XXIV
Mijn eerste buitensporigheid.
O, welk een heerlijke gedachte was het, heer en meester te zijn op zulk een paleis! Als ik de deur achter mij sloot had ik een gevoel, zooals Robinson Crusoë moet gehad hebben, als hij zijn versterkte hut was binnengegaan en de ladder achter zich opgetrokken had. Heerlijke gedachte, om daar door de stad te wandelen met de sleutels van mijn eigen woning in den zak; te weten, dat ik iemand vragen kon met mij naar mijn kamer te gaan en zeker te zijn, dat ik daarmede niemand overlast aandeed, tenzij aan mij zelven. Heerlijke gedachte, om mij zelven in en uit te kunnen laten, te komen en te gaan zonder iemand iets te vragen, juffrouw Crupp te schellen, wanneer ik haar noodig had, en haar uit de ingewanden der aarde te doen oprijzen—indien zij, dat spreekt van zelf, genegen was om te komen. Dit alles, ik herhaal het, was heerlijk, maar ik moet er bijvoegen, dat er ook wel tijden waren, waarin ik het alles behalve aangenaam vond.
Des morgens, vooral bij mooi weder, was het heerlijk. Als de zon scheen, genoot ik van het vrije leven en hoe hooger zij steeg, hoe vrijer en opgewekter ik mij gevoelde, maar tegen het vallen van den avond begon dat gevoel te kwijnen. Hoe het kwam weet ik niet, maar bij lamplicht vond ik mijn leven niet zoo heerlijk. Ik miste iemand om mede te praten. Ik miste Agnes vooral. Een akelig ledig was in de plaats getreden van die lieve bewaarster mijner geheimen. De afstand tusschen mij en juffrouw Crupp scheen dagelijks grooter te worden. Ik dacht aan mijn voorganger, die gestorven was tengevolge van veel drinken en rooken, en de wensch kwam in mij op, dat hij ware blijven leven, dan zou hij daar waarschijnlijk op mijne plaats gezeten hebben.
Toen ik er twee dagen en twee nachten had doorgebracht, scheen het mij toe of ik er reeds een jaar was en toch voelde ik mij geen uur ouder en werd meer dan ooit geplaagd door mijn eigen jeugdigheid.
Aangezien Steerforth nog niet verscheen, begon ik te vreezen, dat hij ziek was; ik verliet daarom het kantoor den derden dag wat vroeger dan gewoonlijk en wandelde naar Highgate. Mevrouw Steerforth was zeer blijde mij te zien en vertelde mij, dat haar zoon met een vriend uit Oxford naar een anderen vriend te St. Alban's was gegaan en den volgenden dag werd terugverwacht. Ik hield zooveel van Steerforth, dat ik jaloersch was op die beide vrienden. Mevrouw Steerforth noodigde mij uit om te blijven eten, hetgeen ik deed; maar ik geloof, dat wij den geheelen avond over niets spraken dan over hem. Ik vertelde haar, hoe de menschen in Yarmouth met hem dweepten en welk een aangenaam reisgenoot hij voor mij geweest was. Juffrouw Dartle deed allerlei geheimzinnige vragen, maar stelde toch ook veel belang in al ons doen en laten. Zij zeide zoo dikwijls: „Was het waarlijk zoo?” dat zij alles uit mij perste wat zij verlangde te weten. Zij zag er nog juist zoo uit als ik haar beschreven heb, maar het gezelschap van de twee dames deed mij zoo goed en viel zoo in mijn smaak, dat ik werkelijk een weinig verliefd op haar begon te worden. Ik kon niet nalaten dien avond en ook op mijne wandeling naar huis verscheidene malen te denken, welk een aangenaam gezelschap zij zijn zou in Buckinghamstreet.
Den volgenden morgen zat ik te ontbijten—het was verbazend hoeveel koffie juffrouw Crupp gebruikt en hoe slap die toch was—toen Steerforth tot mijne onbeschrijfelijke vreugde binnentrad.
„Beste Steerforth!” riep ik uit, „ik begon te denken dat ik u nimmer terug zou zien!”
„Ik ben den morgen, nadat ik thuiskwam, met geweld weggehaald!” antwoordde hij. „Wel, Groentje, wat leidt gij hier een prachtig oude-jongeheerenleven!”
Ik liet hem, niet zonder eenigen trots, mijne appartementen—de provisiekamer incluis—zien en hij prees alles zeer. „Luister eens, Groentje,” voegde hij er bij, „ik zal mij hier inkwartieren, tenzij gij mij wegjaagt.”
Dat was een heerlijk bericht. Ik zei dan ook, dat, als hij daarop wilde wachten, hij nog langen tijd zou kunnen blijven. „Maar wilt gij niet ontbijten?” vroeg ik met de hand aan het schelkoord. „Juffrouw Crupp zal versche koffie voor u zetten en ik wat spek bakken op mijn kachel.”
„Neen, dank u!” zei Steerforth. „Schel maar niet! Ik kan niet! Ik moet ontbijten bij een van mijne vrienden, die in het Piazza-hôtel logeert in Covent Garden.”
„Maar dan komt gij toch bij mij eten?” vroeg ik.
„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet! Niets zou ik liever doen, maar ik moet bij mijn beide vrienden blijven. Wij scheiden morgen reeds.”
„Breng hen dan mede, dan eten wij met ons vieren,” hernam ik. „Zouden zij willen komen?”
„O, zij zullen gaarne willen komen,” antwoordde Steerforth, „maar wij zullen u overlast aandoen. Gij zoudt beter doen met ons ergens te komen eten.”
Onder geen voorwendsel wilde ik dat aannemen, te meer niet, omdat het mij voorkwam, dat ik mijne kamers toch ook eens moest inwijden en zich daarvoor geen betere gelegenheid zou opdoen dan deze. Ik was trotscher dan ooit op mijne kamers, nu Steerforth ze had geprezen, en brandde van verlangen om te toonen wat ze al zoo konden opleveren. Toen Steerforth weg was schelde ik juffrouw Crupp en maakte haar met mijn wanhopend voornemen bekend. Juffrouw Crupp begon te zeggen, dat ik natuurlijk niet van haar verwachten kon, dat zij aan tafel zou bedienen; zij kende echter een handig jongmensch, die het waarschijnlijk wel voor vijf shillings zou willen doen. Of ik dat goed vond? Het spreekt van zelf, dat ik daartegen niets kon inbrengen. Vervolgens zei juffrouw Crupp, dat zij natuurlijk niet op twee plaatsen te gelijk zijn kon—daar was evenmin iets tegen te zeggen—en dat dus een klein meisje met een kaars in de provisiekamer onmisbaar was, ten einde onafgebroken borden te wasschen. Ik vroeg wat zulk een meisje daarvoor hebben moest en juffrouw Crupp antwoordde dat ik, naar zij meende, van achttien stuivers niet armer zou worden. Ik zei, dat ik het ook niet dacht en alzoo was ook dit vastgesteld. „En nu,” vervolgde juffrouw Crupp, „wat moet er zijn?” De smid, die juffrouw Crupp's kachelplaat gemaakt had, moet wel een voorbeeld geweest zijn van iemand met weinig overleg, want er konden niets dan ossenlappen en gestoofde aardappelen op gereed worden gemaakt. En wat de vischketel betrof..... „wil mijnheer de ruimte eens komen bekijken?” vroeg juffrouw Crupp. Nu, oprechter kon het goede mensch niet spreken! Alsof ik daardoor iets wijzer zou zijn geworden! Ik bedankte daarom voor het vriendelijk aanbod en zei: „Welnu dan, geen visch!” Maar juffrouw Crupp hernam: „Zeg dat nu niet, het is de tijd van de oesters, waarom geen oesters?”—Dus.... oesters! Daarna ging juffrouw Crupp voort: „Indien ik u een raad schuldig ben, is het deze: Een paar gebraden hoentjes.... van den kok; een schotel gestoofd rundvleesch met groente.... van den kok; twee kleinigheden om te flankeeren, b. v. pasteitjes of nierenbroodjes.... van den kok een taart en—indien ik daarvan hield—wat rhum- of andere gelei.... van den kok. Op deze wijze,” ging juffrouw Crupp voort, „stelt gij mij in de gelegenheid, om al mijne aandacht aan de aardappelen te wijden en de kaas en de selderij zoo voor te dienen, als ik wenschte dat het altijd gedaan werd.”
Ik volgde juffrouw Crupp's raad op en deed in hoogst eigen persoon de bestellingen bij den kok. Later op den dag langs een vleeschwinkel komende, zag ik daar een gespikkelde zelfstandigheid voor het raam liggen, die op marmer geleek en van een etiquette voorzien was, waarop te lezen stond: „Schildpadsoep.” Ik ging den winkel binnen en kocht er een stuk van, dat, naar ik later vernam, voor vijftien personen genoeg zou zijn geweest. Na veel tegenstribbelen nam juffrouw Crupp op zich, dit preparaat op te warmen, maar eenmaal in vloeibaren toestand gebracht, scheen het zoo weg te slinken, dat Steerforth het een „mondterging” vond voor vier personen.
Nadat alles zoo ver in orde was gebracht, kocht ik in Covent Garden een klein dessert en deed bij een wijnkooper in die buurt eene vrij aanzienlijke bestelling. Toen ik in den namiddag thuis kwam en de flesschen in een vierkant op de provisiekamer zag staan, schrikte ik van het groote aantal—niettegenstaande er twee te weinig waren, tot groote ontsteltenis van juffrouw Crupp.
De vrienden van Steerforth heetten Grainger en Markham. Beiden waren vroolijke, levenslustige knapen; Grainger was iets ouder dan Steerforth; Markham zag er jonger uit—ik schatte hem twintig jaar. Ik merkte op, dat laatstgenoemde altijd van zich zelven sprak als van „iemand” en nooit de eerste persoon enkelvoud gebruikte.
„Iemand voelt zich hier zeer op zijn gemak, mijnheer Copperfield,” zei hij, van zich zelven sprekende.
„De stand is niet slecht,” antwoordde ik, „en de kamers zijn inderdaad heel gezellig.”
„Ik hoop, dat gij beiden een goeden eetlust hebt meegebracht,” zei Steerforth.
„Waarlijk,” antwoordde Markham, „het stadsleven schijnt den eetlust op te wekken. Men heeft den geheelen dag honger, men eet onophoudelijk.”
In het eerst was ik een weinig verlegen en voelde ik mij veel te jong om aan het hoofd van de tafel plaats te nemen, waarom ik Steerforth verzocht op de eereplaats te gaan zitten en zelf tegenover hem plaats nam. Alles was goed, uitmuntend zelfs; wij dronken een stevig glas wijn en Steerforth deed zoo zijn best om den gang er in te houden, dat de feestelijke stemming geen oogenblik verbroken werd. Ik zelf was niet zoo spraakzaam gedurende den maaltijd, als ik wel gewenscht had te zijn; want mijne plaats was vlak tegenover de deur en telkens wanneer het „handige jonge mensch” de kamer uitging, zag ik een oogenblik later zijn schaduw op den muur afgeteekend, met een flesch voor den mond. Ook het meisje verschafte mij eenige onrust, niet omdat zij verzuimde de borden te wasschen, maar door ze te breken. Zij was nieuwsgierig van aard en wilde zij die ondeugd botvieren, dan kon zij niet, zooals haar stellig bevolen was, in het provisiekamertje blijven; zij kwam daarom telkens om een hoekje kijken en als zij dan bemerkte dat zij betrapt werd, richtte zij in haar angst eene groote verwoesting aan onder de borden, die zij op den grond had geplaatst. Dit waren echter kleine onaangenaamheden, die, zoodra het tafellaken weggenomen en het dessert gereed gezet was, vergeten waren; op hetzelfde tijdstip ontdekte ik, dat het „handige jongmensch” stomdronken was. Ik gaf hem heimelijk het bevel, om juffrouw Crupp verder met zijn gezelschap te vereeren en het kleine meisje mede naar de kelderverdieping te nemen, waarna ik mij ongestoord aan de vreugde kon wijden.
Ik begon bijzonder vroolijk en opgeruimd te worden; allerlei half-vergeten voorvallen kwamen mij in de gedachten, zoodat ik buitengewoon spraakzaam werd; ik lachte hartelijk om mijne eigen grappen en om die van de anderen; riep Steerforth tot de orde, omdat hij niet vlug genoeg inschonk als de glazen ledig waren; nam uitnoodigingen aan om in Oxford te komen; gaf als mijn voornemen te kennen elke week zulk een diner op mijne kamer te zullen geven, zonder dat daartoe uitnoodigingen voor behoefden te worden rondgezonden; en nam eindelijk zooveel snuif uit een doos van Grainger, dat ik genoodzaakt was naar de provisiekamer te gaan, waar ik ongeveer tien minuten, niezende doorbracht. Al sneller en sneller liet ik de flesschen rondgaan en telkens sprong ik op met den kurketrekker in de hand om nieuwe open te trekken, lang voordat het noodig was.
Ik stelde een dronk in op Steerforth's gezondheid, zeide dat hij mijn beste vriend was, de beschermer van mijne jeugd, de metgezel in mijne eerste jongelingsjaren. Ik zeide blijde te zijn op zijne gezondheid te mogen drinken. Ik zeide dat ik meer verplichting aan hem had dan ik hem ooit vergelden kon en hem meer achting toedroeg dan ik in woorden kon uitdrukken. En eindelijk: „Ad fundum, op Steerforth! Lang zal hij leven! Hoezee!” En wij dronken driemalen ad fundum en eindelijk nog een vol glas ad fundum. Ik brak mijn glas toen ik opstond om hem de hand te schudden en zei in twee woorden: „Steerforth, gij-zijt-de-poolstar-op-mijn-levensweg.”
Ik merkte eensklaps op, dat er iemand aan het zingen was; het was Markham, die ten beste gaf: „Als de zorgen soms u kwellen,” en zoo voort. Hij beloofde ons daarna een toost te zullen instellen: Op „de meisjes!” Ik verzette mij daartegen en wilde het niet toestaan. Ik zeide dat het niet fatsoenlijk was zulk een toost in te stellen, dat ik op mijn eigen kamer niet zou toestaan anders dan op de „dames” te drinken. Ik kreeg hooge woorden met hem, voornamelijk omdat ik Steerforth en Grainger zag lachen om mij—of om hem—of om ons beiden. Hij zei dat men iemand niet zoo de wet moest stellen. Ik zeide dat het wel degelijk moest. Hij zeide dat men iemand niet behoefde te beleedigen. Ik zeide dat hij daarin gelijk had—dat onder mijn dak, waar de wetten der gastvrijheid werden geëerbiedigd, nooit iemand beleedigd mocht worden. Hij zeide dat het niet met iemand's waardigheid streed te zeggen, dat ik een duivelsche beste jongen was. Ik stelde onmiddellijk een dronk op hem in.
Iemand stak een sigaar op en wij volgden zijn voorbeeld. Ik rookte en deed mijn best om eene opkomende neiging tot huiveren te bedwingen. Steerforth had een toost op mij ingesteld, die mij bijna tot tranen toe bewogen had. Ik bedankte hem en sprak de hoop uit, dat de heeren den volgenden dag en den daarop volgenden dag bij mij zouden komen dineeren—telkens te 5 uur, zoodat wij een langen avond voor ons hadden om van elkanders gezelschap te genieten. Ik had behoefte op nog iemand's gezondheid te drinken en stelde een toost in op mijne tante, op Betsey Trotwood, de beste van haar geslacht!
Er lag iemand uit het raam van mijn slaapkamer, ten einde zijn voorhoofd tegen de kouden steenen te drukken en den avondwind in zijn gezicht te laten spelen. Die iemand was ik zelf. Ik zei tegen mij zelf: „Copperfield, waarom hebt gij gerookt? Gij wist dat gij het niet kunt verdragen.” Toen bekeek iemand zich met onzekere oogen in den spiegel. Die iemand was ik weer. Wat was ik bleek! Er lag een wezenlooze uitdrukking in mijne oogen, en mijn haar .... alleen mijn haar, niets anders—zag er uit of het dronken was.
Iemand zei: „laat ons naar de comedie gaan, Copperfield!” Nu was ik niet meer in de slaapkamer, maar zat aan de rinkelende, met glazen bedekte tafel; de lamp en Grainger aan mijne rechter, Markham aan mijne linkerzij, en Steerforth tegenover mij—allen in de mist en heel ver weg. De comedie? Zeker! Uitstekend! Ga mede! Maar gij moet mij niet kwalijk nemen als ik het laatst naar beneden ga en de lamp uitblaas—er moest eens brand komen.
Vermoedelijk was het aan de duisternis toe te schrijven, maar ik kon de deur niet vinden, ik tastte in het rond en zocht in de venstergordijnen, toen Steerforth mij lachend bij een arm nam en buiten bracht. Wij daalden de trap af vlak achter elkander. Toen wij bijna beneden waren viel er iemand; iemand anders zei dat het Copperfield was. Deze valsche aantijging maakte mij boos, maar toen ik mij zelven op den rug in de gang vond liggen, begreep ik toch, dat er wel eenigen grond voor zijn kon.
Een mistige avond met groote kringen om de lantarens op de straat. Ik hoorde iemand van ons duidelijk zeggen, dat het vochtig was, maar ik meende, dat het vriezend weer was. Steerforth nam mij mede onder een lantaren, sloeg mijn kleeren af en zette mijn hoed recht—zonderling! Ik weet nog niet waar die hoed vandaan was gekomen, want ik had dien eerst niet opgehad.
Een man, in een hokje zittend met een opening als in een duiventil, keek in de mist en nam van iemand geld aan, vragende of ik die heer was, voor wien betaald werd; hij scheen te aarzelen—als ik het mij tenminste goed herinner, want ik zag bijna niets meer van hem, dan het puntje van zijn neus—of hij wel geld voor mij zou aannemen. Korten tijd daarna zaten wij heel hoog in een gloeiende zaal en keken naar beneden in het parterre; het scheen mij toe dat het daar rookte, zoo onduidelijk zag ik de menschen, die daar zaten. Er was ook een groot tooneel, dat er, in vergelijking met de straat, heel helder en zindelijk uitzag; er liepen menschen op heen en weer, die met elkander praatten over allerlei dingen, maar volkomen onverstaanbaar. Er was eene schitterende verlichting en er was muziek en in de loges zaten dames en ik weet niet wat er al meer was. Het geheel maakte op mij den indruk, alsof het gebouw, met alles wat er in was, leerde zwemmen, zoo wonderlijk dwarrelde alles dooreen, wanneer ik trachtte het te doen stilstaan.
Op iemand's voorstel besloten wij naar beneden te gaan, naar de loges, waar de dames zaten. Ik zag in het voorbijgaan een heer languit op een sofa liggen met een tooneelkijker voor de oogen, en ik zag ook mij zelven, ten voeten uit in een spiegel. Daarna werd ik een van de loges binnengeduwd en scheen iets gezegd te hebben, terwijl ik was gaan zitten, want de menschen om mij heen riepen: „Stilte!” en de dames wierpen mij verontwaardigde blikken toe en.... wat zag ik daar? Ja! Agnes zat vlak voor mij in dezelfde loge tusschen een heer en eene dame, die ik niet kende. Ik zie haar gezicht nu voor mij, beter dan ik het op dat oogenblik zag; zij keek mij verbaasd en verwijtend aan.
„Agnes!” zei ik met een dikke tong. „Goede Hemel! Agnes!”
„Stil! smeek ik u!” antwoordde zij, maar ik begreep volstrekt niet waarom. „Gij hindert de menschen! Kijk liever naar het tooneel!”
Ik volgde haar bevel op en trachtte mijn oogen op het tooneel gevestigd te houden en iets te verstaan van hetgeen er gesproken werd, maar te vergeefs. Een oogenblik later keek ik weder naar haar en zag ik haar wegkruipen in een hoekje en haar hand naar het voorhoofd brengen.
„Agnes!” zei ik. „Ik vrees dat gij niet wel zijt.”
„O, jawel. Maak u over mij niet ongerust, Trotwood,” antwoordde zij. „Luister eens! Gaat gij spoedig heen?”
„Of ik spoedig weer heenga?” herhaalde ik.
„Ja.”
Een oogenblik kwam de dwaze gedachte in mij op om haar te antwoorden, dat ik wachten zou om haar naar beneden te geleiden. Ik onderstel, dat ik ook wel zoo iets gezegd zal hebben, want zij keek mij eenige oogenblikken doordringend aan en scheen mij te begrijpen. Zachtjes sprak zij:
„Ik weet wel dat gij doen wilt wat ik u verzoek, als ik u zeg dat ik het ernstig meen. Ga nu heen, Trotwood, om mij genoegen te doen; vraag aan uwe vrienden of zij u naar huis willen brengen.”
Zij had mij voor een oogenblik tot het besef van mijn toestand gebracht en hoewel ik natuurlijk boos op haar was, schaamde ik mij toch ook en met een kort: ‚Goenach!’—hetgeen voor goeden nacht! moest doorgaan—stond ik op en ging heen. De vrienden volgden mij en ik stapte in eens uit de loge in mijn slaapkamer, waar Steerforth alleen bij mij was en mij hielp bij het ontkleeden en waar ik hem met horten en stooten vertelde, dat Agnes mijne zuster was, en hem bezwoer den kurketrekker op te zoeken om een flesch open te trekken.
Ik zal maar niet beschrijven, hoe daar iemand in mijn bed lag, die al het voorgevallene, kris en kras door elkander, als in een koortsachtigen droom herhaalde en doorleefde, terwijl het bed op de baren van de zee scheen te drijven en geen oogenblik stil stond! Hoe ik, toen die iemand langzaam in mij begon over te gaan, een keel zoo droog en een tong zoo hard had als perkament, ja, meende, dat mijne tong de bodem was van een ledigen ketel, door langdurig gebruik versleten, die boven een zacht vuur hing, en de binnenvlakten van mijne handen gloeiende ijzeren platen, die zelfs met geen ijs waren te verkoelen.....
O, die angst, die wroeging en schaamte, toen ik den volgenden morgen weder tot bewustzijn was gekomen! O, dat afgrijzen van mij zelven, die angst, dat ik minstens duizend misdrijven had gepleegd, die ik allen vergeten had en waarvoor ik nimmer boete zou kunnen doen—de herinnering aan dien onvergetelijken blik, waarmede Agnes mij had aangekeken—de marteling omdat ik haar onmogelijk iets van mij kon laten weten, want in mijne afschuwelijke dronkenschap had ik niet gevraagd, hoe zij te Londen kwam en waar zij logeerde—de walging, die ik ondervond bij den aanblik van de kamer, waar het drinkgelag was gehouden—het bonzen in mijn hoofd—de stank van de sigarenrook, al die glazen en eindelijk de onmogelijkheid om uit te gaan, ja, zelfs om op te staan! O, welk een vreeselijken dag bracht ik door!
O, welk een avond, toen ik bij den haard zittende, met een kop bouillon van lamsvleesch, waarop tallooze oogjes vet dreven, in de hand, meende den weg op te zullen gaan van mijn voorganger. Een oogenblik kwam het plan in mij op om naar Dover te snellen en alles te bekennen! Welk een avond, toen juffrouw Crupp binnenkwam om den bouillonkop weg te halen en mij, als eenig overblijfsel van het feest, een klein nierenbroodje te brengen en ik werkelijk eene opwelling kreeg om mij aan hare nankingsche borst te werpen en vol berouw uit te roepen: „O, juffrouw Crupp, juffrouw Crupp, laat die klieken maar blijven! Ik voel mij zoo ellendig!”—De eenige reden, die mij weerhield, was de twijfel of juffrouw Crupp wel de persoon was om zooveel vertrouwen in te stellen!
XXV
Goede en booze engelen.
Toen ik op den morgen na dien dag van hoofdpijn, berouw en ellende—op zonderlinge wijze in de war omtrent den datum van mijn diner, alsof een troep Titans met een reusachtigen hefboom den dag van eergisteren eenige maanden hadden teruggewrongen—op het punt was om uit te gaan, zag ik een boodschaplooper de trap opkomen met een brief in de hand. Op dit oogenblik nam hij de zaak, waarover hij was uitgezonden, heel kalmpjes op, maar toen hij mij bovenaan de trap over de leuning zag kijken, versnelde hij zijn gang en kwam boven, hijgende alsof hij zich bijzonder had uitgesloofd.
„Is u mijnheer T. Copperfield?” vroeg hij met zijn klein stokje even tegen zijn hoed tikkend.
Ik kon nauwelijks antwoord geven, zoo ontroerde ik bij de gedachte, dat deze brief van Agnes zijn moest. Evenwel, ik zei, dat ik mijnheer T. Copperfield was en hij geloofde het, gaf mij den brief en bleef wachten op antwoord.
Ik liet hem op het portaal wachten, ging mijn kamer binnen, sloot de deur en was zoo zenuwachtig, dat ik eerst den brief op de ontbijttafel moest neerleggen en den buitenkant nog eens goed bekijken eer ik besluiten kon het zegel te verbreken. Het was een vriendelijk briefje, waarin geen woord gerept werd van onze ontmoeting in de komedie. Het behelsde niets anders dan: „Beste Trotwood. Ik logeer bij een agent van papa, bij mijnheer Waterbrook, Ely-plein, Holborn. Komt gij mij vandaag een bezoek brengen? Bepaal zelf het uur maar. Steeds uwe u liefhebbende Agnes.”
Ik had zooveel tijd noodig om een antwoord op te stellen, dat mij voldeed dat ik niet weet wat de boodschaplooper wel van mij gedacht moet hebben, tenzij hij meende, dat ik nog moest leeren schrijven. Ik moet wel een half dozijn antwoorden geschreven hebben. Een er van begon: „Hoe kan ik ooit de hoop koesteren, lieve Agnes, den walgelijken indruk uit te wisschen,” dat beviel mij niet en werd verscheurd. Een ander begon: „Shakespeare zegt, lieve Agnes, ‚wat is het toch vreemd, dat iemand zoo dikwijls zijn vijand in den mond steekt’”—dit herinnerde mij aan Markham en werd daarom niet voortgezet. Ik beproefde zelfs in versmaat te antwoorden, maar ook dat gelukte niet. Eindelijk nam ik genoegen met het navolgende: „Lieve Agnes. Uw briefje is gelijk gij zelve zijt. Kan ik er grooter loftuiting aan brengen dan deze? Ik kom te vier uur. Uwen u toegenegen en berouwvolle T. C.” Met dit briefje, dat ik, zoodra het uit mijne handen was, weder wilde terughalen, vertrok de looper eindelijk.
Indien deze dag voor een der ambtenaren van Doctors' Commons half zoo vreeselijk was als voor mij, dan was het zeker tot straf voor zijn aandeel in die oude, vermolmde, kerkelijke rommelzoo. Ik verliet het kantoor alzoo te half vier en stond reeds eenige minuten later de aangeduide woning te bespieden, maar toch was het ruim kwartier over vieren op de klok van de St. Andreaskerk, eer ik genoeg moed bijeengezameld had om de hand naar de huisschel uit te strekken, die in den linker deurpost van mijnheer Waterbrook's woning was aangebracht. Het kantoor van mijnheer Waterbrook was op de benedenverdieping, terwijl op de tweede bezoeken werden ontvangen. Ik werd in een lief, doch eenigzins smal salon gelaten, waar Agnes aan een beursje zat te werken. Zij zag er zoo lief en kalm uit en herinnerde mij zoo sterk aan den onbezorgden, schuldeloozen schooljongen in Canterbury, in tegenstelling van den lompen, dronken, met sigarendamp doortrokken ellendeling in de komedie, dat ik mij geheel overgaf aan mijne opwelling van schaamte en berouw, kortom, mij erg dwaas aanstelde. Ik geloof zelfs, dat de waterlanders te voorschijn kwamen. Tot op dit oogenblik heb ik nog niet met zekerheid kunnen bepalen of dit de verstandigste dan wel de belachelijkste partij was, die ik kiezen kon.
„Als het iemand anders ware geweest, Agnes,” sprak ik, mijn hoofd afwendende, „zou het mij niet half zooveel leed doen! Maar dat gij mij in dien toestand zien moest! O, ik wilde dat ik vóór dien tijd maar gestorven was!”
Zij legde haar handje gedurende een oogenblik op mijn arm—zoo kon alleen hare hand mij aanraken—en ik voelde mij daardoor zoo getroost en bemoedigd, dat ik niet kon nalaten die hand dankbaar te kussen.
„Ga zitten,” zei Agnes op vroolijken toon. „Wees niet zoo verdrietig, Trotwood. Indien gij mij niet zoudt kunnen vertrouwen, in wie zoudt gij dan wel vertrouwen kunnen stellen?”
„O, Agnes!” antwoordde ik. „Gij zijt mijn goede engel!”
Zij glimlachte, maar er lag, naar het mij voorkwam, iets droevigs in dien lach.
„Ja, Agnes, mijn goede engel. Altijd mijn goede engel!”
„Indien ik dat was, Trotwood, zou er één ding zijn, dat ik niet in mijn hart mocht opsluiten,” antwoordde zij.
Ik keek haar vragend aan, doch had reeds een vaag vermoeden van hetgeen zij bedoelde.
„Ik zou u waarschuwen,” hernam zij en keek mij daarbij scherp aan, „tegen uw boozen engel.”
„Maar, lieve Agnes,” riep ik uit, „gij bedoelt Steerforth toch niet....”
„Ja, zeker, Trotwood,” antwoordde zij.
„Dan verkeert gij in eene grove dwaling, Agnes. Steerforth.... mijn booze engel of van wien ook! Hij, mijn leidsman, mijn beschermer en vriend! Maar, lieve Agnes! Is het niet onbillijk en geheel in strijd met uw eerlijk hart, hem te beoordeelen naar hetgeen gij op dien bewusten avond van mij gezien hebt?”
„Ik beoordeel hem niet naar hetgeen ik dien bewusten avond van u gezien heb,” antwoordde zij kalm.
„Naar wat dan?”
„Naar vele dingen.... beuzelingen op zich zelve, maar allen te zamen genomen voor mij ernstig genoeg. Ik beoordeel hem voornamelijk naar hetgeen gij van hem verteld hebt, Trotwood, en naar den invloed, dien hij op u heeft geoefend.”
Er was in hare lieve stem altijd iets, dat een snaar in mijn binnenste scheen aan te roeren, die alleen bij deze aanraking trilde. Het was altijd een ernstige klank, maar als die heel ernstig was, zooals nu, dan trilde de snaar zoo, dat ik er geheel door werd overmeesterd. Ik bleef haar aanstaren, terwijl zij haar hoofd over haar werk boog; ik zat nog naar haar te luisteren, hoewel zij niet meer sprak en hoe ik ook aan Steerforth gehecht was, op dit oogenblik kwam de aureool, waarin hij mij altijd verschenen was, mij minder schitterend voor.
„Het is wel vermetel van mij,” hervatte Agnes, opkijkende, „van mij, die steeds in zulk een afzondering heb geleefd en zoo weinig van de wereld ken, u raad te willen geven en zelfs zulk een bepaalde meening uit te spreken. Maar ik weet, waarin die vermetelheid haar oorsprong vindt, Trotwood: in de herinnering aan onze gemeenschappelijke opvoeding en in mijne belangstelling in alles wat u betreft. Dit is het, wat mij zoo vermetel maakt. Ik ben er zeker van, dat het dit is. Ik heb een gevoel alsof er iemand anders tot u spreekt, wanneer ik u waarschuw, dat gij een gevaarlijken vriend hebt.”
Wederom keek ik haar aan, wederom luisterde ik naar haar, nadat zij reeds langen tijd zweeg, en wederom verbleekte het beeld, dat zich zulk een eereplaats in mijn hart veroverd had.
„Ik ben niet zoo onredelijk om te verwachten,” zei Agnes op haar gewonen toon, „dat gij op eenmaal afstand wilt of kunt doen van een gevoel, dat eene overtuiging voor u geworden is, dat in uw trouwe hart is vastgeworteld. Gij moogt dat zelfs niet overhaast doen. Ik vraag u alleen of gij altijd aan mij denken zult..... ik bedoel, Trotwood,” vervolgde zij met een kalmen glimlach, want ik was op het punt om haar in de rede te vallen en zij wist waarom, „ik bedoel dat gij, telkens wanneer gij aan mij denkt, ook zult denken aan hetgeen ik u gezegd heb. Wilt gij mij nu dit alles wel vergeven?”
„Ik zal het u vergeven, Agnes,” antwoordde ik, „wanneer gij Steerforth recht wilt laten wedervaren en evenveel van hem houden wilt als ik doe.”
„Niet eerder?” vroeg Agnes.
Ik zag een schaduw over haar gelaat glijden toen ik zijn naam noemde, maar zij beantwoordde mijn glimlach, en de ongedwongen vertrouwelijke toon van vroeger keerde terug.
„En wanneer, Agnes,” vroeg ik, „zult gij mij het gebeurde van dien avond vergeven?”
„Wanneer ik er weder aan denk,” zei Agnes.
Zij had op deze wijze van het onderwerp willen afstappen, maar ik was er te zeer mede vervuld om daarin te kunnen bewilligen; ik moest haar vertellen hoe het gekomen was, dat ik mij zoo was te buiten gegaan en welk een reeks van toevallige omstandigheden mij eindelijk in de komedie had gebracht. Het was werkelijk eene verademing voor mij, dat ik het doen kon, dat ik eens kon uitweiden over de verplichting, die ik aan Steerforth had voor de wijze, waarop hij voor mij zorg gedragen had, toen ik niet meer in staat was om voor mij zelven te zorgen.
„Gij moet niet vergeten,” zei Agnes kalm op een ander onderwerp overgaande, zoodra ik had uitgesproken, „dat gij mij altijd zoudt vertellen, als gij op de eene of andere wijze in moeilijkheden geraakt of verliefd wordt. Wie is de opvolgster van juffrouw Larkins, Trotwood?”
„Niemand, Agnes.”
„Jawel, er is wel iemand, Trotwood,” zei Agnes lachend en met opgeheven vinger.
„Neen, Agnes, op mijn woord niet! De eenige dame, met wie ik hier heb kennis gemaakt, is een zekere juffrouw Dartle, een zeer verstandig meisje; zij woont bij Steerforth's mama. Ik ben echter niet verliefd op haar, al praat ik gaarne met haar.”
Agnes lachte om haar eigen scherpzinnigheid en zei, dat, indien ik vertrouwen in haar bleef stellen, zij een klein register zou aanleggen van al mijne verliefdheden, met de datums, den duur en den afloop van elke afzonderlijk, op de wijze als de tafels van de regeeringen der koningen en koninginnen van Engeland. Daarna vroeg zij of ik Uriah ook gezien had.
„Uriah Heep?” riep ik: „Neen! Is hij in Londen?”
„Hij komt elken dag beneden op het kantoor,” antwoordde Agnes. „Hij was reeds een week vóór mij in Londen. Ik vrees voor onaangename zaken, Trotwood.”
„Gij maakt u toch over niets ongerust, Agnes?” vroeg ik. „Welke onaangename zaken kunnen dat zijn?”
Agnes legde haar werk ter zijde, vouwde de handen over elkander en antwoordde mij met dien eigenaardigen, zachten oogopslag: „Ik vermoed, dat hij een compagnieschap wenscht aan te gaan met papa.”
„Wat? Uriah? Die gemeene, lage kerel zou het zoover brengen met zijne kruiperige manieren?” riep ik verontwaardigd uit. „Hebt gij u daar niet tegen verzet, Agnes? Bedenk eens, hoe nauw de betrekking dan met hem worden zal! Gij moet het afraden! Gij moet uw vader van zulk een dwazen stap terughouden, gij moet het beletten, Agnes! Nu is het nog niet te laat!”
Agnes keek mij hoofdschuddend aan, terwijl ik sprak, en antwoordde met een dankbaren blik voor mijn warm pleidooi:
„Gij herinnert u zeker ons laatste gesprek over papa? Niet lang daarna—ongeveer twee of drie dagen—gaf hij mij voor het eerst iets te kennen van hetgeen ik u nu vertel. Het was treurig hem te zien worstelen tusschen den wensch om het mij te doen voorkomen, alsof het zijne vrije keuze was, en de onmogelijkheid om te verbergen, dat hij er toe genoodzaakt werd. O, ik had zoo'n medelijden met hem.”
„Genoodzaakt, Agnes? Wie noodzaakt hem daartoe?”
„Uriah,” antwoordde zij na even geaarzeld te hebben, „heeft zich onmisbaar gemaakt voor papa. Hij is slim en opmerkzaam. Hij heeft papa op diens zwakheden betrapt, ze bevorderd en er partij van getrokken, totdat—om alles wat ik bedoel maar in een enkel woord uit te spreken, Trotwood—totdat papa bang voor hem is geworden.”
Ik zag duidelijk, dat zij nog meer had kunnen zeggen, dat zij nog meer wist of vermoedde; maar ik wilde haar geen leed doen door te vragen wat het was, want ik begreep, dat zij het voor mij verborgen hield uit liefde voor haar vader. Ik voelde, dat het langzaam maar zeker zoover had moeten komen, ja, bij eenig nadenken moest ik wel beseffen, dat het eindelijk zoo ver had moeten komen. Ik kon er niets op antwoorden.
„Zijn invloed op papa is zeer groot,” hernam Agnes. „Hij geeft altijd voor nederig en dankbaar te zijn—misschien meent hij dat oprecht; ik hoop het ten minste; maar zijne positie verschaft hem macht over papa en ik vrees, dat hij er veel gebruik van maakt.”
Ik zei dat hij een gemeene hond was—voor het oogenblik was dit eene groote voldoening voor mij.
„Even vóór het tijdstip waarop papa mij deze mededeeling deed,” vervolgde Agnes, „had hij papa gezegd, dat hij voornemens was heen te gaan, dat het hem wel speet, maar dat hij betere vooruitzichten had. Papa was toen zeer neerslachtig en ging zoo gebukt onder de zorgen, als gij noch ik hem ooit gekend hebben; het denkbeeld van eene associatie scheen hem wat moed te geven, ofschoon hij er zich te gelijkertijd over scheen te schamen.”
„En wat zeidet gij op dat bericht, Agnes?”
„Ik hoop gedaan te hebben wat goed was,” antwoordde zij. „Ik voelde, dat dit offer voor papa's rust noodzakelijk was en drong er dus op aan, dat hij het zou brengen. Ik zeide dat het den last, die op zijne schouders drukte, zou verlichten—God geve, dat het zoo zijn zal!—en dat ik daardoor meer gelegenheid zou hebben om met hem samen te zijn. O, Trotwood!” sprak Agnes met de handen voor het gelaat om hare tranen te verbergen, „ik had een gevoel alsof ik een vijand was van papa, in plaats van zijn liefhebbend kind. Want ik wist hoe zijne liefde voor mij hem heeft doen veranderen. Ik wist hoe hij den kring zijner belangstelling en zijner plichten al nauwer en nauwer heeft doen worden ter wille van mij; hoe zijn angst voor mij een schaduw op zijn leven geworpen, zijne kracht en zijne energie verlamd hebben; van hoeveel hij heeft afgezien ter wille van mij. Kon ik dat maar ooit in het reine brengen! Kon ik maar zijne genezing bewerken evenals ik de onschuldige oorzaak geweest ben van zijn verval!”
Ik had Agnes nog nooit zien schreien. Ja ik had tranen in haar oogen gezien, wanneer ik prijzen medebracht van de school; ik had ze gezien toen wij dat gesprek hadden gehad over haar vader; en ik had ook gezien hoe zij haar lieve kopje afwendde toen wij afscheid namen, maar zoo bedroefd als op dit oogenblik had ik haar nooit gezien. Ik was er zoo door ontroerd, dat ik niet dan op onhandige wijze, heel dwaas, zeggen kon: „Doe dat niet, Agnes! Doe dat niet, lief zusje.”
Agnes stond, wat haar karakter en haar geestkracht betrof, te ver boven mij—ik weet dat nu en het doet er niet toe of ik dat toen wist of niet wist—om lang behoefte te hebben aan mijne smeekbeden. De lieve, kalme uitdrukking in haar mooi gezichtje, die haar in mijne herinnering van ieder ander meisje onderscheidde, keerde terug, alsof er een wolkje langs een helderblauwen hemel was gedreven.
„Wij zullen waarschijnlijk niet lang meer alleen blijven,” hernam Agnes: „laat ik u dus, terwijl ik nog in de gelegenheid ben, verzoeken, vriendelijk te zijn jegens Uriah. Stoot hem niet af. Toon hem niet, dat gij hem niet genegen zijt, al zoudt gij dat ook nog zoo gaarne willen. Misschien verdient, hij uwe minachting niet, want met zekerheid kunnen wij hem van geen kwaad beschuldigen. Denk in elk geval eerst aan papa en mij!”
Agnes had geen gelegenheid om meer te zeggen, want de kamerdeur werd geopend en mevrouw Waterbrook kwam binnen zeilen; het was een breede dame of liever.... zij droeg zulke omvangrijke kleederen, dat ik niet met zekerheid kon bepalen waar de dame begon en de kleederen eindigden en omgekeerd. Eene vage herinnering doemde in mij op, dat ik haar in de komedie gezien had, ongeveer zoo alsof ik haar in eene flauwe tooverlantaarn had gezien; het scheen dat zij zich mijn gezicht uitstekend herinnerde en mij heimelijk verdacht van nog dronken te zijn. Langzamerhand kwam zij toch tot de overtuiging, dat ik nuchter en een bescheiden jongmensch was; zij werd veel vriendelijker en vroeg mij eerst of ik veel in de parken wandelde en daarna of ik dikwijls de societeit bezocht. Aangezien ik deze beide vragen ontkennend beantwoordde, scheen hare goede opinie omtrent mijn persoon te verminderen, maar zij was zoo beleefd om dat te verbergen en mij voor den volgenden dag aan hare tafel te noodigen. Ik nam deze uitnoodiging aan en vertrok, terwijl ik beneden komende naar Uriah informeerde en, aangezien hij niet aanwezig was, een kaartje voor hem achterliet.
Toen den volgenden dag de huisdeur voor mij geopend werd, kwam het mij voor alsof ik plotseling in een dampbad van gebraden schapebout stapte, welke omstandigheid mij deed vermoeden dat ik niet de eenige gast was; bovendien herkende ik onmiddellijk den boodschaplooper, die in eene toepasselijke vermomming den huisknecht behulpzaam was en aan den voet van de trap wachtte om mij aan te dienen. Toen hij mijn naam vroeg deed hij zijn uiterste best, om mij als een onbekende te behandelen, maar ik herkende hem en hij herkende mij.
Mijnheer Waterbrook was iemand van middelbaren leeftijd met korten nek, een reusachtig overhemd en een gezicht, waaraan alleen de zwarte neus ontbrak om den eigenaar op een puckhondje te doen gelijken. Hij vertelde mij, dat het hem zeer verheugde de eer te mogen genieten kennis met mij te maken en nadat ik de verschuldigde hulde aan mevrouw Waterbrook bewezen had, stelde hij mij met veel plechtigheid voor aan eene reusachtige dame in een zwart fluweelen japon en met een grooten, zwart fluweelen hoed op. Deze dame maakte den indruk op mij, dat zij wel een bloedverwant van Hamlet zijn kon—zijne tante bijvoorbeeld. Zij heette mevrouw Henry Spiker en haar echtgenoot behoorde ook tot de genoodigden; nooit ontmoette ik een man, die kouder indruk maakte dan mijnheer Spiker; zijn hoofd was niet grijs, maar scheen bestrooid te zijn met rijp. Mijnheer en mevrouw Spiker werden met in het oog vallenden eerbied bejegend; volgens Agnes was dit het gevolg van zijne betrekking: hij was iets—wat weet ik niet meer—bij de schatkist. Uriah Heep behoorde ook tot het gezelschap; hij was in het zwart, en o, zoo nederig! Terwijl wij elkander de hand gaven, zei hij er trotsch op te zijn, door mij opgemerkt te worden en bedankte hij mij voor mijne vriendelijkheid. Ik kon den wensch niet onderdrukken, dat hij wat minder erkentelijk ware geweest, want hij bleef den geheelen avond om mij heen dwalen en wanneer ik maar een woord met Agnes wisselde, kon ik zeker zijn, dat hij met zijne onbeschaamde oogen en zijn lijkkleurig gezicht als een spook om ons heen waarde om ons te beluisteren.
Er waren nog meer gasten, die allen naar het mij voorkwam, evenals de champagne, voor deze gelegenheid in het ijs waren gezet. Een van hen trok echter reeds mijne aandacht nog eer hij binnen was, omdat ik hem hoorde aandienen met den naam Traddles! Mijn geest vloog terug naar Salem House; zou het Tommy kunnen zijn, Tommy, die altijd geraamten teekende op zijne lei? Met buitengewone belangstelling keek ik naar hem uit. Daar trad een jonge man de kamer binnen, zeer stemmig gekleed, met kalme, bedaarde manieren, vreemdsoortig gekapt haar en bijzonder wijd geopende oogen; ik had geen tijd om hem nauwkeurig gade te slaan, zoo spoedig was hij in een van de donkerste hoekjes verdwenen. Eindelijk kreeg ik hem goed in het oog en, ja, dat was mijn oude, miskende Tommy of—mijne oogen hadden mij al heel erg moeten bedriegen.
Ik ging naar mijnheer Waterbrook en zei dat ik meende het genoegen te hebben een ouden schoolkennis te zien.
„Zoo? Waarlijk?” antwoordde mijnheer Waterbrook verrast. „Gij zijt toch nog te jong om met mijnheer Henry Spiker op school te zijn geweest?”
„O, dien bedoel ik niet!” zei ik. „Ik bedoel mijnheer Traddles.”
„O, zoo! zoo! waarlijk!” zei mijn gastheer, wiens belangstelling plotseling zeer gedaald was. „Dat is mogelijk.”
„Indien hij dezelfde is dien ik bedoel,” ging ik voort, „dan hebben wij elkander op Salem House gekend, een school in de nabijheid van Londen. Hij was een beste, brave jongen.”
„O, zeker! Traddles is een beste jongen,” zei mijn gastheer, terwijl hij zijn hoofd schudde alsof hij zeggen wilde: „wij dulden hem hier.” „Ja, Traddles is een beste jongen.”
„Het is wel toevallig,” hernam ik.
„Ja, dat is het,” antwoordde mijnheer Waterbrook, „het is zeer toevallig, dat Traddles hier is hedenavond; hij is van morgen nog genoodigd, omdat de broeder van mevrouw Henry Spiker ongesteld is en er dus eene plaats aan tafel onbezet zou zijn geweest. Een hoogst fatsoenlijk man, die broeder van mevrouw Henry Spiker, mijnheer Copperfield.”
Ik mompelde iets, dat op een toestemming geleek, maar ik kende den persoon, over wien mijnheer Waterbrook sprak, volstrekt niet.
„Welke betrekking bekleedt mijnheer Traddles?” vroeg ik.
„Traddles,” antwoordde mijnheer Waterbrook, „is meester in de rechten. Ja, hij is een beste jongen ....... hij heeft geen enkelen vijand dan zich zelf.”
„Wat? Is hij zijne eigen vijand?” vroeg ik. Het speet mij dat te hooren.
„Ja,” antwoordde mijnheer Waterbrook, terwijl hij zijne mond samentrok en met zijn horlogeketting speelde op de wijze van iemand, wien het goed gaat in de wereld. „Ik moest eigenlijk zeggen, dat hij een van die menschen is, welke zich zelven in het licht staan. Ik zou wel een weddenschap durven aangaan, dat hij nooit vijfhonderd pond waard zal zijn. Traddles was mij aanbevolen door een collega .... ja, hij heeft eenig talent om iets te stellen en behoorlijk op schrift te brengen .... zeker .... ik kan hem nu en dan ook wel eens iets opdragen, iets dat voor hem .... heel aardig is. O, zeker, zeker....”
De genoegelijke, zelfgenoegzame wijze, waarop mijn gastheer die kleine woordjes als „ja” en „zeker” uitsprak, trok mijne aandacht. Daar lag eene wonderlijke uitdrukking in. Ik dacht aan het verhaal van den man, die, om niet te zeggen met den helm, dan toch met een stormladder geboren was en al de sporten, een voor een, geleidelijk, zonder eenige moeite zijnerzijds, was opgeklommen en nu, van de bovenste sport, met een wijsgeerigen, beschermenden blik op de wormen aan den voet van de ladder neerkeek.
Nog was ik verdiept in mijne overpeinzingen betreffende deze parabel, toen de gasten aan tafel verzocht werden. Mijnheer Waterbrook bood den arm aan Hamlet's tante; mijnheer Henry Spiker aan mevrouw Waterbrook; Agnes, die ik gaarne naar tafel geleid zou hebben, was in beslag genomen door een onnoozelen hals met slappe beenen. Uriah, Traddles en ik kwamen, als de jongsten van het gezelschap, achteraan. Mijne teleurstelling omdat Agnes mij ontgaan was, werd getemperd, omdat mij daardoor de gelegenheid werd gegeven de kennismaking met Traddles te hernieuwen, die mij met groote blijdschap begroette; terwijl Uriah zoo kruiperig en nederig naast ons voortstapte, dat ik hem gaarne over de trapleuning zou hebben gesmeten.
Traddles en ik zaten ver van elkander af, daar wij onze plaatsen aan de tegenovergestelde uiteinden van de tafel vonden; hij, in den warmen gloed van een dame in rood fluweel; ik, in de schaduw van Hamlet's tante. Het maal duurde lang en het gesprek liep over aristocratie en.... bloed. Mevrouw Waterbrook vertelde ons herhaaldelijk, dat indien zij ééne zwakheid had, dan was het .... Bloed.
Meermalen kwam de gedachte in mij op, dat wij ons zeker beter geamuseerd zouden hebben, als wij niet zoo stijf en opgeprikt hadden gezeten. Wij waren zoo stijf, dat de kring, waarin ons gesprek zich kon bewegen, ook zeer beperkt was. Een zekere mijnheer en mevrouw Gulpidge waren ook van de partij en—mijnheer Gulpidge bedoel ik—scheen zoo iets als rechtsgeleerd adviseur bij de Bank te zijn; en door die Bank en die schatkist waren wij zoo stijf als men in een hofkring maar zijn kan. Het familiezwak van Hamlet's tante om telkens alleenspraken te houden over elk onderwerp, dat maar even werd aangeroerd, was niet geschikt om daarin verbetering te brengen. Wel is waar werden er weinig onderwerpen ter sprake gebracht, maar zoodra wij weder op adel en bloed terugkwamen, had zij een even groot veld voor bespiegelingen als haar neef zelf.
Al waren wij een gezelschap kannibalen geweest dan zou het woord „Bloed” geen grootere rol in de gesprekken hebben kunnen spelen.
„Ik moet bekennen, dat ik het geheel eens ben met mijne vrouw,” zei mijnheer Waterbrook met zijn wijnglas voor het oog. „Andere dingen laten mij koud, maar Bloed niet!”
„O, er is niets, waarin een mensch zooveel bevrediging kan vinden!” zei Hamlet's tante. „Er is niets, dat zoo zeer iemand's ideaal kan zijn—in het algemeen gesproken! Er zijn enkele bekrompen wezens—niet veel..... ik ben blijde dat te kunnen gelooven..... er zijn er enkele..... die zouden willen—wat ik noem—knielen voor afgoden. Werkelijke afgoden! Voor verdiensten, vernuft en zoo al meer. Maar dat zijn onzichtbare hoedanigheden. Bloed niet! Wij zien het bloed in den neus en herkennen het als Bloed. Wij zien het in de kin en zeggen: Daar is het! Dat is Bloed! Het is iets tastbaars. Wij kunnen het aanwijzen. Het laat ons niet in twijfel.”
De onnoozele hals met de slappe beenen, die Agnes naar tafel had geleid, kwam nog beslister voor de zaak uit.
„Wat drommel,” zei deze heer met een dommen glimlach om den mond de tafel rondkijkende, „wat drommel, wij kunnen niet buiten Bloed, dat is het! Wij moeten Bloed hebben, begrijpt ge! Er zijn wel jonge lieden, begrijpt ge, die wellicht wat opvoeding en levenswijze betreft, een weinig beneden hun stand blijven, begrijpt ge, en nu en dan eens een zijpad inslaan en zichzelven en anderen op verschillende wijzen in verlegenheid brengen, begrijpt ge; maar, wat drommel, het is toch een genot te weten, dat zij ook Bloed hebben. Ik zelf zou liever neergeveld worden door iemand, die Bloed in de aderen heeft, dan opgeraapt door iemand, die 't niet heeft!”
Deze beschouwing, die de geheele zaak tot den inhoud van een notendop terugbracht, werd algemeen toegejuicht en bracht dit jonge mensch in groot aanzien, tot de dames van tafel opstonden. Daarna merkte ik op, dat mijnheer Gulpidge en mijnheer Spiker, die tot dusver bijzonder stroef geweest waren, een defensief verbond sloten tegen ons, den gemeenschappelijken vijand, en over de tafel heen een geheimzinnig gesprek voerden, dat ons geheel uit het veld moest slaan.
„De zaak van die eerste hypotheek van vier duizend vijf honderd pond heeft niet den loop genomen, die verwacht was, nietwaar, Spiker?” vroeg mijnheer Gulpidge.
„Bedoelt gij die van de D van A's?” vroeg mijnheer Spiker.
„De C van B's!” antwoordde mijnheer Gulpidge.
Mijnheer Spiker trok de wenkbrauwen op en keek zeer bezorgd.
„Toen men zich beriep op Lord.... ik behoef den naam niet te noemen....”
„O, ik begrijp u,” zei mijnheer Spiker, „Lord N.....” Mijnheer Gulpidge knikte even.... „zich beriep op hem, was het antwoord: Geld of geen ontslag!”
„Goede hemel!” riep mijnheer Spiker.
„Geld of geen ontslag!” herhaalde mijnheer Gulpidge op vasten toon. „De tweede, die aan bod was.... gij begrijpt mij....”
„K.,” zei mijnheer Spiker met een onheilspellenden blik.
„Welnu, K. weigerde te teekenen. Hij werd nog van Newmarket gehaald, maar hij weigerde beslist.”
Mijnheer Spiker bleef als versteend zitten.
„Zoo staan de zaken op dit oogenblik,” zei mijnheer Gulpidge, terwijl hij achter in zijn stoel ging zitten. „Onze vriend Waterbrook zal het mij wel vergeven, dat ik slechts in algemeene termen heb gesproken; er zijn al te groote belangen in het spel.”
Mijnheer Waterbrook was al te gelukkig, dat aan zijn tafel zulke belangen door zulke personen behandeld werden om zelfs te denken aan kwalijk nemen. Hij trok een hoogst ernstig gezicht—ofschoon ik vermoedde, dat hij van het gesprek even weinig begreep als ik—en gaf op luiden toon zijne goedkeuring te kennen over de omzichtigheid, welke men in acht had genomen.
Na zulk een bewijs van vertrouwen ontvangen te hebben, verlangde mijnheer Spiker natuurlijk zijn vriend ook een blijk van het zijne te geven, zoodat dit gesprek door een tweede van nog geheimzinniger aard gevolgd werd, waarin mijnheer Gulpidge aan de beurt was om zich te verbazen en door nog een, waarin mijnheer Spiker zich weer verbaasde en zoo om en om. Gedurende al dien tijd zaten wij, leeken, onder den indruk van de onvergelijkelijke geheimzinnigheid en belangwekkendheid der gesprekken, toe te luisteren en onze gastheer wierp ons nu en dan een trotschen blik toe, als wilde hij zeggen, dat wij, arme slachtoffers, een heilzame les ontvingen.
Ik was blijde eindelijk naar boven te kunnen gaan, naar Agnes, met haar in een hoekje te kunnen praten en haar met Traddles in kennis te brengen, die wel wat verlegen, maar toch nog dezelfde goedhartige jongen was, als hij op Salem House altijd was geweest. Aangezien hij genoodzaakt was vroeg heen te gaan, omdat hij den volgenden morgen voor een maand op reis zou gaan, kon ik mij niet zooveel met hem bezighouden als ik wel gewenscht had; wij gaven echter elkander ons adres op en beloofden elkander te zullen opzoeken, zoodra hij terug was. Hij was ten hoogste verbaasd, dat ik Steerforth wel ontmoette, en sprak met zooveel warme belangstelling over hem, dat ik hem verzocht Agnes zijne meening omtrent onzen wederzijdschen vriend mede te deelen. Maar Agnes keek mij maar aan, zoolang Traddles aan het woord was, en schudde even haar hoofd, toen dit alleen door mij kon opgemerkt worden.
Aangezien zij hier niet in eene omgeving was, waarin zij zich, naar het mij ten minste voorkwam, erg thuis kon gevoelen, was ik bijna blijde te vernemen, dat zij binnen eenige dagen weder zou heengaan, al deed het vooruitzicht, dat ik dan in de onmogelijkheid zou zijn haar te ontmoeten, mij pijnlijk aan. Dit gaf mij ook aanleiding te blijven tot het geheele gezelschap verdwenen was. Met haar te praten en haar te hooren zingen was zulk een zalige herinnering aan mijn gelukkig leven in het oude, deftige huis, waaraan zij zoo oneindig veel had toegebracht, dat ik den geheelen nacht daar had kunnen blijven; maar toen al de groote lichten in het salon waren uitgedraaid, nam ik afscheid, hoewel zeer tegen mijn zin. Meer dan ooit voelde ik toen, dat zij mijn goede engel was en wanneer ik aan haar lief gelaat en haar vreedzamen glimlach dacht, alsof die werkelijk aan zulk een verheven wezen als een engel is, toebehoorden, hoop ik daarmede geen kwaad te hebben gedaan.
Ik zeide, dat het geheele gezelschap was heengegaan, maar ik moet Uriah Heep daarvan uitzonderen, dien ik daaronder niet reken en die tot het laatste oogenblik om ons heen draaide. Toen ik de trap afging, was hij vlak achter mij en toen ik langzaam naar huis wandelde, was hij vlak naast mij; terwijl hij zijne lange, beenige vingers in een paar groote Guy Fawkes-handschoenen wegstopte.
Het was volstrekt niet, omdat ik zoo gesteld was op zijn gezelschap, maar alleen om gevolg te geven aan het verzoek van Agnes, dat ik Uriah verzocht op mijne kamer een kop koffie te komen drinken.
„O, waarlijk, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „ik vraag u vergeving, mijnheer Copperfield, maar dat andere valt mij als van zelf uit den mond,—ik zou niet gaarne wenschen, dat gij u eenigen dwang oplegdet door zulk een nederig persoon als ik ben ten uwent te vragen.”
„Er is geen sprake van dwang,” zei ik. „Gaat gij mede?”
„O, heel gaarne,” antwoordde hij, zijn lichaam in allerlei bochten wringend.
„Welaan dan, ga dan maar mee!” herhaalde ik.
Ik kon het niet helpen dat ik wat kortaf tegen hem was, maar hij scheen dat niet op te merken. Wij namen den kortsten weg, zonder veel te praten; en Uriah was nog steeds bezig met zijne vogelverschrikkers van handschoenen aan te trekken, toen wij reeds voor juffrouw Crupp's woning stonden. Ik hielp hem de donkere trap op, uit vrees dat hij zijn hoofd tegen iets zou stooten en daarbij deed zijne vochtige, koude hand zoo aan een kikvorsch denken, dat ik grooten lust gevoelde om hem los te laten en weg te loopen. Agnes en mijn begrip van gastvrijheid behaalden evenwel de overhand en ik bracht hem aan mijn haard. Toen ik de kaarsen aanstak, sloeg hij de handen ineen van verrukking over mijne kamer, en toen ik de koffie warm maakte in een eenvoudig tinnen kannetje, waarin juffrouw Crupp ze gewoonlijk zette—voornamelijk, vermoed ik, omdat het niet voor dit doel bestemd, maar als kannetje voor scheerwater geboren was, en omdat er een uitstekende machine, die veel geld gekost had, in het provisiekamertje stond te verroesten—legde hij zulk een walgelijke aandoenlijkheid aan den dag, dat ik hem gaarne het bruine, heete vocht in zijn gezicht zou hebben gesmeten.
„O, waarlijk, jongeheer Copperfield,—ik bedoel mijnheer Copperfield,”—zei hij, „hoe had ik ooit durven denken, dat gij mij nog eens bedienen zoudt! Maar op allerlei wijzen gebeuren er dingen met mij, die ik nooit heb durven verwachten in mijn nederigen staat; waarlijk, de zegeningen stapelen zich op mijn hoofd. Gij zult ook wel vernomen hebben, jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield—welke vooruitzichten zich voor mij openen?”
Zooals hij daar op de canapee zat, met zijn lange beenen hoog opgetrokken onder zijn kopje koffie, zijn hoed en zijne handschoenen op den grond, dicht naast hem, zachtjes roerende met zijn lepeltje; zijne onbeschermde roode oogen, waarvan de haartjes afgezengd schenen te zijn, op mij gericht, zonder mij aan te kijken; terwijl de leelijke inkepingen in zijn neus met de ademhaling op en neer gingen en hij zijn geheele lichaam telkens slangachtig kronkelde, vervulde hij mij met walging. Het was heel moeielijk voor mij hem tot gast te hebben, want ik was nog jong en niet gewoon te verbloemen, wat ik zoo diep gevoelde.
„Gij hebt zeker wel het een en ander van mijne vooruitzichten vernomen, jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield?”—vroeg Uriah.
„Ja,” antwoordde ik, „wel iets.”
„Zoo, ik dacht wel, dat juffrouw Agnes er van weten zou!” riep hij met de grootste koelbloedigheid uit. „Ik ben blij te hooren, dat juffrouw Agnes het weet. Ik ben u dankbaar, jongeheer—mijnheer Copperfield!”
Ik had hem den laarzentrekker, die juist voor mij op den grond lag, wel naar het hoofd willen werpen, omdat hij mij verleid had iets mede te deelen, dat met Agnes in verband stond, hoe onbeduidend het ook was. Ik dronk echter mijn kop koffie ledig.
„Wat hebt gij een profetischen blik gehad, mijnheer Copperfield!” vervolgde Uriah. „Goede Hemel, wat hebt gij een profetischen blik gehad! Herinnert gij u nog hoe gij eens zeidet, dat ik nog eenmaal deelgenoot zou worden in de zaak van mijnheer Wickfield, dat het misschien nog eens Wickfield en Heep zou worden! Gij moogt het u niet herinneren, maar iemand, die nederig is, jongeheer Copperfield, bewaart zulke woorden als een kostbaren schat.”
„Ik herinner mij wel er over gesproken te hebben,” zei ik, „ofschoon ik het op dat oogenblik niet waarschijnlijk achtte.”
„O, wie zou er ooit over hebben durven denken, mijnheer Copperfield!” hernam Uriah opgewonden, „ik zelf zeker niet. Ik herinner mij nog met deze zelfde lippen gezegd te hebben, dat ik daartoe veel te nederig was. En zoo beschouwde ik mij zelven inderdaad ook.”
Hij zat met dien zekeren grijnslach om den mond naar het vuur te kijken, terwijl ik naar hem keek.
„Maar de nederigste menschen, jongeheer Copperfield,” hernam hij na eene kleine pauze, „kunnen medewerken tot het goede. Het verheugt mij te mogen zeggen, dat ik medegewerkt heb tot het goede voor mijnheer Wickfield, en dat ik daarmede hoop voort te gaan. O, mijnheer Copperfield, hij is zulk een braaf man, maar hij is zoo onvoorzichtig geweest!”
„Het spijt mij dat te hooren,” zei ik, maar kon niet nalaten er op bitsen toon bij te voegen: „in vele opzichten.”
„Zeker, zeker, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, „in vele opzichten. Ten opzichte van juffrouw Agnes in de eerste plaats! Herinnert gij u niet uw eigen welsprekende getuigenis, jongeheer Copperfield? Ik herinner mij zeer goed, hoe gij op zekeren dag zeidet dat iedereen haar moest bewonderen en hoe dankbaar ik u was voor deze woorden! Gij hebt dat zonder twijfel vergeten, jongeheer Copperfield?”
„Neen,” antwoordde ik droogjes.
„O, wat ben ik blijde, dat gij deze woorden niet vergeten hebt!” riep Uriah uit. „Te denken, dat gij de eerste geweest zijt, die het vonkje eerzucht in mijne borst hebt aangeblazen en dat gij het niet hebt vergeten! O!—Zoudt gij mij nog een kopje koffie willen inschenken?”
In den nadruk, dien hij op de woorden „vonkje eerzucht” legde, en in de wijze, waarop hij mij aankeek, was iets, dat mij deed ontstellen, alsof ik werkelijk zijn binnenste in lichtelaaie voor mij zag. Zijn verzoek, dat op een geheel anderen toon werd uitgesproken, bracht mij weder tot mij zelven; ik schonk hem terstond in, doch met onvaste hand, tengevolge van het plotselinge opgekomen bewustzijn, dat ik niet tegen hem was opgewassen, en met een gevoel van angst en wantrouwen voor hetgeen hij verder zeggen zou, dat onmogelijk aan zijn doordringende blikken kon ontsnappen.
Hij zei echter niets, maar roerde in zijn koffie, nam een paar kleine slokjes, veegde zijn kin af met zijne koude, griezelige hand, keek in het vuur en de kamer rond, keek mij aan met een grijnslach, kronkelde zijn lichaam in de zonderlingste bochten, roerde weder zijne koffie om, proefde ze, maar bleef het stilzwijgen bewaren.
„Dus is mijnheer Wickfield,” zei ik eindelijk, „die zooveel waard is als vijfhonderd Heeps en .... Copperfields,”—al had mijn leven op het spel gestaan, zou ik niet hebben kunnen nalaten deze twee namen als met een ruk te scheiden—„onvoorzichtig geweest, nietwaar, mijnheer Heep?”
„Ja, heel onvoorzichtig, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah met een verlegen zuchtje. „O, zoo onvoorzichtig! Maar waarom noemt gij mij niet Uriah, zooals vroeger?”
„Welnu dan, Uriah!” zei ik, niet zonder moeite dien naam uitsprekende.
„Dank u!” riep hij met warmte uit. „Dank u, jongeheer Copperfield. Als ik dien naam uit uw mond hoor, is 't mij alsof ik een oud, bekend klokje hoor luiden. Neem mij niet kwalijk, maar waarover spraken wij toch?”
„Over mijnheer Wickfield, meen ik.”
„O, ja, dat is waar,” hernam Uriah. „Ja, hij is zeer onvoorzichtig geweest, jongeheer Copperfield. Aan niemand dan aan u zou ik er een woord over durven reppen. En zelfs tegen u kan ik die zaak ook niet meer dan even aanroeren. Ware iemand anders in mijne plaats geweest gedurende de laatste jaren, dan zou hij nu zeker mijnheer Wickfield—en hij is, zoo'n brave man, jongeheer Copperfield!—onder den duim hebben gehad. On... der.... den duim!” herhaalde Uriah langzaam, terwijl hij zijne afschuwelijke hand boven mijn tafel uitstrekte en er zoo hard met den duim op drukte, dat de tafel, ja de heele kamer er van trilde. Al had ik hem met zijn horrelvoet op mijnheer Wickfield's hoofd zien staan, zou ik hem niet meer hebben kunnen haten dan op dit oogenblik.
„O, jongeheer Copperfield,” ging hij op zachten toon voort, geheel verschillend van het gebaar met zijn duim, waarmede hij even hard bleef drukken, „er is niet aan te twijfelen. Schade en schande zou zijn deel geweest zijn en... wie weet wat nog meer. Mijnheer Wickfield weet dit zoo goed als ik. Ik ben het nederige werktuig, dat hem nederig dient, en hij verheft mij tot eene hoogte, die ik niet gehoopt heb ooit te zullen bereiken. Hoe dankbaar moet ik hem wel wezen!” Hij had na deze woorden het gelaat naar mij toegekeerd, zonder mij aan te kijken, nam den krommen duim van de plek, waar hij dien had geplant, en wreef er zacht mede over zijn kaken alsof hij zich ging scheren.
Ik herinner mij nog hoe mijn hart van verontwaardiging klopte, toen ik aan zijn geslepen gezicht, dat door het roode licht van het haardvuur met een rossen gloed was overtogen, bemerkte dat hij zich gereed maakte om nog meer te vertellen.
„Maar, jongeheer Copperfield,” begon hij, „houd ik u ook op?”
„O, volstrekt niet; ik ben niet gewoon vroeg naar bed te gaan.”
„Dank u, jongeheer Copperfield! Ik ben uit den nederigen staat, waarin gij mij gekend hebt, opgeklommen, dat is waar, maar ik ben toch nederig gebleven. Ik hoop nooit anders dan nederig te zullen zijn. Gij zult mijn nederigheid ook wel niet in twijfel trekken, jongeheer Copperfield, indien ik u eene vertrouwelijke mededeeling doe? Is 't wel?”
„O, neen,” antwoordde ik, niet zonder inspanning.
„Dank u!” Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn en begon zijn handpalmen af te drogen.
„Juffrouw Agnes, jongeheer Copperfield....”
„Wel, Uriah?”
„O, wat is het toch heerlijk zoo, alsof 't van zelf spreekt, Uriah genoemd te worden!” riep hij, terwijl hij opsprong als een visch, die op het droge ligt.
„Gij vondt van avond ook, dat zij er allerbekoorlijkst uitzag, nietwaar, jongeheer Copperfield?”
„Ik vond dat zij er uitzag als altijd, ver boven hare omgeving staande,” antwoordde ik.
„O, dank u! Ja, dat is zoo waar!” riep hij. „Ik dank u hartelijk voor deze woorden!”
„Dat is volstrekt niet noodig,” zei ik op eenigszins afgemeten toon. „Wat zou u aanleiding kunnen geven om mij daarvoor te bedanken?”
„Dat, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, „is juist het geheim waarvan ik u in vertrouwen mededeeling wilde doen. Zoo nederig als ik ben,” hij wreef zijne handen nog krachtiger en bleef in het vuur kijken, „en zoo nederig als mijne moeder is en zoo laag als ons nederig, doch eerlijk dak altijd is geweest—ik wil u mijn geheim wel toevertrouwen, jongeheer Copperfield, want ik heb mij aangetrokken tot u gevoeld van het oogenblik af, dat ik u in den hittewagen zag aankomen—heeft het beeld van Agnes eene eerste plaats ingenomen in mijn hart. O, jongeheer Copperfield, ik heb Agnes zoo lief, dat ik den grond zou willen kussen, waarop zij haar voet heeft gezet!”
Als ik mij goed herinner, kwam het dolzinnige denkbeeld bij mij op den gloeienden pook uit het vuur te nemen en hem daarmede te doorsteken. Ik schudde het met geweld van mij af, maar het beeld van Agnes, dat zelfs door deze ééne gedachte van dit roodharig monster werd gehoond, bleef mij bij, terwijl ik hem aankeek, zooals hij daar scheef en verdraaid op zijn stoel zat, alsof zijn lage ziel het leelijke lichaam in de klauwen had—ik werd er duizelig van.
Hij scheen in mijne oogen hoe langer hoe grooter en dikker te worden; de vier muren van mijne kamer schenen het geluid van zijne stem te weerkaatsen en de zonderlinge gewaarwording maakte zich van mij meester—eene gewaarwording, die wellicht aan niemand vreemd is—dat ditzelfde tooneel vroeger nog eens had plaats gehad, in lang vervlogen tijden, en dat ik wist, wat hij nu zou zeggen.
Gelukkig merkte ik nog tijdig eene uitdrukking op in zijn gelaat, die mij herinnerde aan de macht, welke hij over Agnes' vader had, en aan haar verzoek om hem te ontzien. Ik vroeg hem zoo kalm, als ik een minuut te voren onmogelijk had kunnen doen, of hij Agnes zijne liefde reeds had verklaard.
„O, neen, jongeheer Copperfield!” antwoordde hij, „o, neen! Aan niemand dan aan u! Gij ziet, dat ik nog moeite heb, om mij uit mijn nederigen stand te verheffen. Ik koester veel hoop, omdat zij wel weet, hoeveel diensten ik haar vader bewezen heb—ik vertrouw ten minste, dat ik hem veel diensten bewezen heb, jongeheer Copperfield—en hoe ik zijn weg zal blijven effenen. Zij is zoo gehecht aan haar vader, jongeheer Copperfield— o, hoe beminnelijk is dat in eene dochter!—dat ik hare genegenheid om zijnentwil denk te verwerven.”
Ik doorzag het plan van den fielt tot in de geringste bijzonderheden en begreep, waarom hij het mij blootlegde.
„Zoo gij de goedheid wildet hebben, jongeheer Copperfield,” vervolgde hij, „mijn geheim voor u te houden en, in het algemeen, mij niet tegen te werken, zoudt gij mij eene groote gunst bewijzen. Gij wilt natuurlijk geen onaangenaamheden in het leven roepen. Ik weet, dat gij een goed hart bezit, maar wijl gij mij alleen gekend hebt in mijn nederigen staat—in mijn nederigsten staat, moest ik zeggen, want ik ben nog maar een gering persoon—zoudt gij mij, zonder het te willen bij mijn Agnes kunnen tegenwerken. Ik noem haar reeds „de mijne”, jongeheer Copperfield, zooals gij bemerkt. Ik hoop daartoe binnen eenige dagen het recht te verkrijgen.”
Lieve, bekoorlijke Agnes! Te lief, te bekoorlijk voor wien ook! Zou het mogelijk zijn, dat zij bestemd was om de vrouw te worden van zulk een ellendeling?
„Er is geen haast bij, begrijpt ge, jongeheer Copperfield,” vervolgde Uriah op zijn lijmerigen toon, terwijl ik hem met deze gedachte in mijne ziel zat aan te staren. „Mijne Agnes is nog jong en mijne moeder en ik willen er ons eerst geheel bovenop werken en een aantal veranderingen brengen in onze wijze van leven, alvorens ik met gepaste vrijmoedigheid mijn verzoek doen kan. Ik zal dan ook tijd hebben om haar langzamerhand gemeenzaam te maken met de hoop, die leeft in mijn hart. O, ik ben u zoo verplicht voor uw vertrouwen! O, gij kunt niet begrijpen welk een rust het mij verschaft, dat gij nu zoo geheel zijt ingewijd in al mijne geheimen en ik de zekerheid heb, dat gij geen onaangenaamheden in het leven zult roepen en mij niet zult tegenwerken!”
Hij nam mijne hand, die ik niet durfde terugtrekken, en na die met zijne klamme vingers gedrukt te hebben, haalde hij een horloge uit den zak, waarvan de wijzerplaat even vaal en kleurloos was als zijn gezicht.
„Goede Hemel!” riep hij, „het is over eenen. De uren vliegen voorbij als men zoo vertrouwelijk over den ouden tijd zit te praten, jongeheer Copperfield! Het is bijna half twee!”
Ik antwoordde dat het naar mijne meening nog later zijn moest. Dit was eigenlijk eene onwaarheid, maar ik nam die te baat omdat het mij niet mogelijk was het gesprek nog langer te rekken.
„Goede Hemel!” herhaalde hij peinzend. „De menschen, waar ik logeer—in een soort logement, jongeheer Copperfield, dichtbij het Nieuwe Hoofd—zijn zeker al twee uur naar bed.”
„Het spijt mij,” antwoordde ik, „dat hier maar één bed is en dat ik....”
„O, spreek toch niet over bedden, jongeheer Copperfield!” riep hij vol vuur uit, terwijl hij een been in de hoogte trok. „Maar zoudt gij er iets tegen hebben als ik hier bij den haard ging liggen?”
„Neem dan liever mijn bed!” zei ik, „dan ga ik voor den haard liggen.”
In zijn overmaat van verbazing en nederigheid wees hij dit aanbod op zulk een luidruchtige wijze van de hand, dat het geluid van zijne stem waarschijnlijk tot juffrouw Crupp doordrong, die, naar ik onderstel, op dat oogenblik lag te slapen in een kamer gelijkvloers met het laagste peil van de rivier, in slaap gesust door het tikken van een onverbeterlijke klok, die zij altijd te hulp riep, wanneer wij het oneens waren over den tijd, en die nooit minder dan drie kwartier achter was en elken morgen moest worden gelijk gezet. Aangezien geen enkel argument, dat ik in mijn half versuften toestand aanhaalde om hem tot het in gebruik nemen van mijne slaapkamer te bewegen, eenigen invloed oefende op zijne bescheidenheid, was ik wel verplicht om eenige schikkingen te maken voor zijne rustplaats bij den haard. De canapee,—veel te kort voor zijn lang lichaam—de canapeekussens, een deken, een tafelkleed, een schoon ontbijtservet en een overjas verschaften hem ligging en dekking, waarvoor hij mij zeer dankbaar was. Na hem een slaapmuts geleend te hebben, die hij onmiddellijk opzette en die hem zoo afschuwelijk stond, dat ik er na dien tijd nooit meer een gebruikt heb, liet ik hem aan zijn lot over.
Ik zal dien nacht nimmer vergeten. Ik zal nimmer vergeten hoe ik lag te woelen en te wentelen in mijn bed; ik kon de gedachte niet van mij afzetten, dat Agnes met dien ellendigen fielt zou moeten trouwen; onophoudelijk deed ik mij zelven de vraag: wat moet ik doen en wat kan ik doen en telkens weder kwam ik tot het besluit om niets te doen, om alles wat ik gehoord had voor mij zelven te houden en hare gemoedsrust niet te verstoren. Wanneer ik maar even insliep, rezen de beelden van Agnes met hare lieve oogen en van haar vader, zooals hij haar ook in mijn bijzijn zoo menigmaal had aangestaard, voor mij op. Zij keken mij smeekend aan en vervulden mij met een onbestemd gevoel van angst. Werd ik wakker dan benauwde mij het bewustzijn, dat Uriah Heep daar in de aangrenzende kamer lag te slapen, als een levende nachtmerrie en maakte zich de bijgeloovige vrees van mij meester, dat ik een duivel van de gemeenste soort gehuisvest had. En dan kwam mij telkens die gloeiende pook weer in de gedachte en wilde mij maar niet verlaten. Half slapend, en half wakend zag ik dien gloeiend rood voor mij en ik hoorde het gesis, als ik hem in zijn lichaam stak. Eindelijk begon deze gedachte mij zoo te kwellen dat ik opstond en naar hem ging kijken. En daar lag hij op zijn rug te snorken met verstopten neus en open mond, terwijl zijn beenen ver—hoe ver weet ik niet—buiten de canapee uitstaken. In de werkelijkheid was hij nog leelijker dan in mijne zieke verbeelding; ik kon het niet helpen, maar elk half uur moest ik naar hem gaan kijken ten einde voedsel te geven aan het gevoel van afschuw, dat hij bij mij opwekte. En toch scheen de lange, lange nacht geen einde te zullen nemen en de donkere, zwarte lucht den dag achter een ondoordringbaren sluier verborgen te houden.
Toen ik hem des morgens al vroeg de trap zag afgaan—ik dankte den Hemel, dat hij niet wilde blijven ontbijten—had ik een gevoel alsof met hem ook de nacht had afscheid genomen, en toen ik naar het kantoor ging, verzocht ik juffrouw Crupp de vensters wijd open te zetten, ten einde mijne zitkamer te luchten en te zuiveren van zijn onreinen adem.
XXVI
Ik verlies mijn hart.
Ik merkte niets meer van Uriah Heep vóór den dag, waarop Agnes de stad verliet. Ik was toen aan het diligencekantoor, om afscheid van haar te nemen en haar te zien vertrekken en daar zag ik hem, gereed om met dezelfde gelegenheid naar Canterbury terug te keeren. Het deed mij goed, toen ik opmerkte, dat hij met zijne dunne, moerbeikleurige overjas, waarvan de taille veel te kort en de schouders te hoog waren, en met zijne parapluie, zoo groot als een kleine tent, op den hoek van de achterbank bovenop zat; terwijl Agnes natuurlijk binnen een plaatsje had gekregen. Waarschijnlijk was dit eene belooning voor de pogingen, die ik aanwendde, om vriendelijk jegens hem te zijn in tegenwoordigheid van Agnes. Evenals na het diner bij de Waterbrooks zweefde hij ook nu als een gier om ons heen, terwijl hij elk woord, dat Agnes tot mij of ik tot Agnes sprak, trachtte op te vangen.
De mededeelingen, welke hij mij op mijne kamer had gedaan, hielden mij voordurend bezig en in verband met hetgeen Agnes mij omtrent de compagnieschap had verteld, lieten ze mij geen oogenblik met rust. Er moest gehandeld worden en ik hoop den rechten weg gekozen te hebben. Overtuigd dat dit offer voor de rust van Agnes' vader noodzakelijk was geworden, drong ik er bij hem op aan het te brengen. Een beklemmend voorgevoel, dat ook zij zou zwichten en tot elk offer bereid zou worden gevonden, indien haar vader daarmede te redden was, maakte zich van mij meester. Ik wist, hoe innig lief zij hem had en tot welke opofferingen zij bereid was. Ik wist uit haar eigen mond, dat zij zich beschouwde als de onschuldige oorzaak van zijne afdwalingen en in de meening verkeerde, dat zij eene groote schuld aan hem had af te doen. Ik kon geen troost vinden in de omstandigheid, dat ik zag, hoe groot het onderscheid was tusschen haar en dien roodharigen ellendeling met zijn moerbeikleurige jas, want juist in dat onderscheid, in dat verschil tusschen de zelfverloochening van hare reine ziel en de lage baatzucht van de zijne lag mijns inziens het groote gevaar. En dit wist hij en had hij met zijn sluw karakter reeds sinds lang doorgrond.
Ik was echter zoo heilig overtuigd, dat het vooruitzicht op zulk een offer Agnes' geluk voor altijd moest verwoesten; ik wist zoo zeker, dat zij er niets van vermoedde en er dus nog geen schaduw op haar geluk was geworpen, dat ik door haar te waarschuwen haar rust zou hebben verstoord. Daarom scheidden wij zonder eenige opheldering; zij wuifde mij uit het portierraampje met de hand toe en zei mij glimlachend vaarwel, terwijl haar booze geest boven haar zat te grijnzen, alsof hij reeds zeker was van zijn triomf. Ik kon dien afscheidsgroet niet zoo spoedig vergeten. Toen Agnes mij schreef, dat zij veilig en wel was aangekomen, voelde ik mij nog even wanhopig als toen ik haar zag wegrijden. Geen oogenblik kon ik aan mijne gedachten den vrijen loop laten, of dit onderwerp hield mij bezig en mijne onrust verdubbelde. Geen nacht ging voorbij waarin ik niet over Agnes droomde. Haar lot werd een deel van mijn leven en zoo onafscheidelijk van mij zelven als mijn eigen hoofd.
Ik had tijd genoeg om over Agnes en den belager van haar geluk na te denken, want Steerforth was, zooals hij mij schreef, te Oxford en zoo was ik, behalve in de kantooruren, bijna altijd alleen. Ik geloof dat zich in deze dagen een gevoel van achterdocht tegen Steerforth van mij had meester gemaakt. Ik schreef hem heel vriendelijk in antwoord op zijn brief, maar ik geloof dat ik eigenlijk blijde was, dat hij in deze dagen niet naar Londen kon komen. De waarheid was, dat ik geheel onder den invloed verkeerde van Agnes en dat Steerforth daaraan geen afbreuk kon doen; bovendien deed de invloed van Agnes zich krachtiger gelden omdat mijne gedachten steeds met haar vervuld waren.
Intusschen ging de eene dag en de eene week na de andere voorbij. Ik was nu voor vast op het kantoor van de heeren Spenlow en Jorkins. Behalve mijn huishuur en wat daaraan verbonden was, gaf tante mij negentig pond 's jaars. Mijne kamers waren voor een jaar gehuurd en ofschoon ik ze 's avonds nog al somber en bovendien de avonden zelve lang vond, kon ik er toch uren achtereen in de gelijkmoedigste stemming zitten koffiedrinken; in mijne herinnering lijkt het mij of ik in dit tijdperk van mijn leven emmers van dat lauwe, bruine vocht verslonden heb. Omstreeks dezen tijd deed ik ook drie ontdekkingen: ten eerste, dat juffrouw Crupp het slachtoffer was van eene vreemdsoortige kwaal, door haar „krampen” genoemd, die gewoonlijk vergezeld ging van een buitengewoon rooden neus en bestreden moest worden met groote hoeveelheden pepermunt; ten tweede, dat eene eigenaardigheid in de temperatuur van mijn provisiekamertje telkens mijne brandewijnflesschen deed springen; en eindelijk, dat ik geheel alleen in de wereld en bijzonder geneigd was, om aan dat gevoel van eenzaamheid in hoogdravende gedichten lucht te geven.
De dag, waarop ik mijne intrede deed op het kantoor, werd niet door eenige feestelijkheid opgeluisterd; alleen tracteerde ik de klerken op sandwiches met sherry en ging 's avonds alleen naar de komedie. Ik ging „de Verlatene” zien, een stuk, dat met den geest in Doctors' Commons volkomen overeenkwam en mij zoo aandoenlijk stemde dat ik, toen ik mij, thuis komende, in den spiegel bekeek, mij zelve bijna niet herkende. Toen onze overeenkomst beklonken was, zei mijnheer Spenlow dat hij mij gaarne aan zijne familie zou voorstellen, maar dat zijn huishouden eenigszins in de war was, omdat hij zijne dochter wachtte, die ter voltooiing harer opvoeding naar Parijs was geweest. Zoodra zij terug was, zou het hem een groot genoegen zijn mij te ontvangen, verklaarde hij. Ik wist dat hij weduwnaar was met ééne dochter en zei dus, dat ik erkentelijk was voor zijne goede bedoeling.
Mijnheer Spenlow hield zijn woord. Veertien dagen later ongeveer kwam hij op zijne belofte terug en zei dat het hem zeer veel genoegen zou doen, indien ik hem den volgenden Zaterdag een bezoek wilde brengen en dan tot Maandag blijven. Ik kon met hem mederijden, heen en terug. Natuurlijk wilde ik hem dit genoegen wel doen.
Toen de dag aanbrak wekte zelfs mijn reistaschje de eerbied op van de gesalariëerde klerken, voor wie het huis te Norwood nog steeds een mysterie gebleven was. Een van hen vertelde mij, dat mijnheer Spenlow niets op zijne tafel had dan zilver en Chineesch porcelein; een ander deelde mij mede, dat de champagne daar even rijkelijk vloeide als bij anderen gewoon tafelbier. De oude klerk met de pruik, mijnheer Tiffey, was meermalen voor zaken buiten geweest en telkens doorgedrongen tot de ontbijtkamer, die hij mij beschreef als de weelderigst ingerichte kamer, welke hij ooit gezien had. Hij had daar bruine Oost-Indische sherry gedronken, zoo heerlijk, dat men er van moest knipoogen.
Er werd dien dag in het Consistorie een reeds lang aanhangige zaak behandeld—het gold de excommunicatie van eene bakker, die zich verzet had tegen eene door den kerkeraad vastgestelde belasting op het onderhoud van eene straat—en aangezien het dossier van de getuigenverhooren volgens mijne berekening tweemaal zoo groot was als Robinson Crusoë, werd het laat eer onze werkzaamheden geëindigd waren. Evenwel, hij werd voor zes weken in den ban gedaan en in de kosten veroordeeld; toen verlieten de proctor van den bakker en de rechter en de advocaten van beide partijen—allen meer of minder na verwant aan elkander—de stad, en reden mijnheer Spenlow en ik in zijn phaëton weg.
De phaëton was een sierlijk rijtuig en de paarden strekten hunne halzen uit en lichtten hunne pooten op, alsof ze wisten, dat zij tot Doctors' Commons behoorden. Er was groote wedijver in het maken van vertooning in Doctors' Commons en er werden een aantal sierlijke equipages op nagehouden; hoewel ik meen en altijd zal blijven meenen, dat in mijn tijd de grootste wedijver bestond in de stijfheid van de boorden, die zoo stijf gedragen werden als een man ze bij mogelijkheid dragen kan.
Wij hadden een zeer aangenamen rit en mijnheer Spenlow besprak met mij het beroep, dat ik gekozen had. Hij zei dat het het aangenaamste beroep van de gansche wereld was en volstrekt niet verward moest worden met dat van procureur, omdat het er hemelsbreed van verschilde, veel minder machinaal en veel voordeeliger was.
„In Doctors' Commons neemt men de zaken veel gemakkelijker op,” zei hij, „daarom vormen wij ook eene bijzondere klasse van menschen. Het is wel niet aangenaam dat wij hoofdzakelijk door procureurs in den arm worden genomen, want procureurs behooren tot een lagere soort menschen, waarop alle proctors uit de hoogte neerzien.”
Ik vroeg hem welke zaken hij de beste achtte voor ons, waarop hij antwoordde, dat een betwiste erfenis, waarin een lief landgoedje van dertig of veertig duizend pond de hoofdschotel vormde, naar zijne ondervinding de beste zaak was. „In zulke zaken”, vertelde hij, „valt er niet alleen wat af bij elk stadium, waarin het proces wordt gebracht, maar de verhooren van getuigen à charge en à décharge kunnen tot in het oneindige worden voortgezet, om niet eens te spreken van de appèls, eerst op de Gedelegeerden en daarna op de Lords. Bovendien is men zeker dat de kosten uit de opbrengst van het goed worden betaald en beijveren zich dus beide partijen, om het proces in alle instantiën met groote verwoedheid te voeren en behoeft men zich niet te storen aan de onkosten.” Daarna begon hij een lofspraak te houden op Doctors' Commons in het algemeen. Wat men vooral bewonderen moest in de Commons, dat was de beknoptheid. Commons was de eenvoudigst ingerichte zaak op de wereld. Het was een voorbeeld van eenvoudigheid. Men kon alles wel in een notedop pakken. Bijvoorbeeld: „Gij brengt een aanvraag om scheiding of over teruggave van eene erfenis voor het Consistorie. Goed! De zaak wordt daar behandeld, alsof men aan een allegaartje zit met zijne familie; men speelt op zijn gemak zijn spel uit. Goed! Men is niet tevreden met de uitspraak van het Consistorie, wat nu? Wel, men brengt de zaak voor „the Arches.” Wat is „the Arches”? Hetzelfde Hof in dezelfde kamer met dezelfde balie, dezelfde advocaten, maar met een anderen rechter, want de rechter uit het Consistorie zou daar elken zittingdag als advocaat kunnen komen pleiten. En dan begint het allegaartje opnieuw. Neem aan dat men nog niet tevreden is. Goed! Wat dan? Wel, dan volgt een appèl op „de Gedelegeerden.” Wie zijn „de Gedelegeerden?” Wel, dat zijn de advocaten, die geen zaak aanhangig hebben, die toegekeken hebben bij het allegaartje, terwijl het bij beide hoven werd gespeeld, die de kaarten hebben zien schudden en afnemen, die het spel gevolgd en met al de spelers een praatje gemaakt hebben en nu kersversch optreden als rechters, om de zaak tot genoegen van wederzijdsche partijen te beslissen. Ontevreden menschen mogen spreken over heerschende misbruiken in de Commons, over geheimzinnigheid in de Commons en over de noodzakelijkheid om de Commons te hervormen”, eindigde mijnheer Spenlow op plechtigen toon, „dat is zeker, dat toen de prijs van de tarwe het hoogst was, de Commons het meest te doen hadden; en men mag met de hand op het hart tegenover de geheele wereld verklaren: „Raakt men aan de Commons, dan raakt men aan het Land!””
Ik had met de grootste aandacht naar zijne woorden geluisterd en hoewel ik betwijfelde of het Land werkelijk wel zooveel aan de Commons verplicht was, als mijnheer Spenlow beweerde, zweeg ik uit eerbied voor zijne meerdere ondervinding. Die quaestie over den prijs van de tarwe ging—ik moet dit in mijne groote bescheidenheid meedeelen—boven mijn begrip en ik heb die tot nu toe nog niet begrepen. Bij elke gelegenheid heeft mij die quaestie den mond gesnoerd—mijn leven lang. Ik kan niet zeggen, waarom of met welk recht, maar telkens wanneer ik mijn oude vriend de tarwe op het tapijt hoorde brengen—en hij deed dat, naar ik opmerkte, altijd—achtte ik mijn zaak verloren.
Dit was een uitweiding. Ik zal niet aan de Commons raken en dientengevolge het Land ten val brengen. Door mijn stilzwijgen gaf ik mijne instemming met hetgeen mijn meerdere in jaren en in ondervinding mij had medegedeeld zoo onderdanig mogelijk te kennen en op het verder gedeelte van den rit spraken wij over „de Verlatene”, over het drama in het algemeen en over de paarden, tot wij bij het hek van mijnheer Spenlow's buitengoed stilhielden.
Er was een allerliefste tuin bij mijnheer Spenlow's woning en ofschoon het jaargetijde nu wel niet gunstig was om een tuin te bewonderen, was deze toch zoo keurig onderhouden, dat ik er verrukt van was. Er was een fraai grasperk, er waren heerlijke boomgroepen en mooie plekjes met verrukkelijke vergezichten en overwelfde wandelpaden die ik nog even in de duisternis kon onderscheiden. „Wat moet het hier heerlijk zijn in den zomer als alle heesters en bloemen in vollen bloei staan! Zonder twijfel zijn deze de geliefkoosde wandelingen voor juffrouw Spenlow!” dacht ik.
Wij gingen het huis binnen, dat vroolijk verlicht was, en kwamen in de vestibule, die vol hing en stond met alle soorten van hoeden, petten, overjassen, plaids, handschoenen, rijzweepen en wandelstokken. „Waar is juffrouw Dora?” vroeg mijnheer Spenlow aan den knecht. „Dora!” dacht ik. „Wat een mooie naam!”
Wij traden eene kamer aan onze linkerhand binnen—ik onderstel dat het de ontbijtkamer was, die door den bruinen Indischen Sherry reeds eene zekere vermaardheid voor mij gekregen had—en daar hoorde ik eene stem zeggen: „mijnheer Copperfield, mijne dochter Dora en hare vertrouwde vriendin!” Geen twijfel of deze stem behoorde aan mijnheer Spenlow; maar ik wist het niet en het kon mij ook niet schelen. Ik dacht aan niets meer op dat oogenblik. Mijn lot was in deze zelfde minuut beslist. Ik gaf mij gevangen; ik voelde mij in slavenketenen geslagen! In één woord, ik was smoorlijk verliefd op Dora Spenlow! Zij was geen menschelijk wezen meer voor mij; zij was eene fee, eene sylphide, ik weet zelf niet wat zij was.... zij was alles wat een mensch nooit gezien heeft, alles, waarnaar elk mensch smacht. In een oogwenk had de liefde mij als een afgrond verzwolgen. Ik kon niet op den rand blijven, niet naar beneden, niet achterwaarts zien, ik stortte hals over kop in de diepte, eer ik nog een woord tot haar had kunnen zeggen.
„Ik”, hoorde ik een welbekende stem zeggen, toen ik een buiging gemaakt en eenige woorden gemompeld had, „ik heb mijnheer Copperfield meer gezien.”
Zij, die dit zei, was niet Dora, maar hare vertrouwde vriendin.... juffrouw Murdstone!
Ik geloof niet dat ik erg verbaasd was. Voor zoover ik kon nagaan, was ik op dat oogenblik niet meer vatbaar voor verbazing. Waarover zou ik mij in 's Hemelsnaam nog hebben kunnen verbazen dan over Dora Spenlow? Ik zei: „Hoe vaart gij, juffrouw Murdstone? Ik hoop—goed.” Zij antwoordde: „Heel goed,” waarop ik vroeg: „En hoe maakt het mijnheer Murdstone?” „Dank u,” antwoordde zij, „mijn broeder is heel wel.”
Mijnheer Spenlow, die, naar ik vermoed, zeer verwonderd was te zien, dat wij elkander kenden, zei nu:
„Ik ben blijde, Copperfield, dat gij en juffrouw Murdstone nog oude kennissen zijt.”
„Mijnheer Copperfield en ik,” zei juffrouw Murdstone met kalme waardigheid, „zijn zelfs verwanten. Vroeger zijn wij eenigen tijd met elkander bekend geweest. Dat was in zijne jeugd. Omstandigheden hebben ons gescheiden; ik zou hem niet herkend hebben.”
Ik antwoordde, dat ik haar onder alle omstandigheden zou herkend hebben, hetgeen maar al te waar was.
„Juffrouw Murdstone heeft de goedheid gehad,” vertelde mijnheer Spenlow mij, „den post—als ik het zoo noemen mag—van vertrouwde vriendin mijner dochter wel te willen aannemen. Aangezien mijne dochter het ongeluk heeft gehad hare moeder te verliezen, heeft juffrouw Murdstone de verplichting op zich genomen van hare gezellin en hare beschermster te zijn.”
De gedachte vloog mij door het brein, dat juffrouw Murdstone, evenals het zakinstrumentje, dat gewoonlijk ploertendooder genoemd wordt, minder tot verdediging dan tot den aanval geschikt was. Aangezien ik echter voor alles, behalve voor Dora, slechts vluchtige gedachten over had, keek ik haar weder aan en meende ik in haar lief, doch op dit oogenblik ontevreden gezichtje te lezen, dat zij niet bijzonder ingenomen was met deze vertrouwde vriendin als gezellin en beschermster. De schel, die op dit oogenblik door het huis weerklonk en volgens mijnheer Spenlow de eerste etensbel was, maakte aan dit eerste samenzijn een einde, want ik moest mij kleeden. Het denkbeeld, om zoo verliefd als ik toen was, mij te kleeden of iets anders te doen, dat eenige inspanning kostte, was eigenlijk al te dwaas. Ik kon slechts, bij den haard zittende, op het sleuteltje van mijn reiszak bijten en aan de betooverende, jonge, beminnelijke Dora denken. Wat had zij prachtige oogen en wat een figuurtje en wat een gezichtje en hoe verrukkelijk en natuurlijk was alles wat zij deed!
De schel werd opnieuw geluid, doch zoo spoedig, dat ik mijn toilet bijna geheel vergat in plaats van er zooveel zorg aan te besteden als onder zulke omstandigheden wenschelijk was. Ik ging naar beneden en vond daar nog meer gasten. Dora stond te praten met een heer met grijze haren; maar hoe grijs ook en al vertelde hij dat hij al grootvader was, ik was toch jaloersch op hem. O, o! Ik zal de gemoedsstemming, waarin ik verkeerde, nooit vergeten! Ik was op iedereen jaloersch. Ik kon het niet uitstaan dat er iemand was, die mijnheer Spenlow beter kende dan ik. Het was een ware marteling voor mij hem over voorvallen te hooren spreken, die ik niet had bijgewoond. Toen een zeer beleefd heer met een glad, kaal hoofd mij over de tafel heen vroeg of dit de eerste maal was, dat ik mijnheer Spenlow's plaats bezocht, had ik hem wel kunnen aanvliegen.
Ik herinner mij niemand meer van de aanwezigen dan Dora. Ik kan mij volstrekt niet meer herinneren wat er rondgediend werd; ik voedde mij met Dora en liet ongetwijfeld een half dozijn schotels voorbij gaan. Ik zat naast haar; ik sprak met haar. Zij had het liefste stemmetje, het aantrekkelijkste lachje, de aardigste en betooverendste maniertjes, die ooit een jongen man in verrukking gebracht hebben. Alles, wat zij was en deed, kon met een verkleinwoordje aangeduid worden. Naar het mij voorkwam, verhoogde dit hare aantrekkelijkheid in geen geringe mate.
Toen zij met juffrouw Murdstone de kamer uitging—er waren geen andere dames—verzonk ik in een droomerig gepeins, dat alleen verstoord werd door het wreed vermoeden, dat juffrouw Murdstone allerlei onthullingen zou doen in mijn nadeel. De beleefde heer met het gladde, kale hoofd vertelde mij eene lange geschiedenis—ik meen over tuinieren. Als ik het mij goed herinner, sprak hij eenige malen het woord „tuinman” uit. Ik hield mij alsof ik aandachtig toeluisterde, maar ik wandelde intusschen in Eden's tuin—met Dora.
Het onbewegelijke, nijdige gezicht van juffrouw Murdstone, toen wij later het salon binnentraden, was wel geschikt om aan mijne vrees voor lasterpraat voedsel te geven. Op de meest onverwachte wijze werd die vrees mij echter ontnomen.
„David Copperfield,” zei juffrouw Murdstone, terwijl zij mij in een vensternis wenkte, „luister eens.”
Daar stond ik tegenover juffrouw Murdstone.
„David Copperfield”, sprak zij, „ik wensch hier alle familieomstandigheden buiten beschouwing te laten. Ze vormen nu juist geen uitlokkend onderwerp tot discours.”
„Dat doen ze niet, juffrouw,” antwoordde ik.
„Dat doen ze niet,” herhaalde juffrouw Murdstone. „Ik verlang het verleden, met zijne oneenigheid en zijne onbetamelijkheden niet in mijn geheugen terug te roepen. Ik heb veel beleedigingen moeten aanhooren van een persoon—het spijt mij voor mijne sekse, dat die persoon eene vrouw was—wier naam ik niet zonder eene gewaarwording van toorn en afschuw zou kunnen noemen: het is daarom beter dien maar achterwege te laten.”
Wel is waar kookte ik inwendig, maar ik zei, dat het zeker beter zijn zou haar naam niet te noemen. Ik zou op geen oneerbiedigen toon over haar kunnen hooren spreken, voegde ik er bij, zonder op zeer stelligen toon mijn gevoelen te zeggen.
Juffrouw Murdstone sloot de oogen en boog op minachtende wijze het hoofd; daarna opende zij de oogen weder langzaam en zei:
„David Copperfield, ik zal het niet verbloemen, dat ik in uwe jeugd eene hoogst ongunstige meening van u had opgevat. Mogelijk heb ik mij vergist; het is echter even goed mogelijk, dat gij opgehouden hebt deze meening te rechtvaardigen. Hoe het zij, ik behoor tot eene familie, die, naar ik meen, uitmunt door vastheid; ik zal dus niet zeggen, dat ik mij laat meesleepen door de omstandigheden of door veranderingen. Ik mag mijne meening hebben van u; gij moogt de uwe hebben van mij.”
Nu was het mijne beurt om het hoofd te buigen.
„Het is echter niet noodzakelijk,” ging juffrouw Murdstone voort, „dat onze meeningen hier in botsing komen. In de gegeven omstandigheden is het zelfs beter als ze niet in botsing komen. Nu de wisselingen van het lot ons opnieuw bij elkander hebben gebracht en zonder twijfel nog vele malen bij elkander brengen zullen, komt het mij het beste voor, dat wij elkander hier bejegenen als verre verwanten. Het is voldoende familie-aangelegenheden aan te nemen, om op dien voet met elkander om te gaan en het is geheel onnoodig, dat wij elkander tot het voorwerp van wederzijdsche aanmerkingen zouden maken. Zijt gij dat met mij eens?”
„Juffrouw Murdstone,” antwoordde ik, „mijne meening is, dat gij en mijnheer Murdstone mij wreed en mijne moeder zeer onvriendelijk behandeld hebben. Deze meening zal ik behouden zoo lang ik leef. Toch neem ik uw voorstel aan.”
Nogmaals sloot juffrouw Murdstone de oogen en boog zij het hoofd. Daarna ging zij heen, terwijl zij even den rug van mijne hand met hare ijzige vingers aanraakte en onder het heengaan de kettinkjes om hare polsen en haar hals verschikte; het waren nog dezelfde, die zij droeg toen ik haar voor het eerst gezien had. Deze kettinkjes deden mij, in verband met juffrouw Murdstone's karakter, aan de kettingen en sloten van eene gevangenisdeur denken; ze moesten aan allen, die haar ontmoetten, doen raden, wat daar achter te verwachten was.
Alles wat ik mij van het overige van dien avond herinner is, dat ik de koningin van mijn hart Fransche liederen hoorde zingen, die in het algemeen eindigden met Ta ra la, Ta ra la! en eene verheerlijking van het dansen inhielden. Zij accompagneerde zich zelve op een prachtig instrument, dat op een guitaar geleek. Verder herinner ik mij, dat ik in een toestand van ongekende gelukzaligheid zat te luisteren; dat ik alle ververschingen van de hand sloeg; dat ik vooral een afschuw had van punch; dat, toen juffrouw Murdstone haar in „bescherming” nam en haar naar hare kamer bracht, zij mij toelachte en mij haar verrukkelijk handje aanbood, dat ik, bij toeval in den spiegel kijkende, de opmerking maakte, dat ik er erg dom en versuft uitzag en eindelijk, dat ik in een staat van bedwelming naar bed ging en verliefder dan ooit opstond!
Het was een heerlijke morgen en nog heel vroeg; ik wist dus niets beters te doen dan eene wandeling te maken door de overdekte lanen, die ik den vorigen avond had gezien, en mij haar beeld voordurend voor oogen te stellen. In de gang had ik eene ontmoeting met haar hondje, Jip genaamd, als afkorting van Gipsy. Ik haalde het aan, want ik hield natuurlijk dol veel van het dier; maar het liet mij twee rijen scherpe tanden zien en ging onder een stoel zitten brommen zonder iets van mij te willen weten.
Het was koel en eenzaam in den tuin. Ik wandelde rond en vroeg mij telkens af hoe gelukkig ik wel zijn zou, indien het ooit tot een engagement mocht komen met dit beminnelijk schepseltje. Aan trouwen, aan fortuin en alles wat daarmede in verband stond, dacht ik evenmin als toen ik verliefd was op de kleine Emily. De toestemming te erlangen om haar Dora te mogen noemen, haar te mogen schrijven, te mogen liefhebben en aanbidden, te weten, dat zij aan mij bleef denken al was zij ook te midden van andere menschen, dat was in mijn oog het hoogste, dat een mensch verlangen kon en zeker het hoogste, dat ik verlangen kon. Het lijdt geen twijfel of ik was zeer sentimenteel gestemd, ja, wellicht had men mij dwaas verliefd kunnen noemen, maar toch lag daarin zooveel reinheid van hart verborgen, dat ik, al mag ik er nu eens om lachen, geen oogenblik met een gevoel van minachting aan deze dagen terugdenk.
Ik had nog niet lang gewandeld, toen ik, een hoek omslaande, Dora voor mij zag staan. Er gaat mij nog een rilling door de leden van het hoofd tot de voeten, wanneer mijne gedachten naar dat oogenblik terugkeeren; dan beeft de pen in mijne hand.
„Gij,... zijt.... wel.... vroeg op, juffrouw Spenlow,” zei ik.
„Het is zoo vervelend in huis,” antwoordde zij, „en juffrouw Murdstone is onuitstaanbaar. Zij praat allerlei nonsens en zegt dat de nevel eerst moet optrekken voor ik mag uitgaan. De nevel optrekken!”—o, wat klonk de lach, waarmede deze woorden gepaard gingen, welluidend!—„Op Zondagmorgen, als ik mij niet op de guitaar mag oefenen, moet ik toch iets doen! Ik zei gisteren avond aan papa, dat ik uit moest. Het is bovendien nu het helderste oogenblik van den geheelen dag! Vindt gij dat ook niet?”
Ik waagde het een stoute vlucht te nemen en zei, niet zonder stotteren, dat het werkelijk op dit oogenblik zeer helder voor mij was, maar dat het nog geen minuut geleden heel donker geweest was.
„Beduidt dit een compliment?” vroeg Dora, „of bedoelt gij dat het weer werkelijk is omgeslagen?”
Ik stotterde nog erger dan zoo even, toen ik antwoordde dat het geen compliment beduidde, maar de zuivere waarheid was; hoewel ik niet had opgemerkt dat er eenige verandering in het weder gekomen was. „Het is alleen in mijn eigen gevoel,” voegde ik er bedeesd bij, om niets aan duidelijkheid te wenschen over te laten.
Nooit zag ik zulke krullen—hoe kon ik dat ook, want niemand bezat ze ooit zoo!—als die, welke zij nu naar voren schudde om haar blos te verbergen. En het stroohoedje met de blauwe linten, dat op die krullen stond..... o, hoe gaarne zou ik het als een schat van groote waarde in Buckinghamstreet hebben opgehangen!
„Gij zijt onlangs uit Parijs teruggekomen, niet waar?” vroeg ik.
„Ja,” klonk haar antwoord. „Zijt gij daar ooit geweest?”
„Neen.”
„O, dan hoop ik, dat gij er spoedig zult heengaan. Het is een prachtige stad! Het zal u daar best bevallen!”
De uitdrukking, welke deze woorden op mijn gelaat teweegbrachten, moet wel van innige zielesmart getuigd hebben. Zij hoopte, dat ik op reis zou gaan; zij onderstelde, dat ik op reis kon gaan! O, het was ondragelijk! Ik had een diepe minachting voor Parijs, voor Frankrijk! Ik zeide, dat ik in de gegeven omstandigheden voor geen geld ter wereld Engeland zou willen verlaten. Niets zou mij daartoe kunnen bewegen. Kortom, zij schudde de krullen weder naar voren, toen haar hondje naar buiten kwam rennen en ons uit den nood hielp. Het dier was dadelijk jaloersch op mij en bleef mij maar aanblaffen. Zij nam hem in hare armen—nu was het mijne beurt om jaloersch te zijn—en liefkoosde hem, maar hij bleef nijdig keffen. Hij wilde niet toestaan, dat ik hem even aanraakte, maar toen gaf zij hem een klap. De tikjes, die zij hem tot straf op zijn mopneusje gaf, terwijl hij knipoogde en hare hand likte en nog maar steeds bleef voortbrommen als een contrabas, had ik gaarne opgevangen. Eindelijk werd hij stil—geen wonder, terwijl hij haar mollig kinnetje op zijn kop voelde!—en wandelden wij verder om de oranjerie te bekijken.
„Gij zijt niet erg bevriend met juffrouw Murdstone, is 't wel?” vroeg Dora. „Koest, liefje!”
Deze laatste woorden waren tot den hond gericht. Hadden ze mij maar gegolden!
„Neen,” antwoordde ik. „Niet bijzonder.”
„Zij is een vervelend schepsel,” hernam Dora pruilend. „Ik kan mij niet begrijpen wat papa bewogen kan hebben, dat mensch tot mijne gezellin te kiezen. Wie heeft er nu een beschermster noodig? Ik ben overtuigd dat ik er geen noodig heb. Jip kan mij veel beter beschermen dan juffrouw Murdstone.... nietwaar Jip?”
Het dier kwispelde toen zij hem een kus op zijn kopje gaf.
„Papa noemt haar mijne vertrouwde vriendin, maar ik ben overtuigd dat zij het niet is.... is zij wel, Jip? Wij kunnen geen vertrouwen stellen in zulk een wrevelig schepsel, Jip en ik. Wij zullen zelve de menschen wel kiezen, aan wie wij ons vertrouwen schenken, en laten ons die niet opdringen.... is 't niet, Jip?”
Jip maakte een geluid, dat een bewijs van instemming moest verbeelden en eenigszins geleek op het zingen van het water in een theeketel. Voor mij was elk woord een nieuw kettinkje, dat boven de andere rijen om haar hals werd geklonken.
„Het is wel hard in stede van eene lieve, vriendelijke mama zulk eene stuursche, sombere oude paai tot gezelschap te hebben, zoo'n mensch, dat ons overal volgt—is het niet, Jip? Treur maar niet, Jip. Wij willen geen vertrouwde en zullen zooveel plezier maken als wij maar kunnen.... wij zullen haar plagen in plaats van behagen.... nietwaar, Jip?”
Als dit nog langer geduurd had zou ik ongetwijfeld op mijn knieën zijn gevallen, op gevaar af in het grint het vel er af te schuren en buiten de deur gezet te worden. Gelukkig was de oranjerie nu niet meer veraf. Het was daar binnen een ware tentoonstelling van prachtige geraniums. Wij wandelden er langs en Dora bleef nu en dan staan om er een te bewonderen en dan bewonderde ik de zelfde en dan hield Dora, ondeugend lachend, Jip in de hoogte en liet hem aan de bloemen ruiken; kortom, wij mogen ons al niet alle drie in het tooverland gewaand hebben, ik waande mij er zeker in. De geur van een geranium blad wekt nu nog een gevoel van verbazing op over de verandering, die dan in mij plaats grijpt; ik zie dan een stroohoedje met blauwe linten en eene menigte krullen en een klein zwart hondje, dat door twee slanke armen in de hoogte wordt gehouden tegen een muur van bloemen en frissche bladeren.
Juffrouw Murdstone had ons reeds gezocht. Zij vond ons in de oranjerie en bood Dora haar gerimpelde wang aan tot een kus. Daarna nam zij Dora's arm en marcheerde met ons naar de ontbijtkamer, alsof wij deel uitmaakten van eene militaire lijkstaatsie.
Hoeveel kopjes thee ik dronk, omdat Dora ze gezet had, durf ik niet zeggen. Ik herinner mij echter zeer goed, dat ik zooveel verzwolg dat mijn zenuwgestel—indien ik er een gehad had in die dagen—zeer zeker overstuur zou zijn geraakt. Na het ontbijt gingen wij gezamenlijk naar de kerk. Juffrouw Murdstone zat tusschen Dora en mij in, maar ik hoorde haar zingen en toen verdween de geheele gemeente als in een nevel. De preek was natuurlijk.... over Dora en ik vrees dat dit alles is, wat ik van de godsdienstoefening weet.
Wij hadden een stillen dag. Geen bezoek, een wandeling, een huiselijk middagmaal met ons vieren en den avond brachten wij door met het bekijken van platen en boeken; terwijl juffrouw Murdstone met een preek voor zich zat en ons voortdurend in het oog hield. O, weinig vermoedde mijnheer Spenlow, toen hij na het middagmaal tegenover mij zat, met den zakdoek over het hoofd, hoe vurig ik hem in mijne verbeelding als schoonzoon omhelsde. Weinig ook vermoedde hij, dat hij, toen ik des avonds afscheid van hem nam, in mijne verbeelding juist zijne toestemming had gegeven tot mijne verloving met Dora en dat ik Gods zegen inriep over hem en zijn huis.
Wij vertrokken den volgenden morgen vroeg, want er was dien dag eene zaak voor het Admiraliteitshof over het bergloon van eene geredde lading. In dit proces werd eene volledige kennis vereischt van de geheele zeevaartkunst, zoodat de rechter, begrijpende dat men het in de Commons nog niet ver daarin gebracht had twee oud-zeeofficieren te hulp had geroepen. Dora was echter reeds beneden om thee te zetten en ik had het twijfelachtig genoegen, in den phaëton zittende, mijn hoed te mogen afnemen voor Dora, die met Jip in den arm op de stoep stond.
Ik zal het niet wagen eene beschrijving te geven van hetgeen de Admiraliteit dien dag voor mij was; van den onzin, dien ik in mijne gedachten van het proces maakte, terwijl ik zat te luisteren; van het visioen dat ik had, toen ik den naam „Dora” meende gegraveerd te zien op de zilveren roeispaan, die op de tafel lag als symbool van de hooge rechtspraak, noch van hetgeen er in mij omging, toen mijnheer Spenlow naar huis ging zonder mij—ik had nog de dwaze hoop gekoesterd, dat hij mij zou medenemen—als ware ik zelf een matroos, die op een onbewoond eiland was achtergelaten, terwijl het schip met volle zeilen zee had gekozen. Als de oude Hof eens kon wakker geschud worden en in den een of anderen vorm een voorstelling geven kon van de droomen, die ik daar over Dora droomde, zou het blijken hoe trouw ik haar ben geweest. Ik bedoel niet de droomen van dien dag alleen, neen, van alle dagen en weken en zittingen. Ik ging er heen, niet om te luisteren naar hetgeen er verhandeld werd, maar om over Dora te denken. Als ik ooit eenige aandacht aan de processen heb gewijd, terwijl ze in al hunne lengte langzaam langs mij heen trokken, was het om mij bij die over huwelijksaangelegenheden te verbazen, dat gehuwde lieden wel eens niet gelukkig konden zijn, en om bij processen over erfenissen te overpeinzen welke stappen ik, indien mij dat geld was nagelaten, ten opzichte van Dora zou nemen. In de eerste week van mijne verliefdheid kocht ik vier prachtige vesten—niet voor mij zelven, want mij liet uiterlijk vertoon koud, maar voor Dora—trok op straat stroogele handschoenen van geitenleder aan en legde den grondslag voor alle likdoorns, die ik ooit gehad heb. Konden de laarzen, die ik in deze dagen droeg, maar te voorschijn gebracht en met den werkelijken vorm van mijne voeten vergeleken worden, dan zou op waarlijk aandoenlijke wijze de toestand van mijn hart kunnen blijken.
En toch, niettegenstaande ik mij voor mijn leven kreupel maakte als een stille hulde aan Dora, wandelde ik dagelijks mijlen achtereen in de hoop haar te ontmoeten. Niet alleen was ik op den weg naar Norwood spoedig even goed bekend als de brievenbesteller van die wijk, maar ik doorkruiste Londen op dezelfde wijze. Ik wandelde door de straten waar de beste winkels voor dames waren; ik bespiedde de Bazar uren achtereen en dwaalde door de parken tot ik doodmoe thuis kwam. Nu en dan, met lange tusschenpoozen, werd ik op het onverwachts beloond. Nu eens zag ik haar handschoen mij toewuiven uit het portier van een rijtuig; een andere maal ontmoette ik haar met juffrouw Murdstone en wandelde ik met beiden eenige straten door, terwijl ik met Dora sprak. Na zulk een ontmoeting voelde ik mij telkens diep ellendig, omdat ik geen woord gerept had over hetgeen mij dag en nacht bezig hield, of omdat zij geen denkbeeld hebben kon van mijne onbegrensde vereering of omdat zij blijkbaar niet het minste om mij gaf. Zooals van zelf spreekt, was ik steeds in afwachting van eene tweede uitnoodiging van mijnheer Spenlow; maar telkens werd ik teleurgesteld—er volgde er geen.
Juffrouw Crupp moet eene vrouw geweest zijn met veel menschenkennis; want toen mijne verliefdheid nog slechts een week oud was, en ik nog niet den moed had gehad aan Agnes duidelijker te schrijven dan: „ik heb een bezoek gebracht aan mijnheer Spenlow, wiens familie bestaat uit ééne dochter”—ik herhaal, juffrouw Crupp moet veel menschenkennis bezeten hebben want zelfs in dit eerste tijdperk van mijne toenemende verliefdheid ontdekte zij, wat er aan de hand was. Op zekeren avond kwam zij boven—ik was juist in eene zeer neerslachtige stemming—om te vragen of ik haar ook kon helpen aan een weinig tinctuur van paradijsbloemen met wat rhabarberstroop en zeven droppels nagelolie, welk middel voor hare kwaal, waaraan zij weder lijdende was, het beste was. Kon ik dat niet, dan was een weinig brandewijn—op een na het beste middel—haar ook welkom. Brandewijn, voegde zij er bij, is wel niet zoo lekker, maar het is op één na het beste middel. Aangezien ik van het eerste middel nooit gehoord en het tweede in mijne kast voorhanden had, gaf ik juffrouw Crupp een glas van het tweede, hetgeen zij, opdat ik niet denken zou, dat er een onbehoorlijk gebruik van gemaakt werd, in mijne tegenwoordigheid leeg dronk.
„Wees toch vroolijk, mijnheer,” sprak zij, „ik kan u zoo niet zien, mijnheer, ik ben zelve moeder.”
Ik begreep de toepassing van deze laatste omstandigheid op mijn persoon niet goed, maar ik keek haar toch zoo vriendelijk en opgeruimd mogelijk aan.
„Kom, mijnheer,” hervatte juffrouw Crupp. „Neem het mij niet kwalijk, maar ik weet wat het is, mijnheer. Daar is een jonge dame in het spel.”
„Juffrouw Crupp?” antwoordde ik met een kleur.
„Wel sapperloot! Houd den moed er toch in, mijnheer!” zei juffrouw Crupp met een bemoedigend knikje. „Men gaat er niet aan dood, mijnheer! Als zij geen lachje voor u heeft, zijn er genoeg, die het wel hebben. Gij zijt een nette, jonge man, voor wien men een lachje moet over hebben, mijnheer Copperfull; gij moet u zelven niet weggooien, mijnheer.”
Juffrouw Crupp noemde mij altijd mijnheer Copperfull, vermoedelijk omdat dit mijn naam niet was.
„Wat doet u onderstellen, juffrouw Crupp, dat er een jong meisje in het spel is?” vroeg ik.
„Mijnheer Copperfull,” antwoordde zij met pathos: „Ik ben zelve moeder.”
Gedurende eenige minuten kon juffrouw Crupp niets doen dan hare hand op haar nankingschen boezem leggen en zich sterken tegen vernieuwde aanvallen van hare kwaal door haar glaasje met kleine teugjes te ledigen. Eindelijk hernam zij:
„Toen deze kamers door uwe lieve tante gehuurd werden, mijnheer Copperfull, was ik blijde nu eens iemand te zullen krijgen, voor wien ik zorgen kon. ‚Goddank,’ zei ik, ‚nu heb ik iemand gevonden voor wien ik zorgen kan!’—Gij eet niet genoeg, mijnheer en gij drinkt ook niet genoeg.”
„Grondt gij daarop uw vermoeden, juffrouw Crupp?” vroeg ik.
„Mijnheer!” hernam juffrouw Crupp op plechtigen, ja, verwijtenden toon, „ik heb voor meer jongeheeren gewasschen dan voor u. Een jonge heer kan al te veel werk maken van zich zelven, maar ook al te weinig; hij kan zijn haar met zorg opmaken, maar ook zonder zorg; hij kan te groote maar ook te kleine schoenen dragen. Dit hangt alles samen met het karakter en met zijne opvoeding, maar in welk uiterste hij ook mag vervallen.... er is altijd eene jonge dame in het spel.”
Juffrouw Crupp sprak zoo beslist en schudde zoo hevig met het hoofd, dat ik er geen woord tegen kon inbrengen.
„Daar hebt gij bijvoorbeeld dien heer, die hier gestorven is,” vervolgde zij, „die werd verliefd op een buffetjuffrouw en.... onmiddellijk moest ik zijn vesten laten innemen, niettegenstaande zijn maag erg was opgezet van het drinken.”
„Juffrouw Crupp,” antwoordde ik, „ik moet u verzoeken, de dame, van wie bij mij sprake is, niet op ééne lijn te stellen met een buffetjuffrouw of iemand van dat allooi.”
„Mijnheer Copperfull,” hernam juffrouw Crupp, „ik ben zelve moeder en niet voor niet. Ik vraag u vergiffenis indien ik mij heb opgedrongen. Ik verlang mij niet op te dringen wanneer ik niet welkom ben. Maar gij zijt nog jong, mijnheer Copperfull, en daarom geef ik u den raad vroolijk te zijn, mijnheer, moed te houden en u zelven niet weg te gooien. Gij moest eens de eene of andere liefhebberij ter hand nemen, mijnheer Copperfull, kegelen bijvoorbeeld; dat is eene gezonde beweging en zal u wat afleiding geven.”
Na deze woorden verklaarde juffrouw Crupp zeer dankbaar te zijn voor den brandewijn—de flesch was zoo goed als ledig—maakte eene statige buiging en ging heen. Toen zij in de duisternis van het portaal verdween, bleef de indruk bij mij achter, dat juffrouw Crupp niet van vrijpostigheid was vrij te pleiten; toch was ik haar dankbaar voor haar raad, waarvan ik zou gebruik maken, al was het op eene andere wijze dan zij bedoeld had; ik zou dien beschouwen als eene waarschuwing om mijn geheim beter te bewaren.
XXVII. Tommy Traddles
Of het een gevolg was van juffrouw Crupp's raad om wat afleiding te zoeken, durf ik niet beweren, maar den volgenden dag kwam ik op den inval om Traddles eens te gaan opzoeken. Zijn verloftijd was sinds lang ten einde en hij woonde in een klein straatje bij de Veeartsenijschool in Camden Town, een wijk, volgens een onzer klerken hoofdzakelijk door studenten bewoond, die levende ezels opkochten en op hunne kamers proefnemingen deden op deze dieren.
Nadat de klerk mij ook den weg naar de veeartsenijschool gewezen had, stapte ik dienzelfden avond er heen, om mijn ouden schoolkameraad een bezoek te brengen.
Ik vond de buurt niet zoo aanlokkelijk als ik ter wille van Traddles wel gewenscht zou hebben. De bewoners schenen de gewoonte te hebben alles wat zij niet meer gebruikten op straat te werpen, waardoor deze niet alleen modderig en vunzig was, maar ten gevolge van de vele koolbladeren op één lange mesthoop geleek. Trouwens, het vuilnis bestond niet alleen uit plantaardige overblijfselen, want terwijl ik naar het nommer van Traddles' woning zocht, zag ik zelfs een schoen, een platgetrapte sauspan, een zwarten hoed en een paraplu in verschillende graden van ontbinding.
In het algemeen bracht deze buurt mij den tijd in herinnering, dien ik met mijnheer en mevrouw Micawber had doorgebracht. Het huis, dat ik zocht, maakte een niet te beschrijven indruk van vervallen grootheid, waardoor het zich van alle andere huizen in de straat onderscheidde—ofschoon ze alle naar hetzelfde eentonige ontwerp waren gebouwd en aan de eerste schrijfoefeningen van een schooljongen deden denken, die het nog niet verder gebracht had dan hanepooten—en mij nog meer aan mijnheer en mevrouw Micawber herinnerde. En nog sterker werd ik aan hen herinnerd, toen ik te gelijk met den melkboer op de vervallen stoep stond en de deur geopend werd om dezen te woord te staan.
„Wel,” zei de melkboer tot een zeer jeugdig dienstmeisje, „hebt gij dat kleine rekeningetje van mij afgegeven?”
„Ja, mijnheer zei dat hij er om zou denken,” antwoordde het meisje.
„Omdat,” vervolgde de melkboer, voortgaande alsof hij geen antwoord ontvangen had en, naar het mij voorkwam, meer sprekende tot iemand, die bovenaan de trap scheen te staan, dan tot het dienstmeisje—„omdat dit kleine rekeningetje al zoo lang loopt, dat ik vrees het heelemaal te zullen zien wegloopen en er nimmer meer iets van te zullen hooren. Ik zal dat echter niet afwachten!” vervolgde de melkboer met verheffing van stem en met een blik naar de trap.
Het verbaasde mij, dat deze man in zulk eene zachte, vloeiende waar als melk handelde, want zijne manieren waren zoo ruw en woest, dat ik hem eerder voor een slager of een koopman in brandewijn zou gehouden hebben.
De stem van het dienstmeisje was moeilijk verstaanbaar, maar naar de beweging van hare lippen te oordeelen, zeide zij dat het onmiddellijk zou worden voldaan.
„Ik zal u eens wat zeggen,” sprak de melkboer, terwijl hij het meisje voor het eerst aankeek en tegelijkertijd bij de kin pakte, „houdt gij veel van melk?”
„Ja, heel veel,” antwoordde zij.
„Goed, dan krijgt gij morgen geen droppel, verstaat gij? Geen droppel hoor!”
Het kwam mij zoo voor alsof haar gezicht opvroolijkte bij het vooruitzicht, dat zij vandaag wel melk zou krijgen en waarlijk, na ontevreden zijn hoofd te hebben geschud, liet de melkboer haar kin los, opende zijne kan en goot de gewone hoeveelheid in haar kannetje over. Daarna ging hij brommend heen en gaf aan de volgende deur met een kwaadaardig klinkende stem van zijne aankomst kennis.
„Woont hier mijnheer Traddles?” vroeg ik toen.
Eene geheimzinnige stem achter in de gang antwoordde: ‚Ja’, waarop het meisje eveneens antwoordde: ‚Ja’.
„Is mijnheer thuis?” vroeg ik.
Opnieuw antwoordde de geheimzinnige stem bevestigend en opnieuw vernam ik de echo van het meisje. Ik ging naar binnen en volgens aanwijzing van het meisje de trap op, in het bewustzijn, dat ik bespied werd door een geheimzinnig oog, behoorende bij dezelfde geheimzinnige stem.
Toen ik boven kwam—het huis had behalve den beganen grond slechts ééne verdieping—wachtte Traddles mij reeds op het portaal op. Hij was blijde mij te zien en heette mij hartelijk welkom op zijne kamer, die aan de voorzijde van het huis lag en netjes, ofschoon karig gemeubeld was. Zooals ik zag was het zijn eenige kamer, want er stond een soort bed, dat tevens voor canapee dienst deed, en zijn schoenborstels en smeerfleschje lagen op eene boekenplank achter eene dictionnaire. Zijne tafel was met papieren bedekt en hij scheen in een oud jasje hard te hebben zitten werken. Voor zoover ik weet, keek ik naar niets, maar zag ik alles, zelfs het kerkje, dat op zijn porceleinen inktkoker was geschilderd—eene kunst, waarin ik mij ten tijde van de Micawbers ook geoefend had. Hij had een aantal vernuftige inrichtingen aangebracht op zijne kamer om zijn latafel, zijn laarzen, zijn scheerspiegeltje en zoo al meer aan het oog te onttrekken. Dit trok te meer mijne aandacht omdat ik daardoor herinnerd werd aan den Traddles uit mijne schooljaren, die, volgens het model van olifantshokken, papieren gevangenissen voor de vliegen maakte, en om zich over ondergane mishandelingen te troosten, zich onledig hield met de merkwaardige bezigheid, waarvan ik reeds meermalen melding maakte.
In een hoek van de kamer stond iets, zorgvuldig bedekt met een lang, wit laken. Ik kon zelfs niet gissen wat het was.
„Traddles,” zei ik, toen ik plaats genomen en hem nogmaals de hand geschud had, „het verheugt mij u te zien.”
„En ik ben ook blijde u te zien, Copperfield,” antwoordde hij. „Ik ben zelfs zeer blijde u te zien. Juist omdat ik zoo blij was, toen ik u bij de Waterbrooks herkende en omdat ik zag, dat gij zoo blij waart mij te herkennen, gaf ik u dit adres op in plaats van mijn kantoor.”
„Zoo! Houdt gij kantoor?” vroeg ik.
„Ja, ik beschik over het vierde van een kamer en een gang, en over het vierde van een klerk,” antwoordde Traddles. „Ik houd met nog drie anderen kantoor—dat lijkt alsof wij het druk hebben—en met ons vieren betalen wij één klerk. Hij kost mij een kroon in de week.”
In den glimlach, waarmede hij dit alles vertelde, meende ik zijn eenvoudig karakter en goed humeur te herkennen, terwijl ik tevens de overtuiging kreeg, dat hij, als van ouds, met tegenspoeden te kampen had.
„Het is volstrekt niet, omdat ik ook maar een weinigje trotsch ben, Copperfield,” zei hij, „dat ik gewoonlijk mijn adres niet hier opgeef. Het is alleen omdat degenen, die mij wenschen te bezoeken, wellicht niet gaarne hier komen. Wat mij zelven aangaat—ik moet mij door de wereld heenslaan en het zou belachelijk zijn, indien ik mij wilde voordoen alsof dit niet zoo was.”
„Gij studeert voor advocaat, nietwaar? Mijnheer Waterbrook vertelde het mij,” zei ik.
„O, ja,” antwoordde Traddles, terwijl hij zijne handen langzaam over elkander wreef, „ik studeer voor advocaat. Eigenlijk ben ik er nu pas mede begonnen, want de storting van honderd pond was een heel ding. Een heel ding!” herhaalde hij met eene beweging alsof hij zich een kies had laten trekken.
„Weet gij wel wat ik niet kan nalaten te denken, terwijl ik hier zoo zit, Traddles?” vroeg ik.
„Neen,” antwoordde hij.
„Waar dat hemelsblauwe pakje gebleven is, dat gij zoo lang gedragen hebt.”
„Goede Hemel! Ja,” riep hij lachend. „Het zat zoo strak om armen en beenen, weet gij wel? Goede Hemel! Ja, dat was een gelukkige tijd!”
„Naar het mij voorkomt hadden onze meesters dien tijd nog veel gelukkiger voor ons kunnen maken, zonder dat het aan onze kennis geschaad zou hebben,” antwoordde ik.
„Dat is wel mogelijk,” zei Traddles. „Maar wij hebben toch ook nog al eens plezier gehad. Herinnert gij u die avonden op de slaapkamer, als wij souper hadden? En als gij verteldet? Ha, ha, ha! En weet gij nog wel hoeveel ransel ik kreeg omdat ik huilde toen mijnheer Mell wegging? O, die Creakle! Ik zou hem nog wel eens willen terugzien!”
„Hij heeft u slecht behandeld, Traddles,” zei ik op verontwaardigden toon, alsof ik hem den vorigen dag nog had zien ranselen.
„Vindt gij dat?” hernam Traddles. „Waarlijk? 't Is mogelijk, maar dat is lang voorbij! O, die oude Creakle!”
„Gij hebt uwe verdere opvoeding van een oom gehad, nietwaar?” vroeg ik.
„Ja, juist, het was dezelfde, wien ik altijd zou schrijven; maar ik stelde het ook altijd weer uit! Ha, ha, ha! Ja, ik had toen een oom, maar hij is niet lang nadat ik de school verlaten had gestorven.”
„Zoo, waarlijk!”
„Ja, hij was lakenhandelaar geweest—lakenhandelaar in ruste—zoo noemt men dat immers?—en had mij tot zijn erfgenaam gemaakt. Hij hield echter niet van mij toen ik grooter werd.”
„Meent gij dat werkelijk?” vroeg ik. Hij bleef zoo kalm dat ik hem wel van eene andere meening verdenken moest.
„Ja, zeker, beste Copperfield! Ik meen het!” antwoordde hij. „Het was wel ongelukkig maar hij hield volstrekt niet van mij. Hij zei dat ik volstrekt niet aan zijne verwachtingen beantwoordde en daarom trouwde hij met zijne huishoudster.”
„En wat deedt gij toen?” vroeg ik.
„Ik deed niets bijzonders,” zei Traddles. „Ik woonde bij hem in, wachtende tot ik in de wereld gezonden zou worden: maar ziet, op eenmaal werd hij ziek en stierf. En zijne vrouw hertrouwde met een jongen man en ik moest voor mij zelven zorgen.”
„En heeft hij u niets nagelaten, Traddles?”
„O, zeker, zeker! Ik kreeg vijftig pond; maar ik was nooit opgeleid tot eenig beroep, zoodat ik in het begin niet wist wat te beginnen. Evenwel, ik begon toch iets, geholpen door den zoon van een rechtsgeleerde, door Yawler, dien gij ook nog wel op Salem House gekend hebt—hij had zoo'n scheeven neus. Herinnert gij u hem niet?”
„Neen, hij is daar niet tegelijk met mij geweest. In mijn tijd waren er alleen rechte neuzen.”
„Nu, dat doet er ook niet toe,” hernam Traddles. „Ik begon met zijne hulp processtukken over te schrijven, maar dat bracht weinig op; daarna maakte ik uittreksels en dergelijk zulk soort van werk. Gij weet, Copperfield, ik ben altijd een werkezel geweest en daarom ging mij dit werk ook vrij vlug af. Welnu, ik kwam daardoor op het denkbeeld om mij als student in de rechten te laten inschrijven en daarmede verdween alles wat ik nog van mijn vijftig pond over had. Yawler bezorgde mij echter eene aanbeveling bij een drietal kantoren—o. a. bij de Waterbrooks—zoodat ik tamelijk veel werk kreeg. Ook was ik zoo gelukkig kennis te maken met een uitgever, die eene encyclopaedie wil uitgeven en voor dezen ben ik nu nog aan het werk. Ik stel niet slecht, Copperfield,” voegde hij er bij op zijn gewonen, eenvoudigen, opgeruimden toon; „maar oorspronkelijkheid heb ik geen zier. Ik geloof niet, dat er ooit een jong mensch heeft bestaan, die zoo weinig oorspronkelijkheid had als ik.”
Aangezien Traddles scheen te wachten tot ik dit als iets, dat van zelf sprak, zou toestemmen, knikte ik en vervolgde hij met dezelfde onwrikbare kalmte als zoo even:
„Zoo bracht ik langzamerhand door zeer zuinig te leven de honderd pond bijeen,” vertelde hij, „en den Hemel zij dank, nu zijn ze betaald, maar het was”—hij maakte dezelfde beweging weder, alsof hem een kies getrokken was—„het was een heel ding. Ik leef nu nog van zulk soort werk en hoop dezer dagen aan een nieuwsblad verbonden te zullen worden—dan heb ik zoo goed als mijn fortuin gemaakt. En, Copperfield, gij zijt nog zoo geheel dezelfde als vroeger en hebt nog altijd datzelfde joviale gezicht en ik ben zoo blij, dat gij bij mij zijt gekomen—ik zal dus ook niets voor u verbergen. Weet dan, dat ik geëngageerd ben!”
Geëngageerd! O, Dora!
„Zij is de dochter van een predikant in Devonshire, één van tien kinderen. Ja!”—hij merkte op dat ik onwillekeurig een blik wierp op den inktkoker—„dat is de kerk! Gij gaat dit hek aan de linkerhand in en dan zoo rond,” vervolgde hij, met den vinger langs den inktkoker gaande, „en juist op deze plek, waar ik de pen houd, staat het huis met het front naar de kerk, zooals gij begrijpt.”
Het genot, waarmede hij mij al deze bijzonderheden vertelde, drong eerst later tot mijn geest door, want mijne zelfzuchtige gedachten hadden zich gedurende dien tijd onledig gehouden met de indeeling van het huis en den tuin van mijnheer Spenlow.
„O, zij is zulk een lief meisje!” zei Traddles; „een weinig ouder dan ik, maar allerliefst. Ik vertelde u immers, dat ik uit de stad ging? Welnu, ik ben bij haar geweest. Ik ben er te voet heengegaan en ook te voet teruggekeerd en had een heerlijken tijd. Het is waar, ons engagement zal wel lang duren, maar ons wachtwoord is: ‚Wachten en hopen!’ Wij zeggen maar telkens tegen elkander: ‚Wacht en hoop!’ En zij zou wachten op mij, al werd zij zestig, Copperfield!”
Traddles stond na deze woorden op en legde met een zegevierenden glimlach de hand op het witte laken, dat reeds mijne aandacht had getrokken.
„Toch hebben wij niet gewacht om het een en ander voor onze huishouding aan te schaffen,” ging hij voort. „Neen, neen, wij hebben reeds een begin gemaakt. Het moet langzaam aan gaan, maar het begin is er. Hier”—hij trok met evenveel trots als behoedzaamheid het laken weg—„zijn twee meubelstukken om mede te beginnen. Dezen bloempot met standaard heeft zij zelve gekocht. Men zet zoo iets in de spreekkamer,” lichtte hij toe, terwijl hij een weinig achteruitging om het op zijn gemak te bewonderen, „met eene plant er in en—klaar is men! Dit tafeltje met marmeren blad—het heeft een middellijn van twee voet tien—kocht ik. Gij wilt een boek neerleggen, begrijpt ge, of er komt bezoek voor u of voor uwe vrouw en wilt ergens een kop thee neerzetten en—gij zijt weer klaar! Het is merkwaardig netjes afgewerkt en staat zoo vast als een rots!”
Ik prees beide stukken zeer en Traddles spreidde er met dezelfde behoedzaamheid het laken overheen, als hij het er afgenomen had.
„Het is nog wel niet veel in verhouding van hetgeen er zijn moet,” hernam Traddles, „maar het is toch iets. De tafellakens, kussensloopen en dergelijke zaken bezwaren mij het meest, Copperfield. En dan het keukengereedschap—kaarsenbakken, braadpannen en dergelijke noodzakelijke dingen—dat loopt zoo op! Maar: ‚Wacht en hoop!’ En ik verzeker u, dat zij het liefste meisje van de wereld is!”
„O, daarvan ben ik overtuigd!” loog ik.
„Intusschen,” hervatte Traddles, „en dat is het laatste, wat ik over mij zelven zal leuteren—maak ik het best. Gemeenlijk eet ik bij de menschen beneden; werkelijk heel aardige menschen. Zoowel mijnheer als mevrouw Micawber....”
„Beste Traddles!” riep ik uit, „wat zegt gij daar?”
Traddles keek mij aan, alsof hij zich verbaasde over hetgeen ik zei.
„Mijnheer en mevrouw Micawber!” herhaalde ik. „Maar dat zijn intieme kennissen van me!”
Op hetzelfde oogenblik vernam ik een tik op de deur, dien ik mij o, zoo goed herinnerde van Windsor Terrace en die door niemand kon zijn gegeven dan door mijnheer Micawber. Geen twijfel meer of ik bevond mij in de woning van mijne oude vrienden. Ik verzocht Traddles zijn huisheer uit te noodigen om binnen te komen, hetgeen Traddles terstond deed, waarop mijnheer Micawber, niets veranderd—spanbroek, wandelstok, overhemd, boorden, lorgnet, alles onveranderd—als een jeugdig gentleman van goeden huize de kamer binnentrad.
„Excuseer mij, mijnheer Traddles,” zei mijnheer Micawber met dezelfde galmende stem als vroeger en voor een oogenblik het neuriën stakend, „ik wist niet dat zich iemand, een vreemdeling in deze woning, in uw heiligdom bevond.”
Mijnheer Micawber maakte even eene buiging voor mij en trok zijne boorden wat op.
„Hoe vaart gij, mijnheer Micawber?” vroeg ik.
„Mijnheer,” antwoordde hij, „ik ben u zeer verplicht. Ik ben in status quo.”
„En mevrouw Micawber?” hernam ik.
„Zij is, den Hemel zij dank, ook in status quo.”
„En de kinderen, mijnheer Micawber?”
„Mijnheer,” antwoorde hij, „het verheugt mij u te kunnen zeggen, dat zij zich verblijden in eene goede gezondheid.”
Gedurende al dien tijd had mijnheer Micawber mij niet herkend, ofschoon hij mij vlak in het gezicht keek. Nu zag hij mij echter glimlachen en bekeek hij mij met meer aandacht, waarop hij eene schrede achteruit deed en riep: „Is het mogelijk! Heb ik opnieuw het genoegen Copperfield van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen!” Hij schudde mij daarop met buitengewone hartelijkheid beide handen.
„Hoe kan het zoo treffen mijnheer Traddles!” riep hij daarna uit, „dat gij juist een kennis moet zijn van een vriend uit mijne jeugd, van een lotgenoot uit vroeger dagen! Lieve!” riep hij over de leuning van de trap mevrouw Micawber toe, terwijl Traddles niet zonder reden, hoogst verbaasd keek bij de beschrijving, die mijnheer Micawber van mij gaf.
„Lieve, daar is een heer bij mijnheer Traddles, wien het een genoegen zijn zal aan u voorgesteld te worden!”
Terstond daarop kwam mijnheer Micawber terug en begon opnieuw mijne handen te schudden.
„En hoe maakt het mijn beste vriend, de doctor, Copperfield?” vroeg hij, „en de geheele vriendenkring te Canterbury?”
„Ik heb niets dan goede berichten van hen,” antwoordde ik.
„Het doet mij genoegen dit te vernemen,” ging hij voort. „In Canterbury hebben wij elkander het laatst ontmoet, nietwaar? In de schaduw, mag ik er wel bijvoegen, van dat door Chaucer vereeuwigde, eerwaardige gebouw, dat vroeger de pelgrims tot zich trok uit de verst verwijderde streken—kortom.... in de nabijheid van de kathedraal.”
Ik antwoorde dat zijn geheugen hem niet bedroog, waarna hij steeds aan het praten bleef met buitengewone radheid, doch niet zonder eenige onrust te toonen bij het vernemen van geluiden in de aangrenzende kamer, waar blijkbaar mevrouw Micawber de handen waschte en haastig eenige laden open en dicht deed, die bijzonder stroef liepen.
„Gij vindt ons hier, Copperfield,” sprak mijnheer Micawber intusschen, „ingericht op een voet, die hoogst eenvoudig, ja zelfs bekrompen genoemd mag worden; gij weet echter dat ik in den loop van mijne carrière vele moeilijkheden moest overwinnen en vele hinderpalen uit den weg ruimen. Gij zijt ook niet onkundig van het feit, dat er tijdperken in mijn leven geweest zijn, waarin het noodig was geduld te oefenen tot zich zekere verwacht wordende gebeurtenissen zouden opdoen; waarin het noodzakelijk was eenige schreden terug te doen eer ik kon komen tot datgene, wat ik zonder eigenwaan durf noemen: een sprong. Het tegenwoordige is een van die gewichtige tijdperken in eens menschen leven. Gij vindt mij, achteruit getreden tot het doen van een sprong; welnu, ik heb reden genoeg om te gelooven dat het een reuzensprong zijn zal.”
Ik was nog bezig mijn genoegen hierover te kennen te geven, toen mevrouw Micawber binnenkwam; zij zag er nog een weinig slordiger uit dan vroeger, tenminste zoo scheen zij mij toe, maar het kan ook zijn dat ik haar ontwend was; toch had zij zich wat opgeknapt om visite te ontvangen en een paar bruine handschoenen aangetrokken.
„Lieve”, zei mijnheer Micawber, terwijl hij haar naar mij toebracht. „Hier is een heer, die zich Copperfield noemt en de kennismaking met u wenscht te hernieuwen.”
Zooals een oogenblik later bleek, zou het beter geweest zijn, indien hij haar een weinig op deze aankondiging had voorbereid, want mevrouw Micawber, die eene zwakke gezondheid had, was zoo ontsteld, dat mijnheer Micawber verplicht was naar de groote waterton op de achterplaats te snellen en een glas water te halen. Zij kwam echter spoedig weer bij en was werkelijk heel blij dat zij mij zag. Wij bleven met ons vieren nog een half uurtje praten; ik vroeg hoe de tweelingen het maakte, waarop zij antwoordde dat „zij groeiden als kool”, en informeerde naar jongeheer en jongejuffrouw Micawber, die zij beschreef als „wezenlijke reuzen”, zij kwamen echter niet voor den dag.
Mijnheer Micawber stond er op dat ik zou blijven eten, hetgeen ik wel zou hebben gedaan, als ik niet eene zekere onrust gelezen had op het gelaat van mevrouw Micawber; ik meende te bespeuren dat zij in zich zelve naging of het koude vleesch nog wel voldoende zou zijn. Ik verontschuldigde mij met te zeggen, dat ik eene afspraak gemaakt had en toen ik zag, dat het gelaat van mevrouw Micawber terstond ophelderde, liet ik mij niet overreden. Ik zeide echter, dat ik niet wilde heengaan voor zij een dag bepaald hadden, waarop Traddles en mijnheer en mevrouw Micawber bij mij het middagmaal zouden komen gebruiken. De drukke bezigheden van Traddles waren oorzaak dat het nog wat uitgesteld moest worden; maar eindelijk werden wij het toch eens en vonden wij een dag, waarop het ons allen gelegen kwam.
Ik nam nu afscheid en onder voorwendsel van mij een korteren weg te wijzen dan die, welken ik gekomen was, vergezelde mijnheer Micawber mij tot aan den hoek van de straat; hij verlangde er naar, zeide hij, een paar woorden in vertrouwen mede te deelen aan een oud vriend. Nauwelijks waren wij buiten of hij begon: „Beste Copperfield, ik behoef u nauwelijks te vertellen dat het in de bestaande omstandigheden voor ons een weldaad is, iemand in huis te hebben, met een hart als dat van mijnheer Traddles. Naast ons woont een waschvrouw, die harde beschuit te koop heeft uitgestald in haar zitkamer, en tegenover ons een inspekteur van politie, zoodat gij u wel zult kunnen begrijpen welk een bron van troost het gezelschap van mijnheer Traddles voor mij en voor mevrouw Micawber zijn moet. Gij moet weten, beste Copperfield, dat ik tegenwoordig een commissiehandel heb in granen. Het is geen winstgevend vak, kortom, er valt niet veel bij te verdienen, zoodat eenige voorbijgaande moeielijkheden van geldelijken aard er het gevolg van zijn geweest. Het doet mij echter genoegen hier te kunnen bijvoegen het vaste vooruitzicht te hebben, dat zich eerstdaags iets zal opdoen—het is mij niet geoorloofd nadere aanwijzingen te geven—waarin ik, naar ik vertrouw, zoowel voor mij zelven als voor mijnheer Traddles, in wien ik ongeveinsde belangstelling koester, een vast bestaan zal vinden. Gij zult waarschijnlijk reeds voorbereid zijn te vernemen dat mevrouw Micawber zich in een toestand bevindt, die op goede gronden doet vermoeden, dat er eerlang weder eene vermeerdering zal plaats hebben van die panden onzer genegenheid..... kortom, van ons troepje. De familie van mevrouw Micawber is wel zoo goed geweest haar ongenoegen over deze omstandigheid te kennen te geven. Het eenige, wat ik hierover heb op te merken, is, dat ik niet begrijp wat haar die omstandigheid aangaat en dat dergelijke gezegden mijn toorn en verontwaardiging opwekken!”
Mijnheer Micawber schudde mij daarna opnieuw beide handen en keerde terug.
XXVIII. Mijnheer Micawber's geldbelegging
Tot den dag waarop ik mijne oude vrienden aan mijn tafel zou zien, leefde ik hoofdzakelijk van Dora en koffie. Ik was veel te verliefd om te eten en dat verheugde mij, want ik had een gevoel, alsof men mij van trouweloosheid tegenover Dora zou hebben kunnen beschuldigen als ik mijn gewonen eetlust behouden had. De hoeveelheid lichaamsbeweging, die ik nam, miste de gewone uitwerking, omdat de teleurstelling den invloed der frissche lucht tegenwerkte. Ook betwijfel ik,—ik grond dien twijfel op de ondervinding van latere jaren—of iemand, die voordurend door nauwe laarzen gekweld wordt, wel een gezonden trek kan behouden in dierlijk voedsel. Naar het mij voorkomt moet men zich meer op zijn gemak gevoelen, wil de maag hare werking behoorlijk verrichten.
Bij gelegenheid van het huiselijk dinertje trad ik niet in eene herhaling van de uitgebreide toebereidselen van den vorigen keer. Ik zorgde voor een paar tongen, een schapeboutje en een duivenpastei. Juffrouw Crupp kwam in openbaren opstand toen ik bedeesd te kennen gaf, dat ik de visch en de schapebout gaarne in huis zou zien gereed gemaakt, en zei met eene verontwaardiging alsof haar de grootste beleediging was aangedaan: „Neen! Neen, mijnheer! Gij kunt mij zoo iets niet vragen! Gij moet mij beter kennen dan dat gij van mij iets zoudt kunnen eischen, waarmede ik geen eer kan inleggen.” Na lang heen- en weerpraten kwamen wij toch tot eene overeenkomst; juffrouw Crupp bewilligde in het volvoeren van het kunststuk, op voorwaarde dat ik daarna gedurende veertien dagen buitenshuis zou eten.
Ik mag hier niet nalaten te vermelden hoeveel ik leed onder de dwingelandij, die juffrouw Crupp langzamerhand over mij begon te oefenen. Nooit was ik voor iemand zoo bang als voor mijne eerste hospita. Bij alles moesten overeenkomsten gesloten worden. Maakte ik zwarigheid over het een of ander dan werd zij terstond aangetast door die wonderlijke kwaal, welke steeds op de loer scheen te liggen, gereed om hare levenskrachten te ondermijnen. Trok ik, na een half dozijn bedeesde belletjes wat ongeduldig aan de schel en kwam zij eindelijk—waarop ik volstrekt niet vast kon rekenen—dan ontstelde ik van haar verwijtenden blik; zij zonk dan gewoonlijk ademloos op den eersten stoel, die binnen haar bereik stond, legde de hand op haar nankingschen boezem en werd zoo naar, dat ik blijde was als ik haar, met opoffering van wat brandewijn of iets dergelijks, weer de deur uit zag gaan. Maakte ik de opmerking dat vijf uur des avonds een zeer ongeschikt tijdstip was voor het opmaken van mijn bed, dan was eene handbeweging naar den nankingschen zetel van gekwetste gevoeligheid voldoende, om mij mijne verontschuldigingen te laten aanbieden.—Kortom, ik zou—langs eerlijken weg natuurlijk—liever alles gedaan hebben dan juffrouw Crupp te kwetsen; ik was bang voor haar.
Ik kocht ergens uit de tweede hand een stommeknecht voor het diner, liever dan denzelfden handigen jongen man weder te huren; ik had een vooroordeel tegen hem opgevat, nadat ik hem op een Zondagmorgen was tegengekomen in een vest, dat eene merkwaardige gelijkenis had met één van mij, waarnaar ik sinds het laatste feest te vergeefs gezocht had. Het „kleine meisje” werd opnieuw aangenomen op de uitdrukkelijke voorwaarde echter, dat zij niets zou doen dan de schotels binnen brengen en daarna weder zou verdwijnen en op het portaal wachten; zoodat de gewoonte, die zij zich eigen gemaakt had om voortdurend den neus op te halen, voor de gasten niet merkbaar was en zij geen gevaar liep om bij achterwaartsche bewegingen op de borden te trappen.
Nadat ik de ingrediënten voor een punchbowl had gereed gezet, die mijnheer Micawber zou maken; na voor een fleschje eau de lavende, twee waskaarsen, een lood spelden en een speldenkussen gezorgd te hebben, opdat mevrouw Micawber in de gelegenheid zou zijn aan mijne waschtafel haar toilet te maken, tot welk doel ook de kachel op mijne slaapkamer was aan gelegd—men kon niet weten of mevrouw Micawber na het middagmaal ook een oogenblik zou willen rusten—en na eigenhandig het tafellaken uitgespreid te hebben, wachtte ik met gelatenheid de dingen af, die komen zouden.
Op het vastgestelde uur kwamen mijn drie gasten te zamen aan. Mijnheer Micawber's overhemd was nog grooter dan gewoonlijk en hij had een nieuw koordje aan zijn lorgnet; mevrouw Micawber's muts was in een licht grijs papier gewikkeld en werd door Traddles gedragen, die tevens mevrouw Micawber een arm had aangeboden. Zij vonden allen mijne kamers even mooi, en toen ik mevrouw Micawber voor mijn waschtafel bracht en zij zag hoe ik alles tot haar gerief had ingericht, was zij zoo verrukt, dat zij haar echtgenoot binnenriep om te komen kijken.
„Mijn beste Copperfield,” sprak hij, „dat is alles zeer weelderig ingericht en herinnert mij aan den tijd, toen ik zelf nog celibatair was en mevrouw Micawber nog niet gesmeekt was op Hymen's altaar eeuwige trouw te zweren.”
„Hij bedoelt, ‚door hem gesmeekt was,’ mijnheer Copperfield,” zei mevrouw Micawber met een schalksch lachje, „wat anderen gedaan hebben, kan hij niet weten.”
„Lieve,” antwoordde mijnheer Micawber, die plotseling ernstig was geworden, „wat anderen gedaan hebben, behoef ik ook niet te weten. Ik begrijp het maar al te goed dat, wijl gij door het onnaspeurlijk noodlot voor mij bewaard werdt, gij bewaard zijt voor iemand, wiens bestemming is om na eene langdurige worsteling eindelijk te vallen als het slachtoffer van de meest ingewikkelde geldelijke beslommeringen. Ik begrijp uwe toespeling, lieve, en betreur die, maar kan ze dragen.”
„Micawber!” riep zijne vrouw uit terwijl zij in tranen uitbarstte. „Heb ik dat verdiend? Ik, die u nooit verlaten heb en u nimmer verlaten zal, Micawber!”
„Lieve!” hernam mijnheer Micawber, hevig ontroerd, „gij zult het mij vergeven en onze oude, beproefde vriend Copperfield zal het mij ook vergeven, daarvan ben ik overtuigd, dat ik een oogenblik lucht gaf aan mijn overkropt gemoed, nu het overliep tengevolge van eene zoo even plaats gehad hebbende onaangenaamheid met een gunsteling van het gezag.... kortom met een brutalen kraanafsluiter van de waterleidingmaatschappij—gij zult mijne in overijling uitgesproken woorden vergeven, niet veroordeelen.” Daarna omhelsde mijnheer Micawber zijne vrouw en bood mij de hand; terwijl hij het aan mij overliet om uit zijne woordspeling op te maken, dat de kraan van de waterleiding dien morgen was afgesloten, omdat hij in gebreke was gebleven het gebruikte water te betalen.
Ten einde aan zijne sombere gedachten eene andere richting te geven, vertelde ik hem, dat ik op zijne hulp gerekend had voor het toebereiden van een punch-bowl en bracht hem bij de citroenen. In een oogwenk was zijne neerslachtige, zoo niet wanhopige stemming geweken. Nooit zag ik iemand zich zoo vergasten aan schijfjes citroen, suiker, brandende rhum en kokend water als mijnheer Micawber dien namiddag. Het was vermakelijk zijn bolrond gelaat te zien blinken tusschen de wolk van geurige dampen, die omhoog steeg; men zou eerder gemeend hebben, dat hij bezig was een fortuin te regelen voor zich zelven en zijn verste nageslacht dan een eenvoudigen punch-bowl te mengen. En Mevrouw Micawber? Ik weet niet of het ten gevolge van de muts was, of van de eau de lavende, of van de spelden, of van de warme kamer en de waskaarsen, maar toen zij weder binnenkwam, zag zij er bepaald lief uit. En geen leeuwerik was ooit vroolijker dan deze uitnemende vrouw.
Ik onderstel—ik heb er nooit naar durven vragen, zoodat ik slechts kan onderstellen—dat juffrouw Crupp na het bakken van de visch onwel is geworden. Hoe het zij, de schapebout werd binnengebracht, bleek van buiten, en rood van binnen; bovendien was ze bestrooid met eene gruisachtige zelfstandigheid, zoodat het vermoeden gewettigd was, dat ze in de asch van die merkwaardige keukenkachel gevallen was. Uit de jus konden wij deze gevolgtrekking echter niet maken, want het weinigje, dat er bij was geweest, was door „het meisje” op de trap gemorst, waar ze bleef liggen tot ze er afgeloopen was. De duivenpastei was niet slecht, maar eigenlijk geen pastei; de korst was als een hoofd, dat bij nader onderzoek teleurstelt; ze was vol bulten en knobbels, maar er zat niets bijzonders in. Kortom, het diner was zoo totaal mislukt, dat ik me diep ongelukkig zou gevoeld hebben—over het mislukken, bedoel ik, want ik voelde mij voortdurend ongelukkig over Dora—indien de bijzonder opgeruimde stemming van mijne gasten en een prachtig voorstel van Mijnheer Micawber mij niet opgewekt hadden.
„Mijn waarde vriend Copperfield,” zei hij, „in de best geregelde huishoudens heeft wel eens een ongeluk plaats en in huishoudens, waarin die alles doordringende geest ontbreekt, die geest, welke zijn heiligenden invloed... kortom, waarin geen vrouw aan het roer zit, die den verheven titel van huisvrouw draagt, moeten ze meermalen voorkomen en met lankmoedigheid gedragen worden. Indien gij mij wilt veroorlooven de vrijheid te nemen om te doen opmerken, dat er weinig gerechten in hunne soort beter zijn dan een zoogenaamde „duivel” en dat wij, eene behoorlijke verdeeling van arbeid in acht nemende, naar mij voorkomt, een voortreffelijke zouden kunnen verschaffen, indien dit meisje ons een rooster kan bezorgen: ik verzeker u, dat het kleine ongelukje dan uitstekend zal zijn te verhelpen.”
In de provisiekamer stond een klein rooster, waarop des morgens het spek voor mijn ontbijt werd geroosterd. Wij haalden dien terstond op en gingen zonder dralen aan het werk om mijnheer Micawber's plan te verwezenlijken. De verdeeling van arbeid, waarover hij gesproken had, was de volgende: Traddles sneed de schapebout in schijven; mijnheer Micawber, wien niemand dit zou verbeterd hebben, bestrooide ze met peper, mosterd, zout en cayennepeper; ik legde ze op een rooster, keerde ze met een vork om en nam ze er, op mijnheer Micawber's aanwijzing, af; terwijl mevrouw Micawber voortdurend zat te roeren in een pannetje met champignonsaus. Toen wij schijven genoeg hadden om mede te beginnen, vielen wij er met opgestroopte mouwen op aan, terwijl er voortdurend meer schijven op het vuur werden gelegd, zoodat wij onze aandacht moesten verdeelen tusschen die op ons bord en die op den rooster.
Het eigenaardige van zulk een gebak en gerooster, de uitmuntende resultaten, de drukte, het voortdurend opspringen om naar de kachel te gaan, het telkens weer neervallen op onze stoelen, wanneer de schijven knappend en sissend van den rooster op onze borden waren gelegd, het heete vuur, het rumoer en de uitlokkende geur, alles te zamen was zoo opwekkend, dat er al heel spoedig niets meer van de schapebout was overgebleven dan het kale bot. Mijn eigen eetlust was op merkwaardige wijze teruggekeerd. Ik schaam mij het te bekennen, maar ik geloof dat ik Dora gedurende eenigen tijd vergat. Ik geloof niet dat mijnheer en mevrouw Micawber met meer smaak gegeten zouden hebben, al hadden zij er een bed voor verkocht. Traddles lachte bijna onophoudelijk, zoowel etende als werkende. En dat deden wij allen zonder onderscheid, zoodat ik durf zeggen dat zelden een plan zoo goed is kunnen slagen.
Te midden van onze vroolijkheid, terwijl wij nog druk bezig waren, ieder in zijn eigen departement, en ons best deden om de laatste schijven tot eene volmaaktheid te brengen, die de kroon zou zetten op het geheele feest, bespeurde ik plotseling dat er iemand de kamer was binnengekomen, en toen ik mij omkeerde, keek ik in de strakke oogen van Littimer, die met den hoed in de hand voor mij stond.
„Wat is er aan de hand?” vroeg ik onwillekeurig.
„Excuseer, mijnheer; men heeft mij hierheen verwezen. Is mijnheer Steerforth niet hier?”
„Neen.”
„Hebt gij mijnheer Steerforth niet gezien?”
„Neen; komt gij dan niet van mijnheer?”
„Niet direct, mijnheer.”
„Heeft mijnheer gezegd dat gij hem hier zoudt vinden?”
„Niet bepaald, mijnheer. Ik vermoed echter dat mijnheer morgen wel hier zal komen, indien hij er heden niet geweest is.”
„Komt mijnheer uit Oxford?”
„Wil mijnheer zoo goed zijn plaats te nemen,” antwoordde hij op eerbiedigen toon, „en mij veroorloven dit werk te doen.” Te gelijker tijd nam hij mij de vork uit de hand—ik dacht aan geen tegenstribbelen—en boog zich over den rooster, alsof hij al zijne aandacht op de laatste schijven gevestigd had.
Ware Steerforth zelf binnengekomen, dan zouden wij ons geen oogenblik hebben laten storen, maar tegenover dezen hoogst fatsoenlijken knecht waren wij in een oogenblik zoo bedeesd als jongejuffrouwen. Mijnheer Micawber was, een deuntje neuriënd om te toonen dat hij zich zeer op zijn gemak voelde, achter in zijn stoel gaan zitten, terwijl het handvat van een haastig weggeborgen vork uit zijn borstzak stak, alsof hij zich daarmede had doorstoken. Mevrouw Micawber trok hare bruine handschoenen aan en deed haar best eene zekere voorname onverschilligheid ten toon te spreiden. Traddles streek met zijne vettige vingers door zijne haren, zoodat deze rechtop bleven staan, en staarde verlegen op het tafellaken. En ik zelf? Ik geleek een hulpeloos kind aan het hoofd van mijn eigen tafel en durfde nauwelijks een blik slaan op de uiterst fatsoenlijke verschijning, die daar uit den hemel nedergedaald scheen te zijn om wat orde te brengen in mijn huishouden.
Intusschen had hij reeds het vleesch van den rooster genomen en rondgediend. Wij namen er allen wat van, maar de aardigheid was er af en wij hielden ons maar of wij er van aten. Toen wij onze borden de een na den ander wegschoven, nam hij ze zonder eenig gedruisch van de tafel op en zette de kaas gereed; nadat allen een stukje genomen hadden, nam hij ook die weer weg, ruimde de tafel op, zette alles op den stommeknecht bijeen, gaf ons de wijnglazen en bracht, zonder eenige aanwijzing te vragen, den stommeknecht in de provisiekamer. Hij deed dit alles op onberispelijke wijze, zonder een enkele maal de oogen van zijn werk op te slaan en toch, zelfs zijn ellebogen schenen mij te zeggen dat ik nog erg jong was.
„Kan ik nog iets voor u doen, mijnheer?”
Ik bedankte hem en zei: „Neen”, maar vroeg of hij zelf niet wat wilde gebruiken.
„Neen, mijnheer, wel verplicht.”
„Komt mijnheer Steerforth van Oxford?”
„U zegt, mijnheer?”
„Komt mijnheer Steerforth van Oxford?”
„Ik onderstel dat mijnheer morgen hier zal komen. Ik meende dat mijnheer vandaag al hier zou zijn geweest. Zonder twijfel is de vergissing aan mijn kant, mijnheer.”
„Mocht gij mijnheer eerder zien dan ik”—zei ik.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar ik geloof niet dat ik mijnheer eerder zien zal.”
„Mocht dit zoo zijn,” antwoordde ik, „dan verzoek ik u mijnheer te zeggen dat het mij spijt hem vandaag niet bij mij te hebben gehad, omdat er een schoolkameraad van hem hier was.”
„Zoo, waarlijk, mijnheer!” Hij verdeelde zijne buiging tusschen mij en Traddles, met een glimlach naar laatstgenoemde.
Reeds was hij op zijne gewone zachte manier op weg naar de deur, toen ik in de ijdele hoop om iets op natuurlijken toon tot dien man te zeggen—dat mij maar niet kon gelukken—riep:
„O, ja, Littimer!”
„Mijnheer!”
„Zijt gij nog lang in Yarmouth gebleven?”
„Niet zoo heel lang, mijnheer.”
„Hebt gij de schuit nog geheel gereed gezien?”
„Ja, mijnheer, ik bleef immers achter met het doel om de schuit te zien gereed maken.”
„Ja, dat weet ik!”—Hij keek mij met een zekeren eerbied aan.—„Heeft mijnheer Steerforth de schuit al gereed gezien?”
„Ik kan het u niet zeker zeggen. Ik denk het wel—maar weet het niet zeker, mijnheer. Goeden avond, mijnheer.”
De buiging, die hij maakte, was voor allen te zamen bestemd en daarna verdween hij. Mijne gasten schenen ruimer adem te halen toen hij weg was, maar ik zelf voelde mij ook duizend pond lichter; want behalve het gevoel van minderheid, dat mij in tegenwoordigheid van dien man altijd beklemde, plaagde mijn geweten mij, omdat ik een blijk van wantrouwen in zijn meester had gegeven en was het mij niet mogelijk een gevoel van angst te onderdrukken, dat hij het opgemerkt zou hebben. Hoe kwam het toch dat ik, die zoo weinig te verbergen had, in tegenwoordigheid van dien man altijd vreesde, op het een of ander betrapt te zullen worden?
Mijnheer Micawber wekte mij uit mijne overpeinzing, waarin een knagend gevoel van angst zich mengde voor eene ontmoeting met Steerforth, door den afwezigen Littimer een allerfatsoenlijkst man en het puikje van alle heereknechten te noemen. Ik moet hier nog bijvoegen, dat mijnheer Micawber zich het leeuwendeel van de algemeene buiging toegeëigend en met eene zekere nederbuigende vriendelijkheid beantwoord had.
„Wel, beste Copperfield,” sprak hij, „punch is als de tijd en het getij, zij wacht op niemand. Op het oogenblik is ze volmaakt. Wilt gij uw oordeel er eens over uitspreken, lieve?”
Mevrouw Micawber vond ze uitmuntend.
„Indien mijnheer Copperfield mij deze vrijheid wil veroorloven,” ging mijnheer Micawber voort, „dan zal ik drinken op de herinnering aan de dagen, toen hij en ik jonger waren en ons te zamen door de wereld moesten slaan.” Daarna dronk hij zijn glas ledig en wij volgden dit voorbeeld. Traddles was blijkbaar zeer verwonderd te vernemen, dat er een tijd geweest was, waarin mijnheer Micawber en ik te zamen den strijd om het bestaan zouden gevoerd hebben.
„Ahem!” deed mijnheer Micawber. „Nog een glaasje, lieve?”
„Een half glas,” antwoordde mevrouw Micawber; maar dat wilden wij niet toestaan, zoodat het een vol glas werd.
„Nu wij hier zoo vertrouwelijk bij elkander zitten, Copperfield,” sprak mevrouw Micawber, kleine teugjes uit haar glas nemende,—„mijnheer Traddles behoort als het ware tot de onzen—zou ik gaarne eens uw oordeel kennen over de vooruitzichten van mijnheer Micawber. De granen—ik heb dat reeds meer dan eenmaal aan mijnheer Micawber gezegd—dat mag zeer fatsoenlijk zijn, winstgevend is het niet. Een commissieloon van twee shilling en negen stuivers in veertien dagen kan, hoe weinig eischend wij ook zijn mogen, onvoldoende geacht worden.”
Wij stemden dit allen toe.
„Welnu,” ging mevrouw Micawber voort, trotsch op haar helder inzicht in de zaken, waardoor zij haar echtgenoot met echt vrouwelijke wijsheid op den rechten weg hield, waarvan hij anders wellicht nu en dan zou zijn afgedwaald, „dan doe ik, zooals van zelf spreekt, deze vraag: Indien de granen niets opleveren, waarin dan? In de steenkolen? Ook niet! Wij hebben op raad van onze famillie de proef genomen in de steenkolen en zijn bedrogen uitgekomen.”
Mijnheer Micawber leunde met de handen in de zakken achterover in zijn stoel, knikte nu en dan eens met zijn hoofd, keek ons beurtelings aan en gaf door zijne geheele houding te kennen, dat, naar zijn oordeel, de zaak uitmuntend werd voorgedragen.
„Granen en steenkolen,” ging mevrouw Micawber in haar gewonen betoogtrant voort, „moeten dus geheel buiten beschouwing blijven, mijnheer Copperfield; wat is dus natuurlijker dan dat ik in de wereld rondkijk en zeg: Waarin zou een man met mijnheer Micawber's talenten dan wel fortuin kunnen maken? Ik sluit daarbij alle commissiehandel uit, want die geeft nooit zekerheid. Ik ben overtuigd dat iemand met mijnheer Micawber's eigenaardig karakter zekerheid hebben moet.”
Traddles en ik gaven beiden door een goedkeurend gemompel te kennen, dat deze groote ontdekking zonder twijfel eene even groote waarheid was en mijnheer Micawber tot eer strekte.
„Ik zal voor u, Copperfield, niet verhelen,” vervolgde mevrouw Micawber, „dat ik reeds eenigen tijd er over gedacht heb of de bierbrouwerij niet bijzonder geschikt zou zijn voor iemand als mijnheer Micawber. Daar hebt gij Barclay en Perkins! Truman, Hanbury en Buxon! Het brouwersvak neemt in den laatsten tijd zulk een hooge vlucht, dat mijnheer Micawber—ik zeg dit omdat ik hem zoo goed ken—daarin zonder twijfel zou uitblinken en, naar men mij verteld heeft, moet er ontzaglijk veel geld mede verdiend worden! Maar als mijnheer Micawber geen deelgenoot in een dezer firma's kan worden—zijne brieven, waarin hij zich zelfs als ondergeschikte aanbood, zijn niet eens beantwoord—wat baat het ons dan om aan zulk een denkbeeld te blijven hangen? Niets! Ik mag al de overtuiging koesteren dat mijnheer Micawber's talenten.....”
„Hm! waarlijk, lieve,” zoo viel mijnheer Micawber haar in de rede.
„Stil, beste,” hernam zijne echtgenoote, terwijl zij haar bruinen handschoen op zijn arm legde, „ik mag al de overtuiging hebben, mijnheer Copperfield, dat mijnheer Micawber's talenten hem zeer geschikt doen zijn voor eene bankierszaak; ik mag al zeggen dat, indien ik geld bij een bankier had gedeponeerd, mijnheer Micawber mij, als vertegenwoordiger van dat bankiershuis, vertrouwen zou inboezemen; maar als geen der bankiershuizen wil partij trekken van mijnheer Micawber's bekwaamheden, ja, indien zij zelfs zijn aanbod om daarvan partij te trekken met minachting van de hand slaan, wat baat het ons dan op dat denkbeeld te blijven staan? Niets! En zelf een bankiershuis oprichten? Ja, ik weet dat er leden in mijne familie zijn, die, indien zij hun geld in handen van mijnheer Micawber wenschten te geven, zeer goed de grondstoffen voor een bankiershuis zouden kunnen leveren. Maar indien zij dat niet wenschen—en zij wenschen het niet—wat baat het dan! Ik beweer dus dat wij nog even ver zijn als zoo even.”
Ik knikte en zei: „Nog even ver.” En Traddles knikte ook en zei: „Nog even ver.”
„Wat moet ik nu daaruit afleiden?” vervolgde mevrouw Micawber, nog steeds zich beijverend om heel duidelijk te zijn. „Wat is de slotsom, mijn beste Copperfield, waartoe ik onherroepelijk komen moet? Heb ik ongelijk als ik zeg: het is duidelijk dat wij moeten leven?”
„Neen, volstrekt niet,” antwoordde ik en ook Traddles antwoordde: „Neen volstrekt niet,” en ik voegde er later nog heel wijsgeerig bij, dat iemand moest leven of sterven.
„Juist,” riep mevrouw Micawber uit. „Dat is het juist. Maar het is ook een feit, beste Copperfield dat wij niet kunnen leven indien zich niet spoedig iets opdoet, geheel verschillend van onze tegenwoordige omstandigheden. Ik ben echter overtuigd en ik heb dit mijnheer Micawber in den laatsten tijd verscheidene malen onder het oog gebracht, dat zich uit zichzelf niets kan opdoen. Wij moeten tot op zekere hoogte helpen om zich iets te laten opdoen. Het is mogelijk dat ik het mis heb, maar het is en blijft mijne overtuiging.”
Traddles en ik verklaarden dat wij het beiden volkomen met haar eens waren.
„Welnu,” vervolgde mevrouw Micawber, „welken raad zal ik dan geven? Hier is mijnheer Micawber met eene groote verscheidenheid van bekwaamheden, met vele talenten....”
„Waarlijk, lieve,” viel mijnheer Micawber in.
„Och, beste, laat mij uitspreken. Hier is mijnheer Micawber met eene groote verscheidenheid van bekwaamheden, met vele talenten.... met genie, zou ik bijna zeggen, maar dat zou beschouwd kunnen worden als een partijdig oordeel, omdat ik zijne vrouw ben....”
Traddles en ik mompelden beiden: „Neen.”
„En hier is mijnheer Micawber zonder eenige voegzame betrekking of bezigheid. Wie draagt daarvan de verantwoordelijkheid? De maatschappij natuurlijk. Ik zou daarom zulk een schandelijk feit bekend willen maken en van de maatschappij willen eischen zulk eene onrechtvaardigheid weg te nemen. Het komt mij voor, Copperfield,” ging zij met verheffing van stem voort, „dat mijnheer Micawber der maatschappij den handschoen moet toewerpen en zeggen: ‚Laat mij nu eens zien wie dien durft oprapen! Ik ben onmiddellijk tot zijn dienst.’”
Ik waagde de vraag hoe mijnheer Micawber dit moest aanleggen.
„Door te adverteeren,” antwoordde mevrouw Micawber, „door te adverteeren in alle couranten. Het komt mij voor, dat, om recht te laten wedervaren aan zichzelven, aan zijne familie, ja, ik durf zeggen aan de maatschappij, die hem tot heden toe niet heeft willen begrijpen, mijnheer Micawber in alle couranten moet adverteeren; hij moet eene beschrijving geven van zichzelven, van zijne bekwaamheden en dan vervolgen: En nu, wie wil op gunstige voorwaarden van deze bekwaamheden gebruik maken? Adres franco brieven, W. M. postkantoor Camden Town.”
„Dit denkbeeld van mevrouw Micawber, mijn beste Copperfield,” zoo nam mijnheer Micawber nu het woord, terwijl hij zijne boorden onder de kin naar elkaar trok en ons van ter zijde aankeek, „is eigenlijk de sprong, waarover ik u sprak, toen ik het genoegen had u weder te ontmoeten.”
„Adverteeren kost veel geld,” deed ik aarzelend opmerken.
„Ja, zeker!” zei mevrouw Micawber op denzelfden redeneertoon. „Dat is zeer waar beste Copperfield! Ik heb dezelfde opmerking aan mijnheer Micawber gemaakt. Voornamelijk om die reden meen ik ook dat mijnheer Micawber—zooals ik reeds zeide om zich zelven, zijne familie en de maatschappij recht te laten wedervaren—een sommetje moest opnemen—op een wisseltje bij voorbeeld.”
Mijnheer Micawber, die in zijn stoel achterover leunde, speelde met zijn lorgnet en keek naar de zoldering, hoewel hij, als ik mij niet bedroog, tevens een zijdelingschen blik naar Traddles wierp.
„Indien geen enkel lid van mijne familie,” hernam mevrouw Micawber, „welwillend genoeg is om dat wisseltje aan te nemen—ik meen dat er een koopmansterm bestaat om uit te drukken wat ik bedoel.....”
Met de oogen nog steeds op de zoldering gevestigd, zei mijnheer Micawber: „honoreeren”.
„Dat wisseltje te honoreeren,” hernam mevrouw Micawber, „dan moet mijnheer Micawber, volgens mijne opinie, naar de City gaan en trachten zooveel geld er op te krijgen als men er voor geven wil. Moet mijnheer Micawber zich daartoe groote opofferingen getroosten dan is dit eene zaak, die de heeren van de Beurs met hun geweten in het reine moeten brengen. Ik beschouw het als eene goede geldbelegging en ik raad mijnheer Micawber dat ook te doen, beste Copperfield; ik raad hem dit als eene solide geldbelegging te beschouwen, die zonder twijfel winst moet afwerpen, waarom hij zich gerust elke opoffering getroosten kan.”
Ik begreep, maar ik ben er zeker van dat ik niet wist waarom, dat het plan door mevrouw Micawber geopperd, voortsproot uit hare trouwe, zelfopofferende liefde voor haar echtgenoot en mompelde ook iets in dien geest. Traddles, die mijn voorbeeld in alles volgde, deed evenzoo en bleef in het vuur kijken.
„Ik wil,” hernam mevrouw Micawber, terwijl zij haar glas ledigde en haar fichu omdeed, hetgeen ik als een teeken beschouwde, dat zij naar mijne slaapkamer wilde gaan, „ik wil mijne opmerkingen aangaande mijnheer Micawber's finantiëele omstandigheden niet voortzetten. Aan uw gezelligen haard, Copperfield, en in tegenwoordigheid van mijnheer Traddles, die geheel tot de onzen behoort, al is zijne vriendschap van later dagteekening dan de uwe, kon ik niet nalaten u bekend te maken met den weg, dien ik mijnheer Micawber raad in te slaan. Ik voel dat het tijd wordt voor mijnheer Micawber om zich eens in te spannen en tevens—ik voeg dit er bij—zich eens te laten gelden en het komt mij voor dat de door mij voorgestelde weg de eenige is. Ik weet dat ik maar eene zwakke vrouw ben en dat het mannelijk geslacht gewoonlijk meer bevoegd geoordeeld wordt om in zulke aangelegenheden raad te geven; maar ik moet niet vergeten dat toen ik nog thuis bij papa en mama woonde, papa gewoon was te zeggen: ‚Emma is teer van gestel, maar zij heeft een inzicht in zaken zooals niemand.’ Ik weet wel dat papa's oordeel partijdig was, maar mijn plicht en mijn verstand verbieden mij aan zijne groote mate van menschenkennis te twijfelen.”
Na deze woorden stond zij op en aangezien zij doof bleef voor ons dringend verzoek om ons bij den punch-bowl haar aangenaam gezelschap te blijven schenken, geleidde ik haar naar mijne slaapkamer. Ik voelde op dit oogenblik dat zij eene edeldenkende vrouw was, eene vrouw, zooals er onder de Romeinsche vrouwen veel gevonden werden, die in tijden van algemeenen nood allerlei heldendaden verrichtten.
Onder den indruk van dit gevoel wenschte ik mijnheer Micawber geluk met den kostbaren schat, dien hij in zijne echtgenoote bezat. En Traddles volgde mijn voorbeeld. Mijnheer Micawber gaf ons een voor een de hand en bedekte daarna het gelaat met zijn zakdoek, waaraan meer snuif kleefde dan hij klaarblijkelijk vermoedde. Daarna keerde hij in de vroolijkste stemming naar de punch-kom terug.
Wat was hij welsprekend! Hij bracht ons aan het verstand, dat wij in onze kinderen herleven en dat onder den druk van geldelijke moeielijkheden elke vermeerdering van het aantal dubbel welkom is. Hij zeide, dat mevrouw Micawber eenigen tijd geleden aangaande dat punt in twijfel verkeerd had, maar dat hij haar twijfel op de vlucht gejaagd en haar gerustgesteld had. Hare familie was harer onwaardig en huldigde opvattingen, geheel verschillend met de zijne; zij mochten allen, wat hem betrof—ik herhaal zijn eigen woorden—naar den duivel loopen. Daarna hield mijnheer Micawber eene warme redevoering op Traddles, die, volgens hem, een aantal deugden bezat, waarop hij, Micawber, niet kon bogen, maar die hij, den Hemel zij dank, kon bewonderen. Hij sprak in gevoelvolle woorden over de jonge dame, schoon hem onbekend, wie Traddles vereerd had met zijne genegenheid, en die deze genegenheid beantwoordde door Traddles hare genegenheid te schenken en tot een gelukkigen sterveling te maken. Mijnheer Micawber dronk op hare gezondheid en ik volgde zijn voorbeeld. Traddles beantwoordde dezen toost met een eenvoud en eene oprechtheid, die mij nog meer voor hem innamen, zeggende: „Ik betuig u beiden mijn hartelijken dank en ik kan u verzekeren, dat zij het liefste meisje van de wereld is.”
Mijnheer Micawber nam daarop de eerste gunstige gelegenheid te baat, om op de meest kiesche wijze en zoo plechtstatig mogelijk naar den toestand van mijn hart te informeeren. Niets dan de plechtige verzekering van het tegendeel uit den mond van zijn vriend Copperfield zelven, zoo verzekerde hij, kon hem den indruk ontnemen, dat zijn vriend Copperfield beminde en bemind werd. Na eenigen strijd met mijn bloed, dat mij gloeiend heet naar de wangen stroomde; na eenige malen eene ontkenning gestameld te hebben, nam ik met een gloeienden blos mijn glas op en zei: „Welnu, ik drink op de gezondheid van D.!” Mijnheer Micawber geraakte over deze woorden in zulk eene opgewondenheid, dat hij met zijn glas in de hand mijne slaapkamer binnenstormde, ten einde mevrouw Micawber op de gezondheid van D. te laten drinken. En zij deed het met geestdrift en riep met schelle stem: „Bravo! bravo! Beste Copperfield! Wat ben ik daar blijde om! Bravo!” en bij wijze van applaus klopte zij tegen den muur.
Daarna nam ons gesprek eene meer prozaïsche wending. Mijnheer Micawber vertelde ons dat Camden Town hem volstrekt niet beviel en dat het eerste wat hij doen zou, indien zich naar aanleiding van zijne advertentie iets opdeed, zou zijn: verhuizen. Hij sprak over eene woning aan het Westelijk uiteinde van Oxford Street tegenover Hyde Park, waarop hij reeds langen tijd het oog had; het was echter niet te verwachten, voegde hij er bij, dat hij terstond zoo groot zou kunnen beginnen, omdat hij zich dan op te kostbaren voet zou moeten inrichten. Waarschijnlijk zou er eenigen tijd moeten verloopen, gedurende welken hij zich zou moeten vergenoegen met een bovenhuis—in Piccadilly bijvoorbeeld—boven eene fatsoenlijken winkel of iets dergelijks. Piccadilly zou ook voor mevrouw Micawber een vroolijke stand zijn, en door een balcon te laten aanbrengen of nog eene verdieping er op te zetten en dergelijke veranderingen meer, zou men er eenige jaren genoegelijk kunnen wonen. Maar wat er ook voor hem mocht zijn weggelegd en waar hij zich ooit metterwoon zou vestigen, wij konden er vast op rekenen, dat er altijd een kamer voor Traddles en een mes en vork voor mij zouden te vinden zijn. Wij betuigden onze erkentelijkheid daarvoor, waarop hij zich verontschuldigde, omdat hij ons zoo lang over zijn eigen zaken en belangen had beziggehouden maar, zoo eindigde hij, het is te vergeven in iemand, die aan den vooravond staat van zulk eene geheel andere levenswijze.
Aangezien mevrouw Micawber op den muur klopte om te vernemen of de thee gereed was gezet, braken wij dit gedeelte van ons vriendschappelijk onderhoud af. Zij schonk thee voor ons en was de beminnelijkheid zelve; telkens wanneer ik bij haar kwam om een kopje of een bordje aan te nemen, vroeg zij mij op fluisterenden toon of D. blond of donker, klein of lang was en zoo al meer;—ik geloof dat deze vragen mij op dat oogenblik wel in eene aangename stemming brachten. Na de thee namen wij bij den haard plaats en behandelden nog een aantal verschillende onderwerpen; terwijl mevrouw Micawber zoo goed was met een mager, schel stemmetje, dat ik, als ik het mij goed herinner, bij flauw tafelbier vergeleek, eenige van haar meest geliefkoosde liederen voor te dragen. Mevrouw Micawber was bepaald beroemd geweest om hare liederen, toen zij nog bij haar papa en mama woonde, en mijnheer Micawber vertelde ons hoe zij daardoor reeds de eerste maal, dat hij onder haars vaders dak vertoefde, zijne aandacht getrokken had, en hij gedurende het luisteren naar de romance „de kleine Tafflin” besloten had hare hand te vragen of te sterven.
Tusschen tien en elf uur stond mevrouw Micawber op, pakte haar muts in hetzelfde papier, waarin zij die had medegebracht en begon haar hoed op te zetten; terwijl mijnheer Micawber van het oogenblik, dat Traddles zijn overjas aantrok, gebruik maakte om mij een brief in de hand te stoppen, met het fluisterend uitgesproken verzoek om dien eens op mijn gemak te lezen. Ik maakte van eene andere gelegenheid gebruik om Traddles iets in het oor te fluisteren. Terwijl ik namelijk over de leuning van de trap met eene kaars bijlichtte en mijnheer Micawber zijne echtgenoote behulpzaam was, hield ik Traddles een oogenblik staande.
„Traddles,” zei ik, „hij meent het niet kwaad, de arme drommel; maar als ik u was zou ik hem niets leenen.”
„Beste Copperfield,” antwoordde hij glimlachend, „ik bezit niets om te leenen.”
„Gij hebt toch een naam, begrijpt gij wel?”
„O! bedoelt gij dat?”
„Ja, zeker.”
„O!” hernam Traddles. „Ja, zeker, ik ben u zeer verplicht, Copperfield, voor uw raad, maar—ik geloof zeker dat ik hem dien reeds geleend heb.”
„Voor den wissel, die zulk eene goede geldbelegging moet worden?” vroeg ik.
„Neen,” antwoordde Traddles. „Daarvoor niet. Ik hoorde er van avond voor het eerst over spreken. Ik onderstel dat hij daarover op weg naar huis wel zal beginnen. Mijn naam staat onder een anderen.”
„Ik hoop toch dat gij er geen kwade gevolgen van zult ondervinden,” zei ik.
„Dat hoop ik ook,” zei Traddles. „Ik geloof het niet, want hij vertelde mij den volgenden dag, dat er voor gezorgd was. Ik herinner het mij zeer goed; hij zei anders niets dan ‚voor gezorgd’.”
Aangezien mijnheer Micawber juist op dit oogenblik naar boven keek, had ik nog slechts even de gelegenheid om mijne waarschuwing te herhalen. Traddles bedankte mij en ging de trap af. Toen ik hem echter, goedhartig als altijd, met de muts van mevrouw Micawber in de hand, deze een arm zag aanbieden, bekroop mij de vrees, dat hij tot over de ooren in de goede geldbeleggingen zou geraken.
Ik keerde naar mijn kachel terug en zat half ernstig, half lachend te peinzen over mijnheer Micawber's karakter en de oude betrekking tusschen ons, toen ik iemand met een haastigen stap de trap hoorde opkomen. In het eerste oogenblik meende ik dat Traddles terugkwam om iets te halen, dat door mevrouw Micawber vergeten was; maar toen de stap naderbij kwam, herkende ik dien van Steerforth. Mijn hart klopte hoorbaar en het bloed stroomde mij naar de wangen.
Ik had Agnes nog niet vergeten; zij behield in mijne gedachten altijd dezelfde eereplaats, die zij in het begin van mijn verblijf te Canterbury had ingenomen. Maar toen Steerforth binnentrad en voor mij stond met uitgestrekte hand, kwam er een gevoel van schaamte in mij op, omdat ik aan iemand, van wien ik zooveel hield, getwijfeld had. Toch bleef ik niet minder van Agnes houden; ik zag nog steeds in haar de vriendelijke, zegenende engel op mijn levensweg; ik verweet het mij zelven, haar niet, dat ik Steerforth onrecht had aangedaan en ik zou hem dat op alle mogelijke wijzen hebben willen vergoeden, indien ik maar geweten had wat ik doen moest en hoe ik het doen moest.
„Wel, Groentje, oude jongen, hoe staat gij daar zoo verbluft te kijken!” zei Steerforth lachend, terwijl hij mij de hand schudde. „Heb ik u weer op feestvieren betrapt, Sybariet, die gij zijt. Die heeren van Doctors' Commons zijn de vroolijkste lui uit de stad en schudden ons, suffe Oxforders, uit de mouw!” Zijn blik gleed opgeruimd de kamer rond, terwijl hij tegenover mij plaats nam op de canapee, die mevrouw Micawber juist verlaten had, en het vuur wat opporde.
„Ik was in het eerste oogenblik zoo verrast,” zei ik, terwijl ik hem zoo gastvrij mogelijk welkom heette, „dat ik nauwelijks genoeg adem had om u te begroeten, Steerforth!”
„Ja, het doet zieke oogen goed mij te zien, zooals men in Schotland zegt,” antwoordde Steerforth, „en het doet mij ook goed u te zien, zoo frisch en zoo bloeiend. Hoe maakt gij het, mijn drinkebroertje?”
„Uitstekend, maar van avond trek ik mij dien bijnaam niet aan, hoewel ik bekennen moet een feestje gehad te hebben.”
„Ja, ik ontmoette twee heeren en eene dame op straat, die luide uw lof verkondigden,” antwoordde Steerforth. „Wie was die vriend met de spanbroek?”
Ik gaf hem eene nauwkeurige beschrijving van mijnheer Micawber, waarom Steerforth hartelijk lachte. Hij zei, dat hij met dien man ongetwijfeld kennis moest maken.
„En wien denkt gij wel dat die tweede vriend was?” vroeg ik.
„Dat mag de Hemel weten!” antwoordde hij. „Toch geen vervelende vent? Hij zag er, dunkt mij, naar uit.”
„Dat is Traddles!” riep ik vol geestdrift.
„Wie?” vroeg Steerforth op zijne onverschillige manier.
„Herinnert gij u Traddles niet? Traddles, die ook op onze kamer lag op Salem House!”
„O, die jongen!” zei hij, met de pook een groot stuk steenkool tot gruizels slaande. „Is hij nog altijd even onnoozel? Waar, in 's Hemels naam, hebt gij hem teruggevonden?”
Ik hemelde Traddles zooveel ik kon op, want ik had het gevoel dat Steerforth een minachtend denkbeeld van hem koesterde. Blijkbaar stapte hij liever van dit onderwerp af. Hij glimlachte en knikte even en zei, dat het hem aangenaam zou zijn Traddles ook eens te ontmoeten, omdat hij hem altijd zulk een „rare Chinees” had gevonden. Daarna vroeg hij of ik ook iets te eten voor hem had, maar gedurende het geheele gesprek had hij, wanneer hij zelf niet op zijn gewonen levendigen toon aan het woord was, met den pook in het vuur zitten porren, en terwijl ik een restantje van de duivenpastei voor hem opdischte, bleef hij daarmede voortgaan.
„Maar, Groentje, dat is een koninklijk souper!” riep hij uit, plotseling de stilte verbrekende. „Ik zal er eer aan doen,” voegde hij er bij, „want ik kom juist uit Yarmouth.”
„Ik meende dat gij uit Oxford waart gekomen.”
„Wel neen,” zei hij, „ik ben op zee geweest—dat is veel gezonder!”
„Littimer is van avond hier geweest om naar u te vragen,” vertelde ik, „en ik heb van hem begrepen dat gij te Oxford waart; ofschoon, nu ik er goed over nadenk, heeft hij dit niet bepaald gezegd.”
„Littimer is nog grooter dwaas dan ik dacht; hij behoefde niet naar mij te komen vragen,” zei Steerforth, terwijl hij zich een glas wijn inschonk en op mijne gezondheid dronk. „Maar, Groentje, gij moet verstandiger zijn dan de meesten van ons, als gij hem begrijpen kunt.”
„Dat is waar, zeker,” antwoordde ik, terwijl ik mijn stoel wat dichter bij de tafel schoof. „En zijt gij dus in Yarmouth geweest, Steerforth?” vroeg ik. „Zijt gij daar lang geweest?” Ik stelde er genoeg belang in om alles te weten.
„Neen,” antwoordde hij. „Een uitstapje van een week ongeveer.”
„En hoe maken zij het allen? De kleine Emily is nog niet getrouwd, nietwaar?”
„Neen, nog niet. Over zooveel weken of maanden, geloof ik—maar dat weet ik niet juist. Ik heb hen niet dikwijls gezien. A propos,”—hij legde mes en vork neer en tastte in zijn jaszak—„ik heb een brief voor u meegebracht.”
„Van wien?”
„Wel, natuurlijk van uw oude kindermeid,” antwoordde hij, terwijl hij eenige papieren te voorschijn haalde. „J. Steerforth, Esquire, debet aan het.... neen, dat is het niet. Geduld maar, wij zullen hem wel vinden. De oude—hoe heet hij ook weer?—is er slecht aan toe, geloof ik.”
„Bedoelt gij Barkis?”
„Ja!” riep hij, al zoekende, „het raakt gedaan met den armen Barkis, vrees ik. Ik ontmoette daar een klein apothekertje of chirurgijn—dat is ook wel mogelijk—die UEdele in de wereld heeft geholpen. Hij vertelde mij allerlei geleerdheid over het geval, maar het resultaat van alles was, dat de voerman binnen eenige dagen zijne laatste reis zal maken.—Kijk eens in den binnenzak van mijn overjas, die ginds op den stoel ligt; daar zult gij den brief wel vinden. Is hij er in?”
„Ja, ik heb hem!” zei ik.
„Dan is alles in orde!”
De brief was van Peggotty, nog wat minder leesbaar dan gewoonlijk, maar heel kort. Zij beschreef mij den hopeloozen toestand van haar man en voegde er bij dat hij nog „knibbeliger” was dan gewoonlijk en het haar dientengevolge zoo moeilijk viel iets tot zijn eigen bestwil te doen. Er stond geen woord in over al de nachten, die zij wakend doorbracht, over hare moeilijke taak, neen, niets dan loftuitingen over hem. In alles straalde haar eenvoud, hare ongekunstelde, oprechte vroomheid door en de brief eindigde met de groeten aan haar „eeuwigen” lieveling, waarmede zij mij bedoelde.
Terwijl ik dat alles ontcijferde, ging Steerforth met zijn souper voort.
„Het is zeker slechte tijding,” zei hij, toen ik gereed was, „maar elken dag gaat de zon onder en elke minuut sterven er menschen; wij moeten ons niet verontrusten over het lot, dat allen treffen moet. Indien wij ons angstig maken over ons eigen lot, omdat te eeniger tijd de hand, die aan alle deuren aanklopt, zich ook aan de onze zal laten hooren, kunnen wij niets tot stand brengen. Neen! Voorwaarts! Altijd voorwaarts! Als het moet, in volle vaart; recht op het doel af! Over alle hindernissen heen! Dan eerst heeft men kans den prijs te winnen!”
„Welken prijs?” vroeg ik.
„Den prijs, waarvoor de wedren is begonnen,” antwoordde hij. „Altijd voorwaarts!”
Toen hij zweeg en mij, met het hoofd een weinig achterover en het glas in de hand, aankeek, maakte ik in mij zelven de opmerking—ik herinner mij dat zeer goed—dat al had de zeewind eene frissche kleur op zijn gelaat achtergelaten, er toch eene uitdrukking op lag, die ik er vroeger niet op had gezien; dat het sporen vertoonde van de eene of andere aanhoudende krachtsinspanning, waaraan hij zich zoo hartstochtelijk kon overgeven, wanneer de lust er toe eenmaal in hem was opgewekt. Ik dacht er over, hem eens te zeggen hoe verkeerd ik het vond op zoo doldriftige wijze iedere in hem opkomende gril na te jagen—zooals nu bijvoorbeeld weder dien inval, om in alle weer en wind de woeste zee te trotseeren—maar ik liet dit denkbeeld varen, om tot het eigenlijke onderwerp van ons gesprek terug te keeren.
„Als gij eens bedaard naar mij wilt luisteren, Steerforth, zal ik u iets vertellen,” sprak ik.
„O, zeker, gaarne,” antwoordde hij, terwijl hij zijn stoel van de tafel naar den haard schoof.
„Ik ben voornemens mijn oude Peggotty eens te gaan opzoeken. Wel kan ik haar niet behulpzaam zijn, maar zij is zoo aan mij gehecht, dat mijn bezoek haar zeker goed zal doen. Het zal haar verkwikken en wat moed geven in hare moeilijke taak. Zij is altijd zoo goed voor mij geweest en dit is het eenige dat ik voor haar doen kan. Zoudt gij het ook niet doen, als gij in mijne plaats waart?”
Hij bleef een oogenblik in gepeins verzonken zitten, eer hij, half binnensmonds, antwoordde: „Wel zeker. Ga er heen. Het kan geen kwaad.”
„Gij komt juist van Yarmouth terug; het zou dus vergeefsche moeite zijn u uit te noodigen om mij te vergezellen.”
„Onmogelijk! Ik ga van avond nog naar Highgate. Ik heb mijne moeder in langen tijd niet gezien. Mijn geweten knaagt, want het is waarlijk eenig zooals zij haar verloren zoon liefheeft.—Maar wat zit ik toch te bazelen! Gij zoudt natuurlijk morgen reeds willen gaan?” vroeg hij, terwijl hij beide handen op mijne schouders legde en mij op armslengte van zich af hield.
„Ja, dat was mijn plan.”
„Welnu, ga er dan overmorgen heen. Ik ben juist hier gekomen om u te vragen of gij een paar dagen bij ons wilt komen en nu vliegt gij weer op eens naar Yarmouth.”
„Gij moogt wel spreken van „vliegen”, gij, die geen dag rustig ergens blijven kunt en nauwelijks den eenen geheimzinnigen tocht achter den rug hebt of gij verzint weer wat anders.”
Hij keek mij eenige oogenblikken aan zonder te antwoorden, terwijl hij mij nog steeds op dezelfde wijze vasthield.
„Kom! Zeg overmorgen, en breng morgen den dag bij ons door! Wie weet wanneer wij elkander zullen terugzien! Kom! Zeg overmorgen! Ik heb u noodig om mij van Rosa Dartle te scheiden.”
„Zoudt gij elkaar anders al te innig liefhebben?”
„Ja—of haten,” zei Steerforth; „maar dat blijft hetzelfde. Kom, zeg overmorgen!”
Ik zei: „overmorgen” en daarop trok hij zijne overjas aan, stak een nieuwe sigaar op en ging heen. Ziende dat het hem ernst was om nu nog te vertrekken, trok ik ook mijne overjas aan—ik stak echter geen sigaar op, want ik had aan die ééne genoeg gehad—en bracht hem tot op den straatweg. Wat zag die weg er bij nacht eenzaam en verlaten uit! Steerforth was vroolijker dan ooit en toen wij afscheid hadden genomen, zag ik hem zoo moedig en luchtig daar heenstappen, dat ik niet kon nalaten aan zijn woorden te denken: „Voorwaarts! Over alle hindernissen heen! Dan eerst wint men den prijs!” Voor de eerste maal wenschte ik hem toe, dat het doel zijner waardig zijn zou.
Terwijl ik mij op mijne kamer uitkleedde, viel de brief van mijnheer Micawber voor mij op den grond. Ik verbrak het zegel en begon te lezen. Hij was gedateerd: anderhalf uur voor ons diner.—Ik weet niet of ik reeds heb meegedeeld, dat mijnheer Micawber in zijne wanhopigste buien een zekeren stijl gebruikte, waaraan hij de kracht scheen toe te kennen om zijne zaken in eens te regelen.
De brief luidde:
„Mijnheer! (ik durf niet schrijven: Waarde Copperfield).
Ik ben verplicht u mede te deelen, dat ondergeteekende vernietigd is. Wellicht zult gij heden nu en dan eene poging van hem waarnemen, om u eene ontijdige bekentenis van zijn jammerlijken toestand te besparen; maar al mijn hoop is tot beneden den horizon gedaald—de ondergeteekende is vernietigd.
Dit schrijven wordt op papier gebracht in tegenwoordigheid—ik kan niet zeggen in gezelschap—van een persoon, die in een voortdurenden staat van dronkenschap verkeert en in dienst is van een deurwaarder. Deze persoon is in het wettig bezit van een dwangbevel betreffende de huurpenningen van mijne tegenwoordige woning. Zijn inventaris bevat niet alleen alle roerende goederen, die den ondergeteekende als huurder van deze woning op eene overeengekomen jaarlijks te betalen som, toebehooren, maar ook die van Mr. Thomas Traddles, commensaal, lid van de „Honourable Society of the Inner Temple.”
Indien er nog een droppel alsem mocht ontbreken in den beker, dien ondergeteekende—zoo sprak een onsterfelijk schrijver—naar de lippen wordt gebracht, dan zal die zeker gevonden worden in de noodlottige omstandigheid, dat voorvermelde Mr. Thomas Traddles borg gebleven is voor de som van 23 pond, 4 shillingen 9½ stuiver en dat hiervoor niet is gezorgd. Het feit zal zich dus ‚opdoen’ dat bij alle verplichtingen, die ondergeteekende op zich genomen heeft, nog een tweede slachtoffer de dupe zal worden; want de wissel, hiervoren bedoeld, moet verschijnen—om ronde getallen te noemen—binnen zes maanden na den dag van heden.
Na deze premissen zou het overdaad zijn hier nog bij te voegen, dat er voor eeuwig stof en asch is gestrooid op het hoofd van
Wilkins Micawber.”
Arme Traddles! Ik kende mijnheer Micawber voldoende om te weten, dat hij dezen slag wel zou te boven komen; maar mijn nachtrust werd op jammerlijke wijze verstoord, omdat ik voortdurend moest denken aan Traddles en aan de domineesdochter, die er eene was van tien en in Devonshire woonde en die zulk een lief meisje was en op Traddles zou wachten—welk een vooruitzicht!—al werd zij zestig jaar!
XXIX
Ik bezoek Steerforth voor de laatste maal.
Ik deelde mijnheer Spenlow mede dat ik eenige dagen afwezig zou blijven; aangezien ik nog geen salaris ontving en dientengevolge nog niet afhankelijk was van den onvermurwbaren Jorkins, kon hij niets daar tegen hebben. Ik nam deze gelegenheid te baat—de stem stokte mij bijna in de keel en er kwam een nevel voor mijne oogen, terwijl ik de woorden uitsprak—om naar de gezondheid van Juffrouw Spenlow te informeeren; waarop mijnheer Spenlow met eene kalmte, alsof hij over een gewoon menschelijk wezen sprak, mij bedankte voor mijne belangstelling en zei dat zij heel wel was.
Wij, ongesalariëerde klerken en aanstaande proctors, werden met de grootste inschikkelijkheid behandeld, zoodat ik bijna mijn eigen meester was. Aangezien ik echter geen lust had vroeger dan een of twee uur te Highgate te komen en wij dien morgen weder een excommunicatie-zaakje hadden,—Tipkens contra Bullock, tot heil van de ziel van laatstgenoemde—bracht ik in afwachting daarvan nog eenige uren op zeer aangename wijze met mijnheer Spenlow door. Dit proces was ontstaan tusschen twee kerkvoogden; een van hen was beschuldigd den ander tegen een pomp geduwd te hebben en aangezien de zwengel van de pomp tegen de school aankwam en deze school met de kerk onder één dak was gebouwd, werd de overtreding tot een kerkelijk delict gestempeld. Het was een vermakelijk proces, dat mij, toen ik op de bok van de diligence naar Highgate zat, telkens deed denken aan hetgeen mijnheer Spenlow gezegd had van „raken aan de Commons en het land gaat te gronde.”
Mevrouw Steerforth ontving mij zeer hartelijk, evenals Rosa Dartle. Ik was zeer blijde, dat Littimer er niet was en wij bediend werden door een zedig kamermeisje met blauwe linten aan de muts, wier blik, als ik dien toevallig ontmoette, veel vriendelijker was en mij veel minder verlegen maakte dan die van den hoogst fatsoenlijken, doch onuitstaanbaren Littimer. Wat ik echter hoofdzakelijk opmerkte, reeds toen ik nog geen half uur in huis was, dat was de oplettendheid, waarmede juffrouw Dartle al mijne gangen gadesloeg, en de loerende blik, waarmede zij telkens van mij naar Steerforth en van Steerforth naar mij keek, alsof zij in afwachting verkeerde van iets, dat tusschen ons beiden gebeuren moest. Zoo dikwijls ik naar haar keek, zag ik haar mager gezicht met de holle, donkere oogen en scherpgeteekende wenkbrauwen op mij gericht of plotseling overgaande op Steerforth, wanneer zij niet ons beiden tegelijk gadesloeg. En zij schaamde zich volstrekt niet wanneer zij bemerkte dat ik zag hoe zij ons bespiedde, neen, des te scherper vestigde zij dan haar doordringenden blik op mij. En hoe onschuldig ik ook was aan elk vergrijp, waarvan zij mij verdenken kon, sloeg ik mijne oogen neer voor de hare, die schitterden als de oogen van een hongerigen wolf.
Den geheelen dag scheen zij overal te gelijk te zijn. Toen ik met Steerforth op zijne kamer zat te praten, hoorde ik het ritselen van hare japon op de veranda. Toen wij ons op het grasperk achter het huis met het balspel vermaakten, zag ik haar gezicht als een dwaallicht van raam tot raam gaan, tot het achter een hoekraam ons bleef bespieden. Toen wij des avonds met ons vieren een wandeling gingen maken, sloeg zij haar magere hand om mijn arm, zoodat deze als in een schroef was geklemd, en bleef met mij achter, terwijl Steerforth en zijne moeder vooruitliepen.
„Gij zijt lang weggebleven,” sprak zij. „Hebt gij werkelijk zulk eene drukke en belangwekkende betrekking, dat gij daardoor geheel in beslag genomen wordt? Ik vraag dit omdat ik gaarne op de hoogte wil komen van alles wat ik niet weet. Is het werkelijk zoo?”
Ik antwoordde dat mij mijne betrekking wel goed beviel, maar dat ik er nu niet zooveel ophef van maken kon.
„O, wat ben ik blijde dat te weten, want ik word gaarne terechtgewezen wanneer ik het mis heb,” zei Rosa. „Gij bedoelt zeker dat ze wat droog is?”
„Ja,” antwoordde ik, „misschien is ze wat droog.”
„O! Dan is dat zeker de reden waarom gij wat ontspanning en verandering noodig hebt—wat opwekking en zoo?” vroeg zij. „Ja, dat is waar.... maar is het niet wat.... hé, voor hem; ik bedoel niet voor u?”
Een snelle blik naar Steerforth, die gearmd met zijne moeder voor ons uit wandelde, verried mij wien zij meende; maar overigens begreep ik haar niet. En ik twijfel niet of dit moet ook op mijn gezicht te lezen zijn geweest.
„Neemt het hem—ik zeg niet dat het zoo is, maar ik wil het gaarne weten—neemt het hem niet te veel in beslag? Is dat niet de oorzaak waarom hij nog kariger is met zijne bezoeken aan zijne teeder liefhebbende.... hé?” Wederom gleed een snelle blik naar moeder en zoon, gevolgd door een op mij, die mijne geheimste gedachten scheen te lezen.
„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik, „denk toch niet....”
„Dat doe ik ook niet!” sprak zij. „O, lieve Hemel, neen; onderstel toch niet dat ik iets denk! Ik ben niet achterdochtig. Ik vraag maar iets. Ik heb er geen meening over. Ik wilde juist trachten een meening te krijgen uit hetgeen gij mij zoudt vertellen. Is het dus zoo niet? Welnu, ik ben blij dat ik het weet.”
„Het is volstrekt niet zoo,” antwoordde ik, geheel van mijn stuk, „dat het aan mij te wijten zou zijn, indien Steerforth langer dan gewoonlijk van huis is weggebleven—ik wist zelfs niet dat het zoo was en verneem het nu voor het eerst van u. Ik heb hem in al dien tijd niet gezien voor gisterenavond.”
„Niet?”
„Waarlijk niet, juffrouw Dartle.”
Terwijl zij mij met groote oogen aankeek, zag ik dat haar gelaat al bleeker en spitser werd en het litteeken zich al duidelijker begon af te teekenen, tot het zich dwars over beide lippen uitstrekte. Daar lag iets angstverwekkends voor mij in, vooral toen zij mij met schitterende oogen bleef aankijken en zeide:
„Wat voert hij uit?”
Ik herhaalde deze woorden, meer voor mij zelven dan voor haar, zoo verbaasd was ik.
„Wat voert hij uit?” herhaalde zij op zulk een hartstochtelijken toon dat het mij toescheen of een inwendig vuur haar verteerde. „En waarbij helpt die man hem, die mij altijd zoo aankijkt met zijne ondoorgrondelijke, valsche oogen? Indien gij eerlijk en trouw zijt, vraag ik u niet uw vriend te verraden. Ik vraag u alleen mij te zeggen of het nijd is, of haat, of trots, of onrust, of de een of andere dwaze gril of liefde, waardoor hij wordt meegesleept?”
„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik, „hoe zal ik u vertellen, zoodat gij geloof slaat aan mijn woorden, dat ik niets meer van Steerforth weet dan toen ik de eerste maal hier was. Ik geloof werkelijk dat er niets is. Ik begrijp zelfs niet wat gij bedoelt.”
Terwijl zij stil bleef staan om mij in de oogen te zien, kwam er eene trekking of klopping in dat akelige litteeken, waarbij ik niet kon nalaten aan pijn te denken, en werd de hoek aan de lip opgetrokken alsof zij minachting of medelijden wilde te kennen geven. Zij hield er snel hare hand voor—een hand zoo mager en teer, dat ik die zeker voor porcelein zou hebben gehouden, wanneer zij daarmede haar gelaat tegen het licht of de vlam had willen beschutten—en zei op driftigen, hartstochtelijken toon:
„Ik bezweer u dit geheim te houden.” Daarna zeide zij niets meer.
Mevrouw Steerforth was bepaald gelukkig dat haar zoon bij haar was en Steerforth zelf was vol attenties voor haar. Het was zeer belangwekkend voor mij hen samen te zien, niet alleen om de bewijzen van hunne wederzijdsche genegenheid op te merken, maar ook uit hoofde van de sterke gelijkenis, die er tusschen hen bestond. Zijn trotschheid en onstuimigheid vond ik in haar terug, maar verzacht door leeftijd en sekse tot eene zekere waardigheid. Meer dan eens dacht ik hoe gelukkig het was, dat er nooit aanleiding had bestaan tot ernstige geschillen tusschen moeder en zoon; want twee dergelijke karakters—beter ware het te zeggen twee dergelijke schakeeringen van hetzelfde karakter—zouden minder gemakkelijk te verzoenen zijn geweest dan de meest uiteenloopende. Ik moet echter bekennen, dat dit denkbeeld geen gevolg was van mijne eigene opmerkingsgave, maar van een gezegde van juffrouw Rosa Dartle.
Toen wij aan tafel zaten, zeide zij:
„O, vertel mij toch eens, een van allen.... ik heb er den ganschen dag over gepeinsd en zou het gaarne weten.”
„Wat zoudt gij gaarne weten, Rosa?” vroeg mevrouw Steerforth. „Toe, ik smeek u, Rosa, wees toch niet zoo geheimzinnig.”
„Geheimzinnig!” riep zij. „O! Waarlijk? Houdt gij mij daarvoor?”
„Moet ik u niet telkens weder verzoeken, duidelijker en op uwe gewone natuurlijke manier te spreken?” zei mevrouw Steerforth.
„Zoo? Is dit dan niet mijne natuurlijke manier?” vroeg zij. „Gij moet toch een weinig geduld met mij hebben, want ik vraag slechts inlichtingen. Wie durft zeggen, dat hij zich zelven kent?”
„Het is een tweede natuur, van u geworden,” hernam mevrouw Steerforth zonder eenig ongenoegen te toonen; „ik herinner mij echter zeer goed—en dat moet gij ook wel doen, Rosa—dat gij eene geheel andere manier van spreken hadt, dat gij minder omzichtig waart en veel vertrouwelijker.”
„Ik weet zeker dat gij gelijk hebt,” antwoordde zij; „zoo went iemand zich slechte gewoonten aan! Waarlijk? Minder omzichtig en veel vertrouwelijker? Hoe is het mogelijk dat ik, zonder het te bemerken, zoo veranderd kan zijn? Het verbaast mij! Het is dwaas! Ik zal mijn best doen om weder te worden zooals vroeger.”
„Ik hoop dat het u gelukken zal,” antwoordde mevrouw Steerforth glimlachend.
„O, ik wil het! Waarlijk!” hernam Rosa. „Ik wil openhartigheid trachten te leeren van—laat eens zien—van James.”
„Gij kunt op geen betere school gaan, Rosa,” zei mevrouw Steerforth snel, want er lag altijd iets spotachtigs in hetgeen Rosa zeide, zelfs al sprak zij, zooals thans, op den meest argeloozen toon.
„O, dat weet ik; daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde zij en legde een buitengewonen nadruk op deze woorden. „Als ik ergens van overtuigd ben dan is het daarvan, dat spreekt van zelf.”
Het scheen wel, dat mevrouw Steerforth spijt had, zich een weinig geraakt getoond te hebben, want zij sprak nu op vriendelijken toon.
„Maar, lieve Rosa, wij moeten nog altijd hooren wat gij zoo gaarne zoudt willen weten?”
„Wat ik zoo gaarne zou willen weten?” herhaalde zij op uitdagend koelen toon. „O! Het was alleen of menschen, die, wat hunne zedelijke constitutie betreft veel op elkander gelijken—zedelijke constitutie—dat is immers de goede uitdrukking?”
„Even goed als elke andere,” zei Steerforth.
„Dank u;—of menschen, die wat hunne zedelijke constitutie betreft, veel op elkander gelijken, grooter gevaar loopen om van elkander te vervreemden indien er tusschen hen eens een ernstig geschil ontstond, dan anderen, die niet in dien toestand verkeeren?”
„Mij dunkt, ja,” zei Steerforth.
„Zoo, waarlijk?” riep zij. „Goede Hemel! Onderstel dan eens voor een oogenblik—men kan de meest dwaze dingen onderstellen—dat gij en uwe moeder eens een ernstig geschil kreegt.”
„Maar lieve Rosa,” zoo viel mevrouw Steerforth haar met een goedaardig lachje in de rede, „ga toch van eene andere onderstelling uit! De Hemel geve, dat James en ik onzen plicht jegens elkander beter kennen!”
„O!” zei Rosa, haar hoofdje peinzend schuddende. „Zeker! Dat zou het beletten! Natuurlijk zou het dat. Juist; ik ben blij zoo dwaas geweest te zijn; ik ben blij deze onderstelling gemaakt te hebben, want het is zoo heerlijk te weten, dat uw plicht het u zou beletten! Ik dank u zeer.”
Ik moet nog eene omstandigheid vermelden, die met Rosa Dartle in betrekking stond; want ik heb reden gehad om mij die later te herinneren, toen het geheele verleden onherstelbaar voorbij was. Den ganschen dag, of liever van dit tijdstip af, deed Steerforth zijn uiterste best—hetgeen hem echter zeer gemakkelijk scheen te vallen—om dit zonderlinge schepsel te behagen en in eene vriendelijke stemming te brengen. Dat hij daarin slaagde, gaf mij geene aanleiding tot eenige verbazing. Dat zij zou moeten zwichten voor den betooverenden invloed van zijne beminnelijke manieren—toen nog zou ik gezegd hebben, zijn beminnelijk karakter—verbaasde mij evenmin, al wist ik dat zij bevooroordeeld en niet gemakkelijk te overtuigen was. Ik zag hoe hare gelaatstrekken en hare manieren langzamerhand eene verandering ondergingen; ik zag hoe hare bewondering voor hem steeg; ik zag dat hare pogingen om zich tegen de bekoring, die van hem uitging, te verzetten al zwakker en zwakker werden, maar dat zij zich bleef verzetten alsof zij zich hare zwakheid bewust was; en eindelijk zag ik hoe er langzamerhand een vriendelijke trek, ja zelfs een glimlach kwam op haar spichtig gelaat. Nu was ik niet langer bang voor haar, zooals ik werkelijk den geheelen dag geweest was, en wij zaten met ons vieren bij den haard te praten en te lachen, zoo vroolijk en uitgelaten alsof wij nog kinderen waren.
Of het was omdat wij daar zoo lang gezeten hadden of omdat Steerforth het eenmaal behaalde voordeel niet wilde prijsgeven, dat weet ik niet, maar wij bleven, nadat zij was heengegaan, niet langer dan vijf minuten in de eetkamer. „Zij speelt op de harp,” zei Steerforth zacht, bij de deur van het salon; „en niemand dan mijne moeder heeft haar dat in de laatste drie jaren hooren doen.” Hij zei dit met een zonderlingen glimlach, die terstond weder verdween; en toen gingen wij de kamer binnen en vonden haar alleen.
„Speel toch door,” zei Steerforth, want zij was opgestaan; „speel toch door, lieve Rosa. Doe ons het genoegen en zing eens een Iersch lied voor ons.”
„Wat geeft gij om een Iersch lied?” vroeg zij.
„O, heel veel!” antwoordde Steerforth. „Meer dan om eenig ander lied. En ons Groentje houdt zoo dol veel van muziek! Zing eens een Iersch lied, Rosa, en laat mij er weder als van ouds naar zitten luisteren.”
Hij raakte haar, noch den stoel, waarvan zij was opgestaan, aan, maar nam bij de harp plaats. Gedurende eenige oogenblikken bleef zij er naast staan, terwijl hare rechterhand de beweging maakte, alsof zij speelde, maar de snaren niet aanraakte. Eindelijk ging zij zitten, trok de harp met een ruk naar zich toe en begon te zingen en te spelen.
Ik weet niet wat het was in haar spel of in haar stem, dat aan haar zang iets bovenaardsch gaf, iets, zooals ik in mijn geheele leven niet gehoord heb, ja mij zelfs niet heb kunnen voorstellen. Er lag iets ijzigs in. Het was alsof hetgeen zij zong nooit geschreven of op muziek gezet was, maar opwelde uit haar hartstochtelijk gemoed, alsof hare stem te zwak was om het te uiten; terwijl het zich weder verschuilde, telkens wanneer zij zweeg. Ik was er nog geheel van onder den indruk, toen zij reeds weder over hare harp gebogen stond en hare rechterhand langs de snaren liet glijden zonder ze aan te raken.
Eene minuut later werd ik echter uit mijne verdooving gewekt door Steerforth, die opstond, den arm lachend om haar middel sloeg en zei: „Kom Rosa, wij zullen elkaar voortaan heel liefhebben!” Maar zij duwde hem van zich af en sloeg naar hem als een wilde kat, waarna zij schreiende de kamer uitging.
„Wat scheelt Rosa toch?” vroeg mevrouw Steerforth, binnenkomende.
„Zij is een engel geweest,” antwoordde Steerforth, „d. w. z. een oogenblik; zij verviel echter onmiddellijk in het andere uiterste, om zich schadeloos te stellen.”
„Gij moet haar niet plagen, James. Bedenk dat haar humeur veel geleden heeft en men er niet te veel van mag vergen.”
Rosa kwam niet terug en er werd verder niet over haar gesproken tot ik met Steerforth naar boven ging en hij mij op zijne kamer goeden nacht wenschte. Hij lachte toen over hare opvliegendheid en vroeg mij of ik ooit iemand ontmoet had, met zulk een onbegrijpelijk humeur.
Ik gaf zooveel verbazing te kennen als ik op dat oogenblik vermocht en vroeg hem, of hij begreep, wat zij eensklaps zoo kwalijk genomen had.
„Dat weet de Hemel,” zei Steerforth. „Alles wat gij maar wilt; mogelijk ook niets! Ik heb u gezegd dat zij alles, zich zelve incluis, op een slijpsteen brengt, en scherpt. Zij is als een werktuig, dat aan alle kanten scherp is en met groote voorzichtigheid behandeld moet worden. Maar gevaarlijk—dat is ze altijd. Goeden nacht!”
„Goeden nacht!” zei ik, „beste Steerforth. Eer gij wakker zijt ben ik reeds vertrokken.”
Hij wilde mij niet laten heengaan en evenals op mijn kamer, legde hij beide handen op mijne schouders en sprak:
„Groentje—al is dit niet de naam, die uwe peten u gegeven hebben, ik noem u zoo het liefst en wenschte wel, dat gij mij ook zoo noemen kondt.... ja.... dat wenschte ik.”
„Welnu, als ik dat ook wensch, kan ik het doen,” antwoordde ik.
„Groentje, als er ooit iets gebeurt, dat ons zou kunnen scheiden, denk dan aan mij, zooals ik vroeger was, oude jongen. Willen wij dat afspreken? Mochten de omstandigheden ons ooit scheiden, denk dan aan mij, zooals ik was in mijn besten tijd.”
„Gij hebt voor mij geen ‚besten’ tijd, Steerforth, ook geen slechten. Ik heb altijd veel van u gehouden en gij hebt altijd een eerste plaats ingenomen in mijn hart.”
Ik voelde zooveel wroeging omdat ik hem ooit, zelfs maar in mijne gedachten, verongelijkt had, dat de bekentenis van deze zonde mij bijna op de lippen kwam. Ik deinsde echter terug voor het verraad, dat ik aan Agnes zou plegen, maar in mijne verlegenheid zou hij haar toch vernomen hebben, indien hij mij niet nogmaals met een „God zegen u, Groentje” goeden nacht had gewenscht. Alleen tengevolge van mijne aarzeling bleef hij er onkundig van; wij schudden elkander de hand en scheidden.
De zon was nauwelijks op, toen ik reeds gekleed bij zijne kamerdeur stond en even een blik daarbinnen waagde. Hij lag vast te slapen, met het hoofd op zijn arm, zooals ik hem op school zoo dikwijls had zien liggen.
Er brak een tijd aan, waarin ik mij verbaasde, dat zijn rust door niets werd verstoord, terwijl ik naar hem keek. Maar hij sliep—laat mij zoo aan hem blijven denken—zooals ik hem zoo menigmaal op school had zien slapen, en zoo verliet ik hem in dit stille morgenuur.
Nimmer meer, de Hemel moge het u vergeven, Steerforth.... nimmer zou ik hem de vriendenhand drukken.... nimmer, nimmer meer!
XXX
Een verlies.
Dienzelfden avond nog stapte ik aan de herberg te Yarmouth af. Ik wist dat Peggotty's kleine kamertje—mijn kamertje—waarschijnlijk al heel spoedig in gebruik zou moeten worden genomen, wanneer de groote Gast, voor wien al wat leeft moet plaats maken, zijn intrek in de woning nemen zou; ik ging dus naar de herberg en bestelde daar een kamer.
Te tien uur 's avonds ging ik uit. Reeds waren vele winkels gesloten en de straten eenzaam en verlaten. Toen ik bij Omer en Joram kwam, waren de luiken reeds voor de ramen, maar de deur stond nog open. Ik zag mijnheer Omer met de pijp in den mond bij de kamerdeur zitten, ging den winkel binnen en vroeg hoe hij het maakte.
„Wel, heb ik nu ooit van mijn leven!” riep mijnheer Omer, „hoe staat het met uw eigen gezondheid? Ga zitten. De rook hindert u immers niet?”
„Volstrekt niet,” antwoordde ik. „Ik houd er veel van—uit de pijp van een ander tenminste.”
„Wat, rookt gij zelf niet?” vroeg mijnheer Omer lachend. „Zooveel te beter, mijnheer. Een slechte gewoonte voor jonge menschen. Ga zitten. Ik moet wel rooken—tegen het asthma.”
Mijnheer Omer was opgestaan om mij een stoel aan te bieden. Thans zat hij weer geheel buiten adem, terwijl hij aan zijn pijp trok, alsof daarin het heulsap verborgen was, dat hem in het leven moest houden.
„Het spijt mij, dat ik zulke slechte tijding omtrent Barkis gekregen heb,” zei ik.
Mijnheer Omer keek mij strak aan en schudde het hoofd.
„Hebt gij van avond ook iets omtrent hem gehoord?” vroeg ik.
„Ik had u dezelfde vraag willen doen, mijnheer,” antwoordde mijnheer Omer, „maar ik heb het uit kieschheid nagelaten. Het is de schaduwzijde van ons vak. Als iemand ziek is, durven wij bijna niet naar zijn toestand informeeren.”
Dit bezwaar was niet in mij opgekomen, hoewel ik, binnengaande, wel gevreesd had het oude deuntje te zullen hooren. Nu er over gesproken werd moest ik het echter erkennen en deed dit ook.
„Ja, ja, gij begrijpt het wel,” zei mijnheer Omer hoofdschuddend. „Wij kunnen dat niet doen. Goede Hemel, de meeste zieken zouden den schok niet te boven komen, wanneer men hun zei: „compliment van Omer en Joram en hoe het van morgen—of van avond—met u is?””
Wij knikten elkander toe en mijnheer Omer riep zijn pijp te hulp om weder bij adem te komen.
„Ons beroep houdt ons daarom terug van beleefdheden, die wij anders gaarne zouden bewijzen,” hervatte hij. „Al heb ik Barkis wellicht veertig jaar lang zien voorbijrijden, kan ik nu toch niet naar zijne vrouw gaan en vragen: Hoe gaat 't met hem?”
Ik voelde dat het hard was voor mijnheer Omer en zei hem dat.
„Ik geloof niet, dat ik baatzuchtiger ben dan andere menschen,” vervolgde hij. „Kijk mij maar eens aan! Ieder oogenblik kan mijn adem mij begeven en het is niet waarschijnlijk, dat ik dan, bij mijn weten namelijk, baatzuchtig zijn zal. Ik zeg ‚het is niet waarschijnlijk’ voor iemand, die weet, dat als eenmaal zijn adem hem begeeft, de omstanders zullen meenen, dat er een blaasbalg knapt.... en die man is nog wel grootvader.”
„Dat geloof ik ook niet,” zei ik.
„Ik kan volstrekt niet klagen over mijn beroep,” ging hij voort. „Volstrekt niet. Elk beroep heeft zijn voor- en nadeelen. Ik zou echter wel wenschen, dat men in het algemeen wat minder bevooroordeeld was.”
Met een gezicht, dat blonk van vergenoegdheid, blies hij na deze woorden zwijgend eenige rookwolken na elkander uit en daarna zei hij, op het begin van ons gesprek terugkomende: „Willen wij daarom weten hoe het met Barkis gaat, dan moeten wij ons bepalen tot de berichten, die de kleine Emily medebrengt. Zij weet wel wat de reden is waarom wij het zelf niet vragen en koestert even weinig achterdocht omtrent ons, alsof wij allen lammeren waren. Minnie en Joram zijn juist naar haar toegegaan—zij is des avonds bij hare tante om te helpen—om te vragen hoe het van avond met den zieke is; zoo gij dus wilt wachten tot zij terugkomen, kunt gij alle bijzonderheden vernemen. Wilt gij niet wat gebruiken? Een glas rumgrog bijvoorbeeld? Ik gebruik dat zelf ook bij mijne pijp, omdat men beweert, dat het de wegen verzacht, waar die lastige adem langs moet gaan. Maar, goede Hemel!” voegde hij er bij: „het zijn de wegen niet die ziek zijn! ‚Geef mij maar adem genoeg’ zeg ik dikwijls tegen mijn dochter Minnie, ‚dan zal ik er de wegen wel voor vinden, beste meid.’”
Hij kon op dit oogenblik volstrekt geen adem krijgen en het was angstverwekkend hem te zien lachen. Toen hij weder zoo ver was, dat ik met hem kon spreken, bedankte ik voor de aangeboden verfrissching, die ik afsloeg omdat ik pas gegeten had; ik verklaarde echter gaarne te willen wachten, zooals hij de goedheid gehad had mij aan te bieden, tot zijne dochter en zijn schoonzoon terugkwamen. Intusschen vroeg ik hoe de kleine Emily het maakte.
„Wel, mijnheer,” antwoordde mijnheer Omer, de pijp uit den mond nemende ten einde zijne kin te wrijven, „als ik u de waarheid mag zeggen ..... ik zal blijde zijn als zij goed en wel getrouwd is.”
„Hoe zoo?” vroeg ik.
„Zij is zoo wonderlijk tegenwoordig. Niet dat zij niet zoo lief is als vroeger, neen, zij is liever ... ik verzeker u dat zij liever is. Ook is het niet omdat zij niet zoo goed werkt als vroeger, volstrekt niet, want dat doet zij wel. Zij was zoo goed als zes anderen en is zoo goed als zes anderen. Maar, als ik het zoo eens zeggen mag: het is met haar hart niet in orde. Ik weet niet of gij begrijpt wat ik in het algemeen met deze woorden bedoel,” vervolgde mijnheer Omer, na nogmaals zijne kin gewreven en eenige trekjes aan zijne pijp gedaan te hebben. „Als ik zeg: ‚Allo mannen, nog één ruk, en nog een fikschen ruk, hoera!’ dan geloofde ik dat ik zoo ongeveer uitdruk wat ik in Emily mis.”
Mijnheer Omer's gezicht en zijne gebaren waren zoo welsprekend, dat ik met een gerust geweten kon knikken alsof ik zijne bedoeling begreep. Mijne vlugheid van begrip scheen hem te bevallen, want hij ging voort: „Nu, ik beschouw dit als een gevolg van de onzekerheid, waarin zij verkeert, begrijpt gij. Ik heb daarover lang en breed gepraat met haar oom en haar aanstaanden man; maar ik voor mij blijf het beschouwen als een gevolg van de onzekerheid waarin zij verkeert. Gij moet altijd bedenken,” vervolgde hij, al met het hoofd schuddende, „dat zij een buitengewoon gevoelig, hartelijk klein ding is. Het spreekwoord zegt: ‚Men kan uit een varkensoor geen zijden beursje maken,’ maar dat geef ik nog niet zoo grif toe. Ik geloof dat men het wel kan, als men maar vroeg begint. Zij heeft van die oude schuit een huis gemaakt, mijnheer, waarbij menig ander van hardsteen en marmer niet te vergelijken is wat gezelligheid betreft.”
„O, dat heeft zij zeker!” verklaarde ik.
„Het is een genot te zien hoe innig veel zij houdt van haar oom,” vervolgde mijnheer Omer, „hare aanhankelijkheid wordt bij den dag grooter. Nu, als dat het geval is moet er strijd gevoerd worden in haar hartje, dat kan niet anders. Maar waarom moet die langer duren dan noodig is?”
Ik luisterde met aandacht naar den goeden, ouden man en stemde van ganscher harte in met hetgeen hij zeide.
„Ik heb hun daarom het volgende gezegd,” ging hij voort op een toon, waarin eenige zelfvoldoening niet te miskennen was, „ik zeide: ‚Gij behoeft Emily op geenerlei wijze gebonden te achten. Volstrekt niet. Bepaal zelf maar den tijd. Zij heeft veel meer diensten bewezen dan ik kon vermoeden; zij heeft ook veel vlugger geleerd dan ik kon vermoeden; Omer en Joram kunnen een streep halen door hetgeen nog blijft staan en zij is vrij, wanneer zij den wensch maar te kennen geeft. Wil zij een schikking treffen om later nog eens een kleinigheid thuis voor ons te doen, heel goed. Doet zij dat niet—ook goed. Wij zijn in geen enkel opzicht bij haar te kort gekomen.’ Want, ziet ge,” vervolgde hij, terwijl hij mij even met zijne pijp aanraakte, „een man met zoo weinig adem als ik en dan nog wel een grootvader kan zulk een lief bloempje met zulke heerlijke blauwe oogen den voet niet dwars zetten.”
„Neen, natuurlijk niet!” riep ik uit.
„Natuurlijk niet! Dat zegt gij goed! Welnu, mijnheer, haar neef—gij weet dat zij met haar neef gaat trouwen?”—
„O, ja,” antwoordde ik. „Ik ken hem heel goed.”
„Ja, dat is waar ook, gij kent hem; welnu, haar neef schijnt goed werk te hebben en ook een flink werkman te zijn; hij bedankte mij op zeer manlijke wijze—over het geheel dwingt zijn gedrag eerbied af—en huurde zulk een allerliefst klein huisje, als gij of ik ons maar zouden kunnen wenschen. Dat kleine huisje is nu geheel gemeubileerd, zoo keurig en gezellig als een poppenkamertje en als de ziekte van Barkis niet een spaak in het wiel had gestoken, zouden zij al man en vrouw zijn. Nu is het huwelijk echter uitgesteld.”
„En is Emily nu niet meer zoo ongedurig?” vroeg ik.
Hij wreef zijn kin weder met zijne pijp en antwoordde: „dat zou buiten alle verwachting zijn. Het vooruitzicht van de verandering en de scheiding, alles is nu zoowel nabij als veraf. De dood van Barkis zou geen reden zijn tot uitstel, maar indien hij bleef sukkelen, zou het huwelijk zeker uitgesteld worden. Hoe het zij, het is, zooals gij ziet, een onzekere toestand voor haar.”
„Dat is zoo,” gaf ik toe.
„Ten gevolge daarvan,” ging mijnheer Omer voort, „is Em'ly niet zoo opgewekt als vroeger en wat gejaagd. Het schijnt wel dat zij bij den dag meer van haar oom gaat houden en het haar hoe langer hoe meer moeite zal gaan kosten om van hem en ons te scheiden. Een vriendelijk woord van mij brengt telkens tranen in haar oogen en als gij haar bezig zaagt met Minnie's kleine meid, zoudt gij een tooneeltje zien dat gij nimmer vergeet. Het is verbazend zooveel als zij van dat kind houdt!”
Nu de gelegenheid zoo gunstig was vroeg ik mijnheer Omer, eer ons gesprek door de thuiskomst van zijne dochter en haar man werd verstoord, of hij in den laatsten tijd ook iets van Martha gehoord had.
„Och,” antwoordde hij, hoofdschuddend en met een bedrukt gezicht, „niet veel goeds. Dat is eene treurige geschiedenis, mijnheer, van welken kant gij die ook bekijkt. Ik heb nooit gedacht dat er kwaad in dat meisje stak en zou het ook nu nog niet in tegenwoordigheid van mijne dochter durven uitspreken—zij zou mij dat niet vriendelijk afnemen. Geen van ons heeft ooit iets kwaads achter haar gezocht.”
Mijnheer Omer hoorde zijne dochter aankomen en raakte mij daarom even met zijne pijp aan, terwijl hij één oog waarschuwend dichtkneep. Zij kwam in het volgende oogenblik met haar echtgenoot binnen.
De berichten, die zij van Barkis meebrachten, waren zoo slecht als ze maar zijn konden; hij was voortdurend buiten kennis en dokter Chillip had verklaard, dat, al kwamen alle professoren, doctoren en apothekers er bij, de arme man niet meer kon geholpen worden.
Toen ik dit vernam en tevens hoorde dat baas Peggotty bij Barkis was, besloot ik er heen te gaan. Ik zei mijnheer Omer en mijnheer en juffrouw Joram goeden avond en begaf mij in eenigszins plechtige stemming naar de woning van Barkis, die voor mijn gevoel een geheel ander wezen was geworden.
Ik klopte zachtjes op de deur en werd door baas Peggotty open gedaan, die niet zoo verbaasd was over mijne komst als ik gedacht had dat hij zijn zou. Ook bij Peggotty maakte ik dezelfde opmerking, toen zij beneden kwam, en sinds dien tijd heb ik dikwerf de ondervinding opgedaan, dat men in afwachting van droeve gebeurtenissen niet vatbaar is voor verrassingen.
Ik schudde baas Peggotty de hand en ging met hem naar de keuken, nadat hij zachtkens de deur had gesloten. De kleine Emily zat bij de kachel met de handen voor het gelaat en Ham stond bij haar. Wij spraken niet dan op fluisterenden toon en luisterden intusschen naar alle geluiden op de kamer boven ons. Toen ik den vorigen keer daar geweest was, had ik er niet bij gedacht, hoe vreemd het was Barkis niet in de keuken te zien; maar op dit oogenblik miste ik hem daar.
„Het is heel vriendelijk van u, jongeheer Davy”, zei baas Peggotty.
„Het is buitengewoon vriendelijk,” zei Ham.
„Emily, lieve,” riep baas Peggotty. „Zie eens hier! Jongeheer Davy is gekomen! Kom, wees vroolijk! Hebt gij geen woord over voor jongeheer Davy?”
Ik zie nu nog hoe zij zat te beven; ik voel nu nog haar koude handje in de mijne. Het eenige teeken van leven, dat zij gaf, was dat zij hare hand terugtrok; waarna zij opstond en naar haar oom sloop, om zich zwijgend tegen hem aan te vlijen.
„Ze is zulk een lief hartje,” zei baas Peggotty terwijl hij haar weelderigen haardos met zijn groote, ruwe hand streelde, „de treurigheid hier grijpt haar zoo aan. Het is natuurlijk bij jongelieden, die nog weinig verdriet hebben bijgewoond, jongeheer Davy, heel natuurlijk.”
Zij drong zich nog dichter tegen hem aan, maar lichtte haar hoofd niet op en sprak geen woord.
„Het is al laat, liefje,” hernam baas Peggotty, „en hier is Ham om u naar huis te brengen. Kom, ga met dien besten jongen mede. Wat zegt ge Em'ly? Wat is het, liefje?”
Het geluid harer stem was niet tot mij doorgedrongen, maar hij boog zich voorover alsof hij luisterde naar hetgeen zij zeide.
„Bij uw oom blijven?” vroeg hij. „Dat meent gij immers niet! Bij uw oom blijven, popje? Terwijl uw aanstaande man hier is om u naar huis te brengen? Wie zou dat nu kunnen denken als men dat fijne poppetje naast zulk een verweerden zeebonk, als ik ben ziet staan,” zei hij, met een trotschen blik rondkijkende, „maar er is niet meer zout in de zee dan liefde voor mij in dat kleine hartje—die malle, kleine Em'ly!”
„En Em'ly heeft gelijk, jongeheer Davy,” grinnikte Ham. „Maar, luister eens. Als Em'ly het wenscht en als zij wat angstig is, laat haar dan tot morgen hier blijven. En dan blijf ik ook maar.”
„Neen, neen,” zei baas Peggotty. „Dat moogt gij niet doen, dat gaat niet aan voor een getrouwd man—ten minste zoo goed als een getrouwd man—om zoo maar een dag te verzuimen. En—waken en werken gaan niet samen. Gij moet naar huis en naar bed gaan. Ik beloof u goed op kleine Em'ly te zullen passen.”
Ham liet zich overreden en nam zijn hoed op om heen te gaan. Zelfs toen hij haar een kus gaf—ik zag nooit dat hij haar aanhaalde, maar ik voelde dat moeder Natuur hem de kieschheid van een gentleman had geschonken—scheen zij nog dichter tegen haar oom aan te dringen, ten einde zich aan de liefkoozing van haar uitverkoren echtgenoot te onttrekken. Ik sloot de deur achter hem, opdat de stilte door het dichtslaan niet verstoord zou worden, en toen ik terug kwam, stond baas Peggotty zacht met haar te praten.
„Nu ga ik naar boven,” zei hij, „om uwe tante te vertellen dat jongeheer Davy hier is; dat zal haar wat opvroolijken. Ga intusschen wat bij het vuur zitten en warm uw koude handjes eens. Gij behoeft u niet zoo angstig te maken en het u niet zoo aan te trekken. Wat? Wilt gij met mij meegaan? Nu, toe dan maar!....”
„Al werd haar oom uit huis en hof verjaagd en aan den dijk gezet, jongeheer Davy,” zei hij met niet minder trotschheid dan zoo even, „zij zou met hem meegaan, daarvan ben ik overtuigd! Maar er komt gauw iemand anders, gauw.... iemand anders, Em'ly!”
Toen ik later de trap opging en langs mijn oude kamertje kwam, waarin het donker was, meende ik, hoewel onduidelijk, te zien dat zij daar languit op den grond lag. Maar, of zij het werkelijk, dan wel de schaduw van een of ander voorwerp in de kamer was, durf ik niet met zekerheid zeggen.
Ik had, voor het keukenvuur zittende, gelegenheid genoeg om aan Emily's vrees voor den dood te denken—die ik voor de oorzaak hield van hare vreemde wijze van doen, vooral na hetgeen mijnheer Omer mij verteld had—en vóór Peggotty beneden kwam, had ik ook gelegenheid genoeg om tot een zachter oordeel te komen over hare zwakheid, terwijl ik naar het tikken van de klok hoorde en de plechtige stilte om mij heen hoe langer hoe dieperen indruk op mij begon te maken. Peggotty sloeg de armen om mijn hals en zegende en dankte mij, omdat ik zulk een troost—zij gebruikte dit zelfde woord—was in hare droefheid. Zij noodigde mij daarna uit om boven te komen, terwijl zij er snikkend bijvoegde dat Barkis altijd zooveel van mij gehouden en mij zoo bewonderd had; dat hij meermalen mijn naam genoemd had eer hij buiten kennis was geraakt en dat, als hij nog tot bewustzijn kwam, mijne tegenwoordigheid hem zeker goed zou doen, indien er ten minste nog iets op de wereld was, dat hem zou kunnen goed doen.
Toen ik hem zag achtte ik het niet waarschijnlijk, dat hij nog tot bewustzijn zou komen. Hij lag met het hoofd en de schouders buiten het bed, in eene allerongemakkelijkste houding, half over den koffer heen gebogen, die hem gedurende zijn leven zooveel onrust had veroorzaakt. Men vertelde mij, dat toen hij niet meer uit het bed kon kruipen om den koffer te openen en zich niet meer met de wichelroede, die ik hem had zien gebruiken, van de aanwezigheid kon overtuigen, hij verlangd had dat de koffer op een stoel naast zijn bed zou worden geplaatst en van dien tijd af had hij er dag en nacht de armen om heen geslagen. Op dit oogenblik lag hij er met den arm op. Zijn leven vlood heen, maar de kist bleef en de laatste woorden, die hij uitte, waren: „Oude kleeren.”
„Barkis, beste man!” zei Peggotty bijna op opgeruimden toon, terwijl haar broeder en ik aan het voeteneinde stonden, „hier is mijn lieve jongen...... mijn lieve jongen..... jongeheer Davy, die ons bij elkander heeft gebracht, Barkis! Dien gij de boodschap opdroegt, Barkis! Zegt gij niets meer tegen jongeheer Davy?” Hij was even stom en gevoelloos als de koffer.
„Hij zal met het getij uitzeilen,” zei baas Peggotty achter zijne hand.
Mijne oogen waren vochtig evenals die van baas Peggotty; maar ik herhaalde op fluisterenden toon: „Met het getij?”
„Hier aan de kust,” antwoordde baas Peggotty, „kunnen de menschen niet sterven of de eb moet in aantocht zijn. Zij kunnen niet geboren worden of de vloed moet haast opkomen. Hij zal heengaan met de eb. Om half vier is het eb en een half uur speling. Overleeft hij de eb, dan blijft hij leven tot een half uur na den vloed, en gaat met de volgende eb heen.”
Wij bleven wachten, langen tijd—uren achtereen. Ik zal niet beweren, dat mijne tegenwoordigheid een geheimzinnigen invloed op hem had, maar toen hij eindelijk met zwakke stem begon te ijlen, was zijn geest verplaatst naar den dag, toen hij mij naar school reed.
„Hij komt bij,” zei Peggotty.
Baas Peggotty raakte mij even aan en fluisterde vol ontzag en eerbied: „De eb zal beginnen; het is gedaan.”
„Barkis, beste man!” riep Peggotty.
„C. P. Barkis!” zei hij met zwakke stem. „Geen betere vrouw op de geheele wereld!”
„Kijk eens! Hier is jongeheer Davy!” zei Peggotty, toen hij even de oogen opende.
Ik was op het punt om hem te vragen of hij mij herkende, toen hij den arm uitstak en, bepaald tot mij, zeide, met een vriendelijken glimlach:
„Barkis is klaar.”
Het was eb; hij zeilde uit met het getij.