← Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

LXIV

Part 11 of 11 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #47933, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (65)
  1. Opening about 3 min
  2. I about 19 min
  3. II about 27 min
  4. III. Veranderingen about 27 min
  5. IV about 34 min
  6. V. Verbannen about 32 min
  7. VI about 13 min
  8. VII. Mijn eerste halfjaar op Salem House about 32 min
  9. VIII about 26 min
  10. IX about 21 min
  11. X about 36 min
  12. XI about 29 min
  13. XII about 17 min
  14. XIII about 37 min
  15. XIV about 27 min
  16. XV about 18 min
  17. XVI about 38 min
  18. XVII about 31 min
  19. XVIII about 14 min
  20. XIX about 29 min
  21. XX about 16 min
  22. XXI about 35 min
  23. XXII about 38 min
  24. XXIII about 25 min
  25. XXIV about 15 min
  26. XXV about 35 min
  27. XXVI about 28 min
  28. XXVII. Tommy Traddles about 16 min
  29. XXVIII. Mijnheer Micawber's geldbelegging about 33 min
  30. XXIX about 13 min
  31. XXX about 14 min
  32. XXXI about 16 min
  33. XXXII about 34 min
  34. XXXIII. Zaligheid about 30 min
  35. XXXIV about 15 min
  36. XXXV. Neerslachtigheid about 37 min
  37. XXXVI. Enthousiasme about 30 min
  38. XXXVII about 15 min
  39. XXXVIII about 29 min
  40. XXXIX. Wickfield en Heep about 35 min
  41. XL about 16 min
  42. XLI about 28 min
  43. XLII about 35 min
  44. XLIII about 14 min
  45. XLIV about 27 min
  46. XLV about 27 min
  47. XLVI. Tijding about 23 min
  48. XLVII. Martha about 19 min
  49. XLVIII about 21 min
  50. XLIX. Geheimenissen about 20 min
  51. L about 18 min
  52. LI about 31 min
  53. LII about 39 min
  54. LIII about 9 min
  55. LIV about 25 min
  56. LV. Storm about 21 min
  57. LVI about 11 min
  58. LVII about 18 min
  59. LVIII about 12 min
  60. LIX. Terugkomst about 27 min
  61. LX. Agnes about 15 min
  62. LXI about 21 min
  63. LXII about 14 min
  64. LXIII about 12 min
  65. LXIV about 59 min

Continue:

LXIV

Een laatste blik terug.

En nu ben ik aan het einde van mijne geschreven geschiedenis. Nogmaals—voor het laatst—kijk ik achter me, eer ik mijn boek sluit.

Ik zie mij zelven met Agnes aan mijne zijde verder den levensweg bewandelen. Ik zie ons omringd door onze kinderen en onze vrienden en ik hoor vele stemmen, die mij ver van onverschillig zijn op mijne reis.

Welke gelaatstrekken vertoonen zich het duidelijkst aan mijn geestesoog? Zie, hoe velen zich naar mij omwenden als ik deze vraag in stilte doe!

Ziedaar mijne tante met sterker brilleglazen, eene oude vrouw van ruim tachtig jaren, maar nog altijd rechtop, die nog niet opziet tegen een wandeling van zes mijlen.

Peggotty, mijne oude kindermeid, draagt ook een bril, gewoon als zij is haar naaiwerk des avonds dicht bij de lamp te houden; het stukje waskaars, het elletje en de naaidoos met den St. Paul zijn even onafscheidelijk van haar als zij is van tante. Peggotty's wangen en armen, in mijne kinderjaren zoo rood en hard, dat ik mij verbaasde waarom de vogels daarin niet liever pikten dan in de onrijpe appelen, zijn nu een weinig verschrompeld; hare oogen, die alles in hare buurt plachten te verduisteren, zijn flauwer geworden doch schitteren nog steeds; maar haar ruwe wijsvinger, die ik eens met een zak-notemuscaatraspje vergeleek, is nog juist als toen en wanneer ik mijn jongste dien zie pakken, als het van tante naar Peggotty waggelt, denk ik aan onze oude huiskamer in Blunderstone toen ik zelf nog een kind was. Tante's teleurstelling is thans vergoed. Zij is peet van eene levende Betsey Trotwood en Dora, die op haar volgt, zegt dat tante haar voortrekt.

Peggotty heeft altijd een prop in den zak, die door niets anders veroorzaakt wordt dan door het krokodillenboek, dat er wel wat gehavend uitziet en waarvan een aantal bladzijden gescheurd en genaaid zijn, maar dat Peggotty aan de kinderen laat zien als een kostbaar kleinood. Ik krijg telkens eene vreemde gewaarwording, wanneer mijn eigen kindergezichtje mij uit die krokodillen-geschiedenis aankijkt en mij herinnert aan mijn ouden kennis Brooks van Sheffield.

Dezen zomer in de vacantie zag ik mijn jongens met een ouden man reusachtige vliegers oplaten en hij zoowel als zij keken er naar met innig genoegen, wanneer ze hoog in de lucht stonden. Toen ik kwam heette hij mij hartelijk welkom en wenkte en knikte mij toe en vertelde mij zachtjes dat ik zeker blijde zijn zou te vernemen, dat hij de memorie zou afmaken, zoodra hij niets anders te doen had, en dat mijne tante de uitstekendste vrouw van de wereld is. „Ik kan het u verzekeren, mijnheer.”

Wie is die gebogen vrouw, leunende op een stokje, met een gelaat, dat nog sporen vertoont van vroegeren hoogmoed en schoonheid? Blijkbaar voert haar geest strijd tegen volkomen verbijstering! Ik zie haar in een tuin en bij haar staat eene oude vrouw met scherpe gelaatstrekken en een litteeken over de lip. Laat mij luisteren naar hetgeen zij zeggen.

„Rosa, ik heb den naam van dien heer vergeten.”

Rosa buigt zich voorover en roept haar toe: „Mijnheer Copperfield.”

„Het verheugt mij u te zien, mijnheer, maar tot mijn spijt ontwaar ik, dat gij in den rouw zijt. Ik hoop dat de tijd u troost zal brengen.”

Haar ongeduldige geleidster zegt op kijvenden toon dat ik niet in den rouw ben, verzoekt haar nog eens goed te kijken en tracht haar geest te doen ontwaken.

„Gij hebt mijn zoon gezien, nietwaar, mijnheer?” vraagt de oudste van de twee. „Zijt gij verzoend met elkander?”

Eensklaps brengt zij met een zucht de hand naar het voorhoofd en roept met een akelig klinkende stem: „Kom hier, Rosa! Hij is dood!” Rosa knielt bij haar neer, liefkoost haar het eene oogenblik om in het volgende met haar te kijven en haar op driftigen toon toe te voegen: „Ik hield toch veel meer van hem dan gij!” Dan weder doet zij eene poging om haar als een ziek kind aan hare borst in slaap te sussen. Zoo verlaat ik haar en zoo zie ik haar altijd terug, zoo brengen zij hun tijd door, jaar in jaar uit.

Welk schip komt daar uit Indië terug en wie is dat Engelsche meisje daar, gehuwd met een rijken Schot? Kan dat Julia Mills zijn? Ja, waarlijk, zij is het, mooier en spijtiger dan ooit, met een zwarten knecht achter zich, om haar de brieven en kaartjes op een gouden presenteerblad aan te bieden en een koperkleurige vrouw in het wit, met een bonten doek om het hoofd, om haar het ontbijt te brengen in haar boudoir. Zij houdt echter geen dagboek meer aan en zingt geen lijkzang meer op de liefde; zij heeft voortdurend woordenwisselingen met den ouden Schot, die op een beer gelijkt met een gelooide huid. Julia zwemt letterlijk in het geld en spreekt over niets anders. Ik zou haar liever in de Sahara zien.

Misschien is zij thans in de woestijn, want al heeft Julia ook een deftig huis, deftig gezelschap en deftige diners, elken dag weer, er groeit niets bij haar, er is niets wat ooit tot bloem of vrucht kan rijpen. Ik zie zeer goed wat Julia hare conversatie noemt; Jack Maldon behoort ook onder de huisvrienden en scheldt op zijn baantje en op hem, die 't hem bezorgde; hij spreekt van den doctor als „zoo grappig ouderwetsch.” Maar als Julia zulk gezelschap verkiest en daarmede eene afschuwelijke onverschilligheid aan den dag legt voor alles wat het menschdom kan verbeteren en vooruit brengen, dan ben ik liever in de Sahara en zoek daar mijn weg.

Ginds zie ik den doctor, die altijd een goede vriend voor ons gebleven is en onafgebroken werkt aan zijn woordenboek—hij is nu ongeveer aan de D—en gelukkig is met zijn vrouwtje en in zijn huis. En de oude Generaal heeft tegenwoordig veel minder in te brengen dan vroeger—en dat is goed ook!

Als ik in later jaren bij Traddles kom vind ik hem nog steeds in de Inner Temple tusschen stapels papieren en—daar waar het nog aanwezig is—met steil opstaande haren, de rechtsgeleerde pruik heeft er heel wat afgewreven. Zijne tafel is met papieren overdekt, en rondkijkende zeg ik:

„Als Sophie nu uw klerk was, zou zij genoeg te doen hebben.”

„Zeg dat gerust, Copperfield! Maar wat waren dat heerlijke dagen in Holborn Court? Is 't niet?”

„Toen zij vertelde dat gij rechter zoudt worden? Maar toen was dat praatje nog niet door de stad verspreid.”

„Hoe 't zij,” antwoordde Traddles, „als ik het ooit word....”

„Wel, gij weet immers dat gij het worden zult.”

„Welnu, beste Copperfield, als ik het ben zal ik die geschiedenis vertellen, zooals ik altijd gezegd heb.”

Arm in arm wandelen wij voort. Ik ben op een familiedinertje bij Traddles genoodigd. Het is Sophie's jaardag en onder weg vertelt Traddles mij van den voorspoed, dien hij geniet.

„Werkelijk, beste Copperfield,” zei hij, „ik heb alles wat mijn hart begeert. De eerwaarde heer Horace heeft eene plaats gekregen van vierhonderd en vijftig pond 's jaars; onze beide jongens ontvangen de beste opvoeding die zij wenschen kunnen, en munten uit door hun flink karakter en hun ijver; drie van de meisjes zijn goed getrouwd; drie wonen bij ons in; drie andere doen de huishouding bij mijn schoonouders na den dood van mevrouw Crewler—en allen voelen zich gelukkig.”

„Behalve....”

„Behalve de Beauty. Ja, het was wel ongelukkig dat zij zulk een schurk trouwde. Maar hij had iets schitterends en blinkends, dat haar aantrok. Maar, nu wij haar weer veilig bij ons thuis hebben en van dien kerel af zijn, zal de vroolijkheid ook wel terugkeeren.”

Het huis van Traddles is een van die—tenminste het had een van die kunnen zijn, welke Sophie en hij op hunne avondwandelingen plachten te bekijken en in te deelen. Het is een groot huis, maar Traddles bewaart zijne papieren in zijne kleedkamer en zijn laarzen bij zijn papieren en Sophie en hij vernoegen zich met de bovenkamers om de mooiste aan Beauty en de zuster over te laten. „Er is nooit een kamer in huis onbezet,” zegt hij, „want door de eene of andere omstandigheid zijn er altijd meer van de zusters bij mij dan ik weet.” Zoodra wij binnentreden komt er al een heel troepje ons te gemoet en wordt Traddles gekust tot hij geheel buiten adem is. Hier heeft de ongelukkige Beauty, weduwe met een dochtertje, een vaste woonplaats gevonden; hier zijn ter eere van Sophie de drie getrouwde zusters met hare echtgenooten bijeen en een van de echtgenooten heeft zijn broeder, een ander zijn neef, de derde een zuster meegebracht; ik geloof dat de neef en de zuster verloofd zijn. En Traddles is en blijft dezelfde eenvoudige, openhartige kerel die hij altijd geweest is; hij zit als een Patriarch aan het eind van de tafel en Sophie tegenover hem, stralend van geluk. En wat daar tusschen hen in blinkt en schittert is geen Christofle.

En nu is mijn taak ten einde en moet ik het verlangen om voort te gaan bedwingen.

Al de gezichten verdwijnen op een na. En dat eene straalt mij tegen als een Hemelsch licht, dat eene, waarbij ik alles om mij heen zie, blinkt boven alles uit. En dat eene blijft.

Ik wend het hoofd om en zie het, zoo helder en schoon, naast mij. Mijne lamp brandt laag, ik heb tot diep in den nacht zitten schrijven; maar zij, zonder wie ik niets zou zijn, houdt mij gezelschap.

O, Agnes, mijn lieveling, moge uw lief gelaat bij mij zijn wanneer ik, evenals thans dit boek, mijn leven afsluit; zoo vinde ik u bij mij, wanneer evenals thans de schimmen van allen, die ik gekend heb, het leven zich langzaam van mij afwendt, steeds wijzend naar Excelsior!

A.

+----------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) — Correctie (C:) | | | | B: een helm geboren. die in | | C: een helm geboren, die in | | B: woning bereikt had gaf zij een | | C: woning bereikt had, gaf zij een | | B: plat en wit was geworden | | C: plat en wit was geworden. | | B: Hemels naam „Kraaiennest?” vroeg | | C: Hemels naam Kraaiennest?” vroeg | | B: dat mijne driëen en vijven te | | C: dat mijne drieën en vijven te | | B: Nonsens!” antwoordde mijne tante | | C: „Nonsens!” antwoordde mijne tante | | B: waarin wij, mijne moeder, Pegotty | | C: waarin wij, mijne moeder, Peggotty | | B: zekeren graad von slaperigheid | | C: zekeren graad van slaperigheid | | B: sedert mijn tocht naar Lowestone. | | C: sedert mijn tocht naar Lowestoft. | | B: aankijkende, dat zij ons zal | | C: aankijkende, „dat zij ons zal | | B: hem bijna niet zou herkennen. | | C: hem bijna niet zou herkennen.” | | B: zijn cathichismus overhoorde. | | C: zijn cathechismus overhoorde. | | B: getrouwd geweest,” | | C: getrouwd geweest.” | | B: schuit niet was, waarmede.... | | C: schuit niet was, waarmede....” | | B: visscher. | | C: visscher.” | | B: dat baas Pegotty al die schatten | | C: dat baas Peggotty al die schatten | | B: gekeken hebben | | C: gekeken hebben. | | B: Baas Peggoty ging nu en | | C: Baas Peggotty ging nu en | | B: uit het geheele vertrek evenals haar | | C: uit het geheele vertrek, evenals haar | | B: keek baas Peggetto, op wiens | | C: keek baas Peggotty, op wiens | | B: afscheid van baas Pegotty en Ham en | | C: afscheid van baas Peggotty en Ham en | | B: omdat ik zoo verdrietig was voelde ik | | C: omdat ik zoo verdrietig was, voelde ik | | B: terwijl hij zeide.” „Wat is dat? | | C: terwijl hij zeide: „Wat is dat? | | B: „David, zei hij, zijne lippen | | C: „David,” zei hij, zijne lippen | | B: hebben.” | | C: hebben. | | B: mijnheer Murdstone, dat ik zelf ook | | C: mijnheer Murdstone, „dat ik zelf ook | | B: frissche lucht. .. dat alles schijnt | | C: frissche lucht.... dat alles schijnt | | B: uitgesproken werd Ik rees overeind | | C: uitgesproken werd. Ik rees overeind | | B: fluisterde ik. „Zijt gij daar, | | C: fluisterde ik: „Zijt gij daar, | | B: „Ik hoorde Peggotty schreien | | C: Ik hoorde Peggotty schreien | | B: hehaalde juffrouw Murdstone. „Zeker, lieve | | C: herhaalde juffrouw Murdstone. | | | | „Zeker, lieve | | B: terugkwam. „Ik schudde het | | C: terugkwam. Ik schudde het | | B: bevatte twee blanke schillingen, die | | C: bevatte twee blanke shillingen, die | | B: hij mij heelemaal wegbracht.” | | C: hij mij heelemaal wegbracht. | | B: hij weder, zij bakt al de appeltaarten | | C: hij weder, „zij bakt al de appeltaarten | | B: aan Peggotty: Lieve Peggotty. Ik ben hier | | C: aan Peggotty: „Lieve Peggotty. Ik ben hier | | B: het licht hield, bestelde een glas van | | C: het licht hield, „bestelde een glas van | | B: Het is een pudding,” zei | | C: „Het is een pudding,” zei | | B: ik geen halven schilling aannemen. | | C: ik geen halven shilling aannemen. | | B: House geen David Copperfield meer, | | C: House, geen David Copperfield meer, | | B: doe mijn plicht Dat doe ik. Mijn | | C: doe mijn plicht. Dat doe ik. Mijn | | B: zijn krullend haar maar de eerste | | C: zijn krullend haar, maar de eerste | | B: kameraad beschouwd voor J. Steenforth was | | C: kameraad beschouwd voor J. Steerforth was | | B: zoo doordringend; „Stilte!” te roepen, | | C: zoo doordringend „Stilte!” te roepen, | | B: hield toen met Tungay's mond een | | C: hield toen met Turgay's mond een | | B: mede te brengen Ons oudje heeft ze | | C: mede te brengen. Ons oudje heeft ze | | B: hij eindelijk, „Gij zegt: „Peggotty, | | C: hij eindelijk. „Gij zegt: „Peggotty, | | B: waarop een oorlogschip geteekend was | | C: waarop een oorlogsschip geteekend was | | B: genoeg! En bij voorbaat kuste zij | | C: genoeg!” En bij voorbaat kuste zij | | B: genoten hadden, al een veder wegblies. | | C: genoten hadden, als een veder wegblies. | | B: „O, sprak zij. Dan is er bijna | | C: „O,” sprak zij. „Dan is er bijna | | B: hielden; toonden dit zoo in het oogvallend, | | C: hielden, toonden dit zoo in het oog vallend, | | B: een slecht hemeur was, versterkte | | C: een slecht humeur was, versterkte | | B: zij het deed; altijd hunne ontevredenheid | | C: zij het deed, altijd hunne ontevredenheid | | B: keuken bij Peggoty. Daar voelde | | C: keuken bij Peggotty. Daar voelde | | B: vijf voet en twintig duim. | | C: vijf voet en twintig duim.” | | B: „Ik kon onmogelijk zeggen | | C: Ik kon onmogelijk zeggen | | B: ook wat hij gemaakt had.” | | C: ook wat hij gemaakt had. | | B: het?” vroeg hij vriendelijk | | C: het?” vroeg hij vriendelijk. | | B: „Ziezoo, nu is het van mijn hart, Peggotty,” | | C: „‚Ziezoo, nu is het van mijn hart, Peggotty,’ | | B: Den laatsten avond gaf zij mij | | C: „Den laatsten avond gaf zij mij | | B: gezegend heeft.” | | C: gezegend heeft.’” | | B: en bootste onwilllekeurig zijn gezicht | | C: en bootste onwillekeurig zijn gezicht | | B: voordoet,” antwoordde Pegotty. | | C: voordoet,” antwoordde Peggotty. | | B: dit oogenblik genoegen had knnnen | | C: dit oogenblik genoegen had kunnen | | B: Peggotty voelt zich nu weder | | C: „Peggotty voelt zich nu weder | | B: gelaat te krijgen als hij: Zoo!” | | C: gelaat te krijgen als hij: „Zoo!” | | B: zoudt doen. Want, nietwaar, Pegotty, | | C: zoudt doen. Want, nietwaar, Peggotty, | | B: Gummidge het vuur aanblazen eu | | C: Gummidge het vuur aanblazen en | | B: „Bedoeld gij Steerforth?” | | C: „Bedoelt gij Steerforth?” | | B: Peggotty, zijne pijp uitkloppend „Dat | | C: Peggotty, zijne pijp uitkloppend. „Dat | | B: spreekt van vrienden.” Men zou | | C: spreekt van vrienden. Men zou | | B: een ander het doet, Daniël.” | | C: een ander het doet, Daniël.” | | B: „Ik ben een ellendig en | | C: „Ik ben een ellendig en | | B: iemand zich eigelijk mijner aantrok, | | C: iemand zich eigenlijk mijner aantrok, | | B: men mij naar de stengste kostschool | | C: men mij naar de strengste kostschool | | B: hem | | C: hem. | | B: men mij met hnlp hebben | | C: men mij met hulp hebben | | B: in den grooten mootier. | | C: in den grooten mortier. | | B: of, zooals Peggoty het uitdrukte, | | C: of, zooals Peggotty het uitdrukte, | | B: gevoeld hebben, in dien ik mijne | | C: gevoeld hebben, in indien ik mijne | | B: „Ik keek den vreemdeling | | C: Ik keek den vreemdeling | | B: mijnheer Murdstone „jonge menschen zijn | | C: mijnheer Murdstone, „jonge menschen zijn | | B: „Ik antwoordde, dat ik zeer | | C: Ik antwoordde, dat ik zeer | | B: vroeg mijnheer Micawber, zal ik...” | | C: vroeg mijnheer Micawber, „zal ik...” | | B: adem te scheppen. „ik had, toen | | C: adem te scheppen, „ik had, toen | | B: Die andere winkel wat in het | | C: Die andere winkel was in het | | B: en ramzalig wordt als hij. | | C: en rampzalig wordt als hij. | | B: scheiden Het weesmeisje werd in | | C: scheiden. Het weesmeisje werd in | | B: bedacht, dat mijnheer Micawbers ongelegenheden | | C: bedacht, dat mijnheer Micawber's ongelegenheden | | B: mevrouw Micawber vertelde, mij dat „hare | | C: mevrouw Micawber vertelde mij, dat „hare | | B: zenuwachtiger te worden, „Neen, dat doe | | C: zenuwachtiger te worden. „Neen, dat doe | | B: afscheidsgift voor Wilkens Micawber—zoo | | C: afscheidsgift voor Wilkins Micawber—zoo | | B: en daardoor het—tot op dit oogenblik | | C: en daardoor het”—tot op dit oogenblik | | B: ontvangen. Juist daaarom had ik de | | C: ontvangen. Juist daarom had ik de | | B: De jonge man herhaalde „Ga mee naar | | C: De jonge man herhaalde: „Ga mee naar | | B: en een magistraatspersoon. Eenklaps scheen | | C: en een magistraatspersoon. Eensklaps scheen | | B: toen ik Chattam was binnengestrompeld—bij | | C: toen ik Chatham was binnengestrompeld—bij | | B: elken regel en doorsprekt met | | C: elken regel en doorspekt met | | B: straten van Cartenbury, van de oude | | C: straten van Canterbury, van de oude | | B: om en zei: „Mijn juffrouw; Wat moet | | C: om en zei: „Mijn juffrouw; wat moet | | B: wachtte ik het oogenbik af, waarop | | C: wachtte ik het oogenblik af, waarop | | B: heb hooren uiten. „Als 't u blieft, | | C: heb hooren uiten. | | | | „Als 't u blieft, | | B: men eigenlijk vootdurend in | | C: men eigenlijk voortdurend in | | B: Eze!s!” tot den aanval overging. | | C: Ezels!” tot den aanval overging. | | B: waarheid te zeggen, ik ook.” | | C: waarheid te zeggen, ik ook. | | B: onrecht had aangedaan, vervolgde | | C: onrecht had aangedaan,” vervolgde | | B: dien heidenschen naam, die Pegotty, | | C: dien heidenschen naam, die Peggotty, | | B: Pegotty's huis altijd voor | | C: Peggotty's huis altijd voor | | B: het schortje af trok de handschoenen | | C: het schortje af, trok de handschoenen | | B: groote famliariteit had schuldig | | C: groote familiariteit had schuldig | | B: terwijl hij de pen neerlegde „Hoe | | C: terwijl hij de pen neerlegde. „Hoe | | B: Er is touw genoeg bij,” | | C: „Er is touw genoeg bij,” | | B: Betsey mij zoo te leur stelde. | | C: Betsey mij zoo te leur stelde.” | | B: kind,” antwooordde tante, opnieuw | | C: kind,” antwoordde tante, opnieuw | | B: zij. „Zeer zeker niet?” | | C: zij. „Zeer zeker niet!” | | B: haar dood op’” bevestigde mijnheer | | C: haar dood op,” bevestigde mijnheer | | B: En er bestaat geen enkele | | C: „En er bestaat geen enkele | | B: uw gezond verstand. Nadat zij | | C: uw gezond verstand.” Nadat zij | | B: kin wrijvend. Daartoe is hij te lui.” | | C: kin wrijvend. „Daartoe is hij te lui.” | | B: Mijne beweegredenen,” antwoordde | | C: „Mijne beweegredenen,” antwoordde | | B: stonden twee aloe's in groote | | C: stonden twee aloë's in groote | | B: die er uizien alsof ze van | | C: die er uitzien alsof ze van | | B: met dergegelijke jongens van mijn | | C: met dergelijke jongens van mijn | | B: bedacht heb.” klonk eene stem | | C: bedacht heb,” klonk eene stem | | B: zoo goed?” zei mijnheer Wickfield, | | C: zoo goed?” zei mijnheer Wickfield. | | B: „Hij stond daar zoo lang | | C: Hij stond daar zoo lang | | B: beroep; hij was doodgraver. | | C: beroep; hij was doodgraver.” | | B: O, jawel, jongnheer Copperfield, ik | | C: O, jawel, jongeheer Copperfield, ik | | B: wij aanleidiug tot een minder | | C: wij aanleiding tot een minder | | B: herhaalde de oude Overste „En niet | | C: herhaalde de oude Overste. „En niet | | B: dieper Ik zag ook dat mijnheer | | C: dieper. Ik zag ook dat mijnheer | | B: dat hij in den zak had | | C: dat hij in den zak had. | | B: waarna hij haasstig afscheid | | C: waarna hij haastig afscheid | | B: in zijne hand zag vertrekken | | C: in zijne hand zag vertrekken. | | B: rondkijkende: „Arme, Annie! Zij is zoo | | C: rondkijkende: „Arme Annie! Zij is zoo | | B: ging hij voort, was... laat mij eens | | C: ging hij voort, „was... laat mij eens | | B: schrik had aangejaagd | | C: schrik had aangejaagd. | | B: zelfs toen de doktor en hij | | C: zelfs toen de doctor en hij | | B: woordenboek van den dokter de | | C: woordenboek van den doctor de | | B: juffrouw Heep. wij weten waar | | C: juffrouw Heep, „wij weten waar | | B: zijn dankhaar voor hetgeen | | C: zijn dankbaar voor hetgeen | | B: uitroepende; „Copperfield! Zijt gij | | C: uitroepende: „Copperfield! Zijt gij | | B: bronnen der Natuur,..., Kortom,” | | C: bronnen der Natuur,.... Kortom,” | | B: als een vruchtbre bodem, waarin | | C: als een vruchtbare bodem, waarin | | B: goed.’ Het is gedaan, ik | | C: goed. Het is gedaan, ik | | B: inkijken; welicht doet zich onder | | C: inkijken; wellicht doet zich onder | | B: mij, den kleinen Wilkens, diens | | C: mij, den kleinen Wilkins, diens | | B: mevrouw Micawber. En wat zou | | C: mevrouw Micawber. „En wat zou | | B: takken mijner famillie, om den weg | | C: takken mijner familie, om den weg | | B: dien mijnheer Micaber te volgen | | C: dien mijnheer Micawber te volgen | | B: „Zeker, mevrouw,” antwoorde ik. | | C: „Zeker, mevrouw,” antwoordde ik. | | B: was dat mijnheer Micawber onmiddelijk | | C: „was dat mijnheer Micawber onmiddellijk | | B: netelinge omstandigheden en sprak | | C: netelige omstandigheden en sprak | | B: gemaakt Hij schudde mij de | | C: gemaakt. Hij schudde mij de | | B: op het laats te gllmmen van | | C: op het laatst te glimmen van | | B: Daarna dronk ik de gezondheid | | C: Daarna dronk ik op de gezondheid | | B: ooit tot iets nutttig te zijn, | | C: ooit tot iets nuttig te zijn, | | B: tegen zijne ega en in druk | | C: tegen zijne eega en in druk | | B: ontstaan! Er word gefluisterd, dat | | C: ontstaan! Er wordt gefluisterd, dat | | B: rug is vastgebonden, De kleinste jongens | | C: rug is vastgebonden. De kleinste jongens | | B: pruik dagen. Het verbaast mij hem | | C: pruik dragen. Het verbaast mij hem | | B: ik gebruikt veel berenvet, | | C: ik gebruik veel berenvet, | | B: zien. Te zeggen Goeden middag, | | C: zien. Te zeggen „Goeden middag, | | B: onder juffrouw Larkin's oogen den | | C: onder juffrouw Larkins' oogen den | | B: ook wel eens schitterender visoenen | | C: ook wel eens schitterender visioenen | | B: zeggen; „Mijn waarde Copperfield, mijn | | C: zeggen: „Mijn waarde Copperfield, mijn | | B: met iemand anders te dansen.’” | | C: met iemand anders te dansen.’” | | B: onvriendelijk als zij met het takje geeft, | | C: onvriendelijk als zij me het takje geeft, | | B: niewe uitdaging van den slager | | C: nieuwe uitdaging van den slager | | B: zou hebben gevoeld Maar nu zulk eene | | C: zou hebben gevoeld. Maar nu zulk eene | | B: voor,” vervolg tante, „dat | | C: voor,” vervolgde tante, „dat | | B: aanschoud. Gij zuld harer waardig | | C: aanschouwd. Gij zult harer waardig | | B: onmiddelijk of te maken.... onmiddelijk! | | C: onmiddellijk af te maken.... onmiddellijk! | | B: en dan......„ voegde hij er na | | C: en dan......” voegde hij er na | | B: Wikfield,” zei de doctor, terwijl | | C: Wickfield,” zei de doctor, terwijl | | B: gebeuren. Mijn oudste ouderwijzer zal | | C: gebeuren. Mijn oudste onderwijzer zal | | B: dit lastpostje—hij wees op Annie.” | | C: dit lastpostje”—hij wees op Annie. | | B: er een post aangekomende uit | | C: er een post aangekomen uit | | B: waarde heer, „hij is van | | C: waarde heer, hij is van | | B: mij niet, in de rede te vallen | | C: mij niet in de rede te vallen | | B: heb gezegd: hier of buitenslands. | | C: heb gezegd: hier of buitenslands.” | | B: de oudste O erste. „Alles is gedaan | | C: de oudste Overste. „Alles is gedaan | | B: den doktor in de war te | | C: den doctor in de war te | | B: thans gespaard met medelijden | | C: thans gepaard met medelijden | | B: Trodwood Copperfield, hoewel ik | | C: Trotwood Copperfield, hoewel ik | | B: zelfs bij zonopgang niet groener | | C: zelfs bij zonsopgang niet groener | | B: alles veel meer woorden, gebruikte dan | | C: alles veel meer woorden gebruikte dan | | B: beroep, nietwaar, Rosa.” antwoordde | | C: beroep, nietwaar, Rosa,” antwoordde | | B: zon vinden. Ik zal eens zien. Het | | C: zou vinden. Ik zal eens zien. Het | | B: alles een slijpsteen” zei Steerforth, | | C: alles een slijpsteen,” zei Steerforth, | | B: eigenschap eenigzins tot | | C: eigenschap eenigszins tot | | B: „Dank u, antwoordde ik, „zeer | | C: „Dank u,” antwoordde ik, „zeer | | B: verklaring. Onmiddelijk na onze aankomst | | C: verklaring. Onmiddellijk na onze aankomst | | B: opgeruimd. | | | | „Wij zullen hen verassen.” | | C: opgeruimd. „Wij zullen hen verrassen.” | | B: Steerforth. Wij moeten hen | | C: Steerforth. „Wij moeten hen | | B: Dartle zoo druk hadt? vroeg ik. | | C: Dartle zoo druk hadt?” vroeg ik. | | B: ondeugenden blik aan. Die feeks! | | C: ondeugenden blik aan. „Die feeks! | | B: glazendeur van het kantoor was | | C: glazen deur van het kantoor was | | B: „Ja, doe dat, vader, zei Minnie. | | C: „Ja, doe dat, vader,” zei Minnie. | | B: voor hem koopen, begrijpt ge?” | | C: voor hem koopen”, begrijpt ge?” | | B: doen, maar Pegotty kon niet zoo | | C: doen, maar Peggotty kon niet zoo | | B: Steerforth tot haar sprak, hoe | | C: Steerforth tot haar sprak; hoe | | B: hoor!” zei hij, „Ik vertelde | | C: hoor!” zei hij. „Ik vertelde | | B: Anders zijt gij voor niets | | C: „Anders zijt gij voor niets | | B: afmaakte, noch langer besprak, | | C: afmaakte, nog langer besprak, | | B: en haar groote hoofd schudde | | C: en haar groote hoofd schudde. | | B: juffrouw Mowcher na eene korstondige | | C: juffrouw Mowcher na eene kortstondige | | B: Mowcher voort. Wat doet hij? Hij | | C: Mowcher voort. „Wat doet hij? Hij | | B: nooit had hooren noemen. „Neem mij | | C: nooit had hooren noemen. ‚Neem mij | | B: kwalijk, mijnheer,” zei de draak | | C: kwalijk, mijnheer,’ zei de draak | | B: Hm! | | C: Hm!” | | B: En hoeveel ben ik u schuldig?” | | C: „En hoeveel ben ik u schuldig?” | | B: jongens!” | | C: jongens!”” | | B: neerloopen; maar mijnc verbazing | | C: neerloopen; maar mijne verbazing | | B: Emily vroeg: ‚Zijt gij het, | | C: „Emily vroeg: ‚Zijt gij het, | | B: „Martha Endel!” zei Ham. „Zij | | C: „Martha Endell,” zei Ham. „Zij | | B: verslonden. niet!” | | C: verslonden, niet!” | | B: doeu? Zij behoort zulke meisjes | | C: doen? Zij behoort zulke meisjes | | B: echter hetzelfdc kermende geluid, | | C: echter hetzelfde kermende geluid, | | B: O, Ham!” riep zij uit, nog | | C: „O, Ham!” riep zij uit, nog | | B: met zachte stem. Martha heeft | | C: met zachte stem. „Martha heeft | | B: zij eindedelijk het hoofd oprichtte | | C: zij eindelijk het hoofd oprichtte | | B: zei Steerforth op onverschiligen | | C: zei Steerforth op onverschilligen | | B: goed over Doctor's Commons na te | | C: goed over Doctors' Commons na te | | B: eigen proctor in Doctor's Commons had | | C: eigen proctor in Doctors' Commons had | | B: leggende, „dat Dicks' karakter | | C: leggende, „dat Dick's karakter | | B: Commons. | | C: Commons.” | | B: man stond voor de steeg.” | | C: man stond voor de steeg. | | B: onmiddelijk den rug toekeerde. | | C: onmiddellijk den rug toekeerde. | | B: bestond in eene kleine. lage, | | C: bestond in eene kleine, lage, | | B: neef voor mij te zien. | | C: neef voor mij te zien.” | | B: „Ja voor mijn neef, antwoordde | | C: „Ja, voor mijn neef,” antwoordde | | B: gaan zitten en zelfs tegenover | | C: gaan zitten en zelf tegenover | | B: werd; richtte zij in haar | | C: werd, richtte zij in haar | | B: Ik had behoefte om nog | | C: Ik had behoefte op nog | | B: linkerzij, en Steerfort tegenover | | C: linkerzij, en Steerforth tegenover | | B: Gaat gij spoedig heen?’ | | C: Gaat gij spoedig heen?” | | B: u naar huis willen brengen. | | C: u naar huis willen brengen.” | | B: boodschaplooper de trad opkomen met | | C: boodschaplooper de trap opkomen met | | B: niets anders dan: Beste Trotwood. | | C: niets anders dan: „Beste Trotwood. | | B: in den mond steekt’—dit | | C: in den mond steekt’”—dit | | B: ambtenaren van Doctor's Commons half | | C: ambtenaren van Doctors' Commons half | | B: zijt mijn goede engel! | | C: zijt mijn goede engel!” | | B: of van wein ook! Hij, | | C: of van wien ook! Hij, | | B: iemand, Trotwood,’ zei Agnes | | C: iemand, Trotwood,” zei Agnes | | B: Steerforth's mama. „Ik ben echter | | C: Steerforth's mama. Ik ben echter | | B: zeer groot.” hernam Agnes. | | C: zeer groot,” hernam Agnes. | | B: Even vóór het tijdstip waarop | | C: „Even vóór het tijdstip waarop | | B: de dame begon en de kleerderen | | C: de dame begon en de kleederen | | B: Salen House; zou het Tommy | | C: Salem House; zou het Tommy | | B: aristrocatie en.... bloed. Mevrouw | | C: aristocratie en.... bloed. Mevrouw | | B: de kin en zeggen. Daar is het! | | C: de kin en zeggen: Daar is het! | | B: „K,” zei mijnheer Spiker | | C: „K.,” zei mijnheer Spiker | | B: op de canape zat, met | | C: op de canapee zat, met | | B: kopje koffie willen inschenken? | | C: kopje koffie willen inschenken?” | | B: en .... Copperfield's,”—al | | C: en .... Copperfields,”—al | | B: geweest.” nietwaar, mijnheer Heep?” | | C: geweest, nietwaar, mijnheer Heep?” | | B: tafel uitstrekte en er zoo hart | | C: tafel uitstrekte en er zoo hard | | B: „Lieve, bekoorlijke Agnes! Te | | C: Lieve, bekoorlijke Agnes! Te | | B: hare gemoedrust niet te verstoren. | | C: hare gemoedsrust niet te verstoren. | | B: meester gemaakt Ik schreef hem heel | | C: meester gemaakt. Ik schreef hem heel | | B: die ter voltooing harer opvoeding | | C: die ter voltooiing harer opvoeding | | B: klerk met de pruik, mijnheer Tiffy, | | C: klerk met de pruik, mijnheer Tiffey, | | B: Robinson Crusoe, werd het laat | | C: Robinson Crusoë, werd het laat | | B: Doctor's Commons behoorden. | | C: Doctors' Commons behoorden. | | B: „In zulke zaken” vertelde hij,” | | C: „In zulke zaken”, vertelde hij, | | B: partijen te beslissen, Ontevreden menschen | | C: partijen te beslissen. Ontevreden menschen | | B: raakt men aan het Land!” | | C: raakt men aan het Land!”” | | B: menschenlijk wezen meer voor | | C: menschelijk wezen meer voor | | B: maken. Zijt gij dat met mij eens?’ | | C: maken. Zijt gij dat met mij eens?” | | B: hart Fransche liededen hoorde | | C: hart Fransche liederen hoorde | | B: gevoel van minachtig aan deze dagen | | C: gevoel van minachting aan deze dagen | | B: oranjerie te bekijken, | | C: oranjerie te bekijken. | | B: het visoen dat ik had, toen | | C: het visioen dat ik had, toen | | B: met wat rahbarberstroop en zeven | | C: met wat rhabarberstroop en zeven | | B: Traddles. Ik houd met nog drie | | C: Traddles. „Ik houd met nog drie | | B: hij lachend. Het zat zoo strak | | C: hij lachend. „Het zat zoo strak | | B: Ha, haha! En weet gij | | C: Ha, ha, ha! En weet gij | | B: behandeld, Traddles, zei ik op | | C: behandeld, Traddles,” zei ik op | | B: Geëngageerd! O, Dora!” | | C: Geëngageerd! O, Dora! | | B: met den vinger langs den intkoker | | C: met den vinger langs den inktkoker | | B: heerlijken tijd. Het is waar ons | | C: heerlijken tijd. Het is waar, ons | | B: getrokken, | | C: getrokken. | | B: ging hij voort, „Neen, neen, | | C: ging hij voort. „Neen, neen, | | B: mevrouw Micawber....„ | | C: mevrouw Micawber....” | | B: Mijnheer en mevrouw Micawber!” | | C: „Mijnheer en mevrouw Micawber!” | | B: Mijnheer Micaber maakte even | | C: Mijnheer Micawber maakte even | | B: vroeger dagen! „Lieve!” riep hij | | C: vroeger dagen! Lieve!” riep hij | | B: eens inspekteur van politie, zoodat | | C: een inspekteur van politie, zoodat | | B: nam, minste de gewone uitwerking, | | C: nam, miste de gewone uitwerking, | | B: eer kan inleggen. Na lang heen- | | C: eer kan inleggen.” Na lang heen- | | B: Crupp lanzamerhand over mij | | C: Crupp langzamerhand over mij | | B: „Micawber! riep zijne vrouw | | C: „Micawber!” riep zijne vrouw | | B: vriend Copperfield, zei hij, „in d | | C: vriend Copperfield,” zei hij, „in d | | B: stond een kleine rooster, waarop | | C: stond een klein rooster, waarop | | B: zout en cayenneper; ik legde ze | | C: zout en cayennepeper; ik legde ze | | B: veroorloven dit werk te doen. Te | | C: veroorloven dit werk te doen.” Te | | B: gebruiken.” | | C: gebruiken. | | B: mijnheer Micawber en ik te zamen dan | | C: mijnheer Micawber en ik te zamen den | | B: „ik mag al- de overtuiging | | C: „ik mag al de overtuiging | | B: duidelijk dat wij moeten leven? | | C: duidelijk dat wij moeten leven?” | | B: voor, Copperfield, ging zij met | | C: voor, Copperfield,” ging zij met | | B: onmiddellijk tot zijn dienst.” | | C: onmiddellijk tot zijn dienst.’” | | B: beste Copperfield!” Ik heb dezelfde | | C: beste Copperfield! Ik heb dezelfde | | B: liefde voor haaar echtgenoot en | | C: liefde voor haar echtgenoot en | | B: mama woonde papa gewoon was | | C: mama woonde, papa gewoon was | | B: zooals niemand.” Ik weet wel | | C: zooals niemand.’ Ik weet wel | | B: hij. het is te vergeven in | | C: hij, het is te vergeven in | | B: stemmetje, dat ik. als ik het | | C: stemmetje, dat ik, als ik het | | B: het doet zieken oogen goed mij | | C: het doet zieke oogen goed mij | | B: dat voorvermeldde Mr. Thomas Traddles | | C: dat voorvermelde Mr. Thomas Traddles | | B: Wilkens Micawber. | | C: Wilkins Micawber.” | | B: antwoordde ik, misschien is ze wat | | C: antwoordde ik, „misschien is ze wat | | B: Rosa?” vroeg mevrouw Steenforth. „Toe, ik | | C: Rosa?” vroeg mevrouw Steerforth. „Toe, ik | | B: Kom Rosa, wij zullen elkaar | | C: „Kom Rosa, wij zullen elkaar | | B: „Groentje”—al is dit niet | | C: „Groentje—al is dit niet | | B: van avond—met u is?” | | C: van avond—met u is?”” | | B: „Ik voelde dat het hard | | C: Ik voelde dat het hard | | B: Minnie, „dan zal ik er | | C: Minnie, ‚dan zal ik er | | B: voor vinden, beste meid.” | | C: voor vinden, beste meid.’” | | B: wonderlijk tegenwoordig, Niet dat zij | | C: wonderlijk tegenwoordig. Niet dat zij | | B: hoera!” dan geloofde ik dat | | C: hoera!’ dan geloofde ik dat | | B: „Mijnheer Omer's gezicht en | | C: Mijnheer Omer's gezicht en | | B: mijnheer Omer, hare aanhankelijkheid | | C: mijnheer Omer, „hare aanhankelijkheid | | B: miskennen was, „ik zeide: „Gij | | C: miskennen was, „ik zeide: ‚Gij | | B: te kort gekomen. Want, ziet ge,” | | C: te kort gekomen.’ Want, ziet ge,” | | B: hernam baas Peggotty „en hier | | C: hernam baas Peggotty, „en hier | | B: haar wat opvroolijken.” „Ga intusschen | | C: haar wat opvroolijken.” „Ga intusschen | | B: Jufffrouw Gummidge zat in haar | | C: Juffrouw Gummidge zat in haar | | B: zoo te kniezen. „Wees | | C: zoo te kniezen. Wees | | B: ten eide haar voor onheil | | C: ten einde haar voor onheil | | B: ik zie niets dan Ham.” | | C: ik zie niets dan Ham. | | B: kaner stonden; ik met een | | C: kamer stonden; ik met een | | B: jas helpen aantrekken—„Geef mij | | C: jas helpen aantrekken.—„Geef mij | | B: vereering voor hem koesterde Hoe diep | | C: vereering voor hem koesterde. Hoe diep | | B: hernam baas Peggotty, ik | | C: hernam baas Peggotty, „ik | | B: dag naar Londen terugging Ik | | C: dag naar Londen terugging. Ik | | B: ginds,” maar ik wil niet | | C: ginds, maar ik wil niet | | B: wij wandelden nog eenigen | | C: Wij wandelden nog eenigen | | B: zij het pad kunnen vinden en | | C: zij het pad kan vinden en | | B: drie bediend had nam zij bij | | C: drie bediend had, nam zij bij | | B: zak van geölied zeildoek bijeenpakte, | | C: zak van geolied zeildoek bijeenpakte, | | B: treurige reis. | | C: treurige reis.” | | B: doen. Mocht zekeriemand hier | | C: doen. Mocht zeker iemand hier | | B: is. | | C: is.” | | B: den laasten avond, dien zij hier | | C: den laatsten avond, dien zij hier | | B: uit, hetgeen ik dacht. | | C: uit, hetgeen ik dacht.” | | B: een jonge man, vervolgde zij knikkende. | | C: een jonge man,” vervolgde zij knikkende. | | B: „Baas Peggotty en zijne zuster haalde | | C: Baas Peggotty en zijne zuster haalden | | B: ons, stonden te wachten. | | C: ons stonden te wachten. | | B: hoe juffrouw Gummigde naast de | | C: hoe juffrouw Gummidge naast de | | B: hem strak aan en Rosa Darle's | | C: hem strak aan en Rosa Dartle's | | B: hier? | | C: hier?” | | B: schenk haar vergiffenis.” | | C: schenk haar vergiffenis.”” | | B: schenk haar vergiffenis. | | C: schenk haar vergiffenis.”” | | B: in mijne ver-verliefdheid en het was zoo | | C: in mijne verliefdheid en het was zoo | | B: Balie boezemden mij niet meer liefde | | C: Balie boezemde mij niet meer liefde | | B: morgen mede maar het kantoor om | | C: morgen mede naar het kantoor om | | B: gaat mij heel goed. | | C: gaat mij heel goed.” | | B: beviel, En waarlijk, dit geval deed | | C: beviel. En waarlijk, dit geval deed | | B: zijne meerderde ondervinding verschuldigd | | C: zijne meerdere ondervinding verschuldigd | | B: harstochtelijken toon, alsof Jip mij | | C: hartstochtelijken toon, alsof Jip mij | | B: broeder en zal minsten drie weken | | C: broeder en zal minstens drie weken | | B: achter het ruituig en Dora zat | | C: achter het rijtuig en Dora zat | | B: volgens zongen Dora, de Zuidewind | | C: vogels zongen Dora, de Zuidewind | | B: allen mijn doodvijanden—één vooral, | | C: allen mijn doodsvijanden—één vooral, | | B: op mijn weg had geplaats en dat | | C: op mijn weg had geplaatst en dat | | B: zich het gezeldschap en ik ging, | | C: zich het gezelschap en ik ging, | | B: en met ons drieëen stegen wij, | | C: en met ons drieën stegen wij, | | B: wijn word gemaakt, der zon, die | | C: wijn wordt gemaakt, der zon, die | | B: Mill's hoofd en juffrouw Mill's adres in | | C: Mills' hoofd en juffrouw Mills' adres in | | B: en in hartochtelijke taal zeggen, | | C: en in hartstochtelijke taal zeggen, | | B: geleden, mij zelven martelende | | C: geleken, mij zelven martelende | | B: langen weg,” antwoorde ik, „en | | C: langen weg,” antwoordde ik, „en | | B: antwoordde ik, hij is goed verzorgd. | | C: antwoordde ik, „hij is goed verzorgd. | | B: wenkbrouwen een weinig optrekkende | | C: wenkbrauwen een weinig optrekkende | | B: zij haar levenlang diep veracht. | | C: zij haar leven lang diep veracht. | | B: beste Copperfield.” riep Traddles, die | | C: beste Copperfield,” riep Traddles, die | | B: het kan omdat het moet. | | C: het kan omdat het moet.” | | B: van het tiental?” vroeg ik: | | C: van het tiental?” vroeg ik. | | B: vindt gij niet. Copperfield? | | C: vindt gij niet, Copperfield?” | | B: Sara en heeft een gebrek aan haar ruggegraad, | | C: Sarah en heeft een gebrek aan haar ruggegraat, | | B: Niet?” | | C: „Niet?” | | B: Tottemham Court Road stond te loeren, | | C: Tottenham Court Road stond te loeren, | | B: hartelijk; mijn heer Dick en ik | | C: hartelijk; mijnheer Dick en ik | | B: had geglimlacht, om de toonen | | C: had geglimlacht, om te toonen | | B: zei tante eenklaps. „Gij herinnert | | C: zei tante eensklaps. „Gij herinnert | | B: van Dora. Kon het dat zijn?” | | C: van Dora. Kon het dat zijn? | | B: daar bezit te nemen van e t bed van | | C: daar bezit te nemen van het bed van | | B: memorie.... | | C: memorie....” | | B: sprak zij middelerwijl „dat ik niet | | C: sprak zij middelerwijl, „dat ik niet | | B: hernam tante! „Ik vraag het | | C: hernam tante. „Ik vraag het | | B: krankzinnig zou worden!’” | | C: krankzinnig zou worden!” | | B: een vurigen oppelschimmel, met de fraaiste | | C: een vurigen appelschimmel, met de fraaiste | | B: zonder masten op de ontstuimige baren. | | C: zonder masten op de onstuimige baren. | | B: wegen naar Doctor's Commons; genietende | | C: wegen naar Doctors' Commons; genietende | | B: Copperfield,” zei hij „Kom binnen!” | | C: Copperfield,” zei hij. „Kom binnen!” | | B: Gij moet niet denken, Trodwood, | | C: Gij moet niet denken, Trotwood, | | B: dat bedoel ik, hernam Agnes met een | | C: dat bedoel ik,” hernam Agnes met een | | B: „De hoofdoordzaak, waarom ik dit | | C: „De hoofdoorzaak, waarom ik dit | | B: er op de eene af andere wijze | | C: er op de eene of andere wijze | | B: de hare en zij lachend: „Dat is | | C: de hare en zei lachend: „Dat is | | B: heel gelukkig.” Misschien mag | | C: heel gelukkig.’ Misschien mag | | B: kan maken,—tante schudde op eene | | C: kan maken,”—tante schudde op eene | | B: gaan?” Bedoelt gij dat—met „iets doen?” | | C: gaan? Bedoelt gij dat—met „iets doen?”” | | B: vijandelijkheden, te beginnen juffrouw Crupp | | C: vijandelijkheden te beginnen, juffrouw Crupp | | B: schoolboeken had geranschikt, zooals ze | | C: schoolboeken had gerangschikt, zooals ze | | B: hebt. Toen kwam hij naderbij, bood | | C: hebt.” Toen kwam hij naderbij, bood | | B: juffrouw Trotwood, „ik begrijp, dat | | C: juffrouw Trotwood, ik begrijp, dat | | B: alles zeggen, „dat begreep ik | | C: alles zeggen, dat begreep ik | | B: drieen bleven wij voor het raam | | C: drieën bleven wij voor het raam | | B: welbekenden weg naar Highate bevond, | | C: welbekenden weg naar Highgate bevond, | | B: blootshoofd, op en neer. Zij | | C: blootshoofds, op en neer. Zij | | B: „Uit Indië?” Ja, mijnheer Jack | | C: „Uit Indië? Ja, mijnheer Jack | | B: beste leermeester, antwoordde ik—nu | | C: beste leermeester,” antwoordde ik—nu | | B: maar ik hoop—een onschuldig!” | | C: maar ik hoop—een onschuldig! | | B: Het is het woorddenboek!” | | C: Het is het woordenboek!” | | B: doorgewerkt hebben. Toen ik goed en | | C: doorgewerkt hebben.” Toen ik goed en | | B: ontbijt uitgesteld, zoodat wij gezamelijk | | C: ontbijt uitgesteld, zoodat wij gezamenlijk | | B: Jack Maldon, zei de doctor, | | C: Jack Maldon,” zei de doctor, | | B: afstappen: „Dus er is geen | | C: afstappen wilde: „Dus er is geen | | B: eigenlijk vragen af Annie lust heeft | | C: eigenlijk vragen of Annie lust heeft | | B: zich tot haar wendende. Het is van | | C: zich tot haar wendende. „Het is van | | B: zeer ingegenomen was met alles | | C: zeer ingenomen was met alles | | B: jongevrouw genoegen kon doen, | | C: jonge vrouw genoegen kon doen, | | B: ik mij op ransoen wat pommade, | | C: ik mij op rantsoen wat pommade, | | B: van Koning Karel 1 hem parten speelde. | | C: van Koning Karel I hem parten speelde. | | B: in de praktijd te oefenen, | | C: in de praktijk te oefenen, | | B: twijfelachtig aan. Welnu, Copperfield?” | | C: twijfelachtig aan. „Welnu, Copperfield?” | | B: vertelde laten dat hij in den aanvang | | C: vertelde later dat hij in den aanvang | | B: Zaderdagavonds tien shillingen en | | C: Zaterdagavonds tien shillingen en | | B: wij er onmiddelijk heen te gaan. | | C: wij er onmiddellijk heen te gaan. | | B: mevrouw Miicawber met de aanstaande | | C: mevrouw Micawber met de aanstaande | | B: gemaak de wijze, waarop hij zijne | | C: gemaakt de wijze, waarop hij zijne | | B: reeds eeningszins bekend met de wetten, | | C: reeds eenigszins bekend met de wetten, | | B: zal onmiddelijk beginnen met | | C: zal onmiddellijk beginnen met | | B: hij blijkbaar wenschte te vernemen, | | C: hij blijkbaar wenschte te vernemen. | | B: Micawber procureur in optima forma,...,.” | | C: Micawber procureur in optima forma,.....” | | B: ben ik ten minste uitwendig—hij | | C: ben ik ten minste uitwendig”—hij | | B: kruin—op die groote onderscheiding voorbereid. „Ik | | C: kruin—„op die groote onderscheiding voorbereid. Ik | | B: komen, zoodra er vacatures zijn. | | C: komen, zoodra er vacatures zijn.” | | B: ik alsdan geplaats zal zijn, geen | | C: ik alsdan geplaatst zal zijn, geen | | B: na—„driëntwintig pond, vier shillingen | | C: na—„drieëntwintig pond, vier shillingen | | B: beloofde dat niemend anders er aan | | C: beloofde dat niemand anders er aan | | B: wij met ons drieeën naar binnen, | | C: wij met ons drieën naar binnen, | | B: zoo vreeselijk geschrikt! En waar was | | C: zoo vreeselijk geschrokken! En waar was | | B: ik bet maar voor haar mocht | | C: ik het maar voor haar mocht | | B: niet erg meegaande was. Mijn pas | | C: niet erg meegaand was. Mijn pas | | B: „Lieveling!” Mag ik nog iets zeggen?” | | C: „Lieveling! Mag ik nog iets zeggen?” | | B: nog-iets vertellen.” | | C: nog iets vertellen.” | | B: smeek het u!” riep zij „Gij jaagt | | C: smeek het u!” riep zij. „Gij jaagt | | B: ging ik voort.„ En als gij | | C: ging ik voort. „En als gij | | B: mij mij eens zoudt willen beloven | | C: mij eens zoudt willen beloven | | B: terwijl zij hare vrienden | | C: terwijl zij hare vriendin | | B: „hij is een werkman! Daarna begon | | C: „hij is een werkman!” Daarna begon | | B: diepen indruk op haar; dat zij volstrekt | | C: diepen indruk op haar, dat zij volstrekt | | B: die ik onmiddelijk gloeiend had gemaakt | | C: die ik onmiddellijk gloeiend had gemaakt | | B: „Ik geloof waarlijk, dat | | C: Ik geloof waarlijk, dat | | B: bedorvenheid van het menschenlijk | | C: bedorvenheid van het menschelijk | | B: „vond ik geen bewijzen vóór, | | C: „vond ik geen bewijzen vóór | | B: vinnigheid aan het adres, van | | C: vinnigheid aan het adres van | | B: papier te bekijken.” | | C: papier te bekijken.’” | | B: zijne stijve, hooge boorden „Gij hebt | | C: zijne stijve, hooge boorden. „Gij hebt | | B: dan ook uit zijn. Neem gij dat | | C: dan ook uit zijn. Neemt gij dat | | B: ondervinding, die wij, in de Commons | | C: ondervinding, die wij in de Commons | | B: met een gelaat, waaraan ik eene uitdrukkingen | | C: met een gelaat, waaraan ik eene uitdrukking | | B: hij terrugkwam; en later zag ik | | C: hij terugkwam; en later zag ik | | B: woord, maar vóór hij dien nammiddag | | C: woord, maar vóór hij dien namiddag | | B: behalve juffrouw Mill's zucht naar het | | C: behalve juffrouw Mills' zucht naar het | | B: nieman voerde iets uit. De | | C: niemand voerde iets uit. De | | B: met mijnheer Spenlow ge-gebeurd?” | | C: met mijnheer Spenlow gebeurd?” | | B: phaeton naar huis,” vertelde Tiffey: „hij | | C: phaëton naar huis,” vertelde Tiffey; „hij | | B: „De phaeton kwam thuis zonder hem; | | C: „De phaëton kwam thuis zonder hem; | | B: akelige l digheid van de kamer | | C: akelige ledigheid van de kamer | | B: ongeval te praten—het in en uitloopen van | | C: ongeval te praten—het in- en uitloopen van | | B: Wij begonnen onmiddelijk te zoeken: | | C: Wij begonnen onmiddellijk te zoeken: | | B: geen duizend pont voor de geheele | | C: geen duizend pond voor de geheele | | B: wandeling. D. onmiddelijk in snikken | | C: wandeling. D. onmiddellijk in snikken | | B: geschets van D. C. op den rand | | C: geschetst van D. C. op den rand | | B: uithangbord, bont als 't menschenlijk | | C: uithangbord, bont als 't menschelijk | | B: breeden wiekslag des Tijds? J. M.) | | C: breeden wiekslag des Tijds? J. M.)” | | B: geeskracht. Ik stond nu geheel | | C: geestkracht. Ik stond nu geheel | | B: deze opdrachten voldaan werd daarvan | | C: deze opdrachten voldaan werd, daarvan | | B: de oude kraaien en kouwen, wier | | C: de oude kraaien en kauwen, wier | | B: „Waarlijk,” vervolgde hij met een | | C: Waarlijk,” vervolgde hij met een | | B: dat ik somstijds denk of ik het | | C: dat ik somtijds denk of ik het | | B: overtuigd,” zei Agnes. „En geduld, Agnes?” | | C: overtuigd,” zei Agnes. | | | | „En geduld, Agnes?” | | B: „Ja, antwoordde zij lachend. | | C: „Ja,” antwoordde zij lachend. | | B: uw oog, mischien, Agnes, omdat gij | | C: uw oog, misschien, Agnes, omdat gij | | B: „Wat is er?” vroeg ik, | | C: „Wat is er?” vroeg ik. | | B: „Ik was op het punt om mijne | | C: Ik was op het punt om mijne | | B: loodkleur aangenomen—„Heb ik het niet | | C: loodkleur aangenomen.—„Heb ik het niet | | B: X, en tegen mijnhheer IJ. onze pet | | C: X. en tegen mijnheer IJ. onze pet | | B: eischte. „De menschen willen elkaar | | C: eischte. ‚De menschen willen elkaar | | B: Wickfield „en was blijde dat ik | | C: Wickfield, „en was blijde dat ik | | B: wees. Pas toch op! Hij zal | | C: wees. „Pas toch op! Hij zal | | B: ik mijn hart bonsen; maar ik had | | C: ik mijn hart bonzen; maar ik had | | B: vervolgde baas Pegotty, „en vertelde | | C: vervolgde baas Peggotty, „en vertelde | | B: Frankrijk. | | C: Frankrijk.” | | B: ging baas Pegotty voort, „en | | C: ging baas Peggotty voort, „en | | B: te denken over de vraag: „‚Wat zal | | C: te denken over de vraag: ‚Wat zal | | B: voor mijn zien neervallen. En | | C: voor mij zien neervallen. En | | B: „Jongeheer Davy” hernam baas Peggotty, | | C: „Jongeheer Davy,” hernam baas Peggotty, | | B: mijlen willen loopen” zei hij, „ik | | C: mijlen willen loopen,” zei hij, „ik | | B: dat opzicht wel een stekelvarken. | | C: dat opzicht wel een stekelvarken.” | | B: Clarisse er bij, „hoewel er | | C: Clarissa er bij, „hoewel er | | B: bespoken. Wij twijfelen er niet | | C: besproken. Wij twijfelen er niet | | B: met vuur uit, „o!....„ | | C: met vuur uit, „o!....” | | B: van jonge menschen zijn” ging juffrouw | | C: van jonge menschen zijn,” ging juffrouw | | B: Copperfield en mijnheer....„ | | C: Copperfield en mijnheer....” | | B: Clarins zich veel voorstelde | | C: Clarissa zich veel voorstelde | | B: wij de gelegenheid gehadden hebben...” | | C: wij de gelegenheid gehad hebben...” | | B: „Eer gij de gelegenheid gehad | | C: „Eer gij de gelegenheid gehad | | B: de gevraagde belofde af, riep Traddles | | C: de gevraagde belofte af, riep Traddles | | B: sprak zij, mijnheer Copperfield elken | | C: sprak zij, „mijnheer Copperfield elken | | B: moest zij dan ontzagelijk veranderd | | C: moest zij dan ontzaglijk veranderd | | B: onmiddelijk een gevecht aanging | | C: onmiddellijk een gevecht aanging | | B: „Wat kon ik anders doen dan | | C: Wat kon ik anders doen dan | | B: echter zeker deze familie is uit | | C: echter zeker: deze familie is uit | | B: tuschen zijne handen nam en haar | | C: tusschen zijne handen nam en haar | | B: verbaasd zijn, beste Copperfield, alg | | C: verbaasd zijn, beste Copperfield, als | | B: ongelukkige vrouw Brittanië lijkt mij een | | C: ongelukkige vrouw Brittannië lijkt mij een | | B: afleggen, wordt ik zoo vlug geholpen, | | C: afleggen, word ik zoo vlug geholpen, | | B: spreken; ik voel, zijn handdruk | | C: spreken; ik voel zijn handdruk | | B: lang met mij rondgedragen neb. | | C: lang met mij rondgedragen heb. | | B: in de onmiddelijke nabijheid gehuurd heb, | | C: in de onmiddellijke nabijheid gehuurd heb, | | B: nooit met zooveeel zorg gekleed | | C: nooit met zooveel zorg gekleed | | B: zijn daartoe te verweg. | | C: zijn daartoe te ver weg. | | B: tranen heen; mijn jonge vrouwje | | C: tranen heen; mijn jonge vrouwtje | | B: juffrouw Clarrissa bij ons; wij | | C: juffrouw Clarissa bij ons; wij | | B: „Maar, lieveling,” | | C: „Maar, lieveling.” | | B: ik. „Kom, Ga nu hier eens | | C: ik. „Kom. Ga nu hier eens | | B: die echter onmiddelijk verdween toen ik | | C: die echter onmiddellijk verdween toen ik | | B: telkens door de ene af andere noodlottige | | C: telkens door de ene of andere noodlottige | | B: Ik wisechter hoe gevoelig | | C: Ik wist echter hoe gevoelig | | B: stond alsof de flesschjes dronken | | C: stond alsof de fleschjes dronken | | B: lijken mij zoo vreemd toe. Dora | | C: lijken mij zoo vreemd toe.” Dora | | B: innig lief.” „Want, dat doe ik, | | C: innig lief.” Want, dat doe ik, | | B: gaarne wilde hebben: en nooit kwam | | C: gaarne wilde hebben; en nooit kwam | | B: Dora niet onmiddelijk vond, riep | | C: Dora niet onmiddellijk vond, riep | | B: van hare moeder komt”; vervolgde | | C: van hare moeder komt”, vervolgde | | B: de vogeltjes.” | | C: de vogeltjes. | | B: antwoordde ik, „Kom binnen.” | | C: antwoordde ik. „Kom binnen.” | | B: Gij kent den docter en weet | | C: Gij kent den doctor en weet | | B: wat de bewondrenswaardigste menschen niet | | C: wat de bewonderenswaardigste menschen niet | | B: op den docter te wachten. Wij | | C: op den doctor te wachten. Wij | | B: gangetje langs de provisiekamer hierheen. | | C: gangetje langs de provisiekamer hierheen.” | | B: dan waartoe hij zich verbindt.” | | C: dan waartoe hij zich verbindt.”” | | B: „Annie, sta onmiddelijk op! Breng | | C: „Annie, sta onmiddellijk op! Breng | | B: dat ik onmiddelijk deze woning verlaat!” | | C: dat ik onmiddellijk deze woning verlaat!” | | B: zei Annie. Ik geef hem slechts | | C: zei Annie. „Ik geef hem slechts | | B: gedachten geen plaats meer was Vergeef | | C: gedachten geen plaats meer was. Vergeef | | B: „Wend u niet tot mij!” | | C: „Wendt u niet tot mij!” | | B: fasoenlijke hoofd een weinig | | C: fatsoenlijke hoofd een weinig | | B: terwijl Littimer even kuchtte, van | | C: terwijl Littimer even kuchte, van | | B: was heengegaan. Ik moet hier bijvoegen | | C: was heengegaan.” Ik moet hier bijvoegen | | B: gehoord. | | C: gehoord.” | | B: „Juffrouw Dartle keek mij aan, | | C: Juffrouw Dartle keek mij aan, | | B: Daarheen toog ik opweg. Toen | | C: Daarheen toog ik op weg. Toen | | B: stoel nemende, verwacht niet te | | C: stoel nemende, „verwacht niet te | | B: nichtje Emliy leeft nog, mijnheer!” | | C: nichtje Emily leeft nog, mijnheer!” | | B: want baas Pegotty wandelde naast | | C: want baas Peggotty wandelde naast | | B: gezicht te verliezen nog haar te dicht | | C: gezicht te verliezen noch haar te dicht | | B: lang vergeten afkondingen, waarin aan | | C: lang vergeten afkondigingen, waarin aan | | B: in haar omslagsdoek waren gerold | | C: in haar omslagdoek waren gerold | | B: zei ik, wees nu bedaard!” | | C: zei ik, „wees nu bedaard!” | | B: voortstroomende water. Ik zou er | | C: voortstroomende water. „Ik zou er | | B: weemoed uit, en ik had zelve door | | C: weemoed uit, „en ik had zelve door | | B: in de uitingen van zelverwijt en | | C: in de uitingen van zelfverwijt en | | B: Peggotty, was van hetzelfde gevoelen | | C: Peggotty was van hetzelfde gevoelen | | B: Het is alles, dat ik u | | C: „Het is alles, dat ik u | | B: van u heb moeten verduren! | | C: van u heb moeten verduren!” | | B: minder dan niets, Liever | | C: minder dan niets. Liever | | B: iemand anders. Ik beb meermalen de | | C: iemand anders. Ik heb meermalen de | | B: daarop onmiddelijk in hechtenis genomen. | | C: daarop onmiddellijk in hechtenis genomen. | | B: horloges hebt zien wegnemen, „Foei!” | | C: horloges hebt zien wegnemen! Foei!” | | B: mij veelbevolend in de ooren. | | C: mij veelbelovend in de ooren. | | B: al gevraagd, is 't niet?” Als gij | | C: al gevraagd, is 't niet? Als gij | | B: willen doen!” O, wat een vreeselijke | | C: willen doen! O, wat een vreeselijke | | B: op vleienden toon „Dat was zoo vreeselijk | | C: op vleienden toon. „Dat was zoo vreeselijk | | B: iets; dat ik zei of deed. Ik | | C: iets dat ik zei of deed. Ik | | B: zal ik Jip eens flink | | C: „zal ik Jip eens flink | | B: frisch uitkwam. „Beware dat beest!” | | C: frisch uitkwam. Beware dat beest!” | | B: adres in Doctor's Commons en ik | | C: adres in Doctors' Commons en ik | | B: een bezoek te brengen aan Englands | | C: een bezoek te brengen aan Engelands | | B: Ik wis niet zoo vermetel zijn | | C: Ik wil niet zoo vermetel zijn | | B: genomen. | | C: genomen.” | | B: Hoewel ik mijnheer Micawbers | | C: Hoewel ik mijnheer Micawber's | | B: waarmee hij uitriep: ‚den bliksemschicht te | | C: waarmee hij uitriep: „‚den bliksemschicht te | | B: famillie te hereenigen? O, het is | | C: familie te hereenigen? O, het is | | B: had opgedaan, haden mij, toen ik verder | | C: had opgedaan, hadden mij, toen ik verder | | B: beider naam een gerustellenden | | C: beider naam een geruststellenden | | B: geen oproepingen ontving óm zelf te | | C: geen oproepingen ontving om zelf te | | B: glas punch bereiden, mijnheer Micawber.” | | C: glas punch bereiden, mijnheer Micawber,” | | B: weg, vonden de dilligence gereed | | C: weg, vonden de diligence gereed | | B: te veel, mijnheer:” Mijnheer Dick werd | | C: te veel, mijnheer!” Mijnheer Dick werd | | B: ben ik overtuigd” zei mijnheer Micawber. | | C: ben ik overtuigd,” zei mijnheer Micawber. | | B: tegenwoordigheid van geest te beziten | | C: tegenwoordigheid van geest te bezitten | | B: worstelde, de inspannig, die hem het | | C: worstelde, de inspanning, die hem het | | B: snel! Daarna kroop zij in een | | C: snel!” Daarna kroop zij in een | | B: juffrouw Dartle,” „ik ben gekomen | | C: juffrouw Dartle, „ik ben gekomen | | B: deze verwijten verdiend” riep Emily, | | C: deze verwijten verdiend,” riep Emily, | | B: zeggen zal,” sprak zij „en bewaar | | C: zeggen zal,” sprak zij, „en bewaar | | B: zonder zich te verwaardingen | | C: zonder zich te verwaardigen | | B: hernam zij, zoo niet in uw huis | | C: hernam zij, „zoo niet in uw huis | | B: van James Steerforth's teedertijd—hij | | C: van James Steerforth's teederheid—hij | | B: „Een akelige gil volgde op dit | | C: Een akelige gil volgde op dit | | B: lieveling zou terugvinden. | | C: lieveling zou terugvinden.” | | B: alles.... alles, Het was alsof | | C: alles.... alles. Het was alsof | | B: volgenden morgen dood zou vinden!” | | C: volgenden morgen dood zou vinden!”” | | B: van vreugde onmogelijk onderdrukken, | | C: van vreugde onmogelijk onderdrukken. | | B: „Ga uit den weg”, riep zij, ik | | C: „Ga uit den weg”, riep zij, „ik | | B: hij zich tot tante, zij houden | | C: hij zich tot tante, „zij houden | | B: opzoeken en leest mij s'avonds | | C: opzoeken en leest mij 's avonds | | B: zei hij, zoo hartlijk lachend, | | C: zei hij, zoo hartelijk lachend, | | B: kind liefkoosde. Een echte Siamees, | | C: kind liefkoosde. „Een echte Siamees, | | B: „Ook dit beloofde ik getrouw | | C: Ook dit beloofde ik getrouw | | B: huis spreek zijn deze: „Gij | | C: huis spreek zijn deze: Gij | | B: hare krullen schuddende. Ik | | C: hare krullen schuddende. „Ik | | B: zij nu erntig, luister nu | | C: zij nu ernstig, „luister nu | | B: al ontbeten?” vroeg hij | | C: al ontbeten?” vroeg hij. | | B: Copperfield, hernam hij, „uw vertrouwen | | C: Copperfield,” hernam hij, „uw vertrouwen | | B: tijdsgewricht niet misplaats. Ik verzoek | | C: tijdsgewricht niet misplaatst. Ik verzoek | | B: keken Trad les aan, die | | C: keken Traddles aan, die | | B: hij met iets gemaaks in zijne | | C: hij met iets gemaakts in zijne | | B: dat wij hinnentraden en ik hem over | | C: dat wij binnentraden en ik hem over | | B: Juffrouw Trotwood.” | | C: juffrouw Trotwood.” | | B: mijnheer Traddles, antwoordde Heep, | | C: mijnheer Traddles,” antwoordde Heep, | | B: zijn. Gij kent- mijnheer Wicfield | | C: zijn. Gij kent mijnheer Wickfield | | B: van anstige gejaagdheid. Hare | | C: van angstige gejaagdheid. Hare | | B: zei tante zachtjes hij zou brieven | | C: zei tante zachtjes, „hij zou brieven | | B: geweest van finantieële verplichtingen, | | C: geweest van finantiëele verplichtingen, | | B: Heep alleen Heep, Heep alleen | | C: Heep alleen. Heep, Heep alleen | | B: zei mijnheer Micawber, wilt ge?” | | C: zei mijnheer Micawber, „wilt ge?” | | B: in mijne richting, „Ik heb eenigen | | C: in mijne richting. „Ik heb eenigen | | B: tyranie der woorden, maar wij tyraniseeren | | C: tyrannie der woorden, maar wij tyranniseeren | | B: deftg klinken. En evenals er | | C: deftig klinken. En evenals er | | B: mijnheer W's handteekening, hoewel | | C: mijnheer W.'s handteekening, hoewel | | B: pasten volkomen bij elkander | | C: pasten volkomen bij elkander. | | B: gekomen, gezegd dat ik voor nwe | | C: gekomen, gezegd dat ik voor uwe | | B: dragen” | | C: dragen.” | | B: de voorlezing kon vervolgen, | | C: de voorlezing kon vervolgen. | | B: zei Traddles. Ze zijn in mijn | | C: zei Traddles. „Ze zijn in mijn | | B: hernam Traddles, is dit: Allereerst | | C: hernam Traddles, „is dit: Allereerst | | B: die niet heb!” riep Uriah | | C: die niet heb!” riep Uriah. | | B: zei Uriah „Gij moet mij den | | C: zei Uriah. „Gij moet mij den | | B: thans verdwenen”; zei mijnheer Micawber; | | C: thans verdwenen”, zei mijnheer Micawber; | | B: gaven verscheide hinderlijke | | C: gaven verscheidene hinderlijke | | B: Micawber, „hoopte ik Wilkens | | C: Micawber, „hoopte ik Wilkins | | B: werkelijk, Doady”? vroeg zij, | | C: werkelijk, Doady?” vroeg zij, | | B: zij, terwijl zij mij kuste. Neen, | | C: zij, terwijl zij mij kuste. „Neen, | | B: haar het onmiddelijk te zullen doen, | | C: haar het onmiddellijk te zullen doen, | | B: ging onmiddelijk naar boven en | | C: ging onmiddellijk naar boven en | | B: LIV | | C: LIV. | | B: de bewusheid van hetgeen was | | C: de bewustheid van hetgeen was | | B: our bark is on the sea._” | | C: our bark is on the sea._”” | | B: zei tante „Ik durf u | | C: zei tante. „Ik durf u | | B: betreft de finantieële hulp, zonder | | C: betreft de finantiëele hulp, zonder | | B: de veeteelt onmiddelijk betreffen, hoewel | | C: de veeteelt onmiddellijk betreffen, hoewel | | B: die hem knelden, zal afwerpen, | | C: die hem knelden, zal afwerpen,” | | B: niet bijzonder inden smaak zouden | | C: niet bijzonder in den smaak zouden | | B: antwoordde ik „wij hebben meer reden | | C: antwoordde ik, „wij hebben meer reden | | B: „Brieven riep tante. „Ik geloof | | C: „Brieven!” riep tante. „Ik geloof | | B: Het verheugt mij te kunnen | | C: „Het verheugt mij te kunnen | | B: kalmte, of pond?” | | C: kalmte, „of pond?” | | B: „Filiciteert mij niet, geen | | C: „Feliciteert mij niet, geen | | B: antwoordde tante en ik liet mij | | C: antwoordde tante, „en ik liet mij | | B: Dat zou ik nog niet zoo | | C: „Dat zou ik nog niet zoo | | B: Dat ben ik geheel met | | C: „Dat ben ik geheel met | | B: zijn salaris.... | | C: zijn salaris....” | | B: bewaring heeft” hernam Traddles, | | C: bewaring heeft,” hernam Traddles, | | B: gelegd zal worden. | | C: gelegd zal worden.” | | B: evenals zijn inboedel, zei tante. | | C: evenals zijn inboedel,” zei tante. | | B: onderwerp aanroer; „ik vrees ten minste | | C: onderwerp aanroer; ik vrees ten minste | | B: vervolgde Traddles, was dit slechts | | C: vervolgde Traddles, „was dit slechts | | B: Trodwood,” antwoordde mijnheer | | C: Trotwood,” antwoordde mijnheer | | B: zei tante „Hij is hier | | C: zei tante. „Hij is hier | | B: tegenwoordig,” sprak zij, anders zou ik | | C: tegenwoordig,” sprak zij, „anders zou ik | | B: in dit bajuwschap de hoogste | | C: in dit baljuwschap de hoogste | | B: in den zevenden hemel bevind. | | C: in den zevenden hemel bevind.” | | B: buitengewoon inspanning deed en | | C: buitengewone inspanning deed en | | B: wind heen en weerfladderde. Het | | C: wind heen- en weerfladderde. Het | | B: nam op het stand met elke seconde | | C: nam op het strand met elke seconde | | B: ook nog de casette, waarin | | C: ook nog de cassette, waarin | | B: beneden kon komen. maar dat, indien | | C: beneden kon komen, maar dat, indien | | B: hem gemaakt heb wat hij was!” | | C: hem gemaakt hebt wat hij was!” | | B: antwoordde zij, dat ik tot haar spreken | | C: antwoordde zij, „dat ik tot haar spreken | | B: Toen hij begon in te zien | | C: „Toen hij begon in te zien | | B: niet in wijnglazen—het geen hij | | C: niet in wijnglazen—hetgeen hij | | B: Op dit oogenblk kwam een | | C: Op dit oogenblik kwam een | | B: hij gewoonlijk aanam, wanneer de | | C: hij gewoonlijk aannam, wanneer de | | B: fluisterenden toon, op een | | C: fluisterenden toon, „op een | | B: Indien gij in de gelegenheid | | C: „Indien gij in de gelegenheid | | B: van mijn zoon Wilkens zal aan | | C: van mijn zoon Wilkins zal aan | | B: mijn waarde Copperfield” zei mevrouw | | C: mijn waarde Copperfield,” zei mevrouw | | B: Groot-Brittanië!” | | C: Groot-Brittannië!” | | B: Micawber, Groot Brittanië moet zelf | | C: Micawber, „Groot-Brittannië moet zelf | | B: „Lieve, viel hij in, „gij | | C: „Lieve,” viel hij in, „gij | | B: mijn!” | | C: mijn!”” | | B: aan mijne voeten!” | | C: aan mijne voeten!”” | | B: inzichten. Wat ge-geschieden moet—zal | | C: inzichten. Wat geschieden moet—zal | | B: van hunne weinige voeten ruimte | | C: van hunne weinige voetenruimte | | B: die zich romdom mij uitstrekte tot | | C: die zich rondom mij uitstrekte tot | | B: oud huis in Trish-street Hill, | | C: oud huis in Fish-street Hill, | | B: bij het Gray Inn's koffiehuis uitstapte | | C: bij het Gray's Inn koffiehuis uitstapte | | B: zulk een weinig beteekemend onderwerp | | C: zulk een weinig beteekenend onderwerp | | B: daarom wat ik zou gebruiken? | | C: daarom wat ik zou gebruiken. | | B: moet hem spreken,” | | C: moet hem spreken.” | | B: riep Traddles. Zeg mij nu eens, | | C: riep Traddles. „Zeg mij nu eens, | | B: ons Zij wilden Londen wel | | C: ons. Zij wilden Londen wel | | B: hartelijk lachend „zooveel stoornis | | C: hartelijk lachend, „zooveel stoornis | | B: hij dit laaste eenigszins aarzelend | | C: hij dit laatste eenigszins aarzelend | | B: hernam Tradles, „maar ik vrees | | C: hernam Traddles, „maar ik vrees | | B: met een veelbeteekenden blik, | | C: met een veelbeteekenenden blik, | | B: peinzend uit te roepen: Goede | | C: peinzend uit te roepen: „Goede | | B: meen” antwoordde ik, „maar wat | | C: meen,” antwoordde ik, „maar wat | | B: schroomvalligen toon voort „zijn goede | | C: schroomvalligen toon voort, „zijn goede | | B: was?” | | C: was?”” | | B: gaat zelfs zoo ver- van te beweren,” | | C: gaat zelfs zoo ver van te beweren,” | | B: juffrouw Murdstone verkondigen. | | C: juffrouw Murdstone verkondigen.” | | B: Murdstonne bedoelden en die, daarvan | | C: Murdstone bedoelden en die, daarvan | | B: nemen,” hernam ik. Ik zou vandaag | | C: nemen,” hernam ik. „Ik zou vandaag | | B: menschelijke belangen; alle vreugde en | | C: menschelijke belangen, alle vreugde en | | B: is,” vervolgde tante. Indien | | C: is,” vervolgde tante. „Indien | | B: haar geluk. | | C: haar geluk.” | | B: vroolijken toon. Misschien wilt | | C: vroolijken toon. „Misschien wilt | | B: was mij steeds welkom. Dit | | C: „was mij steeds welkom. Dit | | B: avond onvergetelijk voo mij gemaakt | | C: avond onvergetelijk voor mij gemaakt | | B: „Wat zegt mijn zustje daarvan?” | | C: „Wat zegt mijn zusje daarvan?” | | B: antwoordde Tradles, „zij is | | C: antwoordde Traddles, „zij is | | B: gemaakt—wat kunnnen wij dan | | C: gemaakt—wat kunnen wij dan | | B: zei ik. „Apropos, teekent gij tegenwoordig | | C: zei ik. „A propos, teekent gij tegenwoordig | | B: dien ouden .... schavuit, zei ik. | | C: dien ouden .... schavuit,” zei ik. | | B: iets gekocht ,of iemand op | | C: iets gekocht, of iemand op | | B: die zoo masief gebouwd was, dat | | C: die zoo massief gebouwd was, dat | | B: stond. om hem in zijne cel te | | C: stond, om hem in zijne cel te | | B: maar ik weet, mijnheer dat | | C: maar ik weet, mijnheer, dat | | B: verplicht, mijnheer ik voel mij | | C: verplicht, mijnheer, ik voel mij | | B: tot eer, 28” antwoordde dezelfde | | C: tot eer, 28,” antwoordde dezelfde | | B: de heer met den bril, of | | C: de heer met den bril, „of | | B: Door wie?” | | C: „Door wie?” | | B: in te spannen haar lof hoorde | | C: in te spannen, haar lof hoorde | | B: niet dik op den hartbevroren | | C: niet dik op den hardbevroren | | B: vermoedens nog toegenonen, tante?” | | C: vermoedens nog toegenomen, tante?” | | B: Ik vermoed dat Agnes zal gaan | | C: „Ik vermoed dat Agnes zal gaan | | B: in onze woning in London, | | C: in onze woning in Londen, | | B: een lief en mooi vrouwtje! | | C: een lief en mooi vrouwtje!” | | B: „Ja wel een genot, oude | | C: „Ja welk een genot, oude | | B: welbekende stem verbeelde ik mij, | | C: welbekende stem verbeeldde ik mij, | | B: weet ik niet meer—Natuurlijk | | C: weet ik niet meer.—Natuurlijk | | B: zij altijd: „Dat is voor mij | | C: zij altijd: ‚Dat is voor mij | | B: Zoo is Em'ly tegenwoordig. | | C: Zoo is Em'ly tegenwoordig.” | | B: stemmen en die van de vogels. | | C: stemmen en die van de vogels.” | | B: „Ik had Agnes nooit zoo zien | | C: Ik had Agnes nooit zoo zien | | B: baas Pegotty was zoo vermakelijk, | | C: baas Peggotty was zoo vermakelijk, | | B: grooter baas Peggorty's lachlust | | C: grooter baas Peggotty's lachlust | | B: antwoordde hij „maar in | | C: antwoordde hij, „maar in | | B: hem te ontzetten. | | C: hem te ontzetten.” | | B: Toen het desert was opgebracht | | C: Toen het dessert was opgebracht | | B: Wilkins Micawber, Esq Junior, die het | | C: Wilkins Micawber, Esq. Junior, die het | | B: behoorden Wilkens Micawber Esq. | | C: behoorden Wilkins Micawber Esq. | | B: gelukkige omstandigheden, verkeerde, | | C: gelukkige omstandigheden verkeerde, | | B: „Wie is die gebogen vrouw, | | C: Wie is die gebogen vrouw, | | B: naam van dien heer vergeten. | | C: naam van dien heer vergeten.” | | B: buigt zicb voorover en roept | | C: buigt zich voorover en roept | | B: niets bij haar er is niets wat ooit | | C: niets bij haar, er is niets wat ooit | | B: Holbourn Court? Is 't niet?” | | C: Holborn Court? Is 't niet?” | | B: antwoordde Traddles,, „als ik | | C: antwoordde Traddles, „als ik | | B: voorspoed, dien hij geniet.” | | C: voorspoed, dien hij geniet. | | B: beste Coperfield,” zei hij, | | C: beste Copperfield,” zei hij, | | B: Behalve....” | | C: „Behalve....” | | B: in huis onbezet” zegt hij, „want | | C: in huis onbezet,” zegt hij, „want | | B: de zusters bij mij dan ik weet. | | C: de zusters bij mij dan ik weet.” | | | +----------------------------------------------------------+

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us