Opening
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | De in het origineel als uitgespatieerde tekst is weergegeven | | als uitgespatieerd. | | Cursieve tekst is weergegeven als #cursief#. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+
HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN
VAN
DAVID COPPERFIELD
DOOR
CHARLES DICKENS.
[Decoratieve illustratie]
OPNIEUW VERTAALD
DOOR
DUTRIC.
[Decoratieve illustratie]
Met een Voorrede van B. TER HAAR Bzn.
[Decoratieve illustratie]
C. MISSET.—DOETINCHEM.
VOORREDE.
In den zomer van 1870, terwijl de Fransch-Duitsche oorlog de aandacht van geheel Europa geboeid hield, viel een Engelsch vaartuig, dat eene reis om de wereld had gedaan, in eene Engelsche haven binnen. Eer de nieuw aangekomenen, na de eerste begroeting, tot hunne landgenooten de zoo natuurlijke vraag konden richten: „Wat nieuws is er in Europa?” klonk hun reeds de droeve tijding te gemoet: „Dickens is dood!” Dickens is dood... dat was voor die Engelsche pikbroeken het belangrijkste nieuws van alles—aan den Fransch-Duitschen oorlog dachten zij niet.
Sprekender blijk van algemeene achting en waardeering, een schrijver door zijn volk toegedragen, valt er moeilijk uit te denken.
Zóó bekend, zóó geliefd nu als Dickens bij de Engelschen is, zal hij in eenig ander land wel nooit worden. Zijne landgenooten toch vinden in zijne werken zich zelven terug met al hunne eigenaardige gewoonten, hunne bijzondere levensomstandigheden en hunne goede en slechte eigenschappen. Zij zien daarin niet alleen hunne wereldstad met haar onmiddellijken omtrek, maar tevens zoo menig hun bekend en geliefd landschap afgeschilderd met photografische nauwkeurigheid. Dat kan met een ander volk, ook met ons Nederlanders, nooit het geval worden.
Toch is Dickens, ook in ons vaderland, meer dan menig buitenlandsch schrijver bekend en geliefd.
Zijne werken danken dien opgang ongetwijfeld in de eerste plaats aan den fijnen geest, den echt Engelschen humor, waarvan zoo menige persoonsbeschrijving, zoo menig tafereeltje tintelt, maar niet minder aan de diepe menschenkennis, door den schrijver ten toon gespreid. Telkens is het ons, alsof het beeld van een onzer bekenden geteekend, ja meer nog, alsof een stukje van onze eigene innerlijke levensgeschiedenis geschreven werd. Hoevele door hem geschetste personen zijn, ook onder ons, tot een type geworden, zoodat wij telkens onwillekeurig uitroepen: „dat is precies...” Vul zelf de namen maar in, lezer. Hoevele gezegden, zijnen personen in den mond gelegd, zijn, ook onder ons, in een spreekwijze overgegaan! Maar bovenal danken Dickens' werken dien opgang aan zijne warme liefde voor de minder bedeelden in de maatschappij, gepaard aan zijn onwrikbaar geloof aan menschenadel.
Tengevolge van dit alles treffen wij bij hem de gelukkigste vereeniging van realisme en idealisme, of, juister gezegd, het ware, niet het eenzijdige en daardoor slechts schijnbare, in den grond onware realisme onzer dagen aan.
Volg hem gerust door de meest beruchte buurten, in de afschuwelijkste holen der misdaad, die Londen telt. Geen spatje van den modder der straten zal uw kleed bevlekken; geen kennismaking met eenige misdaad zal uwe verbeelding bezoedelen.
Dat juist geeft, naar mijne meening, Dickens aanspraak op den hoogsten lof als schrijver voor zijn volk. Er gaat van zijne werken een verheffende, veredelende invloed uit. Men wordt er frisscher, krachtiger, moediger door.
Wie zijn werken leest, loopt geen gevaar, een weekelijke en zenuwzwakke speelbal van een spookachtig noodlot te worden.
Met groote ingenomenheid nam ik daarom kennis van het voornemen van den heer Misset om het Nederlandsche volk een nieuwe, goedkoope uitgave van Dickens' meesterstuk „David Copperfield” aan te bieden.
De prijs is zoo laag gesteld, dat de kosten thans geen beletsel meer zijn om David Copperfield onder alle rangen der maatschappij te verbreiden.
Wat deze nieuwe vertaling betreft, zij heeft boven de bestaande dit voor, dat zij minder letterlijk en daarom gemakkelijker en aangenamer te lezen is. Toch is daarbij de geest van het oorspronkelijke getrouw bewaard.
De vertaler heeft getracht de dingen zoo te zeggen als Dickens, naar zijne overtuiging, ze gezegd zou hebben, indien hij een Nederlander was geweest.
Moge de Uitgever in zijne onderneming gelukkig slagen; menigeen zal hem dan voor de hoogst aangenaam doorgebrachte uren oprecht dankbaar zijn.
B. TER HAAR Bzn.
NIJMEGEN, Maart 1894.
HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN
VAN
DAVID COPPERFIELD.
I
Ik word geboren.
Of ik zelf dan wel een ander de held van deze geschiedenis worden zal, zullen de volgende bladzijden moeten leeren. Om te beginnen met het begin van mijne lotgevallen, deel ik mede dat ik—naar men mij verteld heeft en ik ook voor waarheid aanneem—geboren ben op een Vrijdag, te twaalf uur middernacht. De opmerking is gemaakt dat ik begon te schreeuwen op hetzelfde oogenblik dat de klok hare twaalf slagen deed hooren.
Dag en uur van mijne geboorte brachten de baker en eenige hoogst wijze vrouwen uit de buurt, die gedurende de eerste maanden levendig belang in mij stelden zonder dat ik persoonlijk kennis met haar maakte, tot het besluit dat mij een leven vol tegenspoed te wachten stond en ik in staat zou zijn spoken en geesten te zien; beide deze eigenschappen waren naar haar oordeel onherroepelijk verbonden aan kinderen, die des Vrijdags te middernacht het levenslicht aanschouwden.
Wat de eerste voorspelling betreft, daarvan behoef ik niets mede te deelen, want deze bladzijden zullen voldoende aantoonen of er al dan niet waarheid in gelegen is. Wat de tweede echter aangaat kan ik slechts verklaren dat, indien deze gave mij ten deel is gevallen, ik die als zuigeling moet hebben opgemaakt, aangezien mij daarvan op lateren leeftijd niets is overgebleven. Ik beklaag mij daarover in geenen deele en mocht iemand anders zich in het bezit er van verheugen, dan zij hem dat van harte gegund.
Ik werd met een helm geboren, die in de nieuwsbladen tegen den geringen prijs van vijftien guinjes te koop werd aangeboden. Ik weet niet of de zeevarenden op dat tijdstip slecht bij kas waren of de voorkeur gaven aan zwemgordels, maar het is een feit dat er slechts één bod werd gedaan en dit wel door een wisselmakelaar, die aanbood twee pond in contanten en de rest in sherry te betalen, maar geen penny meer wilde geven om tegen verdrinken gewaarborgd te zijn. Dientengevolge waren de onkosten van de advertentie noodeloos gemaakt—mijne arme moeder was in die dagen genoodzaakt haar eigen wijn zelfs te verkoopen—en tien jaar later werd de helm ergens in onze buurt onder vijftig deelnemers verloot tegen een halve kroon per hoofd, terwijl de winner nog vijf shilling zou toegeven. Ik was er bij tegenwoordig en herinner mij nog zeer goed hoe verlegen en beschaamd ik was, dat daar met een stukje van mij zelven op zulk eene wijze werd omgesprongen.
De helm werd gewonnen door eene oude juffrouw, die, hoewel met tegenzin, de afgesproken vijf shilling in halvestuivers uit haar hengelmandje te voorschijn haalde; zij gaf echter twee en een halven stuiver te weinig en er was heel wat tijd en heel wat rekenkunst noodig om haar dit aan het verstand te brengen. Als een hoogst merkwaardig feit moet ik hier vermelden, dat zij niet verdronken, doch zacht en kalm op haar bed overleden is, op haar tweeënnegentigste jaar. Later heb ik vernomen dat zij er zich op beroemde nooit op het water te zijn geweest dan op een brug en op hare theekransjes, waarvan zij eene eerste liefhebster was, meermalen hare verontwaardiging lucht gaf over de goddeloosheid van zeelieden en anderen, die de roekeloosheid begingen om door de wereld „rond te dolen.” Te vergeefs werd haar voorgehouden, dat allerlei geriefelijkheden—thee waarschijnlijk daaronder begrepen—aan dit verafschuwde bedrijf te danken waren; zij kwam telkens met nog grooter nadruk en voor zich zelve overtuigd van de onomstootelijke waarheid terug op hare meening: „Dat ronddolen moest niet plaats hebben.”
Ten einde ook zelf niet te gaan ronddolen, keer ik terug naar mijne geboorte.
Ik werd geboren te Blunderstone in Suffolk, zes maanden nadat mijn vader voor eeuwig de oogen gesloten had, zoodat ik een halve wees was. Zelfs nu nog komt er eene zonderlinge gewaarwording in mij op, wanneer ik bedenk dat hij mij nooit gezien heeft; maar vreemder nog wordt het mij te moede bij de vage herinnering aan mijne eerste kinderlijke opmerkingen over de witte zerk op het kerkhof, over de onbarmhartigheid, dat wij hem daar alleen lieten liggen in den duisteren nacht, terwijl in ons kleine kamertje de haard en de lamp brandden, ja, dat wij zelfs zoo wreed waren de deur te sluiten en te grendelen.
Eene tante van mijn vader en bijgevolg eene oudtante van mij, van wie ik bij gelegenheid nog wel eens iets heb te vertellen, was de voornaamste persoon in de familie. Miss Trotwood of miss Betsey, zooals mijne moeder haar altijd noemde, wanneer zij moed genoeg had om het gesprek op deze door haar zoo gevreesde persoon te brengen—hetgeen slechts zelden het geval was—was getrouwd geweest met een man, die jonger dan zij en heel mooi was, behalve in den zin van het aloude spreekwoord: „mooi is wie mooi doet”; hij stond namelijk onder verdenking miss Betsey geslagen en op zekeren dag, bij eene oneenigheid over geldelijke aangelegenheden, in drift gedreigd te hebben haar uit een venster van de tweede verdieping te zullen werpen. Dit zeer duidelijk bewijs van de onvereenigbaarheid hunner karakters had tante Betsey doen besluiten hem af te koopen en met wederzijdsch goedvinden van hem te scheiden. Hij vertrok met zijn geld naar Indië en volgens eene onzinnige overlevering in onze familie heeft iemand hem daar ontmoet, rijdende op een olifant en in gezelschap van eene Indische prinses. Hoe het zij, tien jaar later werd uit Indië zijn doodbericht ontvangen. Niemand heeft ooit geweten of dit bericht mijne tante bijzonder heeft getroffen; zij nam haar jongemeisjesnaam weder aan, liet een huisje voor zich bouwen in een klein dorpje aan de zeekust, vestigde zich daar metterwoon en bleef voortaan met ééne dienstmeid in de strengste afzondering leven.
Mijn vader had, naar ik meen, altijd een wit voetje bij haar gehad, maar zijn huwelijk kon zij hem nooit vergeven, omdat mijne moeder volgens hare bewering „een wassen popje” was. Zij had mijne moeder nooit ontmoet, maar wist dat zij nog niet ten volle twintig jaar oud was. Mijn vader heeft tante Betsey nooit meer gezien. Hij was twee malen zoo oud als mijne moeder en niet bijzonder sterk. Een jaar na het huwelijk stierf hij en, zooals ik reeds meedeelde, zes maanden na zijn dood aanschouwde ik het levenslicht.
Zoo was de stand van zaken in den namiddag van dien merkwaardigen Vrijdag—men zal het mij wel niet euvel duiden dat ik dien dag zoo noem. Ik kan er dus niet op bogen op dat tijdstip geweten te hebben hoe de zaken stonden of mij van hetgeen volgt iets te kunnen herinneren, dat op eigen waarneming is gegrond.
Mijne moeder zat in eene droefgeestige stemming en verre van gerust door hare tranen heen in het vuur te staren, vol angst en kommer over zich zelve en het kleine vaderlooze wezentje, dat door een paar lood spelden in eene lade op de bovenkamer welkom werd geheeten in eene wereld, wie zijne komst geen greintje belang inboezemde; mijne moeder zat, zooals ik zeide, bij het vuur op dien helderen, stormachtigen achtermiddag in Maart. Zij was verre van opgewekt en twijfelde of zij de proef, die zij zou moeten doorstaan, wel zou te boven komen. Terwijl zij nu het hoofd oplichtte om de oogen af te wisschen, zag zij plotseling eene vreemde dame door den tuin aankomen. Een onbedriegelijk voorgevoel zeide haar, dat die dame tante Betsey was. Zooals die vreemde dame daar, door de ondergaande zon over het tuinhek beschenen, kwam aanwandelen in eene stijve houding, bedaard alsof zij daar thuis was, kon het niemand anders zijn dan tante Betsey, en toen zij de woning bereikt had, gaf zij een overtuigend bewijs dat zij het was en niemand anders. Mijn vader had meermalen ter loops gezegd, dat zij zich zelden gedroeg als een gewoon christenmensch en ziet.... in plaats van te bellen, keek zij door het venster en drukte daartoe haar neus zoo hard tegen de ruiten dat, volgens verklaring van mijne moeder, dit lichaamsdeel in een oogenblik geheel plat en wit was geworden.
Mijne moeder was door deze verschijning zoo ontsteld, dat ik het ongetwijfeld aan tante Betsey te danken heb op een Vrijdag geboren te zijn. In hare ontsteltenis was mijne moeder van haar stoel opgestaan en had de wijk genomen naar een hoek van de kamer; maar tante Betsey bleef onderzoekend het vertrek rondkijken tot zij mijne moeder ontdekte, waarbij hare oogen in haar hoofd ronddraaiden als een moorenkop in eene ouderwetsche Friesche klok. Toen nam zij mijne moeder van het hoofd tot de voeten op en maakte, als iemand die gewoon is onmiddellijk gehoorzaamd te worden, een gebaar om de deur te komen openen. Mijne moeder voldeed aan haar verlangen.
„Mevrouw David Copperfield, onderstel ik?” vroeg tante Betsey; de nadruk, dien zij op deze laatste woorden legde, had waarschijnlijk betrekking op de rouwkleederen, die mijne moeder droeg en op den belangwekkenden toestand, waarin zij verkeerde.
„Jawel,” antwoordde mijne moeder schuchter.
„Juffrouw Trotwood,” stelde de bezoekster zich voor. „Gij zult wel eens over mij hebben hooren spreken, nietwaar?”
Mijne moeder antwoordde dat zij dit genoegen wel eens had gehad, maar had daarbij de onaangename gewaarwording, dat haar toon niet zulk een bijzonder groot genoegen te kennen gaf.
„En nu ziet gij haar voor u,” hernam tante Betsey.
Mijne moeder knikte en noodigde haar uit om binnen te komen.
Zij gingen naar het kamertje, waar mijne moeder gezeten had—in de mooie kamer brandde geen vuur en had sinds den dood van mijn vader geen vuur gebrand—en toen beiden hadden plaats genomen en tante Betsey niets zeide, begon mijne moeder, na zich vruchteloos er tegen verzet te hebben, te schreien.
„Tut, tut, tut,” zei tante Betsey met veel drukte, „dat behoeft nu volstrekt niet! Kom, kom!” Mijne moeder kon het echter niet laten en schreide daarom eerst uit.
„Neem uw mutsje eens af, mijn kind,” zei tante Betsey, „laat ik u eens bekijken.”
Hoewel mijne moeder lust gevoelde om aan dit zonderlinge verzoek geen gevolg te geven, was zij toch zoo bevreesd voor haar dat zij dit niet durfde. Zij deed daarom wat haar verzocht werd, maar met zulke zenuwachtig bevende handen dat haar volle, mooie haar los ging en over haar gelaat viel.
„Wel, lieve Hemel!” riep tante Betsey, „gij lijkt waarlijk nog op een schootkindje!”
Het was niet te loochenen dat mijne moeder er zelfs voor haar leeftijd buitengewoon jong uitzag; zij liet haar hoofdje hangen alsof het haar eigen schuld was, 't arme schepsel, en zei snikkend dat zij bang was eene kinderachtige weduwe te zijn en ook eene kinderachtige moeder te zullen wezen—als zij het leven er afbracht. Er volgde op deze woorden een oogenblik van stilte, waarin mijne moeder meende tante Betsey's hand op heur haar te voelen—heel zachtjes en vriendelijk—maar toen zij zich schuchter en bedeesd omwendde, hopende zich niet vergist te hebben, zag zij haar met den rand van haar rok opgeslagen, de handen over een knie gevouwen en de voeten op den haardrand naar het vuur staren.
„Waarom toch in 's Hemels naam Kraaiennest?” vroeg tante Betsey plotseling.
„Bedoelt gij het huis, tante?”
„Waarom, Kraaiennest?” herhaalde zij. „Hoe is het mogelijk dat menschen met gezond verstand zulk een naam aan hun huis kunnen geven?”
„Copperfield heeft dien naam gekozen,” antwoordde mijne moeder. „Toen hij het huis kocht, nestelden hier tallooze kraaien in den omtrek.”
De avondwind blies op dit oogenblik zoo hevig door eenige oude olmen in den tuin, dat mijne moeder noch mijne tante konden nalaten dien kant uit te kijken. Wanneer de olmen tot elkander overbogen gelijk reuzen, die geheimen hadden te verhandelen, en, na een oogenblik rust, weder in heftige beweging kwamen en hunne takken als armen uitstaken, alsof hunne vertrouwelijke mededelingen zoo snood waren dat ze hunne gemoedsrust verstoorden, werden werkelijk op de hoogste takken eenige verlaten kraaiennesten heen en weer geslingerd als wrakken op eene onstuimige zee.
„Waar zijn de vogels?” vroeg tante Betsey.
„De.....?” Mijne moeder had aan andere dingen zitten denken.
„De kraaien? Wat is er mee gebeurd?” herhaalde tante Betsey.
„Zoolang wij hier gewoond hebben is er geen enkele kraai geweest,” zei mijne moeder. „Wij meenden.... Copperfield meende.... dat er heel veel waren, maar het bleken oude nesten te zijn, die door de vogels waren verlaten.”
„David Copperfield op en top!” riep tante Betsey uit. „David Copperfield op en top! Noemt het huis ‚Kraaiennest’, terwijl er geen kraai in de buurt is en neemt maar op goed geloof aan dat er vogels zijn als hij de nesten ziet! O! O!”
„Mijn beste Copperfield is dood,” zei mijne moeder. „Ik verwacht dat gij niet op minachtenden toon over hem zult spreken....”
Ik geloof waarlijk dat mijne goede moeder een aanval op mijne tante op het oog had, die haar met een pink zou hebben kunnen omgooien, zelfs al was mijne moeder in gunstiger omstandigheden voor een gevecht geweest dan op dezen avond. Het bleef er echter bij dat zij van haar stoel opstond en weer ging zitten, waarna zij in eene flauwte viel.
Toen zij weder bijkwam of door tante Betsey was bijgebracht, stond deze bij het venster. De schemering was intusschen door volslagen duisternis opgevolgd en had de haard niet gebrand, dan zouden zij elkander in het geheel niet hebben kunnen zien.
„Wel?” zei tante Betsey, weder plaats nemende alsof er niets gebeurd was, „wanneer verwacht gij de nieuwe wereldburgeres?”
„Ik weet niet.... ik beef zoo....” stamelde mijne moeder. „Ik zal het zeker niet overleven”.
„Gekheid.... drink maar een kopje thee.”
„O, lieve Hemel, zou dat goed voor mij zijn?” riep mijne moeder radeloos uit.
„Zeker, zeker.... het is niets dan verbeelding,” hernam tante Betsey. „Hoe heet uw meisje?”
„Maar ik weet immers niet of het een meisje zijn zal,” antwoordde mijne moeder onschuldig.
„De Hemel beware het kind!” riep tante Betsey, de tweede spreuk op het bakerkussen in de lade herhalend, doch in plaats van op mij, op mijne moeder toepassende. „Dat bedoel ik niet; ik bedoel uw dienstmeisje.”
„Peggotty,” zeide mijne moeder.
„Peggotty!” herhaalde tante Betsey. „Gij zult toch niet beweren dat er ooit een menschelijk wezen in een christenkerk gedoopt is met den naam Peggotty?”
„Het is haar familienaam,” hernam mijne moeder bedeesd. „Copperfield noemde haar altijd zoo, omdat zij denzelfden voornaam heeft als ik.”
„Hela! Peggotty!” riep tante Betsey, de kamerdeur openende, „breng wat thee. Mevrouw is niet wel. Vlug wat!”
Nadat zij deze bevelen gegeven had op een toon van gezag, alsof er zoo lang het huis had bestaan nooit iemand anders aan het hoofd van de huishouding had gestaan dan zij, en na zich even vertoond te hebben aan de verbaasde Peggotty, die op het geluid van de vreemde stem met een kandelaar in de hand kwam aanloopen, sloot zij de deur en nam hare oude plaats weer in: met de voeten op den haardrand, den rok van de japon opgeslagen en de handen gevouwen over ééne knie.
„Gij zeidet zoo even dat gij niet wist of het een meisje zal zijn,” begon zij. „Ik ben er zeker van dat het een meisje zijn zal. Ik heb een voorgevoel dat het een meisje zijn zal. En, mijn kind, van het oogenblik van de geboorte van het meisje....”
„Misschien is het een jongen,” waagde mijne moeder op te merken.
„Ik zeg u: ik heb een voorgevoel dat het een meisje zijn zal,” herhaalde tante Betsey. „Spreek mij niet tegen. Van het oogenblik af, dat uw meisje geboren wordt, ben ik voornemens eene vriendin voor haar te zijn. Ik wil haar peet zijn en ik verzoek haar te noemen: Betsey Trotwood Copperfield. Deze Betsey Trotwood mag het aan niets ontbreken in haar leven en vooral mag er niet met het hart van het arme kind gespeeld worden. Zij moet eene goede opvoeding hebben en er voor behoed worden, haar vertrouwen te schenken aan onwaardigen. Daarvoor zal ik weten te zorgen.”
Na elken volzin knikte tante Betsey met het hoofd, alsof al het geleden onrecht weder bovenkwam; blijkbaar kostte het haar moeite om er niet telkens over te beginnen. Mijne moeder kwam dit ten minste zoo voor, toen zij haar gadesloeg bij het doffe schijnsel van het haardvuur; eigenlijk was zij te bang voor tante Betsey, te verlegen en te pijnlijk om alles goed waar te nemen en te weten, wat zij antwoorden moest.
„En was David een goed echtgenoot, mijn kind?” vroeg tante Betsey na eenige oogenblikken gezwegen te hebben; de bewegingen met het hoofd hadden nu geheel opgehouden. „Kondt gij het goed met elkaar vinden?”
„Wij waren heel gelukkig,” antwoordde mijne moeder. „Copperfield was eigenlijk veel te goed voor mij.”
„Hij heeft u zeker erg bedorven,” hernam tante Betsey.
„Ja, ik vrees wel dat hij het gedaan heeft,” snikte mijne moeder, „nu ik geheel alleen ben achtergebleven en op mijne eigen beenen moet staan in deze ruwe wereld, voel ik het maar al te goed.”
„Kom! Gij moet nu niet schreien!” zei tante Betsey. „Gij pastet niet bij elkander—alsof ooit twee menschen bij elkander passen—daarom deed ik deze vraag. Gij waart wees, niet waar?”
„Ja.”
„Gouvernante?”
„Ik was bonne bij eene familie waar Copperfield aan huis kwam. Copperfield was altijd heel vriendelijk jegens mij, bewees mij allerlei oplettendheden en bood mij eindelijk hart en hand aan. Ik wees hem niet af en zoo trouwden wij,” antwoordde mijne moeder op hare ongekunstelde manier.
„Och! Arm kind!” mompelde tante Betsey, terwijl zij met gefronst voorhoofd naar het vuur keek. „En hebt gij ook verstand van een en ander?”
„Hoe bedoelt gij dat, mevrouw?” stotterde mijne moeder.
„Van de huishouding bijvoorbeeld?”
„Niet veel, naar ik vrees,” antwoordde mijne moeder. „Niet zooveel als ik wel wenschte, maar Copperfield was een goed leermeester....”
„En hij wist er zelf zooveel van!” riep tante Betsey uit.
„.... en ik zou zeker spoedig op de hoogte zijn geweest, want ik was zeer begeerig om te leeren en hij geduldig in het onderrichten, indien mij niet het groote ongeluk van zijn dood....” mijne moeder barstte opnieuw in tranen uit en kon niet voortgaan.
„Zoo, zoo!” zei tante Betsey.
„Ik hield mijn huishoudboek geregeld aan en maakte elken avond met Copperfield de balans op,” riep mijne moeder in wanhoop uit. Zij was op het punt om nogmaals flauw te vallen.
„Zoo, zoo!” herhaalde tante Betsey. „Maar schrei dan toch niet zoo.”
„.... En ik verzeker u dat wij nooit een enkel woord verschil er over hadden dan wanneer Copperfield vond, dat mijne drieën en vijven te veel op elkaar geleken of dat ik te groote krullen aan de zevens en negens maakte,” vervolgde mijne moeder snikkende en bleef al weder steken.
„Gij zult u nog ziek maken,” zei tante Betsey, „en dat zou noch voor u, noch voor mijn peetdochtertje goed zijn. Kom! Laat dat nu maar!”
Dit argument bracht mijne moeder een weinig tot kalmte en nu volgden er eenige oogenblikken stilte, alleen afgebroken door het herhaalde ‚Zoo, zoo!’ van tante Betsey, die met de voeten op den haardrand zat.
„Ik weet dat David eene lijfrente voor zichzelven gekocht had,” sprak zij eindelijk. „Wat heeft hij voor u gedaan?”
„Copperfield,” antwoordde mijne moeder—het kostte haar zichtbaar inspanning—„Copperfield is zoo omzichtig geweest om een gedeelte daarvan op mijn naam te doen overschrijven.”
„Hoeveel?” vroeg tante Betsey.
„Honderd en vijf pond 's jaars,” antwoordde mijne moeder.
„Dat had slimmer kunnen zijn,” zei tante. Het woord „slimmer” was met het oog op de omstandigheden van dit oogenblik zeer eigenaardig gekozen. Mijne moeder was zooveel „slimmer”, dat Peggotty, die met de lamp en het theeblad de kamer binnenkwam, ziende hoe onwel mijne moeder was—ware het lichter geweest, dan zou tante Betsey het ook wel opgemerkt hebben—haar terstond naar boven, naar hare eigen kamer bracht en haar neef, Ham Peggotty, die reeds eenige dagen heimelijk, zonder dat mijne moeder het wist, in de keuken opgesloten was geweest om in geval van nood als koerier dienst te doen, naar den dokter en de baker zond.
Deze verbonden machten waren niet weinig verbaasd, toen zij, eenige minuten na elkander binnenkomend, eene vreemde dame met een onheilspellend uiterlijk bij den haard vonden zitten, met de muts over den linkerarm en watten in de ooren. Peggotty kon geen opheldering omtrent haar geven en mijne moeder sprak ook geen woord over haar, zoodat zij daar zat als een levend geheim; terwijl het feit, dat zij een geheele scheepslading watten in hare zakken scheen te hebben en maar voortging met het vullen van hare ooren, volstrekt geen afbreuk deed aan het statige in haar voorkomen.
Toen de dokter, die terstond naar boven was gegaan, weder beneden kwam en zich, naar ik onderstel, intusschen gemeenzaam gemaakt had met het denkbeeld, dat hij waarschijnlijk eenige uren tegenover die vreemde dame bij den haard zou moeten zitten, had hij zonder twijfel besloten zoo beleefd en gezellig mogelijk te zijn. Hij was de zachtzinnigste man, dien men zich denken kan, die kleine dokter Chillip. Hij deed altijd zijn best, om waar hij ook was zoo min mogelijk plaats in te nemen en liep nog zachter dan het spook in Hamlet. Hij droeg het hoofd een weinig op zijde, zoowel uit bescheiden geringschatting van zich zelven, als om iedereen verzoenend te stemmen. Het is te weinig, indien ik beweer dat hij zelfs geen hond een barsch woord zou hebben kunnen toevoegen—hij zou het zelfs geen kwaden hond hebben kunnen doen. Hij zou hem misschien een vriendelijk woord of een half woord of een stukje van een woord hebben toegevoegd, want hij sprak even zacht als hij liep; maar hij zou hem voor geen geld ter wereld boos of barsch hebben kunnen aanspreken.
Mijnheer Chillip dan keek mijne tante vriendelijk aan, met het hoofd op zijde, maakte eene kleine buiging en op de watten doelende, raakte hij even haar linker oor aan, zeggende:
„Eene plaatselijke aandoening, mevrouw?”
„Wat?” riep mijne tante, terwijl zij de watten als een kurk uit een der ooren trok.
Mijnheer Chillip ontstelde zoo van dezen uitval, dat het, zooals hij later aan mijne moeder vertelde, een wonder was dat hij zijne tegenwoordigheid van geest niet verloor. Hij herhaalde op vriendelijken toon:
„Een plaatselijke aandoening, mevrouw?”
„Nonsens!” antwoordde mijne tante en kurkte haar oor met één duw weder dicht.
Dokter Chillip kon daarna niets doen dan nu en dan een nieuwsgierigen blik op haar werpen, terwijl zij in het vuur zat te kijken, totdat hij weder boven geroepen werd. Na een kwartier ongeveer kwam hij weer beneden.
„Wel?” vroeg mijne tante, terwijl zij het oor, dat het dichtst bij hem was, ontkurkte.
„Ja, mevrouw,” antwoordde hij, „wij vor.... vor.... deren langzaam, mevrouw.”
„Zoo—o—o” zeide zij en stopte het oor weer toe.
Daar lag zooveel minachting in den toon, waarop zij dit enkele woord uitsprak, dat zelfs dokter Chillip—zooals hij later aan mijne moeder vertelde—zich beleedigd gevoelde, wel te verstaan, alleen als deskundige. Toch bleef hij nog twee uren lang in haar gezelschap, terwijl zij in het vuur zat te staren. Toen werd hij weder boven geroepen en teruggekomen, volgde dezelfde vraag:
„Wel?”
„Wel, mevrouw, wij vor.... vorderen langzaam, mevrouw.”
„Ja...a...!” zei tante Betsey en snauwde den armen dokter op zulk een wijze af, dat hij het niet langer kon verdragen. Hij zou er geheel door van zijn stuk zijn geraakt, verklaarde hij later. Hij gaf er daarom de voorkeur aan op de donkere, tochtige trap te gaan zitten, tot hij weer boven werd geroepen.
Ham Peggotty, die op de volksschool ging en uitnemend tehuis was in zijn cathechismus, waarom hij als een geloofwaardige getuige mag aangemerkt worden, vertelde den volgenden dag, dat, toen hij het een uur later waagde om de deur van het kleine kamertje te kijken, hij onmiddellijk door tante Betsey, die zenuwachtig heen en weer wandelde, ontdekt en bij den kraag gegrepen werd; dat het geluid van voetstappen en stemmen van de bovenkamer zonder twijfel door de watten moet zijn gedrongen, want het bleek duidelijk dat de dame hem tot afleider gebruikte, wanneer die geluiden het hevigst waren; dat zij voortdurend met hem op en neer liep alsof hij ontnuchterd moest worden, hem bij den kraag van zijne jas bleef vasthouden en hem bij elken kreet, die van boven tot haar doordrong, door elkander schudde, zijn haar door de war haalde, zijn boordje verkreukelde en zijne ooren dichtstopte in de meening dat het de hare waren en hem op alle mogelijke wijzen mishandelde en havende. Gedeeltelijk werd dit ook door zijne tante bevestigd die hem om half één terugzag en verklaarde, dat hij toen even rood was als ik.
De goedhartige dokter Chillip, die geen kwaad met kwaad wilde vergelden—dat deed hij trouwens nooit—kwam, zoodra hij boven gereed was, de kamer binnen en zeide met zijne zachtste stem: „Nu, mevrouw, ik ben blijde u te kunnen gelukwenschen.”
„Waarmede?” vroeg mijne tante bits.
Dokter Chillip ontstelde nogmaals van den barschen, onaangenamen toon mijner tante; hij maakte daarom weder eene kleine buiging en glimlachte, ten einde haar wat zachter te stemmen.
„Lieve Hemel, wat een man! Wat wil hij toch?” riep tante ongeduldig uit. „Heeft hij zijne spraak verloren?”
„Kalm, mijne waarde mevrouw,” sprak dokter Chillip bijna onhoorbaar. „Er is volstrekt geen reden tot eenige bezorgdheid. Gij kunt gerust zijn.”
Het mag nog altijd een wonder genoemd worden, dat mijne tante hem toen niet, evenals Ham, bij den kraag heeft gepakt, ten einde hetgeen hij te zeggen had uit hem te schudden. Zij boog haar eigen hoofd alleen voorover, maar zij deed dit op eene wijze, dat al zijn moed hem in de schoenen zonk.
„Wel, mevrouw,” herhaalde hij, toen hij zich een weinig hersteld had, „ik ben blijde u te kunnen gelukwenschen. Alles is uitnemend afgeloopen.”
Gedurende de vijf minuten of daaromtrent, die dokter Chillip noodig had om deze redevoering af te steken, staarde mijne tante hem doordringend aan.
„Hoe gaat het haar?” vroeg zij, de armen over elkander slaande, niettegenstaande haar hoed nog over haar linker arm hing.
„Wel, mevrouw, zij zal spoedig geheel hersteld zijn, naar ik hoop,” antwoordde dokter Chillip. „Zij zal zich spoedig zoo wel gevoelen als eene jonge moeder onder zulke omstandigheden doen kan. Er bestaat geen enkel bezwaar voor u om niet eens bij haar te gaan. Het zal haar integendeel goed doen.”
„En zij? Hoe gaat het haar?” vroeg mijne tante bits.
Dokter Chillip bracht zijn hoofd nog een weinig meer op zijde en keek haar aan als een tam vogeltje.
„Het kind,” zei mijne tante. „Hoe maakt zij het?”
„Ik meende dat gij het al wist, mevrouw,” antwoordde dokter Chillip. „Het is een jongen.”
Mijne tante sprak geen woord meer, doch nam haar hoed bij de banden, op de wijze zooals men een slinger aanvat, sloeg er mede naar dokter Chillip's hoofd, zette hem op en liep boos heen om niet meer terug te komen. Zij verdween als eene misnoegde fee, of als een van die bovennatuurlijke wezens, die, naar de overlevering luidt, voor mij zichtbaar zouden zijn—en kwam nooit meer terug.
Neen; ik lag in mijn wiegje, en mijne moeder in haar bed, maar Betsey Trotwood Copperfield behoorde voor altijd tot het land der droomen en schimmen, tot het geheimzinnige land, waaruit ik zooeven was aangekomen; en het licht uit onze kamer viel door het venster op de laatste rustplaats van tallooze dergelijke reizigers en op die van hem zonder wien ik er nooit zou zijn geweest.
II
Ik begin op te merken.
De eerste voorwerpen, die eenigszins duidelijk in mijn geheugen opdoemen, wanneer ik mij mijne eerste levensjaren voor den geest haal, zijn mijne moeder met haar mooie haar en hare jeugdige vormen en Peggotty zonder eenige vormen en met oogen zoo donker, dat ze haar geheele gelaat schenen te verduisteren, en armen zoo hard en zoo rood, dat het mij altijd verbaasde waarom de vogels niet liever daarin pikten dan in de appels in onzen tuin. Ik herinner mij beiden zeer goed, maar zij nemen altijd kleinere verhoudingen voor mij aan, omdat ik ze mij voorstel gebukt of in knielende houding tegenover elkander op den grond, terwijl ik van de eene naar de andere waggel. Ook is mij nog de gewaarwording bijgebleven, die ik ondervond, wanneer ik Peggotty's wijsvinger aanraakte, als zij die naar mij uitstak; die vinger was van het naaien zoo ruw geworden als een muskaatraspje. Het is mogelijk slechts verbeelding van mij dat ik mij dit herinner, hoewel ik van meening ben dat onze herinnering veel verder reikt dan menigeen vermoedt; evenzeer geloof ik dat het waarnemingsvermogen bij jonge kinderen inderdaad verbazend scherp is in het kleine kringetje, waarin zij zich bewegen. Ik ben zelfs van oordeel dat van menschen, die zich door eene fijne opmerkingsgave onderscheiden, eerder gezegd kan worden, dat zij die niet verloren dan dat zij die verkregen hebben en dit te eerder, omdat ik meen opgemerkt te hebben, dat zulke menschen eene zekere frischheid, zachtheid en vatbaarheid voor eenvoudige genoegens hebben behouden, die zij als eene erfenis uit hunne kindsheid hebben bewaard.
Ik mag wel vergeving vragen, omdat ik weder aan het ‚ronddolen’ ben gegaan, doch het aangevoerde brengt mij als van zelf tot de opmerking, dat ik tot dit besluit gedeeltelijk gekomen ben door de ervaring, die ik op mij zelven heb opgedaan; indien het dus in den loop van dit verhaal mocht blijken, dat mij als kind eene buitengewone opmerkingsgave was toebedeeld of als man eene levendige herinnering van mijne kindsheid is bijgebleven, dan mag ik zekerlijk aanspraak maken op deze beide eigenschappen.
Wanneer ik, zooals ik reeds zeide, op mijne eerste jeugd terugzie, staan mijne moeder en Peggotty in mijne herinnering op den voorgrond. Wat kan ik mij nog meer herinneren? Laat ons eens zien. Het eerst komt het huis, waarin wij wonen, uit den nevel te voorschijn; het is niet nieuw, maar gezellig ingericht. In de benedenverdieping is Peggotty's keuken met eene deur, die op een plaatsje uitkomt, waarop een duiventil stond zonder duiven en een groot hondenhok zonder hond; ook bevinden zich daar eene menigte kippen, die bijzonder groot zijn in mijne herinnering en deftig rondstappen. Er is één haan bij, die op een paal vliegt om te kraaien en mij voortdurend in het oog houdt, wanneer ik door het keukenraam naar hem kijk; in mijne herinnering ben ik bang voor hem, zoo trotsch en kwaadaardig kijkt hij in het rond. Des nachts droom ik van de ganzen, die mij met hunne logge lichamen nawaggelen, wanneer ik het zijpoortje durf naderen; ik droom daarvan zooals een man, die voortdurend tusschen de wilde dieren leeft, over leeuwen zou droomen.
Een lange gang—in mijne herinnering een vergezicht—voert van de voordeur naar Peggotty's keuken. Eene sombere provisiekamer komt daarin uit en des avonds loopt men die liefst maar zoo snel mogelijk voorbij; ik weet nog niet wat daar tusschen die tonnen en potten en oude theekisten schuilde, die te zien kwamen wanneer daar iemand met een klein lampje binnenging en een gemengde geur van zeep, inmaak, peper, kaarsen en koffie door de geopende deur naar buiten drong. Verder zijn er twee kamers: de eene, waarin wij, mijne moeder, Peggotty en ik, 's avonds zitten—Peggotty zit altijd bij ons binnen, wanneer zij haar werk heeft gedaan en er geen vreemden zijn—en dan de mooie kamer, waar wij des Zondags zitten; deze is deftiger ingericht, maar niet zoo gezellig. Deze kamer heeft een somberen, naargeestigen indruk bij mij achtergelaten, want Peggotty vertelde mij—ik weet niet wanneer, maar het schijnt mij eeuwen geleden toe—dat bij gelegenheid van de begrafenis mijns vaders de volgers daar hunne zwarte mantels omdeden. Op zekeren Zondagavond las mijne moeder Peggotty en mij daar voor over Lazarus en diens opwekking uit den doode en was ik zoo angstig geworden, dat men mij later uit mijn bed moest nemen en naar het venster brengen, zoodat ik bij het heldere maanlicht het kerkhof kon zien, waar de dooden allen rustig in hunne graven lagen.
Nooit heb ik iets gezien, dat zoo groen was als het gras op dat kerkhof, nooit zag ik lommerrijker plekje, nooit iets dat kalmer indruk maakte dan deze grafzerken. Wanneer ik des morgens op mijne knietjes ging liggen in mijn bedje, dat in een afgeschoten gedeelte van de slaapkamer mijner moeder was geplaatst, kon ik daar de schapen zien grazen en den rooden gloed op den zonnewijzer en dacht: „zou de zonnewijzer blijde zijn dat hij weer kan vertellen hoe laat het is?”
En dan onze bank in de kerk. Wat heeft die bank een hooge rugleuning. Van onze plaats af kan ik door een der ramen ons huis zien en Peggotty kan het ook zien en ziet er onder de morgengodsdienstoefening ook zoo dikwijls naar als zij kan, om zich te overtuigen of het ook bestolen wordt of in brand staat. Maar al dwalen Peggotty's oogen dikwijls af, toch kijkt zij heel boos wanneer de mijnen het doen; en wanneer ik in de bank opsta ziet zij mij met gefronste wenkbrauwen aan en beduidt mij dat ik naar den dominee moet kijken. Maar ik kan niet voortdurend naar den dominee kijken; ik ken hem wel, ook al heeft hij die witte bef niet aan, en ik ben bang dat hij verwonderd zal zijn als ik hem zoo voortdurend aankijk, dat hij zal ophouden om te vragen waarom ik dat doe—en wat dan? Het is een vreeselijk gevoel als men in de kerk moet gapen, maar ik kan het nu en dan niet nalaten. Ik kijk naar mijne moeder, maar zij doet alsof zij mij niet ziet. Ik kijk naar een jongen dicht bij den ingang en hij trekt leelijke gezichten. Ik kijk naar het zonlicht, dat door de openstaande deur van het portaal naar binnen dringt, en daar zie ik een afgedwaald schaap—ik bedoel geen zondaar maar een heusch schaap—dat voornemens schijnt de kerk binnen te komen. Ik voel dat ik, als ik er nog langer naar kijk, niet zal kunnen nalaten iets hardop te zeggen—en wat zou er dan met mij gebeuren? Ik kijk naar de grafschriften en tracht aan mijnheer Bodgers, den vorigen predikant, te denken en aan het verdriet, dat mevrouw Bodgers moet gehad hebben, toen haar echtgenoot zoo zwaar ziek lag en geen geneeskundige hulp meer kon baten. Ik zou wel eens willen weten of zij dokter Chillip ook geroepen hebben en of hij ook geen hulp heeft kunnen verschaffen; en indien dit zoo is, hoe dokter Chillip het vindt om elke week daaraan herinnerd te worden. Ik kijk van dokter Chillip in zondagsgewaad naar den preekstoel en stel mij voor welk een prettige speelplaats deze zou zijn, hoe goed hij voor kasteel zou kunnen dienen en hoe heerlijk het zijn zou om, wanneer andere jongens de trap bestormden, hen met het fluweelen kussen met kwasten om de ooren te smijten. Gaandeweg vallen mijne oogen dicht en ik verbeeld mij dat de dominee in de warmte een slaapliedje zingt.... ik hoor niets, totdat ik met een smak op den grond val en Peggotty mij meer dood dan levend opbeurt en wegbrengt.
En nu zie ik de buitenzijde van ons huis met de zonneblinden voor de vensters van de slaapkamer, die open staan om de frissche lucht binnen te laten; ik zie de overblijfselen van de oude kraaiennesten in de olmboomen in den voortuin. En nu ben ik in den achtertuin achter het plaatsje, waar het ledige hondenhok en de duiventil staan—een ware lusthof voor de kapelletjes, met eene hooge schutting, een poortje en een hangslot, waar vruchten aan de boomen hangen, rijper en sappiger dan in welken tuin ook en waar mijne moeder staat te plukken, terwijl ik haastig de gesnoepte aalbessen inslik en dan rondkijk alsof er niets gebeurd is. Er komt plotseling een hevige wind opzetten en dan is de zomer in een oogwenk voorbij. Wij spelen in de schemering en dansen de kamer rond en wanneer mijne moeder buiten adem is en in den grooten leunstoel uitrust, kijk ik hoe zij hare lange krullen om hare vingers windt en het lijf van hare japon glad trekt; niemand weet beter dan ik hoe prettig zij het vindt, dat zij er zoo goed uitziet en hoe trotsch zij is op haar mooi gezichtje.
Dit zijn de indrukken van mijn eerste kinderjaren, dit en een onbestemd gevoel dat wij beiden een weinig bang waren voor Peggotty en ons in de meeste dingen schikten naar haar wil.
Op zekeren avond zaten Peggotty en ik alleen bij den haard in het kleine kamertje. Ik had Peggotty voorgelezen van krokodillen. Ik moet bijzonder duidelijk gelezen of de goede ziel moet met groote aandacht geluisterd hebben, want ik herinner mij dat, toen ik het hoofdstuk had uitgelezen, zij in de meening verkeerde dat krokodillen een soort van groente waren. Ik was vermoeid van het lezen en halfdood van den slaap, maar omdat ik met veel moeite de toestemming verkregen had om op te blijven tot mijne moeder, die bij een der buren een bezoek aflegde, terugkwam, zou ik natuurlijk liever op mijn post zijn doodgebleven dan naar bed te gaan. Ik had dien zekeren graad van slaperigheid bereikt, waarin alles, ook Peggotty, reusachtige afmetingen begon aan te nemen. Ik spalkte mijne oogleden met de beide voorste vingers open en keek haar strak aan, terwijl zij zat te werken met het kleine eindje waskaars voor zich, dat zij gebruikte om den draad door te halen—wat was het oud en in alle richtingen doorsneden!—en het kleine huisje met het rieten dak, waarin haar elletje lag, en het naaidoosje met den schuifdeksel waarop eene voorstelling van de Sint Paulskerk met een rozerood koepeldak geschilderd was. En dan keek ik weder naar haar vinger met den vingerhoed van geel koper en naar haar zelve en vond haar mooi. Ik was zoo slaperig dat ik ook werkelijk in een vasten slaap zou zijn gevallen, als ik niet voortdurend mijne oogen op iets gevestigd had gehouden.
„Peggotty,” vroeg ik plotseling, „zijt gij nooit getrouwd geweest?”
„Goede hemel, jongeheer David,” riep Peggotty uit, „hoe komt het in u op?”
Zij antwoordde met zulk een drift dat ik er plotseling geheel wakker van werd. En toen hield zij op met werken en keek mij aan, terwijl zij de naald zoover van zich afhield als de draad lang was.
„Zijt gij heusch nooit getrouwd geweest, Peggotty?” herhaalde ik. „Gij zijt immers een mooie vrouw.... zijt gij niet?”
Wel is waar vond ik eenig verschil tusschen haar en mijne moeder, maar ik beschouwde haar als een uitnemend voorbeeld van eene andere soort van ‚mooi’. Er was in onze mooie kamer een voetkussen, waarop mijne moeder een bouquet had gewerkt. De grond van dat voetkussen en de kleur van Peggotty's gelaat kwamen geheel overeen; wel was het kussen zacht en Peggotty ruw, maar dat deed er niet toe.
„Ik mooi, David!” zei Peggotty. „O, Heere, neen, mijn beste jongen! Maar hoe komt gij zoo over trouwen te denken?”
„Dat weet ik niet! Maar men mag immers maar met één persoon te gelijk trouwen, nietwaar Peggotty?”
„Zeker,” antwoordde Peggotty zoo beslist mogelijk.
„Maar wanneer men met iemand getrouwd is en die iemand sterft, mag men dan weder met een ander trouwen, Peggotty?”
„Jawel, beste jongen, als men dat verkiest; maar daarover denkt de een zus en de ander zoo.”
„En hoe denkt gij er over, Peggotty?” vroeg ik, terwijl ik haar nieuwsgierig aankeek, omdat zij mij zoo nieuwsgierig aankeek.
„Ik denk daarover,” antwoordde Peggotty, terwijl zij de oogen van mij afwendde en haar werk opnam, „dat ik nooit getrouwd ben geweest, jongeheer Davy, en dat ik ook wel nooit trouwen zal. Dat is alles wat ik er van weet.”
„Gij zijt immers niet boos op mij, Peggotty?” vroeg ik, na eenige oogenblikken te hebben gezwegen.
Ik meende inderdaad dat zij boos op mij was, omdat zij mij kortaf geantwoord had; maar ik vergiste mij, want zij legde haar werk—een kous van haar zelve—op zijde, breidde de armen uit, drukte mijn krullebol tegen haar boezem en kuste mij hartelijk. Ik weet dat zij mij stevig drukte, want aangezien zij zeer gezet was vlogen er bij meer dan gewone inspanning altijd eenige knoopen van hare japon, die op den rug was dichtgeknoopt. Ik herinner mij dat er twee naar den anderen kant van de kamer vlogen toen zij mij zoo hartelijk omhelsde.
„Lees mij nu nog eens wat voor over de korkedillen,” zei Peggotty, die den naam niet goed onthouden kon, „ik heb er nog niet half genoeg van gehoord.”
Ik begreep volstrekt niet waarom Peggotty zoo vreemd keek en hoe zij op eens zoo belust was geworden op de krokodillen; evenwel, wij keerden tot die monsters terug en lieten hunne eieren in de zon uitbroeden en ik was weder zoo wakker alsof het morgen was; wij gingen voor hen op de vlucht en keerden ons telkens om, hetgeen zij met hunne logge lichamen zoo vlug niet konden doen en gingen hen in het water achterna, even als de inboorlingen en staken hun scherpe stukken hout in de keel en kwamen eindelijk tot de overtuiging, dat krokodillen over hun gansche lichaam een pantser hebben getrokken. Ik kwam ten minste tot die overtuiging, maar of Peggotty het ook deed betwijfel ik; want zij zat zich onder het voorlezen telkens met de naald in het gezicht en in de armen te pikken.
Wij hadden de krokodillen afgehandeld en begonnen aan de alligators, toen de huisschel overging. Wij liepen de gang in en daar was mijne moeder, die er, naar mijn oordeel, buitengewoon lief uitzag. Zij werd thuis gebracht door een heer met prachtig zwart haar en zwarte bakkebaarden, die den vorigen Zondag met ons uit de kerk naar huis was gewandeld.
Toen mijne moeder mij op den drempel opnam en mij kuste, zei de vreemde heer dat ik, zoo klein als ik was, meer bevoorrecht was dan een koning—of iets dergelijks; ik voel zelf wel dat de ondervinding, op lateren leeftijd opgedaan, mijn geheugen hier te hulp komt.
„Wat beteekent dat?” vroeg ik hem over mijn schouder heen.
Hij klopte mij op het hoofd, maar of ik hem of zijne zware stem niet kon uitstaan, hoe het zij, ik wilde niet dat zijne hand mijne moeder zou aanraken, hetgeen reeds het geval was. Ik duwde de hand weg zoo goed als ik kon.
„O, David!” sprak mijne moeder op berispenden toon.
„Beste jongen!” zei de vreemdeling en voegde er bij: „Het verbaast mij niets dat hij u aanbidt.”
Nooit had ik voor dien tijd mijne moeder zoo zien blozen als op dit oogenblik. Zij beknorde mij zachtjes omdat ik zoo onvriendelijk was en mij dicht tegen zich aandrukkende, keerde zij zich om en bedankte den vreemden heer voor de moeite, die hij zich getroost had om haar thuis te brengen. Zij stak hem de hand toe, terwijl zij sprak en toen zij de zijne aanraakte, lachte zij, naar ik meende, mij toe.
„Laten wij elkander goeden nacht zeggen, lief ventje,” sprak de vreemdeling, terwijl hij—ik zag het!—het hoofd over mijn moeders kleine handje gebogen had.
„Goeden nacht!” zei ik.
„Kom, wij moeten goede vrienden worden,” antwoordde de vreemdeling lachend. „Geef mij een hand.”
Mijne rechterhand lag in de linker van mijne moeder zoodat ik hem de andere aanbood. „Wel, dat is het verkeerde handje,” zei hij, nog steeds lachend.
Mijne moeder bracht mijne hand naar hem toe, maar ik was om de reeds vermelde redenen vastbesloten hem die niet te geven en ik deed het ook niet. Ik gaf hem de andere, die hij hartelijk schudde, zeggende: „gij zijt een flinke jongen,” waarna hij heenging.
Nu nog zie ik hem den tuin doorloopen en zich omkeeren, om ons met zijne onheilspellende zwarte oogen een laatsten blik toe te werpen, eer de deur gesloten werd.
Peggotty, die geen woord gesproken en geen vinger verroerd had, schoof onmiddellijk de grendels voor de deur, waarna wij te zamen naar de huiskamer gingen. Tegen hare gewoonte—zij zat anders altijd in haar leunstoel bij den haard—bleef mijne moeder aan het andere einde van de kamer en neuriede een lied.
„Ik hoop dat gij een aangenamen avond gehad hebt, mevrouw,” zei Peggotty, die met eene kaars in de hand, onbeweeglijk als een groote ton midden in de kamer stond.
„Dank u, Peggotty,” antwoordde mijne moeder bijzonder opgeruimd. „Dank u, ik heb een zeer genoegelijken avond doorgebracht.”
„Och ja, vreemd gezelschap geeft wel eens eene aangename afwisseling,” ging Peggotty voort.
„Ja, eene zeer aangename afwisseling inderdaad,” bevestigde mijne moeder.
Aangezien Peggotty roerloos midden in de kamer bleef staan en mijne moeder weder begon te neuriën, viel ik in slaap; maar ik sliep niet zoo vast dat ik hare stemmen niet hoorde, al verstond ik niet wat zij spraken. Toen ik uit deze onverkwikkelijke sluimering ontwaakte, vond ik Peggotty en mijne moeder beiden in tranen en in druk gesprek.
„Zulk een zou mijnheer Copperfield zeker niet goedgevonden hebben, dat zeg ik en daar doe ik een eed op!” zei Peggotty.
„Lieve Hemel!” riep mijne moeder, „gij zult mij nog razend maken! Welk ongelukkig meisje werd ooit zoo slecht behandeld door hare dienstboden als ik! Waarom doe ik mij toch onrecht door mij een meisje te noemen? Ben ik dan niet getrouwd geweest, Peggotty?”
„God weet dat gij het geweest zijt, mevrouw,” antwoordde Peggotty.
„Hoe durft gij het dan zeggen,” sprak mijne moeder.... „gij weet wel, dat ik niet bedoel hoe gij het durft, Peggotty, maar hoe gij zoo onhartelijk kunt zijn om mij het leven zoo onaangenaam te maken en mij zulke bittere woorden toe te voegen, terwijl gij heel goed weet dat ik, behalve u, geen sterveling heb met wien ik er over spreken kan!”
„Reden te meer,” antwoordde Peggotty, „om te zeggen dat het niet gebeuren moet. Neen! Dat het niet gebeuren moet! Neen! Voor geen geld op de wereld mag het gebeuren! Neen!...”
Ik dacht dat Peggotty den kandelaar van zich wilde afwerpen, zoo opgewonden zwaaide zij er mede rond.
„Hoe kunt gij toch zoo overdrijven, Peggotty?” sprak mijne moeder, in tranen uitbarstende. „Hoe is het mogelijk op zulk eene onrechtvaardige wijze te spreken! Hoe kunt gij zoo doorslaan alsof alles al onherroepelijk beslist was, terwijl ik u een- en andermaal vertel, wreed schepsel, dat er niets dan gewone burgerlijke beleefdheden zijn gewisseld. Gij spreekt over bewonderen? Maar als de menschen zoo dwaas zijn om mij te bewonderen, is dat dan mijne schuld? Wat moet ik daartegen doen? Ik vraag het u, wat moet ik daartegen doen? Zoudt gij willen dat ik mijne haren liet afscheren of mijn gezicht zwart maken of mij misvormde door een brandvlek of iets dergelijks? Ik geloof dat gij zoo iets wel zoudt willen, Peggotty. Ik geloof dat gij er u in verheugen zoudt, Peggotty.”
Naar het mij voorkwam trok Peggotty zich dit verwijt zeer aan.
„En mijn lieve jongen,” riep mijne moeder uit, terwijl zij op den leunstoel toeliep en mij liefkoosde, „mijn eigen, kleine David! Zal men wellicht willen beweren dat ik te kort schiet in liefde voor mijn heerlijken schat, voor het liefste, kleine kereltje, dat ooit heeft bestaan?”
„Niemand zal dat ooit beweren,” antwoordde Peggotty.
„En gij hebt het gedaan, Peggotty!” hernam mijne moeder. „Gij weet dat gij het gedaan hebt. Wat anders kon ik afleiden uit hetgeen gij hebt gezegd, gij, onvriendelijk schepsel; terwijl gij evengoed weet als ik, dat ik alleen ter wille van hem laatst geen nieuwe parasol heb willen koopen, niettegenstaande de oude groene bijna geheel versleten is en de franje er aan ontbreekt. Dat weet gij heel goed, Peggotty. Gij kunt dat niet ontkennen.” Daarna keerde zij zich naar mij en legde haar wang tegen de mijne. „Ben ik eene slechte moeder voor u, Davy? Ben ik eene slechte, wreede, zelfzuchtige moeder? Zeg dat ik het ben, mijn kind, zeg ‚ja’, beste jongen, dan zal Peggotty van u houden en Peggotty's liefde is veel meer waard dan de mijne. Ik heb u in 't geheel niet lief, doe ik wel?”
Na deze woorden begonnen wij in koor te schreien. Ik vermoed dat ik het luidst schreide, maar ik ben er zeker van dat wij het allen ernstig meenden. Het was hartverscheurend en ik vrees in de eerste vlaag van opgewondenheid Peggotty een „beest” genoemd te hebben. De goede, trouwe ziel was diep bedroefd, dat herinner ik mij zeer goed, en zal bij deze gelegenheid vermoedelijk al haar knoopjes verloren hebben, want het was een geregeld snelvuur in de kamer, toen zij, na zich met mijne moeder verzoend te hebben, bij den grooten leunstoel neerknielde en zich ook met mij verzoende.
Wij gingen allen in een bedrukte stemming naar bed. Ik snikte zoo hevig dat ik niet slapen kon en toen ik ten gevolge van een bijzonder krachtigen snik opsprong, vond ik mijne moeder over mij heengebogen op mijn bed zitten. Ik viel in hare armen in slaap en sliep tot laat op den dag rustig door.
Of ik reeds den volgenden Zondag dien vreemden heer zag of dat er meer tijd is verloopen tusschen de beide ontmoetingen kan ik mij niet meer herinneren. De datums staan mij niet helder meer voor den geest. Maar op dien Zondag was hij in de kerk en wandelde met ons naar huis. Hij kwam ook binnen om eene reusachtige geranium te bewonderen, die in het kleine kamertje stond. Het komt mij nu voor dat hij er niet veel aandacht aan schonk, maar eer hij heenging verzocht hij mijne moeder hem er een takje van te geven. Zij verzocht hem er zelf een uit te kiezen, maar dat weigerde hij—ik kon niet verstaan waarom—en toen plukte zij er een af en gaf het hem. Hij zeide toen dat hij er nooit, nooit van zou scheiden en ik dacht dat hij erg dom moest zijn, om niet te weten dat het binnen één of twee dagen verwelkt zou wezen.
Peggotty begon des avonds weg te blijven; zij zat niet meer altijd bij ons, zooals zij vroeger gedaan had. Mijne moeder ontzag haar meer dan ooit—ik merkte dit zelfs op—en wij waren de beste vrienden, toch waren wij anders dan vroeger, anders dan wij gewoon waren, wij voelden ons niet op ons gemak. Somtijds meende ik dat Peggotty het niet kon verkroppen als mijne moeder al de mooie japonnen droeg, die zij in de kast had, en dat zij het niet goed vond als mijne moeder zoo dikwijls bij diezelfde buren op visite was; maar ik kon het toch met mij zelven niet eens worden wat er eigenlijk haperde.
Langzamerhand begon ik er mij aan te gewennen dien heer met de zwarte bakkebaarden dikwijls te zien. Ik hield niet meer van hem dan bij de eerste ontmoeting en bleef jaloersch op hem; maar indien ik al eenige andere aanleiding daartoe had dan een instinctmatigen kinderlijken afkeer en het gevoel, dat Peggotty en ik mijne moeder genoeg konden liefhebben, dat was toch niet de aanleiding, die ik op lateren leeftijd daartoe zou gehad hebben. Zoo iets kwam zelfs niet in mij op. Ik kon mijne opmerkingen maken, als het ware bij gedeelten; maar van die verschillende onderdeelen een geheel samen te stellen, daartoe was ik veel te jong.
Op zekeren herfstmorgen was ik met mijne moeder in den voortuin, toen mijnheer Murdstone—ik wist nu, hoe hij heette—te paard langs kwam. Hij richtte zich in de stijgbeugels op om mijne moeder te groeten en vertelde, dat hij op weg was naar Lowestoft om eenige vrienden te bezoeken, die daar met een yacht waren. Hij was zoo lief om voor te stellen mij mede te nemen voor op het zadel, ten minste als ik niet bang was.
Het was zulk heerlijk weer en het paard scheen zelf zooveel lust te hebben in den rit—het stond te trappelen en te snuiven bij de tuindeur—dat het denkbeeld mij bijzonder toelachte. Ik werd dus naar boven gezonden, naar Peggotty, om wat opgeknapt te worden en gedurende dien tijd steeg mijnheer Murdstone af en wandelde met de teugels over den arm langzaam op en neer langs de buitenzijde van de heg, terwijl mijne moeder hem aan de binnenzijde gezelschap hield. Ik herinner mij nog hoe Peggotty hen door het kleine venster van mijne slaapkamer bespiedde; ik herinner mij nog hoe dicht zij met de hoofden bij elkander kwamen, toen zij de heg, die tusschen hen was, met de grootste aandacht bekeken en hoe Peggotty, die eerst zoo goed gemutst was geweest, plotseling boos werd en mijne haren bijzonder hard den verkeerden kant op kamde.
Mijnheer Murdstone en ik draafden een oogenblik later over het groene gras, dat langs den weg stond. Hij hield mij met ééne hand losjes vast en ik geloof niet, dat ik in den regel zoo onrustig was als ditmaal; maar ik kon, terwijl ik daar voor hem zat, niet nalaten nu en dan mijn hoofd om te wenden en hem aan te kijken. Hij had die zekere doffe, zwarte oogen—ik kan oogen, die geen diepte hebben, niet anders beschrijven—die, wanneer ze doelloos rondzien, door de eene of andere eigenaardigheid van het licht misvormd schijnen, die nu en dan scheel lijken. Telkens wanneer ik hem aankeek, merkte ik deze eigenaardigheid met een zekeren angst op en was nieuwsgierig naar hetgeen, waarover hij zoo zat te peinzen. Zijn haar en zijne bakkebaarden waren zwarter en dikker dan ik ooit gemeend had. Iets vierkants in het benedengedeelte van zijn gezicht en de sporen van den zwarten baard, dien hij elken dag afschoor, deden mij denken aan de wassen beelden, die een half jaar te voren in ons dorp te zien waren geweest. Dit, zijne regelmatige wenkbrauwen en het fraaie wit, zwart en bruin van zijne gelaatskleur—vervloekt zij zijne gelaatskleur en zijne nagedachtenis!—brachten mij, in weerwil van mijn afkeer, tot de overtuiging dat hij een knap man moest zijn. Ik twijfel niet of mijne arme moeder dacht er eveneens over.
Wij stapten af aan een hôtel dicht bij het strand en vonden in eene kamer twee heeren, die in een wolk van sigarendamp waren gehuld. Zij lagen ieder op minstens vier stoelen en waren gekleed in wijde, ruige buizen. In een hoek waren een aantal jassen en schippersbuizen benevens een vlag opgestapeld.
Toen wij binnenkwamen sprongen beide heeren van hunne stoelen op—of liever, zij lieten zich er afrollen—en riepen: „Wel, Murdstone, zijt gij daar? Wij dachten dat gij dood waart!”
„Nog niet!” antwoordde mijnheer Murdstone.
„En wat is dat voor een kereltje?” vroeg een van hen, toen hij mij in het oog kreeg.
„Dat is Davy,” antwoordde mijnheer Murdstone.
„Davy.....?” vroeg de vreemde heer nogmaals. „Jones?”
„Copperfield,” verbeterde mijnheer Murdstone.
„Wat? Een zoontje van die betooverende mevrouw Copperfield, van dat mooie, lieve weeuwtje?”
„Quinion,” zei mijnheer Murdstone, „wees voorzichtig als ik u verzoeken mag. Zeker iemand is bij de pinken.”
„Wien bedoelt gij?” vroeg de vreemde heer lachend.
Ik keek snel op, want ik was nieuwsgierig te weten wien hij bedoelde.
„Zekere Brooks van Sheffield,” zei mijnheer Murdstone. Ik was bepaald honderd pond lichter nu zij mijnheer Brooks bedoelden, want in het eerste oogenblik meende ik dat ik zelf zoo bij de pinken was.
Er scheen iets grappigs verbonden te zijn aan dien mijnheer Brooks van Sheffield, want beide heeren barstten in lachen uit, toen zijn naam werd genoemd en mijnheer Murdstone lachte hartelijk mede. Na eenige oogenblikken zei de heer, dien hij Quinion genoemd had: „En hoe denkt mijnheer Brooks van Sheffield over de plannen?”
„Wel, ik geloof niet dat mijnheer Brooks er op het oogenblik veel van begrijpt,” antwoordde mijnheer Murdstone, „maar ik geloof ook dat zijn oordeel niet gunstig is.”
Er werd na dit gezegde nog harder gelachen en mijnheer Quinion schelde en bestelde sherry, ten einde op de gezondheid te drinken van mijnheer Brooks. Toen de wijn gebracht was, schonk hij een glas halfvol, gaf er mij een beschuitje bij en eer ik dronk, stond hij op en zei: „De drommel hale Brooks van Sheffield!” Deze toast werd met gejuich begroet en zij lachten zoo hartelijk dat ik begon mee te doen, waarop zij nog harder lachten. Kortom, wij amuseerden ons kostelijk. Daarna gingen wij op de rotsen wandelen en in het gras zitten en keken door een verrekijker—ik zag niets, wanneer zij mij er door lieten kijken, maar beweerde dat het heel mooi was—en toen keerden wij terug naar het hôtel en dineerden vroeg. Zoolang wij buiten waren rookten de beide vreemde heeren onophoudelijk door en indien ik moest afgaan op de lucht van hunne ruige jassen, moeten zij dat wel gedaan hebben van het oogenblik af, waarop deze van den kleermaker gekomen waren. Ik zou bijna vergeten te vertellen dat wij ook aan boord van het yacht gingen en dat de drie heeren, zoodra zij in de hut waren, zich verdiepten in eenige papieren, die daar lagen. Toen ik door de lantaarn naar beneden keek, waren zij ijverig aan het schrijven. Zij hadden mij aan de hoede toevertrouwd van een aardigen man met een bijzonder groot hoofd, rood haar en een glimmenden hoed van wasdoek, waarop in hoofdletters het woord „Leeuwerik” geschreven stond. Ik meende dat hij zoo heette en dat hij, op het schip geen straatdeur hebbende om zijn naam bij te plaatsen, dit boven den rand van zijn hoed deed; maar toen ik hem „mijnheer Leeuwerik” noemde, vertelde hij mij dat het de naam van het schip was.
Ik merkte den geheelen dag op, dat mijnheer Murdstone deftiger en bedaarder was dan de beide andere heeren, die erg vroolijk en zorgeloos schenen. Zij schertsten veel met elkander, maar in het geheel niet met mijnheer Murdstone. Het kwam mij voor dat hij bekwamer en voornamer was dan zij en dat zij ongeveer op dezelfde wijze over hem dachten als ik. Ik merkte eenige malen op dat mijnheer Quinion, als hij sprak, mijnheer Murdstone van ter zijde aankeek, om zeker te zijn dat hij hem niet mishaagde; en dat mijnheer Passnidge—zoo heette de andere heer—eerstgenoemde op den voet trapte en in het geheim een wenk gaf om eens op mijnheer Murdstone te letten, die zwijgend voor zich zat te kijken. Op dit oogenblik herinner ik mij dat mijnheer Murdstone in het geheel niet lachte dien dag behalve over de Brooks-van-Sheffield-grap, die van hem zelf was.
Wij keerden des avonds vroeg naar huis terug. Het was een mooie avond en mijne moeder en hij maakten nog eene wandeling langs de heg, terwijl ik naar binnen werd gezonden om thee te drinken. Toen hij weg was moest ik mijne moeder alles vertellen wat ik gezien en gehoord had en wat zij gezegd en gedaan hadden. Ik vertelde hetgeen zij van haar gezegd hadden, waarop zij begon te lachen en zei dat die heeren heel ondeugend waren en onzin praatten—maar ik wist dat het haar genoegen deed. Ik wist dat toen even goed als ik het nu weet. Ik nam de gelegenheid waar om te vragen of zij ook een zekeren Brooks van Sheffield kende; zij antwoordde „Neen”, doch onderstelde dat het een scharen- en messenfabrikant was.
Kan ik zeggen dat haar gezicht, al weet ik dat ik het mij veel ouder voorstel dan ik het mij eigenlijk voorstellen moest en dat het tot stof is vergaan, kan ik zeggen dat het weg is, terwijl ik het mij zoo duidelijk voor den geest kan halen als een gezicht, dat ik verkies aan te kijken in een propvolle straat? Kan ik van hare meisjesachtige schoonheid, die nu vergaan is, zeggen dat zij weg is, terwijl ik nu nog haar adem op mijne wang voel evenals dien avond? Kan ik zeggen dat zij ooit veranderd is, wanneer ik haar mij altijd slechts kan voorstellen zooals zij toen was, wanneer mijn geheugen blijft vasthouden aan hetgeen ik in mijne jeugd heb liefgehad?
Ik schrijf over haar zooals zij was, toen ik naar bed was gegaan op dien avond en zij mij goeden nacht kwam zeggen. Met een lachend gezicht knielde zij voor mijn ledikantje neer en terwijl zij haar kin op hare gevouwen handen legde, vroeg zij:
„Wat zeiden zij ook weer, Davy? Vertel het mij nog eens. Ik kan het niet gelooven.”
„De betooverende...,” begon ik, maar mijne moeder legde mij de handen op den mond. „‚Betooverende’ kunnen zij niet gezegd hebben,” sprak zij lachend. „Het kan niet ‚betooverend’ geweest zijn. Dat weet ik zeker, Davy.”
„Jawel, betooverende mevrouw Copperfield,” herhaalde ik nogmaals. „En ‚mooie’.”
„Neen, neen, ‚mooie’ niet”, zoo viel mijne moeder mij in de rede, terwijl zij opnieuw de hand op mijn mond legde.
„Jawel; mooi, lief weeuwtje.”
„Dwaze, onbeschaamde mannen!” riep mijne moeder lachend uit, terwijl zij de handen voor het gelaat hield. „Het is belachelijk! Vindt gij ook niet, Davy? Zeg eens, lieve Davy....”
„Wat is het, mama?”
„Vertel het toch niet aan Peggotty; zij zou misschien boos worden. Ik ben ook boos op die heeren, maar ik wilde het toch liever niet aan Peggotty vertellen.”
Natuurlijk beloofde ik het en wij kusten elkaar herhaaldelijk en eindelijk viel ik in slaap.
Den tijd, die sedert verloopen is, in aanmerking genomen, komt het mij voor, dat Peggotty den volgenden dag het buitengewone en avontuurlijke voorstel deed, dat ik nu zal vertellen—en toch waren er vermoedelijk twee maanden verloopen sedert mijn tocht naar Lowestoft.
Op zekeren avond—mijne moeder was uit—zaten wij, zooals gewoonlijk, in gezelschap van de breikous en het elletje en het stukje waskaars en de naaidoos met de Sint-Paulskerk op het deksel en het krokodillenboek in de huiskamer, toen Peggotty, na mij verscheidene malen aangekeken en haar mond geopend te hebben alsof zij iets zeggen wilde,—ik dacht dat zij slaap had en gaapte, anders zou het mijne aandacht wel eerder getrokken hebben—plotseling zei: „Hoe zoudt gij er over denken, jongeheer Davy, eens veertien dagen met mij naar Yarmouth te gaan, naar mijn broeder? Zou dat niet prettig zijn?”
„Is uw broeder een lieve man, Peggotty?” vroeg ik, om niet terstond toe te happen.
„O, hij is zulk een lieve man!” riep Peggotty met de handen in de hoogte. „En dan de zee... en de schepen en de schuiten... en de visschers en het strand en Am om mede te spelen....” Zij bedoelde haar neef Ham, over wien ik in het eerste hoofdstuk gesproken heb.
Ik was in de wolken over al de heerlijkheden, die zij opsomde, en zei dat het inderdaad heel, heel prettig moest zijn, maar vroeg toch ook wat mijne moeder er van zeggen zou.
„Wel, ik verwed er een guinje om,” zeide Peggotty, mij scherp aankijkende, „dat zij ons zal laten gaan. Indien gij er lust in hebt zal ik het haar vragen zoodra zij thuis komt. Wat zegt gij daar nu van?”
„Maar hoe zal mama het stellen wanneer wij weg zijn?” vroeg ik, mijn kleine elleboogjes op de tafel steunend ten einde de zaak met ernst te bespreken. „Zij kan ons zoo slecht missen.”
Het scheen wel dat Peggotty naar een gaatje zocht in den hiel van de kous, die zij over hare hand had getrokken; maar het moet wel een heel klein gaatje geweest zijn—niet waard om te stoppen.
„Ik zeg, mama kan ons niet missen, Peggotty; verstaat gij mij niet?”
„Groote goedheid, weet gij het dan nog niet? Uwe mama gaat veertien dagen bij mevrouw Grayper—zoo heette de buurdame—logeeren. Mevrouw Grayper krijgt het huis vol gasten.”
„O, als dat zoo is, wil ik gaarne met u medegaan.”
Met het grootste ongeduld wachtte ik tot mijne moeder van haar bezoek aan mevrouw Grayper thuis kwam, ten einde zekerheid te krijgen of dat heerlijke plan verwezenlijkt zou kunnen worden. Mijne moeder was volstrekt niet zoo verrast als ik gedacht had dat zij zijn zou, en bewilligde onmiddellijk in ons verzoek; alles werd dienzelfden avond al geregeld; er zou voor kost en inwoning betaald worden. De dag, waarop ons vertrek bepaald was, naderde snel, voor mij zelfs te snel, hoewel ik hem met koortsachtig ongeduld te gemoet zag en maar vreesde dat eene aardbeving of eene uitbarsting van een vuurspuwenden berg of een dergelijk natuurverschijnsel nog een hinderpaal zou opwerpen voor de uitvoering. Wij zouden met den vrachtwagen gaan, die dagelijks na het ontbijt vertrok, en ik had wel wat willen geven, als ik mij den avond te voren maar in een deken had mogen rollen en met den hoed op en de laarzen aan had mogen slapen.
Terwijl ik dit zoo luchthartig vertel, spijt het mij, als ik mij herinner, hoe ik er naar verlangde mijn gelukkig tehuis te verlaten, niet vermoedende dat het voor eeuwig zijn zoude.
Ik ben blijde mij te herinneren dat, toen de vrachtwagen voor het tuinhek stond en mijne moeder mij kuste, een gevoel van dankbare gehechtheid aan haar en aan de oude woning mijn hart binnensloop en dat ik luid begon te schreien. Ik ben blijde te weten dat mijne moeder ook schreide en dat ik haar hart tegen het mijne voelde kloppen. Ik ben blijde mij te herinneren dat, toen de wagen zich in beweging zette, mijne moeder het tuinhek uitliep en den voerman toeriep op te houden, omdat zij mij nog een kus wilde geven. Ik zie nog hoe teeder en liefdevol zij haar gelaat naar het mijne bracht en mij een kus op den mond drukte.
Toen wij wegreden en zij aan den weg bleef staan, naderde juist mijnheer Murdstone van den anderen kant en het scheen wel dat hij haar beknorde, omdat zij zoo aangedaan was. Ik keek om den hoek van de kar en was nieuwsgierig te weten, wat het hem eigenlijk aanging en Peggotty, die langs den anderen kant van de kar keek, scheen alles behalve tevreden; dat was duidelijk op haar gezicht te lezen, toen zij weder rechtuit keek.
Ik zat eenigen tijd naar Peggotty te kijken, verdiept in allerlei mogelijke en onmogelijke onderstellingen, o. a. of ik, indien zij was uitgezonden om mij kwijt te raken evenals de jongen in het sprookje, den weg naar huis zou kunnen terugvinden door het spoor te volgen van de knoopjes, die zij onder weg zou verliezen.
III. Veranderingen
Het paard van de vrachtkar was het luiste dier van de wereld, naar ik hoop, en liep op een sukkeldrafje met hangenden kop voort, alsof het er vermaak in schiep de menschen, aan wie de pakjes geadresseerd waren, te laten wachten. Ik verbeeldde mij telkens dat het nu en dan hoorbaar lachte over dit denkbeeld, maar de voerman zei dat „zijn beestje” verkouden was. De voerman had de gewoonte het hoofd naar beneden te houden evenals zijn paard en droomerig voor zich te kijken, terwijl hij mende, met een van zijne armen op beide knieën. Ik zeg „mende”, maar ik onderstel, dat de kar ook zonder hem wel te Yarmouth zou zijn aangekomen, want het paard volgde zijn eigen wil; spreken deed de voerman niet, alleen floot hij nu en dan eens.
Peggotty had een mand met eetwaren bij zich, waarmede wij zouden zijn toegekomen, al hadden wij op deze wijze naar Londen moeten rijden. Een groot gedeelte van den tijd werd met eten, een ander gedeelte met slapen doorgebracht. Peggotty sliep voortdurend met haar kin op het hengsel van de mand, die zij niet losliet en ik zou het niet kunnen gelooven, als ik het niet zelf gehoord had, dat ééne zwakke vrouw zoo kan snorken.
Wij reden zoo dikwijls zijwegen in en weder terug, hadden zooveel tijd noodig voor het afladen van een ledikant aan een herberg en voor allerlei boodschappen, dat ik erg vermoeid en blijde was, toen wij eindelijk Yarmouth voor ons zagen liggen. Toen ik een blik wierp op de kale vlakte aan de overzijde der rivier, kwam er eene gewaarwording in mij op, alsof ik op eene reusachtige, natte spons keek en ik vroeg mij zelven met verbazing af hoe in mijn aardrijkskundig leerboek kon beweerd worden, dat de aarde rond was, terwijl er zulk een onafzienbare vlakte voor mij lag. Ik bedacht mij echter, dat Yarmouth wel aan een van de polen kon liggen waardoor het raadsel zou zijn opgelost.
Toen wij wat dichter bij kwamen en de eindelooze horizon voor ons lag, maakte ik tegen Peggotty de opmerking dat een berg of zoo iets het landschap wel eenigszins verfraaid zou hebben en ook dat, als de afscheiding tusschen het land en de zee een weinig scherper was en de stad en het water niet zoo dooreen gemengd waren, het geheel zeker mooier zou zijn geweest.
Maar Peggotty zei met meer geestdrift dan ik van haar gewoon was dat men de dingen moest nemen zooals ze waren en dat zij er trotsch op was een Yarmouther bokking te zijn.
Toen wij de straat binnenreden—voor mij reeds eene vreemde gewaarwording—en de visch, het pek en het teer roken en de zeelui zagen rondwandelen en de karren over de steenen hoorden ratelen, voelde ik dat ik het nijvere plaatsje onrecht had aangedaan; ik zei dit tegen Peggotty, die zich oprecht verblijdde over mijne ingenomenheid en mij vertelde dat Yarmouth bekend stond—vermoedelijk alleen bij hen, die het geluk hadden tot de bokkingen te behooren—als een van de mooiste plaatsjes van de geheele wereld.
„Daar is mijn beste Am!” gilde zij eensklaps. „Hij is zoo gegroeid dat ik hem bijna niet zou herkennen.”
Inderdaad stond Ham ons bij de herberg op te wachten en alsof ik een oude kennis van hem was, vroeg hij mij hoe ik het maakte. Ik kon niet zeggen dat ik hem even goed kende als hij mij, want al was hij sedert den nacht, waarin ik geboren was, niet meer bij ons geweest, hij had toch iets op mij voor. De vriendschap was echter spoedig gesloten toen hij mij op zijn rug naar huis bracht. Hij was een sterke, grof gebouwde kerel van zes voet lang en naar evenredigheid breed, met ronde schouders, doch met een dom, lachend, jongensachtig gezicht en krullend licht haar, dat hem iets schaapachtigs gaf. Hij droeg een buis van zeildoek en zulk een stijve broek, dat dit kleedingstuk ook zonder beenen er in rechtop zou hebben blijven staan. Ook kon men niet zeggen dat hij een hoed op had, maar dat hij evenals een oud gebouw met iets gedekt was, dat erg naar teer rook.
Terwijl Ham mij en een klein koffertje droeg, dat ons toebehoorde, en Peggotty een ander koffertje voor haar rekening had genomen, gingen wij eenige straten door, bezaaid met houtspaanders en kleine zandheuveltjes, en langs gasfabrieken, touwslagerijen, scheepstimmerwerven, slooperswerven, teerstokerijen, smederijen en een aantal kleinere werkplaatsen, totdat wij de vlakte naderden, die ik reeds op grooten afstand had gezien. Eensklaps zei Ham:
„Daar ginds is ons huis, jongeheer Davy.”
Ik keek in alle richtingen, zoover als mijn oog reikte, over de zee, over de rivier, maar geen spoor van een huis was te ontdekken. Wel zag ik een zwarte schuit of een ander soort afgedankt vaartuig op eenigen afstand hoog en droog op het strand liggen; er stak een ijzeren kachelpijp bovenuit, die voor schoorsteen dienst deed en hard rookte, maar overigens was er geen enkele menschelijke woning te zien.
„Dat is het toch niet?” vroeg ik. „Dat ding, dat zooveel op een schip lijkt?”
„Dat is het, jongeheer Davy,” antwoordde Ham.
Al had ik het paleis van Sultan Aladdin voor mij gezien met den vogel Rok op den koop toe, zou ik niet meer verrukt kunnen geweest zijn over het romantische denkbeeld om daar te wonen. Aan den zijkant was er op kunstige wijze een deur in gemaakt, het had een dak en kleine raampjes; maar de grootste aantrekkelijkheid was dat het een wezenlijk schip was, dat zonder twijfel honderden malen op de zee had gevaren, en nooit bestemd was geweest om tot woning te dienen op het land. Dat was voor mij de grootste aantrekkelijkheid. Indien het gebouwd was voor het doel, waartoe het nu diende, zou ik het klein, ongezellig, eenzaam hebben gevonden, maar nu het eene andere bestemming had gehad, was het in mijn oog eene onverbeterlijke woning.
Van binnen zag alles er even keurig en zindelijk uit. Er was een tafel, een Friesche klok, een latafel en op de latafel stond een theeblad terwijl er een plaat boven hing, eene dame met een parasol voorstellend, die eene wandeling deed met een kind, dat de uniform droeg van een militair en met een hoepel speelde. Het theeblad werd voor vallen behoed door een bijbel en ware het theeblad gevallen dan zou het een aantal kopjes en schoteltjes, een theepot en een suikerpot hebben meegesleept, die om den bijbel stonden. Aan den wand hingen eenige leelijk gekleurde teekeningen van voorstellingen uit de Heilige Schrift, alle in lijsten en achter glas; wanneer ik later deze teekeningen in handen zag van prentenhandelaars, kwam mij altijd het inwendige van de woning van Peggotty's broeder weder voor den geest. Abraham in het rood, die een blauwen Izaäk ging offeren, en Daniël in het geel voor groene leeuwen geworpen, vielen het eerst in het oog. Boven den schoorsteenmantel hing een afbeeldsel van den logger „de Sarah-Jane,” die te Sunderland was gebouwd; en daaronder stond een werkelijke houten achtersteven van een schip, een meesterwerk van houtsnijkunst in mijne oogen en een van de meest benijdenswaardige bezittingen, die de wereld kon opleveren. In de balken, die de zoldering droegen, waren eenige haken geslagen, waarvan ik het doel niet terstond raden kon; in het rond stonden eenige kastjes, kisten en dergelijke meubels, die tot zitplaatsen dienden en dus de stoelen vervingen.
Dit alles had ik in een oogwenk gezien, nadat ik den drempel had overschreden—met de opmerkingsgave, die volgens mijne bewering aan kinderen eigen is—en toen opende Peggotty eene kleine deur en wees mij mijne slaapkamer. Het was de volmaaktste en gezelligste slaapkamer, die ik ooit gezien heb—in den achtersteven van het schip, met een klein raampje, waar vroeger het roer doorheen was gegaan; een kleinen spiegel, juist hoog genoeg voor mij aan den muur opgehangen, in eene lijst van oesterschelpen; een klein bedje, waar men bijna niet kon instappen zonder zijn hoofd te stooten, en een ruiker van zeewier in een blauwe vaas op de tafel. De wanden waren krijtwit en de schitterende kleuren van de lappendeken, die over het bed lag, deden mij pijn aan de oogen. Eén ding vooral trof mij in deze eigenaardige woning, namelijk de vischlucht, die zoo doordringend was dat, toen ik mijne zakdoek aan mijn neus bracht, het vermoeden in mij opkwam of men mij ook stilletjes een kreeft in den zak had gestopt. Toen ik deze ontdekking in vertrouwen aan Peggotty meedeelde, vertelde zij mij dat haar broeder handel dreef in kreeften, krabben en allerlei andere schaaldieren en later vond ik ook eene geheele verzameling van deze dieren, die alle aan elkander vastkleefden, omdat zij hetgeen zij eenmaal vast hadden niet meer loslieten, in een hoek van een uitbouw, waarin de potten en pannen bewaard werden.
Wij werden verwelkomd door eene vriendelijke vrouw met een witten boezelaar; ik had haar reeds zien wuiven toen ik, op Ham's rug zittende, nog een kwart mijl van de woning verwijderd was. Ook was daar een heel mooi, klein meisje—ten minste daarvoor hield ik haar—met een snoer van blauwe kralen om den hals; zij wilde zich niet laten kussen toen ik aanstalten daartoe maakte, maar liep weg en verschuilde zich ergens. Toen wij het middagmaal gebruikt hadden—gekookte bot met gesmolten boter en aardappelen en een cotelet voor mij—kwam er een man binnen, die erg harig was, maar een vriendelijk uiterlijk had. Hij noemde Peggotty „meid” en gaf haar een klinkenden kus op de wang, zoodat ik, wetende dat zij de zedigheid zelve was, niet twijfelde of deze man was haar broeder; dit bleek juist te zijn, want hij werd voorgesteld als baas Peggotty, de eigenaar van de woning.
„Het verheugt mij u te zien, jongeheer.” zei baas Peggotty. „Gij zult ons misschien wat ruw vinden, maar daarom meenen wij het toch goed.”
Ik bedankte hem en antwoordde dat het mij zeker wel zou bevallen in zulk eene prettige omgeving.
„Hoe maakt het uwe mama, jongeheer?” vroeg baas Peggotty. „Was zij wel, toen gij op reis gingt?”
Ik zei dat zij zoo wel was als ik maar wenschen kon en dat zij de complimenten verzocht had—dit laatste was een beleefd verzinsel van mij.
„Gij moet haar wel bedanken,” antwoordde baas Peggotty. „Welnu, jongeheer, als gij het met haar”—hij wees op Peggotty—„en Ham en de kleine Emily een veertien dagen hier kunt uithouden, zullen wij wat trotsch zijn op uw gezelschap.”
Na mij verwelkomd en op zulk een gastvrije wijze de eer van zijne woning opgehouden te hebben, ging baas Peggotty naar buiten om zich te wasschen in een pot vol warm water, waarbij hij de opmerking voegde, dat hij zich met koud water niet schoon kon krijgen. Hij keerde weldra erg opgeknapt terug, maar zoo rood, dat ik niet kon nalaten aan een kreeft te denken, die zwart in het kokende water gaat en er rood weder uitkomt.
Na de thee, toen de deur en alle vensters en luikjes gesloten waren—de avonden begonnen koud en mistig te worden—scheen het mij de heerlijkste verblijfplaats, die men zich zou kunnen wenschen. Te luisteren naar den wind, die langzamerhand uit de zee opkwam, te weten dat daar buiten de eentonige vlakte in een dikke mist was gehuld, naar het vuur te kijken en te denken dat er geen enkele woning in de nabijheid en dat deze ééne een schuit was.... zie, dat was verrukkelijk! De kleine Emily had hare schuwheid overwonnen en zat naast mij op het laagste en kleinste bankje, dat juist groot genoeg was voor ons beiden en juist in het hoekje van den schoorsteen paste. Juffrouw Peggotty met den witten boezelaar zat aan den tegenovergestelden kant te breien en Peggotty zat daar met haar naaiwerk en haar doos met de Sint-Paul en het stukje waskaars zoo op haar gemak bij, alsof zij hier nooit weg was geweest. Ham, die mij mijne eerste les in het edele kaartspel gegeven had, stond zich zelven uit een spel vuile kaarten waar te zeggen en maakte met zijn duim op elke kaart een afdruk, die sterk naar visch riekte. Baas Peggotty rookte een pijp en ik voelde dat het oogenblik gekomen was om een gesprek te beginnen.
„Baas Peggotty!” zei ik.
„Wel, jongeheer?”
„Hebt gij uw zoon Ham genoemd, omdat gij in een soort ark woont?”
Baas Peggotty scheen dit eene diepzinnige vraag te vinden en antwoordde:
„Neen, jongeheer; ik heb hem in het geheel geen naam gegeven.”
„Wie gaf hem dan een naam?” vroeg ik op een toon alsof ik baas Peggotty zijn cathechismus overhoorde.
„Zijn vader, jongeheer,” zei baas Peggotty.
„Ik meende dat gij zijn vader waart!”
„Neen; mijn broeder Joe was zijn vader,” zei baas Peggotty.
„Dood, baas Peggotty?” vroeg ik na eene kleine pauze op fluisterenden toon.
„Verdronken,” zei baas Peggotty.
Ik was ten hoogste verbaasd dat baas Peggotty Ham's vader niet was en begon te denken, dat ik mij ook wel eens kon vergist hebben in de voorstelling, die ik mij gemaakt had van zijne verhouding tot alle andere huisgenooten. Ik was zoo nieuwsgierig geworden dat ik moed vatte om baas Peggotty uit te hooren.
„Is de kleine Emily een dochtertje van u, baas Peggotty?” vroeg ik met een blik op mijn buurmeisje.
„Neen, jongeheer. Mijn schoonbroeder, Tom, was haar vader.”
Ik kon het niet helpen. „Dood, baas Peggotty?” fluisterde ik weder.
„Verdronken,” antwoordde baas Peggotty.
Ik voelde hoe moeilijk het was dit onderwerp verder uit te spinnen, maar wilde toch geheel op de hoogte er van zijn; dus vroeg ik:
„Hebt gij geen kinderen, baas Peggotty?”
„Neen, jongeheer,” antwoordde hij met een glimlach. „Ik ben nooit getrouwd geweest.”
„Nooit getrouwd geweest!” riep ik verbaasd. „En wie is dat dan, baas Peggotty?” Ik wees daarbij op de breiende juffrouw met den boezelaar.
„Dat is juffrouw Gummidge,” zei baas Peggotty.
„Gummidge....?”
Op dit oogenblik gaf Peggotty—ik bedoel mijn eigen Peggotty—mij zulke welsprekende wenken om niet verder te vragen, dat ik niets kon doen dan stil zitten kijken naar het zwijgende gezelschap tot het tijd was om naar bed te gaan. Toen Peggotty later met mij alleen was, vertelde zij mij dat Ham en Emily een neef en een nichtje waren, die mijn gastheer, toen zij wees waren geworden, tot zich genomen had en dat juffrouw Gummidge de weduwe was van den medeeigenaar van de schuit en in zeer behoeftige omstandigheden was achtergelaten. „Mijn broeder is zelf ook wel arm,” voegde Peggotty er bij, „maar zoo goed als goud en zoo trouw als staal”—dit waren hare geliefkoosde vergelijkingen. Het eenige, waarover hij zich ooit driftig maakte of zich een vloek liet ontvallen, was over zijn eigen edelmoedigheid en wanneer er ooit door een van allen over gesproken werd, dan sloeg hij met de rechterhand op de tafel en zwoer bij hoog en laag dat hij „gekielhaald” mocht worden, als hij niet voor altijd wegliep, wanneer er weder over gesproken werd. Hoewel ik niet wist wat eigenlijk „kielhalen” beduidde, begreep ik toch, dat het iets verschrikkelijks zijn moest.
De edelmoedigheid van mijn gastheer had mij diep getroffen en nog onder den indruk daarvan en van al de gewaarwordingen van dien dag viel ik in slaap, na nog gehoord te hebben dat het vrouwelijk personeel aan den anderen kant van de boot op een dergelijk kamertje als het mijne haar bed opzocht en baas Peggotty en Ham twee hangmatten voor zich zelve ophingen aan de haken, die mijne nieuwsgierigheid hadden opgewekt. Ik hoorde nog hoe de wind langs de schuit en over de vlakte huilde en gedurende een oogenblik kwam de vrees in mij op, dat de zee des nachts het land wel eens zou kunnen overstroomen. Ik bedacht echter dat wij dan toch in een boot waren en dat het in zulk een geval een geluk mocht heeten een man als baas Peggotty aan boord te hebben.
Er gebeurde echter niets ergers dan dat het weder morgen werd. Bijna onmiddellijk nadat de lijst van oesterschelpen om mijn spiegel verlicht werd, was ik uit mijn bed en met de kleine Emily aan het steentjes zoeken op het strand.
„Gij zult zeker ook al goed kunnen varen?” vroeg ik aan Emily. Ik weet niet of ik het zelf geloofde, maar ik vond het beleefd iets te zeggen van dien aard; bovendien werd op dit oogenblik in hare mooie, schitterende oogen een zeil weerkaatst, dat in onze nabijheid was, zoodat deze vraag plotseling in mij opkwam.
„Neen,” antwoordde Emily, haar hoofdje schuddend, „ik ben bang voor de zee.”
„Bang!” riep ik, op het punt om stoutmoedig te worden en met een trotschen blik naar den oceaan. „Ik ben niet bang!”
„O, de zee is zoo wreed,” zei Emily. „Ik heb gezien hoe wreed de zee kan zijn voor sommigen. Ik heb de zee een schuit in stukken zien slaan, zoo groot als ons huis.”
„Ik hoop toch dat het de schuit niet was, waarmede....”
.... „Mijn vader verongelukt is?” zei Emily. „Neen. Die was het niet; ik heb die nooit gezien.”
„Maar uw vader toch wel?” vroeg ik.
De kleine Emily schudde het hoofd. „Ik kan er mij niets van herinneren.”
Dat was een punt van overeenkomst in ons leven. Ik begon onmiddellijk te vertellen dat ik mijn eigen vader ook nooit gezien had en dat mijne moeder en ik altijd zoo heel gelukkig samen waren geweest en hoopten altijd zoo gelukkig te zullen blijven; dat het graf van mijn vader op het kerkhof was dicht bij ons huis, dat er een groote boom bij stond en dat ik daar dikwijls des morgens de vogels hoorde zingen. Toch was er naar het bleek een groot verschil in Emily's leven en het mijne. Zij had hare moeder nog vóór haar vader verloren en waar het graf van haar vader was wist niemand—hij lag ergens op den bodem van de zee.
„Buitendien,” zei Emily, schelpen en steentjes zoekende, „uw vader was een heer en uwe moeder is eene dame en mijn vader was een visscher en mijne moeder was de dochter van een visscher en mijn oom Dan is ook een visscher.”
„Is uw oom Dan dezelfde als baas Peggotty?” vroeg ik.
„Oom Dan.... ginds!” antwoordde Emily en wees naar ons huis.
„Ja, ik bedoel hem. Hij moet erg goed zijn.... ten minste, dat denk ik zoo.”
„Goed?” zei Emily. „Als ik ooit eene dame word, geef ik hem een hemelsblauw buis met diamanten knoopen, een nanking broek, een rood fluweelen vest, een hoed met goud, een groot gouden horloge, een zilveren pijp en een beurs met geld.”
Ik antwoordde dat baas Peggotty al die schatten zeker wel verdiende, maar ik moet bekennen, dat het mij wel eenigszins moeielijk viel mij voor te stellen, dat baas Peggotty zich erg op zijn gemak zou gevoelen in de kleedij, die zijn dankbare, kleine nichtje voor hem had uitverkoren, vooral wat betrof den gegaloneerden hoed; maar ik hield deze opmerking maar voor mij zelven alleen.
De kleine Emily had het schelpen zoeken gestaakt en keek bij de opsomming van al deze heerlijkheden naar den hemel, alsof zij daar een visioen zag, waarin dat alles eenmaal werkelijkheid zou zijn. Daarna gingen wij voort met onze onschuldige bezigheid.
„Zoudt gij wel eene dame willen zijn?” vroeg ik.
Emily keek mij aan en lachte en knikte „ja.”
„Heel gaarne,” zeide zij. „Dan zouden wij allen te zamen heeren en dames zijn. Ik en Oom en Ham en juffrouw Gummidge. Dan zou het ons weinig kunnen schelen of er stormweer in aantocht was. Ik bedoel: voor ons zelven. Maar voor de arme visschers zouden wij heel goed zijn en wij zouden hun geld geven wanneer er weder een ongeluk plaats had.”
Deze wensch kwam mij zeer billijk en daarom de vervulling niet al te onwaarschijnlijk voor. Ik verdiepte mij gaarne met haar in zulk eene schoone toekomst en kleine Emily was ondeugend genoeg om te zeggen, hoewel schuchter:
„Meent ge nu nog dat gij niet bang zijt voor de zee?”
De zee was kalm genoeg om mij gerust te stellen, maar ik zou zonder twijfel het hazenpad gekozen hebben, indien ik een eenigszins hooge golf had zien aanrollen, zoo angstig had mij het verhaal van al hare verdronken bloedverwanten gemaakt. Toch zei ik „neen” en voegde er bij: „Gij schijnt er ook niet bang voor te zijn, al zegt gij het”; zij liep op dit oogenblik veel te dicht langs den kant van een uitstek of houten steiger, waarop wij gespeeld hadden en ik was bang dat zij er af zou vallen.
„Voor mij zelve ben ik niet bang,” zei kleine Emily, „maar wanneer de storm des nachts zoo hevig loeit, kan ik niet slapen uit angst voor oom Dan en Ham en meen ik hen om hulp te hooren roepen. Daarom zou ik ook zoo gaarne een dame willen zijn. Maar voor mij zelve ben ik niet bang.... niets; kijk maar!”
Zij snelde vooruit, langs een balk, die boven het water uitstak en geen enkel houvast aanbood. Dit voorval heeft zulk een indruk op mij gemaakt, dat, ware ik een teekenaar, ik het nu nog zou kunnen weergeven, juist zooals het plaats had; de kleine Emily, in haar verderf loopende—zooals mij toen voorkwam—met den blik op de zee gevestigd. Nimmer zal dat beeld uit mijn geheugen verdwijnen.
De kleine, lichte, vermetele gedaante kwam heelhuids bij mij terug en weldra lachte ik om mijn angst en om den kreet, dien ik had geuit; vruchteloos in elk geval, want er was niemand in de nabijheid. Op lateren leeftijd heb ik dikwerf gedacht: zou het mogelijk zijn, dat de plotselinge roekeloosheid van het kind en haar starende blik over de eindelooze watervlakte het gevolg waren van eene geheimzinnige aantrekkingskracht, die van haar overleden vader uitging? Heeft hij haar dien dag tot zich gewenkt? Er zijn oogenblikken geweest in mijn leven, waarin ik mij heb afgevraagd, of, indien haar lot mij op dat oogenblik ware geopenbaard, zoodat een kind het begrijpen kon, en haar behoud had afgehangen van eene enkele beweging mijner hand, ik de hand zou hebben mogen uitstrekken om haar te redden. Er is een tijd geweest—ik zeg niet dat die tijd lang heeft geduurd, maar hij is er geweest—dat ik mij zelven heb afgevraagd of het niet beter geweest ware, als ik de kleine Emily dien morgen voor mijne oogen had zien verdrinken, en dat ik moest antwoorden: „Ja....”
Maar ik loop mijne geschiedenis vooruit. Ik schreef dit te spoedig, doch laat het nu maar staan.
Wij speelden langen tijd te zamen en stopten onze zakken vol met allerlei dingen, die in onze oogen zeldzaam waren, en brachten eenige zeesterren, die op het droge verdwaald waren, zoo voorzichtig mogelijk in het water terug—ik ben zelfs nu nog niet genoeg vertrouwd met de gewoonten van deze dieren, om te weten of ze ons daarvoor dankbaar moesten zijn of niet—en daarna gingen wij naar huis terug. Wij bleven een oogenblik achter den uitbouw staan en wisselden een onschuldigen kus, waarna wij blakend van gezondheid en levenslust op het ontbijt aanvielen.
„Precies twee jonge lijsters,” zei baas Peggotty, welk gezegde ik als een compliment opvatte.
Natuurlijk was ik verliefd op Emily. Ik ben overtuigd, dat ik het kind even oprecht, even teeder, doch reiner en onzelfzuchtiger liefhad dan eene liefde op lateren leeftijd, hoe rein en edel ook, zijn kan. In mijne verbeelding was het lieve kind met hare mooie, blauwe oogjes een klein hemelsch wezentje, een engeltje en had zij op een zonnigen morgen plotseling een paar vleugeltjes uitgespreid om voor mijne oogen weg te vliegen, dan zou mij dat volstrekt niet verbaasd hebben. Ik verwachtte eigenlijk niet anders.
Uren achtereen wandelden wij in die dagen te zamen over de eentonige vlakte bij Yarmouth. De dagen vlogen voorbij. Ik vertelde Emily dat ik haar aanbad en dat, zoo zij mij dezelfde bekentenis niet deed, ik genoodzaakt zou zijn mij met een sabel dood te steken. Zij bekende mij echter dat zij mij ook lief had; en ik ben overtuigd dat zij het deed. Bezwaren over verschil in opvoeding en stand of over onzen jeugdigen leeftijd hadden wij niet; wij dachten immers niet verder dan aan het heden. Het woord toekomst kenden wij zelfs niet. Wij dachten evenmin aan ouder worden als aan jonger worden. Peggotty en juffrouw Gummidge waren in ééne bewondering van ons en als wij des avonds kinderlijk verliefd naast elkander op het kleine bankje zaten, fluisterden zij meer dan eens: „Hemel, hoe lief!” Baas Peggotty zat, met een glimlach op zijn gelaat, over zijne pijp heen naar ons te kijken en Ham grinnikte den geheelen avond—anders deed hij niets. Ik vermoed dat zij met evenveel genoegen naar ons keken als zij naar een mooi stuk speelgoed of naar een miniatuur-afbeeldsel van het Colosseum zouden gekeken hebben.
Spoedig kwam ik tot de ontdekking dat juffrouw Gummidge niet altijd zulk een lief humeur had, als zij, de omstandigheden en hare verhouding tot baas Peggotty in aanmerking genomen, wel had mogen hebben. Juffrouw Gummidge kon zelfs bijzonder kwade buien hebben en schreide veel meer dan in zulk een bekrompen verblijf voor de andere bewoners wenschelijk was. Ik had veel medelijden met haar, maar er waren oogenblikken, waarin ik dacht dat het aangenamer zou geweest zijn, indien juffrouw Gummidge een lief kamertje voor zich alleen had gehad en daar was gebleven tot de bui over was.
Baas Peggotty ging nu en dan naar een herberg „Het Dorstige Hart” genaamd. Ik ontdekte dit, toen hij den derden of vierden avond van mijn verblijf in Yarmouth uit was, aan de wijze waarop juffrouw Gummidge telkens naar de ouderwetsche klok keek en aan haar gezegde dat hij daarheen was en dat, wat meer zeide, zij 's morgens reeds geweten had dat hij er heen zou gaan. Juffrouw Gummidge was den geheelen dag uit haar humeur geweest en in den voormiddag, toen het vuur rookte, in tranen uitgebarsten. „Ik ben een ellendig, ongelukkig schepsel,” had zij gezegd, toen die onaangename gebeurtenis voorviel, „alles loopt mij altijd tegen.”
„O, het zal wel spoedig ophouden,” zei Peggotty—ik bedoel weder onze Peggotty—„en bovendien, het is voor ons toch even onaangenaam als voor u.”
„Ik voel het veel erger,” zei juffrouw Gummidge.
Het was een bijzonder koude dag; de wind blies scherp over de vlakte. Juffrouw Gummidge's hoekje aan den haard scheen mij het warmste en gezelligste plekje toe uit het geheele vertrek, evenals haar stoel de zachtste en gemakkelijkste zitplaats was; maar dien dag was zij met niets tevreden. Zij klaagde voortdurend over de koude en beweerde dat deze haar een ongemak in den rug zou bezorgen, „de kruipziekte”, zooals zij het noemde. Eindelijk begon zij ook daarover weder te schreien en beweerde zij nogmaals, dat zij een ellendig en ongelukkig schepsel was en dat alles haar altijd tegenliep!
„Ja,” zei Peggotty, „het is zeker erg koud; iedereen moet dat wel voelen.”
„Ik voel het erger dan iemand anders,” antwoordde juffrouw Gummidge.
Zoo ook bij het middagmaal. Juffrouw Gummidge werd altijd onmiddellijk na mij bediend, aan wien de voorrang werd gegeven als een gast van aanzien. De visch was klein en graterig en de aardappelen waren aangebrand. Wij vonden dit allen minder aangenaam, maar juffrouw Gummidge zeide, dat zij het erger voelde dan wij en begon opnieuw te schreien en gaf met nog grooter bitterheid de oude verklaring van zich zelve.
Het gevolg was dat, toen baas Peggotty te ongeveer negen uur thuis kwam, juffrouw Gummidge dood ongelukkig, met de wanhoop op het gelaat in haar hoekje zat te breien. Peggotty daarentegen was zeer opgeruimd en zat eveneens te werken. Ham had een paar groote waterlaarzen zitten oplappen en ik had, met de kleine Emily naast mij, voorgelezen. Juffrouw Gummidge had geen enkel teeken van leven gegeven dan nu en dan een diepen zucht en sinds de thee geen enkele maal de oogen opgeslagen.
„Wel, maatjes,” zei baas Peggotty, terwijl hij op zijne gewone plaats ging zitten, „hoe gaat het er mee?”
Allen zeiden een enkel woord om hem te verwelkomen of wierpen hem een vriendelijken blik toe, behalve juffrouw Gummidge, die hoofdschuddend doorbreide.
„Wat scheelt er aan?” vroeg baas Peggotty, in de handen klappend. „Moed gevat, oudje!”
Juffrouw Gummidge scheen niet in staat om moed te vatten. Zij haalde een ouden, zwart zijden zakdoek te voorschijn en veegde daarmede hare oogen af, maar in plaats van den zakdoek in haar zak te steken, hield zij dien in de hand, veegde nogmaals hare oogen af en hield den doek in de hand gereed.
„Wat scheelt er aan, moedertje?” vroeg baas Peggotty.
„Niets,” antwoordde juffrouw Gummidge. „Gij komt uit ‚Het Dorstige Hart’, Dan?”
„Wel ja, ik heb van avond wat zitten praten in ‚Het Dorstige Hart’,” antwoordde baas Peggotty.
„Het spijt mij dat ik u daarheen jaag,” zei juffrouw Gummidge.
„Jagen! Ik behoef volstrekt niet gejaagd te worden,” hernam baas Peggotty, vriendelijk lachend. „Ik ga er maar al te gaarne heen.”
„Zeer gaarne,” zei juffrouw Gummidge, haar hoofd schuddende en hare oogen afvegend. „Ja, ja, zeer gaarne. Het spijt mij, dat gij er om mij zoo gaarne heengaat.”
„Om u? Ik ga er niet heen om u!” riep baas Peggotty. „Geloof daar toch niets van!”
„Ja, ja, het is wel waar,” hernam juffrouw Gummidge. „Ik weet wat ik ben. Ik weet, dat ik een ellendig, ongelukkig schepsel ben en dat alles mij tegenloopt en ik iedereen tot last ben. Ja, ja, ik voel alles veel erger dan andere menschen en ik toon het meer. Dat is juist mijne rampzaligheid.”
Terwijl ik daar zat, kon ik niet nalaten te denken, dat de rampzaligheid zich behalve tot juffrouw Gummidge ook tot de andere leden van de familie uitstrekte; maar baas Peggotty zei niets van dien aard; hij antwoordde slechts met eene vernieuwde uitnoodiging aan juffrouw Gummidge om moed te vatten.
„Ik ben niet wat ik zou kunnen zijn,” hernam juffrouw Gummidge. „Dat is er ver vandaan. Ik weet wat ik ben. Mijn verdriet maakt dat ik iedereen tot last ben. Ik voel mijn verdriet zoo, daarom ben ik iedereen tot last. Ik wilde dat ik het niet zoo voelde, maar ik doe het. Ik wilde dat ik er mij tegen verzetten kon, maar dat kan ik niet. Ik ben een lastpost in huis en dat verbaast mij niet. Ik ben uwe zuster altijd tot last geweest en den jongeheer David...”
Ik voelde mij plotseling zoo getroffen dat ik uitriep: „Neen, juffrouw Gummidge, dat zijt gij niet!” Ik was hevig ontroerd.
„Het is heel slecht van mij, dat ik het doe,” vervolgde juffrouw Gummidge. „Het is zeer ondankbaar van mij. Ik deed beter naar het werkhuis te gaan en daar te sterven. Ik ben een ellendig, ongelukkig schepsel en deed veel beter hier niemand meer tot last te zijn. Als alles mij toch tegen loopt en ik ook mij zelve tot last ben, laat ik dan een lastpost zijn in mijn eigen kerspel, Dan! Ik moest liever naar het werkhuis gaan en daar sterven... dan waart gij mij kwijt.”
Na deze woorden ging juffrouw Gummidge naar haar eigen kamer en naar bed. Toen zij weg was, keek baas Peggotty, op wiens gelaat slechts medelijden te lezen was geweest en nog was, ons allen een voor een aan en zei hoofdschuddend: „Zij heeft weer aan den oude zitten denken.”
Ik begreep niet goed welken oude baas Peggotty bedoelde, maar toen Peggotty mij naar bed bracht, legde zij mij uit dat het baas Gummidge was; „mijn broeder is overtuigd,” voegde zij er bij, „dat juffrouw Gummidge bij zulke gelegenheden altijd aan haar overleden echtgenoot denkt en dit ontroert hem telkens weder.” Eenige oogenblikken nadat baas Peggotty zijn hangmat had opgezocht, hoorde ik hem ook tegen Ham zeggen: „Arm schepsel! Zij heeft weder aan den oude zitten denken!” En telkens als juffrouw Gummidge gedurende ons verblijf zulk eene bui had—dit gebeurde nog eenige malen—zei hij altijd hetzelfde tot hare verontschuldiging en altijd op een toon, die zijn innig medelijden verried.
Zoo gingen de veertien dagen voorbij, door niets afgewisseld dan door het getij, dat verandering bracht in baas Peggotty's uitgaan en thuiskomst en ook in Ham's bezigheden. Wanneer Ham niets te doen had, wandelde hij met ons en liet hij ons de schepen en de schuiten zien en eens nam hij ons zelfs mede in zijne roeiboot. Ik weet niet, waarom sommige indrukken, somtijds van de onbeduidendste zaken, meer dan andere aan eene plaats verbonden blijven, hoewel ik meen, dat zulks ten opzichte van herinneringen uit de kinderjaren met alle menschen het geval is. Ik hoor of lees den naam Yarmouth nooit of ik word herinnerd aan zekeren Zondagmorgen op het strand en hoor de kerkklok luiden en voel de kleine Emily tegen mijn schouder leunen en zie Ham peinzend steentjes in het water werpen en de zon boven de zee door de dikke mist heenbreken en de schepen in de verte, als schimmen van zich zelve.
Eindelijk naderde de dag van vertrek. Ik hield mij ferm bij het afscheid van baas Peggotty en Ham en juffrouw Gummidge, maar dat ik ook de kleine Emily verlaten moest, maakte mij bijna wanhopig. Arm in arm wandelden wij naar de herberg waar de voerman stalde en onder weg beloofde ik haar te zullen schrijven.—Later heb ik deze belofte vervuld in letters zoo groot als die, waarin gewoonlijk huizen of kamers te huur worden aangeboden.—Bij het afscheid waren wij beiden bijna niet tot bedaren te brengen en indien ik ooit eene ledige plaats in mijn hart heb gevoeld, was het op dezen dag.
Gedurende den geheelen tijd, dien ik te Yarmouth had doorgebracht, was ik hoogst ondankbaar geweest jegens mijn ouderlijk huis en had ik er bijna in het geheel niet aan gedacht. Nauwelijks was ik echter op de terugreis of mijn geweten begon te spreken en scheen met dreigenden vinger daarheen te wijzen; juist omdat ik zoo verdrietig was, voelde ik dat ik daar thuis behoorde en dat mijne moeder mijne troosteres en mijne vriendin zou zijn. Naarmate wij verder kwamen, nam dit gevoel toe in kracht; zoodat ik, hoe dichter wij ons huis naderden en hoe bekender alle voorwerpen mij toeschenen, hoe langer hoe meer verlangde bij haar te zijn en mij in hare armen te werpen. Maar in plaats van dit gevoel aan te wakkeren, deed Peggotty haar best—zij het dan ook op vriendelijken toon—om mij tot kalmte aan te manen en zelve keek zij verlegen en verdrietig rond.
Blunderstone's Kraaiennest zou echter, haar ten spijt, in het gezicht komen, wanneer het paard het ten minste verkoos—en dit deed het. Hoe goed herinner ik mij dien kouden, grauwen namiddag met die betrokken lucht en dien voortdurenden motregen! De deur werd geopend en half lachend, half schreiend van zenuwachtige aandoening zocht ik mijne moeder. Zij had echter de deur niet geopend—ik zag niets dan eene vreemde dienstmeid.
„Hoe is het nu, Peggotty,” sprak ik teleurgesteld, „is zij niet teruggekomen?”
„Ja, zeker, jongeheer David,” antwoordde Peggotty. „Zij is thuis gekomen. Wacht een oogenblik, jongeheer David, dan zal ik.... dan zal ik u iets vertellen.”
Tengevolge van hare zenuwachtigheid en haar aangeboren onhandigheid nam Peggotty, bij het verlaten van de kar, de zonderlingste houdingen aan, maar ik was te moedeloos om er haar opmerkzaam op te maken. Toen zij op den weg stond, nam zij mij bij de hand, bracht mij tot mijne onbeschrijfelijke verbazing in de keuken en sloot de deur.
„Peggotty!” vroeg ik angstig, „wat is er gebeurd?”
„Niets van belang, mijn beste jongeheer David,” antwoordde zij, haar best doende om opgeruimd te kijken.
„Er moet iets gebeurd zijn; dat weet ik zeker. Waar is mama?”
„Waar uwe mama is, jongeheer David?” herhaalde Peggotty.
„Ja, waarom is zij niet aan het hek gekomen en waarom zijn wij hier heengegaan? O, Peggotty!” Mijne oogen schoten vol tranen en ik voelde dat ik deze onzekerheid niet lang zou verduren.
„God zegene den lieven jongen!” riep Peggotty, mij tot zich trekkende. „Wat is er? Spreek toch, mijn lieveling.”
„Zij is immers niet dood, Peggotty?”
Peggotty riep, „Neen!” met eene verbazend harde stem, daarna ging zij zitten en begon te hijgen en te zuchten en zei dat ik haar een schrik op het lijf had gejaagd.
Ik omhelsde haar, ten einde den schrik van haar af te nemen en ging toen voor haar staan en keek haar angstig vragend aan.
„Zie, beste jongen, ik had het u al eerder moeten vertellen,” begon zij, „maar ik had daarvoor geen gelegenheid. Ik had er eene gelegenheid voor moeten zoeken maar ik kon er eigenlijk niet goed toe besluiten—vergeef het mij.”
„Ga voort, Peggotty,” zei ik nog angstiger dan te voren.
„Jongeheer David,” vervolgde zij, haar hoed losmakend en sprekende alsof zij geheel buiten adem was, „wat zegt gij daar nu wel van?.... Gij hebt weer een papa gekregen!”
Ik begon te beven en werd zoo wit als een doek. Iets—ik weet zelf niet wat of hoe—iets dat in verband stond met het kerkhof en de opstanding uit den dood scheen langs mij heen te strijken als een tochtwind.
„Een nieuwe,” zei Peggotty.
„Een nieuwe?” herhaalde ik.
Peggotty maakte eene beweging alsof zij een zeer hard stuk inslikte en zeide, mij bij den arm nemende: „Kom, ga mede, dan zult gij hem zien.”
„Maar ik wil hem niet zien.”
.... „en uwe mama ook,” vervolgde Peggotty.
Ik verzette mij niet langer en wij gingen rechtstreeks naar de mooie kamer, waar Peggotty mij alleen liet. Aan de eene zijde van den haard zat mijne moeder, aan de andere.... mijnheer Murdstone. Mijne moeder legde haar werk neer en stond haastig, doch, naar het mij voorkwam, met iets schroomvalligs in hare houding, op.
„Nu, Clara, lieve,” zei mijnheer Murdstone. „Herinner u wat wij afgesproken hebben. Bedwing u zelve, bedwing u zelve altijd. Dag, David, hoe gaat het u?”
Ik gaf hem eene hand en na een oogenblik geaarzeld te hebben, ging ik naar mijne moeder en kuste haar; zij kuste mij ook en klopte mij vriendelijk op den schouder en.... ging weder aan haar werk. Ik kon haar niet aanzien, ik kon ook hem niet aanzien, ik wist zeer goed dat hij ons beiden aankeek; ik keerde mij daarom naar het venster en keek naar buiten, naar eenige heesters, die in de koude het hoofd lieten hangen.
Zoodra ik kon wegsluipen, kroop ik de trap op. Mijne oude, vriendelijke slaapkamer was geheel veranderd en ik was verhuisd naar de andere zijde van het huis. Ik ging weder naar beneden om iets te vinden dat hetzelfde was gebleven, zoo scheen alles veranderd, en kwam op de plaats. Maar ik nam al heel spoedig de vlucht want het hondenhok was bewoond door een grooten hond—met een zware stem en zwart haar, evenals hij—die boos werd toen hij mij zag en uit zijn hok sprong om mij te bijten.
IV
Ik val in ongenade.
Als het kamertje, waarheen mijn bedje verplaatst was, denken en spreken kon, zou ik er thans een beroep op doen—ik zou wel eens willen weten wie er nu slaapt!—om getuigenis af te leggen van de stemming waarin ik binnentrad. Ik ging de trap op, terwijl de hond op de plaats mij nog steeds achterna blafte, keek ontmoedigd en bedeesd het kleine vertrekje rond en ging met de kleine handen over elkander zitten peinzen..... peinzen over de vreemdsoortigste dingen; over den vorm van de kamer, over de reten in de zoldering, over het behangsel, over de barsten in de ruiten, waardoor allerlei rimpels en kronkelingen in het uitzicht ontstonden, over de waschtafel, die op hare drie pooten scheen te waggelen en iets verdrietigs scheen te hebben, dat mij deed denken aan juffrouw Gummidge, wanneer zij aan haar oude had gedacht.
Ik schreide al dien tijd, maar behalve dat ik koud en bedroefd was, wist ik—daar ben ik zeker van—niet waarom ik schreide. Ten laatste begon ik in mijn wanhoop te begrijpen dat ik hopeloos verliefd was op de kleine Emily en van haar weggenomen was om hierheen gebracht te worden, waar niemand mij maar half zoo noodig en half zoo lief had als zij. Dit bracht mij zoo van streek dat ik mij in mijn deken rolde en mij toen in slaap schreide. Ik werd wakker, omdat ik iemand hoorde zeggen: „Hier is hij.” Te gelijkertijd werd mijn hoofd ontbloot, dat gloeide als een vuurbol. Mijne moeder en Peggotty waren mij komen zoeken en een van beiden had deze woorden gesproken.
„David,” zei mijne moeder, „wat scheelt er aan?”
Ik vond het zeer vreemd dat zij mij deze vraag deed en antwoordde: „Niets.” Daarna keerde ik mij om, dat herinner ik mij nog zeer goed, ten einde mijne bevende lippen te verbergen, die haar meer naar waarheid zouden geantwoord hebben.
„David,” herhaalde mijne moeder. „David, mijn kind!”
Wat zij ook zou kunnen gezegd hebben, niets zou mij zoo hebben getroffen dan dat zij mij „haar kind” noemde. Ik verborg mijne tranen in het bedlaken en duwde hare hand weg toen zij mij wilde oprichten.
„Dat is uw werk, Peggotty, wreed schepsel, dat gij zijt!” riep mijne moeder. „Ik twijfel er geen oogenblik aan. Hoe kunt gij het voor uw geweten verantwoorden, mijn eigen jongen tegen mij op te hitsen of tegen iemand, die mij dierbaar is? Waarom hebt gij dat gedaan, Peggotty?”
Peggotty hief de handen en de oogen ten hemel en antwoordde op de wijze zooals ik gewoon was na tafel mijn gebedje op te zeggen: „De Heer schenke u vergiffenis, mevrouw Copperfield, voor hetgeen gij daar hebt gezegd. Zoo gij ooit oprecht berouw daarover zult voelen....”
„Het is om waanzinnig te worden,” riep mijne moeder. „En dat in de eerste dagen van mijn huwelijk, nu mijn ergste vijand mij zou ontzien en mij mijn weinigje geluk en rust niet zou misgunnen! David, gij zijt een ondeugende jongen en gij, Peggotty, gij zijt een ongevoelig schepsel! O, lieve Hemel!” vervolgde zij, terwijl zij zich boos en eigenzinnig, nu eens tot Peggotty dan weder tot mij wendde, „wat is er toch een ellende in de wereld en dat in een tijd, waarin men mocht verwachten eens louter voor zijn genoegen te leven!”
Ik voelde de aanraking van eene hand, die, dat wist ik, noch aan mijne moeder noch aan Peggotty toebehoorde, en stond in het volgend oogenblik naast mijn bed. Het was de hand van mijnheer Murdstone; hij hield mijn arm vast terwijl hij zeide: „Wat is dat? Clara, lieve, hebt gij onze afspraak vergeten? Flink zijn, lieve, flink zijn!”
„Het spijt mij zoo, Edward,” antwoordde mijne moeder, „ik meende het te wezen, maar het valt mij niet gemakkelijk.”
„Waarlijk!” sprak hij. „Nu reeds? Dat is een slecht begin!”
„Het is wel hard voor mij dat ik zoo moet zijn,” antwoordde mijne moeder pruilend; „het is wel.... zeer hard... is het niet?”
Hij trok haar naar zich toe, fluisterde haar iets in het oor en kuste haar. Toen ik mijne moeder het hoofd op zijn schouder en den arm om zijn hals zag leggen wist ik zeer goed, dat hij hare buigzame natuur kon kneden als was—ik wist dat toen even goed als ik thans weet dat hij het gedaan heeft.
„Ga naar beneden, lieve,” zei mijnheer Murdstone. „David en ik zullen u volgen.”
Toen mijne moeder weg was, keerde hij zich met een gelaat, zoo donker als de nacht, naar Peggotty en vroeg: „weet gij niet hoe uwe mevrouw heet?”
„Zij is lang genoeg mijne mevrouw geweest, mijnheer,” antwoordde Peggotty. „Ik moet dat dus wel weten.”
„O zoo,” hernam hij, „ik meende, toen ik de trap opkwam, u een naam te hooren uitspreken, die de hare niet meer is. Zij heeft mijn naam aangenomen, begrijpt gij? Zult gij dat goed onthouden?”
Na mij eenige malen angstig te hebben gadegeslagen, verliet zij buigende de kamer zonder een woord te antwoorden; zij zag in dat men haar gezelschap missen kon en had geen enkele reden om te blijven.
Toen wij met ons beiden alleen waren, sloot hij de deur en terwijl hij op een stoel zat en ik voor hem stond, keek hij mij gedurende eenige oogenblikken doordringend aan. Mijne oogen werden blijkbaar door de zijnen aangetrokken, zoodat ik hem niet minder doordringend aankeek. Als ik mij dat oogenblik voor den geest roep, waarop wij zoo van aangezicht tot aangezicht tegenover elkander stonden, voel ik mijn hart nog kloppen in mijn keel.
„David,” zei hij, zijne lippen dun makende door ze op elkaar te drukken, „wat denkt gij wel dat ik doe met een koppig paard of een koppigen hond?”
„Dat weet ik niet.”
„Ik geef hem slaag.”
Ik had geantwoord op fluisterenden toon, bijna ademloos, maar ik voelde dat mijne ademhaling hoe langer hoe korter werd.
„Ik laat hem voelen wat pijn is en zeg tot mij zelven: ‚hij moet er onder; en al zou het hem al het bloed kosten dat hij heeft, hij zal er onder.’ Wat hebt gij daar op uw gezicht?”
„Vuil,” zei ik.
Hij wist evengoed als ik dat het de sporen waren van tranen, maar al had hij het mij twintig maal gevraagd, telkens met twintig slagen, ik geloof dat ik het hem, zoo klein en teer als ik was, niet bekend zou hebben.
„Gij hebt verstand in overvloed voor zoo'n kleinen jongen,” zei hij met den hem eigen glimlach, „en gij begrijpt mij zeer goed. Wasch uw gezicht en ga dan met mij naar beneden.”
Hij wees naar de waschtafel, die mij aan juffrouw Gummidge had doen denken, en gaf mij door eene beweging met het hoofd te kennen dat ik oogenblikkelijk moest gehoorzamen. Ik twijfelde er niet aan en ik twijfel er op dit oogenblik volstrekt niet aan of hij zou mij zonder het geringste gemoedsbezwaar geslagen hebben als ik geaarzeld had.
„Clara, lieve,” zei hij, toen wij, nadat ik zijn bevel had opgevolgd, de huiskamer binnentraden—hij hield mijn arm weder omklemd—„het zal u nu gemakkelijk vallen; daarvan ben ik overtuigd. Wij zullen dat jeugdig humeurtje wel verbeteren.”
God weet, dat ik wellicht voor mijn geheele leven verbeterd zou zijn, dat ik misschien een geheel ander mensch zou zijn geworden, indien mij op dit oogenblik een vriendelijk woord ware toegevoegd. Een woord van bemoediging en opheldering, van medelijden met mijne kinderlijke onwetendheid, van welkom thuis of van verzekering dat hier werkelijk mijn tehuis was, zou wellicht mijn hart tot dankbaarheid hebben gestemd jegens den man, voor wien ik nu slechts gehoorzaamheid huichelde; zou mij wellicht achting voor hem hebben ingeboezemd, terwijl ik nu niets kon doen dan hem haten. Ik hoopte dat mijne moeder spijt zou gevoelen, als zij mij daar zoo bedeesd zag staan, alsof ik een vreemdeling was in dit huis; ik hoopte het nog, toen ik opmerkte dat zij mij met een droeven blik nakeek, terwijl ik stilletjes naar een stoel sloop—misschien met iets gedwongens in mijne houding—maar dat woord werd niet uitgesproken; het geschikte oogenblik daartoe ging verloren.
Wij gebruikten met ons drieën het middagmaal. Hij scheen erg verliefd te zijn op mijne moeder—ik geloof niet, dat ik daarom meer van hem hield—en mijne moeder scheen erg verliefd te zijn op hem. Uit hetgeen zij bespraken maakte ik op, dat eene oudere zuster van hem bij ons zou komen inwonen en dat deze dienzelfden avond verwacht werd. Ik weet niet zeker meer of het toen of naderhand was, dat ik tot de ontdekking kwam dat hij, zonder zelf werkzaam te zijn, aandeelen had in of een jaarlijksch inkomen genoot van eene groote wijnzaak in Londen, waarin zijne familie reeds bij het leven van zijn overgrootvader betrokken was geweest en dat ook zijne zuster recht had op eene gelijke uitkeering; ik maak er echter nu maar melding van, hetzij dan dat ik het eerst later vernam.
Na het middagmaal, terwijl wij bij den haard zaten en ik peinsde over een middel om Peggotty op te zoeken—ik had niet den moed om weg te loopen uit vrees voor de ongenade van den heer des huizes—reed een rijtuig voor en ging hij naar buiten om den bezoeker te ontvangen. Mijne moeder volgde hem en ik volgde haar zoo bedeesd mogelijk; maar op den drempel keerde zij zich plotseling om—het was donker—en omhelsde mij, zooals zij vroeger gewoon was geweest en fluisterde mij in dat ik mijn nieuwen papa moest liefhebben en gehoorzaam zijn. Zij deed het haastig en heimelijk, alsof zij kwaad deed, maar niettemin met groote teederheid en terwijl zij hare hand achter zich hield met de mijne er in, kwamen wij dicht bij de plek in den tuin, waar hij stond; toen liet zij mij los en stak haar arm door den zijne.
De aangekomene was juffrouw Murdstone, eene stuursche dame, met een even donker uitzicht als haar broeder, met wien zij, wat haar gelaat en hare stem betrof, zeer veel overeenkomst had; zij had in het oog vallend zware wenkbrauwen, die elkaar boven den grooten neus ontmoetten, alsof zij, boos over de onrechtvaardigheid dat het aan hare sexe ontzegd was bakkebaarden te dragen, deze naar het voorhoofd had verplaatst. Zij bracht twee verschrikkelijk harde, zwarte koffers mede met hare initialen in harde koperen spijkers op de deksels. Toen zij den koetsier betaalde, haalde zij het geld uit een harde, stalen beurs en deze beurs stopte zij in een reusachtige beugeltasch, die aan een zwaren, harden ketting aan haar arm hing en toeklapte als de muil van een roofdier. Nooit had ik eene dame gezien, aan wie alles zoo van metaal was als aan juffrouw Murdstone.
Zij werd naar de voorkamer gebracht en hartelijk welkom geheeten, waarna zij mijne moeder van het hoofd tot de voeten opnam en met eene zekere plechtigheid erkende als eene nieuwe en nauwe bloedverwante.
„Is dat uw jongen, schoonzuster?”
Mijne moeder verloochende mij niet.
„In het algemeen,” zei juffrouw Murdstone, „houd ik niet van jongens. Hoe vaart gij, kereltje?”
Op deze bemoedigende toespraak antwoordde ik dat ik heel wel was en dat ik hoopte dat zij ook wel was; ik zei dit op zulk een onverschilligen toon, dat juffrouw Murdstone in twee woorden haar oordeel over mij uitsprak: „Geen manieren.”
Nadat zij dit met groote duidelijkheid gezegd had, verzocht zij op bijna ootmoedigen toon dat men haar hare kamer zou wijzen, die van dat oogenblik af voor mij eene plaats werd, waaraan ik niet dan met angst en beven kon denken, waarin de twee harde, zwarte koffers nooit geopend gezien werden of ongesloten bleven—ik keek er een enkele maal stilletjes binnen, wanneer zij uit was—en waar een onnoemelijk aantal kleine stalen armbanden en kettinkjes, waarmede juffrouw Murdstone zich tooide, wanneer zij in pontificaal was, boven den spiegel hingen.
Voor zoover ik kon nagaan, was zij gekomen om niet meer heen te gaan. Den volgenden morgen begon zij mijne moeder te helpen en bracht een groot gedeelte van den dag in de provisiekamer door, waar zij alles overhoop haalde en naar haar eigen inzichten rangschikte. Het merkwaardigste, dat ik in juffrouw Murdstone opmerkte, was haar voortdurende achterdocht dat de meiden ergens een man hadden verstopt. Onder den invloed van dit zelfbedrog daalde zij op de meest ongewone uren plotseling in den brandstoffenkelder af en zelden opende zij de deur van eene donkere kast zonder die oogenblikkelijk weder te sluiten, in den waan dat zij „hem” nu gevangen had. Hoewel juffrouw Murdstone niets had, waardoor zij aan een leeuwerik deed denken, kon zij toch met deze wedijveren op het punt van vroeg opstaan. Zij was al op—als ik er nu goed over nadenk, zocht zij dan naar dien man—eer iemand in huis aan opstaan dacht. Peggotty beweerde dat juffrouw Murdstone altijd met één oog open sliep, maar ik kon haar dat niet toegeven; want nadat zij dit vermoeden geuit had, beproefde ik het meermalen en bevond dat het niet mogelijk was.
Op den eersten morgen na hare aankomst was zij reeds bij het eerste hanengekraai op en trok aan hare schel. Toen mijne moeder aan het ontbijt kwam en thee wilde zetten, gaf juffrouw Murdstone haar een pik in de wang—dit kwam haar manier om te kussen het meest nabij—en zeide:
„Nu, Clara, lieve, gij weet, ik ben hier gekomen om u zooveel mogelijk van alle lasten te ontheffen. Gij zijt veel te mooi en te zorgeloos—mijne moeder bloosde en lachte, en scheen deze woorden niet zoo erg onaangenaam te vinden—om plichten op u te nemen, die ik vervullen kan. Indien gij wel zoo goed wilt zijn mij de sleutels te overhandigen, lieve, zal ik voortaan voor alles zorgen.”
Van dat oogenblik af had juffrouw Murdstone den geheelen dag de sleutels in haar nijdige beugeltasch en den geheelen nacht onder haar kussen; mijne moeder had er niet meer over te zeggen dan ik. Mijne moeder gaf echter het opperbestuur niet over dan onder een zweem van protest. Op zekeren avond, toen juffrouw Murdstone eenige huishoudelijke aangelegenheden met haar broeder besprak en deze zijne goedkeuring er aan hechtte, begon mijne moeder plotseling te schreien en zeide dat zij toch ook wel geraadpleegd mocht worden.
„Clara!” zei mijnheer Murdstone ernstig. „Clara, ik verbaas mij over u.”
„O, het is heel gemakkelijk te zeggen dat gij u verbaast, Edward!” riep mijne moeder uit, „en gij hebt mooi praten over flinkheid, maar het zou u toch ook niet aanstaan!”
Ik moet nog doen opmerken dat flinkheid de groote deugd was, waarop mijnheer en juffrouw Murdstone zich niet weinig lieten voorstaan. Welke verklaring ik toenmaals van deze eigenschap zou gegeven hebben, indien men er mij naar had gevraagd, kan ik niet zeggen; maar ik begreep toch heel duidelijk dat deze zoogenaamde flinkheid eigenlijk niets was dan tyrannie, eene bemanteling van hun stuursch, aanmatigend, duivelachtig karakter. Indien ik thans eene karakterschets van hen moest geven, zou ik het aldus doen: Mijnheer Murdstone was flink; niemand in zijne omgeving was zoo flink als mijnheer Murdstone; eigenlijk was er in zijne omgeving niemand flink, want iedereen moest voor zijne flinkheid buigen. Juffrouw Murdstone maakte daarop eene uitzondering; zij mocht ook flink zijn, maar alleen omdat zij zoo na verwant was aan hem, aan wien zij toch altijd ondergeschikt moest blijven. Hare flinkheid was dus van eene mindere soort. Ook mijne moeder maakte eene uitzondering. Zij mocht niet alleen flink zijn, zij moest het zijn, alleen echter om de flinkheid van mijnheer en juffrouw Murdstone te kunnen dragen en te gelooven, dat zij de eenige flinke menschen waren op dit ondermaansche.
„Het is zeer hard,” zei mijne moeder, „en dat in mijn eigen huis....”
„Mijn eigen huis?” herhaalde mijnheer Murdstone. „Clara!”
„Ons eigen huis, bedoel ik,” fluisterde mijne moeder blijkbaar angstig—„ik hoop dat gij begrijpt wat ik bedoel, Edward—het is zeer hard, dat ik in uw eigen huis geen woord mag meespreken waar het huishoudelijke zaken betreft. Ik ben overtuigd dat ik eene goede huishoudster was vóór wij trouwden. Ik kan getuigen oproepen,” snikte zij, „vraag het aan Peggotty of alles niet geregeld ging toen ik aan het hoofd stond!”
„Edward,” zei juffrouw Murdstone, „maak er een einde aan. Ik ga morgen heen.”
„Jane Murdstone,” antwoordde haar broeder, „zwijg! Hoe durft gij zelfs maar doen vermoeden dat gij mijn karakter niet beter kent dan men uit uwe woorden zou opmaken?”
„Ik verlang volstrekt niet,” hernam mijne moeder tot haar eigen bittere schade, onder veel tranen, „dat er iemand heengaat. Ik zou zeer bedroefd en ongelukkig zijn, indien er iemand heenging. Ik vraag niet veel; ik ben niet onredelijk. Ik verlang slechts nu en dan geraadpleegd te worden. Ik ben aan iemand, die mij helpt, zeer veel verplicht en verlang slechts nu en dan, al is het maar voor den vorm, geraadpleegd te worden. Ik meende, Edward, dat gij er vroeger mede ingenomen waart, dat ik nog weinig ondervinding had en wat kinderlijk was.... ik weet zeker dat gij het gezegd hebt, maar het schijnt wel dat gij mij nu daarom minacht, zoo streng zijt gij.”
„Edward,” herhaalde juffrouw Murdstone, „maak er een einde aan. Ik ga morgen heen.”
„Jane Murdstone,” bulderde hij haar toe, „zwijg! Hoe durft gij zoo iets uitspreken?”
Juffrouw Murdstone haalde haar zakdoek te voorschijn en hield dien voor de oogen.
„Clara,” ging hij voort, mijne moeder aankijkende, „ik verbaas mij over u. Ik ben een en al verbazing! Ja, het denkbeeld om in het huwelijk te treden met eene vrouw, die nog weinig ervaren was en nog niets van de wereld gezien had, trok mij zeer zeker aan; ik hoopte haar karakter te kunnen vormen en haar een weinig van die flinkheid en vastberadenheid mede te deelen, waaraan zij nog zoo zeer behoefte had. Maar wanneer Jane Murdstone vriendelijk genoeg is mij tot dat doel hare hulp te komen aanbieden en ter wille van mij eigenlijk eene betrekking als huishoudster op zich te nemen, en wanneer zij dan met ondank wordt beloond....”
„O, ik smeek u, Edward, ik smeek u, beschuldig mij niet van ondankbaarheid!” riep mijne moeder. „Ik ben er zeker van dat ik niet ondankbaar wil wezen. Niemand heeft ooit gezegd dat ik het was. Ik heb veel gebreken, maar ondankbaar ben ik niet. Zeg dat toch niet, lieve man!”
„Wanneer Jane Murdstone, zeg ik, met den zwartsten ondank wordt beloond,” hernam hij, toen mijne moeder zweeg, „moet het gevoel, dat ik voor u koesterde, wel verkoelen en veranderen.”
„O, zeg dat toch niet, lieve man!” smeekte mijne moeder dringend. „O, zeg dat toch niet! Ik zou het niet kunnen dragen. Wat ik ook zijn moge, ik heb een goed hart. Ik weet dat ik een goed hart heb; ik zou het niet kunnen zeggen, als ik er niet zeker van was. Vraag het Peggotty, ik ben er zeker van dat zij het ook zal zeggen.”
„Overdreven teederheid heeft niet den minsten invloed op mij, Clara,” antwoordde mijnheer Murdstone. „Gij doet vergeefsche moeite.”
„Och, laat ons weer vrienden zijn,” sprak mijne moeder. „Koelheid en onvriendelijkheid zouden mij dooden. Het spijt mij zoo. Ik heb zooveel gebreken, Edward, en het is heel lief van u dat gij met uw krachtigen geest wilt trachten mij te verbeteren. Jane, ik beklaag mij over niets. Mijn hart zou breken indien gij er ook maar over dacht ons te verlaten....” Mijne moeder was te overspannen om voort te gaan.
„Jane Murdstone,” sprak mijnheer Murdstone tot zijne zuster, „het is iets ongewoons, dat er tusschen ons harde woorden vallen. Het is echter niet mijne schuld, dat zoo iets ongewoons heden avond heeft plaats gehad. Ik werd er door een ander in betrokken. Ook is het uwe schuld niet. Gij werdt er ook door een ander in betrokken. Laat ons beiden trachten het te vergeten. En aangezien dit,” voegde hij er na deze grootmoedige woorden bij, „geen geschikt tooneel is voor kinderen.... ga naar bed, David.”
Ik kon nauwelijks de deur vinden, want mijne oogen stonden vol tranen. Ik was zoo bedroefd, omdat mijne moeder verdriet had en ging op den tast de kamer uit en de trap op naar mijne slaapkamer, waar het nog donker was, zonder zelfs den moed te hebben, Peggotty goeden nacht te zeggen of eene kaars bij haar te vragen. Toen zij ongeveer een uur later naar mij kwam kijken, werd ik wakker en vertelde zij mij, dat mijne moeder ongesteld was en naar bed was gegaan en dat mijnheer en juffrouw Murdstone alleen beneden zaten.
Den volgenden morgen kwam ik vroeger dan gewoonlijk beneden en bleef aan de deur van de huiskamer staan, want ik hoorde de stem van mijne moeder. Zij verzocht juffrouw Murdstone in vollen ernst nederig vergiffenis en toen deze dame wel zoo goed was die te schenken, had er eene volledige verzoening plaats. Ik geloof niet, dat mijne moeder ooit weder haar gevoelen uitte over de eene of andere zaak, zonder eerst dat van juffrouw Murdstone te vragen, of zonder zich eerst overtuigd te hebben, dat juffrouw Murdstone er eveneens over dacht; en nooit zag ik juffrouw Murdstone, wanneer zij uit haar humeur was—zij was dikwijls uit haar humeur—naar de nijdige beugeltasch grijpen, om er de sleutels uit te nemen en die aan mijne moeder te overhandigen, of ik zag mijne moeder te gelijkertijd bleek worden van schrik.
De sombere tint in het karakter der Murdstones kleurde ook hunne godsdienstige opvattingen, die hard en liefdeloos waren. Ik heb later wel eens gemeend, dat die hardheid en liefdeloosheid het noodzakelijke gevolg moesten wezen van mijnheer Murdstone's flinkheid, die hem niet toestond iemand de zwaarste straffen te onthouden, als hij maar eenige aanleiding vond om ze uit te deelen. Hoe dit ook zijn moge, ik herinner mij nog zeer goed de uitgestreken gezichten, waarmede wij kerkwaarts togen en hoe daar alles veranderd scheen. De gevreesde Zondag is weder aangebroken en ik klim in de oude bank, evenals een welbewaakte gevangene, die zijn doodvonnis komt aanhooren. Wederom volgt mij juffrouw Murdstone in een zwart fluweelen japon, die er uitziet, alsof zij uit een lijkkleed gemaakt is; dan volgt mijne moeder en eindelijk haar echtgenoot. Peggotty is er nu niet, zooals vroeger in den goeden, ouden tijd. Wederom luister ik naar juffrouw Murdstone, die in zich zelve alle antwoorden geeft en met een zeker wreed genoegen den klemtoon legt op alle gevreesde woorden. Wederom zie ik hare donkere oogen rollen, wanneer zij de kerk rondkijkt bij het uitspreken van de woorden, „armzalige zondaars”, alsof zij die toepaste op alle leden van het kerspel. Wederom vang ik nu en dan—heel zeldzaam—een blik op van mijne moeder, die bedeesd hare lippen opent tot het gebed, terwijl „die twee” haar aan weerszijden in de ooren brommen. Wederom komt plotseling de vrees bij mij op, dat de oude geestelijke ongelijk en mijnheer en juffrouw Murdstone gelijk kunnen hebben, dat alle engelen in den Hemel engelen der wrake kunnen zijn. Wederom geeft juffrouw Murdstone mij een por met haar gebedenboek, wanneer ik maar een vinger verroer of een spier in mijn gelaat vertrek.
Ja, en wederom merk ik onder het naar huis gaan op, dat sommige buren naar mijne moeder kijken en naar mij en dan samen fluisteren. En wanneer het drietal arm in arm vooruitwandelt en ik achteraan kom slenteren, volg ik eenige van die blikken en vraag ik mij af of mijne moeder daar nog wel zoo luchtig voortstapt en of haar gezichtje nog wel zoo mooi is als vroeger. Telkens ben ik nieuwsgierig te weten of een van deze buren zich nog wel herinnert, zooals ik, hoe wij gewoonlijk te zamen naar huis wandelden en daarover blijf ik den geheelen, langen, vervelenden Zondag peinzen.
Er was over gesproken of het geen tijd werd om mij naar een kostschool te zenden. Mijnheer en juffrouw Murdstone hadden het plan geopperd en mijne moeder had er natuurlijk in toegestemd. Toch was er nog geen besluit genomen en ontving ik middelerwijl onderwijs in huis.
Zal ik die lessen ooit vergeten? Zooals het heette, moest ik hetgeen mij door den onderwijzer werd opgegeven, bij mijne moeder opzeggen, maar eigenlijk bij mijnheer en juffrouw Murdstone; zij waren er altijd bij tegenwoordig en grepen deze gelegenheid aan, om mijne moeder onderricht te geven in misplaatste flinkheid, die de vloek van ons beider leven was. Ik geloof zeker dat men mij met het oog daarop thuis hield. Ik zou vlug en gewillig genoeg geweest zijn om te leeren, wanneer ik met mijne moeder alleen geweest was. Ik herinner mij nog flauwtjes hoe ik het alphabet geleerd heb, leunende tegen hare knieën. Wanneer ik thans nog de dikke, vette letters in het AB-boek bekijk, bekruipt mij nog hetzelfde beklemmende gevoel als in de dagen, toen ik de letters nog niet uit elkander kon houden en de goedige rondheid van de O, de Q en de S mij telkens weder trof. Ik herinner mij echter niet dat ik tegenzin had in het leeren of dat het mij verveelde. Integendeel, het komt mij voor of ik tot het krokodillenboek op rozen wandelde; en wanneer die tijd mij voor den geest komt, hoor ik nog duidelijk de lieve stem en zie ik nog het vriendelijke gelaat van mijne moeder. De ernstige lessen, welke later volgden, hebben daarentegen geen andere herinnering achtergelaten dan die van eene dagelijks terugkeerende marteling en kwelling. Ze waren lang, talrijk en moeilijk—somtijds zelfs geheel onbegrijpelijk en ik geloof dat mijne moeder er even hard onder leed als ik zelf.
Laat ik eens verhalen hoe het bij deze lessen toeging en mij daartoe een morgen in het geheugen roepen.
Ik kom na het ontbijt met mijne boeken en mijne lei in de huiskamer. Mijne moeder zit gereed aan haar lessenaartje, maar mijnheer Murdstone zit ook op mij te wachten in zijn leunstoel bij het venster—al doet hij of hij leest—en juffrouw Murdstone zit stalen kralen te rijgen, maar wacht ook op mij. Alleen reeds de aanwezigheid van deze twee heeft zulk een invloed op mij, dat ik de woordjes, die ik met ontzaglijk veel moeite in mijn hoofd heb gekregen, voel wegglijden, ik weet niet waarheen. Ik zou werkelijk wel eens willen weten waar ze bleven—dit tusschen haakjes. Ik overhandig mijne moeder het eerste boek. Ik weet niet wat het is: taalkunde, geschiedenis of aardrijkskunde. Ik werp een laatsten, wanhopenden blik op de pagina, die ik haar aanwijs, en begin hardop met vervaarlijke snelheid, want het zit er nog versch in. Ik struikel over een woord. Mijnheer Murdstone kijkt op. Nogmaals struikel ik over een woord. Juffrouw Murdstone kijkt op. Ik krijg een kleur, ik struikel over een half dozijn woorden, ik houd op. Als mijne moeder gedurfd had, zou zij mij het boek hebben voorgehouden, maar zij durft niet en zegt zachtjes: „O, David, David!”
„Nu, Clara,” zegt mijnheer Murdstone, „flink zijn, als ik u verzoeken mag. Nu niet zeggen: ‚O, David, David!’ Dat is kinderachtig. Hij kent zijn les of hij kent zijne les niet.”
„Hij kent zijn les niet,” valt juffrouw Murdstone in met haar ontzagverwekkend stemgeluid.
„Ik ben waarlijk ook bang dat hij zijn les niet kent,” zegt mijne moeder.
„Dan, Clara,” herneemt juffrouw Murdstone, „moest gij hem het boek teruggeven en hem de les laten leeren.”
„Ja zeker,” zegt mijne moeder, „dat ben ik ook voornemens, lieve Jane. Nu, David, beproef het nog eens, wees nu niet dom.”
Ik gehoorzaam aan het eerste gedeelte van het bevel en beproef het nog eens, maar met het tweede gedeelte wil het niet lukken—ik ben dommer dan dom. Ik blijf al steken, eer ik aan de vorige plaats ben gekomen, bij een woord, dat ik zooeven nog goed kende, en houd op om na te denken. Maar ik kan niet denken, ten minste niet over het onderwerp van de les. Ik peins over het aantal ellen lint, dat aan de muts van juffrouw Murdstone zou besteed zijn, aan den prijs van mijnheer Murdstone's ochtendjas en aan allerlei dwaze dingen, die mij niets aangaan en waarmede ik niets te maken wil hebben. Volgt eene ongeduldige beweging van mijnheer Murdstone, die ik al lang verwacht heb. Hetzelfde doet zich bij juffrouw Murdstone voor. Mijne moeder kijkt beiden onderdanig aan, doet het boek dicht en legt het weg. Dit is een les om in te halen, wanneer het overige van mijne taak is afgedaan. Al heel spoedig ligt er een geheele stapel boeken naast mijne moeder; het aantal in te halen lessen groeit aan als een rollende sneeuwbal. Hoe grooter de stapel, hoe botter ik word. De zaak wordt hopeloos; ik begin niets dan wartaal te spreken en geef elk denkbeeld om er mij uit te redden op. Ik wacht geduldig mijn lot af. De blikken, die mijne moeder en ik wisselen, terwijl ik meer en meer in de war raak, zijn waarlijk wanhopend. Maar het allerergste in die ellendige lessen is, wanneer mijne moeder, meenende dat niemand op haar let, mij tracht te helpen door eene beweging met de lippen. Op dat oogenblik zegt juffrouw Murdstone, die reeds van den aanvang af daarop geloerd heeft, op waarschuwenden toon: „Clara!”
Mijne moeder schrikt, bloost en glimlacht even.
Mijnheer Murdstone staat van zijn stoel op, neemt het boek, smijt het mij voor de voeten of slaat er mij mee om de ooren en zet mij bij een arm de kamer uit.
Nu komt echter nog het ergste aan in den vorm van eene vreeselijke som, door mijnheer Murdstone voor mij bedacht. Hij geeft mij die zelf op: „Als ik naar een kaaskooper ga en vijfduizend dubbele Gloucester-kazen koop voor vier en een halven stuiver het stuk, tegen contante betaling... enz.” Juffrouw Murdstone zit heimelijk te grinneken van genot.—Zonder er iets van te begrijpen of eenig licht te krijgen, zit ik op die kazen te turen tot etenstijd; ik ben dan nagenoeg in een Mulat veranderd door al het vuil van mijne lei in de poriën van mijne huid te wrijven, krijg een snee brood om bij de kazen te verorberen en blijf het verdere gedeelte van den dag in ongenade. Nu er zooveel tijd sinds die ongelukkige lessen verloopen is, komt het mij voor dat ze gewoonlijk dezen loop namen. Ik zou ze wel gekend hebben als de Murdstones er maar niet bij tegenwoordig waren geweest, maar hun invloed op mij was ongeveer gelijk aan dien van twee slangen op een jong vogeltje. Zij betooverden mij. Zelfs wanneer ik het er eens tamelijk afbracht, had ik niets gewonnen dan een maal eten; want juffrouw Murdstone kon mij niet ledig zien zitten en wanneer ik ongelukkig toonde dat ik niets te doen had, vestigde zij terstond de aandacht van haar broeder op mij door te zeggen: „Clara, lieve, er is niets zoo goed als bezigheid.... geef uw jongen wat te doen.” Deze woorden misten nooit hunne uitwerking; ik kreeg dan onmiddellijk eene nieuwe taak. Spelen met kinderen van mijn leeftijd was mij zoo goed als ontzegd, want de Murdstones beschouwden alle kinderen als adderengebroedsel—toch was Jezus ook eens een kind—en hielden vol dat zij elkander maar bedierven.
Het natuurlijke gevolg van deze wijze van opvoeden, die, als ik mij goed herinner, zes maanden of langer werd volgehouden, was dat ik traag, dom en weerspannig werd. Niet het minst werd ik dat, omdat men mij stelselmatig vervreemdde van mijne moeder. Eéne omstandigheid echter bewaarde mij er voor dat ik geheel versufte. Het was de volgende: Mijn vader had eene kleine collectie boeken nagelaten, die in een opkamertje werden bewaard, dat aan het mijne grensde en waarin nooit iemand kwam. Uit dit gezegende kleine kamertje kwamen Roderick Random, Peregrine Pickle, Humphrey Clinker, Tom Jones, The Vicar of Wakefield, Don Quichote, Gil Blas en Robinson Crusoë mij gezelschap houden en waren hartelijk welkome gasten. Zij hielden mijne verbeelding levendig en voedden mijne hoop, dat er buiten Blunderstone en na den tijd, dien ik toen doorleefde, wel iets beters zou opdagen—zij en de Arabische Nachtvertellingen—kwaad kon ik er niet uit leeren, want het kwaad, dat uit enkele van de genoemde werken te leeren valt, kende ik niet. Het verbaast mij nu hoe ik den tijd vond om, terwijl ik mij bijna stompzinnig peinsde over de moeielijkste thema's en sommen, al deze boeken te lezen. Het verbaast mij nu hoe ik mij over mijn onbeteekenend leed—voor mij toen echter groot leed—heb kunnen troosten door de meest geliefkoosde personen in mijne plaats te stellen, zooals ik deed, en mijnheer en juffrouw Murdstone voor de slechte karakters te laten optreden—zooals ik ook deed. Ik ben een week lang Tom Jones geweest—een kinderlijke Tom Jones, een onschuldig schepsel. Ik geloof waarlijk dat ik mij zelven een maand lang voor Roderick Random heb aangezien. De grootste aantrekkelijkheid op de boekenplank waren eenige deelen reisbeschrijvingen van—de naam is mij ontschoten; ik herinner mij nu, dagen achtereen in dat gedeelte van het huis, waarin ik mij vrij mocht bewegen, te hebben rondgeloopen met het middenstuk van een ouden laarzentrekker—een voorstelling gevende van kapitein Dinges van de Koninklijke Marine, door wilden aangevallen en vastbesloten zijn leven duur te verkoopen. De kapitein verloor niets van zijne waardigheid, al kreeg hij met een Latijnsche spraakkunst om de ooren; toch bleef hij een held, ten spijt van alle spraakkunsten, van alle talen der wereld, zoo doode als levende.
Dit was mijn eenige en mijn voortdurende troost. Wanneer ik daaraan denk, komt mij altijd het tooneel voor de oogen van een zomeravond, terwijl de buurjongens op het kerkhof speelden en ik in mijn bed zat te lezen of het leven er van afhing. Elke schuur in den omtrek, elke steen van de kerk, elke voetstap op het kerkhof stond in mijne verbeelding in betrekking tot mijn boek en stelde de eene of andere plaats daarin voor, die bijzonder mijne aandacht trok. Ik heb Tom Pipes op den kerktoren zien klimmen; ik heb Strap met den knapzak op den rug tegen het tuinhek zien uitrusten en ik weet dat Commodore Trunnion zijne samenkomsten met mijnheer Pickle in het kleine kamertje van de dorpsherberg hield.
De lezer zal dus wel begrijpen wat ik was, toen ik aan dat punt van de geschiedenis mijner jeugd was genaderd, waarop ik nu ben teruggekomen.
Op zekeren morgen, toen ik met mijne boeken de huiskamer binnentrad, zat mijne moeder erg angstig te kijken; juffrouw Murdstone keek „flink” en mijnheer Murdstone was bezig iets aan het eind van een wandelstok te binden—een taaien, buigzamen, rieten wandelstok; toen ik binnen was, hield hij op met binden en zwaaide en sloeg er eenige malen mede in de lucht.
„Ik verzeker u, Clara,” zei mijnheer Murdstone, „dat ik zelf ook dikwijls een pak slaag heb gehad.”
„Dat spreekt van zelf,” zei juffrouw Murdstone.
„Zeker, lieve Jane,” stotterde mijne moeder. „Maar.... maar meent gij dat het Edward goed heeft gedaan?”
„Meent gij dat het Edward kwaad heeft gedaan, Clara?” vroeg mijnheer Murdstone op ernstigen toon.
„Dat is de zaak!” voegde zijne zuster er bij, waarop mijne moeder antwoordde: „Zeker, lieve Jane,” en verder zweeg.
Ik werd beducht dat ik persoonlijk in dat gesprek betrokken was, en hield mijnheer Murdstone voortdurend in het oog, terwijl hij mij aankeek.
„Nu, David,” zei hij—en toen hij dit zeide, zag ik weder dat hij loensch was, „gij moet vandaag beter opletten dan gewoonlijk.” Hij begon weder met den stok te slaan en te zwaaien en toen hij daarmede gereed was, legde hij dien met een veelbeteekenenden blik naast zich neder en nam zijn boek op.
Dit alles was zeer geschikt om mijn geest op te frisschen eer ik begon. Ik voelde de woorden wegglijden, niet woord voor woord of regel voor regel, maar bij geheele bladzijden tegelijk. Ik trachtte ze vast te houden, maar het scheen wel, als ik het zoo eens mag uitdrukken, dat ze schaatsen hadden ondergebonden, zoo geleidelijk zweefden ze van mij weg.
Het begin was slecht en het ging hoe langer hoe slechter. Ik was binnengekomen, denkende dien morgen eens te zullen uitmunten, want ik had hard geleerd; maar ik had mij schromelijk vergist. Boek na boek werd bij de in te halen lessen gelegd, terwijl juffrouw Murdstone voortdurend een oog in het zeil hield. En toen wij eindelijk tot de vijfduizend kazen genaderd waren—als ik mij goed herinner noemde hij ze dien morgen stokken—barstte mijne moeder in tranen uit.
„Clara!” zei juffrouw Murdstone met hare harde stem.
„Ik geloof dat ik niet heel wel ben, lieve Jane”, zei mijne moeder.
Ik zag hem zijne zuster een plechtigen wenk geven, terwijl hij opstond, den stok opnam en zeide:
„Nietwaar, Jane, wij kunnen niet verwachten dat Clara nu reeds opgewassen zal zijn tegen al het verdriet, dat David haar dagelijks veroorzaakt. Zij zou dan ongevoelig moeten zijn. Clara wordt veel flinker en standvastiger, maar zooveel vooruitgang kunnen wij nog niet van haar verwachten. Wij zullen eens samen naar boven gaan, David: Kom, jongen.”
Toen hij mij medenam naar de deur, liep mijne moeder op ons toe; maar juffrouw Murdstone riep: „Zijt gij krankzinnig geworden, Clara?” en kwam tusschen beide. Ik zag nog dat mijne moeder de ooren dichtstopte en ik hoorde haar schreien.
Hij bracht mij naar mijn kamertje, langzaam en plechtig—ik ben overtuigd dat hij behagen schiep in deze vertooning van eene strafoefening—en toen wij daar waren aangekomen, nam hij plotseling mijn hoofd onder zijn arm.
„Mijnheer Murdstone, Mijnheer!” riep ik. „Doe het toch niet! Ik smeek u, sla mij niet! Ik heb werkelijk mijn best gedaan, mijnheer, maar ik kan mijn lessen niet opzeggen, wanneer gij en juffrouw Murdstone er bij zijn! Ik kan het werkelijk niet!”
„Kunt gij dat niet, David?” zei hij. „Dat zullen we eens beproeven.”
Hij had mijn hoofd als in een schroef, maar ik slaagde er in eenigszins rond te draaien, waardoor ik hem gedurende een oogenblik belette te slaan en hem nogmaals smeekte het niet te doen. Het was echter slechts uitstel, want onmiddellijk daarop gaf hij mij een paar hevige slagen; maar te gelijkertijd greep ik met mijne tanden de hand, waarmede hij mij vasthield en beet door. Wanneer ik er aan denk, knars ik nog onwillekeurig op mijn tanden.
Hij sloeg mij toen zoo hevig, alsof hij mij wilde doodslaan. Boven al het rumoer, dat wij maakten, uit, hoorde ik menschen de trap opkomen en schreeuwen... ik hoorde mijne moeder om hulp roepen... en Peggotty... Toen ging hij heen en sloot de deur van buiten af; en ik lag koortsachtig gloeiend, met gescheurde kleeren, razend van pijn en woede op den grond.
Hoe goed herinner ik mij nog de stilte, die er in het geheele huis heerschte, toen ik wat tot bedaren was gekomen. Zulk eene onnatuurlijke stilte! Hoe goed herinner ik mij nog, toen de pijn en de woede wat gestild waren, hoe schuldig ik mij voelde! Langen tijd zat ik te luisteren, maar geen geluid drong tot mij door. Ik kroop van den grond op en bekeek mijn gezicht in den spiegel; het was zoo rood en opgezwollen en misvormd, dat ik er van ontstelde. Mijn geheele lichaam deed mij zeer en bij elke beweging had ik het wel kunnen uitschreeuwen; maar al die pijnen beteekenden niets bij het besef van schuld, dat mij drukte. Ik durf verklaren dat het mij zoo zwaar drukte, alsof ik de afschuwelijkste misdaad had begaan.
Het begon duister te worden en ik had het venster gesloten—ik had gedurende het grootste gedeelte van den tijd met het hoofd op de vensterbank gelegen, nu eens schreiende, dan weder onrustig sluimerend of lusteloos voor mij uit starend—toen de sleutel werd omgedraaid, de deur geopend werd en juffrouw Murdstone binnentrad met wat brood, vleesch en melk. Zij zette alles zonder een woord te spreken op de tafel; staarde mij te gelijkertijd aan met voorbeeldelooze flinkheid, ging toen heen en deed de deur achter zich op slot.
Het was reeds volslagen duister toen ik daar nog zat, nieuwsgierig of er nog iemand komen zou. Toen mij dit voor dien avond onwaarschijnlijk voorkwam, kleedde ik mij uit en ging naar bed; nu begon mij de angst te bekruipen. Wat zou er met mij gedaan worden? Was hetgeen ik gedaan had eene misdaad? Zou ik in hechtenis genomen en in de gevangenis gezet worden? Zouden zij mij misschien ophangen?
Het ontwaken van den volgenden morgen zal ik nimmer vergeten; eerst dat gevoel van verkwikking en toen..... het looden gewicht van de misdaad, dat mij drukte. Juffrouw Murdstone verscheen nog eer ik uit het bed was, vertelde mij dat ik verlof had om gedurende een half uur in den tuin te wandelen—niet langer; waarna zij heenging en de deur open liet, zoodat ik mij zelf helpen kon, indien ik van deze vergunning gebruik wilde maken. Ik deed het en deed het elken morgen gedurende mijne opsluiting, die vijf dagen duurde. Had ik mijne moeder eens alleen kunnen spreken, ik zou op mijne knieën naar haar toegekropen zijn om haar vergiffenis te smeeken; maar behalve juffrouw Murdstone sprak ik gedurende dien ganschen langen tijd niemand. Des avonds werd ik door haar naar de huiskamer gebracht om het gebed bij te wonen; ik kwam dan wanneer allen reeds hunne plaatsen hadden ingenomen en moest, als een kleine uitgeworpene, bij de deur blijven staan, en mijne cipierster geleidde mij met de grootste plechtigheid naar mijne kamer terug, nog eer iemand uit zijne deemoedige houding was opgestaan. Ik merkte alleen op dat mijne moeder zoo ver mogelijk van mij af zat en een anderen kant uitkeek, zoodat ik haar niet te zien kreeg, en dat mijnheer Murdstone zijne hand in een doek droeg.
Ik kan niemand een denkbeeld geven van den ontzettend langen duur dezer twee dagen. In mijne herinnering beslaan zij even zoo vele jaren. De wijze, waarop ik luisterde naar al hetgeen in huis voorviel en hoorbaar voor mij was: naar het overgaan van de huisschel, het openen en sluiten van deuren, het gonzen van stemmen, naar de voetstappen op de trap; naar het lachen, fluiten en zingen buiten, dat mij in mijne eenzaamheid en mijne schande onaangenamer aandeed dan eenig ander geluid; de onbekendheid met den tijd, hoofdzakelijk des avonds, wanneer ik meende dat het reeds morgen was en aan de geluiden in huis hoorde, dat de familie nog niet naar bed was en de lange, lange nacht dus nog moest beginnen; de onrustige droomen en nachtmerries, de terugkeer van den dag, den middag, den achtermiddag en den avond, wanneer de jongens op het kerkhof speelden en ik hen uit mijn venster gadesloeg, zorg dragende mij niet te vertoonen, opdat zij niet zouden weten dat ik een gevangene was; de vreemde gewaarwording dat ik mijn eigen stem nooit hoorde; de vluchtige tusschenpoozen van iets, dat naar opgeruimdheid leek—steeds samenhangende met eten en drinken—; het langzame opkomen van een regenbui op zekeren avond en de daarmede gepaard gaande frissche lucht.... dat alles schijnt jaren in plaats van dagen te zijn voortgegaan, zoo levendig is het mij bijgebleven.
Den laatsten avond van mijne opsluiting werd ik wakker bij het hooren van mijn naam, die fluisterend uitgesproken werd. Ik rees overeind in mijn bed, stak in de duisternis mijne armen uit en vroeg:
„Zijt gij daar, Peggotty?”
Ik kreeg niet onmiddellijk antwoord, maar weldra hoorde ik mijn naam opnieuw, doch op zulk een geheimzinnigen, akeligen toon, dat ik zeker een stuip zou hebben gekregen van angst, als mij niet was ingevallen dat het door het sleutelgat moest zijn gekomen.
Ik kroop naar de deur en mijne lippen voor het sleutelgat plaatsend, fluisterde ik: „Zijt gij daar, lieve Peggotty?”
„Ja, beste David, ik ben het,” antwoordde zij. „Wees zoo stil als een muis, anders hoort ‚de kat’ ons.”
Ik begreep, dat zij juffrouw Murdstone bedoelde en was erg verlegen met het geval, want hare kamer was vlak bij de mijne.
„Hoe maakt mama het, lieve Peggotty? Is zij erg boos op mij?”
Ik hoorde Peggotty schreien aan gene zijde van het sleutelgat, terwijl ik het aan deze zijde deed. „Neen, niet erg,” antwoordde zij eindelijk.
„Wat zal er met mij gebeuren, Peggotty? Weet gij het?”
„Naar school... dicht bij Londen,” was Peggotty's antwoord. Ik was genoodzaakt haar te verzoeken het te herhalen, want de eerste keer had ik vergeten mijn mond van het sleutelgat weg te nemen, zoodat de woorden in mijne keel terecht kwamen in plaats van in mijn oor; ik voelde ze wel kriewelen, maar ik verstond ze niet.
„Wanneer, Peggotty?”
„Morgen.”
„Is dat de reden waarom juffrouw Murdstone mijne kleederen uit de latafel kwam halen?” Zij had dat gedaan, al heb ik vergeten het neer te schrijven.
„Ja,” zei Peggotty. „Koffer pakken.”
„Zal ik mama niet zien?”
„Ja, morgen.”
Daarna bracht Peggotty haar mond zoo dicht mogelijk tegen het sleutelgat en sprak er de volgende woorden door, met zooveel innig gevoel en ernst, als ooit woorden hun weg door een sleutelgat gevonden hebben—daarvan ben ik overtuigd. De zinnen, telkens afgebroken door krampachtige uitbarstingen van droefheid, werden er als het ware doorheen gestooten.
„Als ik niet zooveel voor u... kon zijn als vroeger... lieve David... was dit niet omdat ik.... ik u niet liefhad.... hoor. Ik heb u nog net zoo lief.... als vroeger, mijn beste jongen.... Ik dacht dat het beter voor u was.... en voor nog iemand anders ook.... Davy, beste jongen.... luistert gij wel?.... Kunt gij mij verstaan?”
„Ja-a-a-a, Peggotty,” antwoordde ik snikkend.
„Lieveling!” zei Peggotty op een toon, die innig medelijden verried. „Wat ik u nog wilde zeggen is.... dat gij mij niet moogt vergeten.... Want ik zal u ook nooit vergeten.... En ik zal voor mama zoo goed zorgen.... als ik kan, hoor, Davy.... Even goed als ik altijd voor u gezorgd heb.... Ik zal haar niet verlaten.... Er zal wel eens een dag komen.... dat zij blijde zijn zal.... het afgetobde hoofd..... te kunnen neerleggen.... op den arm van de domme, oude Peggotty..... Ik zal u schrijven, hoor.... beste.... al zal 't niet mooi zijn..... En ik zal.... ik zal....” Peggotty kuste het sleutelgat omdat zij mij niet kon kussen.
„Dank u, lieve Peggotty, dank u!” zei ik. „Dank u... Wilt gij mij één ding beloven, Peggotty?... Wilt gij aan baas Peggotty en aan kleine Emily en aan juffrouw Gummidge en aan Ham schrijven, dat ik niet zoo slecht ben als zij misschien denken?... En dat ik hen nooit zal vergeten... vooral kleine Emily niet.... Wilt gij hun dat schrijven, lieve Peggotty?”
De goede ziel beloofde het en wij kusten beiden het sleutelgat met de grootste teederheid. Ik herinner mij nog zeer goed, dat ik er met de hand over streek, alsof ik werkelijk haar eerlijk gezicht voelde. Van dien avond af ontwikkelde zich in mijn hart voor Peggotty een gevoel, dat ik niet onder woorden kan brengen. Zij vervulde niet de plaats van mijne moeder; dat kon niemand doen; maar zij vulde eene ledige plaats in mijn hart, eene plaats, waarin zij alleen haar zetel opsloeg, zoodat ik voor haar voelde, wat ik voor geen ander menschelijk wezen ooit gevoeld heb. Deze genegenheid had ook iets kluchtigs en toch, als zij gestorven was, kan ik mij niet voorstellen wat ik zou gedaan hebben of hoe ik uiting zou hebben gegeven aan mijne droefheid—want bedroefd zou ik zeker zijn geweest.
Den volgenden morgen verscheen juffrouw Murdstone zoo als gewoonlijk en vertelde mij dat ik naar eene kostschool zou worden gezonden; dit was echter niet zulk groot nieuws voor mij als zij onderstelde. Zij deelde mij mede dat ik, als ik aangekleed was, beneden in de huiskamer mocht komen om te ontbijten. Daar vond ik mijne moeder, bleek en met rood geschreide oogen; ik wierp mij in hare armen en smeekte haar mij vergiffenis te schenken.
„O, David,” sprak zij, „hoe is het mogelijk dat gij iemand, dien ik lief heb, zoo hebt kunnen behandelen? Doe uw best om een brave jongen te worden, bid onzen lieven Heer daarom! Ik vergeef het u, maar het spijt mij zoo dat er zulke booze hartstochten wonen in uw hart!”
Zij hadden haar opgedrongen dat ik een ondeugende jongen was en dat veroorzaakte haar meer verdriet dan mijn heengaan. Ik voelde dit en het bedroefde mij. Ik deed mijn best om mijn boterham naar binnen te krijgen, maar de tranen droppelden op het brood en in de thee. Ik zag dat mijne moeder nu eens naar mij dan weder naar de loerende juffrouw Murdstone keek, om oogenblikkelijk daarna de oogen neer te slaan of naar buiten te zien.
„Is de koffer van den jongeheer Copperfield daar?” vroeg juffrouw Murdstone, toen zij paardengetrappel hoorde.
Ik keek uit naar Peggotty, maar noch zij noch mijnheer Murdstone verscheen. Mijn kennis van voorheen, de voerman, stond bij de deur en bracht mijn koffer naar de kar.
„Clara!” sprak juffrouw Murdstone met haar scherpe stem.
„Wij zijn gereed, lieve Jane,” antwoordde mijne moeder.
„Dag, David. Gij gaat heen omdat het voor uw bestwil is. Dag, mijn kind. Met de vacantie komt gij thuis en dan zijt gij zeker een betere jongen geworden.”
„Clara!” herhaalde juffrouw Murdstone.
„Zeker, lieve Jane,” gaf mijne moeder ten antwoord, terwijl zij mij omhelsde. „Ik vergeef het u, mijn jongen. God zegene u.”
„Clara!” klonk het ten derde male.
Juffrouw Murdstone had de goedheid mij naar de kar te brengen en op weg daarheen te zeggen dat zij hoopte dat ik zou inkeeren tot berouw, want dat het anders zeker slecht met mij zou afloopen. Daarna klom ik op de kar, en het luie paard trok mij voort naar mijne nieuwe bestemming.
V. Verbannen
Wij hadden ongeveer eene halve mijl afgelegd en mijn zakdoek was doornat, toen de kar plotseling bleef staan. Toen ik uitkeek naar de aanleiding tot dit oponthoud, zag ik tot mijne groote verbazing Peggotty door een heg kruipen en in de kar klimmen. Zij nam mij in hare armen en drukte mij zoo stijf tegen haar korset, dat mijn neus voor een oogenblik ophield een vooruitstekend lichaamsdeel te zijn; ik dacht echter niet aan pijn voor langen tijd daarna. Peggotty sprak geen woord. Zij liet een harer armen los en stak dien tot aan den elleboog in haar zak, haalde er een papier uit met koekjes en stopte dat in mijn zak, benevens een beurs, die zij mij in de hand duwde, zonder een woord te spreken. Na mij nogmaals en nogmaals omhelsd te hebben, liet zij zich van de kar afglijden en liep weg zoo hard zij kon; ik geloofde toen en ik geloof het nog, dat zij op dat oogenblik geen enkel knoopje meer rijk was aan hare japon. Ik raapte er een op—naast de kar lagen er verscheidene—en bewaarde het als een aandenken, jaren en jaren achtereen.
De voerman keek mij aan alsof hij van mij wilde weten of zij nog terugkwam. Ik schudde het hoofd en zei „neen.” „Vooruit dan,” zei de voerman tegen zijn dommelig paard, dat op die aanmaning ook werkelijk vooruitging.
Aangezien ik nu zooveel geschreid had als mij eenigszins mogelijk was, begon ik te begrijpen dat het tot niets diende om nog langer te schreien, te meer wijl noch Roderick Random, noch die kapitein van de Koninklijke Marine, voor zoo ver ik mij herinnerde, ooit geschreid hadden in kritieke gevallen. De voerman scheen te begrijpen welk besluit ik genomen had, en stelde voor mijn zakdoek over den rug van het paard uit te spreiden om te drogen. Ik nam dat voorstel dankbaar aan en o, wat leek die zakdoek klein, toen hij daar op dien breeden rug lag.
Ik had nu tijd genoeg om de beurs te bekijken. Het was een stijf lederen beursje met een knip en bevatte twee blanke shillingen, die Peggotty blijkbaar met krijt had opgepoetst, om mij genoegen te doen. Maar het kostbaarste van den inhoud waren twee halve kronen in een papiertje, waarop mijne moeder zelve geschreven had: „Voor David, voor mijn lieveling.” Ik was zoo ontroerd toen ik deze woorden las, dat ik den voerman verzocht mij den zakdoek eens aan te reiken; hij meende echter dat ik het maar zonder zakdoek doen moest, en ik meende dat hij gelijk had, waarom ik mijne oogen met de mouw van mijn buis afveegde en verder mijne tranen binnenhield. En—voor goed; hoewel de aandoening van het laatste uur mij nu en dan nog wel eens een diepen snik afperste. Nadat wij zoo eenigen tijd zwijgend waren voortgesukkeld, vroeg ik den voerman of hij mij heelemaal wegbracht.
„Wat is heelemaal?” vroeg de voerman.
„Tot ‚daar’,” zei ik.
„Waar is ‚daar’?” vroeg hij.
„Dicht bij Londen,” zei ik.
„Wel, het paard,” antwoordde de voerman, terwijl hij de teugels aantrok om aan te geven welk paard hij bedoelde, „zou het afgelegd hebben eer wij half weg waren.”
„Gaat gij dan niet verder dan Yarmouth?” vroeg ik.
„Ja, tot Yarmouth,” antwoordde de voerman, „en daar breng ik u op den omnibus en de omnibus brengt u waar gij wezen moet.”
Aangezien zulk een lang antwoord voor Barkis—zoo heette de voerman—een heel ding was—hij scheen mij bijzonder leuk toe en een vijand van praten—bood ik hem als blijk van erkentelijkheid een koekje aan, dat hij in eens in den mond stak, evenals een oliphant, en dat niet meer invloed op zijn dik gezicht had dan het bij een oliphant zou gehad hebben.
„Heeft zij die gebakken, zeg?” vroeg Barkis, zonder uit zijne voorover hangende houding op te staan of den arm van zijn knie af te nemen.
„Meent gij Peggotty, mijnheer Barkis?”
„Ja,” antwoordde Barkis, „ik meen haar.”
„Zij bakt en kookt alles bij ons.”
„Doet zij dat werkelijk?” vroeg Barkis. Daarna spitste hij de lippen alsof hij wilde fluiten, maar hij floot niet. Hij staarde tusschen de ooren van het paard door, alsof hij daar iets bijzonders zag, en bleef zoo langen tijd zitten. Eindelijk vroeg hij: „Geen kapers?”
„Wat zegt gij, mijnheer Barkis?” Ik meende dat hij daarmede de eene of andere eetwaar bedoelde, omdat wij het laatst over bakken hadden gesproken.
„Een vrijer,” zei Barkis. „Heeft zij niemand om mede uit te gaan?”
„Peggotty?”
„Zij, ja.”
„O neen, zij heeft nooit een vrijer gehad.”
„Zoo, heeft zij er geen gehad?”
Weder spitste hij de lippen alsof hij wilde fluiten en floot niet, maar keek tusschen de ooren van het paard door.
„Dus,” begon hij weder, „zij bakt al de appeltaarten en kookt alles zelve?”
Ik herhaalde dat zij dit werkelijk deed.
„Dan zal ik u eens wat vertellen,” zei Barkis. „Misschien schrijft gij haar wel eens?”
„Zeker zal ik haar schrijven,” antwoordde ik.
„Zoo!” zei hij, het hoofd langzaam naar mij omwendende. „Wanneer gij haar schrijft, moet gij niet vergeten te schrijven, dat Barkis wel wil, zult gij?”
„Dat Barkis wel wil,” herhaalde ik in mijn onschuld. „Is dat de geheele boodschap?”
„Ja-a,” zei hij peinzend. „Ja-a, Barkis wil wel.”
„Maar gij komt morgen in Blunderstone terug, mijnheer Barkis,” zei ik, een weinig stotterend bij de gedachte dat ik dan ver weg zou zijn, „gij zoudt uw boodschap veel spoediger zelf kunnen overbrengen.”
Deze raad werd met een ongeduldig hoofdschudden beantwoord en nogmaals herhaalde hij zijn verzoek door op plechtigen toon te zeggen: „Barkis wil wel. Dat is de boodschap,” zoodat ik de opdracht bereidwillig overnam. Toen ik dien zelfden namiddag in het logement op den omnibus zat te wachten, verzocht ik papier, inkt en pen en schreef het navolgende aan Peggotty: „Lieve Peggotty. Ik ben hier gezond en wel aangekomen. Barkis wil wel. Dag, lieve mama. Uw liefhebbende David. P.S. Barkis zegt dat gij bepaald weten moet, dat hij wel wil.”
Toen ik deze boodschap op mij genomen had, verviel Barkis weder in zijn vorig gepeins; terwijl ik uitgeput van vermoeienis en aandoening, na alles wat in de laatste dagen was voorgevallen, op een zak in slaap viel. Ik sliep door tot wij Yarmouth binnenreden; het pleintje voor de herberg, waar wij stilhielden, en alles om mij heen was zoo nieuw voor mij, dat ik de flauwe hoop om iemand van Peggotty's familie te ontmoeten—wie weet, kleine Emily misschien—terstond opgaf.
De omnibus stond op het binnenplein, glimmend van boven tot onder, maar nog zonder paarden; het voertuig zag er uit, alsof er zelfs nog nooit over gedacht was daarmede een reis naar Londen te maken. Ik stond daarover te peinzen en was nieuwsgierig naar het lot van mijn koffer, dien Barkis dicht bij den disselboom op het plaveisel had gezet—hij had het pleintje omgereden, omdat hij anders niet draaien kon met zijne kar—en ook naar hetgeen er verder met mij zelven zou gebeuren, toen er eene juffrouw uit een uitspringend venster kwam kijken, waarin eenig gevogelte en een paar hammen waren opgehangen. „Is u de jongeheer uit Blunderstone?” vroeg zij.
„Ja, juffrouw,” zei ik.
„Hoe heet gij?” vroeg zij verder.
„Copperfield, juffrouw,” antwoordde ik.
„Dan heb ik den verkeerde voor,” hernam de juffrouw, „er is hier voor iemand van dien naam geen middagmaal besteld.”
„Is het misschien Murdstone, juffrouw?”
„Zoo gij de jongeheer Murdstone zijt, waarom geeft gij dan eerst een anderen naam op?”
Ik gaf de dame eene verklaring van het geval en onmiddellijk daarop trok zij aan een schel en riep: „William, wijs de koffiekamer!” waarop uit een keuken aan den tegenovergestelden kant van het pleintje een knecht kwam aanloopen, die erg verwonderd scheen dat hij de koffiekamer alleen aan mij moest wijzen.
De koffiekamer was een lang, ruim vertrek, waarin eenige groote landkaarten hingen. Ik weet niet of ik mij wel eenzamer had kunnen voelen, als ik werkelijk op eens in de vreemde landen geplaatst was, welke deze kaarten voorstelden. Ik had een gevoel of ik erg vrijpostig was, toen ik de vrijheid nam, om met mijn pet in de hand op een punt van een stoel te gaan zitten, vlak bij de deur; en toen diezelfde knecht een servet voor mij uitspreidde en een bord, mes, vork en wat daar verder bij behoorde voor mij gereed zette, zal ik hem zeker erg verlegen en met een kleur als vuur hebben aangekeken. Hij bracht mij daarna een paar koteletten en groenten en nam met zulk een zwaai de deksels van de schalen, dat ik meende hem door het een of ander boos gemaakt te hebben. Spoedig stelde hij mij echter gerust door een stoel bij te schuiven en op vriendelijken toon mij toe te voegen: „Nu, zesvoeter, smakelijk eten!”
Ik bedankte hem en trok den stoel wat dichter bij de tafel, maar vond het vreeselijk moeilijk eenigszins handig met mes en vork om te gaan en te voorkomen, dat ik mij met jus bespatte, terwijl hij tegenover mij stond en mij strak aankeek. Telkens wanneer ik zijn blik ontmoette, kreeg ik een hevige kleur.
Toen ik aan de tweede kotelet wilde beginnen, zei hij: „Er is een halve pint ale voor u besteld. Wilt gij die nu hebben?”
Ik bedankte hem weder en antwoordde: „Ja,” waarop hij het uit eene kan in een groot glas schonk en het voor het licht hield om te laten zien, hoe helder het was.
„Wel, wel!” zei hij. „Dat is nog al wat, hé?”
„Ja, het is heel wat,” antwoordde ik glimlachend. Ik vond het heerlijk, dat hij zoo vriendelijk voor mij was. Hij had glinsterende oogen en een gezicht vol puisten; zijn haar was rechtop gekamd en toen hij daar zoo met één arm in de zijde voor mij stond en de andere hand met het bierglas in de hoogte hield, zag hij er bijzonder vriendelijk uit.
„Gisteren was hier een heer,” zei hij, „een zwaarlijvig heer, Topsawyer heette hij.... kent gij hem wellicht?”
„Neen,” antwoordde ik, „ik geloof het niet....”
„Met korte broek en slobkousen, een hoed met een breeden rand, een grijze overjas en een gespikkelde das,” vervolgde de knecht op vragenden toon.
„Neen,” zei ik bijna beschaamd, „ik heb niet het genoegen dien heer te kennen.”
„Hij kwam hier binnen,” zei de knecht, terwijl hij voortdurend het glas tegen het licht hield, „bestelde een glas van dit bier—hij wilde bepaald van dit bier hebben—ik raadde het hem nog af... maar hij wilde het hebben, dronk het ledig en viel dood neer. Het was te oud voor hem. Het moest eigenlijk niet getapt worden, dat zou beter zijn.”
Ik was diep getroffen door dit vreeselijke voorval en zeide dat ik maar liever water wilde drinken.
„Ja, ziet gij,” ging de knecht voort, steeds door het glas naar het licht kijkende met één oog dicht, „de kastelein is altijd boos wanneer iets, dat besteld is, niet gebruikt wordt. Dan acht hij zich beleedigd. Maar ik zal het opdrinken, als gij 't goed vindt. Ik ben er aan gewend... alles went. Ik geloof niet dat het mij kwaad zal doen wanneer ik mijn hoofd goed achterover houd en het in één teug ledig. Zal ik maar?”
Ik zei dat hij mij zeer zou verplichten als hij het deed, ten minste als hij het zonder gevaar doen kon, anders niet. Toen hij nu het hoofd achterover wierp en het glas in één teug ledigde, was ik, dit moet ik bekennen, vreeselijk bang, dat hem hetzelfde lot zou treffen als mijnheer Topsawyer, en ik hem voor mijne voeten zou zien doodvallen. Maar het scheen hem volstrekt niet te hinderen, integendeel, hij keek erg vroolijk.
„En wat hebben, wij daar?” vroeg hij, een vork in een der schotels zettende. „Zijn dat koteletten?”
„Ja, koteletten,” antwoordde ik.
„Goede Hemel!” riep hij, „ik wist niet dat het koteletten waren. Een kotelet is juist het eenige middel om de kwade gevolgen van het bier te voorkomen. Is dat niet een gelukkig toeval?”
Zoo sprekende nam hij de kotelet van de schaal en at die tot mijne groote vreugde met smaak op, en toen een aardappel en toen nog een kotelet en nog een aardappel. Toen wij gedaan hadden, bracht hij mij een pudding, en nadat hij die voor mij had neergezet, scheen hij eenige oogenblikken in gepeins verzonken te herkauwen.
„Hoe bevalt u die pastei?” vroeg hij, uit zijn gepeins ontwakend.
„Het is een pudding,” zei ik.
„Pudding!” riep hij uit. „Hemelsche goedheid, het is pudding! Wat.....?” Hij bekeek de schaal nauwkeuriger. „Het is een broodpudding, is het niet?”
„Ja, waarlijk.”
„Hé, broodpudding,” vervolgde hij, een lepel opnemend, „is mijn meest geliefkoosde pudding. Is dat geen gelukkig toeval? Kom, kleine man, laat ons eens zien, wie er het meest van krijgt.”
Ongetwijfeld won hij deze weddenschap. Wel spoorde hij mij herhaaldelijk aan om mij wat te reppen; maar met zijn grooten lepel tegen mijn theelepeltje, zijne vlugheid tegen mijne onhandigheid en zijn eetlust tegen mijn eetlust was ik bij den eersten hap reeds achter en had ik geen kans meer om te winnen. Nooit zag ik iemand zoo smullen en toen de geheele pudding verdwenen was, lachte hij alsof hij nog wel trek had in een tweede.
Aangezien de man zoo vriendelijk en bereidvaardig was, trok ik de stoute schoenen aan en vroeg hem mij papier, pen en inkt te geven, om den brief aan Peggotty te schrijven. Hij bracht het gevraagde niet alleen onmiddellijk, maar was wel zoo goed over mijn schouder heen te kijken naar hetgeen ik schreef. Toen ik gereed was vroeg hij mij naar welke school ik ging.
„Dicht bij Londen,” antwoordde ik; meer wist ik er zelf niet van.
„O, lieve goedheid!” zei hij op neerslachtigen toon, „dat spijt mij!”
„Waarom?” vroeg ik.
„O, Hemel!” zei hij hoofdschuddend, „dat is de school, waar zij verleden een jongen twee ribben hebben stuk geslagen—een kleinen jongen. Als ik mij niet bedrieg was hij... laat eens zien... hoe oud zijt gij?”
Ik vertelde hem dat ik acht en een half jaar was.
„Juist, zoo oud was die jongen ook,” zei hij. „Hij was acht en een half toen de eerste rib werd stuk geslagen en acht jaar en acht maanden toen de tweede volgde.”
Ik kon het noch voor mij zelven noch voor den knecht ontveinzen, dat dit eene slechte aanbeveling was en vroeg hoe het eigenlijk gebeurd was. Zijn antwoord was niet opwekkend voor mij, want het bestond uit slechts twee woorden: „Ransel gehad.”
Het geluid van den hoorn des conducteurs op het binnenplein was eene gewenschte afleiding; ik stond op en vroeg met eenige aarzeling, maar toch trotsch op het bezit van mijne beurs, die ik te voorschijn haalde, of ik iets te betalen had.
„Eerstens een velletje postpapier,” antwoordde de knecht. „Hebt gij wel eens meer een velletje postpapier gekocht?”
Ik kon mij niet herinneren dit ooit gedaan te hebben.
„Het is duur,” vervolgde hij, „want er is zooveel belasting op. Drie stuivers. Zoo zwaar worden wij in dit land belast. Verder niets dan den knecht; den inkt hebt gij voor niets. Dat is mijn zaak.”
„Wat zoudt gij.... wat zal ik.... hoeveel moet ik.... hoeveel geeft men gewoonlijk aan den knecht?” stamelde ik met een kleur van verlegenheid.
„Had ik geen vrouw en kinderen en hadden die kinderen niet de koepokken,” zei de knecht, „dan zou ik geen halven shilling aannemen. Moest ik geen ouden vader en eene lieve zuster onderhouden”—de knecht begon aangedaan te worden—„zou ik geen duit aannemen. Had ik eene goede betrekking en werd ik hier goed behandeld, dan zou ik liever een kleinigheid geven dan aannemen. Maar ik leef van den afval en slaap in het kolenhok”.... plotseling barstte hij in tranen uit.
Ik was zeer getroffen door zijn verhaal en had medelijden met hem, zoodat ik meende dat eene fooi van minder dan negen stuivers mij ongevoelig zou doen schijnen. Ik gaf hem daarom een van de blinkende shillings, die hij met eene nederige buiging aannam, waarna hij onmiddellijk tusschen beide duimen beproefde of het wel een echt muntstuk was.
Toen ik achter op den omnibus geholpen was, bleek mij, dat ik onder verdenking lag het geheele maal zonder eenige hulp te hebben verorberd. Ik hoorde namelijk de juffrouw uit het vooruitspringende venster den portier toeroepen: „Pas op dien jongen, want hij zal barsten!” en ik zag ook de meiden naar buiten komen en naar mij wijzen, terwijl zij elkander aanstieten en begonnen te giegelen. Mijn ongelukkige vriend, de knecht, wiens opgeruimdheid niets meer scheen te wenschen over te laten, scheen er zich niets van aan te trekken en in de algemeene verbazing te deelen. Indien ik eenig wantrouwen in hem heb gehad, dan geloof ik dat het hierdoor eigenlijk pas werd opgewekt; maar ik ben meer geneigd aan te nemen dat ik met het natuurlijk vertrouwen van een kind op menschen van meerderen leeftijd—een eigenschap, die kinderen, helaas, maar al te vroeg verwisselen met eene zekere wereldwijsheid—zelfs toen nog geen oogenblik wantrouwen gekoesterd heb.
Het was intusschen wel hard voor mij dat ik tot voorwerp van spotternij diende tusschen den voerman en den conducteur, die beweerden, dat de omnibus van achteren veel te zwaar geladen was en ik liever met den vrachtwagen had moeten reizen. Het verhaal van mijn geweldigen eetlust ging ook bij de passagiers rond en men vroeg mij of er op de school een contract was aangegaan voor twee of drie personen, of dat ik op de gewone voorwaarden was aangenomen en zoo meer. Het ergste van alles was echter, dat ik mij schamen moest om, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, nog meer te eten en ik dus na een zeer schraal middagmaal, den geheelen avond honger zou moeten lijden—want ik had Peggotty's koekjes in het logement laten liggen. Mijne vrees werd bewaarheid. Toen wij uitstapten om te soupeeren, had ik niet den moed om iets te bestellen niettegenstaande ik er grooten lust in had; ik bleef bij de kachel zitten en zei dat ik niets begeerde. Dit belette niet dat ik nog voortdurend aan allerlei spotternijen blootstond, een heer met een schorre stem, die gedurende de reis niets gedaan had dan boterhammen met vleesch eten, wanneer hij niet uit een flesch dronk, zeide dat ik veel geleek op een boa-constrictor, die nu eens voor langen tijd genoeg nam; dezelfde heer scheen evenwel eene weddenschap te hebben aangegaan over de hoeveelheid gekookt ossenvleesch, die hij in den kortst mogelijken tijd kon verorberen.
Wij waren om drie uur in den namiddag van Yarmouth vertrokken en moesten den volgenden morgen te acht uur in Londen aankomen. Het was heerlijk zomerweder en een prachtige avond. Als wij een dorp doorreden stelde ik mij voor hoe de huizen er van binnen zouden uitzien en wat de bewoners wel zouden doen; en wanneer de jongens den omnibus naliepen en zich een eind lieten voortslepen, had ik hun wel willen vragen of hunne vaders nog leefden en of zij thuis gelukkig waren. Ik had genoeg om over te denken en bovendien kwam telkens de vraag bij mij op naar welke plaats ik toch eigenlijk op weg was en—dan voelde ik mijn hart wel eens angstig kloppen. Nu en dan, dat herinner ik mij zeer goed, dwaalden mijne gedachten af naar mijne moeder, naar het ouderlijk huis en Peggotty en poogde ik mij te herinneren welke soort jongen ik geweest was, eer ik mijnheer Murdstone gebeten had; ik kon het hierover echter volstrekt niet met mij zelven eens worden en het scheen mij toe, dat het voorval met mijn stiefvader jaren geleden had plaats gehad.
De nacht was niet zoo aangenaam als de avond, want het was koud geworden; ik zat bovendien tusschen twee heeren—de schorre heer en een andere—opdat ik niet uit den wagen vallen zou; maar toen zij in slaap vielen, zakten zij tegen mij aan en over mij heen en werd ik bijna plat gedrukt. Nu en dan smoorden zij mij bijna met hun beiden en ik kon dan niet nalaten uit te roepen: „O, als 't u blieft!” hetgeen zij mij nog bovendien kwalijk namen, want zij werden daardoor in hun slaap gestoord. Tegenover mij zat een reeds bejaarde dame in een grooten bonten mantel en zoo ingepakt, dat zij meer op een hooimijt geleek dan op eene dame. Zij had eene mand bij zich en langen tijd niet geweten waar zij die zou plaatsen, totdat zij, partij trekkende van mijne kleine beenen, de mand onder mij schoof. Dit hinderde mij zoo en deed mij zooveel pijn, dat ik het bijna niet kon uithouden; maar als ik mij even bewoog, en een glas, dat in de mand lag, begon te rinkelen—en dat deed het telkens—gaf zij mij een gevoeligen schop en zeide: „Zit toch niet zoo te draaien! Zulke jonge beenen moeten daar tegen kunnen!”
Eindelijk ging de zon op en toen schenen mijne buurlieden rustiger te slapen. De moeilijkheden waarmede zij den geheelen nacht te kampen hadden gehad, blijkbaar uit hun geweldig snorken en snuiven, zijn niet te beschrijven. Toen de zon hooger steeg werd hun slaap lichter en ontwaakten zij, de een na den ander. Ik herinner mij nog mijne verbazing toen iedereen zich hield alsof hij niet geslapen had en allen deze beschuldiging met verontwaardiging van zich af wierpen. Deze verbazing is tot op den huidigen dag nog niet geweken, want zonder uitzondering heb ik opgemerkt, dat van alle menschelijke zwakheden, die van in een rijtuig te hebben geslapen,—waarom is mij duister—het minst gaarne en nooit ruiterlijk erkend wordt.
Welk een verbazenden indruk Londen op mij maakte, toen ik het in de verte zag liggen; hoe ik meende dat de avonturen van al mijn helden daar telkens en telkens weder plaats vonden, en hoe ik een vaag vermoeden had, dat Londen meer wonderen en meer goddeloosheid in zich verborg dan alle andere steden op den geheelen aardbodem, behoef ik hier niet te verhalen. Wij naderden langzaam en stapten op het bepaalde uur aan de herberg in Whitechapel af, de plaats van bestemming. Ik heb vergeten of het „de Blauwe Stier” of „de Blauwe Beer” was, maar ik weet zeker dat het Blauw was en dat er eene afbeelding van geschilderd was op den omnibus.
De conducteur hield het oog op mij gevestigd, toen hij aan de deur van het kantoor riep: „Is hier iemand om een jongetje af te halen, dat in het boek staat onder den naam Murdstone van Blunderstone, Suffolk, en zal afgehaald worden?”
Geen antwoord.
„Och, beproef het eens met den naam Copperfield, mijnheer,” vroeg ik, hulpeloos rondkijkende.
„Is hier iemand om een jongetje af te halen, dat in het boek staat onder den naam Murdstone van Blunderstone, Suffolk, maar dat beweert Copperfield te heeten en afgehaald zou worden?” vroeg hij nogmaals. „Kom.... is er niemand?”
Neen. Er was niemand. Ik keek angstig rond; maar de vraag maakte op geen der omstanders eenigen indruk, dan op een man met slobkousen aan en met slechts één oog, die den raad gaf, dat men mij maar met een koperen halsband om in den stal moest vastleggen tot er iemand kwam om mij te halen.
Er werd een ladder tegen den omnibus geplaatst, maar ik durfde niet opstaan vóór de dame, die zoo op een hooimijt leek, haar mand had weggenomen. Eindelijk was de omnibus ledig en ook de bagage afgeladen; de paarden waren reeds afgespannen en naar den stal gebracht en nu werd ook de omnibus door een paar stalknechts uit den weg gezet.
Nog altijd was er echter niemand om dien zekeren jongen van Blunderstone, Suffolk, op te eischen.
Eenzamer nog dan Robinson Crusoë, die ten minste door niemand bekeken werd, zoodat niemand zag, hoe eenzaam hij daar stond, ging ik naar het kantoor en, op uitnoodiging van een der klerken, achter de toonbank op de weegschaal zitten. Terwijl ik daar naar de balen, zakken en boeken zat te kijken, en eene afgrijselijke stallucht in te ademen—ik kan sinds dien tijd niet langs een stal komen zonder aan dien morgen te denken—ging er eene geheele reeks van vreeselijke voorstellingen door mijne ziel. Gesteld dat er niemand zou komen om mij te halen, hoelang zou men mij dan toestaan hier te blijven? Zouden zij mij lang genoeg houden om de zeven shillings te verteren? Zou ik 's nachts in een van die manden mogen slapen tusschen al die kisten en koffers en mij 's morgens aan de pomp op de binnenplaats moeten wasschen? Of zou ik er 's avonds worden uitgezet om 's morgens, wanneer het kantoor geopend werd, weder te beginnen met wachten op iemand, die mij zou komen afhalen? Gesteld dat er geen vergissing of verzuim in het spel was en mijnheer Murdstone dit plan bedacht had om mij kwijt te raken, wat moest ik dan beginnen? Indien zij mij toestonden hier te blijven tot mijne zeven shillings verteerd waren, zou ik hier zeker niet kunnen blijven tot ik begon dood te hongeren. Dat zou natuurlijk lastig en onaangenaam zijn voor de toeschouwers en de reizigers, behalve nog dat „de Blauwe” (wat het dan ook was) de begrafeniskosten zou moeten dragen. Als ik terstond heenging en den terugweg aanvaardde, hoe zou ik dan den weg kunnen vinden, hoe zou ik ooit zoo ver kunnen wandelen en al slaagde ik er in, ons huis weder te bereiken, zou mij dan behalve Peggotty wel iemand willen opnemen? Als ik mij eens tot de bevoegde macht wendde om soldaat of matroos te worden, zou men dan zoo'n klein manneke wel willen aannemen? Deze gedachten en nog honderd andere joegen mij het angstzweet op het gelaat, alles begon mij voor de oogen te draaien. Toen mijne verslagenheid het toppunt bereikt had, zag ik een man binnenkomen, die op fluisterenden toon iets aan een der klerken vroeg, waarop deze mij van de schaal nam en aan dien man overgaf, alsof ik een stuk goed was, dat gewogen, gekocht, afgeleverd en betaald werd.
Ik keek mijn nieuwen kennis, met wien ik hand aan hand het kantoor verliet, van ter zijde aan. Hij was een magere, bleeke, jonge man, met ingevallen wangen en een even zwarte kin als die van mijnheer Murdstone; daarmede was echter alles gezegd van hunne gelijkenis, want hij droeg geen bakkebaarden, en in plaats van glanzig, krullend was zijn haar droog en steil. Hij was gekleed in eene zwarte jas en broek, die beide even glad en vaal waren als zijne haren; zoowel de mouwen van de jas als de pijpen van de broek waren te kort en de witte das, die hij droeg, was niet al te helder. Ik wist niet en weet nog niet of hij geen ander linnen droeg dan deze das, maar het was al wat men te zien kreeg.
„Zijt gij de nieuwe jongen?” vroeg hij.
„Ja, mijnheer.” Ik onderstelde, dat ik het was, al wist ik het niet zeker.
„Ik ben een van de onderwijzers op Salem House,” zei hij.
Ik maakte een buiging voor hem en voelde onmiddellijk diep ontzag. Ik schaamde mij zelfs om tegen zulk een geleerd man, die onderwijzer op Salem House was, over mijn koffer te spreken, zoodat wij reeds een goed eind hadden afgelegd, eer ik daartoe den moed vond. Op mijne leuke opmerking, dat de inhoud mij wellicht naderhand zou te pas kunnen komen, keerden wij terug en deelde hij den klerk mede, dat de voerman van den vrachtwagen den koffer tegen den middag zou komen halen.
„Mag ik u eens vragen, mijnheer,” zei ik, toen wij ongeveer denzelfden afstand hadden afgelegd als zoo even, „is het ver?”
„Bij Blackheath ongeveer,” antwoordde hij.
„Is dat ver, mijnheer?” herhaalde ik op schroomvalligen toon.
„Het is een flinke wandeling,” antwoordde hij, „maar wij zullen met den omnibus gaan. Het is ongeveer zes mijlen.”
Ik was zoo flauw en zoo vermoeid, dat het denkbeeld om het nog zes mijlen ver te moeten uithouden, mij bijna wanhopend maakte. Ik vatte moed en vertelde hem, dat ik sedert den vorigen middag niets gegeten had, en zei, dat ik hem zeer verplicht zou zijn, indien hij mij wilde toestaan iets te koopen om mijn honger te stillen. Hij scheen verrast over deze mededeeling—hij bleef staan en keek mij voor de eerste maal eens goed aan—dacht even na en zei, dat hij nog iemand wilde bezoeken, en ik maar wat brood moest koopen of iets anders, dat niet schadelijk voor mijne gezondheid was en waarvan ik het meest hield; ik zou dan bij de oude juffrouw, die hij wilde bezoeken, wel wat melk kunnen krijgen en bij haar mijn ontbijt gebruiken.
Zoo gezegd, zoo gedaan; wij gingen een bakkerswinkel binnen en nadat ik de vetste en zwaarste baksels, die in den winkel te krijgen waren, had voorgesteld, en hij die allen als schadelijk voor de gezondheid had verworpen, beslisten wij ten gunste van een klein bruin broodje, dat mij drie stuivers kostte. In een komenijswinkel kochten wij vervolgens een ei en een sneedje doorregen spek, zoodat ik naar mijne meening nog genoeg van mijn tweeden blinkenden shilling overhield, om Londen voor eene goedkoope stad te houden. Na deze inkoopen gedaan te hebben, wandelden wij verder door eenige woelige, drukke straten, zoodat mijn toch reeds vermoeid hoofd dreigde te barsten, en over eene brug, als ik mij niet bedrieg, de London Bridge—ik meen werkelijk, dat hij het mij vertelde, maar ik sliep half—tot wij de woning van de oude juffrouw bereikten. Deze lag in een hofje, dat tot een weldadigheidsgesticht behoorde, hetgeen ik uit de regelmatige bouworde opmaakte, en ook uit een opschrift op een steen, waarop te lezen stond, dat hier vijfentwintig arme vrouwen onder dak konden worden gebracht.
De ondermeester van Salem House lichtte de klink op van een der vele zwarte deurtjes, die alle gelijk waren, en alle hadden een venster op zijde en een met kleine ruitjes er boven; wij gingen er binnen en vonden eene arme oude vrouw bezig den inhoud van een sauspannetje aan de kook te brengen. Toen zij den meester zag binnenkomen legde zij de blaasbalg op hare knie en mompelde iets, dat op „Dag Karel” geleek; mij echter ziende, stond zij op, veegde hare handen af en maakte in hare verlegenheid eene halve buiging.
„Kunt gij het ontbijt van dezen jongeheer ook gereed maken als 't u blieft?” vroeg de meester.
„Of ik dat kan?” antwoordde de vrouw. „Zeker kan ik dat!”
„Hoe maakt juffrouw Tibbitson het vandaag?” vroeg mijn geleider weder, naar eene oude vrouw kijkende, die in een grooten stoel bij het vuur zat en zoo zeer op een hoopje kleeren geleek, dat ik nu nog dankbaar ben, er niet bij vergissing op te zijn gaan zitten.
„Och, zij is zoo ziek,” antwoordde de juffrouw met de blaasbalg. „Zij heeft een van hare kwade dagen. Als het vuur was uitgegaan door een of ander toeval, zou zij ook zijn uitgegaan om nimmer terug te keeren—dat geloof ik zeker.”
Aangezien allen naar de zieke keken, deed ik het ook. Hoewel het warm weer was, scheen zij voor niets oogen te hebben dan voor het vuur. Ik geloof zeker dat zij jaloersch was op de sauspan, die op het vuur stond; ook nam zij het mij blijkbaar kwalijk, dat het gebruikt werd om mijn ei te koken en mijn spek te bakken, want op een oogenblik, dat niemand naar haar keek, zag ik dat zij heimelijk de vuist tegen mij balde. De zon scheen door het kleine venster in de kamer, maar zij zat met haar eigen rug en met den rug van den stoel naar het licht, alsof zij het vuur moest warm houden in plaats dat het haar verwarmde. Zij hield er met wantrouwende blikken de wacht bij. Toen mijn ontbijt gereed was en het vuur dus weder zichtbaar werd, had zij zooveel pret, dat zij in een schaterlach uitbarstte—een zeer onwelluidenden lach, dat moet ik zeggen.
Daar zat ik nu voor mijn bruin broodje, mijn ei en mijn gebakken spek en deed een Lucullusmaal, met de kom melk er bij. Toen ik in het volle genot daarvan was, zei de oude juffrouw tegen mijn reisgenoot:
„Hebt gij uwe fluit bij u, Karel?”
„Ja,” antwoordde hij.
„Toe, blaas dan eens een wijsje,” smeekte zij op vleienden toon.
Op dit verzoek stak de meester van Salem House de hand onder de panden van zijn jas, haalde eene fluit te voorschijn, die uit drie stukken bestond, schroefde die aan elkander en begon te spelen. Na de ondervinding van latere jaren is mijn eerste indruk dat niemand op de geheele wereld slechter speelde dan hij, in geen enkel opzicht gewijzigd. Hij maakte de afschuwelijkste geluiden, die ik ooit door mensch of dier heb hooren uitbrengen. Ik weet niet welke wijzen hij speelde—indien er ten minste een wijs aan ten grondslag lag, hetgeen ik betwijfel—maar de invloed van de muziek op mij was eerst, dat al het geleden verdriet weder in mijn geheugen werd opgeroepen, zoodat de tranen mij weldra over de wangen begonnen te rollen; daarna dat mij mijn eetlust werd benomen; eindelijk werd ik zóó slaperig, dat ik mijne oogen niet open kon houden. Nu nog vallen ze dicht en begin ik te knikkebollen, wanneer ik aan de marteling van dien morgen herinnerd word. Het kleine kamertje met de geopende bedstede in den hoek en de stoelen met vierkante ruggen en het steile trapje, dat naar de bovenkamer voerde, en de drie pauwenveeren boven den schoorsteenmantel—ik herinner mij nog, mij afgevraagd te hebben, toen ik binnentrad en die veeren mij terstond in het oog vielen, wat die pauw wel gedacht zou hebben als hij geweten had tot welk lot zijn grootste sieraad hier gedoemd zou zijn—staan mij dan op eens weder levendig voor den geest en ik voel eene bijna onoverwinbare neiging tot slapen. Het fluitspel houdt op; in plaats daarvan hoor ik de wielen van een omnibus en ik ben op reis. De omnibus schokt verschrikkelijk, de fluit begint opnieuw en de meester van Salem House zit, met de beenen over elkander gekruist, allerjammerlijkst te spelen; terwijl de oude juffrouw met een gezicht, dat de grootste opgetogenheid verraadt, zit te luisteren. Op hare beurt verdwijnt ook zij weder, en hij verdwijnt, alles verdwijnt; er is geen fluit, geen meester, geen Salem House, geen David Copperfield meer, er is niets dan—slaap. Eens droomde ik dat, terwijl hij op die vreeselijke fluit zat te blazen, de oude juffrouw in hare opgetogenheid en bewondering al nader en nader was gekomen, achter op den rug van zijn stoel leunde en hem teeder omhelsde, zoodat hij zijn spel een oogenblik staken moest. Ik verkeerde toen in een toestand tusschen waken en slapen, juist op dat oogenblik of iets later, want toen hij eindigde—het was een feit dat hij opgehouden had met spelen—zag en hoorde ik dezelfde oude juffrouw aan juffrouw Tibbitson vragen of het niet verrukkelijk was—zij bedoelde het fluitspel—waarop juffrouw Tibbitson uitriep: „O, o, ja, ja!” en tegen het vuur knikte, waaraan zij, daarvan ben ik overtuigd, al de eer van de uitvoering toekende.
Toen ik vrij lang gesluimerd scheen te hebben, schroefde de meester van Salem House de fluit weder uit elkander, stak de drie stukken in zijn zak en ging met mij naar buiten. Wij vonden den omnibus dichtbij gereed staan en namen bovenop plaats; maar ik was zoo doodop van den slaap, dat men mij, toen wij stilhielden om iemand op te nemen, binnen plaatste, waar niemand zat en waar ik gerust sliep tot ik bemerkte, dat de omnibus stapvoets een steilen heuvel opreed tusschen het groen. Eindelijk hielden wij stil en waren aan onze bestemming.
Eene kleine wandeling bracht ons—ik bedoel den meester en mij—naar Salem House, dat door een hoogen, rooden muur was omringd en er zeer somber uitzag. Boven een deur in dezen muur hing een groot bord, waarop geschilderd was „Salem House”, en toen wij gescheld hadden, werden wij door een getralied venstertje in deze deur bespied door een man met een bijzonder onaangenaam uiterlijk; toen wij binnengelaten waren zag ik, dat dit uiterlijk behoorde aan een zwaar gebouwd man met een stierennek, een houten been, breede jukbeenderen en kort afgeknipt haar.
„De nieuwe jongen”, zei mijn reisgenoot.
De man met het houten been bekeek mij van het hoofd tot de voeten,—dit duurde echter niet lang want er was weinig aan mij te zien—waarna hij de deur sloot en den sleutel uit het slot nam. Wij gingen toen naar het huis, dat tusschen zwaar geboomte lag; maar de man met het houten been riep mijn geleider terug: „Hallo!” Wij keken om en zagen hem aan de deur van zijn klein huisje staan met een paar schoenen in de hand.
„Hier! De schoenlapper is er geweest en heeft gezegd, dat er niets meer aan te doen is, mijnheer Mell. Hij zei, dat er geen stukje van de oude schoenen meer aan te vinden is en begrijpt niet hoe gij verwachten kunt, dat hij ze nog herstelt.”
Met deze woorden wierp hij mijnheer Mell de schoenen toe, waarop deze een paar schreden terugging om ze op te rapen, en ze erg mistroostig aan alle kanten bekeek, terwijl wij samen voortwandelden. Ik merkte toen eerst op, dat de schoenen, die hij droeg, erg versleten waren, en op ééne plaats zijne kous er zelfs door heen kwam, gelijk een uitbottend knopje.
Salem House was een groot, vierkant gebouw van baksteen, met twee vleugels en zag er ongezellig en uitgewoond uit. Het was overal zoo stil, dat ik mijnheer Mell vroeg of de jongens uit waren; maar hij scheen verbaasd, omdat ik niet wist dat het vacantie was; dat al de jongens naar huis waren; dat mijnheer Creakle, de eigenaar, met mevrouw Creakle en de jongejuffrouw Creakle naar een zeebadplaats waren; en dat ik in de vacantie was gekomen als straf voor mijn slecht gedrag.... dat alles vertelde hij mij onder het voortgaan.
Het schoollokaal, waarin hij mij bracht, leek mij het akeligste en ongezelligste vertrek toe, dat ik ooit gezien had. Ik zie het nog. Een lange kamer met zes lange rijen banken en drie rijen lessenaars en in het rond overal pinnen om hoeden, petten en leien op te hangen. Brokstukken van oude schriften liggen over den stoffigen vloer verspreid. Op een der lessenaars vind ik eenige huisjes voor zijdewormen en twee ongelukkige witte muizen, door den eigenaar achtergelaten, loopen in een van bordpapier en ijzerdraad vervaardigd kasteeltje rond, met hunne roode oogjes in alle hoekjes snuffelend om iets eetbaars te vinden. Een vogel in een kooitje, dat niet veel breeder is dan het dier zelf, laat nu en dan een droevig geluid hooren, wanneer het op het twee duim hooge stokje springt of van daar weer naar beneden; sjilpen of zingen schijnt hij niet te kunnen. Er is een vreemde, bedorven lucht in de kamer, een lucht van beschimmeld leder, rotte appels en muffe boeken. Er kon moeilijk meer inkt over den vloer verspreid zijn geweest, al was het huis zonder dak gebleven van den opbouw af en al had het inkt geregend, gesneeuwd en gehageld door alle jaargetijden heen.
Toen mijnheer Mell mij verlaten had om zijne onherstelbare schoenen naar boven te brengen, liep ik zachtjes naar het boveneinde van de zaal en merkte intusschen dit alles op. Plotseling ontdekte ik een stuk bordpapier, waarop met mooie letters geschreven stond: „Pas op. Hij bijt.”
Ik klom terstond op de lessenaar, meenende dat er minstens een groote hond onder zou liggen; maar hoe ik ook met angstige oogen rondkeek, ik zag niets, dat op een hond geleek. Terwijl ik nog zat rond te gluren, kwam mijnheer Mell terug en vroeg mij wat ik deed.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar ik zoek den hond,” zei ik.
„Een hond?” vroeg hij. „Welken hond?”
„Is hier dan geen hond, mijnheer?”
„Waarom moet hier een hond zijn?”
„Den hond, waarvoor men moet oppassen, omdat hij bijt, mijnheer.”
„Neen, Copperfield,” sprak hij ernstig, „dat is geen hond. Dat is een jongen. Ik heb last gekregen, Copperfield, dit papier op uw rug te hangen. Het spijt mij, dat wij op zulk eene wijze moeten kennis maken, maar ik moet het doen.” Tegelijkertijd zette hij mij van de lessenaar af en hing mij het plakkaat, dat uitsluitend voor dit doel vervaardigd was, als een knapzak op den rug; en waarheen ik ook ging, ik moest het meedragen. Niemand kan beseffen wat ik door dit plakkaat geleden heb. Of iemand mij zien kon of niet, ik verkeerde altoos in de meening, dat de een of de ander het stond te lezen. Het hielp niet of ik mij al omkeerde en niemand vond, want ik verbeeldde mij altijd dat er iemand achter mij stond. Die onbarmhartige man met het houten been verzwaarde mijn leed nog. Hij had daar veel te zeggen; waar hij mij ook zag staan, leunende tegen een boom of tegen een muur, riep hij mij met zijne schrikverwekkende stem toe: „Hé, daar jongeheer! Hé, daar jongeheer Copperfield! Laat uw rug maar zien, of ik zal het rapporteeren!” De speelplaats was een kaal, met grint bestrooid pleintje, waarop alle localen en ook de keukens uitkwamen: ik wist, dat het geheele dienstpersoneel las wat er op mijn rug stond, dat de bakker het las en de slager het las; iedereen, die 's morgens, wanneer ik daar moest wandelen, uit- of inging, las, dat men zich voor mij in acht moest nemen, omdat ik beet. Ik herinner mij zeer goed, dat ik bang begon te worden voor mij zelven.
Op deze speelplaats was een oude deur, waarin de jongens hunne namen sneden. Die deur was overdekt met namen, maar ik herinner mij heel goed, dat ik tegen het einde van de vacantie geen naam lezen kon zonder te denken, op welken toon en met welken nadruk zou hij lezen: „Pas op. Hij bijt.” Er was een jongen, een zekere J. Steerforth, die zijn naam bijzonder diep had ingesneden, en ook bijzonder vaak. Deze jongen zou het zeker met eene krachtige stem lezen en mij dan bij de haren trekken. Er was nog een andere jongen, Tommy Traddles heette hij, die er zeker een spelletje van maken en zeggen zou, dat hij bang voor mij was. Van een derden jongen, George Demple, stelde ik mij voor dat hij er een wijsje op zou maken. Ik zag hen in mijne verbeelding allen bij elkander staan—er waren er vijf en veertig volgens mijnheer Mell—ginds bij de deur; ik zag hen een klein, bevend jongentje met algemeene stemmen verbannen naar Coventry, terwijl zij, ieder op zijn eigen wijze, uitriepen: „Pas op. Hij bijt. Pas op!”
Met het plaats nemen op de banken en aan de lessenaars was 't hetzelfde. Met de lange rijen bedden, die ik zag, toen ik in een er van lag, was 't hetzelfde. Ik herinner mij nacht op nacht gedroomd te hebben, dat ik weder bij mijne moeder was, zooals zij vroeger placht te zijn, of dat ik weder bij baas Peggotty logeerde, of dat ik op den omnibus zat, of dat ik het middagmaal gebruikte met mijn ongelukkigen vriend, den knecht in het logement, en in al deze toestanden riepen en keken de menschen mij na, en had ik niets aan dan mijn nachthemd en... dat plakkaat.
In mijn eentonig leven en in mijn voortdurenden angst voor het einde van de vacantie, was dit papier een afschuwelijke kwelling! Elken dag kreeg ik van mijnheer Mell een taak op, maar ik deed ze af, en leerde mijne lessen zonder moeite—er waren hier ook geen mijnheer en juffrouw Murdstone.
Vóór en na mijn werktijd wandelde ik rond, zooals ik reeds meedeelde, onder voortdurend toezicht van den man met het houten been. Hoe levendig herinner ik mij nog den mist om het huis, de groene, gebarsten plavuizen in de gang, de oude, lekkende waterton, en de kleurlooze stammen van sommige dier oude boomen, die meer in den regen en minder in den zonneschijn schenen gestaan te hebben dan andere boomen. Om één uur gebruikten wij het middagmaal, mijnheer Mell en ik, aan het boveneinde van een lange, kale eetzaal met ruw houten tafels en eene onverdragelijke vetlucht. Daarna ging ik weder aan het werk tot de thee, die mijnheer Mell uit een blauwe kop en ik uit een tinnen kroes dronk. Den geheelen dag, tot zeven of acht uur 's avonds, zat mijnheer Mell aan zijn eigen, afzonderlijk staande lessenaar in de school hard te werken met pen, inkt, liniaal, boeken en groote papieren—dit waren, zooals ik later ontdekte, de rekeningen van het laatste half jaar. Wanneer hij des avonds alles had opgeborgen, kwam de fluit voor den dag en begon hij te spelen en blies dan zoo hard, dat ik meer dan eens bang was, dat hij zijne geheele ziel zou wegblazen door de groote klep aan het uiteinde.
Ik zou mij zelven nog kunnen uitteekenen, zittende in de schemerachtig verlichte schoolzaal, met de hand onder het hoofd luisterend naar het jammerlijke spel van mijnheer Mell en met de opgegeven lessen voor den volgenden dag voor mij. Ik zie mij nog zitten, nu zonder boeken, luisterende naar mijnheer Mell; terwijl ik door de muziek heen allerlei geluiden, die ik in het ouderlijk huis hoorde, en de wind over het strand bij Yarmouth meende te hooren en mij daarbij zoo eenzaam en verlaten voelde. Ik zie mij zelven nog naar bed gaan in die groote, holle kamer, geheel alleen, en op den rand van het ledikant zittende schreien om een vriendelijk woord van Peggotty. Ik zie mij zelven nog 's morgens beneden komen en door het venster op de lange gang naar de klok op het bijgebouw met het windvaantje kijkende, opziende tegen het tijdstip, waarop J. Steerforth en de andere jongens zouden worden opgeroepen voor de lessen, en meer nog naar dat, waarop de man met het houten been het knarsende ijzeren hek zou openen om dien vreeselijken mijnheer Creakle binnen te laten. En altijd met die akelige waarschuwing op mijn rug!
Mijnheer Mell sprak niet veel met mij, maar was ook niet hard voor mij. Ik zou bijna kunnen zeggen, dat wij elkander gezelschap hielden zonder te spreken. Ik vergat nog te zeggen, dat hij somtijds in zich zelven sprak, grijnsde, de vuisten balde, op de tanden knarste en zijne haren uitrukte, zonder dat ik eenige aanleiding kon ontdekken, waardoor zijne woede werd opgewekt. Maar hij bezat deze eigenaardigheden nu eenmaal en al beangstigden ze mij in het eerst, ik was er spoedig aan gewoon geraakt.
VI
De kring mijner kennissen breidt zich uit.
Ik had ongeveer eene maand dit leven geleid, toen de man met het houten been begon rond te stampen met een dweil en een emmer water, hetgeen mij deed vermoeden, dat er voorbereidingen getroffen werden tot de ontvangst van mijnheer Creakle en de jongens. Ik had mij hierin niet vergist, want de schoonmaakwoede strekte zich ook uit tot de schoolzaal en joeg mijnheer Mell en mij er uit, die maar moesten zien waar wij bleven. Gedurende eenige dagen liepen wij voortdurend twee of drie jonge meiden in den weg, die zich tot nu toe slechts zelden vertoond hadden; wij moesten telkens groote, dikke stofwolken trotseeren, zoodat ik ieder oogenblik moest niezen alsof Salem House een groote snuifdoos was.
Op zekeren dag deelde mijnheer Mell mij mede, dat mijnheer Creakle dien avond zou thuis komen. Na de thee vernam ik, dat hij gekomen was en nog voor ik naar bed ging, werd ik door den man met het houten been gehaald om voor hem te verschijnen.
Het gedeelte van het huis, dat mijnheer Creakle bewoonde, was vrij wat gezelliger ingericht dan het onze en hij had een aardig tuintje, dat heel mooi was, vergeleken met de stofferige speelplaats, een woestijn in miniatuur, waarin alleen kameelen en dromedarissen zich tehuis zouden hebben gevoeld. Het kwam mij hoogst vermetel van mij voor, de opmerking te durven maken, dat de gang er zoo netjes uitzag, toen ik bevend van angst op weg was naar mijnheer Creakle; ik was zoo verlegen, toen ik in zijne tegenwoordigheid verscheen, dat ik mevrouw Creakle en juffrouw Creakle, die beiden in de kamer waren, nauwelijks zag, ja, eigenlijk niets anders zag dan mijnheer Creakle, een zwaarlijvig man, met een zwaren horlogeketting, waaraan eenige dikke cachetten bengelden, gezeten in een grooten armstoel met een bierglas en een flesch naast zich.
„Zoo!” sprak mijnheer Creakle. „Is dat de jongeheer, wiens tanden moeten afgevijld worden? Draai hem eens om.”
De man met het houten been draaide mij rond, zoodat ik het plakkaat naar alle windstreken vertoonde, en nadat hij de familie in de gelegenheid gesteld had het goed te bekijken, draaide hij mij nogmaals rond met mijn gezicht naar mijnheer Creakle, en ging toen naast zijn meester staan. Mijnheer Creakle's gezicht was vuurrood en de kleine oogen lagen diep in zijn hoofd; op het voorhoofd lagen eenige dik gezwollen aderen, zijn neus was klein en zijne kin zeer breed. Hij had een kale kruin en aan de slapen een weinig dun, grijzend haar. Wat mij echter het meest trof was, dat hij geen stem scheen te hebben, maar altijd fluisterde. De inspanning, die hem dit kostte, of de bewustheid, dat hij zich niet verstaanbaar maken kon, verergerde nog de nijdige uitdrukking op zijn breed gezicht en deed de aderen nog meer opzwellen wanneer hij sprak, zoodat het mij, als ik aan dat oogenblik terugdenk, niet verwondert, dat mij deze bijzonderheid het meest trof.
„Wel,” sprak hij, „welke rapporten hebt gij over dezen jongeheer?”
„Er is niets bijzonders met hem voorgevallen,” antwoordde de man met het houten been. „De gelegenheid om kwaad te doen ontbrak geheel.”
Ik meende op te merken, dat mijnheer Creakle teleurgesteld was; doch ik meende ook op te merken, dat mevrouw en juffrouw Creakle—die ik nu voor het eerst durfde aankijken, en die beiden zeer mager waren en geen woord meespraken—niet teleurgesteld waren.
„Kom hier, jongeheer!” zei mijnheer Creakle, mij tot zich wenkend.
„Kom hier!” herhaalde de man met het houten been met hetzelfde gebaar.
„Ik heb het genoegen uw stiefvader te kennen,” fluisterde mijnheer Creakle, terwijl hij mij bij een oor nam; „hij is een braaf man met een flink karakter. Hij kent mij en ik ken hem. Kent gij mij al? Hè!” vroeg hij, terwijl hij mij met wreed genoegen in het oor kneep.
„Nog niet, mijnheer,” antwoordde ik, ineenkrimpend van pijn.
„Nog niet? Hè?” herhaalde mijnheer Creakle. „Gij zult mij spoedig leeren kennen. Hè?”
„Gij zult mijnheer Creakle spoedig leeren kennen,” herhaalde de man met het houten been. Later begreep ik, dat hij met zijne zware stem als tolk optrad tegenover de jongens.
Ik stond te beven als een riet en zei dat ik het hoopte, indien hij het verkoos. Gedurende al dien tijd had ik een gevoel alsof mijn oor langzaam in een kool vuur veranderde, zoo hard kneep hij er in.
„Ik zal u eens vertellen wat ik ben,” fluisterde mijnheer Creakle, terwijl hij mijn oor losliet met een kneep tot afscheid, die mij de tranen in de oogen bracht.
„Ik ben een Tartaar.”
„Een Tartaar,” herhaalde de man met het houten been.
„Wanneer ik zeg, dat ik iets doen wil, dan doe ik het,” zei mijnheer Creakle, „en wanneer ik zeg, dat ik iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan hebben.”.... „Iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan hebben,” herhaalde de man met het houten been.
„Ik heb een vast karakter,” ging mijnheer Creakle voort. „Dat heb ik. Ik doe mijn plicht. Dat doe ik. Mijn eigen vleesch en bloed”—terwijl hij dit zeide keek hij mevrouw Creakle aan—„is mijn eigen vleesch en bloed niet, wanneer het tegen mij opstaat. Dan verloochen ik het. Is die man hier weer geweest?” Deze laatste vraag, werd aan den man met het houten been gedaan.
„Neen,” was het antwoord.
„Neen,” zei mijnheer Creakle. „Hij weet wel beter. Hij kent mij. Laat hem wegblijven. Laat hem wegblijven,” herhaalde mijnheer Creakle, terwijl hij met de hand over de tafel streek en mevrouw Creakle aankeek, „hij kent mij. En nu hebt gij mij ook leeren kennen, jongeheer; gij kunt nu heengaan. Breng hem weg.”
Ik was heel blij, dat ik kon heengaan, want mevrouw en juffrouw Creakle wischten beiden hare oogen af en ik had even goed medelijden met haar als met mij zelven. Ik had echter nog een verzoek op het hart, dat ik niet kon uitstellen, al verwonderde het mij naderhand, dat ik den moed had gehad het te doen.
„Mag ik u iets vragen, mijnheer....”
Mijnheer Creakle fluisterde: „Zoo? Wat dan?” en keek mij aan alsof hij mij met zijne oogen wilde in brand steken.
„Och, mijnheer,” stotterde ik, „ik heb werkelijk zooveel berouw over hetgeen ik gedaan heb, maar zoudt u dit papier niet willen laten wegnemen, vóór de jongens komen....”
Of mijnheer Creakle het meende of dat hij het alleen deed om mij bang te maken, weet ik niet, maar hij sprong van zijn stoel op, zoodat ik hals over kop aftrok, zonder te wachten op het geleide van den man met het houten been en niet omziende voor ik de slaapkamer bereikt had. Toen ik bemerkte, dat ik niet vervolgd werd, begaf ik mij naar bed en lag eenige uren achtereen te beven.
Den volgenden morgen kwam mijnheer Sharp terug. Mijnheer Sharp was de eigenlijke hoofdonderwijzer en stond boven mijnheer Mell. Mijnheer Mell gebruikte de maaltijden met de jongens; mijnheer Sharp met de familie Creakle. Naar het mij voorkwam, zag mijnheer Sharp er zwak en tenger uit; hij had een grooten neus en eene manier om zijn hoofd op zijde te dragen, alsof het hem veel te zwaar was. Er lag een eigenaardige glans over zijn krullend haar, maar de eerste jongen, die terugkwam, vertelde mij terstond, dat mijnheer Sharp een pruik droeg—een half-sleetsche, zooals hij beweerde—en elken Zaterdagnamiddag uitging om zijne pruik te laten opkrullen.
Het was niemand anders dan Tommy Traddles, die mij deze mededeeling deed. Hij was de eerste jongen, die terugkeerde, en maakte zich aan mij bekend door te zeggen, dat ik zijn naam zou vinden op den rechter hoek van de deur boven den grendel. Ik antwoordde: „O, dan zijt gij Traddles?” waarop hij zei: „Juist geraden” en toen moest ik hem alles vertellen van mij zelven en van mijne familie.
Het was eene gelukkige omstandigheid voor mij, dat Traddles het eerst terugkwam. Hij had zooveel plezier in mijn plakkaat, dat hij mij de onaangename taak bespaarde van het verborgen te moeten houden, of het door de jongens een voor een ontdekt te zien. Aan elken jongen, groot, en klein, vertoonde hij het onmiddellijk bij zijne aankomst ongeveer met deze woorden: „Kijk eens hier! Wat een grap!” Gelukkig waren de meeste jongens wat neerslachtig gestemd, zoodat zij mij niet zoo in de maling namen, als ik gevreesd had. Eenige begonnen, wel is waar, als Indianen om mij heen te dansen, en een groot aantal onder hen kon de verzoeking niet weerstaan van te doen of ik een hond was, en van mij te aaien en te streelen, opdat ik hen niet zou bijten, en van „Koest, hond!” te roepen; maar al was dit heel vervelend voor mij, en al kostte het mij eenige tranen, zij waren toch niet zoo uitgelaten als ik verwacht had.
Ik werd echter nog niet als kameraad beschouwd voor J. Steerforth was aangekomen. Voor dezen jongen, die den naam had van zeer knap te zijn, er goed uitzag en ongeveer zes jaar ouder was dan ik, werd ik gebracht als voor een overheidspersoon. Hij ondervroeg mij onder een afdak op de speelplaats over de bijzonderheden van mijn misdrijf, en was daarna wel zoo goed te zeggen, dat het „mooi schande” was mij zoo te straffen, voor welke woorden ik hem eeuwig dankbaar beloofde te blijven.
„Hoeveel geld hebt gij medegebracht, Copperfield?” vroeg hij naast mij loopende, nadat hij zijn oordeel op bovengenoemde wijze had uitgesproken.
Ik vertelde hem, dat ik nog in het bezit was van zeven shillings.
„Gij deedt beter mij die te geven, om ze te bewaren,” zeide hij. „Dat wil zeggen: gij kunt dat doen als gij het goed vindt. Gij behoeft het niet te doen als gij het niet goed vindt.”
Ik haastte mij zijn vriendelijken raad op te volgen en schudde Peggotty's beursje in zijne hand ledig.
„Zoudt gij er nu ook iets van willen uitgeven?” vroeg hij.
„Neen, dank u”, antwoordde ik.
„Gij kunt het, als gij wilt, begrijpt gij?” vervolgde Steerforth. „Gij hebt slechts één woord te spreken.”
„Neen, dank u, mijnheer,” herhaalde ik.
„Misschien zoudt ge wel een paar shillings willen uitgeven voor een flesch bessenwijn; wij kunnen die dan straks op de slaapkamer leegdrinken,” zei Steerforth. „Ik heb gezien, dat gij bij mij op de kamer slaapt.”
Zoo iets was zeker nog nooit bij mij opgekomen, maar ik zei: „Ja, dat zou ik wel willen doen.”
„Heel goed,” hernam Steerforth. „Het zal u zeker wel aangenaam zijn een anderen shilling te besteden aan amandelkoekjes?” voegde hij er bij.
„Ja,” zei ik, „dat zou ik heel aangenaam vinden.”
„En een shilling of zoo aan biscuits en een aan vruchten, hé?” vervolgde Steerforth. „Het moet maar op, Copperfieldje!”
Ik glimlachte omdat hij ook glimlachte, maar ik was toch niet bijzonder in mijn schik.
„Wel,” zij hij, „wij moeten er een zoo goed mogelijk gebruik van maken, dat is alles. Ik zal mijn best voor u doen. Ik kan uitgaan, wanneer ik wil, en zal alles wel binnensmokkelen.” Met deze woorden stak hij al het geld in den zak en zei allervriendelijkst, dat ik er niet de minste moeite mede mocht hebben; hij zou wel zorgen, dat alles in orde kwam.
Steerforth hield zijn woord indien namelijk „in orde” mocht genoemd worden hetgeen ik heimelijk meende, dat volstrekt niet in orde was; ik had het gevoel, dat ik de twee halve kronen mijner moeder op de schromelijkste wijze verkwistte, al had ik het papier, waarin ze gerold waren geweest, als een kostbaar aandenken bewaard. Toen wij op de slaapkamer waren, om naar bed te gaan, had hij de zeven shillings omgezet in allerlei lekkernijen, die hij op mijn bed zette, zeggende: „Ziedaar, kleine Copperfield, het is een koninklijk maal, dat ik u breng.”
Ik kon er niet aan denken de honneurs waar te nemen, terwijl hij er bij was; hij, die zooveel ouder was dan ik; mijne hand beefde bij het denkbeeld. Ik verzocht hem mij de gunst te willen bewijzen van president te zijn en aangezien mijn verzoek door de andere jongens ondersteund werd, gaf hij er gehoor aan en ging op mijn kussen zitten om alles rond te deelen met de grootste onpartijdigheid—dat moet ik zeggen. De bessenwijn ging rond in een klein glaasje zonder voet, dat zijn bijzonder eigendom was. Ik zat aan zijne linkerhand, terwijl de andere jongens om ons heen gegroepeerd waren, op den vloer en op de andere bedden.
Hoe duidelijk zie ik ons daar nog zitten, niet anders dan fluisterend durvende spreken; of liever ik durfde niet anders dan fluisteren, terwijl de anderen hardop spraken. Het licht der maan scheen in onze kamer en teekende het venster, waardoor het binnenviel, verkleind op den grond; terwijl wij in het donker zaten, behalve wanneer Steerforth een lucifer aanstak om iets op onze tafel te zoeken; dan verspreidde zich een blauwachtig schijnsel over ons, dat terstond weder verdween. Een zeker geheimzinnig gevoel, opgewekt door de duisternis om ons heen, door het bleeke maanlicht en het op fluisterenden toon gevoerde gesprek, maakte zich opnieuw van mij meester; naar alles wat zij mij vertelden, luisterde ik met een onbestemd gevoel van diep ontzag en tevens van angst, zoodat ik heimelijk blijde was, dat zij allen om mij heen zaten en—hoewel ik veinsde te lachen—inwendig beefde toen Traddles beweerde, dat er een spook zat in een van de hoeken.
Ik vernam allerlei dingen omtrent de school en wat daartoe behoorde. Ik vernam, dat mijnheer Creakle niet zonder grond beweerde, een Tartaar te zijn, dat hij de strengste en onmeedoogendste meester was, die er bestond; dat hij elken dag om zich heen sloeg, rechts en links, op de jongens inrende en hen onbarmhartig ranselde. Dat hij zelf niets kende dan de wijze, waarop hij het best kon ranselen en—Steerforth verklaarde het—nog dommer was dan de domste jongen; dat hij, vele jaren geleden, een eenvoudig koopman in hop geweest was en een school had opgezet, nadat hij bankroet gemaakt had in de hop en het geld van mevrouw Creakle verdwenen was. En nog veel meer dergelijke verhalen werden mij gedaan; terwijl ik mij verbaasde hoe de jongens ze wisten.
Ik vernam ook dat de man met het houten been Tungay heette en een onhandelbare barbaar was; hij had medegedaan in de hop en was aan de school verbonden, omdat hij, volgens sommige jongens, zijn been gebroken had in dienst van mijnheer Creakle, allerlei oneerlijke handelingen met mijnheer Creakle bedreven had en al diens geheimen kende. Ik vernam, dat Tungay allen, die tot de inrichting behoorden, meesters zoowel als jongens,—mijnheer Creakle uitgezonderd—als zijne natuurlijke vijanden beschouwde en dat zijn eenige genoegen daarin bestond altijd knorrig en kwaadaardig te zijn. Ik vernam dat mijnheer Creakle een zoon had, die geen vriend was geweest van Tungay en die, in de school helpende, zich eens verzet had tegen zijn vader, toen deze eene bijzonder wreede tuchtiging had bedacht; ook zou hij—maar dit wist men niet zeker—zijn opgekomen tegen de wijze, waarop mijnheer Creakle zijne moeder behandelde. Mijnheer Creakle zou hem toen de deur hebben gewezen en mijnheer en mevrouw Creakle zouden na dien tijd steeds in onmin geleefd hebben en nog leven.
Het verwonderlijkste, dat ik echter aangaande mijnheer Creakle vernam, was dat er één jongen op de school was, dien hij het niet waagde ook maar met een hand aan te raken en dat deze jongen J. Steerforth was. Steerforth bevestigde dit verhaal zelf en voegde er bij, dat hij wel eens zou willen zien, dat mijnheer Creakle het probeerde. Toen een van de zachtzinnigste jongens (ik niet) hem vroeg, wat hij dan zou doen, stak hij een lucifer af, opdat wij niet alleen zouden hooren, maar ook zouden zien wat hij doen zou. „Ik zou hem,” zei hij, „een slag geven met de inktflesch tegen het voorhoofd, zoodat hij neerviel als een gedolde stier.” Wij zaten na dit antwoord eenigen tijd sprakeloos en ademloos in het duister.
Ik vernam, dat mijnheer Sharp en mijnheer Mell, volgens het vermoeden van de jongens, erbarmelijk betaald werden en dat, wanneer er warm en koud vleesch op mijnheer Creakle's tafel was, van mijnheer Sharp altijd verwacht werd, dat hij het koude vleesch zou verkiezen; dit werd al weder door J. Steerforth bevestigd, de eenige jongen die wel eens aan mijnheer Creakle's tafel at. Ik vernam, dat mijnheer Sharp's pruik hem niet paste en hij er niet zoo mede behoefde te pronken—„er mee te geuren,” zei een van de jongens—want dat zijn roode haren er van achteren toch onderuit kwamen.
Ik vernam, dat van een jongen, een zoon van een kolenkoopman, de schoolrekening met kolen betaald werd en hij daarom „Wissel- of Ruilhandel” genoemd werd, een naam, dien men in een der rekenboeken gevonden had. Ik vernam, dat het bier aan tafel een middel was om de ouders af te zetten, en dat de pudding niets was dan bedrog. Ik vernam dat men algemeen geloofde, dat juffrouw Creakle verliefd was op Steerforth, en ik moet zeggen, toen ik daar in het donker zijne welluidende stem hoorde en aan zijn knap gezicht, zijne aangename manieren en zijn krullekop dacht, toen achtte ik dit volstrekt niet onwaarschijnlijk. Ik vernam, dat mijnheer Mell over het geheel niet kwaad was, maar dat hij nooit een stuiver op zak had en dat de oude juffrouw Mell, zijne moeder, zoo arm was als Job. Ik dacht toen aan mijn ontbijt in Londen en aan iets, dat geklonken had als „mijn Karel,” maar ik zweeg hierover als een muis; ik herinner mij dat altijd nog met genoegen.
Al deze en nog vele andere verhalen duurden nog voort, toen het souper reeds was afgeloopen. Het grootste gedeelte van de gasten was naar bed gegaan, toen er niets meer te eten en te drinken was; en wij, die half ontkleed waren blijven fluisteren en luisteren, volgden eindelijk hun voorbeeld.
„Goeden nacht, Copperfieldje”, zei Steerforth. „Ik zal voor u zorgen, hoor!”
„Gij zijt wel vriendelijk”, antwoordde ik dankbaar. „Ik ben u zeer verplicht.”
„Hebt gij ook eene zuster?” vroeg hij geeuwende.
„Neen”, antwoordde ik.
„Dat is jammer”, hernam hij. „Indien gij er eene hadt, zou zij zeker een mooi, lief, klein meisje zijn met schitterende oogjes. Ik zou dan wel eens kennis met haar willen maken. Goeden nacht, Copperfieldje.”
„Goeden nacht, mijnheer”, antwoordde ik.
Toen ik te bed lag, moest ik voortdurend aan hem denken, en ik herinner mij, dat ik in bed ging opzitten om hem te zien, zooals hij daar door de maan beschenen in bed lag, met zijn mooi gezicht naar mij toe en den arm onder het hoofd. Hij was in mijne oogen iemand, die veel had in te brengen, en daarom was mijne ziel zoo met hem vervuld. Van de schaduw, die de toekomst over zijn beeld zou werpen, was nog niets te zien. Zijne voetstappen hadden nog geen sporen achtergelaten in den heerlijken tuin, waarin ik dien geheelen nacht in mijne droomen met hem wandelde.