← Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

XLIII…

Part 8 of 11 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #47933, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (65)
  1. Opening about 3 min
  2. I about 19 min
  3. II about 27 min
  4. III. Veranderingen about 27 min
  5. IV about 34 min
  6. V. Verbannen about 32 min
  7. VI about 13 min
  8. VII. Mijn eerste halfjaar op Salem House about 32 min
  9. VIII about 26 min
  10. IX about 21 min
  11. X about 36 min
  12. XI about 29 min
  13. XII about 17 min
  14. XIII about 37 min
  15. XIV about 27 min
  16. XV about 18 min
  17. XVI about 38 min
  18. XVII about 31 min
  19. XVIII about 14 min
  20. XIX about 29 min
  21. XX about 16 min
  22. XXI about 35 min
  23. XXII about 38 min
  24. XXIII about 25 min
  25. XXIV about 15 min
  26. XXV about 35 min
  27. XXVI about 28 min
  28. XXVII. Tommy Traddles about 16 min
  29. XXVIII. Mijnheer Micawber's geldbelegging about 33 min
  30. XXIX about 13 min
  31. XXX about 14 min
  32. XXXI about 16 min
  33. XXXII about 34 min
  34. XXXIII. Zaligheid about 30 min
  35. XXXIV about 15 min
  36. XXXV. Neerslachtigheid about 37 min
  37. XXXVI. Enthousiasme about 30 min
  38. XXXVII about 15 min
  39. XXXVIII about 29 min
  40. XXXIX. Wickfield en Heep about 35 min
  41. XL about 16 min
  42. XLI about 28 min
  43. XLII about 35 min
  44. XLIII about 14 min
  45. XLIV about 27 min
  46. XLV about 27 min
  47. XLVI. Tijding about 23 min
  48. XLVII. Martha about 19 min
  49. XLVIII about 21 min
  50. XLIX. Geheimenissen about 20 min
  51. L about 18 min
  52. LI about 31 min
  53. LII about 39 min
  54. LIII about 9 min
  55. LIV about 25 min
  56. LV. Storm about 21 min
  57. LVI about 11 min
  58. LVII about 18 min
  59. LVIII about 12 min
  60. LIX. Terugkomst about 27 min
  61. LX. Agnes about 15 min
  62. LXI about 21 min
  63. LXII about 14 min
  64. LXIII about 12 min
  65. LXIV about 59 min

Continue:

XLIII

Nog een terugblik.

Laat mij nogmaals bij een gedenkwaardig tijdstip in mijn leven blijven stilstaan. Laat mij ter zijde gaan staan, om de gebeurtenissen uit die dagen, door mijn eigen schim vergezeld, in een somberen stoet te zien voorbijtrekken.

Weken, maanden, geheele jaargetijden, trekken langs mij heen. In mijne herinnering schijnen ze niet langer geduurd te hebben dan een zomerdag en een winteravond. Nu staat de weide, waarin ik met Dora wandel, in vollen bloei—een schitterend goudveld; nu liggen heide, bosch en struik onder een bed van sneeuw bedolven. Als door een ademtocht wordt de in het zonlicht schitterende rivier, die des Zondags onze wandeling begrenst, door den Noordenwind gerimpeld of met puntige ijsschotsen gevuld. Sneller dan ooit eene rivier naar de zee stroomde, doemt het op, wordt helderder en helderder, snelt voorbij en verdwijnt in de duisternis.

Geen spijker is verslagen, geen schilderij verhangen in de woning van de twee vogeltjes. De pendule tikt boven den haard, het weerglas hangt in de gang. Geen van beide wijst ooit zuiver, maar wij gelooven er toch met den grootsten eerbied aan.

Ik heb langzamerhand den leeftijd van eenentwintig jaren, den mannelijken leeftijd, bereikt. Ik voel mijne waardigheid toenemen, eene waardigheid, die opgedrongen kan worden. Laat mij daarom eens nagaan, wat ik door eigen kracht heb verworven.

Ik heb dat bijna ondoorgrondelijke geheim der stenographie onder de knie gekregen en mij daardoor een behoorlijk inkomen verworven. Ik heb een goeden naam gekregen door mijne bekwaamheid in alles wat deze kunst betreft, en ben met elf anderen aangesteld om de verslagen van het Parlement te leveren in een ochtendblad. Avond aan avond houd ik aanteekening van voorspellingen, die nooit uitkomen, van beloften, die nooit worden vervuld, van verklaringen, die alleen worden gegeven, om anderen een rad voor de oogen te draaien. Ik zwem letterlijk in mooie woorden. De ongelukkige vrouw Brittannië lijkt mij een opgemaakte vogel toe: aan alle zijden doorstoken met kantoorpennen en aan handen en voeten gebonden met rood band. Ik heb genoeg achter de schermen gekeken om de politiek op hare juiste waarde te schatten en ben daardoor een ongeloovige geworden, die zich niet licht zal laten bekeeren.

Mijn oude vriend Traddles heeft hetzelfde vak gekozen, maar hij komt niet verder. Hij draagt deze teleurstelling even welgemoed als alle andere, en brengt mij telkens in herinnering, dat hij nooit hooge gedachten van zichzelven heeft gekoesterd. Hij werkt nu en dan voor hetzelfde nieuwsblad, door uit andere bladen dorre feiten op te zoeken, die dan door vruchtbaarder geesten worden overgeschreven en opgesierd. Ook is hij bij de balie aangesteld; met bewonderenswaardige vlijt en opofferingen van allerlei aard heeft hij de tweede honderd pond bijeen weten te brengen, die hij storten moest. Bij zijne benoeming werd eene aanzienlijke hoeveelheid warme portwijn gedronken, maar het bedrag in aanmerking genomen, vermoed ik dat de Inner Temple er voordeel bij heeft gehad.

Ik heb nog iets anders ter hand genomen. Met angst en vreeze heb ik de pen opgevat en in het geheim eenige stukjes voor een tijdschrift geschreven, die ook geplaatst zijn. Sedert ben ik daarmede voortgegaan en wordt er nu geregeld voor betaald. Alles te zamen genomen, gaat het mij goed; als ik mijn inkomen op de vingers van mijn linkerhand natel, kom ik den derden vinger voorbij en blijf bij het middelste lid van den vierden steken. Wij wonen niet meer in Buckingham-street, maar in een aardig klein huisje dichtbij hetgeen ik gezien heb toen ik pas verliefd was. Tante, die haar huisje te Dover voordeelig verkocht heeft, zal hier echter niet blijven, maar is van plan een optrekje te huren in onze onmiddellijke nabijheid. In onze? Wat zou dat beduiden? Ga ik trouwen? Ja waarlijk!

Ja! Ik ga trouwen met Dora! Juffrouw Lavinia en juffrouw Clarissa hebben hare toestemming gegeven en als ooit kanarievogeltjes gejaagd heen en weer gefladderd hebben dan zijn zij het geweest. Juffrouw Lavinia, die zich zelve het oppertoezicht heeft opgedragen over het uitzet van mijne lieveling, is voortdurend bezig met patronen te knippen uit bruin papier en heeft meermalen verschil met een knap jong mensch, die een groot pak en een el onder den arm draagt. Een naaister, die een naald met een lange draad op de borst draagt, is aangenomen met kost en inwoning; het komt mij voor dat zij, ook niet wanneer zij eet, drinkt of slaapt, haar vingerhoed nooit aflegt. Zij maken een ledepop van mijn lieveling, want het passen en meten gaat den geheelen dag door. Wij kunnen des avonds geen vijf minuten rustig bij elkander zitten of het een of andere lastige vrouwspersoon klopt aan de deur en roept: „Als 't u gelegen komt, juffrouw Dora, wil u eens boven komen?”

Juffrouw Clarissa zwerft met mijne tante heel Londen door om huishoudelijke benoodigdheden uit te zoeken, die ik daarna met Dora moet gaan bekijken. Het zou wel zoo doelmatig zijn als zij maar in eens tot den koop besloten, zonder ons oordeel te vragen: want eens op haardgereedschap voor de keuken uit zijnde, ontwaart Dora plotseling een Chineesch huisje voor Jip, met kleine klokjes aan het dak, en geeft daaraan verre de voorkeur. Nadat wij het gekocht hebben, duurt het ontzettend lang eer Jip aan zijn nieuwe woning gewend is, want telkens als hij er in of uitgaat, beginnen de klokjes te bellen, hetgeen hem een doodsangst op het lijf jaagt.

Daar verschijnt Peggotty en wordt terstond aan het werk gezet. Het schijnt dat zij geen andere taak heeft dan alles telkens weer opnieuw schoon te maken. Alles wat daartoe in de termen valt, wordt door haar gewreven tot het blinkt, evenals haar eigen eerlijk voorhoofd.

En nu komt haar broeder mij in de gedachte; ik zie hem eenzaam door de straten wandelen, bij dag en des avonds, en alle voorbijgangers in het gelaat kijken. Ik vergezel hem meermalen op deze wandelingen, maar spreek niet met hem. Ik weet te goed wat hij zoekt en wat hij vreest, als hij daar zoo ernstig voortwandelt.

Waarom kijkt Traddles zoo bijzonder deftig, als hij mij op dien namiddag in de Commons komt opzoeken, waar ik—voor den vorm—nog wel eens heenga als ik tijd heb. De verwezenlijking van mijne jongensdroomen is op handen. Ik ga een huwelijkslicencie halen. Het is een klein stukje papier, dat toch zooveel kracht bezit; Traddles bekijkt het, terwijl het op mijne schrijftafel ligt, met bewondering en ontzag. Daar staan nu de namen, zooals ik ze in mijne verbeelding reeds zoo dikwerf heb zien staan, zoo vertrouwelijk naast elkander: David Copperfield en Dora Spenlow; en daar in den hoek het zegel, dat zoo onafscheidelijk verbonden is aan onderscheidene handelingen in het leven van den mensch; het schijnt vol belangstelling op onze verbintenis neer te zien; en de Aarts-Bisschop van Canterbury spreekt op papier den zegen over ons uit, zoo goedkoop als het maar eenigszins verwacht kan worden.

Toch verkeer ik nog in een droom, in een onrustigen, maar gelukkigen droom. Ik kan niet gelooven, dat het werkelijk zoo zijn zal en kan niet van mij afzetten, dat niet iedereen op straat aan mij zien kan dat ik overmorgen ga trouwen. Het Hof kent mij en als ik den eed kom afleggen, word ik zoo vlug geholpen, alsof ik tot de familie behoor—om het zoo maar eens uit te drukken. Traddles is er volstrekt niet bij noodig, maar blijft toch op mij wachten.

„Ik hoop,” zeg ik, „dat gij hier spoedig voor u zelven komen moogt.”

„Ontvang mijn dank voor dien goeden wensch, beste Copperfield,” antwoordt hij. „Ik hoop het ook. Het is echter eene geruststelling, dat zij op mij wachten zal tot in lengte van dagen en dat zij werkelijk het liefste meisje is....”

„Wanneer moet gij aan de diligence zijn om haar af te halen?” vroeg ik.

„Om zeven uur”, zegt Traddles, op zijn zwaar zilveren horloge kijkende—hetzelfde waaruit hij op school eens een raadje nam om een watermolen te maken. „Dus ongeveer op hetzelfde uur als juffrouw Wickfield komt, is 't niet?”

„Een weinig vroeger. Juffrouw Wickfield komt om half negen.”

„Ik verzeker u, beste kerel”, zegt Traddles, „dat ik bijna even blij ben alsof ik zelf ging trouwen, nu ik bedenk, dat voor u alles zoo goed is afgeloopen. Uw bewijs van vriendschap en achting, dat gij mij geeft door Sophie met juffrouw Wickfield als bruidsmeisjes te vragen, eischt mijn warmsten dank. Ik kan u dat niet genoeg zeggen.”

Ik hoor hem nog spreken; ik voel zijn handdruk nog en wij babbelen en wandelen en gebruiken samen het middagmaal en .... en toch lijkt alles mij een droom. Het kan geen werkelijkheid zijn.

Op het afgesproken tijdstip komt Sophie bij Dora's tantes aan huis. Zij heeft een innemend gezichtje—niet mooi, maar buitengewoon innemend—en is het verstandigste, aantrekkelijkste, ongekunsteldste schepseltje, dat ik ooit ontmoet heb. Traddles stelt haar aan ons voor en wij zien hoe trotsch hij op haar is; tien minuten lang—ik ga het na op de pendule—wrijft hij in zijne handen; geen haartje op zijn hoofd, dat niet rechtop staat; ik feliciteer hem in een hoek van de kamer met zijne keuze. Ik heb Agnes van de diligence gehaald en haar lief, mooi gezichtje is voor de tweede maal in ons midden. Agnes is zeer ingenomen met Traddles; de ontmoeting is buitengewoon hartelijk en ik geniet bij het zien van de verrukking, waarmede Traddles het liefste meisje van de wereld aan haar voorstelt.

Toch kan ik het nog niet gelooven. Wij hebben een heerlijken avond en zijn allen hoogst gelukkig; maar toch kan ik het nog niet gelooven. Ik kan niet goed denken; ik besef mijn geluk niet, terwijl het toch werkelijk zoo is. Ik ben duizelig en zie alles door een nevelig waas, alsof ik een paar weken geleden eens heel vroeg opgestaan en daarna niet meer naar bed geweest ben. Ik kan mij den dag van gisteren niet goed voorstellen en het komt mij voor, of ik de huwelijkslicencie al maanden lang met mij rondgedragen heb.

Den volgenden dag, als wij allen te zamen ons huisje bezoeken—het huisje van Dora en mij!—voel ik mij nog net eender; ik ben zelfs niet in staat, om in die woning als heer en meester op te treden. Het schijnt mij toe alsof ik daar ben met toestemming van een ander. Ik verwacht half en half den werkelijken heer des huizes en denk dat hij blijde zijn zal mij te zien. En het is zoo'n aardig huisje, alles is er zoo nieuw en zoo helder; de bloemen op de tapijten schijnen zoo juist geplukt, de groene bladeren in het behangsel zoo juist uitgebot te zijn; en dan die kraakheldere neteldoeksch gordijnen en de donkerroode trijp van de canapee en de stoelen, en Dora's tuinhoed met de blauwe linten—ik herinner mij zoo goed hoe lief ik haar vond, toen ik haar dien eersten morgen in den tuin ontmoette met een dergelijken hoed op!—hing reeds aan het kleine kapstokje; de guitaarkist scheen zich al thuis te voelen in haar hoekje, en iedereen tuimelt over Jip's pagode, die veel te groot is voor ons tilletje.

Nog zulk een gelukkigen avond, waarop mij alles nog een droom toeschijnt en aan het einde waarvan ik stilletjes de huiskamer binnensluip, voor ik wegga. Dora is er niet. Ik onderstel, dat zij weder aan het passen zijn. Juffrouw Lavinia kijkt om een hoekje en vertelt mij heel geheimzinnig dat „het” niet lang meer duurt. Toch blijft Dora tamelijk lang weg, maar eindelijk hoor ik geritsel en geschuifel aan de deur. Er wordt geklopt. Ik roep: „Binnen!” maar er wordt nog eens geklopt. Ik ga naar de deur, nieuwsgierig om te weten, wie dat zijn kan en daar zie ik in een paar schitterende oogen en een blozend gelaat; het is Dora! Juffrouw Lavinia heeft haar als bruid getooid, geheel zooals zij er morgen zal uitzien! Ik druk mijn kleine vrouwtje aan mijn hart en juffrouw Lavinia geeft een gilletje, omdat ik het hoedje plat druk. Dora lacht en schreit te gelijk, omdat ik zoo verrukt ben en.... ik geloof het nog minder dan gisteren.

„Vindt gij mij mooi, Doady?” vraagt Dora.

„O, Dora, ik kan u niet zeggen, hoe mooi ik u vind!”

„En zijt gij wel zeker, dat gij heel veel van mij houdt?”

Deze vraag brengt het hoedje zoodanig in gevaar, dat juffrouw Lavinia nog een gilletje geeft en mij verzoekt te begrijpen, dat ik alleen maar naar Dora mag kijken en haar onder geen voorwendsel aanraken. En daar staat zij, verrukkelijk in haar verlegenheid, om gedurende een of twee minuten bewonderd te worden: toen neemt zij haar hoed af—wat ziet zij er nu veel natuurlijker uit!—en snelt weg met den hoed in de hand; daarna komt zij dansende terug in haar gewone toilet en vraagt aan Jip of ik een mooi, klein vrouwtje krijg en of hij het haar vergeven wil dat zij gaat trouwen, en knielt neer om hem op het kookboek te laten opzitten—voor de laatste maal in haar zorgeloos leventje.

Ik ga, ongelooviger dan ooit, naar huis, d. i. naar eene kamer, die ik in de onmiddellijke nabijheid gehuurd heb, en sta den volgenden morgen heel vroeg op, om naar den straatweg naar Highgate te rijden, waar ik tante moet afhalen.

Ik heb tante nooit met zooveel zorg gekleed gezien. Zij draagt een lavendelkleurige zijden japon en een witten hoed—'t was verbazend. Janet heeft haar geholpen en is meegekomen om mij nog eens te zien. Peggotty is gereed om naar de kerk te gaan, waar zij, op de galerij zittende, de plechtigheid zal bijwonen. Mijnheer Dick, die mij aan het altaar mijn bruidje zal overgeven, heeft zijn haar laten friseeren. Traddles, dien ik volgens afspraak aan het tolhek heb opgenomen, geeft een mengeling te aanschouwen van roomkleur en lichtblauw: wanneer ik mij mijnheer Dick en Traddles van dien gedenkwaardigen morgen voorstel, zie ik in mijne verbeelding niets dan handschoenen. Ik zie dit alles, omdat ik weet, dat het zoo is; maar eigenlijk zie ik niets. Ik kan het nog maar niet gelooven. Maar toch, als wij eindelijk in een open rijtuig naar de kerk rijden, is het toch geen sprookje meer voor mij en voel ik een vreemdsoortig medelijden voor de ongelukkigen, die er geen deel aan hebben en uit hunne winkels komen loopen, om ons na te kijken en daarna weder aan hunne dagelijksche bezigheden te gaan.

Tante zit gedurende den geheelen rit met mijne hand in de hare. Als wij op eenigen afstand van de kerk stil houden om Peggotty af te zetten, die wij op den bok hebben medegenomen, drukt zij mijne hand hartelijk en geeft mij een kus.

„God zij met u, Trot! Mijn eigen kind zou mij niet liever kunnen zijn. Ik denk van morgen aan dat arme lieve moedertje van u.”

„Ik ook, tante, maar niet minder aan alles wat gij voor mij geweest zijt.”

„Stil, kind!” zegt zij en geeft in overgroote hartelijkheid hare hand aan Traddles, die haar aan Dick geeft, waarna deze mij zijne hand geeft en de mijne aan Traddles en.... nu zijn wij bij de kerk.

Het is zeer stil in de kerk, maar ik had even goed een stoomweverij in vollen gang kunnen binnenkomen, zoo weinig indruk maakte de stilte op mij.

Mijne gedachten zijn daartoe te ver weg.

Al het overige lijkt mij een meer of min verwarde droom toe, waarin ik ze met Dora zie binnenkomen; waarin de plaatsbewaarster ons, als een sergeant zijne rekruten, voor het altaarhek in gelid schaart; waarin ik niet kan nalaten te denken waarom die plaatsbewaarsters altijd vrouwen van de onaangenaamste soort moeten zijn, alsof men bevreesd is dat een opgewekt humeur storend op de ziel zal werken en daarom zulke vaten azijn op den weg naar den Hemel plaatst.

Ik zie den geestelijke en den koster binnenkomen, benevens eenige visschers en vrouwen; ik ruik de rumlucht nog van een ouden zeeman, die achter mij plaats genomen heeft; ik hoor nog hoe plechtig de dienst begint en zie ons allen aandachtig luisteren.

Juffrouw Lavinia, die half en half als hulpbruidsmeisje fungeert en de eerste is, die schreit—ik houd het er voor dat deze tranen eene stille hulde zijn aan de nagedachtenis van Pidger—juffrouw Clarissa die telkens haar reukfleschje noodig heeft; Agnes, die voor Dora zorgt; mijne tante, die haar best doet om een toonbeeld van ongevoeligheid te zijn, terwijl de tranen over hare wangen rollen; mijne kleine Dora, die beeft als een espenblad en hare antwoorden nauw hoorbaar uitspreekt....

Wij knielen naast elkander; Dora beeft minder dan zoo even; maar houdt Agnes nog steeds vast; de dienst gaat kalm en plechtig voort en na afloop glimlachen wij allen door onze tranen heen; mijn jonge vrouwtje is erg zenuwachtig in de kerkekamer en roept om haar armen papa, haar lieven papa. Zij laat zich spoedig troosten en allen teekenen het register. Ik ga naar de galerij om Peggotty te halen, want zij moet ook teekenen; Peggotty trekt mij in een hoekje en zegt: „ik heb uw lieve moedertje ook zien trouwen.” En nu is alles afgeloopen en gaan wij heen....

Ik neem de hand van mijn bekoorlijk vrouwtje en leg die teeder op mijn arm en wandel trotsch met haar door de lange gang, tusschen rijen nieuwsgierigen, preekstoelen, graftombes, kerkbanken, doopvonten, engelen en beschilderde ramen door; ik zie alles in een nevel en word telkens herinnerd aan de kerk te Blunderstone.....

Ik hoor hier en daar fluisteren, terwijl wij voortgaan, „wat een jong paartje.” „Wat een mooi bruidje!” En op den terugrit zijn wij allen zoo vroolijk en zoo spraakzaam en Sophie vertelt ons, dat zij bijna flauw was gevallen van den schrik, toen zij aan Traddles om de licencie had hooren vragen—ik had hem dit gewichtig document in bewaring gegeven—want zij meende stellig dat hij het verloren of vergeten zou hebben. En ik zie Agnes lachen en Dora is zoo verrukt van Agnes, dat zij niet van haar wil scheiden en nog steeds hare hand vasthoudt.....

Wij zitten aan het dejeuner, dat uitmuntend is en wij eten en drinken en ik eet en drink ook, maar, zooals in elken anderen droom, zonder iets te proeven; ik eet, om het zoo maar eens uit te drukken, niets dan liefde en trouwbeloften en sla evenmin geloof aan de verschillende spijzen als aan iets anders. Ik houd een toespraak, ook in dienzelfden toestand van droomerigheid, zonder te weten wat ik zeggen moet, alleen heb ik een onbestemde vrees van tweemaal hetzelfde te zullen zeggen.....

Wij blijven eenigen tijd heel genoegelijk en in eene gelukkige stemming bijeen—altijd echter in een droom—en Jip krijgt een stuk van de bruidstaart, dat hem later slecht bekomt.

Als de postpaarden voorkomen, staat Dora op om zich te verkleeden en blijven mijne tante en juffrouw Clarissa bij ons; wij wandelen in den tuin, en tante, die een toost heeft ingesteld op Dora's tantes, is in de vroolijkste stemming en ook een weinig trotsch op haar heldenstukje.

Dora is gereed en juffrouw Lavinia blijft nog om haar heen draaien, alsof zij niet kan besluiten het aardige speelpopje, dat zulk eene aangename afwisseling voor haar geweest is, af te staan. En Dora doet allerlei ontdekkingen, de eene nog verrassender dan de andere, van dingen, die zij nog vergeten heeft, en iedereen snelt op zijn beurt heen om ze te halen.

En als zij eindelijk begint afscheid te nemen, dringen allen zich om Dora heen en het bonte groepje gelijkt een bloembed in vollen bloei. Mijn lieveling wordt bijna begraven onder al die bloemen en komt er eindelijk, lachend en schreiend, onder uit en in mijne verlangend uitgestrekte armen.

Ik wil Jip dragen, die met ons mede zal gaan, maar Dora zegt dat zij het doen zal, want Jip zou anders denken dat zij niet meer van hem houdt, nu zij getrouwd is, en dat zou hij nooit te boven komen. En nu gaan wij arm in arm heen en Dora blijft staan, kijkt om en zegt: „Als ik ooit tegen iemand onvriendelijk of ondankbaar geweest ben, vergeet het dan!” waarna zij in tranen uitbarst.

En nu wuift zij met haar kleine handje den achterblijvenden een vaarwel toe en gaan wij door; maar nogmaals blijft zij staan en snelt naar Agnes, die hare laatste kussen en handdrukjes in ontvangst neemt.

Wij rijden weg en nu ontwaak ik uit mijn droom. Nu geloof ik het eindelijk. Mijn innig geliefd, klein vrouwtje zit naast mij en ik heb haar o, zoo lief!

„Zijt gij nu gelukkig, dwaze jongen?” vraagt Dora, „en zijt gij er wel zeker van dat 't u nimmer berouwen zal?”

* * * * *

Ik heb ter zijde gestaan toen de gebeurtenissen uit die dagen mij voorbij gleden. En nu zijn ze voorbij en neem ik den draad van mijn verhaal weer op.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XLIV

Ons huishouden.

Het was eene zonderlinge gewaarwording, toen ik, nadat de wittebroodsweken voorbij en de bruidsmeisjes vertrokken waren, daar met Dora in ons kleine huisje zat; het scheen mij toe of ik niets te doen had, nu ik niet meer telkens naar Putney behoefde te gaan—alsof mij dat ooit hard was gevallen!

Het was zulk een zonderling gevoel dat ik nu Dora altijd bij mij had. Het was zoo vreemd dat ik mij nu niet meer angstig over haar behoefde te maken, dat ik haar niet meer behoefde te schrijven, noch gelegenheden op te zoeken en te verzinnen om met haar alleen te zijn. Wanneer ik des avonds nu en dan van mijn werk opkeek en haar tegenover mij zag zitten, leunde ik wel eens achterover in mijn stoel en dacht dan hoe wonderlijk het was dat wij daar zaten, zoo met ons beiden, zoo alsof het van zelf sprak; dat niemand zich nu meer met ons behoefde te bemoeien, dat al het romantische van onzen engagementstijd nu voor eeuwig voorbij was; dat wij niemand behoefden te believen dan elkander, maar.... elkander moesten believen levenslang.

Wanneer de zitting van het Parlement wat langer duurde dan gewoonlijk en ik laat naar huis wandelde, vond ik het zoo vreemd als ik bedacht, dat ik nu Dora zou vinden in ons huis. Het was in den beginne zoo vreemd, als zij des avonds, wanneer ik mijn souper gebruikte, zachtjes beneden kwam om nog wat met mij te praten. Wat vreemd dat ik nu precies wist, wanneer zij papillotjes in heur haar zette! Vreemder echter nog was het, dat ik daarbij mocht assisteeren!

Ik betwijfel of twee jonge vogeltjes nog minder verstand van huishouden kunnen hebben dan Dora en ik. Het spreekt van zelf dat wij eene dienstbode hadden. Deze deed het huishouden. Ik verkeer nog steeds heimelijk in het geloof, dat wij met die Mary Anne eene dochter van juffrouw Crupp in ons huis hadden gehaald, want o, zij leek in haar doen en laten zoo sprekend op mijne eerste hospita. Zij heette Paragon. Toen wij haar huurden werd ons medegedeeld dat haar naam nog maar een flauw denkbeeld gaf van haar karakter. Zij bracht een getuigschrift mede zoo lang als een proclamatie en volgens dit document kon zij alle huishoudelijke bezigheden verrichten, waarvan ik ooit gehoord had, en alle waarover ik nooit had hooren spreken zelfs. Zij was een vrouw in de kracht van het leven, had een gezicht om bang voor te worden en hare armen waren steeds overdekt met een soort mazelen of een anderen galachtigen uitslag. Zij had een neef bij de Garde, een neef met zulke lange beenen, dat hij mij telkens deed denken aan de schaduw van een ander in den namiddag. Zijne uniformjas was hem evenveel te klein als hij zelf te lang was voor ons huisje. Hij was oorzaak dat het ons kleiner toeleek dan het geval was. Bovendien waren de muren niet te dik, zoodat wij altijd van zijne aanwezigheid in de keuken kennis kregen door een voortdurend gebrom.

Onder de niet genoeg te waardeeren eigenschappen van ons juweel behoorde ook dat zij matig en eerlijk was. Ik kon het dus wel aan een toeval wijten, toen ik haar op zekeren avond in de keuken bij het fornuis vond liggen; terwijl ik het verdwijnen van onze zilveren theelepeltjes op rekening van den aschman schrijven moest.

Hoe het zij, Mary Anne was ons een voordurende kwelling. Wij voelden telkens zoo, dat wij nog zoo weinig ondervinding hadden en niet in staat waren om raad te schaffen. Had zij barmhartigheid gekend, dan zouden wij daaraan overgeleverd zijn geweest, maar die kende zij niet. Zij was de oorzaak van onze eerste oneenigheid.

„Lieveling,” zei ik op zekeren dag, terwijl ik met Dora alleen was, „zou Mary Anne wel weten hoe laat het is?”

„Hoe bedoelt gij dat, Doady?” vroeg Dora, met het onschuldigste gezichtje van hare teekening opkijkende.

„Omdat het vijf uur is, beste, en wij zouden om vier uur eten.”

Dora keek met een angstig gezicht naar de klok en sprak het vermoeden uit dat deze voor was.

„Integendeel, liefste,” zei ik, met mijn horloge in de hand, „ze loopt achter.”

Mijn kleine vrouwtje kwam op mijn knie zitten om mij te paaien en trok met haar potlood een streep over het midden van mijn neus. Ik vond dat natuurlijk heel aardig, maar had met dat al nog niet te eten.

„Zou het niet goed zijn, liefste, als gij Mary Anne eens aanmaandet om beter op haar tijd te zijn?” vroeg ik.

„O, neen, dat niet! Dat kan ik niet, Doady!”

„Waarom niet, liefste?” vroeg ik vriendelijk.

„Och, omdat ik nog zoo dom ben in die dingen en dat weet zij heel goed.”

Ik achtte deze meening zoo geheel in strijd met mijn wensch om Mary Anne's willekeur te fnuiken, dat ik even de wenkbrauwen fronste.

„O, wat kan mijn ondeugd boos kijken!” zei Dora en nog steeds op mijn knie zittende, trok zij de rimpels op mijn voorhoofd met haar potlood na; om de lijnen zwarter te maken stak zij de punt van het potlood telkens tusschen hare rose lipjes en zoo werkte zij aan mijn voorhoofd voort met zulk een kinderlijken ernst en ijver, dat ik er wel om moest lachen.

„Ziezoo, nu is hij weer zoet,” zei Dora; „als gij lacht ziet gij er veel liever uit.”

„Maar, lieveling.”

„Neen, neen!” riep zij en gaf mij een kus, „geen Blauwbaard zijn! Niet zoo ernstig kijken!”

„Best wijfje, wij moeten nu en dan wel eens ernstig zijn,” sprak ik. „Kom. Ga nu hier eens naast mij zitten in dezen stoel! Geef mij het potlood en laat ons nu eens verstandig praten. Gij weet, beste,”—wat een klein handje had ik daar vast en wat een miniatuur-trouwringetje zat daaraan!—„gij weet, beste, dat het niet prettig is om zonder gegeten te hebben de deur uit te gaan. Is 't wel?”

„Ne....en,” antwoordde Dora heel flauwtjes.

„Wat beeft ge, liefste!”

„Dat komt omdat ik weet dat gij nu op mij gaat brommen,” riep zij met eene stem, die mij bijna vermurwd had.

„Maar, lieveling, ik wil alleen maar wat met u redeneeren.”

„O, dat is nog veel erger!” riep zij wanhopend uit. „Ik ben niet getrouwd opdat gij met mij zoudt redeneeren. Als gij dat van plan waart, hadt gij 't mij moeten zeggen, wreede jongen!”

Ik deed mijn best om weer vrede te maken, maar zij wendde haar gezichtje van mij af en schudde haar krullen van links naar rechts en van rechts naar links en zei: „Gij zijt een wreede, een heel wreede jongen!” Ik wist niet wat ik doen moest en liep daarom in mijne onzekerheid eenige malen de kamer op en neer, waarna ik weder bij haar ging zitten.

„Dora, mijn lieveling!”

„Neen, ik ben uw lieveling niet. Gij moet spijt hebben omdat gij met mij getrouwd zijt, anders zoudt gij niet met mij willen redeneeren!” antwoordde Dora.

Ik voelde mij zoo beleedigd door deze onbillijke beschuldiging dat ik mijn best deed om ernstig te zijn.

„Luister eens, liefste,” zei ik, „gij stelt u erg kinderachtig aan en praat nonsens. Gij zult u even goed als ik herinneren dat ik gisteren weg moest toen ik nog maar half genoeg gegeten had; dat ik eergisteren onwel werd van het half rauwe kalfsvleesch; vandaag schijn ik in 't geheel niets te krijgen en.... ik durf bijna niet zeggen hoe lang wij op ons ontbijt hebben moeten wachten en toen kookte het water nog niet. Ik maak u daarvan geen verwijt, liefste, maar het is toch alles behalve plezierig.”

„O, gij wreede, wreede jongen! Te zeggen dat ik een nare vrouw ben!”

„Maar, Dora, dat heb ik immers niet gezegd!”

„Gij hebt gezegd dat ik alles behalve plezierig ben!”

„Ik zei dat het alles behalve plezierig was, als de huishouding zoo...”

„Dat is precies hetzelfde!” zei Dora snikkend. En dat meende zij, want zij schreide hartverscheurend.

Ik begon nogmaals de kamer op en neer te loopen, verliefder dan ooit op mijn mooie vrouwtje en zoo door zelfverwijt gekweld dat ik wel met het hoofd tegen den muur had willen loopen. Ik ging weer zitten en zei:

„Ik ben niet boos op u, Dora. Wij moeten beiden nog veel leeren. Ik wil alleen trachten u te overtuigen, dat gij, werkelijk,”—ik wilde dit niet opgeven—„werkelijk u moet aanwennen om Mary Anne beter na te gaan en voor u zelve en mij te leeren zorgen.”

„Het verwondert mij waarlijk, dat gij zoo ondankbaar zijn kunt,” antwoordde Dora snikkend. „Laatst, toen gij gezegd hadt dat gij zoo gaarne eens visch wildet eten, toen ik mijlen ver heb geloopen om ze u te bezorgen en er u mede te verrassen, hebt gij zoo iets niet gezegd!”

„Dat was heel lief van u, beste,” antwoordde ik. „Ik voelde dat ook zóó, dat ik geen woord gezegd heb over den heelen zalm—veel te veel voor ons beiden—en over den prijs, een pond en zes shilling—veel meer dan wij mogen besteden.”

„Gij hebt er toch heerlijk van gesmuld en gezegd dat ik, „een kleine rot” was.”

„En dat wil ik nog wel duizend maal herhalen!” riep ik uit.

Hoeveel moeite ik ook deed, Dora was ontroostbaar; ik had haar lieve hartje gekwetst. Zij snikte en jammerde zoo aandoenlijk of ik haar, ik weet niet wat, verweten had. Ik was genoodzaakt haastig uit te gaan en moest laat uitblijven; den geheelen avond voelde ik mij diep rampzalig. Ik had zoo ongeveer het gevoel, dat een moordenaar hebben moet en werd gemarteld door een onbestemde gewaarwording van een misdaad gepleegd te hebben. Ik kwam niet voor twee uren na middernacht thuis en vond mijne tante in de huiskamer.

„Is er iets gebeurd, tante?” vroeg ik ontsteld.

„Neen, Trot, niets,” antwoordde zij. „Ga zitten, ga zitten. Klein Bloesempje is een beetje van streek geweest en ik heb haar gezelschap gehouden. Dat is alles.”

Terwijl ik daar zoo met de hand onder het hoofd in het vuur zat te kijken, voelde ik mij zoo verdrietig en neerslachtig, als ik zoo kort na de vervulling van mijn dierbaarsten wensch niet mogelijk geacht had. Tante's blik rustte op mij en er lag eene angstige uitdrukking op haar gelaat, die echter onmiddellijk verdween toen ik mijne oogen naar haar opsloeg.

„Ik verzeker u, tante,” zei ik, „dat ik mij den geheelen avond diep ongelukkig gevoeld heb, omdat ik wist dat Dora bedroefd was. Maar ik heb niets gedaan dan zacht en vriendelijk over huiselijke aangelegenheden gesproken.”

Tante knikte mij bemoedigend toe en zei: „Gij moet een weinig geduld hebben, Trot.”

„Natuurlijk. De Hemel weet, dat ik niet onredelijk wil zijn, tante!”

„Neen, neen,” antwoordde zij, „maar Klein Bloesempje is een heel teer klein bloempje, waar de wind zoo zacht mogelijk langs moet strijken.”

Ik bedankte tante in mijn hart voor de liefde, die zij voor mijn vrouwtje toonde; en ik was overtuigd, dat zij wist, hoe lief ik zelf haar had.

„Zoudt gij Dora nu en dan niet eens wat goeden raad kunnen geven, haar niet eens kunnen terecht wijzen tot bevordering van ons wederzijdsch geluk?” vroeg ik na eenige oogenblikken zwijgend in het vuur te hebben gekeken.

„Trot,” antwoordde tante, een weinig zenuwachtig, „neen, vraag mij dat niet!”

Zij sprak op zulk een ernstigen toon, dat ik verbaasd mijn oogen opsloeg.

„Ik zie op mijn eigen leven terug,” sprak zij, „en ik denk aan sommige menschen die nu reeds in het graf liggen en voor wie ik heel wat vriendelijker had kunnen zijn. Als ik wel eens een hard oordeel geveld heb over de dwaze huwelijken van anderen, sproot dit waarschijnlijk voort uit de omstandigheid, dat ik redenen te over heb gehad, om hard over mijn eigen huwelijk te oordeelen. Laat ons daarover niet meer spreken. Ik ben jaren lang eene driftige, knorrige, eigenzinnige vrouw geweest en ik ben dat nog en zal het altijd blijven. Maar gij en ik, Trot, hebben elkander goed gedaan.... in elk geval hebt gij mij veel goed gedaan, beste jongen; daarom moet er tusschen ons geen verdeeldheid komen.”

„Verdeeldheid? Tusschen ons!” riep ik uit.

„Kind, kind!” zei tante, haar japon glad strijkende, „geen wijze zou kunnen zeggen, hoe spoedig die tusschen ons komen en hoe ongelukkig ik Klein Bloesempje maken zou, als ik mij met uwe zaken ging bemoeien. Herinner u uw eigen tehuis, nadat uw lieve moedertje voor de tweede maal getrouwd was; doe dus ons, geen van beiden, het onrecht aan, waarover gij altijd hebt gesproken!”

Ik zag op eenmaal in dat tante gelijk had en besefte tevens den vollen omvang van hare vriendelijke en welwillende gevoelens voor mijn jonge vrouwtje.

„Wij zijn nog pas aan het begin, Trot,” ging zij voort, „en Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd, zelfs niet in een jaar. Gij zijt geheel vrij geweest in uwe keuze”—zag ik daar een wolk op haar vriendelijk gelaat?—„en hebt een mooi, bekoorlijk en allerliefst schepseltje gekozen. Het is uw plicht en het zal uw geluk verhoogen—meen niet, dat ik een preek ga houden, ik weet dat—haar te waardeeren naar de eigenschappen, die zij heeft, en niet naar die, welke zij niet heeft. De laatsten moet gij trachten te ontwikkelen. En zoo u dat niet gelukt, mijn kind,”—tante wreef even haar neus—„dan moet gij uw best doen om het zonder dezen te stellen. Niemand kan u helpen; gij moet u op u zelven verlaten. Zoo is het huwelijk, Trot; en de goede God zegene u beiden, kinderen als gij eigenlijk nog zijt!”

Tante zei dit op vroolijken toon en gaf mij een kus om den uitgesproken zegenwensch te bekrachtigen.

„Licht mij nu eens bij”, hernam tante opstaande, „met de lantaarn en breng mij naar mijn hoedendoos,”—er was een pad, dat tot gemeenschap diende tusschen onze woning en die van tante, welke laatste zoo klein was, dat zij die haar „hoedendoos” noemde. „Breng, als gij terugkomt, mijne hartelijke groeten over aan Bloesempje, en wat gij ook doen moogt, zet u niet in uw hoofd, uwe tante als vogelverschrikker te gebruiken, want zij ziet er al grimmig genoeg uit, zooals zij is; dat heeft de spiegel mij vaak genoeg gezegd.”

Tante bond den doek om haar hoofd, alsof dit een pakje was, dat verzonden moest worden, en ik bracht haar naar huis. Toen zij op de stoep van haar eigen woning stond met de lantaarn in de hoogte om mij op mijn terugweg bij te lichten, meende ik diezelfde uitdrukking van ongerustheid weder op haar gelaat te zien; maar ik werd te veel bezig gehouden met hetgeen zij gezegd had en was te zeer onder den indruk van de waarheid, dat Dora en ik zelve voor onze toekomst moesten zorgen, dat niemand ons helpen kon, om er veel aandacht aan te schenken.

Toen ik thuis was, kwam Dora op hare pantoffeltjes naar beneden en sloeg schreiend de armen om mijn hals; zij zei dat ik hardvochtig en zij stout geweest was en ik zei ongeveer hetzelfde, als ik mij niet bedrieg; wij legden onzen eersten twist weder bij en spraken af dat deze eerste ook de laatste zou zijn, al werden wij ook honderd jaar.

De volgende huishoudelijke beproeving, die wij moesten doormaken, was de „meiden-proef.”

Mary Anne's neef was gedeserteerd en had zich in ons kolenhok verscholen, waaruit hij tot onze groote verbazing door eene patrouille van zijn eigen korps werd te voorschijn gehaald, om vervolgens geboeid te worden weggebracht, hetgeen een groote oploop in en voor ons tuintje tengevolge had. Dit voorval gaf mij den moed om met Mary Anne korte metten te maken; zij ging, toen zij haar volle loon had ontvangen, zoo deemoedig heen, dat het mij verbaasde, tot ik de theelepeltjes miste en tevens tot de ontdekking kwam, dat zij bij verscheidene leveranciers op mijn naam allerlei artikelen gehaald had zonder te betalen en zonder daartoe van ons opdracht te hebben ontvangen. Na eenigen tijd een noodhulp te hebben gehad, eene zekere vrouw Kidgerbury—ik meen, dat zij de oudste vrouwelijke inwoner uit Kentish Town was, die uit werken ging, hoewel zij daartoe eigenlijk veel te zwak was—vonden wij een tweede Juweel. Deze zachtzinnigste aller dienstmeisjes had de gewoonte om telkens, wanneer zij met een of meer stukken van ons servies naar de keuken ging, van de trap te vallen en om, wanneer zij het theeblad binnenbracht de kamer binnen te „plompen”, alsof zij in het water sprong. De verwoesting door dit schepsel aangebracht, maakte hare wegzending onvermijdelijk; met eene telkens terugkeerende tusschenregeering van vrouw Kidgerbury volgden een aantal van die huisplagen elkander op, de eene nog onbruikbaarder dan de andere. De laatste, waarvan ik mij iets herinner, had een aardig gezichtje en ging met Dora's hoed op naar de kermis te Greenwich. Van de anderen weet ik niets dan dat zij allen somtijds de meest uiteenloopende ondeugden en gebreken hadden.

Iedereen scheen ons te bestelen. Kwamen wij in een winkel, dan werden oogenblikkelijk de beschadigde goederen voor den dag gehaald. Een kreeft, die wij kochten bij het gewicht, was vol water. Het vleesch, dat de slager ons bracht, was taai en het brood, dat aan huis bezorgd werd, was geheel zonder korst. Ten einde een regel te vinden om vleesch te roosteren, zoodat het gaar was, sloeg ik zelf het kookboek op en vond daar dat een pond vleesch een kwartier noodig had en grootere stukken een kwartier per pond en nog een kwartier daarenboven. Deze regel faalde echter telkens door de ene of andere noodlottige omstandigheid, zoodat wij nooit het midden konden vinden tusschen rauw en verbrand.

Ik had reden te gelooven, dat deze mislukte pogingen ons duurder te staan kwamen dan een reeks van overwinningen op dit gebied zouden gedaan hebben. Het winkelboekje van den kruidenier moest wel het vermoeden wekken, dat wij de geheele kelderverdieping met boter besmeerden, zulke hoeveelheden hadden wij van dit vette artikel verorberd. Ik weet niet of tengevolge van den grooteren invoer van peper een hooger cijfer in de opbrengst der belastingen verkregen werd, maar indien ons verbruik de markt niet deed stijgen dan moeten, naar mijne meening, een aantal familiën zich wel geheel van peper gespeend hebben. Het wonderlijkste van alles was, dat er nooit een korrel in huis te vinden was.

Dat de waschvrouw ons goed verpandde en in een toestand van volslagen dronkenschap daarover hare verontschuldigingen kwam aanbieden, zal iedereen wel eens zijn overkomen. Evenzoo zal iedereen wel eens brand in den schoorsteen hebben gehad, waaraan de dorpsbrandspuit te pas moest komen, of het slachtoffer geweest zijn van den valschen eed van een deurwaarder. Ik vrees echter, dat wij al heel ongelukkig moeten geweest zijn door een meid te huren met zulk een hartstocht voor sterken drank, dat de rekening van bier in de herberg vermeerderd werd met posten, als: „een kwart pintje punch van rhum. (Mevrouw C.); een kwart pintje jenever met kruidnagelen (Mevrouw C.); een glas rhum met pepermunt (Mevrouw C.)”—Met die „Mevrouw C.” werd, zooals bij het verzoek om opheldering bleek, Dora bedoeld, die dus verdacht werd al deze versnaperingen in eigen persoon te hebben gebruikt.

Een van onze eerste uitspattingen was een klein dinertje met Traddles. Ik ontmoette hem in de stad en verzocht hem dien namiddag met mij mede te wandelen. Met graagte nam hij mijne uitnoodiging aan en ik schreef aan Dora, dat ik mijn vriend zou medebrengen. Het was mooi weer en gedurende de wandeling praatten wij voortdurend over mijn huiselijk geluk. Traddles was er vol van en zei dat als hij zich voorstelde ooit ook zulk een huisje te zullen hebben, waarin Sophie hem met het middagmaal wachtte, hij zich nu reeds een der gelukkigste stervelingen waande.

Zeker kon ik mij geen liever vrouwtje wenschen dan daar aan het tegenovergestelde einde van de tafel zat; wel wenschte ik mij wat meer ruimte in de kamer toe. Ik weet niet hoe het kwam, maar, hoewel wij slechts met ons beiden waren, hadden wij toch altijd gebrek aan ruimte en toch ruimte genoeg om alles te verliezen. Ik vermoed dat het was omdat niets een vaste plaats had dan Jip's pagode, die altijd in den weg stond. Bij dit eerste bezoek zat Traddles zoodanig beklemd tusschen de pagode en de guitaarkist, Dora's schilderezel en mijne schrijftafel, dat ik ernstig betwijfelde of hij zijn mes en vork wel behoorlijk zou kunnen hanteeren. Hij joeg echter met zijne gewone goede luim al mijne bezwaren op de vlucht en zei: „Ik zit als in een oceaan Copperfield! Als in een oceaan!”

Er was nog iets dat ik wel gewenscht had, namelijk dat men Jip nooit had aangewend om gedurende het middagmaal over het tafellaken te loopen. Ik vond eigenlijk zijne aanwezigheid in de kamer geheel niet zooals het behoorde, zelfs al had hij niet de gewoonte gehad om aan het zout en de gesmolten boter te ruiken. Bij deze gelegenheid echter scheen hij te meenen, dat hij er hoofdzakelijk op na werd gehouden om Traddles aan het schrikken te maken; hij bleef met zulk eene volharding tegen mijn vriend blaffen en deed telkens zulke onverschrokken aanvallen op zijn bord, dat hij, om zoo te zeggen, alleen aan het woord was.

Ik wist echter hoe gevoelig Dora was op dit punt en hoe zwaar elke veronachtzaming van haar lieveling bij haar woog, zoodat ik hem maar liet begaan. Dezelfde overweging leidde mij er toe om niets te zeggen van het groot aantal borden, dat langzamerhand voor Jip's genoegen op den grond was uitgespreid; evenmin van het olie- en azijnstel, waarin alles kris en kras door elkander stond alsof de fleschjes dronken waren; noch van de blokkade, waaraan Traddles langzamerhand hoe langer hoe meer bloot stond, van ledige schalen en schotels. Ik kon niet nalaten mij heimelijk te verwonderen, toen ik de gekookte schapebout begon aan te snijden, over de zonderlinge vormen, die al onze stukken vleesch gewoonlijk hadden; het vermoeden kwam in mij op, dat onze slager een contract had aangegaan voor alle mismaakte schapen, die het levenslicht aanschouwden; maar ik hield deze overpeinzingen binnen.

„Wat hebt gij in dien schotel, lieveling?” vroeg ik aan Dora.

Ik had al niet begrepen, waarom Dora telkens de lippen zoo geheimzinnig spitste, alsof zij mij wilde kussen.

„Oesters, man,” antwoordde zij aarzelend.

„Hebt gij dat bedacht?” vroeg ik verrast.

„Ja... a, Doady,” zei Dora.

„Gij had niets beters kunnen bedenken!” riep ik, terwijl ik voorsnijmes en vork weglegde. „Er is niets waarvan Traddles zooveel houdt als van oesters!”

„Ja... a, Doady,” zei Dora nogmaals, „daarom kocht ik een mooi schaaltje vol en de man zei dat ze best waren. Maar ik... ik ben bang dat er iets aan mankeert. Zij lijken mij zoo vreemd toe.” Dora schudde hare krullen en er blonk in elk oog een diamantje.

„Maak ze maar eens open, lieve,” zei ik, want de schelpen waren nog op elkander.

„Maar ik kan ze niet open krijgen,” zei Dora, haar best doende, met de wanhoop op het gelaat.

„Weet gij wat het zijn zal, Copperfield,” zei Traddles, den schotel aandachtig bekijkend, „ik denk dat... het zijn prachtige oesters... ik denk dat ze nog nooit opengemaakt zijn.”

Traddles had gelijk; ze waren nog nooit geopend, en wij hadden geen oestermessen, en al hadden wij ze gehad, zouden wij ze niet hebben kunnen gebruiken; wij keken dus naar de oesters en aten van de schapenbout; ten minste wij aten er zooveel van als er gaar van was. Had ik het niet belet, dan zou Traddles een halven wilde van zich gemaakt en een bordvol rauw vleesch gegeten hebben, alleen om de tafel eer aan te doen; zulk een offer op het altaar der vriendschap kon ik echter niet van hem vorderen. Gelukkig en heel toevallig was er nog een snee spek in de provisiekast, en zoo deden wij ons maal verder met gebakken spek.

Mijn arme, kleine vrouwtje was zoo terneergeslagen, omdat zij meende dat ik verdrietig zou zijn, en zoo blij toen zij zag dat ik het niet was en ik mijn humeur niet liet bederven door het mislukte middagmaal, dat wij nog een heel aangenamen avond hadden; Dora zat met den arm over de leuning van mijn stoel, terwijl Traddles en ik een glas wijn dronken, en nam elke gelegenheid te baat om mij in te fluisteren, hoe heerlijk zij het vond, dat ik nu niet zoo'n wreede, ondeugende man geweest was.

Eindelijk schonk zij thee voor ons en dat deed zij altijd zoo aardig, alsof zij met een poppenserviesje speelde, zoodat ik er niet op lette of de thee lekker was. Daarna speelden Traddles en ik een paar partijtjes cribbage, terwijl Dora zong met begeleiding van de guitaar, zoodat ik eene gewaarwording had of onze engagementstijd en ons huwelijk niets waren dan een heerlijke droom en dat de avond, toen ik voor de eerste maal hare stem hoorde, nog altijd voortduurde.

Toen Traddles vertrokken was en ik, na hem uitgelaten te hebben, in onze huiskamer terugkwam, zette Dora haar stoel vlak naast den mijne en kwam naast mij zitten.

„Het spijt mij zoo,” sprak zij. „Wilt ge uw best doen om mij van alles te leeren, Doady?”

„Ik moet mij zelve zooveel leeren, Dora,” antwoordde ik.

„Maar gij zijt zoo'n verstandige man; gij kunt zoo goed leeren!”

„Dwaasheid, Rotje!” zei ik.

„Ik had een heel jaar buiten moeten wonen met Agnes,” hernam mijn vrouwtje na eene lange pauze. Zij had hare handjes op mijn schouder, liet hare kin er op rusten en keek mij met hare heldere blauwe oogen strak aan.

„Waarom?” vroeg ik.

„Zij zou mij wel hebben verbeterd en ik zou veel van haar hebben kunnen leeren,” antwoordde zij.

„Dat zal wel komen met den tijd, liefste. Agnes heeft haar geheele leven voor haar vader moeten zorgen, bedenk dat toch; toen zij nog een kind was, was zij reeds dezelfde Agnes als nu.”

„Ik zou zoo gaarne willen dat gij mij bij een zekeren naam noemdet,” zei Dora, zonder hare houding te veranderen.

„Hoe dan?” vroeg ik glimlachend.

„O, het is een dwaze naam,” antwoordde zij, even haar krullen schuddende: „Kind-vrouwtje.”

Lachend vroeg ik mijn kind-vrouwtje waarom zij wenschte zoo genoemd te worden en sloeg tevens mijn arm om haar heen, zoodat hare blauwe oogen nog dichter bij de mijne kwamen, waarop zij antwoordde:

„Ik bedoel niet, domme jongen, dat gij dezen naam gebruiken zoudt in plaats van Dora; ik bedoel alleen dat gij aan mij denken moet als aan uw kind-vrouwtje. Als gij van plan zijt boos op mij te worden, zeg dan: „zij is ook maar een kind-vrouwtje.” Als ik u nu en dan eens teleurstel, zeg dan: „ik wist lang te voren reeds, dat zij maar een kind-vrouwtje zou zijn.” Indien ik niet ben wat ik zoo gaarne zijn zou en zeker nimmer worden zal, denk dan maar: „mijn kind-vrouwtje heeft mij zoo innig lief.” Want, dat doe ik, wees daarvan overtuigd.”

Ik had hetgeen zij zeide tot nog toe niet ernstig opgenomen, tot ik nu bemerkte dat zij wel ernstig was. Haar voor liefde zoo ontvankelijk hartje begon echter sneller te kloppen, nu ik haar zeide hoe lief ik haar had, zoodat er weder een glimlach om haar mond verscheen en hare schitterende oogjes weder droog werden. Een oogenblik later was zij weder mijn kind-vrouwtje en zat zij op den grond naast Jip's pagode, waarvan zij alle belletjes liet rinkelen tot straf voor zijne onbetamelijk gedrag; terwijl Jip in den ingang lag te knipoogen, te lui zelfs om zich te laten plagen.

Dora's woorden hadden toch een diepen indruk op mij gemaakt. Werp ik een blik op den tijd, waarover ik schrijf, roep ik het onschuldige wezentje uit de nevelen van het verleden op, neem ik haar lieve kopje weder tusschen beide handen; dan kan ik met een gerust geweten verklaren, dat hare woorden voortdurend in mijn geheugen bleven. Het is mogelijk dat ik ze niet altijd op de beste wijze heb toegepast, omdat ik nog jong en onervaren was; maar nooit ben ik doof geweest voor haar roerend pleidooi.

Eenige tijd later vertelde Dora mij, dat zij nu goed op weg was om eene volmaakte huishoudster te worden. Zij maakte dan ook een nieuwe punt aan haar potlood, kocht een reusachtig huishoudboek, herstelde zoo zorgvuldig mogelijk met naald en draad al de bladeren van het kookboek, die Jip had gescheurd, en deed wanhopige pogingen om „braaf te zijn,” zooals zij het noemde. De cijfers waren echter nog even koppig als vroeger—ze wilden zich niet laten optellen. Wanneer zij met veel moeite een twee- of drietal posten had geboekt, liep Jip over de bladzijde en veegde alles met zijn staart uit. De middenvinger van haar rechter handje was geheel doortrokken van den inkt en naar ik vermoed was dit het eenige zichtbare resultaat.

Wanneer ik nu en dan des avonds thuis zat te schrijven—ik begon toen langzamerhand reeds eenigszins bekend te worden als schrijver—gebeurde het meermalen dat ik mijne pen neerlegde en mijn kind-vrouwtje gadesloeg, als zij haar best deed om braaf te zijn. Dan begon zij met het groote huishoudboek voor den dag te halen en met een diepen zucht voor zich op de tafel te leggen. Daarna opende zij het, waar Jip het den laatsten avond onleesbaar gemaakt had, en riep Jip om naar zijn eigen wanbedrijven te kijken. Natuurlijk was dit eene aanleiding om wat met Jip te stoeien; somtijds ontving hij tot straf een weinig inkt op zijn neus. Daarna moest Jip onbeweeglijk op de tafel liggen, „als een leeuw”—dit was een van zijne kunststukken, hoewel ik niet kan zeggen dat de overeenkomst treffend was—en was hij dan in zijn humeur, dan gehoorzaamde hij aan het bevel. Dan nam zij eene pen op en begon te schrijven, maar nu zat er een haar in de pen. Dan nam zij eene andere pen en begon te schrijven en nu spatte de pen. Dan nam zij een derde en begon te schrijven en zei heel zachtjes: „O, wat krast die pen, dat zal Doady storen!” En dan gaf zij het op—het ging niet—en legde het huishoudboek weg, nadat zij er den leeuw onder had doodgedrukt, zooals zij beweerde.

Ook zat zij nu en dan, als zij heel ernstig gestemd was, met een klein mandje met rekeningen en andere gewichtige documenten voor zich, die er uitzagen als papillotten-papier, en beproefde daaruit eenige wijsheid te putten. Na de een met de andere vergeleken te hebben begon zij aanteekeningen te maken op haar leitje, veegde ze weer uit, telde op al hare vingers na, van voren naar achteren en weer terug en keek dan zoo treurig, zoo ongelukkig, dat ik wanhopend werd, want de wolk, die over haar gezichtje lag verspreid, had ik daarop gebracht! En dan sloop ik zachtjes achter haar en vroeg:

„Wat is het, Dora?”

En dan keek zij o, zoo wanhopend naar mij op en antwoordde: „Het wil niet uitkomen. Mijn hoofd begint zoo te kloppen van die akelige cijfers en ze doen nooit wat ik wil!”

„Laten wij 't dan zamen eens probeeren,” zei ik dan. „Laat ik het u eens leeren, Dora.”

En dan begon ik haar practisch onderwijs te geven en Dora luisterde ongeveer vijf minuten met de diepste aandacht; maar dan werd zij moe en verveelde het haar; dan begon zij krulletjes te maken in mijn haar en sloeg zij mijn boorden neer om te zien, hoe mij die stonden. Ging ik dit dartele spel dan zwijgend tegen en wilde ik doorzetten, dan keek zij, naarmate zij meer en meer in de war raakte, zoo angstig, zoo wanhopend, dat de herinnering aan hare natuurlijke vroolijkheid, toen ik voor de eerste maal haar levensweg kruiste, en de gedachte, dat zij mijn kind-vrouwtje was, verwijtend voor mij oprezen; dan legde ik het potlood neer en haalde de guitaar.

Ik had veel werk en veel zorgen, maar dezelfde overweging deed ze mij voor mij zelven alleen houden. Ik ben er volstrekt niet zeker van, dat ik daaraan goed heb gedaan, maar ik deed het ter wille van mijn kind-vrouwtje. Ik vertrouw al de geheimen van mijn hart aan dit papier toe en onderwerp het aan een streng onderzoek. Het gevoel, dat ik iets verloren had, dat mij iets ontbrak, kwam, dat weet ik, meermalen in mijn hart op, maar het verbitterde mijn leven niet. Wanneer ik bij mooi weder alleen wandelde en aan de zonnige dagen mijner jeugd dacht, toen de lucht vervuld was met jongens-idealen, dan miste ik iets in de verwezenlijking mijner droomen; doch stelde mij tevreden met de gedachte, dat de zachte glans van het Verleden onmogelijk op het Heden kon rusten.

Nu en dan kwam de wensch in mij op, dat mijne vrouw mijne raadgeefster mocht zijn, dat zij wat meer wilskracht, wat standvastiger karakter mocht hebben en mij zou kunnen steunen en verbeteren; dat er kracht van haar mocht uitgaan om het ledig, dat ergens voor mij scheen te bestaan, aan te vullen; maar ik voelde tevens, dat dan mijn geluk volmaakt zou zijn en aan welk sterveling is volmaakt geluk beschoren!

Hoewel getrouwd, was ik toch nog zeer jong. Ik had nog geen kennis gemaakt met den verzachtenden invloed van ander verdriet en andere ondervindingen, dan in de vorige bladzijden zijn vermeld. Heb ik verkeerdheden begaan—en dat zal ik zonder twijfel—dan beging ik ze uit misplaatste liefde en uit gebrek aan verstandige leiding in mijne jongelingsjaren. Ik schrijf niets dan de waarheid. Het zou mij immers niet meer baten haar te bemantelen!

Ik droeg dus de zorgen van ons leven alleen; zoowel daarin als bij mijn arbeid miste ik een deelgenoot. Wat de ongeregeldheid van ons huishouden betrof, daarin kwam weinig verbetering, maar ik had geleerd er mij in te schikken en tot mijn groot genoegen zag ik Dora zelden meer verdrietig. Zij was vroolijk en opgeruimd op de haar eigen kinderlijke wijze, hield zielsveel van mij en was gelukkig te midden van haar oude beuzelarijen.

Wanneer de debatten in het Parlement lang duurden en ik later dan gewoonlijk thuis kwam, zou Dora nooit blijven zitten als zij mijn stap hoorde, maar kwam zij altijd naar beneden om mij te verwelkomen. Waren mijne avonden niet ingenomen door den arbeid waarvoor ik mij met zooveel moeite had bekwaamd, dan werkte ik thuis en zat zij stil bij mij, hoe laat het ook werd, zoo stil, dat ik meer dan eens meende dat zij in slaap was gevallen. Maar gewoonlijk zag ik, wanneer ik op keek, hare blauwe oogen met die stille aandacht, waarvan ik reeds melding maakte, op mij gevestigd.

Op zekeren avond, toen ik mijn lessenaar sloot en onze blikken elkander ontmoetten, riep Dora uit: „O, wat is mijn jongentje moe!”

„O, wat is mijn vrouwtje moe!” zei ik. „Dat lijkt meer op de waarheid. Een andermaal moet gij naar bed gaan, lieveling. Het is veel te laat voor u.”

„Neen, gij moogt mij niet naar bed sturen, hoor!” pleitte zij. „Kom eens naast mij zitten? Zult gij mij nooit naar bed sturen?”

„Maar, Dora!”

Tot mijne groote verbazing begon zij hard te snikken.

„Voelt gij u niet wel, lieveling?” vroeg ik. „Zijt gij niet gelukkig?”

„Ja, heel wel, heel gelukkig,” antwoordde Dora. „Zeg alleen maar dat ik naar u mag blijven zitten kijken terwijl gij schrijft.”

„Is dat nu goed voor zulke mooie oogjes?” vroeg ik. „Somtijds tot middernacht?”

„Zijn ze wezenlijk mooi?” vroeg Dora lachend. „Ik ben blij dat ze zoo mooi zijn.”

„Klein ijdeltuitje!” antwoordde ik.

Maar het was geen ijdelheid; het was slechts onschuldige blijdschap over mijne bewondering. Ik wist dat zeer goed, nog voor zij 't mij vertelde.

„Als gij ze mooi vindt, moet gij ook zeggen dat ik mag opblijven om u te zien schrijven! Vindt gij ze werkelijk mooi?”

„Heel mooi.”

„Laat mij dan ook naar u blijven kijken.”

„Ik ben bang dat ze dan niet zoo mooi zullen blijven, Dora.”

„O, ja, zeker wel. Ik ben zoo bang dat gij mij zult vergeten, beste, als gij alleen blijft zitten schrijven en uwe gedachten met allerlei andere dingen vervuld zijn. Mag ik nu en dan heel zachtjes wat zeggen?..... Een beetje meer dan gewoonlijk?” vroeg zij, mij over mijn schouder heen aankijkende.

„Wat zijt gij toch een wonderlijk schepseltje!” zei ik.

„Mag ik de pennen vasthouden en u telkens er een aangeven!” vroeg zij. „Ik zou zoo gaarne wat te doen hebben, terwijl gij zoo ijverig bezig zijt. Toe, mag ik de pennen vasthouden?”

De herinnering aan hare blijdschap, toen ik de toestemming gaf, brengt mij nu nog tranen in de oogen. In het vervolg zat zij altijd op hetzelfde plekje naast mij, met een bos pennen in de hand. Haar gevoel van gewicht, nu zij aan mijn arbeid verbonden was, hare blijdschap, wanneer ik een nieuwe pen vroeg—menigmaal veinsde ik er een noodig te hebben—openden mij een nieuwen weg om mijn kind-vrouwtje genoegen te verschaffen. Op zekeren avond gaf ik voor, dat eenige pagina's van mijn manuscript noodzakelijk moesten worden overgeschreven. Nu was Dora's geluk volmaakt! De toebereidselen, die zij tot dit reuzenwerk maakte; de schort, die zij voordeed; de doekjes die zij uit de keuken haalde, voor het geval dat zij eens met inkt mocht morsen; de tijd, dien zij noodig had; de ontelbare malen dat zij ophield om met Jip te spelen en te lachen, alsof hij er alles van begreep; de overtuiging, dat haar werk niet af was, als zij er haar naam niet onder had geplaatst; en de wijze waarop zij het mij bracht, en toen ik haar prees, mij omhelsde—dat zijn alle aandoenlijke herinneringen, hoe eenvoudig ze anderen ook mogen toeschijnen.

Korten tijd daarna nam zij alle sleutels onder hare hoede en liep rammelend door het huis met den geheelen bos in een mandje, dat om haar tenger middeltje gebonden was. Zelden vond ik de deuren, waarop ze behoorden, gesloten—ze dienden eigenlijk alleen tot speelgoed voor Jip—maar het gaf Dora genoegen, en mij dus ook. Zij was overtuigd dat met dit spelletje een groot gedeelte van hare huishoudelijke plichten was vervuld; en zoo blij alsof wij voor de grap huishoudentje speelden.

En zoo ging ons leven voort. Dora hield bijna even veel van tante als van mij, en vertelde haar herhaaldelijk van den tijd, toen zij bang was geweest, dat zij een „ondeugend, oud wijf” was. Ik zag tante nooit met iemand zoo zacht omspringen als met mijn kind-vrouwtje. Zij haalde Jip aan, hoewel Jip hare vriendschap nooit beantwoordde; zij luisterde, dag op dag, naar de guitaar, hoewel zij geen greintje verstand had van muziek; zei nooit iets tegen onze huisplagen, hoewel de verzoeking meer dan eenmaal zeer groot moet zijn geweest; legde verbazende afstanden af om allerlei prulletjes voor Dora te koopen, als zij maar even vernomen had dat Dora iets gaarne wilde hebben; en nooit kwam zij door den tuin in huis of, als zij Dora niet onmiddellijk vond, riep zij: Waar is „Klein-Bloesempje?”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XLV

Tante's voorspellingen omtrent mijnheer Dick komen uit.

Sinds eenigen tijd kwam ik nu niet meer geregeld bij doctor Strong. Wel zag ik hem dikwijls, want wij woonden in elkanders buurt, en twee of drie malen gingen wij bij hem thee drinken. De oude Overste had nu voor goed hare tenten bij haar schoonzoon opgeslagen. Zij was schijnbaar nog niets veranderd sinds ik haar den eersten keer ontmoette; dezelfde kapelletjes zweefden nog boven haar hoofd.

Zooals meer moeders, die ik in den loop van het leven ontmoet heb, was mevrouw Markleham veel meer op vermaken gesteld dan hare dochter, zij had behoefte aan uitgaan en, geslepen als zij was, veinsde zij steeds zich op te offeren voor haar kind. De wenschen van den doctor, dat Annie het leven wat genieten zou, kwamen dus op merkwaardige wijze overeen met die van hare moeder, die den doctor natuurlijk een uiterst verstandig man vond.

Geen twijfel of zij raakte meermalen, zonder het te weten, op pijnlijke wijze, de wonde aan, die doctor Strong's hart deed bloeden. Hare bedoelingen waren niet slecht; zij wist alleen met haar ledigen tijd geen raad en was wat zelfzuchtig—eene ondeugd, niet zeldzaam op haar leeftijd—; maar toch geloof ik dat zij, door hem zoo aan te moedigen om het leven harer dochter te veraangenamen, hem versterkte in de vrees, dat hij zijne jonge vrouw tot last was en er tusschen hem en haar volstrekt geen sympathie meer bestond.

„Beste Doctor,” sprak zij op zekeren dag in mijne tegenwoordigheid, „gij begrijpt wel dat het erg saai zou zijn voor Annie, om altijd opgesloten te zijn.”

Doctor Strong schudde het hoofd, alsof hij wilde te kennen geven dat hij dit wel begreep.

„Als zij op den leeftijd van hare moeder komt”, vervolgde mevrouw Markleham, met haar waaier wuivend, „wordt dat anders. Gij moogt mij in de gevangenis opsluiten en heb ik dan maar aangenaam gezelschap en mijn partijtje whist, dan zal ik volstrekt niet verlangen naar mijn ontslag. Maar ik ben Annie niet en Annie is hare moeder niet.”

„Zeker, zeker,” zei de doctor.

„Gij zijt de beste van alle menschen.... neen, pardon!”—de doctor maakte een afwijzend gebaar—„ik moet u in uw gezicht zeggen, wat ik altijd achter uw rug zeg.... gij zijt de beste van alle menschen; het is evenwel natuurlijk dat gij niet in dezelfde dingen behagen kunt scheppen als Annie, nietwaar?”

„Ja,” antwoordde de goede man op verdrietigen toon.

„Natuurlijk niet,” herhaalde de oude Overste. „Neem bijvoorbeeld uw woordenboek. Wat is zoo'n woordenboek een nuttig werk! En wat een noodzakelijk werk! De beteekenis van de woorden! Zonder doctor Johnson en soortgelijke mannen zouden wij nu waarschijnlijk een kachel bedstede noemen en omgekeerd. Maar wij kunnen niet verwachten dat een woordenboek—te meer een, dat nog in wording is—Annie belang zal inboezemen, is 't wel?”

De doctor schudde het hoofd.

„En daarom,” hernam mevrouw Markleham, hem met den gesloten waaier op den schouder kloppende, „stel ik uwe opmerkzaamheid zoo zeer op prijs. Daarmede bewijst gij, dat gij niet zooals vele bejaarde menschen, een oud hoofd op jonge schouders verwacht. Gij hebt Annie's karakter bestudeerd en begrepen. Dat is het wat mij zoo in u bevalt.”

Zelfs op het kalme, geduldige gelaat van doctor Strong verscheen, naar mij voorkwam, een pijnlijke uitdrukking bij deze opsomming van complimentjes.

„Om die reden, beste doctor,” vervolgde de oude Overste, terwijl zij hem verscheidene vriendschappelijke klapjes gaf, „moogt gij ten alle tijde en bij alle weersgesteldheden over mij beschikken. Gij hebt slechts te bevelen; ik ben altijd geheel tot uwe dienst. Ik ben bereid om Annie naar opera's, conserten, tentoonstellingen en overal, waar gij maar wilt, te vergezellen; gij zult zien dat mij nimmer iets te veel is. Plicht, beste doctor, gaat vóór alles in de wereld!”

Zij hield getrouw haar woord. Zij was een van die menschen, voor wie de vermaken nooit zijn uitgeput; hare volharding op dit punt liet niets te wenschen over. Zij kreeg de courant nooit in de hand—dagelijks bracht zij op den zachtsten stoel, die in huis te vinden was, twee uur lezende door—of zij vond iets, dat Annie bepaald zien moest. Te vergeefs beweerde Annie, dat zij al dergelijke dingen reeds lang moe was, haar protest baatte niet; want hare moeder had steeds hetzelfde antwoord gereed: „Nu, lieve Annie, dat meent gij niet; ik moet u dan zeggen, dat gij doctor Strong's goedheid op deze wijze slecht zoudt beloonen.”

Dit werd gewoonlijk in tegenwoordigheid van doctor Strong gezegd en scheen mij telkens de reden te zijn, waarom Annie's verzet zoo kort duurde. Zij gaf zich gewoonlijk geheel aan hare moeder over en volgde de oude Overste waarheen deze wilde.

Mijnheer Maldon was zelden in haar gezelschap. Somtijds werden mijne tante en Dora uitgenoodigd, somtijds Dora alleen, en meestal werden die uitnoodigingen aangenomen. Er was een tijd geweest, waarin ik dat ongaarne zou gezien hebben, maar hetgeen op dien zekeren avond in de studeerkamer was voorgevallen had mijne inzichten geheel veranderd en mijn wantrouwen op de vlucht gejaagd. Ik verkeerde in de meening, dat de doctor gelijk had en koesterde volstrekt geen achterdocht.

Tante wreef nu en dan haar neus eens, wanneer wij met ons beiden alleen waren, en zeide dat zij er geen hoogte van kon krijgen; zij wenschte wel dat zij gelukkiger mochten zijn en meende dat onze militaire vriendin—zoo noemde zij de oude Overste altijd—de zaak volstrekt niet beter maakte. Verder sprak tante als hare meening uit, dat, als onze militaire vriendin die kapelletjes eens afknipte en aan een schoorsteenveger gaf om er in Mei mede te pronken, zij zeker een bewijs zou geven van haar verstand.

Tante had het volste vertrouwen in mijnheer Dick. „Die man loopt blijkbaar met een of ander denkbeeld rond;” vertelde zij mij, „kon hij het maar eens ergens in een hoekje opschrijven dan zou hij zeker met iets buitengewoons voor den dag komen,” maar dat was nu juist de groote moeilijkheid. Onbewust van deze voorspelling bleef mijnheer Dick op denzelfden voet omgaan met den doctor en mevrouw Strong. Hij kwam niet verder met hen, doch ging ook niet achteruit. Evenals een gebouw, scheen hij op de eenmaal gevestigde grondslagen te blijven rusten en ik moet bekennen dat mijn vertrouwen op de beweegbaarheid van mijnheer Dick even gering was als op die van een gebouw.

Op zekere avond echter—ik zal ongeveer vijf of zes maanden getrouwd zijn geweest—stak mijnheer Dick zijn hoofd binnen de huiskamer, waar ik alleen zat te schrijven. Dora was met tante op de thee gevraagd bij de vogeltjes.

Met een veelbeteekenend kuchje zei hij: „Ik vrees dat ik u stoor, Copperfield.”

„Wel neen, mijnheer Dick,” antwoordde ik. „Kom binnen.”

Nadat wij elkaar de hand hadden geschud, zei hij, met den vinger langs den neus: „Voor ik ga zitten, Trotwood, moet ik u eene vraag doen. Gij kent uwe tante, nietwaar?”

„Een weinig.”

„Zij is de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld, mijnheer.”

Na deze mededeeling, die hij letterlijk had weggeschoten, alsof hij er mede geladen was geweest, ging mijnheer Dick zitten, nog deftiger dan gewoonlijk, en keek mij aan.

„Nu moet ik u eene vraag doen, mijn jongen,” begon hij.

„Doe er zooveel gij wilt,” zei ik.

„Waarvoor ziet gij mij aan, mijnheer?” vroeg hij, met de armen over de borst gekruist.

„Voor een besten, ouden vriend,” zei ik.

„Dank u, Trotwood,” antwoordde hij lachend en reikte mij met een gezicht, dat van blijdschap straalde, over de tafel heen de hand. „Ik bedoel echter,” vervolgde hij op plechtigen toon, „ten opzichte van dit?” Hij wees op zijn voorhoofd.

Ik wist zoo gauw niet wat te antwoorden, maar hij hielp mij op weg.

„Zwak?” vroeg hij.

„Nu ja,” antwoordde ik op twijfelachtigen toon. „Een weinig zwak.”

„Juist!” riep hij, blijkbaar verrukt over mijn antwoord. „Dat is het, Trotwood. Toen zij iets van het gemaal uit het hoofd van—gij weet wel wien—in—gij weet wel waarin—stopten, was er....” Mijnheer Dick draaide zijne handen eenige malen snel om elkander rond en toen weer den andere kant uit, om het woord „verwarring” aan te duiden. „Toen is er iets met mij gebeurd. Ik weet zelf niet wat. Hé?”

Ik knikte hem toe en hij knikte terug.

„Kortom, mijn jongen,” zei hij, tot den fluistertoon overgaande, „ik ben wat in de war.”

Ik wilde deze uitdrukking wat verzachten, maar hij voorkwam mij.

„Ja, dat ben ik. Zij beweert dat het niet zoo is; zij wil er niets van hooren, maar ik ben het. Ik weet dat ik het ben. Als zij niet voor mij in de bres was gesprongen, mijnheer, was ik opgesloten geworden en had gedurende al die jaren een ellendig leven gehad. Maar ik zal ook voor haar zorgen, mijnheer! Ik verteer het geld, dat ik met copiëeren verdien, nooit. Ik bewaar het in een doosje. Ik heb een testament gemaakt en laat haar alles na. Zij zal rijk worden en.... van adel!”

Mijnheer Dick haalde zijn zakdoek voor den dag en veegde zijne oogen af; daarna vouwde hij den zakdoek zorgvuldig op, drukte dien tusschen beide handen plat en stak hem in den zak met een gezicht, alsof hij mijne tante er bij in den zak stak.

„Nu hebt gij veel geleerd, Trotwood,” hernam mijnheer Dick. „Gij hebt heel veel geleerd. Gij kent den doctor en weet hoe knap hij is, hoe verbazend knap! Gij weet ook hoeveel eer hij mij altijd bewezen heeft. En niets trotsch op zijn geleerdheid! Nederig, altijd nederig—zelfs vriendelijk voor den armen Dick, die in de war is en niets weet. Ik heb zijn naam op een stukje papier naar den vlieger opgezonden, toen die hoog, heel hoog stond tusschen de leeuwerikken. De vlieger was blij toen dat papiertje aankwam en de lucht werd hoe langer hoe helderder.”

Ik zei dat de doctor onze achting en vriendschap in alle opzichten verdiende, en deze woorden schenen mijnheer Dick genoegen te doen.

„En zijn mooie vrouwtje is een ster,” vervolgde hij. „Een schitterende ster; ik heb haar zien schijnen, mijnheer. Maar”—hij bracht zijn stoel wat dichter bij den mijne en legde de hand op mijne knie—„wolken, mijnheer,—wolken.”

Ik beantwoordde de bezorgdheid, die op zijn gezicht te lezen was, door eveneens bezorgd te kijken en het hoofd te schudden.

„Waarom wolken?” vroeg mijnheer Dick. Hij keek mij zoo angstig aan en scheen zoo verlangend om het goed te begrijpen, dat ik mijn best deed om langzaam en duidelijk te spreken, zooals ik aan een kind iets zou hebben uitgelegd.

„Er schijnt een ongelukkig misverstand tusschen hen te bestaan,” antwoordde ik. „De eene of andere reden tot verwijdering, een geheim. Mogelijk is het verschil in jaren de oorzaak. Misschien is de eene of andere kleinigheid er de oorzaak van.”

Mijnheer Dick had naar alles, wat ik gezegd had, met de grootste aandacht geluisterd en bleef nu zwijgend zitten, terwijl hij mij voortdurend aankeek en de hand op mijne knie bleef houden.

„De doctor is toch niet boos op haar, nietwaar Trotwood?” zei hij na eenigen tijd.

„Neen. Hij heeft haar innig lief.”

„Dan heb ik het gevonden, jongen,” zei mijnheer Dick.

De uitbundige blijdschap, waarmede hij mij een slag op mijne knie gaf, en waarna hij met hoog opgetrokken wenkbrauwen achterover in zijn stoel geleund bleef zitten, deed mij vermoeden, dat hij op dit oogenblik minder dan ooit bij zijn verstand was. Plotseling werd hij weer ernstig, ging weer voorover zitten en haalde met zulk een eerbiedig gebaar zijn zakdoek uit den zak, alsof deze werkelijk mijne tante representeerde. „Waarom heeft zij niets gedaan om die zaak in het reine te brengen? Ik bedoel de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld, Trotwood?”

„Die zaak is te kiesch en te moeielijk om zich daarin te mengen”, antwoordde ik.

„En gij, die zooveel geleerd hebt, waarom hebt gij niets gedaan?” vroeg hij weder, terwijl hij mij even met den vinger aanraakte.

„Om dezelfde reden,” antwoordde ik.

„Dan heb ik het gevonden jongen!” zei hij nogmaals. Met een gezicht, dat nog meer blijdschap verried dan zoo even, ging hij voor mij staan, schudde herhaaldelijk het hoofd en sloeg zich zoo hard op de borst, dat ik vreesde hem eene bloedspuwing te zullen zien krijgen.

„Een arme drommel met zwakke hersens, een gek staat hier voor u, mijnheer!” vervolgde hij, zich telkens weder op de borst slaande, „maar die gek zal doen wat de bewonderenswaardigste menschen niet kunnen. Ik zal hen bij elkaar brengen jongen, ik zal het tenminste beproeven. Zij zullen mij niet van onkieschheid beschuldigen. Zij zullen mij dat niet kwalijk nemen. Zij zullen niet boos worden, als ik iets doe, dat niet is zooals 't behoort. Ik ben maar mijnheer Dick. En wie kan nu boos worden op mijnheer Dick? Dick is niemand! Fits!” Hij maakte met zijn lippen een geluid alsof hij iets wegblies.

Zoo ver was hij met zijn geheim gekomen toen wij, ongelukkig genoeg het rijtuig hoorden stilhouden, dat Dora en tante tehuis bracht.

„Geen woord erover spreken, jongen!” fluisterde hij mij nog even in, „laat al de schuld maar op het hoofd van Dick neerkomen—van den gekken Dick. Ik heb al een tijd lang gemeend, dat ik het geheim gevonden had, maar nu heb ik het. Na hetgeen gij mij verteld hebt, ben ik er zeker van. Alles komt in orde!”

Mijnheer Dick liet het onderwerp verder rusten, maar zat in het volgende halve uur voortdurend met zijn hoofd en zijne oogen naar mij te telegrapheeren, ten einde mij een onvoorwaardelijk stilzwijgen op te leggen. Tante wist niet wat zij van hem denken moest.

Tot mijne groote verbazing vernam ik in de eerste twee of drie weken geen woord meer over de zaak, waarin ik toch zeer veel belangstelde; de slotsom toch, waartoe hij gekomen was, verried de aanwezigheid van eene goede hoeveelheid gezond verstand—ik zeg niet „van goedhartigheid”, want daarvan gaf hij voortdurend de ondubbelzinnigste blijken. Eindelijk begon ik te gelooven, dat zijne hersenen te zwak waren, om zich bij zulk een gewichtig onderwerp te bepalen, en hij het dus vergeten had.

Op zekeren mooien avond wandelden tante en ik—Dora bleef liever thuis—naar de woning van den doctor. Het was herfst, zoodat mij door geen avonddebatten het genot van de vrije lucht werd ontzegd; ik herinner mij nog dat de afgevallen bladeren, die wij onder onze voeten vertraden, denzelfden geur verspreidden als te Blunderstone en hoe zich ook hetzelfde ongelukkige gevoel van mij meester maakte, als ik daar altijd gehad had. De schemering was reeds ingevallen toen wij aan de woning van den doctor kwamen. Mevrouw Strong verliet juist den tuin en mijnheer Dick, die den tuinman had geholpen met het aanpunten van de staken voor een der omheiningen, bleef heen- en weerloopen.

Doctor Strong had iemand bij zich in de studeerkamer; doch mevrouw deelde ons mede, dat de bezoeker spoedig zou heengaan en verzocht ons op den doctor te wachten. Wij gingen dus met haar naar het salon en namen bij het venster plaats. Hoewel het reeds vrij duister was, werd nog geen lamp opgestoken; voor zulke oude vrienden werd nooit veel omslag gemaakt.

Wij hadden daar nog niet lang gezeten, toen mevrouw Markleham met hare gewone drukte en beweging binnenkwam: zij had eene courant in de hand en scheen geheel ontsteld, want op bijna driftigen toon zeide zij: „Maar Annie, hoe is 't mogelijk? Waarom hebt gij mij niet verteld, dat er iemand in de studeerkamer was!”

„Maar, lieve mama,” antwoordde zij doodkalm, „hoe kon ik weten dat gij daarin belang zoudt stellen!”

„Belang zoudt stellen!” riep mevrouw Markleham, terwijl zij op een sofa neerviel. „Zelden ben ik zoo ontroerd geweest!”

„Zijt gij dan in de studeerkamer geweest, mama?” vroeg Annie.

„Of ik in de studeerkamer ben geweest, lieve?” antwoordde zij opgewonden. „Ja, zeker ben ik daar geweest! Ik betrapte daar den uitmuntendsten aller mannen—gij kunt mijne aandoening voorstellen, juffrouw Trotwood en David—op het maken van zijn testament.”

Annie keek plotseling op.

„Waarlijk, lieve Annie,” herhaalde mevrouw Markleham, terwijl zij de courant als een tafellaken over haar schoot uitspreidde en hare handen daarboven vouwde, „ik betrapte hem op het maken van zijn testament. Wat is die goede man toch op alles bedacht en wat heeft hij een goed hart! Om hem tevens de eer te geven, die hem toekomt, moet ik u vertellen hoe het kwam dat ik daarvan getuige was. Misschien weet gij, juffrouw Trotwood, dat hier nooit een kaars wordt opgestoken voordat iemand's oogen uit de kassen beginnen te puilen van inspanning bij het lezen van de courant; dat er in het geheele huis geen stoel is waarin men een courant eigenlijk op zijn gemak kan lezen—behalve in de studeerkamer; om die reden ging ik de studeerkamer binnen toen ik daar licht zag. En wat zag ik daar? Twee heeren, blijkbaar rechtsgeleerden, stonden met den doctor bij de tafel. De doctor had eene pen in de hand. ‚Deze weinige woorden,’ zei de doctor—lieve Annie, luister goed naar hetgeen ik vertel—‚deze weinige woorden zijn dus voldoende, mijne heeren, om te bewijzen hoeveel vertrouwen ik steeds in mijne vrouw heb gesteld en om haar alles te vermaken? Onvoorwaardelijk?’ Een der heeren antwoordde: ‚Haar alles onvoorwaardelijk te vermaken.’ Gij begrijpt hoe mijn moederlijk gevoel mij dwong uit te roepen: ‚Goede Hemel, ik vraag duizendmaal verschooning!’ Ik maakte eene buiteling over den drempel en kwam door het donkere gangetje langs de provisiekamer hierheen.”

Mevrouw Strong opende de tuindeur en ging naar de veranda, waar zij tegen een der pilaren geleund bleef staan.

„Maar is het nu niet, juffrouw Trotwood, is het nu niet, David, is het nu niet hartroerend”, ging mevrouw Markleham voort, hare dochter werktuigelijk met de oogen volgend, „dat een man van doctor Strong's leeftijd zooveel geestkracht bezit om zoo iets te doen? Is het geen bewijs dat hetgeen hij gedaan heeft rechtvaardig is? Toen mijnheer Strong mij dat bezoek bracht, waarmede ik zoo vereerd was en waarbij hij mij de hand van Annie vroeg, zei ik tegen haar: „Kindlief, ik twijfel er geen oogenblik aan of doctor Strong zal, wat betreft uwe toekomst, nog meer doen dan waartoe hij zich verbindt.””

Op dit oogenblik hoorden wij de bezoekers heengaan. De oude Overste luisterde en zei: „Geen twijfel of die uitmuntende man heeft zijne handteekening reeds gezet, het stuk verzegeld en zijn gemoed gerustgesteld. Welaan, het zij zoo! Het mag gerust zijn! Annie, lieve, ik ga met mijn courant naar de studeerkamer, want zonder nieuws ben ik maar een half mensch. Juffrouw Trotwood, David, komt, laat ons den doctor gaan opzoeken.”

Toen wij haar vergezelden, zag ik mijnheer Dick in de schaduw van de veranda staan en merkte ik op, dat tante buitengewoon hard haar neus wreef—een onschuldig middel om aan hare ergenis over onze militaire vriendin lucht te geven—; maar wie het eerst binnentrad en hoe mevrouw Markleham zoo spoedig den gemakkelijksten stoel had ingenomen; waarom tante en ik zoo opeens aan de deur bleven staan—vermoedelijk zag zij scherper dan ik en hield zij mij terug—dat weet ik niet. Heb ik het ooit geweten, dan heb ik het vergeten. Ik weet alleen dat, eer doctor Strong ons nog had gezien, wij hem reeds tusschen zijne folianten zagen zitten met de hand onder het hoofd; dat wij op hetzelfde oogenblik mevrouw Strong zagen binnenkomen, bleek en bevend, ondersteund door mijnheer Dick. Ik weet alleen dat, toen doctor Strong het hoofd even oplichtte, omdat mijnheer Dick de hand op zijn arm legde, zijne vrouw aan zijne voeten neerknielde en hem aankeek met een blik, dien ik nooit vergeten zal; en dat mevrouw Markleham haar courant op den schoot liet vallen en hare dochter aanstaarde, als de kop op den achtersteven van het schip „de Verbazing”.

De vriendelijkheid, de welwillendheid en de verbazing van den doctor, de ernst in de smeekende houding van mevrouw Strong, de hartelijke bezorgdheid van mijnheer Dick en de zegevierende blik, waarmede tante zei: „Die man gek!”—zegevierend, want zij had hem een leven vol ellende bespaard—dat zie en hoor ik nog; ik kan niet zeggen dat ik het mij herinner, al beschrijf ik het.

„Doctor,” zei mijnheer Dick, „wat scheelt er toch aan? Zie eens hier!”

„Annie!” riep mijnheer Strong, „niet aan mijn voeten lieveling!”

„Ja,” sprak zij. „Ik verzoek dringend, dat niemand de kamer verlate. O, mijn dierbare echtgenoot en vader, verbreek toch dit langdurig stilzwijgen. Laten wij beiden weten, wat er tusschen ons gekomen is!”

Mevrouw Markleham scheen op eenmaal het spraakvermogen teruggekregen te hebben; zij was bleek van moederlijke verontwaardiging en haar familietrots deed haar uitroepen: „Annie, sta onmiddellijk op! Breng geen schande over uwe familie door u zoo te vernederen, tenzij gij verlangt, dat ik onmiddellijk deze woning verlaat!”

„Mama!” antwoordde Annie. „Verspil geen woorden; ik spreek tegen mijn echtgenoot; gij heb hier niets in te brengen!”

„Niets!” riep mevrouw Markleham. „Ik! niets? Het kind heeft haar verstand verloren. Wie wil zoo goed zijn een glas water te halen!”

Ik was te zeer vervuld met den doctor en zijn jonge vrouw, om aan dit verzoek eenige aandacht te schenken; trouwens, niemand schonk er aandacht aan; zoodat mevrouw Markleham maar bleef zitten hijgen en waaien.

„Annie!” zei de doctor, terwijl hij hare handen teeder in de zijne nam. „Lieveling, indien er eenige verandering is gekomen in ons huwelijksleven, nadat wij zoo lang gelukkig zijn geweest, draagt gij daarvan geenszins de schuld. Ik alleen ben de schuldige, ik alleen. Mijne liefde, mijne achting, mijne bewondering voor u zijn niet veranderd. Ik verlang niets liever dan u gelukkig te maken. Ik heb u innig lief en vereer u hoog. Sta op, Annie, wat ik u bidden mag!”

Maar zij stond niet op. Na hem eenige oogenblikken te hebben aangestaard, vlijde zij zich dichter tegen hem aan, legde hare armen op zijne knieën, liet haar hoofd daarop zinken en zei:

„Indien ik hier een vriend heb, die voor mij of voor mijn echtgenoot kan spreken; indien ik hier een vriend heb, die een vermoeden, dat mijn hart mij nu en dan heeft ingefluisterd, in woorden kan uitdrukken; indien ik hier een vriend heb, die mijn echtgenoot acht en mij een weinig liefheeft, een vriend, die iets kan bijbrengen, wat het ook zij, om de verwijdering tusschen mijn echtgenoot en mij te doen ophouden, dat hij dan spreke.... ik smeek het hem!”

Doodelijke stilte, die na eenige pijnlijke seconden door mij verbroken werd.

„Mevrouw Strong,” zei ik, „ik weet iets, dat ik eigenlijk zwijgen moet; ik heb dat plechtig aan den doctor beloofd en tot op dit oogenblik heb ik het ook gezwegen. Thans echter meen ik, dat mijn stilzwijgen misplaatst zou zijn; uw beroep ontslaat mij van mijne belofte.”

Zij wendde het hoofd even naar mij toe en nu wist ik, dat hetgeen ik deed goed was. Haar smeekenden blik zou ik niet hebben kunnen weerstaan, ook al had ik daarin niet gelezen dat ik spreken moest.

„Onze toekomst,” sprak zij, „ligt misschien in uwe handen. Ik vertrouw, dat gij niets zult achterhouden. Ik weet bij voorbaat dat al hetgeen gij zeggen kunt, dat al hetgeen iemand zeggen kan, het edele hart van mijn echtgenoot niet kan treffen. Mochten uwe woorden mij treffen, laat u dat niet weerhouden. Ik zal voor mij zelve spreken, eerst tot hem, en later tot God.”

Zoo ernstig gedwongen, verzocht ik den doctor zelfs geen toestemming, maar vertelde, zonder van de waarheid af te wijken—slechts verzachtte ik Uriah Heep's woorden een weinig—alles wat op dien avond in dezelfde kamer was voorgevallen. De starende blik, waarmede mevrouw Markleham het geheele verhaal aanhoorde, de heftige, scherpe uitroepen, waarmede zij het telkens afbrak, zijn met geen pen te beschrijven.

Toen ik geëindigd had, bleef Annie eenigen tijd zwijgend in de door mij beschreven houding zitten. Daarna nam zij de hand van den doctor, die nog juist zoo zat als toen wij binnenkwamen, drukte die eerst aan hare borst en daarna aan hare lippen. Mijnheer Dick noopte haar zachtkens om op te staan, en terwijl zij nu begon te spreken, leunde zij op hem en wendde geen oogenblik de oogen van haar echtgenoot af.

„Alles wat sinds wij getrouwd zijn in mijn hart is omgegaan,” sprak zij met haar lieve, zachte stem en op onderdanigen toon, „zal ik voor u bloot leggen. Na hetgeen ik gehoord heb, zou ik niet kunnen leven, als ik iets verzweeg.”

„Maar, Annie,” zei de doctor vriendelijk, „ik heb nooit een oogenblik aan u getwijfeld. Het is niet noodig; waarlijk het is niet noodig, lieveling.”

„Het is hoog noodig,” antwoordde zij op denzelfden toon, „het is zeer noodig dat ik mijn hart blootleg tegenover al uwe edelmoedigheid en trouw, tegenover u, dien ik, dat weet de Hemel, van jaar tot jaar, van dag tot dag, meer heb leeren waardeeren en liefhebben!”

„Waarlijk,” viel mevrouw Markleham haar in de rede, „als ik nog het recht heb om iets te doen opmerken....”

„Maar dat hebt gij niet, gij bemoeial,” fluisterde tante op verontwaardigden toon.

„.... dan veroorloof ik mij te zeggen dat het niet gewenscht kan zijn tot in zulke bijzonderheden af te dalen.”

„Alleen mijn echtgenoot kan daarover oordeelen, mama,” zei Annie zonder hare oogen van hem af te slaan, „en hij wil mij aanhooren. Mocht ik iets zeggen dat u onaangenaam is, vergeef het mij dan. Ik heb zelve reeds zooveel en zoo lang onaangenaamheden moeten verduren.”

„Ik begrijp er niets van!” zuchtte mevrouw Markleham.

„Toen ik nog heel jong was,” begon Annie, „nog een klein kind, was het eerste wat ik leerde, onafscheidelijk verbonden met een geduldigen vriend en leermeester—den vriend van mijn vader—van wien ik altijd heel veel heb gehouden. Ik herinner mij niets uit mijne jeugd of hij is er aan verbonden. De eerste schatten, die mijn geest verzamelde, heeft hij daarin gelegd, en tegelijkertijd vormde hij mijn karakter naar het zijne. Nooit zou ik geworden zijn die ik ben, als men mij aan andere handen had overgelaten....”

„En is hare moeder dan niets voor haar geweest?” riep mevrouw Markleham uit.

„Meen dat niet, mama,” zei Annie. „Ik geef hem slechts de eer, die hem toekomt. Ik moet dat doen. Toen ik grooter werd bleef hij dezelfde plaats behouden. Ik was trotsch op zijne belangstelling voor mij, met dankbaarheid voor hem vervuld, innig aan hem gehecht. Ik zag tot hem op, ja, ik kan eigenlijk niet zeggen, hoe—als tot een vader, tot een leidsman, als tot iemand, wiens lof mij meer waard was dan die van wien ook, tot wien ik mij wenden kon, wien ik alles kon toevertrouwen, indien er ooit twijfel bij mij oprees. Gij weet, mama, hoe jong en onervaren ik nog was, toen gij mij zoo onverwacht meedeeldet, dat hij aanzoek gedaan had om mijne hand.”

„Ik heb dat aan iedereen hier meer dan vijftig malen verteld!” zei de oude Overste.

„Houd dan je mond, in 's Hemels naam, en vertel het niet meer,” mompelde tante.

„Het was zulk eene groote verandering voor mij,” vervolgde Annie steeds op denzelfden toon, „het scheen mij in het eerst een verlies toe; ik was teleurgesteld en verdrietig. Ja, verdrietig, want ik was nog zoo jong en kon mij nog niet vereenigen met het denkbeeld dat ik hem nu voortaan met een geheel ander oog moest beschouwen. Niets was in staat om hem weder te doen worden wat hij voor mij placht te zijn; ik was trotsch op de eer, door hem waardig gekeurd te worden om zijne vrouw te worden en.... wij trouwden.”

„In de St. Alphaguskerk te Canterbury,” voegde mevrouw Markleham er bij.

„De duivel hale 't mensch!” zei tante, „zij kan haar mond niet houden.”

„Ik heb nooit aan voordeel gedacht,” ging Annie met eene verhoogde kleur voort, „nooit er aan gedacht dat mijn echtgenoot rijk was. Mijn jonge hart was zoo vervuld met achting voor mijn aanstaanden echtgenoot, dat voor dergelijke gedachten geen plaats meer was. Vergeef het mij, mama, als ik zeg, dat gij het waart, die voor het eerst de gedachte in mij wakker riept dat de menschen hem en mij onrecht zouden kunnen aandoen door zulk eene verdenking te koesteren.”

„Ik!” riep mevrouw Markleham.

„Ja, zeker, gij!” zei tante, „en dat kunt gij niet wegwaaien, mijne militaire vriendin.”

„Dat was de eerste schaduw op mijn nieuwe leven,” vervolgde Annie. „Dat was de eerste aanleiding tot elke schaduw, die mijn leven verduisterd heeft. En in den laatsten tijd zijn er meer schaduwen geweest dan ik heb kunnen tellen; maar, beste vriend, niet naar aanleiding van hetgeen gij onderstelt, want nooit is er in mijn hart eene gedachte opgekomen, die mij van u zou kunnen vervreemden.”

Zij sloeg de oogen op, vouwde de handen en keek hem aan met een blik, zoo trouw en rein als die eens engels. Van dit oogenblik af keek de doctor haar even strak aan als zij hem.

„Men kan mama niet verwijten,” ging zij voort, „ooit iets voor zich zelve gevraagd te hebben; ja, ik ben overtuigd dat hare bedoelingen altijd zuiver zijn geweest; maar toen ik zag hoeveel lastige aanspraken—alsof iemand eenige aanspraken had!—men uit mijn naam liet gelden; hoe men voordeel trachtte te trekken van u, hoe edelmoedig gij waart, hoe boos mijnheer Wickfield, die niets dan uw welzijn op het oog had, mij telkens aankeek, toen werd langzamerhand het gevoel in mij wakker, alsof men de lage verdenking koesterde dat ik mij aan u had verkocht,—een onverdiende, schandelijke verdenking, die gij met mij moest deelen. Ik kan u niet zeggen—en mama kan het zich niet voorstellen—hoe vreeselijk het was altijd met dat angstige gevoel rond te loopen, terwijl ik toch meende een gelukkig en eervol huwelijk te hebben gesloten.”

„Dat is nu de dank, die men oogst, als men voor zijne familieleden zorgt,” zei mevrouw Markleham met tranen in de oogen. „Ik wilde dat ik een Turk was!”

„Ik ook van ganscher harte.... en dat gij in uw land gebleven waart,” zei tante zachtjes.

„Toen kwam de tijd, waarin mama in de bres sprong voor Jack Maldon. Ik had veel van hem gehouden,” sprak zij heel zacht, „zeer veel zelfs. In onze kinderjaren waren wij menigmaal bruid en bruidegom, man en vrouw. Hadden de omstandigheden het niet anders gewild, dan zou ik wellicht hebben kunnen gelooven dat ik hem werkelijk liefhad; misschien zou ik ook met hem getrouwd en diep ongelukkig geworden zijn. Wij zouden volstrekt niet bij elkander gepast hebben. Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer man en vrouw niet zijn één van ziel en één van zin.”

Niettegenstaande ik met de grootste aandacht hare verdere woorden volgde, bleef ik toch over dezen laatsten volzin peinzen, alsof ik daarbij bijzonder belang had, alsof er eene toespeling in lag, die ik niet raden kan. „Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer man en vrouw niet zijn één van ziel en één van zin.... één van ziel en één van zin....”

„En Maldon en ik,” vervolgde Annie, „zijn in geen enkel opzicht één. In geen enkel opzicht. Indien ik mijn echtgenoot voor niets anders te danken had, zou ik hem toch innig dankbaar zijn, omdat hij mij bewaard heeft voor den dwaasten stap, dien ik in mijn onervarenheid had kunnen doen.”

Zij stond nu vlak tegenover den doctor en sprak met een ernst, die mij aangreep. Toch bleef hare stem even zacht en kalm als te voren.

„Terwijl hij door uwe goedheid en mildheid werd voortgeholpen, ter wille van mij, en ik mij ongelukkig gevoelde wijl ik den schijn van zelfzucht op mij laadde, had hij beter gedaan zich zelven door hard te werken een weg door het leven te banen. Ware ik in zijne plaats geweest, dan zou ik het beproefd hebben, al ware het mij nog zwaar gevallen. Toch dacht ik niet slecht van hem tot den avond vóór zijn vertrek naar Indië. Dien avond zag ik in hoe valsch en ondankbaar hij was. De wijze, waarop mijnheer Wickfield mij toen gadesloeg, kreeg eene dubbele beteekenis voor mij. Voor de eerste maal kwam er een duister vermoeden in mij op van de verdenking, die op mij rustte.”

„Verdenking, Annie?” riep de doctor. „Neen, neen, neen!”

„In uw hart kwam die niet op, dat weet ik, beste man!” antwoordde zij. „En toen ik dien avond bij u kwam, om den last, die mij drukte aan uwe voeten neer te leggen, om u te zeggen dat een mijner verwanten, voor wien gij een weldoener waart, onder uw eigen dak woorden tot mij gesproken had, die hij nooit had mogen uiten, zelfs al ware ik het zwakke, verachtelijke, zelfzuchtige schepsel geweest, waarvoor hij mij scheen te houden, deinsde ik terug voor het uitspreken van zulke schandelijke woorden. Ze bestierven mij op de lippen en tot heden heb ik ze in mijn binnenste bewaard.”

Mevrouw Markleham loosde een zucht en liet zich achterover in haar gemakkelijken stoel vallen, terwijl zij haar waaier voor zich hield, alsof zij er nooit meer achter uit wilde komen.

„Van dat oogenblik af heb ik nooit meer een woord met hem gesproken dan in uwe tegenwoordigheid; en uwe goedheid om in het geheim u zijn lot aan te trekken en mij den uitslag van uwe bemoeiingen als eene verrassing mede te deelen, kon, dit zult gij thans begrijpen, mijn verdriet slechts vermeerderen, den last, waaronder ik gebukt ging, slechts verzwaren.”

Nogmaals zonk zij voor haar echtgenoot neer, hoewel hij alles deed om het te beletten; en terwijl zij met tranen in de oogen tot hem opzag, sprak zij:

„Antwoord nu nog niet. Laat mij voortgaan. Ik weet niet of ik goed of slecht gehandeld heb, maar ik zou niet anders handelen, indien ik nogmaals dien tijd moest doorleven. Gij kunt niet beseffen hoe hard het mij viel, terwijl ik door al die oude banden met hart en ziel aan u gehecht was, te moeten ondervinden dat men de reinheid van mijn hart in twijfel trok, dat ik mij aan u had verkocht, dat ik slechts den schijn aannam van met u gelukkig te zijn. Ik was jong en had niemand, die mij met raad kon bijstaan. Mama en ik verschilden, waar het u betrof, te veel van gevoelen. Indien ik mij terugtrok en de beleediging, waaraan ik had blootgestaan, voor u verborgen hield, was dat slechts omdat ik u te veel hoogachting toedroeg en verlangde dat gij ook mij zoudt achten.”

„Annie, lieve, reine ziel!” zei de doctor, „arme, lieve vrouw!”

„Nog een paar woorden slechts! Ik heb dikwijls gedacht dat, als gij een ander meisje de voorkeur hadt gegeven, gij u niet zooveel last en zorgen op den hals zoudt hebben gehaald, gij een veel aangenamer tehuis zoudt hebben gehad. Ik heb dikwijls gemeend dat het beter ware geweest indien ik uw leerling, ja, bijna uw kind ware gebleven. Ik paste naar ik vreesde, zoo weinig bij uwe geleerdheid. Mocht ik dientengevolge mij hebben teruggetrokken, hetgeen ik werkelijk gedaan heb, dan was dit alleen, omdat ik u zoo hoog achtte en de hoop koesterde, dat er eenmaal een dag zou aanbreken, waarop gij ook mij zoudt kunnen achten.”

„Die dag is reeds lang geleden aangebroken, Annie,” antwoordde de doctor, „en kan slechts gevolgd worden door één langen, donkeren nacht.”

„Nog iets! Het is mijn voornemen, mijn vaste voornemen geweest u onkundig te laten van de onwaardige handelingen van iemand, voor wien gij zoo goed zijt geweest. Ik wilde dat verdriet alleen dragen. En nu nog een enkel woord, beste aller vrienden! De oorzaak van de verandering, welke in den laatsten tijd in u heeft plaats gegrepen en die ik met zooveel leedwezen heb opgemerkt en toegeschreven aan mijne oude vrees—somtijds ook waren mijne vermoedens dichter bij de waarheid—is deze avond opgehelderd; door eene toevallige omstandigheid ben ik heden avond ook te weten gekomen, hoe volkomen uw vertrouwen in mij is, in weerwil van de vermoedens, die men in u heeft willen opwekken. Ik kan bijna niet verwachten dat de liefde en trouw, waarmede ik u daarvoor kan beloonen, mij ooit dat onwaardeerbare vertrouwen zullen waardig maken; maar nu ik dit alles weet, kan ik mijne oogen vrijmoedig tot dit dierbare gelaat opheffen, tot een gelaat, dat ik vereer als dat van een vader, liefheb als dat van mijn echtgenoot, van mijn jeugd af gekend heb als dat van een vriend, en plechtig verklaren dat ik u zelfs met mijne gedachten geen onrecht heb aangedaan, dat ik nooit geweifeld heb in mijne liefde en trouw, die ik u verschuldigd ben!”

Zij had hare armen om den hals van haar echtgenoot geslagen en hij had zijn hoofd voorovergebogen, zoodat zijne grijze haren zich met haar bruine krullen vermengden.

„O, druk mij aan uw trouwe hart, beste man! Verban mij niet! Denk noch spreek ooit over ongelijkheid tusschen ons, want die bestaat alleen in mijne tallooze onvolmaaktheden. Elk jaar heb ik dat meer en meer leeren beseffen met het toenemen van mijne achting voor u. O, druk mij aan uw hart, beste man, want mijne liefde was gebouwd op eene rots en zal blijven tot in lengte van dagen!”

Gedurende de stilte, die nu intrad, wandelde tante deftig naar mijnheer Dick, zonder zich ook maar eenigszins te haasten, en gaf hem een luid klinkenden kus. Het was zeer goed dat zij dit deed, want zij noodzaakte hem daardoor van zijn voornemen af te zien, om zijne blijdschap te betuigen door op één been te gaan staan. Ik meende ten minste dat ik hem daarop betrapte.

„Gij zijt een merkwaardig man, Dick!” zei tante op een toon, waarin onvoorwaardelijke goedkeuring gelegen was; „doe maar nooit alsof gij iets anders waart, want ik weet wel beter.”

Na deze woorden nam zij hem bij de mouw en gaf mij een wenk, waarop wij met ons drieën stilletjes teruggingen.

„Onze militaire vriendin heeft in elk geval een beslissende nederlaag geleden,” zei tante op weg naar huis. „Al was er niets meer om blijde over te zijn, zou ik daarom alleen reeds beter slapen!”

„Ik vrees dat het haar diep getroffen heeft,” zei mijnheer Dick op medelijdenden toon.

„Wat? Hebt gij ooit een krokodil ontroerd gezien?” vroeg tante.

„Ik geloof dat ik nooit een krokodil gezien heb,” antwoordde mijnheer Dick.

„Zonder dat oude kanalje zou er nooit iets gehaperd hebben,” zei tante met buitengewonen nadruk. „Het zou te wenschen zijn dat sommige moeders hare dochters aan haar lot overlieten, als zij trouwden, en niet zoo vreeselijk aan haar gehecht bleven. Zij schijnen te denken dat zij het recht hebben hare dochters, omdat zij ze in de wereld hebben geholpen—alsof zoo'n kind er om gevraagd heeft!—zoo lang te plagen tot zij er weer uit is. Wat denkt gij daarvan, Trot?”

Ik peinsde over alles wat ik had bijgewoond. Een aantal uitdrukkingen, die gebezigd waren, hadden indruk op mij gemaakt. „Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer man en vrouw niet zijn één van ziel en één van zin. Mijne liefde was gebouwd op eene rots....”

Wij naderden onze woning; de verdorde bladeren lagen vertrapt langs den weg en in den tuin en een koude herfstwind woei ons tegen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XLVI. Tijding

Afgaande op mijn slecht geheugen voor datums, moet ik ongeveer een jaar getrouwd zijn geweest, toen ik op zekeren avond, van eene eenzame wandeling terugkeerende, geheel vervuld met het boek, waaraan ik bezig was—het was mijn eerste roman, waaraan ik mij na den bijval, die mijne novellen verworven hadden, gewaagd had—langs de woning van mevrouw Steerforth kwam. Ik woonde in hare buurt, maar had hare woning altijd vermeden wanneer ik een anderen weg kon kiezen. Dit was echter niet altijd gemakkelijk, zonder een langen omweg te maken, zoodat ik daar nogal dikwijls langs kwam; gewoonlijk wandelde ik er met een vluggen pas voorbij en aangezien het huis er altijd even somber en verlaten uitzag, had ik het nu en dan slechts even met een blik verwaardigd. Geen van de zitkamers grensde aan den weg en de smalle, lage ramen, waarachter de gordijnen altijd waren neergelaten, hadden niets uitlokkends. Behalve de hoofddeur was er nog een ingang, die zelden gebruikt werd en dien men bereikte door een overdekte gang over een klein pleintje; boven die deur bevond zich een rond trapvenster, geheel verschillend van alle andere; dit was het eenige venster, waarvoor geen gordijn was, maar toch maakte het den indruk alsof het een venster was van een onbewoond huis. Ik herinner mij niet er ooit licht te hebben gezien. Ware ik een onbekende geweest, die daar toevallig voorbij kwam, dan zou de gedachte in mij zijn opgekomen dat daar iemand gestorven was, zonder kind of kraai na te laten. Had ik die woning niet gekend—hoe gelukkig zou dat geweest zijn!—dan zouden er zonder twijfel tal van gissingen in mijn brein zijn opgekomen. Ik deed nu maar mijn best om er zoo weinig mogelijk aan te denken, maar mijn geest kon de woning niet vermijden, zooals mijn lichaam; zoodat ik mij meermalen betrapte op langdurige overpeinzingen dienaangaande. Op den avond, waarover ik wil schrijven, wandelde ik ook in gepeins verzonken voort, toen ik mij plotseling hoorde roepen. Het was een vrouwenstem, en weldra herkende ik het kleine kamermeisje van mevrouw Steerforth, dat vroeger blauwe linten aan hare muts had gedragen. Zij had die nu weggelaten, naar ik onderstel, om in overeenstemming te zijn met de veranderde stemming in huis en droeg thans niets dan een paar sombere bruine strikjes.

„Zoudt gij zoo goed willen zijn eens binnen te komen, mijnheer? Juffrouw Dartle zou u gaarne eens spreken.”

„Heeft juffrouw Dartle u gezonden om mij dat te vragen?”

„Van avond niet, mijnheer, maar dat doet er niet toe. Juffrouw Dartle zag u een paar dagen geleden voorbijkomen en heeft mij opgedragen u binnen te roepen, wanneer ik u weder zag.”

Ik keerde terug en vroeg haar hoe mevrouw Steerforth het maakte, waarop zij mij antwoordde, dat mevrouw niet wel was en meestal hare kamer hield.

Toen wij bij het huis aankwamen verwees zij mij naar juffrouw Dartle, die in den tuin zat, en liet het aan mij zelven over om mij aan te dienen.

Juffrouw Dartle zat op eene bank, die op eene kleine hoogte stond, vanwaar men een uitzicht had op de groote stad. Het was een sombere avond; de lucht had een doodsche, loodgrijze tint en toen ik die onheilspellend verlichte wolken zag, waartegen hier en daar een hoog gebouw of een boom dreigend afstak, vond ik daarin eene zonderlinge overeenkomst met de herinnering, welke ik van deze harde, strenge, verbitterde vrouw behouden had.

Toen zij mij zag aankomen stond zij even op om mij te begroeten. Ik vond haar nog bleeker en magerder dan toen ik haar de laatste maal gezien had; hare oogen schenen echter nog feller te schitteren en het litteeken was duidelijker te zien dan ooit.

Onze ontmoeting was niet hartelijk. Wij waren den laatsten keer boos gescheiden, en zij had een air van minachting over zich, dien zij volstrekt niet trachtte te verbergen.

„Men heeft mij gezegd dat gij mij wenscht te spreken, juffrouw Dartle,” zei ik, bij haar staande met de hand op de leuning van de bank, want ik had de uitnoodiging om te gaan zitten niet aangenomen.

„Ik wilde u alleen vragen of dat meisje al gevonden is,” vroeg zij.

„Neen.”

„En toch is zij weggeloopen!”

Ik zag de trekking in hare dunne lippen, terwijl zij mij aankeek, alsof het haar moeite kostte om de afwezige niet met verwijten te overladen.

„Weggeloopen?” vroeg ik.

„Ja! Van hem!” zeide zij lachend. „Als zij nog niet gevonden is, zal zij wel nooit terug komen. Misschien is zij wel dood!”

Nooit zag ik op het gelaat van een mensch zulk eene uitdrukking van wreed leedvermaak als op dit oogenblik op het gelaat van juffrouw Dartle.

„Haar dood te wenschen,” antwoordde ik, „is zeker het beste, wat iemand van haar eigen sekse voor haar doen kan. Het doet mij genoegen, juffrouw Dartle, dat de tijd uw oordeel zooveel zachter gemaakt heeft.”

Zij verwaardigde zich niet mij hierop te antwoorden, maar keerde mij met een verachtelijken glimlach den rug toe, zeggende:

„De familieleden van dat uitmuntende en zwaar verongelijkte meisje zijn vrienden van u. Gij zijt voor hen in het strijdperk getreden en voor hunne zoogenaamde rechten opgekomen, niet waar? Wilt gij nu ook weten wat er van haar bekend is?”

„Ja,” antwoordde ik.

Zij stond op met een glimlach om de dunne lippen, die haar nog leelijker maakte, deed een paar schreden in de richting van een heg, die den bloementuin van den moestuin scheidde, en riep met luide stem: „Kom hier!”—alsof zij een of ander onrein dier tot zich riep.

„Gij zult u hier natuurlijk onthouden van vijandige handelingen of wraaknemingen, mijnheer Copperfield,” sprak zij, terwijl zij zich met dienzelfden hatelijken glimlach naar mij omkeerde.

Ik boog het hoofd, zonder eigenlijk te weten wat zij bedoelde; nogmaals klonk haar „Kom hier!” waarna zij terugkeerde, gevolgd door den fatsoenlijken Littimer, die deftiger dan ooit een buiging voor mij maakte en zich daarna achter haar plaatste. In weerwil van de boosaardige uitdrukking op haar gelaat was er toch iets bevalligs, iets vrouwelijks in de zegevierende houding, waarmede zij tusschen ons op de bank plaats nam; zij deed mij op dit oogenblik denken aan eene wreede prinses uit een sprookje.

„Nu,” sprak zij op gebiedenden toon, zonder hem aan te kijken en met de hand op het litteeken—wellicht klopte de oude wond ditmaal meer van blijdschap dan van pijn—„doe mijnheer Copperfield het verhaal van de vlucht.”

„Mijnheer James en ik, freule...”

„Wendt u niet tot mij!” zoo viel zij hem met gefronste wenkbrauwen in de rede.

„Mijnheer James en ik, mijnheer...”

„Tot mij ook niet, als 't u blieft,” zei ik.

Littimer liet zich geen oogenblik van zijn stuk brengen en gaf slechts door eene buiging te kennen, dat hetgeen ons het aangenaamst was hem ook aangenaam was; hij begon dus op nieuw:

„Mijnheer James en ik zijn met dat meisje op reis geweest van het oogenblik af, dat zij Yarmouth verliet en zich onder de bescherming stelde van mijnheer James. Wij hebben een groot gedeelte van het vasteland bereisd, zijn in Frankrijk, Zwitserland en Italië geweest, ja, eigenlijk overal.”

Hij keek naar de rug van de bank, alsof hij daartegen sprak en trommelde er op met de vingers, alsof hij eene piano bespeelde, die geen geluid meer gaf.

„Mijnheer James,” ging hij voort, „scheen buitengewoon gehecht aan dat meisje en bleef standvastiger dan ik hem ooit gekend heb, zoolang ik in zijn dienst ben. Het meisje was bijzonder leerzaam en sprak heel spoedig de taal van het land, waar wij waren, zoodat men haar zeker niet voor hetzelfde buitenmeisje zou gehouden hebben. Ik merkte zeer goed op dat zij overal, waar zij kwam, bewonderd werd.”

Juffrouw Dartle legde hare hand tegen hare zij en ik zag hem heimelijk naar haar kijken en even glimlachen.

„Ja, het jonge vrouwtje werd door iedereen bewonderd. Of het hare kleeding was of de invloed van de lucht en de zon, dat weet ik niet, maar zij trok de algemeene aandacht.”

Nu bleef hij even zwijgen en ik zag dat de oogen van juffrouw Dartle in dien tijd over het landschap dwaalden en dat zij zich op de lippen moest bijten om een antwoord binnen te houden.

Terwijl hij de handen van de bank nam en ze in elkander hield en op één been ging staan, vervolgde Littimer met neergeslagen oogen en het fatsoenlijke hoofd een weinig vooruit en op zijde:

„Gedurende eenigen tijd ging dit leventje zoo voort, al merkte ik zeer goed op dat het jonge vrouwtje nu en dan wat neerslachtig was; ook mijnheer James scheen dit op te merken en eindelijk begon het hem zelfs te vervelen. Nu was het ook spoedig uit met de rust en ik mag wel zeggen dat er toen een moeielijke tijd voor mij aanbrak. Er kwamen herhaaldelijk oneenigheden voor, die echter ook telkens weder werden bijgelegd, zoodat hunne betrekking veel langer duurde dan iemand kon hebben verwacht.”

Juffrouw Dartle wendde hare oogen van het landschap af en keek mij aan met denzelfden blik als zoo straks; terwijl Littimer even kuchte, van been verwisselde en voortging:

„Eindelijk, nadat er tallooze malen heftige woordenwisselingen hadden plaats gehad en verwijten gewisseld waren, verliet mijnheer James op zekeren morgen de villa bij Napels, die wij hadden betrokken—het jonge vrouwtje hield zooveel van de zee—onder voorwendsel van over twee of drie dagen te zullen terugkomen; aan mij de taak opdragende haar te zeggen, dat hij, „ten einde het geluk van beide partijen te bevorderen”—hier volgde dezelfde droge kuch als zoo even—„voor goed was heengegaan.” Ik moet hier bijvoegen dat mijnheer James zich als altijd weder als een man van eer heeft doen kennen, want hij stelde de jonge vrouw voor een huwelijk te sluiten met een hoogst fatsoenlijk man, die ten volle bereid was het verleden over het hoofd te zien en zeker even goed was als iedere andere man, dien zij langs een meer regelmatigen weg zou hebben kunnen krijgen; zij was toch van eene zeer lage afkomst.”

Nogmaals verwisselde hij van been en bevochtigde te gelijkertijd zijne dunne lippen. Ik was overtuigd dat de schurk van zich zelven sprak en in juffrouw Dartle's flikkerende oogen las ik de bevestiging van mijn vermoeden.

„Dit had ik dus in last om haar mede te deelen. Het spreekt van zelf dat ik gaarne alles zou gedaan hebben om mijnheer James uit zijne moeielijke positie te redden en den vrede te herstellen tusschen hem en eene dierbare bloedverwante, die ter wille van hem reeds zooveel verdriet had gehad. Om deze reden aanvaardde ik de opdracht. Toen ik haar mededeelde dat mijnheer James vertrokken was, viel zij in zwijm, en wakker wordende, was zij zoo woest, dat zij met geweld tot kalmte gebracht moest worden; wij moesten haar vastbinden, want, aangezien zij geen wapen bij de hand had, zou zij haar hoofd op den marmeren vloer te pletter hebben geslagen.”

Juffrouw Dartle leunde met een gezicht, dat straalde van voldoening, tegen de leuning van de bank en scheen de woorden, die de ellendeling sprak, als honigzoete taal in zich op te nemen.

„Maar,” ging hij, in zijne handen wrijvende, voort, „toen ik aan het tweede gedeelte van mijne opdracht genaderd was, waarin iedere weldenkende vrouw in elk geval een vriendelijke bedoeling gezien zou hebben, toen kwam haar ware aard voor den dag. Nooit heb ik iemand kwaadaardiger gezien; zij toonde op dat oogenblik welk een slecht karakter zij heeft. Een stok of een steen zou meer dankbaarheid, meer gevoel, meer geduld aan den dag gelegd, beter naar rede geluisterd hebben. Ik ben overtuigd dat zij mij naar het leven zou gestaan hebben, indien ik niet op mijne hoede geweest was.”

„Zij zou daardoor in mijne achting gerezen zijn,” zei ik op verontwaardigden toon.

Littimer boog het hoofd op eene wijze, die naar ik meende te kennen moest geven: „Inderdaad mijnheer? Maar gij zijt nog zoo jong!” en zette toen zijn verhaal voort.

„Kortom, het was noodzakelijk gedurende eenigen tijd alles uit hare nabijheid weg te nemen, waarmede zij zich zelve of anderen letsel zou hebben kunnen toebrengen, en haar op te sluiten. Niettegenstaande mijne voorzorgen wist zij echter te ontsnappen. Op zekeren avond brak zij een zonneblind open, klom langs den wingerd naar beneden en.... sinds dien avond heeft, voor zoover ik weet, niemand meer iets van haar gehoord.”

„Waarschijnlijk is zij dood,” zei juffrouw Dartle met een glimlach, zoo afschuwelijk, dat zij, indien zij daartoe bij machte geweest was, het lijk van de ongelukkige zonder twijfel zou hebben getrapt.

„Misschien is zij verdronken, juffrouw,” antwoordde Littimer, de gelegenheid aangrijpende om tot iemand het woord te richten. „Het is zeer wel mogelijk. Misschien is zij door de schippers en de schippersvrouwen geholpen: want zij verloochende hare lage afkomst niet en zat dikwijls met dat volk op het strand te praten, juffrouw Dartle. Toen mijnheer James eens weg was, zat zij geheele dagen bij hen; ik heb dat zelf gezien. Toen mijnheer James vernam, dat zij aan die menschen verteld had, dat zij ook een visscherskind was en in hare jeugd ook menigmaal langs het strand gevaren had, was hij heel boos.”

O, Emily! Uwe schoonheid is u niet ten zegen geweest! Welk een tafereel rees daar voor mij op! Ik zag haar zitten aan dat ver verwijderde strand, temidden van die vreemde kinderen—evenals aan het strand te Yarmouth, toen zij zelve nog een onschuldig kind was—luisterende naar kinderstemmetjes, zooals zij naar haar eigen kinderen zou geluisterd hebben, indien zij de vrouw van een armen man geworden was, en naar de zware stem van de zee, die eeuwigdurend herhaalde: „Nimmer, nimmer meer!”

„Toen het mij duidelijk bleek, dat ik niets meer kon doen, juffrouw Dartle....”

„Heb ik u niet gezegd, dat gij niet tot mij zoudt spreken?” vroeg zij met diepe minachting.

„Gij hebt tegen mij gesproken,” antwoordde hij. „Ik vraag nederig verschooning, maar het is mijn plicht te gehoorzamen.”

„Doe wat u bevolen is,” antwoordde zij. „Maak een einde aan uw verhaal en ga heen!”

„Toen het duidelijk werd,” hernam hij met eene eerbiedige buiging en een buitengewoon fatsoenlijk gezicht, „dat zij niet te vinden was, vervoegde ik mij bij mijnheer James ter plaatse, waar ik hem zou schrijven, en vertelde hem wat er was voorgevallen. Er volgde een woordenwisseling, waarna ik het aan mijn karakter verplicht was mijn afscheid van hem te nemen. Ik kon veel van mijnheer James verdragen en ik heb veel verdragen, maar ditmaal behandelde hij mij al te grof. Hij beleedigde mij. De betreurenswaardige verhouding, welke tusschen mijnheer James en mevrouw Steerforth was ontstaan, was mij bekend en ik vermoedde tevens in welk een onrust mevrouw Steerforth zou verkeeren, zoodat ik de vrijheid nam om naar Engeland terug te keeren en te vertellen...”

„Daarvoor heb ik hem betaald,” voegde juffrouw Dartle er bij.

„Juist, mejuffrouw.... en te vertellen wat ik wist. Ik geloof niet,” voegde hij er nadenkend bij, „dat ik nog meer te vertellen heb. Ik ben op het oogenblik buiten betrekking en het zou mij zeer aangenaam zijn ergens een fatsoenlijke plaatsing te vinden.”

Juffrouw Dartle keek mij aan, alsof zij mij wilde vragen of ik nog iets meer wilde weten. Er was mij op datzelfde oogenblik nog iets ingevallen, waarop ik gaarne een antwoord zou wenschen; ik zei daarom:

„Ik zou wel van dien kerel willen weten”—ik kon onmogelijk zachter uitdrukking gebruiken—„of een brief dien men haar uit Yarmouth geschreven heeft, onderschept is, dan wel of hij onderstelt, dat zij dien ontvangen heeft?”

Hij bleef kalm en zwijgend staan, met de oogen op den grond gevestigd en de toppen van de vingers der eene hand tegen die van de andere.

Juffrouw Dartle wendde met eene minachtende beweging het hoofd naar hem om.

„Vergeef mij, juffrouw,” zei hij, als ontwaakte hij uit zijne afgetrokkenheid, „maar hoe onderdanig ook tegenover u, ik heb eergevoel al ben ik maar een knecht. Mijnheer Copperfield en gij, juffrouw, zijn verschillende personen voor mij. Wil mijnheer Copperfield iets van mij weten dan neem ik de vrijheid mijnheer Copperfield te herinneren dat hij mij eene vraag kan doen. Ik mag mijn karakter niet verloochenen.”

Na even met mij zelven in tweestrijd te zijn geweest, wendde ik mijne oogen naar hem toe en zei: „Gij hebt mijne vraag gehoord. Beschouw die als tot u zelven gedaan, zoo gij dit verkiest. Wat is uw antwoord daarop?”

„Mijnheer,” zei hij, zijne vingertoppen van en tot elkander brengende, „mijn antwoord moet eenigszins naar de omstandigheden worden gewijzigd; misbruik te maken van het vertrouwen, dat mijnheer James mij geschonken heeft, tegenover zijne moeder of tegenover u, zijn twee zeer verschillende handelingen. Ik vermeen het niet onwaarschijnlijk te mogen achten, dat mijnheer James de ontvangst van brieven niet bevorderd zal hebben, aangezien ze slechts aanleiding zouden hebben gegeven tot grootere neerslachtigheid en allerlei onaangenaamheden; verder wensch ik in mijn antwoord echter niet te gaan.”

„Is dat alles?” vroeg juffrouw Dartle mij.

Ik gaf te kennen dat ik niets meer te zeggen had, „behalve,” voegde ik er bij, toen ik hem eene beweging zag maken om heen te gaan, „behalve dat ik volkomen begrijp welk aandeel deze kerel in de ongelukkige geschiedenis gehad heeft, en dat, aangezien ik er den braven man, die een vader voor haar geweest is, mede in kennis zal stellen, hij zich wel in acht mag nemen voor eene ontmoeting met den ouden man.”

Zoodra ik begon te spreken was hij blijven staan en had op zijne gewone kalme manier toegeluisterd.

„Dank u, mijnheer,” zei hij. „Gij zult mij echter wel willen verschoonen, indien ik zeg, dat er in ons land noch slaven, noch slavenjagers zijn en dat het niemand veroorloofd is de wetten te verkrachten. Doet men dat, dan loopt men gewoonlijk grooter gevaar dan zij, die het slachtoffer van een aanval zijn. Bijgevolg ben ik niets bevreesd, mijnheer, en zal gaan waarheen mij goed dunkt.”

Na deze woorden maakte hij eerst eene beleefde buiging voor mij, daarna eene voor juffrouw Dartle en verdween door de opening in de heg, waardoor hij gekomen was. Juffrouw Dartle en ik keken elkander gedurende eenige oogenblikken zwijgend aan; haar gelaat vertoonde nog dezelfde uitdrukking als op het oogenblik toen zij dien ellendeling tot zich riep.

„Hij vertelde mij nog,” sprak zij, terwijl hare lippen even omkrulden, „dat zijn meester op dit oogenblik een bezoek brengt aan de Spaansche kuststeden en daarna, om zijn lust in het zeeleven bot te vieren, nog verder gaan zal, tot hij er genoeg van heeft. Maar gij zult daarin weinig belang stellen. De klove tusschen moeder en zoon wordt hoe langer hoe dieper en aangezien zij beiden even hoogmoedig zijn, is er weinig hoop, dat zij weer tot elkander zullen komen. Maar ook dat boezemt u geen belang in; voor mij is het echter eene inleiding voor hetgeen ik nog wensch te zeggen. Die duivelin, waarvan gij een engel maakt, ik bedoel die gemeene meid, die hij uit het slijk heeft opgeraapt”—hare donkere oogen schoten vonken—„zal nog wel leven—onkruid vergaat niet. Indien dit zoo is, zult gij er zeker wel op gesteld zijn, dat zulk een kostbare parel gevonden en in bescherming genomen wordt. Wij wenschen dat ook, opdat hij niet voor de tweede maal haar prooi worde. Tot zoo ver komen onze belangen dus overeen en daarom heb ik, die dat ellendige schepsel zooveel kwaad toewensch als zij maar in staat is te voelen, u laten roepen om aan te hooren wat die man heeft verteld.”

Aan de verandering, die in haar gelaat plaats greep, merkte ik op dat er iemand naderde. Het was mevrouw Steerforth. Zij gaf mij eene hand, maar op veel koeler wijze dan vroeger en hare houding was nog statiger dan ik ooit van haar gezien had; toch bespeurde ik in haar geheele manier van doen—en ik werd daardoor diep getroffen—dat mijne oude vriendschap voor haar zoon een onuitwischbaren indruk bij haar had achtergelaten. Zij was zichtbaar ouder geworden. Hare gestalte was gebogen, haar lief gelaat vertoonde diepe rimpels en heur haar was bijna wit. Toen zij op de bank had plaats genomen, was zij toch nog altijd eene mooie vrouw en de trotsche oogopslag herinnerde mij aan mijne eerste schooljaren.

„Is mijnheer Copperfield van alles op de hoogte, Rosa?”

„Ja.”

„Heeft Littimer hem alles zelf verteld?”

„Ja, en ik heb hem gezegd, waarom gij dat verlangdet.”

„Gij zijt een goed meisje.—Ik heb eene korte briefwisseling gehad met uw voormaligen vriend, mijnheer,” zoo wendde zij zich tot mij, „maar hij is daardoor niet tot zijn plicht teruggebracht kunnen worden. Zijne moeder schijnt niet meer voor hem te bestaan. Rosa heeft u verder ingelicht. Indien door den een of anderen maatregel het hart van dien fatsoenlijken man, met wien gij hier zijt geweest, kan worden gerustgesteld en tevens mijn zoon voor de listen van dat gemeene schepsel behoed, dan is het mij wel. Ik heb medelijden met dien man.... meer kan ik niet zeggen.”

Zij richtte zich op en bleef recht voor zich uit staren op het landschap aan onze voeten.

„Mevrouw,” zei ik op eerbiedigen toon „ik begrijp u en kan u verzekeren dat ik uit uwe woorden geen enkele verkeerde gevolgtrekking maken zal. Maar ik, die deze verongelijkte familie van mijne jeugd af gekend heb, moet zelfs tot u zeggen, dat indien gij onderstelt dat het wreed bedrogen meisje niet liever duizend dooden zou sterven dan ook maar een kop water uit de hand van uw zoon aan te nemen, gij u schromelijk vergist.”

„Stil, Rosa, stil!” zei mevrouw Steerforth, toen deze op het punt was om een vinnig antwoord te geven, „het doet niets ter zake. Laat ons daarover zwijgen. Gij zijt getrouwd, nietwaar?”

„Ja, sinds eenigen tijd.”

„En gaat het u goed? Ik hoor zoo weinig van de buitenwereld, maar toch is het tot mij doorgedrongen, dat gij u reeds een naam hebt weten te maken.”

„Ik ben gelukkig geweest,” antwoordde ik, „en heb mijn naam eenige malen met lof vermeld gezien.”

„Gij hebt geen moeder meer, nietwaar?” vroeg zij met zachte stem.

„Neen.”

„Dat is jammer; zij zou trotsch op u geweest zijn. Goeden avond.”

Ik nam de hand aan, die zij mij met een zekere nederbuigende goedheid bood, en ze lag zoo kalm in de mijne, alsof hare gemoedsrust door niets was verstoord. Naar het scheen kon haar trots zelfs haar polsslag bedwingen en een ondoordringbaren sluier voor haar gelaat trekken, waardoor zij recht voor zich in de verte staarde.

Toen ik den terugweg aanvaard had en langs het terras kwam waar zij zaten, merkte ik op, dat zij beiden onafgebroken naar het landschap tuurden en dat het langzamerhand donker en nevelachtig om haar heen werd. Hier en daar zag men in de groote stad reeds het licht van een lantaarn flikkeren en aan den westelijken hemel was de rozeroode gloed van zoo straks geheel verdwenen. Uit het dal aan hare voeten kwam echter een dikke nevel op, aan een zee gelijk, die haar langzamerhand dreigde te verzwelgen. Ik kan nog dikwijls met eene huivering daaraan denken, want voor ik die twee terugzag, had eene stormachtige zee deze woning in rouw gedompeld.

Al voortwandelende herhaalde ik in mij zelven alles wat mij omtrent Emily's lotgevallen was meegedeeld en kwam ik tot het besluit om er baas Peggotty deelgenoot van te maken. Den volgenden avond ging ik met dat doel naar Londen. Hij zwierf nog steeds van de eene stad naar de andere, altijd in de hoop van zijn nichtje te zullen vinden; hij was echter meer in Londen dan ergens anders. Hoe dikwijls had ik hem niet in het schemeruur en in den nacht langs de straten zien dwalen!

Hij had een kamertje gehuurd boven den kruidenierswinkel in Hungerford-street, waarvan ik reeds meermalen melding maakte, en vanwaar hij zijn zwerftocht begonnen was. Daarheen toog ik op weg. Toen ik naar hem vroeg, vernam ik, dat hij dezen avond toevallig te huis was en ik hem op zijne kamer vinden zou. Hij zat bij het raam, waarvoor eenige bloemen en planten stonden, te lezen. Het kamertje zag er heel netjes en ordelijk uit. Ik zag terstond dat het altijd gereed was om haar te ontvangen, en dat hij nooit uitging zonder de mogelijkheid te onderstellen dat hij haar zou kunnen meebrengen. Hij had mijn kloppen op de deur niet gehoord en toen ik de hand op zijn schouder legde, sloeg hij voor het eerst de oogen op.

„Wel, jongeheer Davy, dat is vriendelijk van u! Ga zitten! Gij zijt hartelijk welkom, mijnheer! Dank u, dank u, voor uw bezoek!”

„Baas Peggotty,” zei ik, een stoel nemende, „verwacht niet te veel van mijn bezoek. Ik heb het een en ander omtrent haar vernomen.”

„Omtrent Emily?”

Hij bracht zijne hand met eene zenuwachtige beweging naar zijn mond, werd doodsbleek en keek mij vragend aan.

„Ik kan u niet zeggen waar zij is, maar zij is niet meer bij hem.”

Zonder een enkel woord te spreken zat hij doodstil te luisteren naar hetgeen ik te vertellen had. Ik herinner mij nog zeer goed welk een indruk zijn waardige houding, zijn goed gezicht en het geduld, waarmede hij mij aanhoorde, op mij maakten; hij viel mij geen enkele maal in de rede, maar zat met het voorhoofd in de hand naar den vloer te staren. Het scheen dat hij haar gedurende mijn verhaal voor zich zag en zich door niets wilde laten afleiden. Toen ik gedaan had bleef hij stil zitten zonder iets te zeggen. Ik keek gedurende eenigen tijd uit het raam en bekeek de bloemen, die daar stonden.

„Wat is uwe meening omtrent haar, jongeheer Davy?” vroeg hij eindelijk.

„Ik geloof dat zij nog leeft,” antwoordde ik.

„Ik weet het niet. Misschien was die schok te hevig en hare onstuimige natuur....! Dat blauwe water, waarover zij altijd sprak! Zou zij dat gedaan hebben, omdat zij daarin eenmaal haar graf zou vinden?”

Hij zei dit op peinzenden toon met eene zachte, angstige stem, terwijl hij opstond en het kleine kamertje op en neerliep.

„En toch, mijnheer Davy,” voegde hij er bij, „heb ik de overtuiging met mij rondgedragen, dat zij nog leefde; wakend en in mijne droomen heb ik altijd gemeend, dat ik haar zou vinden; dit denkbeeld heeft mij zooveel kracht en moed gegeven, dat ik, naar het mij voorkomt, onmogelijk in eene dwaling kan verkeerd hebben. Neen! Emily moet nog in leven zijn.”

Hij sloeg met de hand op de tafel en zijn door de zon verbrand gelaat nam eene vastberaden uitdrukking aan.

„Mijn nichtje Emily leeft nog, mijnheer!” zei hij op vasten toon. „Ik weet niet hoe het komt of hoe het is, maar ik weet dat zij nog leeft!”

Hij sprak als iemand, die eene ingeving heeft gehad. Ik wachtte nog eenige oogenblikken tot hij mij onverdeelde aandacht kon schenken en daarna deelde ik hem mede welke maatregelen mij den vorigen avond de verstandigste waren voorgekomen.

„Welnu, beste vriend,” begon ik.

„Dank u, dank u, mijnheer,” zei hij, terwijl hij mijne hand in de zijne nam. „Dank u voor dat woord. Mocht zij naar Londen komen, hetgeen wel waarschijnlijk is, want waar zou zij zich beter kunnen verschuilen dan in deze groote stad en wat zou zij liever doen dan zich verschuilen, als zij niet naar huis terugkeert?.... En zij zal niet naar huis terugkeeren, mijnheer!” voegde hij er, treurig het hoofd schuddende, bij, „neen, als zij hem uit eigen beweging verlaten had, dan misschien, maar nu niet!”

„Indien zij hier mocht komen,” zei ik, „is er naar mijn oordeel één persoon, die hare verblijfplaats eerder ontdekken zal dan iemand anders. Herinnert gij u—luister bedaard naar hetgeen ik zeggen zal en denk aan het groote doel, dat gij voor oogen hebt—herinnert gij u Martha?”

„Uit ons stadje?”

De uitdrukking op zijn gelaat maakte het antwoord overbodig.

„Weet gij dat zij in Londen is?”

„Ik heb haar op straat gezien,” antwoordde hij huiverend.

„Gij weet echter niet,” hernam ik, „dat Emily haar, lang voor zij is vertrokken, met behulp van Ham een liefdedienst heeft bewezen. Ook is het u niet bekend dat zij, toen wij op dien avond samen uwe reis bespraken in het Gouden Kruis, achter de deur heeft staan luisteren.”

„Mijnheer Davy?” riep hij verbaasd uit. „Dien avond, toen het zoo hard sneeuwde?”

„Ja dienzelfden avond. Na dien tijd heb ik haar niet meer gezien. Toen ik afscheid van u genomen had, ging ik terug om eens met haar te spreken; maar zij was verdwenen. Ik wilde liever niet met u over haar spreken en dat wil ik nu liever ook niet doen; maar zij is de persoon, die ik bedoel en wier hulp wij moeten inroepen. Begrijpt gij me?”

„Maar al te goed, mijnheer,” antwoordde hij. Wij waren langzamerhand tot den fluistertoon overgegaan en bleven dien behouden.

„Gij zegt dat gij haar gezien hebt. Zoudt gij haar kunnen vinden? Voor mij zou dat zeker een groot toeval zijn.”

„Ik vermoed, mijnheer Davy, dat ik wel weet waar ik haar moet zoeken.”

„Het is een donkere avond. Zullen wij haar samen gaan zoeken?”

Dit aanbod werd aangenomen en baas Peggotty maakte zich terstond gereed om mij te vergezellen. Zonder te laten blijken dat ik hem gade sloeg, zag ik hoe zorgvuldig hij alles gereed maakte voor hare ontvangst, een kaars en lucifers klaar zette, het bed in orde bracht en eindelijk een latafel opende en een japon voor haar te voorschijn haalde—ik herinnerde mij zeer goed haar daarin gezien te hebben—en netjes opgevouwen met eenige andere kleedingstukken en een hoed op een stoel legde. Hij sprak geen woord over deze kleederen en daarom zweeg ik er ook over. Hoeveel avonden en nachten zouden ze reeds op haar hebben gewacht?!

„Er is een tijd geweest, mijnheer Davy,” zei hij, toen wij beneden waren, „waarin ik dat meisje, die Martha, niet goed genoeg achtte om Emily het slijk van de voeten te kussen. De Hemel moge het mij vergeven, maar de omstandigheden, zijn nu gewijzigd!”

Al voortwandelende vroeg ik hem hoe 't Ham ging, gedeeltelijk uit belangstelling, maar ook om hem af te leiden. Hij antwoordde mij bijna met dezelfde woorden als vroeger, dat Ham altijd dezelfde bleef, nooit morde, zijn leed droeg als een man en dat iedereen van hem hield.

Ik vroeg hem wat hij dacht van Ham's stemming ten opzichte van den bewerker van zijn ongeluk. Wat zou Ham doen indien het noodlot hem en Steerforth eens te zamen bracht?

„Ik weet het niet, mijnheer,” antwoordde hij. „Ik heb er menigmaal over gedacht, maar kan er geen antwoord op vinden.”

Ik bracht hem dien morgen vóór ons vertrek in herinnering, toen wij met ons drieën langs het strand hadden geloopen. „Herinnert gij u,” vroeg ik, „den woesten blik, waarmede hij over de zee keek en over ‚het einde’ sprak?”

„Zeker!”

„Wat bedoelde hij daarmede?”

„Mijnheer Davy, ik heb mij zelven die vraag honderd malen gedaan, maar ook daarop geen antwoord kunnen vinden. Zonderling, hoe zachtmoedig zijn karakter ook is, ik zou hem toch niet gaarne vragen wat hij daarmede bedoeld heeft. Hij heeft nooit een oneerbiedig woord tot mij gesproken, hij is mij altijd even onderdanig geweest, zoodat het niet waarschijnlijk is dat hij nu een anderen toon tegen mij zou aanslaan; maar het is ver van kalm in zijn gemoed. Ik kan het niet peilen.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde ik, „maar het maakt mij nu en dan angstig.”

„Mij ook, mijnheer Davy,” antwoordde baas Peggotty. „Het maakte mij zelfs nog angstiger dan zijne tegenwoordige roekeloosheid, die ook een gevolg is van de verandering, welke met hem heeft plaats gegrepen. Ik weet niet of hij een daad van geweld zou kunnen plegen, maar ik hoop dat zij elkander uit den weg zullen blijven.”

Wij waren intusschen door Temple Bar in de City gekomen en spraken nu niet meer, want baas Peggotty wandelde naast mij voort, geheel vervuld met het ééne groote doel van zijn leven. Zoo strak keek hij voor zich uit, dat hij zich zelf in de drukste omgeving eenzaam zou gevoeld hebben. Niet ver van Blackfriars Bridge keerde hij zich naar mij toe en wees mij eene eenzame vrouw aan, die aan den overkant langs de straat zwierf. Ik herkende haar terstond als de persoon, die wij zochten.

Wij staken de straat over en haastten ons reeds om haar in te halen, toen de gedachte in mij opkwam, dat zij misschien meer belangstelling in het verloren schepsel zou aan den dag leggen, indien wij haar op een rustiger plekje buiten het gewoel aanspraken, waar zij niet zoo de aandacht trok. Ik gaf daarom baas Peggotty den raad haar thans niet aan te spreken, maar haar te volgen; tegelijkertijd kwam ik daarmede mijn eigen verlangen te gemoet om te weten waar zij heenging.

Hij stemde toe en zoo volgden wij haar op een afstand, zorg dragende haar niet uit het gezicht te verliezen noch haar te dicht te naderen, aangezien zij meermalen omkeek. Eenmaal bleef zij staan, ten einde naar een troep muzikanten te luisteren en toen bleven wij ook staan.

Ons geduld werd op eene zware proef gesteld, want wij moesten een langen weg afleggen. Het was duidelijk, dat zij op een bepaald doel afging, maar juist deze omstandigheid en het feit, dat zij de drukste straten uitkoos, zoomede, naar ik vermoed, de vreemde gewaarwording, om iemand zoo heimelijk te volgen, deed mij bij ons eerste besluit blijven. Eindelijk sloeg zij een stille, donkere straat in, waar niets meer aan het gewoel en gedruisch der groote stad deed denken, en zei ik: „Laat ons haar nu aanroepen.” Wij versnelden onzen pas en gingen haar na.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XLVII. Martha

Wij waren nu in Westminster, want bij Westminster Abbey had zij de drukke straten verlaten, en wij waren omgekeerd om haar te volgen. Toen zij eenmaal door den stroom van voetgangers, die van en naar de brug kwamen, heen was, liep zij zoo snel voort, dat wij moeite hadden om haar te volgen, te meer, omdat zij ons een goed eind vooruit was. In eene smalle, langs het water loopende straat bij Millbank, haalden wij haar eindelijk in. Op dat oogenblik stak zij de straat over, alsof zij bang was voor de voetstappen, die zij achter zich hoorde, en zonder om te kijken, liep zij steeds sneller voort.

Een blik op de rivier door een smal poortje, waaronder eenige wagens stonden, deed mij plotseling als vastgenageld blijven staan. Ik raakte mijn metgezel even zwijgend aan en beiden begrepen wij, dat wij voorzichtig moesten zijn, en volgden haar zoo stil wij konden, steeds in de schaduw van de huizen blijvende maar dicht achter haar.

Er stond, en terwijl ik dit schrijf, staat er, aan het einde van deze straat, die zeer laag ligt, een vervallen houten gebouwtje, waarschijnlijk een oud veerhuisje. Het staat juist daar, waar de straat eindigt en de weg doorloopt tusschen ééne rij huizen en de rivier. Zoodra zij op dat punt gekomen was en de rivier zag, bleef zij staan, alsof zij hare bestemming had bereikt; waarna zij den waterkant volgde met den blik onafgewend op den stroom gericht.

Zoo lang wij haar gevolgd hadden was ik in de meening gebleven, dat zij naar de een of andere woning ging; zelfs had ik de hoop in mij voelen wakker worden, dat wij daar wel iets van de ongelukkige Emily zouden vernemen. Die ééne blik had mij echter instinctmatig voorbereid op een droevig tooneel, zooals er in de groote stad elken dag worden afgespeeld.

Het was in die dagen eene akelige buurt, zoo eenzaam en droefgeestig als er maar een in geheel Londen was. Daar waren toen werven noch huizen op dit verlaten gedeelte voorbij de groote gevangenis. De muren waren omringd door een moddergracht. Gemeen gras en welig tierend onkruid, anders zag men niets op dit moerassige land. Op één punt stonden eenige nooit afgewerkte huizen op den slooper te wachten. Op een ander was de grond bedekt met verroeste ijzeren brokstukken van stoomketels, wielen, krukken, pijpen, vuurhaarden, schroefbladen, ankers, duikerklokken, molenwieken en al zulke vreemdsoortige voorwerpen meer, door den een of anderen speculant bijeengegaard en nu langzaam wegzinkende in de modder, alsof ze geen ander doel hadden dan zich te verbergen voor ieders oog. Het geraas en de vuurgloed van eenige fabrieken aan den waterkant scheen in den donkeren nacht op alles storend te werken behalve op den dikken, vetten rook, die uit de schoorsteen opsteeg. Een glibberig pad tusschen half vergane houten palen door, waaraan eene walgelijke zelfstandigheid kleefde, die op groen haar geleek, terwijl er nog de overblijfselen aan te vinden waren van lang vergeten afkondigingen, waarin aan den vinder van verdronkenen eene belooning werd toegezegd, voerde bij eb door slijk en modder heen naar den waterkant. Er werd verteld dat hier ongeveer de putten waren gegraven waarin zij, die in het cholerajaar aan deze ziekte gestorven waren, begraven werden, en dat van dit jaar af deze plek een heilloozen invloed geoefend had op de geheele omgeving. Ook is het mogelijk dat de tallooze overstroomingen van het onreine water zulk een afzichtelijken toestand hadden teweeggebracht.

Het meisje, dat wij zoo lang gevolgd hadden, stond daar eenzaam en verlaten in het water te staren, zoo stil en onbewegelijk alsof ook zij daar was neergeworpen door den vloed en veroordeeld om op deze plek te vergaan.

Er lagen eenige schuiten en booten in de modder op het strand, waardoor het ons mogelijk was haar onopgemerkt tot op eenige meters te naderen. Ik gaf toen baas Peggotty een teeken om te blijven waar hij was en trad alleen uit de schaduw te voorschijn om haar aan te spreken. Het was niet zonder beven, dat ik die eenzame gestalte naderde, want dit afgrijselijk einde van hare lange wandeling, blijkbaar met het besliste plan om zich van het leven te berooven; de houding, waarin zij daar stond in de grillige schaduw van de brug, starende naar de kronkelende lichtstrepen in den opkomenden vloed, alles te zamen joeg mij angst aan.

Ik meen dat zij in zich zelve stond te praten; maar ik weet zeker dat hare handen in haar omslagdoek waren gerold of dat zij nog daarmede bezig was, terwijl zij in het water staarde; hare bewegingen deden denken aan een slaapwandelaarster. Ik weet ook dat zij den indruk op mij maakte alsof zij voor mijne oogen in den grond zou zinken, indien ik niet spoedig den arm om haar heensloeg.

„Martha!” zei ik plotseling.

Zij uitte een kreet van schrik en verzette zich zoo krachtig, dat ik betwijfel of ik haar wel had kunnen vasthouden, indien ik alleen geweest was. Eene sterkere hand dan de mijne had haar gegrepen en toen zij hare oogen angstig opsloeg en zag aan wien die hand toebehoorde, deed zij geen poging meer om zich los te rukken en zakte tusschen ons in elkaar. Wij droegen haar naar een droge plek en legden haar daar neer. Daar zat zij eenigen tijd te kermen en te steunen met het hoofd tusschen de handen.

„O, de rivier!” riep zij hartstochtelijk uit. „O, de rivier!”

„Kom, kom!” zei ik, „wees nu bedaard!” Maar zij bleef dezelfde woorden herhalen: „O, de rivier! O, de rivier!”

„Ik weet dat de rivier mij wacht!” riep zij. „De rivier is de trouwe vriendin van vrouwen zooals ik. Ook zij was eenmaal rein, toen zij van de bergen langs de velden stroomde..... en nu kruipt ze, verontreinigd en bezoedeld, door de nauwe straten en snelt voort naar de groote zee, naar de onrustige zee.... en ik voel dat de zee ook mij wacht....!”

Nooit heb ik geweten wat wanhoop was voor dezen avond!

„Ik kan er niet vandaan blijven. Ik kan haar niet vergeten; ze vervolgt mij dag en nacht! Niets in de geheele wereld is goed voor mij dan de rivier en ik ben voor niets goed dan voor haar. O, die vreeselijke rivier!”

De gedachte kwam in mij op, dat ik op het gelaat van mijn metgezel de geschiedenis van zijn nichtje zou hebben kunnen lezen, indien ik die niet reeds gekend had. Nooit zag ik, in beeld of in de werkelijkheid, afschuw en medelijden zoo welsprekend afgebeeld. Hij stond zoo te beven dat ik vreesde hem te zullen zien neervallen; ik raakte even zijne hand aan,—zijn uiterlijk beangstigde mij—ze was steenkoud.

„Zij is op de grens van de waanzin,” fluisterde ik hem in het oor. „Zij zal zoo straks wel anders spreken.”

Ik weet niet welk antwoord hij wilde geven; hij had eene beweging gemaakt met zijn mond en scheen te meenen dat hij iets gezegd had, maar hij had alleen met uitgestrekten arm naar haar gewezen.

Nogmaals barstte zij in snikken uit, en verborg haar gelaat tusschen de steenen en lag daar voor ons als een beeld van jammer en ellende. Beseffende dat deze toestand moest voorbij zijn eer wij met haar konden spreken, waagde ik het hem tegen te houden toen hij haar wilde opbeuren en zoo bleven wij stil bij haar staan tot zij wat bedaarder geworden was.

„Martha,” zei ik terwijl ik haar hielp opstaan—het scheen dat zij wilde opstaan met het voornemen om weg te gaan, maar zij was te zwak en moest steun zoeken tegen een boot, „Martha, weet gij wie deze man is?”

„Ja,” antwoordde zij nauw hoorbaar.

„Weet gij dat wij u den geheelen avond gevolgd hebben?”

Zij schudde het hoofd en keek noch mij noch baas Peggotty aan, maar stond beschaamd voor ons, met haar hoed en omslagdoek in de eene hand, terwijl zij de andere tegen haar voorhoofd drukte.

„Zijt gij in staat,” vroeg ik, „om met ons te spreken over de zaak, waarin gij op dien avond, toen het zoo sneeuwde, zooveel belang steldet? De Hemel geve, dat gij 't u nog herinnert!”

Zij begon opnieuw te snikken en prevelde eenige woorden van dank, omdat ik haar toen niet van de deur had gejaagd.

„Ik verlang niet over mij zelve te spreken,” hernam zij na eenige oogenblikken, „ik ben een slecht, een verloren schepsel. Ik heb geen hoop meer. Maar zeg hem, mijnheer,”—zij zou voor hem zijn weggekropen als zij gekund had—„zoo gij mij niet al te hard beoordeelt, zeg hem dan dat ik in geen enkel opzicht aanleiding heb gegeven tot het ongeluk, dat hem getroffen heeft.”

„Men heeft dat nooit aan u geweten,” antwoordde ik op even ernstigen toon, als zij had aangeslagen.

„Als ik mij niet bedrieg, waart gij het,” hernam zij met haperende stem, „die in de keuken bij juffrouw Barkis kwaamt, toen zij zoo lief voor mij was; zij was de eenige, die geen afgrijzen van mij had; zij heeft mij geholpen. Waart gij dat niet?”

„Ja, dat was ik.”

„Had ik haar ooit eenig onrecht aangedaan, dan zou de rivier mij reeds lang geleden hebben opgenomen,” vervolgde zij met een huiveringwekkenden blik naar het voortstroomende water. „Ik zou er geen nacht hebben kunnen uitblijven, indien ik mij ten opzichte van haar iets te verwijten had gehad.”

„De oorzaak van hare vlucht is te wel bekend,” antwoordde ik. „Wij weten allen, dat gij daaraan geheel onschuldig zijt.”

„O, zeker, ik had een beter voorbeeld voor haar kunnen zijn!” riep zij met innigen weemoed uit, „en ik had zelve door haar beter kunnen worden, want zij was altijd zoo goed voor mij! Zij sprak nooit anders dan op vriendelijken toon tegen mij, ook, toen ik reeds van het rechte pad was afgedwaald. Is het wel denkbaar, dat ik van haar heb willen maken, wat ik zelve was, terwijl ik zoo goed weet wat ik ben? Toen ik alles verloren had wat mij aan het leven kon doen hechten, was de gedachte, dat ik haar voor altijd verloren had, het vreeselijkst voor mij.”

Baas Peggotty, die met eene hand op den rand van de boot leunde, bracht de andere voor zijne oogen.

„En toen ik van iemand uit ons stadje vernomen had wat er vóór dien avond in het Gouden Kruis was voorgevallen,” vervolgde Martha, „kwam de bittere gedachte bij mij op, dat de menschen zich zouden herinneren, hoe zij met mij had omgegaan, en meenen dat ik haar verleid had om denzelfden weg te bewandelen als ik ben ingeslagen. En toch, de Hemel alleen weet dit, ik zou mijn leven hebben willen geven om haar haar goeden naam terug te bezorgen.”

Zij was langen tijd ontwend geweest zich te beheerschen, zoodat zij thans zich ook niet wist te matigen in de uitingen van zelfverwijt en smart.

„Voor haar te sterven zou nog te weinig geweest zijn, maar wat moet ik zeggen?.... Ik zou hebben willen leven!” riep zij uit. „Ik zou hebben willen leven en langs de straten zwerven tot ik oud was en iedereen een afkeer van mij had.... ik zou den dag hebben willen zien aanbreken boven die akelige rijen huizen ten einde de herinnering bij mij op te wekken aan den tijd, toen de zon des morgens in mijn kamertje scheen om mij te wekken—zelfs dat zou ik gedaan hebben, indien ik haar daarmede had kunnen redden!” Zij zonk weder op de steenen neer en nam er een in elke hand en klemde ze tusschen de vingers, alsof zij ze wilde vermorselen. Telkens nam zij weder nieuwe houdingen aan, stak nu eens de armen recht voor zich uit, hield ze een oogenblik later weder voor haar gezicht, alsof zij hare oogen wilde beschutten tegen het zwakke licht, dat deze huiveringwekkende plek bescheen, of steunde het hoofd met de handen, alsof al de herinneringen, die het bevatte, het te zwaar maakten om te dragen.

„Wat kan ik ooit nog doen!” sprak zij, nog steeds wanhopend de handen wringende. „Hoe kan ik zoo blijven voortleven, mij zelve ten vloek en anderen tot schande!” Plotseling wendde zij zich tot baas Peggotty: „Vertrap mij! Dood mij! Toen zij nog uw trots was, zoudt gij mij vervloekt hebben, indien ook maar een tipje van mijn kleed haar had aangeraakt! Hoe zoudt gij één woord, dat over mijne lippen komt, kunnen gelooven? Gij zoudt het eene onoverkomelijke schande achten, indien zij en ik, thans zelfs een woord met elkander spraken! Ik mag niet klagen. Ik weet dat er ook nu nog een breede afgrond is tusschen haar en mij. Ik kan met al de schuld en de ellende, die mij drukken, niets anders zeggen dan dat ik haar eeuwig dankbaar zijn zal en haar liefheb. O, meen toch niet dat al de kracht, om iets of iemand lief te hebben, in mij is uitgebluscht! Jaag mij weg, stoot mij van u, zooals alle menschen doen! Dood mij, omdat ik ben, wat ik ben en haar gekend heb; maar meen niet, dat ik geen liefde meer kan voelen!”

Hij keek op haar neer, terwijl zij daar zoo hartstochtelijk smeekend voor hem lag en toen zij zweeg, hielp hij haar opstaan.

„Martha,” zei hij, „de Hemel verhoede dat ik u zou oordeelen. Ik zal zeker de laatste zijn, die dat doet. Gij kunt niet half weten, welk eene verandering in den loop van den tijd over mij gekomen is. Gij kunt niet weten,” ging hij na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, voort, „gij kunt niet weten, waarom deze heer en ik u wenschten te spreken. Gij kunt niet weten, welk voornemen wij hadden. Luister dus!”

Zijne woorden hadden den gewenschten invloed. Bevend stond zij voor hem en bleef naar den grond kijken, alsof zij bang was zijn blik te ontmoeten; maar hare hartstochtelijke smart was geheel geweken.

„Indien gij gehoord hebt,” vervolgde baas Peggotty, „wat mijnheer Copperfield en ik samen bespraken op dien avond, toen het zoo hard sneeuwde, dan weet gij dat ik de halve wereld heb afgereisd om mijn lief nichtje te zoeken.—Mijn lief nichtje,” herhaalde hij eenige malen. „Want ik houd nu nog meer van haar, Martha, dan ik ooit te voren van haar gehouden heb.”

Zij bracht de handen voor haar gelaat, maar bewaarde het stilzwijgen.

„Ik heb haar meer dan eens hooren vertellen,” vervolgde baas Peggotty, „dat gij heel vroeg uw vader en uwe moeder verloren hebt en geen vriend hadt, die op ruwe zeemansmanier hunne plaats innam. Wellicht kunt gij beseffen dat, als gij zulk een vriend gehad hadt, gij na verloop van tijd van hem hadt leeren houden en dat mijn nichtje zoo goed als eene eigen dochter voor mij was.”

Aangezien zij stond te rillen van zenuwachtigheid en koude, wikkelde hij haar zorgvuldig in den doek, dien hij daartoe eerst had opgeraapt.

„Bovendien weet ik,” ging hij voort, „dat zij even goed tot aan het einde van de wereld met mij zou medegaan, als zij mij nog eens terugzag, als dat zij tot het eindje van de wereld zou vluchten om mij niet te zien; want al twijfelt zij geen oogenblik aan mijne liefde—geen oogenblik,” herhaalde hij, heilig overtuigd van hetgeen hij zeide, „zij zal zich schamen en dientengevolge zouden wij gescheiden blijven.”

Hij sprak elk woord, elke gedachte op zulk een beslisten toon uit, dat ik opnieuw de overtuiging kreeg dat hij het onderwerp, waarmede zijne ziel dag en nacht vervuld was, op alle wijzen en van alle kanten had bekeken en overpeinsd.

„Volgens onze berekening, van mijnheer Copperfield en mij, zal zij zonder twijfel op den eenen of anderen dag arm en verlaten te Londen aankomen. Wij, mijnheer Copperfield en ik en allen gelooven, dat gij zoo onschuldig zijt aan hetgeen is voorgevallen als een pasgeboren kind. Gij hebt gezegd dat zij zoo vriendelijk, zoo lief voor u geweest is. De Hemel zegene het arme kind! Ik weet dat zij het was, dat zij het altijd geweest is voor iedereen. Gij zijt haar dankbaar en hebt haar lief. Help ons daarom, zooveel gij kunt, om haar te vinden en de Hemel zal u beloonen.”

Zij keek hem aan met een blik, waarin twijfel lag; het scheen wel dat zijne woorden haar een weinig overbluften. „Durft gij vertrouwen in mij stellen?” vroeg zij op verbaasden toon.

„Volkomen!” antwoordde baas Peggotty.

„Mag ik met haar spreken, indien ik haar ooit vind? Mag ik haar onder mijn dak nemen, indien ik er zelve een heb? Mag ik dan, zonder dat zij het vermoedt, bij u komen om u te waarschuwen en u bij haar brengen?” vroeg zij gejaagd.

Beiden antwoordden wij tegelijk: „Ja.”

Zij keek ons een voor een aan en verklaarde dat zij haar leven wilde wijden aan de vervulling van deze taak; dat zij nimmer den moed zou opgeven, nimmer zou wankelen, nimmer zich door iets ter wereld daarvan zou laten afleiden. Indien zij hare taak niet trouw vervulde dan was zij waard nog ellendiger, nog wanhopender te worden dan zij dezen avond geweest was en dan, voorzeker, zouden menschen haar niet meer kunnen redden! Zij verhief hare stem geen oogenblik en sprak ons geen van beiden aan, maar staarde onafgewend naar den hemel en daarna zwijgend naar het blinkende water.

Wij achtten het doelmatig haar nu alles te vertellen wat wij wisten, hetgeen ik op mij nam. Zij luisterde met de grootste aandacht en met een gelaat, dat wel is waar dikwijls veranderde, doch waarop voortdurend dezelfde welwillende gezindheid te lezen was. Nu en dan vulden zich hare oogen met tranen, maar zij deed haar best om ze in te houden. Het scheen wel dat zij meende niet te kalm te kunnen zijn.

Toen ik uitgesproken had vroeg zij waar wij te vinden zouden zijn, indien zij iets te melden had. Ik schreef bij het doffe licht van een lantaarn onze beider adressen op een blaadje uit mijn zakboekje, scheurde het er uit en gaf het haar, waarna zij het bij zich stak. Op mijne vraag waar zij zelve woonde, antwoordde zij: „Nergens lang achtereen. Het is beter dat maar niet te weten.”

Baas Peggotty fluisterde mij iets in, waaraan ik zelf ook reeds gedacht had, waarop ik mijne beurs te voorschijn haalde; ik kon haar echter niet overhalen om eenig geld aan te nemen, noch wilde zij beloven dat zij het later zou aannemen. Ik trachtte haar te overtuigen, dat baas Peggotty voor iemand van zijn stand volstrekt niet arm kon genoemd worden en zei haar, dat het ons tegen de borst stuitte, indien zij van haar eigen middelen leven moest, terwijl zij voor ons werkzaam was. Zij bleef echter standvastig, en de invloed van baas Peggotty bleek op dit punt even zwak als de mijne. Zij bedankte ons hartelijk, maar bleef onvermurwbaar.

„Ik zal beproeven werk te krijgen,” sprak zij. „Wellicht gelukt mij dat.”

„Neem dan ten minste onze hulp aan tot gij geslaagd zijt,” antwoordde ik.

„Ik kan hetgeen ik beloofd heb niet doen voor geld,” hernam zij. „Ik zou dat niet kunnen al stierf ik van honger. Indien gij mij geld geeft, ontneemt gij mij uw vertrouwen, ontneemt gij mij al wat gij mij gegeven hebt en wat mij redden kan van de rivier.”

„In naam van onzen Hemelschen Rechter, die ons en u allen richten zal wanneer het oogenblik daar is, zet dat vreeselijke denkbeeld uit uw hoofd! Indien wij willen, kunnen wij allen medewerken ten goede.”

Zij beefde en hare lippen waren bleek toen zij antwoordde:

„Wellicht is het eene bestiering, dat gij hedenavond zulk een rampzalig schepsel moest redden. Deze gedachte jaagt mij angst aan; ze lijkt mij te vermetel toe. Ik begin te hopen dat ik nog tot iets goeds in staat kan zijn, want tot nu toe hebben mijne handelingen tot niets dan kwaad geleid. Voor het eerst sinds langen tijd heb ik twee menschen gevonden, die vertrouwen in mij stellen. Meer verlang ik niet.”

Wederom moest zij hare tranen inhouden en terwijl zij even baas Peggotty met hare hand aanraakte, alsof er eene genezende kracht, die tot deugdzaamheid leidde, van hem uitging, verliet zij ons en wandelde langs den eenzamen weg terug. Waarschijnlijk was zij langen tijd ziek geweest. Toen ik haar wat aandachtiger gadesloeg, merkte ik op dat zij er vermagerd en vervallen uitzag en dat hare ingezonken oogen spraken van lijden en ontbering.

Aangezien wij dezelfde richting uit moesten, volgden wij haar op eenigen afstand, tot wij weder in de verlichte en volkrijke straten kwamen. Ik stelde zooveel vertrouwen in hare verklaringen, dat ik baas Peggotty in bedenking gaf of het niet den schijn zou hebben, dat wij haar wantrouwden, indien wij haar nog verder volgden. Baas Peggotty was van hetzelfde gevoelen en stelde ook volkomen vertrouwen in haar, zoodat wij haar haar eigen weg lieten volgen en zelve dien naar Highgate insloegen. Hij vergezelde mij nog eenigen tijd en toen wij afscheid namen met een bede in ons hart voor den goeden uitslag van deze nieuwe poging, was hij zeer aangedaan, hetgeen ik mij heel goed kon begrijpen.

Het was reeds middernacht toen ik thuis kwam. Ik stond voor mijn eigen tuinhek te luisteren naar de zware tonen van de klokken der St. Paulskerk, die ik boven alle andere uit meende te herkennen, toen ik tot mijne groote verbazing de deur van tante's huisje geopend zag. Een zwakke lichtstraal drong door de reet tot den straatweg door. Meenende dat tante weder door een harer ouderwetsche angstbuien was overvallen en misschien zat te turen naar een denkbeeldigen brand, sloeg ik den weg naar hare woning in. Maar wie schetst mijne verbazing toen ik op hetzelfde oogenblik een man zag staan in haar kleine tuintje! Hij had een glas en eene flesch in de hand en was bezig te drinken. Ik bleef staan achter de dichte heg en herkende bij het licht der maan, die juist achter de wolken te voorschijn kwam, den man, dien ik eerst voor een hersenschim van mijnheer Dick gehouden en later met tante in Londen's straten ontmoet had. Hij at en dronk; blijkbaar met grooten honger en dorst, terwijl hij het huisje van alle kanten bekeek, alsof hij het dezen avond voor de eerste maal aanschouwde. Na de flesch op den grond gezet te hebben, keek hij naar de vensters en daarna in het rond; hij deed dit echter als 't ware tersluiks en alsof hij verlangde weg te komen.

Gedurende een oogenblik werd het licht, dat uit de gang in den tuin scheen, onderschept en tante kwam naar buiten. Zij scheen zeer zenuwachtig en telde hem eenig geld in de hand voor. Ik hoorde het rinkelen.

„Wat kan mij dat helpen?” vroeg hij.

„Ik kan niet meer missen,” antwoordde tante.

„Dan kan ik niet heengaan,” zei hij. „Hier, neem het terug.”

„Slechtaard, die ge zijt!” hernam tante met bevende stem. „Hoe kunt gij mij zoo behandelen? Maar, hoe kan ik dat nog vragen? Gij kent mijne zwakheid.... dat is de reden! Wat moet ik doen om voor altijd van uwe bezoeken verschoond te blijven en u aan uw lot over te laten?”

„En waarom laat gij mij dan niet aan mijn lot over?” vroeg hij.

„Hoe kunt gij mij dat vragen!” zei tante. „Wat moet gij toch door en door slecht zijn!”

Hij stond ontevreden met het geld te rammelen en schudde het hoofd, zeggende:

„Is dat alles wat gij mij geven wilt?”

„Het is alles, dat ik u kan geven. Gij weet, dat ik groote verliezen geleden heb en armer ben dan vroeger. Ik heb u dat verteld. Waarom doet gij mij nu nog het verdriet aan van te blijven, nu ik u gegeven heb wat ik missen kan? Waarom moet ik nog langer aanzien wat er van u geworden is?”

„Ik ben er beroerd genoeg aan toe, als gij dat bedoelt,” zei hij. „Het is geen leven, dat ik leid.”

„Gij hebt mij het grootste gedeelte van hetgeen ik ooit bezeten heb afgetroggeld,” hernam tante. „Gij hebt mij jaren lang het leven verbitterd. Gij hebt mij valsch, ondankbaar, wreed behandeld. Ga heen en tracht berouw te vinden. Voeg geen nieuwe krenkingen bij de lange lijst, die ik van u heb moeten verduren!”

„O!” antwoordde hij. „Dat is alles heel mooi!—Welnu, ik zal het dan vooreerst maar hiermede moeten doen! Dat zie ik wel!”

De tranen van verontwaardiging, die tante in de oogen waren gesprongen, schenen toch een gevoel van schaamte bij hem op te wekken; tenminste hij sloop met gebogen hoofd den tuin uit. Ik deed twee of drie vlugge passen, alsof ik juist aankwam, en ging hem bij den ingang van den tuin voorbij. Onze oogen ontmoetten elkander; naar ik meen, was de blik, waarmede wij elkaar opnamen, echter niet heel vriendelijk.

„Tante!” sprak ik gejaagd. „Heeft die man u weder verontrust? Laat ik eens met hem spreken? Wie is dat toch?”

„Kind,” antwoordde tante, terwijl zij mijn arm nam. „Kom binnen en spreek in de eerste tien minuten niet tegen mij.”

Wij gingen in het kleine zijkamertje zitten. Tante verschool zich achter den grooten, groenen waaier, die aan de leuning van haar stoel was vastgeschroefd, en veegde nu en dan hare oogen af. Na een kwartier ongeveer stond zij op en nam een stoel, die naast mij stond.

„Trot,” sprak zij kalm, „dat is mijn man.”

„Uw man, tante? Ik meende dat uw man dood was!”

„Voor mij is hij dood, Trot.”

Ik staarde haar verbaasd en zwijgend aan.

„Betsey Trotwood maakt niet den indruk alsof zij bijzonder vatbaar is voor teedere hartstochten,” hernam zij op bedaarden toon, „maar er is een tijd geweest, Trot, waarin zij dien man blindelings vertrouwde, waarin zij dien man innig liefhad, waarin zij hem elk bewijs van hare gehechtheid zou gegeven hebben, dat hij maar kon verlangen. Hij heeft hare liefde beloond door eerst haar geld op te maken en toen haar hart te breken. Daarom heeft zij al hare dwaze teerhartigheid voor eeuwig begraven.”

„Beste tante!” riep ik uit.

„Toen wij scheidden heb ik mij edelmoedig getoond, Trot,” ging zij voort, zooals gewoonlijk met hare hand op de mijne, „ik mag, nu er zooveel tijd verloopen is, zeggen, dat ik edelmoedig geweest ben. Hij had mij zoo wreed behandeld, dat ik op gunstiger voorwaarden had mogen aandringen bij de scheiding. Al heel spoedig had hij alles opgemaakt wat ik hem gegeven had; hij zonk al dieper en dieper, trouwde met eene andere vrouw, werd een avonturier, een speler en een zwendelaar. Wat hij nu is, hebt gij gezien. Toen ik met hem trouwde, was hij een knap man,” vervolgde zij met nog iets in hare stem, dat naar trots en bewondering zweemde; „ik geloofde—maar ik was eene zottin—dat hij een man van eer was!”

Zij gaf een druk op mijne hand en schudde even het hoofd.

„Hij is nu niets meer voor mij, Trot... minder dan niets. Liever dan hem voor al zijne misdrijven te laten straffen, hetgeen zonder twijfel gebeuren zou, indien hij hier bleef rondzwerven—geef ik hem meer geld dan ik eigenlijk missen kan, wanneer hij zich nu en dan vertoont. Ik heb dwaas gehandeld, door met hem te trouwen, en in zoover ben ik eene onverbeterlijke dwaas, dat ik, terwille van hetgeen ik eens in hem meende te zien, zelfs de schim van mijne dwaze neiging niet hard kan bejegenen. Want, Trot, ik meende het zoo ernstig, als ooit eene vrouw heeft kunnen doen.”

Tante stapte met een zucht van het onderwerp af en streek hare japon glad.

„Ziezoo, beste!” sprak zij, „nu kent gij het begin, het midden en het einde; gij weet er nu alles van. Wij zullen over dit onderwerp met niemand spreken en er ook tegen elkander over zwijgen. Ik wil deze onverkwikkelijke geschiedenis liever voor mij zelve houden, Trot!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XLVIII

Huiselijke aangelegenheden.

Ik werkte hard aan mijn boek, zonder mij echter te laten storen in de geregelde waarneming van mijne betrekking als snelschrijver, en toen het uitkwam maakte het zeer veel opgang. Ik liet mij niet bedwelmen door den lof, die mij werd toegezwaaid, al deed het mij genoegen en al schreef ik aan mijn werk—daarvan ben ik overtuigd—nog meer waarde toe dan iemand anders. Ik heb meermalen de opmerking gemaakt, dat menschen, die goede redenen hebben om vertrouwen in zich zelven te stellen, zich nooit in de hoogte steken om anderen dat vertrouwen te doen deelen. Mijn gevoel van eigenwaarde deed mij daarom bescheiden zijn en hoe meer men mij prees, hoe meer lof ik trachtte te verdienen.

Het is daarom geenszins mijn voornemen, hoewel deze bladen mijne geheele levensgeschiedenis bevatten voor zoo ver mijn geheugen mij geen parten speelde, het is daarom geenszins mijn voornemen, zeg ik, nog langer over de geschiedenis van mijn letterkundigen arbeid uit te weiden. De romans, die ik geschreven heb, spreken voor zich zelve. Mocht ik er nu en dan eens op terugkomen, dan is dit alleen om mijn eigen geschiedenis zoo volledig mogelijk weer te geven.

Aangezien ik omstreeks dezen tijd gegronde redenen had om aan te nemen, dat aanleg en toeval een schrijver van mij hadden gemaakt, volgde ik deze roeping met vertrouwen. Ik had moeten trachten uit te vinden wat aanleg en toeval werkelijk van mij gemaakt hadden, ten einde dat te wezen en anders niets.

Ik had zooveel succes gehad met mijne artikelen in couranten en tijdschriften, dat ik na deze nieuwe zegepraal meende, mijne taak bij die droge Parlementszittingen wel te kunnen neerleggen. Op zekeren onvergetelijken avond schreef ik voor de laatste maal de muziek van dezen parlementairen doedelzak en na dien tijd heb ik ze niet meer gehoord; toch ontdek ik bij het lezen van de ellenlange verslagen in de nieuwsbladen niet de minste verandering, tenzij ze nog eentoniger en vervelender geworden zijn.

Ik was nu ongeveer anderhalf jaar getrouwd, indien mijn geheugen mij niet bedriegt. Wij hadden na tallooze vergeefsche pogingen afgezien van het voeren van een eigen huishouding en hielden een huisknecht om ons te bedienen. De voornaamste bezigheid van dit jongmensch was te kijven met de keukenmeid; in dit opzicht was hij een volmaakte Whittington, hoewel zonder kat en zonder eenige kans om ooit Lord-Mayor te worden. Als ik aan hem terugdenk zie ik hem altijd voor mij in een hagel van sauspannetjes. Zijn geheele leven scheen één vuistgevecht. Op de meest ongelegen tijdstippen—bijvoorbeeld, als wij een dinertje of des avonds eenige vrienden bij ons hadden—gilde hij om hulp en kwam dan gewoonlijk de keuken uitstuiven met een hagel van de meestongelijksoortige projectielen achter zich aan. Wij zouden hem gaarne zijn congé hebben gegeven, maar hij scheen bijzonder aan ons gehecht te zijn en wilde niet weg. Telkens wanneer dit onderwerp ter sprake kwam, barstte hij in een stroom van tranen uit, zoodat wij bijna genoodzaakt waren hem te houden. Hij had geen moeder meer, zelfs geen andere bloedverwanten—voor zoover ik kon ontdekken—dan eene zuster, die de wijk had genomen naar Amerika, zoodra wij haar van hem verlost hadden; wij waren dus in den waren zin van het woord met hem opgescheept. Hij had een levendig besef van zijn ongelukkigen toestand en stond gewoonlijk zijne oogen af te vegen met de mouw van zijn buis of in gebukte houding zijn neus te snuiten in het uiterste puntje van een klein zakdoekje, dat hij nooit geheel uit zijn zak haalde alsof in de andere punt een geheim verborgen was.

Deze vermaledeide knecht, die wij ter kwade ure tegen een salaris van zes pond en tien shillings per jaar in onzen dienst hadden genomen, was ons een bron van voortdurende kwelling. Ik zag hem dagelijks grooter worden—hij groeide als pronkboonen—en wachtte met een angstig gevoel den tijd af, dat hij zich zou beginnen te scheren, ja zelfs het tijdstip, dat hij kaal of grijs zou zijn. Ik wist niet hoe ik hem ooit zou kunnen kwijt raken en stelde mij al voor welk een lastpost hij zou zijn, wanneer hij eenmaal oud begon te worden. Het is dus niet te verwonderen, dat de ongelukkige wijze, waarop hij mij zelf uit deze moeielijkheid verloste, geheel onverwacht kwam. Hij stal Dora's horloge, dat evenmin als iets wat ons toebehoorende, een vaste plaats had, maakte het te gelde en besteedde de opbrengst—hij had nooit blijk gegeven van veel gezond verstand—aan tochtjes van Londen naar Uxbridge vice versa boven op den omnibus. Indien ik mij goed herinner, werd hij bij gelegenheid van zijn vijftienden rit, in Bow-street opgepakt; hij was toen nog in het bezit van vier shillings en zes stuivers en eene fluit, die hij uit de tweede hand had gekocht, doch waarop hij niet spelen kon.

Deze verrassing en hare gevolgen zouden zonder twijfel veel minder onaangenaam zijn geweest, als hij niet zooveel berouw had getoond. Hij was echter zeer berouwvol en wel op eigenaardige wijze—niet in eens, maar nu en dan. Zoo deed hij den dag nadat ik opgeroepen was geworden om getuigenis af te leggen, bekentenissen aangaande een mand in onzen kelder, die, naar wij meenden, vol wijn was en niets bevatte dan ledige flesschen en kurken. Wij leefden voort in de hoop, dat hij nu zijne ziel geheel had ontlast en het ergste had verteld wat hij van de keukenmeid wist, maar een paar dagen later scheen zijn geweten opnieuw te knagen en bracht hij aan het licht dat zij een klein meisje had, dat elken morgen ons brood kwam weghalen, en hoe hij zelf den melkboer geregeld met steenkolen betaald en het geld voor de melk in den zak gehouden had. Eenige dagen later ontving ik van de rechtbank het bericht dat er volgens zijne bekentenissen ossenribben in de keukenkast en tafellakens in de voddenmand moesten verborgen zijn. Nog eenigen tijd later sloeg hij eene geheel nieuwe richting in door zijne bekendheid mede te deelen met een plan om in onze woning in te breken. De hoofdaanlegger, een jongen uit eene herberg in onze buurt, werd daarop onmiddellijk in hechtenis genomen. Ik schaamde mij diep omdat ik het slachtoffer was geweest van zooveel oplichterijen en zou hem gaarne eenig geld hebben gegeven als hij zijn tong maar in bedwang wist te houden, of den een of ander hebben willen omkoopen om hem in de gelegenheid te stellen het hazenpad te kiezen. Het ergste van alles was, dat hij meende mij met elke bekentenis een dienst te bewijzen en daardoor eenige vergoeding te schenken voor hetgeen hij zelf bij mij misdreven had.

Eindelijk liep ik zelfs weg, wanneer ik een afgezant van de politie zag aankomen met eene nieuwe ontdekking, en hield ik mij zooveel mogelijk schuil tot men hem goed en wel gedeporteerd had. Maar ook in het vreemde land kon hij geen rust vinden en ons niet met rust laten; hij schreef telkens brieven en eer hij vertrok verzocht hij zoo dringend Dora nog eens te zien, dat zij niet kon nalaten aan zijn verzoek gevolg te geven en eene flauwte kreeg, toen de deur van de cel achter haar gesloten werd. Kortom ik had geen rust voor hij het vaderland achter den rug had en zich ergens—ik weet volstrekt niet in welk land—als schaapherder had verhuurd.

Alles te zamen stemde mij tot ernstig nadenken en deed mij inzien dat wij op een verkeerden weg waren; ik kon dan ook niet nalaten Dora op zekeren avond, toen wij met ons beiden alleen waren, en niettegenstaande mijne innige liefde voor haar, deelgenoot te maken van mijne overpeinzingen.

„Lieveling,” zei ik, „ik vond het hoogst onaangenaam, pijnlijk zelfs, dat ons gemis aan orde en onze geringe kennis van het huishouden, nu wij zelve er aan gewend zijn, anderen nadeel berokkent.”

„Gij hebt lang gezwegen; gaat gij mij nu weer beknorren?” vroeg Dora.

„Neen, lieveling, waarlijk niet! Laat ik u maar eens uitleggen wat ik bedoel.”

„Mij dunkt, dat ik het niet behoef te weten,” zei Dora.

„Maar ik acht het noodig dat gij 't weet, beste; zet Jip nu eens op den grond.”

Dora duwde Jip's neus tegen den mijne en zei „Boe!” ten einde mijne ernstige stemming te verjagen; maar toen zij daarin niet slaagde, joeg zij Jip naar zijne pagode en bleef mij met gevouwen handen in stille berusting aankijken.

„De zaak is, lieveling,” begon ik, „dat wij de een of andere smetstof bij ons hebben en allen, die met ons in aanraking komen, aansteken.”

Ik zou waarschijnlijk zijn voortgegaan in dezen figuurlijken zin, indien Dora's gezichtje mij niet verraden had dat zij een of ander geneesmiddel of eene nieuwe wijze van vaccine van mij scheen te verwachten om deze kwaal in ons te dooden. Ik besloot dus recht op het doel af te gaan.

„Niet alleen, vrouwtje, dat wij noodeloos geld uitgeven en vele genoegens missen, ja, zelfs ons humeur nu en dan bederven door onze zorgeloosheid, maar wij laden de verantwoordelijkheid op ons, dat wij ieder, die in onzen dienst of met ons in aanraking komt, totaal bederven. Ik begin te vreezen, dat de fout niet geheel aan één kant ligt, maar dat al die menschen slecht worden omdat wij niet goed zijn.”

„O, welk eene beschuldiging!” riep Dora met wijdgeopende oogen, „te zeggen dat gij mij ooit gouden horloges hebt zien wegnemen! Foei!”

„Maar liefste!” zei ik, „spreek nu toch niet zulken nonsens! Wie heeft zelfs maar eene toespeling gemaakt op gouden horloges?”

„Gij zelf,” antwoordde zij. „Gij weet dat heel goed. Gij hebt gezegd dat ik niet goed ben en mij met hem op ééne lijn gesteld.”

„Met wien?”

„Met dien knecht,” snikte Dora. „Wreede man, om uwe vrouw, die u zoo lief heeft, met een weggejaagden en gedeporteerden knecht te vergelijken! Waarom hebt gij mij niet, voor wij trouwden, gezegd hoe gij over mij dacht? Waarom hebt gij mij niet gezegd, dat gij mij met een gedeporteerden knecht zoudt vergelijken? Hardvochtige man! Hoe kunt gij zoo slecht over mij denken? O, hoe vreeselijk!”

„Dora, Dora,” antwoordde ik, tegelijkertijd eene poging doende om zachtjes den zakdoek weg te trekken, dien zij voor hare oogen hield, „dat is niet alleen belachelijk, maar onrechtvaardig tevens. In de eerste plaats echter is hetgeen gij zegt niet waar.”

„Gij hebt altijd gezegd dat hij een leugenaar was en nu zegt gij hetzelfde van mij,” ging zij al snikkend voort. „O, wat moet ik beginnen! Wat moet ik beginnen!”

„Mijn liefste vrouwtje,” hernam ik, „ik moet u werkelijk dringend verzoeken wat verstandiger te zijn en te luisteren naar hetgeen ik zeg. Indien wij niet leeren wat onze plicht is tegenover de menschen, die wij in onzen dienst hebben, leeren zij ook nooit wat hun plicht is tegenover ons. Ik vrees, dat wij onze bedienden in de gelegenheid stellen om kwaad te doen en dat wij daartegen op onze hoede moesten zijn. Zelfs al was het onze verkiezing om zoo onachtzaam te zijn in alles, als wij zijn—en dat is het niet—zelfs indien wij 't aangenaam vonden zoo te zijn—hetgeen niet het geval is—ben ik toch overtuigd, dat wij zoo niet mogen voortgaan. Wij bederven onze bedienden in den grond en zijn verplicht dat te bedenken. Ik denk er tenminste voortdurend aan, Dora, en ik kan die gedachte niet van mij afzetten; ze vervolgt mij dag en nacht. Dat is alles, liefste. Kom nu eens bij mij en wees niet zoo dwaas!”

Dora wilde mij voorloopig niet toestaan den zakdoek weg te nemen. Zij zat daarachter te snikken en te mompelen en te vragen waarom ik dan ooit met haar getrouwd was? Waarom had ik niet gezegd, dat ik zoo over haar dacht, eer wij naar de kerk waren gereden! Waarom zond ik haar dan maar niet terug naar hare tantes in Putney of naar Julia Mills in Indië, als ik haar niet langer kon uitstaan? Julia Mills zou heel blij zijn als zij haar zag en haar zeker niet met een gedeporteerden knecht vergelijken. Julia had haar nooit zoo genoemd. Kortom, Dora was zoo diep bedroefd en bracht mij door haar snikken zoo van streek, dat ik wel inzag op zulk eene wijze niet verder te zullen komen, zoodat ik een anderen weg moest inslaan.

En welke weg bleef mij over? Haar te „ontwikkelen”! Ja, dat klonk mij veelbelovend in de ooren. Ik moest haar geest meer ontwikkelen! En ik begon van stonde aan. Als Dora zich wat kinderachtig aanstelde en ik er de voorkeur aan zou hebben gegeven haar in die stemming te laten, deed ik mijn best om heel ernstig te zijn en—bracht haar uit haar humeur en mij zelf er bij. Ik besprak met haar hetgeen mijne gedachten bezighield, ik las Shakespeare met haar en—verveelde haar uitermate. Ik nam de gewoonte aan om haar, als het ware bij toeval, nuttige wenken en kleine lessen te geven, maar als ik er mede begon, schrikte zij alsof ik vuurzwermen afstak. Hoe ik mij ook inspande om, als bij toeval, ongezocht den geest van mijn vrouwtje te ontwikkelen, het scheen wel, dat zij instinctmatig begreep wat ik bedoelde en dan bekroop haar terstond een gevoel van angst. Vooral Shakespeare was haar een doorn in het oog. Men begrijpt dat ik met mijne ontwikkeling slechts matig vorderde.

Traddles werd, zonder dat hij het wist, geprest om mij te dienen; telkens wanneer hij kwam, liet ik mijne volgeladen mijnen tegen hem springen ten einde Dora zijdelings een lesje te geven. De hoeveelheid practische wijsheid, die ik tegen Traddles losliet, was ontzettend; maar ze had op Dora geen anderen invloed dan dat ik haar humeur bedierf en haar zenuwachtig maakte, want zij was altijd bevreesd, dat nu weder de beurt aan haar zou komen. Ik vergeleek mij zelven met een schoolmeester of een vogelknip, speelde telkens voor spin, die het onschuldige vliegje, Dora, in haar web trachtte te vangen en het was hartverscheurend hare ontsteltenis te zien, wanneer ik uit mijn schuilhoek te voorschijn kwam.

Toch staarde ik voortdurend heen over dit tusschentijdperk naar den tijd, waarop er volmaakte sympathie zou bestaan tusschen Dora en mij en ik haar geest ontwikkeld zou hebben tot mijn en haar genoegen. Maanden lang duurde deze toestand zoo voort. Eindelijk echter, na al dien tijd als een egel of een waakhond op de loer gelegen te hebben, begon ik in te zien, dat ik niets verder was gekomen en kwam de gedachte in mij op, dat Dora's geest reeds den hoogsten graad van ontwikkeling bereikt had. Bij verder nadenken kwam mij dit zelfs zoo waarschijnlijk voor, dat ik mijn plan,—in woorden zoo veelbelovend, doch inderdaad zoo weinig doeltreffend—liet varen en besloot voortaan tevreden te zijn met mijn kind-vrouwtje, zooals zij nu eenmaal was, en niet te beproeven iets anders van haar te maken. Ik was het moede altijd alleen de wijze en de voorzichtige te zijn en mijn lieveling in angstige spanning te zien. Ik kocht daarom een mooi stel oorbellen voor haar en een halsband voor Jip en kwam daarmede op zekeren dag thuis, hopende er veel mede te zullen goed maken.

Dora was heel blij met haar cadeautjes en kuste mij hartelijk, maar de schaduw bleef tusschen ons en ik had het plan, die geheel te doen verdwijnen. Moest er nog eene schaduw overblijven, dan mocht die alleen zijn in mijn eigen hart.

Ik zat bij mij vrouwtje op de sofa, en maakte de belletjes in hare oortjes vast, waarna ik begon te zeggen, dat ons leven in den laatsten tijd niet zoo aangenaam geweest was als vroeger, en dat ik daarvan de schuld droeg. Ik meende dit oprecht, want ik zag in dat het zoo was.

„Zal ik u eens eerlijk zeggen, Dora, hoe dat kwam? Ik wilde al te verstandig zijn.”

„En gij wildet mij ook zoo erg verstandig maken, nietwaar Doady?”

Ik knikte toestemmend naar de mooie hoog opgetrokken wenkbrauwen en gaf haar een kus op het half geopende mondje.

„Het baat u geen zier,” zei Dora, haar hoofdje schuddend, zoodat de nieuwe oorbelletjes rinkelden. „Gij weet nu eenmaal dat ik een klein, dom ding ben, en gij weet ook, hoe gij mij zoudt noemen. Ik heb u dat den eersten dag van ons huwelijk al gevraagd, is 't niet? Als gij dat niet doen kunt, dan zullen wij, vrees ik, nooit gelukkig zijn. Zijt gij er wel zeker van, dat somtijds de gedachte niet in u opkomt of het niet beter ware, indien...”

„Wat, liefste?” vroeg ik, want zij scheen niet te willen voortgaan.

„Niets!”

„Niets!” herhaalde ik.

Zij sloeg de armen om mijn hals en lachte en noemde zich zelve bij haar geliefkoosden naam—een gansje—en verborg haar gezichtje tegen mijn schouder, maar het ging zoo schuil tusschen den overvloed van krullen, dat ik moeite had om ze alle weg te strijken.

„Of ik niet denk, dat het beter geweest zou zijn niets te doen dan mijn kleine vrouwtje te plagen?” zei ik, in mij zelven lachend. „Bedoelt gij dat? Ja, dat geloof ik wel. Ik wilde uw geest verder ontwikkelen, begrijpt ge?”

„Hebt gij dat willen doen! O, wat een vreeselijke man zijt gij toch!”

„Ik zal het niet meer beproeven, hoor, want ik heb haar hartelijk lief zooals zij is.”

„Meent gij dat oprecht... waarlijk?” vroeg Dora en vlijde zich dicht tegen mij aan.

„Waarom zou ik trachten te veranderen wat mij al zoo lang lief en dierbaar is geweest?” vroeg ik. „Gij kunt u niet beter voordoen dan wanneer gij mijn eigen lieve Dora zijt; wij zullen dus geen proeven meer op u nemen, maar onzen gang gaan zooals vroeger; toen waren wij immers veel gelukkiger?”

„Ja, wij moeten weer gelukkiger worden!” antwoordde Dora. „Ja, elken dag! En gij zult dus niet meer boos worden als er iets een heel klein beetje verkeerd gaat?”

„Neen, neen!” zei ik. „Wij moeten ons best maar doen zooveel wij kunnen.”

„En zult gij mij nooit meer zeggen dat wij andere menschen slecht maken?” vroeg Dora op vleienden toon. „Dat was zoo vreeselijk stout van je!”

„Neen, neen!” antwoordde ik.

„Het is toch beter als ik een beetje dom ben dan dat ik verdriet heb, is 't niet?”

„Het beste is als gij heel natuurlijk zijt, Dora.”

Zij schudde hare krullen in 't rond, keerde hare oogen, die van blijdschap straalden, naar mij toe, kuste mij herhaaldelijk, barstte in een vroolijke lachbui uit en sprong toen op, om Jip den nieuwen halsband om te doen.

Zoo eindigde mijne laatste poging om eene verandering in Dora te brengen. Ik was ongelukkig geweest in mijn streven, ik kon mijn eigen wijsheid niet uitstaan, veel minder haar in overeenstemming brengen met Dora's wensch om haar als mijn kind-vrouwtje te beschouwen. Ik besloot daarom in alle kalmte te doen wat mogelijk was om wat meer regel in onze huishouding te brengen; maar ik zag in dat ik er heel weinig aan doen kon, zonder opnieuw de rol van spin te spelen of als een waakhond op de loer te liggen. De schaduw, waarvan ik sprak, was tusschen ons verdwenen; ze bleef veilig bewaard in mijn eigen hart. Hoe? Het oude, ongelukkige gevoel bleef mij altijd bij. Indien er al eenige wijziging in gekomen was, dan was het sterker geworden; maar het was zoo onbepaald als ooit en had een uitwerking op mij als treurige muziek, die in den nacht flauwtjes tot ons doordringt. Ik had mijn vrouwtje hartelijk lief; ik was gelukkig; maar het was niet het geluk, dat ik gedroomd had—er ontbrak iets aan.

Ten einde de taak, die ik op mij genomen heb, getrouw te vervullen, namelijk al wat er in mijne ziel is omgegaan en in mijn geheugen is bewaard, aan deze bladzijden toe te vertrouwen, dien ik mijn hart nog eens aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Hetgeen ik miste, beschouw ik thans—en beschouwde ik altijd—als een droom uit den tijd, toen mijne jeugdige verbeelding mij parten speelde; als iets dat niet aangevuld kon worden. Evenals alle menschen kwam ik eerst later tot die ontdekking en deze ontdekking vervulde mij met leedwezen. Maar ik wist ook dat het beter voor mij zou geweest zijn, indien mijne vrouw mij meer had kunnen steunen, mij had kunnen helpen om de gedachten te verwezenlijken, die mij thans alleen bezig hielden. En ik wist ook, dat zulk een lot mijn deel had kunnen zijn! Ik werd geslingerd tusschen twee onvereenigbare gevolgtrekkingen, terwijl ik mij niet bewust was dat de eene lijnrecht stond tegenover de andere; ik dacht dat hetgeen ik voelde algemeen gevoeld werd, onvermijdelijk was en te gelijkertijd meende ik, dat mij alleen dit lot beschoren was en dat het niet zoo had behoeven te zijn. Wanneer ik dacht aan de luchtkasteelen uit mijne jeugd, dan kwamen mij ook de jaren in mijne herinnering, die den mannelijken leeftijd waren voorafgegaan; dan rezen de heerlijke dagen, met Agnes in het oude huis doorgebracht, voor mij op, als schimmen van dooden, die, ja in eene andere wereld konden herleven, maar hier beneden nimmer, nimmermeer zouden opgewekt worden.

Somtijds kwam de gedachte in mij op, wat er zou gebeurd zijn of gebeurd kunnen zijn, indien Dora en ik elkander nooit hadden ontmoet? Maar zij was zoo geheel in mijn bestaan ingeweven, dat ik aan geen onvruchtbaarder gedachte voedsel had kunnen geven.

Ik bleef veel van Dora houden. Hetgeen ik hier beschrijf, lag in den diepsten schuilhoek van mijn hart te sluimeren, om nu en dan even te ontwaken en terstond weder in te slapen. Ik liet het in geen enkel opzicht blijken; het had, voor zoover ik weet, geen invloed op iets dat ik zei of deed. Ik droeg den last van al onze kleine zorgen en van al mijne plannen en voornemens; Dora hield de pennen vast en wij voelden beiden dat ons aandeel zeer juist was afgemeten. Zij hield zielsveel van mij en wanneer Agnes in hare brieven met een enkel woord melding maakte van den trots, waarmede mijne oude vrienden mijn toenemend succes gadesloegen en mijn boek lazen alsof zij mij hoorden spreken, las Dora mij die brieven voor met tranen in hare schitterende oogen en zei dat ik een beste, knappe jongen was en nog eens beroemd zou worden. „De eerste blinde neiging van een onervaren hart.” Deze woorden van mevrouw Strong klonken mij in dit tijdperk van mijn leven herhaaldelijk in de ooren, waren bijna onafgebroken in mijne gedachten. Meermalen werd ik des nachts wakker met deze woorden op de lippen, ja, ik herinner mij zelfs, dat ik ze in mijn droomen op muren en schuttingen heb gelezen. Ik wist nu dat mijn eigen hart nog onervaren was toen ik verliefd werd op Dora; ik wist dat, ware het ervaren geweest, ik in mijn huwelijk nooit had kunnen voelen wat thans in den diepsten schuilhoek van mijn hart verborgen lag.

„Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer geest en aanleg niet overeenstemmen.” Ook deze woorden herinnerde ik mij. Ik had getracht Dora voor mij geschikt te maken en bevonden dat het onmogelijk was. Er bleef nu niets anders over dan mijzelven voor Dora geschikt te maken, mijzelven met haar in overeenstemming te brengen zooveel ik kon en gelukkig te zijn; op mijn eigen schouders te laden wat ik dragen moest en toch gelukkig te zijn. Op deze wijze trachtte ik mijn hart te vormen, toen de ervaring gekomen was. Het tweede jaar van mijn huwelijk was dientengevolge veel gelukkiger dan het eerste en wat meer zegt, Dora's leventje was een en al zonneschijn.

Maar toen dit jaar voorbij was, voelde Dora zich niet sterk meer. Ik had gehoopt dat kleinere handen dan de mijne zouden geholpen hebben om haar karakter te vormen, dat een lachend kindermondje mijn kind-vrouwtje tot vrouw gemaakt zou hebben, maar dit mocht niet zoo zijn. Eén oogenblik toefde het zieltje op den drempel van zijn gevangenis, maar het vlood even spoedig weer henen.

* * * * *

„Als ik weer kan rondloopen, zooals ik gewoon was, tante,” zei Dora, „zal ik Jip eens flink laten rennen; hij wordt zoo dik en zoo lui.”

„Ik vermoed, liefste,” antwoordde tante, die bij haar zat te werken, „dat hem nog een andere kwaal plaagt, de ouderdom, Dora.”

„Denkt gij dat hij oud is?” vroeg Dora verbaasd. „O, wat lijkt mij dat vreemd! Jip—oud!”

„Dat is een kwaal, waaraan wij allen moeten gelooven, kleintje, als wij blijven leven,” hernam tante opgeruimd. „Ik voel er mij zelve ook niet meer zoo vrij van als vroeger, dat verzeker ik u.”

„Maar Jip!” zei Dora, terwijl zij haar lieveling medelijdend aankeek, „die kleine Jip ook al! 't Arme dier!”

„Ik beweer niet dat hij 't nog niet lang zal kunnen uithouden, Bloesempje,” zei tante terwijl zij Dora even op de wang tikte. Dora had zich, op de sofa liggende, voorovergebogen om Jip beter te kunnen zien en het dier was uit dankbaarheid op zijne achterpooten tegen haar op gaan staan en deed nu vergeefsche pogingen om op de sofa te klauteren. „Hij moet den volgenden winter een lap flanel in zijn huisje hebben, dan zou het mij niets verbazen als hij er tegen de lente weer vlug en frisch uitkwam. Beware dat beest!” riep tante, „al was hij zoo taai als een kat en al leefde hij zoo lang als een raaf, dan zou hij met zijn laatsten ademtocht nog tegen mij blaffen, dat geloof ik zeker!”

Dora had Jip geholpen en nu zat hij op de sofa zoo woedend tegen tante te blaffen, dat hij telkens omviel van drift. Hoe meer tante hem aankeek, hoe harder hij te keer ging; want tante droeg sinds eenigen tijd een bril en om de een of andere niet te doorgronden reden beschouwde hij dat als eene persoonlijke beleediging.

Dora bewoog hem met veel lieve woordjes om stil te zijn en toen zij daarin geslaagd was, herhaalde zij peinzend, terwijl zij zijne lange ooren om haar vinger draaide: „Zelfs die kleine Jip! Arm dier!”

„Zijne longen zijn sterk genoeg,” zei tante lachend, „en hij kan ook nog flink toonen aan wie hij een hekel heeft. Zonder twijfel kan hij nog vele jaren leven. Maar om met hem om het hardst te loopen, Bloesempje, dat zal niet gaan. Daarvoor heeft hij het te goed gehad! Dan zal ik een ander hondje voor u koopen.”

„Dank u, tante,” zei Dora met zwakke stem. „Doe dat niet!”

„Niet?” vroeg tante haar bril afnemende.

„Ik zou geen ander hondje kunnen hebben dan Jip,” zei Dora. „Het zou zoo hard zijn voor Jip en bovendien kan ik toch van een ander hondje niet zooveel houden, omdat het mij niet, zooals Jip vóór mijn huwelijk gekend en niet tegen Doady geblaft zou hebben, toen hij voor de eerste maal bij ons kwam. Ik vrees dat ik van geen anderen hond zou kunnen houden dan van Jip, tante.”

„Dat is waar!” zei tante, terwijl zij haar nogmaals een tikje op de wang gaf.

„Gij zijt er immers niet boos om, tante?”

„Heb ik nu toch ooit zoo'n gevoelig schepseltje gezien!” riep tante, terwijl zij zich teeder over haar heenboog.

„Hoe zou ik boos op u kunnen zijn!”

„Neen, neen, ik meende het ook eigenlijk niet,” antwoordde Dora, „maar ik ben wat moe en als ik over Jip praat word ik altijd een beetje weekhartig, begrijpt u? Jip heeft zooveel met mij doorleefd, nietwaar Jip? Ik zou onmogelijk afstand van hem kunnen doen, nu hij wat ouder wordt.... zou ik wel, Jip?”

Jip nestelde zich op een warm plekje bij zijn meesteres en likte hare hand.

„Gij zijt nog niet zoo oud, nietwaar Jip, dat gij uw meesteresje nu al alleen zoudt laten!” sprak Dora. „Wij houden elkaar nog wat gezelschap, is 't niet?”

Innig geliefde Dora. Toen zij den volgenden Zondag beneden kwam om te eten en zoo blijde was onzen ouden Traddles weer te zien—Traddles gebruikte elken Zondag bij ons het middagmaal—meenden wij dat zij wel spoedig weer door den tuin zou rennen met haar lieveling. Maar het was: wacht nog een paar dagen, en toen deze voorbij waren, was het nogmaals: wacht nog een paar dagen, en zoo voort. Zij was allerbekoorlijkst en zoo vroolijk als ooit, maar de voetjes, die zoo vlug om Jip heen huppelden, kwamen niet meer in den tuin. Ik begon haar 's morgens en 's avonds de trap af en op te dragen en dan sloeg zij de armen om mijn hals en lachte, alsof ik het deed om eene weddenschap te winnen. En Jip blafte en sprong om ons heen en liep vooruit en keek op het portaal hijgend achterom, vreezende, dat wij hem niet volgden. En tante, de zorgvuldigste en vroolijkste ziekenoppaster, die ik ooit heb ontmoet, volgde ons met kussens en doeken.

Mijnheer Dick zou zijn betrekking als lantaarndrager aan niemand hebben willen afstaan en Traddles stond meermalen aan de trap ons op te wachten en ontving dan allerlei grappige boodschappen van Dora voor het liefste meisje van de wereld. Zoo maakten wij er bijna een vroolijken optocht van en mijn kind-vrouwtje was de vroolijkste van allen.

Maar, somtijds, als ik haar opnam en voelde, dat zij al lichter en lichter werd, overviel mij een kille huivering, alsof ik eene onbekende ijsvlakte naderde en het bloed in mijne aderen stolde. Ik durfde aan dit gevoel geen naam geven of er met iemand ter wereld over spreken; totdat ik op zekeren avond, toen ik er geheel mede vervuld was en tante met een „Goeden nacht, Klein Bloesempje” afscheid had genomen, alleen aan de schrijftafel bleef zitten schreien, denkende welk een vreeselijke naam dat gevoel had en hoe de bloesem, nog eer zij geheel ontloken was, reeds verwelkte.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XLIX. Geheimenissen

Op zekeren morgen ontving ik over de post den volgenden brief uit Canterbury aan mijn adres in Doctors' Commons en ik las dien met verbazing. Hij luidde:

„Waarde Heer!

Omstandigheden buiten mijn wil hebben gedurende langen tijd aanleiding gegeven tot een intermezzo in onzen vriendschappelijken omgang, waarvan de herinnering, telkens wanneer mijne beroepsbezigheden mij den tijd gunden, om het verleden in mijn geheugen terug te roepen, de aangenaamste gewaarwordingen bij mij opwekte en steeds bij mij opwekken zal. Deze omstandigheid, geachte heer, gevoegd bij de onderscheiding, welke aan uwe niet genoeg te prijzen talenten is ten deel gevallen, belet mij zoo vermetel te zijn.... kortom, de vrijheid te nemen den metgezel uit vroeger dagen met den gemeenzamen naam van Copperfield toe te spreken! Het is voldoende te weten dat de naam van den persoon, tot wien ik de eer heb mij thans te richten, in de oorkonden van ons huis is bewaard—ik bedoel hiermede in de archieven van onze vroegere huurders, welke mevrouw Micawber onder hare hoede heeft genomen—dat wij ons dien naam niet alleen met gevoelens van ware achting maar ook met warme genegenheid herinneren.

Het past niet aan iemand, die ten gevolge van vroegere misslagen en van een toevalligen samenloop van omstandigheden het best te vergelijken is met eene gestrande bark—ik weet niet of het hem zelfs wel past zulk een zeeterm op zich zelven toe te passen—aan iemand, die thans de pen opneemt om aan u te schrijven.... ik weet niet of het zoo iemand wel past, herhaal ik, een gemeenzamen toon aan te nemen. Indien echter uwe meer belangrijke bezigheden u toestaan deze onvolmaakte letteren te ontcijferen—hetgeen de omstandigheden zullen moeten beslissen—zult gij natuurlijk vragen wat de aanleiding zijn kan tot dit schrijven. Vergun mij u te zeggen, dat ik het redelijke van deze vraag volkomen begrijp en voortga met eene uitvoerige beantwoording, echter voorop stellende, dat er geen onderwerp van finantiëelen aard aan ten grondslag ligt.

Zonder mij zelven een zeker verborgen talent toe te schrijven—hoewel het mogelijk is, dat ik het bezit—om den bliksemschicht te zwaaien of een verterend vuur op iemands hoofd te doen neerdalen, mag ik mij wel veroorloven in het voorbijgaan te doen opmerken, dat mijne schoonste droomen voor altijd vervlogen zijn.... dat mijne vrede is verstoord en mijne vatbaarheid voor genot is uitgebluscht.... dat mijn hart niet langer op de rechte plaats is.... dat ik niet meer met opgerichten hoofde voor mijne medemenschen kan verschijnen. De bloem is geknakt. De beker is tot den rand gevuld met bitterheid, de worm knaagt en zal spoedig zijn slachtoffer verteerd hebben. Hoe eer, hoe beter. Maar ik wil niet uitweiden.

Onder den druk van smartelijke ervaringen, waarop zelfs de verzachtende invloed van mevrouw Micawber geen uitwerking heeft, niettegenstaande zij die uitoefent in haar drieledig karakter van vrouw, echtgenoote en moeder, is het plan in mij opgekomen gedurende een kort tijdsbestek aan mij zelven te ontvluchten en gedurende achtenveertig uren een bezoek te brengen aan Engelands hoofdstad, ten einde mij te verpoozen bij eenige genietingen uit vroeger dagen. Onder meerdere vredige havens zullen mijne schreden zich natuurlijk ook wenden naar King's Bench. Vermeldende dat ik—Deo Voluntas—mij overmorgenavond te 7 uren precies bevinden zal aan de buitenzijde van den zuidelijken muur van voormeld gebouw, is het eigenlijk doel van dit schrijven bereikt.

Ik wil niet zoo vermetel zijn mijn voormaligen vriend, den heer Copperfield, of mijn voormaligen vriend, den heer Thomas Traddles van de Inner Temple—indien deze nog in leven is—te verzoeken mij aldaar te komen begroeten en—voor zoover dat mogelijk is—de betrekkingen uit vroeger dagen weder aan te knoopen. Ik bepaal mij tot de kennisgeving, dat op het aangegeven uur op genoemde plaats zullen te vinden zijn de overblijfselen van

Een gevallen toren. WILKINS MICAWBER.

P.S. Het is wellicht raadzaam hieraan toe te voegen, dat mevrouw Micawber omtrent bovengenoemd voornemen niet in vertrouwen is genomen.”

Ik las den brief eenige malen over. Hoewel ik mijnheer Micawber's gezwollen stijl zoowel als zijne gewoonte om over de eenvoudigste onderwerpen in zijne brieven breedvoerig uit te weiden, kende, vermoedde ik toch op den bodem van dit omslachtig epistel meer dan eene gewone „ongelegenheid.” Ik peinsde er over na, las den brief nog eens en nog eens over, en maakte allerlei onderstellingen, toen plotseling Traddles voor mij stond.

„Beste kerel,” zei ik, „gij komt juist van pas, om mij met uw helder oordeel bij te staan. Ik heb een hoogst zonderlingen brief ontvangen van mijnheer Micawber, Traddles.”

„Wat zegt gij!” riep Traddles. „Dat meent gij immers niet! Ik heb er een van mevrouw Micawber ontvangen!”

Dit zeggende haalde Traddles, die een kleur had van de wandeling en wiens haren van verbazing overeind stonden, alsof hij zooeven een levend spook had gezien, den bewusten brief te voorschijn en ruilde dien met den mijnen. Ik bespiedde zijn gelaat tot hij in het midden van mijnheer Micawber's brief was gekomen, en beantwoordde toen zijn verbaasden blik, waarmee hij uitriep: „‚den bliksemschicht te zwaaien of een verterend vuur op iemands hoofd te doen neerdalen’. Goede Hemel, Copperfield! Wat moet dat beduiden!” Daarna ging ik over tot de lezing van mevrouw Micawber's schrijven. Dit luidde aldus:

„Mijne hartelijke groeten aan mijnheer Thomas Traddles, en indien hij zich nog iemand wil herinneren, die zich in vroeger dagen tot zijne goede kennissen mocht rekenen, verzoek ik gedurende eenige oogenblikken zijne aandacht.

Ik verzeker mijnheer Th. T. dat ik van zijne goedheid geen misbruik zou durven maken, indien ik niet der wanhoop bijna ten prooi ware.

Hoe hartverscheurend het ook voor mij is, ik ben verplicht mede te deelen dat de aanleiding tot dit schrijven gelegen is in de vervreemding, welke mijnheer Micawber in den laatsten tijd aan den dag legt ten opzichte van zijne vrouw en kinderen. Mijnheer Traddles kan zich geen voorstelling maken van de verandering, welke in den vroeger zoo huislijken mijnheer Micawber heeft plaats gegrepen, noch van zijne opvliegendheid en zijne woestheid. Zoozeer zijn die toegenomen dat ik niet kan nalaten aan verstandsverbijstering te gelooven. Ik kan mijnheer Traddles verzekeren dat er geen dag voorbijgaat zonder eene of meer uitbarstingen. Mijnheer T. zal niet verlangen dat ik mijne gewaarwordingen schets wanneer ik hem meedeel, dat ik er aan gewoon ben geworden mijnheer Micawber te hooren verzekeren dat hij zich aan den D.... verkocht heeft. Geheimzinnigheid en achterhoudendheid zijn de meest in het oog loopende trekken van zijn karakter, van hem, die vroeger zoo mededeelzaam was en een onbeperkt vertrouwen stelde in mij, zijne echtgenoote. De geringste aanleiding, zelfs de vraag wat hij verlangt te eten, noopt hem over echtscheiding te spreken. Gisterenavond nog deed de onschuldige vraag om twee stuivers voor citroenballetjes—eene snoeperij, die hier te bekomen is—hem een oestermes opnemen tegen de tweelingen!

Ik verzoek mijnheer Traddles mij te verontschuldigen omdat ik in zulke bijzonderheden afdaal. Zonder deze zou mijnheer Traddles zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken van den hartverscheurenden toestand, waarin ik mij bevind.

Mag ik het nu wagen mijnheer T. de aanleiding tot dit schrijven toe te vertrouwen? Wil hij mij nu vergunnen zijne vriendelijke belangstelling in te roepen? O, ja, daarvoor ken ik hem te goed!

Eene liefhebbende vrouw ziet scherp, mijnheer T. Mijnheer Micawber gaat naar Londen. Hoewel hij met opzet zijne hand verborgen hield, toen hij heden morgen voor het ontbijt het adres schreef voor het bruine valiesje, dat mij aan gelukkiger dagen herinnerde, ontwaarde de arendsblik der beangstigde vrouw en moeder duidelijk het schrijven van de letters D, O, N. De diligence van hier op Londen houdt stil aan de herberg Het Gouden Kruis in West-End. Mag ik mijnheer Traddles smeeken mijn verdoolden echtgenoot daar op te zoeken en te trachten hem tot rede te brengen? Mag ik mijnheer T. verzoeken te trachten mijnheer Micawber met zijn diepbedroefde familie te hereenigen? O, het is te veel! Ik vraag u te veel, dat weet ik!

Mocht mijnheer Copperfield zich iemand herinneren, wier naam nog niet met roem is beladen, wil mijnheer T. dan op zich nemen hem mijne onveranderlijke achting te betuigen en hem hetzelfde verzoek overbrengen? In elk geval zal mijnheer T. zoo welwillend zijn deze mededeelingen stipt geheim te houden en er onder geen voorwendsel iets van aan mijnheer Micawber te laten blijken. Mocht mijnheer T. dit schrijven willen beantwoorden,—hetgeen ik echter niet anders dan hoogst onwaarschijnlijk kan achten—dan is het adres: aan M. E. poste restante Canterbury. Aldus zou zijne goedheid minder pijnlijke gevolgen na zich slepen dan een brief aan het adres van

Mijnheer Traddles' diepbedroefde vriendin EMMA MICAWBER.”

„Wat is uw oordeel over dezen brief?” vroeg Traddles, nadat ik dien twee malen gelezen had.

„Wat is uw oordeel over den anderen?” vroeg ik. Hij zat nog met gefronste wenkbrauwen te lezen.

„Ik ben van meening, Copperfield,” antwoordde Traddles, „dat deze twee brieven meer te kennen geven dan mijnheer en mevrouw Micawber gewoon zijn in hunne brieven te kennen te geven—maar ik weet niet wat. Ze zijn beiden te goeder trouw geschreven, daaraan twijfel ik geen oogenblik. Het is geen doorgestoken kaart. Arme vrouw!” Hij had nu het oog op mevrouw Micawber's brief en wij stonden naast elkander en vergeleken ze met elkaar. „In elk geval eischt de menschlievendheid dat wij haar antwoorden, om haar te vertellen dat wij zonder twijfel mijnheer Micawber zullen opzoeken.”

Ik stemde hierin te gereedelijker toe omdat ik eenige wroeging begon te gevoelen. Ik had haar vorigen brief wel wat al te luchtig behandeld. Zooals ik ook heb meegedeeld, had ik lang over dien brief nagedacht, maar mijn eigen zorgen, mijn drukke bezigheden, de ondervinding, die ik omtrent de familie had opgedaan, hadden mij, toen ik verder niets meer hoorde, de geheele zaak doen vergeten. Ik had dikwijls aan de familie Micawber gedacht, voornamelijk om mij te verbazen over de „finantiëele verplichtingen,” die zij nu weder te Canterbury konden hebben aangegaan, en om mij te herinneren hoe omzichtig mijnheer Micawber in zijne woorden geworden was nadat hij klerk was van Uriah Heep.

Ditmaal echter schreef ik uit ons beider naam een geruststellenden brief aan mevrouw Micawber en wij teekenden dien beiden. Terwijl wij stadwaarts gingen om dien brief op de post te bezorgen, hadden Traddles en ik veel met elkander te bespreken en verdiepten wij ons in bespiegelingen, die ik hier niet behoef te herhalen. 's Namiddags hielden wij raad, met tante als derde persoon, maar het eenige besluit, waartoe wij konden komen, was dat wij mijnheer Micawber's uitnoodiging zouden aannemen en niet zouden verzuimen op het bepaalde uur op de aangegeven plaats tegenwoordig te zijn.

Een kwartier voor het door mijnheer Micawber genoemde tijdstip waren wij reeds daar en daar stond hij al, met de armen over elkander, naar de scheurbroeken op den muur te kijken, alsof hij naar de takken der boomen keek, waaronder hij in zijne jeugd had gespeeld.

Toen wij hem aanspraken, was hij een weinig verlegen en niet zoo overdreven in zijne beleefdheidsbetuigingen als vroeger. Hij had het deftige zwarte pak voor deze gelegenheid afgelegd en droeg de oude jas en spanbroek, maar niet met den ouden zwier. Terwijl wij met hem praatten, werd hij echter meer en meer de oude; maar toch scheen zelfs zijn lorgnet niet zoo ongedwongen te hangen als vroeger en zijn overhemd, hoewel nog van eene verbazingwekkende afmeting, was min of meer slap.

„Mijne heeren!” zei hij na de eerste begroeting, „gij zijt vrienden in den nood en dus ware vrienden. Vergunt mij allereerst naar de gezondheid te informeeren van mevrouw Copperfield en van de aanstaande mevrouw Traddles—ik meen ten minste, dat mijnheer Traddles nog niet voor het leven met het voorwerp van zijne genegenheid verbonden is.”

Wij betuigden onze erkentelijkheid en daarop keek hij weder naar den muur en begon: „Ik verzeker u, mijne heeren,” waarop ik eenige bezwaren inbracht tegen den ceremonieelen toon, dien hij aannam, en hem verzocht onze vroegere gemeenzame wijze van omgang te hervatten.

„Beste Copperfield,” antwoordde hij, mijne hand drukkende, „uwe hartelijkheid treft mij diep. Zulk een ontvangst van de brokstukken eens tempels, die eenmaal Man heette—indien het mij vergund is mij zoo uit te drukken—verraadt een edel hart. Ik was voornemens uwe aandacht nog eens te vestigen op dat eerwaardig gebouw, waar ik eenige van de gelukkigste uren mijns levens gesleten heb.”

„Door mevrouw Micawber's bijzijn, zonder twijfel? Hoe maakt mevrouw Micawber het?” vroeg ik.

„Dank u,” antwoordde hij met een eenigszins betrokken gezicht, „zij maakt het maar zoo zoo. En dit,” vervolgde hij verdrietig het hoofd schuddende, „dit is King's Bench! King's Bench, waar mij voor het eerst na vele jaren de stemmen van de schuldeischers, die mijn gang vulden, met rust lieten; waar ik niet dagelijks herinnerd werd aan den overstelpenden vloed van finantiëele verbintenissen, te kwader ure aangegaan, waar de klopper op de deur niet sleet van de handen der schuldeischers; waar men geen oproepingen ontving om zelf te verschijnen en waar de dagvaardingen aan het hek werden opgehangen! O, zalige tijd! Mijne heeren!” vervolgde hij, „ik heb mijn kinderen kruip door, sluip door zien spelen in de schaduw van het ijzeren gevaarte, dat gij daar boven op die steenmassa ziet. Ik kende elken steen van het reusachtig gebouw. Vergeef het mij daarom als ik mij eens door mijne herinneringen laat meeslepen.”

„Wij zijn sinds dien tijd allen vooruitgegaan in het leven, mijnheer Micawber,” zei ik.

„Mijnheer Copperfield,” antwoordde hij op bitteren toon, „toen ik een bewoner was van dit gebouw kon ik mijn evenmensch in het aangezicht zien en hem neersmakken als hij mij beleedigde. Mijn evenmensch en ik leven thans niet meer op dien benijdenswaardigen voet!”

In neerslachtige stemming keerde mijnheer Micawber het gebouw den rug toe, nam van ons beiden een arm aan en wandelde tusschen ons heen.

„Daar zijn op den weg naar het graf somtijds merkpalen, die men, als die wensch niet zondig ware, liever niet zou voorbij komen,” zei mijnheer Micawber achteromkijkende. „Zulk een merkpaal is voor mij deze gevangenis.”

„Gij zijt in een droefgeestige stemming, mijnheer Micawber,” zei Traddles.

„Dat ben ik, mijnheer.”

„Ik hoop toch,” hernam Traddles, „dat gij geen tegenzin gekregen hebt in de rechterlijke loopbaan. Ik ben zelf ook in de rechten, begrijpt gij.”

Mijnheer Micawber antwoordde niets.

„Hoe maakt het onze vriend Heep, mijnheer Micawber?” vroeg ik na eenigen tijd gezwegen te hebben.

„Beste Copperfield,” antwoordde mijnheer Micawber—hij was bleek geworden en blijkbaar hevig ontroerd—„indien gij over mijn patroon spreekt als uw vriend, zou mij dat spijten; spreekt gij over hem als mijn vriend, dan kan ik uwe vraag slechts met een sardonisch lachje beantwoorden. In welken zin gij ook naar mijn patroon vraagt, vergun mij mijn antwoord tot het navolgende te beperken: wat hij overigens ook moge zijn, hij is een listige vos, een duivel. Gij zult mij wel veroorloven als particulier persoon niet verder uit te weiden over een onderwerp, dat mij in mijne betrekking bijna tot wanhoop heeft gebracht.”

Ik betuigde hem mijn leedwezen omdat ik zonder het te vermoeden een onderwerp had aangeroerd, dat hem zoo van streek bracht. „Mag ik u vragen,” zei ik, hopende niet nogmaals denzelfden misslag te begaan, „hoe mijne oude vrienden, mijnheer en juffrouw Wickfield het maken?”

„Juffrouw Wickfield,” antwoordde mijnheer Micawber, nu met eene hevige kleur, „is als altijd een waardig voorbeeld voor iedereen. Zij is het zonnetje in het sombere huis, mijnheer Copperfield. Mijne achting voor dat jonge meisje, mijne bewondering van haar karakter, mijne bewondering van haar liefde en trouw en goedheid.... och, laat ons nog een straatje omloopen, want waarlijk ik ben in een toestand....”

Wij gingen een nauw straatje met hem in, waar hij zijn zakdoek te voorschijn haalde en met den rug tegen een muur ging staan. Als ik hem even ernstig heb aangekeken als Traddles, dan moet hij ons gezelschap niet opwekkend hebben gevonden.

„Het is nu eenmaal mijn lot,” hernam mijnheer Micawber, zonder eenige veinzerij luid snikkende, hoewel zijn oude zucht om alles eenigszins gemaakt te doen ook hierbij uitkwam, „het is nu eenmaal mijn lot, mijne heeren, dat ik mijne aandoening niet meester kan blijven. Mijn lof op juffrouw Wickfield is als een bundel pijlen in mijn eigen hart. Gij hadt beter gedaan mij als een vagebond over het aardrijk te laten zwerven. De wormen zouden spoedig hunne taak aan mij volbracht hebben.”

Zonder verder naar zijne ontboezemingen te luisteren, bleven wij bij hem staan tot hij zijn zakdoek had weggeborgen, zijn overhemd recht getrokken en, ten einde mogelijke toeschouwers te misleiden, een deuntje had gefloten met den hoed op één oor. Niet wetende wat van hem worden zou, indien wij hem thans uit het oog verloren, deelde ik hem mede, dat het mij een groot genoegen zou zijn hem aan mijne tante voor te stellen, indien hij wilde meerijden naar Highgate, waar hij tevens logies zou kunnen vinden.

„Gij moogt ons eigenhandig een glas punch bereiden, mijnheer Micawber,” zei ik; „vergeet dus alles wat u in een minder aangename stemming zou kunnen brengen.”

„Tenzij het u eenige verlichting zou kunnen schenken om het een en ander aan uwe vrienden mede te deelen,” voegde Traddles er voorzichtigheidshalve bij.

„Mijne heeren,” zei mijnheer Micawber, „doe met mij zooals gij goedvindt. Ik ben als een strootje op den Oceaan, ten prooi aan de elementen!”

Nogmaals gingen wij arm in arm op weg, vonden de diligence gereed staan en kwamen zonder eenige meldenswaardige ontmoeting te Highgate aan. Ik kon het niet met mij zelven eens worden over hetgeen wij nu zouden bepraten of doen en Traddles wist dit blijkbaar ook niet. Mijnheer Micawber had bijna voortdurend zitten peinzen. Nu en dan trok hij zijn overhemd of zijn boorden eens recht of floot hij het begin van een of ander wijsje, maar toch scheen zijne neerslachtigheid in dezelfde mate toe te nemen als zijn hoed meer naar ééne zijde overhelde en zijn boorden hooger werden getrokken.

Aangezien Dora niet wel was ging ik liever met hem naar tante's huis dan naar het mijne. Zoodra ik tante geroepen had, kwam zij beneden en heette mijnheer Micawber hartelijk welkom. Mijnheer Micawber kuste haar hoffelijk de hand, ging naar het venster, haalde opnieuw zijn zakdoek te voorschijn en scheen weder een hevigen strijd met zichzelven te voeren.

Mijnheer Dick was thuis. Hij had altijd zooveel medelijden met iemand, die zich niet op zijn gemak voelde, en begreep dat altijd zoo vlug, dat hij ook nu weder mijnheer Micawber minstens tien malen de hand schudde in vijf minuten. Mijnheer Micawber was zoo getroffen door deze warme belangstelling van een vreemde, dat hij bij elken nieuwen aanval van mijnheer Dick niets anders kon uitroepen dan: „'t Is te veel, mijnheer! 't Is te veel, mijnheer!” Mijnheer Dick werd daardoor echter nog meer aangemoedigd en ging met verdubbelden ijver met zijne vriendschapsbetuigingen voort.

„De vriendelijkheid van dezen heer,” zei mijnheer Micawber tegen tante, „zou mij van de beenen gooien, om een woord te gebruiken uit de spraakkunst van onze wel wat ruwe nationale lichaamsoefeningen, hetgeen gij mij wel niet euvel zult duiden. Voor een man, die gebukt gaat onder een zwaren last van onrust en ongelegenheden is zulk eene ontvangst zeer treffend, dat verzeker ik u.”

„Mijn vriend, mijnheer Dick,” antwoordde tante, „is geen gewoon mensch.”

„Daarvan ben ik overtuigd,” zei mijnheer Micawber. „Mijn waarde heer!”—mijnheer Dick had nogmaals zijne hand gevat—„ik ben zeer gevoelig voor uwe hartelijke ontvangst.”

„Hoe gaat het u?” vroeg mijnheer Dick met een angstig gezicht.

„Zoo tamelijk, waarde heer,” antwoordde mijnheer Micawber met een zucht.

„Gij moet maar moed houden,” zei mijnheer Dick, „en het u zoo gemakkelijk mogelijk maken.”

Mijnheer Micawber was door deze hartelijke toespraak diep getroffen, vooral toen hij de hand van mijnheer Dick weder in de zijne voelde. „Ik heb het geluk gehad in het afwisselende panorama van mijn leven nu en dan eene oase te vinden, maar nooit eene zoo groen, zoo welig als deze!”

Op een ander tijdstip zou mij dit tooneeltje vermaakt hebben, maar nu voelde ik dat wij allen in eene zekere angstige spanning verkeerden; bovendien moest ik mijnheer Micawber nauwlettend gadeslaan, want hij wankelde tusschen zijne gewone mededeelzaamheid en eene hem geheel vreemde neiging om niets aan het licht te brengen. Ik verlangde echter te weten wat hem zoo van streek had gebracht, zoodat ik in den letterlijken zin brandde van koortsachtig ongeduld. Traddles zat op de punt van zijn stoel met wijd geopende oogen en kaarsrecht opstaande haren nu eens naar den grond, dan weder naar mijnheer Micawber te staren, zonder zelfs eene poging te doen om een woord te spreken. En tante,—ik zag dat zij haar uiterste best deed om haar gast te doorgronden—toonde meer tegenwoordigheid van geest te bezitten dan een van ons allen, want zij hield hem bezig en noodzaakte hem te spreken of hij wilde of niet.

„Gij zijt al een heel oud vriend van mijn neef, nietwaar mijnheer Micawber?” vroeg zij. „Het spijt mij dat ik u vroeger nooit ontmoet heb.”

„Mevrouw”, antwoordde mijnheer Micawber, „ook ik zou gaarne de eer van uwe kennismaking eerder genoten hebben. Ik was niet altijd het wrak, dat gij thans voor uw ziet.”

„Ik hoop dat mevrouw Micawber en uwe familie wel zijn, mijnheer,” zei tante.

Mijnheer Micawber knikte toestemmend. „Zij zijn zoo wel, mevrouw,” zei hij na eene kleine pauze op een toon, die bijna wanhopend klonk, „zoo wel als ballingen en uitgeworpenen maar kunnen zijn of hopen kunnen te worden.”

„Groote Goedheid!” riep tante op hare gewone heftige wijze uit, „waar over spreekt gij toch, mijnheer?”

„Het voortbestaan van mijn familie mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „hangt aan een zijden draad. Mijn patroon...”

Mijnheer Micawber brak plotseling af en begon de citroenen te schillen, die voor hem waren neergezet met al de verdere ingrediënten benoodigd voor een punch.

„Uw patroon, nietwaar,” zei mijnheer Dick, terwijl hij hem aan den arm stiet om hem tot voortgaan uit te noodigen.

„Waarde heer,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik ben u zeer verplicht, omdat gij mij eens wakker schudt.” Nogmaals schudden zij nu elkander de hand. „Mijn patroon, mevrouw—mijnheer Heep—heeft mij op zekeren dag de lieve opmerking toegevoegd, dat, indien ik het salaris niet meer ontving, aan mijne betrekking bij hem verbonden, ik als potsenmaker het land zou moeten doortrekken, als degenslikker of vuurvreter. Ook mag het waarschijnlijk genoemd worden dat mijn kinderen den kost zouden moeten helpen verdienen met het verwringen van hunne ledematen, terwijl mevrouw Micawber zou medewerken op een draaiorgel.”

Door een veelzeggenden zwaai met zijn mes gaf mijnheer Micawber te kennen dat eene dergelijke verandering in het leven van hem en zijne familie niet dan na zijn dood zou bewaarheid kunnen worden; daarna ging hij met een wanhopend gelaat voort de citroenen te schillen.

Tante leunde met haar elleboog op het kleine ronde tafeltje, dat naast haar stond, en keek mijnheer Micawber aandachtig aan. Niettegenstaande het mij tegen de borst stuitte om hem door overreding of list tot onthullingen te noodzaken, die hij misschien liever niet doen wilde, zou ik daartoe toch zijn overgegaan, indien ik hem niet zulke vreemde dingen had zien doen. Zoo merkte ik op dat hij de citroenen in den waterketel wierp, de suiker in het snuiterbakje, de rhum in eene ledige kan en dat hij in goeden geloove probeerde kokend water te schenken uit een kandelaar. Ik zag dat er een crisis op handen was en deze bleef dan ook niet uit. Hij wierp alles kletterend door en over elkander, haalde zijn zakdoek opnieuw te voorschijn en barstte in tranen uit.

„Beste Copperfield,” zei hij achter zijn zakdoek, „deze bezigheid vereischt evenals alle andere een onbenevelden blik en een zeker gevoel van eigenwaarde. Ik kan er van avond niet mede terecht. Het is mij onmogelijk.”

„Spreek toch onbewimpeld uit wat u hindert, mijnheer Micawber,” antwoordde ik. „Wij zijn onder vrienden.”

„Onder vrienden, mijnheer!” herhaalde hij en nu barstte alles, wat hij wellicht maandenlang had opgekropt, los. „Goede Hemel, juist omdat ik mij weder eens onder vrienden bevind, kan ik mij niet goed houden. Wat is er aan de hand, mijne heeren? Wat is er niet aan de hand? Laagheid, bedrog en schurkerij, schelmsche komplotten, dat alles te zamen is er aan de hand en de bedrijver van al die snoodheid heet.... Heep!”

Tante sloeg de handen ineen en wij sprongen allen stom van verbazing op.

„De strijd is voorbij!” zei mijnheer Micawber, terwijl hij de heftigste gebaren maakte met zijn zakdoek en nu en dan met beide armen zwaaide, alsof hij zich door bovenmenschelijke moeilijkheden heenworstelde. „Ik kan zulk een leven niet langer volhouden. Ik ben een rampzalig wezen, beroofd van alles wat het leven dragelijk kan maken. Ik heb geleefd in dienst van een schelm, van een helschen pijniger. Geef mij mijne vrouw terug, geef mij mijne kinderen terug, stel den ouden Micawber in de plaats van den ellendeling, welke thans rondwandelt in de schoenen, welke ik aan mijne voeten heb, en roep mij morgen op om degens te verzwelgen en ik zal het doen. Ik zal het doen.... met ijver en lust!”

Nooit heb ik in mijn geheele leven iemand zoo opgewonden gezien. Ik deed mijn best hem tot kalmte te brengen ten einde verstandig met hem te spreken, maar zijne opgewondenheid nam met ieder oogenblik toe; hij wilde naar geen woorden luisteren.

„Ik geef geen eerlijk man weer een hand,” hernam hij, blazend en hijgend en snikkend, zoo hevig dat het scheen, alsof hij in het water lag te spartelen en op het punt was van te zinken, „eer ik die.... verfoeilijke.... slang.... dien Heep.... tot gruizels geslagen heb. Ik wil van niemand's gastvrijheid.... gebruik maken eer ik een Vesuvius.... heb doen uitbarsten.... over dien ellendigen booswicht... dien Heep! Elke verversching.... onder dit dak.... punch in de allereerste plaats.... zou mij in de keel blijven steken.... als ik niet eerst.... hé!... dien leugenaar.... dien afschuwelijken bedrieger.... dien Heep.... de oogen uit den kop heb doen puilen! Ik.... wil niemand kennen.... met niemand spreken.... nergens wonen.... eer ik dien godvergeten huichelaar.... dien meineedige.... dien Heep.... van de aarde heb doen.... verdwijnen!”

Ik was werkelijk bevreesd dat mijnheer Micawber op de plaats zou doodblijven. De wijze, waarop hij zich door al die afgebroken zinnen heen worstelde, de inspanning, die hem het uitspreken van den naam Heep kostte, zoodat het scheen, alsof hij er telkens met geweld op aanvloog—het was een ijzingwekkend tooneel; maar toen hij nu dampend en stoomend op een stoel nederviel met allerlei kleurschakeeringen op zijn gelaat, die daar niet op thuis behoorden, en hij het zoo benauwd kreeg, dat de zweetdroppelen op zijn voorhoofd parelden, toen meende ik zeker dat het einde nabij was. Ik wilde hem te hulp snellen, maar hij wenkte mij af en wilde niet naar mij luisteren.

„Neen, Copperfield! Raak mij niet aan.... voor juffrouw Wickfield.... vergoeding heeft voor het onrecht.... haar aangedaan.... door dien vervloekten schelm.... dien Heep!” Ik ben overtuigd, dat hij geen drie woorden zou hebben kunnen uitbrengen, indien de inspanning, die hem het laatste woord kostte, hem niet gedwongen had te spreken. „Onschendbaar geheim.... hé.... voor de geheele wereld.... hé.... zonder uitzondering... vandaag over een week.... bij het ontbijt.... allen tegenwoordig.... uwe tante ook.... hé.... en die buitengewoon vriendelijke heer ook.... hé.... in het hôtel te Canterbury.... waar mevrouw Micawber en ik Auld Lang Syne.... hebben gezongen.... en.... daar.... ontmaskeren dien veinzaard.... dien.... Heep!.... Niets meer te zeggen.... naar niets luisteren.... ga onmiddellijk heen.... niet in staat.... in gezelschap te zijn.... in het oog houden.... dien verdoemden ellendeling.... dien.... Heep!”

Na voor het laatst dit woord uitgesproken te hebben, dit tooverwoord, dat hem de kracht had gegeven om dit alles te zeggen, snelde mijnheer Micawber het huis uit. Wij bleven in zulk een opgewonden, wonderlijke stemming achter dat wij er weinig beter aan toe waren dan hij. Toch was ook nu nog zijn hartstocht voor het schrijven van brieven te groot om den lust daartoe te kunnen weerstaan; terwijl wij namelijk nog steeds in dezelfde stemming verkeerden, werd mij uit eene naburige herberg het navolgende briefje gebracht:

„Zeer vertrouwelijk.

Waarde Heer!

Ik verzoek u beleefd aan uwe hoogvereerde tante mijne verontschuldigingen aan te bieden voor mijne opgewondenheid. Eene uitbarsting van eene smeulende vulkaan was het gevolg van een innerlijken strijd, die gemakkelijker te begrijpen dan te beschrijven is.

Ik vertrouw duidelijk geweest te zijn in mijne oproeping van u allen te zamen, heden over acht dagen, in den vroegen morgen in het logement te Canterbury, waar mevrouw Micawber en ik eenmaal de eer hadden onze stemmen te mengen met de uwe in het onvergetelijk lied van den onsterfelijken kommies van de overzijde van de Tweed.

Na het vervullen van mijne plicht en na de schade, die ik heb helpen toebrengen, vergoed te hebben, zoodat ik mijne evenmenschen weder onder de oogen durf komen, zult gij nimmermeer van mij hooren. Dan zal mijn eenige wensch zijn te worden neergelegd, waar allen met onze voorvaderen vereenigd worden, met het eenvoudige opschrift:

Wilkins Micawber.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us