen, want zij had de armen veel te stijf om mijn hals geslagen. Zij en Barkis brachten mij met de kar naar huis; aan het tuinhek namen zij afscheid en een zonderling gevoel maakte zich van mij meester, toen ik de kar zag wegrijden met Peggotty, en ik alleen bleef onder de oude olmboomen, opziende naar het huis, waarin geen enkel gelaat mij tegenblonk, dat mij liefderijk of zelfs maar vriendelijk ontving.
Er ving nu een tijdperk in mijn leven aan, waarin ik aan verwaarloozing was prijs gegeven, en waaraan ik niet dan met leedwezen kan denken. Ik stond geheel alleen, zonder dat iemand zich eigenlijk mijner aantrok, zonder speelkameraden van mijn leeftijd, afgezonderd van alles, alleen met mijne moedelooze gedachten, waarvan de herinnering mij thans nog, terwijl ik dit schrijf, droefgeestig stemt. Wat zou ik niet gegeven hebben als men mij naar de strengste kostschool gezonden had, die ooit bestaan heeft! Had ik maar onderwijs gekregen, op welke wijze dan ook! Die hoop was echter ijdel. Zij hadden een hekel aan mij; op norsche, stroeve wijze hielden zij mij onder gestadig toezicht. Ik geloof, dat mijnheer Murdstone's inkomen in dien tijd vrij beperkt was, maar dat deed niets ter zake. Hij kon mij niet uitstaan, en door mij uit zijn huis te verwijderen, trachtte hij, naar ik meen, ook het denkbeeld te verdrijven, dat ik eenige aanspraken kon doen gelden—en dat gelukte hem.
Ik werd niet mishandeld in den gewonen zin van dit woord. Ik werd niet geslagen, men liet mij geen honger lijden; maar het onrecht, dat men mij aandeed, werd nooit afgebroken door tusschenpoozen van zachtmoedigheid; alles ging stelselmatig, zonder eenige hartstochtelijkheid. Dagen, weken, maanden achtereen werd ik eenvoudig verwaarloosd.
Wanneer ik aan dien tijd denk, komt menigmaal de vraag bij mij op, wat zij wel zouden gedaan hebben, als ik ziek geworden was; zouden zij mij alleen hebben laten liggen op mijn eenzaam kamertje en langzaam hebben laten wegkwijnen of beter worden—zou men mij met hulp hebben bijgestaan?
Waren mijnheer en juffrouw Murdstone thuis dan gebruikte ik de maaltijden met hen; waren zij uit dan zat ik alleen op mijn kamertje. Zonder eenige beperking zwierf ik dagelijks om het huis en door den omtrek rond, al was het denkbeeld, dat ik hier of daar vriendschapsbanden zou aanknoopen, hun onaangenaam, vermoedelijk uit vrees, dat ik mij beklagen zou over de wijze, waarop zij mij behandelden. Hoewel dokter Chillip mij meermalen uitnoodigde om hem te bezoeken—hij was weduwnaar en had, eenige jaren te voren, zijn tenger, blond vrouwtje verloren, dat ik mij herinner in verbinding met een wit schildpadden katje—genoot ik om diezelfde reden slechts zelden het geluk, een avond in de kamer achter zijne apotheek te mogen zitten lezen in geheel nieuwe boeken, met al de luchtjes van de apotheek in mijn neus, of onder zijn toezicht het een of ander te mogen fijnstampen in den grooten mortier.
Om dezelfde reden—waarbij zonder twijfel ook de afkeer, dien zij van haar hadden, in de schaal mag worden gelegd—werd mij slechts zelden toegestaan aan Peggotty een bezoek te brengen. Getrouw aan hare belofte, bezocht zij mij of ontmoette ik haar ergens in de buurt elke week en nooit kwam zij met ledige handen; maar dikwijls en bitter werd ik teleurgesteld, wanneer ik verzocht haar een bezoek terug te mogen brengen in hare woning. Eenige malen echter, met lange tusschenpoozen, mocht ik gaan en dan deed ik telkens de ondervinding op, dat Barkis eigenlijk een gierigaard of, zooals Peggotty het uitdrukte, een weinig schriel was, en eene goede som gelds bewaarde in een kist onder zijn bed, terwijl hij beweerde, dat er oude kleeren in waren. Hij hield zijn schatten zoo hardnekkig verborgen, dat zelfs de kleinste sommen niet anders dan door list te verkrijgen waren en Peggotty des Zaterdags avonds een geheel plan—van de soort als het Buskruitverraad—moest beramen, om het noodige voor de wekelijksche inkoopen machtig te worden.
Al dien tijd voelde ik zeer goed, dat ik al het geleerde weder vergat en in alle opzichten verwaarloosd werd, zoodat ik mij ongetwijfeld diep ellendig zou gevoeld hebben, indien ik mijne oude boeken niet gehad had. Ze waren mijn eenige troost en ik was hun even trouw als zij mij en las en herlas ze, ik weet niet hoeveel malen.
Ik ben thans aan een tijdperk in mijn leven genaderd, dat ik nimmer zal vergeten, omdat al hetgeen daarin voorviel mij te levendig voor den geest staat; de herinnering daaraan rijst thans nog—ook buiten mijn wil—menigmaal voor mij op en heeft vaak mijne gelukkigste oogenblikken verbitterd.
Op zekeren dag was ik uit geweest; ik had rondgezworven, of liever uit lusteloosheid en verveling rondgeslenterd, zooals ik zoo dikwijls deed, toen ik bij het omslaan van een hoek in de nabijheid van ons huis mijnheer Murdstone in gezelschap van een vreemden heer zag aankomen. Waarom weet ik niet, maar ik voelde mij verlegen en wilde hen voorbij loopen, toen de vreemde heer riep:
„Is dat niet Brooks?”
„Neen, mijnheer,” zei ik, „ik heet David Copperfield.”
„Nu geloof ik dat gij mij beet wilt hebben,” antwoordde hij, „gij heet Brooks, Brooks van Sheffield.”
Ik keek den vreemdeling na deze woorden eens aandachtig aan. Zijne wijze van lachen kwam mij bekend voor—het was mijnheer Quinion, dien ik te Lowestoft ontmoet had, toen ik met mijnheer Murdstone daar geweest was—het is niet noodig mij dat bezoek te herinneren.
„En hoe gaat het u, en waar ligt gij op school, Brooks?” vroeg mijnheer Quinion.
Hij had zijne hand op mijn schouder gelegd en keerde mij om, opdat ik mede zou wandelen. Ik wist niet wat ik zou antwoorden en keek mijnheer Murdstone verlegen aan.
„Hij is tegenwoordig thuis,” zei deze. „Hij is niet op school. Ik weet eigenlijk niet wat ik met hem moet aanvangen. Hij is een lastig heertje.”
Ik zag gedurende eenige oogenblikken den zekeren loenschen blik weder op mij gevestigd; daarna fronste hij de wenkbrauwen en wendde zich met zichtbaren afkeer van mij af.
„Hm!” zei mijnheer Quinion, van hem naar mij kijkende. „Mooi weer vandaag.”
Er volgde een oogenblik stilte, waarin ik er over peinsde hoe ik mij op de beste wijze van zijne hand kon bevrijden en mijn eigen weg gaan, toen hij zeide:
„Gij zijt zeker wel een slim kereltje, Brooks!”
„Ja, hij is slim genoeg,” viel mijnheer Murdstone in. „Gij hadt beter gedaan hem te laten gaan; hij zal u niet dankbaar zijn dat gij hem ophoudt.”
Op dezen wenk liet mijnheer Quinion mijn schouder los en ik sloeg den weg naar huis in. Toen ik in den tuin was, keek ik om en zag mijnheer Murdstone met den rug tegen den kerkhofmuur staan in druk gesprek met mijnheer Quinion. Zij keken mij beiden na en ik voelde dat zij over mij spraken.
Mijnheer Quinion bleef dien nacht logeeren. Den volgenden morgen, na het ontbijt, had ik mijn stoel weggezet en wilde de kamer uitgaan, toen mijnheer Murdstone mij terugriep. Hij nam met een zekere plechtigheid aan eene andere tafel plaats, waaraan ook zijne zuster gezeten was. Mijnheer Quinion stond met de handen in de zakken uit het venster te kijken en ik zelf keek hen allen beurtelings aan.
„David,” zei mijnheer Murdstone, „jonge menschen zijn op de wereld om te werken, niet om te droomen en baloorig rond te loopen.....”
„Zooals gij,” voegde juffrouw Murdstone er bij.
„Jane Murdstone, laat deze zaak aan mij over, als 't u belieft! Ik zeg, David, jonge menschen zijn op de wereld om te werken, niet om te droomen en baloorig rond te loopen. Vooral is dit noodzakelijk voor een jongen zooals gij, die in bijna alles veel zal moeten veranderen en verbeteren; zulk een jongen als gij kan men geen grooter dienst bewijzen dan hem de wereld in te zenden om te werken, ten einde hem zijne koppigheid af te leeren.”
„Want koppigheid komt niet te pas,” voegde zijne zuster er bij. „Zulk een harde kop moet gebroken worden en zal ook gebroken worden.”
Hij wierp haar een half bestraffenden, half instemmenden blik toe en ging voort:
„Ik onderstel dat gij weet, David dat ik niet rijk ben. In elk geval weet gij het nu. Gij hebt reeds heel wat kunnen leeren, maar zulk een school kost veel geld en al was dit niet zoo en al kon ik het betalen, zou ik toch van oordeel zijn, dat het verblijf op zulk eene school voor u niet deugt. Gij zult u zelf door de wereld moeten slaan en hoe eerder gij daarmede aanvangt, hoe beter.”
Het kwam mij voor, dat ik op mijne wijze reeds daarmede begonnen was; hoe het zij, op dit oogenblik komt het mij voor.
„Gij hebt zeker wel eens hooren spreken over ‚het kantoor’,” vervolgde mijnheer Murdstone.
„Het kantoor, mijnheer?” herhaalde ik.
„Ja, het kantoor van Murdstone en Grinby, in wijnen,” antwoordde hij.
Ongetwijfeld zal ik erg verbaasd hebben staan kijken, want hij ging haastig voort:
„Gij hebt zeker wel eens hooren spreken over het kantoor, of de zaak, of de kelders, of iets dergelijks?”
„Ik meen wel eens over ‚de zaak’ te hebben hooren spreken, mijnheer,” antwoordde ik, want ik herinnerde mij vaag, iets vernomen te hebben van de inkomsten van hem en zijne zuster. „Ik weet echter niet wanneer.”
„Dat doet er ook niet toe,” antwoordde hij. „Mijnheer Quinion bestuurt tegenwoordig de zaken.”
Ik keek mijnheer Quinion, die nog steeds bij het venster stond, met een zekeren eerbied aan.
„Mijnheer Quinion vertelde mij, dat er meer jongens in de zaak werkzaam zijn en ik zie daarom niet in, waarom gij daar ook niet werkzaam zoudt zijn, onder dezelfde voorwaarden.”
„Omdat hij geen andere vooruitzichten heeft,” merkte mijnheer Quinion op langzamen toon op, terwijl hij zich even omwendde.
Zonder op deze woorden acht te slaan, ging mijnheer Murdstone ongeduldig, bijna toornig voort:
„Deze voorwaarden zijn, dat gij genoeg zult verdienen om voor uw eigen eten, drinken en zakgeld zorg te dragen. Uw inwoning wordt door mij betaald, dat is reeds geregeld. Uw wasch insgelijks....”
„Daarvoor zal ik de begrooting opmaken,” voegde juffrouw Murdstone er bij.
„Ook zal voor uwe kleeding gezorgd worden,” hernam mijnheer Murdstone, „zoo lang gij die zelf nog niet kunt bekostigen. Gij gaat dus nu naar Londen, David, met mijnheer Quinion en moet dus beginnen u zelf door de wereld te helpen.”
„Gij zijt dus bezorgd,” voegde zijne zuster er bij, „en moet nu uw plicht maar doen.”
Hoewel ik zeer goed begreep, dat het doel van deze geheele regeling was, mij kwijt te zijn, kan ik mij niet goed herinneren of het denkbeeld mij genoegen deed of schrik aanjoeg. Ik vermoed, dat ik op dat oogenblik zelf niet wist of ik er mij in verheugen moest of niet. Ik had trouwens geen tijd om er lang over te denken, want mijnheer Quinion zou den volgenden dag vertrekken.
En daar zat ik den volgenden morgen met een half versleten, witten hoed met een zwarten band—een rouwband om mijne moeder—een zwart buis en een broek van hard, stijf bombazijn, dat juffrouw Murdstone de beste beschutting voor de beenen vond in den strijd tegen de wereld, dien ik nu ging ondernemen; daar zat ik, aldus uitgedost, met alles, wat ik op de wereld bezat, in een klein koffertje—een arm, ongelukkig schepsel, zou juffrouw Gummidge gezegd hebben—in de postkar, die mijnheer Quinion te Yarmouth op de diligence naar Londen zou brengen. Zie, hoe ons huis en de kerk al kleiner en kleiner worden, hoe het graf onder den boom achter andere boomen en struiken verdwijnt, verdwijnt met alles wat mij aan mijne kinderjaren herinnert, hoe ledig alles wordt om mij heen..... ook in mijn hart!
XI
Ik treed de wereld in, maar de wereld bevalt mij niet.
Ik ken de wereld nu genoeg om mij over niets meer te verbazen, maar toch ben ik nu en dan nog verbaasd over de wijze, waarop men mij op zulk een jeugdigen leeftijd heeft kunnen afstooten. Ik had een uitmuntenden aanleg, een goed gezond verstand en eene groote gave van opmerken; ik was vlug van bevatting en had een teer gestel—daarom verbaast het mij dat niemand zich voor mij in de bres stelde. Maar het was nu eenmaal zoo en ik werd op tienjarigen leeftijd leerjongen bij de firma Murdstone en Grinby.
Het wijnpakhuis van de firma Murdstone en Grinby stond aan den waterkant, beneden de Blackfriar's brug. Die plek is later door allerlei verbouwingen geheel veranderd; maar het was het laatste huis van eene nauwe straat, die steil afliep naar den waterkant en in eene trap eindigde, waar de schuiten aanlegden. Het was een oud, bouwvallig huis met een werf, die bij vloed aan het water en bij eb aan de modder grensde en letterlijk wemelde van de ratten. De met hout beschoten kamers, zwart van het vuil en de rook van meer dan honderd jaren; de halfvergane zolderingen en de krakende trappen; het snuffelen en piepen van de grijze ratten in de kelders; de duffe, vunzige lucht—dat alles staat mij zoo levendig voor den geest als had ik het gisteren ondervonden. Ik zie dat alles voor mij, evenals in het rampzalig uur, toen ik met mijne hand in die van mijnheer Quinion voor de eerste maal daar binnenstapte.
Murdstone en Grinby leverden aan allerlei soort van menschen, doch de voornaamste tak van handel was de uitvoer naar het buitenland. Ik heb vergeten waar de volgeladen schepen heengingen, maar ik denk dat ze zoowel voor Oost- als voor West-Indië bestemd waren. Ik weet dat het gevolg van dien uitgebreiden handel eene groote hoeveelheid ledige flesschen was en dat sommige mannen en vrouwen en jongens gebruikt werden om ze tegen het licht te houden, degenen, die vuil, waren, te spoelen, en die gebarsten waren achteraf te zetten. En wanneer er geen ledige flesschen te spoelen waren, stonden er volle in overvloed, om van etiquetten te voorzien, te kurken, te lakken en in manden te pakken. Dit alles was mijn werk en onder de jongens, die daarvoor gebruikt werden, behoorde ook ik.
Mijne werkplaats was met drie of vier andere jongens in een hoekje van het pakhuis, waar mijnheer Quinion mij kon zien, wanneer hij op de laagste sport van zijn kantoorstoel ging staan en door het raampje boven de schrijftafel keek. Hier werd op den morgen, toen ik met zulke prachtige vooruitzichten de wereld intrad, de oudste jongen opgeroepen om mij mijne werkzaamheden aan te wijzen. Hij heette Mick Walker en droeg een gescheurden voorschoot en een papieren muts. Hij vertelde mij dat zijn vader schuitevoerder was en bij den intocht van den Lord-Mayor met een zwart fluweelen hoofdtooisel in den stoet liep. Ook vertelde hij mij, dat er nog een jongen tot onze „club” behoorde, dien hij mij voorstelde onder den naam van „de melige aardappel”. Ik kwam evenwel spoedig tot de ontdekking dat hij niet onder dien naam was gedoopt, maar dat men hem dien naam in het pakhuis gegeven had, omdat hij zoo bleek was als een aardappel, die melig is. De vader van den „melige” was een waterdrager, wien de groote eer was te beurt gevallen tot brandspuitgast te worden aangesteld; in welke functie hij in een der groote schouwburgen dienst deed, waar een zusje of een nichtje van den „melige” in een pantomime optrad als kaboutermannetje.
Woorden kunnen onmogelijk den geheimen zielsangst weergeven, waaronder deze kameraadschap mij deed gebukt gaan; ik voelde mij vernederd wanneer ik dit gezelschap vergeleek met de speelgenootjes mijner jeugd—om nog niet van Steerforth en Traddles te spreken—ik voelde ook, dat ik de hoop, om eenmaal een beschaafd en geletterd man te worden, nu wel kon opgeven. Ik zal het gevoel van die eerste dagen nimmer vergeten; ik schaamde mij over de positie, waarin ik geplaatst was; ik voelde mij diep ellendig bij de gedachte, dat ik alle hoop op de toekomst kon laten varen, dat ik al hetgeen ik geleerd had zou vergeten en ook werkelijk meer en meer vergat, dat alles waarin ik ambitie had gehad, alles wat mijn leergierigheid, mijn eerzucht geprikkeld had, nu voor altijd voorbij was en nimmer zou terugkeeren. O, ik kan dat gevoel niet beschrijven! Zoo dikwijls Mick Walker dien eersten morgen heenging, vermengden zich mijne tranen met het water, waarin ik de flesschen spoelde, en snikte ik, alsof mij het hart zou breken.
De kantoorklok sloeg half een en iedereen scheen zich gereed te maken om het middagmaal te gaan gebruiken, toen mijnheer Quinion aan het raam van het kantoor klopte en mij wenkte binnen te komen. Ik gaf aan zijn verlangen gehoor en vond daar een zwaarlijvig heer van middelbaren leeftijd, gekleed in een bruine overjas, zwarte broek en rijgschoenen, met niet meer haar op het hoofd—hij had een groot glimmend hoofd—dan op de schaal van een ei, en met een vollemaansgezicht, dat hij in de volle breedte naar mij toekeerde. Zijne kleederen waren afgedragen en vuil, maar zijn halsboord was hagelwit.
Hij had een stok in de hand van bijzonderen vorm en voorzien van een paar verkleurde kwastjes; en uit zijn jas hing een lorgnet—zooals ik naderhand bemerkte, diende dit alleen tot sieraad, want hij keek er zelden door en dan zag hij niets.
Toen ik binnentrad, wees mijnheer Quinion op mij, zeggende: „Daar hebt gij hem.”
„Is dit,” vroeg de vreemde heer op galmenden toon, doch met een welwillenden klank in zijne stem, waardoor ik mij aangetrokken gevoelde, „is dit de jongeheer Copperfield? Ik hoop dat gij welvarend zijt, jongeheer?”
Ik antwoordde, dat ik zeer welvarend was en hoopte dat hij dit ook van zich zelven kon zeggen. De Hemel weet hoe ellendig ik mij voelde op dat oogenblik; maar in dat tijdperk van mijn leven was het mijne gewoonte, niet te klagen; daarom zei ik maar dat ik welvarend was.
„Den goden zij dank,” antwoordde de vreemde heer, „ben ik zeer welvarend. Ik heb een brief ontvangen van mijnheer Murdstone, waarin hij mij verzocht, een vertrek in mijn huis, dat, om kort te gaan... een vertrek, dat op het oogenblik onbewoond is, te verhuren als slaapkamer”—hij deed eenigszins alsof hij er verlegen mede was—„als slaapkamer aan een jongeheer, die pas de wereld is ingetreden... om kort te gaan, dus... ik heb nu het genoegen gehad kennis met u te maken...” hij wuifde mij toe en verborg zijn onderkin in de hooge boorden...
„Mijnheer Micawber,” zei mijnheer Quinion.
„Juist, zoo is mijn naam,” antwoordde de dikke heer.
„Mijnheer Micawber is een kennis van mijnheer Murdstone. Mijnheer Micawber neemt orders voor de firma op, wanneer hij ze krijgen kan; hij heeft een brief ontvangen van mijnheer Murdstone over uw logies en wil u gaarne huisvesten.”
„Mijn adres,” zei mijnheer Micawber, „is Windsor Terrace, City Road. Daar... kortom, woon ik,” voegde hij er bij op denzelfden welwillenden en vertrouwelijken toon.
Ik maakte eene buiging voor mijnheer Micawber. „Overwegende,” zei hij, „dat uwe bekendheid met deze wereldstad nog niet groot kan zijn, en gij dus moeielijkheden zoudt kunnen ondervinden bij het zoeken in den doolhof van dit moderne Babylon... kortom”—weder diezelfde vertrouwelijkheid in toon en stem—„dat gij zoudt kunnen verdwalen, zal het een waar genoegen voor mij zijn, u heden avond te komen afhalen en met den naasten weg bekend te maken.”
Ik bedankte hem uit den grond van mijn hart voor zijne vriendelijkheid, om zich zulk een last op den hals te halen.
„Hoe laat?” vroeg mijnheer Micawber, „zal ik...”
„Tegen acht uur,” antwoordde mijnheer Quinion.
„Tegen acht uur,” herhaalde mijnheer Micawber. „Ik zal u dan nu niet langer ophouden, mijnheer Quinion.” Hij zette zijn hoed op en ging heen met den stok onder den arm, rechtop, en toen hij buiten was, begon hij een deuntje te fluiten.
Nu werd ik door mijnheer Quinion formeel in dienst genomen bij de firma Murdstone en Grinby, tegen een weekloon van zes shilling—meen ik. Ik weet niet zeker meer of het zes of zeven shilling was, en vermoed daarom, dat het eerst zes, daarna zeven shilling was. Hij betaalde mij eene week vooruit—uit zijn zak, geloof ik—en ik gaf „den melige” daarvan een halven shilling, om mijn koffer dien avond naar Windsor Terrace te brengen: zoo klein als het was, ging het mijn zwakke krachten te boven. Voor mijn middagmaal, bestaande uit een vleeschpasteitje en een slok water uit een naburige pomp, betaalde ik ook een halven shilling, en den tijd, die daarvoor was toegestaan, bracht ik op straat door.
Op het vastgestelde uur verscheen des avonds mijnheer Micawber. Ik waschte mijn gezicht en mijne handen, ten einde zulk een door en door fatsoenlijk man geen schande aan te doen, en daarna wandelden wij te zamen naar onze woning—ik onderstelde ten minste, dat ik zijne woning voortaan zoo moest noemen. Mijnheer Micawber vestigde mijne aandacht op de namen van de straten, die wij doorwandelden, en op de gevels van enkele hoekhuizen, opdat ik alleen den weg zou kunnen terugvinden.
Toen wij aan het huis in Windsor Terrace aankwamen—ik teeken hier aan, dat het er even armoedig uitzag als mijnheer Micawber zelf, maar toch ook evenveel vertooning maakte als hij—stelde mijnheer Micawber mij voor aan mevrouw Micawber, eene magere, bleeke dame, niet zoo heel jong meer. Zij zat met een kindje aan de borst, in eene kamer op de tweede verdieping—de eerste verdieping was geheel ongemeubeld en de luiken waren gesloten, ten einde den buren geen argwaan te geven. Het kleintje was een van een tweeling en ik mag niet nalaten hier te vermelden, dat ik, zoolang ik met de familie heb omgegaan, mevrouw Micawber bijna nooit zonder een van het tweetal heb gezien; een van de twee was altijd aan de borst.
Er waren nog twee kinderen; de jongeheer Micawber, ongeveer vier jaar oud, en jongejuffrouw Micawber, drie jaren oud. Verder een jonge maagd met een donker uiterlijk, die de gewoonte had een snuivend geluid met haar neus te maken. Zij was de dienstbode van de familie Micawber en voltooide het huisgezin. Eer een half uur verloopen was, had zij mij ingelicht, dat zij een weeskind was en uit het St. Lukaswerkhuis kwam. Mijne kamer was boven in het huis, aan de achterzijde; een benauwd, schamel gemeubeld vertrekje, met een behangsel, waarvan het patroon mij deed denken aan in elkander verwarde, blauwe paaschbroodjes.
„Ik had niet gedacht,” sprak mevrouw Micawber, toen zij met de tweelingen op den arm naar boven kwam om mij mijne kamer te wijzen, en op een stoel neerviel om adem te scheppen, „ik had, toen ik nog bij papa en mama woonde, nooit gedacht, ooit in de noodzakelijkheid te zullen komen, om kamers te verhuren. Maar aangezien mijnheer Micawber in ongelegenheid is geraakt, moeten alle persoonlijke gevoelens naar den achtergrond worden gedrongen.”
„Zeker, mevrouw,” zei ik.
„Mijnheer Micawber is op dit oogenblik zelfs overstelpt met ongelegenheden,” vervolgde mevrouw Micawber; „ik weet niet, hoe het mogelijk zijn zal hem er weder bovenop te brengen. Toen ik nog bij papa en mama woonde, wist ik nauwelijks wat het beteekende in den zin, waarin ik het nu gebruik, maar zooals papa placht te zeggen: ‚experienta is alles’.”
Ik kan het niet met mij zelven eens worden of mevrouw Micawber mij verteld heeft, dat haar man zeeofficier was geweest of dat ik het gedroomd heb. Ik weet alleen, dat ik nog op dit oogenblik van meening ben, dat hij bij de marine gediend had, hoewel ik niet kan verklaren, waarom ik dat meen. Hij was nu zoo iets als commissionair voor verschillende firma's, maar ik vrees, dat hij er zich weinig of in het geheel niet voor inspande en dus ook zoo goed als niets verdiende.
„Als mijnheer Micawber's schuldeischers geen geduld willen hebben,” vervolgde mevrouw Micawber, „dan moeten zij de gevolgen maar ondervinden en hoe eerder zij er dan een einde aan maken, hoe beter. Men kan echter geen veeren plukken van een kikvorsch, maar evenmin kan ik nog iets op crediet krijgen en dan spreek ik nog niet eens van de gerechtskosten.”
Ik heb nooit goed kunnen begrijpen of mevrouw Micawber, omdat ik zoo vroeg op mij zelven moest staan, mij voor ouder hield dan ik was, dan wel of zij zoo vervuld was met dit onderwerp, dat zij er zelfs over zou gesproken hebben met haar tweeling, als zij niemand anders tot deelgenoot had kunnen maken; dit onderwerp besprak zij echter altijd en, zoolang ik haar gekend heb, op dezelfde zonderlinge wijze.
Arme mevrouw Micawber! Zij zeide, dat zij getracht had haar best te doen en ik geloof zeker, dat zij het ook gedaan had. Het middenpaneel van de huisdeur werd geheel ingenomen door een koperen plaat, waarop gegraveerd was: „Mevrouw Micawber, Instituut voor jongejuffrouwen,” ik heb er echter nooit een jong meisje zien komen noch gehoord dat er een komen zou, noch eenige voorbereiding gezien voor de ontvangst van eene jongejuffrouw. De eenige bezoekers, die ik er ooit gezien of gehoord heb, waren schuldeischers, die op alle uren kwamen en somtijds zeer brutaal waren. Eén van hen, een man met een gemeen gezicht, een schoenmaker, als ik mij niet bedrieg, drong gewoonlijk 's morgens om zeven uur reeds de gang binnen en riep dan naar boven: „Kom, mijnheer Micawber! Nu zijt gij toch nog niet uit, hé! Betaal mij nu! Verberg je maar niet, dat is gemeen! Ik zou niet zoo gemeen willen zijn als ik u was! Betaal mij nu; komaan, hoort gij mij niet?” Wanneer hij dan op deze aanmaningen geen antwoord ontving, ging hij in zijne woede over tot de namen: „afzetters” en „oplichters” en wanneer ook daarmede het gewenschte doel niet werd bereikt, nam hij aan de overzijde van de straat plaats en bleef hij naar de vensters van de tweede verdieping kijken, waar hij wist dat mijnheer en mevrouw Micawber zich ophielden. Bij zulke gelegenheden was mijnheer Micawber buiten zich zelven van spijt en hartzeer, zoo zelfs, dat hij eens—mevrouw Micawber maakte er mij door een hartverscheurenden gil opmerkzaam op—zeer verdachte bewegingen met een scheermes stond te maken; een half uur later zou hij echter met buitengewone zorg zijne schoenen poetsen en, een deuntje fluitende, uitgaan met een zwier, alsof hij een prins van den bloede was. Mevrouw Micawber was even luchthartig als haar gemaal. Ik heb het bijgewoond dat zij om drie uur bij de komst van den deurwaarder eene flauwte kreeg en om vier uur aan lamscoteletten met warm bier zat te smullen, waarvoor twee theelepeltjes naar de bank van leening waren gebracht. Op zekeren dag, toen er juist beslag op den boedel was gelegd, kwam ik toevallig reeds om zes uur thuis en vond haar—natuurlijk met een van de tweelingen—in eene flauwte voor den haard liggen met de haren los en over haar gezicht; ik zag haar echter nooit vroolijker dan denzelfden avond, toen zij onder het genot van een kalfscotelet voor het keukenvuur mij van haar papa en mama zat te vertellen en van den heerlijken tijd, dien zij als jong meisje gehad had.
In dit huis en met deze familie bracht ik mijn ledigen tijd door. Des morgens kocht ik zelf voor een stuiver brood en een stuiver melk en ontbeet alleen; een tweede broodje met een stukje kaas bewaarde ik op een plank in eene kast, die mijne bijzondere eigendommen bevatte. Dit was bestemd voor mijn souper als ik des avonds thuiskwam. Hiermede was reeds een groot gedeelte van mijne zes of zeven shillingen verbruikt, dat weet ik wel; toch moest ik ook het overige gedeelte van den dag van dat geld leven. Maar wat moest ik doen? Van Maandagochtend tot Zaterdagavond had ik niemand, die mij raad gaf, troostte, aanmoedigde, hielp of bijstond—zoo waar als ik in den Hemel hoop te komen!
Ik was nog zoo jong en kinderlijk, zoo weinig geschikt om op eigen beenen te staan—hoe kan het ook anders!—dat ik meermalen des morgens, wanneer ik naar het pakhuis ging, de verzoeking niet kon weerstaan om eenige sneden pastei van den vorigen dag te koopen, die de bakkers voor half geld aanboden en zoo doende het geld uitgaf, dat ik voor mijn middageten had moeten besteden. Ik bleef dan des middags maar zonder eten of kocht een broodje of een schijf podding. Ik herinner mij twee poddingwinkels, die ik, naar gelang van den stand mijner beurs, met de klandizie begunstigde. De eene was op een pleintje bij de Sint-Martinikerk, die nu reeds langen tijd afgebroken is. De podding uit dezen winkel was met krenten en bijzonder lekker, maar duur; voor twee stuivers kreeg men daar geen grooter schijf dan in den anderen winkel voor één stuiver. Die andere winkel was in het Strand—ongeveer in het gedeelte, dat thans herbouwd is. Dit was eene voedzame, kleffige podding met rozijnen, die erg ver van elkander zaten; op mijn etensuur was deze podding gewoonlijk warm en menigen dag heb ik er mijn middagmaal mede gedaan. Wanneer ik het op mijne manier er eens van wilde en ook kon nemen, kocht ik een worstje en een stuivers broodje, of een portie gekookt ossenvleesch voor vier stuivers bij een kok; of een broodje met kaas en een glas bier tegenover het pakhuis, in een onooglijke herberg, „de Leeuw” genoemd, of de Leeuw met nog iets—dat ben ik vergeten. Ik herinner mij één middag, toen ik mijn broodje mede had gebracht van huis en daarmede in een papier gewikkeld onder den arm een beroemd nieuwerwetsch restaurant in de buurt van Drury Lane binnenliep en een kleine portie biefstuk bestelde. Wat de kellner wel van zulk eene kleine verschijning dacht, die daar alleen binnenstapte, kan ik niet zeggen; maar ik zie hem nog naar mij kijken, terwijl ik zat te eten; ik hoor hem nog de andere kellners roepen om ook te komen kijken. Ik gaf hem een halven stuiver fooi en hoopte dat hij dien niet zou aannemen.
Als ik het mij goed herinner, hadden wij op het theeuur een half uur vrijaf. Had ik geld genoeg, dan nam ik niets dan een kop te voren gezette koffie en een snede brood met boter. Kon ik niets besteden, dan stond ik gewoonlijk voor een poelierswinkel in Fleet-street te kijken; of ik wandelde naar Covent Garden om de ananassen te bewonderen. Ik was verzot op de Adelphi, omdat mij die donkere bogen zoo geheimzinnig toeschenen. Ik zie mij nog op zekeren avond onder een van die bogen uitkomen en naar een kleine herberg gaan met een pleintje er voor, waar eenige kolendragers een dansje deden. Ik ging op een bank zitten, om naar hen te kijken en ben nieuwsgierig te weten, wat zij wel van mij dachten!
Ik was nog zoo geheel en al een kind, nog zoo klein, dat men menigmaal, wanneer ik eene herberg inliep en een glas ale of porter bestelde om mijn sober middagmaal door te spoelen, bang was het gevraagde te geven. Ik herinner mij dat ik eens, op een warmen avond, een herberg binnentrad en den waard vroeg: „Wat is uw lekkerste—uw allerlekkerste bier?” Het moet wel eene bijzondere gelegenheid geweest zijn—mijn verjaardag misschien—ik kan mij dat echter niet meer herinneren.
„Genuine Stunning ale,” antwoordde de waard, „het kost twee en een halven stuiver per glas.”
„Geef mij dan,” zei ik, het geld op de toonbank uittellende, „een glas Genuine Stunning, als 't u blieft, met een flinken kop schuim.”
De waard bekeek mij over de toonbank heen van het hoofd tot de voeten, met eene vreemde uitdrukking op het gezicht; in plaats van mij in te schenken, stak hij het hoofd om het beschot en zei iets tegen zijne vrouw, die daar zat. Zij kwam achter de toonbank en bekeek mij ook, met haar naaiwerk in de hand. Ik zie ons daar nog staan met ons drieën: de waard in zijne hemdsmouwen, tegen het venster leunende, de vrouw en ik elkander aankijkende. Ik voelde mij erg verlegen en zij deden mij allerlei vragen, als: hoe ik heette, hoe oud ik was, waar ik woonde, hoe ik daar gekomen was; vragen, die ik, ten einde niemand te kwetsen, niet allen naar waarheid beantwoordde. Ik vrees ten minste dat ik het niet deed. Zij schonken mij een glas ale in—het was geen Genuine Stunning—en de vrouw kwam achter de toonbank vandaan, gaf mij mijn geld terug en een kus, half uit bewondering, half uit medelijden, maar zeker welgemeend.
Ik weet dat ik noch met opzet, noch onwillekeurig de schraalheid van mijne verdiensten of de moeielijkheid van mijn leven overdrijf. Ik weet dat ik elken shilling, dien mijnheer Quinion mij gaf, aan mijn eten of mijn thee besteedde, ik weet dat ik van 's morgens vroeg tot laat in den avond werkte met mannen en jongens uit den laagsten stand. Ik weet dat ik onvoldoende gevoed langs de straten slenterde. Ik weet ook, dat, had de Hemelsche Vader Zijne beschermende hand niet over mij uitgestrekt, ik een dief of een vagebond zou zijn geworden—zoo weinig werd er op mij gelet.
Toch stond ik in het pakhuis in zeker aanzien. Behalve dat mijnheer Quinion deed wat zulk een onverschillig mensch, die het zoo druk had, doen kon om mij op eenigszins andere wijze te behandelen dan de overigen, gaf ik nooit, door woord of daad, aan iemand van hen te kennen hoe ik daar gekomen was, noch liet ik ooit blijken, dat het mij speet, daar te moeten zijn. Dat ik heimelijk leed, ontzettend leed, heeft niemand ooit geweten dan ik zelf. Zooals ik reeds zeide, wat ik leed, is met geen pen te beschrijven. Ik ging stil mijn gang en deed mijn werk. Ik begreep van het eerste oogenblik af, dat, als ik mijn werk niet even goed deed als de anderen, ik mij aller minachting op den hals zou halen. Hoewel ik dus kameraadschappelijk met hen omging, was en bleef er toch iets in mijne manieren, dat mij van hen onderscheidde. Gewoonlijk noemden zij mij „de kleine jongeheer”, of „de jonge Suffolker.” Een zekere man, Gregory genaamd, de meesterknecht in de zaak Murdstone en Grinby, en de voerman, een zekere Tipp, die een rood buis droeg, noemden mij gewoonlijk „David”, maar ik meen mij te herinneren dat zij het alleen deden, wanneer wij eens vertrouwelijk bij elkander zaten, en ik poogde hun het een en ander te vertellen uit de oude boeken, die ik langzamerhand begon te vergeten. De „melige” voelde zich op zekeren dag beleedigd, omdat men mij, zooals hij beweerde, met te veel onderscheiding behandelde: doch Mick Walker bracht hem terstond tot bedaren.
Verlossing uit dezen toestand scheen mij hopeloos toe, en ik gaf dit denkbeeld dan ook op. Ik ben heilig overtuigd, dat ik er mij geen uur mee heb kunnen verzoenen, of mij anders dan diep ongelukkig heb gevoeld; maar ik droeg mijn ongeluk zonder morren, en zelfs in mijne brieven aan Peggotty—en ik heb er heel wat geschreven gedurende dien tijd—verzweeg ik, gedeeltelijk uit liefde voor haar en uit schaamte, den waren toestand.
De benarde omstandigheden van mijnheer Micawber konden mijne naargeestigheid slechts vergrooten. Eenzaam en verlaten als ik was, begon ik mij hoe langer hoe meer aan de familie te hechten, en was ik op mijne wandelingen voortdurend bezig met mevrouw Micawber's geldzorgen, alsof ik zelf bezwaard was met mijnheer Micawber's schuldenlast. Zaterdag's avonds—voor mij een feestavond, zoowel omdat ik mij dan met de zes of zeven shillingen in den zak erg voornaam voelde, en voor tal van winkels bleef staan, om te overleggen wat ik voor die som wel zou kunnen koopen, en ook omdat ik dan vroeger naar huis ging—deed mevrouw Micawber mij gewoonlijk de hartverscheurendste verhalen, evenals des Zondag's morgens, wanneer ik de koffie van den vorigen avond opwarmde en langer zat te ontbijten dan gewoonlijk. Het was volstrekt niet ongewoon, dat mijnheer Micawber aan het begin van deze Zaterdagavond-gesprekken als een wanhopende zat te snikken en eindigde met een vroolijk deuntje te zingen. Ik heb het bijgewoond, dat hij tranen stortende thuis kwam met de verklaring, dat er nu niets meer voor hem overbleef dan de gevangenis, en dat hij naar bed ging, eene berekening makende van de onkosten van balcons voor de ramen—„als er zich eens iets opdeed”, hetgeen zijne meest geliefkoosde uitdrukking was. En mevrouw Micawber was precies hetzelfde.
Een zonderlinge vriendschapsband, vermoedelijk ontstaande uit onze eenigszins gelijksoortige omstandigheden, vormde zich tusschen deze menschen en mij, niettegenstaande het aanmerkelijk verschil in jaren. Ik liet mij echter nooit overhalen eene uitnoodiging aan te nemen om met hen te eten of te drinken, als ik niet zeker wist dat zij hetgeen zij mij aanboden, konden missen,—ik was te goed bekend met hun slechte verstandhouding met bakker en slager, zoodat zij menigmaal niet genoeg hadden voor zichzelve en de kinderen—totdat mevrouw Micawber mij eens in vertrouwen nam. Dit had plaats op zekeren avond op de volgende wijze:
„Jongeheer Copperfield”, sprak zij, „ik beschouw u niet als een vreemde en maak er u dus ook geen geheim van, dat mijnheer Micawber's ongelegenheden tot een crisis zijn geklommen.”
Het was zeer pijnlijk voor mij dit te moeten hooren en ik richtte met het innigste medelijden den blik op mevrouw Micawber's roode oogen.
„Met uitzondering van een hompje Hollandsche kaas—voor jonge kinderen minder geschikt voedsel—is er letterlijk geen stukje van wat ook in de provisiekamer over. Ik was zoo gewoon om over de provisiekamer te spreken, toen ik nog bij papa en mama thuis was, zoodat ik dit woord nu gebruik zonder daarbij te denken. Wat ik bedoel is, dat er niets meer te eten is in het geheele huis.”
„Goede Hemel!” riep ik hevig ontsteld uit.
Ik had nog twee of drie shillingen in mijn zak—waaruit ik opmaak dat dit gesprek op Woensdagavond plaats had—en haalde ze terstond voor den dag, om ze diep ontroerd mevrouw Micawber aan te bieden. Zij gaf mij een kus en verzocht mij, dat geld weer in den zak te steken, want zij kon er niet aan denken het aan te nemen.
„Neen, lieve jongeheer Copperfield”, sprak zij; „ik kan er zelfs niet aan denken! Gij zijt echter, wat uw verstand betreft uw leeftijd ver vooruit en kunt mij, indien gij wilt, een dienst bewijzen, een dienst, dien ik dankbaar van u zal aannemen.”
Ik verzocht mevrouw Micawber te zeggen wat zij bedoelde.
„Ik heb vroeger het zilver zelve weggebracht”, vertelde zij. „Zes theelepeltjes, twee zoutlepeltjes en een suikertang heb ik op verschillende tijdstippen beleend. Ik deed dit natuurlijk heimelijk. De tweelingen binden mij echter thans de handen en bovendien stuit het mij, die bij papa en mama zoo heel anders ben opgevoed, zeer tegen de borst. Ik heb nog eenige kleinigheden, die wij wel kunnen missen, maar mijnheer Micawber zou zich nimmer laten overhalen om ze weg te brengen—daartoe is hij veel te trotsch; en Clickett”—zoo heette het weesmeisje—„staat te laag voor dergelijke vertrouwelijke mededeelingen; zij zou er misbruik van maken en zich allerlei vrijheden gaan veroorloven. Indien gij daarom, jongeheer Copperfield....”
Nu begon ik mevrouw Micawber te begrijpen en verzocht ik haar over mij te beschikken wanneer zij maar wilde. Dienzelfden avond bracht ik reeds eenige kleinigheden naar de bank van leening en bijna elken morgen voor ik naar het pakhuis ging, volgde een of ander meubelstuk of sieraad denzelfden weg. Het eerst waren eenige boeken van mijnheer Micawber aan de beurt, die op een kleine chiffonière stonden, waaraan hij den weidschen titel gaf van bibliotheek. Ik bracht ze, het eene na het andere, naar een boekenstalletje in City Road—waarvan één gedeelte, dicht bij onze woning, hoofdzakelijk uit boekenstalletjes en vogelkraampjes bestond—en verkocht ze voor hetgeen men er voor wilde geven. De eigenaar van dit stalletje was elken avond dronken en werd elken morgen door zijne vrouw uitgescholden voor al wat leelijk was. Wanneer ik des morgens bijzonder vroeg kwam, werd ik meermalen aan zijn bed ontvangen en zag ik, dat hij bij zijne nachtelijke buitensporigheden een gat in het hoofd of een blauw oog had opgeloopen—ik vrees dat hij een zoogenaamden kwaden dronk had.—Met bevende hand zocht hij dan in al zijne zakken naar het benoodigde geld; zijne kleederen lagen gewoonlijk over den grond verspreid, terwijl zijne vrouw met een zuigeling op den arm en afgetrapte schoenen zonder ophouden met schelden voortging. Soms had hij zijn geld verloren en verzocht mij terug te komen; maar zijne vrouw had het altijd gevonden—ik vermoed dat zij het weggenomen had, terwijl hij dronken was—en sloot dan heimelijk den koop op de trap.
Ook aan de bank van leening begon men mij langzamerhand te kennen. Een der heeren—ik meen de boekhouder—was bijzonder vriendelijk en liet mij nu en dan, terwijl hij de zaken afdeed, een Latijnsch werkwoord vervoegen of een naamwoord verbuigen.
Na al dergelijke gelegenheden legde mijnheer Micawber een klein feestje aan, gewoonlijk een souper; er was een eigenaardige smaak aan de gerechten, die dan werden opgedischt, een smaak, dien ik nimmer vergeten zal.
Eindelijk bereikten mijnheer Micawber's ongelegenheden werkelijk een crisis en werd hij op zekeren morgen, heel in de vroegte gearresteerd en overgebracht naar King's Bench-gevangenis. Toen hij het huis uitging, zei hij dat zijn zon nu voor goed was ondergegaan en ik meende dat zijn hart gebroken was evenals het mijne. Later vernam ik dat hij dienzelfden avond lustig aan het kegelen was geweest.
Den eersten Zondag nadat hij gearresteerd was, bracht ik hem een bezoek en gebruikte het middagmaal bij hem. Ik moest eerst den weg vragen naar een zeker pleintje en dicht daarbij zou ik nog een pleintje zien, en bij dat pleintje nog een, dat ik moest oversteken en dan rechtuit loopen tot ik een cipier zag. Ik deed dit en toen ik eindelijk een cipier vond en mij herinnerde, dat er, toen Roderick Random in de grijzeling zat, een man was, die geen ander kleedingstuk droeg dan eene oude deken, kwam er plotseling een nevel op tusschen den cipier en mij en begon mijn hart hevig te kloppen. Ik was ook nog zoo'n klein bang kereltje!
Mijnheer Micawber wachtte mij op in de poort en wij gingen de trap op naar zijne kamer—bovenste verdieping op één na—en ik herinner mij dat ik schreide. Hij bezwoer mij plechtig een waarschuwend voorbeeld te nemen aan het lot, dat hem getroffen had, en te bedenken, dat als men een jaarlijksch inkomen heeft van twintig pond en men negentien pond en negentien en één halven shilling verteert, men gelukkig is; maar dat men, twintig pond en één shilling verterende, even ellendig en rampzalig wordt als hij. Nadat hij deze wijze les ten beste had gegeven, leende hij een shilling van mij voor een flesch porter, gaf mij eene schuldbekentenis mede op mevrouw Micawber, stak den zakdoek, waarmede hij langs de oogen gewreven had, in den zak, en werd zoo vroolijk als ooit.
Wij zaten voor een klein vuur, dat in een roestigen haard was aangelegd tusschen twee steenen, ten einde niet te veel kolen te verbranden, toen er een tweede gevangene binnenkwam, die ook wegens schulden achter de tralies was gezet en de kamer met mijnheer Micawber deelde. Hij had een schaperibbetje gereed gemaakt, waarmede wij te zamen onzen maaltijd zouden doen. Mijnheer Micawber zond mij eerst naar boven, naar een zekeren kapitein Hopkins, met het beleefd verzoek, of de kapitein aan mij, mijnheer Micawber's jongen vriend, een mes en een vork wilde leenen. Kapitein Hopkins leende mij het gevraagde en gaf mij de groeten mede aan mijnheer Micawber. In kapitein Hopkins' kamer zag ik eene dame, die er allerslordigst uitzag, benevens twee fletse jonge meisjes, zijne dochters, met leelijke, hooge kapsels. Ik kwam tot de overtuiging, dat het beter was kapitein Hopkins' mes en vork te leenen, dan zijn kam. Hij zelf zag er ontzettend verwaarloosd uit, had zware bakkebaarden en droeg een oude bruine overjas, zonder meer. Zijn bed lag opgerold in een hoek van het benauwde kamertje; al wat hij bezat aan borden, schotels en kommen, stond op een plank, en ik vermoedde—de Hemel weet hoe het in mijn brein opkwam—dat, al mochten de twee meisjes met de hooge kapsels ook al kapitein Hopkins' dochters zijn, de slordige dame, die er bij zat, niet kapitein Hopkins' vrouw was. Ik bleef niet langer dan een paar minuten bedeesd op den drempel staan, maar toch maakte ik al deze opmerkingen en was er, toen ik beneden kwam, even zeker van, als ik het mes en de vork in de hand had.
In weerwil van dit alles hadden wij toch een aangenaam middagmaal. Na afloop bracht ik kapitein Hopkins het mes en de vork terug en ging toen naar huis, om mevrouw Micawber te troosten met een verslag van mijn bezoek. Toen zij mij zag aankomen viel zij flauw, maar later maakte zij een keteltje warmen wijn gereed om onzen moed wat op te wekken, terwijl wij over mijn bezoek praatten.
Ik weet niet of het huisraad ten voordeele van de familie verkocht werd, noch wie het verkocht; alleen weet ik dat ik het niet deed, en dat het verkocht en met een kar weggevoerd werd, met uitzondering van de bedden, een paar stoelen en een keukentafel. Met deze bezittingen kampeerden wij, als het ware, in twee kamers van het ledige huis op Windsor Terrace—mevrouw Micawber, de kinderen, het weesmeisje en ik. Nacht en dag brachten wij er in door. Ik kan niet zeggen hoe lang dit duurde, maar in mijne herinnering komt het mij vrij langdurig voor. Eindelijk besloot mevrouw Micawber naar de gevangenis te verhuizen, waar mijnheer Micawber de vrije beschikking over een kamer had gekregen. Ik bracht den huissleutel aan den eigenaar, die blijde was toen hij dien weder in zijn bezit had; de bedden werden naar King's Bench gezonden, uitgezonderd het mijne. Voor mij werd een kamertje gehuurd buiten de muren, maar in de onmiddellijke nabijheid van de gevangenis; dit was zeer naar mijn zin, want ik had reeds te veel ellende met de Micawbers gedeeld om vrijwillig van hen te scheiden. Het weesmeisje werd in dezelfde buurt goedkoop onder dak gebracht. Mijn kamertje was eigenlijk een achterzoldertje met een schuin dak en een vroolijk uitzicht op eene timmerwerf, en toen ik het in bezit nam en bedacht, dat mijnheer Micawber's ongelegenheden nu eindelijk een crisis hadden bereikt, scheen het mij een klein paradijs toe.
Gedurende al dien tijd bleef ik werkzaam in het pakhuis van de firma Murdstone en Grinby aan dezelfde weinig opwekkende bezigheden, met dezelfde laag staande kameraden en met hetzelfde gevoel van onverdiende vernedering als de eerste dagen. Gelukkig voor mij, zooals ik later inzag, knoopte ik geen enkele kennismaking, geen enkel gesprek aan met de vele jongens, die ik dagelijks op mijne wandelingen door de straten ontmoette, als ik naar het pakhuis of naar mijne kamer ging. Ik leed onder dat eenzame, afgezonderde leven, maar ik leed zonder mij bij anderen te beklagen. De eenige veranderingen, die met mij plaats vonden, voor zoover ik weet, waren: dat ik er hoe langer hoe meer verwaarloosd begon uit te zien en ontheven was van mijne bekommering over de zorgen van mijnheer en mevrouw Micawber; want eenige bloedverwanten en vrienden hadden hulp verschaft voor het oogenblik, zoodat zij in de gevangenis een veel beter leven hadden dan zij in den laatsten tijd gekend hadden. Ik ontbeet nu met hen, waarvoor ik eenige vergoeding gaf...... hoeveel is mij ontschoten. Ook weet ik niet meer hoe laat de poort van de gevangenis geopend werd, wel echter dat ik dikwijls al om zes uur op was en ik dan het liefst bleef wachten op de oude London Bridge, waar ik op een van de steenen banken ging zitten kijken naar de voorbijgangers of naar de zon op het water en naar het groote monument, welks top zich scheen te baden in goud. Het weesmeisje kwam nu en dan bij mij zitten en vertelde mij dan allerlei verbazingwekkende dingen van de werven en den Tower, waarvan ik niets kan navertellen dan dat ik hoop, dat ik ze zelf geloofde. Des avonds ging ik gewoonlijk nogmaals naar de gevangenis en wandelde dan met mijnheer Micawber de binnenplaats op en neer of luisterde naar de verhalen van mevrouw Micawber over haar papa en mama. Of mijnheer Murdstone wist waar ik den tijd doorbracht, durf ik niet zeggen. Ik bewaarde er bij Murdstone en Grinby het stilzwijgen over.
Hoewel de crisis nu voorbij was, schenen mijnheer Micawber's zaken hoogst ingewikkeld te zijn door eene zekere „akte”, waarvan ik veel hoorde vertellen en die, zooals ik later begreep, eene vroeger gemaakte overeenkomst met zijne schuldeischers inhield; in die dagen begreep ik er niets van en ik vermoed nu, dat ik dat document verwarde met de duivelsche briefjes, die men drie eeuwen geleden zoo veelvuldig in Duitschland krijgen kon.
Eindelijk scheen dit papier echter op de eene of andere wijze uit den weg geruimd te zijn, tenminste het was niet meer zulk een struikelblok als vroeger en mevrouw Micawber vertelde mij, dat „hare familie” had aangeraden ontslag uit de gevangenis te verzoeken op grond van de wet op de Insolvente schuldenaren, zoodat zij binnen zes weken hunne vrijheid zouden terugkrijgen.
„En dan,” zei mijnheer Micawber, die daarbij tegenwoordig was, „dan twijfel ik er niet aan of, zoo de Heer wil, zal ik wel vooruit komen in de wereld en een geheel ander leven beginnen, indien zich.... kortom, indien zich maar iets voordoet.”
Als een staaltje van de wijze, waarop mijnheer Micawber trachtte vooruit te komen in de wereld, zij hier vermeld, dat hij in deze dagen eene petitie opstelde aan het Lager Huis, om eene wijziging te brengen in de wet op de gijzeling. Ik schrijf deze herinnering neer, als een voorbeeld voor mij zelven van de wijze, waarop ik alles wat ik beleefde en wat ik op straat zag, en al de menschen, die ik ontmoette, op voorvallen en helden terugbracht uit de boeken, die ik vroeger gelezen had; en hoe sommige hoofdtrekken van het karakter, dat ik, mijn leven beschrijvende, onmerkbaar zal bloot leggen, in dezen tijd langzamerhand gevormd werden.
Er bestond in de gevangenis een club, waarin mijnheer Micawber, de eenige, die nog aanspraak maakte op den naam van gentleman, de hoofdpersoon was. Hij had het denkbeeld om deze petitie op te stellen in de club geopperd en allen hadden het luide toegejuicht; waarop de goedhartige man, die zoo ijverig was in alle zaken—behalve in zijn eigene—als iemand maar zijn kon, die nooit gelukkiger was dan wanneer hij iets kon ondernemen, waarvan hij zelf niet het minste voordeel trok, aan het werk toog, de petitie opstelde, op een kolossaal vel papier overschreef, op eene tafel uitspreidde en een tijdstip aangaf, waarop alle leden van de club en allen binnen de muren der gevangenis, die zulks verkozen, hunne handteekening er onder konden plaatsen.
Toen ik vernam welke plechtigheid naderde, was ik zoo verlangend om hen allen te zien binnenkomen, een voor een, al kende ik hen voor het meerendeel en al kenden zij mij, dat ik mijnheer Quinion verzocht een uur vroeger te mogen heengaan, en in een hoekje van de kamer plaats nam. Zooveel van de voornaamste leden van de club als er in de kleine kamer konden staan, zonder die al te vol te maken, schaarden zich tegenover mijnheer Micawber voor het groote papier, terwijl kapitein Hopkins—mijn oude vriend had zich gewasschen ter eere van de plechtigheid—naar voren trad en de petitie voorlas aan allen, die den inhoud nog niet kenden. Daarna werd de deur geopend en kwam de geheele bevolking van de gevangenis één voor een binnen; terwijl de een zijne handteekening plaatste, wachtten de anderen buiten. Aan ieder afzonderlijk werd door kapitein Hopkins gevraagd: „Hebt gij het gelezen?”—„Neen.” „Wilt gij dat ik het u voorlees?”—Bij de geringste toestemmende beweging las kapitein Hopkins woord voor woord voor, met zijne zware, doch welluidende stem, en zonder twijfel zou hij het twintig duizend maal hebben voorgelezen, indien er maar twintig duizend onderteekenaars waren geweest. Ik herinner mij nog hoe hij sommige uitdrukkingen en volzinnen als het ware over zijn tong liet rollen: „De vertegenwoordigers van het volk in het Parlement vergaderd.”—„De ondergeteekenden naderen daarom eerbiedig uw edelachtbaar Huis”—„Hare Majesteit's ongelukkige onderdanen,” enz. Het scheen mij toe alsof hij deze woorden werkelijk in zijn mond voelde, of ze hem lekker smaakten. Mijnheer Micawber stond intusschen te luisteren met de ijdelheid van den ontwerper en schrijver en—volstrekt niet met een strengen blik—naar de scheurbroeken te kijken op den muur aan de overzijde.
Wanneer ik dagelijks den afstand aflegde tusschen Southwark en Blackfriars en in de schofttijden door de sombere zijstraten wandelde, waarvan het plaveisel misschien wel door mijne kindervoeten is uitgesleten, vroeg ik mij zelven af hoeveel menschen er nog ontbraken in den drom, die mij telkens weder voor oogen stond, terwijl kapitein Hopkins' stem mij in de ooren klonk. En wanneer mijne gedachten thans teruggaan naar dien ellendigsten tijd van mijne jeugd, vraag ik mij zelven af hoeveel van de romans, die ik van zulke menschen verdichtte, de werkelijkheid nabij kwamen! En wanneer ik dienzelfden grond weder betreed, stel ik mij een onschuldig, romantisch knaapje voor, dat zijne denkbeeldige wereld samenstelt uit allerlei vreemdsoortige ervaringen van de laagste soort, en ik beklaag dat knaapje met mijn gansche hart.
XII
De wereld, die ik ben ingetreden, blijft mij slecht bevallen. Ik neem een gewichtig besluit.
Mijnheer Micawber's verzoekschrift werd ingediend en hij zelf tot mijne groote blijdschap ontslagen. Zijne schuldeischers waren niet onverbiddelijk en mevrouw Micawber deelde mij mede, dat dezelfde schijnbaar wraakzuchtige schoenmaker voor het Hof verklaard had geen wrok te koesteren, maar indien men hem geld schuldig was, ook gaarne betaling ontving. Nu, dat was niet meer dan natuurlijk.
Mijnheer Micawber keerde, toen de zaak beslist was, naar King's Bench terug, omdat er nog eenige kosten te betalen en formaliteiten te vervullen waren, eer hij feitelijk ontslagen kon worden. De club ontving hem met veel geestdrift en hield dien avond eene gezellige bijeenkomst te zijner eer; terwijl mevrouw Micawber en ik ons, omringd door de slapende kinderen, aan een lamsgebraad te goed deden.
„Bij deze gelegenheid zal ik u nog eens inschenken, jonge Copperfield,” sprak mevrouw Micawber—wij hadden al eenige glazen warm bier gedronken—„ten einde op de nagedachtenis te drinken van papa en mama.”
„Zijn zij dood, mevrouw?” vroeg ik, na het wijnglas geledigd te hebben.
„Mijne mama heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld,” antwoordde mevrouw Micawber, „alvorens mijnheer Micawber's ongelegenheden een aanvang namen, tenminste, alvorens zij van alle kanten kwamen opdringen. Mijn papa bleef herhaalde malen borg voor mijnheer Micawber en stierf toen, door een talrijken vriendenkring betreurd.”
Mevrouw Micawber schudde het hoofd en liet op de zuigeling, die op het oogenblik aan de beurt was om bij zijne moeder te zijn, een traan vallen, die getuigenis moest afleggen van hare kinderlijke liefde.
Aangezien ik niet kon verwachten eene betere gelegenheid te vinden om eene zaak te behandelen, die voor mij van het grootste belang was, vroeg ik:
„Mag ik ook weten, wat gij en mijnheer Micawber voornemens zijt te doen, nu mijnheer Micawber's ongelegenheden uit den weg geruimd zijn en hij zijne vrijheid terug zal krijgen? Hebt gij dat al bepaald?”
„Mijne familie,” antwoordde mevrouw Micawber, die deze woorden altijd op plechtigen toon uitsprak, zonder dat ik ooit heb kunnen gewaar worden, wie zij daarmede bedoelde, „mijne familie is van oordeel, dat mijnheer Micawber beter deed Londen te verlaten, en zijne talenten ergens in de provincie meer winstgevend aan te wenden. Mijnheer Micawber is een man met groote talenten, jongeheer Copperfield.”
Ik zei daarvan overtuigd te zijn.
„Van groote talenten,” herhaalde mevrouw Micawber. „Mijne familie is van oordeel, dat met een weinig voorspraak voor een man van mijnheer Micawber's bekwaamheden wel eene betrekking aan het tolkantoor te vinden zal zijn. Aangezien de invloed mijner familie echter plaatselijk is, verlangt men, dat mijnheer Micawber naar Plymouth zal verhuizen. Zij achten het onvermijdelijk dat hij zelf ter plaatse is.”
„Om bij de hand te zijn?” vroeg ik.
„Juist,” antwoordde mevrouw Micawber. „Om bij de hand te zijn, wanneer zich iets voordoet.”
„En gaat gij ook mede, mevrouw?”
De gebeurtenissen van den dag, misschien ook de tweelingen en het warme bier, hadden mevrouw Micawber zenuwachtig gemaakt; zij zwom letterlijk in hare tranen toen zij zeide: „Ik verlaat mijnheer Micawber nooit. Mijnheer Micawber mag al de ongelegenheden, waarin hij gekomen was, in den eersten tijd voor mij verborgen hebben gehouden, hij was volkomen te goeder trouw toen hij meende, dat hij die wel te boven zou komen. Het parelsnoer en de braceletten, die ik van mijne mama erfde, zijn ver beneden de waarde verkocht; het stel koralen, het bruidsgeschenk van papa, is zoo goed als weggegeven; maar toch zal ik mijnheer Micawber nooit verlaten. Neen!” riep zij uit, en scheen hoe langer hoe zenuwachtiger te worden. „Neen, dat doe ik nooit! Men behoeft mij dat niet eens te vragen!”
Ik werd verlegen met de zaak—alsof mevrouw Micawber kon veronderstellen dat ik haar ooit zoo iets vragen zou!—en keek haar met een angstigen blik aan.
„Mijnheer Micawber heeft zijne gebreken. Ik zal niet ontkennen dat hij onvoorzichtig is. Ik zal niet ontkennen dat hij mij onkundig heeft gelaten, zoowel van zijne inkomsten als van de verplichtingen, die hij op zich genomen heeft,” ging zij voort, naar den muur kijkende, „maar mijnheer Micawber verlaten—dat nooit!”
Mevrouw Micawber's zenuwachtigheid scheen nu het toppunt bereikt te hebben; zij gilde de laatste woorden letterlijk uit, zoodat ik mij ongerust begon te maken en naar de kamer snelde, waar de club bijeen was. Ik stoorde mijnheer Micawber, die aan het hoofd van eene lange tafel zat en behalve als president ook als cantor scheen te fungeeren, met de tijding dat ik mij ongerust maakte over mevrouw Micawber; waarop hij onmiddellijk in tranen uitbarstte en met mij medeging, met de koppen en staarten van de garnalen, die hij gegeten had, nog op zijn vest.
„Emma, mijn engel!” riep mijnheer Micawber, de kamer binnenstormend, „wat scheelt u?”
„Ik zal u nooit.... nooit verlaten, Micawber!” riep zij uit.
„Mijn leven! Mijn alles!” zei mijnheer Micawber, terwijl hij haar omhelsde, „dat weet ik! Daarvan ben ik overtuigd!”
„Hij is de vader van mijn kinderen! Hij is de vader van mijn tweelingen!” riep mevrouw Micawber, zenuwachtig snikkend. „Hij is mijn eerste en eenige liefde! Ik zal hem nooit.... no.. ooit verlaten!”
Mijnheer Micawber was zoo getroffen door hare hartstochtelijke ontboezeming—wat mij betreft ik zwom letterlijk in mijn tranen—dat hij haar nogmaals en nogmaals omhelsde en haar smeekte hem aan te zien en kalm te zijn. Maar hoe vaker hij mevrouw Micawber vroeg hem aan te kijken, hoe strakker zij in de ledige ruimte bleef staren en hoe meer hij haar tot kalmte aanmaande, hoe opgewondener zij werd. Dientengevolge geraakte mijnheer Micawber langzamerhand in eene weekhartige stemming en vermengden zich zijne tranen met de hare en de mijne, tot hij mij eindelijk verzocht een stoel mede te nemen en op het portaal te gaan zitten, omdat hij haar te bed wilde helpen. Ik wilde afscheid nemen, maar hij verkoos daarvan niet te hooren voor de bel het sein gaf dat de bezoekers moesten vertrekken. En zoo bleef ik op het portaal zitten tot hij met een anderen stoel de kamer uitkwam en bij mij plaats nam.
„Hoe gaat het nu met mevrouw Micawber?” vroeg ik.
„Erg zwak”, antwoordde mijnheer Micawber, het hoofd schuddend. „Het is de reactie. O, welk een vreeselijken dag hebben wij doorleefd. Wij staan nu geheel alleen—wij bezitten niets meer!”
Mijnheer Micawber drukte mij de hand, slaakte een zucht en begon daarna tranen te storten. Ik was ook aangedaan, maar niet minder teleurgesteld, want ik had gedacht, dat wij allen vroolijk zouden zijn op dezen lang verbeiden dag. Mijnheer en mevrouw Micawber schenen echter zoo aan hunne ongelegenheden gewoon geraakt, dat het denkbeeld, er thans uit verlost te zijn, hen geheel van streek bracht. Al hunne veerkracht was gebroken; ik zag hen nooit zoo neerslachtig als op dezen avond, en toen de bel werd geluid en mijnheer Micawber mij naar de portierswoning bracht, waar hij met een zegenbede afscheid van mij nam, joeg het denkbeeld, dat ik hem alleen moest laten, mij angst aan, zoo diep ellendig scheen hij zich te voelen. Ik zelf was ook door aandoeningen geheel overstelpt, en voelde zeer goed, dat mijnheer en mevrouw Micawber met de geheele familie Londen zouden verlaten, zoodat ons scheidingsuur aanstaande was. En gedurende mijne wandeling naar huis en in de slapelooze uren, dien nacht doorgebracht, kwam voor het eerst de gedachte in mij op—hoe is mij nog altijd een raadsel—die langzamerhand rijpte tot een onwrikbaar besluit.
Ik was op zulk een vertrouwelijken voet gekomen met de Micawbers, en had in alle dingen zoo met hen meegeleefd, dat het vooruitzicht, om opnieuw uitbesteed te worden en nogmaals onder vreemden te gaan, mij toescheen alsof ik mijn tegenwoordig leven opnieuw moest beginnen—en dat, terwijl ik nu zoo goed wist wat mij te wachten stond. Al mijn trots, die zoo gevoelig was gekwetst, al de schaamte, die mij had terneergedrukt, ontwaakte opnieuw, toen ik al hetgeen ik ondervonden had overpeinsde, en ik kwam tot de overtuiging, dat mijn leven ondragelijk was en zoo niet kon voortduren. Dat het niet mogelijk was aan dezen ondragelijken toestand te ontkomen, indien ik niet zelf handelde, wist ik maar al te goed. Van juffrouw Murdstone vernam ik zelden iets, van mijnheer Murdstone nooit; er was twee malen een bezending kleeren voor mij aangekomen aan mijnheer Quinion's adres, en beide keeren had ik er een klein strookje papier in gevonden, waarop geschreven stond: „J. M. hoopt dat D. C. ijverig zijn werk zal doen, en zich geheel aan zijne plichten zal wijden”—niet de geringste wenk dat er ooit iets anders van mij zou worden dan flesschenspoeler, dat ik mij ooit eens zou mogen toeleggen op minder geestdoodend en vernederend werk dan waartoe ik thans was veroordeeld.
Reeds den volgenden dag, terwijl ik nog geheel onder den indruk was van mijne nachtelijke overpeinzingen, begon ik in te zien dat mevrouw Micawber niet zonder reden gesproken had over haar aanstaand vertrek. Zij namen in dezelfde woning, waarin ik mijn zolderkamertje had, voor eene week hun intrek, waarna zij de reis naar Plymouth zouden aanvaarden. Mijnheer Micawber kwam zelf op het kantoor om mijnheer Quinion te vertellen, dat hij mij aan mijn lot zou moeten overlaten en om eene lofspraak op mij te houden, die ik meende wel verdiend te hebben. Mijnheer Quinion riep Tipp den vrachtrijder binnen, die getrouwd was en een kamer te verhuren had, en bezorgde mij voorloopig bij dezen man een onderkomen. Vermoedelijk verkeerde hij in de meening dat ik er mede instemde, want ik zei niets; maar mijn besluit stond nu vast.
Gedurende ons gemeenschappelijk verblijf onder hetzelfde dak bracht ik mijne avonden met mijnheer en mevrouw Micawber door, en ik ben overtuigd, dat wij hoe langer hoe meer van elkander begonnen te houden naarmate het scheidingsuur naderde. Den laatsten Zondag verzochten zij mij bij hen het middagmaal te gebruiken; wij hadden een varkensribbetje met appelmoes en een podding. Ik had een gespikkeld houten paardje gekocht als afscheidsgift voor Wilkins Micawber—zoo heette de oudste zoon—en een pop voor de kleine Emma. Ook gaf ik een shilling aan het weesmeisje, dat de dienst was opgezegd.
Wij hadden een prettigen dag, al waren wij in eene eenigszins weemoedige stemming met het oog op de naderende scheiding.
„Ik zal nimmer aan den tijd, dat mijnheer Micawber in ongelegenheid was, terugdenken, jongeheer Copperfield,” zei mevrouw Micawber, „zonder ook aan u te denken. Gij hebt u altijd even kiesch gedragen en ons veel vriendschap betoond. Gij zijt geen commensaal voor ons geweest; gij waart een vriend.”
„Lieve vrouw,” voegde mijnheer Micawber er bij, „Copperfield,” zoo had hij zich in den laatsten tijd aangewend mij te noemen, „heeft een hart, dat medevoelt voor zijne natuurgenooten, wanneer zij in ongelegenheid zijn geraakt; een hoofd, dat mede denkt; eene hand, die.... in 't kort, alles, wat nog eenige waarde heeft, zoo voordeelig mogelijk aan den man weet te brengen.”
Ik zei, dat ik zeer dankbaar was voor deze loftuiting en dat het mij zeer speet te moeten scheiden.
„Mijn beste jonge vriend,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik ben ouder dan gij; ik heb ondervinding opgedaan in het leven en.... en ook eenige ondervinding, in 't kort, in de moeilijkheden, die het leven medebrengt—in het algemeen gesproken. Voor het tegenwoordige, tot zich iets opdoet—hetgeen ik zeer spoedig meen te mogen verwachten—kan ik u niets geven dan goeden raad. Echter is mijn raad in zoover wel het aanhooren waard, dat.... in 't kort, dat ik dien zelf nooit heb gevolgd en daardoor het”—tot op dit oogenblik had mijnheer Micawber met zijn geheele gezicht gelachen, maar nu kwam er een sombere trek op zijn gelaat en fronste hij het voorhoofd—„het rampzalige schepsel geworden ben, dat gij hier voor u ziet....”
„Maar beste Micawber!” riep zijne wederhelft. „Ik zeg,” antwoordde hij, zich zelven geheel vergetende en weder met een glimlach om de lippen, „ik zeg: het rampzalige schepsel, dat gij hier voor u ziet. Mijn raad is deze: doe nimmer morgen wat gij heden doen kunt. Uitstellen is diefstal van tijd. Houd dien stelregel altijd voor oogen!”
„Ach,” zei mevrouw Micawber, „de stelregel van mijn goeden papa.”
„Lieve,” hernam mijnheer Micawber, „uw papa was op zijne wijze een heel verstandig man en de Hemel verhoede, dat ik iets ten nadeele van hem zou zeggen. Hij moge geweest zijn wie hij was, wij zullen nimmer.... in 't kort.... iemand ontmoeten.... waarschijnlijk.... die op zijn leeftijd zulke beenen had om slobkousen te dragen en in staat was om zonder bril zulk een fijnen druk te lezen. Hij paste echter dezen stelregel ook op ons huwelijk toe, lieve, en dientengevolge werd dit in zoo verre eenigszins in overijling aangegaan, dat ik de toenmaals gemaakte onkosten nooit te boven ben gekomen.” Mijnheer Micawber keek zijne vrouw van ter zijde aan en liet er onmiddellijk op volgen: „Niet dat ik het betreur. Integendeel, lieve.” Daarna bleef hij ongeveer een minuut ernstig voor zich kijken.
„Mijn anderen raad, Copperfield, kent gij. Jaarlijksch inkomen twintig pond, jaarlijks uitgeven negentien pond negentien en een halven shilling—geluk. Jaarlijksch inkomen twintig pond, jaarlijks uitgeven twintig pond en een halven shilling—ellende. De bloesem valt af, het blad verdort, de god des daags beschijnt een droevig tooneel en—en, in 't kort, gij valt in een afgrond! Zooals ik!” Teneinde deze ontboezeming meer indruk te doen maken dronk mijnheer Micawber met een gezicht, dat straalde van vergenoegdheid en zelfvoldoening, een glas punch in een paar teugen ledig en begon toen een dansje te fluiten.
Ik liet niet na hem de verzekering te geven dat ik zijne raadgevingen ter harte zou nemen, hoewel ik dit eigenlijk niet behoefde te doen, want ik was er zichtbaar door ontroerd. Den volgenden morgen bracht ik de geheele familie naar het diligence-kantoor en zag hen met een droevig gevoel van verlatenheid op de achterste bank plaats nemen.
„God zegen u, jongeheer Copperfield!” zei mevrouw Micawber. „Ik zal nimmer kunnen vergeten al wat..... gij weet wat ik bedoel... en ik zou het niet willen vergeten al kon ik het.”
„Copperfield, mijn jongen, vaarwel!” zei mijnheer Micawber. „Voorspoed en geluk! Indien ik na verloop van jaren tot de overtuiging kan komen, dat mijn jammervol bestaan een waarschuwend voorbeeld heeft mogen zijn voor u, zou ik mij zelven troosten met de gedachte, dat ik niet te vergeefs de plaats van een ander op dit ondermaansche heb ingenomen. In geval er zich iets opdoet—en ik vertrouw dat zich spoedig iets zal opdoen—zal ik er mij zeer in verheugen als ik instaat mocht zijn eenige verbetering te brengen in uwe vooruitzichten.”
Ik geloof, dat, toen mevrouw Micawber met de kinderen achterop de diligence zat en ik met een droevigen blik naar hen opkeek, er een nevel voor hare oogen werd weggevaagd en zij nu eerst opmerkte welk een klein kereltje ik eigenlijk nog was. Ik geloof dit, want zij gaf mij met moederlijke teederheid een wenk om tot haar op te klimmen, en toen sloeg zij de armen om mijn hals en gaf mij een kus, zooals zij haar eigen kind er een zou gegeven hebben. Ik had nauwelijks tijd genoeg om naar beneden te springen, toen de diligence zich in beweging stelde, en ik kon hen allen nauwelijks zien achter al de wuivende zakdoeken. Een minuut later waren zij verdwenen. Het weesmeisje en ik stonden elkander midden op de straat een oogenblik aan te staren; toen gaven wij elkander de hand en namen afscheid; vermoedelijk ging zij terug naar het St. Lukaswerkhuis, terwijl ik mijne moeilijke dagtaak bij Murdstone en Grinby weder aanvaardde.
Het was echter niet mijn voornemen dat nog dikwijls te doen. Neen—ik was vastbesloten weg te loopen..... te gaan, hoe dan ook, naar de eenige bloedverwante, die ik nog in de wereld bezat, en mijne geschiedenis te vertellen aan tante Betsey.
Ik heb reeds doen opmerken dat ik niet weet hoe dit denkbeeld in mijn brein was opgekomen. Toen dit echter eenmaal het geval was, bleef het daar ook en ontwikkelde zich tot een plan zoo stout, als ik er ooit een heb opgevat in mijn later leven. Ik ben er volstrekt niet zeker van dat ik een oogenblik aan een goeden uitslag geloofde, maar ik was er zoo zeer mede vervuld, dat het ten uitvoer moest worden gebracht.
Telkens en telkens weder en honderde malen nog sinds den nacht, toen het denkbeeld voor de eerste maal in mij was opgekomen en den slaap van mijne kinderlijke legerstede had gebannen, had ik het verhaal van hetgeen bij mijne geboorte was voorgevallen en dat mijne moeder mij zóó dikwerf verteld had, dat ik het van buiten kende, in mij zelven herhaald. In dat verhaal trad mijne tante op als een gevreesd, onbegrijpelijk wezen, maar toch was er iets in hare wijze van doen, waarbij mijne gedachten telkens stil stonden en dat mij moed gaf, al was het weinig. Ik kon niet vergeten hoe mijne moeder telkens meende hare zachte hand op hare mooie krullen te voelen en hoe in de herinnering mijner moeder die aanraking volstrekt niet van teederheid was ontbloot geweest; en hoewel dit misschien alleen in de verbeelding mijner moeder bestaan en op geen enkelen redelijken grond gesteund had, maakte ik er voor mij zelven toch een klein tafereeltje van en zag ik mijne vreeselijke tante voor mij, verteederd door de kinderlijke schoonheid van haar, die mij zoo helder voor den geest stond en die ik zoo lief had gehad en in mijne herinnering nog had—en door dat tafereeltje kreeg het verhaal waarde voor mij. Het is ook wel mogelijk dat dit tafereel mij reeds lang voor oogen had gestaan en mij langzamerhand tot mijn besluit had gebracht.
Aangezien ik niet wist waar tante Betsey eigenlijk woonde, schreef ik een langen brief aan Peggotty en vroeg haar, alsof mij dit zoo toevallig uit de pen vloeide, of zij zich den avond mijner geboorte nog herinnerde; ik voegde er bij, dat, ik van eene dame had hooren spreken, die mij aan tante Betsey deed denken en ergens—ik noemde maar een plaatsje—in de buurt van Londen woonde en nu nieuwsgierig was te weten of deze dame en tante Betsey dezelfde persoon kon wezen. Ook schreef ik aan Peggotty, dat ik bijzonder verlegen was om een halve guinje en dat zij mij zeer zou verplichten, als zij mij die som wilde leenen, tot ik in staat zou zijn, haar die terug te geven; later zou ik haar wel vertellen, waarvoor ik die had noodig gehad.
Peggotty's antwoord volgde per omgaande post en was, zooals altijd, vol hartelijke en teedere belangstelling. De halve guinje was ingesloten—ik onderstelde, dat het haar heel wat moeite moest gekost hebben, om die uit de kist van Barkis aan het daglicht te brengen—en zij schreef mij, dat juffrouw Betsey in de buurt van Dover woonde, maar of het in Dover zelf was, of in Hythe, Sundgate of Folkestone, dat kon zij niet zeggen. Een van de pakhuisknechts, bij wien ik inlichtingen vroeg, vertelde mij echter, dat deze plaatsjes alle vlak bij elkander lagen. Ik achtte dit voldoende voor mijn plan en besloot het tegen het einde van de week ten uitvoer te brengen. Hoe klein ik ook was, ik was eerlijk en wilde geen slechten naam achterlaten bij Murdstone en Grinby; daarom achtte ik mij verplicht om tot Zaterdagavond te blijven en, aangezien mij mijn weekloon vooruitbetaald werd, op het uur van afrekenen niet op het kantoor te verschijnen om mijn loon te ontvangen. Juist daarom had ik de halve guinje geleend; ik behoefde dan niet geheel ontbloot van eenig geld op reis te gaan. Overeenkomstig dit plan vroeg ik aan Mick Walker, terwijl wij, zooals elken Zaterdagavond, in het pakhuis stonden te wachten, en Tipp, de wachtrijder, binnen was, of hij, als hij aan de beurt was, wilde zeggen dat ik mijn kist naar het huis van Tipp overbracht, en na een laatst vaarwel aan den „melige” haastte ik mij weg te komen.
Mijn koffer was nog in mijne oude woning aan de overzijde van de rivier en ik had er een adres voor geschreven op de achterzijde van een kaartje, zooals wij op de vaten spijkerden: „Jongeheer David. Zal afgehaald worden; diligence-kantoor Dover.” Ik had dit in mijn zak om het op den koffer te bevestigen, nadat ik hem in veiligheid zou gebracht hebben, en toen ik mij naar mijne oude woning begaf, keek ik rond naar iemand, die hem voor mij naar het kantoor zou willen brengen, waar de diligence afreed. Ik ontmoette een jongen met lange beenen en eene ledige ezelkar bij de Obelisk in Blackfriars Road; hij vroeg mij of hij iets van mij aan zijn lichaam droeg, omdat ik hem zoo aankeek. Ik bleef staan en verzekerde hem, dat ik het niet deed om hem te grieven, maar omdat ik niet zeker wist of hij wat zou willen verdienen.
„Waarmede zou ik wat kunnen verdienen?” vroeg de langbeenige jongen.
„Met een koffer weg te brengen,” was mijn antwoord.
„Welken koffer?”
Ik vertelde hem dat het mijn koffer was en dat hij in gindsche straat stond en naar het kantoor van de diligence naar Dover gebracht moest worden. Ik zou er hem een halven shilling voor geven.
„Dat doe ik!” antwoordde hij, ging terstond op zijne kar zitten—eigenlijk niets dan een houten bak op wielen—en rende in zulk een vaart heen dat ik moeite had om den ezel bij te houden. Er was iets terugstootends in het gezicht van dien jongen en vooral in de wijze, waarop hij, op een strootje kauwend, mij aankeek, dat mij niet beviel; maar de overeenkomst was gesloten en ik nam hem mede naar de kamer, die ik ging verlaten, en samen brachten wij den koffer naar beneden en op de kar. Ik achtte het niet geraden nu reeds het adres aan den koffer te bevestigen, vreezende dat mijn huisbaas of iemand van zijne familie ontdekken zou wat ik voornemens was te doen; ik verzocht daarom den langbeen bij den blinden muur van King's Bench een oogenblik stil te houden. De woorden waren nauwelijks uit mijn mond of hij rende weg, alsof hij, de kar, de ezel en de koffer bezeten waren, zoodat ik hem geheel buiten adem van het loopen op de bedoelde plek inhaalde.
Ik was geheel van streek en beefde van zenuwachtigheid, zoodat ik bij het te voorschijn halen van het kaartje de halve guinje op den grond liet vallen. Haastig raapte ik het geldstuk op en verborg het veiligheidshalve in mijn mond. Juist had ik met bevende handen mijne adreskaart te voorschijn gehaald, toen ik plotseling een stomp onder de kin kreeg van den langbeen en de halve guinje mij uit den mond en in zijne hand vloog.
„Wat is dat!” zei de jongen, terwijl hij mij bij den kraag van mijn buis greep, met een grijns, die mij angst aanjoeg. „Dat is een politiezaak! Gij wilt u uit de voeten maken! Ga mee naar de politie, kleine deugniet, ga mee naar de politie!”
„Geef mij mijn geld terug!” zei ik, bevend van angst, „en ga uw weg.”
„Ga mee naar de politie!” riep de langbeen nogmaals. „Gij zult bij de politie bewijzen dat het uw eigendom is.”
„Geef mij mijn koffer en mijn geld terug, als 't u belieft?” riep ik, in tranen uitbarstende.
De jonge man herhaalde: „Ga mee naar de politie!” en drong mij op zulk een hevige wijze tegen den ezel aan, alsof er eenige overeenkomst bestond tusschen dit dier en een magistraatspersoon. Eensklaps scheen hij van plan te veranderen; hij sprong in de kar, ging op mijn koffer zitten en rende zoo hard hij kon heen, roepende dat hij de politie zou halen.
Ik rende hem na zoo hard ik kon, maar ik kon onmogelijk roepen of schreeuwen en zou het ook niet hebben durven doen al had ik gekund. Minstens twintig malen was ik op het punt om overreden te worden. Nu eens had ik hem uit het gezicht verloren, dan zag ik hem weder en een oogenblik later was hij weder uit het gezicht, nu eens kreeg ik een slag, dan viel ik in den modder, stond weer op, rende iemand in de armen of liep blindelings tegen een paal. Eindelijk, geheel verbijsterd door angst en drift en meenende dat half Londen nu waarschijnlijk op de been zou zijn om mij aan te houden, liet ik den langbeen met mijn koffer en mijn guinje heenrijden waar hij wilde. Snikkend en geheel buiten adem sloeg ik den weg in naar Greenwich, dat, naar ik gehoord had, aan den weg naar Dover lag, weinig meer uit de wereld meenemende op mijne vlucht naar tante Betsey, dan ik er had ingebracht in den nacht, toen mijne komst hare ontevredenheid zoo had opgewekt.