LVII
De landverhuizers.
Alvorens ik mij geheel kon overgeven aan den schok, dien al deze aandoeningen hadden teweeggebracht, bleef mij nog meer te doen over. Ik moest zorg dragen, dat het gebeurde geheim bleef voor hen, die op het punt waren om te vertrekken en hen gedurende de reis in eene gelukkige onwetendheid laten. Er was geen tijd te verliezen. Ik zocht daarom dienzelfden avond nog mijnheer Micawber op, deelde hem den stand van zaken mede en droeg hem op zich tusschen baas Peggotty en het bericht van het noodlottige ongeluk te plaatsen. Vol ijver nam hij deze taak op zich en beloofde mij alle nieuwsbladen te zullen onderscheppen.
„Mocht het tot hem doordringen,” zei hij met een slag op zijn borst, „dan moet het eerst door dit lichaam!”
Ik moet hier vermelden, dat mijnheer Micawber, ten einde zich vast aan zijn nieuwen maatschappelijken werkkring te gewennen, een soort zeerooversgezicht had leeren zetten, niet bepaald barbaarsch, maar vastberaden en vermetel, alsof hij voortdurend op tegenweer bedacht was. Men zou hem hebben aangezien voor een kind der wildernis, gewoon om buiten alle beschaving te leven en op het punt om naar zijne geboorteland terug te keeren.
Onder meer had hij zich een volledig pak van geolied doek aangeschaft met een stroohoed met lagen bol, die van binnen met pik of teer was bestreken. In deze grove kleeding en met een gewonen scheepskijker onder den arm terwijl hij zich reeds had aangewend om met één oog naar de lucht te kijken alsof hij ruw weer verwachtte, maakte hij op zijn manier veel meer den indruk van een zeeman dan baas Peggotty. Zijne geheele familie was om zoo te zeggen gereed om onmiddellijk aan den slag te gaan. Zoo vond ik mevrouw Micawber, voorzien van een nauwsluitenden, ijzersterken hoed, die onder de kin was vastgemaakt, en gewikkeld in een doek, waarin zij als een baal goed kon worden opgetild,—evenals tante mij had opgetild toen ik voor het eerst bij haar kwam—en die op den rug met een grooten knoop was vastgemaakt. Mejuffrouw Micawber was op gelijke wijze tegen het ruwe weder beveiligd, zonder iets aan zich te hebben, dat overtollig genoemd kon worden. Jongeheer Micawber was nauwelijks terug te vinden in het ruigste zeemanspak, dat ik ooit gezien heb, en de kinderen waren zoo ingepakt, dat ze zeer veel overeenkomst hadden met in luchtdichte bussen bewaarde eetwaren. Zoowel mijnheer Micawber als zijn oudste zoon hadden de mouwen met een zekeren zwier opgeslagen, alsof zij gereed waren om overal waar het te pas kwam een handje te helpen of met een „Haal op die hei!” mede te doen.
Zoo vonden Traddles en ik de familie tegen het vallen van den avond verzameld op de houten trap, toenmaals bekend onder den naam Hungerford Stairs, wachtende op het vertrek van eene boot, waarop een gedeelte hunner goederen geladen was. Ik had Traddles verteld wat ik in de laatste vier-en-twintig uren had beleefd en hij was er diep door getroffen; wij waren het echter eens dat geheimhouding geboden was en hij beloofde mij daarbij te zullen helpen. Hier ontving ik ook de belofte van mijnheer Micawber te dien opzichte.
De familie was gelogeerd in een klein, onaanzienlijk herbergje, dat toenmaals bij die trap stond en waarvan de bovenkamers als het ware over de rivier hingen. Aangezien zij landverhuizers waren, ondervonden zij in den omtrek van Hungerford Stairs niet weinig belangstelling en trokken ook wij zoo de aandacht, dat wij blijde waren in hunne kamer de wijk te kunnen nemen. Zij hadden een dier overhangende kamers boven de rivier betrokken en tante was daar met Agnes bezig eenige kleederen te herstellen voor de kinderen. Peggotty was daarbij tegenwoordig met het oude, onvergetelijke naaikistje, het ellemaatje en het stukje waskaars bij zich.
Het was geen gemakkelijke taak haar op alle vragen te antwoorden en baas Peggotty, die door mijnheer Micawber werd binnengebracht, in te fluisteren dat ik den brief overhandigd had en dat alles in orde was. Ik deed het echter en verschafte beiden een gelukkig uur. Had ik eenig blijk gegeven van hetgeen in mij omging, dan zou mijn eigen verdriet daarvan de verantwoording hebben gedragen.
„En wanneer zeilt het schip uit, mijnheer Micawber?” vroeg tante.
Mijnheer Micawber achtte het noodig tante en zijne vrouw trapsgewijze voor te bereiden tot de scheiding en antwoordde: „Eerder dan ik gisteren gedacht had.”
„De boot bracht u zeker tijding?” vroeg tante.
„Juist, mevrouw.”
„En welke? Wanneer zeilt gij uit?”
„Mevrouw,” antwoordde hij, „wij moeten morgen ochtend voor zeven uur aan boord zijn.”
„Sapperloot, dat is vroeg!” riep tante. „Is dat met het oog op het weer of de zee noodzakelijk, mijnheer Peggotty?”
„Ja, mevrouw,” antwoordde baas Peggotty, die door tante altijd „mijnheer” genoemd werd. „Zij zullen de rivier willen afzakken met de eb. Als jongeheer Davy en mijne zuster morgenavond te Gravesend willen komen, kunnen zij ons voor het laatst de hand drukken.”
„Dat zullen wij zeker doen,” antwoordde ik.
„Tot op dat oogenblik en tot wij op zee zijn,” merkte mijnheer Micawber op, terwijl hij mij een blik van verstandhouding toewierp, „zullen mijnheer Peggotty en ik een wakend oog houden op de bagage. Emma, liefste,” vervolgde hij op zijn eigenaardig deftige wijze zijn keel schrapende, „mijn vriend, Mr. Thomas Traddles is wel zoo goed mij in het oor te fluisteren, dat hij het voorrecht wil hebben de ingrediënten te verschaffen, benoodigd voor het bereiden van de kostelijke drank, die zulke aangename herinneringen opwekt aan den goeden ouden tijd. Kortom, ik bedoel—punch. Onder andere omstandigheden zou ik niet weten of mevrouw Trotwood en juffrouw Wickfield en....”
„Ik zal gaarne op uw geluk en uw voorspoed drinken, mijnheer Micawber,” zei tante, „zeer gaarne zelfs.”
„En ik ook!” riep Agnes met een bekoorlijken glimlach.
Mijnheer Micawber daalde terstond de trap af naar de gelagkamer, waar hij geheel thuis scheen te zijn; in een ommezien was hij met een dampenden ketel water terug. Ik moest wel opmerken, dat hij de citroenen schilde met zijn eigen zakmes, ongeveer een voet lang, zooals bij een rechtgeaard landverhuizer past; niet zonder eenig vertoon veegde hij het aan de mouw van zijne jas af. Ik zag nu ook, dat mevrouw Micawber en de beide oudste kinderen eveneens van dergelijke geduchte wapens voorzien waren, terwijl de andere kinderen elk een houten lepel met een koord om hun middel hadden gebonden. Zonder twijfel had ook het vooruitzicht op het ongeregelde leven aan boord en in de wildernis mijnheer Micawber aanleiding gegeven, om zijn vrouw en zijn beiden oudsten kinderen de punch niet in wijnglazen—hetgeen hij gemakkelijk had kunnen doen omdat er eene kast vol in de kamer stond—maar in ruwe tinnen kroezen toe te dienen en nooit zag ik hem met meer smaak zijn punch drinken dan ditmaal uit zijn eigen kroes, dien hij na afloop in zijn zak stak.
„Wij hebben afscheid genomen van alle weelde in het moederland,” zei mijnheer Micawber met innige zelfvoldoening. „Woudbewoners kunnen geen aanspraak meer maken op de geriefelijkheden van een beschaafd land.”
Op dit oogenblik kwam een jongen melden, dat mijnheer Micawber verzocht werd even beneden te komen.
„Ik heb een voorgevoel,” zei mevrouw Micawber, terwijl zij haar kroes op tafel zette, „dat het een lid van mijne familie is.”
„Indien dat zoo is, lieve,” antwoordde mijnheer Micawber op den driftigen toon, dien hij gewoonlijk aannam, wanneer de familie zijner vrouw ter sprake kwam, „indien eenig lid van uwe familie—wie het ook zij—beneden is, kan hij of zij even goed wachten tot het mij gelegen komt, als zij ons altijd hebben laten wachten op hunne belangstelling.”
„Micawber,” sprak zijne vrouw op fluisterenden toon, „op een tijdstip als dit...”
„Moet men kleine beleedigingen vergeten,” voegde mijnheer Micawber er opstaande bij, „Emma, gij hebt gelijk.”
„Het verlies, Micawber,” hernam zijne vrouw, „is aan de zijde van mijne familie geweest, niet aan de onze. Indien mijne familie eindelijk begint te gevoelen tot welk gemis haar eigen gedrag heeft geleid, en nu ons de broederhand wil reiken, mogen wij die niet terugwijzen!”
„Zoo zij het, lieve,” antwoordde hij.
„Al is het niet om hunnentwil, Micawber, dan om den mijne,” sprak zijne vrouw.
„Emma,” hernam hij, „uit dat oogpunt beschouwd moet ik zwichten. Ik kan zelfs op dit oogenblik uwe familie niet om den hals vallen, maar het lid, dat nu staat te wachten, zal de warme vriendschap, die hem hierheen heeft gedreven, door mijne schuld niet voelen bevriezen.”
Mijnheer Micawber vertrok en bleef zoo lang weg, dat mevrouw Micawber niet geheel de vrees kon onderdrukken, dat hij met het gewaande familielid in eene scherpe woordenwisseling getreden was. Eindelijk verscheen dezelfde jongen nogmaals en bood mij een met potlood geschreven briefje aan, dat tot hoofd voerde: „Heep contra Micawber.” Uit dit schrijven vernam ik dat mijnheer Micawber opnieuw gegijseld en volslagen wanhopend was; hij verzocht mij hem door middel van den brenger van het briefje zijn mes en zijn kroes te zenden, omdat deze voorwerpen hem gedurende den korten tijd van zijn bestaan wellicht in de gevangenis nog nuttig zouden kunnen zijn.
Hij verzocht verder hem den laatsten vriendschapsdienst te bewijzen door zijne familie eene plaats in het werkhuis te bezorgen en dan te vergeten dat er ooit iemand bestaan had, die Micawber heette.
Natuurlijk beantwoordde ik dit schrijven door met den jongen naar beneden te gaan, waar ik mijnheer Micawber in een hoek vond zitten, terwijl hij den deurwaarder met woedende blikken aanstaarde. Toen ik voor hem betaald had en hij weder vrij was, omhelsde hij mij met vuur en teekende daarop deze nieuwe schuld in zijn zakboekje aan, waarbij hij—ik herinner mij dat zeer goed—aanmerking maakte op een halven stuiver, dien ik verwaarloosd had bij de optelling van het totaal.
Dit gewichtige opschrijfboekje herinnerde hem nog te juister tijd aan eene andere zaak. Terwijl wij naar de bovenkamer terugkeerden,—waar hij zijne afwezigheid verontschuldigde door te zeggen dat hij opgehouden was door omstandigheden buiten zijn wil—haalde hij er een groot vel papier uit te voorschijn, dat in de lengte opgevouwen en geheel bedekt was met zorgvuldig uitgewerkte berekeningen. Ik keek er even in en moet zeggen dat ik berekeningen met zulke groote getallen nooit gezien heb dan in schoolschriften. Het waren berekeningen van interest op interest van de geheele verschuldigde som gedurende twee jaar en vijftien maanden; terwijl de aflossingen zuiver in rekening waren gebracht. Hij had hiervan een keurig notatje opgemaakt, dat hij Traddles met een buiging overhandigde tot volledige kwijting van de geheele schuld—als tusschen man en man.
„Ik heb een voorgevoel,” zei mevrouw Micawber, „dat mijne familie aan boord zal komen, eer wij voor goed Engeland verlaten.”
Waarschijnlijk had mijnheer Micawber dit voorgevoel ook, maar hij deed het in zijn tinnen kroes en verzwolg het met de punch.
„Indien gij in de gelegenheid zijt om iets van u te laten hooren, mevrouw Micawber,” zei tante, „moet gij die niet laten voorbijgaan, hoor.”
„Lieve mevrouw Trotwood,” antwoordde zij, „ik zal mij reeds gelukkig voelen, indien ik weet dat er iemand is, die gaarne iets van ons hooren wil. Ik zal dus zeker schrijven. Ik vertrouw dat mijnheer Copperfield, onze oude, vertrouwde vriend, nu en dan wel eens bericht van ons zal willen ontvangen; wij kennen hem immers al van het oogenblik af, dat onze tweelingen pas geboren waren!”
Ik antwoordde dat ik dikwijls iets van haar hoopte te hooren en dan niets dan goeds.
„De Hemel geve dat daartoe meermalen gelegenheid zij!” viel mijnheer Micawber in. „De oceaan is in den tegenwoordigen tijd te vergelijken met een haven vol schepen; wij zullen er dus op onzen overtocht menige passeeren. Het is maar een overstapje,” vervolgde hij, met zijn lorgnet spelende, „maar een overstapje. Het mag geen afstand heeten.”
Ik denk nu dikwijls hoe dwaas het toch was, dat mijnheer Micawber, als hij van Londen naar Canterbury moest, deed alsof hij naar het uiterste einde van de aarde ging, terwijl hij nu over zijne reis naar Australië sprak als over een tochtje naar Calais.
„Indien de gelegenheid zich voordoet,” hernam mijnheer Micawber, „zal ik op reis nog wel eens de eene of andere geschiedenis kunnen vertellen; en de stem van mijn zoon Wilkins zal aan het kombuis-vuur zeker welkom zijn. Als mevrouw Micawber niet zeeziek is zal zij ongetwijfeld wel eens Little Tafflin voor hen willen zingen en het sein geven tot een dansje. Zwaardvisschen en dolfijnen zullen zich, naar ik onderstel, meermalen voor de boeg laten zien; zoowel aan bakboord als aan stuurboord zullen zich zonder twijfel zooveel merkwaardigheden opdoen dat de overtocht mij een droom zal lijken op het oogenblik dat de matroos in de mastkorf „Land” roept.”
Hij had dit alles met zijn gewonen zwier uitgesproken en dronk nu zijn kroes ledig alsof hij reeds aan het einde van zijne reis was en een eerste klasse-examen had afgelegd in de zeevaartkunde voor de hoogste autoriteiten.
„Wat ik vooral hoop, mijn waarde Copperfield,” zei mevrouw Micawber, „is dat sommige takken onzer familie in het moederland zullen herleven. Frons uwe wenkbrauwen niet, Micawber! Ik heb nu niet het oog op mijn eigen familie, maar op onze kindskinderen. Hoe krachtig de jonge boom ook is,” vervolgde zij hoofdschuddend, „ik kan den stamboom niet vergeten; mocht onze stam nog eens tot aanzien en rijkdom komen dan hoop ik dat die rijkdommen zullen vloeien in de schatkist van Groot-Brittannië!”
„Lieve,” zei mijnheer Micawber, „Groot-Brittannië moet zelf maar zien hoe zij er komen zal. Ik voel mij verplicht te zeggen dat het nooit veel voor mij gedaan heeft en dat ik op dat punt geen bijzondere wenschen heb.”
„Micawber,” antwoordde zijne vrouw, „nu hebt gij ongelijk. Gij gaat niet naar dat verre land om de betrekkingen met Oud-Albion te verzwakken, maar om de banden nauwer aan te halen.”
„Ik kan niet zeggen,” hernam mijnheer Micawber, „dat die betrekkingen mij dankbaar genoeg gestemd hebben om te wenschen nieuwe aan te knoopen.”
„Micawber, nu hebt gij nogmaals ongelijk, gij kent uw eigen kracht niet, Micawber. Juist uwe kracht zal door den stap, dien gij op het punt zijt te doen, de betrekkingen tusschen u en Albion versterken.”
Mijnheer Micawber bleef met hoog opgetrokken wenkbrauwen in zijn armstoel zitten, de inzichten van zijne vrouw half deelende, half terugwijzende, maar toch zeer gevoelig voor hare goede meening omtrent hem.
„Beste Copperfield,” hernam mevrouw Micawber, „ik zou zoo gaarne willen dat mijnheer Micawber zijne positie beter voelde. Het komt mij voor dat mijnheer Micawber van den dag der inscheping af zijne positie beter moet gaan voelen. Gij, die ons al zoo lang kent, beste Copperfield, zult wel weten dat ik niet zoo optimistisch ben als mijnheer Micawber. Ik ben meer practisch van aard, als ik dat zoo maar eens zeggen mag. Ik weet dat wij eene langdurige reis voor ons hebben en dat ons tallooze ontberingen en ongemakken voor de deur staan. Ik kan mijn oogen niet sluiten voor de feiten. Maar ik weet ook wie mijnheer Micawber is; ik weet ook hoeveel wilskracht mijnheer Micawber bezit en ik acht het daarom van het hoogste belang, dat mijnheer Micawber van het begin af zijne positie zal voelen.”
„Lieve,” viel hij in, „gij zult mij wellicht willen toestaan de opmerking te maken dat ik mogelijk mijne positie op dit oogenblik reeds zeer goed voel.”
„Ik kan het niet gelooven,” hernam zij. „Niet geheel. Beste Copperfield, mijnheer Micawber verkeert niet in een gewoon geval. Mijnheer Micawber vertrekt naar een vreemd land om wellicht voor de eerste maal op zijne volle waarde geschat te worden. Ik wensch dat mijnheer Micawber zich plaatsen zal op den voorsteven van het schip en uitroepen: „Dit land kom ik veroveren! Hebt gij roem en eer? Hebt gij rijkdom? Hebt gij voordeelige betrekkingen? Breng ze dan hier! Ze zijn mijn!””
Mijnheer Micawber glimlachte tegen ons en scheen te meenen dat dit denkbeeld nog zoo heel dwaas niet was.
„Ik wensch dat mijnheer Micawber—wellicht drukte ik mij niet duidelijk genoeg uit—,” vervolgde zij met den grootsten ernst, „de veroveraar worden zal van zijn eigen fortuin. Dat, beste Copperfield, schijnt mij de eenige ware opvatting toe van zijne positie. Van het eerste oogenblik af wensch ik dat mijnheer Micawber op den voorsteven zal staan en zeggen: „Genoeg gedraald! Genoeg teleurstellingen! Genoeg armoede! Hier is een nieuw land! Breng mij vergoeding! Leg uwe schatten aan mijne voeten!””
Mijnheer Micawber sloeg de armen zoo vastberaden over elkander alsof hij reeds op den voorsteven stond.
„En indien hij dat doet,” hernam mevrouw Micawber, „indien hij zijne positie begrijpt, zal mijnheer Micawber dan de banden, die hem aan Brittannië verbinden, niet nauwer toehalen? Indien hij op dat andere halfrond een voornaam persoon in het openbare leven wordt, zal zijn invloed dan niet in zijn geboorteland worden gevoeld? Hoe zou ik zoo dom kunnen zijn om mij te verbeelden dat indien mijnheer Micawber in Australië tot macht en aanzien komt, men in Engeland daarvan niets zou ondervinden? Ik ben maar eene vrouw maar ik zou mij zelve en mijn papa onwaardig zijn, indien ik zoo dom was.”
Mevrouw Micawber's overtuiging dat hetgeen zij beweerde onwederlegbaar was gaf aan haar toon eene verheffing, die ik daarin nog nooit in zulk eene mate had bespeurd.
„En daarom wensch ik ook,” ging zij voort, „dat wij onze laatste levensdagen op Engeland's grond mogen slijten. Mijnheer Micawber kan—ik kan de waarschijnlijkheid zelfs niet ontveinzen dat mijnheer Micawber zal—een blad geschiedenis worden; hij behoort zich dan te vertoonen in het land, dat hem het aanzijn gaf, doch zijne talenten verwaarloosde!”
„Lieve,” merkte mijnheer Micawber hierop aan, „het is niet mogelijk mij niet getroffen te voelen door uwe liefde. Ik wil mij altijd gaarne neerleggen bij uwe verstandige inzichten. Wat geschieden moet—zal geschieden. De Hemel verhoede dat ik mijn geboortegrond iets zou onthouden van de schatten, die wellicht door onze afstammelingen zullen worden verzameld!”
„Goed gezegd!” riep tante, terwijl zij baas Peggotty een wenk gaf, „ik drink op ons aller vriendschap en wensch u toe, dat zegen en voorspoed in uw nieuwe vaderland uw deel mogen zijn.”
Baas Peggotty zette de kinderen, die op zijne knieën zaten, op den grond, ten einde met mijnheer en mevrouw Micawber en met ons allen aan te stooten en toen hij en de Micawbers elkander hartelijk de hand schudden en zijn gelaat door een glimlach werd verhelderd, voelde ik dat hij zijn weg zou vinden en overal een goeden naam achterlaten en bemind zou worden.
De kinderen mochten hunne houten lepels in den kroes van mijnheer Micawber steken en mede drinken op aller welzijn. Toen dit gebeurd was stonden tante en Agnes op en namen afscheid van de landverhuizers. Allen waren zeer aangedaan, er werd geschreid en de kinderen hielden Agnes aan den mantel vast; wij lieten de arme mevrouw Micawber in eene zeer bedroefde stemming achter; zij snikte en schreide bij een flauw brandende kaars, die de kamer, van de rivier gezien, een treurigen indruk deed maken.
Den volgenden morgen ging ik mij overtuigen dat zij weg waren. Zij waren te vijf uren met een bootje vertrokken. Hoewel ik hen slechts den vorigen avond in dat bovenkamertje gekend had, wekte dit, nu het zoo eenzaam en verlaten was, toch een gevoel van ledigheid bij mij op.
Den avond van den volgenden dag begaf ik mij met mijne oude Peggotty naar Gravesend. Wij vonden het schip op de rivier, omringd door een onnoemelijk aantal schuitjes; er woei een gunstige wind en het sein van vertrek wapperde aan den grooten naast. Ik huurde een bootje en wij voeren er heen tusschen het gewoel door, waarvan het schip het middelpunt uitmaakte, en gingen aan boord.
Baas Peggotty wachtte ons op het dek en vertelde mij dat mijnheer Micawber een oogenblik te voren nogmaals—nu voor het laatst—gearresteerd was op eene vordering van Heep. Ingevolge mijne opdracht had baas Peggotty de verschuldigde som voor hem betaald en ik gaf hem dien terug. Hij nam ons toen mede tusschendeks en daar verdween al mijn opgekomen vrees, dat er iets van hetgeen was voorgevallen op het strand te Yarmouth tot hem zou zijn doorgedrongen, want mijnheer Micawber nam mij terstond onder den arm en vertelde mij dat zij sinds den vorigen avond onafgebroken bij elkander waren geweest. Het was daar zoo donker en zoo vreemd dat ik in het eerste oogenblik niets kon onderscheiden; langzamerhand echter, toen mijne oogen aan de duisternis gewend begonnen te raken, kreeg ik een gevoel alsof ik in het midden van eene schilderij van Ostade geplaatst was. Tusschen de groote breede planken, balken en schoren, de vele vaten en kisten, pakken en valiezen van de landverhuizers zag men de kooien, waarin deze sliepen, hier en daar door een slingerende lantaarn verlicht, elders door het gele daglicht, dat door een openstaand luik heimelijk binnen keek; overal dicht opeen gedrongen groepen menschen, die vriendschap sloten of afscheid namen van elkander, praatten, schreiden, aten en dronken; sommigen hadden reeds bezit genomen van hunne weinige voetenruimte en het zich daar zoo behagelijk gemaakt als het kon met hunne familie, terwijl de kleinste kinderen op stoeltjes of bankjes waren vastgebonden; anderen, die wanhoopten of zij wel ooit eene behoorlijke rustplaats zouden vinden en met een neerslachtig gelaat rondwandelden. Men zag daar menschelijke wezens van allerlei leeftijd, van wichtjes, die nog nauwelijks drie weken oud waren, tot oude mannen en vrouwen, die schijnbaar nog evenveel weken te leven hadden; van landbouwers die werkelijk een stukje van Engeland's grond aan hunne laarzen meedroegen, tot smeden, wien het Engelsche roet en de Engelsche smook nog op het gelaat kleefden, alle leeftijden en beroepen schenen in de nauwe ruimte tusschendeks te zijn saamgekomen.
Toen ik rondkeek meende ik bij een geopend luik eene gestalte te zien zitten, die mij aan Emily deed denken; een van mijnheer Micawber's kinderen zat bij haar. Zij trok mijne aandacht het eerst toen ik eene andere gestalte met een kus afscheid van haar zag nemen, eene gestalte, die mij aan.... Agnes herinnerde. De snel afwisselende indrukken, de verwarring, die er heerschte, mijn eigen ongeregelde gedachtengang, alles te zamen was oorzaak dat ik haar terstond weder uit het oog verloor; ik wist alleen dat het tijdstip naderde waarop alle bezoekers gewaarschuwd zouden worden om het schip te verlaten, dat Peggotty naast mij stond te schreien en dat juffrouw Gummidge, bijgestaan door eene jongere vrouw in het zwart, bezig was baas Peggotty's bagage te rangschikken.
„Hebben wij elkaar nog iets te zeggen, mijnheer Davy?” vroeg baas Peggotty. „Is er ook nog iets vergeten?”
„Nog iets, ja,” antwoordde ik. „Martha.”
Hij klopte de vrouw in het zwart op den schouder en daar stond Martha voor mij.
„De hemel zegen' u, brave kerel!” riep ik uit. „Neemt gij haar met u mede?”
Zij antwoordde in zijne plaats met een vloed van tranen. Ik kon op dit oogenblik niet meer spreken, maar ik drukte hem de hand; indien ik ooit een man heb liefgehad en geacht, dan was het de brave baas Peggotty op dit oogenblik!
De bezoekers moesten het schip verlaten; de zwaarste taak wachtte mij nog. Ik vertelde hem wat de edele ziel, die was heengegaan, mij opgedragen had bij het afscheid te zeggen. Hij was er diep door bewogen; maar toen hij mij allerlei voor die doove ooren opdroeg, dat getuigde van zijne innige genegenheid en liefde, toen werd het mij bang te moede.
De tijd was daar, ik omhelsde hem, nam mijne schreiende Peggotty onder den arm en snelde haastig weg. Op het dek nam ik afscheid van de arme mevrouw Micawber. Zij keek voortdurend uit naar hare familie, doch te vergeefs; haar laatste woorden tot mij waren dat zij mijnheer Micawber nimmer ..... nimmer zou verlaten.
Wij stapten in onze boot en bleven op eenigen afstand liggen om het schip te zien vertrekken. Het was toen kalm weer en de zon scheen helder en warm. Het schip lag tusschen ons en het roode licht in, zoodat alle lijnen scherp tegen den gloed op den achtergrond afstaken. Nooit zag ik een schouwspel, dat tegelijk zoo schoon, zoo droevig en zoo opwekkend was als dit fraaie schip, daar stil liggende op de kabbelende golven, terwijl allen, die aan boord waren, naar de verschansing drongen en daar gedurende eenige oogenblikken blootshoofds en zwijgend staan bleven.
Zwijgend, doch slechts een oogenblik. Toen de zeilen zich ontplooiden en er beweging kwam in het schip, brak van alle booten een driewerf hoera los, dat aan boord werd overgenomen en beantwoord en nogmaals en nogmaals van weerszijden werd herhaald. Mijn hart was tot berstens toe vol, toen ik die kreten hoorde en met hoeden en zakdoeken zag zwaaien en.... toen zag ik haar ook. Ik zag haar naast haar oom met de hand op zijn schouder. Hij wees haar ons bootje en toen zag zij ons ook en wuifde mij haar laatst vaarwel toe.
Ja, Emily, mooie kwijnende Emily, schenk hem al het vertrouwen dat uw gewond hart schenken kan, want hij heeft u al zijne liefde geschonken en op u vertrouwd met zijn gansche hart.
Statig dreven zij voort, door het rozeroode zonlicht beschenen, van de anderen een weinig afgezonderd, zij steunend op hem en hij met den arm om haar heengeslagen. Toen wij aan wal kwamen was de zon achter de Kentsche heuvelen ondergegaan en zoowel op de aarde als in mijn hart was het duister.
LVIII
Mijn verblijf buitenslands.
Een lange sombere nacht was voor mij neergedaald, waarin de herinnering aan menige hoopvolle verwachting, aan menig dierbaar gelaat, menige dwaling, menig nutteloos verdriet mij wakker hield.
Ik verliet Engeland, niet wetende—zelfs toen nog niet—hoe groot de schok was, dien ik moest doorstaan. Ik verliet allen, die mij dierbaar waren, en ging heen in de meening dat het zwaarste reeds gedragen was. Evenals een krijgsman in den slag door een kogel getroffen wordt zonder het in het eerste oogenblik te bemerken, zoo had ik, toen ik met mijn ongelouterd hart alleen was, geen besef van de wonde, waarmede ik rondliep.
Dat besef kwam tot mij, niet op eens maar langzamerhand; met ieder uur groeide het verlaten gevoel, dat ik bij mijn vertrek had bespeurd, aan. In het eerst was het niets dan een niet te omschrijven gevoel van verlatenheid en verdriet, waarin ik weinig anders ontdekte. Bijna onmerkbaar breidde dat gevoel zich uit tot een hopeloos besef van al hetgeen ik verloren had: liefde, vriendschap, belangstelling; van al hetgeen voor eeuwig voorbij was: mijn eerste genegenheid, het geheele groote luchtkasteel van mijn leven; van al wat mij was overgebleven: eene eenzame woestijn, die zich rondom mij uitstrekte tot aan den duisteren horizon.
Mijne smart is wellicht zelfzuchtig geweest, maar ik zag dat toen niet in. Ik treurde over mijn kind-vrouwtje, dat nog in den bloeitijd van haar jonge leven van mij was weggenomen. Ik treurde over het verlies van hem, die de liefde en bewondering van duizenden zou hebben kunnen winnen evenals hij de mijne gewonnen had. Ik treurde om het gebroken hart, dat rust had gevonden in de kokende zee, en over de arme ballingen uit de eenvoudige woning waar ik den nachtwind had hooren loeien, toen ik nog een kind was.
De hoop, dat ik ooit weder deze opeenstapeling van treurigheid zou te boven komen, verdween eindelijk geheel. Ik zwierf van de eene plaats naar de andere, steeds mijn zwaren last met mij meedragende. Ik voelde nu de geheele zwaarte op mij drukken, ik ging daaronder gebukt en eene stem in mijn hart zeide mij dat er geen verlichting meer mogelijk was.
Toen mijne neerslachtigheid het toppunt bereikt had, meende ik te zullen sterven. Somtijds kwam de wensch in mij op, dat ik in mijn eigen huis mocht sterven en werkelijk keerde ik dan om op mijn weg, ten einde spoediger daar te zijn. Op andere tijden reisde ik door van stad tot stad, niet wetende wat ik daar zocht en onder den indruk of ik trachtte aan iets te ontkomen; terwijl ik zelf niet wist waaraan.
Het is mij niet mogelijk al de phasen, waarin de droefheid mij bracht, te beschrijven. Sommige droomen kan men niet anders dan onvolledig en onduidelijk beschrijven en wanneer ik mij zelven dwing op dit tijdperk van mijn leven terug te zien, dan komt het mij voor alsof ik toen in zulk een droom heb geleefd. Ik zie mij dan droomend rondzwerven tusschen de merkwaardigheden van allerlei steden, tusschen paleizen, kerken, tempels, schilderijen, kasteelen, graftomben en schilderachtige straten—alle overblijfselen uit lang vervlogen eeuwen; overal met mijn zwaren last bevracht en nauwelijks bewust van hetgeen ik gezien had, wanneer ze weder verdwenen waren. Ik was ongevoelig voor alles behalve voor mijn verdriet. Donkere nacht heerschte in en om mij. Den hemel zij dank ontwaakte daaruit een nieuwe dageraad voor mij!
Maanden lang bleef ik op reis met deze steeds donkerder wordende wolk in mijne ziel. Te vergeefs trachtte ik de redenen te vinden, die mij mijn pelgrimstocht deden voortzetten in plaats van naar huis terug te keeren. Nu eens zwierf ik van plaats tot plaats zonder mij ergens langer dan noodig was op te houden; dan weder bleef ik langen tijd op ééne plaats dralen. Ik reisde zonder eenig doel; nergens vond ik iets dat mij opbeurde.
Eindelijk was ik in Zwitserland, dat ik uit Italië door een der groote Alpenpassen bereikt had, en dwaalde met een gids dagen lang door het gebergte. Of de plechtige stilte om mij heen daar tot mijn hart gesproken heeft, kan ik niet zeggen. Ik had vol bewondering voor de grootschheid van de woeste natuur, van de hemelhooge toppen en onpeilbare afgronden, van de bruisende bergstroompjes en de onafzienbare ijsvlakten rondgedwaald, maar tot nog toe hadden ze mij niets geleerd.
Op zekeren avond kwam ik even voor zonsondergang in eene vallei, waar ik den nacht zou doorbrengen. Terwijl ik afdaalde langs het pad, dat zich langs den berg slingerde en het dal in al zijne bekoorlijkheid aan mijne voeten lag, zal waarschijnlijk de vredige aanblik, dien ik op dit oogenblik genoot, het sluimerende gevoel voor schoonheid en vrede in mijne borst hebben doen ontwaken. Ik herinner mij ten minste dat ik plotseling bleef stilstaan met eene gewaarwording, die mijne smart minder drukkend, minder wanhopend maakte. Ik herinner mij zelfs te hebben gevoeld hoe de hoop in mij ontwaakte, dat er nog eens eene verandering ten goede in mij zou plaats vinden.
Toen ik het dal had bereikt, bescheen de zon de toppen der omringende sneeuwbergen, die het insloten als eeuwigdurende wolken. Het kleine dorpje, dat voor dien dag het einddoel was van mijn tocht, lag aan den groenen voet van deze bergen en hoog boven den weligen plantengroei strekten zich reusachtige pijnwouden uit, die als ondoordringbare harnassen het dal tegen de afrollende sneeuwmassa's beschutten. Daarboven ontwaarde ik lange rijen steile gletschers, grauwe rotsen, breede ijsvlakten en groene weilanden, alles bekroond door de eeuwige sneeuw. Tegen de berghellingen aan lagen hier en daar menschelijke woningen, houten hutjes, doch alle bewoond en schijnbaar zoo klein alsof daar een doos met kinderspeelgoed was opgezet. Deze indruk maakte ook het dorpje met het houten bruggetje over de smalle rivier, die haar weg zocht over de rotsblokken heen en onder de wortels der boomen door. De stilte werd verbroken door het zingen der herders in de verte, maar toen daar eene rozeroode wolk langs het midden van den berg dreef was het mij een oogenblik of het gezang daaruit tot mij doordrong, of het geen aardsche muziek was, die ik hoorde. De plechtige stilte om mij heen, de grootschheid der natuur, de vredige kalmte aan mijne voeten, alles te zamen deed zijn vertroostenden invloed op mij gelden, zoodat ik plotseling mijn afgemat hoofd op het koele gras liet rusten en begon te schreien, zoo hevig te schreien als ik na Dora's dood nog niet had gedaan!
Eenige minuten te voren had ik een pakje brieven gevonden en was daarmede naar buiten geloopen om ze in God's heerlijke natuur te lezen terwijl mijn avondeten werd gereed gezet. In langen tijd had ik niets ontvangen, want eenige brieven hadden mij niet meer bereikt. Behalve eenige regels om te zeggen dat ik wèl was, en hier of daar was aangekomen, had ik zelf niet geschreven; de moed had mij daartoe ontbroken.
Het pakje was nu in mijn bezit; ik opende het en las het eerst den brief van Agnes.
Zij voelde zich gelukkig en tevreden en was nuttig werkzaam; het ging haar zoo voorspoedig als zij gehoopt had. Dat was alles wat zij van zich zelve vertelde. Het overige betrof mij. Zij gaf mij geen raad en hield mij geen plichten voor, alleen vertelde zij op hare eigenaardige, hartelijke wijze hoe zij op mij vertrouwde. Zij wist—schreef zij, dat een karakter als het mijne het goede zou zoeken in de smart. Zij wist hoe de beproevingen en gemoedsaandoeningen het zouden louteren en sterken. Zij was overtuigd dat het ondervonden leed mij in eene betere, hoogere richting zou leiden. Zij, die zich zoo verheugd had in de door mij behaalde lauweren, die zoo gehoopt had dat ze steeds grooter en grooter zouden worden, zij wist wel dat ik mijne voornaamste troost zou zoeken in den arbeid. De beproevingen, welke ik in mijne jeugd had moeten doorstaan, hadden zonder twijfel medegewerkt om van mij te maken wat ik geworden was; het veel grooter leed, dat mij thans had getroffen, zou mij ongetwijfeld nog beter maken, evenals ik daardoor geleerd had, zou ik weder anderen leeren. Zij beval mij aan in de hoede van God, die mijn lieveling tot zich genomen had; zij zou steeds met zusterlijke genegenheid naast mij staan en mij vergezellen waarheen ik wilde, trotsch als zij was op hetgeen ik geworden was, nog trotscher op hetgeen ik nog beloofde te worden.
Ik stak den brief in mijn borstzak en dacht na over hetgeen ik een uur geleden nog was geweest! Toen het gezang langzaam wegstierf en de rozeroode avondwolk al dunner en dunner werd, de kleuren in het dat verflauwden en de gouden sneeuw op de toppen der bergen samensmolt met de grijze lucht, voelde ik toch dat de nacht, die mijne ziel had omhuld, langzaam wegtrok, dat de duisternis had opgehouden, dat ik haar, die mij tot nu toe zoo lief was geweest, voortaan liever zou hebben dan ooit. Ik las den brief vele, vele malen over en antwoordde haar eer ik mij te rusten begaf. Ik vertelde haar dat ik hare hulp zoo noodig had gehad, dat ik zonder haar niets was en nooit iets geweest was; dat zij mij bezielde bij alles wat ik deed en dat ik al mijne krachten zou inspannen om hare verwachtingen niet te beschamen. En ik spande al mijne krachten in. Nog drie maanden en er zou een jaar verloopen zijn sinds het begin van mijn leed. Voor deze drie maanden om waren wilde ik geen plannen maken voor de toekomst; ik bleef dien geheelen tijd wonen in het dal en in de nabijheid er van. Toen de drie maanden voorbij waren, besloot ik nog eenigen tijd in Zwitserland te blijven; het bekoorlijke dorpje was mij lief geworden omdat de herinnering aan den omkeer in mijn gemoed er aan verbonden was. Ik bleef dus en ging met ijver aan den arbeid.
Gehoorzaam volgde ik Agnes' raad en zocht troost in de Natuur en.... nooit vruchteloos en ik begon weder belangstelling te koesteren voor de menschen om mij heen. Het duurde dan ook niet lang of ik had daar evenveel vrienden als te Yarmouth en toen ik, voor de winter inviel, naar Genève vertrok en tegen de lente terugkwam, klonk mij hunne hartelijke begroeting in de ooren alsof ik was teruggekeerd in mijn eigen huis, al werden ze niet in het Engelsch uitgesproken.
Ik arbeidde van den morgen tot den avond aan een roman, waarvan de inhoud niet vreemd was aan mijn eigen ervaringen, en zond dien aan Traddles. Hij bezorgde de uitgave op eene wijze, die voor mij zeer voordeelig was, en de geruchten van mijne toenemende vermaardheid bereikten mij door reizigers, die ik toevallig ontmoette. Na eenige rust en ontspanning begon ik met dienzelfden ijver een nieuw denkbeeld uit te werken en hoe meer ik vorderde hoe aangenamer mij deze taak werd, zoodat ik al mijne krachten inspande om iets goeds tot stand te brengen. Het was mijn derde roman, maar ik had dien nog niet half af, toen de lust in mij wakker werd om naar huis terug te keeren.
Hoewel ik met ijver en geduld had voortgewerkt, had ik in den laatsten tijd toch ook veel lichaamsbeweging genomen. Mijne gezondheid, die voor ik Engeland verliet veel geleden had, was nu weder geheel zooals in vroeger dagen. Ik had veel gezien, vele landen doorreisd en naar ik hoop mijne kennis in een aantal opzichten vermeerderd.
Op ééne uitzondering na heb ik thans alles in deze bladzijden opgeteekend wat ik van dit tijdperk noodig acht mede te deelen. Tot dusver heb ik dat gedaan zonder in een enkel opzicht mijne gedachten aan banden te leggen, want, zooals ik reeds elders schreef: dit verhaal is uit mijn geheugen opgeschreven. Ik wil echter thans ook deze uitzondering meedeelen. Ik kan niet zoo geheel doordringen in de geheimen van mijn eigen hart om te weten wanneer voor het eerst de gedachte in mij opkwam dat Agnes eigenlijk mijn eerste en eenige liefde had behooren te zijn. Ik kan niet zeggen in welk tijdperk van mijn bitter verdriet het mij voor het eerst duidelijk werd welk een schat van liefde ik in mijne jongensjaren had weggeworpen. Ja, hare liefde zou een onwaardeerbare schat voor mij geweest zijn en ik had dien weggeworpen. Ik onderstel dat reeds eene geheimzinnige stem mij deze gedachte heeft ingefluisterd, toen mij het ongelukkige gevoel bekroop dat ik iets miste in mijn leven, dat er iets, waarvan ik gedroomd had, niet verwezenlijkt was. Deze gedachte keerde later in mijne ziel terug als een verwijt, later, toen ik zoo treurig en eenzaam was achtergelaten in de wereld.
Ware ik in dien tijd veel met haar geweest, ik zou in mijn wanhoop zwak genoeg geweest zijn om mij te verraden. De vrees daarvoor was ook een van de redenen, die mij noopten eenigen tijd buiten Engeland te vertoeven. Ik zou geen grein van hare zusterlijke genegenheid hebben willen verliezen en had ik mij verraden, dan zou ik zonder twijfel een hinderpaal tusschen ons hebben opgeworpen. Ik kon niet vergeten dat de verhouding, welke thans tusschen ons bestond, het gevolg was van mijn eigen vrije keuze. Had zij mij ooit op andere wijze liefgehad—somtijds meende ik dat er een tijd geweest is wanneer dat het geval was—dan had ik hare liefde weggeworpen. Het baatte nu niet meer, dat ik mij gewend had aan haar te denken zooals ik deed toen wij beiden nog kinderen waren, als aan iemand, die ver boven mij verheven was. Ik had mijne hartstochtelijke liefde aan een ander gegeven en wat Agnes nu voor mij was, had haar eigen edele hart haar gemaakt. In het begin van de verandering, die langzamerhand in mij plaats greep, toen ik mijn best deed om mij zelven beter te leeren begrijpen en een beter mensch te worden, zag ik door een onbepaalden proeftijd heen naar een tijdperk, waarin het mij wellicht gegeven zou zijn het verleden uit te wisschen en het geluk te hebben haar toch nog tot mijne vrouw te maken. Toen de tijd voorbijging, verdween deze hoop allengs. Indien zij mij ooit had bemind, moest zij in mijne oogen bijna een heilige zijn, als ik mij herinnerde hoeveel vertrouwen ik in haar gesteld had, hoe zij bekend was geweest met de afdwalingen van mijn hart, hoeveel het haar gekost moest hebben om eene vriendin en zuster voor mij te blijven, en hoe zij de overwinning behaald had. En indien zij mij nooit had bemind, zou zij mij dan thans kunnen liefhebben? Ik had mij altijd zwak gevoeld tegenover hare flinkheid en standvastigheid en thans voelde ik mij zwakker dan ooit. Wat ik ook voor haar geweest mocht zijn of zij voor mij, indien ik haar jaren geleden meer waardig mocht zijn geweest, thans was ik dat niet meer. Ik had den tijd laten voorbijgaan en verdiende haar voor eeuwig te hebben verloren. Dat ik in deze omstandigheden leed, dat ze mij vervulden met berouw en spijt en ik mij toch volkomen bewust was van den eisch, dien eer en plicht mij stelden, om het denkbeeld te verbannen dat ik mij thans, nu mijne idealen vervlogen waren, tot het lieve meisje zou wenden, terwijl ik haar eigenlijk verloochend had toen het leven nog schitterend voor mij lag—is zoo waar als ik het op dit oogenblik neerschrijf. Deze beschouwing lag aan elke gedachte, die ik haar wijdde, ten grondslag. Ik deed geen moeite om voor mij zelven te verbergen dat ik haar liefhad, dat ik haar aanbad; maar ik dwong mij zelven te gelooven dat het thans te laat was, dat de verhouding, waarin wij zoo lang tot elkander hadden gestaan, thans moest blijven zooals ze was. Ik trachtte in hetgeen had kunnen zijn een middel te vinden om tot wat meer zelfverloochening en standvastigheid te komen, mij zelven en mijne dwalingen en gebreken beter te leeren kennen. Door te peinzen, over hetgeen had kunnen zijn, kwam ik tot de overtuiging dat het nooit meer zijn kon.
Zoo was in de drie jaren, welke tusschen mijn vertrek en mijne terugkomst verliepen, mijne ziel vol tegenstrijdigheden; ik raakte in mijn eigen denkbeelden verward. Drie jaren waren voorbijgegaan sinds het landverhuizersschip vertrok, toen ik op hetzelfde uur, bij het ondergaan der zon, op dezelfde plaats, op het dek van de pakketboot stond, die mij huiswaarts bracht, turende op dezelfde rood gekleurde golven, waarin ik het beeld van het schip had zien weerkaatsen. Drie jaren! Een lange tijd, die toch zoo snel was voorbijgegaan! Ik verlangde naar mijn vaderland en naar Agnes, maar zij was niet de mijne en zou nimmer de mijne zijn... zij had het kunnen wezen, maar die tijd was voorbij!
LIX. Terugkomst
Ik kwam op een kouden herfstavond in Londen aan. Het was duister en regenachtig, zoodat ik in eene minuut meer mist en modder zag dan ik daar ginds in een geheel jaar gezien had. Ik wandelde een eind op eer ik een „cab” vond en hoewel de gevels der huizen met de overloopende dakgoten oude bekenden van mij waren, kon ik toch niet ontkennen dat ze bijzonder vuile bekenden waren.
Ik had meermalen opgemerkt—ik onderstel dat menigeen dezelfde opmerking gemaakt heeft—dat het somtijds schijnt, alsof iemands vertrek uit eene hem welbekende plaats het sein moest wezen voor allerlei veranderingen. Toen ik nu uit het portierraampje keek en opmerkte dat een oud huis in Fish-street Hill, waaraan in de laatste eeuw timmerman noch schilder eene hand hadden uitgestoken, gedurende mijne afwezigheid omvergehaald en dat eene naburige straat, waarin onreinheid en ongezondheid haar tempel hadden opgeslagen, verbreed en van een riooleering voorzien was, verwachtte ik zelfs de St. Pauluskerk verouderd te vinden.
Op enkele veranderingen in de omstandigheden van mijn vrienden was ik voorbereid. Tante woonde reeds langen tijd weder te Dover en Traddles had kort na mijn vertrek wat praktijk gekregen als advocaat. Hij woonde nu op kamers in Gray's Inn en had mij in zijn laatsten brief meegedeeld, dat hij nu begon te hopen binnen een niet al te langen tijd vereenigd te worden met het liefste meisje van de wereld.
Zij verwachtten mij vóór Kerstmis terug, maar zoo spoedig als ik thans onder hunne oogen kwam niet. Ik had hen opzettelijk misleid ten einde het genoegen van eene verrassing te smaken. En thans was ik onredelijk genoeg om eenige teleurstelling te voelen toen ik niet verwelkomd werd en daar eenzaam en zwijgend door de mistige straten reed.
De welbekende winkels met hunne vroolijke lichtjes maakten echter veel goed en toen ik bij het Gray's Inn koffiehuis uitstapte verkeerde ik in eene opgeruimde stemming. Ik werd op dit oogenblik herinnerd aan den tijd, toen ik zoo menigmaal aan het logement Het Gouden Kruis was afgestapt en aan de veranderingen, welke sinds dien tijd hadden plaats gegrepen, maar dat was natuurlijk.
„Weet gij ook waar Mr. Traddles woont in de Inn?” vroeg ik aan den kellner, terwijl ik mij bij den haard in de koffiekamer stond te warmen.
„Holborn Court, mijnheer, No. 2.”
„Bedrieg ik mij niet dan begint Mr. Traddles naam te maken aan de rechtbank?” vroeg ik weder.
„Waarschijnlijk wel, mijnheer,” antwoordde de kellner, „maar ik kan het u niet zeggen.”
Deze kellner was een magere man van middelbaren, leeftijd en riep de hulp in van een deftiger collega, een zwaarlijvige bejaarde man met een onderkin, zwarte, korte broek en kousen, die uit een hokje te voorschijn kwam, dat op een kostersbankje leek, aan het eind van de koffiekamer, waar hij het beheer voerde over de kas, het adresboek, een lijst van de leden van het Parlement en eenige andere boeken en papieren.
„Mr. Traddles,” herhaalde de magere, „is immers Holborn Court, No. 2?”
De zwaarlijvige gaf hem een wenk om heen te gaan en wendde zich met eenige deftigheid tot mij.
„Ik vroeg,” herhaalde ik, „of Mr. Traddles niet reeds een goeden naam heeft onder de advocaten in Holborn Court?”
„Ik heb zijn naam nooit gehoord,” antwoordde de man met zijne heesche stem.
Ik werd een weinig verlegen ter wille van Traddles.
„Hij is zeker nog jong?” vroeg de zwaarlijvige, terwijl hij mij met een strengen blik opnam. „Hoe lang woont hij reeds in de Inn?”
„Nog geen drie jaar,” antwoordde ik.
De man, die zonder twijfel langer dan veertig jaren in zijn kostersbankje had gezeten, kon zulk een weinig beteekenend onderwerp niet voortzetten. Hij vroeg mij daarom wat ik zou gebruiken.
Ik voelde dat ik weder in Engeland was en maakte mij een weinig bezorgd over Traddles. Het scheen wel dat niets hem kon gelukken. Ik bestelde een moot visch en eene portie biefstuk en bleef bij het vuur zitten peinzen over mijn vriend.
Toen ik den eersten bediende eenigen tijd had gadegeslagen kon ik niet nalaten te denken dat de tuin, waarin hij langzamerhand was gerijpt tot hetgeen hij nu was, geen gelegenheid bood om welig te tieren. Over alles lag zulk een deftig waas; alles was er even stijf en ouderwetsch. De vloer was zonder twijfel op dezelfde wijze met zand bestrooid geweest toen de eerste bediende nog een jongen was—indien hij namelijk ooit een jongen geweest was, hetgeen mij niet waarschijnlijk voorkwam; de spiegelgladde mahonyhouten tafels weerkaatsten mijn gelaat zooals ze het vermoedelijk vijftig jaar geleden dat van andere bezoekers gedaan hadden; de olielampen brandden en glommen onberispelijk; de warme, groene gordijnen met de blinkende koperen roeden beletten den doortocht aan het minste tochtje; de twee groote houtvuren brandden met onverflauwde helderheid; de lange rijen karaffen staarden mij aan, alsof ze zich bewust waren van de groote hoeveelheid oude Port à Port, die in den kelder lag opgeslagen; alles was deftig en bracht mij tot het besef, dat eene goede plaats aan de rechtbank in Engeland evenmin stormenderhand te veroveren was als Engeland zelf. Ik ging naar mijne kamer om mijne vochtige kleederen met andere te verwisselen en ik zie dat reusachtige vertrek met de eikenhouten betimmering—het lag boven de hoofdpoort van Gray's Inn—nog voor mij, evenals het deftige, breede ledikant met de vier gebeeldhouwde stijlen en de zware eikenhouten kabinetten.... alles scheen samen te werken om jonge menschen te wijzen op den ernst des levens. Ik kwam beneden om het middagmaal te gebruiken en ook hier weder spraken mij de langzame, plechtige wijze, waarop ik bediend werd, en de doodsche stilte in de zaal—het was nog vacantie zoodat er bijna geen bezoekers waren—van de roekeloosheid van Traddles, om in de eerste twintig jaren hoop te durven voeden op een bestaan.
Zoo lang ik afwezig geweest was had ik zoo iets niet gezien, zoodat alle hoop voor mijn vriend verdween. De eerste bediende scheen genoeg van mij te hebben: hij kwam niet meer in mijne buurt, maar wijdde zijne diensten aan een ouden heer met hooge slobkousen, voor wien zelf een flesch wijn van een bijzonder merk uit den kelder werd gehaald zonder dat hij iets besteld had. De tweede bediende fluisterde mij in dat die heer een schatrijke notaris in ruste was, die, naar men vertelde, al zijn geld aan de dochter van zijne waschvrouw zou nalaten; ook wist men bij gerucht, dat hij een geheel zilveren tafelservies bezat, waarvan niemand echter ooit meer dan een lepel en een vork onder de oogen had gehad. Op dit oogenblik achtte ik Traddles verloren en begreep ik dat er volstrekt geen hoop meer voor hem was.
Aangezien ik niettemin zeer verlangend was naar mijn ouden vriend, bespoedigde ik mijn middagmaal zooveel mogelijk, waardoor ik in geenen deele, in aanzien steeg bij den ouden bediende, zoodat ik mij maar haastte om door eene achterdeur weg te komen. Holborn Court No. 2 was spoedig gevonden en een bordje op den deurpost bracht mij tot de wetenschap, dat Mr. Traddles op de bovenste verdieping woonde. Ik klom de oude, half vermolmde trap op en vond elk portaal verlicht door een morsig olielampje, waarvan de walm mij telkens tegenkwam. Al voortstrompelend meende ik op de bovenverdieping heel smakelijk te hooren lachen, niet door een advocaat of procureur, noch door een advocaats- of procureursklerk, maar door een paar vroolijke jonge meisjes. Aangezien ik echter, stilstaande om te luisteren, met mijn voet in een gat terecht kwam, hetgeen mij weder aan den eerbiedwaardigen ouderdom van Gray's Inn herinnerde, viel ik met zooveel geraas tegen de trap aan, dat het gelach plotseling verstomde. Wat voorzichtiger dan tot nu toe zette ik den tocht voort en mijn hart begon sneller te kloppen, toen ik de deur, waarop met groote letters „Mr. Traddles” geschilderd was, open vond. Ik klopte aan, doch vernam niets dan een verdacht geschuivel, waarop ik nogmaals klopte.
Een kleine jongen met een slim gezicht, die blijkbaar als klerk en als loopjongen dienst deed, kwam bijna ademloos naar buiten en keek mij aan, alsof hij mij uitdaagde om op wettige wijze aan te toonen dat ik iets verdachts had gehoord.
„Is Mr. Traddles thuis?” vroeg ik.
„Ja, mijnheer, maar Mr. Traddles is zeer bezet.”
„Ik moet hem spreken.”
Na mij nog eenige oogenblikken te hebben gadegeslagen besloot de jongen mij binnen te laten en terwijl hij tot dat doel de deur wat verder opende, liet hij mij eerst een klein portaal en daarna een miniatuur-kantoortje binnengaan. Hier vond ik mijn ouden vriend—ook buiten adem—aan een tafel zittende, gebogen over groote stapels papieren.
„Goede Hemel!” riep Traddles, toen hij opkeek. „Het is Copperfield!” Hij vloog mij letterlijk in de armen en ik hield hem stijf vast.
„Alles wel, beste Traddles?”
„Alles wel, beste, beste Copperfield; niets dan goeds kan ik u meedeelen.”
Wij waren beiden aangedaan door de blijdschap van het wederzien.
„Beste kerel,” zei Traddles, in zijne opgewondenheid zijn haar opstrijkende, hetgeen volkomen overbodig was, want het stond zoo rechtop als ooit, „beste Copperfield, wat zijt gij lang weggebleven en wat ben ik blij u terug te zien! En wat zijt gij verbrand! Waarlijk, ik ben zelden zoo blij geweest als op dit oogenblik!”
Ik kon al evenmin woorden vinden om mijne blijdschap uit te drukken.
„En zoo beroemd geworden!” riep Traddles. „Zeg mij nu eens, brave jongen, wanneer zijt gij aangekomen? Waar komt gij vandaan? Wat hebt gij het laatst gedaan?”
Zonder op eene van al zijne vragen een antwoord af te wachten, bleef Traddles, na mij in een leunstoel bij de kachel te hebben geduwd, met eene hand in het vuur porren, terwijl hij met de andere voortdurend aan mijn das trok in de meening dat ik een overjas droeg. Met den pook in de hand omhelsde hij mij nu nogmaals en ik omhelsde hem; wij lachten en schreiden beiden van blijdschap en aandoening en veegden onze oogen af en zaten naast elkander en schudden elkander hartelijk de hand.
„En dat gij daar nu zoo uit de lucht komt vallen,” zei Traddles, „zoo vlak na de plechtigheid!”
„Na welke plechtigheid, beste Traddles?”
„Groote Goedheid!” riep hij met dezelfde groote oogen van vroeger. „Hebt gij dan mijn laatsten brief niet ontvangen?”
„Zeker niet, als daar ten minste iets over eene plechtigheid in stond!”
„Luister dan, Copperfield!” hernam Traddles, terwijl hij zijne haren met beide handen in de hoogte streek en deze daarna op zijne knieën liet rusten: „Ik ben getrouwd!”
„Getrouwd?” riep ik verrast uit.
„Goede Hemel, ja!”, zei Traddles; „door dominee Horace.... met Sophie.... uit Devonshire. Zie hier, brave jongen, zij heeft zich achter het gordijn verstopt!”
Tot mijne groote verbazing kwam op hetzelfde oogenblik het liefste meisje van de wereld lachend en blozend uit haar schuilhoek te voorschijn. Opgewekter, beminlijker, gelukkiger, stralender bruidje heb ik nooit op de wereld ontmoet; ik kon niet helpen dat ik dit terstond moest zeggen. Ik kuste haar zooals men een oude kennis doet en wenschte hun van ganscher harte geluk.
„Goede Hemel!” zei Traddles, „wat zal dat een gezellige avond worden! Wat zijt gij vreeselijk verbrand, Copperfield! Goede Hemel, wat ben ik gelukkig!”
„En ik ook!” zei ik.
„En ik ook!” riep de blozende en lachende Sophie.
„Wij zijn allen zoo gelukkig mogelijk!” zei Traddles. „Zelfs de meisjes zijn gelukkig. Goede Hemel, ik vergat ze geheel en al!”
„Vergeten?” vroeg ik.
„De meisjes,” antwoordde Traddles. „De zusters van Sophie logeeren bij ons. Zij wilden Londen wel eens zien en nu.... zijt gij zoo gestruikeld op de trap, Copperfield?”
„Ja, ik zelf,” antwoordde ik lachend.
„Welnu, toen gij struikeldet,” ging Traddles voort, „was ik met de meisjes aan het stoeien; eigenlijk speelden wij pand verbeuren. Maar aangezien dit niet in overeenstemming is met de deftigheid van Westminster-Hall en al heel vreemd zou schijnen indien een cliënt het zag, zijn zij gevlucht. En nu spelen zij luistervink—daar is geen twijfel aan;” voegde hij er bij met een blik naar een deur van eene andere kamer.
„Het spijt mij;” zei ik hartelijk lachend, „zooveel stoornis veroorzaakt te hebben.”
„Waarlijk,” hernam Traddles op vroolijken toon, „als gij ze had zien wegvliegen en terugkeeren toen gij aankloptet, om hare kammetjes op te rapen, die zij hadden laten vallen, zoudt gij dat niet zeggen. O, ze waren zoo dwaas! Liefste, wilt gij de meisjes halen?”
Sophie trippelde de kamer uit en wij hoorden hoe zij in het andere vertrek met luid gejuich werd ontvangen.
„Is dat nu geen heerlijke muziek, Copperfield?” vroeg Traddles. „O, het is zoo aangenaam! Het schijnt of deze ouderwetsche kamers veel lichter zijn. Voor zoo'n ongelukkigen vrijgezel, die zijn geheele leven alleen gewoond heeft, is het bepaald een genot. Het is verrukkelijk. De arme kinderen hebben zooveel verloren aan Sophie, die, dat verzeker ik u, Copperfield, is en altijd was het liefste meisje.... Gij begrijpt hoe ik mij gestreeld voel nu zij zoo vroolijk zijn. Het gezelschap van jonge meisjes is verrukkelijk, Copperfield! Het is eigenlijk wel niet zooals het behoort, maar het is verrukkelijk!”
Ik merkte, dat hij dit laatste eenigszins aarzelend had uitgesproken, en begrijpende, dat hij in den eenvoud zijns harten vreesde een pijnlijke snaar te hebben aangeroerd, gaf ik op zulk een hartelijken toon mijn instemming te kennen, dat hij zich volkomen gerustgesteld voelde.
„En,” vervolgde Traddles, „ons huishouden is geheel in de war, om u de waarheid te zeggen, beste Copperfield. Dat Sophie hier is, is ook niet zooals het behoort; maar wij zijn nu eenmaal in het schuitje en zullen het er wel in uithouden. Voorloopig hebben wij geen andere woning. En o, Sophie is zulk een knappe huishoudster en heeft zooveel overleg. Gij zoudt u verbazen als gij zaagt, hoe zij al die meisjes bergt. Ik verzeker u dat ik niet begrijp hoe zij 't gedaan krijgt.”
„Hoeveel jonge dames hebt gij dan wel bij u?” vroeg ik.
„De oudste, de Beauty is hier,” antwoordde hij zachtjes en op vertrouwelijken toon, „Caroline. En Sarah is hier.... degene, die, zooals ik u meedeelde, iets aan de ruggegraat mankeerde. Zij is veel, veel beter! En de twee jongsten, die Sophie heeft opgevoed, zijn hier. En Louise is hier.”
„Goede Hemel!” riep ik uit.
„Ja,” zei Traddles. „Alles bij elkaar hebben wij maar drie kamers, maar Sophie heeft het wonderlijk goed geschikt voor de meisjes; zij slapen zoo lekker mogelijk. Drie in gindsche kamer en twee in die!”
Ik kon niet nalaten eens rond te kijken naar het plekje dat voor mijnheer en mevrouw Traddles overbleef en Traddles begreep mijn blik.
„Ik heb u immers gezegd dat wij ons kunnen behelpen,” hernam hij, „en wij hebben ons beholpen met een kermisbed op de kamer. Maar er is nog een dakkamertje—een alleraardigst kamertje als men eenmaal boven is—Sophie heeft het zelve behangen om mij te verrassen; dat is nu ons kamertje. Het is net een klein kajuitje en men heeft er een prachtig uitzicht.”
„En dus zijt gij nu gelukkig getrouwd, beste Traddles,” zei ik. „Wat ben ik daar blij om!”
„Dank u, dank u, beste Copperfield,” antwoordde hij, terwijl wij elkander nogmaals de hand schudden. „Ja, ik ben zoo gelukkig als ik maar zijn kan. Herinnert gij u dezen ouden kennis?” vroeg hij met een zegevierenden blik op den bloemenstandaard, „en daar is het tafeltje met het marmeren blad! En alle andere meubels zijn eenvoudig, maar solide, zooals gij ziet! En wat onze zilverkast aangaat, goede Hemel! wij hebben nog geen theelepeltjes zelfs!”
„Die moeten dus nog verdiend worden!” riep ik vroolijk uit.
„Juist”, antwoordde hij, „die moeten nog verdiend worden. Natuurlijk bezitten wij wel theelepeltjes, want wij moeten onze thee toch kunnen omroeren; maar ze zijn van Christofle-zilver.”
„Als het echte zilver komt zal het zooveel te schitterender zijn,” antwoordde ik.
„Dat zeggen wij ook!” riep Traddles. „Ziet ge, beste Copperfield,”—hij begon weer op dien zachten vertrouwelijken toon te spreken—„toen ik die zaak van Jipes contra Wigzell gewonnen had—dat proces heeft mij naam doen maken—ben ik naar Devonshire gegaan en heb eens ernstig gepraat met dominee Horace. Ik bracht hem in herinnering dat Sophie—zij is werkelijk het liefste meisje van de wereld, dat kan ik u verzekeren, Copperfield....”
„O, ik ben er van overtuigd!” riep ik.
„Zij is het werkelijk!” hernam Traddles, „maar ik vrees van mijn onderwerp te zijn afgedwaald. Sprak ik niet over dominee Horace?”
„Gij zeidet dat gij hem in herinnering bracht....”
„Juist! Ik bracht hem in herinnering dat Sophie en ik al heel lang geëngageerd waren en dat zij, indien hare ouders de toestemming gaven, gaarne mijn vrouwtje zou willen worden,... kortom,” zei hij met zijn ouden jovialen lach, „zelfs al had ik niets dan Christofle theelepeltjes. Goed. Ik stelde dominee Horace dan voor—een beste man, die dominee Horace, een man, die Bisschop moest zijn of ten minste genoeg moest hebben om te leven zonder zich te bekrimpen—dat als ik per jaar tweehonderd en vijftig pond kon verdienen en er vast op kon rekenen het volgend jaar een even groot of een grooter inkomen te zullen hebben; als ik bovendien een woning als deze behoorlijk kon meubeleeren, dan zouden Sophie en ik door de banden des huwelijks vereenigd worden. Ik nam de vrijheid in het midden te brengen, dat wij vele jaren geduld hadden gehad en dat de omstandigheid, dat Sophie thuis moeilijk gemist kon worden, hare liefhebbende ouders niet in verzoeking mocht brengen om zich tegen hare wenschen te verzetten..... zijt gij dat niet met mij eens?”
„Zeker ben ik dat met u eens,” antwoordde ik.
„Ik ben blijde dat gij eveneens denkt als ik, Copperfield, want zonder eenige toespeling op dominee Horace, meen ik toch te moeten aannemen dat ouders, broeders en zoo al meer somtijds bijzonder zelfzuchtig zijn in soortgelijke gevallen. Welnu, ik gaf eveneens als mijn heilig voornemen te kennen dat ik mij nuttig wilde maken voor de geheele familie en als het mij goed gaat in de wereld en hem—ik bedoel dominee Horace—iets mocht overkomen.....”
„Ik begrijp u al,” zei ik.
„.... of mevrouw Crewler, dat ik het dan een aangename plicht zou achten een vader te zijn voor de meisjes. Hij antwoordde mij op eene wijze, die hem eer aandeed en voor mijn gevoel zeer streelend was, waarna hij op zich nam de toestemming te verwerven van mevrouw Crewler. Zij hadden een vreeselijken tijd met haar. Het klom haar van de beenen naar de borst en van daar naar het hoofd.....”
„Wat klom er?” vroeg ik.
„Haar verdriet,” antwoordde Traddles met den grootsten ernst. „Hare aandoening eigenlijk; want zooals ik vroeger wel eens verteld heb, is zij eene zeer begaafde vrouw, maar mist zij het gebruik van hare leden. Is er iets, dat haar hevig aandoet, dan voelt zij dit terstond in haar beenen, maar bij deze gelegenheid klom het in hare borst en van daar naar het hoofd; kortom, haar heele gestel leed er onder. Door de liefderijkste verpleging en de grootste zorg kwam zij het te boven en gisteren voor zes weken zijn wij getrouwd. Gij kunt u niet voorstellen, hoe ik mij zelven voor een monster heb uitgemaakt, toen ik de geheele familie zag schreien en flauw vallen! Mevrouw Crewler wilde mij niet zien voor wij weg gingen—zij kon het mij niet vergeven, dat ik haar van haar kind beroofde, maar zij is toch een goed schepsel en heeft het mij later vergeven. Ik heb van morgen zelfs een opgeruimden brief van haar gehad.”
„Dus, mijn waarde vriend, gij verkeert in den zevenden hemel, zooals gij dubbel en dwars verdient?” vroeg ik.
„O, dat is uwe partijdigheid, die dat zegt?” riep Traddles lachend. „Maar, waarlijk, ik ben te benijden. Ik werk hard en studeer van den morgen tot den avond in de wetten. Ik sta elken morgen om vijf uur op en daar geef ik niets om. Over dag verberg ik de meisjes en 's avonds heb ik dolle pret met haar. Ik kan u verzekeren, dat het mij spijten zal als zij Woensdag vertrekken. Maar,” zoo brak hij plotseling zijne vertrouwelijke mededeeling af, „daar zijn de meisjes! Mijnheer Copperfield—de dames Crewler.... juffrouw Sarah, juffrouw Louise, Margaretha en Lucy!”
Wat daar binnenkwam maakte den indruk op mij, die een bouquet frissche rozen zou gemaakt hebben. Zij waren allen mooi; juffrouw Caroline, zelfs heel mooi; maar op Sophie's gezichtje lag eene uitdrukking van liefde en vroolijkheid en huiselijkheid, die mij de verzekering gaf, dat mijn vriend een goede keus gedaan had. Wij namen allen om de kachel plaats terwijl het slimme klerkje, dat, zooals ik nu begreep, buiten adem was geraakt ten gevolge van de haast, waarmede hij een hoop papieren over de tafel had uitgestrooid, voor de thee zorgde. Daarna ging hij heen en liet de deur met een slag dicht vallen. En mevrouw Traddles zat met een gezichtje, dat straalde van geluk, in een hoekje bij de kachel, waar zij brood roosterde en thee inschonk.
Zij had Agnes gezien, vertelde zij mij onder het roosteren. „Tom” en zij hadden een huwelijksreisje gemaakt naar Kent en daar had zij ook mijne tante ontmoet; beiden, tante en Agnes waren heel wel en spraken over niets dan over mij. „Tom” was steeds met zijne gedachten bij mij geweest zoolang ik weg was. „Tom” was alles; „Tom” was haar afgod, dat was duidelijk; niets ter wereld zou hem van het voetstuk kunnen rukken waarop zij hem geplaatst had; zij zou hem altijd gelooven en vertrouwen en hem al hare liefde wijden, wat er ook gebeuren mocht. De achting, die beiden voor de Beauty aan den dag legden, was vermakelijk om bij te wonen. Ik geloof niet dat ik het erg verstandig vond, maar ik vond het vermakelijk en geheel in overeenstemming met beider karakter. Ik ben er zeker van dat Traddles de zilveren theelepeltjes, die nog verdiend moesten worden, nooit zoo zeer miste als wanneer hij Beauty een kopje thee overhandigde. Indien zijn zachtzinnig vrouwtje ooit eenige aanmatiging tegenover iemand aan den dag kon leggen, ben ik overtuigd dat haar dit alleen mogelijk was omdat zij eene zuster was van de Beauty. Enkele kleine bewijzen van verwendheid en grilligheid, die ik bij de Beauty opmerkte, werden blijkbaar door Traddles en zijne jonge vrouw als een soort geboorterecht of eene gave der natuur beschouwd. Indien zij als koningin, en Sophie met de andere zusters als werkbijen geboren waren, zouden zij niet meer van hare minderheid overtuigd kunnen zijn geweest.
Ik had plezier in hunne onbaatzuchtigheid. Hunne trotschheid op de meisjes en hunne onderworpenheid aan al hare grillen was in mijn oog de loffelijkste getuigenis van hun karakter. Minstens twaalf malen in het uur werd Traddles door eene van zijne schoonzusters „beste jongen” genoemd, of werd hem verzocht iets aan te geven, of iets weg te brengen, of iets op te rapen of iets neer te leggen of te halen. Geen van allen kon iets doen zonder Sophie. Het haar van een van allen ging los—Sophie moest het opsteken; een ander had de wijs van een lied vergeten, niemand dan Sophie kon het zingen zooals het behoorde; een derde wilde den naam weten van een plaatsje in Devonshire—Sophie hielp haar uit den brand; de vierde meende dat iets naar huis moest worden geschreven—alleen aan Sophie kon het worden toevertrouwd en zij deed het den volgenden morgen voor het ontbijt; de vijfde eindelijk had eenige steken van haar breiwerk laten vallen—niemand anders dan Sophie mocht ze oprapen. Zij waren in alle opzichten de meesteressen en Traddles en Sophie bedienden haar. Hoeveel kinderen Sophie in haar leven reeds moest hebben opgepast, kan ik niet gissen zelfs, want zij kende alle liedjes, die ooit aan Engelsche kinderen zijn voorgezongen; zij zong ze met het liefste, helderste stemmetje bij dozijnen, want, elke zuster verlangde een ander te hooren en de Beauty kwam gewoonlijk nog achteraan—ik raakte er geheel van onder den indruk. Het beste van alles was, dat de zusters, hoe veeleischend zij ook waren, allen evenveel van Sophie en Traddles hielden en hun groote achting toedroegen. Ik ben overtuigd dat ik nooit een hoofd met zooveel rechtop staande haren onder zulk een stroom van kussen heb zien ronddraaien als dat van Traddles, toen ik des avonds afscheid nam en hij mij tot het naastbijzijnde koffiehuis zou vergezellen.
Hoe het zij, het was een tooneeltje, waaraan ik nog moest denken, langen tijd nadat Traddles mij verlaten had. Al had ik duizende rozen zien bloeien op die bovenkamers in Gray's Inn, zou ik er zeker niet zulk een schitterenden indruk van hebben behouden. Die jonge, frissche meisjes uit Devonshire tusschen de droge kantoren van advocaten en procureurs; die thee met geroosterd brood, die kinderliedjes in de doffe atmospheer van sandrak, perkament, rood band, ouwels, inkt, papier, aanklachten, dagvaardingen, quitanties en declaraties, dat alles scheen mij even zonderling alsof ik gedroomd had, dat de Sultan zich met zijn geheelen harem op de rol der advocaten had laten inschrijven en den sprekenden vogel, den zingenden boom en het gouden meer had meegebracht. Een ding was echter zeker, toen wij in het koffiehuis afscheid hadden genomen dacht ik met veel minder bezorgdheid aan Traddles dan eenige uren te voren. Ik begon te vermoeden, dat hij zijn weg zou vinden in weerwil van alle eerste bedienden in Engeland.
Ik nam in een gemakkelijken stoel plaats bij een der haardvuren in de koffiekamer, ten einde op mijn gemak over Traddles' lotsverwisseling te peinzen, maar begon mij al heel spoedig te verdiepen in de verschillende figuren, die door de vlammen gevormd werden, en te denken aan de wisselingen in mijn eigen leven. Ik had sinds ik Engeland had verlaten geen kolenvuur gezien, doch op menig houtvuur zitten turen tot het laatste stukje in de witte asch verdween, die voor mij het zinnebeeld was van al mijn vervlogen hoop.
Ik kan nu met ernst doch zonder eenige bitterheid aan het verleden denken en de toekomst onbevreesd in de oogen zien. Een tehuis in den waren zin des woords bestond voor mij niet meer. Het meisje, dat ik zielslief had, had ik geleerd eene zuster voor mij te zijn. Zij zou wellicht trouwen, aan anderen rechten geven op hare liefde zonder iets te weten van de liefde, die ik voor haar in mijn hart droeg. Het was billijk, dat ik de straf droeg voor mijn onberaden hartstocht. Ik oogstte wat ik gezaaid had.
Terwijl ik zoo zat te peinzen en mij afvroeg of ik mijn hart werkelijk reeds zoo ver bedwongen had, dat ik dit met standvastigheid zou kunnen dragen en kalm de plaats kon blijven innemen, die ik in haar hart had ingenomen, doemde er plotseling een gezicht voor mij op, dat als eene herinnering aan lang vervlogen dagen schijnbaar uit de vlammen te voorschijn trad. De kleine dokter Chillip, aan wien ik in het eerste hoofdstuk van deze geschiedenis veel verplichting had, zat in een tegenovergestelden hoek de krant te lezen. Hij was oud geworden, maar aangezien hij zulk een kalm, gelijkmatig klein manneke was, kon men hem dat niet aanzien, zoodat ik mij voorstelde, dat hij er juist zoo moest hebben uitgezien, toen hij in onze huiskamer op mijne intrede in de wereld zat te wachten.
Dokter Chillip had Blunderstone zes of zeven jaren geleden verlaten en in al dien tijd had ik hem niet teruggezien. Hij zat nu vreedzaam de krant te lezen met een glas warmen wijn voor zich.
Ik ging naar hem toe en vroeg: „Hoe vaart gij, mijnheer Chillip?”
Hij ontstelde blijkbaar bij deze toespraak van een hem geheel vreemd persoon en antwoordde op zijn eigenaardigen, zachten toon: „Dank u, mijnheer, gij zijt wel beleefd. Dank u. Ik hoop dat ge ook wel zijt?”
„Herkent ge mij niet?” vroeg ik.
„Nu, mijnheer,” antwoordde mijnheer Chillip, terwijl hij glimlachend het hoofd schudde en mij aankeek, „er is iets in uw gezicht, dat mij bekend voorkomt, maar ik kan waarlijk niet op uw naam komen.”
„En toch hebt gij dien gekend lang voor ik dien zelf kende,” antwoordde ik.
„Is het toch waar, mijnheer? Is het mogelijk dat ik de eer had behulpzaam te zijn....?”
„Ja.”
„Goede Hemel!” riep mijnheer Chillip. „Maar gij zijt heel wat veranderd na dien tijd!”
„Waarschijnlijk wel!”
„Nu, mijnheer, gij zult het mij wel niet kwalijk nemen als ik zoo vrij ben uw naam te vragen.”
Toen ik hem dien noemde was hij zeer ontroerd, hij schudde mij de hand—dit was voor hem iets zeer buitengewoons, want gewoonlijk stak hij iets dat op een lauwe moot visch geleek, eenige duimen buiten zijn heup uit en scheen hij bevreesd te zijn voor eene harde aanraking. Nu zelfs stak hij zijne hand zoo spoedig mogelijk in zijn jaszak en scheen hij blijde te zijn toen hij die daar veilig geborgen wist.
„Goede hemel, mijnheer?” vroeg hij mij met het hoofd op zijde aankijkende. „Heb ik het genoegen met mijnheer Copperfield....? Wel, mijnheer, ik zou u zeker herkend hebben indien ik de vrijheid genomen had u wat nauwkeuriger te bekijken. Gij lijkt sprekend op uw armen vader.”
„Ik heb niet het geluk gehad mijn vader te kennen,” gaf ik ten antwoord.
„Juist, mijnheer,” zei mijnheer Chillip op zachten toon. „Dat was in alle opzichten zeer betreurenswaardig! Wij zijn daar ginds niet onbekend gebleven met den goeden naam, dien gij u gemaakt heb. Gij vergt heel wat van uw hoofd, mijnheer.”
„Waar woont gij nu?” vroeg ik, naast hem plaats nemende.
„Ik heb mij op eenige mijlen afstands van Bury St. Edmunds gevestigd, mijnheer,” antwoordde de dokter. „Mevrouw Chillip erfde daar van haar vader een buitentje, waarna ik daar eene praktijk kocht, waarin het mij heel goed gaat. Het zal u zeker genoegen doen dit te vernemen. Mijne dochter wordt al eene groote meid, mijnheer,” vervolgde hij, terwijl hij een ruk gaf aan zijn hoofd, „hare moeder heeft verleden week nog al hare jurken moeten uitleggen. Zoo gaat de tijd voorbij, mijnheer!”
Toen de kleine dokter zijn glas, dat nu ledig was, al pratend aan de lippen bracht, stelde ik hem voor het nog eens te laten vullen, waarna ik hem met een tweede gezelschap zou houden.
„Wel, mijnheer,” antwoordde hij langzaam, „dat is meer dan ik gewoon ben te gebruiken, maar ik kan mij het genoegen van uw gezelschap niet ontzeggen. Het lijkt mij of ik u gisteren eerst in de mazelen heb bijgestaan. Gij kwaamt er flink doorheen, mijnheer.”
Ik mompelde iets alsof ik het mij ook nog zeer goed herinnerde en bestelde den warmen wijn, die spoedig gebracht werd. „Ik maak mij aan onmatigheid schuldig,” zei de dokter, terwijl hij den wijn omroerde, „maar ik kan zulk eene buitengewone gelegenheid onmogelijk laten voorbijgaan. Gij zijt geheel alleen op de wereld, nietwaar?”
Ik knikte toestemmend.
„Ik wist,” ging hij voort, „dat gij eenigen tijd geleden uwe vrouw verloren hebt; ik vernam dat van de zuster van uw stiefvader. Iemand met een zeer flink karakter, mijnheer!”
„Ja,” antwoordde ik, „flink genoeg. Waar hebt gij haar ontmoet, mijnheer Chillip?”
„Is het u niet bekend, mijnheer,” antwoordde de kleine dokter met een vriendelijken glimlach, „dat uw stiefvader weder mijn buurman is?”
„Neen.”
„Ja, ja, mijnheer; hij is met een jong meisje uit die streek hertrouwd; zij bezat nog al wat fortuin, de arme meid! Maar, om op uw hoofd terug te komen.... vermoeit dat vele werken u niet?” vroeg hij, terwijl hij mij aankeek op de wijze van een in bewondering verzonken roodborstje.
Ik liet deze vraag rusten en bracht het gesprek weder op de Murdstones. „Ik wist dat hij hertrouwd is,” zei ik. „Kent gij de familie van nabij? Komt gij er aan huis?”
„Niet geregeld, maar ik ben er wel eens geroepen,” antwoordde hij. „De flinkheid is in mijnheer Murdstone en in zijne zuster sterk ontwikkeld.... zeer interessant geval voor een professor in de schedelleer.”
Ik antwoordde met een veelbeteekenenden blik, zoodat mijnheer Chillip hierdoor en ten gevolge van den warmen wijn zich liet verleiden om eenige malen het hoofd te schudden en peinzend uit te roepen: „Goede Hemel! De oude tijd komt ons in het geheugen, mijnheer Copperfield!”
„Gaan de broeder en zuster weder hun ouden gang?” vroeg ik.
„Wat zal ik u zeggen, mijnheer? Een dokter, die bij zooveel families komt, mag voor niets oogen en ooren hebben dan voor zijn vak. Evenwel, ik kan niet nalaten te bekennen, dat zij zeer streng zijn in hunne opvattingen, zoo wel voor dit leven als voor het leven hiernamaals.”
„Het laatste zal wel geregeld worden zonder hunne bemiddeling, naar ik meen,” antwoordde ik, „maar wat doen zij in dit leven?”
Mijnheer Chillip schudde het hoofd, roerde zijn warmen wijn om en nam een teugje.
„Zij was een bekoorlijk vrouwtje, mijnheer,” zei hij op een toon, alsof hij haar beklaagde.
„De tegenwoordige mevrouw Murdstone?”
„Een bekoorlijk vrouwtje, mijnheer, dat verzeker ik u,” herhaalde de dokter, „zoo beminnelijk als ik er ooit een gekend heb. Mevrouw Chillip meent dat hare vroolijkheid door haar huwelijk geheel is verdwenen en zij tegenwoordig lijdende is aan melancholie. En de dames mijnheer,” ging hij op schroomvalligen toon voort, „zijn goede opmerksters.”
„Ik vermoed, dat zij eerst naar hun zin moest vervormd worden,” merkte ik aan. „Het is afschuwelijk! De Hemel sta haar bij!.... Gij zegt: „Zij was?””
„Ja, mijnheer, er hebben in het begin hevige twisten plaats gehad, dat kan ik u verzekeren,” hernam mijnheer Chillip, „zij is nu een schim van hetgeen zij vroeger was. In vertrouwen mag ik u wel meedeelen dat zij, sinds zijne zuster bij hen haar intrek heeft genomen, langzamerhand tot onnoozelheid is vervallen.”
„Ik kan dat gemakkelijk begrijpen.”
„Ik aarzel niet onder vier oogen te verklaren,” ging dokter Chillip voort, terwijl hij een teugje wijn nam om zich te sterken, „dat hare moeder van verdriet gestorven is en dat mevrouw Murdstone langzaam dood of krankzinnig geplaagd wordt. Zij was een vroolijk, opgewekt jong meisje, toen zij trouwde, maar hunne strengheid en zoogenaamde vroomheid hebben haar zoover gebracht. Zij gaan nu meer met haar om als haar oppassers dan als haar echtgenoot en hare schoonzuster. Zoo vertelde mevrouw Chillip mij verleden week nog. En ik kan u verzekeren, mijnheer dat de dames eene goede dosis opmerkingsgave bezitten! En mevrouw Chillip in de eerste plaats!”
„Geeft hij zich nog altijd uit voor godsdienstig?” vroeg ik en voegde er bij dat ik mij eigenlijk schaamde dat woord op dien man toe te passen.
„Gij loopt op mijne woorden vooruit, mijnheer,” antwoordde de dokter, wiens oogleden een weinig rood begonnen te worden, „deze opmerking is ook door mijne vrouw gemaakt. Mevrouw Chillip heeft mij doen opspringen van schrik en verbazing, toen zij mij meedeelde, dat mijnheer Murdstone den menschen zijn eigen beeld als dat van de Godheid voorhoudt. Ik verzeker u, mijnheer, dat gij mij wel met een veeren pen hadt kunnen omwerpen, toen mijne vrouw dat vertelde. Maar de dames zijn scherpe opmerksters, mijnheer!”
„Zij zijn dat bij instinct,” antwoordde ik tot zijn groot genoegen.
„Het verheugt mij zoo gesteund te worden in mijn oordeel, mijnheer,” hernam hij. „Het gebeurt niet dikwijls dat ik buiten mijn vak een oordeel uitspreek, dat kan ik u verzekeren. Mijnheer Murdstone houdt nu en dan redevoeringen in het openbaar en men heeft gezegd.... kortom, mevrouw Chillip heeft gezegd, dat naar mate hij grooter tyran wordt, ook zijne leerstellingen in barbaarschheid toenemen.”
„Mevrouw Chillip oordeelt ongetwijfeld volkomen juist,” zei ik.
„Mevrouw Chillip gaat zelfs zoo ver van te beweren,” ging het kleine manneke aangemoedigd voort, „dat hetgeen dergelijke menschen ten onrechte hun godsdienst noemen, niets is dan een middel om lucht te geven aan hunne kwaadaardigheid en hun hoogmoed. En,” voegde hij er met het hoofd op zijde gewend bij, „ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik in het Nieuwe Testament geen woord vinden kan van de leer, die mijnheer en juffrouw Murdstone verkondigen.”
„Ik evenmin.”
„Intusschen,” ging de dokter voort, „worden zij algemeen gehaat, en aangezien zij iedereen, die hen haten, naar de eeuwige verdoemenis wenschen, is volgens hen het grootste gedeelte van ons dorpje daartoe aangewezen. Volgens de verklaring van mijne vrouw ondervinden zij echter thans reeds hunne straf, aangezien zij teren op hun eigen hart en dat is spoedig opgeteerd. En nu, mijnheer, moet gij mij eens vertellen of gij werkelijk uwe hersens niet te veel inspant met al dat werken? Neem mij niet kwalijk dat ik daar nog eens op terug kom.”
De warme wijn had mijnheer Chillip zoo opgewonden, dat het mij niet moeilijk viel hem van dit onderwerp op zijn eigen zaken te brengen, waarover wij nog een half uur zeer aangenaam bleven doorpraten; hij was uiterst mededeelzaam en vertelde mij dat hij te Londen was ontboden om getuigenis af te leggen voor de rechtbank betreffende iemand, die tengevolge van overmatig gebruik van sterken drank aan verstandsverbijstering lijdende was en nu in een krankzinnigengesticht moest geplaatst worden. „En ik moet u zeggen, mijnheer,” ging hij voort, „dat ik bij dergelijke gelegenheden erg zenuwachtig ben en niet kan verdragen dat men mij afsnauwt, zooals maar al te dikwerf het geval is. Ik raak dan geheel van streek. Weet gij wel hoe lang het geduurd heeft eer ik bekomen was van den schrik, dien dat manhaftige vrouwspersoon mij op het lijf heeft gejaagd bij gelegenheid van uwe geboorte, mijnheer Copperfield?”
Ik vertelde hem dat ik op weg was naar dat manhaftige vrouwspersoon; dat ik den volgenden morgen heel vroeg naar Dover zou vertrekken, waar zij woonde; dat zij een van de goedhartigste en uitnemendste vrouwen was, die ik ooit had ontmoet en dat hij zeker hetzelfde van haar zou getuigen, indien hij haar beter kende. Alleen reeds het denkbeeld dat hij haar ooit zou kunnen wederzien joeg hem een schrik door de leden. Met een flauwen glimlach zei hij: „Zoo mijnheer, is zij dat inderdaad? Waarlijk?” Tegelijkertijd riep hij echter om zijn kaars en ging naar bed alsof hij zich daar alleen veilig achtte. Wel deed de warme wijn zijn invloed nog niet gevoelen op zijn beenen, maar ik vermoed toch dat zijn pols wel eenige slagen meer in de minuut sloeg dan ooit het geval was geweest na dien avond, toen mijn tante in hare teleurstelling met den hoed naar hem geslagen had.
Doodmoe zocht ik te middernacht ook mijne kamer op, stapte den volgenden morgen in de diligence op Dover, kwam gezond en wel tegen den avond tante's huiskamer binnen, juist op het oogenblik dat zij aan de thee zat—zij droeg in den laatsten tijd een bril—en werd door haar, mijnheer Dick en de brave Peggotty, die sinds eenigen tijd het huishouden waarnam, met open armen en tranen van vreugde ontvangen. Tante lachte hartelijk bij mijn verhaal van de ontmoeting met den kleinen dokter en over het feit, dat zij in zulk een kwaden reuk bij hem stond; zij en Peggotty waren niet uitgepraat over den tweeden man van mijne arme moeder en over die „moordenares,” waarmede zij juffrouw Murdstone bedoelden en die, daarvan ben ik overtuigd, door tante nooit anders zou genoemd worden al werd zij ook met de zwaarste straffen bedreigd.
LX. Agnes
Toen tante en ik alleen waren, bleven wij tot diep in den nacht samen praten over de landverhuizers, die nooit anders dan opgewekte brieven schreven en vol hoop waren op de toekomst; over mijnheer Micawber, die waarlijk nu en dan kleine sommetjes overmaakte op afdoening en zooveel mogelijk de finantiëele verplichtingen trachtte na te komen, die hij op zich genomen en met zooveel zorg geregeld had; over Janet, die bij tante's terugkomst onmiddellijk weder in haar dienst was getreden en hare afzwering van het mannelijk geslacht bezegeld had, door met een welgestelden herbergier in de huwelijksboot te stappen, terwijl tante ook haar zegel op deze verbintenis had gedrukt, door de bruid een uitzet te geven en de plechtigheid met hare tegenwoordigheid te vereeren. Al deze onderwerpen waren ook reeds in onze brieven behandeld en mij dus voor het meerendeel reeds bekend. Als gewoonlijk werd ook mijnheer Dick niet vergeten. Tante vertelde mij hoe hij zich voortdurend bezig hield met het copiëeren van alles wat hem in handen kwam en koning Karel I op deze wijze op een eerbiedigen afstand hield; voor haar zelve was het feit, dat hij vrij en gelukkig was in plaats van zijn leven in een gesticht te slijten, een reden tot groote blijdschap en dankbaarheid; niemand kon, zoo goed als zij, weten wat er in dien man stak. (Deze gevolgtrekking was niet nieuw voor mij.)
„En, Trot,” vroeg tante, mij op de hand tikkende, terwijl wij op onze oude manier bij den haard zaten, „wanneer gaat gij naar Canterbury?”
„Ik zal morgen ochtend een paard huren en er heen rijden, tante, tenzij gij met mij mede zoudt willen gaan?”
„Neen,” antwoordde zij kortaf, zooals gewoonlijk, „ik blijf liever waar ik ben.”
„In dat geval zou ik een rijtuig nemen,” hernam ik. „Ik zou vandaag niet door Canterbury kunnen gekomen zijn, zonder daar eenigen tijd te blijven en ik wilde eerst u bezoeken.”
Dit deed haar goed, maar zij antwoordde: „Tut, Tut, Trot, ik zou wel geduld hebben gehad tot morgen!” Zij legde hare hand als van ouds op de mijne, terwijl ik peinzend in het vuur zat te kijken; peinzend, want ik kon niet weder hier en zoo dicht bij Agnes zijn, zonder dat het gevoel van berouw weder in mij opkwam, dat mij zoo lang had bezig gehouden. Het mocht minder pijnlijk zijn dan in de dagen, toen ik voor het eerst begon in te zien welken misslag ik had begaan, toen mijn geheele jonge leven nog voor mij lag, maar het was niettemin berouw.
„O, Trot,” meende ik tante nogmaals te hooren zeggen en thans begreep ik haar maar al te goed.... „Blind, blind, blind!”
Wij bewaarden beiden het stilzwijgen gedurende eenige minuten en toen ik mijn oogen opsloeg bemerkte ik dat zij den blik onafgewend op mij gevestigd hield. Waarschijnlijk had zij mijn gedachtengang gevolgd, die thans gemakkelijker was na te gaan dan vroeger.
„Gij zult haar vader als een oud man met witte haren terugvinden,” zei tante, „evenwel in alle opzichten verbeterd. Gij zult nu niet meer bijwonen dat hij alle menschelijke belangen, alle vreugde en verdriet volgens zijn eigen bekrompen maatstaf afmeet. Weet, mijn kind, dat zulke dingen zeer moeten krimpen eer ze op dergelijke wijze kunnen gemeten worden.”
„Daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde ik.
„En gij zult haar even lief en mooi en ernstig en belangstellend terugvinden als zij altijd geweest is,” vervolgde tante. „Indien ik nog grooter lof kende, Trot, zou ik haar dien geven.”
Voor haar was geen grooter lof, voor mij geen grooter verwijt denkbaar. Hoe had ik zoo kunnen dwalen!
„Als zij de jonge meisjes, die haar zijn toevertrouwd, opvoedt tot hetgeen zij zelve is,” hernam tante op zulk een ernstigen toon dat de tranen haar in de oogen sprongen, „dan, dat weet de Hemel! mag zij bogen op een welbesteed leven! ‚Nuttig en gelukkig,’ zeide zij op dien gedenkwaardigen dag. Hoe kan zij anders zijn dan nuttig en gelukkig?”
„Is Agnes nog....” Ik dacht hardop.
„Wat? Hé? Wat nog?” vroeg tante op een toon, die zoo scherp klonk als ik zelden van haar gehoord had.
„Nog vrij.”
„Nog vrij! Zij heeft wel een dozijn aanbidders!” riep zij bijna verontwaardigd uit. „Zij had wel twintig maal kunnen trouwen, beste jongen, gedurende uwe afwezigheid!”
„Daaraan twijfel ik geen oogenblik! Geen oogenblik! Maar is er onder al die aanbidders geen, die harer waardig is? Een anderen zou Agnes niet kunnen liefhebben.”
Tante bleef een oogenblik in gepeins verzonken met de hand onder de kin. Eindelijk antwoordde zij, terwijl zij mij strak aankeek:
„Ik vermoed dat haar hart gesproken heeft.”
„En vindt zij wederliefde?”
„Trot,” antwoordde zij ernstig, „meer kan ik niet zeggen. Ik heb niet het recht zelfs zoover te gaan als ik thans reeds gegaan ben. Zij heeft mij nooit in vertrouwen genomen; ik vermoed het alleen.”
Zij keek mij zoo ernstig, zoo angstig aan—ik zag haar zelfs beven—dat ik op dit oogenblik, beter dan te voren nog, voelde hoe zij mijn gedachtengang gevolgd had. Ik herhaalde in mij zelven alle besluiten, die ik in de laatste dagen en nachten had genomen, en opnieuw ontbrandde de strijd in mijn hart.
„Indien het zoo is,” begon ik, „en ik hoop dat het zoo is....”
„Ik weet niet of het zoo is,” antwoordde tante kortaf. „Gij moet u door mijne vermoedens niet op een dwaalspoor laten brengen. Gij moet ze geheim houden. Wellicht staan ze op losse schroeven. Ik mag ze eigenlijk niet uitspreken.”
„Indien ze waarheid bevatten zal Agnes er mij zeker mede in kennis stellen, zoodra zij den tijd daartoe gekomen acht. Eene zuster, aan wie ik zooveel heb toevertrouwd, tante, zal mij zeker deelgenoot maken van haar geluk.”
Tante wendde de oogen even langzaam van mij af als zij ze op mij gevestigd had en bedekte ze daarna peinzend met hare hand. Een oogenblik later legde zij de andere hand op mijn schouder en zoo bleven wij zwijgend bij elkander zitten, beiden verdiept in het verleden.
Den volgenden morgen reed ik vroeg weg ten einde de plaats te bezoeken, waar ik het gelukkige gedeelte van mijn schooljaren had doorgebracht. Ik kan niet zeggen dat ik mij bijzonder gelukkig voelde, nu ik hopen mocht eene overwinning op mij zelven te zullen behalen: zelfs het vooruitzicht dat ik haar lieve gezichtje zou terugzien kon mij niet vroolijk stemmen.
De welbekende weg was spoedig afgelegd en zoo reed ik dan weder door de oude straten, waarvan elke steen mij het een of ander voorval uit mijne jeugd in het geheugen riep. Ik ging te voet naar het oude huis, maar kon niet terstond binnengaan omdat het hart mij te vol was. Ik keerde terug en wierp in het voorbijgaan een blik door het lage venster van het torenkamertje, waar eerst Uriah Heep en later mijnheer Micawber hadden gezeten en dat nu tot spreekkamertje scheen ingericht te zijn. Kantoor scheen daar niet meer te worden gehouden. Overigens zag het oude huis er nog even keurig en goed onderhouden uit, juist zooals ik het de eerste maal gezien had. Ik verzocht het mij onbekende dienstmeisje, dat open deed, aan juffrouw Wickfield te zeggen dat er een heer was, die de groeten kwam overbrengen van een vriend buitenslands; waarop zij mij verzocht de oude, deftige trap op te gaan—met de gewone waarschuwing voor de treden, die mij zoo goed bekend waren—en werd in het salon gelaten, waar niets veranderd was.
De boeken, die Agnes en ik hadden gelezen, stonden nog op den boekenhanger; het lessenaartje, waaraan ik zoo menigen avond mijne lessen had zitten leeren, stond nog op hetzelfde hoekje van de oude tafel. Al de kleine veranderingen, door het inwonen van de Heeps teweeggebracht, waren weder verdwenen; alles was weder zooals in den ouden gelukkigen tijd.
Ik stond voor het venster en keek over de straat naar de huizen aan de overzijde, zooals ik zoo menigen regenachtigen achtermiddag gedaan had; ik herinnerde mij wat ik van de menschen gedacht had, die zich achter de vensters vertoonden, en hoe ik hen met de oogen gevolgd had, trap op, trap af, terwijl de regen in schuine stralen neerviel en de dakgoten overstroomden. De gewaarwording, waarmede ik de landloopers placht na te kijken, die kletsnat, met een bundeltje aan een stok over den schouder, de stad binnenkwamen, bekroop mij ook nu weder; dezelfde lucht van vochtige aarde kwam mij in den neus en ik meende zelfs den wind te voelen, waarmede ik op mijn moeilijken tocht zoo menigmaal te kampen had gehad.
Toen de kleine deur in den beschoten wand geopend werd, schrikte ik even en keerde mij om. Op hetzelfde oogenblik keek ik in Agnes' mooie, ernstige oogen. Zij bleef staan en zou gevallen zijn, indien ik haar niet in mijne armen had opgevangen.
„Agnes! Liefste Agnes! Heb ik u al te zeer verrast?”
„Neen, neen! Ik ben alleen zoo blij u te zien, Trotwood!”
„Liefste Agnes, ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik ben nu ik u terugzie!”
Ik drukte haar aan mijn hart en gedurende eenige oogenblikken bewaarden wij beiden het stilzwijgen. Daarna namen wij naast elkander plaats en op haar lief gelaat lag het welkom te lezen, waarvan ik jaren achtereen dagen nacht had gedroomd. Zij was zoo waar, zoo mooi, zoo goed.... ik was haar zooveel dankbaarheid verschuldigd.... ik had haar zoo innig lief, dat ik onmogelijk uiting kon geven aan hetgeen in mij omging. Ik wilde haar prijzen, haar danken, haar vertellen welk een goeden invloed de gedachte aan haar steeds had geoefend—ik had dit in mijne brieven reeds zoo vaak gedaan—maar al mijne pogingen waren vergeefsch. Ik kon mijne liefde en mijne blijdschap niet in woorden brengen.
Met hare oude weldadige kalmte bracht zij mij een weinig tot bedaren, voerde mij terug naar den tijd, toen wij afscheid hadden genomen, sprak met mij over Emily, die zij in het geheim meermalen had opgezocht, vertelde mij op weemoedigen toon van Dora's graf. Met het nooit falend instinct van haar edel hart raakte zij zachtkens en melodieus al de snaren aan, die in mijn geheugen trilden, zoodat geen enkele een wanklank liet hooren; ik kon luisteren naar die ver verwijderde treurmuziek, zonder dat één enkele toon mij deed huiveren. En hoe zou dat ook! Was zij zelve niet steeds de goede Engel geweest op mijn levenspad?
„En gij, Agnes?” vroeg ik eindelijk. „Vertel mij het een en ander van u zelve. Gij hebt in al dien tijd bijna nooit iets over u zelve meegedeeld!”
„Wat zou ik u kunnen meedeelen?” antwoordde zij met een glimlach, die haar gansche gelaat verhelderde. „Papa is wel. Gij vindt ons hier kalm in ons eigen huis terug; de zorgen zijn van ons weggenomen, ons huis is ons teruggegeven—nu gij dit weet, Trotwood, weet gij alles.”
„Alles, Agnes?” vroeg ik.
Zij keek mij verbaasd aan, alsof deze vraag haar eenigszins in verwarring had gebracht.
„Is er niets meer, zusje?”
Voor de tweede maal verdween de kleur uit haar gelaat, waarop een droeve glimlach te voorschijn kwam, terwijl zij zacht het hoofd schudde. Ik had haar willen brengen op hetgeen tante als een vermoeden had uitgesproken, want hoe pijnlijk het ook voor mij zijn moest door haar in vertrouwen te worden genomen, ik moest mijn hart het zwijgen opleggen en mijn plicht doen. Ik merkte echter op dat zij onrustig werd en sprak er niet verder over door.
„Hebt gij het druk, lieve Agnes?”
„Met mijne school?” vroeg zij, terwijl haar gelaat onmiddellijk de oude kalmte terugkreeg.
„Gij hebt een werkzaam leven, nietwaar?”
„Ja, maar het is zoo'n heerlijk werk,” antwoordde zij, „dat ik mij eene ondankbare noem, wanneer ik vind dat ik het druk heb.”
„Niets wat goed is, kan u moeilijk vallen,” zei ik.
Nogmaals verdween voor een oogenblik hare kleur en nogmaals zag ik denzelfden droeven glimlach, terwijl zij haar hoofd boog.
„Gij zult toch papa ook wel eens willen zien en vandaag bij ons blijven?” vroeg zij op vroolijken toon. „Misschien wilt gij van nacht wel op uw oude kamertje slapen? Wij noemen het nog altijd ‚uw’ kamertje.”
Ik kon dat niet doen, omdat ik tante beloofd had 's avonds terug te komen, maar ik wilde gaarne den dag te Canterbury doorbrengen.
„Ik moet nog eenige uren naar de school,” zei Agnes, „maar hier vindt gij de oude boeken, Trotwood, en de oude muziek.”
„Zelfs zie ik hier nog de oude bloemen,” antwoordde ik, „ten minste dezelfde soorten als vroeger.”
„Ik heb er steeds plezier in gehad,” hernam zij glimlachend, „alles te laten zooals het was toen wij kinderen waren. Wij waren toen wel gelukkig.”
„Ja, dat weet de Hemel!”
„Elk voorwerp, hoe klein ook, dat mij aan mijn broeder herinnerde,” sprak zij, terwijl zij mij vertrouwelijk aankeek met hare mooie oogen, „was mij steeds welkom. Dit zelfs”—zij liet mij haar mandje vol sleutels zien, dat aan haar arm hing, „schijnt nu en dan nog een oud wijsje te rinkelen!”
Zij glimlachte nog eens en verliet de kamer door dezelfde deur, waardoor zij gekomen was.
De taak rustte op mij om deze zusterlijke genegenheid met heiligen ijver aan te kweeken. Ze was alles wat mij was overgebleven, maar een onwaardeerbare schat. Indien ik het ongeluk had ook maar eenmaal de grondvesten van dat heilig vertrouwen te schokken, zou het voor mij verloren en niet meer te herwinnen zijn. Voortdurend moest ik blijven beseffen uit kracht waarvan het mij geschonken was. Duidelijk en klaar hield ik mij zelven dit voor. Hoe vuriger ik haar liefhad hoe meer het mijn plicht was dit niet te vergeten.
Ik maakte een wandeling door de straten, ontdekte mijn ouden vijand, den slager—hij was nu konstabel, zijn staf hing in den winkel—bezocht de plek, waar wij zamen hadden gevochten en peinsde daar over juffrouw Shepherd en de oudste juffrouw Larkins en al de dwaze minnarijen uit die dagen. Het scheen mij toe dat uit dien tijd niets meer voor mij bestond dan Agnes, maar Agnes scheen ver boven mij te staan gelijk een ster, die toegenomen was in helderheid.
Toen ik terugkwam, was mijnheer Wickfield ook thuisgekomen. Hij bezat een tuin, eenige mijlen van de stad, en bracht daar gewoonlijk zijne dagen door. Ik vond hem juist zooals tante hem beschreven had. Wij zaten met een half dozijn jonge meisjes aan tafel en hij scheen mij de schaduw te zijn geworden van het portret aan den wand.
De kalmte en vrede, in mijne herinnering aan deze plek verbonden, waren er teruggekeerd. Toen het middagmaal was afgeloopen dronk mijnheer Wickfield geen wijn en aangezien ik dien ook niet begeerde, gingen wij naar boven, waar Agnes met hare kleine beschermelingen zong en speelde en werkte. Na de thee gingen de meisjes naar bed en bleven wij met ons drieën over den ouden tijd praten.
„Ik heb veel reden om spijt en berouw te gevoelen over het verleden, Trotwood; dat weet gij wel; maar ik zou het niet willen uitwisschen, zelfs al stond dat in mijne macht.”
Ik kon dat wel gelooven als ik dat lieve gezichtje naast hem zag.
„Ik zou daarmede tevens zooveel geduld, zooveel toewijding en trouwe zorg zooveel kinderlijke liefde uitwisschen, die ik nimmer mag vergeten,” zei mijnheer Wickfield.
„Ik begrijp u, mijnheer,” antwoordde ik zacht. „Ik heb die altijd bewonderd.”
„Maar niemand weet, zelfs gij niet, hoeveel ik haar verschuldigd ben, hoe veel zij heeft moeten lijden, hoe hard zij heeft gewerkt, die lieve Agnes!”
Zij had met een smeekenden blik hare hand op zijn arm gelegd ten einde hem te stuiten en was zeer, zeer bleek geworden.
„Ja, ja!” zei hij met een zucht en naar ik meende verzweeg hij de eene of andere beproeving, die zij had doorstaan of nog zou moeten doorstaan in verband met hetgeen tante mij verteld had. „Ik heb u nooit iets van hare moeder verteld, Trotwood, is 't wel? Of heeft iemand anders dat wel gedaan?”
„Neen, mijnheer, nooit.”
„Het is niet veel, hoewel het zwaar te dragen is geweest. Zij trouwde met mij tegen den wensch van haar vader en deze trok toen de handen van haar af. Zij smeekte hem haar vergiffenis te schenken voor Agnes ter wereld kwam, maar hij was een hardvochtig man en hare moeder was al lang geleden gestorven. Hij wees hare bede af en brak haar het hart.”
Agnes leunde met het hoofd op zijn schouder en sloeg den arm om zijn hals.
„Zij had een teeder, liefhebbend hart,” ging hij voort, „dat niet bestand was tegen ruwe aandoeningen. O, ik kende het zoo goed! Wie zou het zoo goed gekend hebben als ik? Zij had mij innig lief maar was niet gelukkig; want zij leed voortdurend onder dit verdriet en aangezien zij zeer zwak was ten tijde van zijne laatste weigering, begon zij te kwijnen en stierf. Zij liet mij Agnes na—twee weken oud—en de grijze haren, waarmede gij mij hebt gezien, toen gij voor het eerst hier kwaamt.”
Hij gaf Agnes een hartelijken kus op de wang.
„Mijne liefde voor mijn dierbaar kind was ziekelijk, maar mijne gansche ziel was toen ziek. Meer kan ik niet zeggen. Ik spreek niet over mij zelven, Trotwood, maar over hare moeder en haar. Ik behoef u maar te laten raden wat ik ben en wat ik geweest ben, om het u te doen begrijpen, dat weet ik. Wat Agnes is, behoef ik u evenmin te zeggen. Ik heb in haar karakter altijd iets teruggevonden van de geschiedenis harer arme moeder en daarom wilde ik u dit van avond, nu wij weder met ons drieën alleen zijn, vertellen. Ik heb nu alles gezegd.”
Zijn gebogen hoofd, haar engelengezichtje en hare kinderlijke trouw kregen nog meer beteekenis voor mij dan ze ooit hadden gehad. Alleen dit reeds zou dezen avond onvergetelijk voor mij gemaakt hebben.
„Zijt gij van plan weder op reis te gaan?” vroeg Agnes mij, terwijl zij naast mij stond.
„Wat zegt mijn zusje daarvan?”
„Ik hoop het niet.”
„Dan is het mijn plan niet, Agnes.”
„Nu gij het mij vraagt moet ik wel zeggen dat ik het beter vindt als gij in het land blijft. Uw toenemende bekendheid en uw goede naam stellen u in staat om veel nut te stichten; al zou ik mijn broeder kunnen missen”—zij keek mij, dit zeggende, met hare groote, blauwe oogen aan, „anderen zouden dat wellicht niet kunnen.”
„Wat ik ben heb ik aan u te danken, Agnes; dat weet gij zelve het best.”
„Aan mij, Trotwood?”
„Ja, Agnes, mijn lieveling!” zei ik, terwijl ik mij over haar heenboog. „Toen ik u vandaag terugzag, heb ik u iets willen zeggen, dat mij sinds Dora's dood niet uit de gedachten is geweest. Gij herinnert u zeker nog wel hoe gij dien avond onze kleine huiskamer binnen kwaamt, Agnes, met den vinger hemelwaarts?”
„O, Trotwood!” antwoordde zij met tranen in de oogen. „Zij was zoo vol liefde en vertrouwen en nog zoo jong! Zou ik dat ooit kunnen vergeten?”
„Wat gij toen voor mij waart, zusje, zijt gij altijd voor mij geweest. Gij hebt altijd naar boven gewezen, Agnes, mij altijd den goeden weg aangegeven, mij altijd naar hoogere dingen geleid!”
Zij schudde even het hoofd en door haar tranen heen zag ik denzelfden droeven glimlach.
„Ik ben u daarvoor dankbaar, Agnes; ik voel mij daardoor zoo aan u verbonden, dat ik aan mijne genegenheid voor u geen naam weet te geven. Ik wilde u zeggen—maar ik weet niet hoe—u zeggen dat ik mijn leven lang naar u zal opzien en mij door u zal laten leiden, evenals gij mij gedaan hebt door de duistere dagen van het verleden. Wat er ook moge gebeuren, welke nieuwe banden gij ook moogt aanknoopen, hoe onze verhouding ook moge veranderen, ik zal naar u blijven opzien en u liefhebben, zooals op dit oogenblik en zooals ik altijd gedaan heb. Tot in het uur van mijn dood zal ik uw beeld altijd voor mij zien, lieve zuster, met den vinger hemelwaarts.”
Zij legde haar handje op de mijne en zei dat zij zoo trotsch op mij was en op hetgeen ik gezegd had, maar dat ik al te zeer haar lof verkondigde. Daarna ging zij voort met spelen, doch zonder de oogen van mij af te wenden.
„Weet gij wel, Agnes,” hernam ik, „dat hetgeen ik heden avond vernam op zonderlinge wijze een deel schijnt uit te maken van de gewaarwording, die mij bekroop, toen ik u voor de eerste maal zag.... van het gevoel, waarmede ik als ruwe schooljongen naast u zat?”
„Gij wist dat ik geen moeder had,” antwoordde zij met een glimlach om de lippen, „en voeldet daarom medelijden met mij.”
„Meer dan medelijden, Agnes, dat weet ik; het schijnt alsof ik de geschiedenis van uwe moeder gekend, alsof ik geweten heb dat er iets onuitsprekelijks zachts en liefelijks in u was, iets dat in anderen verdriet zou zijn geworden—zooals ik het nu begrijp—doch in u weldadig werd voor allen, die met u in aanraking kwamen.”
Zachtkens bleef zij voortspelen, met den blik op mij gericht.
„Gij zult toch niet om mij lachen, wijl ik mij dat verbeeldde, Agnes?”
„O, neen, neen, zeker niet!”
Gedurende een oogenblik gleed er eene droeve schaduw over haar gelaat, maar toen zij zag hoe ik daarvan schrikte, was die reeds verdwenen en speelde zij zachtjes voort, met een kalmen glimlach om de lippen en de mooie blauwe oogen op mij gevestigd.
Toen ik naar huis reed in den donkeren avond en langs den eenzamen weg, herhaalde ik in gedachten alles wat wij besproken hadden en bekroop mij de vrees dat zij niet gelukkig was. Ik was ook niet gelukkig, maar tot dusver had ik getrouw aan mijn woord het zegel gedrukt op het verleden en aan haar gedacht, met den vinger hemelwaarts, naar dien hemel boven mij, die geheimzinnige toekomst, waarin ik haar zou kunnen en mogen liefhebben met bovenaardsche liefde en haar zou mogen vertellen welk een strijd daar beneden in mijn binnenste was gevoerd.
LXI
Twee interessante boetelingen.
Gedurende eenigen tijd—in elk geval tot mijn boek gereed zou zijn, hetgeen nog wel eenige maanden zou duren—nam ik mijn intrek bij mijne tante te Dover; voor hetzelfde venster zittende, waaruit ik naar de zee en de maan had getuurd toen ik voor het eerst eene schuilplaats vond onder dit dak, zette ik rustig den arbeid voort.
Getrouw aan mijn voornemen om alleen dan over mijn eigen boeken te spreken, wanneer ze toevallig invloed oefenen op den loop van dit verhaal, wil ik ook thans niet uitweiden over de verwachtingen, de angsten en zegepralen, die mijn talent mij verschaften. Dat ik er mij met hart en ziel aan wijdde, heb ik reeds gezegd. Indien de boeken, welke ik geschreven heb, eenige waarde hebben, zullen ze voor zich zelven spreken; in het tegengestelde geval heb ik zonder vrucht gearbeid en kan dus ook niemand er eenig belang in stellen.
Nu en dan ging ik eens naar Londen ten einde eenige afwisseling te hebben en Traddles te bezoeken of over zaken te spreken. Hij had al dien tijd mijne zaken beheerd met eene niet te beschrijven nauwgezetheid, zoodat het mij zeer voorspoedig ging. Aangezien de vermaardheid, die ik mij allengs verworven had, tengevolge had dat ik tallooze brieven ontving, zelfs van menschen, wier namen ik nooit had hooren noemen—hoofdzakelijk over de meest onbeduidende onderwerpen en hoogst moeilijk om te beantwoorden—kwam ik met Traddles overeen mijn naamplaatje op zijn deur te doen bevestigen. Hier bezorgde de trouwe brievenbesteller dagelijks schepels brieven aan mijn adres en eenmaal 's weeks werkte ik mij er door heen even als een staatssecretaris—echter zonder diens salaris.
Onder deze correspondentie vond ik telkens aanbiedingen van een der vele beunhazen, die steeds op de Commons loeren, om onder mijn naam te praktizeeren, indien ik maar de moeite wilde nemen om mij tot proctor te laten aanstellen. De winst zou in dat geval gedeeld worden. Ik sloeg deze aanbiedingen echter van de hand; want ik wist maar al te goed hoeveel van die vermomde praktizijns de Commons reeds telde en meende daarom niet mede te mogen doen aan hare verdere verbastering.
De meisjes waren reeds vertrokken toen mijn naam voor het eerst aan Traddles' deur prijkte, en het wakkere boodschappenjongetje keek den ganschen dag alsof hij nooit den naam van Sophie gehoord had, die in een achterkamertje was opgesloten met het uitzicht op een binnenplaatsje met eene pomp. Ik vond haar daar altijd en telkens weder moest ik denken: „wat is zij toch een knap en helder vrouwtje.” Meermalen, wanneer zich geen vreemde voetstappen op de trap lieten hooren, zat zij daar ballades uit Devonshire te zingen, zoodat de schrandere jongen op het kantoor er door uit den slaap werd gehouden.
Het verbaasde mij in het begin dat ik Sophie zoo dikwijls schrijvende vond in een cahier, dat zij, zoodra ik binnenkwam, haastig wegstopte in een latafel. Het geheim werd mij echter spoedig opgelost. Op zekeren dag haalde Traddles, die juist in een sneeuwbui was thuis gekomen van het Gerechtshof, het cahier te voorschijn en vroeg mij wat ik van de hand, waarmede het bijna was volgeschreven, dacht.
„O, Tom, doe het niet!” riep Sophie, die bezig was zijn pantoffels bij het vuur te warmen.
„Maar, lieveling,” antwoordde Tom opgeruimd, „waarom niet? Wat zegt gij van dit schrift, Copperfield?”
„Het is buitengewoon regelmatig,” zei ik. „Mij dunkt, ik heb nooit zulk eene vaste hand gezien.”
„Vindt gij dat het op een dameshand lijkt?”
„Op een dameshand!” herhaalde ik. „Kalk en steen lijken meer op een dameshand dan dit schrift.”
Traddles barstte in een onstuimig gelach uit en vertelde mij dat het schrift was van Sophie; zij had beweerd dat er wel spoedig een klerk zou noodig zijn en nu wilde zij daarvoor optreden; zij had daarom hare hand gevormd naar een voorbeeld en kon nu ik weet niet hoeveel pagina's leveren in een uur. Sophie was erg verlegen toen mij dit alles zoo haarfijn verteld werd en zei dat als „Tom” eenmaal rechter was, hij het niet meer zoo zou uitbazuinen, hetgeen „Tom” ontkende, zeggende dat hij er altijd trotsch op zou zijn onder welke omstandigheden ook.
„Wat is zij toch een door en door goed en verrukkelijk vrouwtje, beste Traddles!” zei ik, toen zij heenging, lachend.
„Beste Copperfield!” antwoordde Traddles, „zij is zonder eenige uitzondering het verrukkelijkste vrouwtje van de wereld! De wijze waarop zij het huishouden voert, hare nauwgezetheid, ordelijkheid, spaarzaamheid, opgewektheid, Copperfield...”
„Ja, gij hebt redenen genoeg tot dankbaarheid,” antwoordde ik. „Gij zijt een gelukkige kerel. Ik geloof dat gij u zelven en elkander tot de gelukkigste stervelingen, van de wereld maakt.”
„O, ik ben overtuigd dat wij tot de gelukkigste menschen behooren,” antwoordde Traddles. „Ik erken dat gaarne. Goede Hemel, als ik haar 's morgens zie opstaan bij het licht van een kaars en hare dagelijksche bezigheden zie beginnen, naar de markt zie gaan vóór de klerken in Gray's Inn komen; als ik bedenk hoe zij van de eenvoudigste materialen de heerlijkste kleine dinertjes weet te bereiden, poddingen en pasteien gereed maakt, alles zoo ordelijk en netjes bijeen houdt, hoe keurig zij zelve er altijd uitziet, mij des avonds altijd gezelschap houdt, hoe laat het ook worden mag, altijd even vroolijk en opgewekt.... zie Copperfield, dan kan ik somtijds niet gelooven dat zij mijn vrouwtje is.”
Hij trok de pantoffels, die zij gewarmd had, met eene zekere eerbiedige voorzichtigheid aan en strekte toen behagelijk zijn voeten op den haardrand uit.
„Waarlijk, ik kan het somtijds niet gelooven,” herhaalde hij. „En dan onze uitspanningen! Goede Hemel! ze kosten niets en zijn toch zoo heerlijk! Wanneer wij des avonds hier zitten, de buitendeur gesloten en de gordijnen neergelaten hebben—die zij zelve heeft gemaakt—wat kunnen wij dan nog meer verlangen? Is het mooi weer dan maken wij des avonds nog een wandeling en bieden de drukke straten ons het grootste genot aan, wij kijken naar de schitterende juwelierswinkels en ik laat Sophie de slangen met de oogen van diamanten op wit satijn zien, waarvan ik er haar zeker een ten geschenke zou geven als ik het betalen kon; en Sophie wijst mij het gouden horlogie met al de nieuwste uitvindingen, dat zij mij zou geven indien zij er geld voor had; en wij zoeken de lepels en vorken en vischlepels en botermesjes en suikertangen die wij zouden uitzoeken, indien wij het geld daarvoor hadden, en dan wandelen wij weer verder alsof wij werkelijk de gelukkige eigenaars waren. En wanneer wij op een van de pleinen of in een van de hoofdstraten een huis te huur vinden staan, kijken wij er even binnen en zeggen of het ons zou bevallen, als ik eens rechter werd! En wij maken de verdeeling: deze kamer voor mij, die voor de meisjes, enz.; tot wij het eens zijn of het geschikt of niet geschikt zou wezen, als het ooit eens zoover komen mocht. Soms gaan wij voor half geld naar de komedie en zitten dan heel boven, waar de lucht alleen reeds het geld waard is, en daar genieten wij van het spel, waarvan Sophie elk woord gelooft evenals ik. Op onze wandeling naar huis koopen wij nu en dan eens een lekker hapje in een gaarkeuken of een kreeft of iets dergelijks in een vischwinkel en nemen het mede naar huis, waar wij dan al pratende over „het stuk”, een heerlijk souper hebben. Nu weet gij heel goed, Copperfield, dat wij onmogelijk zoo gelukkig konden zijn als ik Lord Kanselier was!”
„Ik weet dat gij altijd gelukkig zoudt zijn op welke wijze ook, wat gij ook waart, beste Traddles,” zei ik. „A propos, teekent gij tegenwoordig nog wel eens geraamten?”
„Waarlijk,” antwoordde Traddles lachend en met een kleur, „ik kan niet loochenen dat ik het nog wel eens doe. Laatst nog, toen ik op een van de achterste banken in King's Bench zat, met een pen in de hand, kwam de verzoeking in mij op om eens te probeeren of ik daarmede den tijd nog zou kunnen verdrijven. En, bedrieg ik mij niet, dan vindt gij er op den rand van den lessenaar, ginds, nog een—met een pruik op.”
Nadat wij beiden hartelijk om deze herinnering aan den ouden tijd gelachen hadden, bleef Traddles glimlachend in het vuur kijken en zei op vergevensgezinden toon: „Die oude Creakle!”
„Ik heb hier een brief van dien ouden .... schavuit,” zei ik. Ik was nooit minder genegen om hem te vergeven dan wanneer ik Traddles zoo vergevensgezind zag.... Traddles, dien hij zoo erbarmelijk geranseld had!
„Van Creakle?” riep Traddles. „Neen toch!”
„Onder de personen, die zich, nu ik wat naam begin te maken, tot mij aangetrokken gevoelen,” zei ik, in mijne brieven snuffelend, „en die nu tot de ontdekking komen dat zij altijd zoo aan mij zijn gehecht geweest, behoort ook mijnheer Creakle, onze oude schoolmeester. Hij is dat niet meer, Traddles. Hij leeft nu van zijn geld en is bij de magistratuur in Middlesex.”
Ik dacht dat Traddles verrast zou zijn als hij dit vernam, maar hij was het volstrekt niet.
„Hoe denkt gij dat hij bij de magistratuur zal gekomen zijn?” vroeg ik.
„Groote Goedheid!” riep Traddles, „die vraag zal zeer moeilijk te beantwoorden zijn. Misschien heeft hij voor iemand gestemd of aan iemand geld geleend, of van iemand iets gekocht, of iemand op de een of andere wijze aan zich verplicht of met iemand geknoeid en heeft die iemand den gouverneur van het graafschap bewogen hem te benoemen.”
„Hoe het zij, hij is benoemd,” antwoordde ik. „En nu schrijft hij mij, dat hij blijde zijn zal mij de eenige ware manier te laten zien, waarop gevangenissen moeten zijn ingericht om de gevangenen tot berouw en inkeer te brengen.... zooals gij weet tracht men dat tegenwoordig te doen door eenzame opsluiting. Wat zegt gij daarvan?”
„Van het stelsel?” vroeg Traddles, en keek mij daarbij ernstig aan.
„Neen, van het aanbod. En ik voeg er eindelijk bij, dat gij met mij mede moet gaan.”
„Daarop heb ik niets tegen,” antwoordde hij.
„Dan zal ik hem dat schrijven. Gij herinnert u, om te zwijgen van de wijze waarop wij behandeld zijn, dat deze zelfde Creakle zijn zoon de deur gewezen heeft, en hoe hij zijn eigen, vrouw en dochter behandelde?”
„Ja, zeer goed.”
„Lees dezen brief nu eens, dan zult gij ontwaren hoe teerhartig hij omgaat met gevangenen, die eene geheele lijst misdaden op hunne rekening hebben,” hernam ik, „hoewel ik niet geloof, dat hij deze teerhartigheid ook tot andere klassen van menschelijke wezens uitstrekt.”
Traddles haalde de schouders op en was niet het minst verbaasd. Ik had ook niet verwacht dat hij anders zijn zou en was dus evenmin verbaasd; daarvoor had ik reeds te veel menschenkennis opgedaan. Wij bepaalden dus den dag en ik schreef dienzelfden avond nog aan mijnheer Creakle.
Op den afgesproken dag—ik geloof dat het de volgende was, maar dat doet niets ter zake—meldden Traddles en ik ons aan de gevangenis, waar mijnheer Creakle den schepter zwaaide. Het was een reusachtig, stevig gebouw, dat ten koste van verbazende sommen was gesticht. Ik kon het niet helpen, maar toen wij de poort naderden kwam de gedachte in mij op welk een opschudding er in het land zou zijn ontstaan, indien de een of ander dwaas geopperd had de helft van die sommen te besteden aan de oprichting van een industrieschool voor jongelieden, of van een toevluchtsoord voor ouden van dagen, die zulks verdienden.
In een spreekkamer, die zoo massief gebouwd was, dat de muren hadden kunnen dienen tot onderbouw van den toren van Babel, werden wij door onzen ouden meester ontvangen en voorgesteld aan eenige andere magistraatspersonen, die ook bezoekers hadden meegebracht. Hij ontving mij als iemand, die in vroeger dagen een grooten invloed had geoefend op de vorming van mijn karakter en mijn verstand en mij steeds met liefde had behandeld. Toen ik Traddles voorstelde, drukte mijnheer Creakle zich ongeveer op gelijke wijze uit, en gaf te kennen dat hij altijd Traddles' leidsman, leermeester en vriend geweest was. Onze eerwaarde onderwijzer was zichtbaar ouder en zijn voorkomen geenszins gunstiger geworden; er lag nog dezelfde brutale uitdrukking op zijn gezicht; zijne oogen waren nog even klein, doch lagen nog wat dieper in hunne kassen. De weinige grijzende haren, die ik mij herinnerde, waren verdwenen; en de dikke aderen op het voorhoofd maakten evenmin een aangenamen indruk als vroeger.
Na een onderhoud met deze heeren, waaruit de gevolgtrekking zou kunnen zijn gemaakt, dat men eigenlijk aan niets op de wereld zooveel aandacht schenken mocht als aan het gemak en het goede leven van de gevangenen hoeveel het ook moge kosten, en niets op de wereld zoo belangrijk was als gevangenisdeuren, begonnen wij onze wandeling door het gebouw. Aangezien het juist etenstijd was gingen wij eerst naar de keuken, waar het middagmaal voor elken gevangene afzonderlijk gereed stond, om hem in zijne cel te worden gebracht, hetgeen elken dag met de grootste regelmatigheid, prompt op hetzelfde uur geschiedde. Ik fluisterde Traddles in of het ook hem niet bevreemdde, dat niemand scheen in te zien welk een stuitend contrast er bestond tusschen dit overvloedige maal van uitnemende spijzen en dat van—om niet van behoeftigen te spreken—soldaten, matrozen, werklieden en de massa der bevolking, die met werken hun brood verdienden; geen twintigste procent van dezen werd half zoo goed gevoed. Ik vernam echter dat het „systeem” een voedzamen maaltijd noodzakelijk maakte; kortom ik zag in dat om het stelsel toe te passen, in dit, zoowel als in alle andere opzichten, het „systeem” een eind maakte aan allen twijfel en alle bezwaren uit den weg ruimde. Niemand scheen te beseffen dat er nog wel een ander systeem zijn kon dan „het” systeem.
Terwijl wij door eenige hooge, breede gangen wandelden vroeg ik aan mijnheer Creakle en zijn vrienden welke voordeelen men verwachtte van dit alles beheerschende en overheerschende systeem? Het bestond in volkomen afzondering van de gevangenen, zoodat geen van hen iets wist of te weten kwam van zijn buurman en daarvan verwachtte men als gevolg, dat de gevangenen in eene gemoedsstemming zouden komen, die tot oprecht berouw en beterschap leidde.
Toen wij nu de gevangenen in hunne cellen bezochten en men ons eene verklaring gaf van de wijze, waarop zij zich naar de kapel, de wandelplaatsen en elders begaven, kwam het mij voor dat zij wel degelijk in de gelegenheid waren om veel van elkander te weten en dat er zonder twijfel een volledig stelsel van verkeer tusschen hen bestond. Nu ik dit schrijf is het, als ik het wel heb, bewezen dat ik daarin niet mistastte; maar aangezien het als vuige laster zou beschouwd zijn op „het” systeem, hield ik mijne zienswijze voor mij en deed in stilte boete voor deze zondige gedachte. Ik begon te zoeken naar de beweerde boetvaardigheid, maar ook daarin werd ik teleurgesteld. Daar heerschte een zekere mode in het betoonen van boetvaardigheid, evenals buiten de gevangenis in den snit van pantalons en vesten voor de vensters der kleedermakers-winkels. De wijze, waarop de boetvaardigheid betoond werd, verschilde weinig; vooral in den vorm, hetgeen mij verdacht voorkwam. Ik vond een groot aantal vossen, die de onbereikbare druiven verachtten, maar zeer weinige, die ik binnen het bereik van een tros vertrouwd zou hebben. Bovenal scheen het mij toe, dat zij, die de meeste vertooning maakten, ook de meeste belangstelling opwekten en dat hunne inbeelding, hunne ijdelheid, hun gebrek aan bezigheid, hunne zucht om te bedriegen, waaraan vooral veel leden en die sommigen, zooals uit hunne geschiedenis bleek, tot eene ongekende hoogte botvierden, in één woord, dat alles gedaan werd om hen aan te sporen tot het maken van vertooning, waardoor iedereen bevredigd scheen.
Ik hoorde gedurende onze wandeling echter zoo dikwijls over een zeker No. 27 spreken, die de gunsteling van allen en een voorbeeldig gevangene scheen te zijn, dat ik besloot mijn oordeel op te schorten tot ik no. 27 gezien had. Ook no. 28 was een lichtende ster, zooals ik vernam, maar het was ongelukkig dat zijn licht een weinig verduisterd werd door den glans, die no. 27 verspreidde. Ik hoorde zooveel over no. 27 spreken, van zijne vroomheid, van zijn vermaningen aan ieder, die onder zijn bereik kwam, van de „mooie” brieven, die hij aan zijn moeder schreef—hij verkeerde in de meening dat zijne moeder zich op den slechten weg bevond—dat ik waarlijk het oogenblik, waarop ik hem zou zien, met ongeduld verbeidde. En nu werd no. 27 voor het laatst bewaard om de kroon te zetten op alles. Eindelijk naderden wij de deur van zijn cel en mijnheer Creakle, die door een gaatje in de deur had gekeken, deelde ons opgetogen mede dat no. 27 in een gezangboek zat te lezen. Er volgde op deze mededeeling zulk eene opstopping van hoofden, dat het gaatje, waardoor no. 27 te zien was, er in letterlijken zin van verstopt raakte. Ten einde aan aller ongeduld te gemoet te komen gaf mijnheer Creakle last de deur te openen en no. 27 te verzoeken buiten te komen. En wien moesten Traddles en ik daar tot onze overgroote verbazing aanschouwen? Niemand anders dan Uriah Heep!
Hij herkende ons terstond en zich als van ouds wringende, zei hij:
„Hoe vaart gij, mijnheer Copperfield? Hoe vaart gij mijnheer Traddles?”
Deze herkenning veroorzaakte algemeene bewondering bij de voorstanders van het systeem. Ik meende op te merken dat het iedereen trof, toen hij niets trotsch bleek te zijn en ons nog wel wilde kennen.
„Wel, 27,” zei mijnheer Creakle en staarde hem daarbij aan met een droeven, doch tevens bewonderenden blik. „Hoe maakt gij het vandaag?”
„Ik ben zeer nederig, mijnheer!” antwoordde hij.
„Dat zijt gij altijd, 27,” zei mijnheer Creakle. Eene andere stem vroeg op eenigszins angstigen toon: „Voelt gij u werkelijk heel goed?”
„Ja, dank u, mijnheer!” antwoordde Uriah met een blik in die richting: „Ik voel mij hier veel meer op mijn gemak dan ooit daarbuiten. Ik zie mijne fouten nu in, mijnheer. Daardoor voel ik mij zoo op mijn gemak.”
Verscheidene heeren waren blijkbaar diep getroffen door zooveel deemoed; terwijl een derde stem op aandoenlijken toon vroeg: „Hoe is de biefstuk?”
„Dank u, mijnheer,” antwoordde Uriah, zich naar dezen nieuwen spreker wendende, „de biefstuk was gisteren wat taai, maar dat zijn omstandigheden, die men moet weten te dragen; ik heb dwaasheden begaan, heeren,” vervolgde hij met een walgelijken glimlach, „dus moet ik de gevolgen dragen.”
Toen het gemompel, gedeeltelijk van vreugde over den hemelschen gemoedstoestand van no. 27, maar ook van verontwaardiging, omdat de leverancier zich vermeten had hem eenige aanleiding tot ontevredenheid te geven—mijnheer Creakle hield er onmiddellijk aanteekening van—bedaard was, stond Uriah Heep midden in den kring, alsof hij zich wilde laten bewonderen als het merkwaardigste stuk in een museum. En opdat wij de bekeerden, op eenmaal door het volle licht zouden beschenen worden, werd last gegeven ook no. 28 uit de cel te laten.
Ik was al zoo verbaasd, dat ik niets dan eene kalme verwondering aan den dag kon leggen, toen mijnheer Littimer uit de cel te voorschijn kwam met een goed boek in de hand.
„28”, zei een heer met een bril op, die nog niets gezegd had, „gij hebt verleden week over de chocolade geklaagd. Hoe is ze na dien tijd geweest?”
„Dank u, mijnheer,” antwoordde 28, „ze is beter klaar gemaakt. Als ik die vrijheid nemen mag, zou ik zeggen dat de melk, waarmee ze is toebereid, niet geheel onvervalscht is; maar ik weet, mijnheer, dat de melk in Londen algemeen vervalscht wordt en het zeer moeielijk is dat artikel in zuiveren toestand te verkrijgen.”
Het kwam mij zoo voor, dat de heer met den bril zijn no. 28 tegen mijnheer Creakle's no. 27 wilde monsteren, tenminste beiden namen hun eigen gunsteling bij de hand.
„Hoe is 't met uw gemoedstoestand, no. 28?” vroeg de heer met den bril.
„Dank u, mijnheer,” antwoordde Littimer. „Ik zie mijne afdwalingen nu in, mijnheer. De zonden van mijne vroegere metgezellen drukken mij nog wel, mijnheer, maar ik vertrouw dat zij vergeving zullen vinden.”
„Zijt gij zelf nu gelukkig?” vroeg de heer met den bril verder, terwijl hij hem aanmoedigend toeknikte.
„Ik ben u zeer verplicht, mijnheer, ik voel mij volmaakt gelukkig.”
„Hebt gij nog iets op het hart? Zoo ja, deel het mij dan mede, 28.”
„Mijnheer,” antwoordde Littimer, zonder op te kijken, „bedrieg ik mij niet, dan bevindt zich daar een heer in uw gezelschap, die mij uit vroegere dagen bekend is. Mogelijk stelt die heer er belang in te weten, dat ik mijne vroegere afdwalingen alleen toeschrijf aan de omstandigheid, dat ik in dienst was van jonge, onnadenkende menschen en mij door hen heb laten verleiden tot zwakheden, waaraan ik geen weerstand kon bieden. Ik hoop dat die heer zich zal laten waarschuwen, mijnheer, en mij mijne vrijpostigheid niet euvel zal duiden. Het is tot zijn bestwil. Ik zie mijn eigen afdwalingen nu in en ik hoop dat hij berouw zal voelen over al de goddeloosheid en de zonde, waaraan hij heeft deelgenomen.”
Ik merkte op dat verscheidene heeren de hand boven de oogen hielden, alsof zij juist in eene helder verlichte kerk kwamen.
„Dit strekt u tot eer, 28,” antwoordde dezelfde heer. „Ik had dit van u verwacht. Hebt gij nog meer te zeggen?”
„Mijnheer,” antwoordde Littimer, zijne wenkbrauwen even oplichtend, doch met neergeslagen oogen, „er was een jong meisje, dat op den slechten weg geraakte en dat ik trachtte te redden, mijnheer; ik slaagde daarin echter niet. Ik verzoek dien heer, indien het in zijne macht is, dat jonge meisje te doen weten dat ik haar vergiffenis schenk wegens haar slecht gedrag tegenover mij en dat ik haar aanraad op den goeden weg terug te keeren—indien hij zoo goed wil zijn.”
„Ik twijfel er geen oogenblik aan, 28”, zei de heer met den bril, „of de persoon, dien gij bedoelt, zal diep gevoelen hetgeen gij op zulk een gepaste wijze gezegd hebt. Wij willen u thans niet langer ophouden.”
„Verplicht, mijnheer,” zei Littimer. „Heeren, ik zeg u vaarwel en hoop dat gij en uwe huisgenooten uw zonden zult inzien en boete doen.”
Na deze woorden verdween no. 28, maar wierp nog even een blik van verstandhouding toe aan Uriah Heep, die mij in het vermoeden sterkte dat zij volstrekt niet zonder middelen waren om met elkander in aanraking te komen. Door het groepje heeren ging een goedkeurend gemompel, toen de deur achter hem dichtviel; hij was in hunne oogen een hoogst respectabel man en een bewijs te meer voor de deugdelijkheid van „het stelsel”. „Een mooi geval,” hoorde ik zeggen.
„Nu, no. 27,” zei mijnheer Creakle, die thans de baan vrij had voor zijn „exemplaar”, „kan iemand van de aanwezigen iets voor u doen? Zoo ja, spreek dan vrij uit.”
„Ik wilde u nederig de toestemming vragen,” zei Uriah met een ruk van zijn boosaardigen kop, „om nog eens aan mijne moeder te schrijven.”
„Dat zal u ongetwijfeld worden toegestaan,” antwoordde mijnheer Creakle.
„Dank u, mijnheer! Ik verkeer in angst over moeder. Ik ben bang dat zij niet gered is.”
„Waarvan?” vroeg een onvoorzichtige bezoeker, maar een algemeen „St!” bracht hem tot het besef van deze onbetamelijke vraag.
„Ik bedoel ‚hare ziel’, mijnheer,” antwoordde Uriah, zich wringende en kronkelende in de richting van de stem.
„Ik zou moeder zoo gaarne tot den heilstaat gebracht zien, waarin ik thans ben. Ik zou nooit daarin gekomen zijn, als men mij niet hier had opgesloten. Was moeder ook maar hier gekomen! Dat zou voor iedereen zoo goed zijn!”
Deze woorden schonken zooveel voldoening.... meer zelfs dan al hetgeen wij tot nu toe hadden aangehoord.
„Voor ik hier kwam,” zei Uriah, met een blik naar ons, alsof hij de wereld, waarin wij nog ronddoolden, wel had willen verdelgen, „was ik van het goede pad afgedwaald, maar thans zie ik mijne zonden in. Daar is veel zonde in de buitenwereld. En ook moeder is niet zonder zonde. Overal is zonde..... behalve hier.”
„Gij zijt wel veranderd!” zei mijnheer Creakle.
„Goede Hemel, ja, mijnheer!” riep deze hoopvolle boeteling.
„En zoudt gij niet weder afdwalen, indien gij hier uitkwaamt?” vroeg eene stem, die ik nog niet gehoord had.
„Daarvoor zou de Hemel mij behoeden, mijnheer!”
„Dit is zeker zeer streelend,” zei mijnheer Creakle. „Gij hebt mijnheer Copperfield toegesproken, no. 27. Verlangt gij nog meer tot hem te zeggen?”
„Gij hebt mij gekend, mijnheer Copperfield,” hernam Uriah, „langen tijd voor ik hier en veranderd was.” Hij keek mij aan, maar nooit zag ik een schurkachtiger uitdrukking, zelfs op zijn gezicht. „Gij hebt mij gekend, toen ik niettegenstaande mijne afdwalingen nederig was te midden van hoogmoedigen en zachtmoedig te midden van driftigen—gij zelf waart driftig, mijnheer Copperfield. Eens hebt gij mij in het gezicht geslagen.... herinnert gij u dat?”
Algemeen medelijden! Verontwaardigde blikken in mijne richting!
„Maar ik vergeef het u, mijnheer Copperfield,” zei Uriah, en maakte zijne vergevensgezindheid tot het onderwerp van eene godslasterijke vergelijking, die ik hier niet wil herhalen. „Ik schenk iedereen vergiffenis! het zou mij niet passen haatdragend te zijn. Ik schenk u ook vergiffenis, mijnheer Copperfield, en hoop dat gij in de toekomst uwe drift zult weten in te toomen. Ik hoop ook dat mijnheer W. berouw zal hebben en juffrouw W. en dat geheele zondige komplot. Gij zijt bezocht geworden door een groot leed; ik hoop dat gij daardoor tot inkeer zult komen, maar gij deedt beter hier eenigen tijd door te brengen. Mijnheer W. en juffrouw W. deden ook beter indien zij hier kwamen. Het beste, dat ik u kan toewenschen, mijnheer Copperfield en u allen, Heeren, dat is hier te worden opgenomen en hier eenigen tijd door te brengen. Als ik denk aan den tijd, toen ik van den goeden weg was afgedwaald, en aan den heilstaat, waarin ik hier verkeer, dan kan ik u niets beters toewenschen. Ik beklaag allen, die niet hier zijn.”
Te midden van een goedkeurend gemompel verdween hij in zijne cel en zoowel Traddles als ik ademden vrijer toen de deur weder gesloten was.
De boetvaardigheid van deze beide uitvaagsels van het menschdom was zoo eigenaardig, dat ik niet kon nalaten naar de feiten te vragen, die hen in de gevangenis gebracht hadden. Het scheen echter dat zij juist daarover liever het stilzwijgen bewaarden. Ik wendde mij daarom tot een van de bewakers, die zooals ik uit zijn gelaat meende te mogen opmaken, vrij goed begreep dat deze nos. 27 en 28 uitnemende comedianten waren.
„Kunt gij mij ook vertellen,” vroeg ik hem, terwijl wij verder gingen, „welke boevenstreken no. 27 het laatst heeft uitgevoerd?”
Het antwoord luidde dat hij de Engelsche Bank bestolen had. „Oplichterij, valsche papieren en wisselruiterij, mijnheer. Hij was niet alleen, maar wel de hoofddader. Het schijnt om eene groote som te doen te zijn geweest. Het vonnis luidde: levenslange deportatie. 27 was de slimste van het komplot, maar heeft zich toch niet geheel kunnen vrijpleiten. De Bank heeft hem nog juist wat zout op den staart kunnen leggen.... doch ook maar even.”
„En no. 28?”
„28,” antwoordde mijn berichtgever, die zachtjes sprak en nu en dan eens achterom keek, ten einde zicht te over tuigen dat mijnheer Creakle noch een van de andere heeren hem zoo onbetamelijk hoorde spreken over zulke godvreezende lieden, „28, ook deportatie—was in dienst bij een jong mensch van goeden huize en stal den avond voor zij eene buitenlandsche reis zouden ondernemen tweehonderd vijftig pond aan geld en kostbaarheden. Ik herinner mij dit geval zoo goed, omdat hij door eene dwerg werd aangehouden.”
„Door wie?”
„Door een heel, klein vrouwtje; ik herinner mij haar naam niet meer.”
„Mowcher misschien?”
„Juist, zoo heette zij. Hij was ontsnapt en op het punt om naar Amerika te gaan met een pruik op en valsche bakkebaarden, zoo vermomd als gij ooit in uw leven iemand gezien hebt. Het kleine vrouwtje ontmoette hem te Southampton, herkende hem met hare scherpe oogjes onmiddellijk, liep tusschen zijn beenen door, zoodat hij viel en hield hem toen zoo stevig vast, alsof zij de dood in eigen persoon was.”
„Brave Mowcher!” riep ik.
„Dat zoudt gij zeker gezegd hebben, indien gij haar gedurende het proces op een stoel in de getuigenbank hadt zien staan,” zei de bewaker. „Hij had haar gezicht geheel opengekrapt en haar op beestachtige wijze getrapt en geslagen, toen zij hem vast had; maar zij liet hem niet los eer hij achter slot en grendel zat. Zoo stijf hield zij hem vast dat de politie hen te zamen in arrest moest nemen. Zij legde hare verklaringen zoo helder en duidelijk af, dat de rechter haar grooten lof toezwaaide en zij met groot gejuich naar huis werd gebracht. Zij verklaarde voor de rechtbank dat zij hem geheel alleen zou hebben ingepakt—zooveel slechtheid was haar van hem bekend—al ware hij een Simsom geweest. En ik geloof zeker dat zij het gedaan zou hebben!”
Dat geloofde ik ook en juffrouw Mowcher was in dit oogenblik zeer in mijne achting gerezen. Wij hadden nu alles gezien wat er te zien was. Het zou vruchtelooze moeite geweest zijn om iemand als mijnheer Creakle er op te wijzen, dat die nos. 27 en 28 hun oude rol voortspeelden en niet het minst veranderd waren; dat zij altijd geweest waren zooals zij zich op het oogenblik voordeden; dat zulke huichelaars in eene inrichting als deze juist op hunne plaats waren om den menschen zand in de oogen te strooien; dat zij zeer goed moesten begrijpen hoeveel voordeel zij nog van dit berouw konden trekken wanneer zij naar de koloniën werden gezonden; kortom, dat alles wat zij zeiden niets dan holle klanken waren en het geheele systeem ziekelijk was.
Wij lieten de heeren dwepen met hun systeem en gingen verbaasd en verontwaardigd heen.
„Het is misschien niet kwaad, Traddles,” zei ik, „dat men dit stokpaardje wat hard berijdt; des te eerder is het doodgereden.”
„Het is te hopen,” antwoordde Traddles.
LXII
Er schijnt een licht op mijn weg.
Kerstmis naderde en ik was reeds bijna twee maanden in het land terug. Ik had Agnes dikwijls ontmoet en hoe luide het publiek mij ook toejuichte en hoe ik daardoor ook werd aangespoord, om al mijne krachten in te spannen, haar lof hoorde ik toch het liefst.
Minstens eenmaal 's weeks, somtijds vaker reed ik naar Canterbury en bracht den avond bij mijnheer Wickfield en Agnes door. Gewoonlijk reed ik des avonds laat naar huis, want als ik haar verlaten had bekroop mij dat oude ongelukkige gevoel weder en ik was dan liever alleen in de vrije natuur dan half slapende en door de onverkwikkelijkste droomen geplaagd in mijn bed. Het grootste gedeelte van menigen onstuimigen nacht bracht ik zoo te paard door en riep mij onder het rijden alle gedachten weder te binnen, die mij gedurende mijne afwezigheid hadden bezig gehouden. Wellicht deed ik beter te zeggen dat ik luisterde naar de echo van die gedachten, want zij spraken tot mij als uit een ver verleden. Ik had ze nu eenmaal op een afstand geplaatst en hoorde ze uit de verte aan. Wanneer ik Agnes voorlas wat ik geschreven had—wanneer ik haar aandachtig luisterend gezichtje zag met een glimlach om den mond of een traan in het oog, en hare lieve stem zoo ernstig hoorde spreken over de dingen in de fictieve wereld, waarin ik mij bewoog... dan dacht ik dikwijls aan het lot dat het mijne had kunnen zijn, maar alleen zooals ik er over gedacht had toen ik met Dora getrouwd was: hoe zou ik mijne vrouw wenschen?
Mijn plicht jegens Agnes, die mij liefhad en die ik onrecht zou aandoen indien ik hare liefde uit zelfzucht verstoorde, zonder ze ooit te kunnen beantwoorden zooals zij verdiende; mijne gerijpte overtuiging, dat ik, die mijn eigen lot geregeld en verkregen had wat ik zoo onstuimig had begeerd, geen recht had tot pruttelen doch geduldig moest dragen, daarin lag alles opgesloten wat ik voelde en wat de ondervinding mij had geleerd. Maar ik had haar lief en nu bleef mij tot eenige troost over, mij, heel vaag, een ver verwijderde toekomst voor te spiegelen, waarin ik haar dat, zonder eenige schuld op mij te laden, zou mogen bekennen, waarin alles voorbij zou zijn en ik zou kunnen zeggen tot Agnes: „Toen ik terugkwam had ik u zielslief en nu ben ik oud en sedert heb ik niemand lief gehad dan u!”
Geen enkele maal toonde zij mij eenige verandering in zich zelve. Zij bleef geheel wat zij altijd voor mij geweest was.
Tusschen tante en mij had sedert ons gesprek op den avond van mijne thuiskomst iets bestaan, dat ik geen terughouding noch gedwongen stilzwijgen noemen wil; wij waren ons in stilte bewust dat wij beiden voortdurend aan hetzelfde onderwerp dachten, maar onze gedachten nooit in woorden uitten. Wanneer wij des avonds ouder gewoonte bij den haard zaten, kwam de lust daartoe meermalen in ons op, en wij waren dat van elkander bewust. Toch bewaarden wij het stilzwijgen. Ik geloof dat zij dien avond in mijn hart gelezen had en volkomen begreep waarom ik niet uitsprak hetgeen in mij omging.
Toen het eindelijk Kerstmis geworden was en Agnes mij nog niet in vertrouwen genomen had, begon er eenige twijfel in mijne ziel op te komen. Zou zij vermoeden wat er in mij omging en zwijgen uit vrees van mij leed te doen? Indien dat zoo ware, baatte mij mijne opoffering niets, dan bleef mijn plicht jegens haar onvervuld, dan deed ik juist hetgeen ik wilde voorkomen. Ik besloot daarom allen twijfel weg te nemen en indien mijn vermoeden juist was met vaste hand alle hinderpalen uit den weg te ruimen.
Het was—welke reden kan ik toch hebben om mij dit thans nog te herinneren!—een koude, gure winterdag. Het had eenige uren te voren gesneeuwd, maar de sneeuw lag niet dik op den hardbevroren grond. Een snijdende noordenwind blies uit de zee mijn venster binnen. Ik stelde mij voor hoe hij nu over de thans onbegaanbare sneeuwbergen in Zwitserland zou blazen en wat eenzamer zijn zou, deze verlaten bergstreek of een oceaan zonder een enkel zeil.
„Gaat gij in dit weer uit rijden, Trot?” vroeg tante, terwijl zij het hoofd door de deur stak.
„Ja,” antwoordde ik, „ik ga naar Canterbury. Het is goed weer om te rijden.”
„Ik hoop dat uw paard er ook zoo over denkt,” hernam tante, „maar op het oogenblik staat het met hangenden kop voor de deur, alsof het den stal wel zoo verkieslijk vindt.”
Ik moet hier vermelden dat mijn paard wel op het verboden terrein mocht komen, al was tante volstrekt niet inschikkelijker voor de ezels geworden.
„Hij zal zich straks wel warm loopen,” zei ik.
„De rit zal zijn meester in elk geval goed doen,” antwoordde tante met een blik op de papieren, die op de tafel lagen. „Ik heb nooit geweten als ik boeken las, dat het schrijven er van zooveel moeite kost, mijn kind.”
„Het kost somtijds moeite genoeg om ze te lezen,” zei ik schertsend. „Het schrijven heeft zijne eigenaardige aantrekkelijkheid, tante.”
„Ja, dat begrijp ik: Eerzucht, verlangen naar lof, sympathie en al zoo meer, nietwaar? Nu, ga je gang maar!”
Zij had mij op den schouder geklopt en toen op een stoel plaats genomen en terwijl ik zoo kalm als ik mij maar houden kon voor haar stond, vroeg ik: „Weet gij nog iets meer van die genegenheid van Agnes, tante?”
Zij keek mij eenige oogenblikken aan voor zij antwoordde: „Ik geloof het wel, Trot.”
„Zijn uwe vermoedens nog toegenomen, tante?”
„Ik geloof het wel, Trot.”
Zij staarde mij onafgebroken aan met eene uitdrukking van twijfel of medelijden of ongerustheid, zoodat ik nog meer moeite deed om haar een opgewekt gelaat te toonen.
„En wat meer zegt, Trot.......”
„Wat blieft u, tante?”
„Ik vermoed dat Agnes zal gaan trouwen.”
„God zegene haar!” zei ik zoo opgeruimd mogelijk.
„Ja, God zegene haar!” herhaalde tante, „en haar echtgenoot ook!”
Terwijl ik de trap afging, opsteeg en wegreed herhaalde ik de woorden van tante. Er was meer dan ooit reden om te doen wat ik besloten had.
O, wat herinner ik mij dien kouden rit nog goed! De kleine ijskegeltjes, door den wind van de takken afgewaaid, voel ik nog in mijn gezicht; ik hoor nog den harden hoefslag op den bevroren grond; ik zie nog de harde voren op het land, de ronddwarrelende sneeuwvlokken, de dampende paarden voor den hooiwagen, toen zij op den heuvel bleven staan om adem te scheppen, terwijl hunne belletjes welluidend rinkelden; de witte omtrekken der duinen, die zoo duidelijk tegen de donkere lucht afstaken, alsof ze op eene lei waren geteekend.
Ik vond Agnes alleen. De kleine meisjes waren allen naar huis en zij zat alleen bij den haard te lezen. Toen zij mij zag, legde zij haar boek haastig neer en nadat zij mij als gewoonlijk had verwelkomd, nam zij met haar werkmand op een der ouderwetsche vensterbanken plaats.
Ik ging naast haar zitten en wij spraken over het boek, dat ik onder handen had, en rekenden uit wanneer het af zou zijn en hoeveel ik gevorderd was na mijn laatste bezoek. Agnes was heel opgewekt en beweerde lachend dat ik spoedig veel te beroemd zou zijn om met haar over zulke onderwerpen te praten.
„Gij merkt dat ik nu den tijd nog maar waarneem om met u te praten, terwijl ik het nog mag,” antwoordde ik.
Terwijl ik haar lief gezichtje gadesloeg, lichtte zij het plotseling van haar werk op en keek mij met hare zachte, heldere oogen aan.
„Gij zijt bijzonder nadenkend vandaag, Trotwood.”
„Zal ik u vertellen wat mij zoozeer bezig houdt, Agnes? Ik ben hierheen gekomen om dat te doen.”
Zij legde haar werk op zijde zooals zij gewoon was, wanneer wij over ernstige onderwerpen spraken, en schonk mij haar volle aandacht.
„Lieve Agnes, hebt gij er wel eens aan getwijfeld dat ik u trouw zou blijven?”
„Neen,” antwoordde zij en keek mij een weinig verbaasd aan.
„Twijfelt gij er aan dat ik altijd voor u zal blijven wat ik voor u geweest ben?”
„Neen.”
„Herinnert gij u dat ik getracht heb u te vertellen toen ik terugkwam, hoe dankbaar ik u nog altijd ben, liefste Agnes, en hoe innig ik u liefheb?”
„Dat herinner ik mij zeer goed,” antwoordde zij zacht.
„Gij hebt een geheim, Agnes; laat mij dat met u deelen.”
Zij sloeg haar oogen neer en beefde.
„Al had ik het niet van andere lippen dan de uwe gehoord, Agnes—dat moge u vreemd schijnen—zou ik toch hebben geraden dat er iemand is, aan wien gij den schat van uwe liefde hebt toegedacht. Houdt mij niet buiten iets, dat uw geluk zoo na betreft. Indien gij mij vertrouwen kunt, zooals gij zegt en zooals ik weet dat gij doen kunt, laat mij dan uw vriend, uw broeder zijn in deze zaak zooals in alle andere!”
Met een smeekenden, bijna een verwijtenden blik stond zij van de vensterbank op en liep haastig de kamer door alsof zij niet wist waarheen zich te wenden, sloeg de handen voor het gelaat en barstte in zulk een tranenvloed uit dat ik er van ontstelde. En toch ontwaakte daar iets in mijn hart, dat mij hoop gaf. Zonder te weten waarom smolten die tranen ineen met den stillen droeven glimlach, die zoo onuitwischbaar in mijn geheugen was gegrift, en vervulden ze mij meer met hoop dan met vrees of spijt.
„Agnes! Zuster! Lieveling! Wat heb ik gedaan?”
„Laat mij heengaan, Trotwood; ik ben niet wel. Ik ben mij zelve niet. Later.... een andermaal zal ik met u spreken. Ik zal u schrijven. Spreek nu niet meer met mij. O, doe het niet, doe het niet!”
Ik poogde mij te herinneren wat zij dien avond gezegd had over eene liefde, die niet beantwoord behoefde te worden. Het scheen mij toe alsof ik een ganschen wereld moest doorzoeken in één oogenblik.
„Agnes, ik kan u zoo niet zien; ik kan de gedachte niet verdragen dat ik u zoo gemaakt heb. Liefste meisje, mij liever dan wat ook op de wereld, laat mij deelgenoot zijn van uw verdriet, indien gij verdriet hebt. Indien gij hulp of raad noodig hebt, laat mij u die dan verleenen! Indien gij een last te dragen hebt, laat mij u dien verlichten! Voor wie zou ik nog kunnen leven, Agnes, dan voor u?”
„O, spaar mij, Trotwood; ik ben mij zelve niet op dit oogenblik. Een ander maal!” Dat was alles wat ik kon verstaan.
Was het zelfzucht, die mij verleidde? Of opende zich werkelijk een hoopvolle toekomst voor mij, waaraan ik zelfs niet had willen denken?
„Ik moet spreken,” zei ik. „Ik kan u niet zoo laten heengaan. In 's Hemels naam, Agnes, laat ons elkander niet misleiden na zooveel jaren, na alles wat er met ons is gebeurd! Ik moet duidelijk zeggen wat ik op het hart heb. Indien gij ook maar het geringste vermoeden hebt dat ik het geluk, dat gij schenken kunt, zou benijden; dat ik u niet zou kunnen afstaan aan den man van uw eigen keuze; dat ik niet uit de verte getuige zou kunnen zijn van uw geluk, zet deze gedachten dan van u af, want dat verdien ik niet! Ik heb niet te vergeefs geleden. En gij hebt mij niet te vergeefs doen leeren! En is geen zweem van zelfzucht in mijn gevoel voor u!”
Zij was nu stil geworden. Na eenige oogenblikken keerde zij haar bleek gezichtje naar mij toe en zei met eene zachte, nu en dan afgebroken, doch heldere stem:
„Ik ben aan uwe trouwe vriendschap verplicht, Trotwood, u te zeggen dat gij in eene dwaling verkeert. Meer kan ik niet doen. Indien ik in den loop der jaren nu en dan raad of hulp noodig heb gehad, is die mij geworden. Voelde ik mij ongelukkig, dan is dat gevoel weder voorbijgegaan. Drukte mij een al te zware last, dan is die van mij afgenomen. Indien ik een geheim heb.... dan is het geen nieuw geheim; en is het niet.... hetgeen gij onderstelt. Ik kan het niet meedeelen, noch geheel noch gedeeltelijk. Het is langen tijd mijn geheim geweest en moet dat ook blijven.”
„Agnes! blijf nog.... een oogenblik!”
Zij wilde heengaan, maar ik hield haar tegen en sloeg den arm om haar middel. „Langen tijd! Dus geen nieuw geheim?” Nieuwe gedachten doorkruisten mijn brein, nieuwe hoop vervulde mijn hart; mijn geheele toekomst die mij zoo kleurloos had toegeschenen, was eensklaps veranderd.
„Lieve Agnes, ik acht u zoo hoog en heb u zoo onuitsprekelijk lief! Toen ik zoo straks hierheen reed meende ik nog, dat niets ter wereld mij deze bekentenis zou kunnen ontlokken. Ik meende die in mijn hart te zullen kunnen opsluiten tot wij beiden oud waren. Maar, Agnes, indien ik werkelijk de hoop mag koesteren u ooit anders dan zuster te mogen noemen, ooit meer, o oneindig meer dan eene zuster in u te zien....”
Hare tranen vloeiden rijkelijk, maar ze verschilden zoo onuitsprekelijk van die, welke zij straks had geschreid, dat ik mijne hoop voelde aanwakkeren.
„Agnes, mijn Gids door het leven, mijn hechtste steun! Indien gij meer aan u zelve en minder aan mij gedacht hadt toen wij hier te zamen opgroeiden, zou ik nooit een ander meisje hebben kunnen liefhebben dan u. Maar gij waart zooveel beter dan ik; ik had u zoo noodig bij al mijne kinder-idealen en teleurstellingen, dat het eene behoefte, eene gewoonte voor mij was geworden u alles toe te vertrouwen, mij in alles op u te verlaten, zoodat de nog veel grootere behoefte om u lief te hebben daardoor verdrongen werd!”
Zij lag zachtkens schreiend—Goddank, het waren vreugdetranen!—in mijn arm, zooals ik haar nooit gehad had en nooit gedacht had ooit te zullen zien.
„Toen ik Dora liefhad, innig liefhad, zooals gij wel weet....”
„Ja,” sprak zij op ernstigen toon, „ik ben blijde dat te weten!”
„Toen ik haar liefhad.... toen zelfs zou mijne liefde onvolmaakt zijn geweest indien ik uwe sympathie had gemist. Eerst toen ik die had was mijn geluk volmaakt. En wat zou er, toen ik haar moest afstaan, van mij geworden zijn zonder u?”
Nog vaster in mijn armen, nog dichter tegen mijn hart, met haar bevende handje op mijn schouder en hare lieve, met tranen gevulde oogen naar mij opgeslagen......
„Ik ging heen, Agnes en had u lief. Ik bleef daar ginds en had u lief. Ik keerde terug en had u lief!”
En nu beproefde ik haar te vertellen hoe ik gestreden had en tot welk besluit ik gekomen was. Ik beproefde mijn geheele hart voor haar bloot te leggen. Ik beproefde haar te vertellen hoe ik getracht had tot meer zelfkennis te komen en haar beter te leeren kennen; hoe ik had willen berusten bij hetgeen die meerdere kennis mij, naar ik meende, brengen zou en hoe ik ook thans tot haar gekomen was met dezen goeden wil. Indien zij mij zoo liefhad—zei ik—dat zij mij tot haar echtgenoot kon nemen, zou ik dat niet verdiend hebben dan alleen door de oprechtheid van mijne liefde voor haar en door het leed, waardoor die gerijpt was tot hetgeen ze nu was; daarom durfde ik haar die ook thans openbaren. O, Agnes, in uwe trouwe oogen zie ik mijn kind-vrouwtje; zij knikt mij toe en zegt mij dat het zóó goed is, dat ik door u herinnerd zal worden aan het lieve, teere Bloesempje, dat reeds bij het ontluiken werd afgerukt.
„Ik ben zoo gelukkig, Trotwood.... mijn hart is zoo vol..... maar één ding moet ik u toch zeggen.”
„Wat dan, mijn lieveling?”
Zij legde hare handjes op mijn schouder en keek mij aan met een rustigen, kalmen blik.
„Weet gij nog niet wat het is?”
„Ik ben bang om te zeggen wat ik denk. Vertel het mij maar.”
„Ik heb u liefgehad zoolang ik u gekend heb.”
* * * * *
O, wij waren zoo gelukkig, zoo innig gelukkig! Onze tranen vloeiden niet om de vele beproevingen—zij zooveel grootere dan ik—die wij hadden moeten ondervinden, maar uit blijdschap, omdat wij vereenigd waren voor geheel ons leven.
Dienzelfden winteravond wandelden wij samen door de besneeuwde velden en de zalige kalmte, die over ons gekomen was, scheen zich meegedeeld te hebben aan de koude lucht. De eerste sterren begonnen te schitteren en terwijl wij daar naar opkeken, dankten wij onzen Vader in de Hemelen, dat Hij ons geleid had tot deze rust. Later toen de maan was opgekomen, stonden wij te zamen voor hetzelfde ouderwetsche venster; Agnes met de oogen ten hemel geslagen en ik haar blik volgend. En voor mij zag ik een weg van vele, vele mijlen lang en een haveloozen, verwaarloosden knaap, die daarop voortstrompelde, door iedereen verstooten, een knaap, die het hart, dat nu tegen het zijne klopte, voor eeuwig zijn eigendom mocht noemen.
Tegen het etensuur brachten wij den volgenden dag een bezoek aan tante. Peggotty zei dat zij in mijne studeerkamer was, die zij niet zonder trotschheid zelve in orde hield. En daar zat zij met den bril op bij den haard.
„Groote goedheid!” sprak zij, „wie brengt gij daar mede?”—De schemering was reeds ingevallen, zoodat zij niet goed zien kon.
„Agnes,” zei ik.
Aangezien wij afgesproken hadden eerst niets te zeggen geraakte tante een weinig in de war. Zij wierp mij een hoopvollen blik toe, maar ziende dat ik keek zooals altijd, nam zij met een teleurgesteld gezicht haar bril af en wreef er den neus mede. Toch heette zij Agnes hartelijk welkom en al heel spoedig zaten wij in de benedenkamer gezellig om den disch. Tante zette twee, drie malen den bril weder op, om mij nog eens met aandacht te bekijken, maar even dikwijls nam zij dien weder af en wreef er haar neus mede tot groote ontsteltenis van mijnheer Dick, die dit een zeer slecht voorteeken achtte.
„Ik heb met Agnes eens gesproken over hetgeen gij mij verteld hebt, tante,” zei ik na afloop van het middagmaal.
„Daaraan hebt gij verkeerd gedaan, Trot,” antwoordde zij met een kleur als scharlaken, „dan heb gij uw woord niet gehouden.”
„Ik hoop toch dat gij niet boos op mij zijt, tante,” hernam ik, „ik ben overtuigd dat gij het niet zijn zult als ik u vertel dat Agnes in geenen deele ongelukkig is.”
„Nonsens, praatjes voor de vaak,” riep zij.
Tante scheen niet op haar gemak te zijn en daarom was het maar beter haar gerust te stellen. Ik nam Agnes onder den arm en bracht haar achter haar stoel, waarna wij haar te zamen over de leuning heen aankeken. Tante sloeg in de handen van verbazing, keek ons door haar bril een voor een aan en kreeg het voor de eerste en laatste maal, zoolang ik haar gekend heb, onmiddellijk op de zenuwen.
Peggotty kwam ontsteld de kamer binnenstuiven en op het oogenblik dat tante weer bijkwam, vloog zij op Peggotty toe, noemde haar een dwaas, oud schepsel en sloot haar in de armen. Daarna omhelsde zij mijnheer Dick, die zeer vereerd was doch nog meer verbaasd, en vertelde hem waarom zij het deed. Zeker waren er op dit oogenblik geen gelukkiger menschen in het Vereenigde Koninkrijk te vinden. Ik kon niet ontdekken of tante in haar laatste gesprek tot een vroom bedrog hare toevlucht genomen dan wel zich in den toestand van mijn hart vergist had. Het was immers waar, zooals zij mij verteld had, zeide zij, dat Agnes binnenkort zou trouwen; ik zou zeker beter dan iemand ter wereld weten hoe waar dit was.
Wij trouwden binnen veertien dagen. Traddles en Sophie, Doctor en mevrouw Strong waren de eenige gasten bij onze bruiloft, die stil werd gevierd. Wij verlieten hen gelukkiger dan ooit en reden samen weg. Toen ik haar in mijn armen had, hield ik de bron omklemd van elke edele gedachte, die ooit in mij is opgekomen; het middelpunt van mij zelven, mijn eigen, lieve vrouwtje. Mijne liefde voor haar was gebouwd op eene rots.
„Beste man!” zei Agnes. „Nu ik u zoo mag noemen, moet ik u nog een geheim vertellen.”
„En wat is dat liefste?”
„Het dateert van den nacht waarin Dora stierf. Gij herinnert u dat zij u zond om mij te roepen?”
„Ja.”
„Toen vertelde zij mij dat zij mij iets naliet. Kunt gij raden wat dit was?”
Ik meende het wel te kunnen raden en trok de vrouw, die mij zoolang had liefgehad, dichter naar mij toe.
„Zij vertelde mij dat zij mij voor het laatst een opdracht zou geven, mij voor het laatst met iets belasten....”
„En dat was?”
„Dat ik alleen hare ledige plaats zou mogen vervullen.”
En Agnes legde haar hoofdje tegen mij aan en schreide; en ik schreide met haar, hoewel wij beiden zoo gelukkig waren.
LXIII
Een bezoeker.
Hetgeen ik mij voorgesteld had te verhalen is bijna ten einde; toch leeft er nog eene gebeurtenis in mijne herinnering, waaraan ik menigmaal met genoegen terugdenk en zonder welke één draad, dien ik heb gesponnen, geen behoorlijk einde zou hebben.
Mijn roem en mijn fortuin waren voortdurend toegenomen, mijn huiselijk geluk was volmaakt; ik was tien jaren gelukkig getrouwd. Op zekeren lenteavond zaten Agnes en ik bij elkander in onze woning in Londen, terwijl drie van onze kinderen bij ons speelden, toen mij gemeld werd dat een vreemdeling mij wenschte te spreken. Op de vraag of hij voor zaken kwam had hij geantwoord: ‚Neen’; hij was alleen gekomen om het genoegen te smaken mij te zien en had eene lange reis achter den rug. Het was een oude man, zei de knecht; hij leek wel wat op een planter.
Dit klonk den kinderen zoo geheimzinnig in de ooren, dat het eenige verwarring veroorzaakte. Een van de jongens verborg het hoofdje in moeders schoot, ten einde buiten gevaar te zijn en de kleine Agnes, onze oudste, liet haar pop in de steek en bleef met den blonden krullebol tusschen de meubelgordijnen staan om te zien wat er nu gebeuren zou.
„Laat dien man binnenkomen,” zei ik.
Al spoedig verscheen daar een kalme oude man met grijs haar en bleef op den drempel van de kamer staan. De kleine Agnes, door zijn uiterlijk aangetrokken, snelde op hem toe en trok hem de kamer binnen, terwijl mijne vrouw plotseling opsprong en op blijden toon uitriep: „Het is baas Peggotty!”
En het was baas Peggotty! Hij was nu een oud man, maar een stevig, gezond en krachtig oud man. Toen onze eerste ontroering voorbij was en hij tegenover ons zat met een van onze kinderen op elke knie, scheen hij mij zulk een forsch en stevig en bovendien zulk een knap oud man toe als ik ooit ontmoet had.
„Jongeheer Davy,” zei hij. O, wat klonk die oude naam uit een lang vervlogen tijd en op dien ouden toon mij natuurlijk in de ooren! „Jongeheer Davy, welk een genot voor mij u weer te zien en dat naast zulk een lief en mooi vrouwtje!”
„Ja welk een genot, oude vriend!” riep ik uit.
„En dan deze heerlijke kinderen,” hernam hij. „Zulke schoone bloemen in uw hof! Wel, jongeheer Davy, gij waart zoo groot als de kleinste van dezen, toen ik u voor het eerst zag. Toen Em'ly ook nog niet grooter was en onze arme Ham nog maar een jongen!”
„De tijd heeft mij meer veranderd dan u,” zei ik. „Maar laat deze lieve schalkjes nu naar bed gaan en zegt mij waar uwe bagage is, want geen ander huis dan dit mag u onder zijn dak hebben. Is die oude zwarte zak er ook bij, die zulke verre reizen heeft meegemaakt? En dan moet gij ons onder een glas Yarmouther grog alles vertellen wat u in die tien jaar is overkomen?”
„Zijt gij alleen?” vroeg Agnes.
„Ja, mevrouw,” antwoordde hij, hare hand kussend, „geheel alleen.”
Hij zat tusschen ons in en wij wisten niet hoe wij hem hartelijk genoeg zouden ontvangen en toen ik begon te luisteren naar die oude, welbekende stem verbeeldde ik mij, dat hij van zijne reizen vertelde om zijn nichtje te zoeken.
„Het is een heele plas water,” zei hij, „om over te steken en dan nog maar voor eenige weken, maar water—vooral zout water—is mij niet vreemd, en vrienden zijn mij dier en ik ben hier—dat rijmt.”
„En gaat gij zoo spoedig weder terug?” vroeg Agnes.
„Ja, mevrouw,” antwoordde hij. „Ik beloofde het Em'ly eer ik heenging. Gij ziet, ik word er met de jaren niet jonger op en als ik het nu niet ondernomen had, zou er misschien niets meer van gekomen zijn. En het is altijd mijn plan geweest! Ik moest jongeheer Davy en uw eigen lieve gezicht nog eens zien, terwijl gij zoo gelukkig getrouwd zijt en dan mag ik oud worden.”
Hij keek ons aan met een blik alsof hij zijne oogen niet genoeg aan ons kon verzadigen. Agnes wierp lachend eenige grijze lokken van hem naar achteren, opdat hij ons beter zou kunnen zien.
„En vertel ons nu eens,” zei ik, „hoe het u gegaan is.”
„Och, dat is spoedig genoeg verteld, jongeheer Davy,” antwoordde hij. „Wij zijn nergens gekomen of het is ons goed gegaan. Wij hebben voorspoed gehad. Wij hebben gewerkt zooals onze plicht was; ja, in het begin viel het ons wel eens wat zwaar, maar wij hebben altijd voorspoed gehad. Met de schapenfokkerij, met het planten, met alles is het ons zoo goed gegaan als het kon. Er heeft zegen op ons gerust,” zei hij, eerbiedig het hoofd buigend, „wij hebben niets dan voorspoed gehad. Dat wil zeggen op den duur; was het vandaag niet—dan morgen; was het gisteren niet—dan vandaag.”
„En Em'ly?” vroegen Agnes en ik tegelijk.
„Em'ly?” zei hij, „nadat gij haar verlaten had, mevrouw,—ik heb haar nooit haar gebed hooren doen achter het scherm, dat ons in de wildernis scheidde, of ik hoorde uw naam—en nadat zij en ik jongeheer Davy uit het gezicht hadden verloren, toen de zon zoo helder scheen—was zij zoo neerslachtig, dat als zij geweten had wat jongeheer Davy zoo verstandig voor ons verborgen heeft gehouden, ja, dan geloof ik, dat zij niet levend aan de overzijde was gekomen. Maar er waren arme landverhuizers aan boord met zieke kinderen en deze namen al haar tijd in beslag. En zoo kon zij zich nuttig maken en dat heeft haar geholpen.”
„Wanneer heeft zij het vernomen?” vroeg ik.
„Nadat ik het gehoord had, hield ik het nog ongeveer een jaar voor haar verborgen. Wij woonden toen op een eenzame plek, maar te midden van de prachtigste boomen en de rozen groeiden tot op ons dak. Op zekeren dag, terwijl ik op het land werkte, kwam daar een vreemdeling aan uit Norfolk of Suffolk—dat weet ik niet meer.—Natuurlijk ontvingen wij hem zoo goed als wij konden en gaven hem te eten en te drinken. Dat is zoo het gebruik in de kolonie. Hij had een oude krant bij zich en nog een ander gedrukt bericht van den storm. Zoo is zij het te weten gekomen. Toen ik 's avonds thuis kwam wist zij het.”
Zijne stem daalde toen hij dit vertelde en ik herinner mij nog goed welk eene plechtige uitdrukking er lag op zijn mooi, frisch gezicht.
„Bracht het veel verandering in hare stemming?” vroeg ik.
„Ja, gedurende eenigen tijd,” antwoordde hij, hoofdschuddend, „zoo niet tot op dit oogenblik. Maar ik vermoed dat de eenzaamheid haar goed zal doen. En zij heeft veel te zorgen voor al het gevogelte en zoo al meer, dat heeft haar geholpen. Het zou mij verwonderen, jongeheer Davy, of gij Em'ly nog zoudt herkennen.”
„Is zij zoo veranderd?” vroeg ik.
„Dat weet ik niet. Ik zie haar elken dag maar nu en dan meende ik het. Een tenger vrouwtje met zachte, droefgeestige, blauwe oogen, een fijn gezichtje, een mooi kopje, dat een weinig voorover helt, eene zachte stem en een weinig... bedeesd in hare manieren, zou ik bijna zeggen. Zoo is Em'ly tegenwoordig.”
Wij sloegen hem zwijgend gade, terwijl hij voor zich op den grond staarde.
„Sommigen meenen,” vervolgde hij, „dat zij eene ongelukkige liefde gehad heeft; anderen dat haar huwelijk door den dood is afgesprongen. Niemand weet het ware. Zij zou wel honderd malen hebben kunnen trouwen, maar dan zeide zij altijd: ‚Dat is voor mij voorbij, oom.’ Vroolijk wanneer zij met mij alleen is; teruggetrokken wanneer anderen er bij zijn; gaarne uren wandelen om een kind les te geven of een zieke op te passen, of een vriendschapsdienst te bewijzen aan een jong meisje dat gaat trouwen—ofschoon zij het trouwen zelf nooit wil bijwonen—dol op haar oom; geduldig, bemind bij oud en jong; gezocht door iedereen, die in zorg is. Zoo is Em'ly tegenwoordig.”
Hij bracht even de hand voor het gezicht en keek met een half onderdrukten zucht van den grond op.
„En is Martha nog bij u?” vroeg ik.
„Martha is getrouwd, jongeheer Davy, toen wij ruim een jaar aan de overzij waren. Een jonge man, een boerenjongen bracht op zijn weg naar de markt—een reis van meer dan vijfhonderd mijlen heen en terug—een dag bij ons door en vroeg haar tot vrouw—er zijn daar weinig vrouwen—waarna zij met hun beiden in de wildernis zouden gaan wonen. Zij verzocht mij hem hare geschiedenis mede te deelen. Ik deed het en zij zijn getrouwd en wonen eenige honderde mijlen van ons af en hooren niets dan hun eigen stemmen en die van de vogels.”
„En juffrouw Gummidge?”
Dat scheen een aangenaam onderwerp voor baas Peggotty, want hij barstte plotseling in een schaterlach uit en wreef handen en beenen, zooals hij gewoon was te doen, wanneer hij pret had in de oude boot.
„Wilt gij 't wel gelooven!” riep hij.
„Er is, zoo waar als ik hier zit, iemand gekomen om haar ten huwelijk te vragen! Een scheepskok, die planter geworden was, jongeheer Davy, is zoo waar als ik leef gekomen, om haar ten huwelijk te vragen! Ik mag gekielhaald worden als het niet waar is—meer kan ik niet zeggen!”
Ik had Agnes nooit zoo zien lachen. Die plotselinge uitbarsting van baas Peggotty was zoo vermakelijk, dat zij bijna niet kon uitscheiden en hoe meer zij lachte, hoe grooter baas Peggotty's lachlust werd en hoe harder hij over zijn beenen begon te wrijven.
„En wat antwoordde juffrouw Gummidge?” vroeg ik toen hij wat ernstiger geworden was.
„Gij moogt het gelooven of niet,” antwoordde hij, „maar in plaats van te zeggen: ‚dank u, op mijn leeftijd trouwt men niet meer,’ nam zij een emmer op, die in hare nabijheid stond, en sloeg er den armen scheepskok mede om de ooren totdat hij om hulp begon te roepen en ik binnenkwam om hem te ontzetten.”
Baas Peggotty barstte weder in een schaterlach uit en Agnes en ik hielden hem dapper gezelschap.
„Maar dit moet ik tot eer van het goede schepsel zeggen,” hernam hij, zijn gezicht afvegend, „zij heeft haar woord gehouden en is alles en meer nog geweest voor ons dan zij beloofd had. Zij is het gewilligste, trouwste, eerlijkste schepsel dat ik ooit ontmoet heb, jongeheer Davy. Ik heb haar na ons vertrek geen enkele maal hooren zeggen dat zij een ongelukkig en rampzalig schepsel was, zelfs niet toen wij nog geheel alleen in de kolonie waren. Zij heeft zoolang wij uit Engeland zijn niet meer aan ‚den oude’ gedacht, dat kan ik u verzekeren.”
„En nu eindelijk, mijnheer Micawber,” zei ik. „Hij heeft aan al zijne geldelijke verplichtingen voldaan, zelfs Traddles afbetaald—gij herinnert u zeker wel dat Traddles borg gebleven was—ik maak daaruit op dat het hem goed gaat. Maar wat is het laatste nieuws van hem?”
Met een glimlach om de lippen haalde baas Peggotty een pakje papieren te voorschijn en nam daar zoo behoedzaam mogelijk een ouderwetsch krantje uit.
„Gij begrijpt, jongeheer Davy,” zei hij, „dat wij, nu het ons zoo goed is gegaan, de wildernis verlaten hebben en naar Port Middlebay Harbour gegaan zijn, dat wij een stad noemen.”
„Woonde mijnheer Micawber in de wildernis dicht in uwe buurt?”
„Nu, dat zou ik meenen,” zei baas Peggotty, „en hij heeft getoond dat hij werken kan als hij wil, dat verzeker ik u. Ik heb dat kale hoofd zien glimmen in de zon, jongeheer Davy, dat ik elk oogenblik meende het te zullen zien smelten. En nu is hij magistraat!”
„Magistraat? Wat zegt gij?”
Baas Peggotty wees naar een artikel in eene krant, dat het navolgende behelsde uit „Port Middlebay Harbour”:
[Illustratie]
„Het openbare feestmaal ter eere van onzen verdienstelijken medekolonist en stadgenoot, WILKINS MICAWBER, Magistraat van Port Middlebay, had gisteren plaats in de groote zaal van het hotel, dat tot den nok toe bezet was. Niet minder dan zevenenveertig personen hebben daar aangezeten, behalve nog de velen, die in de gangen en op de trappen een plaats vonden. De geheele beau-monde, allen die op den naam „aanzienlijk” kunnen aanspraak maken, waren daar bijeen om een welverdiende hulde te brengen aan zulk een talentvol en algemeen bekend man. Doctor Mell, die aan het hoofd staat van Colonial Salem House, de Latijnsche school te Port Middlebay, presideerde en had den verdienstelijken gast aan zijne rechterhand. Toen het dessert was opgebracht en wij het danklied Non Nobis hadden gezongen, waarbij de glasheldere stem van den begaafden amateur Wilkins Micawber Esquire, Junior boven alles uitklonk, werden de gewone vaderlandslievende toasten ingesteld en met geestdrift ontvangen. Daarna stelde doctor Mell in gevoelvolle taal een toost in op „onzen verdienstelijken gast,” het sieraad van de stad onzer inwoning. De geestdrift, waarmede deze woorden werden begroet, was onbeschrijvelijk. Telkens en telkens weder klonken luide de hoerah's en rolden weg als een ver verwijderd onweder. Eindelijk werd tot stilte aangemaand en stond Wilkins Micawber Esq. op om zijn dank te betuigen. De onvolkomenheid van onze hulpmiddelen stellen ons, helaas, niet in staat om onzen verdienstelijken stadgenoot te volgen in zijn bloemrijke taal, in zijne gekuischte en schitterende toespraak! Genoeg zij het te vermelden dat hij een meesterstuk van welsprekendheid ten beste gaf en dat vooral de wijze, waarop hij zijn eigen voorspoedige loopbaan naging tot aan het allereerste begin en de jongeren onder de aanzittenden waarschuwde tegen de onaangename gevolgen van het aangaan van geldelijke verbintenissen, die men niet in staat is na te komen, menigeen een traan in het oog deed opwellen. De volgende toosten waren op doctor Mell, op mevrouw Micawber, die omringd door al wat Middlebay Harbour aan schoone, bevallige, jonge vrouwen kan aanwijzen, op de galerij zat en met eene sierlijke buiging bedankte; op mevrouw Ridger Begs geb. Micawber; op mevrouw Mell; op Wilkins Micawber, Esq. Junior, die het gezelschap in verrukking bracht door in schertsende woorden mede te deelen, dat hij niet met een toost doch met een lied zou bedanken; op de familie van mevrouw Micawber—d. w. z. op de familie in het moederland—enz. enz. Na afloop werden de tafels als door een tooverslag opgeruimd en de zaal tot danszaal ingericht. Onder degenen, die Terpsischore huldigden tot het aanbreken van den dag tot vertrek maande, behoorden Wilkins Micawber Esq. Junior en de beminnelijke rijkbegaafde vierde dochter van Dr. Mell, miss Helena.”
Ik staarde nog op dien naam doctor Mell, mij verheugende in de ontdekking dat de arme, geplaagde ondermeester van Salem House in zulke gelukkige omstandigheden verkeerde, toen baas Peggotty mijne aandacht op een ander gedeelte van het blad vestigde en mijn oog bleef rusten op mijn eigen naam:
„Aan David Copperfield, Esquire, den vermaarden schrijver!
Geachte Heer.
Jaren zijn voorbijgegaan sinds ik in de gelegenheid was met eigen oogen de gelaatstrekken te aanschouwen, die thans bekend zijn bij het grootste gedeelte van de beschaafde wereld.
Maar, geachte Heer, hoewel beroofd—door de macht van omstandigheden buiten mijn wil—van de persoonlijke aanraking met een vriend en lotgenoot uit mijne jeugd, heb ik hem toch gevolgd in de kolossale vlucht, die hij genomen heeft; ook ben ik—al scheidden ons zeeën en oceanen—niet verstoken gebleven van de geestelijke gaven, waarmede hij de wereld heeft verkwikt.
Ik kan daarom een persoon, dien wij beiden achten en waardeeren, niet van hier laten gaan, zonder, waarde Heer, van deze openbare gelegenheid gebruik te maken om u, uit mijn naam en uit dien van alle bewoners van Port Middlebay, dank te zeggen voor het genot dat gij ons hebt verschaft.
Ga zoo voort, waarde Heer! Gij zijt hier geen onbekende, gij wordt hier gewaardeerd. Schoon ‚ver verwijderd’ zijn wij niet zonder vrienden, lijden wij niet aan melancholie, noch—ik mag er dit bijvoegen—zijn wij traag. Ga voort op de adelaarswieken, die u thans dragen! De inwoners van Port Middlebay zullen uwe vlucht met blijdschap, met genot gadeslaan.
Onder de oogen, die van dit gedeelte van den aardbol op u gericht zijn, zult gij, zoolang er licht en leven in is, dat ontwaren van
Wilkins Micawber,
Magistraat.”
De inhoud van het blaadje bracht mij tot de overtuiging dat mijnheer Micawber een van de ijverigste en verdienstelijkste correspondenten er van was. In hetzelfde nommer stond nog een artikel van hem over een brug; een advertentie vermeldde, dat een verzameling brieven van zijne hand eerstdaags, van belangrijke aanteekeningen voorzien, het licht zou zien en, indien ik mij niet zeer vergiste, was ook het hoofdartikel van hem.
Wij praatten druk over mijnheer Micawber en zijne lotgevallen, dezen avond en nog vele andere zoolang baas Peggotty bij ons bleef. Gedurende zijn verblijf, dat ongeveer een maand duurde, kwamen zijne zuster en mijne tante ons in Londen bezoeken. Agnes en ik namen op het schip afscheid van hem—thans voor de laatste maal. Maar voor zijn vertrek gingen wij te zamen naar Yarmouth om den kleinen steen te zien, dien ik op Ham's laatste rustplaats had laten leggen. Terwijl ik het geheele opschrift voor hem overschreef, zag ik hem bukken en eenig gras en wat aarde van het graf bijeengaren.
„Dat is voor Em'ly, jongeheer Davy,” zei hij, terwijl hij het in zijn borstzak stak. „Ik heb het haar beloofd.”