XVIII
Een terugblik.
Mijn schooljaren! Hoe stil gleed ik in deze dagen voort op de levensbaan, zonder zichtbare vorderingen te maken, terwijl ik toch allengs de jongelingsjaren naderde! Wanneer ik terugdenk aan dat stroomend beekje, thans eene opgedroogde, met bladeren gevulde bedding, komen mij allerlei kenteekenen voor den geest, waaruit ik ongeveer den juisten loop kan bepalen.
Ik zie mij zitten op mijne vaste plaats in de kerk, waar wij elken Zondagmorgen te zamen heengingen, na ons tot dat doel in de school verzameld te hebben. De eigenaardige aardlucht, de bewolkte hemel, het gevoel van de wereld afgezonderd te zijn, de galmende orgeltoonen tusschen de zwarte en witte, overwelfde galerijen en zijgangen, dat alles staat mij nog zoo levendig voor den geest, dat ik, er aan denkende, telkens weder in een half wakenden, half droomerigen toestand geraak.
Ik ben niet de laagste van de school. Binnen eenige maanden ben ik verscheidene jongens over het hoofd gesprongen. De eerste jongen van de school is echter in mijn oogen een wezen, dat op eene duizelingwekkende hoogte geplaatst en voor mij onbereikbaar is. Agnes zegt: „Neen,” maar ik zeg „Ja” en vertel haar, dat zij zich niet kan voorstellen, welk een schat van kennis dat wonder van knapheid reeds heeft vergaderd, wiens plaats zij meent, dat ik, zwakke beginner, eenmaal zou kunnen innemen. Hij is niet, zooals Steerforth was, mijn persoonlijke vriend of beschermer, maar ik draag hem grooten eerbied en onverdeelde achting toe. Ik ben ten hoogste benieuwd naar hetgeen hij worden zal, wanneer hij de school van mijnheer Strong verlaat, en naar hetgeen de menschheid doen zal om zich tegenover hem staande te houden.
Maar wie stoort mij daar in mijne overpeinzingen? Het is de jongejuffrouw Shepherd, op wie ik verliefd ben.
De jongejuffrouw Shepherd is een kostleerlinge op het instituut van de dames Nettingall. Ik aanbid de jongejuffrouw Shepherd. Zij is een klein meisje, dat een spencer draagt, een rond gezichtje en vlasblond, krullend haar heeft. De jongejuffrouwen van het instituut komen Zondags ook in de domkerk; ik kan onmogelijk in mijn boek zien, doch moet altijd naar de kleine Shepherd kijken. Wanneer het koor zingt, hoor ik haar stem; de preek schijnt mij toe voor haar bestemd en het gebed voor de koninklijke familie betreft ook haar. Thuis, op mijn eigen kamer, kan ik somtijds niet nalaten uit te roepen: „O, lieve jongejuffrouw Shepherd!” zoo verliefd ben ik op haar.
Langen tijd moet ik in duister rondtasten en blijf ik in twijfel omtrent hare gevoelens voor mij; maar eindelijk is het lot mij gunstig en ontmoeten wij elkander op de dansles. Zij is zelfs mijn danseuse. Ik raak even haar handschoen aan en voel eene trilling door mijn rechterarm tot in mijne haren. Ik zeg haar geen enkele lievigheid, maar wij begrijpen elkander. Wij weten, dat wij niet zonder elkander meer kunnen leven.
Ik zou wel eens willen weten, hoe dikwijls ik haar in het geheim twaalf Braziliaansche noten in de hand heb gestopt. Waarom deed ik dat toch? Ze zijn geen zinnebeelden van de liefde; ze zijn moeilijk bijeen te voegen tot een eenigszins regelmatig pakje; ze zijn zoo hard, dat men ze bijna niet kan kraken, zelfs niet tusschen een deur, en zijn ze gekraakt, dan smaken ze olieachtig; en toch voel ik, dat ze een zeer toepasselijk geschenk zijn voor de jongejuffrouw Shepherd. Ook koop ik zachte anijsbeschuitjes en ontelbare sinaasappels voor haar. Eens heb ik haar in de kleedkamer een kus gegeven. O, zaligheid! Wie beschrijft mijne verontwaardiging, wie mijn angst toen den volgenden morgen het gerucht tot mij doordrong, dat de dames Nettingall haar voeten tusschen twee plankjes hadden gezet, omdat hare teenen binnenwaards groeiden!
De kleine Shepherd, zooals ik haar noem, is het onderwerp van al mijne droomen, zoodat ik niet begrijp hoe er ooit eene klove tusschen ons is ontstaan! Er wordt gefluisterd, dat de kleine Shepherd liever heeft, dat ik haar niet altijd zoo aankijk, dat zij jongeheer Jones boven mij verkiest.... Jones, een jongen zonder eenige verdienste! De klove tusschen jongejuffrouw Shepherd en mij wordt hoe langer hoe dieper. Eindelijk kom ik de kostschool van de dames Nettingall op de wandeling tegen en.... de kleine Shepherd steekt de tong tegen mij uit en lacht mij uit. Nu is alles voorbij. De toewijding van een geheel leven—het schijnt mij zoo toe, maar het is hetzelfde—is ten einde; jongejuffrouw Shepherd behoort des Zondags niet meer tot de koninklijke familie.
Ik ben opgeklommen in de school en mijne rust wordt niet meer gestoord. Ik ben nu niet meer zoo beleefd voor de jongejuffrouwen van het instituut en word niet meer verliefd, al waren er nog twintigmaal meer en al waren zij nog tienmaal mooier. Ik vind de dansles vermoeiend en begrijp niet, waarom de meisjes niet met elkaar kunnen dansen en ons ongemoeid laten. Ik begin Latijnsche verzen te leeren en verzuim telkens mijn laarzen dicht te rijgen. Doctor Strong roemt mij in het openbaar als een veelbelovend leerling; mijnheer Dick is bijna woest van blijdschap en tante zendt mij met de eerstvolgende post een guinje.
De schim van een slagersjongen rijst bij mij op evenals het gewapende hoofd in Macbeth. Wie is die slagersjongen? Hij is de schrik van de geheele Canterburysche jeugd. Een duister verhaal doet de ronde, als zou het rundervet, waarmede hij zijne haren insmeert, hem bovennatuurlijke kracht geven, zoodat hij zelfs niet bang is voor een volwassen man. Hij heeft een breed gezicht en een korten, dikken nek, ruwe, roode wangen, een leelijk karakter en eene tong, waarmede hij altijd kwaad spreekt. Vooral op de jonge heeren van de school van doctor Strong heeft hij het gemunt. Hij zegt aan iedereen, dat, indien zij iets van hem hebben moeten, hij het hun geven zal. Hij noemt er bij name—mij ook—die hij met ééne hand een pak slaag wil geven, terwijl de andere op den rug is vastgebonden. De kleinste jongens wacht hij telkens af om hen, onbeschermd als zij zijn, af te ranselen en mij schreeuwt hij op de openbare straat na voor al wat leelijk is. Om al deze redenen besluit ik mij met hem te meten.
Volgens afspraak wacht ik hem op een zomeravond in een hoekje van den wal op en ben vergezeld van de keurbende van de school. De slager heeft twee andere slagers, een jongen herbergier en een schoorsteenveger bij zich. De toebereidselen worden gemaakt en daar staan de slager en ik tegenover elkander. In een oogenblik heeft hij tienduizend vonken doen spatten uit mijn linkeroog; in het volgende oogenblik weet ik niet, waar de wal is en waar ik zelf ben. Ik weet nauwelijks meer, wie ik ben en wie de slager is, zoo verwoed hebben wij elkander vast en zoo ineengestrengeld rollen wij over het platgetrapte gras. Soms zie ik den slager, bebloed doch vol zelfvertrouwen; somtijds zie ik niets, terwijl ik zit te hijgen op de knie van mijn secondant; een volgend oogenblik loop ik moedig op mijn vijand in en sla mijn knokkels kapot op zijn gezicht, zonder dat het hem iets schijnt te deren. Eindelijk ontwaak ik, met een wonderlijk gevoel in het hoofd, als uit een vasten slaap en zie den slager heengaan, gelukgewenscht door de beide andere slagers, den herbergier en den schoorsteenveger, terwijl hij loopende zijn buis aantrekt; ik besluit daaruit, dat de overwinning aan zijn kant is geweest.
Ik word in een jammerlijken toestand thuis gebracht; men legt rauw vleesch op mijn oogen, wascht mijn gezicht met azijn en brandewijn en op mijn bovenlip ontstaat een groote, witte plek, die ontzettend opzwelt. Gedurende de eerste drie of vier dagen moet ik thuis blijven, zie er ontoonbaar uit en moet eene groene kap boven de oogen dragen; ware Agnes geen zuster voor mij, dan zou ik zeker zeer ontmoedigd zijn; maar zij troost mij en leest mij voor en zorgt, dat de tijd mij niet lang valt. Ik vertel altijd alles aan Agnes en zoo krijgt zij nu ook het geheele verhaal van den slager en, al huivert zij, zij meent toch ook, dat ik het niet heb kunnen laten.
Ongemerkt gaat de tijd voorbij, want Adams is niet meer de eerste van de school, al is hij dit menig jaar geweest. Adams heeft de school al lang geleden verlaten, zoodat niemand behalve ik hem kent, toen hij op zekeren dag doctor Strong een bezoek komt brengen. Adams zal eerstdaags door de balie worden opgeroepen, hij wordt dan advocaat en moet een pruik dragen. Het verbaast mij hem veel nederiger te vinden dan ik gedacht heb; hij maakt volstrekt niet meer den indruk van vroeger. Ook heeft hij de wereld nog niet doen ontstellen, want alles gaat—voor zoover ik kan nagaan—nog evenals vroeger en alsof hij er zich nooit in begeven had.
Een tijdruimte, waarin de helden in de dichtkunst en de helden uit de geschiedenis in onafzienbare rijen, statig langs mij heentrokken—en wat volgt dan? Nu ben ik de eerste van de school; nu kijk ik neer op de geheele reeks jongens, die onder mij staan, en verwaardig mij wel belang te stellen in degenen, die mij mij zelven in herinnering brengen uit den tijd toen ik pas hier kwam. Dat kleine jongentje ben ik zelf niet meer, ik denk er aan als aan iets, dat ik op mijn levensweg heb achtergelaten, als aan iets dat ik heb beleefd, zonder dat ik het zelf geweest ben, meestal denk ik aan hem alsof hij iemand anders geweest is.
En waar is het jonge meisje gebleven, dat ik ontmoette bij mijn eerste bezoek aan mijnheer Wickfield? Eveneens verdwenen! In hare plaats beweegt zich nu eene sprekende, geen kinderlijke gelijkenis meer door het huis en Agnes, mijne lieve zuster, zooals ik haar beschouw, mijn raadgeefster en vriendin, de goede engel van allen, die onder haar kalmeerenden, weldadigen, zelfverloochenden invloed komen, is bijna volwassen.
Welke veranderingen hebben nog met mij plaats gehad behalve dat ik grooter en breeder ben geworden en in kennis ben vooruitgegaan? Ik draag een gouden horloge en een gouden ketting, een ring aan mijn pink, en een lange jas; ik gebruik veel berenvet, hetgeen een slecht teeken is in verband met den ring. Ben ik dan weer verliefd? Ja, ik maak het hof aan juffrouw Larkins.
De oudste juffrouw Larkins is geen klein meisje meer. Zij is volwassen, al heeft zij een slank figuur, en boogt op een paar donker zwarte oogen. De oudste juffrouw Larkins is volstrekt geen piepkuiken meer, want de jongste is het zelfs niet meer en de oudste is ongeveer drie of vier jaar ouder. De oudste juffrouw Larkins zal ongeveer dertig zijn; doch ik ben smoorlijk op haar verliefd.
De oudste juffrouw Larkins heeft kennissen onder de officieren; ik vind dat minder aangenaam, want zij spreken haar op straat aan en loopen straatjes om, ten einde haar tegen te komen als zij maar een puntje ontwaren van haar hoed—zij maakt heel veel werk van haar hoeden. En dan lacht zij en praat met hen en schijnt het erg aardig te vinden. Een groot gedeelte van mijn vrijen tijd breng ik door met op en neer wandelen, ten einde haar te ontmoeten. Als ik maar eens per dag eene buiging voor haar maken kan—ik ken mijnheer Larkins genoeg om dat te mogen doen—voel ik mij veel gelukkiger. Ik verdien ook wel nu en dan een buiging, want de zielsangst, dien ik uitsta, wanneer zij het bal na de wedrennen bijwoont en daar danst met de officieren, is onbeschrijfelijk en mag wel vergoed worden, indien de rechtvaardigheid nog niet uit de wereld verdwenen is.
Mijne verliefdheid jaagt mijn eetlust op de vlucht en is oorzaak, dat ik elken dag mijn nieuwe zijden das draag. Ik kan niets doen om mij zelven wat te verheffen dan mijn beste kleederen aantrekken en zorgen, dat mijne schoenen goed blinken. Ik heb dan een gevoel of ik der oudste juffrouw Larkins meer waardig ben. Alles wat met haar in verband staat of haar toebehoort, wekt mijne belangstelling op. Mijnheer Larkins, een norsche, oude heer met een onderkin en één oog, dat onbewegelijk in zijn hoofd staat, geniet eveneens de eer van mijne belangstelling. Kan ik zijne dochter niet ontmoeten dan ga ik ergens heen, waar ik zeker weet hem te zullen zien. Te zeggen „Goeden middag, mijnheer Larkins. Hoe vaart u? Zijn de jonge dames en is uwe familie wel?” komt mij zoo brutaal voor, dat ik er bij bloos.
Ik moet telkens aan mijn leeftijd denken. Waarom zou ik vertellen, dat ik pas zeventien ben en dat zeventien jaar wel wat jong is voor de oudste juffrouw Larkins? Ik zal wel maken, dat ik in een ommezien een en twintig ben. Des avonds wandel ik geregeld voor het huis van mijnheer Larkins op en neer al snijdt het mij door de ziel, wanneer ik er de officieren zie uit- en ingaan en de oudste juffrouw Larkins in het salon op de harp hoor spelen. Zelfs loop ik nu en dan als een dief het huis rond, nadat de familie reeds te bed is, hopende te kunnen ontdekken, welke kamer die van de oudste juffrouw Larkins is,—ik durf het nu wel zeggen dat ik die van mijnheer Larkins er voor hield—; somtijds komt de wensch in mij op dat er brand zal uitbarsten, dat niemand van ontsteltenis het huis durft binnengaan en dat ik met een ladder door de menigte heendring, die tegen het raam plaats en de oudste juffrouw Larkins in mijne armen opvang, terugga om iets te halen, dat zij vergeten heeft, en in de vlammen omkom. Meestal is mijne liefde geheel belangeloos en meen ik mij tevreden te kunnen stellen met de eene of andere heldendaad te verrichten en dan onder juffrouw Larkins' oogen den laatsten adem uit te blazen. Meestal—niet altijd. Er rijzen ook wel eens schitterender visioenen voor mij op. Terwijl ik mij kleed—eene bezigheid, die ruim twee uur duurt—om naar een bal te gaan bij de familie Larkins, waarop ik mij reeds drie weken lang heb verheugd, rijzen de schoonste tafereelen voor mijne oogen op. Ik stel mij voor, dat ik den moed zal hebben om aan de oudste juffrouw Larkins eene liefdesverklaring te doen. Ik stel mij haar voor met het hoofd op mijn schouder, zeggende: „O, mijnheer Copperfield, mag ik mijne ooren gelooven?” Ik stel mij mijnheer Larkins voor, zooals hij den volgenden morgen op mij zal zitten te wachten en zeggen: „Mijn waarde Copperfield, mijn dochter heeft mij alles verteld. Jeugd is geen hinderpaal. Hier hebt gij twintig duizend pond. Maak haar gelukkig!” Ik stel mij mijne tante voor, hoe zij ons met tranen in de oogen haar zegen geeft, en zie reeds de gezichten van mijnheer Dick en doctor Strong op onze bruiloft. Ik ben een verstandige jongen—ik meen dat ik geloofde het te zijn—en heb geen hoog denkbeeld van mij zelven, maar toch komen al deze gedachten in mij op.
Ik maak mij op naar het tooverpaleis en kom er binnen. Daar staat de oudste juffrouw Larkins, schooner dan ooit, te midden van een zee van licht, van bloemen, muziek, officieren—tot mijn leedwezen—in een hemelsblauw toilet, met blauwe bloemen in het haar. Ik meen, dat het vergeet-mij-nietjes waren. Alsof zij die noodig heeft! Het is de eerste groote-menschenpartij, waarop ik genoodigd ben, en ik voel mij niet zoo erg op mijn gemak, want ik heb het gevoel van bij niemand te behooren, en niemand schijnt iets tegen mij te zeggen te hebben, behalve mijnheer Larkins, die mij vraagt hoe de schoolkameraden het maken, dat hij wel had kunnen nalaten, want ik was niet gekomen om beleedigd te worden.
Nadat ik eenigen tijd bij de deur heb gestaan, den blik onafgewend gevestigd op de godin van mijn hart, nadert zij mij... zij, de oudste juffrouw Larkins!—en vraagt mij op vriendelijken toon of ik dans.
Ik stamel met een buiging: „Met u, juffrouw Larkins?”
„Met niemand anders?” vraagt zij.
„Ik heb geen lust om met iemand anders te dansen.”
Juffrouw Larkins glimlacht en bloost—ik meen dat zij bloost—en zegt: „Het zal mij heel aangenaam zijn.... den volgenden dans.”
Het oogenblik nadert. „Ik meen, dat het een wals is,” merkt juffrouw Larkins op, als ik mij kom aanmelden. „Walst gij? Anders zal kapitein Bailey...”
Maar ik wals, en vrij goed ook, gelukkig, en voer de oudste juffrouw Larkins in den kring. Zonder eenig mededoogen beroof ik kapitein Bailey van haar gezelschap. Hij voelt zich ongelukkig, daaraan twijfel ik geen oogenblik, maar ik heb mij immers ook ongelukkig gevoeld! Ik wals met de oudste juffrouw Larkins! Ik weet niet waar ik ben, tusschen welke paren, en hoe lang ik met haar wals? Ik weet alleen, dat ik door het luchtruim zweef met een blauwe engel in mijne armen in een staat van zalige bedwelming, tot ik weder tot mij zelven kom en mij terugvind in een klein kamertje, naast haar op de sofa. Zij zit een bloem te bewonderen—een roode camelia japonnica, dit mij een halve kroon heeft gekost—in mijn knoopsgat; ik geef haar die en zeg:
„Ik vraag er een hoogen prijs voor, juffrouw Larkins.”
„Ja, waarlijk?” zegt juffrouw Larkins.
„Een takje van uw bouquet om als goud te bewaren.”
„Gij zijt een vermetele jongen,” antwoordt juffrouw Larkins. „Ziedaar.”
Zij is volstrekt niet onvriendelijk als zij me het takje geeft, waarop ik een kus druk om het daarna in mijn vest te verbergen. Juffrouw Larkins lacht, trekt mijn hand door haar arm en zegt: „Wilt gij mij nu weder bij kapitein Bailey brengen?”
Ik ben nog geheel onder den indruk van dit heerlijk gesprek en van de wals, als zij bij mij terugkomt met een leelijk, oudachtig heer, die den geheelen avond aan de whisttafel gezeten heeft, en zegt: „O, daar is mijn vermetel vriendje! Mijnheer Chestle wenscht kennis met u te maken, mijnheer Copperfield.”
Ik voel, dat hij een vriend des huizes moet zijn en ben zeer vereerd met de kennismaking.
„Ik bewonder uwe keus, mijnheer,” zegt mijnheer Chestle. „Doet u eer aan. Ik onderstel, dat gij weinig belang stelt in hop, maar ik kweek die in het groot en zoo gij ooit in de buurt komt—in de buurt van Ashford—en onze kweekerij eens wilt bezichtigen, zult gij ons veel genoegen doen.”
Ik bedank mijnheer Chestle en wij schudden elkander de hand. Ik meen een gelukkigen droom te hebben. Nogmaals wals ik met de oudste juffrouw Larkins—zij zegt, dat ik heel goed dans—en ik ga naar huis in de zaligste stemming en blijf in mijne verbeelding den geheelen nacht walsen met den arm om de blauwe leest van mijne godin. Eenige dagen lang geniet ik van de onuitsprekelijk zalige herinnering, maar ik zie haar niet op straat en krijg belet. Het half vergane takje kan mij slechts matig troosten over deze teleurstelling.
„Trotwood,” zei Agnes op zekeren dag na het eten. „Wie denkt gij wel, dat morgen trouwt? Iemand, die gij aanbidt!”
„Gij toch niet, Agnes?”
„Neen, ik niet!” riep zij, terwijl zij met haar lief gezichtje opkeek van de muziek, die zij copieerde. „Hoort gij wat hij zegt, papa?—De oudste juffrouw Larkins.”
„Met..... met kapitein Bailey?” Ik had nog juist de kracht om deze vraag te stamelen.
„Neen, niet met een kapitein. Met mijnheer Chestle, hopkweeker.”
Gedurende een of twee weken ben ik ziek van neerslachtigheid. Ik doe mijn ring af, draag mijne oudste kleeren, heb geen berenvet noodig en jammer telkens over de vergane bloem van wijlen juffrouw Larkins. Aangezien mij deze wijze van leven begint te vervelen en ik eene nieuwe uitdaging van den slager gekregen heb, werp ik het takje weg, neem de uitdaging aan en behaal een glansrijke overwinning.
Dit, de verzoening met mijn ring en een matig gebruik van berenvet zijn de laatste herinneringen uit den tijd vóór mijn zeventiende jaar.
XIX
Ik kijk rond en doe eene ontdekking.
Ik weet niet of ik blijde was, toen ik de school van doctor Strong verliet, dan wel of het mij speet. Ik was daar heel gelukkig geweest, hield zeer veel van den doctor en in die kleine wereld was ik een persoon van gewicht. Om deze redenen speet het mij, maar om andere, die ik toch niet zou kunnen noemen, was ik blijde, dat dit tijdperk afgesloten was. Een geheimzinnig gevoel dat ik nu een jongmensch was, die op zijn eigen beenen moest staan, dat zulk een jongmensch in staat was de wonderlijkste dingen te zien en te doen, en zonder twijfel een grooten invloed zou oefenen op de maatschappij, had zich van mij meester gemaakt. Zoo machtig was de indruk, welke deze hersenschimmige denkbeelden op mijn jongensgemoed maakten, dat ik, naar het mij thans voorkomt, de school zonder eenig gevoel van leedwezen schijn te hebben verlaten. De scheiding maakte niet zulk een indruk op mij, als bij latere gelegenheden een afscheid wel gedaan heeft. Ik doe vergeefsche moeite om mij te herinneren wat ik voelde en onder welke omstandigheden ik heenging; ik kan mij dat op het oogenblik niet te binnen brengen. Ik onderstel, dat het vooruitzicht op mijn nieuw leven mij te veel heeft bezig gehouden. Ik weet wel, dat al de ervaring, die ik in mijne jeugd had opgedaan, waardeloos was geworden, en het leven mij één lang sprookje toescheen, dat ik nu zou beginnen te lezen.
Tante en ik voerden menig ernstig gesprek over het beroep, dat ik kiezen zou. Een jaar geleden had ik reeds moeite gedaan om een bevredigend antwoord te vinden op deze vraag, waarop tante herhaaldelijk terugkwam. „Wat ik het liefst zou worden?” Ik had echter geen bepaalde voorkeur voor iets. Indien ik echter door eene ingeving plotseling bedreven ware geweest in de zeevaartkunst en met het bevel ware belast geworden over eenige snelvarende schepen, om er een zegevierenden tocht om de wereld mede te maken, nieuwe landen te ontdekken, enz., dan geloof ik wel, dat ik mij daartoe geroepen zou hebben gevoeld. Maar nu zulk eene wonderlijke bestiering achterwege bleef, wilde ik mij toeleggen op een beroep, dat niet al te zeer drukte op hare beurs, en was het mijn voornemen mijn plicht te doen, wat en hoe dat beroep dan ook zou wezen.
Mijnheer Dick was altijd tegenwoordig bij onze overleggingen en trok dan een zeer ernstig en verstandig gezicht. Hij maakte slechts eenmaal eene opmerking en stelde bij die gelegenheid voor—hoe het in hem opkwam is mij nog een raadsel—dat ik koperslager zou worden. Tante nam zijn voorstel zoo euvel op, dat hij het niet waagde een ander maal zich ongevraagd in ons gesprek te mengen, hij bepaalde zich tot geduldig wachten op hetgeen tante zelve zou voorstellen, en rammelde intusschen met zijn geld.
„Ik zal u eens wat zeggen, beste Trot,” zei tante op zekeren morgen, omstreeks Kerstmis, nadat ik de school reeds verlaten had, „nu dit ingewikkelde vraagstuk nog niet is opgelost, en wij, indien wij ons overhaasten, wellicht kunnen mistasten, geloof ik dat het beter is nog wat bedenktijd te nemen. Intusschen moet gij trachten de zaak uit een ander oogpunt te bekijken dan uit dat van een schooljongen.”
„Dat beloof ik u, tante.”
„Het komt mij voor,” vervolgde tante, „dat een weinig afwisseling en een kijkje in de wereld u behulpzaam zou kunnen zijn in het nemen van een besluit. Als gij eens een reisje gingt maken. Als gij eens een bezoek bracht aan die plaats, waar gij al meer geweest zijt en aan dat rare mensch met dien onmogelijken naam.” Zij kon Peggotty nooit volkomen vergeven, dat zij Peggotty heette.
„Er is niets, dat ik liever zou doen, tante.”
„Welnu, dat is gelukkig want ik vind het heel goed. Maar het is natuurlijk en ook verstandig, dat gij het ook gaarne wilt. Ik ben trouwens vrij wel overtuigd, Trot, dat alles wat gij doet natuurlijk en verstandig zijn zal.”
„Dat hoop ik van harte, tante.”
„Uwe zuster, Betsey Trotwood,” hernam tante, „zou ook een natuurlijk en verstandig meisje geweest zijn als zij ooit het levenslicht had aanschouwd. Gij zult harer waardig zijn, nietwaar Trot.”
„Ik hoop dat ik uwer waardig zijn zal, tante. Dat zal steeds mijn streven zijn.”
„Het is eigenlijk maar gelukkig dat uwe moeder, dat ongelukkige, lieve kind niet meer in leven is”, zei tante, mij onderzoekend aankijkende, „want zij zou zoo trotsch zijn geweest op haar zoon, dat haar arme hoofdje geheel op hol zou zijn geraakt, als er tenminste nog iets in was, dat op hol zou kunnen gaan. Goede Hemel, Trot, wat doet gij mij aan haar denken!”
„Ik hoop dat u deze gelijkenis genoegen doet, tante!” antwoorde ik.
„Hij gelijkt sprekend op haar, Dick,” vervolgde zij opgewonden, „hij lijkt op haar zooals zij er uitzag voor zij ongelukkig werd—als gij mij zoo met beide oogen aankijkt, lijkt gij sprekend op haar.”
„Zoo, waarlijk?” zei mijn heer Dick.
„En hij lijkt ook op David!” zei mijne tante op beslisten toon.
„Hij lijkt zeer veel op David!” bevestigde mijnheer Dick.
„Wat ik vooral hoop, dat gij worden zult, Trot,” hernam tante, „—ik bedoel geestelijk, niet lichamelijk; lichamelijk zijt gij goed genoeg ontwikkeld—dat is: een ferme man. Een ferme man met een eigen wil. Een vastberaden man” voegde zij er nog bij, terwijl zij het hoofd schudde en de vuist dichtkneep. „Vastberaden, een man van karakter, Trot! Een man, die zich niet laat influenceeren dan ten goede, door niemand, door niets. Dat is het wat ik hoop, dat gij worden zult. Dat hadden ook uw vader en uwe moeder kunnen zijn en dat zou hun geluk verhoogd hebben—dat weet de Hemel!”
Ik zei te hopen aan hare beschrijving te zullen beantwoorden.
„Ten einde u te gewennen op uzelven te leeren vertrouwen en in kleinigheden voor uzelven te zorgen, zal ik u dat reisje alleen laten doen. Ik had er eerst over gedacht mijnheer Dick met u mede te laten gaan, maar bij nader inzien is het beter, dat mijnheer Dick hier blijft om voor mij te zorgen.”
Een oogenblik keek mijnheer Dick een weinig teleurgesteld, maar de eer en de waardigheid om voor de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld te zorgen, brachten weder een zonnestraal op zijn goedig gezicht.
„Bovendien”, voegde tante er bij, „de memorie is nog niet af.”
„Ja juist”, zei mijnheer Dick haastig, „het is mijn plan, Trotwood, de memorie nu onmiddellijk af te maken.... onmiddellijk! En dan zend ik haar in, begrijpt ge.... en dan......” voegde hij er na eene kleine pauze bij, „dan kan het goede leven beginnen.”
Ingevolge het lieve plan van tante, vertrok ik eenige dagen later, met eene welgevulde beurs, een nieuw reiskoffertje en vele goede raadgevingen. Bij mijn vertrek gaf tante mij menigen goeden raad en een aantal hartelijke kussen mede en zeide, dat aangezien hare bedoeling was dat ik eens in de wereld zou rondkijken en eens over verdere plannen nadenken, zij mij aanbeval op de heen- of op de terugreis eenige dagen in Londen door te brengen. In één woord, ik was vrij om te doen en te laten wat ik wilde gedurende drie of vier weken, zonder eenige bindende voorwaarde dan rond te kijken en na te denken en minstens driemalen 's weeks een trouw verslag van mijn wedervaren in te zenden.
Ik ging eerst naar Canterbury, ten einde afscheid te nemen van Agnes en van mijnheer Wickfield—en van mijn oude kamertje, dat ik eigenlijk nog niet voorgoed verlaten had—en van den goeden, ouden doctor Strong. Agnes was blijde mij te zien en vertelde mij, dat het huis scheen uitgestorven nadat ik weg was.
„Ik verzeker u, dat ik niet weet hoe ik het heb, nu ik hier weg ben,” zei ik. „Ik heb een gevoel, alsof ik mijn rechterhand mis, als ik u niet bij mij heb. Dit zegt wel weinig, want er is noch een hoofd, noch een hart in mijn rechterhand. Iedereen, die u kent, Agnes, wint uw raad in en wordt gaarne door u geleid.”
„Iedereen, die mij kent, bederft mij,” antwoordde Agnes, „geloof dat maar.”
„Neen, dat komt omdat er geen tweede meisje bestaat zooals gij. Gij zijt zoo goed en heb zulk een zacht humeur. Gij zijt zoo lief en zoo zacht en hebt altijd gelijk.”
„Gij spreekt”, zei Agnes, in een schaterlach uitbarstend, „als ware ik de oudste juffrouw Larkins.”
„Foei, het is niet mooi van u misbruik te maken van hetgeen ik u in vertrouwen heb meegedeeld,” antwoordde ik, blozende bij de herinnering aan mijn blauwe zielsvriendin. „Maar ik blijf u toch vertrouwen, Agnes. Ik zal dat nooit kunnen laten. Wanneer ik ziek of verliefd ben, zal ik het u altijd meedeelen, als ik het u ook mag laten weten wanneer ik eens in ernst verliefd wordt.”
„Zijt gij dan niet altijd in ernst verliefd geweest?” vroeg Agnes lachend.
„O, toen was ik nog een kind, een schooljongen!” antwoordde ik, op mijne beurt lachend, maar toch ook een weinig beschaamd. „De tijden zijn nu veranderd en ik onderstel op zekeren dag heel ernstig verliefd te zullen zijn. Wat mij echter verwondert, is waarom gij nog niet ernstig verliefd zijt, Agnes.”
Agnes schudde lachend het hoofd.
„O, ik weet zeker, dat gij niet verliefd zijt, anders zoudt gij het mij wel hebben verteld,” hernam ik. „Of, tenminste,” ging ik voort, omdat ik zag, dat zij een kleur kreeg, „gij zoudt het mij wel hebben laten raden. Maar er is, voor zoover ik weet, niemand, die verdienen zou u lief te hebben Agnes. Iemand, wien ik mijne toestemming zou geven, moet een veel edeler karakter hebben en uwer veel waardiger zijn dan een van de jongere heeren, die ik hier heb ontmoet. Ik zal voortaan een waakzaam oog houden op alle aanbidders en voor dengene, wien het geluk te beurt valt in uw smaak te vallen, zeer veeleischend zijn, dat verzeker ik u.”
Zoo gingen wij eenigen tijd voort op dien vertrouwelijken toon, waarin scherts en ernst elkaar afwisselden en die het natuurlijk gevolg was van den gemeenzamen omgang, van onze kinderjaren af.
Plotseling keek Agnes mij met hare lieve oogen zeer ernstig aan en zei op een geheel anderen toon:
„Trotwood, ik moet u nog iets vragen en zal daartoe waarschijnlijk in langen tijd niet in de gelegenheid zijn—iets, dat ik zeker aan niemand dan u zou willen vragen. Hebt gij niet opgemerkt dat papa in den laatsten tijd veranderd is?”
Ik had reeds lang verandering bij haar vader opgemerkt en mij verbaasd, dat zij het ook niet deed. Ook moet ik dat getoond hebben, want zij sloeg hare oogen neer en ik zag, dat zij hare tranen niet kon inhouden.
„Zeg mij dan eens wat gij daarvan denkt?” vroeg zij zacht.
„Zal ik heel openhartig zijn, Agnes? Gij weet, dat ik veel van uw vader houd.”
„Ja,” antwoorde zij.
„Ik geloof, dat hij verkeerd doet door toe te geven aan de slechte gewoonte, die, sinds ik hier ben, hoe langer hoe sterker is geworden. Hij is dikwijls erg zenuwachtig—of verbeeld ik mij dat?”
„Dat verbeeldt gij u niet,” zei Agnes hoofdschuddend.
„Zijne handen beven, zijne spraak is eenigszins belemmerd en zijne oogen dwalen rond. Ik meen ook opgemerkt te hebben, dat hij altijd geroepen wordt, juist wanneer hij het minst geschikt is om zaken te doen.”
„Door Uriah,” zei Agnes.
„Ja en het gevoel van ongeschikt te zijn om zaken te behandelen, van ze niet begrepen te hebben, of van zich in dien toestand te hebben vertoond, schijnt hem dan zoo te vervolgen, dat het den volgenden dag nog erger is en den daarop volgenden weer erger, zoodat hij hoe langer hoe meer verslapt en vermagert. Schrik niet van hetgeen ik u vertel, Agnes, maar ik zag hem laatst 's avonds in dien toestand achter zijn lessenaar zitten, met het hoofd op zijne handen en schreiend als een kind!”
Zacht legde zij hare hand op mijn mond, toen ik nog meer wilde zeggen, en in het volgende oogenblik liep zij haar vader te gemoet, die de kamer inkwam. Beiden keken mij aan en de uitdrukking, die op dit oogenblik in haar gelaat lag, trof mij diep. Er lag zulk eene teederheid in voor hem, zulk een dankbaarheid voor al zijne liefde en zorg, zulk eene dringende bede aan mij, om hem zelfs in mijne geheimste gedachten met verschooning te behandelen en niet hard voor hem te zijn; zij was op eens zoo trotsch op hem en zoo in aanbidding van zijn goede hart en toonde daarbij zooveel medelijden en verdriet en zooveel vertrouwen op mijn medegevoel, dat zij met woorden geen dieperen indruk op mij had kunnen maken of mij meer had kunnen ontroeren.
Wij gingen theedrinken bij den doctor op het gewone uur en vonden doctor Strong met zijne jonge vrouw en haar moeder om den haard zittende. De doctor, die over mijn heengaan sprak, alsof ik naar China ging, ontving mij als een hooggeachten gast en liet nog een blok hout op het vuur werpen, ten einde het gelaat van zijn oudsten leerling nog eens te zien gloeien.
„Ik zal in Trotwood's plaats niet veel nieuwe gezichten meer zien, Wickfield,” zei de doctor, terwijl hij zijne handen warmde: „ik word lui en verlang naar rust. Over een half jaar zeg ik al mijn jongelui vaarwel en ga stil leven.”
„Dat hebt gij tien jaar geleden ook al gezegd doctor,” antwoordde mijnheer Wickfield.
„Maar nu meen ik het en zal het gebeuren. Mijn oudste onderwijzer zal mij opvolgen—het is mij nu ernst—zoodat gij spoedig ons contract zult dienen op te maken, ten einde ons te binden, alsof wij de grootste schelmen zijn.”
„En zorg te dragen,” voegde mijnheer Wickfield er bij, „dat gij niet bedrogen uitkomt, nietwaar? En dat zoudt gij zeker bij elk contract, dat gij zelf zoudt opmaken. Welnu, ik ben tot uw dienst. Er worden mij wel onaangenamer bezigheden opgedragen.”
„Ik behoef dus aan niets te denken,” zei de doctor, „dan aan mijn dictionnaire en.... aan dit lastpostje”—hij wees op Annie.
Toen mijnheer Wickfield glimlachend naar haar keek—zij zat bij Agnes aan de theetafel—kwam het mij voor, dat zij zijn blik met zulk eene ongewone schroomvalligheid vermeed, dat het zijn aandacht trok, alsof hij zich iets moest te binnen brengen.
„Zooals ik zie, is er een post aangekomen uit Indië,” zei hij na een oogenblik van algemeene stilte.
„Ja, ja,” antwoordde de doctor, en ook een brief van Jack Maldon.
„Wel zoo!”
„Arme Jack!” zei mevrouw Markleham hoofdschuddend. „Dat ellendige klimaat! Men heeft mij verteld, dat het daar is als woonde men onder een brandglas op een zandhoop! Hij zag er wel sterk uit, doch was het niet. Het was niet zijn gestel, dat hem zoo vermetel deed schijnen, beste doctor, maar zijn sterke geest. Gij zult u nog wel herinneren, Annie, dat uw neef nooit sterk was, niet wat men forsch zou kunnen noemen,” voegde zij er met nadruk bij, terwijl zij ons een voor een aankeek.... „gij herinnert u dat zeker nog wel uit den tijd, toen gij beiden nog kinderen waart en den ganschen dag samen speeldet.”
Annie gaf geen antwoord.
„Moet ik uit hetgeen gij daar zegt tot het besluit komen, dat mijnheer Maldon ziek is, mevrouw?” vroeg mijnheer Wickfield.
„Ziek?” riep de oude Overste. „Mijn waarde heer, hij is van alles!”
„Behalve gezond?”
„Behalve gezond, ja waarlijk zoo is het,” antwoordde mevrouw Markleham. „Hij heeft zeker reeds meer dan eenmaal een hevigen zonnesteek gehad en dan plagen hem de moeraskoortsen en allerlei andere kwalen, die gij maar bedenken kunt. En wat zijn lever aangaat, och, daarvan deed hij reeds afstand nog eer hij wegging!”
„En schrijft hij u dat alles?” vroeg mijnheer Wickfield.
„Schrijven? Maar, mijn waarde heer,” riep de oude Overste, met haar hoofd en haar waaier schuddende, „gij kent mijn armen Jack Maldon niet als gij zulk eene vraag kunt doen! Schrijven? Eerder zou hij zich door vier wilde paarden in stukken laten scheuren!”
„Mama!” riep mevrouw Strong.
„Annie, lieve”, hernam hare moeder, „eens voor altijd verzoek ik u mij niet in de rede te vallen dan om hetgeen ik zeg te bevestigen. Gij weet zeer goed dat uw neef Maldon zich liever door vier wilde paarden—maar waartoe zou ik mij bepalen tot vier? Ik wil mij niet bepalen tot vier—door acht, zestien, twee-en-dertig wilde paarden in stukken zou laten scheuren, dan zich te beklagen over hetgeen de doctor over hem besloten heeft.”
„Het geschiedde op voorstel van Wickfield”, zei de doctor, terwijl hij zijn raadgever berouwvol aankeek. „Dat wil zeggen, wij hebben eigenlijk samen het plan opgemaakt. Ik heb gezegd: hier of buitenslands.”
„En ik heb gezegd,” voegde mijnheer Wickfield er op plechtigen toon bij, „buitenslands. Ik achtte het beter, dat hij buitenslands ging. Ik draag dus alle verantwoordelijkheid.”
„O! verantwoordelijkheid!” zei de oudste Overste. „Alles is gedaan tot zijn bestwil, mijn waarde heer Wickfield; alles is gedaan met de beste en vriendelijkste bedoelingen, dat weten wij wel. Maar indien de arme jongen daar niet leven kan, dan kan hij daar ook niet leven. En indien hij er niet leven kan, zal hij er sterven, liever dan de plannen van den doctor in de war te sturen. Ik ken hem,” zei de oudste Overste, al waaiende en met een aandoenlijken profetischen blik herhaalde zij nogmaals: „liever zal hij sterven dan de plannen van den doctor in de war sturen.”
„Wel, mevrouw,” zei de doctor op blijmoedigen toon, „ik ben niet zulk een vereerder van mijn eigen plannen, dat ik ze niet zelf in de war zou kunnen sturen! Ik kan er immers andere voor in de plaats stellen. Indien mijnheer Jack Maldon terugkeert, omdat hij ziek is, mag hij niet meer daarheen gaan; wij zullen dan trachten hier eene betrekking voor hem te vinden, die beter voor hem geschikt is.”
Mevrouw Markleham was zoo ontroerd door deze edelmoedige woorden—die zij, ik behoef dat niet te zeggen, noch voorzien noch uitgelokt had—dat zij alleen de verklaring kon afleggen, dat de doctor weder alleen zijn goede hart liet spreken, waarbij zij eenige malen een kus op haar waaier en dezen op de hand van den doctor drukte. Daarna wendde zij zich tot hare dochter en beknorde haar op vriendelijken toon, omdat zij niet meer vreugde aan den dag legde, nu men, ter wille van haar, haar ouden speelmakker zooveel welwillendheid bewees; eindelijk onthaalde zij ons nog op eenige bijzonderheden aangaande sommige verdienstelijke familieleden, die nog op hunne verdienstelijke beenen geholpen moesten worden.
Gedurende al dien tijd sprak hare dochter Annie geen woord en sloeg zelfs hare oogen niet op. Gedurende al dien tijd bleven mijnheer Wickfield's oogen onafgewend op haar gevestigd. Het scheen mij toe dat hij meende door niemand te worden gadegeslagen, want hij was zoo in gedachten over haar verdiept, dat hij nergens anders acht op sloeg. Eindelijk vroeg hij wat Jack Maldon over zich zelven geschreven had en aan wien de brief was gericht?
„Wel, hier is hij!” zei mevrouw Markleham, over het hoofd van den doctor heen een brief van den schoorsteen nemende, „de beste jongen schrijft aan den doctor zelven.... waar staat het? O, hier.... ‚Het spijt mij u te moeten mededeelen, dat mijne gezondheid volstrekt niet goed is en ik vrees genoodzaakt te zullen zijn voor eenigen tijd naar het vaderland terug te keeren zijnde dit voor mij de eenige hoop op herstel!’ Dit is nog al duidelijk! De arme jongen! Zijn eenige hoop op herstel! De brief van Annie is nog duidelijker! Geef mij dien eens Annie!”
„Nu niet, mama”, sprak Annie, bijna op smeekenden toon.
„Lieve kind, in sommige dingen zijt gij het zonderlingste schepsel dat ik ken”, zei de oude Overste, „en handelt gij onnatuurlijk tegenover de leden uwer familie. Ik geloof, dat wij nooit een woord van dezen brief vernomen zouden hebben, als ik er niet naar gevraagd had. Noemt gij dat vertrouwen stellen in doctor Strong? Het verbaast mij zeer. Gij behoordet beter te weten.”
De brief werd met tegenzin te voorschijn gehaald en toen ik dien aannam om hem aan mevrouw Markleham over te reiken, zag ik hoe haar handje beefde.
„Laat ons nu eens zien,” zei de oude Overste, terwijl zij haar lorgnet opzette, „waar staat het ook? ‚De herinnering aan vroegere dagen.... neen.... dat is het niet. En hoe maakt onze beminnelijke oude proctor het?’... Goede Hemel, Annie, wat schrijft hij onleesbaar en wat ben ik dom! ‚Doctor’, natuurlijk! Ja, wel beminnelijk!” Zij hield even op, kuste den waaier nogmaals en wuifde er mede in de richting van doctor Strong, die stil en vergenoegd naar ons zat te kijken.... „Nu heb ik het: ‚Het zal u niet verbazen te vernemen, Annie!’.... neen, zeker niet, want zij wist altijd dat hij niet sterk was; waar ben ik ook gebleven?.... ‚dat ik genoeg heb uitgestaan in het afgelegen land om te besluiten het hoe eerder hoe beter te verlaten, kan het, met een verlof wegens ziekte, is dit onmogelijk, dan moet ik mijn ontslag wel nemen. Hetgeen ik hier heb uitgestaan en nog uitsta, is met geen pen is beschrijven!’ En zonder de welwillendheid van den besten aller menschen,” voegde mevrouw Markleham er bij, terwijl zij weder op dezelfde wijze naar doctor Strong telegrapheerde en den brief dichtvouwde, „zou mij de gedachte aan zijn lijden geen oogenblik rust laten.”
Mijnheer Wickfield sprak geen woord, ofschoon de oude dame hem aankeek, alsof zij zich gereed hield alle opmerkingen die hij op den inhoud van den brief maken wilde, te wederleggen; zwijgend en met eene gestrenge uitdrukking op zijn gelaat keek hij naar den grond. Lang nadat dit onderwerp en nog vele andere, die er niets mede te maken hadden, waren afgehandeld, bleef hij zoo zitten; nu en dan sloeg hij de oogen eens op en keek dan met peinzend gefronste wenkbrauwen den doctor of diens vrouw of beiden eenige oogenblikken aan.
De doctor hield veel van muziek en Agnes zoowel als mevrouw Strong hadden lieve, zachte stemmen. Zij zongen en speelden eenige duetten, zoodat wij een klein concert hadden. Ik merkte echter twee dingen op: ten eerste, dat, hoewel Annie weder volkomen kalm was, er tusschen haar en mijnheer Wickfield eene klove scheen te zijn, die hen geheel van elkander scheidde; ten tweede, dat de vriendschap tusschen zijne dochter en mevrouw Strong mijnheer Wickfield scheen te mishagen en hij die met eene zekere ongerustheid scheen gade te slaan. En thans moet ik bekennen, dat hetgeen ik had waargenomen op den avond van het vertrek van Jack Maldon in mijne herinnering eene beteekenis kreeg, die ik er nooit aan gehecht had. Annie's mooi, onschuldige gezichtje was niet zoo mooi en onschuldig meer in mijne oogen als vroeger; ik begon de aangeboren aanvalligheid in hare manieren te wantrouwen en wanneer ik aan Agnes dacht, die naast haar zat, en bedacht hoe goed en trouw Agnes was, kwam het vermoeden in mij op, dat de vriendschap van Agnes voor het jonge vrouwtje misplaatst was.
Annie scheen echter zoo gelukkig en Agnes ook dat zij den avond deden voorbijvliegen. Er gebeurde nog iets, dat ik mij herinner. Toen wij afscheid namen en Agnes hare vriendin wilde omhelzen en kussen, drong mijnheer Wickfield als bij toeval tusschen haar in en nam Agnes haastig mede. En toen zag ik dezelfde uitdrukking op het gelaat van mevrouw Strong als dien avond van Jack Maldon's vertrek, toen ik het echtpaar verraste en zij haar gelaat tot den doctor had opgeheven. Ik kan niet zeggen welken indruk dit op mij maakte of hoe onmogelijk het mij later was, wanneer ik aan haar dacht, haar in mijne herinnering terug te roepen zonder dien blik, mij haar gezichtje in al de frissche bekoorlijkheid van hare jeugd voor den geest te brengen. Naar huis gaande vervolgde het mij langs den geheelen weg. Het scheen mij toe alsof het huis van den doctor in eene donkere, sombere wolk was gehuld. De eerbied, dien ik had voor zijne grijze haren, ging thans gepaard met medelijden met het vertrouwen, dat hij stelde in hen, die hem verrieden, en met weerzin aan hen, die hem onrecht aandeden. Als een dreigende onweerswolk zag ik een groote ramp naderen, zag ik, zonder dat ik er een bepaalden vorm aan kon geven, schande komen over het stille plekje, waar ik gewerkt en gespeeld had als jongen. Ik kon niet langer met genoegen denken aan de reusachtige, breedgekroonde aloë's, die alle een tijdperk van een honderd jaren vertegenwoordigden, noch aan het gladde, keurig onderhouden grasperk en aan de steenen vazen en aan het doctorspad en aan het eentonig geluid van de klok in de domkerk, dat over alles heenzweefde. Het was alsof het heiligdom uit mijn knapentijd was bestormd en uitgeplunderd in mijne tegenwoordigheid, en de vrede, die daar steeds had gewoond, de goede naam, dien het altijd had gehad, naar alle winden verstrooid waren.
De morgen brak aan en daarmede mijn afscheid van het oude huis, dat Agnes onvergetelijk voor mij had gemaakt, hiermede was mijne ziel geheel vervuld. Zonder twijfel zou ik, spoedig zelfs, daar nog eens terugkomen, wellicht nog meermalen op mijn oude kamertje slapen; maar de dagen, waarin ik het bewoonde, waren voorbij; die goede oude tijd behoorde tot het verleden. Toen ik mijne boeken en kleederen, die nog naar Dover gezonden moesten worden, inpakte, greep mij dit meer aan dan ik aan Uriah Heep wilde laten blijken, hij was zoo vriendelijk mij te helpen, maar ik kon toch de booze gedachte niet onderdrukken, dat hij blijde was mij te zien vertrekken.
Ik slaagde er echter in bij het afscheid van Agnes en van haar vader een zekere onverschilligheid ten toon te spreiden en nam plaats op den bok van de diligence op Londen. Toen ik door de straten van het oude stadje reed, was ik zoo zachtmoedig en vergevensgezind gestemd, dat ik op het punt was om tegen mijn ouden vijand, den slager te knikken en hem vijf shillings toe te werpen om op mijne gezondheid te drinken. Hij keek echter zoo stuursch, terwijl hij in zijn winkel het groote hakblok stond af te schrappen, en had nog altijd zulk een onaangenaam uiterlijk—nadat ik hem een voortand had uitgeslagen was dit niet verbeterd—dat ik het maar beter vond hem niet in zijn werk te storen.
Toen wij eenmaal op weg waren, dit herinner ik mij zeer goed, was het mijn voornaamste zorg mij tegenover den koetsier zoo oud mogelijk voor te doen en mijne stem grover te doen schijnen dan zij was. Dit laatste vooral viel mij uiterst moeilijk, maar ik hield het vol, omdat ik begreep dat hij mij dan voor volwassen zou houden.
„Rijdt gij door, mijnheer?” vroeg de koetsier.
„Ja, William,” antwoordde ik op vertrouwelijken toon—ik kende hem zeer goed—„ik ga naar Londen. Later reis ik door naar Suffolk.”
„Op de jacht, mijnheer?” vroeg hij.
Ik wist evengoed als hij dat men in dien tijd van het jaar met denzelfden ernst kon beweren in Suffolk op de walvischvangst te gaan; maar dat deed er niet toe, ik voelde er mij toch door gestreeld.
Ik deed het voorkomen alsof ik nog niet vast besloten was en zei: „ik weet niet of ik nog zal gaan jagen.”
„De patrijzen moeten bijzonder schuw zijn dit jaar,” zei William.
„Ja, dat heeft men mij ook verteld,” antwoordde ik.
„Zijt gij in Suffolk geboren, mijnheer?”
„Ja, Suffolk is mijn graafschap,” gaf ik met eene zekere deftigheid ten antwoord.
„De appelkoeken moeten daar zoo lekker zijn, heb ik wel eens hooren zeggen,” hernam William. Ik was er mij niet van bewust, doch vond het noodzakelijk de eigenaardigheden van mijn graafschap in eere te houden en mijne bekendheid daarmede te veinzen; ik schudde daarom het hoofd alsof ik wilde zeggen: „Nu dat zou ik denken!”
„En paarden!” vervolgde William. „Een goed Suffolksch paard is zijn gewicht in goud waard. Hebt hij ooit paarden gefokt in Suffolk?”
„N....een,” antwoordde ik! „zelf niet.”
„Hier, achter ons zit een heer, die ze bij honderdtallen gefokt heeft.”
De heer, dien hij bedoelde, was ontzettend scheel, had een ver vooruitstekende kin, droeg een lagen witten hoed met een smallen, platten rand en de pijpen van zijne nauwe, grijsachtige broek waren van de schoenen tot de heupen, bij wijze van slobkousen, met knoopjes vastgemaakt. Hij keek over den schouder van den koetsier en was met zijn gezicht zoo dicht bij mij, dat ik zijn adem tegen mijn achterhoofd voelde en toen ik mij omwendde om naar hem te kijken, knipoogde hij heel vertrouwelijk met het oog, dat niet scheel was.
„Hebt gij niet?” vroeg William.
„Of ik wat heb?” zei de vreemdeling achter mij.
„Honderde paarden gefokt in Suffolk?”
„Nu, dat zou ik meenen,” antwoordde de schele heer. „Er is geen soort van paarden, dat ik niet gefokt heb, en geen soort van honden ook. Paarden en honden worden door sommige menschen uit liefhebberij gehouden; maar voor mij zijn ze eten en drinken..... woning, vrouw en kinderen.... lezen, schrijven en rekenen.... snuif, tabak en slaap.”
„Dat is eigenlijk geen man om achter den bok te zitten, is hij wel?” fluisterde William mij in, terwijl hij de teugels een weinig aantrok.
„Ja, als gij gaarne hier zoudt willen zitten,” zei ik, „dat is wellicht beter.” Ik begreep dat deze opmerking den wensch in zich sloot, dat ik mijn plaats zou afstaan, hetgeen ik met deze woorden blozend deed.
Ik heb dit altijd beschouwd als de eerste misstap in mijn leven. Toen ik aan het diligencekantoor plaats genomen had, had ik den boekhouder een halve kroon in de hand gestopt om een plaats op den bok machtig te worden. Ik had deze plaats ingenomen, gedost in eene bijzonder lange jas, ten einde mij deze onderscheiding waardig te toonen, ik had er mij op laten voorstaan en gevoeld dat ik aan de diligence een zekere deftigheid gaf. En ziet, nog vóór het eerste station, werd ik verdrongen door een slecht gekleeden, scheelzienden man, wiens eenige verdienste was, dat hij naar den stal rook en die, terwijl de paarden in galop waren, meer gelijk een vlieg dan als een menschelijk wezen langs mij heen stapte!
Een gevoel van wantrouwen in mij zelven, dat mij in mijn leven bij kleinigheden meermalen heeft vervolgd, vooral dan wanneer het beter achterwege zou zijn gebleven, werd door dit kleine voorval op de diligence van Canterbury naar Londen zeker niet in zijne ontwikkeling gestuit. Het was te vergeefs of ik al mijn toevlucht zocht in eene grove stem. Mijne stem kwam gedurende het overige gedeelte van de reis uit het diepst van mijn maag, maar ik voelde mij toch achterafgezet en vreeselijk jong. Hoe het zij, het was ook een eigenaardig gevoel daar welopgevoed, goed gekleed, en met volop geld op zak achter die vier paarden te zitten en te kijken naar de plaatsen, waar ik op mijn vermoeienden tocht geslapen had. Ik had gelegenheid genoeg om mij alles voor den geest te brengen, bij elk kenteeken op den weg. Terwijl ik van mijne verheven plaats neerkeek op de landloopers die wij voorbijreden, en dezelfde verloopen tronies herkende, voelde ik de zwarte hand van den ketellapper weder tegen mijne borst. Toen wij door de nauwe straten van Chatham reden, kon ik een vluchtigen blik werpen in de steeg, waar dat oude monster woonde, die mijn buis had gekocht, en strekte ik den hals uit om naar de plek te kijken, waar ik in de zon en in de schaduw op mijn geld had zitten wachten. En toen wij eindelijk dicht bij Londen, voorbij Salem House reden, waar mijnheer Creakle mij zoo menigmaal zijne zware hand had doen voelen, zou ik al wat ik bezat gegeven hebben voor het verlof, om daar af te stappen, naar binnen te gaan, hem flink af te ranselen en aan al de jongens de vrijheid te geven, als aan eene kooi vol musschen. Wij reden naar het Gouden Kruis bij Charing Cross, in die dagen een herberg van den tweeden rang in een dichtbevolkte buurt. Een bediende wees mij de koffiekamer en een kamermeisje bracht mij naar mijn kleine slaapkamertje, waarin een lucht heerschte als in een muffe huurkoets en het uitzicht zoo vroolijk was als in een grafkelder. Ik werd—dit ter loops—telkens herinnerd dat ik nog heel jong was, want niemand scheen eenig ontzag voor mij te hebben: het kamermeisje toonde zich zelfs onverschillig voor alles wat ik waagde op te merken en de knecht was familiaar en wilde mij met goeden raad te hulp komen.
„Wel?” vroeg hij op vertrouwelijken toon, „wat verlangt gij te eten? Jongeheeren houden gewoonlijk veel van kippen; er zijn hoentjes!”
Ik vertelde hem op eenigszins hoogen toon dat ik geen trek had in hoentjes.
„Zoo?” vroeg de knecht. „Jongeheeren hebben gewoonlijk genoeg van ossen- en schapenvleesch; ik heb een kalfskarbonade voor u!”
Ik nam met dit voorstel genoegen omdat ik niets anders wist te bedenken.
„Zijt gij gesteld op aardappelen?” vroeg hij weder met een familiaren glimlach en het hoofd eenigszins op zijde. „Jongeheeren laten de aardappelen gewoonlijk staan.”
Ik beval hem met een zoo grof mogelijke stem een kalfskarbonade met aardappelen en wat daar verder bij behoorde voor mij te bestellen en tevens aan het buffet te vragen of er ook brieven waren voor Mijnheer Trotwood Copperfield, hoewel ik zeer goed wist dat er geen konden zijn. Ik deed echter of ik een heel pak verwachtte.
Hij kwam spoedig terug met het bericht dat er geen waren—ik legde de grootste verbazing aan den dag—en begon een tafeltje voor mij te dekken bij den haard. Terwijl hij daarmede bezig was, vroeg hij mij wat ik drinken zou en op mijn antwoord: „een glas sherry”, achtte hij het, naar ik vrees, eene gunstige gelegenheid om uit de verschraalde klieken in eenige karaffen een glasvol voor mij bij elkander te zoeken. Ik kwam tot dit vermoeden, omdat ik hem, terwijl ik de courant las, achter een laag, houten beschot bezig zag met den inhoud van verscheiden karaffen in ééne te gieten, evenals de apothekers en de drogisten doen, wanneer zij een recept gereed maken. Toen hij mij den wijn gebracht had, vond ik dien flauw en ongetwijfeld was er meer Engelsch water in dan in een buitenlandschen wijn verwacht kon worden; ik was echter te bedeesd om er iets van te zeggen en dronk er twee glazen van ledig.
Eenmaal in eene genoegelijke stemming gekomen, waaruit ik opmaak, dat een vergiftigings-proces in sommige stadiën niet onaangenaam is, besloot ik naar de komedie te gaan. Ik koos Covent Garden Theatre uit en daar woonde ik, achter in een middenloge, de voorstelling bij van Julius Caesar, gevolgd door de nieuwe Pantomime. Al die edele Romeinen daar voor mij te zien leven en voor mijn genoegen daar te zien komen en gaan, in plaats van, zooals op de school, hunne namen en heldendaden van buiten te moeten leeren, was een nieuw en ongekend genot voor mij. Maar deze mengeling van werkelijkheid en geheimzinnigheid, de invloed van de schoone verzen, van de muziek, van de menschen om mij heen, van de verbazingwekkende snelheid, waarmede de schitterende decoraties elkander afwisselden, dat alles was zoo overstelpend en opende mij zulk een onafzienbaren hemel van genot, dat ik, te ongeveer middernacht op straat in den regen staande, een gevoel had, alsof ik, na eenige eeuwen achtereen een romantisch leven in de wolken geleid te hebben, regelrecht was neergedaald in een joelende, plassende, modderige, ellendige wereld, vol natte parapluies, klotsende klompen en tegen elkander botsende huurkoetsen.
Ik was door een andere deur buiten gekomen en bleef eenigen tijd op straat staan, alsof ik werkelijk een vreemdeling op de aarde was; maar de menigte stooten en duwen, die mij onophoudelijk werden toegediend, riepen mij spoedig tot de werkelijkheid terug en deden mij den weg inslaan naar mijn logement, waar ik, na met oesters en porter gesoupeerd te hebben, tot over éénen in de koffiekamer bij den haard bleef zitten en al het genotene in stilte overdacht.
Ik was zoo vervuld van het spel en van mijn verleden—want het geheele tooneel leek mij een chassinet toe, waarin ik al de episodes uit mijn vroegere leven zag voorbijtrekken—dat ik niet weet, wanneer een zeker net gekleed, slank gebouwd jongmensch, dien ik zeer goed kende, de kamer was binnengetreden. Ik herinner mij echter, dat ik nog steeds bleef zitten peinzen, nadat ik zijne tegenwoordigheid reeds had opgemerkt.
Eindelijk stond ik op om naar bed te gaan, tot groote verlichting van den slaperigen bediende, die kramp in zijne beenen scheen te hebben, want hij wreef en sloeg en wrong ze in allerlei bochten in zijn nauw hokje. Naar de deur gaande, kwam ik voorbij den persoon, die juist was binnengekomen. Ik keek hem aan, keerde terug, keek hem nogmaals aan; maar hij herkende mij niet, terwijl ik terstond zag, wie hij was.
In andere omstandigheden zou ik den moed en het zelfvertrouwen gemist hebben, om hem aan te spreken en dit uitgesteld hebben tot den volgenden dag; maar in de stemming, waarin de tooneelvoorstelling mij had gebracht, meende ik hem zooveel verschuldigd te zijn voor de mij vroeger verleende bescherming en kwam het oude gevoel van vriendschap met zooveel frissche kracht naar boven, dat ik met een bonzend hart op hem toeliep en zeide:
„Steerforth! Wilt gij mij niet meer kennen?”
Hij keek mij aan, zooals hij vroeger ook zoo dikwijls kijken kon, maar ik zag niet, dat hij mij herkende.
„Ik vrees dat gij u mij niet herinneren zult”, hernam ik.
„Groote goden!” riep hij eensklaps uit. „Het is de kleine Copperfield!”
Ik nam zijne beide handen in de mijne en kon ze in het eerste oogenblik niet los laten. Had ik mij niet geschaamd en bovendien gevreesd dat het hem zou mishagen, dan ware ik hem om den hals gevallen en in tranen uitgebarsten.
„Ik ben nooit, nooit, nooit zoo blij geweest. O, beste Steerforth, het doet mij zoo'n genoegen u te zien!”
„En mij doet het ook genoegen u te zien!” riep hij met een hartelijken handdruk. „Kom, kom, Copperfield, oude jongen, maak je niet zoo van streek!” En toch was hij, naar ik meende, blij te zien dat de vreugde over deze ontmoeting mij zoo aandeed.
Ik veegde de tranen af, die mij, in weerwil van mijn innerlijk verzet, in de oogen waren gesprongen, deed mijn best om te lachen en daar zaten wij.... vlak naast elkander.
„En hoe komt gij zoo hier?” vroeg Steerforth, terwijl hij mij vertrouwelijk op den schouder klopte.
„Ik ben hier vandaag aangekomen met de diligence van Canterbury. Ik ben door een tante, die daar in de buurt woont, als kind aangenomen en heb mijne opvoeding daar voltooid. En wat komt gij hier doen, Steerforth?”
„Wel, ik ben een Oxforder, zooals men de studenten daar noemt”, antwoordde hij, „dat wil zeggen, ik ga mij daar geregeld een gedeelte van het jaar vervelen en ben nu op weg naar huis. Gij zijt een duiv....aardige jongen geworden, Copperfield. Gij zijt niets veranderd, nu ik u goed aankijk.”
„Ik herkende u dadelijk”, zei ik, „maar gij zijt ook gemakkelijker te herkennen.”
Hij lachte, terwijl hij met de hand door zijne krullende haren streek, en zei op schertsenden toon:
„Ik ga een plicht vervullen. Mijne moeder woont op eenigen afstand van de stad en aangezien de wegen zoo vreeselijk modderig zijn en het thuis nog al eentonig is, blijf ik van nacht hier. Ik ben nog geen zes uur in de stad en heb bijna al dien tijd in de komedie zitten dutten.”
„Ik ben ook in de komedie geweest”, viel ik in. „In Covent Garden. Wat is dat prachtig, Steerforth!”
„Beste David!” zei Steerforth, hartelijk lachend en mij nogmaals op den schouder kloppend, „beste David, wat zijt gij toch nog groen! Het gras kan, zelfs bij zonsopgang niet groener zijn dan gij! Ik ben ook in Covent Garden geweest, maar ellendiger spel heb ik nooit gezien! ...... Heila, Jan!”
De bediende, die met de grootste belangstelling onze ontmoeting op een afstand had gadegeslagen, kwam nu eerbiedig nader.
„Waar hebt gij mijn vriend mijnheer Copperfield, gestopt?” vroeg Steerforth.
„Wat blieft u, mijnheer?”
„Welke kamer heeft mijnheer? Welk nummer? Gij weet wel wat ik bedoel?” zei Steerforth.
„Jawel, mijnheer,” antwoordde de bediende, op verontschuldigenden toon: „Mijnheer Copperfield heeft op het oogenblik vier-en-veertig, mijnheer.”
„Hoe, duivel, komt het in je op, mijnheer Copperfield boven een stal op een zolderkamertje te logeeren!” hernam Steerforth.
„Wij wisten niet,” antwoordde de bediende, zich nog steeds verontschuldigend, „dat mijnheer Copperfield een vriend van u was. Wij kunnen mijnheer Copperfield twee-en-zeventig geven, mijnheer, indien mijnheer dat verkiest. Naast u, mijnheer.”
„Natuurlijk verkiest mijnheer Copperfield dat,” hernam Steerforth. „Breng de kamer onmiddellijk in orde!”
De bediende verdween terstond om de verwisseling te bewerkstelligen. Steerforth lachte hartelijk om mijn eenvoud, omdat ik mij met no. 44 had laten tevreden stellen, klopte mij nogmaals op den schouder en noodigde mij uit om den volgenden morgen te tien uur met hem te ontbijten—eene uitnoodiging, waarop ik maar al te trotsch was en die ik stralend van blijdschap aannam. Het was intusschen laat geworden, zoodat wij onze kandelaars opnamen en naar boven gingen. Voor de deur van Steerforth's kamer namen wij hartelijk afscheid en toen ik no. 72 binnentrad, zag ik terstond dat deze veel beter was dan die, waarmede men mij had afgescheept; het rook er volstrekt niet duf en er stond een ledikant, ongeveer zoo groot als een klein landgoed. Tusschen een aantal kussens, waaraan zes personen genoeg zouden hebben gehad, sliep ik spoedig in en droomde van het oude Rome, van Steerforth en van vriendschap, tot het geratel van de diligences onder de poort mij in het rijk van den dondergod verplaatste.
XX
Steerforth's ouderlijke woning.
Toen het kamermeisje te acht uur op mijne kamerdeur klopte en mij meldde, dat het scheerwater gereed stond, kreeg ik in mijn bed een kleur bij de pijnlijke gewaarwording, dat ik daaraan nog geen behoefte had. Het vermoeden, dat zij gelachen had, toen zij het mij toeriep, hield mij voortdurend bezig, terwijl ik mij aankleedde, en toen ik naar beneden ging om te ontbijten en haar op de trap tegenkwam, sloop ik haar als het ware met een schuldig gevoel voorbij. Ik was inderdaad zoo onder den indruk van het verlangen om ouder te zijn dan ik was, dat ik eerst niet goed kon besluiten om haar voorbij te gaan; ik schaamde mij en bleef, terwijl ik haar de trap hoorde afstoffen, uit het venster kijken naar Koning Karel I te paard, die er tusschen een ontelbare menigte huurkoetsjes, in den bruingrijzen mist alles behalve koninklijk uitzag. Eindelijk werd ik door den bediende gewaarschuwd, dat mijnheer Steerforth mij wachtte.
Ik vond hem niet in de koffiekamer, doch in een afzonderlijk vertrekje met roode gordijnen en een Turksch tapijt; er brandde een helder vuurtje en op de keurig gedekte tafel stond een fijn, warm ontbijt gereed, terwijl de geheele kamer, de tafel, het ontbijt, Steerforth en alles in het rond in het kleine, ronde spiegeltje boven het buffet werd weerkaatst. Ik voelde mij verlegen onder Steerforth's meerderheid, hij zat daar zoo op zijn gemak, zoo gewoon, zoo in alle opzichten—ook in leeftijd—mijn meerdere, zijn beschermheerschap ging hem echter zoo gemakkelijk af, dat ook ik mij spoedig op mijn gemak gevoelde. Ik kon de verandering, die het Gouden Kruis in mijne oogen door zijne komst had ondergaan, niet genoeg prijzen en moest telkens het gevoel van verlatenheid, waaraan ik den vorigen dag ten prooi was geweest, vergelijken met de comfort en de gezelligheid van dezen morgen. De familiaire toon en houding van den bediende waren als door een tooverslag verdwenen. Hij bediende ons alsof wij twee prinsen van den bloede waren.
„Wel, Copperfield,” zei Steerforth toen wij eindelijk met ons beiden waren, „ik ben benieuwd te vernemen, wat uwe plannen zijn, waar gij heengaat, in één woord, alles wat u betreft. Ik beschouw u altijd alsof gij een stukje van mij zelf waart.”
Blijde dat hij nog zooveel belang in mij bleek te stellen, vertelde ik hem dat mijne tante mij had voorgesteld eens op reis te gaan en deelde hem mijne verdere plannen mede.
„Gij hebt dus volstrekt geen haast,” zei Steerforth, „ga dan met mij mede naar Highgate, naar mijne moeder en breng daar eenige dagen door. Mijne moeder zal verrukt van u zijn—zij is een weinig ijdel op haar zoon, maar dat zult gij haar wel vergeven—en gij zult verrukt zijn van haar.”
„Ik zou van het eerste wel even zeker willen zijn, als gij vriendelijk genoeg zijt te beweren,” antwoordde ik met een glimlach.
„O,” zei Steerforth, „iedereen, die van mij houdt, kan aanspraken doen gelden, die zeer zeker worden erkend.”
„Dan zal ik ongetwijfeld in hare gunst komen.”
„Goed dan!” hernam Steerforth. „Ga mede om u er van te overtuigen. Wij hebben nu nog een paar uur tijd en zullen de leeuwen in den Zoölogischen tuin gaan bezichtigen; het is een genot zulk een groentje als gij zijt, Copperfield, het een en ander van Londen te laten zien. Wij nemen dan later de diligence naar Highgate.”
Ik kon nauwelijks gelooven dat ik niet droomde en niet in no. 44 wakker zou worden, om beneden de ongezellige koffiekamer en den familiairen bediende te vinden. Na mijne tante een brief geschreven te hebben, waarin ik haar mijne gelukkige ontmoeting met mijn veelbewonderden ouden schoolmakker meedeelde en haar tevens vertelde, dat ik zijne uitnoodiging, om eenige dagen bij zijne moeder op Highgate door te brengen, had aangenomen, lieten wij een huurkoetsje voorkomen en bezochten het Panorama en eenige andere merkwaardigheden van Londen, o. a. het Museum, waar ik niet kon nalaten op te merken, hoe goed Steerforth van verschillende dingen op de hoogte was en hoe weinig hij zijn eigen kundigheden telde.
„Gij zult zeker wel een hoogen graad behalen op de Academie, Steerforth,” zei ik, „als gij het niet reeds gedaan hebt. Uwe moeder zal zeker wel reden hebben om trotsch op u te zijn.”
„Ik een graad behalen!” riep Steerforth. „Nimmer, mijn best Groentje! Wilt gij mij toestaan u ‚Groentje’ te noemen?”
„Wel zeker,” antwoordde ik.
„Gij zijt een brave jongen, Groentje,” hernam Steerforth lachend. „Ik verlang volstrekt niet op die wijze uit te munten. Ik heb voor mijn doen mij al genoeg uitgesloofd en al heel wat mee te dragen.”
„Maar voor de eer van uw naam...” begon ik weder.
„O, gij romanesk Groentje!” zei Steerforth nog hartelijker lachend; „waarom zou ik mij zoo inspannen? Omdat een troep botterikken mij met verbazing zouden aangapen? Laten zij dat anderen doen; ik gun die eer aan iedereen.”
Ik was een weinig beschaamd omdat ik dit punt had aangeroerd, en bracht het gesprek op een ander onderwerp. Gelukkig was dit niet moeielijk, want Steerforth kon met de grootste onverschilligheid en behendigheid van het eene onderwerp op het andere overstappen.
Wij gebruikten onderweg ons tweede ontbijt, en de dagen waren reeds zoo kort, dat de duisternis was ingevallen toen ons koetsje bij een ouderwetsch huis op den top van den heuvel, waarop Highgate gebouwd is, stilhield. Eene oudachtige dame, hoewel niet oud in jaren, slank gebouwd en met een fijn besneden gelaat, wachtte ons in de gang op en ontving Steerforth met den uitroep: „Lieve James!” Hij stelde mij aan haar voor met de woorden: „Mijne moeder” en zij heette mij hartelijk welkom en bood mij de hand.
Het was een lief ouderwetsch huis, waarin de grootste stilte en orde heerschte. Uit de ramen van mijne kamer zag ik op een afstand Londen liggen, in een dichten nevel gehuld, waarin hier en daar een mat licht flikkerde. Terwijl ik mij kleedde had ik even tijd genoeg om de stevige meubels en de teekenlappen te bekijken, welke laatste, naar ik onderstel, door Steerforth's moeder vervaardigd waren, toen zij nog een jong meisje was. Ik was juist bezig eenige met krijt geteekende portretten van dames in keurslijven en met gepoeierd haar te bezichtigen, toen ik aan tafel geroepen werd. In de eetkamer vond ik nog eene tweede dame; klein van gestalte, donker, die, hoewel niet van schoonheid ontbloot, toch geen innemend uiterlijk bezat. Zij trok mijne aandacht: wellicht omdat ik haar niet had verwacht; wellicht omdat ik tegenover haar zat; wellicht omdat zij toch iets aantrekkelijks voor mij had. Zij had zwart haar en stekelige zwarte oogen, was mager en had een litteeken op de lip. Het was een oud litteeken—een naad moest ik het liever noemen, want het was kleurloos en reeds jaren geleden geheeld—van eene wond, die over den mond tot op de kin had geloopen, doch thans, over de tafel heen, bijna niet meer zichtbaar was dan op de bovenlip, waarvan de vorm eenigszins veranderd was. Ik kwam in mij zelven tot het besluit, dat zij ongeveer dertig jaar moest zijn en gaarne getrouwd zou wezen. Zij zag er wat vervallen uit, ongeveer zooals een oud huis, dat lang te huur heeft gestaan; maar was, zooals ik reeds opmerkte, volstrekt niet leelijk te noemen. Hare magerheid scheen mij toe het gevolg te zijn van een vuur, dat haar inwendig verteerde en door hare eenigszins holle oogen een uitweg vond. Zij werd mij voorgesteld als juffrouw Dartle en zoowel Steerforth als zijne moeder noemden haar Rosa. Ik vernam, dat zij daar woonde en sinds jaren tot gezelschap diende van mevrouw Steerforth. Het kwam mij voor dat zij, hetgeen zij te zeggen had, nooit ronduit zeide, maar langs omwegen, zoodat zij voor alles veel meer woorden gebruikte dan noodig was. Zoo mevrouw Steerforth bijvoorbeeld meer in scherts dan in ernst te kennen gaf dat haar zoon, naar zij vreesde, wel wat al te vroolijk leefde, waarop juffrouw Dartle aldus begon:
„O, zoo? Waarlijk? Gij weet, hoe onnoozel ik ben en dat ik alleen vraag om ingelicht te worden, maar is dat dan niet altijd zoo? Ik meende, dat men op de academie altijd zoo leefde... is 't niet?”
„Gij bedoelt zeker, dat het leven aan de academie eene voorbereiding is tot een hoogst ernstig beroep, nietwaar, Rosa,” antwoordde mevrouw Steerforth op koelen toon.
„O! Ja! Dat is waar,” hernam juffrouw Dartle. „Maar is het ook eigenlijk niet....? Ik vraag alleen inlichtingen en wil gaarne te recht gewezen worden, indien ik 't mis heb..... Is 't het niet eigenlijk?”
„Wat bedoelt gij met ‚eigenlijk’?” vroeg mevrouw Steerforth.
„O! Meent gij dat het niet is!” antwoordde juffrouw Dartle. „Wel, ik ben blijde het te vernemen! Nu weet ik, wat ik doen moet. Dat is het voordeel van vragen. Ik zal voortaan niemand meer toestaan in mijne tegenwoordigheid over de losbandigheid en de verkwisting aan de academie te spreken... wien ook.”
„En daaraan zult gij goed doen,” zei mevrouw Steerforth. „De voogd van mijn zoon is een zeer nauwgezet man; stelde ik niet volkomen vertrouwen in mijn zoon, dan zou ik het toch in hem stellen.”
„Zoudt gij?” vroeg juffrouw Dartle. „Goede Hemel! Is hij nauwgezet? Werkelijk nauwgezet?”
„Ja, daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde mevrouw Steerforth.
„Hoe heerlijk!” riep juffrouw Dartle. „Hoe geruststellend! Werkelijk nauwgezet? Dus is hij niet.... neen, natuurlijk kan hij dat niet zijn, als hij zoo nauwgezet is. Wel, ik zal hem nu altijd in een ander licht beschouwen. Gij kunt u niet voorstellen, hoe hij in mijne schatting is gerezen, nu ik zoo zeker weet, dat hij werkelijk nauwgezet is!”
Op dezelfde langdradige wijze behandelde juffrouw Dartle alle dingen, of zij het er mede eens was of er bedenkingen tegen had, somstijds met grooten nadruk en zelfs was zij het meermalen oneens met Steerforth—tot mijne groote verbazing natuurlijk. Voor het middagmaal was afgeloopen had nog het volgende voorval plaats. Mevrouw Steerforth sprak met mij over mijn plan om naar Suffolk te gaan, waarop ik zoo terloops opmerkte hoe blijde ik zijn zou, indien James mij wilde vergezellen. Ik vertelde hem dat ik mijne oude kindermeid ging opzoeken en bij de Peggotty's zou logeeren, die hij zich zeker nog wel herinneren zou van hun bezoek op de school.
„O, die ruwe gast!” zei Steerforth. „Jawel, hij had zijn zoon bij zich!”
„Neen, dat was zijn neef,” antwoordde ik, „hij heeft hem als zijn zoon aangenomen. Ook is er nog een alleraardigst nichtje, dat hij als eene dochter lief heeft. Kortom, zijn huis—of liever zijn boot, want hij woont in een schip op het strand—is vol menschen, die van zijne edelmoedigheid en zijne vriendelijkheid leven. Het zou u zeker genoegen doen dit huishouden eens te zien.”
„Waarlijk?” zei Steerforth. „Ja, ik denk wel dat ik het aardig zou vinden. Ik zal eens zien. Het zou mij wel de reis waard zijn—afgescheiden nog van het genoegen om met u te reizen, Groentje—om zulk soort van menschen eens van nabij te leeren kennen.”
Mijn hart zwol bij het vooruitzicht van dit onverwacht genoegen. Naar aanleiding van den toon, waarop hij gesproken had van ‚dat soort van menschen’, nam juffrouw Dartle, die met schitterende oogen naar ons gesprek had zitten luisteren, nu het woord.
„O waarlijk! vertel er mij eens wat van? Zijn zij werkelijk?” vroeg zij.
„Zijn zij wat? En wie zijn wat?” hernam Steerforth.
„Die soort van menschen? Zijn zij werkelijk als het redelooze vee, zijn zij werkelijk wezens van een ander maaksel? Ik zou dat, o, zoo gaarne weten.”
„Nu, er is groot onderscheid tusschen hen en ons,” antwoordde Steerforth op onverschilligen toon. „Men kan niet verwachten dat zij zoo fijngevoelig zijn als wij. Men beleedigt of kwetst hun gevoel niet zoo spoedig. Zij zijn ontzettend deugdzaam, dat moet gezegd worden—sommige menschen beweren het ten minste en ik ben overtuigd dat ik hen niet zou moeten tegenspreken—maar heel gevoelig zijn zij niet, evenmin als hunne ruwe huid en daar mogen zij blijde om zijn.”
„Waarlijk!” riep juffrouw Dartle. „Wel ik weet niet dat mij ooit iets meer genoegen heeft gedaan dan dit te hooren. Het is mij bepaald een troost te weten, dat al moeten zij lijden, zij het niet zoo voelen. Ik heb mij menigmaal ongerust gemaakt over zulk soort van menschen, maar voortaan zal ik met een kalmer gevoel aan hen kunnen denken. Men kan toch zijn geheele leven door leeren. Ik moet bekennen dat ik twijfelde, maar thans is mijn twijfel opgeheven. Ik weet nu wat ik niet wist, waaruit men weder zien kan hoe goed het is te vragen .... is 't niet zoo?”
Ik verkeerde in de meening, dat Steerforth in scherts gesproken had of om juffrouw Dartle aan het praten te brengen, en verwachtte dat hij mij dit zou zeggen, toen de dames waren heengegaan en wij te zamen bij den haard zaten. Hij vroeg mij echter alleen maar hoe ik juffrouw Dartle vond.
„Zij is heel schrander, is zij niet?” vroeg ik.
„Schrander! Zij gebruikt bij alles een slijpsteen,” zei Steerforth, „en slijpt alles even scherp als haar gelaat en haar figuur in de laatste jaren geworden is. Door het vele slijpen is zij zelve versleten. Zij is nu aan alle kanten zoo scherp als een vlijm.”
„Wat heeft zij een zonderling litteeken op hare lip!” zei ik.
Steerforth's gezicht betrok en hij bleef een oogenblik zwijgen.
„Dat heb ik gedaan”, antwoordde hij eindelijk.
„Bij ongeluk?”
„Neen, ik was nog een jongen en toen heb ik haar met een hamer gegooid, omdat zij mij boos maakte. Ik moet een veelbelovend jong engeltje geweest zijn!”
Het speet mij zulk een pijnlijk onderwerp te hebben aangeroerd, maar er was niets meer aan te doen.
„Zooals gij ziet,” ging Steerforth voort, „heeft zij sinds dien tijd dat merkteeken gedragen en zij zal het blijven dragen tot in het graf,—indien zij ooit in een graf rusten zal; ik betwijfel het of zij wel ooit ergens rust zal vinden. Zij was eene weeze, een kind van een neef van mijn vader en toen haar vader stierf, nam mijne moeder, die toen ook weduwe was, haar bij zich om haar wat gezelligheid aan te brengen. Zij bezit een paar duizend pond sterling en voegt elk jaar weder de rente bij het kapitaal. Dat is de geschiedenis van juffrouw Rosa Dartle.”
„En ik twijfel er niet aan of zij heeft u lief als een broeder?” vroeg ik.
„Hm!” zei Steerforth, in het vuur kijkende. „Er zijn broeders, die men niet zoo heel lief heeft en andere.... maar schenk u nog eens in, Copperfield. Laat ons op het groene gras drinken als een complimentje aan u en op de leliën des velds, die niet arbeiden en niet spinnen, als een compliment aan mij—waarover ik mij behoor te schamen.” Toen hij dit gezegd had helderde zijn gelaat weer op en werd hij weder even vroolijk en opgeruimd als altijd.
Ik kon niet nalaten eens naar het litteeken te kijken toen wij om de theetafel zaten. Het duurde niet lang of ik merkte op dat het litteeken het gevoeligste plekje van haar gelaat was, want als zij verbleekte, veranderde dit het eerst van kleur en werd een doffe, leikleurige streep gelijk; het werd dan geheel zichtbaar evenals een merkteeken, dat, met onzichtbaren inkt geschreven, voor het vuur moet gehouden worden om leesbaar te zijn. Steerforth en zij hadden eene kleine woordenwisseling bij het triktrak, en één oogenblik meende ik dat zij woedend zou worden, want het heele litteeken werd zichtbaar, evenals het oude geschrift op den muur.
Het was voor mij niet vreemd dat mevrouw Steerforth haar zoon verafgoodde. Zij scheen over niets en niemand anders te denken; liet mij zijn portret zien als heel klein kindje, in een medaillon met zijne eerste haren; en één uit den tijd, toen ik hem voor het eerst had leeren kennen; terwijl zij om haar hals een keten droeg met een medaillon, waarin zich een portret bevond uit den allerlaatsten tijd. Zij had al zijne brieven in een afzonderlijk laadje van hare schrijftafel bewaard, en zou ze mij alle, een voor een, hebben voorgelezen, indien Steerforth het niet belet had.
„Mijn zoon vertelde mij, dat gij elkaar bij mijnheer Creakle hebt leeren kennen,” zei mevrouw Steerforth toen wij met ons beiden aan de theetafel zaten, terwijl Steerforth en juffrouw Dartle triktrak speelden. „Ik herinner mij zeer goed, dat hij in dien tijd veel sprak over een jongen, die jonger was dan hij, doch van wien hij heel veel hield; uw naam was mij echter uit het geheugen gegaan zooals gij wel begrijpen kunt.”
„Ik kan u de verzekering geven, mevrouw,” antwoordde ik, „dat hij in die dagen getoond heeft zeer edelmoedig te zijn; ik had zulk een vriend noodig; zonder hem zou men mij doodgeslagen hebben.”
„Hij heeft altijd een edelmoedig karakter gehad,” zei mevrouw Steerforth met een trotschen blik op haar zoon.
Ik stemde volkomen in met deze moederlijke ontboezeming; dat weet de Hemel. En zij wist dit ook, want zij was alleen deftig tegen mij wanneer zij den lof van haar zoon verkondigde; zij nam dan tegenover iedereen een trotsche houding aan.
„Het was over 't algemeen geen bijzonder geschikte school voor mijn zoon,” sprak zij; „verre van daar; er waren echter bijzondere omstandigheden, die bij de keuze van eene school in aanmerking moesten genomen worden. De buitengewone geestesgaven van mijn zoon maakten het noodig hem te plaatsen bij iemand, die zijne meerderheid voelde, en zich daaronder wilde schikken; in mijnheer Creakle meenden wij zoo iemand gevonden te hebben.”
Ja, dat wist ik maar al te goed. Toch verachtte ik hem daarom niet meer; ik was van meening, dat deze eigenschap eenigszins tot verontschuldiging kon dienen van zijne vele ondeugden—hoe zou hij iemand, zoo onweerstaanbaar als Steerforth, hebben kunnen weerstaan!
„De buitengewone bekwaamheden van mijn zoon moesten daar wel aan het licht komen,” ging de verblinde moeder voort; „hoe men hem ook tegengewerkt zou hebben, hij zou toch geworden zijn wat hij geweest is, de koning van de school. Hij zou onder alle omstandigheden zijner waardig zijn gebleven. Dat ligt nu eenmaal zoo in zijn karakter.”
Ik erkende van ganscher harte dat het in zijn karakter lag.
„Mijn zoon vatte dientengevolge geheel uit vrijen wil een ijver op, waardoor hij, als hij verkiest, elken mededinger ver achter zich kan laten,” ging zij voort. „James vertelde mij, mijnheer Copperfield, dat gij zoo bijzonder aan hem gehecht waart en dat u gisteren, toen gij hem herkendet, de tranen in de oogen stonden. Ik zou veinzen, indien ik mij verbaasd toonde over de aandoening, die mijn zoon bij u opwekte; maar ik kan evenmin onverschillig zijn tegenover iemand, die zijne verdiensten op prijs weet te stellen; ik ben daarom zeer blijde u hier te zien en kan u verzekeren, dat hij u ook zeer genegen is en gij op zijne bescherming kunt blijven rekenen.”
Juffrouw Dartle speelde triktrak met evenveel vuur als zij alles deed. Had ik haar voor het eerst aan het triktrakbord ontmoet, dan zou wellicht de onderstelling in mij zijn opgekomen, dat zij door het spelen zoo mager was geworden en zulke groote oogen gekregen had. Ik zou mij echter zeer moeten vergissen, indien haar een woord van ons gesprek ontsnapte of haar een blik ontging, terwijl ik met mevrouw Steerforth zat te praten en met haar vertrouwen werd vereerd; zoodat ik mij veel ouder gevoelde dan ik nog één oogenblik na mijn vertrek uit Canterbury gedaan had.
Toen de avond bijna teneinde was en er een blad met glazen en karaffen werd binnengebracht, beloofde Steerforth mij er ernstig over te zullen denken om met mij naar Suffolk te gaan. „Er is geen haast bij,” zei hij; over een week kon het ook wel; en zijne moeder was gastvrij genoeg om hetzelfde te zeggen. Terwijl wij zoo te zamen zaten te praten, noemde hij mij meer dan eens Groentje, hetgeen juffrouw Dartle's nieuwsgierigheid prikkelde.
„Maar, zeg mij toch eens mijnheer Copperfield,” vroeg zij, „is dat uw bijnaam? En wie gaf u dien? Is het... misschien... omdat men meent dat gij nog zoo jong en onschuldig zijt? Ik ben zoo dom in dergelijke dingen.”
Ik kreeg een kleur toen ik antwoordde, dat ik wel geloofde dat het daarom was.
„O!” riep zij, „wat ben ik blijde dat ik het weet! ik vraag altijd naar inlichtingen en ben zoo blijde als ik ze krijg. Nu weet ik het toch maar weer. Hij meent daarmede, dat gij nog jong en onschuldig zijt en daarom zijt gij zijn vriend. Dat is alleraardigst!”
Spoedig daarna ging zij naar bed, weldra gevolgd door mevrouw Steerforth. Nadat Steerforth en ik nog ongeveer een half uur bij den haard hadden zitten praten over Traddles en over zoo velen van onze oude school op Salem-House gingen wij samen naar boven. Steerforth's kamer was naast de mijne en ik ging er binnen om er een kijkje te nemen. Al wat weelde en gemak hadden kunnen bijeenbrengen, was daar door de moederhand bijeengebracht, die zelve de stoelen en kussens had bewerkt. Haar lief, innemend gelaat staarde uit een vergulde lijst op haar lieveling neer, alsof zij het haar plicht rekende hem ook in zijn slaap nog te bewaken.
Ik vond het vuur in den haard op mijne kamer nog brandende en de gordijnen voor de vensters en voor mijn bed neergelaten, zoodat het geheel een gezelligen indruk op mij maakte. In een grooten leunstoel bleef ik nog eenigen tijd over mijn geluk zitten peinzen, toen ik plotseling boven den schoorsteenmantel een portret van juffrouw Dartle ontdekte, die mij scherp in het oog hield. De gelijkenis was treffend en dientengevolge joeg het mij een weinig angst aan. De schilder had het litteeken weggelaten, maar ik zag het er toch op, nu eens op de bovenlip, zooals ik het aan tafel gezien had, dan weder in zijne geheele lengte zooals het zich vertoonde, wanneer zij in vuur was.
Ik vroeg mij zelven op korzeligen toon af, waarom men dat portret nu juist hier, bij mij, had opgehangen. Ten einde mij aan haar scherpen blik te onttrekken, ontkleedde ik mij schielijk, blies het licht uit en ging naar bed. Maar toen ik in slaap viel, kon ik niet vergeten, dat zij daar nog hing en meende ik haar telkens te hooren vragen: „Is het werkelijk waar? Ik zou het zoo gaarne weten”, en toen ik midden in den nacht wakker werd, betrapte ik mij, dat ik in mijne droomen aan allerlei menschen gevraagd had of het werkelijk waar was—zonder zelf te weten wat ik bedoelde.
XXI
De kleine Emily.
Er was een knecht in huis, een man, die, zooals ik later begreep, aan de academie in dienst was gekomen bij Steerforth en hem overal vergezelde, een man, die in zijn stand een toonbeeld was van fatsoenlijkheid. Ik geloof niet, dat er in dien stand ooit fatsoenlijker man geboren werd. Hij sprak weinig, liep zacht, had zeer bedaarde manieren, was onderdanig, opmerkzaam, altijd bij de hand als men hem noodig had en nooit in de nabijheid als men hem niet noodig had; maar zijne grootste verdienste was zijn buitengewone fatsoenlijkheid. Hij had geen bewegelijk gezicht, eerder een stijven nek en een rond glad hoofd met kort haar, dat tegen de slapen was vastgeplakt; hij sprak altijd zacht en had de eigenaardige gewoonte om de letter S zoo duidelijk uit te spreken, dat het scheen alsof hij die letter vaker gebruikte dan alle andere; maar welke eigenaardigheden hij ook bezat, ze waren alle hoogst fatsoenlijk. Al had zijn neus het onderste boven gestaan, zou hij er toch fatsoenlijk hebben uitgezien. Hij hulde zich in een waas van fatsoenlijkheid en wandelde daarin met de grootste zekerheid rond. Hij was zoo fatsoenlijk, dat men onmogelijk iets verkeerds in hem had kunnen ontdekken. Niemand zou het in de gedachte gekomen zijn hem in livrei te steken—daartoe was hij veel te fatsoenlijk. Door eenig vernederend werk van hem te vorderen, zou men het gevoel van een fatsoenlijk man op baldadige wijze hebben gekwetst. De vrouwelijke dienstboden waren zich dat onwillekeurig bewust en deden al het werk zelven, terwijl hij bij de kachel in de dienstbodenkamer de krant zat te lezen. Nooit ontmoette ik zulk een zelfgenoegzaam man, maar ook deze hoedanigheid, evenals elke andere die hij bezat, scheen hem des te fatsoenlijker te maken. Zelfs de omstandigheid dat niemand zijn doopnaam kende, maakte een deel uit van zijn fatsoen. Wat kon men ook hebben tegen zijn familienaam Littimer, waaronder hij bij iedereen bekend was? Peter kon opgehangen, Tom naar de galeien verwezen zijn; de naam Littimer was zoo fatsoenlijk als men wenschen kon.
Ik vermoed, dat het tengevolge van de hoogst eerwaardige soort van zijne fatsoenlijkheid was, dat ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo bijzonder jong voelde. Ik kon onmogelijk gissen hoe oud hij zelf was, maar ook dat kwam weder ten voordeele van dezelfde hoedanigheid; want de fatsoenlijke kalmte, waarmede hij alles deed, maakte den indruk van een vijftiger zoowel als van een man van dertig jaren.
Nog eer ik den eersten morgen uit mijn bed was, stond Littimer reeds in mijne kamer met dat beleedigende scheerwater, terwijl hij tegelijkertijd mijne kleederen kwam halen om ze af te borstelen. Toen ik de gordijnen op zijde schoof en uit mijn bed keek, zag ik hem daar staan, in zijn gelijkmatig waas van fatsoenlijkheid, waarop zelfs de noordoostenwind in Januari geen invloed scheen te hebben, want zijn adem was niet zichtbaar. Hij plaatste mijne laarzen in het eerste tempo van de polka en blies eenige stofjes van mijn jas, die hij daarna zoo omzichtig neerlegde, alsof het een pasgeboren kindje was.
Ik wenschte hem goeden morgen en vroeg hoe laat het was, waarop hij het fatsoenlijkste horloge uit zijn vestzak te voorschijn haalde, dat ik ooit gezien heb, met zijn duim het deksel liet openspringen, naar de wijzerplaat keek met een gezicht alsof hij een orakel raadpleegde, het horloge dicht deed en zeide dat het „met mijn welnemen half negen was.”
„Mijnheer Steerforth zou gaarne willen weten hoe uw nachtrust geweest is, mijnheer?”
„Dank u,” antwoordde ik, „zeer goed. Heeft mijnheer Steerforth goed geslapen?”
„Dank u, mijnheer Steerforth heeft vrij wel geslapen.”—Hij gebruikte nooit superlatieven; dat was ook weder een van zijne eigenaardigheden. Hij bewandelde steeds in alles den middenweg, behalve in zijne fatsoenlijkheid.
„Mag ik de eer hebben nog iets voor u te doen, mijnheer? De eerste bel wordt te negen uur geluid; de familie gebruikt te half tien het ontbijt.”
„Neen, dank u, niets.”
„Ik dank u, mijnheer—met uw welnemen”; met deze woorden en een lichte buiging, terwijl hij het bed voorbij ging, als verzocht hij verschooning voor zijne terechtwijzing, ging hij heen en sloot de deur zoo zacht, alsof ik juist in eene weldadige sluimering gevallen was, waarvan mijn leven afhing.
Elken morgen hielden wij ditzelfde gesprek; nooit meer, maar ook nooit minder: en toch, hoe ik mij des avonds ook vereerd had gevoeld door het gezelschap en het vertrouwen van mevrouw Steerforth en haar zoon, of door de gesprekken met juffrouw Dartle, in tegenwoordigheid van dezen hoogst fatsoenlijken man kwam ik mij zelven weer voor als een knaap.
Littimer huurde paarden voor ons en Steerforth, die alles kende, gaf mij rijles. Littimer bezorgde ons degens en handschoenen, Steerforth gaf mij les in het schermen—en onder leiding van denzelfden meester begon ik boksen te leeren. Geen oogenblik voelde ik eenige schaamte, omdat Steerforth mij een nieuweling vond in al deze zaken, maar het hinderde mij telkens, wanneer ik blijken gaf van mijne onkunde in tegenwoordigheid van den fatsoenlijken Littimer. Ik had volstrekt geen aanleiding te onderstellen dat Littimer zelf een meester was in al deze lichaamsoefeningen; hij gaf mij nooit, zelfs niet door eene trilling van zijne hoogst fatsoenlijke oogleden aanleiding om dit te vermoeden en toch, wanneer hij bij de lessen tegenwoordig was, had ik een gevoel, alsof ik de domste en onhandigste sterveling van de wereld was. Ik weid over dezen man zoo uit, omdat hij zulk een bijzonderen indruk op mij maakte en om hetgeen later voorviel.
De week ging op de aangenaamste wijze voorbij, maar zooals men begrijpen kan, voor mij, voor wien alles nieuw was, veel te vlug. Ik had de beste gelegenheid om Steerforth beter te leeren kennen en om duizend redenen te bewonderen, zoodat het mij op het einde der week toescheen of ik veel langer met hem samen geweest was. De ongedwongen wijze, waarop hij mij eigenlijk als een stuk speelgoed beschouwde, was mij aangenamer dan welke andere behandeling zijnerzijds mij zou kunnen geweest zijn. Ik werd daardoor herinnerd aan onze eerste kennismaking, waarvan deze behandeling mij het natuurlijke gevolg toescheen; ik zag daaruit dat hij niet veranderd was; ik voelde mij nooit bezwaard, wanneer ik mij bij hem vergeleek en mij afvroeg, of ik wel zooveel aanspraak maken mocht op zijne vriendschap en bovendien, zijne wijze van omgang met mij was zoo ongedwongen, zoo vertrouwelijk als met geen ander. Evenals hij op de school anders met mij was omgegaan dan met alle anderen, ging hij ook thans anders met mij om dan met alle andere vrienden. Ik geloof dat ik grooter plaats in zijn hart had ingenomen dan alle andere vrienden en ik zelf voelde mij onweerstaanbaar tot hem aangetrokken.
Zijn besluit om met mij mede te gaan naar Suffolk stond nu vast en de dag voor ons vertrek was bepaald. Hij had lang geaarzeld of hij Littimer mede zou nemen, maar besloot eindelijk hem thuis te laten. De fatsoenlijke man, die tevreden was met elke beschikking ten opzichte van zijn persoon, pakte onze valiezen, legde ze in het wagentje, dat ons naar Londen zou brengen en nam mijn bescheiden gift in ontvangst met een gezicht, waarop geene dan eene zeer fatsoenlijke uitdrukking lag.
Wij namen afscheid van mevrouw Steerforth en juffrouw Dartle met hartelijke dankbetuigingen mijnerzijds en eene dringende uitnoodiging van de trotsche moeder om nog eens terug te komen. Het laatste, dat ik zag, was Littimer's gezicht, waarop thans—dat verbeeldde ik mij tenminste—te lezen stond dat ik nog heel jong was.
Wat ik gevoelde, toen ik, zoo in mijn voordeel veranderd, naar die oude geliefkoosde, plekjes terugkeerde, kan ik onmogelijk beschrijven. Wij reisden met den postwagen en ik was zoo bezorgd voor de eer van Yarmouth, dat toen Steerforth, gedurende onzen rit door de nauwe straten, zeide, dat het nog wel een aardig stadje was, ik ten hoogste ingenomen was met deze verklaring. Onmiddellijk na onze aankomst gingen wij naar bed en eerst laat in den morgen gebruikten wij het ontbijt. Toen wij langs de herberg kwamen, waar ik bij mijn vertrek naar Salem-House een onderkomen had gevonden, zag ik een paar morsige schoenen met slobkousen aan de deur staan en vermoedde dat ze den bediende, die toen zoo vriendelijk voor mij geweest was, toebehoorden, hetgeen een reden voor mij was om den anderen kant uit te kijken. Steerforth was in eene bijzonder vroolijke stemming en had, eer ik op was, reeds een wandeling langs het strand gemaakt en met de helft van de visschers vriendschap aangeknoopt, naar hij zeide. Bovendien had hij op een afstand een schuit zien liggen, die volgens mijne beschrijving het huis moest zijn van baas Peggotty; de rook steeg zoo lustig uit den schoorsteen naar boven, dat hij op het punt was geweest er heen te gaan en te verklaren, dat hij David Copperfield en zóó gegroeid was, dat niemand hem zou herkennen.
„Wanneer denkt gij mij daar aan die brave lieden voor te stellen, Groentje?” vroeg hij. „Ik ben gereed; bepaal dus zelf maar het tijdstip!”
„Mij dunkt.... van avond, als zij allen rondom het vuur zitten. Ik zou u zoo gaarne een gezelligen indruk van het geheel laten krijgen; 't is zoo'n aardige woning.”
„Goed dan!” antwoordde Steerforth, „van avond.”
„Ik zal hun niet laten weten dat ik hier ben, begrijpt ge?” zei ik opgeruimd. „Wij zullen hen verrassen.”
„O, natuurlijk! Alle aardigheid zou er af zijn, als wij hen niet verrasten,” zei Steerforth. „Wij moeten hen in hun natuurlijksten toestand zien.”
„Al behooren zij tot dat soort van menschen, waarover gij 't laatst met juffrouw Dartle zoo druk hadt?” vroeg ik.
„Hoe? Denkt gij nog aan mijn woordenstrijd met Rosa?” riep Steerforth uit en keek mij daarbij met een ondeugenden blik aan. „Die feeks! Ik ben bang voor haar! Zij is altijd mijne kwelduivel geweest. Maar laat ik mij niet warm over haar maken! Wat zullen wij nu gaan doen? Gaat gij die kindermeid misschien een bezoek brengen?”
„Ja, dat is goed,” antwoordde ik, „eerst naar Peggotty!”
„Welnu,” hernam Steerforth, „als ik u dan eens twee uur geef om met haar te zitten huilen. Is dat lang genoeg?”
Ik antwoordde lachend dat wij in dien tijd heel wat zouden kunnen afdoen, maar dat hij ook daar moest komen; hij zou de ondervinding opdoen dat de faam hem reeds was vooruitgesneld en hij bijna even hoog aangeschreven stond als ik.
„Ik wil overal heengaan waar gij gaat,” zei Steerforth, „en alles doen wat u aangenaam zijn kan. Vertel mij maar waar ik komen moet en over twee uur zal ik mij aanmelden, in de stemming die gij verkiest—sentimenteel of grappig.”
Ik duidde hem zoo uitvoerig mogelijk uit waar Barkis, de vrachtrijder op Blunderstone, enz. woonde en ging toen alleen op het pad. De lucht was helder en strak, de grond droog, de zee woelig; de zon verspreidde veel licht, maar geen warmte, alles zag er even frisch en levenslustig uit. Ik was zelf ook frisch en levenslustig en zoo verheugd dat ik weer hier was, dat ik iedereen, dien ik tegenkwam op straat, wel de hand zou hebben willen schudden.
De straten kwamen mij natuurlijk erg nauw voor. Zoo gaat het, geloof ik, met alle dingen, die wij als kind gezien hebben. Ik herinnerde mij echter alles en vond niets veranderd tot ik den winkel van mijnheer Omer genaderd was. ‚Omer en Joram’ stond nu op de plaats waar vroeger alleen ‚Omer’ stond; het opschrift: ‚Lakenkooper, Kleedermaker, Garen- en Bandverkooper en Bedienaar van begrafenissen’ was hetzelfde gebleven.
Nadat ik dit alles gelezen had, richtten zich mijne schreden als van zelf naar den winkel; ik stak de straat over en keek naar binnen. Er stond eene knappe vrouw achter de toonbank met een dansend kind op den arm, terwijl een tweede peuzel aan haar boezelaar stond te trekken. Ik herkende in dit drietal oogenblikkelijk Minnie en hare kinderen. De glazen deur van het kantoor was niet geopend, maar uit de werkplaats aan de overzijde van de binnenplaats klonk mij hetzelfde deuntje van vroeger in de ooren, alsof het nooit had opgehouden.
„Is mijnheer Omer thuis?” vroeg ik binnengaande. „Ik zou hem gaarne even spreken.”
„O, jawel, mijnheer, hij is thuis,” antwoordde Minnie, „zijn asthma verbiedt hem bij dit weer uit te gaan. Joe, roep grootvader eens!” De kleine knaap, die aan haar knie gestaan had, zette zulk een keel op, dat hij zelf bang scheen te worden voor zijn geschreeuw en zijn gezichtje in de plooien van haar boezelaar verborg, hetgeen Minnie met moederlijke bewondering aanstaarde. Maar, reeds hoorde ik iemand hijgend en blazend door de gang komen en in het volgend oogenblik stond mijnheer Omer, nog kortademiger maar niet veel verouderd, voor mij.
„Uw dienaar, mijnheer,” zei hij. „Waarmede kan ik u van dienst zijn?”
„Gij kunt mij de hand geven, mijnheer Omer, als gij wilt,” antwoordde ik, hem de mijne aanbiedende. „Gij zijt eens heel goed en vriendelijk voor mij geweest en ik herinner mij, dat ik mij toen niet dankbaar daarvoor toonde.”
„Zoo, was ik dat?” antwoordde de oude man. „Het verheugt mij dit te hooren, maar ik herinner er mij niets van. Zijt gij wel zeker van hetgeen gij zegt?”
„O, ja, heel zeker!”
„Dan zal mijn geheugen evenals mijn adem hoe langer hoe korter worden,” zei mijnheer Omer, mij aankijkende en met het hoofd schuddende; „ik kan u niet thuis brengen.”
„Herinnert gij u niet dat gij mij hebt afgehaald van de diligence en mij hier hebt laten ontbijten en dat wij toen samen naar Blunderstone zijn gereden; gij en ik en juffrouw Joram en mijnheer Joram.... die toen nog niet getrouwd waren?”
„Wel, goede Hemel!” riep mijnheer Omer, na van de hoestbui, die de verrassing hem bezorgd had, bekomen te zijn, „nu gij 't zegt, ja! Minnie, lieve, herinnert gij 't u niet? Goede Hemel, ja...... was er niet eene dame gestorven?”
„Ja, mijne moeder.”
„Juist.... ja.... juist!” zei mijnheer Omer, terwijl hij den wijsvinger tegen mijn vest zette, „en was er geen kind ook? Juist twee dooden! Ze zijn samen in één kist begraven! In Blunderstone.... zeker, nu herinner ik het mij heel goed! En hoe is het u sinds dien tijd gegaan?”
„O, heel goed, dank u; ik hoop dat gij ook altijd wel zijt geweest?”
„O, ik mag niet klagen, begrijpt ge,” antwoordde mijnheer Omer. „Mijn adem wordt wel korter, maar die wordt nooit langer als men ouder wordt. Ik schik er mij in en behoud er mijne opgeruimdheid bij. Dat is het best, is 't niet?”
Mijnheer Omer lachte en begon dientengevolge weer te hoesten en te hijgen, zoodat zijne dochter hem moest helpen; zij stond nu vlak naast ons en haar kleinste kind zat op de toonbank.
„Goede Hemel!” zei mijnheer Omer. „Ja zeker, er waren twee dooden! Wel, op dienzelfden rit—gij zult het niet willen gelooven—is de dag bepaald voor het huwelijk van Minnie en Joram. „Noem dan toch een dag, mijnheer!” zei Joram. „Ja, doe dat, vader,” zei Minnie. En nu is hij in de zaak en... dit is de jongste!”
Minnie lachte en streek met de hand langs de slapen, terwijl haar vader zijn vinger in het handje van het kind stak, dat op de toonbank zat te dansen.
„Twee tegelijk!” herhaalde mijnheer Omer, „juist, juist! En Joram is op het oogenblik weer bezig zilveren spijkertjes in een kistje te slaan, op twee duim na zoo groot als dit”—hij wees op het dansende kind—. „Wilt gij ook iets gebruiken?”
Ik sloeg dat aanbod dankend af.
„Laat eens zien,” hernam mijnheer Omer. „De vrouw van Barkis, den vrachtrijder.... de zuster van Peggotty, den visscher.... die staat met uwe familie in verband, nietwaar? Zij heeft bij uwe moeder gediend, zeker, zeker!”
Mijn bevestigend antwoord deed hem zichtbaar genoegen. „Ik vermoed, dat mijn adem weer langer zal worden, want mijn geheugen wordt ook langer,” zei hij. „Wel, mijnheer, wij hebben een jeugdig lid van de familie in onze zaak gekregen; zij heeft een smaak bij het maken van toiletten, dat geen hertogin in geheel Engeland het haar verbeteren zou.... dat verzeker ik u.”
„De kleine Emily toch niet?” riep ik onwillekeurig uit.
„Jawel, zij heet Emily,” antwoordde mijnheer Omer, „en zij is ook klein. En gij moogt het gelooven of niet, zij heeft zulk een mooi gezichtje, dat de helft van de vrouwen in het stadje woedend op haar zijn.”
„Dwaasheid, vader!” riep Minnie.
„Lieve,” zei Mijnheer Omer, „ik zeg niet dat gij tot die helft behoort, maar”—hij gaf mij een wenk—„maar ik zeg dat de helft van de vrouwen in Yarmouth, o, en vijf mijlen in het rond! woedend op het ding zijn.”
„Dan had zij in haar eigen stand moeten blijven, vader,” zei Minnie, „en geen aanleiding moeten geven tot praatjes, dan konden zij niet boos op haar zijn.”
„Niet kunnen!” riep mijnheer Omer uit. „Niet kunnen! Hebt gij nog niet meer ondervinding opgedaan in het leven? Wat zou eene vrouw niet kunnen en niet willen ook—wanneer het om het mooie gezicht van eene andere te doen is?”
Ik meende werkelijk, dat het met mijnheer Omer gedaan was, toen hij deze lasterlijke aantijging had uitgesproken. Hij hoestte zoo hevig en deed zulke wanhopende pogingen om zijn adem meester te worden, dat ik niet anders dacht of ik zou in het volgende oogenblik zijn hoofd achter de toonbank zien verdwijnen en zijn kleine kuitebeentjes met de verschoten linten aan de knieën in een laatste stuiptrekking zien te voorschijn komen. Eindelijk bedaarde de aanval, maar hij was zoo afgemat, dat hij hijgend moest plaats nemen op het kantoorstoeltje, achter den lessenaar.
„Gij moet weten,” ging hij daarna met moeite ademhalende voort, „zij heeft nooit vriendinnetjes gehad, en nooit kennisjes of vriendjes willen opzoeken, veel minder zich met aanbidders opgehouden. Natuurlijk heeft dit aanleiding gegeven tot het boosaardige praatje, dat Emily een dame worden wil. Naar mijne overtuiging is dit praatje ontstaan uit de omstandigheid, dat zij op school wel eens gezegd heeft: „als ik een dame ben, zal ik dit en dat voor mijn oom doen en dit en dat moois voor hem koopen”, begrijpt ge?”
„Ik verzeker u, mijnheer Omer, dat zij dit meermalen tegen mij heeft gezegd, toen wij nog kinderen waren,” antwoordde ik met vuur.
Mijnheer Omer knikte met het hoofd en wreef zijn kin. „Juist, juist! En dan had zij den slag om zich van weinig geld veel sierlijker te kleeden dan anderen van veel geld—dat wekte de jaloezie op. Bovendien had zij wel eens kuren—ik wil zelfs zoo ver gaan om te zeggen wat ik kuren noem—zij wist soms niet goed wat zij wilde en was een weinig verwend en kon zich in het begin niet goed naar anderen schikken. Meer heeft men toch nooit van haar verteld, nietwaar Minnie?”
„Neen, vader,” antwoordde juffrouw Joram. „Dat was het ergste, als ik het wel heb.”
„Eerst ging zij in eene conditie, tot gezelschap van eene oude dame,” vervolgde mijnheer Omer, „maar zij konden niet goed met elkaar overweg en daarom bleef zij er niet lang. Eindelijk kwam zij hier voor drie jaar in de leer. Er zijn er nu bijna twee van om en zij heeft zoo goed haar best gedaan als ik maar wenschen kan. Zij is zooveel waard als zes andere. Is zij dat tegenwoordig niet, Minnie?”
„Ja, vader,” antwoordde Minnie. „Ge kunt ook niet zeggen dat ik ooit kwaad van haar heb gesproken.”
„Heel goed,” hernam Mijnheer Omer. „Juist zoo! En nu, jongeheer,” voegde hij er bij, terwijl hij voortging zijn kin te wrijven, „opdat gij mij niet voor even langdradig zoudt houden als ik kortademig ben, verklaar ik dit onderwerp afgehandeld.”
Aangezien zij zacht gesproken hadden, begreep ik dat Emily in de nabijheid moest zijn. Op mijne vraag waar zij was, knikte mijnheer Omer met het hoofd in de richting van de achterkamer. Ik verzocht en verkreeg de toestemming om even naar binnen te mogen kijken, en toen ik door de ruiten keek, zag ik haar aan haar werk bezig. O, wat was zij een heerlijk klein schepseltje geworden! Met dezelfde schitterende, blauwe oogen, waarmede zij in mijn kinderhart een eerste vonkje had ontstoken, keek zij nu naar een van Minnie's kinderen, dat naast haar op den grond zat te spelen; daar lag eigenzinnigheid genoeg in haar lief gezichtje om hetgeen ik zoo even vernomen had te rechtvaardigen, terwijl ook de oude nukkigheid en schuwheid nog niet verdwenen scheen te zijn; maar overigens was er niets in haar gelaat te ontdekken, dat aanleiding zou kunnen gegeven hebben tot eenige bezorgdheid voor hare toekomst of tot twijfel aan hare deugdzaamheid.
Het deuntje, dat nooit scheen opgehouden te hebben—helaas, het zal nimmer ophouden!—klonk mij al dien tijd zacht in de ooren.
„Wilt gij niet binnengaan?” vroeg mijnheer Omer, „en haar eens aanspreken? Ga binnen en maak een praatje met haar, mijnheer! Doe alsof gij thuis waart.”
Ik was te bevreesd om aan die uitnoodiging gevolg te geven, te bang om haar te storen; maar ik verzocht het uur te mogen weten, waarop zij des avonds naar huis ging, ten einde het tijdstip van ons bezoek daarnaar te regelen; daarna nam ik afscheid van mijnheer Omer en zijne knappe dochter en mooie kleinkinderen en sloeg den weg in naar de woning van mijne lieve, oude Peggotty.
Toen ik aankwam was zij bezig in de met tegels bevloerde keuken het middagmaal gereed te maken. Ik klopte aan de deur en toen zij opendeed, vroeg zij wat er van mijn dienst was. Ik keek haar glimlachend aan, maar zij beantwoordde dien glimlach niet. Ik had de briefwisseling altijd aangehouden, maar er waren zeven jaar verloopen sinds wij elkaar voor de laatste maal gezien hadden.
„Is Barkis thuis, juffrouw?” vroeg ik, mijn uiterste best doende om met een grove stem te spreken.
„Jawel, mijnheer, Barkis is thuis,” antwoordde Peggotty, „maar hij lijdt erg aan de rheumatiek.”
„Rijdt hij nog op Blunderstone?”
„Ja, als hij gezond is, wel.”
„Gaat gij daar nog wel eens heen, juffrouw Barkis?” Zij bekeek mij nu wat aandachtiger en ik zag dat zij eene trekking had in hare handen alsof zij ze ineen wilde slaan.
„Ik wenschte eenige inlichtingen te vragen omtrent een huis te Blunderstone, dat men.... ja, hoe is 't ook weer?.... het Kraaiennest noemt,” zei ik.
Zij deed een stap achteruit en stak een weinig angstig de handen uit, alsof zij mij wilde tegenhouden.
„Peggotty!” riep ik nu.
„Mijn beste jongen!” riep zij terug en daar lagen wij in elkaars armen, terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden.
O, o, welk een buitensporigheden beging zij! Nu eens begon zij te lachen dan weder te schreien; wat was zij trotsch op mij en blijde mij te zien en wat speet het haar, dat zij, wier vreugde en trots ik had kunnen zijn, mij nooit in de armen zou kunnen sluiten.... ik kan dat alles niet beschrijven. Geen oogenblik werd ik gekweld door de vraag of het ook al te jongensachtig van mij was, dat ik aangedaan werd. Ik durf zeggen, dat ik in mijn geheele leven niet zoo dikwijls gelachen en geschreid heb als dien morgen bij Peggotty.
„Wat zal Barkis blij zijn!” zei Peggotty, terwijl zij hare oogen afwischte met de punt van haar boezelaar, „dat zal hem meer goed doen dan een pond smeersel. Mag ik hem gaan vertellen dat gij hier zijt? Gaat gij met mij mede naar boven, beste jongen, om hem te zien?”
Natuurlijk wilde ik dat gaarne doen, maar Peggotty kon niet zoo gemakkelijk de kamer uitkomen, als zij gedacht had, want telkens wanneer zij bij de deur was, keek zij weder naar mij om en viel zij mij lachend en schreiend om den hals. Eindelijk ging ik, ten einde het haar gemakkelijker te maken, de trap op en na een oogenblik buiten de deur gewacht te hebben, tot zij Barkis een weinig op mijne komst had voorbereid, stond ik voor den invalide. Hij ontving mij met ongehuichelde opgewondenheid. Wel was hij te pijnlijk om mij de hand te geven, maar hij verzocht mij de pluim van zijne muts te schudden, hetgeen ik met de grootste bereidvaardigheid deed. Toen ik naast zijn bed zat, zeide hij, dat het hem onuitsprekelijk veel goed deed het gevoel te hebben of hij met mij langs den weg naar Blunderstone reed. Zooals hij daar in bed lag met niets onbedekt dan zijn gezicht—als een plafondengeltje—maakte hij een wonderlijken indruk.
„Welken naam schreef ik ook weer op de kar?” vroeg hij met een glimlach, die hem pijn scheen te doen, ten gevolge van de rheumatiek.
„Ja, ja, Barkis,” zei ik, „wij hebben over die zaak heel wat samen gesproken.”
„Ik was al lang klaar, nietwaar, mijnheer?” zei Barkis.
„Al lang,” antwoordde ik.
„En ik heb er geen berouw van,” hernam Barkis. „Herinnert gij u nog wat gij mij verteld hebt van de appeltaarten, die zij zoo lekker bakken kon?”
„Ja, ja; heel goed,” zei ik.
„En dat was waar,” vervolgde Barkis met zijn pluimmuts knikkende—het eenige middel om zijne gewaarwordingen te kennen te geven—„dat was zoo waar als dat ik belasting moet betalen. En niets is meer waar dan dat.”
Barkis wendde zijne oogen naar mij toe, alsof hij verwachtte, dat ik deze bed-bespiegeling zou bevestigen, en ik deed het.
„Niets is zoo waar als dat,” herhaalde Barkis; „zulk een arm man als ik ondervind dat dubbel, wanneer hij niet werken kan. Ik ben heel arm, mijnheer.”
„Het spijt mij dat te hooren, Barkis.”
„Werkelijk heel arm,” herhaalde hij.
Nu kwam zijn rechterhand langzaam en aarzelend onder de dekens uit en tastte onzeker in het rond naar een stok, die met een touwtje losjes aan den rand van het bed was vastgebonden. Na er eenige oogenblikken mede rondgetast te hebben, waarbij zijn gelaat de grootste verscheidenheid vertoonde van ingehouden gewaarwordingen, stootte de stok tegen een kist, waarvan de punt gedurende al dien tijd zichtbaar voor mij was geweest. Toen eerst scheen hij gerust te zijn.
„Oude kleeren,” zeide hij.
„O!” zei ik.
„Was het maar geld, Mijnheer!”
„Nu, dat zou ik voor u ook wenschen,” zei ik.
„Maar het is geen geld,” verzekerde hij, terwijl hij beide oogen zoo wijd mogelijk opende.
Ik zeide daarvan overtuigd te wezen en nu vestigde hij zijne oogen met wat meer teederheid op zijne vrouw, zeggende:
„Die C. P. Barkis is de knapste en beste aller vrouwen. Al den lof, dien men haar mocht toezwaaien, verdient zij dubbel en dwars. Zult gij zorgen dat er wat lekkers te eten en te drinken is van middag?”
Ik wilde mij verzetten tegen dezen onnoodigen omslag te mijner eer, maar aangezien ik opmerkte hoe angstig Peggotty mij achter het hoofdeneind van het bed stond aan te kijken, hield ik mijne woorden binnen.
„Ik heb hier of daar nog wat geld, vrouw,” zei Barkis, „maar ik ben nu te vermoeid om er naar te zoeken; als gij en mijnheer David nu naar beneden zoudt willen gaan, dan kon ik eerst wat gaan slapen en daarna trachten het te vinden.”
Ingevolge dit verzoek verlieten wij de ziekenkamer. Toen wij buiten de deur waren, verzekerde Peggotty mij, dat Barkis tegenwoordig nog schrieler was dan vroeger, altijd tot dezelfde list zijne toevlucht nam, eer hij een halve kroon uit zijne kist te voorschijn haalde en dat hij onduldbare pijnen leed als hij uit zijn bed kroop, om een greep te doen in die noodlottige kist. Werkelijk hoorden wij hem onderdrukte kreten uiten, want deze eksterachtige manoeuvre bezorgde hem helsche pijn in al zijn leden. Peggotty's oogen stonden vol tranen van medelijden, maar zij zeide dat deze edelmoedige opwelling hem goed zou doen en het dus beter was hem niet te storen. Zoo kreunde hij voort tot hij weder in bed was—het was een ware marteling voor hem geweest—toen riep hij ons, verzekerde dat hij juist ontwaakt was uit een verfrisschende slaap en haalde onder zijn hoofdkussen een guinje te voorschijn. De zelfvoldoening, dat hij ons met zulk een goeden uitslag had misleid en dat het geheim van de kist bewaard was gebleven, scheen voldoende vergoeding te zijn voor de doorstane marteling.
Ik bereidde intusschen Peggotty voor op de komst van Steerforth en het duurde niet lang, of hij meldde zich aan. Ik ben overtuigd dat zij eigenlijk niet goed wist of hij een weldoener van haar zelve of een goede vriend van mij was geweest; maar in beide gevallen zou zij hem met dezelfde dankbare vereering hebben ontvangen. Zijne ongedwongen manieren, zijne geestigheid, zijn knap uiterlijk en zijne aangeboren handigheid om terstond in der menschen zwak te tasten, hadden haar binnen vijf minuten geheel voor hem ingenomen. Trouwens, zijne vriendschap voor mij zou voldoende geweest zijn om hem in hare gunst te brengen. Al deze redenen te zamen echter waren oorzaak, dat zij, voor hij des avonds heenging, in eene soort van aanbidding tot hem opzag.
Hij bleef met mij bij juffrouw Barkis eten—indien ik zeg „gaarne” dan druk ik slechts ten halve uit met hoeveel bereidwilligheid en opgewektheid hij de uitnoodiging aannam. Toen hij de kamer van Barkis binnentrad scheen het of er met hem licht en lucht binnenstroomden, als ware hij het mooie, frissche weer in eigen persoon. Daar was geen gedruisch, geen gemaaktheid bij hetgeen hij deed; hij wist zelf niet wat hij deed; alles geschiedde ongedwongen; blijkbaar was het onmogelijk dat hij iets op eene andere of betere wijze deed dan zooals hij alles gewoon was te doen, zoo bevallig, zoo natuurlijk en gemakkelijk, dat ik er zelfs, als ik het mij nu weer in het geheugen roep, nog over verwonderd ben.
Wij zaten vroolijk bijeen in het voorkamertje, waar het Martelaarsboek, waarin sinds ik er uit had voorgelezen, niemand een oog had geslagen, als van ouds op den lessenaar lag; nogmaals sloeg ik al de akeligheden op, die mij herinnerden aan tallooze aandoeningen, zonder die echter weder op te wekken.
Toen Peggotty begon te spreken over het kleine hokje, zooals zij mijn kamertje noemde, en vertelde dat het gereed was om mij te ontvangen, terwijl zij de hoop uitsprak dat ik er gebruik van zou maken, had Steerforth, nog eer ik hem aarzelend had kunnen aanzien, de geheele zaak reeds begrepen.
„Het spreekt van zelf,” zei hij, „dat gij hier blijft slapen en dat ik in het logement mijn intrek neem.”
„Dat is een mooie kameraadschap,” antwoordde ik; „eerst breng ik u hier heen Steerforth, en dan zouden wij niet bij elkaar blijven!”
„Maar, in 's Hemels naam, waar behoort gij thuis?” vroeg hij. „Wat beteekent kameraadschap bij hetgeen gij hier vindt?” Het was ineens uitgemaakt.
Tot acht uur, toen wij naar baas Peggotty's schuit gingen, bleef hij dezelfde aangename innemende gast. Zijne vele goede eigenschappen kwamen zelfs hoe langer hoe meer uit, naarmate de tijd verstreek, en thans twijfel ik er niet meer aan, dat de bewustheid van den goeden uitslag op zijne pogingen om te behagen zijn vernuft op dit punt scherpte, zoodat het hem hoe langer hoe gemakkelijker begon te vallen. Indien iemand mij verteld had dat hij slechts een verraderlijk spel speelde om aan een oogenblikkelijke opwelling te voldoen, om gedachteloos zijn zucht tot uitblinken te bevredigen, eenvoudig om iets te veroveren, dat waardeloos voor hem was en zoo straks zou worden weggeworpen—ik zeg, indien iemand mij toen zulk een leugen had opgedischt, zou ik niet geweten hebben hoe ik aan mijne verontwaardiging lucht had moeten geven. Waarschijnlijk zou dat mijne eenigszins romantische vriendschap en trouw voor hem nog versterkt hebben, terwijl ik naast hem voortwandelde over het donkere strand naar de oude schuit; de wind blies en huilde nog veel akeliger en onstuimiger om ons heen dan in den eersten nacht, dien ik in de schuit had doorgebracht.
„Wat is het hier woest, hè, Steerforth?” zei ik.
„Onheilspellend genoeg in de duisternis,” antwoordde hij, „en de zee huilt alsof ze ons zou willen inslikken. Is dat de boot, ginds, waar ik dat licht zie?”
„Dat is de boot.”
„Dan is het dezelfde, die ik vanmorgen reeds heb gezien,” antwoordde Steerforth. „Ik onderstel dat mijn instinct mij er heen heeft gedreven.”
Toen wij het licht genaderd waren, spraken wij niet meer, doch openden zachtkens de deur. Met de hand aan de klink fluisterde ik Steerforth in, vlak achter mij aan te komen en ging binnen. Een gemompel van stemmen was buiten hoorbaar geweest en op het oogenblik, dat wij binnentraden, hoorden wij in de handen klappen; tot mijne groote verbazing zag ik dat dit laatste gedruisch door de gewoonlijk zoo verdrietige juffrouw Gummidge veroorzaakt werd. Maar juffrouw Gummidge was niet de eenige persoon, die zoo buitengewoon vroolijk scheen. Baas Peggotty, wiens gelaat van buitengewone voldoening straalde en die zat te schudden van het lachen, had zijne sterke armen wijd geopend alsof hij de kleine Emily uitnoodigde er in te snellen; Ham, op wiens gelaat een gemengde uitdrukking lag van bewondering, verrukking en bedeesdheid, die hem bij zijn logge beweging heel goed stond, had de kleine Emily bij de hand alsof hij haar aan baas Peggotty wilde voorstellen; eindelijk kleine Emily zelve, blozend en beschroomd, doch vergenoegd, omdat baas Peggotty zoo vergenoegd was, hetgeen duidelijk in hare van opgeruimdheid stralende oogen te lezen was, zij zag ons het eerst en werd door onze binnenkomst gestoord in haar voornemen, om zich van Ham los te rukken en zich in de armen van baas Peggotty te nestelen. Bij ons binnentreden uit den kouden, donkeren nacht in het warme, verlichte vertrek vonden wij hen in den bovenbeschreven toestand, terwijl juffrouw Gummidge achter de tafel in de handen stond te klappen, alsof zij van haar verstand was beroofd.
Deze kleine schilderij werd door onze binnenkomst zoo plotseling uitgewischt, dat er twijfel bij mij oprees of ik wel goed gezien had. Ik stond in het midden van de verwonderde familie, vlak tegenover baas Peggotty, met uitgestoken hand, toen Ham plotseling riep:
„Het is jongeheer Davy! 't Is jongeheer Davy!” In het volgende oogenblik waren wij allen onder elkander aan het handen schudden en aan het vragen hoe wij 't maakten en aan het betuigen hoe blijde wij waren elkander te zien—allen praatten tegelijk. Baas Peggotty was zoo vereerd en zoo blijde ons bij zich te zien dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; hij deed niets dan ons om beurten de handen schudden en zijn ruige haren over zijn hoofd strijken; hij was zoo uitgelaten en lachte zoo triomfantelijk, dat het een lust was hem aan te zien.
„Wel, wel, dat gij daar met u beiden... heeren, ja, waarlijk, heeren, in den avond hierheen komt, nu, juist dezen avond!” zei baas Peggotty, „dat had ik nooit durven droomen zelfs! Emily, schatje, kom eens hier! Kom eens hier, kleine heks! Hier is een vriend van jongeheer Davy! Hier is die heer van wien Ham en ik u wel verteld hebben, Emily! Hij komt kennis met u maken en daar is jongeheer Davy ook! En dat op den gelukkigsten avond, dien uw oom ooit gehad heeft of hebben zal. Lang zullen zij leven!”
Na deze woorden in één adem te hebben uitgesproken, waarbij hij buitengewone geestdrift en vroolijkheid aan den dag had gelegd, nam baas Peggotty het gezichtje van zijn nichtje tusschen zijne beide grove handen, kuste haar wel twaalf maal, drukte het met innige teederheid tegen zijne breede borst en streelde het alsof hij een dameshandje had. Daarna liet hij haar los en toen zij het kleine kamertje, waar ik geslapen had was binnengevlucht, keek hij naar ons, gloeiend en buiten adem ten gevolge van zijne buitengewone opgewondenheid en blijdschap.
„Indien gij beiden, heeren, ja waarlijk, heeren en zulke heeren....” zei baas Peggotty.
„Dat zijn zij, dat zijn zij!” riep Ham. „Goed gezegd! Dat zijn zij. Jongeheer Davy..... een echte heer..... dat zijn zij!”
„Indien gij beiden, heeren, ja, waarlijk heeren,” begon baas Peggotty weder, „mij nog niet zult kunnen vergeven dat ik zoo opgewonden ben, als gij verneemt wat daartoe de aanleiding is, zal ik u vergeving vragen. Emily, schatje! Ja, zij weet wel dat ik het zal vertellen”.... opnieuw barstte hij in lachen uit—„en daarom is zij weggeloopen. Wilt gij eens kijken waar zij gebleven is, moedertje?”
Juffrouw Gummidge knikte en verdween.
„Als dit niet de gelukkigste avond van mijn leven is,” hernam baas Peggotty, tusschen ons in bij den haard plaats nemende, „mag ik een schelvisch worden. De kleine Emily, mijnheer,” voegde hij er op fluisterenden toon tegen Steerforth bij: „de kleine, die zoo straks zulk een kleur kreeg.”
Steerforth knikte even met het hoofd, maar hij deed dit met zooveel vriendelijke belangstelling, dat baas Peggotty hem antwoordde alsof hij iets gezegd had.
„Gij kunt er zeker van zijn,” zei baas Peggotty. „Dat is zij en zoo is zij. Wel bedankt, mijnheer.”
Ham knikte mij verscheidene malen toe, alsof hij hetzelfde zou gezegd hebben.
„Deze kleine Emily van ons,” vervolgde baas Peggotty, „is in dit huis geweest, wat ik vermoed—ik ben geen geleerd man, maar ik vermoed het toch—wat zulk een lief schepseltje met zulke schitterende oogjes in een huis zijn kan. Zij is mijn kind niet; ik heb nooit kinderen gehad; maar ik zou van mijn eigen kinderen niet meer kunnen houden. Begrijpt gij? Ik zou het niet kunnen!”
„Ik begrijp het zeer goed,” zei Steerforth.
„Ik weet dat ge het begrijpt, mijnheer,” hernam baas Peggotty, „en ben u zeer verplicht. Jongeheer Davy zal zich herinneren wat zij voor ons was; gij kunt zelf oordeelen wat zij is; maar geen van u beiden kunt weten wat zij geweest is, is en worden zal. Ik ben maar een eenvoudig man, mijnheer, en zoo ruw als een zee-egel, maar niemand, tenzij misschien eene vrouw, kan begrijpen, wat zij voor mij geweest is. Maar... dit tusschen ons”—hij liet zijne stem een weinig dalen—„die vrouw heet niet juffrouw Gummidge, al heeft deze een ware schat van goede eigenschappen.”
Baas Peggotty streek weder met beide handen zijne haren naar achteren, als inleiding tot hetgeen hij nog verder te zeggen had en ging toen voort met de handen op de knieën.
„Er was zeker iemand, die Emily gekend heeft sinds haar vader verdronken is, haar voortdurend heeft gezien als kind, als jong meisje en volwassen. Zoo op het oog was hij niet veel bijzonders, zoowat van mijn soort, ruw, een echte zeebonk, maar een brave, eerlijke jongen, die zijn hart op de rechte plaats heeft.”
Ik geloof dat ik Ham nooit zoo heb zien grinniken als hij op dit oogenblik tegen ons deed.
„Wat zou deze gelukkige pikbroek nu anders doen,” ging baas Peggotty voort met een glans van genoegen op het gelaat, „dan datzelfde hart aan de kleine Emily verliezen? Hij loopt haar overal na, maakt zich zoo goed als tot haar knecht, verliest grootendeels zijn eetlust en eindelijk wordt het mij duidelijk waar de schoen hem wringt. Gij begrijpt dat ik niets liever wensch dan de kleine Emily goed getrouwd te zien. In de eerste plaats wensch ik haar getrouwd te zien met een braaf en eerlijk man, die haar houw en trouw zal zijn. Ik weet niet hoelang ik nog zal leven of hoe spoedig ik zal sterven, maar ik weet wel dat als ik eens op een nacht hier, in de baai van Yarmouth omsla en voor het laatst de lichten van de stad boven de branding zie glinsteren, ik geruster naar den grond zal gaan als ik weet dat daar een man is, zoo trouw als staal voor de kleine Emily, God zegene haar! en niemand mijn Emily kan deren, zoolang die man leeft.”
De eenvoudige, ernstige man wuifde met zijn rechterarm, als zag hij op dit oogenblik de lichten van de stad voor het laatst boven de branding uitsteken en ging toen voort, na met Ham een knikje van verstandhouding gewisseld te hebben:
„Welnu, ik raad hem aan met Emily te spreken. Hij is groot en zwaar genoeg, maar nog bedeesder dan een kleine jongen; hij durft niet. Ik spreek daarom zelf met haar. ‚Wat? Hem?’ zegt Emily. ‚Hem, dien ik zooveel jaren van nabij gekend heb en van wien ik zooveel houd? O, neen, oom, hem krijg ik nooit! Hij is veel te goed voor mij!’ Ik geef haar een kus en zeg niets meer dan: ‚Mijn lieveling, gij moogt uw eigen hart laten spreken, gij kunt zelve kiezen en zijt zoo vrij als een klein vogeltje.’ Ik ga naar hem en zeg: ‚Ik wilde dat het zoo had kunnen zijn, maar het kan niet. Gij kunt beiden blijven wat ge zijt en wat ik u heb te zeggen is: wees voor haar wat gij altijd voor haar zijt geweest en wees een man!’ Hij schudde mij de hand en zei: ‚dat zal ik!’ En hij heeft zijn woord gehouden, eerlijk, als een man, want het is nu twee jaar geleden en wij zijn allen voor elkander gebleven, wat wij voor dien tijd waren.”
Het gezicht van baas Peggotty dat gedurende dit verhaal tallooze veranderingen had ondergaan, nam nu dezelfde triomfantelijke uitdrukking weder aan, terwijl hij de eene hand op mijne knie en de andere op Steerforth's knie legde of liever er op sloeg, ten einde hetgeen volgen zou meer kracht bij te zetten.
„Op het onverwachtst komt Emily op zekeren avond—en dat wel dezen avond—van den winkel thuis... met hem! Dat beteekent nu wel niet veel, zult ge wellicht zeggen, omdat hij altijd als een broeder op haar past, zoowel bij donker als bij helder weer. Maar die pikbroek heeft hare hand in de zijne en roept mij vol blijdschap toe: ‚Kijk nu eens. Dit wordt mijn kleine vrouwtje!’ En zij zegt half trotsch, half bedeesd, lachend en schreiend te gelijk: ‚Ja, oom, als het u goed is.’—Of het mij goed is!” riep baas Peggotty in eene uitbarsting van opgewondenheid het hoofd heen en weer schuddende. „Goede Hemel, alsof ik ooit iets anders zou willen!—‚Als het u goed is; ik heb er nog eens over nagedacht en zal een beste, trouwe vrouw voor hem zijn, want hij is een beste trouwe jongen!’ Juffrouw Gummidge begon in haar handen te klappen van blijdschap en toen kwaamt gij binnen. Dat was hetgeen hier plaats had toen gij binnenkwaamt en daar staat de man, die met haar zal trouwen, zoodra haar leertijd om is.”
Ham wankelde ten gevolge van den stomp, dien baas Peggotty hem in zijne uitbundige blijdschap als een bewijs van zijne hartelijkheid en vriendschap toebracht; maar aangezien hij zich verplicht achtte ook iets tot ons te zeggen, begon hij, stotterend en hakkelend:
„Zij was niet grooter dan gij zelf, jongeheer Davy.... toen gij voor 't eerst hier waart,... toen dacht ik al, hoe zij er zou uitzien, als zij groot was.... Ik zag haar opgroeien.... heeren.... als een bloempje. Ik zou gaarne mijn leven voor haar gegeven hebben, jongeheer Davy.... O, met liefde.... Zij is meer voor mij, heeren.... dan.... zij is alles voor mij, wat ik ooit wenschen.... en meer dan ik ooit.... dan ik ooit zeggen kan. Ik.... ik heb haar lief met.... met mijn geheele hart. Er is geen man in het gansche land.... en er vaart er geen op al de zeeën te zamen.... die meer van zijn meisje houden kan dan ik van haar.... al is er menig oneerlijk man, die beter kan zeggen, wat hij bedoelt.... dan ik.”
Het was treffend zulk een stoeren kerel, als Ham was, te zien beven van aandoening bij de gedachte aan hetgeen hij voelde voor het lieve, kleine meisje, dat hij zijn hart geschonken had. Zelfs in het vertrouwen, dat baas Peggotty en hij ons schonken, vond ik iets aandoenlijks. De geheele geschiedenis had mij aangedaan. In hoever mijne gewaarwordingen nog den invloed ondervonden van de herinneringen uit mijne jeugd, durf ik niet zeggen. Ik weet alleen dat hetgeen ik hoorde en zag mij met blijdschap vervulde; in het eerste oogenblik echter met eene soort weemoedige blijdschap, die door een kleinigheid in smart had kunnen overgaan. Zou er nog een vonkje van de liefde uit mijne jeugd in mijn hart zijn achtergebleven?
Ware het daarom mijne taak geweest de snaar, die thans in de harten van deze menschen trilde, met vaardige hand in dezelfde stemming te houden, dan zou mij dit zeker niet gelukt zijn. Steerforth nam echter deze taak op zich en hij deed het met zulk eene vaardigheid, dat wij binnen eenige oogenblikken allen zoo kalm en zoo gelukkig bijeenzaten als mogelijk was.
„Baas Peggotty,” zei hij, „gij zijt een door en door brave man en verdient zoo gelukkig te zijn, als heden avond het geval is. Ik geef u mijn hand daarop! Ik wensch u geluk, Ham, brave jongen! Mijn hand daarop! Groentje, stook het vuur wat op en laat het helder vlammen en baas Peggotty, zoo gij uw nichtje, voor wie deze plaats aan den haard bestemd is, niet bewegen kunt, terug te komen, ga ik heen. Op zulk een avond mag er geen ledige plaats zijn aan den haard—voor al de schatten van Indië zou ik hier geen ledige plaats willen zien!”
Baas Peggotty ging dan naar het kleine kamertje om Emily te halen en toen zij niet wilde komen, ging Ham. Hij bracht haar mede naar den haard, wel in den aanvang een weinig beschroomd en verlegen; maar toen hij bemerkte, hoe aardig en beleefd Steerforth tot haar sprak; hoe behendig hij alles wist te vermijden, dat haar verlegen zou kunnen maken; hoe hij met baas Peggotty over de boot sprak; hoe hij het bezoek van baas Peggotty en Ham op Salem-House in herinnering bracht; hoeveel belangstelling hij toonde voor de boot en voor alles wat er in was; hoe los en gemakkelijk hij zoo voortging, ons allen als het ware betooverend...... toen was hare beschroomdheid spoedig verdwenen.
Emily sprak weinig dien avond; zij keek rond en luisterde en haar gezichtje straalde van opgeruimdheid—zij was in één woord bekoorlijk. Steerforth deed een verhaal van eene allerakeligste schipbreuk, waartoe zijn gesprekken met baas Peggotty hem aanleiding gaven, alsof hij er bij tegenwoordig was geweest en de oogen van de kleine Emily waren al dien tijd op hem gevestigd en er lag eene uitdrukking in alsof zij het zag gebeuren. Tot afwisseling vertelde hij een grappig avontuur van zich zelven, zoo vroolijk en opgewekt alsof het verhaal even nieuw was voor hem als voor ons, en de kleine Emily lachte en lachte zoodat hare welluidende stem door de boot weergalmde en wij allen, Steerforth ook, medelachten. Hij haalde baas Peggotty over te zingen of liever te brullen: ‚Als de stormwind blaast!’ en hij zong zelf een matrozenlied, zoo mooi en aandoenlijk, dat ik mij bijna begon te verbeelden dat de wind, die klagend om de boot suisde, ophield om er naar te luisteren.
En juffrouw Gummidge! Wel, hij bracht dit slachtoffer van zwaarmoedigheid in zulk eene opgewekte stemming, als nog aan niemand sinds den dood van haar echtgenoot gelukt was volgens het oordeel van baas Peggotty. Hij liet haar zoo weinig tijd om ellendig te zijn, dat zij den volgenden dag verklaarde betooverd te zijn geweest.
Hij legde echter niet voortdurend beslag op de algemeene aandacht of het gesprek. Toen de kleine Emily wat meer moed begon te krijgen, en, hoewel nog bedeesd, langs den haard heen een gesprek met mij aanknoopte over onze vroegere wandelingen langs het strand en onze kiezelsteenen- en schelpenverzameling en ik haar vroeg of zij zich nog wel herinnerde hoe verliefd ik toen op haar was geweest en wij beiden lachten en een kleur kregen, werd hij stil en sloeg ons peinzend en oplettend gade. Den geheelen avond zat zij op het oude bankje in haar oude hoekje bij den haard, terwijl Ham naast haar zat—op mijn oude plaats. Ik weet niet of het haar oude zucht om te plagen of hare maagdelijke schroomvalligheid was, die haar zoo ver mogelijk van hem af deed schuiven, maar ik zag dat zij het deed—den geheelen avond.
Indien ik het mij goed herinner was het ongeveer middernacht toen wij scheidden. Wij hadden beschuit gehad met gedroogde visch voor ons souper en Steerforth had uit zijn zak een volle flesch punch te voorschijn gehaald, die wij, mannen—ik zeg nu, wij mannen, zonder te blozen—hadden geledigd. Wij namen in de vroolijkste stemming afscheid en toen zij allen in de deur stonden om ons pad zoo ver mogelijk te verlichten, zag ik hoe Emily's zachte blauwe oogen ons, achter den rug van Ham om, nakeken en hoorde ik hare lieve stem ons naroepen, dat wij voorzichtig moesten zijn.
„Wat een allerliefst, mooi meisje!” zei Steerforth, mijn arm nemende. „En wat een alleraardigst gezelschap en wat een alleraardigst huis! Dat is nu weder eens eene geheel nieuwe ondervinding.”
„Maar wat troffen wij het ook,” antwoordde ik, „dat wij juist getuige konden zijn van hunne blijdschap over dat aanstaande huwelijk. Ik zag nooit vier menschen zoo gelukkig bijeen. Hoe heerlijk om zoo iets bij te wonen en getuige te mogen zijn van zooveel onvermengde vreugde!”
„Hij is toch eigenlijk een ongelikte beer, zooals hij daar naast dat verrukkelijke meisje zat!” zei Steerforth.
Hij was zoo vriendelijk jegens hem en jegens allen geweest, dat dit onverwachte en onheusche gezegde mij angst aanjoeg. Ik keerde mij om en toen ik een lach in zijne oogen bespeurde, antwoordde ik:
„O, Steerforth, gij kunt gemakkelijk met zulke eenvoudige lieden den spot drijven. Gij moogt vrij met juffrouw Dartle schermutselen en uw gevoel voor mij verbergen—ik weet wel beter. Als ik zie hoe volmaakt gij hen begrijpt, hoe hartelijk gij in een geluk als dat van dien eenvoudigen visscher kunt deelen, hoe gij een liefde als die van mijne oude kindermeid voor mij op prijs weet te stellen, dan weet ik ook dat geen vreugde of verdriet of aandoening van dergelijke menschen u koud zal laten. En ik bewonder u daarom en houd daarom van u—nog twintigmaal meer dan vroeger.”
Hij bleef staan en keek mij aan. „Groentje,” zei hij, „ik geloof dat gij een goede jongen zijt en het ernstig meent. Waren wij allen maar zooals gij!” In het volgende oogenblik zong hij vroolijk baas Peggotty's lied, terwijl wij in een flinken pas naar Yarmouth terugkeerden.
XXII
Oude tooneelen en nieuwe menschen.
Steerforth en ik bleven langer dan veertien dagen te Yarmouth. Wij waren meestal bij elkaar, dat behoef ik eigenlijk niet eens te zeggen; maar er waren toch ook wel uren waarin wij ieder onzen eigen weg gingen. Hij hield veel van zeilen en ik niet, gewoonlijk bleef ik dus aan wal, wanneer hij met de boot van baas Peggotty uitging. Bovendien was ik in zekere mate gebonden, omdat ik bij Peggotty logeerde, want daar ik wist, dat zij den geheelen dag aan het ziekbed van Barkis doorbracht, kon ik des avonds niet zoo laat thuiskomen, terwijl Steerforth, die in het logement zijn intrek had genomen, alleen aan zichzelven behoefde te denken. Dit was dan ook de oorzaak, dat ik niet tegenwoordig was bij zijne bezoeken in de herberg ‚Het trouwe Hart’, waar baas Peggotty gewoonlijk kwam en waar Steerforth nu de visschers tracteerde, terwijl ik reeds in bed lag, dat ik eerst later vernam hoe hij soms heele nachten, in een visscherspak uitgedost, op zee rondzwalkte en eerst 's morgens, bij het opkomen van den vloed, terugkwam. Ik wist echter toen reeds dat zijne rustelooze natuur en zijn woelige geest zich gaarne lucht verschaften in ruwen arbeid en guur weder, zoowel als in alles wat nieuw en vreemd voor hem was, ik verbaasde mij daarom volstrekt niet over hetgeen hij deed.
Een andere oorzaak, die onze wegen nu en dan uit elkander deed loopen, was dat ik mij natuurlijk aangetrokken voelde tot Blunderstone en tot de oude plekjes uit mijn jeugd; terwijl Steerforth, na eenmaal met mij daar een bezoek gebracht te hebben, geen lust had dit te herhalen. Zoo gebeurde het drie of vier malen, dat wij, na vroeg ontbeten te hebben, afscheid namen en elkaar niet eerder dan aan het middagmaal terugzagen. Ik kon volstrekt niet vermoeden, hoe hij al dien tijd besteedde; alleen vernam ik, dat hij in de stad zeer bemind was en twintig middelen had om zich te verstrooien, waar een ander er wellicht één had gevonden.
Wat mij aangaat, ik hield mij op mijne pelgrimstochten onledig met de herinneringen, die bij elken voetstap voor mij opdoemden; en het opzoeken van alle oude plekjes werd ik nooit moede. Ik zocht ze alle weder op, zooals ik zoo menigmaal in gedachten gedaan had en toefde langen tijd bij het graf onder den grooten boom, waar mijne ouders begraven lagen en waarop ik zoo menig uur had gestaard, toen het nog alleen mijns vaders graf was en waarbij ik in doffe wanhoop had gestaan, toen het geopend was om mijn lieve moeder en haar kind te ontvangen—het graf, dat door Peggotty's trouwe zorg al dien tijd keurig was onderhouden, zoodat het een tuintje leek, waarbij ik uren achtereen verwijlde, verdiept in herinneringen aan mijne kinderjaren.
Het lag op eenigen afstand van het kerkpad in een rustig hoekje, niet zoo ver, of ik kon de namen op den steen lezen, terwijl ik op- en neerwandelde en telkens werd opgeschrikt door het geluid van de klok, die de uren aangaf, hetgeen mij in de ooren klonk als een verwijderde stem. Meermalen dwaalden mijne gedachten af naar de rol, die ik in mijn verder leven spelen, en de wijze, waarop ik mij onderscheiden zou. Het scheen mij toe, alsof ik naar huis gekomen was om luchtkasteelen te bouwen aan de zijde van eene levende moeder.
Het ouderlijke huis had groote veranderingen ondergaan. De verlaten kraaiennesten waren verdwenen en de boomen waren zoo gesnoeid en gekapt, dat ze den ouden vorm geheel verloren hadden. De tuin was geheel verwilderd en de meeste vensters waren gesloten. Het werd bewoond door een armen krankzinnige en diens oppassers. De ongelukkige zat den geheelen dag bij het kleine venster van mijn oude kamertje naar het kerkhof te kijken en ik zou gaarne geweten hebben of zijn dwalende geest zich ooit bezig hield met dezelfde beelden, die mij verschenen waren, wanneer ik des morgens bij het opgaan van de zon in nachttoilet naar buiten gluurde en de schapen zag weiden in het malsche gras.
Onze oude buren, mijnheer en mevrouw Grayper, waren naar Zuid-Amerika verhuisd en de regen had een weg gevonden door het dak van hun verlaten woning en de muren aan alle kanten doen uitslaan. Dr. Chillip was hertrouwd met een lange, magere vrouw met een wipneus en zij hadden één kind; een nietig kind met een waterhoofd, dat veel te zwaar voor het wicht was, en twee flauw starende oogjes, waarmede het altijd scheen te vragen, waarom het eigenlijk geboren was.
Een gemengd gevoel van droefheid en genot doorstroomde mij, terwijl ik daar zoo eenzaam in mijne geboorteplaats ronddoolde tot de roode winterzon mij herinnerde, dat het tijd werd om naar huis terug te keeren. Maar wanneer ik het dorpje weer achter den rug had en voornamelijk, wanneer ik met Steerforth, weder aan den gezelligen disch zat bij een knappend haardvuur, dan voelde ik mij gelukkig omdat ik er geweest was. En datzelfde gelukkige gevoel maakte zich van mij meester, wanneer ik des avonds mijn kleine kamertje opzocht en het krokodillenboek opsloeg, dat altijd open op tafel lag, en mij met een dankbaar hart herinnerde hoe heerlijk het voor mij was, dat ik zulk een vriend bezat als Steerforth, zulk eene vriendin als Peggotty en zulk eene plaatsvervangster voor al wat ik verloren had, als mijne brave, grootmoedige tante.
Wilde ik den kortsten weg teruggaan van Blunderstone naar Yarmouth dan moest ik mij laten overzetten. Ik kwam dan aan op eene vlakte tusschen de stad en de zee, die ik dwars kon oversteken, waardoor ik mij een grooten omweg bespaarde, en aangezien de woning van baas Peggotty dan geen honderd el buiten mijn weg lag, ging ik er altijd even binnen. Ik was bijna zeker Steerforth daar te vinden, mij wachtende, en dan stapten wij te zamen door den scherpen wind en den opkomenden nevel op de flikkerende lichten van de stad aan.
Op zekeren donkeren avond, dat ik later dan gewoonlijk stadwaarts keerde,—ik had dien dag eenige bezoeken afgelegd te Blunderstone, omdat wij voornemens waren spoedig te vertrekken—vond ik Steerforth geheel alleen en in gepeins verzonken bij den haard zitten in Peggotty's woning. Hij was zoo in zijn gedachten verdiept, dat hij niets bespeurd had van mijne aankomst. Nu zou dat ook mogelijk geweest zijn al was hij minder met zijn eigen gedachten vervuld geweest, want in het zand waren de voetstappen bijna onhoorbaar; maar ook mijne binnenkomst deed hem niet ontwaken uit zijne droomerijen. Ik stond vlak bij hem en keek hem aan, maar nog ontwaakte hij niet.
Toen ik mijne hand op zijn schouder legde ontstelde hij zoo, dat ik zelf ook ontstelde.
„Gij komt tot mij,” zei hij, bijna boos, „als een dreigend spook!”
„Ik was wel verplicht mij op de eene of andere wijze aan te melden,” antwoordde ik. „Heb ik u uit den zevenden hemel opgeroepen?”
„Neen,” zeide hij. „O, neen!”
„Waaruit dan?” vroeg ik, terwijl ik naast hem plaats nam.
„Ik keek naar de grillige figuren in de vlammen.”
„En nu verstoort gij ze voor mij!” zei ik, toen hij er met een brandend stuk hout doorheen woelde, zoodat een groote zwerm vonken den schoorsteen instoof.
„Gij zoudt ze niet gezien hebben,” antwoordde hij. „Ik haat dien tijd tusschen licht en donker. Hoe laat is het? Waar zijt gij geweest?”
„Ik heb voor het laatst mijn gewone wandeling gedaan,” zei ik.
„En ik,” hernam Steerforth, de kamer rondkijkende; „heb hier zitten bedenken, dat al de menschen, die wij op den avond van onze aankomst zoo vroolijk bijeen vonden, nu wel over de aarde verspreid of dood of ongelukkig kunnen zijn—zoo verlaten vond ik de woning. O, David, had ik toch maar een verstandigen vader gehad!”
„Maar, beste Steerforth, wat scheelt u?”
„Ik zou ik weet zelf niet wat geven, als ik eene betere opvoeding had gehad!” riep hij uit, „en als ik mij zelven beter kon leiden!”
De toon, waarop hij sprak, was zoowel hartstochtelijk als zwaarmoedig, zoodat ik mij over hem verbaasde. Hij was zoo weinig zichzelf, dat ik hem bijna niet herkende.
„Het zou beter zijn iemand te wezen als deze arme Peggotty of als die lummelachtige Ham,” zei hij, opstaande en bleef in eene neerslachtige houding tegen den schoorsteenmantel leunen met het gezicht naar het vuur. „Dat zou veel beter wezen dan wat ik nu ben, twintig maal rijker en twintig maal geleerder, maar mij zelven tot last, zooals ik gedurende dit laatste half uur in deze duivelsche schuit ben geweest.”
Ik was zoo getroffen door de verandering, die in hem had plaats gegrepen, dat ik in het eerst niets doen kon dan hem in stilte gadeslaan, zooals hij daar met het hoofd op de hand geleund in het vuur stond te staren. Eindelijk smeekte ik hem met al den ernst, die in mij was, mij te vertellen wat tot deze ongewone stemming had aanleiding gegeven en mij in de gelegenheid te stellen medelijden met hem te hebben, indien ik hem al geen raad kon geven. Eer ik echter had uitgesproken begon hij reeds te lachen—eerst gemelijk maar weldra uit volle borst.
„Och, kom, het is niets, Groentje! Niets, hoor!” zei hij. „Ik vertelde u reeds in het hotel te Londen, dat ik somtijds lastig gezelschap ben voor mij zelven. Ik ben mijn eigen nachtmerrie geweest zoo even .... ik moet er zeker een gehad hebben. Wanneer ik zoo somber gestemd ben, komen mij allerlei bakersprookjes in het geheugen, zonder dat ik ze herken. Ik geloof dat ik mij zelven zooeven gehouden heb voor dien ondeugenden jongen, die nergens bang voor was en eindelijk door leeuwen werd opgegeten—wat met andere woorden zeggen wil, dat er niets van hem terecht kwam. Ik heb, zooals oude vrouwen zeggen, een rilling gehad over mijn geheele lichaam. Ik was bang voor mijzelven.”
„Anders zijt gij voor niets bang geloof ik,” antwoordde ik.
„Misschien niet, maar er kan toch nog genoeg opdagen, waarvoor ik wel bang zou zijn. Maar het is nu voorbij en ik ben niet meer van plan mij spoedig nogmaals zoo te laten beetnemen, David; maar ik zeg u, beste kerel, nog eens, dat het goed voor mij—voor meer anderen ook—zou zijn als ik een flinken, verstandigen vader gehad had!”
Er lag gewoonlijk veel uitdrukking in zijn gelaat, maar ik zag er nooit zooveel somberen ernst in dan toen hij deze woorden sprak, terwijl hij nog steeds in het vuur staarde.
„Dat geef ik er voor!” zei hij, terwijl hij met de vingers knipte. „Het is voorbij, nu ben ik weer een man,” haalde hij uit Macbeth aan. „En nu gaan wij eten! Tenminste als ik niet—evenals Macbeth—het middagmaal danig in de war heb gestuurd, Groentje.”
„Ik zou toch wel eens willen weten waar zij allen zijn!” zei ik.
„Dat weet de Hemel!” antwoordde Steerforth. „Nadat ik eenigen tijd op het strand op u had staan wachten, wandelde ik hierheen en vond de kooi ledig. Dat gaf mij te denken, en zoo vondt gij mij hier zitten peinzen.”
De komst van juffrouw Gummidge met een mandje aan den arm, helderde de zaak op. Zij had haastig eenige boodschappen gedaan eer baas Peggotty terugkwam met den vloed, en de deur opengelaten, opdat Ham en Emily, die haar vrijen avond had, het huis zouden kunnen binnenkomen. Nadat Steerforth met een deftigen groet en eene omhelzing haar in eene vroolijke stemming gebracht had, nam hij mijn arm en trok mij haastig mede. Hij was zelf in een niet minder vroolijke stemming geraakt dan juffrouw Gummidge, en praatte onderweg onophoudelijk door.
„En dus,” zei hij schertsend, „zeggen wij morgen dit zwerversleven vaarwel, nietwaar?”
„Dat was onze afspraak,” antwoordde ik. „En zooals ge weet zijn de plaatsen op de diligence genomen.”
„Dus er is niets meer aan te veranderen, bedoelt gij? Ik zou haast vergeten dat er nog andere dingen op de wereld te doen zijn, dan hier op de zee rond te zwalken. Was het maar zoo!”
„Zoolang het een nieuwtje bleef, zou het wel aardig zijn,” antwoordde ik lachend.
„Dat is wel mogelijk,” hernam Steerforth, „hoewel deze opmerking al zeer sarcastisch klinkt uit den mond van zulk een Groentje. Ik wil wel bekennen dat ik wat wispelturig ben, David; ik weet dat ik het ben, maar zoolang het ijzer heet is, wil ik het smeden ook. Ik zou al vrij goed als loods kunnen dienen in dit gedeelte van het vaarwater.”
„Baas Peggotty zegt, dat gij een wonder zijt.”
„Een zeemirakel, nietwaar?” vroeg hij lachend.
„Waarlijk, hij zei het en gij weet, hoe oprecht hij is; bovendien weet gij, hoe spoedig gij u iets eigen kunt maken en hoe gemakkelijk u alles afgaat. Daarom verbaast het mij, Steerforth, dat gij tevreden zoudt zijn met zulk een luttel gebruik van uwe vermogens.”
„Tevreden?” antwoordde hij opgeruimd. „Ik ben nooit tevreden dan wanneer ik mij maar verheugen kan in uwe onnoozelheid, mijn best Groentje. En wat nu het gebruik van mijn vermogens aangaat, ik ben niet van plan mij op een rad te laten binden, zooals de moderne Ixions doen, en mij maar in het rond te laten draaien. Gij weet dat ik hier een boot gekocht heb?”
„Wat zijt gij toch een zonderling wezen, Steerforth!” riep ik uit, terwijl ik verbaasd bleef staan—ik had er nog niets van vernomen. „En als gij nu nooit meer hierheen komt?”
„Dat weet ik nog niet,” antwoordde hij. „Ik heb dit plekje lief gekregen. Hoe het zij, ik heb een schuit gekocht—baas Peggotty zegt dat het een klipper is en hij zal er mee uitgaan, als ik er niet ben.”
„Aha, nu begrijp ik u, Steerforth!” riep ik opgetogen uit. „Gij hebt gedaan alsof gij die schuit voor u zelven kocht, maar eigenlijk wilt gij er hem gelukkig mede maken. Ik had dat terstond moeten begrijpen, omdat ik u zoo goed ken! Wat zijt gij toch edelmoedig!”
„Tut, tut, tut!” zei hij met een kleur. „Hoe minder gij er van zegt, hoe beter!”
„Wist ik het niet?” riep ik uit, „zeide ik niet dat de vreugde, het verdriet, de aandoening van zulke brave lieden u niet onverschillig kunnen zijn?”
„Zoo, zoo,” antwoordde hij, „meent gij dat? Welnu laat ons er verder over zwijgen, wij hebben er nu lang genoeg over gepraat.”
Huiverig om hem boos te maken, indien ik dit onderwerp, waarvan hij zich op zulk een luchtigen toon afmaakte, nog langer besprak, bleef ik er in gedachten mede bezig, terwijl wij nog sneller voortstapten dan zoo even.
„De schuit moet geheel nieuw opgetuigd worden,” zei Steerforth; „ik zal Littimer hier laten, om er een oogje op te houden. Heb ik u al verteld dat Littimer hier is?”
„Neen.”
„Ja, hij kwam van morgen met een brief van mijne moeder.”
Toen onze blikken elkander ontmoetten, zag ik dat hij zeer bleek was, al keek hij mij opgeruimd aan. Ik vreesde dat een geschil met zijne mama hem in de sombere stemming gebracht mocht hebben, waarin ik hem, eenzaam bij den haard zittende, gevonden had, en vroeg hem dit terloops.
„O, neen!” zei hij hoofdschuddend en met een eenigszins gedwongen lach. „Niets van dat alles! Ja, hij is hierheen gekomen, de brave Littimer.”
„Nog altijd dezelfde?” vroeg ik.
„Ja, nog altijd dezelfde,” antwoordde Steerforth, „zwijgend en stil als de Noordpool. Hij zal toezien dat het scheepje een nieuwen naam krijgt. Het heet nu ‚Stormzwaluw’. Waarom hecht baas Peggotty zooveel aan stormzwaluwen? Ik heb het herdoopt.”
„En hoe zal dit heeten?”
„De kleine Emily.”
Aangezien hij mij strak bleef aankijken begreep ik dat hij volstrekt niet geprezen wilde worden voor zijne edelmoedigheid, maar ik kon niet voorkomen dat mijn gelaat verried hoe ingenomen ik er mede was; ik zei echter niets en langzamerhand verscheen de oude glimlach weder om zijn mond, alsof mijne stilzwijgendheid hem gerust stelde.
„Kijk eens!” riep hij plotseling, „daar komt de echte Emily aan! En Ham is bij haar! Nu, hij is een trouw ridder! Hij laat haar geen oogenblik alleen!”
Ham, die altijd grooten aanleg getoond had voor scheepstimmerman, was langzamerhand een knap werkman geworden. Hij was in zijn werkpak en zag er wel is waar ruig genoeg maar tevens heel flink uit, als een waardige beschermer voor het kleine schepseltje, dat hij geleidde. Zijn open, eerlijk gelaat, dat blonk van trots op zijne kleine Emily en waarop duidelijk te lezen stond hoe lief hij haar had, maakte op mij een indruk als een mooie schilderij. Toen zij naderbij kwamen vond ik zelfs dat zij zeer goed bij elkaar pasten.
Toen wij bleven stilstaan om haar aan te spreken, trok zij haar arm uit dien van Ham en bloosde, terwijl zij Steerforth en mij de hand gaf. Nadat wij eenige woorden gewisseld hadden, gingen wij ieder onzen weg, maar zij legde hare hand niet meer op den arm van haar verloofde en scheen een weinig gedwongen naast hem voort te wandelen. Ik vond dat alles aardig en lief en Steerforth scheen van dezelfde meening te zijn, toen wij hen nakeken en zij in het licht der opkomende maan verdwenen.
Eensklaps kwam ons eene jonge vrouw voorbij, die blijkbaar het tweetal volgde; wij hadden haar niet zien aankomen, maar in het voorbijgaan meende ik mij hare gelaatstrekken te herinneren. Zij was licht gekleed, in het oog vallend opgeschikt, had holle wangen en glinsterende oogen, die onbeschaamd rondkeken, voor het oogenblik scheen zij aan niets anders te denken dan aan degenen, die voor haar uitliepen en zelfs de hevige wind scheen haar niet te deren. Evenals de duistere vlakte achter ons Ham en de kleine Emily als 't ware scheen te hebben verzwolgen, zoo verdween ook hare gestalte.
„Welk een zwarte schaduw volgt het meisje daar,” zei Steerforth, terwijl hij stil bleef staan. „Wat zou dat beteekenen?”
Hij sprak op fluisterenden toon, die mij zelfs vreemd in de ooren klonk.
„Zij zal willen bedelen, naar het mij voorkomt,” antwoordde ik.
„Een bedelaarster zou hier geen vreemd verschijnsel zijn,” hernam Steerforth, „maar het is wel vreemd dat eene bedelaarster juist zulk een donkeren avond kiest.”
„Waarom?”
„Om geen andere reden dan die, waaraan ik dacht toen zij daar op eenmaal verscheen. Wat duivel, ik zou wel eens willen weten, waar zij zoo opeens vandaan is gekomen?”
„Ik vermoed dat zij in de schaduw van dezen muur gestaan heeft,” antwoordde ik, toen wij juist aan een weg kwamen, die aan eene zijde door een muur werd begrensd.
„Zij is nu weg!” hernam hij, achterom kijkend. „Kom, het eten wacht ons.”
Maar hij keek nog eens achterom en nog eens en praatte op onze verdere wandeling over niets anders dan over deze zonderlinge ontmoeting; zelfs toen wij warm en gezellig aan tafel zaten, scheen hij die nog niet vergeten te hebben. Wij vonden Littimer in het hôtel en hij maakte weer juist denzelfden indruk op mij. Toen ik zeide te hopen dat mevrouw Steerforth en juffrouw Dartle wel waren, antwoordde hij op hoogst eerbiedigen en—natuurlijk hoogst fatsoenlijken toon, dat beiden zeer wel waren en hare groeten verzocht hadden; waarna hij mij fatsoenlijk bedankte. Dat was alles en toch scheen hij, zoo duidelijk als iemand het maar doen kon, te zeggen: „Wat zijt gij toch nog bitter jong!”
Wij hadden ons maal bijna geëindigd, toen hij eenige schreden in de richting van de tafel deed uit het hoekje, waarin hij ons—of liever mij—had staan gadeslaan, en zeide: „Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar juffrouw Mowcher is hier.”
„Wie?” riep Steerforth, ten hoogste verbaasd.
„Juffrouw Mowcher, mijnheer.”
„Wat moet die in 's Hemels naam hier doen?” vroeg Steerforth.
„Zij schijnt hier ergens geboren te zijn, mijnheer, en vertelde mij dat zij elk jaar eenmaal voor zaken hier komt. Ik kwam haar van avond op straat tegen en zij wenschte te weten of zij de eer mocht hebben u een bezoek te brengen, mijnheer.”
„Kent gij de reuzin, waarover Littimer spreekt, Groentje?” vroeg Steerforth.
Ik was verplicht te bekennen—ik schaamde mij voor Littimer—dat die dame en ik elkaar geheel onbekend waren.
„Dan zult gij haar leeren kennen,” antwoordde Steerforth, „want zij behoort tot de zeven wonderen der wereld. Laat juffrouw Mowcher binnenkomen zoodra zij zich aanmeldt.”
Ik was wel wat nieuwsgierig naar de bedoelde dame, vooral omdat Steerforth telkens wanneer ik haar naam noemde, in lachen uitbarstte en op stelligen toon weigerde op elke vraag, die ik aangaande haar deed, antwoord te geven. Ik bleef daarom in gespannen verwachting zitten tot de tafel al ongeveer een half uur was afgenomen en wij ons, met eene flesch wijn tusschen ons in, bij den haard hadden opgesteld.—Eensklaps kondigde Littimer met zijne gewone deftige kalmte de komst van de lang verbeide dame aan:
„Mejuffrouw Mowcher!”
Ik keek naar de deur en zag niets en nog steeds keek ik naar de geopende deur; meenende dat het lang duurde, eer juffrouw Mowcher zich vertoonde, toen er eensklaps tot mijne groote verbazing om de sofa, die tusschen mij en de deur stond, een klein gedrocht kwam aandribbelen, van veertig of vijfenveertig jaar, met een groot hoofd en een lang gezicht, een paar ondeugende, grijze oogjes en zulke in het oog vallend kleine armen, dat toen zij, Steerforth met een lach begroetend, haar vinger tegen haar stompen neus wilde brengen, zij dien halverwege te gemoet moest komen door haar hoofd voorover te buigen. Haar kin, die voorzien was van een zware onderkin, was zoo vet, dat de linten van haar hoed er door bedekt werden. Een hals had zij niet; een middel had zij niet; beenen had zij niet noemenswaard; want hoewel zij boven haar middel—als zij er namelijk een gehad had—van de gewone grootte was, en hoewel zij evenals alle stervelingen in een paar voeten eindigde, was zij zoo klein dat zij bij een gewonen stoel stond als een mensch van middelmatige grootte bij een tafel, en een zak, dien zij had medegebracht, op de zitting neerlegde. Zij was losjes en gemakkelijk gekleed en terwijl zij haar voorvinger op de bovenbeschreven wijze tegen den neus bracht en, met het hoofd een weinig op zijde, Steerforth met hare schalksche oogen toelonkte, brak zij in den volgenden woordenstroom los:
„Wat! Mijn bloempje!” begon zij schertsend, terwijl zij haar groot hoofd schudde. „Zijt gij daar, gij daar! O, gij ondeugd, gij moest u schamen, wat doet gij zoo ver van huis? Gij hebt zeker wat in den zin, dat wil ik wedden! Ja, ja, Steerforth, gij zijt een lief kind en ik ook! Ha! ha! ha! Gij zoudt nu zeker wel honderd pond hebben durven zetten tegen vijf, dat gij mij hier niet zien zoudt, nietwaar? Maar, och Heere, ik ben overal! Ik ben hier en daar en waar niet, evenals de halve kroon van den goochelaar in een dameszakdoek. Maar, van zakdoeken gesproken en van dames gesproken, wat zijt gij toch een troost voor uwe beste moeder, mijn lieve jongen, nietwaar... wij begrijpen elkander!”
Juffrouw Mowcher maakte nu haar hoed los, wierp de linten naar achteren en nam, vermoeid van het praten op een voetenbankje bij den haard plaats, waarbij de tafel een soort afdak vormde boven haar hoofd.
„O, maan en sterren!” riep zij, terwijl zij met beide handen op hare knietjes sloeg en mij met een schelmschen blik aankeek. „Weet gij, wat mijn ongeluk is, Steerforth? Ik word te dik. Als ik een trap ben opgegaan, heb ik groote moeite om op adem te komen en hijg als een stoommachine. Als gij mij uit een bovenraam ziet kijken, zoudt gij mij voor een knap vrouwtje aanzien, nietwaar?”
„Maar dat doe ik, waar ik u ook zie,” antwoordde Steerforth.
„Och, loop toch heen, ondeugd!” riep het kleine menschje, terwijl zij met den zakdoek, waarmede zij haar gelaat afwischte, naar hem sloeg, „wilt gij wel eens wat minder brutaal zijn! Maar ik geef u mijn woord van eer dat ik verleden week bij Lady Mithers geweest ben—dat is eerst een vrouw! Die draagt haar jaren met eere! Ik zat op haar te wachten en toen kwam mijnheer Mithers binnen—dat is eerst een man! Die draagt zijn jaren met eere. En zijn pruik ook! Hij heeft al tien jaar een pruik—en hij was zoo beleefd en maakte mij zooveel complimentjes, dat ik meende genoodzaakt te zullen zijn eens aan de schel te trekken. Ha, ha, ha! Hij is een aardige man, maar een man zonder beginselen.”
„Wat moest gij bij Lady Mithers doen?” vroeg Steerforth.
„Oho, jongenlief, dat zou uit de school klappen zijn!” antwoordde zij, terwijl zij weder tegen haar neus tikte, haar gezicht in een ernstigen plooi zette en met haar oogen knipte, alsof zij een kaboutertje was, met een bovennatuurlijk verstand. „Wat zou het u ook aangaan! Gij zoudt niet willen weten of ik haar een middel heb gegeven tegen het uitvallen van het haar of om ze voor grijs worden te bewaren of een verfje voor haar wenkbrauwen, nietwaar? Eenmaal zult gij het weten, mijn beste—als ik het u vertel. Weet gij wel, hoe mijn overgrootvader heette?”
„Neen.”
„Walker, lieve jongen,” ging juffrouw Mowcher voort, „hij stamde van eene lange rij voorvaderen af, die allen Walker heetten, zoodat ik al de Hoockey-landerijen erfde.”
Ik heb nooit iets gezien, dat met juffrouw Mowcher's lonkjes te vergelijken was, behalve juffrouw Mowcher's koelbloedigheid. Zij had ook eene eigenaardige manier om te luisteren naar iets, dat tot haar gezegd werd, of naar een antwoord op iets dat zij zelve gezegd had; zij draaide dan haar hoofd op zijde en had schijnbaar maar één oog open, op de wijze als een ekster doet. Kortom, ik was een en al verbazing en zat haar aan te kijken, zonder mij, naar ik vrees, ook maar eenigszins te storen aan de wetten der wellevendheid.
Zij had intusschen den stoel naar zich toegetrokken en was bezig met uit haar zak—waarin zij telkens haar korte armpje tot aan den schouder instak—een aantal kleine fleschjes, sponzen, kammen, borstels, stukjes flanel, friseerijzers en andere instrumenten te voorschijn te halen, die zij alle op de zitting uitstalde. Eensklaps staakte zij deze bezigheid en vroeg tot mijne groote verlegenheid:
„Hoe heet uw vriend, Steerforth?”
„Mijnheer Copperfield,” antwoordde Steerforth, „hij verlangde zeer kennis met u te maken.”
„Welnu, daartoe is hij in de gelegenheid. Ik meende al aan zijn gezicht te zien dat hij er naar verlangde,” sprak zij en kwam te gelijkertijd met haar zak in de hand naar mij toe dribbelen. Zij lachte en zei: „Een gezichtje als een perzik!” waarbij zij op haar teenen ging staan om mij in de wangen te knijpen. „Verleidelijk! Ik ben verzot op perziken! Ik ben heel blijde kennis met u te maken, mijnheer Copperfield, dat kan ik u verzekeren.”
Ik verklaarde mij zelven geluk te wenschen met de eer van onze kennismaking; de blijdschap was dus wederzijdsch.
„O, groote goedheid! Wat zijt gij beleefd!” riep juffrouw Mowcher uit, terwijl zij eene wanhopige poging deed om haar groot gelaat met haar kleine handje te bedekken. „Wat is de wereld toch vol bedrog! Is ze niet?”
Deze uitriep was tot ons beiden gericht, want het kleine handje ging van het gelaat af en verdween opnieuw, met den arm in den zak.
„Hoe bedoelt gij dat, juffrouw Mowcher?” vroeg Steerforth.
„Ha, ha, ha! Wat zijn wij toch eene aardige verzameling humbug-verkoopers, is 't niet, mijn beste jongen? Zijn wij dat niet?” vroeg het kleine vrouwtje op hare beurt, terwijl zij met het hoofd op zijde en met één oog open in den zak loerde. „Kijk eens!” riep zij. „Hier hebt gij afgeknipte nagels van een Russischen prins! Ik noem hem altijd „de Prins met het onderste boven gekeerde alphabet”, want in zijn naam staan alle letters kris en kras door elkander.”
„Dus is die Russische prins een klant van u?” vroeg Steerforth.
„Nu, dat zou ik denken, mijn ventje. Ik houd zijn nagels in orde. Tweemaal 's weeks! Vingers en teenen!”
„En ik hoop, dat hij u goed betaalt?”
„Hij betaalt zooals hij spreekt, beste jongen—dat wil zeggen: grof,” antwoordde juffrouw Mowcher. „Neen, de prins behoort niet tot de kalen! Gij moest zijn knevels maar eens zien! Van nature rood, maar zwart door de kunst!”
„Door uwe kunst, natuurlijk?” zei Steerforth.
Juffrouw Mowcher knikte toestemmend. „Hij moest wel om mij sturen. Er was niets aan te doen. Het klimaat deed zijn knevel verkleuren; in Rusland hield de kleur zich goed, maar hier was het mis. Nooit in uw leven zaagt gij zulk een roestigen prins als hij toen was. Precies oud ijzer.”
„Noemdet gij hem daarom zoo straks een humbug-verkooper?” vroeg Steerforth.
„O, wat zijt gij toch een slimmerd!” zei juffrouw Mowcher, hevig het hoofd schuddend. „Ik zei, dat wij zulk een aardige verzameling humbug-verkoopers zijn en liet u de nagels van den prins zien om dat te bewijzen. Die nagels doen mij in het gewone leven meer voordeel dan al mijn talenten te zamen. Ik draag ze altijd bij mij. Ze zijn de beste introductie voor mij. Als juffrouw Mowcher de nagels knipt van een prins, moet zij wel overal welkom zijn. Ik geef ze aan de jonge dames, die ze in hare albums leggen, als ik mij niet bedrieg. Ha, ha, ha! de geheele sociale quaestie—zooals de heeren in het Parlement zeggen in hunne hoogdravende redevoeringen—is niets dan een quaestie van prinselijke nagels!” zei het dwergje, terwijl zij hare armen over elkander trachtte te slaan en haar groote hoofd schudde.
Steerforth lachte hartelijk en ik deed mede. Juffrouw Mowcher bleef al dien tijd het hoofd schudden, dat erg naar ééne zijde overhing, terwijl zij met één oog in de lucht keek en met het andere knipte.
„Maar kom,” sprak zij, terwijl zij met beide handen op hare knietjes klopte en tegelijkertijd opsprong, „dat is geen zaken doen. Kom, Steerforth, laat mij de poolstreken eens inspecteeren!”
Zij nam toen van de uitstalling op den stoel twee of drie instrumenten benevens een klein fleschje, en vroeg tot mijne groote verbazing of de tafel haar zou kunnen dragen. Op Steerforth's bevestigend antwoord zette zij er een stoel tegen, vroeg mijne hand te hulp en klom er tamelijk vlug op, met een air alsof zij een tooneel beklom.
„Indien een van u beiden mijn enkels gezien heeft,” sprak zij, toen zij veilig was aangeland, „zeg het, dan ga ik naar huis en maak mij van kant.”
„Ik niet,” zei Steerforth.
„Ik ook niet,” zei ik.
„Welaan dan!” riep zij, „dan zal ik in het leven blijven. En nu, eendjelief, eendjelief, kom bij juffrouw Bond en laat u slachten.”
Dit was eene uitnoodiging voor Steerforth om zich aan hare handen over te geven; hij ging dan ook met den rug naar de tafel zitten, terwijl zijn lachend gezicht naar mij toegekeerd was, en liet zijn hoofd door haar inspecteeren, vermoedelijk met geen ander doel dan om ons eens te laten lachen. Het was een vermakelijk schouwspel, zooals juffrouw Mowcher daar op de tafel stond, en met een groot, rond vergrootglas zijn weelderigen haardos bekeek.
„Gij zijt een knappe jongen,” zei juffrouw Mowcher na eene kortstondige inspectie. „Als ik er niet was zoudt gij spoedig een kruin hebben zoo kaal als een monnik. Heb een halve minuut geduld, mijn jonge vriend, dan zullen wij u een zalfje geven, dat uw haren voor de eerste tien jaren bewaren zal.” Na deze woorden goot zij iets van den inhoud van het kleine fleschje op een lapje flanel, en nam met een borsteltje iets daarvan af; daarna begon zij hiermede over Steerforth's hoofd te wrijven met een ijver, als ik zelden iemand heb zien betoonen, terwijl zij voortdurend praatte.
„Daar hebt gij Charley Pyegrave, de zoon van den hertog,” sprak zij. „Gij kent Charley immers?” Bij deze vraag boog zij zich langs hem heen om hem aan te kijken.
„Een weinig,” antwoordde Steerforth.
„Wat een man! En wat heeft die prachtige bakkebaarden! En zijn beenen, wel, als ze maar een paar vormden—dat ze niet doen—dan zouden er geen mooiere beenen op de wereld zijn. Wilt gij wel gelooven, dat hij getracht heeft het zonder mij te stellen.... toen hij bij de Life-Guards was?”
„Hij is gek,” zei Steerforth.
„Het heeft er veel van. Evenwel, gek of niet, hij heeft het beproefd,” ging juffrouw Mowcher voort. „Wat doet hij? Hij gaat een parfumeriewinkel binnen en wil een fleschje Madagascar-tinctuur koopen.”
„Deed Charley dat?”
„Dat deed Charley. Maar zij verkoopen daar geen Madagascar-tinctuur.”
„Wat is dat? Kan men dat drinken?” vroeg Steerforth.
„Drinken?” herhaalde juffrouw Mowcher, terwijl zij ophield om hem een tikje op de wang te geven. „Om zelf zijn knevel mede te onderhouden; begrijpt gij het nu? Daar was een vrouw in den winkel,... al op jaren.... een echte draak die het nooit had hooren noemen. ‚Neem mij niet kwalijk, mijnheer,’ zei de draak tegen Charley, ‚bedoelt gij ook...... ook..... rouge?’ ‚Rouge?’ herhaalde Charley. ‚Dat men fatsoenlijke lippen nooit hoort uitspreken? Meent gij dat ik rouge noodig heb?’ ‚Houd het mij ten goede, mijnheer,’ zei de draak, ‚dat wordt ons onder zooveel namen gevraagd; ik meende dus dat gij rouge bedoeldet’. Welnu, mijn jongen,” ging juffrouw Mowcher al wrijvende voort, „is dat nu ook geen humbug? Ik doe er ook wel een beetje aan.... misschien veel.... misschien weinig.... pas maar op, beste jongen.... en hiermee basta.”
„Waaraan doet gij mee? Aan rouge?” vroeg Steerforth.
„Ja, dat zijn geheimen, zooals ze in elk beroep bestaan, mijn ijverige leerling,” zei de voorzichtige juffrouw Mowcher. „Ik zeg dat ik er ook aan meedoe. Eene zekere douairière noemt het lippenzalf. Eene andere noemt het handschoenen. Eene derde noemt het een ruche. Weer een ander een waaier. En ik noem het zooals zij het noemen. Ik bezorg het haar en wij houden ons tegenover elkander zoo goed en trekken er zulk een ernstig gezicht bij, dat zij het evenmin in mijne tegenwoordigheid zouden aanwenden als in een salon vol vriendinnen. En wanneer ik op haar wacht, vragen zij soms—met een dikke laag op de wangen—‚Hoe zie ik er uit, Mowcher? Ben ik niet bleek?’ Ha! ha! ha! Is dat nu niet kostelijk, mijn jonge vriend?”
Nooit in mijn leven aanschouwde ik iets, dat met dit tooneeltje te vergelijken was: juffrouw Mowcher, op de tafel staande, hartelijk lachend over haar ‚kostelijke grap’ en steeds met den grootsten ijver Steerforth's hoofd wrijvend, terwijl zij mij daar overheen lonkjes toewierp.
„Maar,” hernam zij, „naar zulke dingen wordt hier niet gevraagd. Ik keer dus spoedig terug. Ik heb geen een mooi meisje gezien sinds ik hier ben.”
„Niet?” vroeg Steerforth.
„Zelfs geen schim van een mooi meisje,” antwoordde juffrouw Mowcher.
„Nu, wij zouden er haar een kunnen laten zien in levenden lijve, niet waar Groentje?” zei Steerforth, terwijl hij mijne oogen opzocht.
„Ja, zeker,” zei ik.
„Aha!” riep het kleine vrouwtje, mij scherp aankijkende en toen weder om Steerforth's hoofd heenbuigend om hem in het gezicht te zien. „Hm! Hm!”
De eerste uitroep scheen ons beiden te gelden, maar de laatste was blijkbaar alleen tot Steerforth gericht. Zij scheen noch op Steerforth's noch op mijn gelaat een antwoord te lezen en ging voort met wrijven, met haar hoofd op zijde en één oog wijd geopend, alsof zij een antwoord in de lucht zocht en zeker geloofde het daar spoedig te zullen vinden.
„Is zij eene zuster van u, mijnheer Copperfield?” riep zij na eene kleine pauze en nog steeds in de lucht kijkende. „Wel, Wel!”
„Neen,” antwoordde Steerforth nog eer ik het doen kon. „Volstrekt niet. Integendeel, mijnheer Copperfield was—of ik heb het mis—altijd een en al bewondering voor haar.”
„En is hij dat nu niet meer?” vroeg juffrouw Mowcher. „Is hij wispelturig? O, foei! Heeft hij elk bloempje gekust, is hij elk uur veranderd tot Polly eindelijk zijne liefde beantwoordde?—Heet zij niet Polly?”
Deze onverwachte vraag, die zij op guitigen toon deed, en de onderzoekende blik, waarmede zij mij aankeek, brachten mij een oogenblik in verlegenheid. „Neen, juffrouw Mowcher,” zei ik. „Haar naam is Emily.”
„Aha!” riep zij, precies op denzelfden toon als zooeven. „Hm! Hm! Wat ben ik toch aan het doorslaan! Vindt gij mij niet een kluchtig schepsel, mijnheer Copperfield?”
Haar toon en haar blik wekte eene onaangename gewaarwording bij mij op in verband met het onderwerp van ons gesprek. Op ernstiger toon dan een van ons nog had aangeslagen, zei ik daarom: „Zij is even deugdzaam als mooi. Zij is verloofd met een braven, werkzamen man uit haar stand. Ik acht haar evenzeer om haar verstand als ik haar bewonder om hare bevalligheid.”
„Goed gezegd!” riep Steerforth. „Hoor, hoor, hoor! Nu zal ik aan de nieuwsgierigheid van deze kleine Fatima maar in eens voldoen door haar alles te vertellen wat zij weten mag. Zij is tegenwoordig op den winkel, juffrouw Mowcher, of in de leer, als gij het zoo noemen wilt, bij Omer en Joram, lakenhandelaars, heeren- en dameskleedermakers, enz. Let gij wel op? Omer en Joram. De verloving, waarvan mijn vriend spreekt, is aangegaan met haar neef; doopnaam: Ham; familienaam: Peggotty; beroep: scheepstimmerman; bij gevolg: hier woonachtig. Zij woont bij een bloedverwant; doopnaam: onbekend; familienaam: Peggotty; beroep: visscher; bij gevolg: ook hier woonachtig. Zij is het mooiste, liefste schepseltje van de wereld. Ik bewonder haar—evenals mijn vriend—in hooge mate. Indien het niet zou schijnen, dat ik haar verloofde minachtte, hetgeen mijn vriend zou spijten, zou ik er wel willen bijvoegen dat zij zich, naar mijn oordeel, weggooit, dat zij veel betere partij zou kunnen doen en, volgens mijne overtuiging, geboren is om eene dame te worden.”
Juffrouw Mowcher luisterde naar deze langzaam en duidelijk uitgesproken woorden met het hoofd op zijde en haar oog in de lucht, alsof zij weder een antwoord zocht. Toen hij ophield, werd zij in een oogenblik weer levendig en praatte met verbazende radheid een geheelen tijd door.
„O! En is dat alles wat gij van haar te zeggen hebt?” riep zij uit, terwijl zij met een klein schaartje, dat met bliksemsnelheid om zijn hoofd flikkerde, zijne bakkebaarden aanpuntte. „Heel aardig! Heel aardig! Een lang verhaal! Dat behoort te eindigen: ‚en zij leefden heel gelukkig te zamen’, is 't niet? Hoe is dat pandspel ook weer? Alles begint dan met V. Ik bemin haar omdat zij zoo verrukkelijk is; ik haat haar omdat zij verloofd is; ik schaak haar omdat... ja, ik ken het niet meer. Ha, ha, ha! Vindt gij mij geen kluchtig schepsel, mijnheer Copperfield?”
Zij bleef mij voortdurend met een ondeugend gezicht aankijken en zonder een antwoord af te wachten, ging zij voort:
„Ziezoo, als er ooit een deugniet netjes gekapt is geweest, zijt gij het, Steerforth. Als ik één bol op de wereld ken, dan is het de uwe. Hoort gij wel wat ik zeg, lieve jongen? Ik weet precies wat er in dat bolletje omgaat! En nu moogt gij verdwijnen, ventje, dan kan mijnheer Copperfield op den stoel plaats nemen om dezelfde operatie te ondergaan.”
„Wel, Groentje?” vroeg Steerforth lachend en zijn stoel afstaande: „Wilt gij u ook laten adoniseeren?”
„Dank u, juffrouw Mowcher, van avond niet.”
„Zeg toch niet neen,” sprak het kleine vrouwtje, terwijl zij mij met een kennersblik opnam, „als wij alleen de wenkbrauwen eens wat langer maakten?”
„Dank u,” antwoorde ik, „bij eene andere gelegenheid.”
„Ze moeten ongeveer een vierde van een duim meer naar de slapen gebracht worden,” ging juffrouw Mowcher voort, „binnen veertien dagen zijn wij daarmede gereed.”
„Neen, dank u, voorloopig niet.”
„Niet? Welnu, laat ons dan het begin maken voor een paar nette bakkebaarden. Kom, neem plaats!”
Ik kon niet nalaten te blozen toen ik ook dit afwees, want zij had mij hiermede in mijn zwak getast. Maar, juffrouw Mowcher zag, dat ik mij voorloopig niet van hare kunst wilde bedienen en bestand bleef voor de verleiding, zelfs toen zij den inhoud van, het fleschje tegen het licht hield, teneinde hare overredingskracht te hulp te komen; zij zeide dat ik binnenkort wel tot haar zou komen en verzocht daarop den steun van mijne hand, om vlug van haar verheven standplaats af te komen.
„En hoeveel ben ik u schuldig?” vroeg Steerforth.
„Vijf shilling,” antwoordde juffrouw Mowcher, „is 't niet schandekoop, mijn hartje? Vindt gij mij niet kluchtig, mijnheer Copperfield.”
Heel beleefd antwoordde ik: „Volstrekt niet.” Ik meende echter het tegendeel en werd daarin nog versterkt door de wijze, waarop zij de beide halve kronen aannam, in de hoogte wierp, opving en in den zak stak, waarna zij een luiden klap er op gaf.
„Dit is mijn geldlaadje!” zei juffrouw Mowcher, toen zij weer bij haar stoel stond en haar zak inpakte. „Heb ik nu alles? Ik geloof het wel. Ik zou niet graag Ned Beadwood navolgen, die, toen men hem afhaalde om te trouwen, in de kerk verscheen zonder bruid. Ha, ha, ha! Een ondeugende schelm, die Ned!—En nu weet ik dat ik uw hart zal breken, maar ik ben genoodzaakt u te verlaten. Gij moet al uwe standvastigheid maar verzamelen, en trachten het te dragen. Vaarwel, mijnheer Copperfield! Wat heb ik gebabbeld! Dat is uwe schuld, gij deugnieten! Ik vergeef het u! „Bob swore!” (Bob vloekte,) zei zekere Engelschman, die pas Fransch leerde, voor „Bonsoir”. „Bob swore, beste jongens!””
Met den grooten zak aan den arm trippelde zij naar de deur en de gang in, al voortbabbelende; toen ik meende dat zij al weg was, keerde zij nog eens terug en vroeg: „Zal ik ook een lok van mijn haar voor u achterlaten? Vindt gij mij niet kluchtig?” voegde zij er bij en ging toen, met den vinger tegen den neus en het hoofd op zijde, heen. Steerforth barstte in zulk een schaterlach uit, dat ik niet kon nalaten mede te lachen, hoewel ik daartoe, naar ik meen, zonder die opwekking niet zou zijn overgegaan. Toen wij na eenigen tijd tot bedaren waren gekomen, hetgeen vrij lang duurde, vertelde Steerforth mij, dat juffrouw Mowcher zich jegens verschillende soorten van menschen op verscheidene wijzen verdienstelijk maakte. „Sommigen vermaken zich slechts met hare zonderlinge manieren,” vertelde hij, „maar zij is zulk eene sluwe, fijne opmerkster als ik ooit iemand ontmoet heb; haar verstand is in dezelfde mate ontwikkeld als hare armpjes klein gebleven zijn.”
Hij zei, dat hetgeen zij omtrent hare bezoeken bij deze en die verteld had, de waarheid was; dat zij gedurig op het platteland kwam, overal klanten scheen te vinden en iedereen kende. Ik vroeg hem naar haar karakter; of zij nooit onheil stichtte en altijd wel het goede voorstond; maar na twee of drie malen te vergeefs getracht te hebben zijne aandacht op deze vragen te vestigen, zag ik van eene herhaling af. Daarentegen vertelde hij mij met radde tong, dat zij zeer bekwaam was in haar vak, veel geld verdiende en ook heel goed koppen kon zetten, hetgeen hij mij aanried te onthouden voor het geval ik die eens mocht noodig hebben. Zij bleef dien geheelen avond het voornaamste onderwerp uitmaken van ons gesprek en toen wij afscheid namen, riep Steerforth mij nog over de leuning van de trap na:
„Bob swore, Groentje!”
Toen ik de woning van Barkis naderde, was ik zeer verbaasd Ham daar voor te zien op en neerloopen; maar mijne verbazing werd nog grooter, toen hij mij vertelde, dat Emily binnen was. Ik vroeg natuurlijk, waarom hij ook niet binnen was gegaan in plaats van daar voor het huis op en neer te loopen?
„Ziet ge, jongeheer Davy,” antwoordde hij op aarzelenden toon, „Emily moet daar met iemand spreken.”
„Ik zou meenen,” hernam ik glimlachend, „dat dit een reden te meer voor u moest zijn om binnen te gaan, Ham.”
„Ja, jongeheer Davy, over het algemeen zou het dat ook zijn,” antwoordde hij, „maar ziet ge, jongeheer Davy”—hij liet zijne stem dalen en zijn toon werd ernstiger—„er is een meisje binnen.... een meisje, dat Emily vroeger gekend heeft en nu niet meer behoort te kennen.”
Toen ik dit vernam, ging mij een licht op over de gestalte, die ik hem eenige uren geleden had zien volgen.
„Zij is een ongelukkig schepsel, jongeheer Davy,” ging Ham voort, „de geheele stad werpt met steenen naar haar. Overal! Er ligt op het gansche kerkhof niets onder den grond, waarvan de menschen meer gruwen dan van haar.”
„Kan ik haar van avond op het strand ontmoet hebben, nadat wij u waren tegengekomen?”
„Dat is wel mogelijk, jongeheer Davy,” antwoordde Ham. „Ik wist niet, dat zij ons volgde, maar korten tijd daarna kwam zij onder het venster van Emily's kamertje, waar zij licht had gezien, en fluisterde: ‚Emily, Emily, toon toch in Jezus' naam, dat gij medelijden hebt met eene ongelukkige vrouw; ik ben eenmaal ook zoo geweest als gij.’ Dat waren hartverscheurende woorden, jongeheer Davy.”
„Dat waren ze wel, Ham. En wat deed Emily?”
„Emily vroeg: ‚Zijt gij het, Martha? O, Martha, hoe is het mogelijk!’—Zij hadden menigen dag samen zitten werken bij Omer.”
„Ik herinner mij haar nu zeer goed!” riep ik uit en dacht daarbij aan een der meisjes, die ik bij mijn eerste bezoek daar ontmoet had.
„Martha Endell,” zei Ham. „Zij is twee of drie jaar ouder dan Emily, maar was met haar op dezelfde school.”
„Ik heb haar naam nooit gehoord,” zei ik. „Maar .... ik had u niet in de rede moeten vallen.”
„Wat haar betreft, alles is eigenlijk gezegd in die woorden: ‚Emily, toon toch in Jezus' naam, dat gij medelijden hebt met eene ongelukkige vrouw; ik ben ook eenmaal geweest als gij.’ Zij wenschte Emily te spreken. Maar Emily kon niet met haar spreken, want haar beste oom was thuis en haar oom zou het niet willen hebben—neen, jongeheer David,” zei Ham met den grootsten ernst, „hij zou het niet willen hebben, hoe goedhartig en teergevoelig hij is; hij zou die twee niet bij elkander kunnen zien—voor alle schatten, die de zee reeds heeft verslonden, niet!”
Ik voelde dat hij gelijk had; ik wist het op dit oogenblik even zeker als Ham.
„Emily schreef daarom een paar woorden op een stukje papier,” ging hij voort, „en gaf het haar om het hier heen te brengen. ‚Breng dit aan mijne tante, aan juffrouw Barkis,’ sprak zij, ‚zij zal u wel een plaatsje aan den haard geven uit liefde voor mij, tot oom uit is en ik bij u komen kan.’ Naderhand vertelde zij mij wat ik u nu vertel, jongeheer Davy, en vroeg mij haar hier heen te brengen. Wat kon ik doen? Zij behoort zulke meisjes niet meer te kennen, maar als ik tranen in hare oogen zie—hoe zou ik haar dan iets kunnen weigeren?”
Hij stak de hand in den borstzak van zijn ruig buis en haalde een aardig klein beursje te voorschijn.
„En al kon ik haar iets weigeren, wanneer ik tranen in hare oogen zie, jongeheer Davy,” ging hij voort, terwijl hij het beursje met zijne ruwe hand omklemde, „hoe kon ik het haar weigeren toen zij mij dit te dragen gaf,... wetende waarvoor zij het wenscht te gebruiken. Kijk eens, hoe mooi! En dan zulk een beetje geld! 't Is zeker alles wat het lieve kind heeft kunnen besparen!”
Toen hij het beursje weder in den zak had gestoken, schudde ik hem met warmte de hand—ik voelde daaraan meer behoefte dan om iets te zeggen—waarna wij eenigen tijd zwijgend op en neer bleven wandelen. De deur werd geopend en Peggotty kwam buiten, Ham wenkende om binnen te komen. Ik wilde mij achteraf houden, maar zij verzocht mij ook naar binnen te gaan. Ik zou echter geweigerd hebben in de kamer te komen, waar zij allen bijeen waren, indien men niet van de straat onmiddellijk in de zindelijke, met tegels bevloerde keuken had gestaan. Ik was dus, eer ik er zelf aan dacht, midden in het gezelschap.
Het meisje—hetzelfde, dat wij op het strand ontmoet hadden—zat bij den haard op den grond, met het hoofd op den arm, die op een stoel lag. Uit deze houding maakte ik op, dat Emily even te voren van dezen stoel was opgestaan en dat het ongelukkige schepsel met het hoofd op Emily's schoot had gelegen. Ik zag slechts een klein gedeelte van haar gezicht, want de haren hingen er over heen alsof zij ze zelve had losgemaakt; ik zag echter wel dat zij nog jong was en een fraai teint had. Peggotty had geschreid en Emily ook. Toen wij binnen kwamen werd er in de eerste oogenblikken geen woord gesproken, en de Friesche klok, bij het aanrecht, scheen in die stilte tweemaal zoo hard te slaan als gewoonlijk.
„Martha wil naar Londen gaan,” zei Emily eindelijk tegen Ham.
„Waarom naar Londen?” vroeg Ham.
Hij stond tusschen beiden in en ik zal nimmer den blik vergeten, dien hij op het ongelukkige schepsel wierp, een blik, waarin zoowel medelijden met haar lot als bezorgdheid over de nauwe aanraking met het liefste, dat hij op de wereld kende, waren te lezen. Zij spraken over haar, alsof zij ziek was, op zachten, medelijdenden toon, dien men nauwelijks verstaan kon, ofschoon zij toch volstrekt niet fluisterden.
„Beter daar dan hier,” klonk een derde stem vrij luid. Het was die van Martha, ofschoon zij zich in het geheel niet bewoog. „Niemand kent mij daar. Hier kent mij iedereen.”
„En wat wilt gij daar doen?” vroeg Ham.
Zij lichtte het hoofd op en keek een oogenblik met een somberen blik in het rond; daarna legde zij haar hoofd weder neer en sloeg den rechterarm om haar hals, zooals eene vrouw zich zou wringen in hevige pijn of in doodsangst.
„Zij wil trachten beter te worden,” zei de kleine Emily. „Gij weet niet wat zij ons verteld heeft. Is 't wel, tante.... weten zij dat wel?”
Peggotty schudde medelijdend het hoofd.
„Ik zal trachten beter te worden,” zei Martha, „indien gij mij wilt helpen. Ik kan niet slechter worden dan ik geweest ben. Ik zal beter worden. O!”—zij huiverde—„help mij om deze stad te verlaten, waar iedereen mij gekend heeft als kind.”
Toen Emily hare hand voor Ham ophield, zag ik dat hij er een klein linnen zakje in stopte. Zij nam het aan, meenende dat 't haar beursje was, en deed twee schreden naar voren; toen zag zij pas, dat zij zich vergist had, kwam bij hem terug en liet het hem zien.
„Dat is voor u, Emily,” hoorde ik hem zeggen. „Ik bezit niets op de wereld dat niet van u is, liefste. Wat zou ik er aan hebben, als gij het niet gebruiktet?”
De tranen sprongen haar in de oogen, maar zij stond op en ging naar Martha. Ik weet niet wat zij haar gaf. Ik zag hoe zij zich over haar heen bukte en eenig geld tusschen de plooien van hare japon liet glijden; waarop zij eenige woorden tot haar sprak en vroeg of het genoeg was?—„Meer dan genoeg,” zei de andere en kuste hare hand.
Toen stond Martha op, sloeg haar doek om haar hoofd en half over haar gezicht, en ging langzaam naar de deur. Eer zij de woning verliet bleef zij staan, alsof zij iets wilde zeggen of wilde terugkeeren, maar er kwam geen woord over hare lippen. Achter den omslagdoek vernam ik echter hetzelfde kermende geluid, en toen ging zij heen.
Nadat de deur gesloten was, keek Emily ons drieën een voor een aan, en begon toen luid te snikken met de handen voor 't gelaat.
„Doe dat niet, Emily!” zei Ham, haar teeder op den schouder kloppende. „Doe dat niet! Gij moogt niet zoo schreien liefste.”
„O, Ham!” riep zij uit, nog steeds snikkend. „Ik ben niet zulk een braaf meisje als ik behoorde te zijn! Ik weet dat ik niet altijd zoo dankbaar ben, als ik behoorde te zijn!”
„Ja, ja, dat zijt gij wel, zeker,” zoo stelde Ham haar gerust.
„Neen, neen!” riep zij, snikkend en hoofdschuddend. „Ik ben niet zoo braaf als ik behoorde te zijn. O, lang niet, lang niet!” Zoo bleef zij voortschreien alsof haar het hart zou breken.
„Ik verg te veel van uwe liefde! Dat weet ik!” riep zij snikkend. „Ik ben menigmaal bits tegen u en nukkig, terwijl ik heel anders zijn moest. Gij zijt nooit zoo tegen mij. Hoe zou ik zoo tegen u kunnen zijn, terwijl ik aan niets anders denk dan aan de wijze waarop ik u mijne dankbaarheid zou kunnen toonen en u gelukkig maken!”
„Gij maakt mij altijd gelukkig,” zei Ham. „Ik ben al gelukkig als ik u maar zie. Ik ben den geheelen dag gelukkig, want ik denk altijd aan u.”
„Maar dat is niet genoeg!” riep zij. „Dat is, omdat gij braaf zijt, maar niet omdat ik het ben! O, lieve Ham, het zou veel beter geweest zijn, als gij verliefd waart geworden op een ander meisje, op een, die standvastiger en uwer meer waard was, die altijd aan u dacht en nooit ijdel en onstandvastig was zooals ik.”
„Arme, kleine lieveling,” zei Ham met zachte stem. „Martha heeft u geheel van streek gebracht.”
„Och, tante,” zei Emily nog steeds snikkend, „kom eens hier en laat mij tegen u aanliggen. O, ik voel mij zoo ongelukkig van avond, tante. Ik ben niet zulk een braaf meisje als ik behoorde te zijn! Ik weet dat ik niet ben zooals ik zijn moest!”
Peggotty was haastig naar den stoel bij den haard gegaan en Emily knielde, met de handen om haar hals geslagen, voor haar neer en keek haar ernstig aan.
„O, tante, ik smeek u, tracht mij te helpen! En Ham, beste, gij moet mij ook helpen! En mijnheer David zal, indien hij aan vroegere dagen terugdenkt, mij ook wel helpen! Ik moet een beter meisje worden dan ik ben. Ik moest u allen honderdmaal dankbaarder zijn dan ik ben. Ik moest het meer voelen, welk een zegen het is de vrouw te worden van zulk een besten man en een vredige toekomst te hebben. O! hoe bonst mijn arm hart!”
Na deze jammerklachten, die door den angstigen toon, waarop ze werden uitgesproken, nu eens aan eene vrouw dan weder aan een kind deden denken—trouwens dezen indruk kreeg men van alles wat zij deed; dat was juist hare aantrekkelijkheid en paste zoo goed bij hare schoonheid—wierp zij zich aan de borst van hare tante en schreide bittere tranen, terwijl Peggotty haar suste als een kind. Langzamerhand werd zij kalmer, en toen brachten wij haar verder tot bedaren door haar bemoedigend toe te spreken, ook wel door met haar te schertsen, tot zij eindelijk het hoofd oprichtte en ons begon te antwoorden. Zoo gingen wij voort tot zij weder een glimlach ten beste gaf en eindelijk, half beschaamd, begon te lachen; terwijl Peggotty hare krullen naar achteren streek, hare oogen afdroogde en haar weer opknapte, opdat haar oom niet zou vragen waarom zijn lieveling geschreid had.
Ik zag haar dien zelfden avond iets doen wat ik nog nooit gezien had. Ik zag haar een onschuldigen kus drukken op Ham's wang, terwijl zij zich tegen zijne forsche gestalte aan vleide, alsof die haar beste steun was. Toen zij te zamen in het witte maanlicht verdwenen, en ik, hen nastarende, de wijze van hun vertrek vergeleek bij Martha's haastige verdwijning, zag ik dat zij met beide handen op zijn arm steunde en zich dicht tegen haar aanstaanden echtgenoot aandrukte.
XXIII
Ik kies een beroep.
Toen ik den volgenden morgen wakker werd, moest ik terstond aan de kleine Emily denken en aan hare ontroering, nadat Martha was heengegaan. Ik had een gevoel alsof ik toevallig getuige geweest was van een tooneeltje, dat alleen voor de naaste familieleden bestemd was geweest; alsof ik in een heilig vertrouwen genomen was, dat ik zelfs tegenover Steerforth niet mocht schenden. Er was toen niemand op de wereld aan wie ik met meer teederheid dacht dan aan het lieve, mooie schepseltje, aan het speelmakkertje uit de dagen mijner jeugd, dat ik, daarvan ben ik overtuigd en zal ik altijd overtuigd blijven, toenmaals innig liefhad. Voor iemand—zelfs voor Steerforth—te herhalen, hetgeen zij niet had kunnen binnenhouden, toen zij toevallig in mijne tegenwoordigheid haar hart uitstortte, zou onedel zijn geweest, mijner onwaardig; zou den lichtkrans, die sinds de dagen onzer jeugd steeds haar hoofd had omstraald, verduisterd hebben. Ik besloot daarom alles wat ik had bijgewoond in mijn hart op te sluiten en dáár schonk het haar beeld nieuwe bekoorlijkheid.
Terwijl wij aan het ontbijt zaten, ontving ik een brief van mijne tante. Ik meende dat Steerforth mij omtrent den inhoud goeden raad zou kunnen geven, beter zelfs dan iemand anders; en aangezien ik er mij op verheugde zijn raad in te winnen, scheen het mij het geschiktst toe den brief te bewaren tot ons vertrek en dien gedurende onze terugreis tot het onderwerp van ons gesprek te maken. Voor het oogenblik hadden wij genoeg te doen met afscheid te nemen van onze vrienden. Barkis betreurde ons vertrek zeker niet het minst en zou, daarvan ben ik overtuigd, gaarne nogmaals een guinje uit zijn kist te voorschijn gehaald hebben, indien hij ons daarmede nog twee dagen in Yarmouth had kunnen houden. Peggotty en de geheele familie, allen betreurden het dat wij heengingen. Bij Omer en Joram liep alles uit om ons vaarwel te zeggen en toen onze valiezen naar de diligence gebracht moesten worden, boden zich zooveel handen aan, dat, al hadden wij de bagage van een regiment gehad, er geen gebrek aan dragers zou geweest zijn. In één woord, wij vertrokken betreurd en bewonderd door allen, met wie wij in aanraking geweest waren en lieten een aantal menschen achter, die ons niet dan noode zagen vertrekken.
„Denkt gij nog lang hier te blijven, Littimer?” vroeg ik hem. Hij stond te kijken naar het inladen.
„Neen, mijnheer,” antwoordde hij, „waarschijnlijk niet heel lang, mijnheer.”
„Hij kan dat moeielijk juist bepalen,” zei Steerforth op onverschilligen toon. „Hij weet wat hij te doen heeft en dat zal hij doen.”
„O, daarvan ben ik overtuigd,” voegde ik er bij. Littimer raakte even aan zijn hoed als bewijs van erkentelijkheid voor de goede opinie, die ik van hem had, en ik had een gevoel alsof ik ongeveer acht jaar oud was. Hij raakte er nogmaals aan om ons goede reis te wenschen en wij lieten hem op het plaveisel staan, even deftig en geheimzinnig als de geheimzinnigste pyramide in Egypte.
Gedurende korten tijd bleven wij zwijgen; Steerforth was gewoonlijk niet zeer spraakzaam en ik had genoeg te doen met te denken aan mij zelven en aan de oude plekjes, die wij voorbij zouden rijden, en aan de veranderingen, die zij en ik zouden hebben ondergaan. Eindelijk werd Steerforth plotseling spraakzaam en opgeruimd—hij kon alles plotseling worden—en trok mij aan de mouw van mijne jas.
„Spreek op, David,” zei hij. „Wat hebt gij mij uit den brief te vertellen, dien gij aan het ontbijt ontvangen hebt?”
„O!” zei ik, den brief te voorschijn halende. „Hij is van mijne tante.”
„En waarover wenscht gij mij te raadplegen?”
„Wel, Steerforth,” zei ik, „zij herinnert er mij aan, dat ik op reis ging om eens wat in de wereld rond te kijken en eens na te denken over mijne toekomst.”
„En dat hebt gij natuurlijk gedaan?”
„Ik kan werkelijk niet zeggen dat ik het gedaan heb. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof, dat ik het vergeten heb.”
„Welnu, kijk dan rond en doe boete voor uwe achteloosheid,” zei Steerforth. „Kijk rechts en gij ziet een vlak land, tamelijk moerassig; kijk links en gij ziet hetzelfde. Kijk recht vooruit en gij vindt geen verschil; kijk achter u en gij zult hetzelfde ontwaren.”
Ik lachte en zei dat ik in hetgeen ik in het rond aanschouwde geen passende betrekking zag; waarschijnlijk was de vlakheid van het omringende landschap daarvan wel de oorzaak.
„En wat zegt uwe tante dienaangaande?” vroeg Steerforth, op den brief wijzende, dien ik in de hand had. „Raadt zij u iets aan?”
„O ja,” antwoordde ik. „Zij vraagt mij hoe ik er over zou denken ‚proctor’ te worden? Wat is uw oordeel daaromtrent?”
„Ja, dat weet ik niet,” zei Steerforth langzaam. „Mij dunkt, gij kunt dat even goed worden als wat anders.”
Ik kon niet nalaten te lachen omdat hij weder bezig was alle ambten en betrekkingen over één kam te scheren en ik zei hem dat ook.
„Wat is eigenlijk een proctor?” vroeg ik.
„Een proctor is een soort procureur,” antwoordde Steerforth. „Zij bestaan nog bij enkele ouderwetsche rechtbanken in Doctors' Commons—in een oud, vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof—en komen het meest overeen met de procureurs bij de gerechtshoven. Het zijn ambtenaren, die, volgens den gewonen loop der dingen, al voor twee eeuwen hadden moeten zijn uitgestorven. Ik kan u zijne functiën het best doen begrijpen, als ik u vertel, wat Doctors' Commons is. Dat is een afgelegen gebouw, waar men de kerkelijke wetten napluist en allerlei kunstgrepen verricht met verouderde parlementsakten, waarvan drie vierden van het menschdom niets meer weet en het andere vierde in de meening verkeert, dat ze in de dagen van de Edwards zijn opgegraven. Men heeft daar het monopolie van de processen over testamenten en huwelijken en van de geschillen tusschen schepen en booten.”
„Maar, Steerforth, welk een dwaasheid!” riep ik uit. „Gij bedoelt toch niet, dat er eenige verwantschap zou bestaan tusschen zeezaken en kerkelijke zaken?”
„Dat bedoel ik ook niet, beste jongen,” hernam hij; „ik zei alleen, dat ze behandeld en nagepluisd worden door datzelfde troepje menschen in diezelfde Doctors' Commons. Ga daar eens heen, dan zult gij hen bezig vinden te snuffelen in de zeetermen van Young's woordenboek naar aanleiding van eene aanvaring tusschen de ‚Nancy’ en de ‚Sarah Jane’; of hen hooren voorlezen, dat baas Peggotty en eenige visschers van Yarmouth in een storm zijn uitgevaren om hulp te bieden aan den in nood verkeerenden Oostindievaarder ‚Nelson’. Komt gij er op een anderen dag, dan zult gij hen de getuigen à charge en à décharge in zake een geestelijke, die uit den band is gesprongen, zien verhooren en bevinden, dat de rechter in het maritieme proces advocaat is in het kerkelijke of omgekeerd. Zij doen mij altijd aan acteurs denken: vandaag is de een rechter, morgen niet; nu eens zijn zij dit, dan dat, morgen weder wat anders; maar het zijn altijd kleine, voordeelige zaakjes, die op de wijze van een liefhebberij-comedie voor een uitgelezen publiek worden afgespeeld.”
„Maar advocaten en proctors zijn toch niet een en hetzelfde?” vroeg ik een weinig van mijn stuk gebracht. „Is 't wel?”
„Neen,” antwoordde Steerforth, „advocaten zijn rechtsgeleerden, mannen, die een doctorstitel behaald hebben aan de academie—dat is ook de reden, waarom ik er iets van weet. De proctors hebben de advocaten noodig. Beiden ontvangen een vrij aardig honorarium en gewoonlijk is hunne verhouding zeer vriendschappelijk; over het geheel zou ik u aanraden eens goed over Doctors' Commons na te denken, David. Zij vinden zich zelven daar nog al deftig, indien u dat eenigszins kan gerust stellen.”
Ik hield rekening met de luchthartige wijze, waarop Steerforth de geheele zaak behandelde, en dacht met zekeren eerbied aan de deftigheid en oudheid van dat „oude vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof”, zoodat ik mij volstrekt niet ongenegen betoonde om tante's raad op te volgen; zij liet mij geheel vrij in mijne keuze, maar vond er geen bezwaar in mij te zeggen, dat zij op het denkbeeld gekomen was, toen zij eenigen tijd geleden haar eigen proctor in Doctors' Commons had opgezocht om haar testament te mijnen gunste te veranderen.
„Dat is in elk geval eene zeer prijzenswaardige handelwijze van uwe tante,” zei Steerforth toen ik er over sprak; „een handelwijze, die aanmoediging verdient. Mijn raad is, Groentje, dat gij eens goed over Doctors' Commons nadenkt.” Ik nam mij voor dit ook te doen en vertelde toen aan Steerforth dat mijne tante, zooals zij mij geschreven had, mij te Londen wachtte en voor eene week kamers genomen had in een soort commensalenhuis in Lincoln's Inn Fields. Er was een steenen trap en een luik waardoor men gemakkelijk op het dak kon komen, want tante verbeeldde zich, dat elk huis in Londen des nachts gevaar liep om af te branden.
Wij legden het verdere gedeelte van onze reis op de aangenaamste wijze af en spraken nu en dan over Doctors' Commons en over de toekomst, wanneer ik proctor zijn zou; Steerforth gaf daar allerlei aardigheden over ten beste, zoodat wij in eene vroolijke stemming te Londen aankwamen. Hij ging naar huis met de belofte mij den volgenden dag te komen opzoeken, terwijl ik mij naar Lincoln's Inn Fields begaf en mijne tante wachtende vond met het avondeten. Had ik een reis om de wereld gemaakt, dan zouden wij niet blijder kunnen geweest zijn, dat wij elkander weder gezond en wel aantroffen. Tante schreide dikke tranen toen wij elkander omhelsden en zei, zich houdende alsof zij lachte: „als uwe moeder geleefd had, zou dat zwakke schepseltje zeker tranen gestort hebben!”
„En hebt gij mijnheer Dick zoo alleen gelaten, tante?” vroeg ik. „Dat spijt mij. Ha, Janet, hoe maakt gij het?”
Toen Janet eene neiging maakte en vroeg hoe het met mijne gezondheid was, zag ik tante's gezicht langer worden. „Het spijt mij ook,” sprak zij, haar neus wrijvend. „Ik heb sinds ik hier ben eigenlijk nog geen gerust uur gehad.”
Nog eer ik antwoorden kon vertelde tante mij de reden daarvan.
„Ik ben overtuigd,” sprak zij, hare hand met een zekere zwaarmoedige vastberadenheid op de tafel leggende, „dat Dick's karakter niet standvastig genoeg is om de ezels van het bleekveld te houden. Ik weet zeker dat hij dit niet flink genoeg doen zal; ik had Janet thuis moeten laten, dan zou ik geruster zijn geweest. En als het waar is dat er in mijne afwezigheid ezels op het gras hebben geloopen,” ging zij met nadruk voort, „dan moet er van avond om vijf uur een geweest zijn. Er voer mij een koude rilling door het lichaam—ik weet zeker dat er toen een ezel was.”
Ik trachtte haar op dit punt te troosten, maar zij wilde van geen troost weten.
„Er was een ezel,” hield zij vol, „en wel die met den korten staart, waarop de zuster van dien moordenaar reed, toen zij ons een bezoek brachten.” Dit was de eenige naam waaronder mijne tante juffrouw Murdstone kende. „Als er één ezel te Dover is, dien ik niet kan uitstaan, dan is het dat beest!”
Janet waagde het te doen opmerken dat mijne tante zich vermoedelijk noodeloos ongerust maakte, want dat de ezel, dien zij bedoelde, in den laatsten tijd gebezigd werd om zand en kiezel te rijden en zich dus moeilijk aan overtredingen kon schuldig maken. Tante wilde er echter niets van hooren.
Het souper werd gereed gezet en was lekker en goed warm, ofschoon de kamers van mijne tante vrij hoog in de lucht waren—ik weet niet of zij voor haar geld over meer steenen trappen wilde beschikken dan wel of zij dichter bij het bewuste luik wilde zijn—. Het bestond uit een gebraden hoentje, biefstuk en groenten en ik deed er alle eer aan, want het was uitmuntend. Tante had zoo haar eigenaardige denkbeelden over de levensmiddelen in Londen en at weinig.
„Ik wed dat dit ongelukkige hoentje in een kelder is grootgebracht,” zei tante, „en nooit de lucht heeft geroken dan op eene binnenplaats. Ik hoop dat die biefstuk van een rund is, maar ik betwijfel het. Niets is hier onvervalscht dan het slijk.”
„Zou die kip dan niet van buiten kunnen gekomen zijn?” opperde ik.
„Zeer zeker niet,” antwoordde tante. „Geen winkelier in Londen zou er plezier in hebben iets te verkoopen, dat werkelijk was hetgeen waarvoor hij het uitgaf.”
Ik waagde het niet haar tegen te spreken, maar soupeerde heel smakelijk, hetgeen zij mij blijkbaar met genoegen zag doen. Toen de tafel afgenomen was hielp Janet haar met haar kapsel en haar nachtmuts, die iets sierlijker was dan gewoonlijk—„er moest eens brand komen”, zei tante—en legde haar een omslagdoek over de beenen, zooals zij elken avond deed, opdat tante warm naar bed zou gaan. Daarna maakte ik volgens vaste regelen, waarvan niet de geringste afwijking geduld werd, een glas warmen wijn met water voor haar gereed en sneed een plakje geroosterd brood voor haar in lange reepjes. Toen bleven wij alleen en sleten verder den avond te zamen; mijne tante zat tegenover mij haar wijn met water te drinken en hare reepjes geroosterd brood er in te soppen, alvorens ze in den mond te steken; terwijl zij mij onder de kanten van hare nachtmuts door vriendelijk aankeek.
„Wel, Trot,” begon zij eindelijk, „hoe denkt gij over mijn voorstel om een proctor van u te maken? Of hebt gij er nog niet over nagedacht?”
„Ik heb er al heel veel over gedacht, lieve tante, en er ook lang en breed met Steerforth over gepraat. Ik zou heel graag proctor worden, inderdaad.”
„Komaan”, sprak zij, „dat is een goed begin.”
„Ik heb echter één bezwaar, tante.”
„En dat is, Trot?”
„Wel, tante, naar ik vernam is voor de betrekking van proctor eene storting benoodigd en ik ben daarom bang, dat ik u daarmede op groote kosten zou jagen.”
„Duizend pond, Trot, op den kop af.”
„Welnu, lieve tante,” hernam ik, mijn stoel wat dichter bijschuivende, „dat is eene groote som. Gij hebt het grootste gedeelte van mijne opvoeding bekostigd en zijt altijd even mild voor mij geweest in alle dingen, de edelmoedigheid zelve.... waarom ik meen dat er nog een aantal andere betrekkingen te vinden zijn, waarvoor zulk een som niet vereischt wordt en waarin ik toch ook met goeden wil en volharding vooruit kan komen. Zou het niet beter zijn dien weg in te slaan? Zijt gij er wel zeker van dat gij zooveel geld kunt missen en dat het verstandig is het op deze wijze te besteden? Ik verzoek u, mijne tweede moeder, dit wel te willen overwegen. Zijt gij er wel zeker van?”
Tante at eerst het reepje geroosterd brood op, waaraan zij bezig was, keek mij eenige oogenblikken doordringend aan, zette haar glas op den schoorsteenmantel, vouwde hare handen over den omslagdoek op hare knieën en zei:
„Trot, mijn kind, mijn eenige levensdoel is van u een goed, flink en gelukkig mensch te maken. Dat is mijn grootste wensch—van Dick insgelijks. Ik wilde wel dat sommige menschen Dick dit onderwerp eens hadden hooren bespreken. Ik verbaas mij telkens over zijne scherpzinnigheid. Maar niemand weet over hoeveel verstand die man te beschikken heeft, behalve ik.”
Zij hield een oogenblik op om mijne hand tusschen de hare te nemen en ging toen voort:
„Het is niet noodig, Trot, het verleden weer aan te roeren, tenzij het invloed hebben kan op de toekomst. Het is wel mogelijk dat ik meer vriendschap had moeten voelen voor uw armen vader. Wellicht had ik ook meer moeten blijven houden van uw lief, onnoozel moedertje, nadat uw zuster Betsey Trotwood mij zoo had teleurgesteld. Deze gedachte kwam tenminste bij mij op toen gij daar als een verwaarloosde, vuile straatjongen bij mij op het erf kwaamt. Van dat oogenblik af, Trot, zijt gij altijd mijn trots, mijn eer en mijne vreugde geweest. Niemand kan eenige aanspraak maken op hetgeen ik bezit”—zij aarzelde een oogenblik—„neen, niemand kan er eenige aanspraak op doen gelden en gij zijt mijn aangenomen kind.” Tot mijn groote verbazing had zij deze woorden op eenigszins verlegen toon uitgesproken. „Heb mij maar lief op mijn ouden dag en verdraag mijne kuren en grillen maar met geduld, dan zult gij voor die oude vrouw, wier leven lang zoo gelukkig en vreedzaam niet voorbijging als wel had kunnen zijn, meer doen dan zij ooit voor u doen kan.”
Het was de eerste maal dat ik tante het verleden hoorde aanroeren. Er lag eene zekere grootmoedigheid in de kalmte, waarmede zij dit nu deed en er ook weder van afstapte, die mijne achting en liefde voor haar zouden verhoogd hebben, als dat nog mogelijk geweest was.
„Alles is dus tusschen ons begrepen en afgesproken, nietwaar, Trot?” zei tante, „wij behoeven er dus niet verder over te spreken. Geef mij een kus en morgen ochtend na het ontbijt gaan wij naar de Commons.”
Dit gesprek bij den haard had langer geduurd dan ik gedacht had. Wij gingen laat naar bed en ik sliep in eene kamer op dezelfde verdieping als tante; mijne nachtrust was echter niet ongestoord, want telkens, wanneer zij een huurkoets of een marktwagen hoorde, klopte zij aan mijne deur en vroeg of ik de brandweer niet hoorde rijden? Tegen den ochtendstond sliep zij geruster en liet het mij ook doen.
Tegen den middag wandelden wij naar het kantoor van Spenlow en Jorkins in Doctors' Commons. Tante, die in iederen man, dien zij in Londen tegenkwam, een zakkenroller meende te zien, had mij haar beurs gegeven, waarin tien guinjes en eenig zilvergeld aanwezig waren.
Bij den speelgoedwinkel in Fleetstreet bleven wij een oogenblik staan, ten einde de reuzen op de klokken van de St. Dunstanskerk te zien slaan—wij hadden het uur van vertrek zoo geregeld, dat wij juist om twaalf uur hen bij dat werk moesten betrappen—en wandelden daarna naar Ludgate Hill en de St. Paulskerk. Juist hadden wij eerstgenoemde plaats bereikt, toen ik bemerkte, dat tante haar stap begon te verhaasten en angstig rondkeek. Op hetzelfde oogenblik zag ik, dat een armoedig gekleed man met een brutaal gezicht was blijven staan om ons te zien voorbijgaan en daarna ons achter opkwam en haar een duw gaf.
„Trot, beste Trot!” riep tante, op angstigen toon, terwijl zij mij in mijn arm kneep, „wat moet ik doen?”
„Maak u niet zoo angstig,” antwoordde ik. „Gij behoeft voor niets bevreesd te zijn. Ga dezen winkel binnen, dan zal ik wel spoedig van dien man afkomen.”
„Neen, neen, kind!” zei tante. „Spreek niet met hem.... voor al het geld der wereld niet! Ik smeek, ik beveel het u!”
„Goede Hemel, tante!” zei ik. „Hij is niets dan een onbeschaafde bedelaar.”
„Gij weet niet wat hij is!” hernam tante. „Gij weet niet wat hij is! Gij weet niet wat gij zegt!”
Intusschen waren wij een blinde steeg ingeloopen en blijven staan; de man stond voor de steeg.
„Kijk niet naar hem,” zei tante, toen ik mij verontwaardigd omkeerde, „haal liever een rijtuig voor mij en wacht op het St. Paulskerkhof.”
„Op u wachten?” herhaalde ik.
„Ja,” zei tante, „ik wil alleen blijven. Ik ga met hem mede.”
„Met hem, tante? Met dien man?”
„Ik weet zeer goed, wat ik zeg!” antwoordde zij, „en ik zeg u dat ik moet. Ga een rijtuig halen!”
Hoe verbaasd ik ook was, ik begreep dat ik niet het recht had te weigeren, aan zulk een stellig bevel te gehoorzamen. Ik liep eenige schreden de straat in en wenkte een huurrijtuig, dat toevallig ledig voorbijkwam. Nog eer ik de trede had kunnen neerslaan, sprong tante er in en de man volgde haar. Zij gaf mij met zulk een ernstig gezicht te kennen dat ik zou heengaan, dat ik, hoe verbaasd ook, het rijtuig onmiddellijk den rug toekeerde. Ik hoorde haar nog zeggen tegen den koetsier: „Rijd maar ergens heen! Rijd maar recht door!” en toen reden zij mij voorbij de hoogte op.
Nu kwam mij hetgeen mijnheer Dick verteld had en wat ik voor inbeelding gehouden had, weder voor den geest. Ik kon niet meer twijfelen of deze persoon was dezelfde, van wien hij op zulk eene geheimzinnige wijze melding gemaakt had, ofschoon ik mij onmogelijk kon voorstellen hoe hij zulk een macht over mijne tante had kunnen verkrijgen. Na een half uur op het kerkhof in de gelegenheid te zijn geweest om tot kalmte te komen, zag ik het rijtuig aankomen. De koetsier hield bij mij stil en mijne tante zat er alleen in. Zij was nog niet genoeg van hare ontroering bekomen om terstond het voorgenomen bezoek af te leggen, waarom zij mij verzocht naast haar plaats te nemen en den koetsier te zeggen, dat hij eenigen tijd langzaam op en neer moest rijden. Zij zeide niets dan: „Lieve Trot, vraag mij niet wat het was en denk er niet meer aan.” Eindelijk had zij hare kalmte geheel teruggekregen en zei, dat zij nu zeer goed in staat was om het rijtuig te verlaten. Toen zij mij hare beurs terug gaf, die ik haar in de steeg had overhandigd, ontwaarde ik dat alle guinjes verdwenen waren en zij niets dan het zilvergeld had overgehouden.
De toegang tot Doctors' Commons bestond in eene kleine, lage, overwelfde gang. Nauwelijks waren wij eenige schreden verder gegaan of het stadsgewoel scheen als door een tooverhand tot stilte te zijn gebracht en nog slechts heel in de verte voort te duren. Over eenige pleintjes en door nauwe straatjes kwamen wij aan het kantoor van de Heeren Spenlow en Jorkins; in het voorportaal van dezen tempel, waarin elke pelgrim zonder aankloppen mocht binnengaan, zaten drie of vier klerken copiewerk te verrichten. Een van hen, een klein, uitgedroogd mannetje, dat alleen zat en een stijve, bruine pruik droeg,—in weerwil van het gewicht van het oogenblik kon ik niet nalaten te denken dat die pruik van peperkoek gemaakt was—stond op, heette mijne tante welkom en liet ons in de kamer van mijnheer Spenlow.
„Mijnheer Spenlow is binnen, mejuffrouw,” zei het manneke, „het is vandaag zitting, maar het is hier dichtbij; ik zal hem dadelijk laten roepen.”
Toen wij alleen waren in afwachting van mijnheer Spenlow's komst, nam ik de gelegenheid te baat om eens rond te kijken. Het ameublement in deze kamer was ouderwetsch en stoffig, het groene laken op de schrijftafel had alle kleur verloren; er lagen zooveel bundeltjes papieren en processtukken, alle voorzien van een opschrift, waarop het Hof vermeld stond waarvoor ze behandeld waren, dat ik verward geraakte onder het groote aantal Hoven, en mij afvroeg of ik wel ooit die verschillende namen uit elkander zou kennen.
Behalve deze bundels papieren zag ik overal in het rond lijvige boekdeelen, die alle geschreven getuigenverhooren bevatten, van elke zaak afzonderlijk, alsof elke zaak een roman was in tien of twintig deelen. Dit alles zag er uit alsof hier uit een ruime beurs geput werd en gaf mij een aangenamen indruk van het proctorsambt. Nog was ik bezig met toenemend welgevallen dit en alles om mij heen te bekijken, toen wij haastige voetstappen hoorden in het voorportaal en mijnheer Spenlow binnenkwam in een zwarte toga met hermelijn gevoerd. Hij nam zijn hoed af en scheen haast te hebben. Overigens was hij klein van gestalte, had dun haar, droeg onberispelijke laarzen en de stijfste halsboord en de witte das, die ik ooit iemand heb zien dragen. Al zijne kleeren waren stijf dichtgeknoopt en zijne bakkebaarden zoo sierlijk gekruld, dat hij daaraan ongetwijfeld veel tijd moest besteden. Zijn gouden horlogeketting was zoo zwaar dat ik niet kon nalaten te denken aan een sterken, gouden arm om het horloge te voorschijn te halen, zooals men wel boven goudsmidswinkels aantreft. Hij was met zooveel zorg gekleed, en alles wat hij aan het lijf had was zoo stijf, dat hij zich onmogelijk kon buigen, en wanneer hij papieren inkeek, die op zijn schrijftafel lagen verplicht was zijn geheel lichaam voorover te buigen evenals Punch.
Ik werd terstond door mijne tante voorgesteld en allerbeleefdst ontvangen.
„Dus, mijnheer Copperfield,” zei hij „gij hebt het plan opgevat ons beroep voor het uwe te kiezen. Toen ik laatst de eer genoot een onderhoud te hebben met juffrouw Trotwood, deelde ik haar toevallig mede—op nieuw een buiging als Punch—dat hier eene plaats vacant is. Juffrouw Trotwood was wel zoo beleefd mij te vertellen dat zij een neef had, voor wiens opvoeding zij had zorg gedragen en dien zij nu gaarne in eene goede betrekking zou geplaatst zien. Indien ik het wel heb, heb ik nu het genoegen—weer Punch—dien neef voor mij te zien.”
Ik boog insgelijks en zei dat mijne tante mij op de hoogte had gesteld van de vacature; dat ik wel zin in deze betrekking had en in elk geval mijn best zou doen om er zin in te krijgen, maar dat ik daarvan niet zeker kon zijn als ik er niet meer van wist dan op dit oogenblik het geval was. „Hoewel het slechts voor den vorm is,” voegde ik er bij, „meen ik toch dat de gelegenheid bestaat mij op de hoogte te stellen alvorens mij onherroepelijk te verbinden.”
„O, zeker! zeker!” zei mijnheer Spenlow. „Wij geven altijd een maand proeftijd. Het zou mij aangenaam zijn, indien wij drie maanden konden geven, maar ik ben niet alleen. Mijnheer Jorkins....”
„En de borgtocht is duizend pond, nietwaar?” vroeg ik.
„De borgtocht—de onkosten van het zegel er onder begrepen—is duizend pond,” antwoordde mijnheer Spenlow. „Zooals ik juffrouw Trotwood reeds meedeelde, zou ik wel genegen zijn billijker voorwaarden te stellen, maar mijnheer Jorkins heeft zijn eigen denkwijzen in dit opzicht en ik moet die nu eenmaal respecteeren. Mijnheer Jorkins acht duizend pond eigenlijk te weinig.”
„Ik onderstel, mijnheer,” zei ik, mijne tante eenigszins willende verlichten, „dat het hier niet de gewoonte is een klerk, die zeer bruikbaar en geheel op de hoogte van zijne taak is,”—ik kreeg eene kleur, want deze woorden moesten wel den indruk maken alsof ik mij zelven wilde prijzen—„ik onderstel dat het niet de gewoonte is, later, zulk een klerk eenig honorarium...”
Mijnheer Spenlow lichtte met groote moeite zijn hoofd juist ver genoeg uit zijn boorden op om het te schudden en antwoordde, zonder mij den zin te laten voleindigen:
„Neen, ik zal niet zeggen hoe ik zelf over dit onderwerp denk, mijnheer Copperfield; maar ik ben niet alleen. Mijnheer Jorkins is op dat punt onvermurwbaar.”
Het denkbeeld, dat ik eenmaal van aangezicht tot aangezicht zou moeten staan met dien vreeselijken mijnheer Jorkins, joeg mij angst aan. Later kwam ik echter tot de ontdekking, dat hij iemand was met een zachtmoedig karakter, wel is waar een weinig somber, maar hij hield zich gewoonlijk achteraf en werd dan gebezigd als het onbarmhartige en hardnekkige element in de zaak. Indien een klerk verhooging vroeg van zijn salaris, wilde mijnheer Jorkins er nooit iets van weten. Als een cliënt draalde met het betalen van de kostenrekening, heette het dat mijnheer Jorkins op betalen aandrong en hoe pijnlijk dit mijnheer Spenlow ook aandeed, mijnheer Jorkins kende geen genade. De engel Spenlow zou steeds hart en hand geopend hebben gehad, indien de duivel Jorkins het hem niet had belet. Ouder wordende merkte ik op, dat er nog veel meer kantoren waren, die de zaken op dezelfde wijze behandelden als de firma Spenlow en Jorkins!
Er werd afgesproken dat mijne proefmaand zoo spoedig zou beginnen als mij beliefde en dat mijne tante noch in de stad behoefde te blijven noch daarheen behoefde terug te keeren, want het contract, waarvan ik het onderwerp uitmaakte, kon even goed ter teekening naar Dover worden gezonden. Toen wij het hierover eens waren, bood mijnheer Spenlow mij aan, mij mede te nemen naar het Hof en mij daar het een en ander te laten zien. Ik nam dit aanbod gaarne aan en zoo vertrokken wij, tante op mijnheer Spenlow's kantoor achterlatende; zij waagde zich daar niet, zooals zij zeide, en hield, naar ik vermoed, alle gerechtshoven voor buskruitmolens, die elk oogenblik in de lucht konden vliegen.
Mijnheer Spenlow bracht mij over een pleintje, door deftige huizen omringd; uit de doctorstitels voor de namen op de deuren maakte ik op, dat hier de geleerde advocaten woonden, waarvan Steerforth mij verteld had. Aan het einde van dit pleintje traden wij een huis en daarna een groot, somber vertrek binnen, dat mij denken deed aan een kapel. Het boveneinde van deze zaal was van het overige gedeelte door een hek afgesloten en daar, op een verhevenheid in den vorm van een hoefijzer, zaten bovenvermelde doctors in roode toga's, met witte pruiken, op ouderwetsche stoelen, zooals men ze vaak in eetzalen aantreft. Achter een lessenaar, zooals de predikanten op den preekstoel gebruiken, in het midden van het hoefijzer, zat een oude heer, dien ik, als ik hem in een dierentuin ontmoet had, voor een uil zou hebben gehouden, doch die, zooals mij later bleek, de president was. In de binnenruimte van het hoefijzer, doch lager, zaten eenige heeren, in dezelfde kleeding als mijnheer Spenlow, aan eene groene tafel. Hunne dassen waren alle even stijf en zij keken trotsch in het rond; dit laatste schijn ik echter niet goed gezien te hebben, want wanneer een van hen opgeroepen werd om eene vraag van den president te beantwoorden, zag ik telkens dezelfde schaapachtige uitdrukking op hun gelaat. Het publiek werd gevormd door een jongen met een bouffante om en een armoedig uitziend heer, die heimelijk beschuitkruimels zat te eten uit den achterzak van zijn jas. Beiden zaten bij de kachel in het midden van de zaal. De doodsche stilte in de zaal werd door niets verbroken dan door het snorren van de kachel en door de stem van een der doctors, die langzaam tusschen eene geheele bibliotheek van bewijsstukken doorliep en nu en dan eens stil bleef staan op zijn wandeling om een betoog te houden. Hoe het zij, ik woonde nooit in mijn leven elders zulk een droomerig, slaapverwekkend familiepartijtje bij en ik voelde dat het voor een jongmensch ongetwijfeld een kalmeerend middel zijn moest, om met deze lieden samen te werken—behalve misschien als cliënt.
Zeer voldaan over de deftigheid van dit ouderwetsche, afgelegen plekje, gaf ik aan mijnheer Spenlow te kennen, dat ik voorloopig genoeg gezien had, zoodat wij mijne tante gingen opzoeken. Met haar verliet ik dus Doctors' Commons weder; ik voelde mij zeer jong tegenover de heeren Spenlow en Jorkins en was mij bewust, dat de klerken, toen wij voorbijgingen, elkander met de pen in de zij staken en op mij wezen.
Zonder eenig nieuw avontuur kwamen wij te Lincoln's Inn Fields aan; alleen wekte een ongelukkige ezel voor een volgeladen groentekar pijnlijke herinneringen bij mijne tante op. Wij spraken weder lang en breed over mijne plannen, toen wij behouden en wel thuis waren en aangezien ik begreep, dat zij naar Dover terugverlangde, omdat zij zich, met het oog op brand, vervalschte levensmiddelen en zakkenrollers, geen half uur op haar gemak gevoelde in Londen, haalde ik haar over, zich niet verder om mij te bekommeren en mij gerust aan mij zelven over te laten.
„Ik ben hier morgen juist een week, mijn jongen, en heb dat ook gedacht,” antwoordde zij. „In Buckinghamstreet zijn een paar kamers te huur, die juist geschikt voor u zouden zijn.”
Na deze inleiding haalde zij eene advertentie te voorschijn, die zij zorgvuldig uit een nieuwsblad geknipt had, en las voor, dat in Buckinghamstreet, in de buurt van het Adelphi-theater kamers te huur waren met het uitzicht op de rivier; bijzonder lieve, gezellige kamers, zeer geschikt voor een ongetrouwd heer, die aan een der gerechtshoven werkzaam was. De kamers konden terstond betrokken worden. De huurprijs was matig en de huur kon desverlangd ook voor één maand worden aangegaan.
„Wel, tante!” riep ik uit, „dat is juist wat wij zoeken!” Ik kreeg een kleur van blijdschap bij de gedachte, alleen op kamers te zullen wonen.
„Kom dan,” antwoordde tante, terwijl zij onmiddellijk den hoed opzette, dien zij eene minuut te voren had weggelegd. „Wij zullen ze eens gaan bekijken.”
De advertentie verwees ons om inlichtingen naar eene zekere juffrouw Crupp; wij schelden daarom aan het onderhuis, waar wij vermoedden, dat juffrouw Crupp hare tenten had opgeslagen. Eerst na drie of vier malen gescheld te hebben konden wij er in slagen die dame te bewegen ons te woord te staan; eindelijk verscheen zij echter. Zij was eene forschgebouwde vrouw en droeg een nankingsche japon, waaronder een flanellen onderrok uitkwam.
„Kunnen wij de kamers ook zien, die gij te huur aanbiedt, juffrouw?” vroeg tante.
„Voor dezen heer?” zei juffrouw Crupp, terwijl zij in haar zak naar de sleutels zocht.
„Ja, voor mijn neef,” antwoordde tante.
„Ze zullen voor u geknipt zijn!” verklaarde juffrouw Crupp. Daarna gingen wij naar boven.
De kamers waren op de bovenste verdieping—eene groote geruststelling voor mijne tante, want ik was nu dicht bij het dak—en bestonden uit een klein portaaltje, waar men bijna niets zien kon, een provisiekamertje, waar volslagen duisternis heerschte, een zitkamer en een slaapkamer. De meubels waren oud, maar goed genoeg voor mij en waarlijk, men kon de rivier zien. Toen ik mijne ingenomenheid betuigd had, gingen tante en juffrouw Crupp naar het provisiekamertje om de voorwaarden te bespreken, terwijl ik op de sofa in de zitkamer plaats nam en mij nauwelijks kon voorstellen, dat ik voortaan in zulk een paleis zou wonen. Na een woordenstrijd, die nog al eenigen tijd duurde, keerden de dames terug en ik zag tot mijne groote blijdschap, zoowel op juffrouw Crupp's gezicht als op dat van mijne tante, dat zij het eens waren geworden.
„Zijn dit de meubels van den laatsten bewoner?” vroeg tante.
„Ja, mevrouw,” antwoordde juffrouw Crupp.
„Waar is hij gebleven?”
Juffrouw Crupp begon vreeselijk te hoesten en bracht intusschen met veel moeite uit:
„Hij is hier ziek geworden, mevrouw en..... uhu!.... uhu!.... uhu!.... groote Goedheid, hij is hier gestorven!”
„Hé, wat? waaraan?” vroeg tante.
„Wel, mevrouw, hij dronk te veel,” zei juffrouw Crupp op vertrouwelijken toon. „En rooken!”
„Rooken? Gij bedoelt toch niet dat de schoorsteenen rooken?” viel tante in.
„Neen, mevrouw, sigaren en pijpen.”
„Dat is in elk geval niet aanstekelijk, Trot,” zei tante, tot mij gewend.
„Neen, zeker niet,” antwoordde ik.
Kortom, toen tante zag hoe zeer ik ingenomen was met mijn nieuw verblijf, huurde zij de kamers voor een maand, om ze, indien ik na het einde daarvan tevreden was, voor een jaar in te huren. Juffrouw Crupp zou voor mijn linnengoed zorgen en voor mij koken en zei met nadruk, dat zij voor mij zorgen zou alsof ik haar eigen kind was. Twee dagen later zou ik mijn nieuw verblijf in bezit nemen en juffrouw Crupp verklaarde bij het afscheid den Hemel te danken, omdat zij nu iemand had, voor wien zij zorgen kon.
Op den weg naar huis vertelde tante mij, hoe zij vertrouwde, dat het leven, dat ik nu te gemoet ging, mij flinkheid en zelfvertrouwen zou geven, hetgeen alles was, dat ik noodig had. Zij herhaalde dit den volgenden dag meermalen, terwijl wij maatregelen beraamden om mijne kleederen en boeken van mijnheer Wickfield naar Londen te doen overzenden. Naar aanleiding daarvan schreef ik een langen brief met al de wederwaardigheden, op mijn uitstapje ondervonden, aan Agnes, en toen tante den volgenden dag heenging, nam zij dien brief mede. Ten einde niet al te lang over al deze bijzonderheden uit te weiden, voeg ik er nog slechts bij, dat zij met milde hand zorgde voor alles wat ik gedurende mijne proefmaand noodig had; dat Steerforth tot mijne groote teleurstelling en ook tot die van tante niet verscheen, en dat ik tante veilig zag zitten in de diligence op Dover, met Janet naast zich, blijde dat het goede leven van de ezels en hunne drijvers nu weer uit was. Toen de diligence uit het gezicht was, bleef ik een oogenblik in gepeins verzonken staan. Mijne gedachten dwaalden af naar den tijd, toen ik ook alleen in Londen was achtergelaten, en met een dankbaar hart sloeg ik den weg in naar Buckingham-street.