XXXI
Een grooter verlies.
Het viel mij niet moeilijk op Peggotty's verzoek te blijven tot het overschot van den armen vrachtrijder te Blunderstone aan den schoot der aarde was toevertrouwd. Lang geleden reeds had zij van haar eigen spaarpenningen een stukje grond gekocht op het oude kerkhof dichtbij het graf van „hare lieveling”, zooals zij mijne moeder altijd noemde; dáár zouden zij beiden rusten.
Terwijl ik Peggotty gezelschap hield en haar hielp in alles wat ik kon—weinig genoeg—was ik zoo gelukkig als ik maar wezen kon; met genoegen herdenk ik thans nog dien tijd. Ik vrees echter, dat het grootste genoegen veroorzaakt werd door het testament van den braven Barkis, dat ik als „man van het vak” voor Peggotty in bewaring nam en haar verklaarde. Ik mag er op bogen het eerst op het denkbeeld te zijn gekomen, dat zijn uiterste wil in den bewusten koffer zou worden gevonden.
Na een oogenblik gezocht te hebben, vonden wij het stuk ook, in een voederzak, waaruit, behalve eenig hooi nog een ouderwetsch gouden horloge met ketting, cachet en signetten te voorschijn kwam, dat Barkis op zijn trouwdag gedragen had, doch na dien dag nooit meer door iemand gezien was; benevens een zilveren pijpenuithaler in den vorm van een hazensprong; een houten citroen vol kleine kopjes en schoteltjes, die—dat verbeeld ik mij ten minste—Barkis gekocht had om mij present te geven toen ik nog een kind was, en waarvan hij later niet had kunnen scheiden; zevenentachtig en een halve guinje in guinjes en halve guinjes; tweehonderd en tien pond sterling in ongebruikte Engelsche banknoten; eenige acceptatiën op de Engelsche Bank; een oud hoefijzer, een valsche shilling, een stuk kamfer en een oesterschelp. Uit de omstandigheid dat dit laatste voorwerp dikwijls geschuurd was en aan de binnenzijde allerlei kleuren vertoonde, maakte ik de gevolgtrekking dat Barkis veel over parelen had hooren spreken, maar zich daarvan toch geen bepaalde voorstelling had kunnen maken.
Jaar op jaar, dag aan dag had Barkis dezen koffer medegesleept op al zijn tochten. Opdat zijn schat aan de opmerkzaamheid van anderen zou ontgaan, had hij de slimheid gehad om er met letters, die thans nauwelijks meer leesbaar waren, op te vermelden dat de kist behoorde aan een zekeren „Mijnheer Blackboy” en moest blijven staan tot Barkis haar afhaalde.
Hij had al die jaren niet te vergeefs gespaard, want het bijeengegaarde kapitaal bedroeg ongeveer drie duizend pond. Van duizend pond zou baas Peggotty, zoo lang hij leefde, den interest genieten; na zijn overlijden moest het kapitaal verdeeld worden tusschen Peggotty—ik bedoel mijne Peggotty—kleine Emily en mij of tusschen onze nakomelingen. Alles, wat hij verder naliet, vermaakte hij aan Peggotty, die tevens tot executrice was benoemd van zijn testament en zijn laatsten wil.
Ik voelde mij zelf een volmaakte proctor, toen ik dit document met de grootst mogelijke plechtigheid voorlas en tallooze malen aan allen, die het aangingen, uitlegde. Ik begon nu toch te onderstellen dat er meer achter de Commons verborgen was dan ik gemeend had. Ik onderzocht het testament met de grootste aandacht, verklaarde dat het in alle opzichten wettig was, maakte eenige potloodaanteekeningen op den rand en vond mij zelf vreeselijk geleerd. Ik maakte met Peggotty een inventaris van alles wat er was, regelde alles met haar en was tot ons wederzijdsch genoegen in alle opzichten haar raadsman en haar steun gedurende de geheele week, die aan de begrafenis voorafging. Emily zag ik in die dagen niet, maar men vertelde mij dat zij binnen veertien dagen getrouwd zou zijn.
Ik woonde de begrafenis niet officiëel bij, als ik het zoo eens mag uitdrukken. Ik bedoel daarmede dat ik niet was uitgedost als een vogelverschrikker met een zwarten mantel en een lamfer; ik wandelde in den vroegen morgen naar Blunderstone en was op het kerkhof, toen de lijkkoets, door Peggotty en haar broeder gevolgd, daar aankwam. De krankzinnige heer zat uit het raampje van mijne oude kamer te kijken; het kindje van dokter Chillip zat over den schouder van het kindermeisje heen, met zijn logge hoofdje te knikkebollen en keek met zijn uitpuilende oogjes voortdurend naar den predikant; mijnheer Omer stond een weinig achteraf naar adem te hijgen; andere belangstellenden waren er niet. Wij bleven ongeveer een uur lang op het kerkhof wandelen, nadat de plechtigheid was afgeloopen, en plukten eenig jong groen van den boom boven mijn moeders graf.
Een gevoel van angst bekruipt me, terwijl ik nu met mijn verhaal voortga. Er schijnt een dreigende wolk te hangen boven de stad, waarheen ik na de begrafenis alleen terugkeerde. Ik huiver bij de herinneringen aan hetgeen dien zelfden noodlottigen avond voorviel, alsof het zich zal herhalen indien ik het neerschrijf. En toch, het is geschied; mijn schrijven kan er niets aan veranderen; zelfs al liet ik die onwillige hand op mijn papier vastspijkeren—er zou niets meer aan te veranderen zijn.
Er was afgesproken dat Peggotty den volgenden dag met mij naar Londen zou gaan, ten einde de zaken van het testament te regelen. Kleine Emily had den dag van de begrafenis bij de Omers doorgebracht en des avonds zouden wij allen bijeenkomen in baas Peggotty's woning. Ham zou Emily op het gewone uur daar brengen.
Terwijl Peggotty en haar broeder op dezelfde wijze als zij gekomen waren terugkeerden, en ons des avonds bij den haard zouden opwachten, nam ik aan het hek van het kerkhof afscheid van hen, waar in vroegere dagen een denkbeeldige Straps met Roderick Random's knapzak had staan rusten. In plaats van den kortsten weg te kiezen, sloeg ik dien naar Lowestoft in en keerde van daar naar Yarmouth terug. Ik gebruikte het middagmaal in een eenvoudige herberg op een paar mijlen afstands van de overvaart, waarvan ik vroeger heb melding gemaakt; toen ik daar aankwam, was de avond reeds ingevallen. Het regende hevig, maar aangezien de maan nu en dan achter de wolken te voorschijn kwam, was het niet donker.
Al heel spoedig kreeg ik het licht van baas Peggotty's woning in het gezicht en na nog een eind door het mulle zand gebaggerd te hebben, stond ik voor de deur en ging binnen.
Het zag er daar buitengewoon gezellig uit. Baas Peggotty had zijn avondpijpje gerookt en er waren reeds eenige toebereidselen gemaakt voor het souper. Het vuur brandde helder, de asch was aangeveegd en het kleine bankje voor Emily stond op de gewone plaats gereed. Peggotty zat ook weder op haar oude plaatsje en keek rond alsof zij het nooit verlaten had. De naaidoos met de St. Paulskerk op het deksel, het elletje in het huisje, het stukje waskaars om den draad door te halen—niets van dit alles scheen ooit van de plaats te zijn geweest. Juffrouw Gummidge zat in haar oude hoekje een weinig te kniezen en keek bijgevolg heel strak.
„Gij zijt de eerste, jongeheer Davy!” zei baas Peggotty, met een gelaat, dat straalde van opgeruimdheid. „Gij zult die natte jas toch niet aanhouden, mijnheer?”
„Dank u, baas Peggotty,” antwoordde ik, hem mijn overjas gevende om op te hangen. „Mijn jas is droog.”
„Ja, dat is waar!” hernam hij, de hand op mijn schouder leggende. „Zoo droog als kurk. Ga zitten, mijnheer. Het is niet noodig u nog welkom te heeten, want gij weet, dat gij 't steeds zijt, van ganscher harte welkom.”
„Dank u voor deze woorden, baas Peggotty; ik ben daarvan overtuigd. Wel, Peggotty, hoe gaat het?” vroeg ik, haar een kus gevende. „En hoe is 't met uwe gezondheid, moedertje?”
„Ha, ha, ha!” zei baas Peggotty lachend, terwijl hij in de handen wreef, alsof hij zich verlicht voelde na al de droefheid van de laatste dagen en zijne goedhartigheid deed hem daarbij voegen: „daar is geen vrouw in de wereld, mijnheer—en ik heb haar dat al zoo dikwijls gezegd—die zich over haar geweten minder bezorgd behoeft te maken dan zij! Zij heeft haar plicht gedaan jegens den overledene en de overledene weet dat; de overledene heeft het goed met haar gemaakt, evenals zij het met den overledene heeft gedaan en.... en.... alles is in orde....”
Juffrouw Gummidge slaakte een diepen zucht.
„Wees toch vroolijk, moedertje!” zei baas Peggotty, maar tegelijkertijd schudde hij het hoofd, alsof hij ons te kennen wilde geven, dat de laatste gebeurtenissen haar zonder twijfel den oude in het geheugen moesten hebben geroepen. „Zit toch niet zoo te kniezen. Wees vroolijk.... ge zult zien, dat dan alles van zelf gaat!”
„Bij mij niet, Dan,” antwoordde juffrouw Gummidge. „Ik zou alleen maar nog beter gewaar worden, dat ik een ongelukkig schepsel ben.”
„Neen, neen,” zei baas Peggotty, zijn best doende om haar te troosten.
„Ja, ja, Dan!” zei juffrouw Gummidge. „Ik ben niet iemand, die wonen moet met menschen, die geld geërfd hebben. Ik veroorzaak toch niets dan narigheid. Het zou veel beter wezen als ik maar in een hofje was.”
„Maar, hoe zou ik al dat geld kunnen verteeren zonder u?” vroeg baas Peggotty met een ernstig gezicht. „Wat praat gij toch? Heb ik u nu niet meer noodig dan ooit?”
„Ik weet heel goed, dat ik nooit noodig ben geweest!” riep juffrouw Gummidge op klagenden toon uit, „en nu zegt gij mij dit ook nog! Hoe kon ik verwachten ooit noodig te zullen zijn, terwijl ik altijd zooveel narigheid heb en zulk een ongelukkig schepsel ben!”
Baas Peggotty scheen ontsteld bij de gedachte, dat hij in staat zou zijn geweest om iets te zeggen waarin hij van zooveel ongevoeligheid blijk zou geven; maar Peggotty, die hem bij de mouw trok en het hoofd schudde, voorkwam, een antwoord. Nadat hij juffrouw Gummidge eenigen tijd met een droeven blik had aangestaard, keek hij naar de Friesche klok, stond op, snoot de kaars en zette die in het venster.
„Ziezoo,” sprak hij, „als naar gewoonte geïllumineerd, vrouwtje.” Hij keek bij deze woorden naar juffrouw Gummidge, die niets deed dan zuchten. „Dat is voor de kleine Emily, want het pad is nu zoo donker; als ik aan wal ben, doe ik dat altijd, op het uur dat zij gewoonlijk thuis komt. Ik heb daarvoor twee redenen,” ging hij opgeruimd voort. „Emily zegt dan: ‚daar is ons huis.’ En dan zegt zij ook: ‚Daar is mijn oom’; want als ik niet thuis ben, schijnt het licht niet.”
„Gij kunt doen als een kleine jongen,” zei Peggotty, hoewel zij zeer ingenomen was met alles wat hij zeide en deed.
„Wel,” antwoordde baas Peggotty, terwijl hij met zijn beenen ver van elkaar stond en vergenoegd in zijn handen wreef, nu eens naar ons dan weder naar het vuur kijkende, „het is wel mogelijk dat ik het ben. Niet, om te zien begrijpt ge!”
„Niet precies,” zei Peggotty.
„Neen,” hernam baas Peggotty lachend, „niet om te zien, maar in mijn doen en laten, nietwaar? Ik kan het niet helpen en het kan mij ook niet schelen, och Heere neen! Maar nu zal ik u eens wat vertellen. Als ik naar dat mooie huisje van onze Emily ga kijken, dan... dan mag ik gekielhaald worden... daar!” riep hij met klem uit, „meer kan ik niet zeggen... dan heb ik het gevoel alsof al die kleine mooie dingen kleine Em'ly zelve zijn. Ik durf er niets van aanraken en zou onmogelijk iets van dat alles hard kunnen behandelen. En zoo is het ook met hare kleine hoedjes en met alles. Ik durf ze nauwelijks opnemen en zet ze terstond weder neer. Daar hebt gij nu een kleinen jongen in den vorm van een grooten zeeëgel!” riep hij schaterlachend uit.
Peggotty en ik lachten ook, doch niet zoo luid.
„Het komt zeker,” ging hij na eenigen tijd zijne knieën te hebben gewreven, voort, „omdat ik zooveel met haar gespeeld heb; nu eens was ik een Turk, dan weder een Franschman of een haai en zoo meer... goede Hemel, ja... en leeuwen en walvisschen hebben wij samen voorgesteld en wat niet al, toen zij nog niet hooger kwam dan mijne knieën. Ik was er zoo aan gewend, begrijpt ge? En deze kaars! Ik weet zeker dat ik die nog daar zal neerzetten als zij al lang getrouwd en van ons weggegaan is. Ik weet zeker dat, wanneer ik 's avonds hier ben—en waar zal ik anders gaan wonen al heb ik nu zooveel geld gekregen?—en zij niet hier is en ik niet daar ben, ik de kaars voor het venster zal zetten en zelf bij de kachel zal gaan zitten, alsof ik haar opwacht evenals nu. Zeg nu maar dat ik doe als een kleine jongen!” riep hij lachend. „Wel, op dit oogenblik, als ik de kaars zie opflikkeren, zeg ik tegen mij zelven: „Zij kijkt er naar! Emily komt!” Een kleine jongen in den vorm van een zeeëgel, hahaha! En toch heb ik gelijk.” Zoo eindigde hij wat minder luidruchtig, „want daar komt zij aan!”
Ham kwam echter alleen. Het weer scheen ruwer te zijn geworden, want hij had een grooten zuidwester op, die zijn gezicht half bedekte.
„Waar is Em'ly?” vroeg baas Peggotty. Ham maakte een beweging met het hoofd, alsof hij wilde zeggen dat zij buiten stond. Baas Peggotty nam de kaars van het venster, snoot die, zette den kandelaar op tafel en ging het vuur wat opporren, terwijl Ham, die onbewegelijk op dezelfde plek was blijven staan, zeide:
„Komt gij eens even buiten, jongeheer Davy? Gij moet eens zien wat Em'ly en ik voor u hebben meegebracht.”
Wij gingen naar buiten, maar toen ik hem voorbijging zag ik, dat hij doodsbleek was. Hij duwde mij snel de deur uit en sloot die achter ons. Achter ons beiden, alleen.
„Wat scheelt u, Ham?”
„Jongeheer Davy!”—Hij kon niet spreken; hij schreide....
Ik stond eveneens sprakeloos bij het zien van zijne hartstochtelijke droefheid. Ik weet niet wat ik op dat oogenblik dacht of vreesde. Ik kon slechts kijken naar hem.
„Ham! Beste, arme kerel! Vertel mij in 's Hemels naam wat er gebeurd is.”
„O, jongeheer Davy, mijn innig geliefd meisje, mijn trots, mijn hoop, voor wie ik mijn leven zou gegeven hebben en nog geven wil—is weg!”
„Weg?”
„Em'ly is weg! O, jongeheer Davy en hoe! Denk eens, dat ik mijn goeden en barmhartigen God bid, haar, die ik boven alles liefhad, te dooden, ten einde haar voor onheil en schande te bewaren!”
Wanneer ik in mijne gedachten die groote eenzame vlakte voor mij zie, komen mij altijd zijn door smart verwrongen gelaat, zijne smeekend opgeheven handen, zijne ineengekrompen gestalte voor den geest. Het is altijd nacht en ik zie niets dan Ham.
„Gij hebt veel geleerd,” zei hij haastig, „en zult dus wel weten wat het beste is. Wat moet ik daar, binnen, zeggen? Hoe zal ik er ooit over kunnen spreken tot hem, jongeheer Davy?” Ik zag de deur bewegen en deed onwillekeurig een poging om de klink vast te houden, ten einde nog een oogenblik tijd te winnen. Het was te laat. Baas Peggotty stak het hoofd buiten de deur, maar nimmer, al word ik vijfhonderd jaar, zal ik de verandering vergeten, die daar op zijn gelaat plaats had, toen hij ons beiden zag staan.
Ik herinner mij niets meer dan groot gejammer en geschrei; ik zie nog hoe die beide vrouwen zich aan hem vastklemden en hoe wij allen in de kamer stonden; ik met een papier in de hand, dat Ham mij gegeven had; baas Peggotty met het vest losgerukt, de haren woest om het hoofd, marmerbleek gelaat en vale lippen, bloed op zijne borst—het was waarschijnlijk uit zijn mond gevloeid—en met den blik onafgewend op mij gevestigd.
„Lees het voor, mijnheer,” zei hij met zachte, trillende stem. „Langzaam als 't u belieft. Ik weet niet of ik het zal kunnen begrijpen.” Te midden van de doodsche stilte las ik.
„Wanneer gij, die mij allen zoo liefhebt, veel meer dan ik ooit heb verdiend, zelfs toen mijn hart nog rein was, dit leest, zal ik reeds ver weg zijn.”
„Zal ik ver weg zijn”, herhaalde baas Peggotty langzaam. „Wacht even! Em'ly ver weg. Goed!”
„Wanneer ik mijn dierbaar huis verlaat, mijn dierbaar huis verlaat... o, dat innig geliefde huis.... wanneer ik het morgen verlaat”—de brief was gedateerd op den vorigen avond—„zal het zijn om er nimmer terug te keeren, tenzij hij mij terugbrengt als zijne vrouw. Gij zult dezen brief morgen avond vinden, vele uren nadat ik weg ben. O, als gij wist hoe deze daad mijn hart verscheurt. O, als gij, wien ik zooveel onrecht heb aangedaan, en die mij nimmer vergiffenis zult kunnen schenken, wist hoeveel ik lijd. Ik ben te slecht om over mij zelve te kunnen schrijven. Troost u met het denkbeeld, dat ik zoo slecht ben. Wees barmhartig en zeg aan oom, dat ik nooit zooveel van hem hield als op dit oogenblik. O, denk toch niet aan al uwe liefde en goedheid voor mij.... vergeet dat wij man en vrouw zouden worden.... maar denk aan mij, alsof ik heel klein gestorven en ergens begraven ware. Smeek den Hemel, dien ik ontvluchten wil, dat Hij medelijden hebbe met mijn oom. O, ik had hem nooit zoo lief als op dit oogenblik. Wees hem tot troost. Mocht gij een lief meisje vinden, dat mijne plaats kan innemen bij oom en dat u trouw en waardig is en zich over niets kan te schamen hebben dan over mij. God zegen u allen! Ik zal dikwijls op mijne knieën voor u allen bidden! Als hij mij niet als zijne vrouw terugbrengt en ik niet meer voor mij zelven bid, zal ik toch bidden voor u allen. Breng mijn laatsten groet, mijne laatste tranen, mijn laatsten dank aan oom!”
Dat was alles. Nog lang, nadat ik geëindigd had, bleef baas Peggotty mij zwijgend aanstaren. Eindelijk waagde ik het zijne hand te nemen en, zoo goed als ik kon, hem te smeeken tot kalmte te komen. „Dank u, mijnheer,” antwoordde hij, „dank u!” Hij bewoog zich echter niet.
Ham sprak hem aan en hij toonde zich in zoo ver gevoelig voor diens smart, dat hij zijne hand nam, maar overigens bleef hij onbewegelijk staan en niemand durfde hem storen.
Eindelijk wendde hij de oogen van mijn gelaat af, alsof hij uit een droom ontwaakte, en keek de kamer rond. Daarna sprak hij met zachte stem:
„Wie is die hij? Ik moet zijn naam weten.” Ham keek mij aan en plotseling voer mij een schok door de leden, zoodat ik bijna achterover tuimelde.
„Er wordt iemand verdacht,” hernam baas Peggotty. „Wie is het?”
„Jongeheer Davy!” smeekte Ham. „Ga een oogenblik naar buiten en laat mij hem vertellen wat ik verplicht ben. Gij behoeft het niet te hooren.”
Opnieuw voelde ik dien schok. Ik zonk in een stoel neer en trachtte een antwoord te vinden, maar mijne tong was verlamd en er lag een floers voor mijn oogen.
„Ik moet zijn naam weten,” hoorde ik nogmaals zeggen.
„Eenigen tijd geleden,” stotterde Ham, „is hier nu en dan een knecht geweest. Ook is er een heer geweest. Zij behoorden bij elkander.”
Baas Peggotty stond nog onbewegelijk op dezelfde plaats, maar staarde nu Ham aan.
„Die knecht,” ging Ham voort, „is gisteren avond met ons.... arme meisje.... gezien. Hij heeft zich hier langer dan eene week schuilgehouden. Men dacht dat hij weg was, maar hij hield zich schuil. Blijf toch niet hier, jongeheer Davy, doe het toch niet!”
Ik voelde Peggotty's arm om mijn hals, maar ik zou mij niet hebben kunnen bewegen al was het huis boven mij ingestort.
„Een vreemd rijtuig met vreemde paarden stond van morgen buiten de stad, op den weg naar Norwich, even voor het aanbreken van den dag,” ging Ham voort. „De knecht ging er heen en keerde terug en ging er nogmaals heen. Toen hij er de laatste maal heenging was Em'ly bij hem. En die andere zat in het rijtuig. Dat is die man.”
„In 's Hemelsnaam,” riep baas Peggotty, terwijl hij achteruit deinsde en zijne hand uitstak, alsof hij iets van zich wilde afhouden, waarvoor hij bevreesd was, „zeg in 's Hemelsnaam niet dat die man Steerforth heet!”
„Jongeheer Davy,” riep Ham stotterend, uit, „ik beschuldig u geen oogenblik.... gij zijt er geheel onschuldig aan.... maar zijn naam is Steerforth en hij is een verdoemde schurk!”
Baas Peggotty sprak geen woord, stortte geen tranen en bewoog zich niet, tot hij plotseling scheen te ontwaken en zijn overjas van den spijker afrukte.
„Help eens een handje! Ik weet niet wat mij scheelt, maar ik kan het niet doen!” sprak hij op ongeduldigen toon. „Help mij een handje! Goed zoo!”—Een van allen had hem de jas helpen aantrekken.—„Geef mij nu mijn hoed!”
Ham vroeg waar hij heenging.
„Ik ga mijn nichtje opzoeken. Ik ga Em'ly opzoeken. Eerst ga ik die boot in elkaar trappen en laten zinken op dezelfde plek, waar ik hem zou hebben laten verdrinken, zoo waar ik leef, zou hebben laten verdrinken, indien ik geweten had welk een lange ziel in hem stak. Toen hij daar zoo voor mij zat,” vervolgde hij woest, terwijl hij de gebalde rechtervuist uitstak, „toen hij daar zoo voor mij zat... ik mag gekielhaald worden, als ik hem niet had laten verdrinken en gemeend had een goed werk te doen... Ik ga mijn nichtje opzoeken.”
„Waar?” riep Ham, terwijl hij zijn oom in den weg ging staan.
„Overal! Ik ga mijn nichtje opzoeken... door de geheele wereld! Ik ga mijn nichtje opzoeken in hare schande en breng haar terug. Houdt mij niet tegen! Ik zeg u, ik ga mijn nichtje opzoeken!”
„Neen, neen!” riep juffrouw Gummidge, terwijl zij luid schreiende voor hem op de knieën viel. „Neen, neen, Dan, niet in dezen toestand. Ga haar over eenige dagen opzoeken, mijn beste ongelukkige Daniël, dat zal veel beter zijn! Maar niet in deze stemming! Ga zitten en schenk mij vergiffenis omdat ik u altijd tot last ben geweest, Daniël! Wat beteekenen mijne narigheden bij dit ongeluk! Laat ons praten over den tijd, toen zij pas een weesje was en toen Ham pas een wees was en toen gij mij, als arme, verlaten weduwe, in uw huis naamt, Dan. Dat zal balsem zijn op uw arme hart,”—zij legde haar hoofd tegen hem aan, „dat zal u troost schenken in uw bitter verdriet, want gij kent het woord, Daniël: ‚Gelijk gij aan de minste van deze gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan,’ dat kan nimmer falen onder dit dak, waaronder wij allen zoo vele, vele jaren een schuilplaats hebben gevonden.”
Hij was kalm geworden door deze toespraak en toen ik hem hoorde schreien, maakte de opwelling om voor hem op de knieën te vallen en hem vergiffenis te smeeken voor de ellende, die ik over hen had gebracht, en om Steerforth te vervloeken, plaats voor een beter gevoel. Mijn overkropt gemoed vond dezelfde verlichting—ik barstte in tranen uit.
XXXII
Het begin van een lange reis.
Hetgeen in mij natuurlijk is, is het bij vele andere menschen ook, naar ik vermoed; daarom aarzel ik niet neer te schrijven, dat ik nooit zooveel van Steerforth gehouden had, als toen de band tusschen ons voor eeuwig verbroken was. In mijne bittere droefheid na de ontdekking van zijn onwaardig gedrag dacht ik meer dan ooit aan hetgeen, waardoor hij boven anderen uitblonk, aan al zijne goede eigenschappen, ik deed meer recht aan de hoedanigheden, die een man met een edel karakter en een grooten naam van hem gemaakt zouden hebben, dan ik ooit gedaan had in den tijd, toen ik de grootste vereering voor hem koesterde. Hoe diep ik ook gevoelde welk een, hoewel onwillekeurig, aandeel ik gehad had in zijn misdrijf, waardoor hij den eerlijken naam van deze gastvrije woning had geschandvlekt, ik geloof toch, dat ik hem geen enkel verwijt zou hebben kunnen doen, wanneer ik tegenover hem gestaan had. Hoewel hij niet meer dien zekeren betooverenden invloed op mij had, zou ik toch van hem gehouden hebben; de herinnering aan zijne vriendschap kon niet zoo spoedig worden uitgewischt. Ik vermoed dat ik zoo weekhartig zou gestemd zijn geweest als een bedroefd kind, maar nooit zou de gedachte in mij zijn opgekomen dat wij weder vrienden zouden kunnen worden. Ik herhaal dat die gedachte nooit in mij is opgekomen. Ik voelde het, evenals hij het gevoeld had, dat alles uit was tusschen ons beiden. Ik heb nooit geweten welke herinnering hij van mij bewaard heeft—och, die is misschien vaag genoeg geweest om spoedig uitgewischt te zijn—maar de mijne van hem was die van een dierbaren vriend die gestorven was.
Ja, Steerforth moge reeds lang van het wereldtooneel zijn afgetreden, de smart, die hij mij en, veel meer nog, dien anderen heeft aangedaan, moge voor den troon des Eeuwigen Rechters getuigenis tegen hem hebben afgelegd, geen toornige gedachte, geen verwijt van mij zullen hem treffen.
Het nieuwtje was spoedig genoeg door de stad verspreid; zoo zelfs dat, toen ik den volgenden morgen de straten doorliep, de menschen er op den stoep hunner woning over stonden te praten.
Over haar oordeelden velen zeer hard, over hem minder, maar haar tweede vader en haar verloofde wekten de algemeene deelneming op. Onder alle klassen werd met den grootsten eerbied over hen gesproken en de droevige geschiedenis met zachtheid en kieschheid behandeld. De schippers bleven op een afstand, toen zij hen te zamen in den vroegen morgen langs het strand zagen wandelen en bleven onder elkander praten, vol medelijden over het ongeluk, dat hen getroffen had.
Ik vond hen aan het strand, dicht bij de zee. Het was hen aan te zien dat zij dien nacht niet geslapen hadden; ik zou dit ook opgemerkt hebben al had Peggotty mij niet verteld, dat zij des morgens nog op dezelfde plek zaten als waarop ik hen den vorigen avond verlaten had. Zij zagen er afgemat uit en, naar het mij voorkwam, was baas Peggotty's gestalte meer gebogen in dezen éénen nacht dan in al den tijd, dien ik hem gekend had. Zij waren echter beiden even ernstig en zwijgend als de zee zelve, die op dit oogenblik zoo glad was als een spiegel onder den donkergrijzen hemel; hoewel er toch eenige deining was alsof zij ook in haar rust nog ademhaalde, terwijl de horizon door een breede, lichtende streep was aangegeven.
„Wij hebben lang en breed gesproken over hetgeen ons te doen staat,” zei baas Peggotty nadat wij met ons drieën eenigen tijd zwijgend langs het strand hadden gewandeld. „Wij weten echter nog niet welken koers wij uit moeten.”
Ik wierp toevallig een blik op Ham's gelaat, die naar het licht in de verte stond te turen, en op dit oogenblik kwam er eene vreeslijke gedachte in mij op; wel lag er geen toornige uitdrukking op zijn gelaat, maar het verried zooveel kalme vastberadenheid, dat ik niet kon nalaten te denken: „Indien hij ooit Steerforth ontmoet zal hij hem dooden.”
„Mijn plicht is hier afgedaan, mijnheer,” hernam baas Peggotty, „ik ga heen om mijn—,” hij hield even op en ging toen met vaster stem voort, „ik ga heen om mijn nichtje te zoeken; dat is mijn eerste plicht.” Hij schudde het hoofd, toen ik vroeg waar hij haar wilde zoeken, en informeerde of ik den volgenden dag naar Londen terugging. Ik antwoordde dat ik dienzelfden dag reeds zou zijn vertrokken, indien ik niet gevreesd had de gelegenheid te zullen missen om hem op de eene of andere wijze van dienst te kunnen zijn, maar dat ik ieder oogenblik gereed was om met hem te vertrekken.
„Indien het u schikt zal ik morgen met u medegaan, mijnheer,” besloot hij.
Nogmaals wandelden wij zwijgend eenigen tijd rond.
„Ham,” hernam hij een oogenblik later, „zal aan zijn werk blijven en bij mijne zuster wonen. De oude boot ginds....”
„Wilt gij de oude boot verlaten, baas Peggotty?” vroeg ik vriendelijk.
„Mijn post, jongeheer Davy,” antwoordde hij, „is niet langer daar ginds, maar ik wil niet dat de boot verlaten zal worden. Ver van daar!” Wij wandelden nog eenigen tijd heen en weer, evenals te voren, tot hij voortging:
„Ik verlang, mijnheer, dat de boot er dag en nacht, winter en zomer, zal uitzien zooals ze er altijd heeft uitgezien, zoolang zij er gewoond heeft. Mocht zij ooit terugkeeren, dan moet zij de oude woning nog kunnen vinden, begrijpt gij? Dan moet die haar hoe langer hoe meer tot zich trekken, en haar toelachen te midden van wind en regen en haar naar haar oude plekje aan den haard lokken. En wanneer zij daar dan niemand vindt dan juffrouw Gummidge, dan zal zij moed vatten en binnenkomen en haar oude bedje opzoeken, om haar vermoeid hoofdje te laten rusten.”
Ik kon niets antwoorden, hoewel ik beproefde eenige woorden te zeggen.
„Elken avond,” vervolgde baas Peggotty, „even geregeld als de zon ondergaat, moet de kaars op het oude plekje voor het venster staan, opdat zij het pad kan vinden en het haar toeschijne, alsof haar reeds van verre werd toegeroepen: ‚Kom terug, mijn kind, kom terug!’ En als er ooit geklopt wordt, Ham,—zoo zachtjes—aan de deur van uwe tante, doe dan niet open. Laat zij mijn gevallen kind opendoen—gij niet!”
Hij liep een weinig vooruit en bleef eenige oogenblikken vóór ons. Ik sloeg een blik op Ham's gelaat en ziende, dat er nog steeds dezelfde uitdrukking op lag en dat zijn oogen nog altijd op den horizon gevestigd waren, raakte ik even zijn arm aan. Tweemaal riep ik hem bij zijn naam, zooals men iemand uit den slaap zou gewekt hebben, eer hij mij scheen te hooren. Toen ik eindelijk vroeg waaraan hij op dat oogenblik zoo ernstig dacht, antwoordde hij: „Aan hetgeen voor mij ligt, jongeheer Davy, en aan de overzij.”
„Aan het leven, dat voor u ligt, bedoelt gij?”—Hij had met een droomerigen blik naar de zee gewezen.
„Ach, jongeheer Davy, ik weet niet goed hoe ik het met mij zelven heb, maar van de overzij schijnt het tot mij te komen—het einde er van, bedoel ik.” Hij keek mij aan als iemand, die plotseling wakker wordt, doch met dezelfde vastberaden uitdrukking.
„Welk einde?” vroeg ik onder den indruk van hetzelfde angstige gevoel als zoo even.
„Ik weet het niet,” zei hij peinzend; „ik dacht er aan, dat alles hier op deze plek is begonnen..... en dat toen het einde is gekomen. Maar het is voorbij, jongeheer Davy, alles!” voegde hij er bij, vermoedelijk als antwoord op mijn angstigen blik, „gij behoeft u niet ongerust te maken over mij, maar ik zie alles nog zoo in een nevel en kan er niet goed uit wijs worden.” Hij bedoelde daarmede dat zijne gedachten nog wat verward waren.
Toen baas Peggotty bleef staan opdat we hem zouden inhalen, deden wij dit zwijgend.
De herinnering aan dezen morgen, in verband met de gedachten, waarmede ik vervuld was, doemde later telkens bij mij op, tot het onverbiddelijk einde op den bestemden tijd kwam.
Wij waren intusschen ongemerkt de oude boot genaderd en traden binnen. Juffrouw Gummidge zat nu niet meer in haar oude hoekje te kniezen, maar was druk bezig met het ontbijt in gereedheid te brengen. Zij nam baas Peggotty den hoed af, zette een stoel voor hem gereed en sprak zoo zacht en zoo vriendelijk, dat ik haar nauwelijks herkende.
„Daniël, beste man,” sprak zij, „gij moet wat gebruiken en uwe krachten bewaren, want zonder deze kunt gij niets uitrichten. Probeer het maar eens, brave man! En als ik u hinder met mijn gerammel,”—zij bedoelde met haar gebabbel—„zeg het dan gerust, Dan.”
Toen zij ons alle drie bediend had, nam zij bij het venster plaats en begon met grooten ijver eenige hemden en andere kleedingstukken van baas Peggotty te verstellen, waarna zij alles netjes opvouwde en in een zak van geolied zeildoek bijeenpakte, zooals de matrozen medenemen, wanneer zij aan boord gaan. Zij praatte intusschen op dezelfde kalme wijze voort:
„Gij weet, Dan, dat ik hier altijd te vinden zal zijn, al blijft gij ook jaren weg, en alles doen zal overeenkomstig uw verlangen. Ik heb wel weinig geleerd, maar ik zal u dikwijls schrijven en mijn brieven aan jongeheer Davy zenden. Wellicht zult gij mij ook nu en dan eens schrijven, Dan, en mij vertellen hoe gij 't hebt op uwe eenzame, treurige reis.”
„Ik vrees dat gij 't hier ook heel eenzaam hebben zult,” zei baas Peggotty.
„Neen, neen, Dan,” antwoordde zij, „dat zal ik niet. Denk niet aan mij. Ik zal genoeg te doen hebben met het huis in orde te houden tot gij terugkomt, met alles in orde te houden voor ieder, die zou willen terugkomen, Dan. Als het mooi weer is, ga ik aan de deur staan, zooals ik altijd placht te doen. Mocht zeker iemand hier aankloppen, dan zal zij in de verte reeds zien, dat de oude weduwvrouw trouw op haar post is.”
Welk een verandering had daar in weinige uren bij juffrouw Gummidge plaats gegrepen! Zij was een ander mensch geworden. Zij was zoo vol toewijding; zij wist zoo goed te onderscheiden wat zij zeggen kon en wat zij moest zwijgen; zij vergat zich zelve zoo geheel en ging zoo op in het verdriet van de anderen, dat ik haar zwijgend eene eerbiedige hulde bracht. En wat deed zij dien dag al niet af! Allerlei dingen moesten van het strand naar huis worden gebracht, zooals riemen, netten, zeilen, touwwerk, boomen, potten met kreeften, zakken met ballast, en zoo meer; en hoewel er hulp in overvloed was,—er waren handen genoeg, die voor baas Peggotty wilden werken, zonder eenige belooning dan de vraag om het te doen—bleef zij den ganschen dag zwoegen onder vrachten, waarvoor zij niet berekend was en deed zij allerlei onnoodige boodschappen. In stede van te jammeren over haar eigen rampen, scheen zij vergeten te hebben dat zij ze had. Te midden van haar droefenis spreidde zij eene opgewektheid ten toon, waarover ik mij telkens moest verbazen. Geen spoor van de gewone wreveligheid. Den geheelen dag haperde haar stem geen oogenblik, noch bespeurde ik een enkelen traan; maar toen de schemering was ingevallen en zij met baas Peggotty en mij alleen was en baas Peggotty van vermoeidheid in slaap was gevallen, brak zij in snikken uit. Zij nam mij mede naar de deur en zeide zij: „God zegen u, jongeheer Davy, wees den armen, besten man altijd een vriend en een steun!” Daarna snelde zij het huis binnen om haar gezicht te wasschen, opdat hij haar kalm aan haar werk zou vinden als hij wakker werd. Kortom, toen ik dien avond heenging, wist ik dat zij een steun en eene troost zou zijn voor baas Peggotty en ik kon niet lang genoeg nadenken over de les, die juffrouw Gummidge mij gegeven en de nieuwe ervaring, die ik door haar opgedaan had.
In een treurige stemming wandelde ik tusschen negen en tien uur door Yarmouth's straten en bleef voor de deur van mijnheer Omer staan. Zijne dochter vertelde mij, dat haar vader zich het voorgevallene zoo had aangetrokken, dat hij den geheelen dag ongesteld was geweest en zonder pijp naar bed was gegaan.
„Zij is eene valsche, laaghartige meid,” zei juffrouw Joram. „Zij is altijd slecht geweest, altijd!”
„Zeg dat niet,” antwoordde ik. „Gij meent het toch niet.”
„Ja, dat doe ik wel!” riep juffrouw Joram toornig uit.
„Neen, neen,” zei ik kalm.
Juffrouw Joram wierp het hoofd in den nek en deed haar best om zoo boos en zoo stuursch mogelijk te kijken, maar zij kon haar beter-ik niet onderdrukken en begon te schreien. Ik was nog jong, dat is waar; maar deze uiting van medelijden deed mij goed en ik verbeeldde mij, dat haar die, als deugdzame vrouw en moeder, veel beter stond!
„Wat moet er van haar worden!” snikte zij. „Waarheen zal zij gaan? Wat kan zij beginnen? O, hoe kon zij zoo wreed zijn voor zich zelve en voor hem!”
Ik herinnerde mij den tijd toen Minnie zelve nog een jong en mooi meisje was en het verheugde mij te zien, dat zij zich dat ook herinnerde en zooveel medelijden toonde.
„Mijn kleine Minnie,” sprak zij, „is juist in slaap gevallen, maar in haar slaap snikte zij nog omdat Emily weg is. Den geheelen dag heeft zij geschreid en mij telkens en telkens weer gevraagd waarom Emily ondeugend is. En wat kan ik haar antwoorden, als ik bedenk hoe Emily den laatsten avond, dien zij hier doorbracht, nog een lint van haar eigen hals om dien van het kind bond en naast haar op het kussen bleef liggen totdat het in slaap was. Het kind draagt het lint nog; dat is misschien wel niet zooals het behoort, maar wat kan ik er aan doen? Emily heeft slecht gehandeld, maar zij hielden zooveel van elkander, zij en het kind! En het kind weet er niets van!”
Juffrouw Joram was zoo van streek, dat haar man in den winkel kwam om haar tot kalmte te brengen. Ik liet hen alleen en ging naar de woning van Peggotty, zoo mogelijk nog treuriger gestemd dan te voren. Dat goede schepsel—ik bedoel Peggotty—hoewel nog onder den indruk van haar eigen treurigheid en van de vele slapelooze nachten, was naar haar broeder gegaan, bij wien zij tot den volgenden morgen dacht te blijven. Er was niemand in huis dan eene oude vrouw, die in den laatsten tijd het werk gedaan had, toen Peggotty daartoe niet in staat was geweest. Aangezien ik hare diensten niet noodig had, liet ik haar naar bed gaan, waartoe zij zich volstrekt niet ongenegen betoonde, en bleef nog eenigen tijd bij het keukenvuur zitten, ten einde al het voorgevallene te overpeinzen. Ik haspelde alles dooreen, Emily's vertrek, het sterfbed van Barkis en dreef in gedachten met het tij mede naar de overzijde, waarheen Ham's blik dien morgen gewend was geweest, toen ik plotseling uit mijne droomerijen werd opgewekt door geklop op de deur. Er was een klopper op de buitendeur, maar deze had het geluid niet veroorzaakt. Er was met de hand geklopt op het onderste gedeelte van de deur, alsof een kind het gedaan had.
Ik sprong zoo verschrikt op, alsof de lakei van een of ander voornaam persoon had aangeklopt; maar toen ik de deur opende en naar beneden keek, zag ik in het eerste oogenblik niets dan een reusachtige paraplu, die daar op en neer scheen te wandelen. Weldra ontdekte ik echter, dat niemand anders dan juffrouw Mowcher de draagster was.
Vermoedelijk zou ik dit wonderlijk schepseltje niet heel vriendelijk ontvangen hebben, indien zij, na vergeefsche pogingen in het werk gesteld te hebben om de paraplu dicht te doen, dezelfde kluchtige uitdrukking op haar gelaat had gehad, die mij bij onze eerste en eenige ontmoeting zoo had getroffen. Maar toen ik haar met haar regenscherm—die eerder voor een reusachtigen Ier dan voor haar bestemd scheen—geholpen had, keek zij mij zoo ernstig aan en wrong zij hare kleine handjes zoo wanhopend, dat ik onmiddellijk in eene welwillende stemming geraakte.
„Juffrouw Mowcher,” vroeg ik, na de ledige straat te hebben afgekeken, zonder te weten wat ik eigenlijk nog meer verwachtte te zien, „wat komt gij hier doen? Wat scheelt er aan?”
Zij beduidde mij met haar korte rechter armpje, dat ik haar de paraplu zou afnemen en ging mij daarna voorbij naar de keuken. Toen ik de deur gesloten had, volgde ik haar met de paraplu in de hand en vond haar op een hoekje van den haardrand zitten—het was een breede, lage rand, die aan de hoeken breed uitliep, ten einde er borden op te kunnen plaatsen—in de schaduw van een grooten, koperen ketel, terwijl zij haar lichaam onophoudelijk vooruit en achteruit bewoog en met de handen over hare knieën wreef als iemand, die hevige pijn lijdt.
Ik was er een weinig verlegen mede, dat ik alleen zulk ontijdig bezoek ontvangen en van dit zonderling gedrag getuige zijn moest en riep nogmaals uit: „Maar zeg mij dan toch, juffrouw Mowcher, wat u scheelt! Zijt gij ziek?”
„Beste jongen,” antwoordde juffrouw Mowcher met de hand op het hart, „ik ben ziek, hier, erg ziek. O, het is zoo vreeselijk te moeten bedenken, dat het zoover gekomen is, terwijl ik het had kunnen verhinderen, als ik niet zulk eene onbedachtzame zottin geweest was!”
Opnieuw begon haar groote hoed, die, op den rand gezet, bijna zoo groot was als het geheele persoontje, voor- en achterwaarts te gaan evenals haar bovenlichaam; terwijl een hoed van reusachtige afmetingen dezelfde beweging op den muur maakte.
„Het verbaast mij,” begon ik, „u zoo ernstig en zoo wanhopend te zien....” Zij viel mij terstond in de rede:
„Ja, zoo is het altijd,” sprak zij. „Al die onbedachtzame jonge menschen zijn verbaasd, wanneer zij een weinig natuurlijk gevoel ontdekken in zulk een klein ding als ik ben. Zij beschouwen mij als een stuk speelgoed, vermaken zich met mij en smijten mij weg, wanneer zij mij moe zijn; terwijl zij zich verbazen als ik meer gevoel heb dan een houten paardje of een tinnen soldaatje. Ja, ja, zoo is het! Zoo gaat het altijd!”
„Dat moge bij anderen zóo zijn,” antwoordde ik, „maar ik verzeker u, dat het bij mij niet zoo is. Wellicht had ik niet verbaasd mogen zijn toen ik u zoo zag, maar ik ken u nog zoo weinig. Ik sprak een weinig onbedachtzaam uit, hetgeen ik dacht.”
„Wat kan ik doen?” hernam het kleine vrouwtje opstaande, terwijl zij hare armpjes uitstak om te toonen, hoe klein zij was. „Zie! Wat ik ben, is mijn vader geweest en zijn mijn broeder en mijne zuster ook. Ik heb hard gewerkt voor mijn broeder en zuster, mijnheer Copperfield, jaren achtereen. Ik moet leven en doe geen mensch onrecht aan. En indien er sommige menschen zoo wreed, zoo onbarmhartig zijn om den spot met mij te drijven, wat blijft mij dan over dan met mij zelve en met hen en met alles den spot te drijven? Wiens schuld is het, als ik het nu en dan doe? De mijne?”
„Neen, de uwe niet,” antwoordde ik.
„Had ik een gevoelig hart getoond aan uw valschen vriend,” vervolgde zij, terwijl zij haar hoofd schudde en mij met een ernstigen, bijna verwijtenden blik aankeek, „zou hij mij dan ooit geholpen hebben? Zou ik dan ooit op zijn gunst hebben mogen rekenen? Als de kleine Mowcher, die toch niet kan helpen, dat zij zoo mismaakt is, zich om haar ongelukkigen toestand tot hem en zijns gelijken gewend had, zou haar zwakke stem dan ooit zijn gehoord? En toch zou diezelfde kleine Mowcher hebben moeten leven, al was zij de domste en ongenaakbaarste van alle dwergen geweest. Zij zou naar haar brood hebben kunnen fluiten, tot zij zich dood gefloten had. Neen, neen, dat kon niet!”
Juffrouw Mowcher nam opnieuw plaats op den haardrand, haalde haar zakdoek te voorschijn en wischte haar oogen af.
„Verheug u met mij, indien gij het hart op de rechte plaats hebt—waaraan ik niet twijfel—,” sprak zij, „dat ik vroolijk en tevreden zijn kan, niettegenstaande ik weet wat ik ben. Ik ben in elk geval blijde, dat ik mijn weg kan vinden door de wereld, zonder van iemand afhankelijk te zijn; al wat mij uit spotternij of uit onbedachtzaamheid naar het hoofd wordt geworpen, laat mij koud. Het is voor mij zelve het best en tot niemand's nadeel, dat ik maar niet peins of mok over hetgeen ik missen moet. Ik ben nu eenmaal voor u, reuzen, een stuk speelgoed; het eenige wat ik vraag, is: behandel mij niet te ruw.”
Juffrouw Mowcher stak den zakdoek in den zak en keek mij strak aan terwijl zij vervolgde:
„Ik zag u juist voorbijkomen, maar ik kon u met mijn kleine beentjes en mijne zwakke borst niet bijhouden, veel minder inhalen; ik giste echter waar gij heengingt en liep u na. Ik ben vandaag al eenmaal hier geweest, maar de goede vrouw was niet thuis.”
„Kent gij haar?” vroeg ik.
„Ik weet veel van haar,” antwoordde zij, „door Omer en Joram. Ik was daar van morgen om zeven uur al. Herinnert gij u wat Steerforth zei omtrent dat ongelukkige meisje, toen ik u beiden in het logement bezocht?”
De groote hoed op het hoofd van juffrouw Mowcher en de nog grootere op den muur hervatten hunne voor- en achterwaartsche bewegingen, toen zij deze vraag deed.
Ik herinnerde mij zeer goed wat zij bedoelde, want ik had tallooze malen aan dit gesprek gedacht.
„Moge zijne straf niet uitblijven,” zei het kleine vrouwtje, terwijl zij haar voorsten vinger eenige oogenblikken tusschen mij en haar schitterende oogjes hield, „maar die schurk van een knecht verdient tienmaal meer straf. Ik meende toen dat gij zoo'n beetje kalverliefde voor haar hadt opgevat?”
„Ik?”
„Kind, kind!” riep juffrouw Mowcher, terwijl zij, ongeduldig de handen wringend, op den haardrand heen en weer zwaaide, „hoe is het mogelijk dat gij haar zoo prijzen kondt, dat gij zoo verlegen werdt en zoo bloosdet!”
Ik kon voor mij zelven niet verhelen dat ik dit gedaan had, hoewel de aanleiding eene andere was dan ik vermoedde.
„Wat wist ik er van!” zei juffrouw Mowcher, terwijl zij nogmaals haar zakdoek te voorschijn haalde en met haar kleine voetje op den grond stampte, telkens wanneer zij den zakdoek naar de oogen bracht. „Hij plaagde en vleide u en gij waart als was in zijne handen; dat zag ik zeer goed. Ik was nog geen minuut de kamer uit, of die knecht vertelde mij al, dat ‚die jeugdige onschuld’—zoo noemde hij u, maar gij moogt hem uw leven lang ‚oude schuld’ noemen—verliefd op haar was en dat zij een wispelturig ding was en hem aanmoedigde, maar dat zijn heer besloten had het te verhinderen—meer om uwentwil dan om haar—en dat zij om die reden hier waren. Wat kon ik anders doen dan geloof slaan aan zijn verhaal? Ik hoorde Steerforth haar lof verkondigen om u genoegen te doen. Gij waart de eerste, die haar naam noemde, ja, gij verteldet zelfs dat gij haar altijd bewonderd hadt. Gij werdt warm en koud, rood en bleek, toen ik met u over haar sprak. Wat kon ik denken—wat dacht ik anders, dan dat gij nog weinig ondervinding hadt opgedaan en in handen waart gevallen van iemand, die ervaring genoeg had en u, tot uw eigen bestwil, voor een dwazen stap zou behoeden. O! o! o! Gij waart bevreesd dat ik de waarheid zou ontdekken!” riep zij, van den haardrand afstappende. Zij liep nu in de keuken op en neer en hield als in wanhoop de kleine armpjes in de hoogte. „Ja,” vervolgde zij, „gij waart bevreesd omdat ik zoo'n klein slim ding ben—dat moet ik wel zijn, wil ik mij zelf door de wereld helpen—en zij bedrogen mij, de een voor de ander na; en ik bezorgde het ongelukkige meisje een brief, die—daarvan ben ik overtuigd—de oorzaak was dat zij ooit met Littimer in aanraking is gekomen. Om die redenen is Littimer achtergebleven—daar valt niet aan te twijfelen!”
Ik stond verbaasd over zulk eene opeenstapeling van valschheid en trouweloosheid, terwijl ik voortdurend het oog gevestigd hield op juffrouw Mowcher, die in de keuken bleef op- en neerloopen tot zij geheel buiten adem was. Toen zij weder op den haardrand had plaats genomen, haalde zij opnieuw haar zakdoek te voorschijn en schudde langen tijd het hoofd, zonder een woord te spreken.
„Op mijn rondreis,” hernam zij ten laatste, „kwam ik ook te Norwich, mijnheer Copperfield. Dat was eergisteren avond. Hetgeen ik daar vernam van hun doen en laten gedurende de laatste dagen, scheen mij verdacht toe. Nu gij niet bij hen waart vermoedde ik dat er iets achter schuilde. Ik vertrok daarom gisterenavond met de diligence naar Londen en kwam van morgen hier aan. Te laat, helaas!”
De arme, kleine Mowcher werd zoo rillerig van het schreien, dat zij zich op den haardrand omkeerde en hare kleine voetjes in de asch stak om ze te warmen en zooals zij daar in het vuur zat te staren, leek zij een groote pop. Ik zat aan den anderen kant van den haard, verdiept in allerlei sombere gedachten, en keek nu eens in het vuur, dan weder naar mijne bezoekster.
„Ik moet weg,” sprak zij eindelijk opstaande. „Het is laat. Gij wantrouwt mij immers niet?” voegde zij er bij.
Toen ik haar scherpen blik ontmoette, zoo scherp als ik dien nog nooit gezien had, kon ik onmogelijk rondborstig „neen” antwoorden op hare vraag.
„Komaan!” sprak zij, mijn aanbod om haar te helpen dankbaar aannemende, „gij zoudt mij niet wantrouwen indien ik eene gewone vrouw was.” Zij keek mij bij deze woorden strak aan.
Ik voelde dat er veel waarheid in dit gezegde was gelegen en keek een weinig beschaamd voor mij.
„Gij zijt een jonge man,” vervolgde zij knikkende. „Neem een raad aan van mij, al ben ik maar drie voet zonder meer. Doe uw best om in een mismaakt lichaam niet altijd een mismaakte ziel te zoeken, tenzij gij er uwe goede redenen voor hebt.”
Zij was intusschen over den haardrand heengestapt en ik over mijn wantrouwen. Ik zei haar, dat ik vertrouwen stelde in de geschiedenis, die zij mij over zich zelve had opgedischt, en dat wij beiden niet anders dan werktuigen geweest waren in arglistige handen. Zij bedankte mij voor deze woorden en noemde mij „een besten jongen.”
„Luister eens!” riep zij, terwijl zij zich op weg naar de deur omwendde en mij met opgeheven vinger tegemoet kwam, „naar hetgeen ik hoorde vertellen heb ik reden om te vermoeden—ik heb mijne ooren altijd wijd geopend, want de vermogens, die mij gegeven zijn, mag ik niet verwaarloozen—dat zij buitenslands zijn gegaan. Maar indien zij ooit terugkeeren, of indien een van beiden terugkeert, is het wel waarschijnlijk—ik kom overal—dat ik het spoedig vernemen zal. Wat ik ooit moge vernemen, zal ik u laten weten. Indien ik dat bedrogen schepseltje ooit den een of anderen dienst kan bewijzen, zal ik het niet nalaten, dat weet de Hemel! En Littimer zal later wel zeggen, dat hij liever een bloedhond achter zich had gehad dan de kleine Mowcher!”
Ik hechtte onvoorwaardelijk geloof aan deze laatste verklaring, toen ik den blik zag, waarmede die vergezeld ging.
„Stel niet meer, doch ook niet minder vertrouwen in mij dan gij in eene gewone vrouw zoudt stellen,” sprak zij op smeekenden toon, terwijl zij haar handje op mijn arm legde. „Mocht gij mij ooit weder ontmoeten en mocht ik mij dan weder voordoen zooals bij gelegenheid van onze kennismaking, neem dan het gezelschap, waarin gij mij vindt, in aanmerking. Bedenk dat ik een hulpeloos, klein schepsel ben, dat zich niet kan verdedigen. Stel u mij voor zooals ik thuis ben met een broeder en eene zuster, die op mij lijken. Wellicht zult gij dan geen hard oordeel over mij vellen of verbaasd zijn, omdat ik ook in eene droevige, ernstige stemming kan verkeeren. Goeden nacht!”
Ik gaf juffrouw Mowcher een hand en had eene geheel andere meening omtrent haar dan ik tot nu toe gekoesterd had. Het opsteken van de groote paraplu was geen gemakkelijke taak, maar eindelijk gelukte het mij toch haar die, behoorlijk in balans, in de hand te geven; en daar zag ik de paraplu, aan een halven luchtballon gelijk, de straat afslingeren, zonder in het minst de onderstelling te wettigen, dat er iemand onder liep, behalve wanneer een stroom water uit een overloopende dakgoot haar naar een zijde deed overhellen en juffrouw Mowcher wanhopende pogingen deed om er recht onder te blijven. Na twee of driemaal de straat te zijn opgegaan om haar te helpen, hetgeen nutteloos bleek, want de paraplu wipte telkens weder voort, nog eer ik haar kon bereiken, ging ik naar binnen, zocht mijn bed op en sliep tot den volgenden morgen.
Baas Peggotty en zijne zuster haalden mij al heel vroeg af en te zamen wandelden wij naar het diligencekantoor, waar juffrouw Gummidge en Ham ons stonden te wachten.
„Jongeheer David,” fluisterde Ham, mij ter zijde nemende, terwijl baas Peggotty voor zijne bagage zorgde, „hij is geheel in de war, hij weet niet waar hij heengaat, hij weet niet wat hij eigenlijk zal doen; hij begint eene reis, die hij, zoo lang hij leeft, zal voortzetten, geloof mij, tenzij hij vindt wat hij zoekt. Ik kan er immers zeker van zijn, dat gij een vriend voor hem blijven zult, jongeheer Davy?”
„Vertrouw gerust op mij,” antwoordde ik, terwijl ik hem met den grootsten ernst de hand drukte.
„Dank u, dank u hartelijk, mijnheer. Nog iets. Gij weet, ik heb volop werk en kan het geld, dat ik verdien, niet alleen opmaken. Voor mij heeft het geen waarde. Indien gij het op de eene of andere wijze voor hem zoudt kunnen besteden, zou ik met nog meer ijver mijn werk doen. Hoewel, wat dat betreft, mijnheer”—hij sprak zacht doch op vasten toon—„ik zal altijd werken als een man en alles doen wat in mijn vermogen is.”
Ik zei hem, dat ik daarvan overtuigd was en sprak, hoewel aarzelend, de hoop uit, dat er nog eens een tijd zou aanbreken, waarin hij het eenzame leven, dat thans voor hem aanbrak, zou vaarwel zeggen.
„Neen, mijnheer,” zei hij hoofdschuddend, „dat is voorbij. Niemand kan ooit de ledige plaats innemen. Maar gij zult denken aan het geld, nietwaar? Ik zal zorgen, dat er altijd wat voor hem gereed ligt.”
Ik bracht hem in herinnering, dat baas Peggotty van het legaat van zijn zwager een vast, zij het ook niet al te groot inkomen had en beloofde hem aan zijn verlangen gevolg te zullen geven. Daarna namen wij afscheid van elkander. Zelfs nu nog kan ik geen afscheid van hem nemen zonder met weemoed te denken aan den eenvoudigen, jongen man, die zijn groot leed met zooveel moed wist te dragen.
Indien ik beproefde te beschrijven hoe juffrouw Gummidge naast de diligence de straat afliep, op niets anders lettende dan op baas Peggotty, die bovenop zat, met tranen in de oogen, zoodat zij telkens tegen de menschen aanliep, zou ik eene moeilijke taak hebben. Ik doe dus beter haar maar op de stoep van een bakkerswinkel te laten zitten, geheel buiten adem, met een hoed op, waaruit alle fatsoen verdwenen is, terwijl een harer schoenen, een heel eind verder, midden op de straat ligt.
Toen wij het doel van onze reis bereikt hadden, was ons eerste werk om naar een kamer uit te zien voor Peggotty, waar tevens voor haar broeder gelegenheid zou zijn om te slapen. Wij waren zoo gelukkig een paar zindelijke kamers te vinden boven een kruidenierswinkel, niet ver van mij af en tot een matigen huurprijs. Toen wij daar mede gereed waren, kocht ik wat koud vleesch in een gaarkeuken en nam mijne reisgenooten mede naar mijn kamer, hetgeen volstrekt niet de goedkeuring van juffrouw Crupp kon wegdragen, integendeel. Ik moet hierbij echter ter verklaring van juffrouw Crupp's gemoedstoestand doen opmerken, dat zij ten hoogste beleedigd was, omdat Peggotty, nog voor zij tien minuten in huis was, hare rouwjapon opsloeg en mijn slaapkamer begon aan te stoffen. Juffrouw Crupp beschouwde dit als vrijpostigheid en vrijpostigheid, zeide zij, kon zij niet gedogen.
Baas Peggotty had mij onderweg iets medegedeeld, waarop ik niet geheel onvoorbereid was. Hij wilde namelijk allereerst mevrouw Steerforth opzoeken. Aangezien ik mij verplicht achtte hem hierbij behulpzaam te zijn en ook als bemiddelaar op te treden, ten einde haar moederlijk gevoel zooveel mogelijk te sparen, schreef ik haar nog dienzelfden avond een brief. Ik vertelde haar zoo verzachtend mogelijk welk leed hem was aangedaan en welk aandeel ik persoonlijk daarin had gehad. Ik schreef haar, dat hij een man was uit nederigen stand, maar dat hij een open, eerlijk en rechtschapen karakter bezat, ik aarzelde niet de hoop uit te spreken, dat zij hem in zijne bittere droefheid wel te woord zou willen staan. Ik bereidde haar voor op onze komst, te twee uur in den namiddag van den volgenden dag, en bracht zelf den brief naar het postkantoor.
Op het aangeduide uur stonden wij voor de deur—de deur van hetzelfde huis, waar ik eenige dagen geleden zooveel genoegen had gehad; waar ik mijn geheele jonge, warme hart had blootgelegd en thans—thans was het voor mij gesloten voor altijd; het was een ruïne, een verlaten hoop steenen voor mij geworden.
Littimer verscheen niet. Hetzelfde meisje, dat mij bij mijn laatste bezoek bediend had, deed open en ging ons voor naar het salon, waar mevrouw Steerforth ons zat te wachten. Rosa Dartle sloop, toen wij binnenkwamen, uit een anderen hoek van de kamer naderbij en ging achter mevrouw Steerforth's stoel staan.
Het gezicht van de moeder verried mij terstond, dat zij van hem zelven vernomen had wat hij had gedaan. Het was bleek en droeg de sporen van diepere aandoening dan door mijn brief alleen kon zijn opgewekt, die ten minste nog eenigen twijfel zou hebben kunnen achterlaten. Naar het mij toescheen, geleek zij meer op haar zoon dan ooit, en ik voelde meer dan ik zag, dat deze gelijkenis ook mijn reisgenoot had getroffen.
Zij zat daar in haar leuningstoel, zoo deftig, zoo onbewegelijk, dat het scheen alsof niets ter wereld haar zou kunnen verstoren. Toen baas Peggotty voor haar stond, keek zij hem strak aan en Rosa Dartle's scherpe blik was op ons allen tegelijk gericht. Gedurende eenige oogenblikken sprak niemand een woord, waarna mevrouw Steerforth baas Peggotty verzocht plaats te nemen. Hij antwoordde echter met zachte stem: „Het zou onnatuurlijk zijn, mevrouw, indien, ik in dit huis ging zitten. Ik zal liever blijven staan.” Hierop volgde weder stilzwijgen, waarop mevrouw Steerforth zei:
„Ik heb tot mijn diep leedwezen vernomen, wat u hierheen heeft gebracht. Wat wilt gij nu van mij? Wat wilt gij dat ik doen zal?”
Hij nam den hoed onder den arm haalde Emily's brief uit zijn jaszak te voorschijn, vouwde dien open en reikte hem haar over.
„Wees zoo goed, mevrouw, dit te lezen. Mijn nichtje heeft dit zelve geschreven.”
Zij las den brief in dezelfde deftige, onverstoorbare houding—voor zoover ik kon opmerken, schokte de inhoud haar niet—en gaf hem aan baas Peggotty terug.
„Tenzij hij mij terugbrengt als zijne vrouw,” zei baas Peggotty, met den vinger deze woorden aanwijzende. „Ik ben hier gekomen, mevrouw, om te weten of hij zijn woord zal houden?”
„Neen,” antwoordde zij.
„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg baas Peggotty.
„Het is onmogelijk. Hij zou schande brengen over zichzelven. Gij moet toch weten hoe ver zij beneden hem staat!”
„Hef haar dan op!” zei baas Peggotty.
„Zij is onopgevoed en heeft niets geleerd.”
„Het is mogelijk, maar het is ook mogelijk dat zij het niet is. Ik zou meenen—maar ik kan die dingen niet zoo goed beoordeelen—laat haar dan onderwijs geven.”
„Ik had het liever nagelaten, maar nu gij mij noodzaakt mij nader te verklaren, moet ik u zeggen, dat haar lage afkomst zoo iets reeds onmogelijk maakt.... wij zouden betrekkingen moeten aanknoopen met menschen, die ver beneden ons staan....”
„Luister eens, mevrouw,” zoo viel baas Peggotty haar op zachten, kalmen toon in de rede, „gij weet wat het zegt een kind lief te hebben—ik ook. Al ware zij honderd malen mijn eigen kind, dan zou ik niet meer van haar kunnen houden. Gij weet niet wat het zegt een kind te verliezen—ik wel. Indien ik al de rijkdommen van de wereld bezat, zou ik ze willen geven om haar terug te koopen! Red haar van de schande; wij zullen nimmer schande over haar brengen. Geen van ons onder wie zij is opgegroeid, geen van ons, bij wie zij altijd geleefd heeft en die alles voor haar over hebben gehad, zal ooit moeite doen om haar lief gezichtje terug te zien. Wij zullen tevreden zijn, als wij weten waar zij is, als wij aan haar kunnen denken als ware zij ver, ver weg, onder een anderen hemel; wij zullen tevreden zijn als wij haar aan haar echtgenoot.... misschien aan haar kinderen kunnen overlaten, en den tijd afwachten, waarin wij, allen in rang en stand gelijk, zullen staan voor onzen Hemelschen Vader!”
Zijne eenigszins ruwe welsprekendheid maakte ontegenzeggelijk indruk. Wel behield zij den trotschen toon van zoo even, maar er lag toch een zweem van zachtheid in hare stem, toen zij antwoordde:
„Ik wil volstrekt niets rechtvaardigen, evenmin de andere partij beschuldigen; maar het spijt mij te moeten herhalen, dat het onmogelijk is. Zulk een huwelijk zou onvermijdelijk alle vooruitzichten van mijn zoon den bodem inslaan, zijne toekomst verwoesten. Het kan en zal niet plaats hebben, dat staat onherroepelijk vast. Mocht er op de eene of andere wijze eenige.... vergoeding....”
„Ik zie een gelaat voor mij,” zoo viel baas Peggotty haar in de rede, bedaard doch met oogen, die het vuur, dat hem inwendig verteerde, weerkaatsten, „dat sprekend gelijkt op een, waarop mijn oog gerust heeft in mijn eigen huis, aan mijn haard, in mijn boot—en waar al niet?—een gelaat, dat steeds een vriendelijken glimlach vertoonde, terwijl het toch zóó verradelijk was, dat ik moeielijk mijn drift kan intoomen, wanneer ik er aan denk. Indien dat gelaat niet vlammend rood wordt bij het denkbeeld, om mij geld aan te bieden voor de schande en de ellende van mijn kind, dan verbergt het evenveel slechtheid als dat andere. Ja, ik weet niet of het niet slechter is, omdat het aan eene dame toebehoort.”
Nu was zij in een oogenblik veranderd. Een toornige blos verspreidde zich over haar gelaat en, met de handen vast om de leuningen van haar stoel, sprak zij op ongeduldigen toon: „Welke vergoeding kunt gij MIJ geven voor de klove, die zou ontstaan tusschen mijn zoon en mij? Wat beteekent uwe liefde tegenover de mijne? Wat uwe scheiding tegenover de onze?”
Juffrouw Dartle raakte haar even zachtkens aan en boog het hoofd voorover om haar iets in te fluisteren, maar zij wilde geen woord hooren.
„Neen, Rosa, geen woord! Laat die man luisteren naar hetgeen ik te zeggen heb! Is MIJ dan geen onrecht aangedaan? Mijn zoon, aan wien ik mijn gansche leven heb gewijd, die nooit uit mijne gedachten is geweest van zijne geboorte af, wiens minste wenschen ik steeds heb vervuld, van wien ik nooit gescheiden heb geleefd—dat mijn zoon, herhaal ik, verzot wordt op zoo'n ellendige meid en van mij wegloopt! Dat mijn zoon het in hem gestelde vertrouwen moedwillig te leur stelt ter wille van dat schepsel en mij laat achter staan bij haar! Dat hij eerder gehoor geeft aan zulk een ellendige gril, dan aan zijn plicht, dan aan de liefde, de achting, de dankbaarheid—aanspraken, die ik ieder uur, iederen dag van zijn leven meende te mogen doen gelden! Ik herhaal het: Is MIJ dan geen onrecht aangedaan?”
Nogmaals trachtte Rosa haar tot kalmte te brengen, doch zonder eenig succes.
„Ik zeg u, Rosa, geen woord! Indien hij alles op het spel kan zetten ter wille van de eerste de beste, dan kan ik het ter wille van een grooter doel. Laat hem gaan waarheen hij wil met de middelen, die mijne liefde hem verschaft heeft. Meent hij mij te zullen overhalen door lang weg te blijven, dan kent hij zijne moeder slecht. Wil hij thans van zijne gril afzien, dan zal hij mij welkom zijn; doet hij dat niet, dan behoeft hij niet meer terug te komen, dan wil ik hem niet terugzien, zelfs al kon ik door eene enkele beweging van mijne hand hem aan mijn sterfbed krijgen—tenzij hij afstand van haar heeft gedaan en mij nederig vergiffenis vraagt. Dit is mijn recht. Ik eisch dat van hem. Zoo diep is de klove tusschen ons. En kan ik dan niet zeggen,” herhaalde zij op denzelfden hoogmoedigen en ongeduldigen toon en haar bezoeker trotsch aankijkende, „heb ik dan niet het recht te zeggen, dat mij een onrecht is aan gedaan?”
Toen ik de moeder op deze wijze hoorde en zag spreken, meende ik den uitdagenden toon van den zoon te hooren. Ik herkende in haar al de eigenzinnigheid en onverzettelijkheid, waarvan hij zoo menigmaal de bewijzen had gegeven. Ik begreep thans, wie zijn karakter zoo verkeerd had geleid, want de grondslagen van dat der moeder waren aan het zijne gelijk.
Zij wendde zich nu tot mij, even stijf en voornaam als straks, zeggende dat het onnoodig scheen de zaak nog verder te bespreken en het haar aangenaam zou zijn, indien hiermede het onderhoud als geëindigd kon worden beschouwd. Tegelijkertijd stond zij op, maar baas Peggotty gaf haar door een teeken te kennen, dat het onnoodig was.
„Vrees niet, mevrouw, dat ik u nog langer zal lastig vallen, ik heb u niets meer te zeggen,” sprak hij, naar de deur gaande. „Ik kwam hier zonder eenige hoop en ga heen zonder eenige hoop. Ik heb gedaan wat ik meende te moeten doen, maar ik heb van dit bezoek niets goeds verwacht. Dit huis heeft mij en de mijnen te veel leed berokkend, om er, zoo lang ik mijn verstand nog bewaard heb, iets goeds uit te verwachten.”
Na deze woorden gingen wij heen, terwijl zij bij haar leunstoel bleef staan als een fraai standbeeld, want geen spier in haar fijnbesneden gelaat vertrok.
Op onzen terugweg moesten wij een met marmer geplaveide gang doorgaan, met glazen dak en wanden, waartegen een wingerd was geleid. Ranken en bladeren waren reeds groen en aangezien het een warme, zonnige dag was, stonden eenige deuren, die op den tuin toegang gaven, open. Door een van deze naderde Rosa Dartle ons met onhoorbare schreden en toen zij dichtbij mij was, sprak zij:
„Gij hebt goed gedaan, waarlijk goed gedaan door dien man hier te brengen.”
Nooit had ik dat gelaat in staat geacht om zooveel woede en verachting uit te drukken, als er op dit oogenblik in hare koolzwarte oogen te lezen was. Het litteeken door den hamer teweeggebracht was, zooals gewoonlijk, wanneer zij in eene opgewonden stemming verkeerde, duidelijk zichtbaar. En toen dat verraderlijke kloppen, waarvan ik vroeger ook eens getuige was geweest, weder begon, gaf zij zich zelve met de vlakke hand een klap op de wang.
„Is dat nu een kerel om in bescherming te nemen en hier heen te brengen?” riep zij. „Gij zijt wel een trouw vriend!”
„Juffrouw Dartle,” gaf ik ten antwoord, „gij zult toch wel niet zoo onrechtvaardig zijn om mij te veroordeelen?”
„Waarom brengt gij verdeeldheid tusschen deze twee dolle schepsels?” vroeg zij. „Weet gij dan niet, dat zij beiden half krankzinnig zijn van trots en eigenzinnigheid?”
„Is dat mijn schuld?” vroeg ik.
„Zeker is het uwe schuld!” hernam zij. „Waarom brengt gij dien kerel hier?”
„Deze man is zwaar beleedigd, juffrouw Dartle; dat zeg ik u, zoo gij het nog niet weten mocht.”
„Ik weet dat James Steerforth,” sprak zij met de hand op het hart alsof zij den storm, die daar binnen woedde, wilde bezweren, „een valsch en doortrapt gemeen hart heeft en een verrader is. Maar wat geef ik om dien kerel en zijne gemeene nicht?”
„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik. „Gij hoopt de eene beleediging op de andere. Het is nu genoeg. Ik wil u alleen nog zeggen, dat gij dezen man onrecht aandoet.”
„Ik doe hem geen onrecht aan!” antwoordde zij. „Het is een slechte, ontaarde troep. Ik zou die meid wel willen geeselen!”
Baas Peggotty liep zonder een woord te zeggen naar de deur en verliet de woning.
„Schaam u, juffrouw Dartle, schaam u toch!” riep ik verontwaardigd uit. „Hoe is het mogelijk iemand, wien zoo onverdiend een ongeluk getroffen heeft, nog bovendien te trappen!”
„Ik zou hen allen te zamen willen vertrappen,” antwoordde zij. „Ik zou hun huis willen omverhalen. Ik zou haar gezicht willen brandmerken en haar in lompen gehuld de straat opzenden om van honger te sterven. Kon ik haar vonnis vellen dan zou het zoo luiden. Wat? Ik zou het zelve ten uitvoer brengen! Ik heb een afschuw van haar! Wist ik maar waar ik haar vinden kon, dan zou ik haar opzoeken en haar hare schande voor de voeten werpen! Kon ik haar maar vervolgen tot in het graf, dan zou ik het doen! Wanneer er een troostwoord was, dat haar verlichting kon schenken in haar stervensuur, een woord, dat ik alleen kende, ik zou het haar onthouden, al kostte het mij mijn leven!”
De nuchtere opsomming van al deze verwenschingen kan, dat voel ik zeer goed, slechts een flauw begrip geven van de hartstochtelijkheid, waarvan haar geheele voorkomen getuigde, ofschoon hare stem zachter klonk dan gewoonlijk. Ik zou onmogelijk eene beschrijving van haar kunnen geven, zoo als zij mij thans nog voor den geest staat, geheel overmeesterd door toorn en—jaloezie. In mijn later leven heb ik den hartstocht leeren kennen in tallooze vormen, maar nooit zag ik iemand in een toestand als Juffrouw Dartle op dezen dag.
Ik had baas Peggotty, die langzaam en peinzend den heuvel afdaalde, weldra ingehaald. Zoodra ik bij hem was, vertelde hij mij, dat nu hij zijn gemoed had ontlast van hetgeen hij te Londen doen moest, de reis nog dezen avond zou worden aangevangen. Op mijne vraag waar hij het eerst dacht heen te gaan, antwoordde hij: „Ik ga mijn nichtje zoeken, mijnheer.”
Toen wij op de kamers boven den kruidenierswinkel waren teruggekeerd, was ik in de gelegenheid Peggotty te vertellen wat hij op mijne vraag geantwoord had, waarop zij mij meedeelde dat zij dien morgen hetzelfde bescheid had gekregen. Zij wist van zijn plannen niet meer dan ik, maar vermoedde wel dat hij er een gemaakt had.
Ik kon niet besluiten hem in deze omstandigheden te verlaten, zoodat wij met elkander het middagmaal gebruikten, bestaande uit een biefstukpastei—een van de goede dingen waarvoor Peggotty beroemd was—die ditmaal bijzonder gekruid was door een geur van thee, koffie, boter, spek, kaas, versch brood, brandhout, kaarsen en soja, waarvan het geheele huis doortrokken was. Na het eten bleven wij ongeveer een uur, zonder veel te praten, voor het venster zitten, en toen stond baas Peggotty op, haalde zijn reistasch van gewaste taf en zijn dikken stok en legde die op de tafel. Zijne zuster gaf hem als een voorschot op zijn legaat eene som geld, naar mijne meening, even voldoende om eene maand van te leven. Hij beloofde mij te zullen schrijven wanneer hem iets bijzonders overkwam, waarna hij zijn reistasch omhing, hoed en stok opnam en ons vaarwel zei.
„Ik wensch u alles goeds, best oudje,” zei hij, Peggotty omhelzende, „en u ook, jongeheer David!” Hij schudde mij de hand. „Ik ga haar opzoeken, wijd en zijd. Mocht zij terugkomen, terwijl ik weg ben—och dat zal wel niet gebeuren!—of mocht ik haar terugbrengen, dan moeten wij met haar ergens gaan wonen en sterven, waar niemand haar kan verwijten wat zij gedaan heeft. Onthoud het goed—het zou kunnen zijn dat mij een ongeluk trof—mijn laatste woord, dat ik voor haar achterlaat, is: „Ik heb mijn lief kind nog even lief als altijd en schenk haar vergiffenis.””
Hij zei dit op plechtigen toon, blootshoofds; waarna hij zijn hoed opnam en de trap afging. Wij volgden hem tot aan de deur. Het was een warme, mistige avond, juist op een tijdstip, waarop gedurende eenige oogenblikken een stilstand was in den stroom van voetgangers en een roode zonnestraal tot in het straatje, waar de kruidenierswinkel was, doordrong. Geheel alleen ging hij op weg en wij staarden hem na tot hij om den hoek van de straat verdween.
Zelden keerde dit avonduur terug, zelden werd ik des nacht wakker, zelden keek ik op naar de maan en de sterren, noch staarde ik op den neervallenden regen, noch hoorde ik den wind loeien, of ik dacht aan den eenzamen man, die daar als een arme pelgrim ronddoolde en dan herhaalde ik zijn laatste woorden:
„Ik ga haar zoeken wijd en zijd. Onthoudt het goed—het zou kunnen zijn dat mij een ongeluk overkwam—mijn laatste woord, dat ik voor haar achterlaat, is: „Ik heb mijn lief kind nog even lief als altijd en schenk haar vergiffenis.””
XXXIII. Zaligheid
Niettegenstaande al deze verwikkelingen was mijne verliefdheid op Dora grooter en grooter geworden. Te midden van alle droefenis en teleurstelling was de gedachte aan haar mijn eenige troost; zelfs vergoedde mij die het verlies van mijn vriend. Hoe meer medelijden ik met mij zelven of met anderen had, hoe meer troost ik zocht en vond in het beeld van Dora. Hoe grooter de opeenstapeling van bedrog en verdriet werd in de wereld, hoe schitterender en helderder Dora's ster boven alles uitkwam. Ik geloof niet dat ik eene zuivere voorstelling had van Dora's herkomst noch van haar graad van bloedverwantschap met zekere wezens van een hoogere orde; maar ik ben heilig overtuigd, dat ik het denkbeeld, als zou zij eenvoudig een menschelijk wezen zijn, zooals elke andere jonge dame, met verontwaardiging en verachting van de hand zou hebben gewezen.
Als ik het eens zoo mag uitdrukken, was ik „doortrokken van Dora.” Ik was niet alleen tot over de ooren op haar verliefd, maar door en door van haar verzadigd. Er kon, in overdrachtelijken zin sprekende, genoeg verliefdheid uit mij geperst worden, om iemand in te laten verdrinken; en toch zou er nog genoeg in mij zijn overgebleven, om er mij elk oogenblik aan te laven. Mijn geheele wezen zou toch met Dora vervuld zijn gebleven.
Het eerste, dat ik na mijne terugkomst deed, was een nachtelijke wandeling te ondernemen naar Norwood en daar, evenals in het merkwaardige raadsel uit mijne jeugd geschiedde, voordurend aan Dora denkende, het huis rond te loopen zonder er aan te raken. Als ik mij goed herinner, was de oplossing van dit onbegrijpelijke raadsel „de maan”. Hoe het zij, ik, de maanzieke slaaf van Dora, bleef twee uur om het huis en den tuin rondzwerven, nu eens door de reten in de schutting kijkende, dan weder, door mij op angstverwekkende wijze uit te rekken, mijn kin boven de verroeste spijkers op den muur brengende; terwijl ik telkens kushanden toewierp aan het venster van hare kamer en op romantische wijze den nacht te hulp riep, om mijne Dora te beschermen—waartegen, dat weet ik niet; ik denk tegen brand, maar het kan ook wel tegen muizen geweest zijn, waarvoor zij doodsbang was.
Ik ging zoo geheel op in mijne verliefdheid en het was zoo natuurlijk voor mij Peggotty in vertrouwen te nemen, toen ik haar op zekeren avond met hetzelfde naaigerei uit den ouden tijd op mijne kamer vond zitten, druk bezig met het in orde brengen van mijne garde-robe, dat ik haar rondweg mijn geheim mededeelde. Peggotty luisterde met groote aandacht, maar ik kon haar niet zoover brengen, dat zij de zaak uit hetzelfde oogpunt bekeek als ik. O, zij was zoo bevooroordeeld in alles wat mij betrof en dientengevolge kon zij ook mijn angst, noch mijne neerslachtigheid begrijpen. „Dat jonge meisje mag wel heel blij zijn zulk een aanbidder te hebben,” meende zij. „En wat verwacht haar Papa dan wel voor haar?” vroeg zij bijna verontwaardigd. Ik ontwaarde echter, dat mijnheer Spenlow's proctoriale toga en witte das Peggotty wel een eenigszins lager toon deden aanslaan en haar met grooter eerbied vervulden voor den man, die in mijne oogen meer en meer tot een verhevener soort menschen ging behooren, van wien voor mij zelfs een glans scheen af te stralen, wanneer hij daar statig in het Hof tusschen stapels papieren zat, gelijk een vuurtoren in eene zee van paperassen. Langzamerhand kwam er—ik herinner mij dit zeer goed—een vreemd gevoel bij mij op, wanneer ik, zelf in het Hof zittende, begon in te zien hoe weinig die oude rechters en doctors om Dora zouden gegeven hebben, al hadden zij haar gekend; hoe kalm zij zouden gebleven zijn indien hun een huwelijk ware voorgesteld met Dora, terwijl ik buiten mij zelven van verrukking zou zijn geweest; hoe Dora's zingen en overheerlijk guitaarspel, waarmede zij mij op de grens van krankzinnigheid bracht, die oude suffers geen duimbreed van hun weg zouden hebben gebracht. Ik verachtte hen allen te zamen! Half bevrozen, oude tuiniers tusschen de bloembedden van het hart, o, ik verachtte u allen diep! Het gansche Hof was in mijne oogen niets meer dan een troep vervelende muggenzifters. De Balie boezemde mij niet meer liefde en poëzie in dan de toonbank in eene herberg.
Niet zonder trots—van weerszijden natuurlijk—liet Peggotty de ten uitvoerlegging van Barkis' testament geheel aan mij over; ik onderzocht of alles volgens de wet in orde was, zorgde voor de afdoening der successie-rechten en was al heel spoedig met alles gereed. Tot afwisseling van deze rechtsgeleerde bemoeiingen bezochten wij een wassenbeeldenspel in Fleet-street—ik hoop dat al de beelden reeds twintig jaar geleden versmolten zijn—; brachten een bezoek aan Miss Linwood's tentoonstelling van kant- en borduurwerk—eene bezigheid, zeer geschikt om tot zelfonderzoek en berouw te komen; deden eene wandeling door den Tower van Londen en beklommen de St. Paulskerk. Al deze wonderen verschaften Peggotty zooveel genoegen als zij in de gegeven omstandigheden in staat was te smaken; behalve, naar ik vermoedde, de St. Paulskerk, die de teekening op haar naaidoos in de schaduw stelde en zich daarom niet in hare sympathie mocht verheugen.
Toen Peggotty's zaak, die, zooals wij in de Commons plachten te zeggen, tot de loopende zaakjes behoorde—o, die loopende zaakjes waren zoo gemakkelijk en winstgevend!—geheel in orde was, nam ik haar op zekeren morgen mede naar het kantoor om de rekening te betalen. De oude Tiffey vertelde dat mijnheer Spenlow was uitgegaan met een heer, die een huwelijkslicentie moest beëedigen; maar aangezien ik wist dat hij dan spoedig zou terugkomen, verzocht ik Peggotty te blijven wachten.
Bij de behandeling van testamentaire beschikkingen geleken wij in de Commons eenigszins op aansprekers of lijkbezorgers, want het was eene gewoonte geworden om min of meer somber te kijken, wanneer wij te doen hadden met klanten, die in den rouw waren. Zij, die onze hulp noodig hadden in huwelijksaangelegenheden, werden in eene vroolijke, opgeruimde stemming ontvangen. Ik waarschuwde daarom Peggotty, dat mijnheer Spenlow den schok over den dood van Barkis wel te boven zou zijn en.... inderdaad, hij kwam binnen alsof hij zelf de bruidegom was.
Maar noch ik, noch Peggotty had oogen voor mijnheer Spenlow, toen wij in den heer, die met hem was binnengekomen, mijnheer Murdstone herkenden. Hij was weinig veranderd; zijn haar scheen nog even dik en zeker nog even zwart als voorheen en zijn oogopslag boezemde nog even weinig vertrouwen in als vroeger.
„Ha, Copperfield,” zei mijnheer Spenlow, „bedrieg ik mij niet, dan is deze heer u bekend?”
Ik maakte eene koele buiging en Peggotty deed alsof zij hem niet herkende. In het eerste oogenblik scheen deze onverwachte ontmoeting hem wat in de war te hebben gebracht; maar al heel spoedig had hij een besluit genomen en kwam hij naar mij toe.
„Ik hoop,” sprak hij, „dat het u goed gaat?”
„Dat zal u, dunkt mij, weinig belang inboezemen,” antwoordde ik, „maar indien gij het weten wilt.... Ja, het gaat mij heel goed.”
Wij keken elkander een oogenblik in het gelaat en daarna wendde hij zich tot Peggotty met de vraag:
„En u? Het spijt mij te moeten zien, dat gij uw man verloren hebt.”
„Het is niet het eerste verlies, dat ik in mijn leven lijd, mijnheer Murdstone,” antwoordde Peggotty, bevende van het hoofd tot de voeten. „Het verheugt mij echter dat bij dit sterfgeval niemand zich behoeft te schamen, niemand zich iets heeft te verwijten.”
„Zoo!” sprak hij, „dat is eene groote troost voor u. Gij hebt dan uw plicht gedaan?”
„Ik heb niemands leven verbitterd,” antwoordde Peggotty, „dat moet mij wel tot tevredenheid stemmen. Neen, mijnheer Murdstone, ik heb geen lief zwak schepseltje geplaagd en gesard tot zij rust vond in een vroegtijdig graf!”
Hij keek haar aan met een somberen blik—gedurende een ondeelbaar oogenblik meende ik er wroeging in te lezen—en zich tot mij wendende hoewel hij naar mijne laarzen in plaats van naar mijne oogen keek, zei hij:
„Wij zijn er zeker geen van beiden op gesteld elkander spoedig weder te ontmoeten—dergelijke ontmoetingen kunnen ons geen van beiden aangenaam zijn. Ik kan niet verwachten, dat gij, die u altijd tegen mijn rechtmatig gezag hebt gekant, tot uw eigen bestwil en tot vorming van uw karakter door mij geoefend, mij thans bijzonder genegen zoudt zijn. Er bestaat tusschen ons eene antipathie....”
„Die reeds van ouden datum is, naar ik meen,” zoo viel ik hem in de rede.
Hij glimlachte, terwijl mij een blik trof, zoo boosaardig als alleen uit die oogen komen kon.
„Reeds als klein kind toondet gij u weerspannig. Gij hebt er het leven van uwe moeder door verbitterd. Gij hebt gelijk, ik hoop, dat gij uw leven zult beteren.”
Daarmede was het gesprek ten einde. Het was met gedempte stem in een hoekje van mijnheer Spenlow's wachtkamer gevoerd en terwijl hij nu den drempel van het kantoor overschreed, zei hij bijna op zalvenden toon: „Menschen van mijnheer Spenlow's beroep zijn gewend aan familiegeschillen en weten hoe moeilijk en ingewikkeld die somtijds zijn!” Daarna betaalde hij de onkosten van de licentie, die hij keurig opgevouwen, van mijnheer Spenlow ontving, terwijl deze hem de hand schudde en hem en zijne aanstaande veel geluk wenschte.
Een zucht van verlichting ontsnapte mij toen hij het kantoor verlaten had. Het zou mij misschien meer moeite hebben gekost op zijne woorden het zwijgen te doen, indien ik minder moeite had gehad om Peggotty, die woedend was om mijnentwil, het goede schepsel! te overtuigen, dat het hier niet de plaats was om met dien man in het gericht te gaan, zoodat ik haar verzoeken moest zich stil te houden. Zij was vreeselijk opgewonden en ik was blijde er met eene hartstochtelijke omhelzing af te komen, waartoe de zoo onverwacht opgewekte herinnering aan vroegere dagen en doorgestaan leed haar aanleiding gaf. Ik deed mijn best mijnheer Spenlow de zaak zoo kort mogelijk uit te leggen. Mijnheer Spenlow scheen de betrekking, waarin ik tot mijnheer Murdstone stond, niet te kennen; ik was daar blijde om, want het viel mij moeilijk, het lot mijner arme moeder in aanmerking nemende, de familieverhouding te erkennen. Mijnheer Spenlow verkeerde in de meening—indien hij het ten minste der moeite waard achtte er over te denken—dat mijne tante het hoofd was van de familie en er eene partij was, die zich, onder aanvoering van iemand anders, tegen haar gezag verzette. Ten minste, ik meende dit te moeten opmaken uit hetgeen hij zeide, terwijl wij op mijnheer Tiffey wachtten, die Peggotty's rekening van onkosten had opgemaakt.
„Juffrouw Trotwood,” merkte hij op, „is een flinke vrouw, zonder twijfel, die niet gemakkelijk den strijd zal opgeven. Ik ben een en al bewondering voor haar karakter en mag u geluk wenschen, Copperfield, dat gij aan hare zijde staat. Geschillen tusschen familiebetrekkingen zijn altijd te betreuren, maar komen zeer veel voor; de zaak is maar dat men zich aan den kant bevindt waar het recht is.” Hij bedoelde natuurlijk: aan den kant waar het geld is.
„Mijnheer Murdstone doet, voor zoover ik weet, een goed huwelijk, nietwaar?” vroeg hij verder.
Ik verklaarde er niets van te weten.
„Zoo waarlijk!” zei hij. „Nu, uit de enkele woorden, die mijnheer Murdstone zich liet ontvallen—zooals een man bij dergelijke gelegenheden altijd doet—en uit hetgeen ik van juffrouw Murdstone vernam, moet ik wel tot het besluit komen, dat het een goed huwelijk is.”
„Bedoelt gij, dat de bruid veel geld heeft, mijnheer?” vroeg ik.
„Ja,” antwoordde mijnheer Spenlow.
„Ik geloof, dat zij veel geld heeft. En, zij moet heel mooi zijn ook, vertelde men mij.”
„Waarlijk? En is zij nog jong?”
„Zij is juist meerderjarig geworden. Ik vermoed zelfs, dat men daarop gewacht heeft.”
„God zij het arme kind genadig!” riep Peggotty uit, met zooveel nadruk en zoo onverwacht, dat wij alle drie het stilzwijgen bewaarden tot Tiffey met de rekening kwam en die aan mijnheer Spenlow ter inzage bood. Mijnheer Spenlow's kin dook weg in de stijve das en wreef daar zachtjes langs, liep met een verontschuldigend gelaat de rekening door—o, die mijnheer Jorkins!—en gaf haar met een zucht aan Tiffey terug.
„Ja,” zei hij. „Ze is in orde. Zeer juist. Het zou mij een genoegen hebben verschaft deze rekening tot de uitschotten te beperken, maar het is nu eenmaal eene onaangename omstandigheid in mijne betrekking, dat ik aan dergelijke wenschen geen gehoor mag geven. Ik heb nu eenmaal een compagnon—mijnheer Jorkins.”
Hij zei dit op zulk een aandoenlijken toon, dat men hem, indien hij niet in deze onaangename omstandigheden verkeerd had, niet in staat zou hebben geacht zelfs de uitschotten in rekening te brengen. Ik betuigde hem dan ook uit naam van Peggotty mijn dank en betaalde Tiffey in deugdelijke Engelsche banknoten uit. Peggotty ging daarop naar huis, terwijl mijnheer Spenlow en ik ons naar het Hof begaven, waar een proces over echtscheiding aanhangig was. Men beriep zich op een vernuftig uitgedacht wetsartikel, dat thans, naar ik meen, is vervallen, doch waarop ik menig huwelijk heb zien ontbinden. De zaak was deze: De echtgenoot, wiens naam was Thomas Benjamin, had eene licentie gevraagd op den naam Thomas (zonder Benjamin); hij wenschte gewaarborgd te zijn voor het geval, dat de huwelijksstaat hem niet beviel. En waarlijk, dit geval deed zich voor; de arme man liet, na twee jaren getrouwd te zijn geweest, door een vriend voor het Hof verklaren, dat zijn naam was Thomas Benjamin en zijn huwelijk dus onwettig was. Tot zijn groot genoegen werd dit ook door het Hof bevestigd.
Ik moet erkennen, dat er twijfel bij mij oprees over de strikte rechtvaardigheid van deze uitspraak en mij zelfs niet door het schepel tarwe, waarmede alle onrechtmatigheden werden bezworen, van mijne opinie liet afbrengen.
Mijnheer Spenlow besprak de quaestie met mij en zeide: „Kijk eens rond in de wereld, daar is evenveel goed als kwaad; en bekijk nu de kerkelijke wetten: daarin is ook evenveel goed als kwaad. Het was maar een systeem! Zie daar nu! Wat wil men meer?”
Ik miste de stoutmoedigheid om tegen Dora's vader te zeggen, dat wij zelf moesten beproeven de wereld een weinig te verbeteren, als wij maar vroeg opstonden en onze rokken uittrokken gedurende het werk; maar ik bleef er bij dat in de Commons veel te verbeteren viel. Mijnheer Spenlow antwoordde mij, dat hij mij den goeden raad moest geven, om deze gedachte voor mij zelven alleen te houden, omdat die in een gentleman, zooals ik, niet mocht opkomen; maar toch zou het hem genoegen doen van mij te vernemen, welke wijzigingen ik in de Commons noodzakelijk achtte.
Het gedeelte van de Commons nemende, dat het dichtst bij de hand lag—onze delinquent was al weder ongetrouwd en wij hadden het Hof verlaten en wandelden langs het bureau der Prerogatieven—gaf ik te kennen dat juist daarop veel viel aan te merken. „In welk opzicht?” vroeg mijnheer Spenlow. Ik antwoordde met de achting, welke ik aan zijne meerdere ondervinding verschuldigd was—met nog meer achting, vrees ik, voor Dora's vader—dat het onzinnig was het archief van dat Hof, waarin de testamenten bewaard werden van alle personen, die gedurende de laatste drie eeuwen in het groote district Canterbury gestorven zijn en goederen van waarde hebben nagelaten, in zulk een gebouw te plaatsen, dat volstrekt niet aan de bedoeling beantwoordde; in een gebouw, dat niet eens brandvrij was. Ik voegde er bij, dat ik zeer goed begreep, dat de ambtenaren het gebouw liever in dit vergeten hoekje van het Sint Paulskerkhof behielden, waar weinig menschen het kenden; maar dat, als ik iets te zeggen had, die ambtenaren, onder wie er waren, die een tractement van acht en negen duizend pond genoten, behalve nog de emolumenten, zoo spoedig mogelijk zouden moeten zorgen voor een gebouw, waarin dergelijke kostbare documenten veiliger konden bewaard blijven....
Mijnheer Spenlow glimlachte, omdat ik mij zoo warm maakte en besprak toen deze zaak met mij, zooals hij alle zaken besprak. Indien het publiek meent, dat de testamenten in veilige handen zijn—zoo ongeveer sprak hij—en er in berust dat er geen beter gebouw voor gezet wordt, wie leed daar dan schade bij? Niemand. Wie hadden er voordeel van? De ambtenaren. Het goede behield dus de overhand. Het mocht al niet volmaakt zijn, er was niets op de wereld volmaakt; maar waar hij zich niet mede kon vereenigen, dat was met het afbreken van bestaande zaken. Met dit archief was het Land voorspoedig geweest. Breek het archief af en het is wellicht gedaan met den voorspoed. Hij beschouwde het als den plicht van een gentleman om te berusten in bestaande toestanden en twijfelde niet, of het Hof van de Prerogatieven zou langer bestaan dan wij. Ik schikte mij in zijne opinie, ofschoon ik, vooral aan de laatste woorden twijfelde. Toch blijkt het dat hij gelijk heeft gehad, want het bestaat niet alleen nog, maar is blijven bestaan in weerwil van eene interpellatie in het Parlement, die lang niet malsch was, nu achttien jaar geleden. Dezelfde bezwaren, door mij opgesomd, werden breed uiteengezet en de opmerking er bij gevoegd, dat dit testamentenpakhuis over twee of drie jaar propvol zou zijn. Wat zij sedert gedaan hebben, of er bij toeval verloren zijn geraakt, of er nu en dan verkocht zijn aan de verschillende komenijswinkels, om er zakken van te plakken, dat weet ik niet; ik ben alleen blijde, dat het mijne er niet bewaard wordt, en ik hoop dat het er voorloopig ook niet opgelegd zal worden.
Ik heb dit alles vermeld in een hoofdstuk, dat volgens het opschrift aan geheel andere dingen gewijd moest zijn, maar het staat hier toch op zijne plaats. Nu mijnheer Spenlow en ik dit gesprek eenmaal begonnen waren, zetten wij het al wandelende voort tot wij onderwerpen van algemeenen aard begonnen aan te roeren. Zoo vertelde mijnheer Spenlow mij op het laatst, dat Dora in diezelfde week jarig was en voegde er bij, dat het hem aangenaam zou zijn, indien ik aan een pic-nic wilde komen deelnemen, die hij voor deze gelegenheid zou op touw zetten. Ik wist in het eerste oogenblik niet waar ik was; den volgenden dag was ik in den zevenden hemel, toen ik een sierlijk, geparfumeerd briefje ontving, waarin niets stond dan: „Ter herinnering aan papa's invitatie.” Den tijd, die mij nog van den gewichtigen dag scheidde, bracht ik door in een toestand tusschen waken en droomen. Ik geloof dat ik ter voorbereiding tot deze heerlijke gebeurtenis alle mogelijke dwaasheden beging. Ik krijg nog eene kleur wanneer ik denk aan de das, die ik kocht; mijne laarzen hadden eene plaats moeten vinden in eene tentoonstelling van martelwerktuigen. Daags te voren zond ik met de diligence op Norwood een sierlijk mandje, dat, naar ik meende, op zich zelve reeds eene declaratie bevatte. Er bevonden zich pistaches in met zinspreuken, zoo toepasselijk als ze maar voor geld te krijgen waren. Des morgens te zes uur was ik reeds op de markt in Covent Garden om een bouquet te koopen; te tien uur zat ik te paard—ik huurde voor deze gelegenheid een vurigen appelschimmel—en draafde met de bouquet in mijn hoed—de eenige wijze om hem frisch te houden—den weg naar Norwood op.
Ik vermoed dat ik, toen ik Dora in den tuin zag zitten, mij houdende alsof ik haar niet zag, en het huis voorbij reed alsof ik er angstig naar zocht, twee kleine dwaasheden beging, die andere jongelieden in mijne omstandigheden meermalen hebben begaan—zij gingen mij zoo natuurlijk af. Maar o! toen ik het huis vond en afsteeg aan het tuinhek en die hardvochtige laarzen over het grasperk sleepte in de richting van Dora, die onder een seringeboom op een bank zat met een wit hoedje op en in eene hemelsblauwe japon! Dat was op dien prachtigen zomermorgen een schouwspel, zoo heerlijk, dat ik het nooit vergeten zal.
Zij was in gezelschap van een jong meisje—bij haar vergeleken was zij al oud—ongeveer twintig, dunkt mij. Zij heette juffrouw Mills en Dora noemde haar Julia. Zij was Dora's boezemvriendin. Gelukkige juffrouw Mills!
Jip was ook aanwezig en wilde mij opnieuw aanvliegen en toen ik Dora mijne bouquet aanbood, liet hij de tanden zien. En wel mocht hij jaloersch zijn als hij zelfs maar een flauw denkbeeld gehad heeft van mijne vurige liefde voor zijne meesteres.
„O, dank u, mijnheer Copperfield! Welke heerlijke bloemen!” zei Dora.
Ik had plan gehad—zelfs had ik den geheelen weg over gepeinsd over den besten vorm, waarin ik mijne toespraak zou gieten—als mijne meening te kennen te geven, dat de bloemen in mijn oog eerst mooi werden, wanneer ik ze in hare handen mocht bekijken. Ik kon echter niet uit mijne woorden komen; hare bekoorlijkheid bracht mij geheel van mijn stuk. Het was onmogelijk haar de bloemen tegen haar klein, mollig kinnetje te zien leggen zonder alle tegenwoordigheid van geest te verliezen. Het verbaast mij nog dat ik niet gezegd heb. „Dood mij, juffrouw Mills; laat mij hier sterven!”
Daarna liet Dora Jip aan de bloemen ruiken. Jip bromde en wilde niet ruiken, waarop Dora begon te lachen en hem de bloemen wat dichter bij den neus hield. Jip beet er in en schudde de bouquet heen en weer, hetgeen hem een paar klappen deed oploopen van Dora, die uitriep:
„O, mijne arme, mooie bloemen!” Zij deed dit op zulk een hartstochtelijken toon, alsof Jip mij gebeten had. Had hij 't maar gedaan!
„Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, mijnheer Copperfield,” sprak Dora, „dat die vervelende juffrouw Murdstone niet hier is. Zij is het huwelijk bijwonen van haar broeder en zal minstens drie weken wegblijven. Vindt gij dat niet heerlijk?”
Ik zeide dat zij het zeker heerlijk zou vinden en dat ik alles wat zij heerlijk vond, ook heerlijk vond. Juffrouw Mills keek ons met een minachtend lachje aan, alsof zij veel verstandiger was dan wij en wij hare welwillendheid op prijs moesten stellen.
„Zij is het onaangenaamste wezen, dat ik ooit ontmoette,” zei Dora. „Gij kunt u geen voorstelling maken van haar lastig humeur, Julia.”
„Ja, dat kan ik wel, beste,” antwoordde Julia.
„O, ja, gij zult het misschien wel kunnen, lieveling,” hernam Dora, terwijl zij hare hand op die van Julia legde. „Vergeef mij dat ik voor u geen uitzondering maakte.”
Ik begreep hieruit, dat juffrouw Mills reeds een veelbewogen leven en veel beproevingen achter den rug had en dat ik wellicht daaraan dien verstandigen en welwillenden blik te danken had, waarvan ik zoo even sprak. In den loop van den dag had ik gelegenheid, om op te merken dat dit het geval was: juffrouw Mills had eene ongelukkige liefde gehad en zich met de door haar opgedane ondervinding uit de wereld teruggetrokken; zij bleef echter belang stellen in de onverbleekte hoop en liefde der jeugd.
Nu kwam mijnheer Spenlow het huis uit en Dora ging naar hem toe, roepende: „Kijk eens, papa, welke mooie bloemen!” Juffrouw Mills glimlachte en keek daarbij alsof zij zeggen wilde: „Geniet nog maar eens van den helderen morgen, want uw bestaan is even broos als dat des vlinders!” Daarna wandelden wij allen te zamen over het grasperk naar het rijtuig, dat gereed stond.
Nimmer zal ik nogmaals zulk een heerlijken rijtoer doen. Nooit heb ik er voor of na dien tijd zoo een gemaakt. Zij zaten slechts met hun drieën in den phaëton, met hunne mand en mijn mandje en de guitaarkist; en ik reed achter het rijtuig en Dora zat met den rug naar de paarden, zoodat zij mij voordurend in het oog kon houden. Zij had de bouquet vlak naast zich op het kussen gelegd en Jip mocht onder geen voorwendsel aan dien kant zitten, uit vrees, dat hij de bloemen vernielen zou. Telkens nam zij de bouquet in de hand om zich aan de heerlijke geuren te laven en telkens ontmoetten onze oogen elkander bij die gelegenheden. Het verbaast mij nu nog, dat mijn vurige appelschimmel mij niet over den kop in het rijtuig heeft geworpen.
Ik geloof, dat het erg stoof en heb eene flauwe herinnering van eene waarschuwing van mijnheer Spenlow om op een afstand te blijven. Maar ik bemerkte niets van het stof! Ik zag alleen Dora in een waas van bekoorlijkheid en liefde, anders niet. Nu en dan stond mijnheer Spenlow op om mij te vragen hoe ik het uitzicht vond; ik antwoordde dat ik het heel mooi vond; hoewel ik niets zag dan Dora. De zon scheen Dora, de vogels zongen Dora, de Zuidewind blies Dora en de wilde bloemen in de heggen waren allen Dora's tot zelfs de kleinste knopjes. Het was een troost voor mij, dat juffrouw Mills mij begreep dat juffrouw Mills geheel kon opgaan in mijn gevoel.
Ik weet niet hoe lang wij doorreden en tot op dit uur heb ik nooit geweten waarheen. Ik vermoed naar Guildford. Wellicht opende een Oostersche toovenaar de plaats voor één dag, om die terstond weder te sluiten. Het was een groen plekje op een heuvel, met een tapijt van mollig gras. Er waren boomen, die heerlijke schaduw gaven, en heide en, zoover het oog reikte, een prachtig landschap.
Het was een ware beproeving voor mij, toen wij hier menschen vonden, die op ons wachtten; mijne jaloezie, zelfs op de dames, was niet te beschrijven. En de heeren waren allen mijn doodsvijanden—één vooral, iemand, ongeveer vier jaar ouder dan ik, met roode bakkebaarden, waarop hij onverdragelijk pedant was.
Wij pakten allen onze manden uit en gingen aan het werk om het diner in gereedheid te brengen. Roodbaard beweerde zoo goed salade te kunnen gereed maken—waaraan ik natuurlijk geen geloof sloeg—en trachtte de algemeene aandacht te trekken. Een paar jonge dames waschten en sneden de latuw onder zijne leiding en ook Dora deed daaraan mede. Ik voelde dat het noodlot dien man op mijn weg had geplaatst en dat een van ons beiden moest vallen.
Roodbaard maakte de sla aan en ik begrijp nog niet hoe iemand er van kon eten. Voor niets ter wereld zou ik er aan geraakt hebben! Ook riep hij zichzelf uit tot bottelier en, listig als hij was, richtte hij een wijnkelder in een hollen boomstam in. Een oogenblik later zag ik hem met het grootste gedeelte van een mooie kreeft op zijn bord aan Dora's voeten liggen!
Ik kan mij maar flauw herinneren wat er gebeurd is gedurende den eersten tijd, nadat ik dit onverkwikkelijk schouwspel genoten had. Ik was vroolijk, dat weet ik; maar die vroolijkheid was valsch. Ik zocht mijn heil bij een heel jong schepseltje in een rose toiletje en maakte haar op eene wanhopende wijze het hof. Zij nam mijne attenties gaarne aan, maar of het alleen om mijnentwil was dan wel of zij Roodbaard jaloersch wilde maken, kan ik niet zeggen. Dora's gezondheid werd gedronken. Ik deed alsof ik mijn gesprek slechts even tot dat doel afbrak en vatte het terstond weer op. Toen ik met mijn glas in de hoogte even eene buiging voor haar maakte, meende ik eene smeekende uitdrukking te zien in den blik, dien zij mij toewierp. Maar deze blik bereikte mij over het hoofd van Roodbaard heen en daarom was ik onvermurwbaar.
Het jonge meisje in rozerood had eene mama in het groen en ik geloof dat deze ons om redenen van staatkundigen aard scheidde. Hoe het zij, terwijl de overblijfselen van het middagmaal werden opgeruimd, verspreidde zich het gezelschap en ik ging, met toorn en wroeging in het hart, onder de boomen wandelen. Ik verkeerde in tweestrijd met mijzelven of ik niet zou voorwenden onwel te zijn, of ik niet zou laten opzadelen en de vlucht nemen—toen eensklaps Dora en juffrouw Mills voor mij stonden.
„Mijnheer Copperfield,” zei juffrouw Mills, „wat zijt gij stil!”
„Wel, neen, hoe kunt gij dat zeggen?”
„En Dora,” vervolgde zij, „gij zijt ook stil.”
„O, neen, lieveling, volstrekt niet!”
„Mijnheer Copperfield en Dora,” hernam zij bijna op plechtigen toon, „laat het nu genoeg zijn. Laat geen onzinnig misverstand de bloesems doen verwelken, die de lente nauwelijks heeft te voorschijn geroepen en die, eenmaal verflenst, niet opnieuw kunnen ontluiken. Ik spreek uit ondervinding van het verledene—van een onherroepelijk verleden. De dartele fonteinen, schitterend in het zonlicht, mogen niet door laffe grillen worden verstopt; de oasis in de woestijn moet niet nutteloos worden uitgeroeid.”
Ik wist nauwelijks wat ik deed, maar voelde dat ik over mijn geheele lichaam begon te gloeien, ik nam Dora's kleine handje in de mijne en drukte er een kus op en.... zij liet het toe! Ik kuste ook de hand van juffrouw Mills en met ons drieën stegen wij, naar ik geloofde, op naar den zevenden hemel. En, wij daalden niet meer naar de aarde af; wij bleven er in, den geheelen avond. Eerst wandelen wij eenigen tijd onder de boomen op en neer: ik met Dora's arm door de mijne, en de Hemel weet het—hoe dwaas de gedachte ook was—de wensch kwam in mij op om eeuwig zoo onder deze zelfde boomen te blijven wandelen!
Te vroeg drong het gelach en gepraat en geroep van de anderen tot ons door. „Waar is Dora?” Wij keerden daarom terug en nu moest er gezongen worden. Roodbaard wilde de guitaarkist uit het rijtuig halen, maar Dora zei dat niemand dan ik wist waar ze stond. Voor de eerstvolgende oogenblikken was Roodbaard dus den mond gestopt en ik ging de guitaarkist halen; ik maakte die open, ik nam de guitaar er uit; ik zat bij haar; ik hield haar zakdoek en hare handschoenen vast en ik dronk, als het ware, elken noot van hare lippen en zij zong voor mij, die haar liefhad, en de anderen mochten applaudisseeren, zoo hard als zij wilden, voor hen zong zij niet!
Ik was dronken van blijdschap, al vreesde ik dat mijn geluk te groot was om waar te zijn en dat ik den volgenden morgen in Buckingham-street zou ontwaken en juffrouw Crupp het theegoed zou hooren klaarzetten evenals altijd. Maar Dora zong en de anderen zongen en juffrouw Mills zong—van de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering, alsof zij meer dan honderd jaren oud was—en het werd avond en wij dronken thee en de ketel hing boven het vuur, zooals in de Zigeuner-kamp, en ik bleef even gelukkig. Maar het gelukkigst voelde ik mij toen wij naar huis gingen en ik den uit het veld geslagen Roodbaard met de anderen hunsweegs zag gaan. Wij sloegen onzen weg in, terwijl het gaandeweg donker werd. Mijnheer Spenlow was een weinig slaperig van de champagne—heil den grond, waar de druif groeit, der druif, waarvan de wijn wordt gemaakt, der zon, die de druif doet rijpen en den koopman, die den wijn vervalschte! Ik reed op zijde van het rijtuig en bleef in druk gesprek met Dora. Zij bewonderde mijn paard en klopte het op den hals.... wat was dat handje lief en klein op dien paardenhals! en toen haar shawl niet wilde blijven zitten, trok ik dien dicht en ik verbeeldde mij dat zelfs Jip begon te begrijpen, dat er niets meer aan te veranderen viel en hij maar goede vrienden met mij moest worden.
En dan die scherpzinnige juffrouw Mills! Dat beminnelijke schepseltje, dat nu reeds meende met de wereld te hebben afgedaan, dat kluizenaresje van nog geen twintig jaar, dat „de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering” niet wilde wakker maken, o, wat was ook zij vriendelijk voor mij!
„Mijnheer Copperfield,” sprak zij, „kom eens een oogenblik aan dezen kant van het rijtuig—als gij namelijk een oogenblik te missen hebt. Ik moet u iets zeggen.”
En daar galoppeerde ik op mijn appelschimmel naast het rijtuig, aan den kant, waar juffrouw Mills zat, met de hand op het portier.
„Dora komt bij mij logeeren. Na overmorgen gaat zij met mij mede. Zoo gij ons eens wilt komen bezoeken, zal papa u zeker met genoegen ontvangen.”
Wat kon ik meer doen dan in stilte den zegen afsmeeken over juffrouw Mills' hoofd en juffrouw Mills' adres in het veiligste hoekje van mijn geheugen verbergen! Wat kon ik anders doen dan juffrouw Mills met een dankbaren blik en in hartstochtelijke taal zeggen, hoe ik hare goede diensten op prijs stelde en hoe onschatbaar hare zoo zeer gewaardeerde vriendschap voor mij was!
Daarop gaf juffrouw Mills mij met een vriendelijk knikje mijn afscheid, zeggende: „Ga nu weder naar Dora!” Ik ging en Dora leunde uit het rijtuig om met mij te praten en ik drong mijn vurigen appelschimmel zoo dicht tegen het rijtuig aan, dat het arme dier zijn voorbeen schaafde tegen het wiel: waardoor de eigenaar, volgens zijne verklaring, eene schade had van drie pond en zeven shilling, die ik hem betaalde, meenende dat het gesmaakte genot daarmede niet te duur was gekocht. Gedurende dien tijd zat juffrouw Mills naar de maan te kijken, terwijl zij verzen prevelde, die haar, naar ik onderstelde, herinnerden aan de dagen, waarin zij en de wereld nog iets met elkander gemeen hadden.
Norwood lag naar mijn oordeel vele mijlen te dicht bij en wij bereikten het vele uren te vroeg; evenwel mijnheer Spenlow werd, een oogenblik voor het rijtuig stilhield, wakker en vroeg: „Komt gij niet binnen, Copperfield? Blijft gij nog niet wat?” En ik bleef en wij gebruikten allerliefste kleine boterhammetjes en dronken wijn met water en in de helder verlichte kamer zag de blozende Dora er zoo bekoorlijk uit, dat ik mijne oogen niet van haar kon afhouden en haar bleef zitten aanstaren, tot mijnheer Spenlow's snorken mij tot het besef bracht, dat het tijd werd om afscheid te nemen. Op den terugrit naar Londen voelde ik voortdurend den druk van Dora's handje op de mijne en herhaalde ik bij mij zelven elk woord, dat gesproken was, duizende malen, en liet ik alles, wat dien dag was voorgevallen, in mijn geest nog eenmaal gebeuren; en toen ik in mijn bed lag, was ik zoo verliefd, als zoo'n jong, onervaren manneke maar wezen kon.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was mijn besluit genomen: ik zou Dora mijne liefde bekennen, ik wilde zekerheid hebben. Volmaakt gelukkig of diep ellendig zou haar antwoord mij maken; daarvan was ik ten volle overtuigd. Ik bracht drie dagen door, die evenzooveel maanden geleken, mij zelven martelende en pijnigende door aan alles, wat er ooit tusschen Dora en mij was voorgevallen of besproken, eene voor mij zelven ongunstige uitlegging te geven. Ik maakte buitengewone onkosten aan mijn toilet en eindelijk begaf ik mij met eene liefdesverklaring op de lippen naar de woning van juffrouw Mills.
Hoe dikwijls ik de straat op en neer en het pleintje rondliep, eer ik kon besluiten de trap op te gaan en den klopper in de hand te nemen, doet nu niets ter zake. Zelfs toen ik eindelijk den klopper had laten vallen en op de stoep stond te wachten, kwam nog even de gedachte in mij op om te vragen of hier mijnheer Blackboy woonde, verschooning te vragen voor mijne vergissing en heen te gaan. Gelukkig bleef het echter bij eene opkomende gedachte.
Mijnheer Mills was niet thuis. Ik had dit trouwens ook niet verwacht. Wij hadden hem niet noodig. Juffrouw Mills was thuis en zou mij gaarne ontvangen. Men wees mij den weg naar eene bovenkamer, waar juffrouw Mills en Dora waren met Jip. Juffrouw Mills was bezig een muziekstuk over te schrijven—ik herinner mij dat het een nieuw lied was, getiteld: „De vergankelijkheid der Liefde”—en Dora zat bloemen na te teekenen. Wie zal mijne gewaarwording beschrijven toen ik mijn eigen bloemen herkende, de bloemen, die ik op de markt in Covent Garden gekocht had! Ik kan niet zeggen dat de gelijkenis heel groot was, ja, zelfs niet dat ze op eenige bloemensoort leken, die ooit onder mijn oogen was geweest; ik herkende ze echter aan het papier, dat er om heen zat en zeer nauwkeurig was gevolgd.
Juffrouw Mills was blijde mij te zien, en betuigde haar leedwezen dat haar papa niet thuis was, een verdriet, dat wij alle drie met gelatenheid droegen. Nog eenige minuten bleef zij praten, maar toen legde zij haar „Vergankelijkheid der Liefde” neer en liet ons alleen.
Ik begon te denken dat het wellicht beter tot den volgenden dag zou kunnen worden uitgesteld.
„Ik hoop dat uw arme paard niet al te vermoeid was toen gij thuis kwaamt,” zei Dora, terwijl zij mij met hare verrukkelijke oogen aankeek. „Het dier heeft een langen weg moeten afleggen.”
Ik begon te denken dat het toch beter was vandaag maar van wal te steken.
„Hij had wel een langen weg,” antwoordde ik, „en bovendien was er den geheelen dag niets, dat zijne krachten schraagde.”
„Heeft het arme dier niets te eten gehad?” vroeg Dora.
Ik begon te denken dat ik toch maar tot den volgenden dag moest uitstellen.
„Ja..... ja, zeker wel,” antwoordde ik, „hij is goed verzorgd. Ik bedoel dat hij niet het onuitsprekelijke geluk had van zoo dicht bij u te zijn als ik.”
Dora boog het hoofd over hare teekening en zei, na eene kleine pauze—ik had intusschen een gevoel gehad alsof ik de koorts had, ik gloeide en mijne beenen waren stijf.—„Op zeker gedeelte van den dag scheen het mij toch toe, dat gij niet zoo bijzonder gevoelig waart voor dat geluk.”
Ik begon in te zien dat elke weifeling noodlottig kon worden en ik dus terstond van wal moest steken.
„Dat geluk scheen u bijzonder koel te laten,” vervolgde Dora, hare wenkbrauwen een weinig optrekkende en haar hoofdje schuddend, „toen gij bij juffrouw Kitt een plaatsje hadt veroverd.”
Ik moet nog meedeelen, dat juffrouw Kitt de dame was in het rose, met de kleine oogjes.
„Ik begrijp ook eindelijk niet hoe u dat gelukkig zou kunnen maken,” vervolgde Dora, „waarom gij dat een geluk noemt. Natuurlijk meent gij niet wat gij zegt. Niemand twijfelt er bovendien aan, dat gij niet zoudt mogen doen wat gij goed vindt. Kom hier, Jip, ondeugd!”
Ik weet niet hoe het kwam, maar het geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. Ik was Jip voor. Dora lag in mijn armen en ik was zoo welsprekend, als ik nooit gemeend had te zullen kunnen zijn. Ik bleef geen oogenblik steken. Ik vertelde haar, dat ik haar liefhad, dat ik voor haar wilde sterven, dat ik haar aanbad, haar verafgoodde.... en gedurende al dien tijd bleef Jip maar aan het blaffen.
Toen Dora haar hoofdje liet hangen en begon te schreien, werd mijne welsprekendheid hoe langer hoe grooter. Indien zij wilde, dat ik mijn leven voor haar zou laten, behoefde zij slechts één woord te spreken en ik zou er toe bereid zijn. Te leven zonder hare liefde was eene onmogelijkheid voor mij geworden. Ik kon en wilde dat niet dragen. Sinds ik haar gezien had, had ik haar elke minuut, elke seconde, dag en nacht lief gehad. Op dit oogenblik had ik haar zelfs waanzinnig lief en zoo zou ik haar blijven liefhebben, mijn leven lang. Niemand vóór mij, noch na mij kon ooit zoo hebben bemind of zou ooit zoo kunnen beminnen als ik haar beminde, dat was onmogelijk, dat kon niet! Hoe meer ik in vuur geraakte, hoe harder Jip begon te blaffen. Het scheen wel of wij beiden, ieder op zijn eigen manier dol werden....
Eenige oogenblikken later zaten Dora en ik rustig naast elkander op de sofa en Jip lag op haar schoot en kwispelde kalm, terwijl hij mij aankeek. Nu was het van mijn hart af en was ik zoo verrukt als een verliefd jongmensch maar zijn kan. Dora en ik waren verloofd!
Wij begrepen wel, dat moet ik ten minste onderstellen, dat eene verloving met een huwelijk dient te eindigen. Wij moeten dat wel begrepen hebben, want Dora stelde als voorwaarde, dat wij nimmer zouden trouwen zonder de toestemming van haar papa. In onze verrukking keken wij, geloof ik, noch vóór, noch achter ons; wij hadden voor niets oogen dan voor het onbekende heden. Wij moesten ons geluk geheim houden voor mijnheer Spenlow; maar ik ben overtuigd, dat ik daarin op dit oogenblik niets onbehoorlijke zag.
Juffrouw Mills keek nog ernstiger dan gewoonlijk toen Dora, die haar gehaald had, met haar terugkwam—ik vrees omdat hetgeen was voorgevallen wel in staat was om de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering te doen ontwaken. Zij wenschte ons echter geluk, gaf ons de verzekering van hare eeuwigdurende vriendschap en sprak ons toe met eene stem, die als uit de onderaardsche gang van een klooster tot ons doordrong.
Wat een gelukkige, dwaze tijd volgde nu, geheel gewijd aan allerlei beuzelarijen!
Toen ik de maat nam van Dora's vinger voor een ring van vergeet-mij-nietjes en toen de juwelier, bij wien ik dien maat bracht, begreep wat er aan de hand was,—mij over zijn kasboek heen, lachend aankeek en mij zooveel rekende voor dat lieve, kleine prulletje als hem op het oogenblik in het hoofd kwam, voor dat prulletje met de kleine blauwe steentjes—in mijne herinnering zoo verbonden met Dora's hand, dat er, toen ik gisteren een dergelijk ringetje aan de hand van mijn eigen dochtertje ontwaarde, gedurende een oogenblik een pijnlijk gevoel opkwam in mijn hart....
Toen ik buiten wandelde, fier op mijn geheim en vervuld van mijn eigen belangrijkheid, zoo geducht mijne waardigheid voelende als verloofde van Dora, dat ik mij, als ik op de wolken gewandeld had, niet hooger verheven had kunnen wanen boven alles wat op de aarde rondkroop....
Toen wij ontmoetingen hadden op het pleintje voor mijnheer Mills' woning en in het onooglijke zomerhuisje zaten te keuvelen, zóó gelukkig, dat ik nu nog daarom alleen de Londensche musschen liefheb en in hunne grauwe vederen de schitterende kleuren van de tropen meen te ontwaren....
Toen wij onze eerste oneenigheid hadden—binnen een week na onze verloving—en Dora mij den ring terugzond met een wanhopig, steekvormig briefje, waarin zij de ijzingwekkende uitdrukking gebruikte, „dat onze liefde begonnen was met een dwaasheid en eindigen zou met eene krankzinnigheid!” welke vreeselijke woorden ten gevolge hadden, dat ik mij de haren uittrok en riep dat alles nu voor eeuwig voorbij was!....
Toen ik op een duisteren avond naar juffrouw Mills snelde en haar in de achterkeuken vond bij den mangel, waar ik haar smeekte als bemiddelaarster op te treden en de krankzinnigheid te verhoeden. Toen juffrouw Mills aan mijn smeeken gehoor gaf, met Dora terugkeerde en ons van den kansel harer eigene verbitterde jeugd aanmaande, toegeeflijk te zijn voor elkanders fouten en de woestijn, de Sahara, te vermijden!....
Toen wij beiden schreiden en ons geschil bijlegden en opnieuw zoo zalig waren, dat de achterkeuken met den mangel en alles wat er verder in was, ons een tempel der liefde scheen te zijn, waar wij plannen maakten voor eene correspondentie van minstens één brief per dag, terwijl ook daarin juffrouw Mills als tusschenpersoon zou optreden....
Wat een zalige, dwaze tijd, gewijd aan allerlei beuzelarijen! Onder al de tijden, die de Tijd heeft verzwolgen, is er geen, waarvan al de herinneringen mij zoo kunnen doen glimlachen, waaraan ik ook maar met half zooveel teederheid denken kan.
XXXIV
Ik verbaas mij over mijne tante.
Zoodra Dora en ik verloofd waren, schreef ik aan Agnes. Ik schreef haar een langen brief, waarin ik trachtte haar te doen begrijpen hoe gelukkig ik was en welk een engel Dora was. Ik bezwoer Agnes deze liefde niet te beschouwen als een onbezonnen hartstocht, die elk oogenblik kon worden uitgebluscht, noch ze te vergelijken met de kinderachtige grillen, waarmede wij samen den spot hadden gedreven. Ik verzekerde haar dat mijne liefde onpeilbaar was, dat nooit iemand zoo kon hebben liefgehad als ik.
Het was een mooie avond toen ik daar voor het open venster aan Agnes zat te schrijven en, hoe het kwam weet ik niet, maar toen de herinnering aan haar lief en kalm gezichtje en hare heldere, oprechte oogen in mij opdoemde, had deze zulk een weldadigen invloed op mijne zenuwachtige, onrustige stemming van de laatste dagen, dat men mij wel in mijne tranen had kunnen wasschen. Ik herinner mij, dat ik met de hand onder het hoofd bleef zitten toen de brief half af was, en mij verdiepte in mijn geliefkoosd droombeeld; dat Agnes' tehuis ook het mijne was. Het kwam mij voor, alsof Dora en ik in die voor mij bijna gewijde woning gelukkiger moesten zijn dan ergens elders; alsof mijn hart zich in liefde, vreugde, smart en teleurstelling, kortom in alle gemoedsstemmingen daarheen moest wenden om een toevlucht en eene oprechte vriendin te vinden.
Steerforth's naam noemde ik niet. Ik schreef haar alleen hoe diep bedroefd men te Yarmouth was over Emily's verdwijnen en dat mij door de omstandigheden, waaronder hare verdwijning had plaats gegrepen, een dubbele wonde was toegebracht. Ik wist, hoe vlug zij was in het gissen van de waarheid en dat zij zeker niet de eerste zijn zou om zijn naam te noemen.
Op dezen brief ontving ik per keerende post antwoord. Toen ik haar brief las, was het mij of ik haar hoorde spreken, of haar hartelijke stem mij in de ooren klonk! Wat kan ik meer zeggen!
Aangezien ik in den laatsten tijd veel uit was geweest, had Traddles twee of drie malen eene vergeefsche poging gedaan om mij te bezoeken. Eenmaal had hij Peggotty op mijne kamer gevonden en vernemende, dat zij mijne oude kindermeid was—Peggotty vertelde dit aan ieder, die het hooren wilde—kennis met haar gemaakt en eenige uren met haar over mij zitten praten. Zoo vertelde Peggotty ten minste; ik vermoed echter, dat zij alleen aan het woord zal zijn geweest, want als zij eenmaal over mij begonnen was, dan kende haar woordenrijkdom geen grenzen—God zegene het goede mensch.
Dit herinnert mij niet alleen aan de omstandigheid, dat Traddles tegen zekeren namiddag, die nu gekomen was, zijne komst had aangekondigd, maar ook aan juffrouw Crupp, die van alles wat tot haar post behoorde—de huurpenningen uitgezonderd—had afgezien tot Peggotty haar bezoeken zou hebben gestaakt. Nadat juffrouw Crupp op de trap met eene schelle stem eenige malen haar hart over Peggotty had uitgestort tegen de eene of andere onzichtbare geest—zij was „lichamelijk” geheel alleen—ontving ik een brief van haar, waarin zij hare inzichten blootlegde. Beginnende met de verklaring, die blijkbaar bij alle gelegenheden dienst moest doen om indruk te maken, met de verklaring dat zij zelve ook moeder was, deelde zij mij verder mede, dat zij vroeger geheel andere dagen gekend, maar in alle tijdperken van haar leven een onoverwinlijken afkeer gehad had van spionnen, indringers en aanbrengers. Zij wilde geen namen noemen, schreef zij; wie de schoen paste mocht die aantrekken; maar spionnen, indringers en aanbrengers, vooral wanneer zij in de weduwenrouw waren—deze woorden waren onderstreept—had zij haar leven lang diep veracht. Wilde een zekere heer het slachtoffer worden van spionnen, indringers en aanbrengers—nog werden geen namen genoemd—dat was zijn eigen zaak. Hij was vrij in zijn doen en laten en als hij er dus plezier in had, moest hij dat zelf weten. Al wat zij, juffrouw Crupp namelijk, bedong, was, dat zij met dergelijke menschen niet in aanraking wilde gebracht worden. Zij verzocht daarom verschoond te mogen blijven van de verdere bediening op de bovenverdieping tot de zaken weer waren zooals ze vroeger geweest waren en zooals zij wenschte dat ze altijd gebleven waren; het boekje zou elken Zaterdagmorgen op de ontbijttafel te vinden zijn, terwijl zij onmiddellijk afdoening verzocht, met de menschlievende bedoeling om alle partijen voor onaangenaamheden en „displezier” te vrijwaren.
Toen dit schrijven niet hielp deed zij alle mogelijke moeite om Peggotty de beenen te laten breken door emmers, kannen en dergelijke voorwerpen op de donkerste hoekjes van de trap te laten staan. Ik verkeerde bijna in staat van beleg en vond dien toestand hoogst onaangenaam, maar ik was toch te bang voor juffrouw Crupp om er een einde aan te maken.
„Wel, beste Copperfield,” riep Traddles, die alle hindernissen ten spijt, prompt op het afgesproken uur aanklopte, „hoe maakt gij het? Leeft gij nog?”
„Goede Traddles,” antwoordde ik, „wat ben ik blij u eindelijk eens te zien en wat spijt het mij, dat ik telkens uit was. Ik heb het echter zoo druk—”
„Ja, ja, dat weet ik,” zei Traddles, „natuurlijk, uw meisje woont in Londen, nietwaar?”
„Wat bedoelt... gij?”
„Zij.... pardon... juffrouw D. bedoel ik,” hernam Traddles met een kleur van verlegenheid, „juffrouw D. woont immers in Londen?”
„Jawel, dicht bij Londen.”
„Mijn meisje—misschien herinnert gij u dat—woont in Devonshire.... zij is een van tien. Bij gevolg heb ik het niet zoo druk als gij—wat dat betreft ten minste.”
„Het verbaast mij hoe gij het kunt uithouden haar zoo weinig te zien,” antwoordde ik.
„Ja,” zei hij nadenkend. „Dat schijnt een wonder. Ik denk echter, Copperfield, dat het kan omdat het moet.”
„Dat denk ik ook,” antwoordde ik glimlachend, doch tevens eenige schaamte voelende, „maar ook omdat gij zoo standvastig zijt en zooveel geduld kunt oefenen, Traddles.”
„Goede Hemel,” riep hij uit, „hebt gij zulke gedachten van mij, Copperfield? Ik wist waarlijk zelf niet dat ik zoo ben! Maar zij is zulk een buitengewoon lief meisje, dat zij mij mogelijk iets van deze deugden heeft meegedeeld. Nu gij dat zegt, Copperfield, zou mij dat volstrekt niet verwonderen. Ik verzeker u, dat zij nooit aan zich zelve denkt, maar altijd voor de negen zusters zorgt.”
„Is zij de oudste van het tiental?” vroeg ik.
„O, Hemel, neen! De oudste is eene bekende schoonheid.”
Hij zag, onderstel ik, dat ik niet kon nalaten te glimlachen over de eenvoudigheid van dit antwoord; en voegde er, ook met een glimlach op zijn eerlijk gezicht, bij: „Natuurlijk is mijne Sophie—een lieve naam, vindt gij niet, Copperfield?”
„Heel lief,” antwoordde ik.
„Natuurlijk is mijne Sophie in mijne oogen ook mooi en is zij zonder twijfel in ieders oogen een van de liefste meisjes, die ooit bestonden. Maar als ik zeg, de oudste is eene bekende schoonheid, dan bedoel ik dat zij”—hij maakte met beide handen eene beweging alsof hij een wolk beschreef—„prachtig is, Copperfield, dat zij iets buitengewoons is.”
„Waarlijk?”
„O, ik verzeker het u,” hernam hij, „bepaald iets heel buitengewoons! Zij is geschapen om in gezelschappen uit te blinken en bewonderd te worden, maar aangezien hunne beperkte middelen dat niet toelaten, is zij wel eens wat prikkelbaar en verdrietig. Sophie moet haar dan altijd weer in eene goede luim brengen.”
„Is Sophie de jongste?” waagde ik nog eens te vragen.
„O, Hemel, neen! De beide jongsten zijn pas negen en tien jaar. Zij worden geheel door Sophie opgevoed.”
„De tweede dan?”
„Neen. De tweede heet Sarah en heeft een gebrek aan haar ruggegraat, het arme meisje. Volgens de geneesheeren zal die kwaal wel langzamerhand genezen, maar intusschen moet zij steeds liggen, Sophie past haar op. Sophie is de vierde.”
„Leeft de moeder nog?”
„O, zeker, de moeder is nog in leven. Zij is eene zeer begaafde en verstandige vrouw, maar de vochtige lucht heeft nadeelig op haar gestel gewerkt, zoodat zij het gebruik mist van hare ledematen. Sophie neemt hare plaats in, zij is bijna even goed eene moeder voor hare moeder, als voor de andere negen.”
Ik was in ééne bewondering van al de deugden en voortreffelijke eigenschappen van dit jonge meisje, en waarlijk, alleen om te verhoeden dat de goedhartigheid van Traddles ten nadeele van hun beider levensgeluk zou uitloopen, vroeg ik hoe mijnheer Micawber het maakte.
„Mijnheer Micawber is heel wel, Copperfield, dank u,” antwoordde Traddles. „Maar ik woon tegenwoordig niet meer bij hen.”
„Niet?”
„Neen. Ziet gij, Copperfield, de waarheid is, dat mijnheer Micawber den naam heeft aangenomen van Mortimer, ten gevolge van tijdelijke ongelegenheden, waarin hij verkeert; hij gaat niet meer uit voor de duisternis is ingevallen en dan nog met een bril op. Alles zou door den deurwaarder verkocht worden wegens de achterstallige huishuur. Mevrouw Micawber verkeerde in zulk een beklagenswaardige toestand, dat ik niet kon weigeren, toen zij mij vroeg mijn naam ook onder die tweede schuldvordering te plaatsen. Gij kunt u voorstellen, Copperfield, welk een heerlijk gevoel het voor mij was toen ik zag, dat de zaak daarmede uit de wereld was en mevrouw Micawber's opgeruimdheid terugkeerde.”
„Hm!” zei ik.
„Hun geluk was echter niet van langen duur,” vervolgde Traddles, „want een week later volgde een tweede vonnis. Nu werd het huishouden opgebroken en sedert heb ik op eene gemeubileerde kamer gewoond, terwijl de Mortimers zich zoo goed, als het kon, hebben beholpen. Ik hoop, dat gij mij niet van zelfzucht zult beschuldigen, Copperfield, als ik u nog meedeel, dat de deurwaarder ook het ronde tafeltje met marmeren blad en den bloemenstandaard van Sophie heeft medegenomen?”
„Hoe hard voor u,” riep ik verontwaardigd uit.
„Het heeft mij.... het heeft mij ook wel strijd gekost,” zei Traddles met zijne gewone goedmoedigheid. „Ik vertel het u echter niet om mijnheer Micawber iets te verwijten, maar om eene andere reden. De zaak is deze, Copperfield. Toen zij die meubeltjes bij mij weghaalden was ik niet in staat om ze terug te koopen, want de uitdrager, die ze gekocht had, meende dat ik er bijzonder aan gehecht was en vroeg daarom een buitensporig hoogen prijs; bovendien had ik op dat oogenblik geen geld. Sinds dien tijd echter heb ik den winkel van dien uitdrager niet uit het oog verloren,” ging hij voort, zich verheugende in zijn eigen slimheid.
„Deze winkel is aan het einde van Tottenham Court Road en eindelijk, vandaag, heb ik gezien, dat hij ze heeft uitgestald om ze te verkoopen. Ik heb er alleen maar van den overkant der straat naar gekeken, want als hij MIJ ziet, dan vraagt hij zeker het driedubbele! Aangezien ik nu het geld er voor heb, is de gedachte bij mij opgekomen of gij misschien die goede, oude kindermeid van u zoudt willen vragen met mij naar den winkel te gaan—ik kan haar dien van den hoek van de eerste zijstraat af aanwijzen—en den koop te sluiten alsof zij ze voor zich zelve kocht!”
Het genoegen, waarmede Traddles dit plan opperde, en de overtuiging, die hij bezat van zijn eigen slimheid, leven nog steeds in mijne herinnering voort alsof zijn bezoek gisteren had plaats gehad. Ik zei hem, dat mijne oude kindermeid blijde zou zijn als zij hem een dienst kon bewijzen en dat wij er met ons drieën zouden heengaan—op ééne voorwaarde. Hij moest mij plechtig beloven voortaan noch zijn naam, noch wat ook aan mijnheer Micawber te leenen.
„Mijn beste Copperfield,” zei Traddles, „ik heb dit zelf ook begrepen; ik heb ingezien dat ik niet alleen onbedachtzaam gehandeld heb, maar ook eene onrechtvaardigheid heb begaan jegens Sophie. Ik heb mij zelven reeds beloofd het niet meer te zullen doen; gij behoeft dus niets te vreezen; ik wil echter gaarne dezelfde belofte aan u afleggen. Die eerste ongelukkige schuldbekentenis is door mij betaald. Ik twijfel niet, of mijnheer Micawber zou het zelf gedaan hebben, indien hij het gekund had. Één ding moet ik u nog mededeelen, Copperfield; het is iets, waarom ik mijnheer Micawber hoogacht. Het betreft de tweede schuldbekentenis, die nog niet is betaald. Hij vertelde mij niet, dat er voor gezorgd was, maar zeide dat er voor gezorgd zou worden. Vindt gij dat niet eerlijk en oprecht van hem?”
Ik wilde mijn vriend zijn vertrouwen op de menschen niet ontnemen en stemde daarom met zijne loftuiting in. Na nog wat gepraat te hebben, gingen wij naar den kruidenierswinkel om Peggotty te halen; Traddles sloeg mijn aanbod, om den avond bij mij door te brengen, af, zoowel omdat hij vreesde dat iemand hem bij den koop van zijne schatten voor zou zijn, als omdat het de avond was, waarop hij gewoon was aan het liefste meisje van de wereld te schrijven.
Nooit zal ik vergeten hoe hij daar om den hoek van de straat te Tottenham Court Road stond te loeren, terwijl Peggotty met den uitdrager onderhandelde over zijne dierbaarste meubelstukken: noch zijne zenuwachtigheid, toen Peggotty langzaam naar ons toekwam, na te vergeefs een bod te hebben gedaan, en toen zij door den uitdrager werd teruggeroepen en er nogmaals heenging. Het einde van de onderhandeling was, dat zij beide meubeltjes voor een tamelijk lagen prijs opkocht en dat Traddles uitgelaten was van blijdschap.
„Ik dank u hartelijk,” zei hij, toen hij vernam dat de kostbare stukken nog dienzelfden avond aan zijne woning zouden worden bezorgd. „Mag ik nu nog eene gunst vragen? Ik hoop, dat gij mijne vraag niet gek zult vinden, Copperfield?”
„O, zeker niet,” antwoordde ik reeds bij voorbaat.
„Als gij dan zoo goed zoudt willen zijn,” vroeg hij aan Peggotty, „den bloempot nu te halen, want ik zou dien—hij behoort aan Sophie, Copperfield—gaarne zelf naar huis brengen.”
Peggotty was blijde hem dien dienst te kunnen bewijzen; hij overlaadde haar met dankbetuigingen en ging naar huis met den bloempot onder den arm en met zulk een vergenoegd gezicht, als ik zelden van hem gezien had.
Peggotty en ik wandelden daarop naar huis terug, maar aangezien de winkels eene aantrekkingskracht op haar oefenden, zooals ze op mij nooit hebben gedaan, vorderden wij slechts langzaam; telkens moest ik blijven staan om dit of dat te bekijken, zoodat het tamelijk lang duurde eer wij de Adelphi bereikten. De trap opgaande, vestigde ik hare aandacht op de plotselinge verdwijning van al de door juffrouw Crupp gemaakte valstrikken en boven komende, waren wij beiden even verbaasd, toen wij mijne kamerdeur geopend vonden—ik had die zelf gesloten—en stemmen hoorden.
Wij keken elkander aan, zonder te begrijpen wat wij daarvan moesten denken, en gingen de zitkamer binnen. Hoe groot was mijne verbazing, toen ik daar mijne tante vond met mijnheer Dick! Mijne tante zat op haar bagage, met twee vogelkooien voor zich en haar kat op den schoot, eene vrouwelijke Robinson gelijk. Juffrouw Crupp had reeds voor thee gezorgd. Mijnheer Dick stond, in gepeins verzonken, op een grooten vlieger te leunen, op een, zooals wij te zamen er meermalen een hadden opgelaten; de rest van zijne bagage lag achter hem.
„Lieve tante! Gij hier!” riep ik. „Welk eene aangename verrassing!”
Wij omhelsden elkander hartelijk; mijnheer Dick en ik schudden elkander vriendschappelijk de hand en juffrouw Crupp, die bezig was thee te schenken en niet wist wat of zij doen zou om tante te believen, zei met een vertrouwelijk knikje, dat zij wel geweten had hoe blij mijnheer Copperfield zou zijn.
„Hola!” zei tante tegen Peggotty, die bedeesd was blijven staan. „Hoe maakt gij het?”
„Herinnert gij u, tante, Peggotty?” vroeg ik.
„Groote goedheid, kind!” riep tante, „noem die vrouw toch niet bij dien heidenschen naam. Als zij toch getrouwd en dien naam kwijt is geweest—zij heeft heel verstandig gedaan, al was het alleen maar om zich van dien naam af te maken—waarom haar dan ook niet het voordeel van die verandering gegund? Hoe heet gij nu Pe......?” Zij wilde dien gehaten naam niet uitspreken.
„Barkis, mevrouw,” antwoordde Peggotty met een buiging.
„Ziet ge wel! Dat is een menschelijke naam!” zei tante. „Dat klinkt minder of gij nog bekeerd moest worden. Hoe gaat het u, Barkis? Ik hoop dat uwe gezondheid goed is?”
Aangemoedigd door den vriendelijken toon en de uitgestoken hand kwam Barkis wat naderbij, nam de aangeboden hand en bewees hare erkentelijkheid door nogmaals een buiging te maken.
„Wij zijn wat ouder geworden, zie ik,” zei tante. „Wij hebben elkaar vroeger maar eenmaal ontmoet, nietwaar? Dat was een gekke avond, hé! Och, Trot, beste jongen, geef mij nog een kopje thee.”
Ik schonk haar gehoorzaam een kop thee in. Zij zat als altijd kaarsrecht, maar ik waagde toch de opmerking te maken dat zij op een koffer zat.
„Laat ik de sofa bij de tafel zetten, of een gemakkelijken stoel, tante,” zei ik. „Waarom zoudt gij het u niet gemakkelijker maken?”
„Dank u, Trot,” antwoordde tante. „Ik blijf liever op mijn eigen koffer zitten.” Bij deze woorden keek tante juffrouw Crupp doordringend aan en vervolgde: „Gij behoeft om onzentwil niet te wachten, juffrouw.”
„Zal ik nog eens opschenken of nog wat thee op den pot doen, eer ik weg ga, mevrouw?” vroeg juffrouw Crupp.
„Neen, dank u, juffrouw,” antwoordde tante.
„Zal ik nog wat boter halen, mevrouw? Of hebt gij ook lust in een versch eitje? Of zal ik een stukje spek voor u bakken? Is er niets dat ik voor uwe lieve tante doen kan, mijnheer Copperfield?” vroeg juffrouw Crupp dringend.
„Niets, juffrouw,” antwoordde tante in mijne plaats, „ik heb niets noodig, dank u.”
Juffrouw Crupp, die onophoudelijk had geglimlacht, om te toonen welk een zacht humeur zij had; onophoudelijk haar hoofd op zijde had gehouden, om blijk te geven van haar zwakke gezondheid; en onophoudelijk in de handen gewreven had, om hare hulpvaardigheid te toonen, ging glimlachend, met het hoofd op zijde en in de handen wrijvend, heel langzaam de kamer uit.
„Dick!” zei tante eensklaps. „Gij herinnert u wel wat ik u verteld heb van huichelaars en aanbidders van het gouden kalf?”
Mijnheer Dick scheen het vergeten te zijn, maar gaf, blijkbaar door deze vraag opgeschrikt, een bevestigend antwoord.
„Juffrouw Crupp behoort tot die soort,” hernam tante. „Och, Barkis, mag ik u eens lastig vallen om nieuwe thee te zetten? Wat dat mensch mij heeft opgedischt, smaakt mij niet.”
Ik kende mijne tante voldoende, om te weten dat zij iets op het hart had; aan deze onverwachte komst lag een ernstiger reden ten grondslag, dan een vreemde zou hebben kunnen vermoeden. Ik voelde telkens haar oog op mij rusten, wanneer zij meende dat mijne aandacht door iets anders getrokken werd; ik zag dat daar in haar binnenste iets was, dat zij aarzelde uit te spreken, al zat zij nog zoo stijf en recht op dien koffer; ja, ik begon zelfs te overpeinzen of ik ook iets gedaan had, waardoor zij zich gekrenkt kon voelen en mijn geweten fluisterde mij in, dat ik haar nog niets verteld had van Dora. Kon het dat zijn?
Ik begreep dat zij wel zou beginnen te spreken, als zij den tijd daartoe gekomen achtte, en praatte daarom tegen de vogeltjes en tegen poes, die genoegelijk op haar schoot lag te spinnen, en deed alsof ik bijzonder op mijn gemak was. Toch was ik ver van gerust en zou dit ook niet geweest zijn, al had mijnheer Dick, die achter tante op zijn vlieger stond te leunen, niet elke gunstige gelegenheid waargenomen, om zoo geheimzinnig mogelijk het hoofd te schudden en op haar te wijzen.
„Trot,” begon tante eindelijk, toen zij hare thee verorberd en zorgvuldig hare japon gladgestreken en hare lippen afgeveegd had—„Trot,—neen, gij behoeft niet heen te gaan, Barkis!—Trot, hebt gij nu al wat ondervinding en wat zelfkennis opgedaan?”
„Ik hoop het, tante.”
„Wat denkt gij?”
„Ik denk het wel, tante.”
„Welnu dan, mijn jongen,” vervolgde zij, terwijl zij mij met een ernstig gelaat aankeek, „waarom denkt gij dat ik van avond liever op mijn eigen koffer zit?”
Ik schudde het hoofd, want ik kon het onmogelijk raden.
„Omdat,” zei tante, „dit alles is wat ik bezit. Omdat ik geruïneerd ben, beste jongen.”
Al ware het huis met ons en met alles wat er in was in de rivier gestort, ik zou geen grooter schok hebben kunnen krijgen.
„Dick weet er alles van,” vervolgde tante, terwijl zij de hand op mijn schouder legde. „Ik ben geruïneerd, beste Trot. Alles wat ik op de wereld bezit is hier in deze kamer, behalve mijn huisje; ik heb Janet achtergelaten om het te verhuren.—Barkis, ik moet voor dezen heer een bed hebben. Ten einde onkosten te besparen, kunt gij misschien hier wel wat vinden. Alles is goed genoeg. Het is maar voor één nacht. Morgen praten wij verder.”
Terwijl ik nog stom van verbazing en met groote bezorgdheid voor haar—ik ben er zeker van dat ik alleen om haar dacht—voor mij uitstaarde, werd ik uit mijn gepeins gewekt, omdat zij mij om den hals viel en snikkend uitriep, dat haar verdriet alleen mij gold. De omhelzing duurde slechts een oogenblik, want zij had terstond hare aandoening onderdrukt en met een gelaat, waarop eerder eene zegevierende dan eene neerslachtige uitdrukking lag, sprak zij: „Wij moeten de zaak flink onder de oogen zien en ons niet laten ontmoedigen, beste jongen. Wij moeten leeren ons spel uit te spelen. Wij moeten onze rampen overwinnen door ze te overleven, Trot!”
XXXV. Neerslachtigheid
Zoodra ik mijne tegenwoordigheid van geest, die mij in het eerste oogenblik na tante's overweldigend bericht geheel verlaten had, terug had gekregen, stelde ik mijnheer Dick voor met mij naar den kruidenierswinkel te wandelen en daar bezit te nemen van het bed van baas Peggotty, dat beschikbaar was. De winkel was op Hungerford Market, waar het er toenmaals geheel anders uitzag dan tegenwoordig; voor de deur bevond zich bijvoorbeeld een laag houten uitbouwsel, op zuilen rustende,—niet ongelijk aan de woonplaats van het oude mannetje en vrouwtje in de eerste weerglazen—dat mijnheer Dick bijzonder aardig vond. Het genot, om boven zulk een fraai uitbouwsel te logeeren, deed hem alle ongemakken vergeten; en aangezien er weinig ongemakken waren, behalve de geur van de verschillende door mij reeds opgesomde koopwaren, en wellicht de ruimte niet al te groot was, voelde mijnheer Dick zich zeer op zijn gemak. Juffrouw Crupp had hem op verontwaardigden toon verzekerd, dat het een kamer was, waar men zelfs geen kat kon houden; maar, zooals mijnheer Dick mij, op het voeteneinde van het bed zittende, verzekerde, hield hij niet van katten en was juffrouw Crupp's waarschuwing dus geheel overbodig.
Ik deed eene poging om te weten te komen, of mijnheer Dick iets begrepen had van de plotselinge verandering in tante's omstandigheden. Zooals ik verwacht had, was alles een gesloten boek voor hem gebleven. Het eenige dat hij wist te vertellen, was, dat tante hem twee dagen geleden gevraagd had: „Zeg eens, Dick, zijt gij werkelijk zoo verstandig als ik altijd gemeend heb?” Hij had daarop geantwoord: „Ja, dat hoop ik ten minste.” Daarna had tante gezegd: „Ik ben geruïneerd, Dick”, waarop hij geantwoord had: „Zoo, inderdaad!” Tante had hem om dit antwoord zeer geprezen en hij was blijde geweest met dien lof. En toen waren zij naar Londen gegaan en hadden onderweg porter en broodjes gekocht.
Mijnheer Dick was zoo welgemoed, terwijl hij op den rand van het bed zijne beenen zat te wrijven en mij dat alles met wijd geopende oogen glimlachend vertelde, dat ik tot mijn spijt een weinig uit mijn humeur raakte en hem uitlegde, dat „geruïneerd zijn” beteekent armoede, gebrek en honger lijden. Terstond werd ik echter voor mijne hardvochtigheid gestraft, want ik zag hem al bleeker en bleeker worden en eindelijk liepen hem de tranen langs de wangen; terwijl hij mij zoo bitter bedroefd aankeek, dat zelfs een harder gemoed dan het mijne vermurwd zou zijn. Ik had veel meer moeite om hem zijne opgeruimdheid terug te bezorgen, dan ik gehad had om hem ter neer te slaan en weldra begreep ik—ik had dit terstond moeten begrijpen—dat hij alleen daarom zoo gerust was geweest, omdat hij zulk een volkomen vertrouwen stelde in de verstandigste en bewonderingswaardigste aller vrouwen en bovendien meende, dat ik mij met mijne bekwaamheden zelf door de wereld kon helpen. Ik vermoed, dat hij deze bekwaamheden als een geneesmiddel beschouwde tegen alle kwalen, die niet bepaald doodelijk waren.
„Wat kunnen wij doen, Trotwood?” zei mijnheer Dick. „Daar is nog de memorie....”
„Ja, zeker, die is er nog,” antwoordde ik. „Maar alles wat wij op het oogenblik kunnen doen is vroolijk kijken en mijne tante niet laten bespeuren, dat wij er over denken.”
Hij stemde dit toe met een hoogst ernstig gelaat en smeekte mij letterlijk hem, wanneer ik hem ook maar een duim van den rechten weg zag afdwalen, op de wijze, zooals ik het best achtte, terug te roepen. Het spijt mij te moeten bekennen dat de schrik, dien ik hem had aangejaagd, in weerwil van al zijne pogingen, niet van hem wilde wijken. Den geheelen avond dwaalden zijne oogen telkens naar tante's gelaat, en er lag zulk eene angstige uitdrukking in alsof hij haar nu reeds zag vermageren. Hij was zich hiervan wel bewust en deed zijn best om zijn hoofd in bedwang te houden; maar aangezien zijne oogen regelmatig door hunne kassen bleven rollen, alsof er een uurwerk in zijn hoofd verborgen was, maakte hij de zaak daarmede niet beter. Ik zag hem naar het brood kijken, waarmede wij ons souper moesten doen—het was toevallig heel klein—alsof dit ons nog alleen van den hongersnood scheidde, en toen tante hem aanmoedigde om zich als naar gewoonte te bedienen, betrapte ik hem op het wegnemen van eenige stukken brood en kaas. Hij stak die in zijn zak, zonder twijfel met het doel ons met dien overgespaarden schat te verrassen, wanneer wij op het punt waren van den geeuwhonger te krijgen.
Tante, daarentegen, was zoo kalm, zoo welgemoed, dat zij voor ons allen, voor mij vooral, een voorbeeld was. Voor Peggotty was zij buitengewoon vriendelijk, behalve wanneer ik haar met dezen naam aansprak; zij scheen zich geheel thuis te gevoelen, hoewel ik wist dat Londen niets aantrekkelijks voor haar had. Zij zou in mijn bed slapen en ik op de sofa in mijne zitkamer, ten einde de wacht bij haar te houden. Het scheen wel dat de nabijheid van de rivier eene geruststelling voor haar was in geval van brand, want zij roerde dit onderwerp niet aan.
„Trot, beste jongen,” sprak zij, toen zij mij toebereidselen zag maken voor haar gewonen avonddrank, „niet doen.”
„Niet, tante? Zult u dan niets drinken?”
„Geen wijn, beste jongen, bier.”
„Maar ik heb hier wijn, tante. Gij drinkt immers elken avond wijn?”
„Bewaar den wijn voor het geval wij een van allen ziek worden,” zei tante. „Wij mogen er niet zoo zorgeloos mede omspringen. Trot! Geef mij maar bier. Een half pintje.”
Ik meende een oogenblik, dat mijnheer Dick in zwijm zou vallen. Tante bleef bij haar besluit en zoo ging ik het bier zelf halen, terwijl Peggotty en mijnheer Dick den kruidenierswinkel opzochten, want het was laat geworden. De arme kerel! Ik nam afscheid van hem op den hoek van de straat en daar ging hij heen, met den grooten vlieger op den rug—een toonbeeld van menschelijke ellende!
Toen ik terugkwam vond ik tante de kamer op en neerloopende, terwijl zij de kanten van hare nachtmuts met haar vingers in de plooi bracht.
Ik warmde het bier en maakte het geroosterde brood gereed, geheel zooals zij dat jaren lang gewend was geweest. Toen ik daarmede gereed was, was zij gereed om het te gebruiken, had de muts opgezet en de japon over hare knieën geslagen.
„Beste jongen,” sprak zij, na eene teug van het warme bier genomen te hebben, „het is veel beter dan wijn. Veel minder slecht voor de gal.”
Het schijnt dat er eene uitdrukking van twijfel op mijn gelaat te lezen was, want zij voegde er bij:
„Tut, tut, mijn kind. Als ons niets ergers overkomt dan bier in plaats van wijn te moeten drinken, mogen wij van geluk spreken.”
„Dat zou ik zelf ook denken, tante,” antwoordde ik.
„En waarom denkt gij dan niet zoo?” vroeg zij.
„Omdat gij en ik zeer verschillende personen zijn, tante,” antwoordde ik.
„Dwaasheid, praatjes, Trot,” antwoordde tante. Zij bleef met stil genot, waarbij weinig, zoo al eenige gemaaktheid was, het warme bier met een theelepeltje opslurpen, terwijl zij de reepjes geroosterd brood er in sopte.
„Gij weet, Trot,” sprak zij middelerwijl, „dat ik niet veel houd van vreemde gezichten, maar die Barkis bevalt mij wel.”
„Het is mij meer waard dan honderd pond dat ik u dit hoor zeggen, tante,” antwoordde ik.
„Het is een wonderlijke wereld tegenwoordig,” ging zij, haar neus wrijvende, voort, „maar hoe die vrouw er ooit met zoo'n naam is ingekomen, blijft mij een raadsel. Het is toch veel gemakkelijker geboren te worden als Jackson of iets dergelijks.”
„Misschien denkt zij dat zelve ook wel; maar zij kan het niet helpen.”
„Dat zal het ook wel niet,” stemde tante met eenigen weerzin toe, „maar het is toch ergerlijk. Hoe het zij, zij heet nu Barkis. Dat is wel zoo gemakkelijk uit te spreken. Barkis houdt veel van u, Trot.”
„Zij zou alles willen doen om daarvan het bewijs te leveren,” zei ik met warmte.
„Alles,” herhaalde tante, „dat geloof ik ook. Die dwaze meid heeft mij gebeden en gesmeekt om wat van haar geld aan te nemen—omdat zij te veel heeft! Wat een onnoozele bloed!”
Er vielen tranen in het warme bier; dat zag ik duidelijk.
„Zij is het belachelijkste schepsel, dat ooit geboren is,” vervolgde tante. „Van het eerste oogenblik af, dat ik haar bij uwe moeder, bij dat arme, lieve kind-vrouwtje, gezien had, wist ik dat zij een dwaas schepsel was. Maar zij heeft ook veel goeds, die Barkis!”
Zij deed alsof zij lachte en had daardoor gelegenheid om de hand voor de oogen te houden. Toen zij zich op deze wijze geholpen had, ging zij voort met eten en praten.
„Goede Hemel, Trot, ik heb alles gehoord,” sprak zij met een zucht. „Barkis en ik hebben er heel wat afgepraat, toen gij met mijnheer Dick op het pad waart. Ik begrijp niet wat die ongelukkige meisjes zich wel voorstellen! Het verbaast mij altijd, dat zij zich het hoofd niet te bersten loopen tegen.... tegen een schoorsteenmantel!” Vermoedelijk was dit denkbeeld bij haar opgekomen omdat zij vlak tegenover den mijne zat.
„Arme Emily!” zei ik.
„Praat mij toch niet van arme!” antwoordde tante. „Zij moest dat bedacht hebben eer zij zooveel ellende veroorzaakte. Geef mij een kus, Trot. Het spijt mij dat gij zoo jong reeds zulk eene ervaring hebt opgedaan.”
Toen ik mij vooroverboog, zette zij het bierglas op hare knie, opdat zij mij zou kunnen vasthouden, en zei:
„O, Trot, Trot! Verbeeldt gij u werkelijk lief te hebben? Is het waar?”
„Verbeelden, tante?” riep ik uit, zoo rood als een kalkoen. „Ik aanbid haar!”
„Zoo, Dora?” vroeg zij. „En meent gij waarlijk dat zij zoo bekoorlijk is?”
„Lieve tante,” antwoordde ik. „Niemand is in staat om zich eene voorstelling van haar te maken.”
„Zoo? En niet kinderachtig?”
„Kinderachtig, tante?”
Ik geloof in allen ernst dat de gedachte of zij al of niet kinderachtig was, nooit in mij was opgekomen. Natuurlijk ergerde ik mij er aan, maar ik was er toch door getroffen; ze was nieuw voor mij.
„Geen onbezonnen schepseltje?” vroeg tante.
„Onbezonnen, tante!” Ik kon niets doen dan het woord herhalen met hetzelfde gevoel, waarmede ik de eerste vraag had herhaald.
„Zoo, zoo!” hernam tante. „Ik vraag het maar; ik spreek geen kwaad van haar. Arm, jong paartje! En dus meent gij, dat gij voor elkaar geschapen zijt en door het leven gaan zult als twee kleine stukjes gebak op een soupétje? Nietwaar Trot?”
Zij deed deze vraag op zulk een vriendelijken toon en met zulk een gemengde uitdrukking van blijdschap en bezorgdheid op haar gelaat, dat ik er werkelijk door getroffen werd.
„Wij zijn jong en hebben nog weinig ondervinding, tante, dat weet ik,” antwoordde ik, „en ik wil er zelfs bijvoegen dat wij de toekomst misschien wel wat met een bevooroordeelden blik of door een rozenrooden bril beschouwen; maar wij hebben elkander innig lief, dat kan ik u verzekeren. Als de gedachte in mij opkwam, dat Dora ooit een ander zou kunnen lief hebben of zou kunnen ophouden mij lief te hebben; of dat ik een ander meisje zou kunnen liefhebben of zou kunnen ophouden haar lief te hebben—ik weet niet wat ik dan doen zou.... ik geloof dat ik krankzinnig zou worden!”
„O, Trot!” zei tante hoofdschuddend en met een ernstigen glimlach, „blind, blind, blind!”
„Ik ken iemand, Trot,” vervolgde zij na een oogenblik gezwegen te hebben, „ik ken iemand, die heel erg verliefd is, iemand, die mij aan dat arme kind-vrouwtje herinnert. Die „iemand” moet zich ernstig afvragen, of een andere iemand wel ernstig genoeg is om hem te steunen en op den goeden weg te houden, Trot. Ernst..... oprechten, trouwen, heiligen ernst moet hij zoeken.”
„O! Als gij eens wist, tante, hoe ernstig Dora zijn kan!” riep ik.
„Blindheid! Trot! Blindheid!” herhaalde zij en zonder te beseffen waarom, maakte zich eene gewaarwording van mij meester of ik iets verloren had, of dat ik iets miste. De gedachte aan Dora maakte mij niet meer zóó gelukkig als ze tot nu toe gedaan had.
„Gij moet niet denken, Trot,” hernam tante, „dat het mijne bedoeling is twee jonge menschen afkeerig van elkaar of ongelukkig te maken; neen, ofschoon ik uwe zoogenaamde liefde nog beschouw als eene echte kalverliefde en van kalverliefde gewoonlijk—let wel op, ik zeg niet ‚nooit’—niets komt, zullen wij er toch ernstig over praten en het zal mij aangenaam zijn te kunnen hopen op een gelukkigen uitslag. Vooreerst kan er toch niets van komen.”
Dit was nu niet zeer troostrijk voor iemand, die tot over de ooren verliefd was; maar ik was blijde dat tante nu in vertrouwen was genomen en vermoedde dat zij wat vermoeid zou zijn. Ik bedankte haar daarom hartelijk voor dit blijk van hare genegenheid en voor alles, wat zij reeds voor mij gedaan had, waarna ik haar goeden nacht wenschte en zij met de nachtmuts over den arm in mijne slaapkamer verdween.
Maar o, wat voelde ik mij ellendig, toen ik mijne sofa had opgezocht! Allerlei kwellende gedachten hielden mij voortdurend bezig: Wat zou mijnheer Spenlow zeggen nu ik arm was? Wat Dora, nu ik niet meer zijn kon wat ik was, toen ik haar had gevraagd? Hoe moest ik haar bekend maken met mijne veranderde positie en moest ik haar haar woord teruggeven, indien zij dit wenschte? Waarvan moest ik leven gedurende den langen tijd, waaraan ik door het eenmaal gesloten contract verbonden was, als ik niets verdiende? Hoe zou ik iets kunnen doen om mijne tante te ondersteunen? Zou ik nu voortaan, zonder een penny op zak, in een versleten rok naar Norwood moeten gaan, in plaats van keurig uitgedost, op een vurigen appelschimmel, met de fraaiste cadeaux voor Dora in den zak? Ik wist dat deze gedachten zelfzuchtig, ja, bijna laaghartig waren en ik deed mijn uiterste best om ze op de vlucht te jagen, doch mijne liefde voor Dora was oorzaak, dat ze telkens weder naar voren drongen. Ik wist dat het slecht van mij was, zoo weinig aan tante en zooveel aan mij zelven te denken; maar zelfzucht en Dora waren onafscheidelijk van elkander en ik kon Dora niet ter zijde stellen, voor welk menschelijk wezen ook. O, wat bracht ik een ellendigen nacht door!
Toen ik eenmaal in slaap was gevallen droomde ik van armoede in al hare afschuwelijkste vormen, maar ik had het gevoel alsof ik droomde zonder eerst in slaap gevallen te zijn. Nu eens was ik een havelooze bedelaar en wilde Dora lucifers verkoopen—zes doosjes voor een halven stuiver; dan weder kwam ik in een slaaprok en laarzen op het kantoor en werd door mijnheer Spenlow berispt, omdat ik in een dergelijk toilet voor de cliënten wilde verschijnen; een andermaal ving ik de kruimels op van mijnheer Tiffey's beschuit, die hij elken dag, wanneer de klok van St. Paul één uur sloeg, verorberde: hopelooze pogingen wendde ik aan om een licentie te verkrijgen voor een huwelijk met Dora, terwijl ik niets in ruil had dan een van Uriah Heep's handschoenen, die geen der leden van de Commons hebben wilde; en toch bleef ik mij bewust dat ik in mijn eigen kamer was en lag ik in een zee van beddegoed rond te woelen, als een schip zonder masten op de onstuimige baren.
Tante was ook onrustig; ik hoorde haar telkens heen en weer wandelen. Twee of drie malen kwam zij in den loop van den nacht mijne kamer binnen en op de sofa toe, gehuld in een lange, flanellen nachtjapon, waarin zij zeven voet lang scheen. De eerste maal sprong ik ontsteld op, om te vernemen dat zij uit een eigenaardig schijnsel aan den hemel afleidde, dat de Westminsterabdij in brand stond; zij verlangde te weten of bij eene verandering in den wind Buckingham-street ook gevaar zou loopen. De volgende maal bleef ik stil liggen en bemerkte dat zij naast mij ging zitten, telkens fluisterend: „Arme jongen!” Het besef, dat zij alleen aan mij dacht en dat ik zoo zelfzuchtig was, maakte mij diep ellendig.
Het was moeilijk te gelooven dat een nacht, die voor mij zoo onuitsprekelijk lang was geweest, aan iemand anders kort kon hebben toegeschenen.
Deze overweging wekte een visioen in mij op; ik was op een danspartij, waar de uren omvlogen; ik hoorde de muziek onophoudelijk dezelfde melodie spelen, ik zag Dora voortdurend dansen, altijd denzelfden dans, zonder eenige notitie van mij te nemen. Toen ik wakker werd, of laat ik liever zeggen, toen ik mijne pogingen om in slaap te vallen staakte, en de zon door het venster gluurde, was de man, die den geheelen nacht op de harp gespeeld had, bezig deze eene buitengewoon groote slaapmuts op te zetten, hetgeen hem maar niet wilde gelukken.
Aan het einde van een der van het strand komende straten bevond zich in die dagen een Romeinsch badhuis—misschien is het er nog wel—waarvan ik menigmaal gebruik heb gemaakt. Na mij zoo stil mogelijk aangekleed te hebben, ging ik er ook dezen morgen heen—Peggotty zou voor tante zorgen—en stortte mij hals over kop in het koele water; daarna deed ik een wandeling naar Hampstead. Ik hoopte dat deze lichaamsbeweging mij wat zou opfrisschen en ik meen ook dat die mij goed heeft gedaan, want al heel spoedig kwam ik tot het besluit dat de eerste stap, dien ik te doen had, was te trachten mijn contract te verbreken en de gestorte som terug te krijgen. Ik ontbeet te Hampstead en wandelde toen langs de reeds besproeide wegen naar Doctors' Commons; genietende van de liefelijke geuren der bloemen in de tuinen langs den weg en op de wagens der venters, die stadwaarts reden. Mijn voornemen was terstond van mijn kant alles te doen om verbetering te brengen in onze zoo veranderde omstandigheden.
Ik kwam, in weerwil van den veelbewogen morgen, nog veel te vroeg aan het kantoor, zoodat ik meer dan een half uur kon rondslenteren om de Commons, eer de oude Tiffey, die altijd de eerste was, met den sleutel kwam. Ik ging toen in een hoekje zitten kijken naar het spelen van de zonnestralen op de schoorsteenen aan de overzijde, terwijl Dora voortdurend mijne gedachten bezig hield tot mijnheer Spenlow binnenkwam, stijver en keuriger dan ooit.
„Zoo, Copperfield, hoe maakt gij het?” vroeg hij. „Mooi weer, van morgen!”
„Een prachtige morgen, mijnheer!” antwoordde ik. „Kan ik een paar woorden met u spreken eer gij naar het Hof gaat?”
„Zeker, zeker,” antwoordde hij. „Kom in mijn kamer.”
Ik volgde hem naar zijne kamer, waar hij begon met zijne jas uit te trekken en zijn toilet te voltooien voor een klein spiegeltje, dat aan den binnenkant van eene kastdeur was opgehangen.
„Het spijt mij u te moeten meedeelen,” begon ik, „dat ik van mijne tante een bericht heb ontvangen, waardoor ik zeer ben teleurgesteld.”
„Zoo?” zei hij. „Goede Hemel! Toch geen beroerte, hoop ik!”
„Het betreft hare gezondheid volstrekt niet, mijnheer. Zij heeft geldelijke verliezen geleden en maar zeer weinig overgehouden.”
„Maar, Copperfield, ik ben een en al verbazing!” riep mijnheer Spenlow uit.
Ik schudde het hoofd.
„Het is zoo, mijnheer,” zei ik, „hare omstandigheden zijn in die mate veranderd, dat ik u wilde vragen of het mogelijk zijn zou, natuurlijk met opoffering van een gedeelte der gestorte som,”—ik voegde dit er bij, omdat zijn gelaat reeds eene strakke uitdrukking aannam—„of het mogelijk zou zijn mijn contract te verbreken?”
Wat het mij kostte om dit voorstel te doen, weet niemand. Het was hetzelfde, alsof ik de gunst verzocht om van Dora afstand te doen.
„Uw contract te verbreken, Copperfield? Verbreken?”
Zoo kalm mogelijk zette ik hem uiteen, dat ik waarlijk niet wist hoe aan den kost te moeten komen zonder zelf wat te verdienen. Ik zag de toekomst niet donker in, zei ik en—ik legde daarop eenigen nadruk, alsof ik hem wilde doen inzien, dat ik nog volstrekt niet zulk een onaannemelijk schoonzoon was in die toekomst, maar voor het tegenwoordige mij zelven door de wereld moest helpen.
„Het spijt mij ontzettend dit te vernemen, Copperfield,” zei mijnheer Spenlow. „Het spijt mij ontzettend! Het is niet gebruikelijk een contract om zulke redenen te verbreken. Het is volstrekt geen gebruik in ons beroep. Ook is het geen zeer verkieslijk antecedent. Volstrekt niet. Bovendien....”
„Gij zijt wel goed, Mijnheer,” mompelde ik in de meening, dat hij mijn verzoek gunstig opnam.
„Volstrekt niet. Zeg dat niet,” hernam mijnheer Spenlow. „Bovendien, wilde ik zeggen, is het nu eenmaal mijn lot met gebonden handen te staan.... had ik geen compagnon.... mijnheer Jorkins.....”
In een oogenblik was al mijne hoop vervlogen, maar ik deed toch nog eene poging.
„Meent gij, Mijnheer,” vroeg ik, „dat indien ik mijnheer Jorkins de zaak blootleg.....?”
Mijnheer Spenlow schudde op zeer ontmoedigende wijze het hoofd. „De Hemel verhoede, Copperfield,” antwoordde hij, „dat ik iemand onrecht zal aandoen; mijnheer Jorkins het allerminst. Maar ik ken mijn compagnon, Copperfield. Mijnheer Jorkins is niet iemand om op zulk een eigenaardig voorstel in te gaan. Mijnheer Jorkins is zeer moeilijk van den eenmaal gebaanden weg af te brengen. Gij kent hem trouwens?”
Ik kan op mijn woord van eer verklaren, dat ik niets van mijnheer Jorkins wist dan dat hij eerst alleen in de zaak was geweest en nu woonde in een huis dichtbij Montagu-square, dat noodzakelijk geverfd moest worden; dat hij altijd laat kwam en vroeg heenging; dat hem nooit over een of ander advies werd gevraagd, en dat hij een eigen kamertje had, een achterkamertje, waar nooit zaken werden behandeld en waar zijne schrijflessenaar stond, overdekt met een oud, geel kardoespapier zonder een enkel inktspatje, hoewel men beweerde dat het reeds meer dan vijfentwintig jaar oud was.
„Hebt gij er iets tegen, mijnheer, dat ik mijnheer Jorkins de zaak blootleg?” vroeg ik.
„Volstrekt niet,” zei mijnheer Spenlow. „Maar ik heb ten opzichte van mijnheer Jorkins al heel wat ondervinding opgedaan, Copperfield. Ik wilde wel, dat ik andere ondervindingen had opgedaan, want ik zou niets liever doen dan u in alle opzichten tegemoet komen. Maar ik heb er volstrekt niets tegen, dat gij de zaken voor mijnheer Jorkins blootlegt, Copperfield, als gij het de moeite waard acht.”
Met het vaste plan om gebruik te maken van deze toestemming, die mij met een hartelijken handdruk gegeven was, bleef ik aan Dora zitten denken en naar de zonnestralen kijken, die reeds van de schoorsteenen tot op den muur van het huis aan de overzijde waren neergedaald. Toen mijnheer Jorkins kwam, ging ik terstond naar zijne kamer; waar hij mij met een uitroep van verbazing ontving.
„Kom binnen, Copperfield,” zei hij. „Kom binnen!”
Ik kwam binnen en ging zitten, waarna ik mijnheer Jorkins de zaak in nagenoeg dezelfde bewoordingen voordroeg, als ik aan mijnheer Spenlow gedaan had. Mijnheer Jorkins was volstrekt niet zulk eene vrees inboezemende persoonlijkheid als men verwacht zou hebben; doch een zwaarlijvig man met een vriendelijk gelaat en kalme manieren, ongeveer zestig jaar oud; een man, die zooveel snuif gebruikte, dat hij, volgens het in de Commons loopende gerucht, hoofdzakelijk daarvan leefde.
Toen hij mij geheel had laten uitspreken, zei hij: „Gij hebt zeker mijnheer Spenlow ook reeds over deze zaak gesproken?”
„Ja,” antwoordde ik en voegde er bij, dat mijnheer Spenlow zijn naam genoemd had.
„Mijnheer Spenlow heeft zeker gezegd dat ik bezwaren zou maken?” vroeg mijnheer Jorkins.
Ik was verplicht om te bekennen, dat mijnheer Spenlow dit waarschijnlijk achtte.
„Het spijt mij u te moeten zeggen, mijnheer Copperfield, dat ik uwe plannen niet kan bevorderen,” zei hij zenuwachtig. „De zaak is.... maar ik word gewacht aan de Bank; gij wilt wel zoo goed zijn mij te verontschuldigen.” Met deze woorden stond hij haastig op en ging de kamer uit, terwijl ik nog vermetel genoeg was te zeggen, dat er dan, naar ik vreesde, geen manier was om de zaak te schikken.
„Neen!” zei mijnheer Jorkins, terwijl hij hoofdschuddend in de deur bleef staan. „O, neen! Ik ben er tegen, begrijpt gij.” Hij zei dit haastig en ging toen heen. „Gij begrijpt, mijnheer Copperfield,” voegde hij er bij, met een onrustigen blik naar de deur, „als mijnheer Spenlow er tegen is....”
„Persoonlijk heeft hij er niet tegen, mijnheer,” zei ik.
„O, persoonlijk!” herhaalde mijnheer Jorkins ongeduldig. „Ik verzeker u, dat er bezwaren bestaan, mijnheer Copperfield. Het is hopeloos! Hetgeen gij wenscht kan niet gebeuren. Ik.... ik moet aan de Bank zijn.” Nu rende hij letterlijk weg en, voor zoover ik weet, verscheen hij in de eerste drie dagen niet in de Commons.
Aangezien ik geen enkele kans onbeproefd wilde laten, wachtte ik tot mijnheer Spenlow terugkwam en deelde hem mijn gesprek met mijnheer Jorkins mede; terwijl ik er bijvoegde, dat ik de hoop nog niet opgaf, indien hij zelf wilde beproeven den onbuigzamen compagnon te vermurwen.
„Copperfield,” antwoordde mijnheer Spenlow met een minzaam lachje, „gij kent mijn compagnon, mijnheer Jorkins, niet zoo lang en zoo goed als ik. Niets ligt minder in mijne bedoeling dan mijnheer Jorkins op de eene of andere wijze zwart te maken; maar mijnheer Jorkins heeft eene manier om bezwaren te opperen, waarmede hij de menschen wat eens misleidt. Neen, Copperfield, mijnheer Jorkins is niet te vermurwen, geloof mij,” eindigde hij hoofdschuddend.
Het duizelde mij. Ik wist niet meer wie nu eigenlijk de bezwaren maakte, mijnheer Jorkins of mijnheer Spenlow? Ik zag echter met onverbiddelijke duidelijkheid in, dat ik aan het terugkrijgen van de duizend pond, door tante gestort, niet behoefde te denken. Moedeloos—ik herinner mij dat altijd nog met spijt, want ik was mij bewust, dat ik nog te veel aan mij zelven dacht, al was het steeds in verband met Dora—moedeloos verliet ik het kantoor en ging naar huis.
Ik poogde mij gemeenzaam te maken met het ergste, mij de schikkingen voor te stellen, die voor de toekomst, voor de zwartste toekomst, gemaakt moesten worden; ik deed mijn best alles zooveel mogelijk van den donkersten kant te bekijken, toen mij eene huurkoets achterop reed en vlak bij mij bleef stilstaan. Ik keek op en ziet—een blank handje werd mij toegestoken uit het portierraam en ik zag een lachend gezichtje, een gezichtje, dat ik nooit had gezien zonder mij gelukkiger en opgewekter te gevoelen, van het oogenblik af, dat het op de eikenhouten trap met de breede leuning naar mij keek en het mij aan de geschilderde vensters in de kerk deed denken.
„Agnes!” riep ik verheugd uit. „O, lieve Agnes, niemand kan mij op dit oogenblik meer welkom zijn dan gij!”
„Zoo, waarlijk?” vroeg zij op den haar eigen hartelijken toon.
„Ik heb zooveel met u te bespreken!” ging ik voort. „Nu ik u maar zie, is mijn hart al zooveel lichter! Had ik kunnen tooveren, ik zou niemand liever hierheen getooverd hebben dan u!”
„Wat?”
„Ja, misschien toch Dora eerst!” voegde ik er met een blos bij.
„Natuurlijk, Dora eerst, dat hoop ik ten minste,” zei Agnes lachend.
„Maar dan u! Waar gaat gij heen?”
Zij was op weg naar Buckingham-street om tante een bezoek te brengen. Het was mooi weer, zoodat zij blijde was het rijtuig te kunnen verlaten—ik had al dien tijd mijn hoofd binnen het rijtuig gehad, waarin een lucht was, die deed denken aan een stal onder een broeiraam.—Ik gaf den koetsier zijn afscheid en zij stak haar arm door den mijne en zoo wandelden wij naar mijne kamer. Zij vertegenwoordigde voor mij de belichaamde Hoop. Welke eene verandering had zij in deze enkele minuten reeds bij mij teweeggebracht! Arm in arm met Agnes!
Tante had haar een van die zonderlinge, korte briefjes geschreven—niet veel langer dan een banknoot—waartoe zij gewoonlijk hare correspondentie beperkte. Zij had daarin bericht, dat zij tegenspoed gehad en Dover voor goed verlaten had; maar dat zij zich reeds daarover heen had gezet en niemand zich dus om harentwil bezorgd behoefde te maken. Agnes was daarop naar Londen gegaan om tante een bezoek te brengen; want in de laatste jaren had tusschen tante en haar eene wederkeerige genegenheid bestaan. Deze dagteekende van het oogenblik, waarop zij mij bij de Wickfields had gebracht.
„Ik ben niet alleen in Londen,” sprak Agnes. „Papa is ook hier en.... Uriah Heep.”
„En zijn zij nu compagnons?” vroeg ik. „De duivel hale den kerel!”
„Ja,” zei Agnes. „Zij hebben zaken hier en ik heb de gelegenheid waargenomen om met hen mede te gaan. Gij moet niet denken, Trotwood, dat mijn bezoek geheel en al belangeloos of uit vriendschap is, want.... ik ben bang, dat gij mij erg voorzichtig zult vinden.... ik laat papa niet gaarne alleen—met hem.”
„Oefent hij nog steeds denzelfden invloed op mijnheer Wickfield, Agnes?” vroeg ik.
Agnes schudde het hoofd. „Er is zooveel veranderd in huis,” sprak zij, „dat gij onze oude, gezellige woning bijna niet meer zoudt herkennen. Zij wonen nu bij ons in.”
„Wie?” vroeg ik.
„Mijnheer Heep en zijne moeder. Hij slaapt op uw oude kamertje,” vertelde Agnes, terwijl zij mij haar lief gezichtje toekeerde.
„O, kon ik zijne droomen beheerschen!” riep ik uit. „Dan zou hij daar niet lang slapen!”
„Ik heb mijn oude kamertje behouden,” zei Agnes, „waar ik gewoon was mijne lessen te leeren. Wat gaat de tijd toch snel voorbij! Herinnert gij u dat kleine met hout beschoten kamertje? Het kwam in het salon uit.”
„Of ik mij dat herinner, Agnes? Toen ik u voor de eerste maal zag, kwaamt gij uit die deur met het kleine sleutelmandje aan den arm.”
„Juist, dat bedoel ik,” hernam Agnes met een vriendelijken glimlach. Het doet mij genoegen, dat gij 't u zoo goed herinnert. Wat waren wij toen gelukkig!
„Ja, waarlijk, dat moogt gij wel zeggen.”
„Ik heb dat kamertje voor mij zelve gehouden, maar ik kan juffrouw Heep niet altijd alleen laten, dat begrijpt ge. Ik voel mij dikwijls verplicht om haar gezelschap te houden, terwijl ik veel liever alleen zou zijn. Overigens heb ik geen enkele reden om over haar te klagen. Mocht zij mij nu en dan al eens vervelen met de loftuitingen over haar zoon, dan denk ik maar dat dit zoo natuurlijk is in eene moeder. Hij is een goed zoon voor haar.”
Ik keek Agnes aan, toen zij deze woorden gezegd had, maar kon niet ontdekken of zij iets van zijne plannen vermoedde. Hare zachte, ernstige oogen ontmoetten de mijne met dezelfde oprechtheid als altijd; er was niet de minste ontroering te bespeuren in haar lief gezichtje.
„De hoofdoorzaak, waarom ik dit samenwonen betreur, is, dat ik nu niet altijd zoo dicht bij papa kan zijn als ik wel zou wenschen—Uriah is nu zoo dikwijls tusschen ons—; ik kan hem nu niet zoo nauwgezet bewaken, bedoel ik—indien dit ten minste geen al te stoute bewering is. Mocht hij voor een oogenblik het slachtoffer worden van eenig bedrog of verraad, dan zullen, naar ik hoop, toch eindelijk liefde en waarheid wel sterker blijken te zijn. Ik hoop dat ware liefde en waarheid sterker zullen blijken te zijn, dan al het kwaad en al de boosheid op de geheele wereld.”
Een heldere, zonnige glimlach, zooals ik nooit op een ander gelaat gezien heb, verdween reeds, terwijl ik nog dacht hoe schoon die was en hoe ik daarvan in ruime mate had kunnen genieten. Toen wij dicht bij mijne kamers waren, vroeg zij mij, met eene plotselinge verandering op haar gelaat, of ik iets wist van de oorzaak der veranderde omstandigheden mijner tante. Ik antwoordde, dat zij mij nog niets daarvan had verteld, waarna Agnes stil werd en het mij toescheen, als voelde ik haar arm op den mijne beven.
Wij vonden tante alleen en in zenuwachtige stemming. Er was een verschil van gevoelen gerezen tusschen haar en juffrouw Crupp, over eene geheel op zichzelve staande quaestie, namelijk of het voegzaam was voor leden der zwakkere sexe om alleen op kamers te wonen; terwijl zij daarover aan het disputeeren waren had tante, ongevoelig voor de zenuwen van juffrouw Crupp, plotseling verklaard, dat deze naar brandewijn rook en beter deed maar heen te gaan. Deze beide uitdrukkingen waren in de oogen van juffrouw Crupp in rechten vervolgbaar, zoodat zij als haar voornemen had te kennen gegeven, een klacht in te dienen bij de „Engelsche Judy”, waarmede zij vermoedelijk het bolwerk onzer nationale vrijheid bedoelde.
Tante had echter reeds gelegenheid gehad om te bekoelen, want Peggotty was uitgegaan om mijnheer Dick de Horse Guards te laten bewonderen; bovendien was zij blijde Agnes te zien en volstrekt niet met het geval verlegen, ja, eerder trotsch op de wijze, waarop zij „dat mensch” de waarheid had gezegd, zoodat zij ons in eene bijzonder goede luim ontving. Toen Agnes haar hoed op de tafel gelegd had, en ik haar daar naast tante zag zitten met hare zachte oogen en haar hoog, blank voorhoofd, kon ik niet nalaten te denken, hoe natuurlijk het was, dat zij daar bij ons zat, hoe volkomen tante op haar vertrouwde, niettegenstaande zij zooveel jonger was en zooveel minder ondervinding had opgedaan; hoe sterk zij was in hare zucht naar liefde en waarheid.
Het gesprek liep over de verliezen, die tante geleden had, en ik vertelde haar wat ik dien morgen gepoogd had te doen.
„Dat was niet verstandig van u, Trot,” zei tante, „hoewel goed gemeend. Gij zijt een jongen, die het hart op de rechte plaats heeft—ik moet nu zeggen een jonge man—ik ben trotsch op u, beste. Tot zoover zijn wij het dus eens, maar nu, Trot en Agnes, moeten wij de zaak van Betsey Trotwood eens flink aanpakken en zien hoe die staat.”
Ik zag dat Agnes bleek werd, terwijl zij tante met de grootste opmerkzaamheid gadesloeg. En tante keek, terwijl zij de kat streelde, ook Agnes oplettend aan.
„Betsey Trotwood,” vervolgde tante, die altijd hare geldzaken zelve behandeld had—„ik bedoel niet uwe zuster Trot, beste jongen; ik bedoel mij zelve—bezat een zeker kapitaal. Hoeveel? Dat doet er niet toe. Genoeg om van te leven; meer nog dan dat, want zij was spaarzaam geweest en had overgehouden. Betsey had haar kapitaal in effecten belegd, maar op raad van haar zaakwaarnemer nam zij hypotheek op landerijen. Dit ging heel goed en gaf behoorlijke rente tot Betsey werd afbetaald.—Ik spreek daar van Betsey alsof zij een matroos was.—En toen moest Betsey uitkijken naar eene andere plaatsing voor haar geld. Zij meende wijzer te zijn dan haar zaakwaarnemer, die toenmaals de zaken niet meer zoo goed waarnam als vroeger—ik heb het oog op uw vader, Agnes—en belegde haar geld zelve. Zij ging met hare varkens naar eene andere markt en die markt bleek eene slechte te zijn. Eerst verloor zij met mijnspeculatiën en toen verloor zij met duikerspeculatiën—ik geloof om verloren schatten op te visschen of eene dergelijke dwaasheid”—legde tante uit, terwijl zij haar neus wreef; „en toen verloor zij nogmaals met de mijnen, en eindelijk, om de kroon op alles te zetten, verloor zij met Bankspeculatiën. Ik weet niet wat die aandeelen, een tijd geleden, waard waren,” vervolgde zij, „ik geloof honderd procent; maar die Bank was aan het andere einde van de wereld en sprong, voor zoover ik weet, van de wereld af in de ruimte; hoe het zij, er komt geen halven shilling van terecht. Betsey's shillings stonden er alle in en zijn nu alle weg. Hoe minder ik er van zeg, hoe minder ik heb te verantwoorden.”
Tante besloot dit wijsgeerig verslag met Agnes, die langzamerhand hare kleur had teruggekregen, met een zegevierenden blik aan te kijken.
„Is dat de geheele geschiedenis, lieve juffrouw Trotwood?” vroeg Agnes.
„Ik meen dat het genoeg is, mijn kind,” antwoordde tante. „Ware er meer geld te verliezen geweest, dan zou het denzelfden weg zijn opgegaan, dat weet ik zeker. Ik twijfel niet of Betsey zou wel een middel hebben geweten om het de rest achterna te gooien en dan zou de geschiedenis ook langer zijn geweest. Maar aangezien er geen geld meer was is de geschiedenis uit.”
Agnes had in het eerst met ingehouden adem zitten luisteren en was beurtelings rood en bleek geworden; maar thans ademde zij vrijer. Ik meende de oorzaak daarvan te begrijpen. Zij had gevreesd dat haar toch reeds zoo ongelukkige vader er op de eene of andere wijze in betrokken was. Tante nam Agnes' hand in de hare en zei lachend: „Dat is nu alles, behalve: ‚En later leefden zij heel gelukkig.’ Misschien mag ik dit nog eens aan Betsey's geschiedenis toevoegen. En nu, Agnes, gij zijt altijd zoo verstandig en gij ook, Trot, hoewel ik u niet in alle dingen dit compliment kan maken,”—tante schudde op eene eigenaardig heftige wijze het hoofd tegen mij—„wat moeten wij nu doen? Ik heb mijn huisje nog, dat ongeveer zeventig pond in het jaar zal opbrengen—daarop mogen wij, naar ik meen, wel rekenen—maar dat is ook alles.”—Tante had, evenals sommige paarden, de dwaze eigenaardigheid om nu en dan plotseling op te houden, terwijl zij nog een geheelen tijd scheen te zullen voortgaan.
Na eene kleine pauze vervolgde zij: „Dan hebben wij Dick. Hij betaalt honderd pond 's jaars, maar gij begrijpt, dat die ook voor hem besteed moeten worden. Liever zond ik hem weg—al weet ik dat ik de eenige persoon ben, die hem naar waarde weet te schatten, dan hem te houden om zijn geld. Hoe kunnen Trot en ik nu op de beste wijze ons leven inrichten? Wat denkt gij daarvan, Agnes?”
„Ik zeg, tante,” viel ik in, „dat ik iets doen moet.”
„Soldaat worden of naar zee gaan? Bedoelt gij dat—met „iets doen?”” vroeg tante ongerust. „Ik wil er niets van hooren. Gij moet proctor worden. Het is in ONZE familie niet de gewoonte zich naar lager wal te laten sturen, onthoud dat goed, jongeheer.”
Ik was op het punt om te verklaren, dat ik geen plan had deze manier van doen bij de familie in te voeren, toen Agnes vroeg of de kamers, die ik bewoonde, voor langen tijd gehuurd waren.
„Gij slaat den spijker op den kop, lieve Agnes,” zei tante. „Wij kunnen er in de eerste zes maanden niet afkomen, tenzij ze aan anderen verhuurd konden worden, hetgeen ik betwijfel. De laatste bewoner is hier gestorven. Vijf van de zes bewoners zouden hier natuurlijk sterven—met die vrouw in het nanking en den flanellen onderrok. Ik heb nog eenig contant geld en ik ben het met u eens, het beste is hier te blijven, tot de huur om is, en voor mijnheer Dick eene kamer in de buurt op te zoeken.”
Ik achtte het mijn plicht tante te wijzen op de onaangenaamheden, waaraan zij zich zou blootstellen, wanneer zij in voortdurenden oorlog moest leven met juffrouw Crupp, maar zij ruimde mijn bezwaar terstond uit den weg door te verklaren, dat zij bij de eerste poging om de vijandelijkheden te beginnen, juffrouw Crupp zulk een schrik op het lijf zou jagen, dat zij, juffrouw Crupp, daaraan haar geheele verdere leven genoeg zou hebben.
„Ik dacht, Trotwood,” zei Agnes een weinig aarzelend, „dat als gij tijd over hadt....”
„O, ik heb veel tijd, Agnes. Ik ben om vier of vijf uur altijd vrij en ook 's morgens heb ik tijd. In overvloed dus,” antwoordde ik, met een gevoel van schaamte over al den tijd, dien ik verbeuzeld had met door de stad en langs den weg naar Norwood te slenteren.
„Zoudt gij genegen zijn om eene betrekking als secretaris op u te nemen?” vroeg zij, terwijl zij bij mij kwam staan en met zulk eene zachte, lieve stem tot mij sprak, dat ik die telkens nog meen te hooren.
„Genegen zijn, lieve Agnes?”
„Gij moet weten,” hernam zij, „dat doctor Strong zijn plan, om de school over te doen, eindelijk ten uitvoer gebracht en zich metterwoon in Londen gevestigd heeft; en ik weet dat hij papa verzocht heeft hem iemand aan te bevelen. Zoudt gij niet denken, dat hij niemand liever bij zich zou willen hebben dan u, zijn oud-leerling, over wien hij steeds met groote ingenomenheid spreekt?”
„Lieve Agnes!” zei ik. „Wat moest ik toch beginnen zonder u? Gij zijt altijd mijn goede engel. Ik heb u dat reeds meer gezegd. Ik denk nooit anders aan u dan in dien zin.”
Agnes antwoordde met een vriendelijken glimlach, dat naar hare meening één goede engel—zij bedoelde Dora—voldoende was en bracht mij toen in herinnering, dat doctor Strong altijd 's morgens vroeg en 's avonds in zijne studeerkamer doorbracht—mijne vrije uren zouden hem dus waarschijnlijk goed kunnen te pas komen. De blijdschap, dat ik zelf mijn brood zou kunnen verdienen, was grooter dan de hoop, dat ik het onder leiding van mijn ouden meester zou kunnen doen; evenwel, ik nam op raad van Agnes onmiddellijk pen en papier en schreef den doctor, dat ik den volgenden morgen te tien uur precies bij hem zou zijn, om met hem te spreken over de openstaande betrekking van secretaris. Ik adresseerde dezen brief naar Highgate—want daar, in dat voor mij zoo gedenkwaardige plaatsje woonde hij—en bracht hem zelf naar de post.
Waar Agnes ook was, overal was hare tegenwoordigheid weldadig, overal liet zij sporen na, die iemand in eene aangename stemming brachten. Toen ik terugkwam, vond ik tante's kooitjes opgehangen op dezelfde wijze als ze in de huiskamer te Dover hadden gehangen; mijn leunstoel stond bij het open venster op dezelfde wijze als de veel grootere van tante te Dover voor het venster had gestaan, en zelfs de ronde, groene waaier, die tante had medegebracht, prijkte op de vensterbank. Ik wist wie dat alles had bewerkstelligd, omdat het zoo stil, zoo als van zelf geschied was; ja, ik zou terstond geweten hebben wie mijne oude schoolboeken had gerangschikt, zooals ze in vroegere dagen stonden, al was Agnes mijlen ver weg geweest. Thans stond zij er voor en keek glimlachend om, toen ik binnenkwam, terwijl zij bestraffend den vinger opstak, omdat er zooveel wanorde onder heerschte.
Tante sprak hare tevredenheid uit over de Theems, die er, beschenen door de morgenzon, waarlijk nog al aantrekkelijk uitzag, al was het zeegezicht uit tante's huisje aan het strand veel mooier, maar met den Londenschen mist kon zij zich niet verzoenen, omdat die, volgens hare bewering, evenals peper overal doordrong. Deze peper had eene volslagen revolutie in mijne kamers ten gevolge, waarbij Peggotty eene groote rol speelde; en juist was ik bezig te overpeinzen, hoe weinig Peggotty uitvoerde in verband met de drukte, die zij bij alles maakte, terwijl Agnes zonder eenige drukte zooveel deed, toen er op de deur werd geklopt.
Agnes werd bleek en zeide; „Ik onderstel dat het papa is. Hij heeft mij beloofd te zullen aankomen.”
Ik opende en stond niet alleen tegenover mijnheer Wickfield, maar ook tegenover Uriah Heep. Ik had mijnheer Wickfield in eenigen tijd niet gezien en was, na hetgeen Agnes verteld had, er op voorbereid, hem zeer veranderd te zullen vinden, maar toch trof mij zijn uitzicht diep. Zeker, hij scheen vele jaren ouder te zijn geworden, hoewel zijn toilet nog altijd onberispelijk was; zijn gelaat had eene ongezonde, roode kleur, zijne oogen waren ontstoken en met bloed beloopen, zijne handen beefden—maar daarvan kende ik de oorzaak; ik had die jaren geleden aan het werk gezien. Ook maakte hij nog altijd den indruk van een gentleman, maar wat mij trof was, dat niettegenstaande hij door geboorte, stand en kennis zoo ver verheven was boven dien kruiper, dien huichelaar, hij zich geheel door Uriah Heep had laten inpakken. De omkeering, welke in hunne wederzijdsche verhouding had plaats gegrepen—Uriah's macht en mijnheer Wickfield's afhankelijkheid—deed mij pijnlijker aan dan ik in woorden kan beschrijven. Indien ik een man had gezien in de macht van een aap, zou mij dit niet zoo vernederend hebben toegeschenen als hetgeen, waarvan ik thans getuige zijn moest.
Mijnheer Wickfield scheen zich bovendien maar al te zeer daarvan bewust te zijn. Toen hij binnenkwam bleef hij een oogenblik met gebogen hoofd op den drempel staan; één oogenblik echter maar, want Agnes ging naar hem toe en zei met hare zachte stem: „Papa! Hier is juffrouw Trotwood—en Trotwood, dien gij in zoo'n langen tijd niet gezien hebt.” Toen kwam hij naderbij, bood tante een weinig verlegen de hand, maar schudde de mijne met meer hartelijkheid. In dat oogenblik van aarzeling, waarvan ik zoo even sprak, zag ik een afschuwelijken glimlach op Uriah's gezicht. Ook Agnes merkte dien op, naar ik meende, want een rilling voer haar door de leden.
Wat mijne tante zag of niet zag, kon zelfs de grootste gelaatskenner niet ontdekken, wanneer zij dat niet wilde. Ik geloof niet, dat er ooit iemand geboren is, die het gelaat beter in de plooi kon houden dan zij. Op dit oogenblik geleek het een blinde muur, zoo weinig verried hetgeen in haar omging, tot zij plotseling de stilte verbrak.
„Wel, Wickfield,” sprak zij en nu keek hij haar voor de eerste maal aan, „ik heb uwe dochter eens verteld hoe goed ik zelve voor mijn geld heb gezorgd, toen ik het u niet meer kon toevertrouwen, omdat gij wat oud begint te worden. Wij hebben hier met ons drieën raad gehouden en zijn, de omstandigheden in aanmerking genomen, al een goed eind op weg. Agnes is, naar mijn oordeel, zooveel waard als de geheele firma.”
„Als ik zoo vrij mag zijn de nederige opmerking te maken,” zei Uriah Heep met een grijns, „dat ik het volkomen eens ben met mejuffrouw Betsey Trotwood en dat ik maar al te gelukkig zou zijn als juffrouw Agnes in de zaak wilde komen.”
„Gij zijt immers nu zelf compagnon,” viel tante in. „Is dat soms nog niet genoeg? Hoe vaart u, mijnheer?”
Op deze vraag, die met buitengewone kortheid was gedaan, antwoordde mijnheer Heep, den blauwen zak, dien hij droeg, angstig vastklemmende, dat hij heel wel was en hoopte hetzelfde ook van tante te mogen vernemen.
„En gij, jongeheer.... ik wil zeggen, mijnheer Copperfield?” vervolgde Uriah. „Ik hoop dat gij wel zijt! Het verheugt mij u weer eens te zien, mijnheer Copperfield, zelfs in de tegenwoordige omstandigheden.”—Ik geloofde dit gaarne, want hij scheen er zich ook werkelijk in te verheugen.—„Uwe vrienden zouden u gaarne in andere omstandigheden zien, mijnheer Copperfield, maar het geld maakt den man niet: dat moet... het gaat werkelijk boven mijn nederige krachten te zeggen wat het wel doet, maar.... geld niet,” voegde hij er bij, terwijl hij zich in allerlei bochten wrong.
Nu schudden wij elkander de hand niet op de gewone wijze, maar wij stonden een goed eind van elkander af en hij lichtte mijne hand op en liet die weer vallen, alsof hij aan den slinger van eene pomp trok.
„En hoe vindt gij dat wij eruitzien, jongeheer Copperfield—ik bedoel, mijnheer Copperfield,” vroeg Uriah op zijn gewonen kruiperigen toon. „Houdt mijnheer Wickfield zich niet goed, mijnheer? In onze firma hebben de jaren geen invloed, jongeheer Copperfield; alleen doen zij de nederigen opkomen—ik bedoel mijne moeder en mij—en,” voegde hij er bij, alsof hem dit plotseling inviel, „de schoonheid ontwikkelen—in juffrouw Agnes.”
Na dit complimentje rekte hij zich zoo uit en maakte hij zulke ijzingwekkende grimassen, dat tante, die hem strak had zitten aankijken, haar geduld verloor en riep:
„De Duivel hale dien man! Wat scheelt hem toch? Gij lijkt den Vitus-dans wel te hebben, mijnheer!”
„Pardon, juffrouw Trotwood, ik begrijp, dat gij een weinig zenuwachtig zijt.”
„Loop rond! Mijnheer!” riep tante, blijkbaar ontstemd. „Hoe durft gij zoo iets zeggen? Ik ben verre van zenuwachtig! Als gij een man zijt, gedraag u dan als een man en sta daar niet te kronkelen als een aal! Groote goedheid!” ging zij op verontwaardigden toon voort, „gij zoudt mij met uwe slangachtige en kurketrekkerachtige bewegingen van mijn stuk brengen!”
Mijnheer Heep was, zooals de meeste menschen zouden geweest zijn, niet weinig verbluft door dezen uitval, waarvan de uitwerking nog verhoogd werd door de toornige wijze, waarop tante op haar stoel heen- en weerschoof en haar hoofd schudde, alsof zij op hem wilde aanvliegen. Intusschen zei hij binnensmonds tegen mij:
„Ik weet wel, jongeheer Copperfield, dat juffrouw Trotwood, hoewel eene uitmuntende vrouw, soms wat driftig is—ik heb haar al gekend, toen ik nog maar een eenvoudig klerkje was, langen tijd voor gij kennis met haar maaktet, jongeheer Copperfield—en het is heel natuurlijk, dat de tegenwoordige omstandigheden haar prikkelbaar hebben gemaakt. Het verbaast mij, dat zij nog niet zenuwachtiger is. Ik ben alleen medegekomen om te zeggen dat, als wij iets voor u kunnen doen, moeder of ik, of de firma Wickfield en Heep, wij heel blijde zullen zijn. Ik mag immers wel zoo ver gaan?” vroeg hij aan zijn compagnon met den afschuwelijksten glimlach, dien ik ooit van hem gezien had.
„Uriah Heep,” antwoordde mijnheer Wickfield op gedwongen toon, „is compagnon geworden in de zaak, Trotwood. Hetgeen hij zegt, zegt hij ook namens mij. Gij weet dat ik altijd belang in u heb gesteld; maar afgescheiden daarvan, hetgeen Uriah Heep zegt, zegt hij ook namens mij.”
„O, welk eene belooning zijn deze woorden voor mij!” zei Uriah, terwijl hij één been optrok tot aan de kin, op gevaar af van zich een tweeden uitval van tante op den hals te halen. „Zulk een groot vertrouwen te genieten! Ik hoop maar iets te kunnen doen om hem van eenige beslommeringen te ontheffen, jongeheer Copperfield!”
„Uriah Heep is mij een groote steun,” zei mijnheer Wickfield met dezelfde eentonige stem. „Het is mij een pak van het hart, Trotwood, zulk een compagnon te hebben.”
De sluwe vos liet hem dit alles zeggen, dat begreep ik zeer goed, opdat hij zich tegenover mij in hetzelfde licht wilde geplaatst zien, dat hij voor mij ontstoken had op den avond, toen hij mij mijne rust had ontroofd. Ik zag denzelfden huichelachtigen glimlach weder om zijn mond; ik zag hoe aandachtig hij mij gadesloeg.
„Gij gaat toch nog niet heen, papa?” vroeg Agnes op angstigen toon. „Wilt gij niet onder geleide van Trotwood en mij gaan?”
Hij zou naar Uriah gekeken hebben om het antwoord van diens lippen te lezen, daarvan ben ik overtuigd; maar de schurk voorkwam hem.
„Ik heb nog zaken af te doen,” zei Uriah, „anders zou ik gaarne den avond met mijne vrienden doorbrengen. Ik verlaat echter mijn compagnon, ten einde de firma te vertegenwoordigen. Juffrouw Agnes, geheel de uwe! Goeden avond, jongeheer Copperfield; breng mijn nederige groeten aan juffrouw Trotwood over.”
Met deze woorden ging hij heen, terwijl hij zijne groote hand kuste en ons aankeek, alsof hij een masker voor had.
Wij bleven nog een paar uren gezellig praten over de goede dagen in Canterbury. Nu mijnheer Wickfield aan de hoede van Agnes was toevertrouwd, begon hij spoedig weder op den ouden mijnheer Wickfield te lijken, hoewel hij toch den druk, waaronder hij gebukt ging, niet geheel kon afschudden. Zijne oogen begonnen weder te schitteren, toen wij allerlei kleine voorvallen uit ons leven ophaalden, voorvallen, die hij zich zeer goed herinnerde. Hij vond het heerlijk om met Agnes en mij weder eens samen te zijn. Ik ben overtuigd dat het kalme, lieve gezichtje van Agnes en de zachte druk van haar handje op zijn arm een invloed op hem oefenden, die wonderen zou hebben uitgewerkt.
Tante, die gedurende al dien tijd met Peggotty in de slaapkamer bezig was geweest, wilde niet met ons medegaan naar de woning, waar zij logeerden, maar drong er op aan, dat ik zou medegaan en—ik ging mede. Den volgenden dag gebruikten wij te zamen het middagmaal en na afloop zat Agnes naast hem als in den goeden, ouden tijd, en schonk hem zijn wijn in. Hij dronk wat zij hem gaf—niet meer—als een kind, en met ons drieën bleven wij voor het raam zitten tot de avond inviel. Toen het donker werd ging hij op de sofa liggen en Agnes plaatste een kussen onder zijn hoofd en toen zij naar het venster terugkeerde, was het niet zóó duister of ik kon tranen in hare oogen zien glinsteren.
De Hemel geve, dat ik de liefde en oprechte trouw, die het lieve meisje in dezen tijd van mijn leven heeft bewezen, nimmer moge vergeten; als ik dat deed, zou het einde zeker zeer nabij moeten zijn en juist dan zou ik het meest naar haar verlangen. Zij wekte de beste voornemens op in mijn hart, schonk mij door haar voorbeeld kracht en gaf—hoe weet ik niet, want zij was te bescheiden om veel raad te geven—eene richting aan mijn besluiteloos karakter en mijn wankelmoedigen ijver, dat ik meen het aan haar te moeten toeschrijven, indien ik nog iets goeds tot stand gebracht en veel kwaad vermeden heb.
En hoe lief sprak zij niet met mij over Dora, terwijl zij daar met mij bij het venster zat te luisteren naar mijne lofspraken over haar; ongemerkt spreidde zij van haar eigen zuiver licht een krans over die kleine feeëngestalte, waardoor deze mij nog begeerlijker, nog onschuldiger toescheen! O, Agnes, zuster uit mijne jongelingsjaren, had ik toen maar geweten, wat ik eerst langen tijd daarna gewaar werd!—
Toen ik naar huis ging stond er een bedelaar op straat en terwijl ik nog even naar het venster opkeek, naar hare lieve, engelreine oogen, klonk mij een echo in de ooren van hetgeen tante dien morgen had gezegd:
„Blind! Blind! Blind!”
XXXVI. Enthousiasme
Ik begon den volgenden morgen met een bad te nemen in het Romeinsche badhuis en begaf mij daarna op weg naar Highgate. Mijne neerslachtigheid was nu geheel geweken. Ik dacht niet meer aan den versleten rok en treurde niet meer over het gemis van mijn vurigen appelschimmel. Ik dacht geheel anders over den slag, die ons getroffen had, want ik zag den weg, dien ik te volgen had, duidelijk voor mij; ik moest tante toonen, dat al hare goedheden niet aan een ondankbare besteed waren. Ik moest mij de tucht, die ik in mijne jonge jaren geleerd had, ten nutte maken en moedig aan het werk gaan. Ik moest met de bijl in de hand mij een weg banen door het woud van moeilijkheden, dat voor mij lag, en alles wat mij in den weg stond omhouwen tot ik Dora de mijne mocht noemen. Terwijl ik dit alles overpeinsde, stapte ik zoo stevig door, dat het scheen alsof ik, al wandelende, reeds tal van moeilijkheden overwon.
Toen ik mij op den welbekenden weg naar Highgate bevond, met zulk een geheel ander doel voor oogen dan wanneer ik eenigen tijd geleden dien weg volgde, scheen het mij toe dat er eene geheele verandering in mijn leven gekomen was. Deze gedachte ontmoedigde mij echter niet. Met dat nieuwe leven waren ook nieuwe voornemens, nieuwe lichtpunten geboren. Er zou hard gewerkt moeten worden, maar de belooning zou daarnaar geëvenredigd zijn. Dora was de prijs, die gewonnen moest worden.
Ik geraakte in zulk een opgewonden stemming, dat het mij speet niet reeds een versleten jas te dragen. Ik verlangde naar het hakken in dat woud van moeilijkheden, ten einde te toonen over welke krachten ik kon beschikken. Ik voelde den lust in mij opkomen om aan een ouden man, die met een klep voor de oogen steenen zat te breken aan den weg, den hamer te leen te vragen, ten einde een begin te maken van een pad in de richting van Dora. Ik maakte mij zelf zoo warm en geraakte zoo buiten adem, dat het mij toescheen alsof ik nu reeds, ik weet zelf niet hoeveel, verdiend had. Zelfs ging ik een klein huisje binnen, dat te huur stond en bekeek het van onder tot boven; want ik achtte het noodzakelijk allereerst heel practisch te zijn. Het zou uitmuntend geschikt geweest zijn voor Dora en mij, want er was een klein tuintje voor, waarin Jip kon rondloopen en een hek, waarachter hij de reizende kooplui kon aanblaffen en op de eerste verdieping een mooie kamer voor tante. Toen ik er uitkwam was ik nog warmer en vermoeider dan zoo straks en wandelde toen verder door met zulk eene snelheid, dat ik meer dan een uur te vroeg in Highgate was; maar al ware ik later aangekomen, ik zou toch minstens een half uur hebben moeten rondslenteren, ten einde wat af te koelen en er eenigszins toonbaar uit te zien.
Nadat ik mij aan deze noodzakelijke voorbereiding had onderworpen, was mijn eerste werk de woning van doctor Strong op te zoeken. Ik vond die aan de tegenovergestelde zijde van mevrouw Steerforth's woning in het kleine stadje. Toen ik tot deze ontdekking gekomen was, wandelde ik, gedreven door eene onweerstaanbare neiging, naar eene laan, die langs mevrouw Steerforth's tuin liep, en keek even over den muur. De blinden in zijne kamer waren gesloten. De deuren van de serre stonden open en Rosa Dartle liep daar met een haastigen, driftigen tred, blootshoofds, op en neer. Zij deed mij denken aan een wild dier, dat zonder ophouden hetzelfde pad op- en neerloopt, zoolang de keten reikt, en intusschen van ongeduld vergaat.
Ik verliet ongemerkt mijn observatiepost en bleef nog tot tien uur rondwandelen, waarbij ik echter den omtrek van mevrouw Steerforth's woning vermeed. De kerk met het slanke torentje op den kam van den heuvel was er toen nog niet, om mij te zeggen hoe laat het was. Daar stond toenmaals een groot huis van rooden baksteen, dat tot school diende; en menigmaal had ik gedacht, dat het wel heerlijk zijn moest in zulk een mooi huis op school te gaan.
De woning van doctor Strong zag er lief en netjes uit; blijkbaar was het huis oud en had hij eenig geld besteed om het geheel wat op te knappen, want een aantal verfraaiingen en vertimmeringen waren nog geheel nieuw. Toen ik aankwam, zag ik hem, met slobkousen aan, in den tuin wandelen, alsof hij, sinds ik de school verlaten had, altijd had doorgewandeld. Ook waren zijn oude metgezellen daar weder vertegenwoordigd; want er stonden een aantal hooge boomen in den omtrek en twee of drie kraaien zaten op het gras en keken hem na, alsof de zwarte broeders uit Canterbury hun geschreven hadden, dat zij den ouden professor in het oog moesten houden.
Wetende hoe hopeloos elke poging, om van verre zijn aandacht te wekken, geweest zou zijn, nam ik een kloek besluit, opende het tuinhek en bleef achter hem, zoodat hij mij zien moest, wanneer hij omkeerde. Toen hij dit deed kwam hij oogenblikkelijk naar mij toe, keek mij eenige seconden peinzend aan—vermoedelijk zonder aan mij te denken—en daarna nam hij met een gelaat, dat straalde van innig welgevallen, mijne beide handen en schudde ze hartelijk.
„Wel, mijn beste Copperfield,” sprak hij, „gij zijt een man geworden in dien tijd! Hoe vaart gij? Ik ben heel blijde u te zien. Wat een kerel zijt gij geworden! Gij zijt geheel... ja... lieve Hemel!...”
Ik informeerde naar zijne gezondheid en naar die van mevrouw Strong.
„O, zeker, ja!” antwoordde hij, „Annie is heel wel en zal ook blijde zijn u te zien. Gij hadt altijd een wit voetje bij haar. Zij zeide dit nog gisteren avond, toen ik haar uw brief liet lezen. En... ja... zeker... gij herinnert u Jack Maldon nog wel, Copperfield?”
„O, zeer goed, Mijnheer.”
„Ja, natuurlijk.... HIJ is ook heel wel.”
„Is hij teruggekomen?” vroeg ik.
„Uit Indië? Ja, mijnheer Jack Maldon kon niet tegen het klimaat. Mevrouw Markleham..... gij herinnert u toch mevrouw Markleham nog wel?”
Zou ik „de oude Overste” vergeten zijn? In zulk een korten tijd?
„Mevrouw Markleham,” ging de doctor voort, „maakte zich erg ongerust over hem; wij hebben hem daarom hierheen laten komen en hem een postje bezorgd, dat hem beter bevalt.”
Ik wist genoeg van Jack Maldon, om te vermoeden dat het een postje was, dat hem weinig te doen gaf en goed betaald werd. Terwijl doctor Strong met zijne hand op mijn schouder op en neer wandelde en mij met zijn vriendelijk gezicht aanmoedigde om te spreken, ging hij zelf voort:
„En nu, Copperfield, uw voorstel. Het is zeer zeker hoogst vleiend voor mij en aangenaam bovendien; maar zoudt gij niet iets beters kunnen vinden? Gij waart een van mijn beste leerlingen, dat weet gij wel; gij hebt grondslagen gelegd, waarop elk gebouw zou kunnen worden opgetrokken. Is het dan niet jammer, den besten tijd van uw leven te wijden aan zulk eene armzalige bezigheid, als ik u kan aanbieden?”
Ik begon weder in- en uitwendig te gloeien en vreesde in hoogdravende taal gesproken te hebben, toen ik mijn verzoek herhaalde en den doctor herinnerde, dat ik reeds eene betrekking had.
„Ja, dat is waar,” antwoordde de trouwhartige man. „Gij hebt u een beroep gekozen en zoudt daarin kunnen voortstudeeren; dat maakt een onderscheid. Maar, mijn beste, jonge vriend, wat beteekent zeventig pond 's jaars?”
„Daarmede is ons inkomen verdubbeld, doctor Strong,” antwoordde ik.
„Goede Hemel!” riep de doctor. „Ik bedoel niet dat ik uw salaris zoo zal afpassen tot zeventig pond 's jaars, neen, ik ben altijd gewoon geweest jonge menschen, die ik op deze wijze eenige werkzaamheden opdroeg, ook nog een cadeautje te geven. Zeker, zeker,” ging hij voort, nog steeds met de hand op mijn schouder, „ik heb altijd op een jaarlijksch cadeau gerekend.”
„Mijn beste leermeester,” antwoordde ik—nu zonder in zulke hoogdravende uitdrukkingen te vervallen—„aan wien ik meer dank schuldig ben dat ik ooit zal kunnen erkennen......”
„Tut, tut,” zei doctor Strong, „nu overdrijft ge......”
„Als gij mijn beschikbaren tijd voor lief wilt nemen, dat is 's morgens en 's avonds, en mijn werk u zeventig pond 's jaars waard is, zult gij mij een dienst bewijzen, zoo groot, dat ik u niet genoeg danken kan.”
„Lieve Hemel!” zei de doctor in zijn eenvoud. „Het is immers maar een kleinigheid! En als gij uw tijd nuttiger kunt besteden, zult gij het doen, nietwaar? Beloof mij dat op uw woord?”—Deze uitdrukking had hij altijd gebezigd op de school, want hij deed zijn best om het eergevoel op te wekken bij de jongens.
„Op mijn woord, mijnheer!” antwoordde ik op dezelfde wijze als ik op school gedaan zou hebben.
„Dan blijft het afgesproken,” zei hij, mij nogmaals op den schouder kloppende; hij liet zijne hand daar rusten, terwijl wij nog eenigen tijd in den tuin bleven op- en neerloopen.
„Ik zal mij inderdaad hoogst gelukkig voelen,” zei ik na eene kleine pauze, „indien ik mijn tijd aan het woordenboek mag besteden.” Het was een klein vleierijtje, maar ik hoop—een onschuldig!
Doctor Strong bleef staan, klopte mij nogmaals lachend op den schouder en riep op zegevierenden toon uit, alsof ik door dit gezegde het grootste bewijs van menschelijke schranderheid gegeven had: „Mijn beste, jonge vriend, gij hebt het geraden. Het is het woordenboek!”
Hoe zou het iets anders kunnen zijn! Zijne zakken waren even vol als zijn hoofd. De papieren staken er aan alle kanten uit. Hij vertelde mij, dat het Woordenboek, sinds hij het onderwijs had vaarwel gezegd, met reuzenschreden vorderde; niets had hem aangenamer kunnen zijn dan mijn voorstel om 's morgens en 's avonds, bij hem te komen werken, want over dag maakte hij, al wandelende, zijne aanteekeningen. Zijne papieren verkeerden eenigszins in wanorde, want mijnheer Jack Maldon, die volstrekt niet gewoon was aan zulk werk, had in den laatsten tijd als secretaris gefungeerd; „maar,” voegde hij er in zijne goedhartigheid bij, „wij zouden wel spoedig orde op de zaken gesteld en dan met een zevenmijlsvaart doorgewerkt hebben.” Toen ik goed en wel aan het werk was, bemerkte ik, dat de pogingen van mijnheer Jack Maldon mij meer last bezorgden dan ik gedacht had; want niet alleen had hij zich herhaaldelijk vergist, maar zooveel soldaten en vrouwenkopjes in het manuscript geteekend, dat ik nu en dan de grootste moeite had om uit dien doolhof te geraken.
Het vooruitzicht om te zamen aan dezen gewichtigen arbeid te werken, verheugde den doctor zeer en wij spraken af, dat wij den volgenden morgen om zeven uur zouden beginnen. Elken morgen zouden wij twee, elken avond twee of drie uur werken, behalve des Zaterdags—dan had ik vacantie. En de Zondag was natuurlijk ook tot rustdag bestemd; zoodat ik de voorwaarden al zeer aannemelijk vond.
Toen alles dus tot ons beider bevrediging was geregeld, nam de doctor mij mede naar huis, opdat ik mijne opwachting zou kunnen maken aan mevrouw Strong, die ik in de nieuwe studeerkamer bezig vond de boeken af te stoffen—iets, dat de doctor aan niemand dan aan haar vergunde.
Ter wille van mij was het ontbijt uitgesteld, zoodat wij gezamenlijk aan tafel gingen. Wij zaten nog niet lang, toen ik aan mevrouw Strong's gezicht opmerkte, dat er nog iemand in aantocht was, hoewel ik er niets van hoorde. Een heer te paard hield bij het tuinhek stil, steeg af, bracht zijn paard met de teugels over den arm, naar het ledige koetshuis en kwam toen met de rijzweep in de hand de ontbijtkamer binnen, alsof hij hier thuis was. Het was mijnheer Jack Maldon; en mijnheer Jack Maldon was er, naar mijne meening niet op vooruitgegaan in Indië. Ik was echter in eene bijzondere deugdzame stemming en misschien een weinig bevooroordeeld ten opzichte van jonge lieden, die geen boomen hakten in het woud van moeilijkheden; dit moet dus wel in aanmerking worden genomen bij de beschrijving van den indruk, dien hij op mij maakte.
„Mijnheer Jack Maldon,” zei de doctor, „mijnheer Copperfield!”
Maldon schudde mij de hand, doch niet bijzonder hartelijk, naar het mij voorkwam; bovendien deed hij alsof hij zich mijn meerdere voelde, hetgeen ik in het geheim als eene beleediging opnam. Zijne lusteloosheid en onverschilligheid waren onuitstaanbaar; alleen dan, wanneer hij het woord richtte tot zijn nichtje, mevrouw Strong, scheen zijne belangstelling te zijn opgewekt.
„Hebt gij al ontbeten, Jack?” vroeg de doctor.
„Ik ontbijt zelden, mijnheer,” antwoordde hij, achterover liggende in een luien stoel, „het bekomt mij slecht wanneer ik 's morgens iets gebruik.”
„Is er ook nieuws?” vroeg doctor Strong.
„Neen, niets,” antwoordde Jack Maldon. „Er wordt verteld dat het volk armoede en honger lijdt, daar ergens in het Noorden, maar er is altijd ergens armoede en honger—dat zal wel eeuwig zoo blijven.”
Doctor Strong keek ernstig en zeide, alsof hij liever van dit onderwerp afstappen wilde: „Dus er is geen nieuws; dan zullen wij maar zeggen: geen tijding, goede tijding.”
„Er staat een lang verhaal in de krant over een moord,” hernam Jack Maldon, „maar er wordt bijna elken dag iemand vermoord; ik heb het daarom maar niet gelezen.”
Het aan den dag leggen van onverschilligheid voor alle menschelijke handelingen en hartstochten werd in die dagen niet zulk eene uitstekende eigenschap geacht als ik later wel eens meen opgemerkt te hebben. Ik heb den tijd gekend, dat het bepaald in de mode was, om het met groot succes vol te houden, ik heb jonge heeren en dames gekend, die evengoed als rups hadden ter wereld kunnen komen. Waarschijnlijk maakte het op mij zulk een grooten indruk, omdat het nieuw voor mij was; maar zeker rees mijnheer Jack Maldon dientengevolge niet in mijne achting, noch werd mijn vertrouwen in hem versterkt.
„Ik kwam eigenlijk vragen of Annie lust heeft om van avond mede naar de opera te gaan,” zei Maldon, zich tot haar wendende. „Het is van avond de laatste mooie voorstelling in dit seizoen en er is eene chanteuse, die gij zeker moet hooren. Zij zingt prachtig en is bovendien buitengewoon.... leelijk,” voegde hij er op lusteloozen toon bij.
Doctor Strong, die altijd zeer ingenomen was met alles wat zijne jonge vrouw genoegen kon doen, zeide: „Gij moet gaan, Annie, gij moet er zeker heengaan.”
„Ik wil liever niet,” antwoordde Annie. „Ik blijf veel liever thuis... veel liever.”
Na deze woorden, die tot haar echtgenoot gericht waren, wendde zij zich tot mij en vroeg hoe Agnes het maakte, of zij ook te Highgate zou komen en waarom zij eigenlijk vandaag niet kwam; zij had haar neef zelfs niet aangezien en was zoo zenuwachtig, dat het mij nog verbaast hoe de doctor, die kalmpjes een boterham zat te smeeren, blind kon zijn voor iets dat zoo in het oogvallend was. Maar hij zag werkelijk niets. Met zijne gewone goedhartigheid zei hij, dat zij jong was en zich eens een genoegen moest gunnen en niet altijd bij haar ouden man blijven zitten. Bovendien kon zij hem dan de nieuwe aria's voorzingen en hoe zou zij dat kunnen, als zij er niet heen ging? De goede doctor drong er bepaald op aan en noodigde zelfs Jack Maldon uit, het middagmaal bij hen te komen gebruiken. Toen dit afgesproken was, ging Maldon heen, vermoedelijk naar „zijn postje”; hoe het zij, hij reed weg, onverschilliger en lusteloozer dan ooit.
Ik was zeer nieuwsgierig naar hetgeen ik den volgenden morgen zou vernemen.—Zij was niet naar de opera geweest en had haar neef afgezegd; 's namiddags was zij Agnes gaan bezoeken en had den doctor overgehaald haar te vergezellen; samen waren zij toen naar huis gewandeld en hadden een prettigen avond gehad, volgens zijn eigen verklaring. Ik had toen wel eens willen weten waar zij zouden zijn heengegaan, als Agnes niet thuis was geweest en of Agnes ook op haar zulk een invloed ten goede oefende. Zij zag er dien morgen niet bijzonder gelukkig uit, naar mij voorkwam; maar er lag toch zooveel goedheid op haar lief gezichtje, tenzij zij huichelde, hetgeen ik niet geloofde. Ik keek dikwijls naar haar, want zij zat voor het open venster, terwijl wij werkten, en maakte ons ontbijt gereed, dat wij, onder de hand gebruikten. Toen ik om negen uur wegging, lag zij op hare knieën bij den doctor en maakte zijne schoenen en slobkousen vast. Er lag een schaduw over haar gelaat, te weeg gebracht door de groene takken, die voor het geopende venster van de lage kamer hingen, en gedurende mijne wandeling naar de Commons dacht ik telkens weder aan dien avond, toen ik datzelfde gezichtje had zien staren op het gelaat van haar echtgenoot, terwijl deze las.
Ik had een druk leven; des morgens om vijf uur op en des avonds om negen of tien uur thuis. Het schonk mij echter groote voldoening en nooit, of ik haast had of niet, liep ik langzaam; hoe meer ik mij inspande, hoe meer ik immers Dora waardig zou worden! Ik had Dora nog niets geschreven van de veranderingen, die met mij hadden plaats gegrepen, omdat zij eerstdaags bij juffrouw Mills zou komen logeeren. Ik wilde haar alles mondeling mededeelen en schreef haar alleen—juffrouw Mills was de meest getrouwe postillon, die men zich denken kon—dat ik haar veel, heel veel te vertellen had. Intusschen stelde ik mij op rantsoen wat pommade, berenvet, welriekende zeep en reukwatertjes betrof, en verkocht met groot verlies drie vesten, die voor mijne tegenwoordige levenswijze veel te fijn waren.
Niet tevreden met deze resultaten, maar van verlangen brandende om nog meer te doen, bracht ik een bezoek aan Traddles, die nu op een dakkamertje in Castle street, Holborn, woonde. Mijnheer Dick, die al tweemaal met mij naar Highgate geweest was en de wandelingen met den doctor had hervat, ging met mij mede. Ik nam hem mede, omdat de goede man, zeer begaan met den tegenspoed van de „bewonderenswaardigste vrouw van de wereld” en meenende, dat geen galeislaaf of tuchthuisboef zoo hard behoefde te werken als ik, voortdurend tobde en zelfs zijn eetlust inboette, omdat hij zich op geenerlei wijze nuttig kon maken. In deze omstandigheden voelde hij zich meer dan ooit onbekwaam om de memorie af te maken; hoe harder hij er aan werkte, hoe vaker dat ongelukkige hoofd van Koning Karel I hem parten speelde. De vrees bekroop ons dat zijne ziekte op deze wijze zou verergeren, waarom wij besloten hem te doen gelooven, dat hij zich nuttig maakte, of liever, omdat wij geen kans zagen hem zich nuttig te laten maken, te zien of Traddles ons helpen kon. Ik had Traddles een uitgebreid verslag gezonden van al hetgeen met mij was voorgevallen en een antwoord van hem ontvangen, waarin vriendschap en medelijden om den voorrang streden.
Wij vonden hem hard aan het werk, bij zijn inktkoker en zijn papieren, terwijl de bloemenstandaard en het ronde tafeltje de eenige sieraden waren in het armoedige vertrek. Hij ontving ons zeer hartelijk en had in een oogenblik vriendschap gesloten met mijnheer Dick, die stijf en strak volhield, dat hij Traddles vroeger ergens ontmoet moest hebben, waarop wij beiden verklaarden, dat het volstrekt niet onmogelijk was.
Het eerste punt, waarover ik Traddles wilde raadplegen, was het navolgende: Ik had wel eens gehoord, dat vele mannen, die later met eere genoemd werden, hun loopbaan begonnen waren met het schrijven van de verslagen der zittingen van het Parlement. Traddles had mij bovendien verteld, dat hij zijne hoop vestigde op de nieuwsbladen en deze beide omstandigheden bracht ik met elkander in verband. In mijn brief had ik Traddles reeds gevraagd mij mede te deelen, hoe ik mij voor deze werkzaamheden zou kunnen bekwamen en thans antwoordde hij mij op mijne vraag, dat alleen reeds het aanleeren van het mechanische gedeelte van het geheim van snelschrift even zooveel tijd vereischte als de studie van minsten zes vreemde talen, dat ik er dus bij den grootsten ijver minstens twee jaren voor zoo noodig hebben.
Natuurlijk onderstelde Traddles, dat de quaestie hiermede in eens zou zijn afgedaan; maar ik begreep, dat hier nu juist groote, zware boomen zouden zijn om te hakken en besloot daarom terstond den weg tot Dora door dit woud te banen.
„Ik dank u zeer voor uwe inlichtingen, beste Traddles,” zei ik. „Morgen begin ik er mede.”
Traddles keek zeer verbaasd, maar hij kon zich ook geen denkbeeld vormen van de overdreven eischen, die ik mij zelven stelde.
„Ik ga een boek koopen,” zeide ik „een handboek over het snelschrijven en zal er op de Commons in studeeren, waar ik tijd in overvloed heb. Ten einde mij in de praktijk te oefenen, zal ik de pleidooien in ons Hof opschrijven en dan, beste Traddles, zal ik het wel spoedig onder de knie hebben.”
„Goede Hemel!” zei Traddles, nog steeds verbaasd en lachend voegde hij er bij: „Ik heb nooit geweten, dat gij zoo voortvarend en doortastend zijt, Copperfield!”
Hoe zou hij dit ook! Het was voor mij zelven nieuw! Ik stapte nu van dit onderwerp af en bracht mijnheer Dick op het tapijt.
„Zie,” sprak hij op treurigen toon, „als ik maar iets doen kon, mijnheer Traddles! Kon ik maar op de trom slaan of ergens op blazen!”
Arme drommel! Ik twijfel er niet aan, of hij zou aan eene dergelijke bezigheid boven alle andere de voorkeur hebben gegeven.
Traddles, die voor al het geld van de wereld niet zou hebben willen lachen, antwoordde bedaard:
„Maar gij schrijft zoo goed, mijnheer! Hebt gij mij dat niet verteld, Copperfield?”
„O, uitmuntend!” antwoordde ik. En waarlijk, hij schreef zeer netjes en correct.
„Zoudt gij niet stukken kunnen copiëeren, die ik u geef?” vroeg Traddles.
Mijnheer Dick keek mij twijfelachtig aan. „Welnu, Copperfield?”
Ik schudde het hoofd en mijnheer Dick schudde het zijne en zuchtte. „Vertel mijnheer Traddles dat ik aan mijne memorie bezig ben,” zei mijnheer Dick.
Ik deed wat hij mij verzocht en voegde er bij, dat de eenige moeielijkheid was koning Karel I er buiten te houden; want dat mijnheer Dick telkens weder over hem moest schrijven, of hij wilde of niet. Intusschen stond mijnheer Dick met een hoogst ernstig gezicht op zijn duim te zuigen.
„Maar de stukken, waarover ik spreek, zijn reeds gesteld en geschreven,” zei Traddles, na zich even bedacht te hebben. „Mijnheer Dick heeft ze alleen over te schrijven. Zou dat geen verschil opleveren, Copperfield? In elk geval zou hij het kunnen beproeven.”
Dit voorstel gaf ons opnieuw hoop. Traddles en ik staken de hoofden bij elkaar en terwijl mijnheer Dick met een geleerd gezicht naar ons zat te kijken, beraamden wij een plan, dat met den besten uitslag werd bekroond.
Op eene tafel voor het venster in Buckinghamstreet legden wij het werk gereed, dat Traddles voor hem gekregen had—het was een bewijs van eigendomsrecht op een overweg, dat eenige malen moest worden overgeschreven—en op eene andere tafel spreidden wij de memorie uit, waaraan hij bezig was; waarna wij hem op het hart drukten hetgeen voor hem lag over te schrijven, zonder ook maar in het minst af te wijken van het origineel, en mocht hij behoefde gevoelen om de eene of andere toespeling op koning Karel I te maken, dan moest hij overwippen naar de memorie. Wij vermaanden hem op ernstigen toon standvastig te blijven, en lieten tante bij hem om op te passen. Tante vertelde later dat hij in den aanvang veel geleken had op een paukenist en voortdurend van de eene naar de andere tafel was gesprongen; maar aangezien hem dit vermoeide en in de war bracht, terwijl hij zijn model zoo duidelijk voor oogen had, was hij eindelijk stil en ijverig aan den arbeid gebleven en had het werken aan de memorie tot een meer gelegen tijdstip uitgesteld. Kortom, hoewel wij zorg droegen hem niet meer te laten werken dan goed voor hem was en hij in het midden van de week begonnen was, had hij des Zaterdagavonds tien shillingen en negen stuivers verdiend en nooit, zoolang ik leef, zal ik het stralende gezicht vergeten, waarmede hij alle winkels afliep om zijn schat in halve stuivers te wisselen, die hij, thuis komende, op een presenteerblad, in den vorm van een hart, met tranen van blijden trots in de oogen tante aanbood. Het scheen alsof hij van het oogenblik af, waarop hij nuttige bezigheid had, was aangeraakt door eene weldoende fee; want hij maakte den indruk van den gelukkigsten man van de wereld en dacht in zijne overgroote dankbaarheid aan niemand dan aan de bewonderenswaardigste vrouw en den bewonderenswaardigsten jonkman—aan tante en mij.
„Nu zullen wij niet van honger omkomen Trotwood,” zei hij, terwijl hij mij in een hoekje van de kamer de hand schudde. „Ik zal er wel voor zorgen, mannetje!” Hij stak daarbij zijne tien vingers in de hoogte, alsof hij ze voor even zooveel goudmijnen hield.
Ik weet niet wie blijder was, Traddles of ik!
„Ik zou waarlijk mijnheer Micawber geheel en al vergeten!” zei Traddles op eens en haalde een brief te voorschijn, die aan mij gericht was en luidde:
„Beste Copperfield!
Gij zult zonder twijfel wel niet geheel onvoorbereid het bericht ontvangen, dat zich iets heeft opgedaan; ik meen ten minste u bij eene vorige gelegenheid medegedeeld te hebben, dat ik in afwachting daarvan leefde.
Ik ben op het punt om mij te vestigen in een provinciestadje van ons geliefd eiland—welks bewoners gezegd kunnen worden zich gelukkig te gevoelen bij hun landbouw en hun godsdienst, ten einde mij te wijden aan een wetenschappelijk beroep.
Mevrouw Micawber en ons kroost zullen mij vergezellen. Vermoedelijk zal onze asch verzameld worden op het kerkhof, dat een gebouw omringt, welks eerbiedwaardigheid van Noord tot Zuid, van Oost tot West is bekend.
Nu wij het moderne Babylon vaarwel zeggen, waar wij—ik vertrouw met waardigheid—tallooze malen met de wisselvalligheden van het lot hebben te kampen gehad, kunnen mevrouw Micawber en ik ons niet ontveinzen, dat het ons leed doet voor jaren, wellicht voor eeuwig afscheid te moeten nemen van iemand, die ons steeds zulk een dierbare vriend is geweest en met onverbreekbare banden aan—hetgeen wij zouden kunnen noemen—het altaar van ons huiselijk geluk verbonden is. Mocht gij op den avond voor ons vertrek onzen gemeenschappelijken vriend, Mr. Thomas Traddles, naar onze tegenwoordige woning willen vergezellen en aldaar eenige toepasselijke woorden met ons wisselen, zult gij een weldaad bewijzen aan
Iemand, die zich noemt, Geheel de uwe Wilkins Micawber.”
Het deed mij natuurlijk genoegen te vernemen dat mijnheer Micawber eindelijk uit den brand was, dat zich werkelijk iets had opgedaan. Van Traddles vernam ik dat de uitnoodiging bedoeld was voor dezen avond, die reeds half voorbij was, en aangezien ik haar gaarne wilde aannemen, besloten wij er onmiddellijk heen te gaan. Mijnheer en Mevrouw Micawber woonden thans onder den naam Mortimer dicht bij Gray's Inn Road in eene zeer bekrompen woning. De tweelingen, thans acht à negen jaar oud, sliepen in eene bedstede in de huiskamer, waar mijnheer Micawber in een waschkom een mengsel had gereed gemaakt van den aangenamen drank waarmede hij zich eene zekere vermaardheid had verworven. Ik had bij deze gelegenheid het genoegen de kennismaking te hernieuwen met jongeheer Micawber, een veelbelovenden jongen van twaalf of dertien jaar, onderhevig aan eene zekere beweeglijkheid, waaraan jongens op dien leeftijd gewoonlijk lijdende zijn. Ook ontmoette ik weder de dochter van mijnheer Micawber, die hem, zooals hij mij vertelde, telkens deed denken aan mevrouw Micawber's jeugd.
„Beste Copperfield,” zei hij, toen wij binnentraden, „gij en mijnheer Traddles vindt ons aan den vooravond van eene verhuizing en zult dus de vele ongeriefelijkheden, welke het natuurlijke gevolg zijn van zulk een omstandigheid, wel over het hoofd willen zien.”
Terwijl ik een op deze verontschuldiging passend antwoord gaf, keek ik eens rond en zag dat de bezittingen van de familie Micawber reeds ingepakt waren. Toch scheen mij de hoeveelheid bagage niet overstelpend toe.
Ik wenschte mevrouw Micawber met de aanstaande verandering geluk, waarop zij antwoordde: „Beste mijnheer Copperfield, ik ben overtuigd van uwe vriendelijke belangstelling. Mijne familie moge het beschouwen, alsof wij in ballingschap gaan; ik ben vrouw en moeder, mijnheer Copperfield, en zal mijnheer Micawber nooit, nooit verlaten.”
Traddles, door een wenk van mevrouw Micawber uitgenoodigd om tot ons te komen, stemde niet zonder eenige aandoening hiermede in.
„Zoo, ten minste, is mijne opvatting, mijnheer Copperfield en mijnheer Traddles, van de plechtige woorden, die ik eenmaal heb uitgesproken. ‚Ik, Emma, neem u, Wilkins Micawber, tot mijn wettigen echtgenoot’. Gisteren avond heb ik het formulier nog eens bij eene kaars overgelezen en de slotsom was: ‚Ik verlaat Micawber nooit!’ En,” voegde zij er bij, „zelfs al mocht ik mij vergissen in de beteekenis van het formulier, ik doe het toch niet!”
„Lieve vrouw,” viel mijnheer Micawber op eenigszins ongeduldigen toon hierop in, „ik ben mij niet bewust dat iets dergelijks ooit van u verwacht werd.”
„Ik weet, mijnheer Copperfield, dat het voortaan mijn lot zal zijn onder vreemden te leven; ik weet ook dat de verschillende leden van mijn familie, aan wie mijnheer Micawber in de beleefdste termen dit feit heeft medegedeeld, niet de minste notitie hebben genomen van zijn schrijven. Het mag misschien getuigen van bijgeloovigheid, maar het wil mij voorkomen of mijnheer Micawber op het meerendeel van zijne brieven geen antwoord ontvangt. Uit het stilzwijgen van mijne familie mag ik wel opmaken, dat zij het besluit, waartoe wij gekomen zijn, afkeuren; maar ik mag mij daardoor niet laten afbrengen van mijn plicht, mijnheer Copperfield; zelfs mijn papa en mama zouden dat niet kunnen, indien zij nog leefden.”
Ik gaf door te knikken mijne instemming met hare woorden te kennen.
„Het moge dan al eene opoffering voor mij zijn, mijnheer Copperfield,” vervolgde mevrouw Micawber, „mij in dat bisschopsstadje te gaan begraven, maar hoeveel grooter is de opoffering niet van een man met de bekwaamheden van mijnheer Micawber?”
„Gaat gij naar een bisschopsstad?” vroeg ik, waarop mijnheer Micawber, na ons allen uit de waschkom bediend te hebben, antwoordde: „Ja, mijn beste Copperfield, wij gaan naar Canterbury. De zaak is, dat ik na eenige onderhandelingen een contract gesloten heb met onzen wederzijdschen vriend Heep, om hem te helpen en te dienen in de betrekking van... en te zijn—zijn vertrouwde klerk.”
Ik staarde mijnheer Micawber verbaasd aan en hij vermaakte zich blijkbaar met mijn verrast gezicht.
„Ik voel mij verplicht u mede te deelen,” ging mijnheer Micawber op officiëelen toon voort, „dat de zaakkennis en de omzichtigheid van mevrouw Micawber veel hebben toegebracht aan den goeden uitslag van de onderhandelingen. De handschoen, waarover mevrouw Micawber bij eene vorige gelegenheid sprak, in den vorm van eenige advertenties in het strijdperk geworpen en door mijnheer Heep opgenomen, is de aanleiding geweest tot het hernieuwen onzer kennismaking. Van mijn vriend Heep, een man, begaafd met buitengewone schranderheid, kan ik niet anders dan met de grootste achting spreken. Mijn vriend Heep heeft de positieve belooning voor de door mij te bewijzen diensten wel niet op een te hoog cijfer gesteld; maar van de waarde en groote dezer diensten afhankelijk gemaakt de wijze, waarop hij zijne medewerking zal verleenen tot mijne bevrijding uit eenige geldelijke ongelegenheden. Welnu, zooveel bekwaamheid en doorzicht, als toevallig mijn deel is, zal aan de diensten, welke mijnheer Heep van mij vergt, gewijd worden. Ik ben reeds eenigszins bekend met de wetten, als verweerder in civiele zaken, en zal onmiddellijk beginnen met het bestudeeren van de toelichtingen en beschouwingen van een onzer bekwaamste rechtsgeleerden. Ik meen het overbodig hierbij nog te voegen dat ik Mr. Blackstone op het oog heb.”
Hij, had op den gewonen deftigen toon gesproken met een gelaat, dat glom van zelfvoldoening, en gedurende al dien tijd en eigenlijk den geheelen avond werd mevrouw Micawber's aandacht afgeleid door jongeheer Micawber, die nu eens op zijn schoenen zat, dan weder met het hoofd in de handen, als vreesde hij, dat hij het zou verliezen; nu eens onder de tafel Traddles zat te schoppen of met zijne voeten over elkander te schuiven, dan weder zijne beenen onnatuurlijk ver buiten de tafel uitstak of met zijn verwarde haren tusschen de punchglazen lag; in één woord, op alle denkbare en ondenkbare wijzen zijn bewegelijken aard met de belangen van de overige leden van het gezelschap in botsing deed komen en de desbetreffende opmerkingen van den kant zijner moeder met een ontevreden gezicht aanhoorde. Ik was intusschen nog niet geheel bekomen van de verrassing over mijnheer Micawber's onthullingen en zat daarover te peinzen, tot mevrouw Micawber weder het woord nam en mijne aandacht vroeg.
„Het eenige, waarvoor ik bevreesd ben, mijnheer Copperfield, is, dat mijnheer Micawber door zulk eene ondergeschikte betrekking aan te nemen, niet in staat zal zijn eenmaal nog de hoogste sport van de ladder te bereiken,” zei mevrouw Micawber. „Ik heb mijnheer Micawber dan ook ernstig verzocht dat wel in het oog te houden, want ik ben overtuigd, dat als hij zich met ijver toelegt op een vak, waarin zijne aangeboren schranderheid en zijne welbespraaktheid zoo uitnemend kunnen te pas komen, hij daarin ook moet uitmunten. Ik meen, mijnheer Traddles, dat hij gemakkelijk rechter of zelfs kanselier zou kunnen worden en het zou toch bedroevend zijn, indien hij zich daarvoor den weg afsneed door zulk eene ondergeschikte betrekking aan te nemen!”
„Lieve,” sprak mijnheer Micawber, waarbij hij Traddles onderzoekend aankeek, „Lieve, wij zullen tijd te over hebben om over deze quaesties in nadere beschouwing te treden.”
„Neen, Micawber!” antwoordde zij. „Neen! Gij hebt slechts één gebrek en dat is, dat gij niet ver genoeg vooruit ziet. Gij zijt tegenover uwe familie en tegenover u zelven niet gerechtvaardigd, zoo gij niet een alles omvattenden blik werpt naar dat punt van den horizon, waarheen uwe bekwaamheden u kunnen brengen.”
Mijnheer Micawber kuchte eens en dronk zijn glas punch ledig met een uiterst tevreden gelaat, terwijl hij voortdurend naar Traddles keek, wiens opinie hij blijkbaar wenschte te vernemen.
„Om u de waarheid te zeggen, mevrouw Micawber,” zeide Traddles, van plan haar die waarheid zoo zacht mogelijk mede te deelen, „om u de naakte, prozaïsche waarheid te zeggen, moet gij weten.....”
„Juist,” viel mevrouw Micawber hem in de rede, „juist, beste Traddles, ik verlang niets dan de naakte, prozaïsche waarheid in zulk eene gewichtige aangelegenheid.”
„Weet dan,” vervolgde Traddles, „dat deze tak van de rechten, zelfs al ware mijnheer Micawber procureur in optima forma,.....”
„Juist, juist,” viel mevrouw Micawber weder in—„(Wilkins, gij kijkt weer scheel; uwe oogen zullen nog eens zoo blijven staan!)”
„....... niets te maken heeft,” ging Traddles voort, „met rechters en kanseliers. Alleen advocaten zijn voor deze betrekkingen verkiesbaar en mijnheer Micawber kan geen advocaat worden, zonder vijf jaren in de rechten gestudeerd te hebben aan een staatsacademie.”
„Begrijp ik u goed?” vroeg mevrouw Micawber met dat zekere ernstige gelaat, waarmede zij gewoon was zaken te behandelen, „begrijp ik u goed, dat mijnheer Micawber, na afloop van zulk een termijn verkiesbaar zijn zou voor rechter of kanselier?”
„Hij zou verkiesbaar zijn,” antwoordde Traddles, met grooten nadruk op dit woord.
„Dank u,” zei mevrouw Micawber. „Dat is voldoende. Als dit het geval is en mijnheer Micawber dus geenerlei kansen weggooit door deze betrekking aan te nemen, ben ik gerust. Ik spreek natuurlijk als eene vrouw, maar ik heb altijd gemeend dat mijnheer Micawber is, wat ik papa—toen ik nog bij papa en mama thuis was—zoo dikwijls heb hooren noemen: een rechtskundig genie; ik hoop daarom, dat mijnheer Micawber nu een veld gaat betreden, waarop hij zich ten volle zal kunnen ontwikkelen en tot eene hooge betrekking zal geraken.”
Ik geloof dat mijnheer Micawber zich in zijne verbeelding reeds op het kussen zag. Innig vergenoegd streek hij zich met de hand over zijn glimmend hoofd en zei met gekunstelde gelatenheid:
„Lieve, laat ons het geluk niet trachten te dwingen. Ben ik bestemd om eenmaal een pruik te dragen, dan ben ik ten minste uitwendig”—hij wees op zijn kalen kruin—„op die groote onderscheiding voorbereid. Ik betreur het verlies van mijne haren niet,” vervolgde hij, „het is zelfs zeer goed mogelijk dat ik met eene bijzondere bedoeling daarvan beroofd ben. Dat kan ik niet zeggen. Ik ben van plan, mijnheer Copperfield, mijn zoon op te leiden voor de Kerk; ik wil niet ontkennen, dat ik zeer gelukkig zou zijn, om zijnentwil natuurlijk, indien ik hem zoo ver kan brengen.”
„Voor de Kerk?” vroeg ik, nog telkens peinzend over Uriah Heep.
„Ja,” antwoordde mijnheer Micawber. „Hij heeft een zeer goede stem en kan dus beginnen als koorzanger. Eenmaal te Canterbury, zullen de betrekkingen, die wij daar aanknoopen, hem zonder twijfel behulpzaam zijn om in het corps vooruit te komen, zoodra er vacatures zijn.”
Ik keek na deze lofspraak den zoon aan en bespeurde eene uitdrukking op zijn gelaat, alsof zijne stem uit het bovenste gedeelte van zijn neus zou komen en werkelijk bleek dit ook zoo te zijn, toen hij, nadat hem de keus was gelaten tusschen „iets te zingen en naar bed te gaan,” ons onthaalde op een lied, „De timmerman onder de vogels” getiteld. Nadat wij allen onze tevredenheid daarover hadden betuigd, werd het gesprek wat algemeener en aangezien ik te zeer vervuld was met de verandering in mijn eigen omstandigheden, om daarover langen tijd het zwijgen te bewaren, maakte ik er mijnheer en mevrouw Micawber mede bekend. Ik kan niet zeggen hoe verheugd zij waren, dat mijne tante zich ook in geldelijke ongelegenheid bevond, en hoe zeer hunne vriendelijkheid en vertrouwelijkheid daardoor toenamen.
Toen de bodem van de waschkom zich aan onze oogen begon te vertoonen, fluisterde ik Traddles in dat wij alvorens te scheiden onzen vrienden eene goede reis, gezondheid en geluk in hunne nieuwe woonplaats moesten toewenschen. Ik verzocht daarom mijnheer Micawber onze glazen nog eens tot den rand te vullen en stelde daarna op plechtigen toon den feestdronk in, waarna wij elkander allen de handen schudden en ik mevrouw Micawber kuste. Traddles volgde in het eerste mijn voorbeeld, doch voor het tweede vond hij zich nog niet genoeg „een oud vriend van de familie.”
„Beste Copperfield,” sprak mijnheer Micawber met de duimen in zijne vestzakken, „de metgezel uit vroegere dagen—indien het mij veroorloofd is deze uitdrukking te bezigen—en mijn hooggeachte vriend Traddles—indien ik hem zoo mag noemen—zullen mij wel willen toestaan, ook uit naam van mevrouw Micawber en ons kroost, hun onzen warmen dank te betuigen voor hunne goede wenschen. Het is te verwachten dat ik op den vooravond van eene reis, die ons in een geheel anderen toestand zal brengen”—hij sprak alsof hij minstens vijfhonderdduizend mijlen ver ging—„tot twee zulke vrienden als gij voor ons geweest zijt, eenige afscheidswoorden moet richten. Alles wat ik te zeggen heb aangaande dit punt, heb ik echter reeds gezegd. Welke sport van de ladder ik nog eens moge bereiken door tusschenkomst van het geleerde vak, waaraan ik op het punt sta mij te gaan wijden, ik zal trachten de betrekking, waarin ik alsdan geplaatst zal zijn, geen schande aan te doen en mevrouw Micawber zal haar zeker tot sieraad strekken. Onder den tijdelijken druk van geldelijke ongelegenheden en van verplichtingen, aangegaan met het vooruitzicht op onmiddellijke afdoening, doch uitgesteld tengevolge van een samenloop van omstandigheden, ben ik in de noodzakelijkheid gekomen mij een voorkomen te geven, waartegen mijn ingeschapen gevoel van eerlijkheid in opstand kwam—ik bedoel een bril te dragen—en een naam aan te nemen, waarop ik geen aanspraak maken kan. Al wat ik te dier zake zeggen kan is, dat de sombere wolk thans is voorbij gedreven en de God des daags weder troont boven de toppen der bergen. Aanstaanden Maandag, wanneer de diligence om vier uur 's avonds te Canterbury aankomt, zal de voet van Wilkins Micawber den vaderlandschen bodem weder drukken!”
Mijnheer Micawber ging na deze met vuur uitgesproken redevoering weder zitten en dronk met bijna indrukwekkende deftigheid twee glazen punch achtereen ledig. Daarna zei hij, zoo mogelijk op nog plechtiger toon:
„Alvorens wij voorgoed afscheid nemen, rust nog een plicht op mij. Mijn vriend, mijnheer Thomas Traddles, heeft bij twee verschillende gelegenheden te mijnen behoeve zijn naam geplaatst op een schuldbekentenis of wissel. Bij de eerste gelegenheid werd mijnheer Thomas Traddles—laat mij maar kortweg zeggen—in den steek gelaten. De tweede is nog niet vervallen. Het bedrag van den eerste wissel was, als ik mij niet bedrieg”—hij keek al pratende eenige papieren na—„drieëntwintig pond, vier shillingen en negen en een halven stuiver; van den tweede, volgens mijne aanteekening: achttien pond, zes shillingen en twee stuivers, te zamen alzoo, indien mijne berekening juist is: eenenveertig pond, tien shillingen, elf en een halven stuiver. Wil mijn vriend Copperfield zoo goed zijn de berekening eens na te zien?”
Ik voldeed aan dit verlangen en vond de berekening in orde.
„Deze wereldstad en mijnheer Thomas Traddles te verlaten, zonder mij van het finantiëele gedeelte van mijn plicht gekweten te hebben, zou eene daad zijn, die mij als een ondragelijke last zou blijven drukken. Ik heb daarom voor mijn vriend Thomas Traddles een stuk in gereedheid gebracht—ik heb dat op het oogenblik in de hand—waarmede het gewenschte doel kan worden bereikt. Ik verzoek mijn vriend Thomas Traddles eene schuldbekentenis van mij aan te nemen, groot eenenveertig pond, tien shillings en elf en een halven stuiver; het verheugt mij daarmede mijn gevoel van eigenwaarde te hebben terug gekregen en te weten, dat ik mij thans weder met opgerichten hoofde aan mijne medemenschen zal kunnen vertoonen!”
Met deze woorden, die hem blijkbaar hadden aangedaan, legde hij de schuldbekentenis in handen van Traddles, er bijvoegende, dat hij hem alles goeds toewenschte, in welke levensomstandigheden hij zich ook nog eens mocht bevinden. Ik ben overtuigd, dat dit niet alleen voor mijnheer Micawber hetzelfde was, alsof hij zijne schuld had betaald, maar dat ook Traddles het onderscheid niet inzag voor hij den tijd had gehad, om er eens kalm over na te denken.
Ten gevolge van deze vernuftige handelwijze vertoonde mijnheer Micawber zich met zulk een hoog opgericht hoofd aan zijne medemenschen, dat, toen hij ons voorlichtte bij het afgaan van de trap, zijne borst tweemaal zoo breed scheen als gewoonlijk. Wij namen van weerszijden hartelijk afscheid en toen ik Traddles naar zijne kamers had gebracht en alleen huiswaarts ging, had ik vele en wonderlijke dingen om over te peinzen. Ook dacht ik, dat, hoe weinig nauwgezet mijnheer Micawber ook in geldzaken was, ik het waarschijnlijk aan de herinnering, die hij van mij als kind en inwoner had, moest danken, dat hij mij nooit om geld had gevraagd. Ik weet zeker, dat de zedelijke moed mij ontbroken zou hebben, om het hem te weigeren en ik twijfel er niet aan of hij begreep dit evengoed als ik zelf.