XXXVII
Een koud bad.
Mijne nieuwe levenswijze had reeds langer dan eene week geduurd en ik voelde mij sterker dan ooit om alle plannen, die ik met het oog op de omstandigheden gevormd had, ten uitvoer te brengen. Ik bleef nog altijd hard loopen en werd steeds vervolgd door het denkbeeld, dat ik moest trachten vooruit te komen. Ik moest zooveel van mij zelven vergen als mogelijk was en bij alles wat ik deed, maakte ik het mij tot eene gewoonte al mijne krachten in te spannen. Ik wilde, ik moest een slachtoffer worden van mijn plicht. Zelfs kwam de gedachte in mij op mij op diëet te stellen en alleen van plantaardig voedsel te gaan leven, overtuigd, dat ik daarmede een offer zou brengen aan Dora.
Tot nu toe was Dora onbewust van mijne wanhopende flinkheid, tenzij zij daarvan iets uit mijne brieven had geraden. Maar op zekeren Zaterdagavond zou zij bij juffrouw Mills komen en wanneer mijnheer Mills naar zijn whistclub was—waarvan ik telegrafisch bericht zou ontvangen door het plaatsen van een vogelkooi voor het middelste venster van de voorkamer—zou ik komen theedrinken.
Wij woonden toen reeds eenigen tijd met ons drieën in Buckingham-street, en mijnheer Dick genoot dagelijks meer van zijn copiëerwerk, waaraan hij zich met onafgebroken ijver wijdde. Tante had eene glansrijke overwinning behaald op juffrouw Crupp en haar hare streken betaald gezet, door de eerste kruik of kan, die zij op de trap vond staan, uit het raam te werpen en een meisje, dat zij gehuurd had voor huishoudelijke bezigheden, in persoon de trap op en af te brengen. Deze ingrijpende maatregelen vervulden juffrouw Crupp met zooveel angst, dat zij zich in haar keuken schuil hield, meenende dat tante niet goed meer bij haar verstand was. De meening van juffrouw Crupp liet tante echter volslagen onverschillig, trouwens zij stoorde zich aan niemand en gaf eerder voedsel aan juffrouw Crupp's meening, dan dat zij trachten zou die weg te nemen; zoodat deze, eenige dagen te voren nog zoo stoutmoedig, zich telkens, wanneer zij tante meende te zullen ontmoeten, achter de eene of andere deur verborg, waarbij de zoom van haar flanellen onderrok haar echter gewoonlijk verried. Deze handelwijze schonk tante zulk eene voldoening, dat zij, telkens wanneer zij vermoeden kon juffrouw Crupp te zullen ontmoeten, voor haar genoegen de trap op- en neerliep met den hoed op de zonderlingste wijzen boven op haar kruin.
Tante was buitengewoon netjes en handig en bracht dientengevolge zooveel verbeteringen aan op mijne kamers, dat ik eer rijker dan armer scheen te zijn geworden. Zoo herschiep zij het provisiekamertje in een kleedkamer voor mij en kocht een ledikant voor mij, dat toegeslagen kon worden en dan zoo zeer aan eene boekenkast deed denken als een ledikant maar doen kan. Ik was het voorwerp van hare voortdurende zorgen; mijne arme moeder zou mij niet meer bewijzen hebben kunnen geven van hare liefde, noch meer gepeinsd kunnen hebben over de wijze, waarop zij mij zoo gelukkig mogelijk kon maken.
Peggotty achtte het een groot voorrecht, dat zij tante bij dit alles helpen mocht, en hoewel zij nog altijd iets van dat oude gevoel van vrees en ontzag voor haar behouden had, ontving zij toch telkens zulke doorslaande bewijzen van vertrouwen, dat zij de beste vriendinnen waren. Maar nu was het tijdstip genaderd—het was dezelfde Zaterdag, waarop ik bij juffrouw Mills zou theedrinken—dat Peggotty naar huis zou terugkeeren, ten einde de plichten te vervullen, die zij ten opzichte van Ham op zich genomen had. „Nu, vaarwel, Barkis,” zei tante, „en houd u maar goed. Ik heb nooit gedacht dat het mij noch eens spijten zou als ik u moest missen!”
Ik vergezelde Peggotty naar het diligencekantoor en zag haar vertrekken. Zij schreide bij het afscheid en beval, evenals Ham gedaan had, haar broeder in mijne voortdurende vriendschap aan. Sinds hij dien helderen achtermiddag vertrokken was, hadden wij taal noch teeken van hem gehoord.
„En nu, luister nog eens, lieve Davy,” zei Peggotty, „mocht gij, zoolang gij nog niet tot uwe bestemming zijt gekomen, of wanneer gij klaar zijt met uwe studie, geld noodig hebben, hetzij om wat zakgeld te hebben of om eene zaak te beginnen,—een van beide zal toch wel eens voorkomen—wie heeft dan meer recht om het u te leenen dan uwe lieve moeders eigen, domme, oude Peggotty?”
Ik beloofde haar, dat, indien ik ooit in de noodzakelijkheid zou komen om geld te leenen, ik het aan haar zou vragen; maar ik ben er zeker van, dat zij veel geruster naar huis zou zijn gegaan, als ik terstond eene aanzienlijke som had te leen gevraagd.
„En, beste Davy,” fluisterde Peggotty, „zeg aan dat lieve, kleine engeltje, dat ik haar zoo gaarne eens gezien zou hebben, al was het maar eene minuut geweest. Vertel haar ook, dat ik, voor zij met mijn besten jongen trouwt, zal overkomen en uw huisje zoo keurig in orde zal maken.... als gij 't maar aan mij overlaat?”
Ik beloofde dat niemand anders er aan zou raken en deze belofte schonk haar zooveel rust, dat zij blijmoedig vertrok.
In de Commons hield ik mij den ganschen dag onledig met het maken van allerlei plannen en toen de avond gekomen was, bevond ik mij op het afgesproken uur in de straat, waar mijnheer Mills woonde. Mijnheer Mills had de vervelende gewoonte om na het middagmaal in slaap te vallen en was nu nog niet uitgegaan, want de vogelkooi stond niet voor het middelste raam. Hij liet mij zoolang wachten tot ik vurig hoopte, dat hij in zijn club voor te laat komen boete zou oploopen. Eindelijk ging hij uit en in het volgende oogenblik zag ik Dora eigenhandig de vogelkooi verplaatsen en over het balcon naar mij kijken. Zoodra zij mij gezien had, snelde zij naar binnen, terwijl Jip op het balcon bleef staan blaffen tegen een reusachtigen slagershond, die hem wel als een pil had kunnen inslikken.
Dora kwam mij aan de deur van de voorkamer tegemoet en Jip kwam naar buiten vliegen, al brommende, in den waan dat ik een inbreker was, en daarna gingen wij met ons drieën naar binnen, zoo gelukkig en zoo blijde als wij maar konden zijn. Weldra verstoorde ik echter onze vreugde—het was wel niet mijn plan, maar ik was zoo met mijne gewijzigde omstandigheden vervuld, dat ik niet zwijgen kon en zonder eenige voorbereiding aan Dora vroeg of zij een bedelaar zou kunnen liefhebben?
O, hoe ontstelde mijn lieve, kleine Dora! Dat woord kon zij aan niets verbinden dan aan een geel gezicht met een slaapmuts, een paar krukken of een houten been en een hond met een flesschenbakje in den bek of iets dergelijks; het verbaasde gezichtje, waarmede zij mij aankeek, was verrukkelijk!
„Hoe kunt gij mij zulk eene dwaze vraag doen?” vroeg zij met een pruilend lipje. „Een bedelaar liefhebben!”
„Liefste Dora!” antwoordde ik, „ik ben een bedelaar!”
„Hoe kunt gij zoo dwaas zijn om mij zulk een onzin te vertellen?” sprak zij, terwijl zij mij een tik op mijne hand gaf. „Ik zal Jip tegen u ophitsen!”
Hare kinderlijke maniertjes brachten mij in verrukking, maar het was noodzakelijk mij duidelijker te verklaren en daarom antwoordde ik: „Dora, lieveling, ik ben nog altijd uw David, maar ik ben zoo arm als een kerkrat.”
„Pas op, hoor! Ik stuur Jip op u af!” hernam Dora, haar hoofdje schuddend, „als gij zulke dwaze dingen vertelt!”
Ik keek echter zoo ernstig, dat Dora spoedig ophield met haar hoofdje te schudden, haar bevend handje op mijn schouder legde, mij eerst angstig aankeek en toen begon te schreien. Dat was niet uit te staan! Ik viel voor de sofa op de knieën, liefkoosde haar en smeekte haar mijn hart niet te verscheuren; maar gedurende eenige minuten deed de arme, kleine Dora niets dan uitroepen: „Maar beste! Maar beste!” O, zij was zoo vreeselijk geschrokken! En waar was Julia Mills toch? Zij wilde naar Julia en ik moest heengaan, riep zij. Ik wist niet meer wat ik zei of deed.
Eindelijk haalde ik haar toch over om mij aan te kijken, eerst met een doodelijk verschrikt gezicht, dat langzamerhand kalmer werd, tot ik hare zachte wang tegen de mijne voelde. Toen vertelde ik haar, met mijn arm om haar heen, hoe lief ik haar had, hoe innig, innig lief; ik zeide dat ik het mijn plicht achtte haar van haar woord te ontslaan, omdat ik nu arm was; dat ik nimmer, nimmer meer gelukkig zou kunnen zijn, indien ik haar moest verliezen; dat ik de armoede niet vreesde, als zij het maar niet deed, want dat ik sterk was en werken kon, indien ik het maar voor haar mocht doen; dat ik reeds aan het werk was met een ijver zooals alleen iemand kan aan den dag leggen, die waarachtig liefheeft; dat ik reeds begonnen was in de toekomst te zien; dat een zuur verdiende korst brood beter smaakte dan een in den schoot geworpen lekkernij.... en nog veel meer van dien aard. Ik sprak met een vuur en een hartstochtelijkheid, waarover ik zelf verbaasd was, hoewel ik er dag en nacht over gepeinsd had, van het oogenblik af, dat mijne tante mij hare verrassende mededeeling had gedaan.
„Behoort uw hart mij nog toe, lieveling?” vroeg ik, hoewel ik wist, dat mijne vraag overbodig was, want zij hield mij met groote teederheid omklemd.
„O, zeker!” antwoordde Dora. „Zeker, geheel en al! Maar jaag mij toch niet zoo'n angst aan!”
„Ik, Dora angst aanjagen!”
„Spreek toch niet over armoede en hard werken!” zei Dora, terwijl zij zich nog dichter tegen mij aandrong. „Doe dat toch niet!”
„Lieve Dora!” begon ik weder, „de zuur verdiende korst brood....”
„O, ja, ja, maar ik wil nu niets meer over broodkorsten hooren!” zoo viel Dora mij in de rede. „En Jip moet elken middag om twaalf uur een schapeboutje hebben, anders gaat het arme dier zeker dood.”
Ik was verrukt over hare kinderlijke opvatting van de zaak en verzekerde haar dat Jip op den gewonen tijd zijn schapeboutje hebben zou; hing een tafereel op van onze eenvoudige woning, waar 't door mijne arbeidzaamheid aan niets zou ontbreken; beschreef het kleine huisje, dat ik te Highgate gezien had, en plaatste er tante reeds op de bovenverdieping.
„Jaag ik nu nog angst aan, Dora?” vroeg ik op teederen toon.
„O, neen, neen!” riep Dora. „Maar ik hoop dat uwe tante veel op haar eigen kamer blijven zal. En als zij maar geen knorrige, oude brompot is!”
Indien het mogelijk was dat ik nog meer van Dora hield dan vóór dezen avond, dan ben ik overtuigd dat ik het deed. Toch voelde ik, dat zij niet erg meegaand was. Mijn pas ontloken geestdrift werd een weinig getemperd, nu het mij zoo moeielijk viel haar daarvan een weinig mede te deelen. Ik deed daarom eene nieuwe poging. Toen zij geheel tot kalmte was gekomen en bezig was Jip, die op haar schoot lag, aan de ooren te draaien, hernam ik met een ernstig gezicht:
„Lieveling! Mag ik nog iets zeggen?”
„O, zeker, maar kijk toch niet zoo ernstig!” antwoordde Dora met een vleiend stemmetje. „Dan jaagt gij mij weder zoo'n angst aan.”
„Lieveling!” hernam ik, „gij behoeft u voor niets angstig te maken. Ik wil juist, dat gij er geheel anders over denkt. Ik wil u wat moed geven, ik wil u kracht......”
„O, hoe vreeselijk!” riep zij uit.
„Neen, waarlijk, liefste. Kracht en volharding zullen ons in staat stellen het zwaarste te dragen.”
„Maar ik ben volstrekt niet zoo sterk!” riep zij uit, terwijl zij mij met hare zachte, glanzende krullen in het gezicht sloeg. „Ben ik wel, Jip? Toe, kus Jip nu eens en wees nu eens gezellig!”
Het was onmogelijk Jip geen kus te geven, toen zij mij het diertje met dat doel voorhield, terwijl zij zelve haar kleine mondje spitste om mij te beduiden hoe ik het doen moest—precies midden op den neus. Ik deed wat zij verzocht—mij later schadeloos stellende—en zoo deed zij mij, voor ik weet niet hoe lang, mijne zwaarmoedigheid vergeten.
„Maar, Dora, lieveling!” zei ik, eindelijk weder ernstig, „ik wilde u nog iets vertellen.”
De rechters in Prerogative Court zouden zeker verliefd op haar zijn geworden, als zij haar op dit oogenblik gezien hadden, met de handen gevouwen, mij smeekende haar toch niet weder zoo'n angst aan te jagen.
„Ik zal het heusch niet doen,” verzekerde ik. „Maar, Dora, lieveling, als gij nu en dan eens wilt bedenken—niet om u moedeloos te maken—als gij nu en dan eens wilt bedenken—juist om u zelve wat moed in te boezemen—dat gij uwe hand beloofd hebt aan iemand, die arm......”
„O, begin er toch niet weer over! Ik smeek het u!” riep zij. „Gij jaagt mij zoo'n angst aan!”
„Maar dat wil ik volstrekt niet!” zei ik op vroolijken toon. „Als gij het nu en dan maar eens wilt bedenken en eens rondkijken in de huishouding van uw papa en u wat wilt oefenen in.... het boekhouden en zoo....”
Het lieve kind nam dezen raad aan met iets, dat half op een snik en half op een gilletje geleek.
„Dat zou ons naderhand zoo te pas komen,” ging ik voort. „En als gij mij eens zoudt willen beloven eens in een klein.... een klein kookboek, dat ik u zenden zal, te lezen, zou dat voor ons beiden zoo goed zijn. Want, Dora, ons levenspad”—ik werd weer warm—„ons levenspad zal hobbelig en moeielijk begaanbaar zijn, wij moeten het zelve effenen. Wij moeten dapper strijden voor ons dagelijksch brood. Er zullen tallooze hinderpalen op onzen weg zijn, die wij moeten overwinnen.”
Ik had vlug achtereen gesproken met gesloten vuisten en een gezicht, dat gloeide van geestdrift; maar het bleek mij geheel onnoodig om nog voort te gaan. Ik had genoeg gezegd. Ik was nog even ver—ik had haar opnieuw angst aangejaagd. „Waar is Julia toch? O, breng mij toch naar Julia en ga dan heen, ik smeek het u!” Ik wist nu volstrekt niet meer wat ik zeide of deed en liep als een waanzinnige door het salon.
Ik meende haar ditmaal gedood te hebben en begon haar water in het gezicht te sprenkelen. Ik viel op mijne knieën; ik trok mij de haren uit het hoofd; ik schold mij zelven een lomperd, een barbaar en smeekte haar mij vergiffenis te schenken en mij aan te zien. Ik haalde juffrouw Mills' werkdoosje door elkaar om een reukfleschje te zoeken en vond in mijn zielsangst niets dan een ivoren naaldenkokertje waarvan ik den inhoud over Dora uitstortte. Ik zette een vuist tegen Jip die zich even dol aanstelde als ik. Ik bedreef alle mogelijke buitensporigheden en toen juffrouw Mills eindelijk binnenkwam, was ik alles—behalve goed bij mijn verstand.
„Wie heeft dat gedaan?” riep juffrouw Mills, terwijl zij hare vriendin te hulp snelde.
„Ik, juffrouw Mills! Dat heb ik gedaan!” riep ik. „Ziehier den moordenaar!” Te gelijkertijd verborg ik mijn gelaat in het canapékussen.
In het eerst meende juffrouw Mills, dat wij ongenoegen hadden gehad en aan den zoom van de woestijn, de Sahara, waren genaderd; spoedig echter was zij op de hoogte gebracht, want mijne innig geliefde Dora sloeg de armen om haar heen en riep uit: „hij is een werkman!” Daarna begon zij te schreien en omhelsde mij en vroeg mij of ik al het geld, dat zij bezat, van haar wilde aannemen en toen viel zij juffrouw Mills weder om den hals en snikte, alsof haar lieve hartje zou breken.
Juffrouw Mills moet geboren zijn—ons ten zegen. Zij liet mij in enkele woorden vertellen, wat eigenlijk de aanleiding was, troostte Dora, bracht haar aan het verstand, dat ik geen werkman was—uit mijne manier van spreken scheen Dora opgemaakt te hebben, dat ik polderjongen geworden was en den geheelen dag zware kruiwagens tegen planken moest opkruien—en herstelde in een oogenblik den vrede. Toen wij alle drie weder bedaard waren en Dora naar boven was gegaan, om hare oogen met wat rozenwater te betten, schelde Julia voor de thee. Intusschen bedankte ik haar voor hare hulp, verklaarde dat zij eeuwig mijne vriendin zou blijven en dat ik de bewijzen van hare hartelijke vriendschap niet zou vergeten vóór mijn hart had opgehouden te kloppen.
Daarna trachtte ik juffrouw Mills duidelijk te maken hetgeen ik vergeefs gepoogd had Dora aan het verstand te brengen. Zij antwoordde dat in het algemeen een hutje van klei, waarin men tevreden leefde, te verkiezen was boven een paleis, hoe prachtig ook, wanneer de liefde er ontbrak, hetgeen ik ten volle beaamde, er bijvoegende dat niemand dit beter kon beseffen dan ik, omdat ik Dora liefhad zooals nog nooit een sterveling had liefgehad. Juffrouw Mills antwoordde op moedeloozen toon, dat het voor sommige personen heel gelukkig zou zijn, indien hetgeen ik daar zeide waar was, waarop ik verzocht mijne opmerking niet verder te mogen uitstrekken dan tot het mannelijk geslacht.
Ik drong er vervolgens bij juffrouw Mills op aan mij ruiterlijk te willen bekennen, of mijn raad ten opzichte van het huishouden en het kookboek naar hare meening practisch was of niet. Na eenig nadenken antwoordde zij.
„Ik zal u eerlijk zeggen hoe ik daarover denk, mijnheer Copperfield. Zielsverdriet en veelvuldige beproevingen vullen dikwijls aan, wat men in leeftijd te kort komt; maar ik zal zoo onomwonden met u spreken alsof ik eene abdis was. Neen, uw raad was voor onze Dora niet geschikt. Onze lieve Dora is in alle opzichten door de natuur begunstigd, vertroeteld zelfs. Zij heeft nog niets gekend dan licht en vreugde. Ik wil niet ontkennen dat het goed zou zijn, als men er eens met haar over kon spreken, maar .....” Juffrouw Mills schudde het hoofd.
Aangemoedigd door deze laatste woorden, waarin toch eenigszins eene erkenning lag opgesloten van de waarde mijner opmerking, verzocht ik juffrouw Mills bij voorkomende gelegenheden Dora's aandacht eens te willen vestigen op de wijze, waarop zij zich tot een meer ernstig leven zou kunnen voorbereiden. Juffrouw Mills beloofde dit terstond, zoodat ik de vrijheid nam haar de zorg voor het kookboek op te dragen met de verklaring, dat indien zij het eens onder Dora's aandacht wilde brengen, zonder haar angst aan te jagen, zij mij een hoogst gewichtigen dienst zou bewijzen. Juffrouw Mills nam ook deze taak op zich, maar durfde mij niet veel hoop geven op een goeden uitslag.
Toen Dora terugkeerde zag zij er zoo bekoorlijk, zoo kinderlijk uit, dat ik mij moest afvragen waarom zulk een lief schepseltje met dergelijke vervelende dingen moest lastig worden gevallen. En zij had mij zoo lief en was zoo bekoorlijk—vooral toen zij Jip op de achterpooten liet staan en hem een koekje voorhield, terwijl zij deed, alsof zij hem tot straf voor zijn verzet met den neus tegen den warmen trekpot wilde houden—dat ik mij zelven vergeleek bij een monster, dat in het paleis van eene fee was binnengedrongen en de bewoonster een schrik aangejaagd en aan het schreien gebracht had.
Na de thee werd de guitaar te voorschijn gehaald en zong Dora eenige van die ouderwetsche Fransche liedjes, waarin dansen het grootste levensgenot heet.... La ra la, La ra la.... en terwijl ik naar haar zat te luisteren, werd het mij hoe langer hoe duidelijker, welk een vreeselijk monster ik eigenlijk was.
Ons genoegen werd slechts éénmaal gestoord, even voordat ik afscheid zou nemen, toen juffrouw Mills iets wilde afspreken voor den volgenden ochtend en ik mij ongelukkig liet ontvallen, dat ik tegenwoordig alle morgen om vijf uur opstond. Of Dora meende dat ik tot eene vereeniging van vrijwillige nachtwakers behoorde, durf ik niet zeggen; maar het maakte zulk een diepen indruk op haar, dat zij volstrekt niet meer wilde zingen of spelen. Zij was er nog van onder den indruk, toen ik afscheid van haar nam, en zei met haar lief, vleiend stemmetje: „Nu niet om vijf uur opstaan, hoor, ondeugd! Dat is al te gek!”
„Liefste,” zei ik, „ik moet werken.”
„Maar waarom zoudt gij dat doen?” vroeg zij. „Laat het toch!”
Met dat lieve, kinderlijke, verbaasde gezichtje voor mij, was het mij onmogelijk anders dan op schertsenden toon te antwoorden, dat wij allen moesten werken om te leven.
„O, hoe vreeselijk dwaas!” riep zij uit.
„Maar hoe zouden wij dan moeten leven, Dora?” vroeg ik.
„Hoe? Ja, op de eene of andere manier, dat weet ik niet!” antwoordde zij vroolijk.
Zij scheen te meenen dat zij de zaak nu in eens had uitgemaakt en gaf mij met zulk een zegevierend gezichtje een afscheidskus, die rechtstreeks uit haar onschuldig hartje kwam, dat ik voor al de schatten der wereld haar antwoord niet zou hebben kunnen bestrijden.
Ik had haar lief en bleef haar lief hebben met mijn gansche hart; maar ik bleef ook hard werken en smeedde het ijzer, dat nu heet was, met den grootsten ijver; menigen avond zat ik tegenover tante in gepeins verzonken over den angst, dien ik Dora had aangejaagd, en over de beste wijze, waarop ik mij met de guitaarkist een weg zou kunnen banen door het woud van moeilijkheden, dat voor mij lag, en ik verbeeldde mij, dat mijne haren van al het peinzen grijs werden.
XXXVIII
De compagnieschap verbroken.
Mijn ijver om mij op het snelschrijven toe te leggen en de debatten van het Parlement te stenographeeren, was intusschen niet bekoeld. Dit was een van de ijzers, die ik onmiddellijk gloeiend had gemaakt en gloeiend hield en waarop ik met bewonderenswaardigen ijver bleef hameren. Ik kocht een grondig onderricht in de edele kunst en de geheimen der stenographie—het kostte mij tien shillings en zes stuivers—en geraakte zoodanig er in verward, dat ik meende krankzinnig te zullen worden. De verandering in beteekenis, wanneer een punt zus of zoo was geplaatst; de wonderlijke grillen van de cirkeltjes van verschillende grootte; de onnaspeurlijke gevolgen van teekens, die op vliegenpooten geleken; de vreeselijke uitwerking van het kleinste kromme lijntje op eene verkeerde plaats, dat alles hield mij niet alleen den ganschen dag bezig, maar vervolgde mij ook in mijne droomen. Toen ik, blindelings rondtastende mijn weg tusschen al deze moeilijkheden door gevonden had en het alphabet kende, dat op zich zelf al even geheimzinnig was als een Egyptische tempel, volgde er eene nieuwe reeks verschrikkingen, de willekeurige teekenen genoemd; ja, wel waren ze willekeurig, despotisch zelfs! Zoo zal een ding, dat op het begin van een spinneweb lijkt, ‚verwachting’ en een met inkt geteekend pijltje ‚nadeelig’ beduiden.
Toen ik mijn hoofd hiermede letterlijk had afgemarteld, kwam ik tot het besef, dat al het andere er weder uitgedreven was; ik moest dus opnieuw beginnen en vergat toen de ‚willekeurige’ weer en toen ik de ‚willekeurige’ weer onder de knie had, was ik het alphabet weer kwijt, kortom, het was hartverscheurend.
Maar hoe zou het dan wel geweest zijn als ik Dora niet gehad had, Dora, het plechtanker van mijn aan de golven prijs gegeven scheepje. Elk krabbeltje in mijne handleiding was een knoestige eik in het woud der moeilijkheden, en ik hakte den een voor, den ander na om met zulk een ijver, dat ik na drie of vier maanden eene proef nam met een der advocaten in de Commons, die heel duidelijk en langzaam sprak. Zal ik het ooit vergeten dat die voortreffelijke spreker mij al vooruit was eer ik begon, en hoe dat domme potlood hem over het papier nawaggelde, alsof het dronken was!
Het ging niet, dat was duidelijk! Ik had een te hooge vlucht genomen en zou op deze wijze nooit vooruit komen. Traddles moest mij raad geven en de goede jongen was dadelijk bereid. Hij zou mij redevoeringen voorlezen, zóó langzaam en zóó duidelijk en met zóóveel tusschenpoozen, als mijne geringe ervarenheid eischte. Dankbaar nam ik zijn vriendschappelijk voorstel aan en zoo hielden wij avond op avond, ja, langen tijd achtereen, elken avond nadat ik van doctor Strong thuiskwam, in Buckingham-street op onze manier Parlements-zitting.
Ik zou zulk eene zitting wel eens elders hebben willen zien! Tante en mijnheer Dick representeerden de Regeering of, naar gelang van het onderwerp, de rechter of linkerzijde en Traddles slingerde hen met behulp van Enfield's Speaker of van een echt Parlementsverslag de bitterste verwijten naar het hoofd. Bij de tafel staande, met den wijsvinger bij de plaats waar hij was, geleek hij op Pitt, Fox, Sheridan, Burke, Lord Castlereagh of Canning en stortte, gloeiend van verontwaardiging over de verdorvenheid en losbandigheid van tante en mijnheer Dick, de fiolen van zijn toorn over hen uit; terwijl ik, op eenigen afstand met mijn aanteekenboekje op de knieën, al mijn krachten inspande om hem woord voor woord te volgen. Zijne inconsequentie, zijn dolzinnig doorslaan zou geen echt staatsman hem verbeterd hebben. Binnen eene week veranderde hij herhaalde malen van stelsel en zeilde onder alle mogelijke vlaggen. Tante zat gewoonlijk zoo onbewegelijk als een kanselier van de schatkist en wierp er nu en dan eens een „Hoort! Hoort!” of „Neen! Neen!” of „O, o!” tusschen, al naar mate de inhoud dit vorderde; hetgeen voor mijnheer Dick, die zijne rol als landheer volmaakt speelde, het teeken was om met luide stem dezelfde kreten aan te heffen. Mijnheer Dick werd echter in zijne qualiteit van Parlementslid van zulke dingen beschuldigd en voor zóóveel vreeselijke gevolgen verantwoordelijk gesteld, dat het hem nu en dan angstig te moede werd. Ik geloof, dat hij nu en dan werkelijk vreesde iets op zijn geweten te hebben, waardoor Engeland's grondwet of Engeland's vrijheid in gevaar was gebracht.
Meer dan eens zetten wij de debatten voort tot middernacht of tot de kaarsen waren uitgebrand, en het resultaat van deze practische oefeningen was, dat ik langzamerhand Traddles vrij wel kon volgen en zeer tevreden zou zijn geweest, als ik uit hetgeen ik opgeschreven had maar eenigszins had kunnen wijs worden. Maar ik zou even goed de kaballistische teekens van eenige dozijnen Chineesche theekopjes of de etiquetten van al de roode en groene flesschen in een apothekerswinkel hebben kunnen copiëeren.... niemand kon er uit wijs worden en ik zelf evenmin!
Er was niets aan te doen dan opnieuw te beginnen. Het was wel hard, maar ik begon opnieuw, al was het met een bezwaard hart en legde met ijver en stelselmatig nogmaals denzelfden weg in slakkengang af, telkens stil staande om elk puntje, elk bochtje in den weg van alle kanten te bekijken; terwijl ik de wanhopendste pogingen deed om die onverstaanbare teekens, overal waar ik ze tegenkwam, op het eerste gezicht te herkennen. Ik was altijd prompt op mijn tijd op het kantoor en bij den doctor en werkte, zooals de algemeene uitdrukking luidt, als een koetspaard.
Op zekeren dag, als naar gewoonte op het kantoor komende, vond ik mijnheer Spenlow in de gang; hij keek zeer ernstig en praatte voortdurend in zich zelven. Aangezien hij wel eens over hoofdpijn klaagde—hij had een bijzonder korten hals en ik geloof nog dat er te veel stijfsel in zijne boorden gedaan werd—meende ik dat er in dien zin iets niet in orde was; maar hij verloste mij spoedig uit mijne ongerustheid. In plaats van, zooals gewoonlijk, mijn „Goeden morgen” op minzame wijze te beantwoorden, keek hij mij uit de hoogte zeer plechtig aan, terwijl hij mij op ijskouden toon uitnoodigde hem te vergezellen naar een zeker koffiehuis, dat in die dagen met de Commons gemeenschap had door de overwelfde gang op het St. Paulskerkhof. Ik gehoorzaamde, niets op mijn gemak en met een warm, prikkelend gevoel, alsof de vrees, die mij bekroop, door mijn huid naar buiten drong. Toen ik hem eenige schreden liet vooruitgaan, omdat het gangetje te nauw was om naast elkander te loopen, merkte ik op, dat hij zijn hoofd droeg op eene wijze, die weinig goeds beloofde, en bekroop mij de angst, dat hij iets van mijne verhouding tot Dora ontdekt had.
Al had ik dit op weg naar het koffiehuis niet reeds vermoed, ik zou zonder twijfel op dezelfde gedachte gekomen zijn, toen ik, hem naar een opkamertje volgend, juffrouw Murdstone zag zitten met den rug naar het buffet, waarop verscheidene omgekeerde bierglazen stonden, met citroenen er op, benevens twee vreemdsoortige bakjes, met randen en gleuven om messen en vorken in te steken, die, gelukkig voor de menschheid, tegenwoordig uit de mode zijn.
Juffrouw Murdstone gaf mij één ijskouden vingertop en bleef kaarsrecht zitten. Mijnheer Spenlow sloot de deur, verzocht mij een stoel te nemen en ging zelf met den rug naar den haard staan.
„Heb de goedheid, juffrouw Murdstone, aan mijnheer Copperfield te laten zien, wat gij in uw reticule hebt,” zei hij.
Ik geloof waarlijk, dat het dezelfde reticule met den stalen beugel was, die mij in mijn jeugd zooveel angst had aangejaagd, die nijdige reticule, die toeklapte als de muil van een wild dier. Met de lippen op elkaar, in overeenstemming met den beugel, opende juffrouw Murdstone eerst haar mond een weinig en toen den tasch geheel en—haalde er mijn laatsten brief aan Dora uit te voorschijn, vol teedere betuigingen van mijne onveranderlijke liefde.
„Ik meen dat dit uw schrift is, mijnheer Copperfield?” zei mijnheer Spenlow.
Ik gloeide in- en uitwendig en de stem, die ik hoorde, toen ik antwoordde: „Dat is het, mijnheer!” geleek niets op mijn gewoon stemgeluid.
„Vergis ik mij niet,” hernam mijnheer Spenlow, toen juffrouw Murdstone uit haar reticule een geheel pakje brieven te voorschijn haalde, saamgebonden met het sierlijkste blauwe lintje, dat ik ooit gezien heb, „vergis ik mij niet dan zijn ook deze van uwe hand?”
Ik nam ze met een wanhopend gevoel van haar aan en toen ik van eenige den aanhef in het oog kreeg, als „Mijne innig geliefde en eenige Dora! Liefste Engel! Mijn allerliefste vrouwtje!” en dergelijke, bloosde ik als een schooljongen en boog het hoofd.
„Neen, dank u!” zei mijnheer Spenlow op ijskouden toon, toen ik hem werktuigelijk het pakje wilde teruggeven, „ik zal er u niet van berooven. Wees zoo goed voort te gaan, juffrouw Murdstone.”
Nadat dit beminnelijk wezen eenige oogenblikken peinzend op het vloerkleed gestaard had, sprak zij op zalvenden toon.
„Ik moet bekennen, dat ik juffrouw Spenlow reeds eenigen tijd verdacht heb van meer aandacht te schenken aan mijnheer Copperfield dan mij gepast toescheen. Ik was tegenwoordig bij de eerste ontmoeting van juffrouw Spenlow en mijnheer Copperfield en ontving daarvan geen aangenamen indruk. De bedorvenheid van het menschelijk hart is zulk....”
„Gij zult mij verplichten, juffrouw, u tot de zaak zelve te bepalen,” zoo viel mijnheer Spenlow haar in de rede.
Juffrouw Murdstone sloeg de oogen neer, schudde het hoofd alsof zij haar ongenoegen te kennen gaf over de onbetamelijke wijze, waarop mijnheer Spenlow haar in de rede viel, en hernam met gefronst voorhoofd en op nog plechtiger toon:
„Als ik mij dan alleen tot daadzaken bepalen moet, zal ik ze zoo droog mogelijk vermelden. Wellicht zal eene dergelijke behandeling van de feiten meer in den smaak vallen. Ik heb reeds gezegd, mijnheer Spenlow, dat ik sinds eenigen tijd achterdocht koesterde. Meermalen heb ik getracht onomstootelijke bewijzen te vinden voor de juistheid van mijne vermoedens, doch te vergeefs. Ik heb het daarom nagelaten juffrouw Spenlow's vader”—zij keek hem doordringend aan—„met mijne vermoedens lastig te vallen, wel wetende hoe weinig bijval men gewoonlijk ondervindt, wanneer men eenvoudig zijn plicht doet.”
Mijnheer Spenlow scheen verlegen te worden onder den stroeven, ernstigen toon van juffrouw Murdstone en onder hare mannen-manieren, zoodat hij, door met de hand te wuiven, haar tot wat zachtheid meende te kunnen stemmen.
„Bij mijne terugkomst uit Norwood, waarheen het huwelijk van mijn broeder mij gedurende eenigen tijd geroepen had,” ging juffrouw Murdstone op minachtenden toon voort, „en bij den terugkeer van juffrouw Spenlow van haar bezoek aan hare vriendin, mejuffrouw Mills, meende ik uit juffrouw Spenlow's wijze van doen te moeten opmaken, dat mijn achterdocht nog meer reden van bestaan had gekregen dan te voren. Ik bewaakte juffrouw Spenlow daarom met de grootste nauwgezetheid....”
Arme, lieve, zachte Dora! Argeloos onder de hoede van een draak!
„Toch,” hervatte juffrouw Murdstone, „vond ik geen bewijzen vóór gisterenavond. Het kwam mij voor, dat juffrouw Spenlow te veel brieven ontving van hare vriendin, juffrouw Mills; maar aangezien juffrouw Mills met de volledige toestemming van mijnheer Spenlow als vriendin van zijne dochter optrad,”—wederom een vinnigheid aan het adres van mijnheer Spenlow—„kon ik moeilijk tusschen beiden treden. Indien het mij niet veroorloofd is te wijzen op de aangeboren bedorvenheid van het menschelijk hart, mag ik..... neen, moet ik toch de vrijheid nemen, te spreken van misplaatst vertrouwen.”
Mijnheer Spenlow mompelde iets binnensmonds, dat op eene verontschuldiging geleek.
„Gisterenavond na de thee,” vervolgde juffrouw Murdstone, „zag ik hoe Jip opsprong en brommende met iets in den bek door de kamer rende. Ik vroeg aan juffrouw Spenlow: ‚Dora, wat heeft de hond daar in den bek? Het is een papier, als ik mij niet bedrieg.’ Juffrouw Spenlow bracht daarop de hand naar hare japon, gaf een gil en snelde den hond na. Ik kwam tusschen beiden en zei: ‚Lieve Dora, gij moet mij veroorloven dat papier te bekijken.’”
„O, Jip, ellendig beest! Zoo is het dus uw werk!”
„Juffrouw Spenlow,” ging het mensch voort, „trachtte mij wel over te halen met kussen en werkdoosjes en snuisterijen, maar.... 't spreekt van zelf.... dat laat ik rusten. Het hondje nam de wijk onder de sofa, toen ik naderkwam, en werd, na veel vergeefsche pogingen, met de tang er onder uitgejaagd. Het dier bleef echter het papier vasthouden en toen ik trachtte het hem af te nemen, op gevaar af dat hij mij bijten zou, hield hij het zoo stevig met zijn tanden vast, dat hij zich er aan liet ophalen. Eindelijk kreeg ik den brief echter in bezit en na dien gelezen te hebben, gaf ik juffrouw Spenlow te kennen, dat het volstrekt niet met haar rang en stand overeenkwam zulke brieven te ontvangen; ook vroeg ik haar of zij er nog meer had, waarop ik het pakje, dat David Copperfield op het oogenblik in zijne handen heeft, van haar in ontvangst nam.” Nu zweeg zij, klapte de reticule dicht, te gelijk met haar mond en keek alsof men haar wel breken, maar niet buigen kon.
„Gij hebt gehoord wat juffrouw Murdstone heeft gezegd,” sprak mijnheer Spenlow, zich tot mij wendende. „Mag ik nu van u weten wat gij daarop te antwoorden hebt?”
Het tafereel dat zich voor mijn geestesoog opdeed—mijn innig geliefd, zacht meisje, den geheelen avond snikkend en schreiend, geheel alleen, angstig en bedroefd; die meedoogenlooze vrouw smeekend en biddend om het haar te vergeven; hare vergeefsche pogingen om dat steenen hart te vermurwen met kussen, werkdoosjes en snuisterijen; haar wanhoop.... en dat alles ter wille van mij—dat tafereel joeg mijn weinigje manhaftigheid geheel op de vlucht. Ik vrees zelfs dat ik gedurende een of meer minuten stond te beven, ofschoon ik mijn best deed om het te verbergen.
„Ik kan er niets op zeggen, mijnheer,” antwoordde ik, „dan dat ik alleen de schuldige ben; Dora....”
„Juffrouw Spenlow, als ik u verzoeken mag,” zei haar vader uit de hoogte.
„——is door mij overreed,” dat koele ‚mejuffrouw Spenlow’, wilde mij niet over de lippen, „geheimhouding in acht te nemen; maar ik heb er bitter berouw van.”
„Uwe handelwijze is hoogst laakbaar, mijnheer,” sprak mijnheer Spenlow, op het haardkleed heen en weder loopende, terwijl hij met zijn geheele lichaam nadruk legde op zijne woorden—met het hoofd alleen, was hem onmogelijk tengevolge van zijne stijve, hooge boorden. „Gij hebt heimelijk en zeer ongepast gehandeld, mijnheer Copperfield. Wanneer ik een fatsoenlijk man bij mij ontvang, onverschillig of hij negentien of negentig jaar is, moet ik onvoorwaardelijk op hem kunnen vertrouwen. Schendt hij dat vertrouwen, dan pleegt hij eene oneerlijke handeling, mijnheer Copperfield.”
„Ik verzeker u, mijnheer, dat ik dit zeer goed voel,” antwoordde ik. „Ik heb dat vroeger niet zoo ingezien. Eerlijk, oprecht, inderdaad, mijnheer Spenlow, ik heb dat vroeger niet zoo ingezien. Ik heb juffrouw Spenlow zoo onuitsprekelijk lief....”
„Och wat! Dwaasheid!” antwoordde mijnheer Spenlow met eene hoogroode kleur. „Vertel mij nu niet in mijn gezicht dat gij mijne dochter lief hebt, mijnheer Copperfield!”
„Zou ik mijne handelwijze kunnen verdedigen, indien ik haar niet liefhad, mijnheer?” antwoordde ik op nederigen toon.
„Kunt gij uwe handelwijze verdedigen, indien het wel zoo is, mijnheer?” vroeg mijnheer Spenlow, terwijl hij op het haardkleed bleef staan. „Hebt gij uw eigen leeftijd en dien van mijne dochter in aanmerking genomen, mijnheer Copperfield? Hebt gij wel bedacht wat het zegt het vertrouwen te schokken, dat tusschen mijne dochter en mij dient te bestaan? Hebt gij bedacht welke positie mijne dochter in de maatschappij bekleedt, welke plannen ik wellicht voor hare toekomst hebben mag, welke testamentaire beschikkingen ik ten opzichte van mijne dochter voornemens ben te nemen? Hebt gij wel iets daarvan overwogen, mijnheer Copperfield?”
„Heel weinig, naar ik vrees,” antwoordde ik zoo eerbiedig en berouwvol als mij mogelijk was; „ik verzoek u echter vriendelijk mij te willen gelooven, indien ik u zeg, dat ik mijn eigen wereldlijke positie wel heb overwogen. Toen ik u die meedeelde, waren wij reeds geëngageerd....”
„Ik verzoek u,” zei mijnheer Spenlow, die, zooals hij daar stond en met de eene hand in de andere sloeg, sprekend op Punch geleek; zelfs in mijne wanhoop moest ik deze vergelijking opmerken—„ik verzoek u niet te spreken van geëngageerd zijn, mijnheer Copperfield!”
De anders zoo onverstoorbare juffrouw Murdstone kon niet nalaten even een minachtend lachje te laten hooren.
„Toen ik u meedeelde, welke wijziging er in mijne omstandigheden gekomen was,” hernam ik, een nieuwen vorm kiezende voor hetgeen ik te zeggen had, „was de ongelukkige afspraak reeds gemaakt tusschen juffrouw Spenlow en mij. Sinds deze wijziging in mijne omstandigheden heb ik al mijne krachten ingespannen, alles wat mogelijk was gedaan om ze te verbeteren. Mettertijd zullen ze beter worden, daarvan ben ik overtuigd. Wilt gij een tijdstip bepalen, waarop ik u Dora.... juffrouw Spenlow's hand mag komen vragen? Het doet er niet toe of het nog wat ver verwijderd zij, want wij zijn beiden nog jong, mijnheer.”
„Gij hebt gelijk,” antwoordde mijnheer Spenlow, verscheidene malen met zijn hoofd knikkende en met gefronste wenkbrauwen, „gij zijt beiden nog erg jong. Laat de dwaasheid dan ook uit zijn. Neemt gij dat pakje brieven mede en werp ze in het vuur. Geef mij de brieven van juffrouw Spenlow om ze in het vuur te werpen en, hoewel onze omgang, zooals gij wel begrijpen zult, zich voortaan bepalen moet tot de Commons, zullen wij het verleden laten rusten. Kom, mijnheer Copperfield, gij hebt gezond verstand genoeg en deze wijze van handelen is de verstandigste.”
Neen; ik kon dat onmogelijk toestemmen. Het speet mij wel, maar in dit geval kon ik onmogelijk het verstand alleen aan het woord laten. De liefde gaat boven alle aardsche bedenkingen en ik had Dora lief boven alles en zij had mij lief. Ik zei dit niet ronduit, ik verzachtte het zooveel mogelijk; maar ik gaf het toch duidelijk genoeg te kennen en bleef standvastig. Ik geloof niet dat ik mij erg belachelijk aanstelde; hoe het echter zij—ik bleef standvastig.
„Welnu, mijnheer Copperfield,” zei mijnheer Spenlow; „dan zal ik beproeven welken invloed ik op mijne dochter kan oefenen.”
Juffrouw Murdstone gaf door een bijzonder geluid, of eene langgerekte ademhaling, die zoowel aan een zucht als aan gekerm deed denken, te kennen, dat hij hiermede had moeten beginnen—ten minste, dit kwam mij zoo voor.
„Ik moet beproeven welken invloed ik op mijne dochter kan oefenen,” herhaalde mijnheer Spenlow. „Zijt gij van plan die brieven mede te nemen, mijnheer Copperfield?”—ik had ze naast mij op de tafel gelegd.
Ik zei hem dat hij dit, naar ik hoopte, niet euvel zou duiden, maar ik kon ze onmogelijk aannemen van juffrouw Murdstone.
„Ook niet van mij?” vroeg mijnheer Spenlow.
„Neen,” antwoordde ik met eene diepe buiging, „ook niet van u.”
„Heel goed,” zei mijnheer Spenlow.
Er volgde nu eene pijnlijke stilte; ik wist niet of ik zou heengaan of blijven. Eindelijk begon ik eene beweging te maken in de richting van de deur, met het plan te zeggen, dat ik hem vermoedelijk het meest genoegen zou doen met heen te gaan, toen hij, hoewel met moeite, de handen in zijne rokzakken stak en met eene.... ik zal maar zeggen—vrome stem zei:
„Het is u waarschijnlijk niet onbekend, mijnheer Copperfield, dat ik niet geheel ontbloot ben van aardsche goederen en dat mijne dochter mijne naaste en liefste bloedverwante is?”
Ik haastte mij hem hierop te antwoorden, dat ik overtuigd was gedwaald te hebben, maar dat hij mij niet van baatzuchtigheid moest beschuldigen. Mijne eenige drijfveer was waarachtige liefde geweest.
„Het is niet mijne bedoeling de zaak uit dat oogpunt te beschouwen,” antwoordde mijnheer Spenlow. „Het zou voor u en voor ons allen beter geweest zijn als gij uit baatzucht gehandeld hadt, mijnheer Copperfield.... ik bedoel, als gij wat minder hadt toegegeven aan zulke jeugdige dwaasheid. Neen, ik heb eene geheel andere bedoeling met de vraag of het u bekend is, dat ik mijn kind eenig vermogen zal nalaten?”
„Zeker heb ik dat ondersteld.”
„Met de ondervinding, die wij in de Commons dagelijks opdoen, ten aanzien van de achteloosheid en onverantwoordelijke onverschilligheid van vele menschen, waar het testamentaire beschikkingen betreft, zult gij ook begrijpen, dat mijn testament in volmaakte orde is.”
Ik boog toestemmend.
„Ik zou niet gaarne zien,” hernam mijnheer Spenlow, blijkbaar geheel meegesleept door zijne vroomheid, met het hoofd knikkend en op teenen en hielen balanceerend, „ik zou niet gaarne zien dat de voorzieningen, door mij in het belang van mijn kind getroffen, ten gevolge van eene jeugdige dwaasheid als deze, wijzigingen moesten ondergaan. Het is louter dwaasheid. Over eenigen tijd zult gij die beiden vergeten zijn. Mocht er echter aan deze dwaze geschiedenis niet spoedig een einde komen, dan zou.... dan zou ik mij wel eens genoodzaakt kunnen voelen maatregelen te nemen, opdat mijne dochter niet het slachtoffer zou worden van een onbezonnen stap. Ik hoop, mijnheer Copperfield, dat gij mij niet zult noodzaken die afgesloten bladzijde uit mijn levensboek ook maar voor een kwartier nader in overweging te nemen.”
Hij zei dit alles met eene plechtigheid en eene kalmte, die mij wel moesten treffen. Hij was zoo kalm en gelaten—blijkbaar waren zijne zaken volgens eene bepaalde methode eens vooral geregeld—dat de gedachte aan eene wijziging hem wel moest aandoen. Ik meende zelfs tranen in zijne oogen te bespeuren. Maar, wat kon ik doen? Ik kon toch Dora en mijn eigen hart niet verloochenen. Kon ik zeggen dat ik geen bedenktijd wilde hebben, toen hij mij eene week aanbood, omdat ik wel wist dat de tijd geene verandering zou brengen in mijne liefde voor Dora?
„Bespreek intusschen de zaak eens met juffrouw Trotwood of met andere personen, die wat meer levenservaring hebben dan gij,” hernam mijnheer Spenlow, zijn das naar de hoogte trekkende. „Neem eene week bedenktijd, mijnheer Copperfield.”
Ik zwichtte en verliet met een gelaat, waaraan ik eene uitdrukking van wanhopige standvastigheid trachtte te geven, de kamer. Juffrouw Murdstone's zware wenkbrauwen volgden mij tot de deur—ik spreek van de wenkbrauwen in stede van de oogen, omdat de eersten in haar gelaat de grootste rol speelden—en zag er zoo volkomen eender uit als in dezelfde morgenuren in onze huiskamer te Blunderstone, dat mij weder hetzelfde gevoel bekroop, als wanneer ik in mijn les was blijven steken; ik meende dat de looden last, die mij drukte, niets anders was dan dat afschuwelijke spelboek met de ovale houtsneefiguren, die in mijne jeugdige verbeelding het meest op brilleglazen leken.
Toen ik het kantoor binnentrad en den ouden Tiffey en de overige klerken met de hand groette, aan mijne schrijftafel plaats nam, in het voor mij bestemde hoekje en nadacht over het voorgevallene, dat even plotseling was opgekomen als een aardbeving, was mijn hart met bitterheid vervuld tegen Jip en kwelde mij de gedachte, hoe Dora onder dit alles zou lijden, zóó, dat het mij nog verbaast waarom ik mijn hoed niet opgezet heb en in één adem door naar Norwood geloopen ben. Het denkbeeld, dat men haar angst zou aanjagen en aan het schreien brengen, en dat ik niet bij haar was om haar te troosten, was zoo onuitstaanbaar, dat ik niet kon nalaten een hartstochtelijken brief aan mijnheer Spenlow te schrijven, waarin ik hem in hartroerende woorden smeekte haar in geenen deele voor mijne ondoordachte handelwijze aansprakelijk te stellen. Ik smeekte hem haar te sparen—de teere bloem niet te knakken—en schreef, voor zoover ik mij herinner, in het algemeen alsof hij, in stede van haar vader, een menscheneter of een draak was. Ik verzegelde den brief en legde dien op zijne tafel voor hij terugkwam; en later zag ik door de half geopende deur, dat hij hem opnam en las.
Hij sprak dien geheelen morgen geen woord, maar vóór hij dien namiddag heenging, riep hij mij binnen en zei, dat ik mij volstrekt niet bezorgd behoefde te maken voor het wel en wee van zijne dochter. Hij had mij verzekerd, dat het een dwaasheid was en hij zou dit zijne dochter ook verzekeren. Hij meende een toegevende vader te zijn—dit was hij inderdaad—zoodat ik mij volstrekt niet ongerust behoefde te maken over zijne dochter.
„Gij zoudt mij daartoe noodzaken, Copperfield, wanneer gij onverstandig of koppig waart,” ging hij voort. „Ik zou mijne dochter voor eenigen tijd buitenlands moeten zenden.... ik heb echter betere gedachten van u; ik hoop dat gij verstandig zijn zult. Wat juffrouw Murdstone betreft”—ik had in mijn brief ook haar naam genoemd—„ik heb groote achting voor de waakzaamheid, die deze dame betoont, en ben haar zeer veel verplicht; maar zij heeft den last ontvangen het onderwerp te vermijden. Alles wat ik verlang, mijnheer Copperfield, is dat de zaak vergeten worde. Alles wat gij te doen hebt, mijnheer Copperfield, is, mejuffrouw Spenlow te vergeten.”
Alles! In het briefje, dat ik aan juffrouw Mills schreef, haalde ik deze laatste woorden aan. Alles, wat ik te doen had, schreef ik, op spottenden toon, was Dora te vergeten. Dat was alles en wat beteekende dat? Ik verzocht haar dien avond een bezoek te mogen brengen. Kon dit niet zonder mijnheer Mills' toestemming en medeweten, dan zou ik haar gaarne even in het geheim spreken, in de achterkeuken, waar de mangel stond. Ik schreef haar, dat ik op het punt was om mijn verstand te verliezen en dat zij alleen redding kon aanbrengen. Ik teekende mij „haar waanzinnige” en toen ik het epistel overlas, alvorens het door den portier van de Commons te laten wegbrengen, meende ik er den stijl van mijnheer Micawber in te herkennen. Toch zond ik het weg en des avonds wandelde ik in de straat op en neer, tot ik door de dienstmeid van juffrouw Mills binnengelaten en langs den kortsten weg naar de achterkeuken gebracht werd. Ik heb reden om te gelooven, dat er volstrekt geen aanleiding bestond om mij niet door de hoofddeur binnen en in het salon te laten, behalve juffrouw Mills' zucht naar het romantische en geheimzinnige.
In de achterkeuken stelde ik mij aan, alsof ik werkelijk waanzinnig was. Ik geloof eigenlijk, dat ik er alleen met dat doel was heengegaan, maar ik ben overtuigd, dat ik het deed. Juffrouw Mills had een haastig geschreven briefje gekregen van Dora, waarin deze haar meedeelde dat alles ontdekt was en dat eindigde met het verzoek: „O, Julia, kom bij mij, kom bij mij!” Juffrouw Mills, niet wetende of haar komst wel in den smaak zou vallen van de hoogere machten, was nog niet gegaan en zoo doolden wij nu alle drie rond in de woestijn, de Sahara.
Juffrouw Mills beschikte over een verbazenden woordenvloed en scheen er behagen in te scheppen dien over mij uit te storten. Ik kon het niet helpen, maar, al vermengden zich hare tranen met de mijne, ik geloofde toch dat onze tegenspoed haar genoegen deed; zij verkneuterde zich er in en deed haar best om alles zoo breed mogelijk uit te meten. Een afgrond had zich tusschen Dora en mij gevormd, die alleen de Liefde, met haar regenboog, kon overspannen. Liefde is Lijden in deze harde wereld; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven. Maar, geen nood! De spinnewebben, die de harten gevangen hielden, zouden wel breken en de Liefde zou eindelijk zegevieren.
Dit was eene schrale troost, maar juffrouw Mills wilde mij niet paaien met ijdele hoop. Zij maakte mij nog veel ellendiger dan ik reeds was, maar—zoo vertelde ik haar met innige dankbaarheid—ik voelde dat zij eene ware vriendin voor mij was. Wij spraken af, dat zij den volgenden morgen, zoo vroeg mogelijk, naar Dora zou gaan, haar door woorden of gebaren de verzekering geven van mijne onveranderlijke genegenheid en haar tevens doen weten, hoe diep ongelukkig ik mij voelde. Toen ik afscheid nam, voelde ik mij rampzaliger dan ooit en ik geloofde dat juffrouw Mills daarvan genoot.
Toen ik thuis kwam vertelde ik alles aan tante, en niettegenstaande alles, wat zij zeide om mij te troosten, ging ik wanhopend naar bed, stond wanhopend op en ging wanhopend uit. Het was Zaterdagmorgen, zoodat ik eerst naar de Commons ging. Toen ik het kantoor naderde verbaasde het mij, dat de loopers buiten met elkaar stonden te praten en de voorbijgangers naar de vensters keken, die tegen de gewoonte gesloten waren. Ik versnelde mijn pas en stapte naar binnen, nog meer verbaasd over de wijze waarop zij mij en elkander aankeken toen ik tusschen hen doorliep. De klerken waren op hunne plaats, maar niemand voerde iets uit. De oude Tiffey zat, naar ik onderstel voor 't eerst in zijn leven, op den stoel van een ander en had zijn hoed niet opgehangen.
„Welk een vreeselijk ongeluk, mijnheer Copperfield!” riep hij mij toe.
„Wat is er gebeurd?” vroeg ik ontsteld. „Wat is er gebeurd?”
„Weet gij er nog niets van?” riep Tiffey en allen kwamen om mij heen staan.
„Neen!” antwoordde ik en keek hen een voor een aan.
„Mijnheer Spenlow,” zei Tiffey.
„Wat is er met mijnheer Spenlow gebeurd?”
„Dood!”
Ik meende dat het kantoor waggelde en niet ik, toen een der klerken mij bij den arm greep. Zij lieten mij op een stoel plaats nemen, maakten mijn das los en brachten mij een glas water. Ik kan niet zeggen of daarmede eenigen tijd verliep.
„Dood?” vroeg ik eindelijk.
„Hij gebruikte gisteren het middagmaal in de stad en reed alleen in den phaëton naar huis,” vertelde Tiffey; „hij had den koetsier met de diligence naar Norwood gezonden, zooals hij wel meer deed....”
„En toen?”
„De phaëton kwam thuis zonder hem; de paarden bleven voor den stal stilstaan en toen de stalknecht met een lantaarn buiten kwam, was het rijtuig ledig.”
„Waren de paarden op hol gegaan?”
„Zij waren niet warm,” antwoordde Tiffey, zijn bril opzettende, „ik heb begrepen dat ze niet warmer waren dan wanneer zij in gewonen draf geloopen hadden. De teugels waren gebroken en hadden over den grond gesleept. Alles was in rep en roer, natuurlijk, en terstond gingen drie mannen den weg op en vonden hem ongeveer op een mijl afstands van Norwood...”
„Nog verder dan een mijl, mijnheer Tiffey,” zei een der jongste klerken.
„Zoo? Ja, ik geloof dat gij gelijk hebt,” antwoordde Tiffey—„nog verder dan een mijl.... niet ver van de kerk lag hij met het aangezicht voorover aan den kant van den weg. Of hij in het rijtuig een beroerte heeft gekregen en er af is gevallen, of de beroerte heeft voelen aankomen en er uit is gegaan..... ja, zelfs, of hij heelemaal dood was of slechts bewusteloos—dat kan niemand zeggen. Hij mag nog geademd hebben—gesproken heeft hij niet. Zoo spoedig mogelijk is er geneeskundige hulp gehaald, maar die was overbodig.”
Ik kan onmogelijk de gewaarwordingen beschrijven, die door dit bericht in mij werden opgewekt. De schok door zulk eene onverwachte gebeurtenis veroorzaakt, door zulk een ongeval, overkomen aan iemand, met wien ik den vorigen dag min of meer ongenoegen had gehad; de akelige ledigheid van de kamer, waar hij gisteren nog gezeten had, waar de tafel en de stoel op hem schenen te wachten, terwijl hetgeen hij den vorigen dag geschreven had iets spookachtigs voor mij kreeg; de onmogelijkheid om mij die plaats te denken zonder hem en om het gevoel te verbannen, dat hij ieder oogenblik zou kunnen binnenkomen—de stilte en ongewone traagheid op het kantoor en de onweerstaanbare lust van allen om over het ongeval te praten—het in- en uitloopen van allerlei menschen, die het naadje van de kous wilden weten—dat alles kan men zich gemakkelijker voorstellen dan het mij mogelijk is het te beschrijven. Wat ik ook niet kan beschrijven is het gevoel van jalouzie, dat zich een plaatsje veroverde in den diepsten schuilhoek van mijn hart, zelfs op den Dood, die mij thans ongetwijfeld geheel verdrongen had uit Dora's gedachten. Ik was jaloersch op hare smart en op allen, die haar mochten troosten en bij wie zij mocht schreien. Hoe vurig wenschte ik niet haar voor mij alleen te hebben, alles voor haar te mogen zijn in deze treurige dagen!
In dezen rusteloozen gemoedstoestand, naar ik hoop, ook aan anderen bekend, wandelde ik dien avond naar Norwood en na van een der dienstboden vernomen te hebben, dat juffrouw Mills bij Dora was, ging ik naar huis terug en verzocht tante aan juffrouw Mills een briefje te willen zenden, dat ik schreef. Ik betreurde daarin den plotselingen dood van mijnheer Spenlow en verzocht haar aan Dora te willen zeggen, indien Dora in staat was om er naar te luisteren, dat haar vader zoo vriendelijk en verschoonend mogelijk over haar gesproken en haar naam niet anders dan op de teederste wijze uitgesproken had, zonder een enkel hard woord of verwijt. Ik weet dat ik schreef uit zelfzucht, ten einde mijn naam onder hare oogen te brengen; maar ik deed mijn best te gelooven, dat ik uit eerbied voor zijne nagedachtenis handelde. Misschien geloofde ik 't ook wel.
Tante ontving den volgenden dag eenige regels tot antwoord, aan haar geadresseerd, doch voor mij bestemd. Dora was diep bedroefd en toen hare vriendin haar vroeg of zij ook iets aan mij te zeggen had, riep zij niets dan: „O, die lieve papa! O, die arme papa!” Zij zei niet „Neen!” dat was voor mij een grootte troost.
Eenige dagen na het voorgevallene kwam mijnheer Jorkins, die te Norwood geweest was, op het kantoor. Hij en Tiffey bleven eenigen tijd samen praten en daarna opende Tiffey de deur en wenkte mij om binnen te komen.
„O!” sprak mijnheer Jorkins. „Mijnheer Tiffey en ik, mijnheer Copperfield, hebben de schrijftafel, de laden en alle verdere bewaarplaatsen van belangrijke documenten nagezocht, ten einde de particuliere eigendommen en papieren te verzegelen en naar het testament te zoeken. Zoo gij wilt, kunt gij ons helpen.”
Ik had reeds met smart verlangd iets van de omstandigheden te weten te komen, waaronder mijne Dora was achtergebleven—voornamelijk, onder wiens voogdij zij zou komen—dit was dus een stap in de goede richting. Wij begonnen onmiddellijk te zoeken: Mijnheer Jorkins opende de laden en den lessenaar en wij namen de papieren er uit; legden de papieren, die de zaak betroffen, aan één kant en de particuliere papieren, die niet talrijk waren, aan den anderen. Wij waren in eene ernstige stemming en wanneer wij een cachet, een potlood, een ring of een ander voorwerp, dat hem had toebehoord, in de handen kregen, spraken wij heel zachtjes. Wij hadden reeds heel wat pakken verzegeld en gingen er kalm mede voort, toen mijnheer Jorkins van wijlen zijn compagnon hetzelfde zei als wijlen zijn compagnon van hem altijd gezegd had:
„Mijnheer Spenlow was zeer moeilijk van een eenmaal opgevat denkbeeld af te brengen. Gij hebt hem gekend! Ik begin tot de meening over te hellen, dat hij geen testament heeft gemaakt.”
„O, zeker heeft hij er een gemaakt!” antwoordde ik. „Ik weet het zeker!”
Zij hielden beiden op en keken mij aan.
„Den dag van zijn dood,” vervolgde ik, „heeft hij mij nog verteld, dat hij er een had en dat zijne zaken reeds sinds langen tijd geregeld waren.”
Mijnheer Jorkins en de oude Tiffey schudden te gelijkertijd het hoofd.
„Dat zegt niet veel,” zei Tiffey.
„Heel weinig”, voegde mijnheer Jorkins er bij.
„Gij twijfelt er zeker toch niet aan...” begon ik.
„Beste mijnheer Copperfield!” hernam Tiffey, de hand op mijn arm leggende, terwijl hij met dichtgeknepen oogen het hoofd schudde, „als gij zoolang in de Commons geweest waart als ik, zoudt gij weten, dat er niets is waarop de menschen onbedachtzamer en minder te vertrouwen zijn dan op testamenten.”
„Wel, lieve Hemel, mijnheer Spenlow zei woordelijk hetzelfde!” riep ik uit, ongeschokt in mijne overtuiging.
„Ik durf bijna beweren, dat daarmede alles gezegd is,” hernam Tiffey. „Naar mijne overtuiging bestaat er geen testament.”
Het leek mij zoo wonderlijk toe, maar het kwam er toch op neer, dat er geen testament was. Hij had er blijkbaar zelfs nooit aan gedacht er een te maken, want er was geen enkele aanwijzing tusschen zijne papieren te vinden, geen aanteekeningen, geen schema, niets, dat op een testament betrekking had. Hetgeen mij eigenlijk nog minder verbaasde was, dat zijne zaken in de grootste wanorde waren. Naar ik vernam was het uiterst moeielijk te bepalen hoeveel schuld hij had, wat betaald was, hoeveel hij op dit oogenblik van zijn overlijden eigenlijk bezat. Het was duidelijk, dat hij het in de laatste jaren zelf niet geweten had. Langzamerhand kwam aan het licht, dat hij, om mede te doen aan den wedstrijd in „het ophouden van het fatsoen en het maken van veel vertoon,” waarvoor de Commons in deze dagen bekend was, meer verteerd had dan zijne betrekking hem opbracht, hetgeen niet veel was, zoodat zijn vermogen, dat waarschijnlijk nooit heel groot geweest was, langzamerhand was ingekrompen. Er had te Norwood eene verkooping plaats van roerende en onroerende eigendommen, en Tiffey, niet wetende hoeveel belang ik daarin stelde, fluisterde mij in, dat hij, na aftrek van al de uitstaande schulden en van alle twijfelachtige en kwade posten van de firma, geen duizend pond voor de geheele nalatenschap zou willen geven.
Dit had plaats na verloop van zes weken. Gedurende al dien tijd had ik als 't ware op de pijnbank gelegen en de gedachte was bij mij opgekomen om de hand aan mij zelven te slaan, want juffrouw Mills berichtte mij, dat Dora in hare droefheid, mijn naam hoorende, nog niets anders geroepen had dan: „o, mijn beste papa! o, mijn arme papa!” Ook deelde zij mij mede, dat Dora geen andere familie had dan twee tantes, ongehuwde zusters van haar vader, die te Putney woonden en sinds vele jaren bijna geen omgang hadden gehad met haar broeder. Wel is waar had men nooit oneenigheid gehad, zoo schreef juffrouw Mills, maar bij gelegenheid van Dora's doopfeest waren zij op de thee genoodigd geweest, terwijl zij meenden recht te hebben om op het middagmaal genoodigd te worden. Zij hadden toen schriftelijk bericht gezonden, dat het vermoedelijk „voor het geluk van beide partijen” maar beter was dat zij weg bleven. Sinds dien tijd waren zij haar eigen weg gegaan en haar broeder den zijne.
Deze beide dames nu doken plotseling uit hare afzondering op en stelden Dora voor te Putney te komen wonen. Dora viel hare tantes om den hals en riep met tranen in de oogen uit: „O, ja, tantes! Neem Julia Mills en mij en Jip mede naar Putney!” En weinige dagen na de begrafenis waren zij reeds vertrokken.
Hoe ik tijd vond om naar Putney te gaan, kan ik niet met zekerheid zeggen; een feit is het echter, dat ik mij de gelegenheid verschafte en meer dan eens in de buurt ronddoolde. Ten einde hare plichten als trouwe vriendin naar behooren na te komen, hield juffrouw Mills een dagboek aan; nu en dan bracht zij mij op de Commons een bezoek en las het mij voor, of—als zij daarvoor den tijd miste—leende zij het mij. Welk een schat waren de korte aanteekeningen voor mij! Ik zal er eene proeve van laten volgen:
„Maandag. Mijn lieve D. nog zeer neerslachtig. Hoofdpijn. Opmerkzaam gemaakt op J.'s gladde vel. D. liefkoosde J. Herinneringen opgewekt. Stroom van tranen. Geheel onder den indruk van smart. (Zijn tranen de dauwdroppelen van het hart? J. M.).
„Dinsdag. D. slap en zenuwachtig. Allerliefst in hare bleekheid. (Merken wij dit ook niet op in het maanlicht? J. M.). D., J. M. en J. maakten een rijtoer. J. kijkt uit het portier, blaft vreeselijk tegen een straatveger. D. glimlacht. (Uit zulke lichte schakels is de keten, die leven heet, samengesteld! J. M.)
„Woensdag. D. tamelijk opgewekt. Voor haar gezongen, bij hare gemoedsstemming passend. Avondklokken. Uitwerking niet als verwacht. Vond haar later snikkend in eigen kamer. Verzen opgezegd. Zonder uitwerking. J. M.
„Donderdag. D. zeer veel beter. Slaapt ook beter. Wangen lichten blos overtogen. Besloten den naam te noemen van D. C. Voorzichtig gesprek op hem gebracht gedurende wandeling. D. onmiddellijk in snikken uitgebarsten. „O, lieve, beste Julia! O, ik ben een ongehoorzaam en slecht kind geweest!” Tot kalmte gebracht en geliefkoosd. Tafereel geschetst van D. C. op den rand van het graf. D. nogmaals snikken. „O, wat moet ik doen, wat moet ik doen? O, breng mij ergens heen!” Angstig geworden. D. in zwijm; glas water aan een herberg. (Poëtische overeenkomst. Bont geschilderd uithangbord, bont als 't menschelijk leven! Helaas! J. M.).
„Vrijdag. Woelige dag. Een man komt in de keuken met een blauwen zak, vraagt naar de dameslaarsjes, om er hakjes onder te zetten. Keukenmeid antwoordt: Weet van niets. Man houdt vol. Keukenmeid gaat heen om te vragen, laat man alleen met J. Keukenmeid komt terug; man blijft volhouden, verdwijnt eindelijk. J. vermist. D. wanhopend. Bericht gezonden aan politie. Man beschreven met breeden neus en lange beenen. Overal gezocht. Geen J.; D. schreit bittere tranen, is ontroostbaar. Weder voor haar gezongen; toepasselijk maar vruchteloos. Tegen den avond gebeld door vreemden jongen. In de spreekkamer gebracht. Breede neus, maar korte beenen. Zegt dat hij een pond moet hebben en een hond weet te vinden. Bereid nader te verklaren, maar heeft haast. D. geeft een pond; keukenmeid met jongen mede naar een klein huisje, waar J. aan tafelpoot vastgebonden ligt. Vreugde van D. die om J. heen danst, terwijl J. zijn avondeten gebruikt. Aangemoedigd door gelukkige wending, noem op de trap den naam van D. C.; D. opnieuw in tranen, roept: „Och neen! Och neen! Niet doen! Het is zoo slecht aan iemand anders te denken dan aan dien armen papa!”—Kust J. en snikt zich in slaap. (Vertrouwt D. C. op den breeden wiekslag des Tijds? J. M.)”
Juffrouw Mills en haar dagboek waren in deze dagen mijn eenige troost. Iemand te zien, die Dora nog zoo kort geleden gezien had—Dora's naam op te sporen in de bladzijden van het dagboek, dat zij uit medelijden met mij aanhield—mij door haar hoe langer hoe ongelukkiger te maken—dat was mijn eenige troost. Ik had een gevoel, alsof ik gewoond had in een kaartenhuis, dat was omgevallen, alsof ik met juffrouw Mills alleen tusschen de puinhoopen was overgebleven; alsof een booze toovenaar een tooverkring had getrokken om de reine godin van mijn hart, dien ik alleen zou kunnen binnendringen op de sterke, breede vleugels, die reeds zoo menigeen hebben gedragen.
XXXIX. Wickfield en Heep
Tante begon zich ongerust te maken over mijne voordurende somberheid en achtte dientengevolge eene afleiding noodig. Zij wendde voor dat zij wel eens wilde weten, hoe haar huisje te Dover bewoond werd en of de huurder ook genegen zou zijn den huurtermijn te verlengen. Ik moest dus eens naar Dover gaan.
Janet was door mevrouw Strong in dienst genomen, waar ik haar elken dag zag. Eer zij Dover verliet, had zij geaarzeld of zij al of niet de kroon zou zetten op tante's aanmaningen om het sterke geslacht af te zweren, door met een loods te trouwen; maar zij had het waagstuk niet durven ondernemen. Naar het mij toescheen, gaven hare principes minder den doorslag dan het feit dat zij niet van hem hield.
Hoewel het mij moeite kostte juffrouw Mills te verlaten, kon ik mij toch wel met tante's voorstel vereenigen, aangezien het mij in de gelegenheid zou stellen om eenige uren met Agnes door te brengen. Ik verzocht den goeden doctor mij drie dagen vacantie toe te staan, waarin hij niet slechts bewilligde, maar hij achtte het bepaald noodig dat ik langer zou uitblijven, waartegen mijn ijver en mijn plichtsgevoel zich verzetten—ik besloot dus te gaan.
Met de Commons behoefde ik het zoo nauw niet te nemen. Om de waarheid te zeggen, begon ons kantoor bij de proctors van den eersten graad in eene minder goede reuk te staan en kwam het langzamerhand zelfs in eene zeer dubbelzinnige positie. Onder het bestuur van mijnheer Jorkins, dus vóór mijnheer Spenlow's tijd, hadden de zaken niet veel beteekend en ofschoon laatstgenoemde, voornamelijk door veel vertoon te maken, er wat meer leven had ingebracht, steunde het toch niet op zulke solide grondslagen, dat het plotselinge verlies van den eigenlijken beheerder geen gevoeligen schok zou te weeg brengen. De inkomsten verminderden bij den dag, te meer wijl mijnheer Jorkins, niettegenstaande zijn goeden naam, iemand was met weinig ijver en geestkracht. Ik stond nu geheel onder hem en wanneer ik hem daar zag zitten snuiven in stede van zaken doen, betreurde ik tante's duizend pond meer dan ooit.
Dit was evenwel nog niet het ergst. Er waren een aantal beunhazen, die, zonder zelf proctor te zijn, op eigen hand allerlei kleine zaakjes aannamen en door wezenlijke proctors lieten bezorgen. Deze ontvingen dan een evenredig aandeel van de buit en—zoo waren er bij tientallen. Aangezien ons kantoor ook zaken moest doen, sloten wij ons bij dat edele gezelschap aan en wierpen lokaas uit naar de beunhazen, opdat zij met hunnen zaakjes naar ons zouden komen. Huwelijks-licentiën en kleine certificaten van echtheid, dat was alles wat wij hiervan verwachtten en werd ook het best betaald; de mededinging was echter groot. Wervers en ronselaars hielden alle toegangen tot de Commons bezet en hadden de opdracht alle personen in rouwgewaad en alle heeren, die een weinig verlegen schenen, aan te houden en naar het kantoor van hun lastgever te brengen. En hoe aan deze opdrachten voldaan werd, daarvan ontving ik persoonlijk het bewijs, aangezien ik zelf, eer men mij kende, twee malen het kantoor van onzen hevigsten tegenstander werd binnengedrongen. De tegenstrijdige belangen van deze klanten-zoekende heeren waren uiterst geschikt om nu en dan de hartstochten te prikkelen, zoodat zij niet zelden tot handtastelijkheden aanleiding gaven en eenmaal liep onze voornaamste werver, die vroeger in den wijnhandel en daarna uitdrager geweest was, tot schande van de Commons, met een blauw oog. Een van deze kerels ontzag zich zelfs niet eene oude dame in den rouw uit het rijtuig te helpen, haar te vertellen dat de proctor, naar wien zij vroeg, overleden was en haar te brengen naar den proctor, voor wien hij werver was, zijnde deze volgens zijne bewering de opvolger van den overledene. Menigeen werd op deze wijze om den tuin geleid. Huwelijks-licentiën waren zoo gewild, dat een bedeesd heer, die er een noodig had, niets behoefde te doen dan zich aan den eersten den besten werver over te geven, of, wilde hij om zich laten vechten, de buit van den sterkste te worden. Een van onze klerken had de gewoonte aangenomen, om, wanneer het gevecht in vollen gang was, met den hoed op voor het venster te gaan zitten, opdat hij gereed zou zijn om onmiddellijk naar het bureau van beëediging te loopen wanneer de prooi ons ten deel viel. Dit werfsysteem bestaat, als ik mij niet bedrieg, op dit oogenblik nog. Toen ik de laatste maal op de Commons kwam, schoot een man met een fatsoenlijk uiterlijk, eene flinke houding en een wit voorschoot op mij af en fluisterde mij in: „Huwelijks-licentie,” waarna het mij groote moeite kostte hem te beletten mij in zijne armen te nemen, en bij een proctor te brengen.
Volgt mij na deze uitweiding naar Dover. Ik vond het huisje in den besten toestand en kon tante de verblijdende en geruststellende mededeeling doen, dat de huurder hare grieven tegen de ezels had overgenomen en in voortdurenden oorlog verkeerde met de drijvers. Nadat ik mijne zaken te Dover had afgedaan, bleef ik er een nacht over en wandelde in den vroegen morgen naar Canterbury. Het was winter en de frissche koude, de zeelucht en het gezicht op de golvende duinen brachten mij in eene stemming, waarin mijne hoop werd verlevendigd.
Te Canterbury aangekomen, bleef ik eenigen tijd door de straten slenteren om in stilte te genieten van allerlei herinneringen. Daar waren de oude uithangborden, de oude namen boven de winkels, de oude gezichten achter de toonbanken. Het scheen mij zoo lang geleden dat ik hier als schooljongen rondliep, zoodat ik mij verbaasde het plaatsje zoo weinig veranderd te vinden, tot ik bedacht hoe weinig ik zelf eigenlijk veranderd was. Het moge vreemd klinken, maar het gevoel van kalmte, dat in mijne ziel onafscheidelijk aan Agnes verbonden was, scheen zelfs te zijn overgegaan op de stad harer inwoning. De statige torens van de kathedraal; de oude kraaien en kauwen, wier stemmen, zoo hoog in de lucht, de stilte nog meer in het oog deden vallen; de vervallen portalen, eens vol heiligenbeelden, die nu reeds sinds langen tijd waren neergehaald en tot stof vergaan, evenals de eerwaarde pelgrims, die ze vol eerbied hadden aangestaard; de ouderwetsche huizen; het landelijk uitzicht over velden, boomgaarden en tuinen; de stille hoekjes, verborgen achter eeuwenoud klimop .... overal, over alles hetzelfde plechtig waas, overal dezelfde kalmte, die niet kon nalaten een weldadigen invloed op mij te oefenen.
Toen ik aan de woning van mijnheer Wickfield kwam, vond ik in het uitgebouwde kamertje, waarin Uriah Heep gewoonlijk zat, thans mijnheer Micawber druk aan het schrijven. Hij was deftig gekleed in een zwart pak en scheen in dit kleine kamertje zwaarder en breeder dan ooit.
Mijnheer Micawber was blijde mij te zien, maar toch ook een weinig verlegen. Hij zou mij gaarne terstond naar Uriah gebracht hebben, maar dat aanbod sloeg ik af.
„Ik ken den weg in huis uit vroeger dagen, zooals gij u wel zult herinneren,” antwoordde ik, „zijt gij al goed thuis in de wetten, mijnheer Micawber?”
„Mijn beste Copperfield,” zei hij, „voor een man, wiens geest gaarne een hooge vlucht neemt, heeft het bestudeeren der wetten een groot bezwaar omdat er zooveel details bij zijn in acht te nemen. Zelfs in de Ambts-correspondentie,” ging hij voort met een blik op eenige brieven, die hij geschreven had, „is het niet geoorloofd zijne gedachten in een meer verheven vorm te gieten. Toch is het een schoon beroep! Een schoon beroep!”
Daarna vertelde hij mij, dat hij het oude huis van de Heeps gehuurd had en dat mevrouw Micawber zonder twijfel zeer vereerd zou zijn, indien zij mij nog eens onder haar dak zou mogen zien. „Het is zeer nederig,” vervolgde mijnheer Micawber, „om de geliefkoosde uitdrukking van mijn vriend Heep te gebruiken,—maar ik hoop, dat het als overgang zal dienen tot eene woning met meer geriefelijkheden.”
Ik vroeg hem of hij tot nog toe tevreden was over de behandeling, die hij van zijn vriend Heep ondervond. Hij stond op, ten einde zich te overtuigen dat de deur gesloten was, en antwoordde toen op fluisterenden toon:
„Beste Copperfield, iemand, die gebukt gaat onder finantiëele ongelegenheden, is tegenover het gros van de menschen in het nadeel. En deze verhouding wordt niet beter, wanneer die ongelegenheden zulk eene uitbreiding verkrijgen, dat men genoodzaakt is het vastgesteld salaris op te vragen, alvorens de termijn vervallen en het salaris verschuldigd is. Al wat ik van mijn vriend Heep kan zeggen, is dat hij dergelijke aanvragen steeds beantwoord heeft op eene wijze, die zijn hoofd en hart eer aandoet.”
„Ik heb nooit gedacht, dat hij zoo gemakkelijk van zijn geld afstand zou doen,” meende ik.
„Neem mij niet kwalijk,” antwoordde mijnheer Micawber, „maar ik kan alleen spreken van mijn vriend Heep, voor zoo ver mijne ervaringen zich uitstrekken.”
„Het doet mij genoegen, dat gij te dien opzichte zulke aangename ervaringen hebt opgedaan,” antwoordde ik.
„Wel verplicht, beste Copperfield,” zei mijnheer Micawber en begon een deuntje te fluiten.
„Ziet gij mijnheer Wickfield dikwijls?” vroeg ik om een ander onderwerp ter sprake te brengen.
„Niet dikwijls,” antwoordde mijnheer Micawber op minachtenden toon. „Mijnheer Wickfield is iemand, die .... dat durf ik zeggen .... uitmuntende bedoelingen heeft, maar .... kortom .... ze niet meer kan toepassen.”
„Ik heb wel eens gevreesd dat zijn compagnon hem zoo maakt,” hernam ik.
„Beste Copperfield, vergun mij eene opmerking te mogen maken,” zei mijnheer Micawber, onrustig op zijn stoel heen- en weer schuivende. „Ik heb hier een post van vertrouwen; kortom .... men stelt vertrouwen in mij. Ik acht het daarom onvereenigbaar met mijne betrekking, over sommige zaken te spreken, zelfs met mevrouw Micawber, die al de wisselingen in mijn levenslot met mij heeft gedeeld en op een buitengewoon helder verstand kan bogen. Ik neem dus de vrijheid om u in overweging te geven, in onzen vriendschappelijken omgang—die, naar ik vertrouw, nimmer zal worden afgebroken—eene lijn te trekken. Aan de eene zijde van deze lijn”—hij stelde de lijn aanschouwelijk voor met de liniaal—„ligt alles waarmede de menschelijke geest zich kan bezighouden, op één uitzondering na; aan de andere zijde ligt die uitzondering zelve; d. w. z.; daar liggen de zaken van de firma Wickfield en Heep met alles wat daartoe behoort. Ik vertrouw dat mijn vriend uit vroeger dagen het mij niet ten kwade zal duiden, indien ik dit voorstel aan zijn rechtvaardig oordeel onderwerp?”
Hoewel ik een zekere gedwongenheid bij mijnheer Micawber opmerkte, alsof hij onder zijne betrekking gebukt ging, had ik toch niet het recht hem deze beschouwing kwalijk te nemen. Het scheen eene verademing voor hem te zijn, toen ik hem dit zeide, en hij schudde mij hartelijk de hand.
„Ik ben verrukt van mejuffrouw Wickfield, Copperfield; daarvan kan ik u de verzekering geven. Zij munt in bevalligheid, talenten, kortom, in alle deugden boven de meeste jonge dames van haar leeftijd uit. Waarlijk,” vervolgde hij met een kushand in de richting van de deur, „mijn nederigste hulde aan mejuffrouw Wickfield! Hm!”
„Dat verheugt mij ten minste,” zei ik.
„Indien gij ons den avond, dien wij het genoegen hadden samen door te brengen, niet verteld hadt, Copperfield, dat uw meest geliefde letter een D is,” hernam hij, „zou ik ongetwijfeld in de meening verkeerd hebben dat het een A moest zijn.”
Wie kent het gevoel niet, dat ons somtijds bekruipt, alsof hetgeen wij zeggen of doen, reeds vroeger eens gezegd of gedaan is, alsof wij jaren en jaren geleden ook omringd zijn geweest door dezelfde gezichten, dingen en omstandigheden; alsof wij nauwkeurig weten wat in het volgend oogenblik gezegd zal worden omdat wij het ons van eene vroegere gelegenheid meenen te herinneren. Zulk een geheimzinnig gevoel had ik nooit sterker dan een oogenblik voor mijnheer Micawber de laatste woorden sprak.
Ik nam nu voorloopig afscheid van hem met het verzoek mijne groeten aan alle huisgenooten over te brengen. Toen ik hem verliet en ik hem daar zag zitten, met de pen in de hand, op den hoogen kantoorstoel, terwijl hij zijn dikke onderkin in de stijve boorden heen en weer schoof om het hoofd eene houding te geven, waarin hij gemakkelijk kon schrijven, voelde ik dat er, sinds hij deze betrekking had aanvaard, iets tusschen ons gekomen was, dat ons belette met elkander om te gaan, zooals wij vroeger plachten te doen, iets dat eene geheel andere wending gaf aan onze gesprekken.
Ik vond niemand in het ouderwetsche salon, hoewel de sporen van juffrouw Heep's verblijf er zichtbaar waren; toen ik echter een blik wierp in Agnes' kamertje, zag ik haar aan haar schrijftafeltje zitten. Aangezien ik het licht onderschepte, keek zij op. Welk een heerlijke gewaarwording de oorzaak te zijn van zulk eene verheldering van dat peinzend gezichtje, en op zulk eene lieftallige hartelijke wijze welkom geheeten te worden!
„O, Agnes,” zei ik, toen wij naast elkander hadden plaats genomen, „ik heb u in den laatsten tijd zoo gemist!”
„Waarlijk?” antwoordde zij. „Al weer? En zoo spoedig?”
Ik schudde het hoofd.
„Ik weet niet hoe 't met mij staat, Agnes, maar er schijnt iets in mijne geestvermogens niet ontwikkeld te zijn, iets, dat ik telkens mis. Gij waart zoo gewoon voor mij te denken in den goeden, ouden tijd en het kwam mij zoo natuurlijk voor altijd uw raad en uwe hulp in te roepen, dat ik somtijds denk of ik het ontbrekende daarom wellicht niet gekregen heb.”
„En wat is het dan?” vroeg Agnes opgeruimd.
„Ik weet niet hoe ik het noemen moet,” antwoordde ik. „Ernst en volharding heb ik genoeg, onderstel ik.”
„Daarvan ben ik overtuigd,” zei Agnes.
„En geduld, Agnes?” vroeg ik een weinig aarzelend.
„Ja,” antwoordde zij lachend. „'t Gaat nog al.”
„En toch,” hernam ik, „ben ik dikwijls zoo verdrietig en moedeloos, zoo besluiteloos en onstandvastig, zoo weinig zeker van mij zelven, dat ik hetgeen mij ontbreekt maar zelfvertrouwen zal noemen, vindt gij ook niet?”
„Noem het zooals gij wilt,” zei Agnes.
„Welnu,” antwoordde ik, „luister dan. Gij komt in Londen, ik vertrouw u alles toe, en gij hebt terstond een plan gevormd. Ik kom hier, omdat ik het in Londen niet meer kan uithouden, en nauwelijks ben ik hier of ik voel mij een ander wezen. De omstandigheden, die mij wanhopig maakten, zijn niet veranderd, sinds ik deze kamer binnentrad; maar in dat korte tijdsbestek ben ik onder een invloed gekomen, die mij veranderd en.... o, zooveel beter gemaakt heeft. Wat is dat nu? Wat is uw geheim, Agnes?”
Zij keek met voorovergebogen hoofd in het vuur.
„Het is de oude geschiedenis,” hernam ik. „Lach niet als ik zeg dat het zoowel in kleine als in groote zaken altijd zoo geweest is. In vroeger dagen was mijn verdriet eenvoudig eene dwaasheid, thans is het ernstig; nu ik echter weder bij mijn zusje ben....”
Agnes keek op—met zulk eene bekoorlijke uitdrukking op haar lief gezichtje—en bood mij de hand, waarop ik een kus drukte.
„Als ik u in den beginne niet gehad had om mij raad te geven en mij nu en dan eens te prijzen, zou ik zonder twijfel uit den band gesprongen en in allerlei moeilijkheden geraakt zijn. Wanneer ik maar bij u kwam, zooals ik altijd gedaan heb, keerden rust en vrede in mijne ziel terug. En ook thans kom ik bij u, als een vermoeid reiziger, en vind datzelfde vreedzame gevoel terug.”
Ik gevoelde zoo diep wat ik zeide, het ontroerde mij zoo, dat mijne stem mij bijna begaf en terwijl ik mijn gelaat met de handen bedekte, barstte ik in tranen uit. Ik schrijf de waarheid, er moge tegenstrijdigheid en beginselloosheid in mijn karakter geweest zijn; veel had anders en beter kunnen zijn in mij; hoe ik wellicht tegen de inspraak van mijn eigen hart mag gehandeld hebben, dat weet ik niet. Ik weet alleen welk een rust en vrede het mij gaf, toen ik Agnes naast mij had.
Hare kalme, zusterlijke manieren, hare stralende, lieve oogen, hare welluidende stem, de zachtheid, waarmede zij optrad en waardoor lang geleden deze woning bijna eene heilige plaats voor mij geworden was, alles tezamen deed mij mijne zwakheid spoedig te boven komen en bracht er mij toe al hetgeen, sinds onze laatste ontmoeting was voorgevallen, aan haar te vertellen.
„En nu heb ik geen woord meer te vertellen, Agnes,” zei ik, toen ik aan het einde van mijne vertrouwelijke mededeelingen gekomen was. „Nu is al mijn hoop en mijn vertrouwen op u gevestigd.”
„Maar dat moest niet zoo zijn, Trotwood,” antwoordde zij met een vriendelijken glimlach. „Gij moest op iemand anders hoopen en vertrouwen.”
„Op Dora?” vroeg ik.
„Ja, zeker.”
„Ik heb u nog niet medegedeeld, Agnes,” zei ik een weinig verlegen, „dat men moeielijk op Dora.... ik zou voor geen geld van de wereld zeggen, „vertrouwen,” want zij is de oprechtheid en onschuld zelve.... maar moeilijk.... ja, ik weet niet hoe ik het noemen zal, Agnes. Zij is een klein, teerhartig schepseltje, dat zich spoedig laat bang maken. Eenigen tijd geleden, nog voor den dood van haar vader, toen ik meende haar eerlijk alles te moeten vertellen omtrent.... hebt gij nog zooveel geduld om alles aan te hooren?”
Op haar bevestigend antwoord vertelde ik Agnes alles van mijne bekentenis aangaande mijne armoede, van het kookboek, van de huishoudelijke rekeningen, alles wat op dien avond bij juffrouw Mills was voorgevallen.
„Maar, Trotwood,” sprak zij op afkeurenden toon, maar toch met een glimlach om de lippen. „Daar heeft uwe oude onstuimigheid u weder parten gespeeld! Gij had toch uwe pogingen om vooruit te komen in de wereld wel met ernst kunnen voortzetten, zonder zulk een lief, teerhartig schepseltje zoo'n schrik aan te jagen. Arme Dora!”
Nooit hoorde ik zooveel zachtheid en vriendelijkheid in eene stem als bij dit antwoord in de hare. Ik zag in mijn verbeelding hoe zij Dora vol bewondering teeder omhelsde, met een verwijtenden blik op mij om mij te bestraffen voor de onbesuisdheid, waarmede ik dat onschuldig hartje had doen ontstellen. Ik zag Dora in hare verrukkelijke natuurlijkheid Agnes liefkoozen en bedanken en hoorde haar met haar vleiend stemmetje mij in staat van beschuldiging stellen, terwijl zij mij toch met haar gansche kinderlijke hartje bleef liefhebben.
O, hoe dankbaar was ik Agnes, hoe bewonderde ik haar! Ik zag die beiden in een ver.... ver verschiet als liefhebbende vriendinnen en vroeg, na eenige oogenblikken in het vuur gekeken te hebben: „Wat moet ik dan doen, Agnes? Wat zou het beste zijn?”
„Naar mijn oordeel moet gij den koninklijken weg bewandelen en aan die twee oude dames schrijven,” antwoordde Agnes. „Vindt gij niet dat het gaan langs sluippaden beneden uwe waardigheid is?”
„Ja, als gij het zoo beoordeelt....”
„Ik ben eigenlijk geen bevoegde rechter in zulke dingen,” antwoordde zij, „maar ik voel dat als gij zoo in het geheim en achterbaks handelt, gij in tweestrijd moet komen met u zelven.”
„In uw oog, misschien, Agnes, omdat gij zulk een hoog denkbeeld van mij hebt,” antwoordde ik.
„Gij zoudt met uw eigen geweten in strijd komen, daarvan ben ik overtuigd”, hernam Agnes; „het is daarom veel beter dat gij een brief schrijft aan die dames. Ik zou uitgebreid en openhartig alles schrijven wat is voorgevallen en hare toestemming vragen om Dora nu en dan te bezoeken. In aanmerking nemende dat gij nog jong zijt en uw weg door het leven nog moet banen, zoudt gij naar mijne meening goed doen er bij te voegen, dat gij u onderwerpt aan alle voorwaarden, welke zij meenen zullen te moeten stellen. Ik zou beleefd vragen uw verzoek niet af te slaan zonder Dora geraadpleegd te hebben en het met haar te bespreken, wanneer zij den tijd daartoe gekomen achten. Gij moet niet onstuimig zijn,” voegde zij er vriendelijk bij, „of te veel vragen. Ik zou maar vertrouwen stellen in mijn eigen trouw en standvastigheid en—in Dora.”
„Maar als zij nu Dora weder doen schrikken, Agnes, door er met haar over te spreken,” zei ik. „En als Dora dan weder begint te schreien en niets van mij vertelt!”
„Is dat waarschijnlijk?” vroeg Agnes met dezelfde lieve, peinzende uitdrukking op haar gelaat.
„Goede Hemel, zij is zoo schrikachtig als een vogeltje,” zei ik. „Het is dus mogelijk! Ook zijn de dames Spenlow—oudere dames zijn somtijds zoo vreemd op zulke punten—misschien geen menschen, van wie men zoo iets gedaan krijgt!”
„Ik geloof niet, Trotwood,” sprak zij, hare lieve oogen tot mij opslaande, „dat ik mij door deze onderstelling zou laten weerhouden. Het is wellicht veel beter alleen te zeggen, ‚dat is de beste weg’ en dien weg in te slaan.”
Ik wist nu wat ik doen moest en aarzelde geen oogenblik meer. Met een verlicht hart, doch in het volle besef van de gewichtige taak, die ik op mij nam, besteedde ik den geheelen namiddag aan het opstellen van den brief, waartoe Agnes mij haar schrijftafeltje had afgestaan. Eerst ging ik echter naar beneden om mijnheer Wickfield en Uriah Heep welkom te heeten.
Ik vond Uriah op een nieuw naar kalk riekend kantoor, dat in den tuin was uitgebouwd; hij zat tusschen bergen boeken en papieren in en mijn eerste gedachte was: „Wat heeft hij toch een valsch uiterlijk!” Hij ontving mij op zijne gewone, kruipende manier en beweerde niets van mijne aankomst vernomen te hebben; eene bewering, waaraan ik niet beliefde te gelooven. Hij vergezelde mij naar de kamer van mijnheer Wickfield, die eene schaduw leek van hetgeen hij geweest was; terwijl de kamer ten gerieve van den compagnon van een aantal gemakken was ontbloot. Terwijl ik mijnheer Wickfield de hand drukte en hij mij welkom heette, bleef Uriah met den rug naar den haard staan en wreef met zijne beenige hand langs zijn kin.
„Gij logeert bij ons, Trotwood, zoolang gij in Canterbury blijft, nietwaar?” vroeg mijnheer Wickfield,—de blik, waarmede hij Uriah's goedkeuring vroeg, ontging mij niet.
„Is er een kamer voor mij?” vroeg ik.
„Wel zeker, jongeheer Copperfield—ik moet mijnheer Copperfield zeggen, maar ik ben dat nog niet gewoon—wel zeker, ik sta u uw oude kamertje gaarne af, indien u dat aangenaam zijn kan,” zei Uriah.
„Neen, neen,” hernam mijnheer Wickfield. „Waartoe zou men u lastig vallen? Er is wel eene andere kamer, er is wel eene andere kamer.”
„O, maar gij weet wel,” zei Uriah met een grijns, „dat het een groot genoegen voor mij zou zijn.”
Ten einde den knoop door te hakken, verklaarde ik die andere kamer of in het geheel geen te willen hebben, zoodat bepaald werd dat ik de andere krijgen zou, waarna ik afscheid nam van de firmanten tot het middagmaal en naar boven ging.
Ik had gehoopt geen ander gezelschap te hebben dan Agnes; maar juffrouw Heep had verzocht met haar breikous in Agnes' kamer bij de kachel te mogen zitten, onder voorwendsel dat er met het oog op haar rheumatiek geen beter plekje was in huis, wanneer de wind zoo en zoo was. Hoewel ik haar wel naar het bovenste topje van de kathedraal had willen verbannen, prijs gegeven aan alle winden, en ik dat vonnis zonder eenige aarzeling zou hebben uitgesproken, indien ik daartoe de macht had gehad, maakte ik van den nood eene deugd en ontving haar met een vriendelijken groet.
„Ik ben u nederig dankbaar, mijnheer,” sprak zij toen ik naar hare gezondheid informeerde, „mijne gezondheid is maar zoo zoo. Ik kan er niet op roemen. Als ik mijn Uriah nog maar eens gevestigd zie, kan ik niet meer van het leven verwachten. Hoe vindt gij dat mijn Uriah er uitziet, mijnheer?”
Ik vond dat hij meer dan ooit op een grooten schurk geleek en zei dat ik geene verandering in hem bespeurd had.
„Zoo, meent gij dat hij niet veranderd is?” vroeg juffrouw Heep. „Dan verzoek ik u nederig de toestemming om met u van opinie te verschillen. Vindt gij niet dat hij magerder geworden is?”
„Neen, ik vind hem niet magerder dan vroeger,” antwoordde ik.
„Vindt gij werkelijk niet! Maar gij bekijkt hem ook niet met het oog van eene moeder.” Toen dat moederoog het mijne ontmoette, kon ik niet nalaten te denken dat het voor alles en allen in de wereld, behalve voor Uriah, een boos oog was; het gleed langs mij heen, waarop het zich tot Agnes wendde. Een ding was zeker; zij en haar zoon waren zeer aan elkander gehecht.
„Vreest gij ook niet, juffrouw Wickfield, dat hij langzaam uitteert?” vroeg juffrouw Heep.
„Neen,” zei Agnes, het werk voortzettende, waaraan zij bezig was, „gij maakt u veel te angstig voor hem. Hij is heel gezond.”
Juffrouw Heep haalde hard haar neus op en ging voort met breien. Zij liet ons geen oogenblik alleen, gedurende de drie of vier uren, die wij voor het middagmaal op Agnes' kamertje doorbrachten; zij zat daar bij het vuur en hare breipennen bewogen zich zoo eentoonig als de slinger van een uurwerk. Ik zat tegenover haar aan de schrijftafel en Agnes had aan den anderen kant van den haard plaats genomen. Wanneer ik, peinzend over mijn brief, de oogen opsloeg en de heldere kijkers van Agnes mij bemoedigend toeknikten, voelde ik dat het booze oog van juffrouw Heep langs mij heen gleed, op Agnes lief gezichtje gevestigd bleef en daarna weder mij opzocht, terwijl het schijnbaar op het breiwerk werd geslagen. Wat zij breide, weet ik niet—ik ben in deze kunst niet ervaren—maar het scheen mij toe een net te zijn en terwijl zij de breipennen, die op Chineesche vorken geleken, over elkander heen liet gaan, deed zij mij bij het licht der vlammen in den haard aan een afzichtelijke tooverheks denken, wier booze toeleg tot nu toe was afgestuit op de deugdzaamheid van haar slachtoffer tegenover haar, maar die toch elk oogenblik haar net zou kunnen uitwerpen.
Gedurende het middagmaal bleef zij de wacht houden over ons zonder dat hare oogen een enkele maal afdwaalden. Na afloop nam haar zoon deze taak over en toen mijnheer Wickfield en hij en ik alleen waren, zat hij zoo naar mij te gluren, terwijl hij zich in de afzichtelijkste bochten wrong, dat ik het bijna niet kon uitstaan. In het salon zat de moeder weder te breien en te spionneeren. Zoo lang Agnes speelde en zong bleef zij bij de piano zitten. Eens vroeg zij haar een zeker lied, waarvan haar Ury, die in een leunstoel zat te geeuwen, zooveel hield; bij tusschenpoozen keek zij naar haar zoon en vertelde dan aan Agnes, dat hij dweepte met muziek. Zij sprak bijna nooit—ik betwijfel of zij het wel ooit deed—zonder haar zoon er bij te halen en ik twijfelde geen oogenblik of dit was de haar opgedragen taak.
En dit duurde tot het tijd was om naar bed te gaan. Ik walgde letterlijk van moeder en zoon, die dit huis als twee poliepen omkneld hielden en wier afzichtelijke gestalten elken lichtstraal onderschepten, zoodat ik veel liever, met breiwerk en al, beneden was gebleven. Ik sliep dan ook zeer onrustig, eigenlijk in het geheel niet. En den volgenden dag, 's morgens, 's middags en 's avonds, hetzelfde liedje! Ik kon geen gelegenheid vinden om Agnes, ook maar tien minuten, alleen te spreken. Ik kon haar nauwelijks mijn brief laten lezen en stelde haar voor eene wandeling met mij te gaan doen, maar aangezien juffrouw Heep voortdurend klaagde dat hare rheumatiek veel erger werd, bleef zij uit medelijden thuis om haar gezelschap te houden. In het schemeruurtje ging ik alleen uit, peinzende over hetgeen ik doen moest. Stond het mij wel vrij Agnes langer onkundig te laten van hetgeen Uriah mij in Londen verteld had? Deze vraag hield mij den ganschen dag bezig en verontrustte mij onbeschrijfelijk.
Ik had de stad nog niet achter den rug—ik wilde den weg naar Ramsgate opwandelen, omdat die een goed voetpad had—toen ik iemand achter mij hoorde aankomen, die mijn naam riep. De slingerende gang en de nauwe overjas sloten elke vergissing uit. Ik bleef staan en Uriah Heep haalde mij in.
„Wat is er?” vroeg ik.
„Hé, wat loopt gij hard!” zei hij. „Mijne beenen zijn vrij lang, maar gij hebt heel wat van ze geëischt.”
„Waar gaat gij heen?” vroeg ik weder.
„Ik ben u achterna gegaan, jongeheer Copperfield; gij zult er zeker niet tegen hebben uwe wandeling voort te zetten met een ouden kennis.” Hij liet dit gezegde vergezeld gaan van eene stuiptrekking, die zoowel voor eene onderdanige buiging als voor spotternij kon gehouden worden, en stapte toen naast mij voort.
„Uriah,” begon ik na een oogenblik gezwegen te hebben, zoo beleefd mogelijk.
„Jongeheer Copperfield!”
„Om u de waarheid te zeggen—gij zult het mij wel niet euvel duiden—ben ik uitgegaan om eens alleen te zijn, want ik heb zooveel menschen om mij heen gehad, dat ik er moe van ben.”
Hij keek mij van ter zijde aan en zei met een leelijken grijns: „Gij bedoelt ‚moeder’.”
„Nu ja, die bedoel ik ook,” antwoordde ik.
„O, maar gij weet immers hoe nederig wij zijn,” hernam hij. „Zelf wetende dat wij zoo nederig zijn, moeten wij zorg dragen niet te worden verdrongen door anderen, die het niet zijn. In de liefde zijn alle listen geoorloofd, mijnheer.”
Hij lichtte zijne groote handen op tot aan zijne kin en begon die zachtjes te wrijven, terwijl hij een soort gegrinnik liet hooren; hij leek op dit oogenblik zoo sprekend op een kwaadaardigen baviaan als een menschelijk wezen doen kan.
„Ziet gij,” hernam hij al voortwrijvende en met het hoofd knikkende, „gij zijt een gevaarlijke mededinger, jongeheer Copperfield. Gij zijt dat altijd geweest.”
„Laat gij juffrouw Wickfield bewaken, ontneemt gij haar hare vrijheid in haar eigen huis, uit vrees voor mij?” vroeg ik.
„O, jongeheer Copperfield, dat zijn harde woorden!” antwoordde hij.
„Breng het dan zelf in woorden, zooals gij verkiest,” zei ik. „Gij weet wat ik bedoel, Uriah, evengoed als ik het zelf weet.”
„O, neen, gij moet het zeggen! Zeker! Ik zou het onmogelijk kunnen.”
„Onderstelt gij,” vroeg ik, al mijn wilskracht te hulp roepende om, ter wille van Agnes, kalm te blijven, „dat ik in juffrouw Wickfield iets anders zie dan eene lieve zuster?”
„Wel, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „gij begrijpt dat ik deze vraag moeilijk kan beantwoorden: misschien doet gij het niet, begrijpt gij; misschien doet gij het ook wel, dat is ook mogelijk.”
Nooit heb ik iets gezien dat te vergelijken was met het sluwe, gemeene gezicht, waarmede hij mij op dit oogenblik aankeek.
„Luister dan,” zei ik. „Ter wille van juffrouw Wickfield....”
„Mijne Agnes!” riep hij uit, terwijl zijn lichaam weder den vorm aannam van een kurketrekker. „Wilt gij wel zoo goed zijn haar Agnes te noemen, jongeheer Copperfield!”
„Ter wille van Agnes Wickfield.... God zegene haar!....”
„Dank u, jongeheer Copperfield!” zoo viel hij mij in de rede.
„.... zal ik u iets meedeelen, dat ik onder gewone omstandigheden evenmin aan u als aan.... Jack Ketch zou hebben verteld.”
„Aan wien, mijnheer?” vroeg Uriah met uitgestrekten hals en de hand achter het oor.
„Aan den beul,” hernam ik. „Aan den meest onwaarschijnlijken persoon, dien ik mij maar bedenken kan,”—zijn eigen gezicht had mij op dit denkbeeld gebracht.—„Ik ben verloofd, zijt gij nu tevreden?”
„Oprecht waar?” riep Uriah.
Ik was op het punt om mijne verontwaardiging te kennen te geven over de bevestiging, die hij van mijne woorden durfde vragen, toen hij mijne hand machtig wist te worden en die hartelijk drukte.
„O, jongeheer Copperfield!” zei hij. „Hadt gij maar de goedheid gehad mij met uw vertrouwen te vereeren, op dien avond, toen ik mijn hart voor u uitstortte en u zoo lang uit den slaap hield, dan had ik nooit dit vermoeden kunnen hebben. Nu dit zoo is, zal ik mijne moeder onmiddellijk en met het grootste genoegen verzoeken eene andere zitplaats uit te kiezen. Gij zult, dat weet ik, de voorzorgen, die mijne liefde mij deed nemen, verontschuldigen. Hoe jammer, jongeheer Copperfield, dat gij niet besluiten kondt mij uw vertrouwen te schenken! Ik weet zeker dat ik er u alle gelegenheid voor heb gegeven. Maar, gij zijt nooit zoo vriendelijk voor mij geweest, als ik wel gewenscht had. Ik weet dat gij nooit zooveel van mij gehouden hebt, als ik van u!”
Gedurende al dezen tijd drukte hij mijne hand met zijne koude, vischachtige vingers, terwijl ik, zonder al te onbeleefd te zijn, pogingen aanwendde om los te komen. Dit gelukte mij echter niet. Hij trok mijne hand onder de mouw van zijne moerbei-kleurige overjas en zoo wandelde ik, tegen wil en dank, arm in arm met hem voort.
„Zullen wij terugkeeren?” vroeg Uriah, terwijl hij mij langzamerhand mijn gezicht naar de stad liet wenden, die op dit oogenblik zich baadde in het zilverwitte maanlicht.
„Eer wij van deze zaak afstappen,” hernam ik na eene vrij lange pauze, „moet gij wel begrijpen, dat ik Agnes zoo ver boven u verheven en zoo geheel en al onbereikbaar voor u acht als de maan boven ons!”
„Wat staat ze daar vreedzaam, nietwaar!” zei Uriah. „Maar, nu zult gij toch moeten bekennen, jongeheer Copperfield, dat gij nooit zooveel van mij gehouden hebt als ik van u. Het zou mij niet verbazen als gij mij eigenlijk voor al te nederig hadt gehouden?”
„Ik houd niet van menschen, die zoo met hunne nederigheid of met wat ook te koop loopen,” antwoordde ik.
„Welnu, komaan!” hernam Uriah—zijn gelaat had in het licht der maan eene loodkleur aangenomen.—„Heb ik het niet gedacht! Gij kunt u natuurlijk geen denkbeeld vormen van de nederigheid, waartoe menschen als wij verplicht zijn. Vader en ik zijn beiden op eene kostelooze school geweest en moeder is in een liefdadigheidsgesticht groot gebracht. Men heeft ons daar van den ochtend tot den avond voorgehouden dat wij nederig moesten zijn. Wij moesten nederig zijn tegen mijnheer X. en tegen mijnheer IJ. onze pet afnemen en eene buiging maken voor mevrouw Z.; wij moesten altijd weten waar wij staan moesten en onderdanig zijn aan onze meerderen. En o, wij hadden zooveel meerderen! Vader kreeg de kweekeling-medaille omdat hij altijd zoo nederig was. En ik ook. Vader werd tot doodgraver aangesteld om dat hij zoo nederig was. Hij had onder de groote lui den naam van een ordelijk en nederig man verworven en daarom wilden zij niemand voor die betrekking aangewezen zien dan hem. ‚Wees nederig, Uriah’, zei vader altijd, ‚dan kunt gij vooruitkomen in de wereld. Het is u en mij op school altijd ingeprent en men ziet dat ook het liefst’. En waarlijk, het is mij niet slecht gegaan!”
Voor de eerste maal kwam de gedachte in mij op, dat dit afschuwelijk geteem over die valsche nederigheid wel een familiekwaal zijn kon. Ik had wel den oogst gezien, maar nooit aan het zaad gedacht.
„Toen ik nog een kleine jongen was,” hernam Uriah, „ondervond ik reeds waartoe nederigheid leiden kan en hield er mij bij. Ik kreeg smaak in de nederigheid. Toen ik voor mijn nederigen staat genoeg meende geleerd te hebben, zei ik: „Halt!” en ik bedankte u voor uw aanbod om mij Latijn te leeren. Ik wist beter dan gij wat mijne nederigheid eischte. ‚De menschen willen elkaar gaarne voorbij streven,’ zei mijn vader, ‚blijf laag bij den grond!’—Ik ben tot op dit oogenblik altijd nederig gebleven, jongeheer Copperfield; maar ik heb toch een weinigje macht gekregen!”
Hij zei dit alles—ik zag het aan zijn gezicht—opdat ik zou begrijpen dat hij vast besloten was zich voor zijne nederigheid schadeloos te stellen door die macht te gebruiken. Ik had nooit aan zijne laagheid, zijne listigheid en zijn boosaardig karakter getwijfeld, maar op dit oogenblik voelde ik voor het eerst ten volle hoe laaghartig en wraakgierig de dwang, dien hij zich had opgelegd, hem moest gemaakt hebben. Intusschen had het verslag, dat hij van zich zelven gegeven had, in zooverre eene aangename zijde, dat hij mijn arm had losgelaten, ten einde aan zijne hand de geliefkoosde plaats onder de kin te geven. Eenmaal van hem los, besloot ik van hem los te blijven en zoo wandelden wij naast elkander voort zonder veel meer te praten.
Of de mededeeling, die ik hem gedaan had, hem in eene opgewekte stemming had gebracht, dan wel of de herinnering aan vroegere dagen hem had opgewonden.... hoe het zij, hij was aan tafel veel spraakzamer dan gewoonlijk, vroeg aan zijne moeder, die van het oogenblik van onze thuiskomst af haar post had verlaten, of hij langzamerhand niet te oud werd voor een jonggezel en keek Agnes eenmaal zoo aan, dat ik een goudstuk had willen geven als ik hem één muilpeer had mogen toedienen.
Toen wij, heeren, met ons drieën waren achtergebleven, werd hij nog stoutmoediger. Hij had bijna geen wijn gedronken, zoodat ik vermoed dat het niets dan onbeschaamdheid was, die hem deed meenen dat hij de overwinning reeds behaald had—wellicht werd hij daartoe ook door mijne tegenwoordigheid uitgelokt.
Ik had den vorigen dag opgemerkt dat hij mijnheer Wickfield tot drinken trachtte aan te zetten en tengevolge van den wenk, dien Agnes mij bij het verlaten van de kamer had gegeven, zelf slechts één glas wijn gedronken en daarna voorgesteld de dames naar het salon te volgen. Ik wilde dit heden herhalen, maar Uriah was mij voor.
„Wij zien onzen huidigen gast zoo zelden, mijnheer,” zei hij tot mijnheer Wickfield, die—welk een contrast!—aan het benedeneinde van de tafel zat, „dat ik voorstel hem met een glas welkom te heeten, zoo gij er niets tegen hebt. Mijnheer Copperfield, uwe gezondheid en uwe goede voornemens!”
Ik was wel verplicht te doen alsof ik de hand, die hij mij over de tafel heen toestak, aannam en daarna nam ik met eene geheel verschillende gewaarwording de hand van zijn slachtoffer.
„Kom, compagnon,” zei Uriah, „als ik zoo vrij mag zijn.... nu zult gij, onderstel ik, wel eens op Copperfield willen drinken!” Ik ga de toosten, die mijnheer Wickfield dronk op tante, op mijnheer Dick, op Doctors' Commons, op Uriah zwijgend voorbij; evenals het bewustzijn van zijn eigen zwakheid en de vruchtelooze pogingen om er zich tegen te verzetten; den strijd tusschen de schaamte over Uriah's houding en den wensch om hem te vriend te houden; en de wijze, waarop Uriah zich verkneuterde nu hij zijn compagnon in al diens zwakheid kon ten toon stellen. Het deed mij zeer hem zoo te zien, mijne pen weigert zelfs het uitvoeriger te beschrijven.
„Kom, compagnon!” zei Uriah eindelijk, „ik wil nog op iemand een toost instellen, maar schenk de glazen tot den rand vol, want ik ben van plan om op de bekoorlijkste van hare sexe te drinken.”
Haar vader had het ledige glas in de hand; ik zag hoe hij het neerzette, een blik op het portret wierp, dat zoo sprekend op Agnes leek, de hand naar het voorhoofd bracht en toen met een zucht achterover in zijn leunstoel zonk.
„Ik ben eigenlijk een veel te nederig persoon om op hare gezondheid te drinken,” ging Uriah onverbiddelijk voort, „maar ik bewonder.... ik aanbid haar.”
Geen lichamelijke smart had het grijze hoofd van haar vader dieper kunnen buigen en zou mij vreeselijker hebben toegeschenen dan het zielelijden, dat hij op dit oogenblik achter zijne beide handen verborg.
„Agnes,” vervolgde Uriah, die zich òf niet aan hem stoorde òf het gebaar, dat hij maakte, niet begreep, „Agnes Wickfield—dat durf ik zeggen—is de bekoorlijkste van haar geslacht. Mag ik spreken als onder vrienden? Haar vader te zijn is eene weelde, maar haar echtgenoot.....”
O, mocht ik nimmer meer zulk een angstkreet hooren als die, waarmede haar vader op dit oogenblik opsprong!
„Wat scheelt u?” vroeg Uriah doodsbleek. „Gij zijt toch niet krankzinnig geworden, mijnheer Wickfield? Als ik zeg dat het eene eer voor mij zijn zou van uwe Agnes mijne Agnes te maken, bedoel ik dat ik daartoe even goed het recht heb als elke andere man. Ik heb er zelfs meer recht op dan eenig ander man!”
Ik had mijn arm om mijnheer Wickfield geslagen en smeekte hem in naam van alles, wat mij maar voor den geest kwam, in naam vooral van zijn liefde voor Agnes, kalm te blijven. Hij was werkelijk voor een oogenblik krankzinnig, trok zich de haren uit het hoofd, sloeg zich tegen het voorhoofd, poogde mij weg te duwen en zich uit mijn arm los te maken, sprak geen woord, zag niets, noch iemand; worstelde blindelings, met starende oogen en verwrongen gelaatstrekken, zonder te weten met wat of met wien—het was een vreeselijk schouwspel.
In onsamenhangende woorden, maar op hartstochtelijke wijze bezwoer ik hem zich niet zoo te laten meeslepen en naar mij te luisteren; ik smeekte hem aan Agnes te denken, aan Agnes in verband met mij; zich te herinneren hoe Agnes en ik te zamen waren opgegroeid, hoe ik haar vereerde en liefhad, hoe zij altijd zijn trots en zijne vreugde geweest was. Ik trachtte hem haar beeld voor den geest te brengen en verweet hem zelfs zijne zwakheid, dat hij haar een tooneel als dit niet kon besparen. Het is mogelijk dat ik met dit alles iets heb uitgewerkt of dat zijne onstuimigheid van zelf bedaarde, hoe 't zij, zijn verzet werd zwakker; hij begon mij aan te kijken—eerst met eene vreemde uitdrukking in zijne oogen, maar toen meende ik dat hij mij begon te herkennen. Eindelijk zei hij: „Ik weet het, Trotwood! Mijn lief kind en gij—ik weet het! Maar kijk eens naar dien man daar!”
Hij wees op Uriah, die bleek en vol strijdlust in een hoek van de kamer stond, blijkbaar verrast door de uitwerking van zijne woorden, maar toch met eene dreigende uitdrukking in zijne leelijke oogen.
„Daar staat mijn kwelgeest,” hervatte mijnheer Wickfield, „door hem heb ik stap voor stap mijn goeden naam, mijn vrede en rust, mijn huis en erf verloren.”
„Ik heb uw goeden naam voor u behouden, en uw vrede en rust en uw huis en erf op den koop toe,” riep Uriah op den gejaagden toon van iemand, die gaarne vrede wil sluiten. „Wees toch niet dwaas, mijnheer Wickfield. Mocht ik verder gegaan zijn dan gij gedacht hadt, dan kan ik immers nog teruggaan. Er is nog niets mede verbeurd.”
„Ik zocht altijd bij iedereen naar beweegredenen,” zei mijnheer Wickfield, „en was blijde dat ik hem in zijn eigen belang aan mij verbinden kon. Maar zie hem nu eens aan.... zie hem nu eens aan!”
„Breng hem toch tot zwijgen, als gij kunt, Copperfield,” riep Uriah, terwijl hij met zijn langen voorsten vinger naar mijnheer Wickfield wees. „Pas toch op! Hij zal nog dingen zeggen, die hem later zullen berouwen en u ook, dat gij ze hebt aangehoord!”
„Ik zal alles zeggen wat ik wil!” riep mijnheer Wickfield met de wanhoop op het gelaat. „Ik ben immers toch in uwe macht; waarom dan ook niet in die van anderen?”
„Pas op, zeg ik u!” riep Uriah mij waarschuwend toe. „Als gij zijn mond niet stopt, zijt gij zijn vriend niet! Waarom gij niet in ieders macht moogt zijn, mijnheer Wickfield? Omdat gij eene dochter hebt. Gij en ik weten wat wij weten, nietwaar? Maakt geen slapende honden wakker! Ik zal ze laten liggen. Ziet gij dan niet dat ik zoo nederig ben als ik maar zijn kan? Ik zeg u immers dat ik te ver ben gegaan, dat het mij spijt. Wat verlangt gij dan nog meer, mijnheer?”
„O, Trotwood, Trotwood!” riep mijnheer Wickfield handenwringend uit. „Wat is er van mij geworden sinds ik u voor het eerst dit huis zag binnenkomen? Toen reeds was ik op een hellend vlak, maar welk een treurigen weg heb ik sedert dat oogenblik afgelegd! Mijne zwakheid heeft mij in het verderf gestort! Mijne zwakheid om steeds aan het verleden te willen denken en het tegelijkertijd te willen vergeten. Ik ben te toegevend geweest voor mij zelven. Het verdriet over den dood van Agnes' moeder werd ziekelijk; de liefde voor mijn kind evenzoo. Iedereen, die met mij in aanraking kwam, werd besmet. Ik heb ellende gebracht over degene, die mij het liefste was, dat weet ik.... en gij weet het ook! Ik achtte het mogelijk al mijne liefde te geven aan één menschelijk wezen en de overigen niet lief te hebben; ik achtte het mogelijk rouw te dragen over ééne, die is heengegaan, en geen deel te nemen in het leed van anderen. Zoo misbruikte ik de lessen, die het leven mij gegeven had! Ik heb mij door mijne flauwhartigheid laten beheerschen, zoowel in mijn verdriet, als in mijne liefde en in de pogingen om wat daar duister was in mijn leven te vergeten! Zie wat er van mij geworden is! Een ruïne!.... En haat en veracht mij dan!”........
Hij liet zich in zijn stoel neervallen en snikte als een kind. De opgewondenheid, waaraan hij ten prooi was geweest, was nu geheel voorbij. Uriah kwam ook uit zijn hoekje te voorschijn.
„Ik weet niet wat ik in mijne dwaasheid gedaan heb,” zei mijnheer Wickfield, terwijl hij de handen naar mij uitstak, als smeekte hij hem niet te veroordeelen.
„Hij weet het 't best,” voegde hij er, op Uriah wijzend bij, „want hij heeft altijd achter mij gestaan en mij alles ingefluisterd. Gij begrijpt dus dat hij mij als een molensteen op mijne borst ligt. Gij vindt hem in mijn huis en op mijn kantoor. Gij hebt zoo even gehoord wat hij zeide. Behoef ik er nog wel iets bij te voegen?”
„Gij had niet eens zoo veel, zelfs niet half zoo veel, gij hadt niets behoeven te zeggen,” gaf Uriah half uitdagend, half vleiend ten antwoord. „Gij zoudt mijne woorden ook niet zoo hebben opgenomen als de wijn niet medegeholpen had. Morgen zult gij er wel anders over denken, mijnheer. Mocht ik te veel, of meer dan mijn voornemen was gezegd hebben, wat beteekent dat dan nog? Ik heb er immers verder over gezwegen.”
Daar werd de deur geopend en kwam Agnes de kamer in, zoo bleek als een doode; zij sloeg den arm om haars vaders hals en vroeg op kalmen toon: „Papa, zijt gij niet wel? Kom, ga met mij mee!”
Met het hoofd op haar schouder, als schaamde hij zich, ging hij met haar naar het salon. Haar blik ontmoette den mijne slechts één oogenblik; toch begreep ik dat zij het voorgevallene raadde.
„Ik had niet gedacht dat hij zoo barsch zou uitvallen, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Maar het is niets. Morgen zijn wij weer goede vrienden. Het is tot zijn bestwil. Ik verlang niets dan in al mijne nederigheid zijne belangen te bevorderen.”
Ik gaf hem geen antwoord en ging naar boven, naar het kleine kamertje waar Agnes zoo dikwijls bij mij gezeten had, terwijl ik mijn schoolwerk maakte. Niemand kwam daar bij mij voor zeer laat in den avond. Ik had een boek genomen en trachtte te lezen, maar mijne gedachten waren te zeer met andere dingen vervuld. Eindelijk hoorde ik de klok twaalf uur slaan en een oogenblik later kwam Agnes bij mij.
„Gij gaat morgen ochtend al vroeg heen, nietwaar, Trotwood? Laat ons daarom nu afscheid nemen!”
Zij had geschreid, maar haar gezichtje was nu zoo kalm en zoo bekoorlijk.
„God zegene u!” sprak zij en gaf mij eene hand.
„Liefste Agnes!” antwoordde ik, „ik zie wel, dat gij van avond liever niet meer met mij wilt spreken, maar.... kan er niets gedaan worden?”
„Op God vertrouwen,” antwoordde zij.
„Kan ik niets doen, ik, die met al mijn verdriet bij u kom?”
„En het mijne zoo verlicht,” sprak zij. „Neen, beste Trotwood.”
„Lieve Agnes,” hernam ik, „het is wellicht verwaand van mij, die zoo arm is in al hetgeen waaraan gij zoo rijk zijt.... in goedheid, besluitvaardigheid en allerlei andere deugden, maar gij weet hoeveel ik van u houd en hoeveel ik u verschuldigd ben. Gij zult u immers niet opofferen uit een verkeerd begrepen gevoel van plicht, Agnes?”
Zenuwachtiger dan ik haar ooit gezien had,—hoewel slechts een oogenblik—liet zij mijne hand los en deed eene schrede achteruit.
„Zeg mij, Agnes, dat gij er niet over denkt; zeg mij dat, liefste Agnes, die mij meer zijt dan eene zuster! Denk aan den schat, dien een hart als het uwe herbergt, aan het groote geluk dat iemand te beurt valt, dien gij uwe liefde schenkt.”
Langen, langen tijd daarna zag ik nog telkens de uitdrukking, die op dit oogenblik op haar lief gezichtje lag—niet verbaasd, niet verwijtend, niet beschuldigend.—Langen, langen tijd daarna zag ik, evenals nu, op dat gezichtje een glimlach verschijnen, een liefelijken glimlach, waarmede zij mij zeide dat zij voor zich zelve niet vreesde, dat ook ik niet voor haar behoefde te vreezen—en toen ging zij heen met het woord „Broeder” op de lippen!
Toen ik den volgenden morgen de diligence besteeg, was het nog donker. De dag brak juist aan, toen wij zouden afrijden, en terwijl ik aan Agnes zat te denken, doemde plotseling Uriah's hoofd op aan het portierraam.
„Copperfield!” zei hij op het wiel staande op fluisterenden toon, „ik vermeen dat het u, eer gij heengaat, aangenaam zal zijn te hooren dat alles in orde is. Ik ben reeds bij hem geweest en alles is bijgelegd. Ziet gij, al ben ik maar nederig, ik kan hem toch veel diensten bewijzen; en als hij niet onder den invloed van den wijn is, begrijpt hij zijn eigen belang. Wat is hij toch een beste man, jongeheer Copperfield!”
Ik dwong mij zelven om mijne blijdschap te betuigen, dat hij zijne verontschuldigingen had aangeboden.
„O, zeker!” zei Uriah. „Wat beteekent het verontschuldigingen aan te bieden, als men nederig is! Het is zoo gemakkelijk! Zeg eens!” vervolgde hij plotseling op een ander onderwerp overgaande, „ik onderstel dat gij ook wel eens een peer geplukt zult hebben eer ze rijp was, jongeheer Copperfield?”
„Dat zal ik wel,” antwoordde ik.
„Dat heb ik gisteren avond gedaan,” zei Uriah; „maar ze zal toch wel rijp worden. Ik heb alleen maar wat geduld noodig. Welnu, ik kan wachten!”
Toen de koetsier den bok beklom, sprong hij van het rad en nam wel twintig maal afscheid. Ik weet niet of hij misschien iets in den mond had tegen den invloed van de gure ochtendlucht, hoe 't zij, hij maakte bewegingen met zijn vale kaken alsof de peer al rijp was en likte zich de lippen al af.
XL
De zwerver.
Wij hadden dien avond in Buckingham-street een ernstig gesprek over al hetgeen ik in het laatste hoofdstuk heb meegedeeld. Tante was er zeer door getroffen en wandelde langer dan twee uren achtereen, met de armen over elkander, de kamer op en neer. Wanneer zij iets had, dat haar bijzonder aandeed, maakte zij altijd zulke voetreizen en uit den duur van zulk eene reis kon men met bijna wiskunstige zekerheid de mate van hare ontstemming opmaken. Ditmaal was zij zoo ontroerd, dat zij het noodig vond de deur van de slaapkamer open te zetten, zoodat zij hare wandeling van den eenen muur tot den anderen kon uitstrekken en, terwijl mijnheer Dick en ik zwijgend bij het vuur zaten, bleef zij in en uitgaan, met afgemeten stap, zoo regelmatig als de slinger van een uurwerk.
Toen mijnheer Dick naar bed was, bleven tante en ik nog bij elkaar zitten en schreef ik mijn brief aan de twee oude dames. Zij was moe van het wandelen en zat nu bij het vuur met de japon opgeslagen, als van ouds, over de beenen. Maar in plaats van, zooals zij gewoon was, het glas op de knieën te houden, stond het vergeten op den schoorsteenmantel en terwijl haar linker elleboog op haar rechter arm rustte en hare kin op hare linkerhand, staarde zij peinzend naar mij. Zoo dikwijls ik de oogen van mijn papier opsloeg, ontmoette ik de hare. „Ik ben in het beste humeur, lieve jongen,” verzekerde zij mij dan telkens, „maar ik ben gejaagd en verdrietig.”
Ik had te hard zitten schrijven om, eer zij naar bed was gegaan, op te merken dat zij haar slaapdrank, zooals zij het noemde, onaangeroerd op den schoorsteenmantel had laten staan. Toen ik aanklopte om haar mijne ontdekking mede te deelen, kwam zij even aan de deur van hare slaapkamer en zei met hare vriendelijkste stem: „ik heb van avond geen moed om te drinken, Trot,” waarna zij hoofdschuddend hare kamerdeur sloot.
Den volgenden morgen las zij mijn brief aan de oude dames en keurde dien goed. Ik bracht hem op de post en had nu niets anders te doen, dan het antwoord af te wachten. Reeds langer dan een week was ik in afwachting, toen ik op een avond door een felle sneeuwjacht van de woning van doctor Strong naar huis wandelde. Het was bitter koud geweest dien dag en er blies een scherpe noordoosten wind. Tegen den avond was de wind gaan liggen en begon het te sneeuwen met groote, dikke vlokken, zoodat er spoedig een flinke laag op den grond lag. Elk geluid van rijtuigen en voetgangers was gesmoord; het scheen wel dat de straten met vederen bestrooid waren. Mijn kortste weg naar huis—en ik nam op dien avond den kortsten weg—was door St. Martin's Lane. De kerk, waaraan deze straat haar naam ontleent, stond in die dagen minder ruim dan thans; er was geen pleintje voor en de straat liep in allerlei kronkelingen door tot aan het Strand. Bij den hoek van de kerktrap ontmoette ik eene vrouw, die mij aankeek en verdween. Ik kende dat gezicht, ik had het vroeger gezien; dat wist ik zeker, maar ik kon mij niet herinneren waar dat geweest was. Er moest eene droevige herinnering aan verbonden zijn, want gedurende een oogenblik stokte mij de adem in de keel en hoorde ik mijn hart bonzen; maar ik had aan geheel andere dingen loopen denken, toen ik die vrouw voorbijging, en was dientengevolge een oogenblik van streek.
Bij de trappen van de kerk stond een man in gebukte houding, hij had een pakje in de sneeuw neergelegd om het vast te binden en op hetzelfde oogenblik keken wij elkander in het gelaat. Ik geloof niet dat ik in de verrassing van het oogenblik bleef staan; hoe het zij, hij richtte zich op en kwam naar mij toe en daar stond ik tegenover baas Peggotty! Nu wist ik ook, wie die vrouw was. Het was Martha, die in Peggotty's keuken geld had gekregen van Emily. Martha Endell.... in gezelschap van den man, die haar, volgens Ham, voor al de schatten der wereld niet met Emily zou hebben willen zien.
Wij schudden elkander hartelijk de hand en konden in het eerste oogenblik geen van beiden een woord uitbrengen.
„Jongeheer Davy!” zei hij, mijne hand vast in de zijne klemmende, „hoe blijde ben ik u te zien, mijnheer!”
„Welkom, mijn beste oude vriend!” zei ik.
„Ik had van avond bij u willen komen, mijnheer,” hernam hij, „maar omdat ik wist dat uwe tante bij u woont—ik ben daar ginds geweest, op weg naar Yarmouth—vreesde ik dat het te laat geworden was. Het was nu mijn voornemen morgen vroeg eens te komen kijken, mijnheer, voor ik verder ga.”
„Gaat gij weer heen?” vroeg ik.
„Ja, mijnheer,” antwoordde hij, treurig het hoofd schuddende, „morgen ga ik weer verder.”
„En waarheen?” vroeg ik.
„Wel,” antwoordde hij, de sneeuw uit zijn lange haren schuddende, „ik zal nu eerst eene poging doen om ergens onder dak te komen.”
In die dagen was er dicht bij de plek, waar wij stonden, een zij-ingang naar het stalplein van het Gouden Kruis, het logement, dat juist met betrekking tot zijn ongeluk zoo gedenkwaardig voor mij was geworden. Ik wees hem het poortje, stak mijn arm door den zijnen en wij gingen naar binnen. Er kwamen twee of drie gelagkamers op het stalplein uit; een er van was ledig en er brandde een helder vuur—daar stapten wij binnen.
Toen ik baas Peggotty bij het licht zag, merkte ik op dat zijne haren lang en verwilderd waren en dat zijn aangezicht door de zon was verbrand. Hij was grijzer geworden, de lijnen in gelaat en voorhoofd waren dieper; hij maakte in alles den indruk alsof hij in allerlei weer en wind had rondgezworven, maar hij was toch forsch en sterk, en zag er uit als een man, die weet wat hij wil en door niets ter wereld van een eenmaal opgevat voornemen is af te brengen. Terwijl ik deze opmerkingen in mij zelven maakte, schudde hij de sneeuw van zijn kleederen en van zijn hoed en droogde zijn gezicht af, waarna hij tegenover mij aan eene tafel plaats nam, met den rug naar de deur, waardoor wij waren binnengekomen, en nogmaals mijne hand in de zijne nam en hartelijk schudde.
„Laat mij u nu eens vertellen, mijnheer Davy,” zei hij, „waar ik geweest ben en wat ik gehoord heb. Ik ben ver weg geweest en heb weinig gehoord; laat ik u echter alles vertellen.”
Ik schelde, ten einde iets warms te bestellen; hij wilde echter niets dan bier hebben en terwijl het gebracht en bij de kachel warm gemaakt werd, zat hij, in gepeins verzonken, voor zich uit te kijken. Er lag zulk eene plechtige, ernstige uitdrukking op zijn gelaat, dat ik hem niet durfde storen.
„Toen zij nog een kind was,” begon hij, zoodra wij weder met ons beiden waren, „sprak zij veel met mij over de zee en over de kusten, waar de zee donkerblauw en de hemel altijd helder was. Ik verkeerde in den waan, dat zij zooveel daaraan dacht, omdat haar vader daar verdronken is. Ik weet het niet, maar wellicht geloofde of hoopte zij, dat hij daar zou zijn aangespoeld, waar altijd de zon schijnt en de bloemen eeuwig bloeien.”
„Het is waarschijnlijk slechts kinderlijke verbeelding geweest,” zei ik.
„Toen zij—verloren was,” ging hij voort, „kwam het vermoeden in mij op, dat hij haar naar dat land had medegenomen. Ik begreep, dat hij haar allerlei wonderen van dat land verteld en haar gezegd zou hebben, dat zij daar „een dame” zou zijn en hoe hij haar juist door daarvan te vertellen verleid moest hebben. En toen ik zijne moeder gezien had, begreep ik, dat mijne onderstelling juist geweest was. Ik ging dus het Kanaal over naar Frankrijk en kwam daar aan, alsof ik uit de lucht was gevallen.”
—Ik zag de deur bewegen en de sneeuw binnen stuiven. Ik zag een oogenblik later eene hand, die de deur openhield.—
„Ik bracht een bezoek aan een Engelschman, die daar woonde en eene openbare betrekking bekleedde,” vervolgde baas Peggotty, „en vertelde hem dat ik op weg was om mijn nichtje te zoeken. Hij verschafte mij toen de papieren, die ik noodig had om verder te komen—ik weet niet goed meer hoe hij ze noemde,—en hij was ook wel genegen om mij geld te geven, maar dat had ik, Goddank, niet noodig. Ik bedankte hem vriendelijk voor zijne welwillendheid, waarop hij mij zeide dat hij over mij geschreven had en over mij spreken zou met allen, die van de overzijde kwamen en denzelfden weg gingen, opdat zij weten zouden wie ik was, als ik daar zoo alleen verder trok. Nogmaals betuigde ik hem, zoo goed ik kon, mijne dankbaarheid en begon toen den tocht door Frankrijk.”
„Alleen en te voet?” vroeg ik.
„Meestal te voet!” antwoordde hij, „somtijds in een kar met menschen, die naar eene naburige markt gingen; somtijds ook reed ik met een ledig rijtuig mede. Ik legde groote afstanden te voet af, niet zelden met een armen soldaat of een marskramer, die ik inhaalde. Ik kon wel niet met hen spreken,” zei baas Peggotty, „en zij konden het evenmin met mij; maar wij hadden toch gezelschap aan elkander langs de stoffige wegen.”
Nu, wie zou zich niet door zijne vriendelijke stem hebben aangetrokken gevoeld!
„Wanneer ik in eene stad aankwam, zocht ik een logement op en wachtte buiten of er niemand kwam opdagen, die Engelsch verstond, hetgeen bijna altijd het geval was. Ik vertelde dan dat ik op weg was om mijn nichtje te zoeken en zij vertelden mij het een en ander van de gasten, die in het logement waren, waarna ik wachtte om te zien of er ook iemand in- of uitging, die op haar geleek. Vond ik Emily niet, dan ging ik weer verder. Langzamerhand begon ik op te merken dat men al van mij gehoord had en als ik in een dorp kwam, werd ik menigmaal uitgenoodigd om binnen te komen en boden de bewoners mij eten en drinken aan; menige vrouw, die eene dochter had van Emily's leeftijd, heb ik buiten het dorp aan den voet van het kruisbeeld zittende gevonden, om mij op deze wijze hare vriendschap te betuigen. Sommigen hadden den dood van eene dochter te betreuren en God alleen weet hoe goed deze moeders voor mij waren!”
—Het was Martha's hand geweest, die ik aan de deur gezien had. Ik zag haar vervallen gelaatstrekken, terwijl zij achter de deur stond te luisteren. Ik vreesde dat hij zijn hoofd zou omdraaien en haar ook zien.—
„Zij zetten meermalen hunne kinderen, vooral hunne kleine meisjes, op mijne knieën,” ging baas Peggotty voort, „en menigmaal zoudt gij mij bij hunne huisdeuren hebben kunnen zien zitten, als de avond was ingevallen, bijna alsof het de kinderen van mijn lieveling waren. O, mijn Lieveling!”
Door smartelijke herinneringen overweldigd, begon hij eensklaps te snikken. Ik legde mijne trillende hand op de zijne, waarmede hij zijn gelaat bedekt had. „Dank u, mijnheer Davy,” zei hij, „sla er maar geen acht op.”
Eenige oogenblikken later nam hij de hand van zijn gezicht weg en stak die voor in zijne jas, waarna hij vervolgde:
„Dikwijls brachten zij mij des morgens een mijl of twee den weg op, dien ik te volgen had, en als ik dan bij het afscheid zei: „Duizendmaal dank! God zegene u!” schenen zij mij altijd te verstaan en gaven mij een vriendelijk antwoord. Eindelijk bereikte ik de zee. Voor een zeeman, zooals ik, was het niet moeielijk vrijen overtocht naar Italië te krijgen, dat begrijpt ge. En toen ik weer den vasten wal bereikt had, wandelde ik weer verder, zooals te voren. Het volk was weer even welgezind en ik zou van de eene stad naar de andere zijn gegaan, het geheele land door, als ik niet de goede tijding had ontvangen, dat zij bij de Zwitsersche bergen gezien waren. Iemand, die zijn knecht kende, had hen gezien, alle drie, en vertelde mij hoe zij reisden en waar zij nu waarschijnlijk zouden zijn. Gij begrijpt, mijnheer Davy, dat ik onmiddellijk terugkeerde, maar o, wat waren die bergen ver weg. Elken morgen schenen ze weder verder af te zijn dan den vorigen avond. Maar ik bereikte ze eindelijk, trok ze over en toen ik de plaats naderde, die men mij genoemd had, begon ik na te denken over de vraag: ‚Wat zal ik doen, wanneer ik haar ontmoet?’”
—Het luisterende gelaat aan de deur was daar nog altijd aanwezig en de handen werden smeekend naar mij uitgestrekt—dat ik haar toch niet zou wegjagen!—
„Ik heb nooit aan haar getwijfeld,” vervolgde baas Peggotty. „Neen, nooit, geen oogenblik! Als zij mijn gelaat maar ziet...... als zij mijne stem maar hoort.... laat mij maar een oogenblik voor haar staan, ten einde haar het huis, dat zij ontvlucht is, en haar eigen jeugd in herinnering te brengen, dan—al is zij eene prinses geworden—zal zij voor mij op de knieën vallen. O, ik weet dat zoo goed! Hoe menigmaal heb ik haar in mijn droomen niet hooren roepen: ‚Oom!’ en haar als dood voor mij zien neervallen. En hoe menigmaal heb ik haar in mijne droomen niet opgericht en toegefluisterd: Em'ly, mijn lieveling, ik ben gekomen om u vergiffenis te schenken en naar huis terug te brengen!”
Hij schudde zwaarmoedig het hoofd en ging voort:
„Hij bestond niet voor mij. Ik kende alleen Emily. Ik kocht een boerenpakje voor haar en ik wist dat, als ik haar eenmaal gevonden had, zij met mij mede zou gaan over de steenige wegen overal waar ik wilde, en mij nooit, neen, nooit meer zou verlaten. Haar deze kleeding aan te trekken en die, welke zij droeg, weg te werpen; met haar arm in den mijne naar huis terug te wandelen; nu en dan eens aan den weg te blijven zitten om hare gewonde voeten te genezen en haar gewond hart.... ziedaar de gedachten, waarmede ik voortliep en die mij dag noch nacht met rust lieten. Ik geloof, dat ik hem zelfs niet aangekeken zou hebben. Maar, jongeheer Davy, het mocht nog niet zoo zijn.... nog niet! Ik kwam te laat; zij waren weg. Waarheen? Niemand kon of wilde het mij zeggen. De een zei: hierheen, de andere: daarheen. En ik trok hierheen en daarheen, maar ik vond Emily niet en.... eindelijk keerde ik naar huis terug.”
„Hoe lang geleden?” vroeg ik.
„Vier dagen geleden kreeg ik de oude boot weer in het oog en zag ik het licht door het venster schijnen. Toen ik naderbij kwam en door het raampje keek, zag ik dat trouwe schepsel, juffrouw Gummidge, bij het vuur zitten, zooals wij hadden afgesproken. Zij was geheel alleen. Ik riep haar toe: Schrik niet! Het is Daniël! en ging naar binnen. Ik had nooit gedacht, dat de oude boot mij zoo vreemd zou toeschijnen!”
Hij haalde zoo voorzichtig mogelijk een paar brieven uit zijn borstzak te voorschijn en legde die op de tafel.
„Deze is het eerst gekomen,” zei hij, er een opnemende, „toen ik ongeveer een week weg was. Een banknoot van vijftig pond in een enveloppe, met mijn adres, des avonds onder de deur geschoven. Zij heeft haar best gedaan om hare hand te verdraaien, maar hoe zou haar dat mogelijk zijn—voor mij!”
Hij vouwde de banknoot zoo zorgvuldig mogelijk op, in dezelfde vouwen, en legde haar ter zijde.
„Deze is aan het adres van juffrouw Gummidge gekomen,” vervolgde hij, „twee of drie maanden geleden.” Hij ontvouwde een tweeden brief, keek er eenige oogenblikken in en gaf hem aan mij, met schorre stem er bijvoegend: „Wees zoo goed dit te lezen, mijnheer.”
Ik las:
„O, wat moet er niet in u omgaan wanneer gij dit leest, wetende dat mijne slechte hand het geschreven heeft! Maar tracht—niet ter wille van mij, maar van mijn besten oom—tracht voor een klein, klein oogenblik uw hart tot zachtheid te stemmen. Ik smeek u, wees barmhartig voor een ongelukkig meisje en schrijf eenige regels over hem, of hij wèl is, wat hij van mij gezegd heeft, eer gij allen te zamen besloot mijn naam niet meer te noemen, en of hij des avonds op het uur, waarop ik gewoonlijk thuis kwam, nog altijd aan mij denkt als aan iemand, die hij altijd zoo liefhad. O, mijn hart breekt, wanneer ik daaraan denk! Ik zou op mijne knieën naar u willen toekruipen, om u te smeeken niet zoo hard over mij te oordeelen als ik verdien.... als ik ten volle verdien, dat weet ik zoo goed; o, wees lief en goed voor mij en schrijf mij iets over hem en zend het mij. Noem mij niet meer ‚Kleintje’; geef mij geen naam meer, dien ik voor eeuwig heb verbeurd; maar, o, luister naar mijn zielsangst, heb medelijden met mij en schrijf mij iets over oom, dien ik nimmer, nimmer meer onder de oogen zal durven komen.
Maar, lieve juffrouw Gummidge, indien gij hard over mij oordeelt—ik weet dat ik het verdien—maar, luister, indien gij hard over mij oordeelt, vraag dan of hij, wien ik het grootste onrecht heb aangedaan, hij, wiens vrouw ik worden zou, mij schrijven wil—eer gij uwe hand geheel van mij, arme, aftrekt. Zou hij zooveel medelijden met mij hebben dat hij u wil toestaan mij te schrijven? O, ik denk het, want hij was altijd zoo braaf en zoo vergevensgezind. Zeg hem dan—maar anders niet—zeg hem dan dat het mij des nachts is, alsof de wind toornig langs de vensters blaast en van oom en hem eene beschuldiging tegen mij medevoert naar den Hemel. Zeg hem, dat indien ik morgen moest sterven—ik zou wenschen te sterven, als ik bereid was—ik met mijn laatsten ademtocht oom en hem zou zegenen.”
Ook in dezen brief was eenig geld. Vijf pond. Maar het was evenmin aangeraakt als de grootere som en in dezelfde vouwen gelaten. Uitgebreide opgaven waren er bijgevoegd voor haar adres, en al moest het antwoord door verschillende handen gaan, zoodat hare verblijfplaats onmogelijk te raden was, kwam het bij nader onderzoek toch niet onwaarschijnlijk voor, dat zij geschreven had van de plaats, waar men haar meende gezien te hebben.
„En wat heeft men haar geantwoord?” vroeg ik.
„Juffrouw Gummidge,” antwoordde baas Peggotty, „is niet zoo heel vlug met de pen, mijnheer; daarom heeft Ham een antwoord opgesteld en zij dit overgeschreven. Zij hebben haar geschreven dat ik op reis was gegaan om haar op te zoeken en wat mijne laatste woorden waren geweest.”
„Hebt gij daar nog een brief?” vroeg ik.
„Dat is geld mijnheer,” antwoordde hij, het bankbiljet een weinig openvouwend. „Tien pond, zooals gij ziet. Aan de achterzijde staat geschreven, ‚van een trouwen vriend’, evenals op het eerste. Maar het eerste was onder de deur geschoven en dit kwam vooreergisteren over de post. Ik ga nu op den poststempel af, om haar te zoeken.”
Hij liet het mij zien. De stempel was van een stad aan den Boven-Rijn. Te Yarmouth had hij eenige vreemde kooplui ontmoet, die in dat land bekend waren, en deze hadden hem eene ruwe schets er van geteekend, die hij heel goed begreep. Hij legde het papier tusschen ons op de tafel en terwijl hij zijne kin op de eene hand liet rusten, gaf hij met de andere den weg aan, dien hij volgen moest.
Ik vroeg hem hoe Ham het maakte, waarop hij hoofdschuddend antwoordde: „Ham werkt zoo hard als hij kan. Hij heeft daar zoo'n goeden naam als iemand op de wereld maar hebben kan. Iedereen wil hem gaarne helpen en, gij begrijpt, hij helpt ook iedereen. Niemand heeft hem ooit een klacht hooren uiten. Toch meent mijne zuster—maar dat blijft tusschen ons—dat hij meer lijdt dan wij wel denken.”
„Arme kerel, ik kan mij dat zoo voorstellen.”
„Jongeheer Davy,” hernam baas Peggotty, op zachten, ernstigen toon, „hij geeft niets meer om zijn leven. Als er iemand gevraagd wordt voor zwaar werk in het ruwste weer, dan biedt hij zich altijd aan. Is er iets te doen, waarbij gevaar is, dan is hij de eerste, die zich aanmeldt. En toch is hij als een kind zoo zachtmoedig. Geen kind in Yarmouth, dat hem niet kent.”
Peinzend pakte hij de brieven bijeen, streek ze met de hand glad, maakte er een klein pakje van en borg dit zorgvuldig in zijn borstzak weg. Het gezicht was van de deur verdwenen. Wel zag ik de sneeuw nog binnenwaaien, maar overigens zag ik niets meer.
„Nu ik u van avond gesproken heb, jongeheer Davy, en dat heeft mij opgeknapt,” zei baas Peggotty, naar zijn reiszak kijkende, „ga ik morgenochtend vroeg op marsch. Gij hebt gezien wat ik hier heb”—hij legde zijne hand op het kleine pakje—„dat is het eenige wat mij zorg geeft; want ik zou niet gaarne willen, dat mij iets overkwam eer ik het had teruggegeven. Als ik omkom en het ging verloren of werd gestolen, en hij zou nooit te weten komen, dat ik het niet heb willen aannemen, dan geloof ik dat ze mij in de andere wereld niet zouden houden. Ik kwam terug!”
Hij stond op en ik deed evenzoo en eer wij de deur uitgingen, schudden wij elkaar nogmaals hartelijk de hand.
„Ik zou tien duizend mijlen willen loopen,” zei hij, „ik zou willen loopen tot ik er dood bij neerviel, om dit geld voor hem uit te spreiden. Als ik dat nog eens doen mag en mijne Emily terugvind, heb ik niets meer te wenschen. Vind ik haar niet, dan zal zij waarschijnlijk nog wel eens te weten komen dat haar oom, die haar zoo zielslief had, niet heeft opgehouden naar haar te zoeken eer hij den laatsten adem uitblies; en zooals ik haar ken, geloof ik, dat zij dan vanzelf naar huis zal komen.”
Toen wij buiten kwamen in de hevige sneeuwjacht, zag ik de eenzame gedaante voor ons uit gaan. Ik liet hem onder eenig voorwendsel zich haastig omkeeren en hield hem aan de praat tot zij verdwenen was.
Hij sprak van een logement op den weg naar Dover, waar hij wist een goed, zindelijk bed te kunnen krijgen. Ik bracht hem tot de Westminster Bridge en nam daar afscheid van hem. In mijne verbeelding scheen alles zoo stil uit eerbied voor hem, toen hij daar in de mulle sneeuw voortstapte.
Ik keerde naar het Gouden Kruis terug en, nog onder den indruk van alles wat ik gehoord had, zocht ik naar het gezicht, dat ik den geheelen avond achter de deur had gezien. Het was verdwenen, evenals onze laatste voetstappen reeds onder de versch gevallen sneeuw verdwenen waren.
XLI
Dora's tantes.
Eindelijk kwam er antwoord van de beide oude dames. Zij zonden mijnheer Copperfield hare groeten en deelden hem mede, dat zij „met het oog op het geluk van beide partijen” zijn schrijven in gunstige overweging hadden genomen. Deze uitdrukking was volstrekt niet geschikt om mij gerust te stellen, niet alleen omdat zij daarvan ook gebruik hadden gemaakt bij de vroeger vermelde oneenigheid in de familie, maar ook omdat ik dergelijke algemeene phrases, mijn geheele leven door, beschouwd heb als een soort vuurwerk, dat gemakkelijk ontstoken wordt en daarna alle kleuren en vormen aanneemt, die met de oorspronkelijke niets gemeen hebben. De dames Spenlow vervolgden, dat zij verzochten zich te mogen onthouden van verdere correspondentie over het door mijnheer Copperfield bedoelde onderwerp; maar wilde mijnheer Copperfield haar dan en dan met een bezoek vereeren—indien hem dit aangenamer was in gezelschap van een vertrouwd vriend—dan zouden zij mijnheer Copperfield gaarne ontvangen en het onderwerp mondeling met hem behandelen.
Natuurlijk antwoordde mijnheer Copperfield per omgaande, dat hij de eer zou hebben op den bepaalden dag zijne opwachting te komen maken aan de dames Spenlow; ingevolge het beleefde voorstel vergezeld van zijn vriend, den heer Thomas Traddles van de Inner Temple. Na deze missive verzonden te hebben, geraakte mijnheer Copperfield in eene ongekende, zenuwachtige spanning, die niet week vóór de bepaalde dag was aangebroken.
Mijn onrust werd niet weinig vermeerderd door de omstandigheid, dat ik in dit voor mij zoo gewichtig tijdsgewricht de onschatbare diensten van juffrouw Mills moest derven. Mijnheer Mills deed echter altijd het een of ander om mij tegen te werken—ik verbeeldde mij dit ten minste, hetgeen op hetzelfde neerkwam—en had de kroon op zijne plagerijen gezet door naar Indië te willen gaan. Waarom anders zou hij naar Indië gaan, dan om mij tegen te werken? Wel is waar had hij juist met geen ander gedeelte van de wereld zaken dan met Indië, en blijkbaar uitgebreide zaken zelfs—ik meen in gouden shawls en olifantstanden—en was hij in zijne jeugd op Ceylon geweest, waarheen hij zich thans weder begaf, teneinde zijne zaken beter te kunnen behartigen, maar.... wat ging mij dat aan! Hem echter zooveel te meer, ten minste hij ging naar Indië en nam zijne dochter mede, die eerst de familie rondreisde om afscheid te nemen, terwijl het huis van onder tot boven beplakt werd met biljetten, waarop was aangekondigd dat het huis te huur of te koop was, en de inboedel—de mangel incluis—tegen taxatie kon worden overgenomen.
Ik kon het niet met mij zelven eens worden over de wijze, waarop ik mij voor dit gewichtig bezoek zou kleeden, en werd geslingerd tusschen den wensch, om mij zoo voordeelig mogelijk voor te doen, en de vrees om iets aan te trekken, dat de dames aan mijn ernst en degelijkheid zou doen twijfelen. Gelukkig slaagde ik in het vinden van een middenweg tusschen deze twee uitersten: tante keurde dien goed en toen ik met Traddles de trap afging, wierp mijnheer Dick ons een zijner schoenen achterna, hetgeen volgens een oud bijgeloof geluk moest aanbrengen.
Ik kende Traddles als een uitmuntende jongen en was zeer aan hem gehecht, maar toch kon ik bij deze gelegenheid den wensch niet onderdrukken, dat hij nooit de gewoonte mocht hebben gehad, om zijne haren zoo stijf rechtop te borstelen. Dit gaf iets wonderlijks—om niet te zeggen iets borsteligs—aan zijn uiterlijk, wat ons, naar ik vreesde, noodlottig zou kunnen worden.
Ik nam de vrijheid Traddles daarop opmerkzaam te maken, terwijl wij naar Putney wandelen, en zei dat, als hij zijn haar een weinig zou willen gladstrijken....
„Beste Copperfield,” antwoordde Traddles, terwijl hij den hoed afnam en in alle richtingen met de hand door zijne haren woelde, „niets zou mij meer genoegen doen, maar het wil niet.”
„Wil het niet gladgestreken worden?” vroeg ik.
„Neen; zelfs niet met geweld. Al droeg ik er van hier tot Putney een gewicht van vijftig kilo op, dan zou het toch weer opstaan. Gij kunt u geen voorstelling maken van zulk eene weerspannigheid, Copperfield. Ik gelijk in dat opzicht wel een stekelvarken.”
Ik moet eerlijk bekennen, dat ik een weinig teleurgesteld was, maar toch voelde ik mij nog weder meer aangetrokken door zijne goedhartigheid. Ik zei hem, dat zijne haren vermoedelijk al de weerspannigheid uit zijn karakter hadden opgetrokken, want dat hij de goedhartigste kerel was, dien ik kende.
„O!” antwoordde Traddles lachend, „ik verzeker u, dat die ongelukkige haren mij al wat last bezorgd hebben. De vrouw van mijn oom kon ze niet uitstaan; zij zeide, dat ik mijn haar zoo droeg om haar te ergeren. En ook, toen ik op Sophie verliefd werd, stond mijn haar mij in den weg. O, zoo erg!”
„Vond zij uw haardos zoo leelijk?”
„Zij niet,” antwoordde Traddles, „maar haar oudste zuster, de zoogenaamde Beauty, dreef er letterlijk den spot mede. Al de zusters lachten er om, dat weet ik zeker.”
„Heel aangenaam!” zei ik.
„Ja,” antwoordde Traddles, „het was een kostelijke grap. Zij houden vol, dat Sophie een lok van mij in hare schrijfportefeuille wilde bewaren, maar in plaats daarvan een dik boek moest nemen om de haren naar beneden te drukken. Daarover is wat gelachen!”
„A propos, Traddles, wellicht kan uwe ondervinding mij helpen. Toen gij u eenmaal overtuigd hadt van de liefde van dat jonge meisje, hebt gij toen bij hare familie een bepaald aanzoek gedaan om hare hand? Heeft er bijvoorbeeld iets plaats gehad, zooals wij thans op weg zijn te gaan doen?” voegde ik er een weinig zenuwachtig bij.
„Wel,” antwoordde Traddles, wiens gelaat eene peinzende uitdrukking had aangenomen, „de omstandigheden waren in mijn geval veel moeilijker, Copperfield. Sophie maakt zich in alle opzichten zoo nuttig in het huishouden, begrijpt gij, dat het denkbeeld, Sophie te moeten missen, haar allen een schrik aanjoeg. Zelfs hadden zij reeds onder elkander uitgemaakt dat Sophie ongetrouwd zou blijven en noemden zij haar reeds spottender wijze de oude jongejuffrouw. Toen ik er dus onder de diepste geheimhouding over sprak met mevrouw Crewler.....”
„Hare mama?” vroeg ik.
„Hare mama,” antwoordde Traddles eenigszins deftig. „Dominee Horace Crewler...... toen ik er dan onder de diepste geheimhouding met mevrouw Crewler over sprak, geraakte zij zoo van streek, dat zij een gil gaf en van zichzelve viel. Maanden daarna kon ik eerst op de zaak terugkomen.”
„Maar gij deedt het toch eindelijk?” vroeg ik.
„Neen, dominee Horace deed het zelf,” antwoordde Traddles. „Hij is een braaf man, een voorbeeld voor velen; hij bracht zijne vrouw onder het oog, dat zij zich als eene echte Christin met het denkbeeld van zulk eene opoffering moest verzoenen—te meer omdat er voorloopig nog geen sprake was van trouwen—en mij liefderijk moest ontvangen. Ik zelf, Copperfield, had het gevoel alsof ik als een roofvogel op die familie neerkwam.”
„Ik hoop toch dat de zusters uwe partij trokken, Traddles?”
„Dat kan ik nu juist niet zeggen,” antwoordde hij. „Toen wij mevrouw Crewler eenigermate met het denkbeeld verzoend hadden, moesten wij er Sarah nog mede bekend maken. Gij herinnert u dat Sarah degene is, die een gebrek aan haar ruggegraat heeft?”
„Ja, zeer goed.”
„Zij sloeg de handen ineen,” vervolgde Traddles, met een gelaat alsof hij dat tooneel nog voor zich zag, „sloot de oogen, verwisselde eenige malen van kleur, bleef roerloos liggen en gebruikte gedurende de eerstvolgende dagen niets dan wat geweekte beschuit, die haar met een theelepeltje werd ingegeven.”
„Welk een onaangenaam schepsel, Traddles!”
„O, neen, Copperfield, volstrekt niet! Zij is een allerliefst meisje; alleen wat overgevoelig. Eigenlijk zijn zij dat allemaal. Sophie vertelde mij later dat zij onmogelijk het gevoel van zelfverwijt zou kunnen beschrijven, dat haar bekroop, toen zij Sarah oppaste. Ik weet dat zij daaronder geleden moet hebben, Copperfield, want ik zelf had een gevoel alsof ik een misdadiger was.
„Toen Sarah wat bekomen was van den schrik, moesten wij het nog aan de andere acht meedeelen, en op allen was de uitwerking van ons bericht verschillend, hoewel het allen zichtbaar aandeed. De twee jongsten, die door Sophie zijn opgevoed, zijn nu eindelijk zoo ver, dat zij niet meer wegloopen, wanneer zij mij zien.”
„Dus zijn zij nu allen met het denkbeeld verzoend.”
„Ja, a, ik geloof wel, dat zij er over het algemeen nu allen in berusten,” antwoordde Traddles op een toon, die mij een oogenblik aan zijne oprechtheid deed twijfelen. „De zaak is, dat wij vermijden over trouwen te spreken, en aangezien mijne vooruitzichten nog zoo onzeker zijn, zoeken zij daarin nog eenige troost. Wanneer wij ooit trouwen, zal de plechtigheid meer aan eene begrafenis, dan aan een huwelijksfeest doen denken. Zij zullen mij allen haten, als ik haar meeneem.”
Zijn rechtschapen gezicht, terwijl hij op kluchtige wijze het hoofd schudde, maakte in mijne herinnering meer indruk op mij, dan het in werkelijkheid deed; want ik zat op dat oogenblik zoo te beven en was zoo vervuld met mijn eigen omstandigheden, dat ik niet in staat was aan iets anders mijne aandacht te wijden. Toen wij de woning van de dames Spenlow naderden was ik zoodanig van streek, dat Traddles voorstelde met een glas ale eerst het evenwicht te herstellen. Toen ik dit in eene herberg genomen had, geleidde hij mij met een bonzend hart naar de woning van de dames.
Toen de dienstmeid de deur opende had ik een vaag gevoel van „op bekijks” te komen en van door een vrij lange gang, waarin een ouderwetsch weerglas hing, naar een achterkamertje te worden, gebracht, dat op den tuin uitzag. Terwijl ik daar op een canapee plaats nam, zag ik hoe Traddles' haren opsprongen, terwijl hij zijn hoed afnam, en moest ik onwillekeurig denken aan die verraderlijke snuifdoozen, waaruit een poppetje springt, wanneer men het deksel oplicht. Ook hoorde ik een ouderwetsche pendule, die op den schoorsteenmantel stond, moeite doen om met het kloppen van mijn hart in de maat te blijven, hetgeen haar evenwel niet gelukte. Ook zocht ik in de kamer naar eenig kenteeken, dat Dora daar woonde, en vond niets. Ook meende ik Jip eenmaal te hooren blaffen, hetgeen hem echter terstond door iemand belet werd. Eindelijk werd ik mij bewust, dat ik Traddles achteruit in den haard zou duwen, als ik voortging in de grootste verlegenheid te buigen voor twee kleine, verschrompelde oude dametjes in het zwart, die naar het model van mijnheer Spenlow uit de eene of andere taaie zelfstandigheid gefabriceerd waren.
„Ga zitten, als 't u blieft,” zei een van de twee. Toen ik, na een buiteling over Traddles, plaats genomen had op iets, dat geen kat was—zooals ik eerst gedaan had—keerde mijn gezichtsvermogen in zoover terug, dat ik kon opmerken dat mijnheer Spenlow blijkbaar de jongste van de familie geweest was, de zusters ongeveer zes of acht jaren in leeftijd verschilden en de jongste vermoedelijk het woord zou voeren, want zij had mijn brief in de hand—wat kwam mij dat papier bekend voor en toch was het zoo vreemd het in deze handen te zien!—en tuurde er in door haar leesglas. Zij waren eender gekleed, maar toch zag deze zuster er jeugdiger gekleed uit dan de andere; wellicht droeg zij een strookje of kantje of een speld of bracelet meer dan de andere, waardoor zij iets levendigers had in haar voorkomen. Zij hadden beiden iets stijfs en deftigs en waren bij alles wat zij deden even kalm en bedaard. De zuster, die den brief niet in de hand had, had de armen over de borst gekruist als een afgodsbeeld.
„Mijnheer Copperfield, nietwaar?” vroeg de zuster met den brief, zich tot Traddles wendende.
Dit was een pijnlijk begin. Traddles moest nu verklaren dat ik mijnheer Copperfield was, ik moest verklaren dat ik aanspraak maakte op dien naam en zij moesten zich losmaken van het opgevatte denkbeeld dat Traddles mijnheer Copperfield was, zoodat wij elkander allen een weinig verlegen aankeken. Tot overmaat van ramp hoorden wij Jip twee malen achter elkander blaffen, waarna hem hoorbaar het zwijgen werd opgelegd.
„Mijnheer Copperfield!” begon de zuster met den brief. Ik deed iets.... ik boog waarschijnlijk en luisterde aandachtig naar hetgeen volgen zou, toen plotseling de andere zuster het woord nam. „Mijne zuster Lavinia”, sprak zij, „is meer tehuis in dergelijke zaken, gij zult dus uit haar mond vernemen wat naar ons oordeel het best uw beider geluk kan bevorderen.”
Ik ontdekte later waarom juffrouw Lavinia als zulk een autoriteit in hartszaken beschouwd werd. Lang geleden had er een zekere mijnheer Pidger bestaan, die „short whist” speelde en op haar verliefd zou zijn geweest. Naar mijne innige overtuiging was dit vermoeden geheel ongegrond en had mijnheer Pidger zelfs nooit eenige aanleiding gegeven om hem van eene dergelijke teedere aandoening te verdenken. Zoowel juffrouw Lavinia als juffrouw Clarissa was echter verstokt in de meening dat hij zijn liefde wel verklaard zou hebben, indien hij in zijne jeugd—hij was toen ongeveer zestig jaar—zijn gestel niet ondermijnd had door te veel te drinken en daarvoor beterschap te zoeken in het gebruik van ongehoorde hoeveelheden Bath-water. Hare verstoktheid ging zelfs zoo ver, van te meenen dat hij gestorven was ten gevolge van zijne geheime liefde, hoewel er een portret van hem in het salon hing, met een purperkleurigen neus, die volstrekt niet aan een teringlijder deed denken.
„Wij willen niet terugkomen op hetgeen vroeger is voorgevallen,” zei juffrouw Lavinia. „De dood van onzen ongelukkigen broeder Francis heeft het verleden uitgewischt.”
„Wij gingen niet veel om met onzen broeder Francis,” voegde juffrouw Clarissa er bij, „hoewel er toch eigenlijk geen vredebreuk bestond tusschen ons. Francis ging zijn eigen weg; wij den onzen. Wij meenden, dat hierdoor het geluk van beide partijen zou bevorderd worden en dat bleek waar te zijn.”
„De omstandigheden, of liever, de vermeende omstandigheden van ons nichtje zijn door den dood van onzen broeder Francis veel veranderd,” hernam juffrouw Lavinia, „en wij vinden hierin aanleiding om te onderstellen, dat ook de denkbeelden van onzen broeder Francis ten aanzien van hare toekomst veranderd zijn. Wij hebben geen reden, mijnheer Copperfield, om te twijfelen aan uwe goede hoedanigheden en uw rechtschapen karakter, noch aan de genegenheid, die gij koestert voor ons nichtje. Van de laatste zijn wij zelfs overtuigd.”
Wanneer de zusters het woord voerden, bogen zij zich een weinig voorover en als zij gedaan hadden, schudden zij even het hoofd en gingen weer even kaarsrecht zitten als te voren. Juffrouw Clarissa bewoog nooit hare armen. Nu en dan trommelde zij er op met de vingers—een marsch of een dans, geloof ik—maar zij bewoog haar armen nooit.
Op juffrouw Lavinia's laatste woorden antwoordde ik—zooals ik trouwens telkens deed, wanneer de gelegenheid gunstig was—dat niemand ooit een meisje zóó kan hebben liefgehad, als ik Dora liefhad. Traddles kwam mij met een toestemmend gemompel te hulp.
Juffrouw Lavinia scheen daarop een wederantwoord te willen geven, toen juffrouw Clarissa, die den lust niet kon weerstaan, om haar broeder er bij te halen, inviel:
„Als de mama van Dora, toen zij met onzen broeder Francis trouwde, kort en goed gezegd had, dat er voor de familie geen plaats was aan het diner, zou dat voor het geluk van alle partijen beter geweest zijn.”
„Zuster Clarissa,” zei juffrouw Lavinia, „doet dit nu wel iets ter zake af?”
„Zuster Lavinia,” antwoordde Clarissa, „het behoort er wel degelijk bij. Ik zou er niet aan denken mij te bemoeien met het gedeelte van de zaak, dat gij op u hebt genomen; maar in dit heb ik ook eene stem en eene opinie. Het zou, dat herhaal ik, voor het geluk van alle partijen beter geweest zijn, indien Dora's mama openhartig gezegd had, wat hare bedoeling was. Wij zouden dan geweten hebben, wat wij konden verwachten. Wij zouden dan gezegd hebben: ‚doe ons het genoegen ons in het geheel niet te inviteeren’; daarmede zou zelfs de mogelijkheid van een misverstand vermeden zijn.”
Toen juffrouw Clarissa haar hoofd had geschud, nam juffrouw Lavinia weder het woord, al turende door haar leesglas op mijn brief. Zij hadden beiden kleine, schitterende, ronde oogjes, zooals de vogels. Trouwens, zij deden over het geheel aan een paar vogeltjes denken, zij waren even vlug en kittig en zaten op hare stoelen als een kanarie op zijn stokje.
Zooals ik zei hervatte juffrouw Lavinia:
„Gij verzoekt ons, mijne zuster Clarissa en mij, mijnheer Copperfield, u te ontvangen als de galant van ons nichtje.”
„Als onze broeder Francis,” barstte juffrouw Clarissa weder los—als ik iets, dat zoo kalm toeging, eene uitbarsting noemen mag—„zich wenschte te hullen in het deftig waas van Doctors' Commons en van niets dan Doctors' Commons, welk recht zouden wij dan hebben, of waartoe zouden wij verlangen hem te weerhouden? Wij hadden daartoe geen recht. Wij hebben ons nooit aan iemand willen opdringen. Maar waarom zei hij dat dan niet? Onze broeder Francis en zijne vrouw mochten toch hun eigen kring van kennissen hebben, als mijne zuster Lavinia en ik den onzen maar houden mogen. Wij kunnen ons best redden met ons beiden!”
Aangezien deze toespraak tot Traddles en mij was gericht, gaven wij beiden eene soort antwoord. Dat van Traddles was onhoorbaar. Ik zei—tenminste, ik meen dat ik het gezegd heb, maar zeker weet ik het niet—dat eene dergelijke opvatting zeker voor alle partijen de beste was.
„Zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa nu dit van haar hart af was, „gij kunt voortgaan, lieve.”
Juffrouw Lavinia vervolgde:
„Mijnheer Copperfield, mijne zuster Clarissa en ik hebben uwen brief inderdaad in zeer ernstige overweging genomen; bovendien hebben wij uw schrijven aan ons nichtje laten lezen en het met ons nichtje besproken. Wij twijfelen er niet aan of gij meent heel veel van haar te houden.”
„Meenen, juffrouw!” riep ik met vuur uit, „o!....”
Juffrouw Clarissa gaf mij echter een wenk—precies als een klein kanarievogeltje—waarmede zij mij te kennen gaf, dat ik het orakel niet in de rede moest vallen, waarom ik verschooning vroeg.
„Liefde,” ging juffrouw Lavinia voort, terwijl zij hare zuster aankeek, evenals of zij van elk gezegde eene bevestiging van haar verwachtte, „ware liefde, oprechte hulde en onverdeelde toewijding uiten zich niet gemakkelijk. Hare stem is nauw hoorbaar; zij zijn bedeesd, liggen in hinderlaag en wachten met het grootste geduld tot de vrucht rijp is. Somtijds glijdt een geheel leven voorbij zonder dat de in de schaduw hangende vrucht tot rijpheid komt.”
Natuurlijk kon ik toen nog niet begrijpen dat deze ontboezeming een toespeling was op de ondervonden teleurstelling met den verliefden heer Pidger, maar aan de plechtige wijze, waarop juffrouw Clarissa met het hoofd knikte, zag ik wel dat aan deze woorden groot gewicht gehecht werd.
„Die oppervlakkige genegenheden van jonge menschen zijn,” ging juffrouw Lavinia voort, „in vergelijking van dergelijke gevoelens, als stof is tot eene rots. De moeilijkheid om te weten of zulk eene genegenheid werkelijk op goede grondslagen rust, of ze tot iets leiden zal, is oorzaak geweest dat mijne zuster Clarissa en ik in het onzekere verkeerd hebben omtrent den weg, dien wij moesten inslaan, mijnheer Copperfield en mijnheer....”
„Traddles,” zei mijn vriend, toen hij aangekeken werd.
„Van de Inner Temple, nietwaar?” vroeg juffrouw Lavinia, nogmaals in mijn brief kijkend.
„Om u te dienen,” antwoordde Traddles met een kleur.
Hoewel ik tot op dit oogenblik nog geen enkele aanmoediging had ontvangen, meende ik aan de twee dametjes, voornamelijk aan juffrouw Lavinia op te merken dat zij het een genot vonden het onderwerp zoolang mogelijk te rekken, hetgeen voor mij een straal van hoop deed gloren. Ook meende ik opgemerkt te hebben dat juffrouw Lavinia zeer werd aangetrokken door het denkbeeld om het toezicht te houden over twee verliefde, jonge menschenkinderen, zooals Dora en ik; en dat juffrouw Clarissa zich veel voorstelde van het genot hare zuster als zoodanig werkzaam te zien, waarbij zij zich blijkbaar voorbehield over het gedeelte, dat haar aanging, nu en dan een woordje mee te praten. Alles te zamen gaf mij den moed om nogmaals op eenigszins onstuimige wijze te betuigen dat ik meer van Dora hield dan ik in woorden kon uitdrukken of iemand gelooven kon; dat al mijne vrienden wisten hoe vurig ik haar lief had; dat mijne tante, Agnes, Traddles, in één woord, allen, die mij kenden, dat wisten, wisten hoe ernstig mijne liefde gemeend was. Ik riep daarvoor Traddles tot getuige, die onmiddellijk het woord nam met een vuur, alsof hij in het hevigste parlementsdebat zitting had, en in gevoelvolle taal mijne afgelegde verklaringen bevestigde, hetgeen blijkbaar een zeer gunstigen indruk maakte.
„Ik spreek, indien ik zoo vermetel mag zijn dit te zeggen, als iemand, die op dit punt eenige ondervinding heeft,” zei Traddles, „want ik ben zelf verloofd met een jonge dame—een van tien, uit Devonshire—en zie op het oogenblik nog niet in hoe mijn engagement ooit tot een huwelijk leiden zal.”
„Gij zult dus ook wel in staat zijn, mijnheer Traddles,” zei juffrouw Lavinia, die blijkbaar belang in hem begon te stellen, „om mijne woorden van zooeven te bevestigen, dat de ware liefde bescheiden is en wachten kan?”
„Volkomen, juffrouw,” antwoordde Traddles. Juffrouw Clarissa keek juffrouw Lavinia aan, en schudde plechtig het hoofd. Juffrouw Lavinia keek op hare beurt juffrouw Clarissa aan, alsof zij wilde zeggen, dat zij haar maar al te goed begreep, en loosde een zucht.
„Zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa, „neem mijn reukfleschje.”
Juffrouw Lavinia volgde den raad van hare zuster op en rook eenige malen aan het fleschje, hetgeen haar scheen te verkwikken—Traddles en ik volgden elk harer bewegingen niet zonder eenige bezorgdheid—en ging daarna met zwakkere stem dan zooeven voort:
„Mijne zuster en ik, mijnheer Traddles, hebben in grooten twijfel verkeerd omtrent den weg, dien wij behoorden in te slaan ten opzichte van de genegenheid of ingebeelde genegenheid van twee zulke jonge menschen, als mijnheer Copperfield en ons nichtje.”
„Het kind van onze broeder Francis,” deed juffrouw Clarissa opmerken. „Had de vrouw van onzen broeder Francis het gedurende haar leven kunnen goedvinden—zij had echter het volste recht om te doen zooals zij gedaan heeft—het kunnen goedvinden, herhaal ik, de familie aan het diner te noodigen, zouden wij het kind van onzen broeder Francis op het oogenblik beter gekend hebben. Ga voort, zuster Lavinia.”
Juffrouw Lavinia keerde mijn brief om, zoodat zij het adres voor zich had en bekeek door haar leesglas eenige aanteekeningen, die zij daarop gemaakt had.
„Het komt ons voorzichtig voor, mijnheer Traddles,” hernam zij, „door eigen waarneming ons van de wederzijdsche gevoelens te overtuigen. Op het oogenblik weten wij er nog niets van en zijn dus niet in staat om te beoordeelen of de genegenheid van de jongelui van de ware soort is. Wij hebben daarom besloten mijnheer Copperfield toe te staan in dit huis bezoeken af te leggen.”
„Nooit, waarde dames,” riep ik uit, van een zwaren last bevrijd, „nooit zal ik uwe welwillendheid vergeten!”
„Maar,” vervolgde juffrouw Lavinia, „maar wij achten het beter, dat deze bezoeken, mijnheer Traddles, voorloopig beschouwd worden als aan ons gebracht. Wij moeten op onze hoede zijn en geen toestemming geven tot een formeele verloving van mijnheer Copperfield en ons nichtje, eer wij de gelegenheid gehad hebben...”
„Eer gij de gelegenheid gehad hebt, zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa.
„Het zij zoo,” stemde juffrouw Lavinia met een zucht in, „eer ik de gelegenheid gehad heb hem gade te slaan.”
„Copperfield”, zei Traddles, zich tot mij wendende, „gij voelt zeker dat de dames geen billijker, geen welwillender, voorwaarden kunnen stellen.”
„O, zeker!” riep ik. „Ik ben er zeer, zeer dankbaar voor.”
„Zooals de zaken dan nu staan,” vervolgde juffrouw Lavinia, opnieuw hare aanteekeningen inziende, „zullen wij mijnheer Copperfield dus gaarne ontvangen; echter moet hij ons op zijn woord van eer beloven buiten ons weten op geenerlei wijze te trachten betrekkingen met ons nichtje aan te knoopen. Geen plannen hoegenaamd mogen gemaakt worden zonder dat wij daarin gekend zijn....”
„Gij, zuster Lavinia,” zoo viel juffrouw Clarissa haar in de rede.
„Het zij zoo, Clarissa,” antwoordde juffrouw Lavinia gelaten—„zonder dat ik daarin gekend ben en wij er onze goedkeuring aan hebben gehecht. Wij hebben den wensch uitgesproken dat mijnheer Copperfield heden zou vergezeld zijn van een vertrouwd vriend”—zij knikte Traddles even toe, en deze maakte eene buiging—„opdat er twijfel noch misverstand zou kunnen bestaan. Mocht gij, mijnheer Copperfield, of gij, mijnheer Traddles, eenig bezwaar hebben in het afleggen van deze belofte, dan verzoek ik u tijd te nemen om er over na te denken.”
Opgetogen riep ik uit dat ik mij geen oogenblik daarop behoefde te bedenken. Ik legde onmiddellijk de gevraagde belofte af, riep Traddles tot getuige en verklaarde dat ik wel de grootste booswicht zijn moest, dien men zich denken kon, als ik ook maar een vingerbreed van mijne belofte afweek.
„Een weinig geduld!” zei juffrouw Lavinia, met de hand in de hoogte, „wij hadden reeds, voor wij het genoegen hadden de heeren te ontvangen, afgesproken u gedurende een kwartier alleen te laten, ten einde over dit punt na te denken. Sta ons dus toe dat wij ons verwijderen.”
Het was te vergeefs dat ik al verklaarde geen bedenktijd noodig te hebben; zij bleven er bij. Zoo deftig mogelijk wipten de kleine vogeltjes de kamer uit en stelden mij in de gelegenheid om de gelukwenschen van Traddles aan te hooren, waarbij mij een gevoel bekroop alsof ik in den zevenden hemel was. Na verloop van een kwartier—niet meer of minder—kwamen zij weder even deftig binnen als zij waren heengegaan, ritselend alsof hare japonnen van dorre bladeren gemaakt waren.
Nogmaals verbond ik mij om de gestelde voorwaarden plichtmatig na te leven.
„Zuster Clarissa,” zei juffrouw Lavinia, „het overige is uwe zaak.” Juffrouw Clarissa liet voor het eerst hare armen vallen, nam de aanteekeningen over en keek er in.
„Het zal ons aangenaam zijn,” sprak zij, „mijnheer Copperfield elken Zondag aan het middagmaal te zien, indien hem dit gelegen komt. Wij dineeren om drie uur.”
Ik maakte een buiging.
„In den loop van de week,” vervolgde Clarissa, „zal het ons aangenaam zijn, mijnheer Copperfield op de thee te zien. Wij drinken om half zeven thee.”
Ik maakte nogmaals eene buiging.
„Tweemalen 's weeks,” vervolgde zij, „maar in den regel niet vaker.”
Een derde buiging.
„Vermoedelijk,” ging juffrouw Clarissa voort, „zal juffrouw Trotwood, van wie gij in uw brief melding maakt, ons een bezoek brengen. Indien het voor het geluk van alle partijen beter is, zullen wij met genoegen bezoeken ontvangen en beantwoorden. Is het voor het geluk van alle partijen beter geen bezoeken af te leggen—zooals bij mijn broeder Francis en diens huisgezin het geval was—dan is ons dat ook goed.”
Ik gaf te kennen, dat het voor mijne tante een eer en een genoegen zou zijn kennis met de dames te komen maken, hoewel ik er bij dacht of zij wel goed bij elkander zouden passen. Nu de voorwaarden afgesproken waren, gaf ik op warme wijze mijne dankbaarheid te kennen, waarna ik eerst de hand nam van juffrouw Clarissa en daarna die van juffrouw Lavinia, en ze een voor een aan mijne lippen drukte.
Toen stond juffrouw Lavinia op, verzocht mijnheer Traddles ons een oogenblik te willen verontschuldigen en noodigde mij uit haar te volgen. Ik gehoorzaamde bevend en werd naar eene andere kamer gebracht. En daar vond ik mijn lieveling! Zij had de ooren dichtgestopt en leunde met haar lief gezichtje tegen den muur, terwijl Jip in den bordenwarmer gestopt en met een handdoek vastgebonden was.
O, wat zag zij er in haar zwart japonnetje bekoorlijk uit en wat snikte en schreide zij in het eerst! Zij wilde zelfs niet achter de deur vandaan komen! Maar wat waren wij verliefd op elkander toen zij er eindelijk uitkwam en hoe onbeschrijfelijk gelukkig voelde ik mij, toen wij Jip uit den bordenwarmer verlosten en hem niezend en snuivend aan het licht teruggaven, zoodat wij nu weder met ons drieën bijeen waren!
„Liefste Dora! Zijt gij nu werkelijk de mijne, voor altijd?”
„O, neen!” smeekte Dora. „Dat niet!”
„Zijt gij niet voor altijd de mijne Dora?”
„O, ja, natuurlijk ben ik dat!” riep Dora, „maar ik ben zoo geschrikt!”
„Geschrikt, mijn lieveling?”
„Ja! Ik houd niets van hem!” zei Dora. „Waarom gaat hij niet weg?”
„Wie, beste?”
„Uw vriend! Hij heeft er immers niets mede te maken! Wat ziet hij er vreeselijk dom uit!”
Och, die kinderlijke maniertjes waren zoo bekoorlijk! „Lief engeltje,” zei ik, „hij is zoo'n beste man.”
„Wij hebben volstrekt geen beste mannen noodig,” sprak zij pruilend.
„Lieveling,” hernam ik, „gij zult hem spoedig beter leeren kennen en dan zeker heel veel van hem houden. En mijne tante komt ook eerstdaags hier; van haar zult gij zeker ook veel houden als gij haar eenmaal kent.”
„Och neen, breng haar maar niet hier!” sprak zij, mij bedeesd een kus gevend en met gevouwen handjes: „Doe dat toch niet. Ik weet dat zij een ondeugend, oud schepsel is, dat niets dan onheil kan aanbrengen. Laat haar toch wegblijven, Doady!”—Doady was een verbastering van David.
Ik begreep dat tegenspreken op het oogenblik niet baatte, daarom lachte ik maar en was een en al bewondering en tot over de ooren verliefd en onbeschrijfelijk gelukkig; en Jip had nieuwe kunstjes geleerd, kon opzitten in een hoek van de kamer en dood liggen—wel is waar niet langer dan eenige seconden, maar hij deed het toch—en ik weet niet hoe lang ik daar Traddles zou hebben kunnen vergeten, als juffrouw Lavinia niet binnengekomen was om mij te halen. Juffrouw Lavinia hield zeer veel van Dora—zij vertelde mij dat Dora haar evenbeeld was op dien leeftijd; o, wat moest zij dan ontzaglijk veranderd zijn!—en behandelde Dora alsof zij met een pop speelde. Ik trachtte Dora over te halen kennis met Traddles te komen maken, maar nauwelijks had ik zijn naam genoemd of zij snelde naar haar eigen kamertje en sloot de deur af; ik kwam dus zonder haar bij Traddles terug en wandelde met hem terug met een gevoel alsof ik op een wolk werd weggedragen.
„Beter kon het niet afloopen,” zei Traddles; „dat zijn een paar lieve oude dames en het zou mij niets verbazen, Copperfield, als gij nog jaren vóór mij getrouwd waart.”
„Bespeelt uwe Sophie ook een of ander instrument?” vroeg ik, trotsch als ik was op de talenten van Dora.
„Zij kent genoeg van de piano om hare kleine zusjes les te geven,” zei Traddles.
„Zingt zij ook?” vroeg ik weder.
„O, ja, somtijds zingt zij wel eens een lied, of een romance, om de anderen wat op te vroolijken, wanneer zij uit haar humeur zijn. Maar of zij volgens de regelen van de kunst zingt, dat betwijfel ik.”
„Speelt zij ook op de guitaar?” vroeg ik.
„O, Hemel, neen!”
„Teekent zij ook?”
„O, neen, volstrekt niet!”
Ik beloofde Traddles, dat hij Dora bij de guitaar zou hooren zingen en hare bloemteekeningen bewonderen. Hij zei, dat het hem heel aangenaam zou zijn en zoo wandelden wij arm in arm, vroolijk en opgewekt naar huis. Ik moedigde hem aan om veel over Sophie te praten en daarbij toonde hij zooveel innig vertrouwen op hare en zijne liefde te hebben, dat ik hem in stilte bewonderde. In 't geheim vergeleek ik haar met Dora, welke vergelijking ten voordeele van laatstgenoemde uitviel, maar toch moest ik bekennen, dat zij uitmuntend geschikt was voor Traddles.
Het spreekt van zelf, dat ik geen oogenblik draalde om tante met den gunstigen afloop van ons bezoek bekend te maken en haar alles te vertellen, wat van beide zijden was gezegd en gedaan. Zij verheugde zich in mijn geluk en beloofde mij Dora's tantes zoo spoedig mogelijk een bezoek te zullen brengen. Dien avond strekte zij echter hare wandeling zoo ver en zoo lang uit, terwijl ik aan Agnes zat te schrijven, dat ik vreesde haar den ganschen nacht te zullen hooren doorwandelen.
Mijn brief aan Agnes vloeide over van dankbaarheid, want aan haar goeden raad had ik het succes te danken. Per omgaande post ontving ik antwoord, een ernstig, blijmoedig antwoord. Trouwens, van dien tijd af was zij altijd in eene blijmoedige stemming, zoo dikwijls ik haar ontmoette.
Ik had het nu drukker dan ooit. Mijne dagelijksche bezoeken op Highgate in aanmerking genomen, was Putney eene heele wandeling en het spreekt van zelf dat ik telkens verlangde er heen te gaan. De voorgestelde regeling van mijne bezoeken op het theeuur bleek echter onpractisch, zoodat ik met juffrouw Lavinia's toestemming voortaan des Zaterdags in den namiddag kwam, zonder daardoor mijne heerlijke Zondagen te verbeuren. Het einde van elke week was dus een zalige tijd voor mij en de overige dagen genoot ik van het vooruitzicht.
Het was eene groote geruststelling voor mij, toen ik opmerkte dat Dora's tantes en mijne tante veel beter met elkander over weg konden dan ik gemeend had. Tante maakte eenige dagen na mijn eerste bezoek aan Putney hare opwachting en eenige dagen later brachten Dora's tantes in vol ornaat een tegenbezoek. Dergelijke, in vriendschappelijken toon allengs toenemende bezoeken werden voortaan om de drie of vier weken gewisseld. Ik weet, dat tante de dames Spenlow in hooge mate ergerde door zich zoo weinig aan de vormen te storen; zoo hadden deze gaarne gezien, dat tante zich per rijtuig liet brengen, maar zij gaf er de voorkeur aan om op de zonderlingste tijdstippen naar Putney te wandelen, bijvoorbeeld even na het ontbijt of even vóór de thee. Zoo had zij de gewoonte haar hoed te dragen, zooals dit haar het gemakkelijkst was, zonder zich ook maar een oogenblik te voegen naar de vooroordeelen van beschaving en mode. Maar de dames Spenlow zagen weldra in dat al had tante iets zonderlings, ja zelfs iets mannelijks in hare manieren, zij toch een zeer helder verstand toonde te bezitten en al gaf zij Dora's tantes meermalen aanstoot door hare kettersche denkbeelden over beleefdheidsvormen en plichtplegingen, zij hielden reeds te veel van mij om dergelijke kleine ergenissen niet te willen offeren op het altaar der eensgezindheid.
Het eenige lid in ons kleine kringetje, dat zich niet naar de omstandigheden scheen te willen voegen, was Jip. Al rook hij tante maar dan liet hij onmiddellijk al zijne tanden zien, trok zich onder een stoel terug en bleef onophoudelijk brommen; nu en dan zelfs liet hij een jammerlijk gehuil hooren, alsof hij tante werkelijk onuitstaanbaar vond. Geen poging werd nagelaten om het beestje tot andere gedachten te brengen, maar noch liefkozingen, noch bedreigingen of straffen, niets hielp; zelfs een bezoek aan Buckingham-street had geen andere uitwerking dan dat hij tot schrik van alle toeschouwers onmiddellijk een gevecht aanging met de beide katten; tante was en bleef hem een doorn in het oog. Somtijds meenden wij, dat de vrede gesloten was; maar na eenige minuten vriendelijk te zijn geweest, stak hij zijn mopneus in de hoogte en begon erbarmelijker te huilen dan ooit, zoodat er niets overbleef dan hem met een servet om den kop in den bordenwarmer te stoppen.
Nadat dit kalme leventje eenigen tijd zoo geduurd had, was er één ding, dat mij verontrustte, namelijk dat Dora, als met algemeen goedvinden, beschouwd werd als een aardig popje of een stuk speelgoed. Mijne tante, met wie zij op een zeer goeden voet was, noemde haar altijd „Bloesempje” en juffrouw Lavinia kende geen grooter vermaak dan voor haar te zorgen, haar krullen te maken, sieraden voor haar te vervaardigen en haar, in één woord, te behandelen, alsof zij nog een kind was. Het spreekt van zelf, dat juffrouw Clarissa hare zuster ook in dit opzicht navolgde. Het was dwaas van mij, maar het kwam mij voor of Dora op dezelfde wijze behandeld werd, als zij Jip behandelde.
Ik had daarom het voornemen opgevat Dora hierover te spreken en op zekeren dag, dat wij samen eene wandeling maakten—juffrouw Lavinia had ons toegestaan alleen te wandelen—gaf ik haar te kennen, dat de wijze, waarop de tantes met haar omgingen, toch wel anders zijn kon. „Gij zijt immers geen kind meer, lieveling,” zei ik eenigszins op vermanende toon.
„Hoe is het,” antwoordde Dora, „gaat gij nu weer op mij brommen?”
„Brommen, liefste?”
„Maar, ik verzeker u, dat zij heel lief voor mij zijn,” verklaarde Dora. „Ik voel mij heel gelukkig.”
„Zeker, daarvan ben ik overtuigd, beste,” hernam ik, „maar gij zoudt toch heel gelukkig kunnen zijn al behandelen zij u een weinig meer overeenkomstig uw leeftijd.”
Dora keek mij verwijtend aan—wat zag zij er op dat oogenblik bekoorlijk uit!—en begon toen te snikken en te zeggen dat als ik niet van haar hield, waarom ik dan zoo gaarne met haar verloofd had willen zijn? En waarom ik niet heenging, als ik haar niet langer kon uitstaan!
Wat kon ik anders doen dan hare tranen wegkussen en haar bezweren dat ik haar boven alles liefhad?
„Ik ben overtuigd dat ik u heel lief heb,” zei Dora; „gij moogt dus niet zoo wreed zijn, Doady!”
„Wreed, mijn schat! Alsof ik ooit wreed zou willen of kunnen zijn tegen u!”
„Vind dan ook maar niet altijd iets in mij af te keuren,” zei Dora, terwijl zij haar mondje spitste tot een kus; „dan zal ik ook niet boos zijn.”
Een oogenblik later bracht zij mij in verrukking door uit haar zelve te vragen naar dat zekere kookboek, waarover ik eens gesproken had; tevens verzocht zij mij haar nu eens te leeren hoe zij de rekeningen moest aanhouden, zooals ik haar beloofd had. Bij mijn volgend bezoek bracht ik het kookboek mede—sierlijk gebonden opdat het minder droog zou lijken en er wat meer uitlokkend zou uitzien—en onder de wandeling liet ik haar een oud huishoudboek van tante zien en gaf haar een zakboekje, een potlood en een doosje stiftjes ten einde zich op het huishouden toe te leggen.
Het kookboek bezorgde haar echter hoofdpijn en de cijfers wekten hare tranen op. „Ze laten zich niet optellen,” snikte zij en veegde ze uit om het geheele boekje vol bloemen en portretten van mij en Jip te teekenen.
Toen trachtte ik haar op onze Zaterdagavond-wandelingen mondeling en spelenderwijs het een en ander van het huishouden te leeren.
Zoo vroeg ik bijvoorbeeld, terwijl wij langs een slagerswinkel kwamen: „Stel u nu eens voor, lieveling, dat wij getrouwd zijn en gij een schapebout moest koopen, zoudt gij dan wel weten hoe gij dat doen moet?”
Het lieve, bekoorlijke gezichtje van mijne kleine Dora betrok dan; haar mondje spitste zich weder tot een kus alsof zij er den mijne mede wilde sluiten.
„Zoudt gij dan wel weten hoe gij dat doen moest, lieveling?” herhaalde ik dan, als ik bijzonder onvermurwbaar was.
Dora dacht dan een oogenblik na en antwoordde met een zegevierenden blik:
„Wel, ik denk dat de slager wel zou weten hoe hij een schapebout moet _ver_koopen; wat heb ik dan nog te weten? Wat zijt gij toch een domme jongen!”
Zoo ook vroeg ik haar met een blik op het kookboek, wat zij doen zou als wij getrouwd waren en ik het vleesch eens zoo lekker gestoofd zou willen hebben, als in Ierland de gewoonte is; waarop zij antwoordde dat zij dan de meid zou opdragen het zoo klaar te maken; en dan sloeg zij hare kleine handjes om mijn arm en lachte zoo bekoorlijk dat ik mij gaarne gewonnen gaf. Het kookboek werd dan ook hoofdzakelijk gebruikt om er Jip op te laten opzitten in een hoek van de kamer en Dora had zooveel pret, wanneer hij dan heel gehoorzaam bleef zitten met het doosje met potlooden in den bek, dat ik heel blijde was het gekocht te hebben. En dan kwam de guitaar weer voor den dag en werden weder de liedjes gezongen, waarin het heette dat men eeuwig dansen moest.... Ta, ra, la, Ta, ra, la,.... en wij waren zoo gelukkig als de week, die ons zou scheiden, lang was. Nu en dan kwam de wensch in mij op, dat ik juffrouw Lavinia eens zou kunnen influisteren mijn lieveling niet als een speelpopje te behandelen; maar somtijds ook kwam ik plotseling tot het besef dat ik in de algemeene fout was vervallen en haar ook als een speelpopje behandeld had—niet dikwijls echter.
XLII
De stokebrand.
Is het wel goed, zoo vraag ik mij meermalen af, dat ik, al behoeft dit manuscript onder geen andere oogen te komen dan de mijne, hier aanteeken hoe hard ik in dezen tijd heb moeten werken om dat afschuwelijke snelschrift machtig te worden, opdat ik mij verantwoord zou gevoelen tegenover Dora en de tantes? Bij hetgeen ik reeds schreef over mijn volhardingsvermogen in dit tijdperk van mijn leven, over mijn geduld en mijn ijver, die de hoofdtrekken van mijn karakter waren, wil ik alleen nog voegen, dat ik, achterom ziende, daaraan mijn succes te danken heb. Ik ben in wereldsche zaken zeer gelukkig geweest; menigeen heeft veel harder gewerkt en veel minder succes gehad dan ik; maar ik zou nooit zoo ver gekomen zijn zonder mijne gewoonte om nauwkeurig, ordelijk en geregeld te werken, zonder den vasten wil om mij bij één onderwerp te gelijk te bepalen, ongeacht het volgende reeds op afdoening wachtte. De Hemel weet dat ik dit niet schrijf om mij te verheffen. Iemand, die zijn eigen leven nagaat zooals ik het mijne, van bladzijde tot bladzijde, moet wel deugdzaam geweest zijn, wil hem het kwellend besef bespaard blijven van verwaarloosde talenten, van verbeuzelden tijd, van menigen strijd tusschen zijn boozen en zijn goeden engel, waarin de laatste het onderspit heeft gedolven. Ik moet bekennen, dat ik geen enkele aangeboren gave bezit, die ik niet eens misbruikt heb; alleen kan ik zeggen, dat ik bij alles wat ik getracht heb te doen, met hart en ziel getracht heb het goed te doen; dat, waaraan ik mij ook heb gewijd, ik mij geheel heb gegeven; dat ik, zoowel in het groote en in het kleine, altijd den ernst op den voorgrond gesteld heb. Ik heb het nooit mogelijk geacht, dat men met eenige aangeboren of aangeleerde bekwaamheid zijn doel kan bereiken zonder de hulp van onverpoosden ijver en volharding. Er is niets op de wereld, waarmede men zekerder zijn doel bereikt. Een heerlijk talent, een gelukkig toeval mogen de beide zijden van de ladder vormen, waarlangs sommige menschen opklimmen, de sporten moeten vervaardigd zijn van een stof, die tegen invloeden van buiten bestand is; vurige, doortastende, oprechte ernst kan onmogelijk falen. Nooit de hand uit te strekken naar iets, waaraan ik mij met mijn gansche wezen kon wijden; nooit minachting voorwenden voor mijn werk, wat het ook was—dat zijn mijn gulden stelregels geweest.
Hoeveel van het goede, dat ik daar vermeld, ik aan Agnes te danken heb gehad, zal ik niet herhalen. Met een dankbaar, liefhebbend hart breng ik mijn verhaal op Agnes over.
Agnes kwam veertien dagen bij mevrouw Strong logeeren. Mijnheer Wickfield was een oud vriend van den doctor en deze verlangde eens rustig met hem te praten en, zoo mogelijk, van dienst te zijn. Bij het laatste bezoek, dat Agnes in de stad had gebracht, was dit afgesproken en nu zouden vader en dochter samen komen. Het verbaasde mij niets te vernemen, dat zij in de buurt kamers gehuurd hadden voor juffrouw Heep, wier rheumatiek verandering van lucht vereischte en die dit uitstapje natuurlijk het aangenaamst vond in zulk lief gezelschap. Evenmin was ik verbaasd den volgenden dag Uriah te zien, die als een trouwe zoon zijne waardige moeder zelf kwam brengen.
„Gij ziet, jongeheer Copperfield,” zei hij, mij zijn gezelschap op eene wandeling in den tuin van den doctor opdringende, „menschen, die verliefd zijn, zijn altijd een weinig jaloersch, ten minste, zij houden gaarne het voorwerp hunner genegenheid in het oog.”
„Op wien zijt gij jaloersch?” vroeg ik.
„Dank zij uwe vriendelijkheid om mij zoo gerust te stellen,” antwoordde Uriah „op niemand in het bijzonder—ten minste op geen mannelijk persoon.”
„Bedoelt gij dan, dat gij jaloersch zijt op eene vrouw?”
Hij keek mij met zijne afschuwelijke, roode oogen van ter zijde aan en lachte.
„Waarlijk; jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield, maar gij zult mij dat wel niet kwalijk nemen; ik zeg dat uit gewoonte—waarlijk, gij knijpt mij uit als een citroen. Het was niet mijn voornemen om daarover met u te spreken,” ging hij voort, terwijl hij zijne vischachtige hand op de mijne legde, „ik heb in het algemeen geen wit voetje bij de dames, mijnheer Copperfield, en bij mevrouw Strong in het geheel niet.”
Zijne oogen waren allengs groen geworden, terwijl hij mij aanstaarde met een blik, waarin list en boosaardigheid om den voorrang streden.
„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.
„Wel, al ben ik een man van de wet,” antwoordde hij met een grijns, „ik bedoel op dit oogenblik niets anders dan ik zeg.”
„En wat bedoelt gij dan met dien blik?” hernam ik bedaard.
„Met dien blik? Wel, Copperfield, nu vraagt gij toch ook alles! Wat ik met dien blik bedoel?”
„Ja,” zei ik. „Met dien blik.”
Hij scheen dit zeer grappig te vinden en lachte zoo hartelijk als hij gewoon was te lachen. Na zijne kin eenige malen met de hand gewreven te hebben, ging hij met neergeslagen oogen op fluisterenden toon voort:
„Toen ik nog maar een nederige klerk was, keek zij altijd op mij neer. Zij wilde Agnes altijd gaarne bij zich hebben en was ook eene vriendin van u, jongeheer Copperfield; maar ik stond te ver beneden haar om mij eenige aandacht te schenken.”
„Welnu,” zei ik, „aangenomen dat het zoo was?”
„En beneden hem ook,” vervolgde Uriah, wel is waar heel duidelijk, doch met eene peinzende uitdrukking op zijn gelaat en voortdurend zijne kin wrijvend.
„Kent gij den doctor niet beter?” vroeg ik; „meent gij dat hij zich bewust is van uw bestaan, als gij niet vlak voor hem staat?” Weder keek hij mij zoo van ter zijde aan en maakte daarbij zijn gezicht zoo lang mogelijk, ten einde meer plaats te hebben om te wrijven, terwijl hij antwoordde:
„Goede Hemel! Ik bedoel den doctor niet! O, neen, die arme man! Ik bedoel mijnheer Maldon!” Mijn hart kromp ineen. Al mijne vroegere twijfelingen en vermoedens aangaande dit punt, al het geluk, al den vrede van den Doctor, het geheele net van onschuld en bedrog, dat ik onmogelijk kon ontwarren, zag ik op eenmaal prijsgegeven aan dezen ellendigen huichelaar.
„Hij kwam nooit op het kantoor zonder mij iets te bevelen of een duw te geven,” zei Uriah. „O, hij was zoo'n net heer en ik was heel nederig en gedwee—en dat ben ik nog. Maar ik hield niet van zulke dingen—en dat doe ik nog niet!”
Hij hield nu op met wrijven en zoog zijn wangen in, zoodat ze elkaar van binnen moesten aanraken, terwijl hij mij voortdurend met dien zelfden loerenden blik bleef aanstaren.
„Zij is zoo'n echt mooi, bekoorlijk dametje”, hernam hij, toen zijn gelaat weder den natuurlijken vorm had aangenomen, „zoo een, die niet houdt van menschen als ik. Zij is juist een persoon om Agnes hoogere wenschen te doen koesteren. Nu weet ik wel, dat ik weinig aantrekkelijkheden heb voor dametjes, maar ik heb oogen in mijn hoofd gehad, jongeheer Copperfield, jaren lang. Wij, nederige menschen, hebben gewoonlijk oogen in het hoofd—en daarmee kijken wij rond.”
Ik trachtte den schijn aan te nemen alsof ik hem niet begreep en de zaak mij onverschillig liet, maar ik zag aan zijn gezicht, dat mij dit niet gelukte.
„Nu ben ik niet van plan mij van de baan te laten schuiven, Copperfield,” ging hij voort, terwijl hij dat gedeelte van zijn gezicht, waar zijne wenkbrauwen hadden moeten zijn, hoog optrok,—o, wat zag hij er nu gluiperig uit!—„en ik zal doen wat ik kan om een einde te maken aan die vriendschap. Ik kan die niet goedkeuren. Ik wil u wel bekennen, dat ik wat achterdochtig ben; het is dus noodig, dat ik aan alle geheime vijanden den pas afsnijd. Ik zal zorgen niet achter het net te visschen.”
„Gij schijnt iedereen te verdenken van kuiperijen, omdat gij zelf altijd aan het plannen smeden zijt, geloof ik.”
„Dat is wel mogelijk, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Maar ik heb een beweegreden, zooals mijn compagnon gewoon was te zeggen; en daarvoor zal ik strijden met hand en tand. Ik zal mij niet laten verdrukken, omdat ik nu eenmaal nederig ben. Ik kan mijn plannen niet door andere menschen laten dwarsboomen. Dan moeten ze maar liever uit den weg worden geruimd.”
„Ik begrijp u niet,” zei ik.
„Begrijpt gij mij werkelijk niet?” vroeg hij zich kronkelend als een slang. „Dat verbaast mij van u; gij zijt anders zoo vlug van begrip. Een andermaal zal ik trachten duidelijker te zijn.—Is dat niet mijnheer Maldon te paard, die daar aanschelt, mijnheer?”
„Ik geloof het wel,” antwoordde ik, zoo onverschillig mogelijk.
Uriah bleef staan, sloeg de handen op zijne groote, knokige knieën en viel bijna dubbel van het lachen. Maar het was een onhoorbare lach; geen geluid ontsnapte hem. Ik was zoo verontwaardigd over zijn onhebbelijk gedrag, voornamelijk over deze laatste minachtende houding, dat ik zonder een woord te spreken heenging en hem als een ineengezakte vogelverschrikker midden in den tuin liet staan.
Niet op den avond van dezen dag, maar, indien mijn geheugen mij niet bedriegt, twee dagen daarna, op een Zaterdag nam ik Agnes mede om kennis te maken met Dora. Ik had dit bezoek vooraf met juffrouw Lavinia geregeld, zoodat Agnes op de thee gewacht werd.
Ik werd geslingerd tusschen trots en verlangen; ik wist dat ik trotsch kon zijn op mijn lief, bekoorlijk meisje, en verlangde te weten hoe Agnes haar vond. Gedurende den geheelen rit naar Putney—Agnes zat binnen in en ik boven op de diligence—zag ik Dora voor mij, nu eens zoo, dan eens zus kijkende; want o! zij kon er zoo verschillend uitzien, al bleef zij altijd bekoorlijk! Ik was het niet met mij zelven eens hoe ik haar het liefst zou zien bij deze voor mij zoo gewichtige gelegenheid en peinsde er mij moe over. Ik twijfelde geen oogenblik of zij zou er wel lief uitzien, en waarlijk, zoo bekoorlijk als op dezen avond, had ik haar nog nooit gevonden. Zij was niet in het salon, toen ik Agnes aan de tantetjes voorstelde, maar was uit bedeesdheid weggebleven. Ik wist wel waar ik haar vinden kon, en vond haar ook met de handen op de ooren achter dezelfde oude deur, als bij mijn eerste bezoek.
Eerst wilde zij volstrekt niet binnenkomen, en daarna vroeg zij vijf minuten uitstel. Toen zij eindelijk haar arm door den mijne stak, en ik haar naar het salon geleidde, was haar lief gezichtje, met een donkeren blos overtogen en had zij er nog nooit zoo bekoorlijk uitgezien. En toen wij het salon binnentraden en zij plotseling bleek werd, was zij nog veel mooier.
Dora had tegen eene ontmoeting met Agnes opgezien. Zij wist, zeide zij, dat Agnes zoo verstandig was. Maar toen zij Agnes' opgewekt en toch zoo ernstig, peinzend en toch zoo vriendelijk gezichtje zag, uitte zij een kreet van verrassing, sloeg hare zachte armen om Agnes' hals en legde haar donzen wang tegen Agnes' gelaat.
Nooit had ik mij zoo gelukkig gevoeld. Nooit had ik zoo genoten als toen ik deze twee daar naast elkander zag zitten, als toen ik mijn kleine lieveling zoo vertrouwelijk in Agnes' lieve oogen zag kijken; als toen ik den teederen, vriendelijken blik zag, dien Agnes haar toewierp.
Juffrouw Lavinia en juffrouw Clarissa deelden op hare wijze in mijne vreugde. Zeker was er nergens op de geheele wereld genoegelijker theeuurtje. Juffrouw Clarissa presideerde de tafel. Ik sneed en bediende de anijs-koek—de tantetjes hadden eene voorliefde voor alles wat klein was en als twee kleine vogeltjes pikten zij gaarne zaadjes of knabbelden zij suiker; juffrouw Lavinia keek daarbij met een beschermenden blik rond, alsof ons geluk geheel en al haar werk was; het was, in één woord, een harmonisch geheel.
Agnes won aller harten door hare zachtheid en opgewektheid. Hare hartelijke belangstelling in alles wat Dora betrof; de wijze, waarop zij kennis maakte met Jip, die onmiddellijk bevriend met haar was; de wijze, waarop zij Dora plaagde toen deze uit verlegenheid niet op haar gewone plaatsje naast mij durfde gaan zitten; hare bescheidenheid en vrijmoedigheid tevens, die Dora aanleiding gaven, haar nu en dan blozend en vertrouwelijk toe te knikken, dat alles scheen tot nu toe in ons kringetje ontbroken te hebben.
„Ik ben zoo blij,” zei Dora na de thee, „dat gij van mij houden wilt. Ik dacht niet dat gij het zoudt willen en toch heb ik meer dan ooit behoefte aan eene vriendin, nu Julia Mills weg is.”
Ik heb dit vergeten mede te deelen. Juffrouw Mills was uitgezeild en Dora en ik hadden haar naar Gravesend aan boord van een grooten Oost-Indievaarder gebracht; wij hadden daar ontbeten met gember en guava en meer dergelijke versnaperingen en juffrouw Mills het laatst gezien op een vouwstoeltje op het achterdek, schreiende en met een groot, nieuw dagboek onder den arm, waarin de bespiegelingen, door den Oceaan opgewekt, veilig zouden worden bewaard.
Agnes zeide te vreezen, dat ik niet veel goeds van haar verteld zou hebben, maar Dora koos onmiddellijk mijne partij.
„O, neen!” zeide zij, terwijl hare krullen heftig in beweging waren, „o, neen hij heeft niets dan lof van u verkondigd; hij hecht zoo zeer aan uwe opinie, dat ik een beetje bang voor u was.”
„Mijne opinie kan toch zijne liefde voor menschen, die hij alleen kent, niet vergrooten,” zei Agnes glimlachend; „ze is dus niet veel waard.”
„O, maar ik hecht er toch ook aan,” antwoordde Dora; „gij moet ons die niet onthouden.”
Wij maakten ons een weinig vroolijk over Dora, die zoo gaarne wenschte dat iedereen van haar hield en zeide dat ik eigenlijk zoo dom was als een gans, want dat zij mij heelemaal niet liefhad. De avond vloog om. Toen het oogenblik naderde dat de diligence ons zou komen afhalen, stond ik alleen bij den haard en kwam Dora zachtjes naar mij toe om mij dat zekere heerlijke kusje te geven eer ik heenging.
„Meent gij niet, Doady,” vroeg zij, terwijl zij mij met hare schitterende oogjes aankeek en hare hand speelde met de knoopen van mijn jas, „meent gij niet, dat ik veel verstandiger zou geweest zijn als ik Agnes vroeger gekend had?”
„Welk een dwaze vraag, lieveling!” antwoordde ik.
„Meent gij werkelijk dat het eene dwaze vraag is?” hernam Dora, zonder mij aan te kijken. „Zijt gij daar wel zeker van?”
„Natuurlijk ben ik daar zeker van.”
„Ik ben vergeten,” sprak zij, al draaiende aan den knoop, „in welke familiebetrekking Agnes tot u staat, beste jongen.”
„Zij is geen familie van mij,” antwoordde ik, „wij zijn samen opgevoed als broer en zuster.”
„Dan verbaast het mij, dat gij niet op haar verliefd zijt geworden,” zei Dora, aan een anderen knoop beginnende.
„Misschien wel omdat ik u niet kon zien zonder verliefd op u te worden, Dora!”
„Neem eens aan dat gij mij nooit ontmoet hadt,” hernam zij.
„Neem eens aan dat wij nooit geboren waren,” zei ik schertsend.
Ik vroeg mij met verbazing af, wat er in haar hoofdje omging, terwijl ik in stilte dat poezele handje gadesloeg aan de knoopen van mijn jas, en de zachte krullen tegen mijne borst, en de lange wimpers aan hare mooie oogen, die de beweging van hare vingertjes volgden. Eindelijk sloeg zij de oogen naar mij op en ging op de teenen staan om mij een- twee- drie malen een afscheidskus te geven. Daarna verliet zij met een peinzende uitdrukking op haar gelaat de kamer.
Vijf minuten later kwamen allen te zamen terug en was die peinzende uitdrukking reeds verdwenen. Lachend wilde zij Jip, eer de diligence kwam, nog eens al zijn kunststukken laten vertoonen. Dit kostte nogal eenigen tijd, niet omdat het aantal zoo groot was, maar omdat Jip niet veel zin had in kunstjes, zoodat ze nog niet alle vertoond waren, toen wij den postiljon reeds hoorden. Het afscheid tusschen Dora en Agnes was haastig doch hartelijk. Dora zou Agnes schrijven—als zij hare brieven niet al te dwaas vond—en Agnes zou Dora schrijven; aan het portier werd voor de tweede maal afscheid genomen, en eindelijk voor de derde maal, toen Dora, in weerwil van juffrouw Lavinia's waarschuwing, blootshoofds naar buiten liep, om Agnes aan haar brief te herinneren en tegen mij, die op den bok zat, hare krullen te schudden.
De diligence bracht ons tot Covent Garden, waar wij eene andere moesten nemen, die ons naar Highgate brengen zou. Ik zag met ongeduld het kleine wandelingetje te gemoet, dat wij doen moesten om van de eene diligence naar de andere te komen. Ik verlangde Agnes' oordeel over Dora te vernemen, en.... zij had niets dan lof voor haar. Hoe warm en teeder beval zij het lieve schepseltje, wier hart ik gewonnen had en wier natuurlijkheid haar zoo had aangetrokken, aan mijne nauwlettendste zorg aan! Hoe liefdevol herinnerde zij mij, zonder te verraden dat zij het met opzet deed, aan de verantwoording, die ik tegenover die jonge weeze op mij had genomen!
Nooit heb ik Dora zoo teeder, zoo oprecht liefgehad als dien avond. Toen wij waren uitgestapt en bij het licht der sterren den korten afstand aflegden, die ons van doctor Strong's woning scheidde, vertelde ik Agnes, dat zij daarvan de oorzaak was. „Toen gij naast haar zat,” zei ik, „had ik een gevoel, alsof gij niet minder haar beschermengel waart dan de mijne. En dit gevoel heb ik nog, Agnes.”
„Een arme engel,” antwoordde zij, „maar trouw.”
De heldere klank harer stem, die tot mijn hart doordrong, gaf mij aanleiding te zeggen:
„De u eigen blijmoedigheid, Agnes, die ik nooit bij iemand anders heb ontwaard, is, zooals ik vandaag heb opgemerkt, teruggekeerd. Mag ik daaruit opmaken dat gij u thuis wat gelukkiger voelt?”
„Ik voel mij zelve veel gelukkiger,” antwoordde zij, „ik ben zoo opgewekt als ik in langen tijd niet geweest ben.”
Toen zij bij deze woorden haar lief gelaat naar mij ophief, meende ik, dat de sterren er zulk een hemelschen glans op wierpen.
„In huis is niets veranderd,” sprak zij, na eenige oogenblikken gezwegen te hebben.
„Hebt gij mij niets nieuws mede te deelen aangaande.... ik wil u geen verdriet doen, Agnes, maar ik kan niet helpen, dat ik het vragen moet.... aangaande.... gij weet wel, waarover wij hebben gesproken, toen ik u het laatst heb gezien?”
„Neen, niets,” antwoordde zij.
„Ik heb er zooveel over gedacht.”
„Dat moet gij niet doen. Bedenk toch dat liefde en waarheid ten laatste zullen zegepralen. Maak u niet beangst voor mij, Trotwood,” voegde zij er bij, „hetgeen gij vreest, zal nimmer gebeuren.”
Hoewel ik kalm nadenkende nooit gevreesd had, dat zij het doen zou, was het mij toch eene onuitsprekelijke verademing, toen ik deze geruststellende verzekering van haar eigen trouwe lippen ontving. Ik zei haar dat zoo ernstig mogelijk.
„En wanneer nu deze veertien dagen om zijn, Agnes.... wij mochten misschien niet meer in de gelegenheid zijn om zoo vertrouwelijk te spreken.... hoe lang zal het dan duren, voor gij weder te Londen komt?”
„Waarschijnlijk heel lang,” antwoordde zij, „ter wille van papa kan ik nergens beter zijn dan thuis. Vermoedelijk zullen wij elkander dus niet veel zien, maar ik zal trouw aan Dora schrijven, dan zullen wij toch dikwijls van elkander hooren.”
Wij waren intusschen de woning van den doctor genaderd en het was al laat. In mevrouw Strong's kamer was nog licht en Agnes wenschte mij, na tegen het venster geklopt te hebben, goeden nacht.
„Gij moet u niet zoo laten terneerslaan omdat het ons wat tegenloopt,” sprak zij, met haar handje in de mijne.
„Ik kan niet gelukkiger zijn, dan wanneer ik u gelukkig zie. Indien gij mij ooit helpen kunt, vertrouw dan op mij; ik zal uwe hulp inroepen. God zegen' u.”
Onder den indruk van haar stralend gezichtje en van den blijmoedigen toon, waarop zij gesproken had, bleef ik nog een oogenblik staan en nam toen langzaam den terugweg aan. Ik had logies besteld in eene naastbijzijnde herberg, de eenige in de buurt, en had geen ander voornemen dan mijn bed op te zoeken, toen ik, mij omkeerende, licht gewaar werd in de studeerkamer van doctor Strong. Een gevoel van zelfverwijt kwam in mij op, dat hij zonder mij aan zijn woordenboek zat te werken. Met de bedoeling om mij daarvan te overtuigen en hem in elk geval goeden nacht te wenschen, als hij nog tusschen zijne boeken zat, keerde ik zachtjes door den tuin terug en opende de deur van de studeerkamer. De eerste persoon, dien ik zag, was, tot mijne groote verbazing, Uriah. Hij stond in de schaduw van de lamp, met een van zijne skeletachtige handen voor den mond en de andere op de tafel van den doctor. Deze zat in zijn studeerstoel, het gelaat met beide handen bedekt, terwijl mijnheer Wickfield met een ontsteld gelaat voorover leunde en aarzelend den arm van den doctor aanraakte.
In het eerste oogenblik meende ik dat mijnheer Strong ziek was. Haastig deed ik onder dien indruk eenige schreden vooruit, maar toen ik Uriah's blik ontmoette, begreep ik wat er gebeurd moest zijn. Ik wilde heengaan, maar de doctor gaf mij een wenk om te blijven.
„In elk geval,” zei Uriah, die zich op de afzichtelijkste wijzen stond te wringen, „kunnen wij de deur gesloten houden. De geheele stad behoeft het niet te weten.”
Dit zeggende, sloop hij op de teenen naar de deur, die ik had opengelaten, en sloot die zorgvuldig. Daarna nam hij dezelfde plaats en dezelfde houding weder in. In zijne stem en zijne bewegingen lag gehuicheld medelijden, een zeker vertoon van welwillendheid, hetgeen hem—in mijn oogen tenminste—nog onverdragelijker maakte dan welke andere houding ook.
„Ik heb mij genoopt gevoeld, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „doctor Strong te wijzen op hetgeen waarover wij gesproken hebben. Gij hebt mij echter toen niet geheel begrepen, nietwaar?”
Ik keek hem aan, maar gaf geen antwoord en naar mijn goeden, ouden meester gaande, trachtte ik dezen eenige woorden van troost en bemoediging toe te spreken. Hij legde de hand op mijn schouder, zooals hij gedaan had toen ik nog een kleine jongen was, maar lichtte het grijze hoofd niet op.
„Aangezien gij mij toen niet begrepen hebt, jongeheer Copperfield,” hernam Uriah op walgelijk beleefden toon, „mag ik zeker wel zoo vrij wezen u, daar wij toch onder vrienden zijn, mede te deelen, dat ik zoo nederig mogelijk doctor Strong's aandacht gevestigd heb op de handelingen van mevrouw Strong. Ik kan u verzekeren, Copperfield, dat het mij eene overwinning op mij zelven gekost heeft, eer ik er toe kon overgaan zulk een onaangenaam onderwerp aan te roeren; maar nu het eenmaal zoo is, zijn wij allen min of meer schuldig, indien wij iets, wat niet in den haak is, verzwijgen. Dat was hetgeen ik bedoelde, toen gij mij niet begreept, jongeheer Copperfield.”
Het verbaast mij nog altijd, dat ik den gluiper op dat oogenblik niet bij den strot gepakt en den nek omgedraaid heb!
„Ik moet bekennen,” ging hij voort, „dat ik mij toen niet duidelijk heb uitgedrukt, evenmin als gij. Natuurlijk wilden wij beiden liever dat onderwerp laten rusten. Eindelijk ben ik echter tot de overtuiging gekomen, dat het beter was ronduit te spreken en aan doctor Strong mede te deelen, dat.... zegt gij iets, mijnheer?”
Deze vraag was tot den doctor gericht, die een angstigen zucht had geslaakt. Dit geluid had ieders hart moeten treffen, naar ik meende, maar het liet Uriah koud.
„...... aan doctor Strong mede te deelen,” ging hij onverbiddelijk voort, „dat iedereen zien kan hoe vriendelijk mijnheer Maldon en de mooie, lieve dame, die doctor Strong's vrouw is, voor elkander zijn. Waarlijk, die tijd is gekomen—willen wij niet allen min of meer schuldig zijn door iets, wat niet in den haak is, te verzwijgen—dat doctor Strong weten moet, hoe duidelijk dit reeds voor iedereen was eer mijnheer Maldon naar Indië vertrok. Om geen andere reden is mijnheer Maldon uit Indië teruggekeerd en om geen andere reden is mijnheer Maldon zoo dikwijls hier. Toen gij binnenkwaamt, mijnheer Copperfield, wilde ik juist mijn compagnon verzoeken”—hij richtte zich nu tot mijnheer Wickfield—„openhartig aan doctor Strong te verklaren, hoe lang hij reeds dat zelfde vermoeden gekoesterd heeft. Kom, mijnheer Wickfield! Wilt gij nu zoo goed zijn ons uwe opinie mede te deelen? Ja of neen, mijnheer? Kom, compagnon!”
„Hecht in 's Hemels naam niet te veel waarde aan de vermoedens, die ik gekoesterd mag hebben, beste doctor!” zei mijnheer Wickfield, terwijl hij weder aarzelend zijne hand op mijnheer Strong's arm legde.
„Hoort nu eens welk eene dubbelzinnige verklaring!” riep Uriah hoofdschuddend uit. „Is het soms niet waar? Hem, zulk een oud vriend! Goede Hemel, toen ik nog maar een eenvoudige klerk was op zijn kantoor, mijnheer Copperfield, heb ik hem wel twintig malen woedend gezien bij de gedachte—voor een vader te vergeven—dat juffrouw Agnes betrokken zou worden in dingen, die niet in den haak waren.”
„Beste Strong,” hernam mijnheer Wickfield met trillende stem, „goede vriend, ik behoef u niet te zeggen dat mijn grootste gebrek is geweest, bij iedereen altijd naar een geheime beweegreden te zoeken en al zijne handelingen daaraan te toetsen. Wellicht heeft dit gebrek twijfel in mij opgewekt.”
„Hebt gij dan werkelijk getwijfeld, Wickfield?” vroeg de doctor, zonder van houding te veranderen. „Hebt gij werkelijk getwijfeld?”
„Zeg nu de waarheid, compagnon,” drong Uriah.
„Zeker, er is een tijd geweest, waarin ik twijfelde,” zei mijnheer Wickfield. „Ik meende, de Hemel moge 't mij vergeven, dat gij zelf ook twijfeldet!”
„Neen, neen, nooit, geen oogenblik!” antwoordde doctor Strong, diep terneergeslagen.
„Ik heb gemeend,” hernam mijnheer Wickfield, „dat gij Maldon buitenslands verlangdet te zenden, omdat gij eene scheiding wenschelijk achtet.”
„Neen, neen!” antwoordde de doctor. „Niets anders dan de zucht om Annie genoegen te doen heeft mij bewogen den speelgenoot harer jeugd aan eene betrekking te helpen! Niets anders!”
„Dat bleek mij later ook,” zei mijnheer Wickfield. „Toen gij mij dat verteldet, kon ik niet meer twijfelen. Ik meende echter—ik smeek u te bedenken, dat ik mijn geheele leven het slachtoffer geweest ben van mijne bekrompen denkwijze—dat met het oog op het bestaande groote verschil in leeftijd.....”
„Dit is de ware manier om het voor te stellen, ziet ge, jongeheer Copperfield!” zei Uriah op gehuicheld medelijdenden toon.
„...... zulk een jong, mooi meisje, hoeveel achting zij voor u koesterde, meer door wereldsche overwegingen zou zijn geleid, eer zij tot een huwelijk met u had besloten. Ik hield geen rekening met de ontelbare neigingen en omstandigheden, die alles ten goede konden keeren. Ik smeek u dat niet te vergeten.”
„Wat draagt hij het lief voor!” zei Uriah hoofdschuddend.
„Tengevolge van deze eenzijdige beschouwing,” ging mijnheer Wickfield voort, „—maar ik smeek u, mijn oude vriend, bij alles wat u dierbaar is, neem mijne eenzijdigheid in aanmerking,—ben ik nu genoodzaakt te bekennen.....”
„Neen, er is geen uitweg meer, mijnheer Wickfield!” merkte Uriah aan, „nu het eenmaal zoover gekomen is.”
„...... dat ik getwijfeld heb,” vervolgde mijnheer Wickfield met een angstigen, half wanhopende blik naar zijn compagnon, „dat ik twijfelde of zij haar plicht jegens u wel trouw nakwam; dat ik somtijds—als ik alles moet zeggen—liever niet zag dat Agnes zoo familiaar met haar omging en dingen zou zien, die ik zag of in mijne verbeelding zag. Ik vertelde dat nooit aan iemand ter wereld. Ik meende ook dat niemand het ooit had opgemerkt. En hoewel het voor u vreeselijk is het aan te hooren,” eindigde hij, geheel van zijn stuk, „als gij wist, hoe vreeselijk het voor mij is het te vertellen, zoudt gij medelijden met mij hebben!”
Goedhartig als altijd bood de doctor hem de hand, die mijnheer Wickfield eenigen tijd vasthield, terwijl hij met gebogen hoofd voor mijnheer Strong bleef staan.
„Ik ben er zeker van,” zei Uriah, die zich al dien tijd had staan kronkelen als een aal, „dat het onderwerp voor allen onaangenaam is. Maar nu het zoover gekomen is, moet ik nog de vrijheid nemen te doen opmerken, dat Copperfield het ook heeft vermoed.”
Ik keerde mij tot hem en vroeg hoe hij zich op mij durfde beroepen.
„O! Het is wel vriendelijk van u, Copperfield,” antwoordde hij al kronkelend, „en wij weten allen, welk een beminnelijk karakter gij hebt; maar gij weet wel, dat, toen ik er u laatst over sprak, gij zeer goed begreept wat ik bedoelde. Gij weet, dat gij mij begreept, Copperfield. Ontken het niet! Gij zoudt het met de beste bedoelingen willen ontkennen, Copperfield, maar doe dat niet.”
Ik zag den goedhartigen blik van den doctor op mij gevestigd en voelde, dat de bekentenis van mijn ouden argwaan op mijn gezicht te lezen stond. Het was geheel onnoodig mij zoo boos te maken. Ik kon mijn gezicht niet veranderen. Wat ik ook zou gezegd hebben, ik kon de bekentenis niet herroepen.
Wij bleven allen het stilzwijgen bewaren, tot de doctor eindelijk opstond en twee of drie malen de kamer op- en neerliep. Nu keerde hij naar zijn stoel terug, en met de hand op de leuning en den zakdoek voor de oogen, met een eenvoud en oprechtheid, die hem meer tot eer strekten dan, naar mijne overtuiging, het bemantelen van hetgeen in hem omging zou gedaan hebben, zei hij:
„Ik ben zeer te laken geweest. Ik geloof, dat ik zeer te laken ben geweest. Ik heb de vrouw, die ik innig liefhad, blootgesteld aan besprekingen en lasteringen—ik noem het eene lastering, zelfs al is het maar in iemand's gedachten opgekomen—waarvoor zij gespaard zou zijn gebleven, indien ik niet had bestaan.”
Uriah Heep liet een soort gesnuif hooren; waarschijnlijk om zijn medelijden uit te drukken.
„...... waaraan mijne Annie,” vervolgde de doctor, „nimmer zou zijn blootgesteld geweest, als ik niet had bestaan. Mijne heeren, gij weet, ik ben oud; ik voel van avond, dat ik niet veel meer van het leven verlangen kan. Maar gaarne zou ik mijn leven.... mijn Leven, hoort gij!.... geven voor de eer en de trouw van de lieve vrouw, die het onderwerp heeft uitgemaakt van dit gesprek!”
Ik geloof niet, dat het origineel van het meest volmaakte beeld van ridderlijkheid en trouw, ooit door eenig schilder op het doek gebracht, deze woorden niet zooveel waardigheid en nadruk zou hebben uitgesproken als de brave, oude doctor het deed.
„Ik wil niet ontkennen,” ging hij voort—„wellicht moet ik wel eenigermate toestemmen—dat ik dat meisje onnadenkend tot een ongelukkig huwelijk heb overgehaald. Ik bezit nu eenmaal weinig opmerkingsgave en kan niet anders dan aannemen, dat de waarnemingen van zooveel verschillende personen van uiteenloopende leeftijden en positie, waarnemingen, die alle een zelfde richting uitgaan—en wel zulk eene natuurlijke richting—beter zijn dan de mijne.”
Elders heb ik reeds beschreven, hoe ik den ouden man altijd bewonderde om de hartelijke wijze, waarop hij met zijne jonge vrouw omging; maar de achting en de teederheid, die hij thans voor haar aan den dag legde; de bijna eerbiedige wijze, waarop hij zelfs den minsten twijfel aan hare deugd afwees, deed hem, meer dan ik zeggen kon, in mijne achting rijzen.
„Ik trouwde met haar,” ging hij voort, „toen zij nog heel jong was; haar karakter had zich nauwelijks kunnen vormen en het is voor mij een genot geweest aan die vorming iets te kunnen bijdragen. Ik heb haar vader goed gekend, ik kende haar, ik had haar zelf onderwijs gegeven, omdat ik zelden iemand ontmoet had, die zooveel schoone deugden in zich vereenigde. Mocht ik haar onrecht hebben gedaan—ik vrees dat ik het gedaan heb door gebruik te maken van hare dankbaarheid en hare vriendschap—dan smeek ik haar mij dat te willen vergeven.”
Hij liep weder eenige malen de kamer op en neer en kwam terug bij den stoel, waarvan hij de leuning vastgreep; zijne hand beefde, zijne stem trilde van aandoening.
„Ik beschouwde mij zelven,” ging hij voort, „als eene toevlucht voor haar; bij mij zou zij veilig zijn voor de gevaren en wisselvalligheden des levens. Ik trachtte mij diets te maken dat, al verschilden wij veel in leeftijd, zij kalm en tevreden bij mij zou kunnen leven. Ook zag ik niet voorbij dat er een tijd zou komen, waarin zij weder vrij zal zijn en, nog altijd jong en schoon, met een gerijpt oordeel een nieuw leven zal kunnen beginnen.... neen, mijne heeren, op mijn woord, ik zag dat niet voorbij!
„Mijn leven met deze vrouw is zeer gelukkig geweest. Tot op dezen avond heb ik onafgebroken reden gehad om den dag te zegenen, waarop ik haar zulk een groot onrecht aandeed.”
Zijne stem had gedurende het uitspreken van deze laatste woorden gehaperd, zoodat hij eenige oogenblikken zweeg en toen voortging:
„Eenmaal uit mijn droom ontwaakt—ik ben in zekere mate altijd een droomer geweest, mijn leven lang—zie ik in hoe natuurlijk het is dat zij eenig berouw gevoelt ten opzichte van den speelmakker harer jeugd; dat zij, hem aanziende, de onschuldige gedachte niet zal kunnen onderdrukken, wat had kunnen zijn, indien ik niet bestaan had; ja, ik vrees, dat dit maar al te waar is. Veel, dat ik gezien doch niet opgemerkt heb, heeft in dit laatste, moeilijke uur eene andere beteekenis voor mij gekregen. Maar, mijne heeren, verder mag ik niemand toestaan te gaan in zijn twijfel, wanneer de naam van mijne vrouw genoemd wordt.”
Gedurende een oogenblik schitterden zijne oogen en werd zijne stem vast; daarna bleef hij even zwijgen en hernam toen:
„Er blijft mij niets anders over dan de kennis van het door mij veroorzaakte verdriet met onderworpenheid te dragen. Zij is het, die verwijten doen kan, niet ik. Het zal mijn plicht zijn haar te zuiveren van verdenkingen, van wreede verdenkingen, die zelfs mijne vrienden niet konden nalaten te koesteren. Hoe stiller en eenzamer wij leven, hoe beter ik mij van deze taak zal kunnen kwijten. En komt eenmaal de tijd—moge het den Hemel behagen dien spoedig te doen aanbreken—dat mijn dood haar van den haar opgelegden dwang zal verlossen, dan zal mijn laatste blik met onbegrensd vertrouwen en liefde gevestigd zijn op haar oprecht gelaat; zonder spijt zal ik haar dan overlaten aan gelukkiger en lichter dagen.”
Ik kon hem niet zien, want zijn ernst en zijne goedheid, zoo volkomen passend bij zijn eenvoud, deden mij de tranen in de oogen springen. Hij deed eene beweging naar de deur en voegde er nog bij:
„Mijne heeren, ik heb u mijn gansche hart blootgelegd; ik ben overtuigd, dat gij dit eerbiedigen zult. Hetgeen dezen avond hier gezegd is, mag nimmer herhaald worden. Wickfield, oude vriend, geef mij een arm op de trap!”
Mijnheer Wickfield snelde op hem toe. Zonder een woord te wisselen, gingen zij langzaam de kamer uit. Uriah keek hen na. „Wel, jongeheer Copperfield!” zei hij, zich met een ootmoedig gezicht tot mij wendende, „de dingen hebben niet de wending genomen, die ik verwacht had, want de oude heer—een braaf man!—schijnt stekeblind te zijn. Eén ding is echter zeker: deze familie is uit den weg geruimd!”
Ik had niets noodig dan den klank van zijne stem te hooren, om zoo razend nijdig te worden, als ik nooit te voren was, noch later ooit geweest ben.
„Schurk, die je bent!” zei ik, „hoe durft gij mij in uwe plannen wikkelen? Hoe durft gij u op mij beroepen, valsche ellendeling, alsof wij eerst samen gesproken hadden!”
Toen wij daar tegenover elkander stonden, zag ik zoo duidelijk, dat zijn gluiperig gezicht van heimelijke vreugde straalde; ik bedoel, dat ik zoo duidelijk las, hoe hij door zijn aan mij opgedrongen vertrouwen mij een strik had gespannen, dat ik mijn drift niet kon intoomen. Zijne lange, breede wang was bovendien zoo uitlokkend, dat ik niet kon nalaten er met de platte hand zulk een slag op te geven, dat mijne vingers tintelden, alsof ik ze gebrand had.
Hij greep mijne hand en hield die bij het polsgewricht vast, en zoo stonden wij elkander eenige oogenblikken aan te kijken, lang genoeg echter voor mij, om te zien hoe de witte sporen van mijne vingers uit het donkerrood van zijne wang opkwamen, en nog donkerder tint aannamen dan deze.
„Copperfield,” zei hij eindelijk met ademlooze stem, „zijt gij uw verstand kwijt?”
„Ik ben jou kwijt,” antwoordde ik, mijne hand losrukkende. „Ik wil je niet meer kennen, hondsvot.”
„Niet?” zei hij met de hand op zijn wang, om de pijn te bedwingen. „Misschien zult gij dat niet kunnen nalaten! Maar is het niet ondankbaar van u?”
„Ik heb je dikwijls genoeg getoond, dat ik je veracht,” hernam ik. „En nu heb ik je dat nog duidelijker getoond. Waarom zou ik bevreesd zijn voor je? Ge doet immers niets dan kwaadstoken! Niemand is veilig voor je!”
Hij begreep volkomen deze toespeling op de redenen, die mij tot nu toe genoopt hadden hem te ontzien. En ik ben er zeker van dat ik noch den slag gegeven, noch de toespeling gemaakt zou hebben, indien ik dien avond niet Agnes' verzekering had ontvangen. Maar dat deed niets ter zake.
Er volgde nu een vrij lange pauze. Terwijl hij mij aankeek schenen zijne oogen elke kleurschakeering aan te nemen, die oogen leelijk kunnen maken.
„Copperfield”, zei hij, zijn wang loslatende, „gij zijt altijd tegen mij geweest. Ik weet dat gij ook bij de Wickfields altijd tegen mij zijt geweest.”
„Gij kunt denken wat gij goedvindt”, zei ik, nog steeds kokende van woede.
„En toch heb ik altijd veel van u gehouden, Copperfield”, hernam hij.
Ik verwaardigde mij niet hierop te antwoorden, nam mijn hoed en was voornemens de herberg op te zoeken, toen hij zich tusschen mij en de deur plaatste.
„Copperfield”, zei hij, „in een twist behooren twee partijen. Ik wil de eene niet zijn.”
„Gij kunt naar den duivel loopen!” beet ik hem toe.
„Zeg dat niet”, antwoordde hij. „Ik weet zeker dat het u later spijten zal. Hoe kunt gij u zoo vernederen door zoo toornig te zijn? Kom, ik zal het u vergeven!”
„Gij mij vergiffenis schenken!” riep ik op minachtenden toon uit.
„Ja, dat doe ik en dat kunt gij mij niet beletten”, antwoordde Uriah. „Hoe is het mogelijk dat gij iemand, die altijd een vriend van u geweest is, zoo kunt behandelen? Maar er kan geen twist bestaan of er moeten twee partijen zijn. Ik wil de eene niet zijn. Ik blijf uw vriend ook al wilt gij dat niet. Nu weet gij wat gij van mij te verwachten hebt.”
De noodzakelijkheid om het twistgesprek—Uriah was kalm, maar ik zeer opgewonden—op zachten toon te voeren, opdat de familie in dit ongelegen uur niet gestoord zou worden, was niet geschikt om mijn humeur te verbeteren, hoewel mijn drift toch langzamerhand bekoelde. Ik vertelde hem eenvoudig dat ik van hem verwachten zou wat ik altijd van hem verwacht had en waarin ik mij nooit teleurgesteld had gezien, opende toen, niettegenstaande hij er nog voor stond, de deur alsof ik hem als een groote noot wilde kraken, en verliet de woning. Maar hij volgde mij, want hij moest naar zijne moeder, en nauwelijks had ik eenige schreden afgelegd of hij had mij ingehaald.
„Gij weet, Copperfield”, zei hij in mijn oor,—ik draaide mijn hoofd niet om—„dat gij in uw ongelijk zijt”—ik voelde dat hij waarheid sprak en dit maakte mij nog toorniger.—
„Gij kunt dat nooit goed praten en ook kunt gij er niets aan doen, dat ik u vergiffenis geschonken heb. Ik ben niet voornemens het aan mijne moeder of aan wien ook te vertellen. Ik heb nu eenmaal besloten u te vergeven. Toch moet ik nog eens zeggen, hoe het mij verbaasd heeft, dat gij uwe hand hebt kunnen opheffen tegen iemand, die altijd zoo nederig is!”
Ik was echter niet zoo'n lage kerel als hij. Hij kende mij beter dan ik mij zelven kende. Had hij mij maar geantwoord, was hij maar woedend geworden, dan zou ik eenigszins gerechtvaardigd geweest zijn; maar hij had mij den halven avond op een zacht vuurtje gefolterd.
Toen ik den volgenden morgen buiten kwam, luidde de klok voor de vroegkerk en wandelde Uriah met zijne moeder voor het kerkgebouw op en neer. Hij sprak mij aan, alsof er niets gebeurd was en ik kon niet anders doen dan antwoord geven. De slag was blijkbaar aangekomen, want hij had een zwart zijden doek om het hoofd, die onder den hoed was vastgeknoopt en hem nog leelijker maakte dan gewoonlijk. Ik vernam van hem, dat hij den volgenden morgen naar een tandendokter in Londen zou gaan, omdat hij een tand kwijt was. Ik had een stille hoop, dat het een kies mocht zijn.
Doctor Strong liet weten, dat hij niet heel wel was; zoo lang de logé's bleven, bracht hij een groot gedeelte van den dag op zijne kamer door.
Agnes en haar vader waren reeds een week vertrokken, eer wij onze gewone werkzaamheden hervatten. Den dag te voren had hij mij een onverzegeld briefje gegeven. Het was aan mij geadresseerd en bevatte niets dan een verzoek, op hartelijken toon, om het onderwerp, dat op dien gewichtigen avond behandeld was, niet meer aan te roeren. Ik had het voorgevallene aan mijne tante toevertrouwd, maar overigens aan niemand. Met Agnes kon ik er niet over spreken en zij had ook niet het geringste vermoeden van hetgeen was voorgevallen.
Ook mevrouw Strong vermoedde niets—daarvan was ik overtuigd. Verscheidene weken gingen voorbij, eer ik eenige verandering in haar bespeurde. En die verandering kwam langzaam, evenals eene wolk op een stillen dag. In het eerst scheen zij zich eenigermate te verbazen over de buitengewone teederheid, waarmede de doctor tot haar sprak, en over zijn wensch om hare moeder te logeeren te vragen, omdat zij zulk en eentonig leven had. Meermalen zat zij bij ons, terwijl wij aan den arbeid waren; zij kon dan dikwijls haar werk laten rusten en voor zich uit staren met eene uitdrukking op haar gelaat, die ik nooit zal vergeten. Later zag ik haar nu en dan opstaan met tranen in de oogen en uit de kamer gaan. Langzamerhand begon hare schoonheid er onder te lijden. Mevrouw Markleham woonde toen voor goed bij haar schoonzoon en praatte en praatte, maar zag niets.
Terwijl deze verandering in Annie, eenmaal het zonnetje in doctor Strong's woning, plaats greep, zag ik den doctor dagelijks ouder en ernstiger worden; de zachtheid van zijn humeur, de vriendelijkheid van zijn toon, de bezorgdheid voor haar schenen echter, indien dat mogelijk was, nog toe te nemen. Eens, het was op den morgen van haar verjaardag, toen zij bij het venster plaats nam, waar zij kwam zitten, terwijl wij aan het werk waren—zij had dit altijd gedaan, doch in den laatsten tijd eenigszins schroomvallig—zag ik hoe hij haar hoofd tusschen zijne handen nam en haar op het voorhoofd kuste, waarna hij haastig heenging. Blijkbaar belette zijne aandoening hem te blijven. Ik zag dat zij als een standbeeld bleef staan op de plek, waar hij haar verlaten had, het hoofd boog en met de handen voor het gelaat begon te schreien.... o, zoo innig droevig!
Na dien tijd verbeeldde ik mij nu en dan, dat zij, als wij alleen waren, met mij wilde spreken; maar er kwam nooit een woord over hare lippen. De doctor was onvermoeid in het bedenken van allerlei gelegenheden, om haar buitenshuis afleiding te verschaffen en mevrouw Markleham, die veel hield van uitgaan—alle andere dingen verveelden haar spoedig—liet zich dat gaarne welgevallen en was niet uitgesproken in haar lof over haar schoonzoon. Annie daarentegen liet zich medenemen, zonder eenigen lust voor uitgaan te gevoelen, blijkbaar onverschillig voor alles.
Ik wist niet wat ik van dit alles moest denken; tante evenmin. In hare onzekerheid legde zij, op verschillende tijdstippen, te zamen ongetwijfeld meer dan honderd mijlen af. Het vreemdste van dit alles was, dat de eenige lichtstraal, die zich door dit geheimzinnige waas van huiselijk leed een weg wist te banen, van mijnheer Dick uitging. Wat hij er van dacht, welke verklaring hij er zich van gaf, kan ik evenmin zeggen als hij in staat zou zijn geweest om het mij te doen. Zooals ik reeds in het verhaal van mijn schooltijd heb medegedeeld, was zijn eerbied voor den doctor grenzenloos. Nu gaat ware gehechtheid, zelfs van het dier aan den mensch, gewoonlijk gepaard met een vlugheid van begrip, waarop de verstandigste mensch zelfs niet bogen kan. Dit „verstand van het hart”, als ik het zoo noemen mag, deed mijnheer Dick een helderen straal van de waarheid opvangen.
Met een gevoel van trots had hij zich weder van het voorrecht verzekerd om in zijne vele ledige uren met den doctor den tuin op en neer te wandelen, zooals vroeger in Canterbury het doctorspad. Zoodra had hij echter niet bespeurd, dat er in de woning van den doctor eene verandering had plaats gegrepen, die zijn geëerden ouden vriend tot neerslachtigheid stemde, of hij besteedde er nog meer uren aan dan vroeger en stond met dat doel zelfs voor dag en dauw op. Was hij vroeger gelukkig geweest, wanneer de doctor hem voorlas uit dat verbazingwekkende meesterwerk, het woordenboek, thans voelde hij zich bepaald ongelukkig, tot de oude man het een of ander brokstuk uit den zak te voorschijn haalde en met zijne voorlezing begon. Wanneer de doctor en ik aan den arbeid waren, wandelde hij thans op en neer met mevrouw Strong en hielp haar met het opbinden van de bloemen of het wieden van de bedden. Ik geloof niet dat hij bij dergelijke gelegenheden tien woorden sprak; maar zijne kalme belangstelling, zijn ijver en zijn peinzend gelaat vonden weerklank in beider hart; beiden wisten dat zij veel van elkander hielden en dat hij veel van beiden hield; zoo werd de arme mijnheer Dick, wat niemand anders worden kon, een schakel in de keten, die beiden verbond.
Wanneer ik hem mij voorstel met zijn ondoorgrondelijk, verstandig gezicht, op en neer wandelende met den doctor, blijde te mogen luisteren naar al de onverstaanbare woorden uit de dictionnaire; wanneer ik hem in gedachten de zware gieters met water zie dragen of hem geknield zie liggen, en met dikke handschoenen aan, met het grootste geduld de kleinste blaadjes zie verwijderen; beter dan de grootste wijze, in alles wat hij deed zoo kiesch mogelijk te kennen gevende dat hij haar vriend wilde zijn; uit elk gaatje van den gieter medelijden, vertrouwen en vriendschap verspreidend; wanneer ik bedenk dat die stemming, waarbij het ongeluk troost kon vinden, hem nooit verliet; dat de ongelukkige koning Karel I geheel achterwege bleef; dat niets hem ooit te veel was en hij nooit uit het oog verloor, dat er iets niet in den haak was en hij moest trachten dit terecht te brengen—dan schaam ik mij bijna, geweten te hebben, dat hij niet goed bij zijn verstand was, als ik hetgeen ik met mijn goede verstand heb gedaan daartegen in de schaal leg.
„Niemand dan ik, Trot, kent dien man,” zei tante niet zonder trots, toen wij er over spraken. „Ik zal nog eer met hem inleggen.”
Eer ik dit hoofdstuk eindig moet ik nog een ander voorval vermelden. Terwijl de doctor nog logé's had, ontwaarde ik dat de brievenbesteller elken morgen een brief bracht voor Uriah Heep, die, zoo lang de familie Wickfield op Highgate vertoefde, daar ook bleef, want het was nu de stille tijd voor het kantoor. De adressen van deze brieven waren altijd door mijnheer Micawber geschreven, die zich thans eene vrij regelmatige, ronde hand had aangewend. Uit deze omstandigheid meende ik te moeten opmaken dat het mijnheer Micawber goed ging, zoodat ik ten hoogste verbaasd was den volgende brief van zijne hooggewaardeerde echtgenoote te ontvangen.
„Canterbury, Maandagavond.
Zonder twijfel zult gij zeer verbaasd zijn, beste Copperfield, als gij dezen brief ontvangt. De inhoud zal u echter nog meer verbazen.
In de eerste plaats moet ik u verzoeken stipt het stilzwijgen te bewaren over hetgeen ik u schrijf. Ik moet echter als vrouw en moeder aan mijn overkropt gemoed lucht geven en aangezien ik niet mijne familie wensch te raadplegen, die mijnheer Micawber reeds zoo menigmaal heeft gegriefd, weet ik niet tot wien ik mij beter zou kunnen wenden dan tot mijn vriend en vroegeren huisgenoot.
Gij weet, beste Copperfield, dat tusschen mij en mijnheer Micawber, dien ik nimmer zal verlaten, steeds een geest van onderling vertrouwen heeft bestaan. Mijnheer Micawber mag eens een wisseltje afgegeven hebben zonder mij daarin te kennen; hij mag mij eens misleid hebben omtrent den datum van een vervaldag, zeker, dat is wel eens voorgekomen. In het algemeen echter heeft mijnheer Micawber geen geheimen gehad voor zijne trouwe levensgezellin, en onveranderlijk elken avond, eer wij te rusten gingen, met mij de gebeurtenissen van den dag besproken.
Gij zult u kunnen voorstellen, beste Copperfield, hoe zeer ik mij gegriefd moet voelen, nu ik u moet meedeelen dat mijnheer Micawber geheel veranderd is. Hij is achterhoudend, geheimzinnig. Zijn leven is een mysterie voor de deelgenoote van zijne vreugde en zijn leed—ik bedoel voor zijne vrouw—; behalve dat hij van den ochtend tot den avond op het kantoor werkzaam is, weet ik evenveel van zijn leven als van het mannetje in de maan. En dit is niet alles. Mijnheer Micawber is somber en knorrig geworden; hij is geheel vervreemd van onze beide oudste kinderen, is niet meer trotsch op onze tweelingen; ja zelfs legt hij eene ongekende koelheid aan den dag voor het onschuldig wicht, dat eenigen tijd geleden ons kringetje is komen uitbreiden. De middelen om de onkosten van het huishouden te bestrijden, dat op den eenvoudigsten voet is teruggebracht, zijn slechts met moeite te verkrijgen, ja, zelfs onder de vreeselijke bedreiging, dat hij zich van kant zal maken. Onverbiddelijk weigert hij de geringste verklaring te geven van deze verandering in zijn doen en laten.
Gij begrijpt, beste Copperfield, hoe hard mij dit valt. Ik kan het bijna niet dragen. Gij, die mijne zwakke krachten kent, zult mij wellicht raad kunnen geven hoe ik er in deze buitengewone omstandigheden het beste gebruik van zou kunnen maken. Dit doende, zoudt gij een nieuwe verplichting voegen bij de vele, die wij reeds aan u hebben.
Met de vriendelijke groeten van de kinderen en een lachje van het onschuldig wichtje, noem ik mij, beste Copperfield,
Uwe U toegenegene Emma Micawber.”
Ik voelde mij niet gerechtigd aan eene vrouw van mevrouw Micawber's ondervinding anderen raad te geven dan dat zij trachten moest—hetgeen zij zonder mijn raad toch ook zou doen—haar echtgenoot door geduld en toegevendheid tot rede te brengen. Toch hield de inhoud van mevrouw Micawber's schrijven mij langen tijd bezig.