← Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

XIII…

Part 3 of 11 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #47933, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (65)
  1. Opening about 3 min
  2. I about 19 min
  3. II about 27 min
  4. III. Veranderingen about 27 min
  5. IV about 34 min
  6. V. Verbannen about 32 min
  7. VI about 13 min
  8. VII. Mijn eerste halfjaar op Salem House about 32 min
  9. VIII about 26 min
  10. IX about 21 min
  11. X about 36 min
  12. XI about 29 min
  13. XII about 17 min
  14. XIII about 37 min
  15. XIV about 27 min
  16. XV about 18 min
  17. XVI about 38 min
  18. XVII about 31 min
  19. XVIII about 14 min
  20. XIX about 29 min
  21. XX about 16 min
  22. XXI about 35 min
  23. XXII about 38 min
  24. XXIII about 25 min
  25. XXIV about 15 min
  26. XXV about 35 min
  27. XXVI about 28 min
  28. XXVII. Tommy Traddles about 16 min
  29. XXVIII. Mijnheer Micawber's geldbelegging about 33 min
  30. XXIX about 13 min
  31. XXX about 14 min
  32. XXXI about 16 min
  33. XXXII about 34 min
  34. XXXIII. Zaligheid about 30 min
  35. XXXIV about 15 min
  36. XXXV. Neerslachtigheid about 37 min
  37. XXXVI. Enthousiasme about 30 min
  38. XXXVII about 15 min
  39. XXXVIII about 29 min
  40. XXXIX. Wickfield en Heep about 35 min
  41. XL about 16 min
  42. XLI about 28 min
  43. XLII about 35 min
  44. XLIII about 14 min
  45. XLIV about 27 min
  46. XLV about 27 min
  47. XLVI. Tijding about 23 min
  48. XLVII. Martha about 19 min
  49. XLVIII about 21 min
  50. XLIX. Geheimenissen about 20 min
  51. L about 18 min
  52. LI about 31 min
  53. LII about 39 min
  54. LIII about 9 min
  55. LIV about 25 min
  56. LV. Storm about 21 min
  57. LVI about 11 min
  58. LVII about 18 min
  59. LVIII about 12 min
  60. LIX. Terugkomst about 27 min
  61. LX. Agnes about 15 min
  62. LXI about 21 min
  63. LXII about 14 min
  64. LXIII about 12 min
  65. LXIV about 59 min

Continue:

XIII

Hoe mijn besluit verder ten uitvoer werd gebracht.

Voor zoover ik weet had ik, toen ik de vervolging van den jongen met de ezelkar opgaf en den weg naar Greenwich insloeg, geen ander plan dan in één adem door naar Dover te loopen. Ik kwam echter spoedig tot een ander inzicht, want bij den weg naar Kent bleef ik staan bij een plantsoen met een vijvertje, waarin een groot, leelijk beeld stond, een zeenimf voorstellend. Ik ging hier eenige oogenblikken op een stoep zitten, uitgeput van vermoeienis na de inspanning van het laatste uur en nauwelijks in staat om te schreien over het verlies van mijn koffer en de halve guinje.

Het was intusschen donker geworden; ik hoorde de klok tien slaan, toen ik daar zat. Gelukkig was het midden in den zomer en heerlijk weder. Toen ik wat tot kalmte gekomen en het gevoel, alsof ik zou stikken, verdwenen was, stond ik op en zette mijn weg voort. Hoe wanhopend ik ook was, het kwam niet in mij op terug te keeren. Ik twijfel of dit zelfs wel het geval zou zijn geweest als er een Zwitsersche sneeuwjacht op den weg naar Kent gewoed had. Dat ik daar stond met drie stuivers in den zak—ik begrijp nog niet, hoe die op Zaterdagavond er inkwamen!—joeg mij geen oogenblik angst aan, terwijl ik voortliep; maar ik stelde mij toch voor hoe er wellicht over eenige dagen in de courant zou staan, dat men mij dood aan den kant van den weg of onder een heg had gevonden, en dit denkbeeld sloeg mij wel eenigszins ter neer. Evenwel, ik was uit mijn slavenbetrekking verlost en liep voort tot ik aan een winkeltje kwam, waar men vrouwen- en mannenkleederen opkocht en den hoogsten prijs betaalde voor lompen, botten en ander afval. De eigenaar zat in zijne hemdsmouwen voor de deur te rooken en aangezien er een menigte jassen en broeken aan de lage zoldering hingen te bengelen en er slechts twee kaarsen brandden om dien geheelen voorraad te verlichten, verbeeldde ik mij, dat die man een wraakgierig monster was, dat al zijne vijanden daar had opgehangen en zich nu in het aanschouwen van zijne slachtoffers zat te verlustigen.

De ondervinding bij mijnheer en mevrouw Micawber opgedaan, wekte het vermoeden in mij op, dat ik hier wellicht het middel vinden kon om mij nog eenigen tijd in het leven te houden. Ik ging de eerste zijstraat in, trok mijn vest uit, rolde het netjes op en kwam met dat rolletje onder den arm aan den winkel terug. „Als 't u blieft, mijnheer,” zei ik, „wilt gij dit voor een billijken prijs van mij koopen?”

Mijnheer Dolloby—deze naam stond ten minste boven de winkeldeur—nam het vest aan, zette zijn pijp op den kop tegen den deurpost en ging voor mij uit den winkel binnen; daarna snoot hij de beide kaarsen met zijne vingers, spreidde het vest op de toonbank uit, bekeek het, hield het tegen het licht, bekeek het nog eens en zei eindelijk:

„En wat noemt gij een billijken prijs voor dit prul?”

„O, dat weet gij zelf het best, mijnheer,” antwoordde ik bedeesd.

„Ik kan geen kooper en verkooper te gelijk zijn,” hernam mijnheer Dolloby. „Geef een prijs op, manneke.”

„Zou achttien stuivers...?” vroeg ik na eenige aarzeling.

Mijnheer Dolloby rolde het vest op en gaf het mij terug. „Ik zou mijn huisgezin bestelen,” zei hij, „indien ik er de helft voor bood.”

Dit was eene onaangename manier van zaken doen, want ik, een vreemdeling, werd daardoor in de noodzakelijkheid gebracht hem te verzoeken zijn huisgezin ter wille van mij te bestelen. Aangezien ik echter dringend verlegen was om eenig reisgeld, zei ik, dat ik met negen stuivers tevreden zou zijn. Niet zonder tegenspraak betaalde mijnheer Dolloby mij negen stuivers uit. Ik wenschte hem goeden avond en verliet zijn winkel, negen stuivers rijker, doch een vest armer. Als ik mijn buis dichtknoopte, had dit echter niet veel te beduiden.

Het was te voorzien dat het niet lang zou duren, of mijn buis zou denzelfden weg volgen, zoodat ik het laatste gedeelte van den weg naar Dover in mijn hemd en broek zou moeten afleggen en mij nog gelukkig zou mogen prijzen als ik er in dat toilet aankwam. Ik dacht echter nog niet zoo ver vooruit. Behalve een vaag denkbeeld van den grooten afstand, dien ik moest afleggen, en eene onaangename herinnering aan den jongen met de ezelkar, geloof ik niet, dat de benarde toestand, waarin ik eigenlijk verkeerde, mij helder voor den geest stond, toen ik de negen stuivers in mijn zak liet glijden en mijne wandeling voortzette.

Voor een nachtverblijf was een plan in mij opgekomen, dat ik nu ten uitvoer ging brengen. Ik wilde mij namelijk achter den muur van mijne oude school te slapen leggen op eene plaats, waar vroeger een hooischelf stond en verbeeldde mij, dat het denkbeeld, al de jongens en de slaapzaal, waarin ik zoo menigen nacht had doorgebracht, in mijne onmiddellijke nabijheid te weten, veel zou vergoeden, al wisten de jongens niet dat ik daar lag te slapen en al zou mijne ligplaats wel harder zijn dan mijn oude bedje. Ik had een vermoeienden dag gehad en was doodop, toen ik eindelijk, al klimmende, de hoogte van Blackheath bereikte. Het kostte mij eenige moeite Salem House te vinden, maar eindelijk vond ik het toch en vond ik ook de hooischelf in den hoek, en na eerst den muur omgewandeld en mij overtuigd te hebben, dat allen in huis sliepen en daar binnen alles stil en donker was, legde ik mij te slapen. Nimmer zal ik het gevoel van verlatenheid vergeten, dat mij bekroop, toen ik daar lag zonder dak boven mijn hoofd! Gelukkig sliep ik weldra in, evenals zoo vele andere verworpelingen, voor wie de huisdeuren gesloten en de waakhonden losgelaten waren dien avond—en ik droomde dat ik op mijn oude bedje lag en de jongens naar mijne verhalen zaten te luisteren en werd wakker, rechtop zittende, met den naam Steerforth op de lippen, in mijn half wakenden toestand, verbaasd, dat ik de sterren zoo helder zag flikkeren. Toen ik mij herinnerde waar ik was, bekroop mij een gevoel van angst, dat mij deed opstaan en eenigen tijd rondwandelen, hoewel ik niet wist waarover ik mij eigenlijk angstig maakte.

Toen het licht der sterren begon te verflauwen en aan den hemel zich de kenteekenen van den naderenden dag begonnen te vertoonen, week ook mijn angst; mijne oogleden werden zwaarder, ik ging weder liggen en sliep in met het flauwe bewustzijn, dat het koud was—en ik bleef slapen tot de warme zonnestralen en de ontbijtbel op Salem House mij wekten. Had ik geweten, dat Steerforth daar nog was, ik zou mij verborgen hebben totdat hij bij toeval eens alleen buiten kwam; maar ik wist dat hij reeds langen tijd te voren de school had vaarwel gezegd. Traddles was er nog, wellicht, toch betwijfelde ik ook dit; bovendien had ik te weinig vertrouwen op zijne stilzwijgendheid en zijn goed gesternte, al was ik overtuigd van zijn goed hart, om hem mijn geheim toe te vertrouwen. Daarom kroop ik uit mijn schuilhoek, terwijl de jongens van mijnheer Creakle aan het ontbijt zaten, en sloeg den langen, stoffigen weg in naar Dover, dien ik, toen ik nog op Salem House was, zoo menigmaal had gadegeslagen, niet vermoedende, dat ooit iemand mij daarop zou zien onder omstandigheden als deze.

Hoe verschilde deze Zondag-ochtend van die heerlijke Zondag-ochtenden te Yarmouth. Wel hoorde ik op den gewonen tijd de klokken luiden, terwijl ik voortliep; wel ontmoette ik allerlei menschen, die naar de kerk gingen, en kwam ik langs twee of drie kerken, waar de gemeente verzameld was en de kerkeknecht in het portaal of onder een ouden iepeboom zat uit te blazen, terwijl hij mij met een boos gezicht nakeek; overal was op dien Zondag-ochtend vrede en kalmte, behalve in mij.—Dat was het verschil! Ik voelde dat men mij voor een halven heiden moest aanzien, zoo bestoven en verwaarloosd zag ik er uit met mijn verwarde haren. Telkens stond mij echter weder het tooneeltje voor den geest van mijn jonge, mooie moedertje, schreiend bij het haardvuur, terwijl tante Betsey door het zien van hare jeugd en schoonheid verteederd werd—zonder dit zou ik waarschijnlijk niet den moed hebben gehad om verder te gaan. Maar het bleef voor mij uitgaan en ik volgde het.

Ik legde dien Zondag drieëntwintig mijlen af op den rechten weg; het viel mij niet gemakkelijk, want deze inspanning was mij nieuw. Ik zie mij tegen den avond nog over de brug te Rochester gaan, met doorgeloopen voeten, doodvermoeid en niets voor mijn avondeten dan een stuk droog brood, dat ik onder weg had gekocht. Wel had ik een begeerigen blik geworpen op een of twee kleine huisjes met het uithangbord: „Logies voor den reizenden man,” maar ik durfde de weinige stuivers, die ik nog over had, niet uitgeven en was ook bang voor de brutale gezichten van allerlei landloopers, die ik dien dag had ontmoet of ingehaald. Ik zocht daarom geen ander dak dan den blooten hemel en toen ik Chatham was binnengestrompeld—bij avond maakte het den indruk op mij van een verward droomgezicht, waarin krijt, ophaalbruggen, mastelooze schepen met daken, zooals op de arke Noach's, en eene modderige rivier door elkander wriemelden—vond ik een schuilplaats in het gras van eene batterij, waar een schildwacht voortdurend heen- en weerliep. Ik legde mij neer bij een kanon, gerustgesteld door de voetstappen van den schildwacht, al wist deze evenmin, dat ik boven hem lag, als de jongens op Salem House geweten hadden, dat ik achter den muur eene schuilplaats had gezocht—maar ik sliep vast tot den volgenden morgen.

Stijf en pijnlijk werd ik wakker en keek vreemd op, toen ik tromgeroffel en marcheerende soldaten hoorde, die mij aan alle kanten schenen in te sluiten, toen ik naar beneden kroop en de nauwe straat trachtte te bereiken. Ik voelde dat ik dien dag niet ver zou kunnen gaan, wilde ik mijne krachten sparen voor het laatste gedeelte van mijne reis; ik besloot daarom eene poging te wagen om mijn buis te verkoopen, hetgeen dus mijne voornaamste bezigheid zou zijn. Ten einde mij vast aan het gemis te wennen, trok ik het buis uit, en het ineengerold onder den arm dragend, ging ik de verschillende uitdragerswinkels eens bezichtigen.

Het scheen een uitstekend plaatsje te zijn om een buis te verkoopen, want de handelaars in oude kleeren waren ontelbaar, en bijna allen stonden in de deuren naar klanten rond te kijken. De meesten hadden echter ook officiersuniformen met de epauletten er op aan hunne zoldering hangen, zoodat ik terugdeinsde bij het zien van zooveel kostbaarheden, en langen tijd bleef rondzwerven, zonder mijn eenvoudig buis te koop aan te durven bieden.

In mijne bescheidenheid vestigde ik meer de aandacht op winkels, zooals die van mijnheer Dolloby, dan op zulke deftige uitdragerijen. Eindelijk vond ik er een, die, naar ik meende, voor mijn doel geschikt was, op den hoek van een morsig steegje, dat op den met brandnetels begroeiden wal doodliep. Aan eenige palen hingen matrozenpakken te bengelen, waarvoor in den winkel geen plaats meer was, te midden van hangmatten, roestige geweren, oliehoeden en eenige tonnen vol verroeste sleutels, zoo verschillend van vorm, dat men daarmede wel alle sloten van de wereld zou hebben kunnen openen.

Dezen winkel, die klein en laag was, vol hing met allerlei kleedingstukken en verlicht—men zou eerder hebben kunnen zeggen donker gemaakt—werd door een klein raampje vol spinnewebben, ging ik langs twee trapjes met een kloppend hart binnen: mijn angst verminderde niet, toen er uit een morsig hokje achter den winkel een afschuwelijk leelijke, oude man verscheen, met een grijzen stoppelbaard, en mij bij de haren pakte. Die man was vreeselijk om aan te zien in zijn vuilen flanellen borstrok, en bracht een alles overheerschende brandewijnlucht mede. Zijn ledikant, waarover een vuile, gescheurde lappendeken was uitgespreid, stond in het hokje, waaruit hij gekomen was, en waar men door een klein raampje het uitzicht had op een geheel bosch van brandnetels, waaraan een kreupele ezel zich scheen te goed te doen.

„Wat moet gij hier?” schreeuwde de oude man met een kwaadaardige stem en op huilenden toon. „O mijn oogen, mijn leden, wat moet gij hier? O mijn long en lever, wat moet gij hier? O goroe, goroe!”

Ik was zoo ontsteld door deze uitroepen, en voornamelijk door de laatste woorden, die ik niet kende, en die klonken als een soort gerochel, achter in zijn keel, dat ik geen antwoord kon geven; de oude man hield mij intusschen nog steeds bij de haren vast en herhaalde:

„O, wat moet gij hier? O, mijn oogen, mijn leden, wat moet gij hier? O, mijn long en lever, wat moet gij hier? O, goroe, goroe!” en hij schreeuwde, vooral deze laatste woorden, zoo hard, dat zijne met bloed beloopen oogen uit hunne kassen puilden.

„Ik wilde vragen,” antwoordde ik bevend, „of gij een buis wilt koopen?”

„Laat mij dat buis zien!” riep hij. „O, mijn brandend hart, laat mij dat buis dan zien! O, mijn oogen, mijn leden, haal het buis dan voor den dag!”

Nu trok hij zijn handen, die op de klauwen van een roofvogel geleken, uit mijn verwarde haren en zette een grooten bril op, die zijn rooden oogen in geenen deele tot sieraad strekte.

„O, hoeveel voor dat buis?” riep hij, na het bekeken te hebben. „O, goroe, hoeveel voor dit buis?”

„Een halve kroon,” antwoordde ik, eenigszins bekomen van den eersten schrik.

„O, mijn long en lever,” riep hij, „neen! O, mijn oogen, neen! O, mijn leden, neen! Achttien stuivers! Goroe!”

Telkens wanneer hij dezen uitroep liet hooren, schenen zijne oogen gevaar te loopen om uit hunne kassen te springen, en alles wat hij zeide klonk als een deuntje, altijd hetzelfde, het best te vergelijken met een windvlaag, die zacht begint en langzamerhand in kracht toeneemt.

„Welnu,” antwoordde ik, blijde den koop gesloten te hebben, „voor achttien stuivers laat ik u het buisje.”

„O, mijn lever!” riep de oude vrek, terwijl hij het buis op een plank wierp. „Den winkel uit! O, mijn long, den winkel uit! O, mijn oogen en ledematen... goroe!... vraag mij geen geld! Neem wat in ruil!”

Ik ben nooit in mijn leven zoo bang geweest, vóór noch na dat oogenblik; ik vertelde hem toch zoo nederig mogelijk, dat ik het geld noodig had, dat ik niets van al hetgeen hij mij in ruil zou willen geven, kon gebruiken, maar dat ik buiten zou wachten als hij dat goed vond, en ik hem volstrekt niet zou haasten. Ik ging terstond naar buiten en in een schaduwrijk hoekje zitten; ik zat daar zoo lang dat de zonnestralen de schaduw vervingen, en de schaduw de zonnestralen, maar ik wachtte nog steeds te vergeefs op mijn geld.

Ik hoop dat nooit zulk een dronken dolleman als hij het uitdragersvak heeft uitgeoefend. Dat hij goed bekend was in de buurt en onder verdenking stond zijn ziel aan den duivel verkocht te hebben, begon ik spoedig te begrijpen uit de bezoeken van de jongens, die voortdurend zijn winkel inliepen en dan dit sprookje luide verkondigden, hem toeroepende zijn geld voor den dag te halen. „Gij zijt niet zoo arm, Charley, als gij u voordoet! Laat uw geld eens zien! Laat het geld eens zien, waarvoor gij u aan den duivel verkocht hebt! Kom! Het zit in de matras, Charley! Snijd de matras open, en laat het ons eens zien!” Deze uitroepen en de tallooze aanbiedingen om hem tot dat doel een mes te leenen, deden hem telkens woedend opstuiven, waarop hij naar buiten kwam en de jongens op de vlucht gingen. In zijn toorn hield hij mij nu en dan voor een van hen en wilde dan op mij toeloopen, alsof hij van plan was mij in stukken te scheuren; maar als hij zich dan nog juist bijtijds herinnerde, wie ik was, sloop hij den winkel weer binnen en ging op zijn bed liggen, naar ik uit de geluiden, die hij maakte, vermoedde; waarna ik hem een oogenblik later „Nelson's dood” hoorde uitgalmen, met een „O!” voor elken regel en doorspekt met tallooze „goroe's”.

Alsof ik nog niet ongelukkig genoeg was, meenden de jongens, dat ik op de eene of andere wijze aan de uitdragerij verbonden was, omdat ik daar met zooveel geduld en volharding, half gekleed, bleef zitten; zij plaagden mij den geheelen dag en wierpen mij met steenen en slijk.

De oude kleerkooper deed vele pogingen om mij tot een ruilhandel te bewegen, nu eens met een vischhengel of een viool, dan weder met een driekanten steek of een fluit naar buiten komende. Ik wees echter al deze aanbiedingen van de hand en bleef half wanhopend zitten, terwijl ik hem telkens met tranen in de oogen smeekte, mij het geld voor mijn buisje te geven. Eindelijk begon hij mij met halve stuivers te gelijk te betalen en had twee uur noodig om het tot een shilling te brengen.

„O, mijn oogen, mijn leden!” riep hij toen, zijn afzichtelijk hoofd buiten de deur stekend, „wilt gij heengaan voor twee stuivers?”

„Ik kan het niet doen,” zei ik. „Ik zal van honger omkomen.”

„O, mijn long en lever! Wilt gij dan voor drie stuivers heengaan?”

„Ik zou wel zonder meer geld willen heengaan, als ik kon,” zei ik, „maar ik heb het geld zoo noodig.”

„O, goroe.... go—roe!”—het is niet mogelijk te beschrijven, hoe hij dit tusschenwerpsel uit het diepst van zijn keel te voorschijn wrong, terwijl hij mij om den deurpost bespiedde en niets vertoonde dan zijn oud, walgelijk hoofd—„wilt gij voor vier stuivers heengaan?”

Ik was zoo moe en afgemat, dat ik met dit aanbod genoegen nam en, na het geld uit zijn vuile hand genomen te hebben, heenging, hongeriger en dorstiger dan ik ooit geweest ben.

Het was even voor zonsondergang. Ik besteedde drie stuivers voor mijn avondbrood en voelde mij toen zoo verkwikt, dat ik dien avond nog zeven mijlen aflegde. Mijn bed was weder een hooischelf, waarin ik heerlijk sliep, na mijne voeten, die vol blaren waren, in een beek gewasschen en met koele bladeren belegd te hebben. Toen ik den volgenden morgen mijn tocht voortzette, zag ik, dat mijn weg tusschen uitgestrekte hopvelden en boomgaarden doorliep. De herfst naderde reeds, zoodat de appels in de boomgaarden rijp waren en mij schenen toe te lachen; op sommige plaatsen waren de hopplukkers reeds aan het werk. Ik vond dit alles zoo mooi, dat ik opgewekt voortwandelde en besloot den nacht tusschen de hop door te brengen; want ik verbeeldde mij, dat die onafzienbare rijen staken met de sierlijk daarom heengeslingerde ranken prettig gezelschap voor mij moesten zijn.

Het aantal landloopers was bijzonder groot dien dag en zij vervulden mij met een gevoel van angst, dat mij levendig is bijgebleven. Sommigen hadden gemeene, brutale gezichten en namen mij van het hoofd tot de voeten op, toen ik hen voorbij ging; eenigen bleven staan en riepen mij terug, en als ik het dan op een loopen zette, wierpen zij mij met steenen. Een van hen, een jonge man—een ketellapper, te oordeelen naar zijn knapzak en een komfoor dat hij droeg—had eene vrouw bij zich; zij keken mij beiden aan en toen ik reeds een eind weg was, riep hij mij met zulk eene vervaarlijke stem terug dat ik bleef staan en angstig rondkeek.

„Kom hier als ik je roep,” zeide hij, „of ik snij je den hals af.”

Ik meende het best te doen terug te keeren en toen ik bij hen was, keek ik hen met een ootmoedigen blik aan, waarbij ik opmerkte, dat de vrouw een blauw oog had.

„Waar gaat gij heen?” vroeg de ketellapper, terwijl hij mij met zijne zwarte hand bij de borst greep.

„Naar Dover,” antwoordde ik.

„Waar komt gij vandaan?” vroeg hij weder, terwijl hij mijn hemd om zijne hand draalde, om mij steviger vast te hebben.

„Van Londen,” antwoordde ik.

„Wat doet gij voor den kost.... zakkenrollen?”

„Ne....en.”

„Wat dan, voor den duivel? Als gij hier wilt pochen op je eerlijkheid, sla ik je de hersens in,” hernam hij.

Hij maakte met de hand, die hij vrij had, eene dreigende beweging en bekeek mij van het hoofd tot de voeten.

„Hebt gij geld bij je voor een pint bier?” vroeg hij. „Als gij 't hebt, dan geef het op, of ik neem het zelf.”

Zonder twijfel zou ik het gegeven hebben, maar op dit oogenblik ving ik een blik op van de vrouw, die bijna onmerkbaar het hoofd schudde en met de lippen eene beweging maakte, alsof zij „neen” zeide.

„Ik ben heel arm,” zei ik met eene poging om te glimlachen, „ik heb geen geld bij mij.”

„Wat... wat zegt gij daar?” riep de ketellapper en keek mij zoo doordringend aan, dat ik vreesde, dat hij het geld in mijn zak zou zien.

„Mijnheer!” stamelde ik.

„Waarom draagt gij een halsdoek, die aan mijn broeder behoort?” vroeg hij. „Geef hier!” In een oogenblik had hij mij den doek van den hals getrokken, waarna hij dien aan zijne vrouw toewierp.

De vrouw barstte in een schaterlach uit, alsof zij meende dat het maar eene grap was, en wierp de das naar mij terug; terwijl zij nog eens knikte, even onmerkbaar als zoo even, en hare lippen het woord „wegloopen” schenen uit te spreken. Eer ik echter hare waarschuwing kon opvolgen, had de ketellapper mij de das met zooveel ruwe kracht uit de hand getrokken, dat ik bijna omgetuimeld was en terwijl hij de das om zijn eigen hals sloeg, keerde hij zich naar zijne vrouw en gaf haar een vuistslag, die haar achterover deed vallen. Ik zal het nooit vergeten zooals zij daar op den harden weg lag met loshangende haren—de muts was haar van het hoofd gegleden;—toen ik, na te zijn weggeloopen zoo hard ik kon, omkeek, zat zij op het verhoogde voetpad en veegde met een punt van haar boezelaar het bloed van haar gelaat, terwijl de ketellapper zijn weg vervolgde.

Ik was door deze ontmoeting zoo bang geworden, dat ik, als ik later dergelijk volk zag aankomen, terugging tot ik ergens eene schuilplaats vond, waar ik bleef zitten tot zij voorbij waren; en dit gebeurde zoo vaak, dat ik daardoor aanmerkelijke vertraging ondervond. Bij al deze hinderpalen, zoowel als op mijne gansche reis scheen ik echter voortgeleid te worden door het beeld van mijne moeder, zooals zij er in hare jeugd moest hebben uitgezien, voor ik ter wereld kwam. Het stond mij altijd voor den geest. Ik zag het voor mij uitgaan, ik zag het tusschen de hopranken, wanneer ik mij neerlegde om te slapen en wanneer ik wakker werd. In mijne herinnering is het onafscheidelijk van de zonnige straten van Canterbury, van de oude grijze huizen en poorten, van de statige kathedraal en van de kraaien, die om de torens zwierden. Toen ik eindelijk op de kale uitgestrekte duinvlakte bij Dover kwam, verlevendigde het dit eentonig tooneel met blijde hoop, en het verliet mij niet, eer ik het eerste doel van mijne reis bereikt had en den voet in de stad zette. Maar toen ik daar met mijne verscheurde schoenen, mijn stoffig, door de zon verbrand gelaat en bijna zonder kleederen in de zoo vurig gewenschte plaats stond, scheen het, vreemd genoeg, plotseling te verbleeken en mij hulpeloos en moedeloos aan mijn lot over te laten.

Ik vroeg bij verscheidene schippers naar mijne tante en ontving verschillende antwoorden. De een zeide, dat zij bij den lichttoren van South Foreland woonde en dientengevolge haar baard geschroeid had; een ander vertelde, dat zij lag vastgemeerd aan de groote boei buiten de haven en alleen bij eb kon bezocht worden; een derde, dat zij te Maidstone in de gevangenis zat wegens kinderdiefstal; een vierde, dat men haar gedurende den laatsten storm op een bezemstok regelrecht naar Calais had zien vliegen. De koetsiers, bij wie ik daarna inlichtingen vroeg, waren even geestig en even oneerbiedig en de winkeliers, die mij liever niet in hun winkel zagen, antwoordden, zonder op mijne vraag te letten, dat zij niets gaven. Ik voelde mij ellendiger en wanhopender dan ik mij ooit op mijn langen tocht gevoeld had. Mijn geld was op: ik had niets meer om te verkoopen, had honger en dorst, was doodmoe en scheen nog verder van het doel verwijderd dan toen ik te Londen was.

Intusschen was de geheele voormiddag voorbijgegaan met deze nasporingen en ik zat op de stoep van een ledigen winkel dichtbij de markt te overwegen of het niet wenschelijk was naar een van de andere plaatsen te gaan, die genoemd waren, toen er een rijtuig aankwam, waarvan de koetsier een paardedeken liet vallen. Toen ik die opraapte en aan hem teruggaf, trof mij de goedhartige uitdrukking in zijn gelaat, waardoor ik werd aangemoedigd hem te vragen of hij ook wist, waar juffrouw Trotwood woonde; ik had die vraag al zoo dikwijls gedaan, dat ze mij bijna op de lippen bestierf.

„Trotwood,” herhaalde hij. „Laat eens zien. Ik ken dien naam. Een oude dame?”

„Ja,” zei ik, „tamelijk.”

„Een weinig stijf in den rug?” vroeg hij zich oprichtende.

„Ja,” zei ik, „dat geloof ik wel.”

„Draagt zij een tasch bij zich?” vroeg hij weder—„eene vrij groote tasch?..... zij is niet gemakkelijk en brommig.....”

Het hart bonsde mij in de keel, want de juistheid van zijne beschrijving kon mij niet langer doen twijfelen.

„Welnu dan,” zei hij, „luister goed: Ga dien kant uit”—hij wees met zijn zweep naar de hoogten in de richting van het Zuiden—„en loop rechtuit tot gij aan eenige huizen komt, dichtbij het strand; daar zult gij wel van haar hooren. Ik vermoed echter, dat zij u niets geven zal—hier hebt gij een stuiver.”

Ik nam deze gift dankbaar aan en kocht er een broodje voor, dat ik, al voortwandelend in de richting, die de goede man mij had aangewezen, opat. Ik legde een vrij grooten afstand af, eer ik de door hem bedoelde huizen bereikte, maar eindelijk vond ik ze, ging een klein winkeltje binnen—wij zouden het in Londen een komenijswinkel genoemd hebben—en vroeg of iemand de goedheid wilde hebben mij te zeggen, waar juffrouw Trotwood woonde. Ik deed deze vraag aan een man, die achter de toonbank stond en bezig was rijst af te wegen voor een dienstmeisje; laatstgenoemde scheen deze vraag als tot haar zelve gericht te beschouwen, keerde zich haastig om en zei: „Mijn juffrouw; wat moet gij van mijn juffrouw hebben, jongetje?”

„Ik moet haar spreken,” antwoordde ik. „Wilt gij mij wijzen, waar zij woont?”

„Om te bedelen, natuurlijk,” hernam zij.

„Neen,” antwoordde ik, „waarlijk niet.” Plotseling echter bedacht ik mij, dat ik eigenlijk met geen ander doel hierheen was gegaan en ik zweeg met een blos van verlegenheid op de wangen.

De dienstmaagd van mijne tante—uit hetgeen zij gezegd had maakte ik op dat zij dat was—nam haar mandje van de toonbank en verliet den winkel, zeggende dat ik haar maar volgen moest, als ik wilde weten waar juffrouw Trotwood woonde. Ik had geen tweede aanmoediging noodig, hoewel ik op dat oogenblik zoo zenuwachtig en angstig was, dat mijne knieën knikten. Ik volgde het meisje en wij kwamen al heel spoedig aan een klein, net huisje met een balconnetje en naar buiten openslaande vensters, die op een vierkant pleintje uitkwamen, dat zorgvuldig onderhouden was, terwijl de bloemengeur mij reeds van verre tegemoet kwam.

„Hier woont juffrouw Trotwood,” zei het meisje. „Nu weet gij het; verder bemoei ik er mij niet mede.” Met deze woorden haastte zij zich om in huis te komen, alsof zij alle verantwoordelijkheid voor mijn bezoek van zich wilde afschuiven, en liet mij aan het tuinhek staan, van waar ik juist het venster van de huiskamer kon zien. Er hingen neteldoeksche gordijntjes voor, die in het midden een weinig waren weggeschoven; op de vensterbank stond een groote, ronde, groene waaier; verder ontdekte ik eene groote, ronde tafel en een leunstoel, waarin ik mij mijne tante op dat oogenblik voorstelde, ontzagwekkender en stijver dan ooit.

Mijne schoenen verkeerden in een betreurenswaardigen toestand. De zolen waren er bij stukken en brokken afgevallen en het bovenleder was gescheurd en gebarsten; de geheele vorm van de schoenen was verloren gegaan. Mijn hoed, die mij tevens tot slaapmuts had gediend, was zoo gedeukt en ingedrukt, dat zelfs een ineengetrapt sauspannetje zonder handvat zich niet had behoeven te schamen om er op de mestvaalt naast te liggen. Mijn broek en mijn hemd waren zoo gescheurd en zoo vol vlekken ten gevolge van het zweeten en van het slapen op den Kentschen kleigrond, dat ze alleen nog konden dienen om er een vogelverschrikker mede aan te kleeden. Mijne haren hadden kam noch borstel gevoeld sinds ik uit Londen wegliep. Mijn gezicht en mijn hals waren evenals mijne handen verbrand, weinig gewend als ze waren, om gedurende zoo langen tijd aan de lucht en de zonnewarmte te zijn blootgesteld. Ik was van het hoofd tot de voeten bestoven, alsof ik zoo even uit een kalkoven gekomen was. In zulk een toilet en bewust van den verwaarloosden toestand, waarin ik verkeerde, wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mij aan mijne alom gevreesde tante zou voorstellen.

De onafgebroken stilte achter het venster van de zijkamer deed het vermoeden in mij opkomen, dat mijne tante daar niet zat; ik vestigde daarom mijne oogen op het bovenraam, waarachter ik een welgedaan heertje opmerkte met een vergenoegd gezicht en grijs haar. Hij scheen mij reeds eenigen tijd te hebben gadegeslagen en kneep nu en dan op snaaksche wijze één oog dicht, knikte mij goeden dag, schudde het hoofd, lachte en verdween. Ik had lang genoeg met angst aan de ontvangst gedacht, maar door deze zonderlinge handelwijze was ik geheel uit het veld geslagen en op het punt om weg te sluipen en te overdenken, wat mij nu te doen stond, toen ik plotseling een statige dame uit de deur zag komen, met den zakdoek over de muts geknoopt en een paar tuinhandschoenen aan, een tuinschort voor en een groot mes in de hand.

Dat moest tante Betsey zijn, want zij stapte juist zoo het huis uit als zij volgens de beschrijving van mijne arme moeder den tuin te Blunderstone was komen binnenstappen.

„Ga heen!” sprak zij, hoofdschuddend en een gat in de lucht slaande met haar mes. „Ga heen! Ik wil geen jongens in mijn tuin hebben!”

Het hart klopte mij in de keel, terwijl ik haar nakeek; zij begaf zich naar een hoekje van den tuin om een wortel of iets dergelijks uit te graven; zonder een greintje moed, louter uit wanhoop naderde ik haar en raakte haar even met den vinger aan.

„Als 't u blieft, mevrouw,” begon ik. Zij ontstelde en keek op.

„Als 't u blieft, tante.”

„Hè?!” riep zij op een toon van verbazing, zooals ik nooit door iemand anders heb hooren uiten.

„Als 't u blieft, tante, ik ben uw neef.”

„Groote goedheid!” riep zij en in het volgend oogenblik zat zij plat op den grond.

„Ik ben David Copperfield uit Blunderstone in Suffolk...... gij zijt daar geweest op den avond, toen ik geboren ben, en hebt toen mijne lieve moeder gezien. Ik ben heel erg ongelukkig geweest, nadat zij gestorven is. Ik ben verwaarloosd en heb niets geleerd; ik moest mijn eigen brood verdienen en werk doen, dat mij niet paste. Daarom ben ik weggeloopen. Eer ik aan het diligencekantoor was, ben ik bestolen en nu heb ik den geheelen weg te voet afgelegd en geen enkelen nacht in een bed geslapen, zoolang de tocht heeft geduurd.”

Nu was het echter gedaan met mijne standvastigheid en volharding; ik maakte nog eene beweging met mijne handen, om haar te wijzen op mijn verwaarloosden toestand en dezen te hulp te roepen om te getuigen, hoeveel ik had moeten doorstaan, en barstte toen in tranen uit. Ik had ze immers eene week lang moeten inhouden!

Mijne tante, op wier gelaat geen andere uitdrukking dan verbazing te lezen was, bleef mij, op den grond zittende, aanstaren tot ik begon te schreien; toen stond zij haastig op, nam mij bij den kraag van mijn hemd en trok mij met zich voort naar de zijkamer. Haar eerste werk was eene kast te openen, er eenige flesschen uit te voorschijn te halen en mij uit elke flesch iets in den mond te gieten. Ik vermoed, dat zij er maar blindelings eenige had weggepakt, want ik weet zeker, dat ik anisette, ansjovissaus en sla-nat proefde.

Toen zij mij deze hartversterking had toegediend en ik nog altijd zenuwachtig bleef snikken, liet zij mij op de sofa plaats nemen met een omslagdoek onder mijn hoofd en haar eigen zakdoek onder mijne voeten, uit vrees, dat ik het overtrek vuil zou maken; daarna ging zij zelve achter den grooten, groenen waaier zitten, waarvan ik straks reeds gesproken heb, zoodat ik haar gezicht niet kon zien, maar haar met gelijkmatige tusschenpoozen hoorde zeggen: „Genadige Hemel!” op de wijze van noodschoten, die om de minuut gelost worden.

Toen zij zoo eenigen tijd had gezeten, trok zij aan de schel. „Janet,” sprak zij, toen het dienstmeisje binnenkwam, „ga eens naar boven en zeg aan mijnheer Dick, dat ik hem gaarne eens zou willen spreken.”

Janet keek niet weinig verbaasd, toen zij mij daar op de sofa zag liggen—ik durfde mij niet bewegen uit vrees van mijne tante te zullen storen in hare overpeinzingen—maar ging toch terstond hare boodschap doen. Intusschen wandelde mijne tante met de handen op den rug de kamer op en neer, tot de heer, dien ik in het raam van de bovenkamer had gezien, lachend de kamer binnenkwam.

„Mijnheer Dick,” zei mijne tante, „doe nu niet, alsof gij niet goed bij uw verstand waart, want niemand kan zoo verstandig zijn als gij. Dat weten wij allen. Als gij maar wilt. Wees dus eens heel verstandig vandaag.”

De kleine, welgedane man begon terstond heel ernstig te kijken en wierp mij een blik toe, alsof hij mij wilde vragen niets te vertellen van de gezichten, die hij achter het venster getrokken had.

„Mijnheer Dick,” vervolgde mijne tante, „gij hebt mij wel eens hooren spreken over David Copperfield? Doe nu maar niet, alsof uw geheugen op den loop is, want dat weet ik wel beter.”

„David Copperfield?” herhaalde mijnheer Dick, die op mij den indruk maakte, dat hij er zich niets van herinnerde. „David Copperfield? O, ja, zeker, David, jawel.”

„Welnu,” vervolgde tante, „ziedaar zijn.... zoon. Hij zou op zijn vader gelijken, zooals nooit iemand op zijn vader geleken heeft, als hij ook niet op zijne moeder leek.”

„Zijn zoon?” vroeg mijnheer Dick. „David's zoon? Waarlijk?”

„Ja,” vervolgde tante, „en hij heeft een fraai stukje uitgehaald. Hij is weggeloopen. Och, och! Zijne zuster, Betsey Trotwood, zou nooit zijn weggeloopen.” Mijne tante schudde het hoofd, vol vertrouwen op het karakter en de braafheid van het meisje, dat nooit geboren was.

„Zoo, denkt gij, dat zij nooit zou zijn weggeloopen?” vroeg mijnheer Dick.

„De Hemel beware dien man!” riep tante op bitsen toon. „Wat praat hij toch! Weet ik dan niet, dat zij het nooit gedaan zou hebben? Zij zou bij hare pleegmoeder gewoond hebben en wij zouden voor elkaar geleefd hebben. Van wie zou zijn zusje Betsey Trotwood zijn weggeloopen en waarheen zou zij zijn gegaan!”

„Van niemand! Nergens heen!” antwoordde mijnheer Dick.

„Welnu dan,” hernam tante, wat zachter gestemd door dit antwoord, „hoe kunt gij nu beweren, dat er een bij u op den loop is, terwijl gij zoo scherp kunt zijn als een lancet? Welnu, hier ziet gij voor u den jongen David Copperfield en nu vraag ik u, wat ik met hem moet aanvangen?”

„Wat gij met hem zult aanvangen?” herhaalde mijnheer Dick bijna onhoorbaar en zijn hoofd krabbende. „Juist, met hem aanvangen?”

„Ja,” zei mijne tante, hoogst ernstig en met den wijsvinger in de hoogte. „Kom, geef mij nu eens een heel verstandigen raad.”

„Wel, als ik u was,” zei mijnheer Dick, nadenkend en mij wezenloos aanstarende, „zou ik”.... het scheen, dat hij door mij aan te kijken een inval kreeg, want plotseling voegde hij er op haastigen toon bij: „ik zou hem wasschen!”

„Janet,” zei mijne tante, met een zegevierenden blik rondkijkende, waarvan ik op dit oogenblik de beteekenis nog niet begreep. „Janet, mijnheer Dick heeft het weer bij het rechte eind. Steek de badkachel aan.”

Terwijl dit voor mij zoo uiterst belangrijke gesprek plaats had, kon ik niet nalaten mijne tante, mijnheer Dick en Janet eens goed aan te kijken en mijne oogen eens door de kamer te laten rondgaan. Mijne tante was lang en slank; had forsche gelaatstrekken, doch kon volstrekt niet leelijk genoemd worden. Er was iets onverzettelijks in de uitdrukking van haar gelaat, in hare stem, iets onbuigzaams in hare houding en haar gang, iets dat voldoende den indruk verklaarde, dien zij op zulk een teeder schepseltje, als mijne moeder, gemaakt had; hare gelaatstrekken waren echter eerder mooi dan leelijk, al sprak haar gelaat ook van gestrengheid en onverstoorbare kalmte. Ik merkte ook op dat zij groote, levendige oogen had, waarin eene verstandige uitdrukking lag. Hare grijze haren waren in het midden gescheiden en gingen schuil onder eene muts, die men een nachtmuts zou hebben kunnen noemen; eene muts, zooals men in dien tijd veel meer zag dragen dan tegenwoordig, voorzien van zijstukken, die onder de kin werden vastgeknoopt. Hare japon had de kleur van lavendel en zat onberispelijk, al was die zoo krap mogelijk geknipt; blijkbaar verlangde zij zoo weinig mogelijk stof op hare rekening te zien. Ik herinner mij zeer goed, dat de japon den indruk op mij maakte van een rijkleed, waarvan de sleep, als geheel overtollig, was afgeknipt. Zij droeg een gouden heerenhorloge, zooals ik uit den vorm en de grootte meende te moeten opmaken, benevens een zwaren gouden ketting en cachetten; haar hals was omsloten door een kraagje, dat op den kraag van een manshemd geleek en de polsen door dingen, die mij aan datzelfde kleedingstuk deden denken.

Mijnheer Dick had, zooals ik reeds zeide, grijs haar en een blozend uiterlijk; ik zou hiermede alles van hem gezegd hebben, ware zijn hoofd niet op zonderlinge wijze gebogen geweest. Het was volstrekt niet uit ouderdom zoo gebogen, doch herinnerde mij aan het hoofd van een der jongens op de kostschool, wanneer mijnheer Creakle zijn stok ophief om hem te slaan. Hadden zijne groote, grijze oogen niet zoo uit zijn hoofd gepuild en mij ten gevolge van de waterachtige uitdrukking, in verband met zijne onderdanige houding tegenover mijne tante en met zijne blijdschap, wanneer deze hem prees, niet al doen vermoeden, dat hij niet goed bij zijn verstand was, het verbaasde mij toch zeer, dat hij werkelijk niet goed wijs zijnde, bij mijne tante in huis was. Hij was gekleed, zooals ieder fatsoenlijk man gekleed was, in een loshangende grijze ochtendjas, een vest van dezelfde kleur en witte broek, had een horloge in zijn vestzak en geld in zijne broekzakken. Op dit geld scheen hij bijzonder trotsch te zijn, want hij liet het telkens rammelen.

Janet was een knap, frisch, jong meisje, negentien of twintig jaar oud en een voorbeeld van netheid. Ik was niet in de gelegenheid om mijne opmerkingen omtrent haar voort te zetten; alleen wil ik hier nog iets vermelden, dat ik pas later ontdekte, namelijk, dat zij een van de vele beschermelingen was, die mijne tante in haar dienst had genomen om ze op te voeden in algeheele verzaking van het mannelijk geslacht en—die gewoonlijk hare moeite beloonden door met den bakker of den slager te trouwen.

De kamer was even keurig netjes als Janet en mijne tante. Wanneer ik later mijne pen eens neerlegde om mij de huiskamer mijner tante in het geheugen te roepen, kwam mij dezelfde frissche zeelucht, vermengd met de geuren van honderde bloemen weder te gemoet; dan zag ik weder de ouderwetsche, spiegelglad geboende meubels, den „bijna heiligen” stoel van mijne tante en haar tafeltje bij den groenen, ronden waaier op de vensterbank, het effen grijze tapijt, de kat, de theestoof, de twee kanaries, het oude porselein, de punch-bowl, gevuld met gedroogde rozenbladeren, de groote kast met flesschen en potten van allerlei soort en wonderlijk afstekend bij dit alles, mij zelven, zoo vuil en bestoven als ik was, op de sofa liggende, alles en allen met de grootste aandacht bekijkende.

Janet was heengegaan om het bad gereed te maken, toen mijne tante, tot mijn grooten schrik plotseling bleek van verontwaardiging opstond en nauwelijks in staat was om te roepen: „Janet, Janet! Ezels!” Hierop stormde Janet de trap af met een haast, alsof het huis in lichterlaaie stond, en snelde naar buiten, naar een klein grasveld vóór het huis, ten einde twee ezels van daar te verdrijven, die, door een paar jonge meisjes bereden, het waagden hunne hoeven daarop te zetten; terwijl mijne tante eveneens het huis uitstormde, een derden ezel, die een kind op zijn rug droeg, bij den teugel nam, omdraaide en van de geheiligde plek verwijderde, tegelijkertijd den ongelukkigen dreumis, die het gewaagd had met zijn ezels dit verboden terrein te betreden, eenige oorvijgen toedienende.

Tot op dit uur weet ik nog niet welk recht mijne tante kon laten gelden op dit grasveldje maar zij had zich nu eenmaal in het hoofd gezet, dat zij er recht op had en dat was voor haar genoeg. De grootste beleediging, die men haar kon aandoen en die altijd wraak eischte, was, dat een ezel dit gewijde plekje betrad. Waarmede zij ook bezig was, hoeveel belang haar een gesprek, waarin zij deelde, ook inboezemde, de verschijning van een ezel gaf terstond eene andere, wending aan hare gedachten en onmiddellijk stormde zij er op los. Kannen en gieters vol water werden op verborgen plaatsen gereed gehouden om op de schuldige jongens te worden uitgestort; achter de deur lagen stokken gereed om hen af te rossen; op alle uren van den dag keerden dergelijke uitvallen terug, zoodat men eigenlijk voortdurend in oorlogstoestand verkeerde. Waarschijnlijk was dit een pretje voor de ezeljongens, tenzij de schrandersten onder de ezels, begrijpende, hoe de zaken stonden, met de hun aangeboren halsstarrigheid dezen weg bij voorkeur insloegen. Ik weet alleen, dat er drie malen alarm werd geroepen, eer het bad gereed was en ik bij den laatsten en wanhopigsten uitval, mijne tante handgemeen zag met een vlasharigen jongen van ongeveer vijftien jaar en zij zijn vlaskop eenige malen met haar eigen tuinhek moest laten kennismaken, eer hij goed begreep wat zij eigenlijk van hem wilde. Deze tusschenbedrijven kwamen mij te vermakelijker voor, omdat mijne tante bezig was mij bouillon te voeren met een paplepel—zij was vast overtuigd, dat ik op het punt was om van honger om te komen en achtte het daarom noodig mij slechts kleine hoeveelheden te gelijk te geven—en zij eenmaal, op het oogenblik, dat ik den mond geopend had om te happen, den lepel in de kom wierp en roepende: „Janet! Janet! Ezels!” tot den aanval overging.

Het bad was heerlijk. Ik begon hevige pijn in al mijne leden te voelen tengevolge van het slapen in de open lucht en op den harden grond en was nu zoo afgemat en zoo zwak, dat ik mijne oogen geen vijf minuten achtereen kon openhouden. Toen ik met het bad gereed was, voorzagen zij—ik bedoel tante en Janet—mij van een hemd en een broek van mijnheer Dick, en wikkelden mij daarna in twee of drie groote omslagdoeken; waarop ik, zoo ingepakt, geleken heb, kan ik niet zeggen, maar ik werd zoo warm, alsof ik gestoofd werd en aangezien mijne loomheid daardoor nog vermeerderde, lag ik spoedig weder op de sofa en viel in een rustigen slaap.

Mogelijk is het een droom geweest, voortspruitende uit hetgeen mij al deze dagen had bezig gehouden, maar ik ontwaakte in de verbeelding, dat mijne tante zich over mij gebogen, mij het haar uit het gelaat gestreken en mijn hoofd wat gemakkelijker gelegd had en nu voor mij stond.

De woorden, „aardige jongen” of „arme jongen”, klonken mij nog in de ooren; overigens was er niets, waaruit ik kon opmaken, dat ze door mijne tante waren uitgesproken, die achter haar groenen waaier naar de zee zat te kijken, toen ik wakker werd. Ik bemerkte nu, dat deze waaier op een soort krukje stond en naar goedvinden kon gedraaid worden.

Spoedig, nadat ik wakker was geworden, gebruikten wij het middagmaal, dat uit een gebraden hoentje en een podding bestond; ik zat aan tafel, zelf veel gelijkende op een opgemaakten vogel, en kon mijne armen bijna niet bewegen. Aangezien tante zelve mij zoo had ingebakerd, durfde ik er mij niet over beklagen. Ik was vreeselijk nieuwsgierig te weten, wat zij met mij voor had maar zij at zwijgend voort, behalve wanneer zij mij nu en dan van ter zijde aankeek en zei: „Groote goedheid! Hoe is 't toch mogelijk!” waardoor ik echter niet veel wijzer werd.

Toen de tafel was afgenomen en er eene flesch sherry gereed was gezet—ik kreeg ook een glas—liet mijne tante mijnheer Dick verzoeken beneden te komen en mede aan te zitten. Hij keek zoo verstandig als hem mogelijk was, toen tante hem uitnoodigde, naar mijne geschiedenis te luisteren, die zij mij door een reeks van vragen van #a# tot #z# liet vertellen.

Gedurende mijn verhaal hield zij de oogen voortdurend gevestigd op mijnheer Dick, die, naar het mij voorkwam anders in slaap zou zijn gevallen en telkens, wanneer er een glimlach om zijn mond dreigde te komen, door een bestraffenden blik van mijne tante hiervan werd teruggehouden.

„Wat mag dat ongelukkige kind toch bewogen hebben, om voor de tweede maal te trouwen!” zei tante, toen ik aan het einde was, „ik kan het mij niet begrijpen.”

„Misschien was zij verliefd op haar tweeden man,” sprak mijnheer Dick als zijn vermoeden uit.

„Verliefd!” herhaalde tante. „Wat bedoelt gij daarmede? Waarom zou zij verliefd zijn geweest?”

„Misschien,” antwoordde mijnheer Dick met een gemaakt lachje, na even te hebben nagedacht, „misschien vond zij het prettig verliefd te zijn.”

„Prettig! Nu nog mooier!” hernam tante. „Het is nog al een pretje voor zoo'n kind, om haar vertrouwen te schenken aan zulk een ruwen kerel, die haar zeker mishandeld heeft. Ik zou toch wel eens willen weten wat zij zich heeft voorgesteld? Zij had immers een man gehad. Zij had David Copperfield, die altijd op zulke wassen popjes verliefd was, naar de andere wereld zien gaan; zij had een kind—o, daar waren dien Vrijdagavond, toen deze jongen geboren werd, twee kinderen bij elkaar!—wat wilde zij dan toch?”

Mijnheer Dick schudde heimelijk het hoofd tegen mij, alsof hij meende, dat niemand daarop een antwoord geven kon.

„Zij kon niet eens een kind krijgen zooals ieder ander,” zei mijne tante. „Waar is de zuster van dezen jongen? Waar is Betsey Trotwood? Achterwege gebleven! Vertel mij toch niets!”

Mijnheer Dick scheen het benauwd te krijgen.

„En dat doktertje met het hoofd op zij,” vervolgde tante, „dat kereltje, Chellips of hoe hij heeten mocht, wat kon die? Alles wat hij kon was mij te zeggen, op een toon of een roodborstje het floot: het is.... het is een jongen! Een jongen! Ba, hij was even dom als die heele troep!”

Zij was zoo driftig, terwijl zij dit uitriep, dat mijnheer Dick er van schrikte en, om de waarheid te zeggen, ik ook.

„En toen, alsof het nog niet genoeg was, dat zij de zuster van dezen jongen, Betsey Trotwood, onrecht had aangedaan,” vervolgde mijne tante, „trouwt zij voor de tweede maal.... trouwt met een moordenaar—de naam had tenminste iets daarvan—en doet dit kind weer onrecht aan. En het natuurlijk gevolg, dat iedereen, die geen kind meer was, had kunnen voorzien, was, dat het de wijde wereld werd ingejaagd en als een vagebond moet rondzwerven. Hij lijkt sprekend op Kaïn, zooals deze er in zijne jeugd moet hebben uitgezien.”

Mijnheer Dick keek mij onderzoekend aan, alsof hij het Kaïnteeken zocht.

„En dan was daar nog die vrouw met dien heidenschen naam, die Peggotty, en dat mensch gaat me waarlijk ook al trouwen! Zij had zeker nog niet gezien, hoevelen haar ongeluk te gemoet gaan. Daar gaat zij me ook al trouwen, zooals de jongen vertelt! Ik hoop maar,” ging zij hoofdschuddend voort, „dat zij een man heeft gekregen, die haar flink afrost; de kranten zijn vol van dergelijke huwelijken.”

Ik kon het niet goed aanhooren, dat men zoo over mijne oude kindermeid sprak en dat iemand haar zoo iets toewenschte. „Die Peggotty was de beste, de trouwste, de eerlijkste, de ontbaatzuchtigste dienstbode en vriendin van de wereld,” vertelde ik aan mijne tante. „Zij heeft mij altijd even hartelijk liefgehad, zij heeft ook mijne moeder altijd hartelijk liefgehad; in hare armen is mijne moeder gestorven en op hare wangen heeft mijne moeder den laatsten dankbaren kus gedrukt.” De herinnering aan beiden ontroerde mij zoo hevig, dat de woorden mij in de keel bleven steken, toen ik trachten wilde te zeggen, dat Peggotty's huis altijd voor mij open stond, dat ik bij haar een onderkomen zou gezocht hebben, als zij niet tot een anderen stand had behoord, waardoor ik vreesde haar overlast te zullen aandoen—ik kon niet voortgaan, zooals ik zeg, toen ik dit wilde vertellen en bedekte mijn gezicht met beide handen.

„Nu, ja,” zei tante, „het kind heeft gelijk, dat het geen kwaad toewenscht... Janet, Janet! Ezels!”

Ik ben er bijna van overtuigd, dat wij het zonder die ongelukkige ezels wel eens zouden zijn geworden, want tante had de hand op mijn schouder gelegd en, daardoor aangemoedigd, was ik op het punt om de armen om haar hals te slaan en hare bescherming in te roepen. Maar de stoornis en de zenuwachtigheid, tengevolge van het gevecht met de ezeljongens, joegen alle zachtere gewaarwordingen op de vlucht; toen zij in de kamer terugkeerde, gaf zij aan hare verontwaardiging lucht en zei, dat zij de bescherming zou inroepen van de wetten des lands en alle ezelhouders te Dover in rechten zou betrekken—en daarover sprak zij voort tot de thee werd binnengebracht.

Gedurende de thee zaten wij bij het raam—te oordeelen naar tante's strak gezicht zat zij voortdurend op den uitkijk naar de langooren—tot het donker werd en Janet kaarsen en een trictracbord gereed zette en de gordijnen neerliet.

„Nu, mijnheer Dick,” begon mijne tante met dezelfde ernstige uitdrukking op het gelaat en haar wijsvinger in de hoogte evenals 's middags, „ik wil u eene andere vraag doen. Kijk dezen jongen eens aan.”

„David's zoon?” vroeg mijnheer Dick met een aandachtig, doch benauwd gezicht.

„Juist,” antwoordde tante. „Wat zoudt gij nu met hem doen?”

„Met David's zoon?”

„Ja, ja, met David's zoon.”

„O, ja, wat ik doen zou? Ik zou hem naar bed sturen.”

„Janet!” riep tante met denzelfden vergenoegden, zegevierenden blik als ik reeds eerder had opgemerkt. „Mijnheer Dick heeft 't weer bij het rechte eind. Als het bed gereed is, zullen wij hem er in leggen.”

Janet antwoordde dat boven alles gereed was, en dus werd ik naar boven gebracht; met de meeste welwillendheid, maar toch eenigszins als een gevangene: mijne tante ging vooruit en Janet kwam achter mij aan. De eenige omstandigheid, die mijne hoop een weinig verlevendigde, was dat tante plotseling op de trap bleef staan om te vragen, van waar de brandlucht kwam, die zij rook; waarop Janet antwoordde, dat zij tonder gemaakt had van mijn oude hemd. In mijne kamer vond ik echter geen andere kleederen, dan de wonderlijke verzameling, die ik aan mijn lijf had, en toen ik alleen op mijn kamer stond met een klein kaarsje, dat volgens de waarschuwing van mijne tante ongeveer vijf minuten branden zou, hoorde ik, dat mijne deur aan de buitenzijde werd afgesloten. Toen ik hierover nadacht, begon ik plotseling in te zien, dat tante, die mij volstrekt niet kende, wellicht vermoedde dat wegloopen een gewoonte van mij was en daarom de noodige voorzorgen nam.

Het was een vroolijk kamertje boven in het huis met het uitzicht op de zee, die door de maan schitterend werd verlicht. Nadat ik mijn gebedje had opgezegd en de kaars was uitgebrand, bleef ik naar het maanlicht op het water zitten kijken—ik herinner mij dat zeer goed—als hoopte ik mijne toekomst daarin te kunnen lezen of mijne moeder met haar kindje uit den hemel te zullen zien neerdalen langs dat blinkende pad, om mij aan te zien, zooals zij gedaan had, toen ik den laatsten keer van haar wegreed. Ik herinner mij met welk een plechtig gevoel ik eindelijk de oogen afwendde en hoe dankbaar ik gestemd was, toen ik daar dat bed zag staan met de helderwitte gordijnen en hoe sterk dat gevoel werd, toen ik mij heerlijk innestelde tusschen de zachte kussens! Ik herinner mij nog, hoe ik dacht aan al de eenzame plekjes onder den nachtelijken hemel, waar ik geslapen had en hoe ik God bad, dat ik toch nimmer meer zonder dak mocht wezen en nooit de armen zou vergeten, wien hetzelfde lot te beurt viel, dat mij getroffen had. Ik herinner mij ook nog, hoe ik toen langs dat zacht glanzende pad over de zee het land der droomen scheen binnen te zweven.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XIV

Mijne tante neemt een besluit te mijnen opzichte.

Toen ik den volgenden morgen beneden kwam, vond ik tante met de hand onder het hoofd zoo diep in gepeins verzonken aan de ontbijttafel zitten, dat de inhoud van den waterketel het geheele servet overstroomd zou hebben, als ik haar niet in hare overpeinzingen was komen storen. Ik wist bijna zeker, dat ik het onderwerp daarvan geweest was en was nieuwsgieriger dan ooit naar de plannen, die zij met mij had. Ik mocht mijne nieuwsgierigheid echter niet doen blijken, wilde ik hare stemming niet bederven. Mijne oogen, die ik niet zoo in bedwang had als mijne tong, dwaalden echter gedurende het ontbijt meermalen naar haar toe.

Ik kon haar geen twee seconden achtereen aankijken, of ik zag dat zij ook naar mij keek; zij deed dit met eene zonderlinge, peinzende uitdrukking in hare oogen, alsof ik heel ver af was in plaats van aan het kleine tafeltje tegenover haar. Toen zij met haar ontbijt gereed was, ging tante heel gemakkelijk in haar grooten stoel zitten, trok de wenkbrauwen samen, sloeg de armen over elkander en bekeek mij op haar gemak en zoo aandachtig, dat ik er verlegen onder werd. Ik trachtte mijne verlegenheid te verbergen door voort te gaan met mijn ontbijt, maar mijn mes wipte over mijn vork en mijn vork sprong weer over het mes heen; de stukjes spek, die ik afsneed, maakten luchtsprongen in plaats van in mijn mond terecht te komen; ik verslikte mij in mijn thee, die met geweld het verkeerde keelgat in wilde, en gaf het eindelijk op, waarna ik, blozend onder den uitvorschenden blik van mijne tante, stil bleef zitten.

„Heila!” riep zij, na mij langen, langen tijd zoo te hebben aangestaard.

Ik keek op, maar bleef eerbiedig zwijgen.

„Ik heb hem geschreven,” sprak zij.

„Aan wien!”

„Aan uw stiefvader”, antwoordde tante. „Ik heb hem een brief geschreven, dien hij mij beantwoorden zal, of hij krijgt met mij te doen, daar kan hij op rekenen.”

„Weet hij dan nu waar ik ben, tante?” vroeg ik angstig.

„Ik heb het hem geschreven,” antwoordde zij met een hoofdknik.

„Moet .... ik .... dan weer ... naar hem .... terug?” vroeg ik stotterend.

„Dat weet ik niet. Wij zullen zien?”

„O, ik weet niet wat ik doen zal,” riep ik uit, „als ik weer naar mijnheer Murdstone terug moet.”

„Ik weet er nog niets van,” sprak tante, het hoofd schuddend. „Ik kan er nog niets van zeggen. Wij zullen zien.”

Deze woorden deden mij het hart in de schoenen zinken. Zonder aan mijne neerslachtigheid veel aandacht te schenken, stond tante op, deed een keukenschort voor, die zij uit de kast nam, waschte eigenhandig het theegoed af en toen alles weder schoon op het blad gezet was, vouwde zij het servet op, legde het er over heen en belde Janet om het weg te zetten. Daarna veegde zij alle kruimeltjes op met een bezempje,—na eerst handschoenen aangetrokken te hebben—totdat er zelfs met een microscoop geen enkel meer op het karpet te ontdekken was; vervolgens werd overal het stof afgenomen en alles in de kamer opnieuw geschikt, niettegenstaande er geen stofje te ontdekken was en alles keurig op zijne plaats stond. Toen deze taak naar haar genoegen was afgeloopen, deed zij het schortje af, trok de handschoenen uit, legde ze in hetzelfde hoekje, waar zij ze vandaan had gehaald, zette haar naaidoos op haar eigen tafeltje en begon, door den groenen waaier tegen het scherpe zonlicht beschermd, te naaien.

„Gij moest eens naar boven gaan,” sprak zij, een draad instekend, „en uit mijn naam aan mijnheer Dick zeggen, dat ik verlangend ben te weten, hoe ver hij met zijne Memorie gevorderd is.”

Ik stond blijmoedig op ten einde mij van deze opdracht te kwijten.

„Gij zult den naam van mijnheer Dick wel erg kort vinden, nietwaar?” vroeg tante, terwijl zij mij even oplettend aankeek, als zij den naald gedaan had.

„Gisteren vond ik het een bijzonder korten naam,” bekende ik.

„Gij moet niet denken, dat hij geen langeren naam heeft; als hij dien maar wilde gebruiken,” zei tante met zekeren hoogmoed. „Babley.... Mijnheer Richard Babley is zijn waren naam.”

Ik wilde met de bescheidenheid, die aan mijn jeugdigen leeftijd paste, en onder den indruk dat ik mij, zooals thans bleek, reeds aan al te groote familiariteit had schuldig gemaakt, in overweging geven of het niet beter was hem met zijn waren naam aan te spreken, toen tante zei: „Noem hem toch nooit bij dien langen naam. Hij kan dien niet uitstaan. Dat is een van zijne eigenaardigheden. Vreemd kan ik het echter niet vinden, want hij is slecht genoeg behandeld door menschen, die dezen naam dragen, om er een afschuwelijken hekel aan te hebben—dat weet de Hemel. Hier is zijn naam: mijnheer Dick; en overal elders... als hij ooit nog eens elders heengaat, dat ik niet geloof. Zorg dus, mijn kind, dat gij hem nooit anders noemt dan mijnheer Dick.”

Ik beloofde het en ging naar boven om mijne boodschap over te brengen, denkende, dat als mijnheer Dick altijd zoo hard zat te werken, als ik hem nu door de deur, die openstond, bezig zag, de Memorie wel spoedig gereed moest zijn of bijzonder lijvig worden. Ik vond hem dan druk bezig met een ontzettend lange pen en het hoofd bijna op het papier. Hij scheen er zoo mede vervuld, dat ik volop gelegenheid had om op te merken, dat er een groote vlieger in een van de hoeken van de kamer stond, dat overal bundels geschreven schrift opgestapeld lagen en dat hij zich juist scheen te hebben voorzien van ontelbare grossen pennen en halve fleschjes inkt—hij scheen die bij dozijnen op te doen—eer hij mijne tegenwoordigheid opmerkte.

„Zoo, Phoebus!” sprak mijnheer Dick, terwijl hij de pen neerlegde. „Hoe gaat het in de wereld? Ik zal u eens wat vertellen,” voegde hij er op zachteren toon bij, „ik zou niet gaarne willen, dat men er over sprak, maar het is een”—hij maakte een knipoogje en bracht zijn mond vlak bij mijn oor—„het is een gekke wereld. Zoo gek als Bedlam, jongen.” Hij nam na deze woorden een snuifje uit een ronde doos, die op de tafel stond, en lachte uit volle borst.

Zonder zoo vermetel te zijn om mijn gevoelen op dit punt te uiten, deed ik mijne boodschap.

„Wel,” antwoordde mijnheer Dick „doe mijne complimenten en zeg haar dat ik.... dat ik een goed eind gevorderd ben. Ik geloof, dat ik een goed eind gevorderd ben,” herhaalde mijnheer Dick, terwijl hij met de hand door zijne grijze haren woelde en een ver van rustigen blik wierp naar zijn manuscript.

„Zijt gij op school geweest?”

„Jawel, mijnheer,” antwoordde ik, „maar niet lang.”

„Herinnert gij u den datum,” ging hij voort, terwijl hij mij ernstig aankeek en de pen opnam om mijn antwoord op te teekenen, „den datum waarop Koning Karel I onthoofd is?”

Ik antwoordde, dat het, naar ik meende, in 1649 moest geweest zijn.

„Ja,” zei mijnheer Dick, terwijl hij zich met de pen achter het oor krabde en mij aankeek met een blik, die twijfel verried. „Ja, zoo staat het in de boeken, maar ik kan mij niet begrijpen dat het waar is. Als het zoo lang geleden was, hoe zouden dan de menschen, die er bij zijn geweest, zoo in de war hebben kunnen zijn om een gedeelte van de onrust, die hem kwelde, uit zijn hoofd in het mijne te stoppen?”

Ik was ten hoogste verbaasd over deze vraag, maar kon hem dienaangaande geen inlichtingen geven.

„Het is heel vreemd,” ging mijnheer Dick voort, met een angstigen blik op zijne papieren en voortdurend met de hand in zijn haar, „dat ik daarover nooit volkomen zekerheid kan krijgen. Maar, geen nood! Geen nood!” vervolgde hij op vroolijken toon en blijkbaar moed scheppende, „er is tijd genoeg. Doe mijne complimenten aan juffrouw Trotwood en zeg haar dat ik heel goed vorder.”

Toen ik wilde heengaan, vestigde hij mijne aandacht op den vlieger. „Hoe vindt gij dien vlieger?” vroeg hij.

Ik antwoordde, dat ik het een mooien vlieger vond. Naar mijne schatting was het er een van meer dan zeven voet hoogte.

„Dien heb ik gemaakt. Willen wij hem samen eens oplaten?” vroeg mijnheer Dick. „En hebt gij dit wel gezien?”

Hij liet mij zien, dat de vlieger beplakt was met zeer dicht in elkander, keurig net beschreven papier; het schrift was echter zoo duidelijk, dat ik, er langs kijkende, herhaalde malen toespelingen op het hoofd van Karel I lezen kon.

„Er is touw genoeg bij,” zei mijnheer Dick, „en wanneer hij hoog genoeg staat, kan iedereen lezen wat er op staat. Dat is nu mijne manier om mijn denkbeelden te verspreiden. Ik weet volstrekt niet, waar ze zullen neerkomen; dat hangt af van de omstandigheden, van den wind en zoo voort; maar dat laat ik aan het toeval over.”

Hij keek zoo vriendelijk en vergenoegd rond en op zijn frisch, blozend gezicht lag tevens zooveel goedhartigheid verspreid, dat ik niet zeker wist of hij eigenlijk niet met mij schertste. Ik lachte en hij lachte en zoo scheidden wij als de beste vrienden.

„Wel, mijn kind,” vroeg tante, toen ik beneden kwam. „Hoe vaart mijnheer Dick van morgen.”

Ik bracht haar zijne groeten over en deelde haar mede, dat hij goed vorderde.

„En wat denkt gij wel van hem?” vroeg zij verder.

Wel kwam de lust in mij op om te trachten een ontwijkend antwoord te geven en te zeggen, dat ik mijnheer Dick een aardige man vond; maar tante liet zich niet zoo afschepen, want zij legde haar werk neer, vouwde de handen er overheen en zeide: „Kom! Uwe zuster Betsey Trotwood zou mij onmiddellijk verteld hebben, wat zij van iemand dacht. Doe dus zooals zij en spreek uw gevoelen uit.”

„Is hij.... is mijnheer Dick.... ik vraag het, omdat ik het niet weet, tante.... is hij wel geheel bij zijn verstand?” vroeg ik stotterend; ik voelde, dat ik mij op gevaarlijk terrein bewoog.

„Wel degelijk is hij dat,” antwoordde tante.

„O, zoo!” fluisterde ik.

„Als er iemand op de wereld bij zijn verstand is,” zei tante zeer beslist en met den eigenaardigen nadruk, dien zij op hare woorden kon leggen, „is het mijnheer Dick.”

Ik kon hierop niets antwoorden dan nogmaals met een zucht uit te spreken: „O, zoo!”

„Zij hebben hem gek genoemd,” vervolgde tante. „Het is voor mij een zelfzuchtig genoegen te kunnen zeggen, dat zij hem gek genoemd hebben; want anders zou ik gedurende de laatste tien jaren het voorrecht van zijn gezelschap en zijn raad gemist hebben—van den dag af, waarop uwe zuster Betsey mij zoo te leur stelde.”

„Zoo lang reeds?” vroeg ik.

„Het was fijn volkje, dat hem gek wilde verklaren,” ging tante voort. „Mijnheer Dick is nog een verre bloedverwant van.... nu, dat doet er ook niet toe; het is niet noodig, dat ik dit nog eens ophaal. Als ik niet was tusschen beiden gekomen, zou zijn broeder hem zijn leven lang hebben laten opsluiten. Dat is alles.”

Ik vrees, dat het wel een weinig huichelachtig van mij was, maar toen ik zag, dat mijne tante zich die zaak zoo aantrok, beproefde ik te kijken, alsof ik dat ook deed.

„Een trotsche gek!” sprak zij. „Omdat zijn broeder een weinig zonderling was—hoewel hij niet half zoo zonderling is als menig ander—wilde hij hem niet bij zich in huis hebben en zond hem naar een particulier gesticht, niettegenstaande zijn vader hem op diens sterfbed had laten beloven voor zijn broeder te zorgen. Hij is waarschijnlijk zelf niet goed bij zijn verstand; anders had hij zoo niet kunnen handelen.”

Tante keek alsof zij innig overtuigd was van de waarheid harer woorden en ik trachtte daarom ook te kijken of ik er van overtuigd was.

„Maar ik kwam tusschen beiden,” hernam tante na een kleine pauze, „en deed hem een voorstel. Uw broeder, zei ik, is heel goed bij zijn verstand, veel beter dan gij zijt en ooit zult zijn; betaal hem daarom zijn jaarlijksch inkomen uit en laat hem bij mij komen wonen. Ik ben niet bang voor hem, ik ben niet trotsch, ik ben bereid voor hem te zorgen en zal hem niet slecht behandelen, zooals sommige menschen—o. a. in het gesticht—gedaan hebben. Na veel heen- en weerpraten kreeg ik mijn zin en hij is bij mij gebleven tot op den huidigen dag. Hij is de vriendelijkste en inschikkelijkste man, die er leeft.... en wat het geven van goeden raad betreft!... Maar niemand kent hem ook zoo goed als ik.”

Tante streek hare japon glad en schudde het hoofd, alsof zij ten spijt van de geheele wereld alles van den een wilde afstrijken en op den ander overschudden.

„Hij had eene zuster, van wie hij veel hield,” vervolgde zij, „een goed schepsel, die heel lief voor hem was. Maar zij deed wat alle meisjes doen—zij ging trouwen. En haar echtgenoot deed wat alle mannen doen—hij maakte haar ongelukkig. Dit maakte zulk een indruk op mijnheer Dick—dat was toch geen bewijs van krankzinnigheid, hoop ik—dat hij er ziek van werd; de onvriendelijkheid van en de vrees voor zijn broeder misten bovendien hunne uitwerking niet. Dit alles had plaats, voor hij bij mij kwam, maar de herinnering er aan drukt hem zelfs nu nog ter neer. Heeft hij u iets verteld aangaande Koning Karel I?”

„Ja, tante.”

„A zoo!” sprak zij haar neus wrijvend, alsof dit haar onaangenaam was. „Dat is eene zinnebeeldige manier om zich uit te drukken. Hij schrijft zijne ziekte toe aan groote overspanning en angst, natuurlijk, en dat is het beeld of de gelijkenis, die hij verkiest te gebruiken. En waarom zou hij niet, als hij dat goedvindt?”

„Zeker, tante.”

„Het is nu wel een zeer bijzondere manier om zijne gedachten uit te drukken, eene manier, zooals in de wereld weinig voorkomt. Ik kan er mijne goedkeuring ook niet aan hechten en daarom sta ik er op, dat er geen woord van mag voorkomen in zijne Memorie.”

„Is die Memorie eene levensbeschrijving van hem zelven, tante?”

„Ja, mijn kind,” antwoordde tante, opnieuw haar neus wrijvend. „Hij schrijft eene Memorie voor den Lord Kanselier of den Lord.... a, ik weet niet hoe al die lords heeten; maar het is voor iemand, die betaald wordt om zulke memories te krijgen—en geeft daarin een verhaal van al hetgeen hij ondervonden heeft. Ik vermoed dat hij zijne Memorie eerstdaags zal inzenden. Het is hem niet gelukt die af te maken, zonder zich nu en dan tot die bijzondere manier van schrijven te laten verleiden. Maar het beteekent niets; het houdt hem bezig.”

Inderdaad kwam ik later tot de ontdekking, dat mijnheer Dick reeds tien jaren achtereen beproefd had Koning Karel I uit zijne Memorie te houden; telkens was diens naam er weder in gekomen en hij stond er ditmaal weer in.

„Ik zeg nog eens,” begon mijne tante weder, „dat niemand dien man zoo goed kent als ik en dat hij de vriendelijkste en inschikkelijkste man is, die er leeft. Wat doet het er toe of hij nu en dan lust heeft om een vlieger op te laten? Franklin liet ook vliegers op. Hij was een kwaker of iets dergelijks, als ik mij niet bedrieg. En wat is nu belachelijker dan een kwaker, die een vlieger oplaat?”

Had ik kunnen vermoeden, dat tante mij deze bijzonderheden vertelde, om mij een bewijs van vertrouwen te geven, dan zou ik dit eene groote onderscheiding geacht en deze vertrouwelijkheid als een gunstig voorteeken beschouwd hebben. Maar ik kon niet nalaten op te merken, dat zij er toe was overgegaan, omdat hare ziel er geheel mede was vervuld en ook, dat zij mij tot toehoorder had gekozen, omdat zij niemand anders had om er naar te luisteren. Ik moet hier echter bijvoegen, dat de edelmoedige wijze, waarop zij de partij had opgenomen voor den armen, onnoozelen mijnheer Dick, mijn jonge hart met blijde hoop voor mij zelven vervulde niet alleen, maar het ook, zonder eenige zelfzucht, warm voor haar deed kloppen. Ik begon te begrijpen, dat er in mijne tante, in weerwil van hare zonderlinge en dwaze gewoonten, iets was, dat eerbied en vertrouwen afdwong. Hoewel zij dien dag even kortaf was als den vorigen, zich even vaak boos maakte over de ezels en eenmaal gloeiend verontwaardigd opsprong, omdat een jonge man in het voorbijgaan een knipoogje maakte tegen Janet—in tante's oogen het grootste vergrijp tegen hare waardigheid—scheen zij mij toch langzamerhand meer eerbied, ten minste minder vrees, in te boezemen.

De angst, dien ik uitstond in den tijd, die noodzakelijk verloopen moest eer het antwoord kon komen op den brief aan mijnheer Murdstone, is niet te beschrijven; maar ik deed mijn best om dien te onderdrukken en mij bij mijne tante en mijnheer Dick zoo aangenaam mogelijk voor te doen. Laatstgenoemde zou reeds den vlieger met mij hebben opgelaten, maar ik had nog geen andere kleederen dan het alles behalve sierlijk gewaad, waarin men mij op den dag van mijne aankomst gestoken had en dat mij noodzaakte thuis te blijven, behalve des avonds in het donker, als tante het voor mijne gezondheid noodzakelijk achtte eenigen tijd met mij op het strand heen en weer te loopen, eer ik naar bed ging.

Eindelijk kwam er antwoord van mijnheer Murdstone, en tante deelde mij tot mijn niet geringen schrik mede, dat hij den volgenden dag persoonlijk met haar over mij zou komen spreken. Dien volgenden dag zat ik, nog steeds in hetzelfde wonderlijke toilet, de minuten te tellen, die zoo vreeselijk langzaam voorbij gingen; hoop en vrees voerden voortdurend een woedenden strijd in mijn binnenste en ik beefde bij het vooruitzicht ieder oogenblik dat barsche gelaat voor mij te kunnen zien.

Mijne tante was nog wat ongenaakbaarder en stroever dan gewoonlijk, doch andere kenteekenen, dat zij zich gereed maakte om den gevreesden bezoeker te ontvangen, werd ik niet gewaar. Zij zat bij het venster te werken en ik zat bij haar, terwijl mijne gedachten zich bezighielden met allerlei mogelijke en onmogelijke gevolgen van mijnheer Murdstone's bezoek en—dat duurde tot vrij laat in den namiddag. Ons middagmaal was onbepaald uitgesteld, maar het was zoo laat geworden, dat tante eindelijk last had gegeven om te dekken, toen zij eensklaps den alarmkreet liet hooren, dat er ezels waren, en ik tot mijne groote verbazing en schrik juffrouw Murdstone zag aankomen, dwars over het grasperk rijdende. Vlak voor het huis bleef haar ezel staan.

„Maak dat gij wegkomt!” riep tante hoofdschuddend, terwijl zij haar vuist dreigend ophief.—Zij was gelukkig nog binnenskamers.—„Gij hebt hier niets te maken! Hoe durft gij over mijn eigendom rijden! Maak dat gij wegkomt, brutale tang.”

Tante was zoo woedend over de koelbloedigheid, waarmede juffrouw Murdstone haar aankeek, dat zij als met verlamming scheen geslagen en geen voet verzette, om tot den gewonen aanval op te rukken. Ik nam deze gelegenheid waar om haar te vertellen, wie het was en dat de heer, die achteraan kwam—de helling was vrij steil—mijnheer Murdstone was.

„Het kan mij niet schelen wie het is!” riep tante hoofdschuddend en gebarenmakend achter het venster, die alles behalve „welkom” beduidden, „ik wil geen overlast aangedaan worden! Ik verkies het niet! Ga heen! Janet, laat hem keert maken. Breng hem weg!” Achter tante staande woonde ik nu een formeel gevecht bij; de ezel weerstond alle pogingen en bleef met de vier pooten wijd van elkander in het grasveld staan, terwijl Janet trachtte hem bij den teugel om te trekken, mijnheer Murdstone hem vooruitdreef, juffrouw Murdstone met de parasol op Janet lossloeg en een aantal jongens, die op het geraas waren aangekomen, stonden te juichen van de pret. Tante ontdekte echter plotseling onder al die deugnieten den drijver van den ezel, een van de ergste overtreders, al was hij nauwelijks tien jaar oud; in het volgend oogenblik was zij op het slagveld en had zij hem bij den kraag van zijn buis, dat zij hem over het hoofd trok, in de worsteling al roepende, dat Janet de politie en de justitie moest halen, ten einde hem op staanden voet te straffen. Zij had den jongen medegetrokken tot in den tuin, maar hij was tante te slim af en wist zich los te werken, waarna hij, eenige diepe sporen van zijne hakken in de bloembedden achterlatende, juichend wegliep en zijn ezel in triomf medevoerde.

Juffrouw Murdstone was intusschen afgestegen en wachtte nu met haar broeder onder aan de stoep, tot tante in de gelegenheid zou zijn hen te ontvangen; maar deze liep, hoewel door de worsteling een weinig uit de plooi geraakt, met groote deftigheid langs hen heen het huis binnen en sloeg geen acht op hen, alvorens zij door Janet waren aangediend.

„Zal ik heengaan, tante?” vroeg ik bevend.

„Neen, jongeheer,” antwoordde zij. „Zeer zeker niet!”

Te gelijker tijd duwde zij mij in den hoek achter hare plaats en zette een stoel voor mij neer, zoodat ik, als het ware in eene gevangenis zat. Gedurende het geheele onderhoud bleef ik daar staan en dáár zag ik ook mijnheer en juffrouw Murdstone de kamer binnentreden.

„O,” zei mijne tante, „ik wist niet, wie ik eigenlijk het genoegen had van mijn erf te jagen. Ik sta niemand toe over dat grasperk te rijden; dat is nu eenmaal niet anders en ik maak geen uitzonderingen. Ik sta dat aan niemand toe.”

„Voor vreemdelingen is die verordening bijzonder lastig,” deed juffrouw Murdstone opmerken.

„Zoo?” vroeg tante.

Mijnheer Murdstone scheen eene herhaling van de vijandelijkheden te duchten en zei daarom:

„Juffrouw Trotwood....”

„Neem mij niet kwalijk!” viel tante hem op scherpen toon in de rede „zijt gij mijnheer Murdstone, die de weduwe van wijlen mijn neef David Copperfield van Kraaiennest in Blunderstone trouwdet? Waarom het Kraaiennest was, heb ik nooit begrepen....”

„Dat ben ik,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Gij zult het mij zeker wel niet ten kwade duiden,” ging tante voort, „als ik zeg, dat het beter en, voor haar vooral, veel gelukkiger zou zijn geweest, als gij dat arme kind nooit gezien hadt.”

„In zoover moet ik juffrouw Trotwood gelijk geven,” viel juffrouw Murdstone daarop in, terwijl zij het hoofd trotsch in den nek wierp, „dat onze diep betreurde Clara wel getoond heeft in alle opzichten nog een kind te zijn.”

„Het is voor u en mij een troost, juffrouw,” antwoordde tante, „dat men, nu wij wat op jaren komen en met onze schoonheid geen ongelukken meer zullen maken, van ons niet hetzelfde zeggen zal.”

„Zonder twijfel,” zei juffrouw Murdstone, ofschoon, naar mij voorkwam, deze toestemming niet van ganscher harte gegeven werd. „En het zou ook oneindig beter zijn geweest, ook voor het geluk van mijn broeder, als hij dat huwelijk nooit had aangegaan. Zoo heb ik er trouwens altijd over gedacht.”

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik,” gaf tante ten antwoord en belde Janet, aan wie zij beval mijnheer Dick te verzoeken beneden te komen.

Tot mijnheer Dick binnenkwam, bleef tante stokstijf op haar stoel zitten, terwijl zij zwijgend en met gefronst voorhoofd naar den muur keek. Toen hij kwam, presenteerde zij hem:

„Mijnheer Dick, een oud en beproefd vriend, aan wiens raad ik zeer veel waarde hecht,” zei tante, ten einde mijnheer Dick, die op zijn nagels stond te bijten en een vrij dwaas gezicht trok, wat moed in te spreken.

Mijnheer Dick nam op dezen wenk den vinger uit den mond en bleef met een ernstig gezicht en de grootste aandacht naar mijnheer Murdstone luisteren, die nu voortging: „Juffrouw Trotwood, toen ik uw brief ontving, meende ik mij zelven het best te kunnen rechtvaardigen en u de meeste achting te bewijzen....”

„Wel verplicht,” zei tante, terwijl zij hem voortdurend scherp aankeek; „gij kunt er mij wel buiten houden.”

„Door u mondeling te antwoorden, hoe lastig de reis ook is,” vervolgde mijnheer Murdstone. „Deze ondeugende jongen, die is weggeloopen van zijne vrienden en uit zijn werk....”

„En die er zoo schandelijk en verwaarloosd uitziet,” viel zijn zuster hem in de rede en vestigde daardoor aller aandacht op mijn zonderling kostuum.

„Jane Murdstone,” zei haar broeder, „wees zoo goed mij niet in de rede te vallen. Deze ondeugende jongen, juffrouw Trotwood, is de oorzaak geweest van veel onaangenaamheden en huiselijken twist, zoowel gedurende het leven van mijne lieve vrouw als daarna. Hij heeft een wreveligen, weerbarstigen aard, een driftig karakter, is in één woord onhandelbaar. Mijne zuster en ik hebben getracht hem te verbeteren en van zijne vele ondeugden te genezen, doch te vergeefs. En ik heb begrepen—wij hebben beiden begrepen, want mijne zuster deelt geheel in mijn vertrouwen—dat gij deze ernstige en onpartijdige uitspraak uit onzen eigen mond moest aanhooren.”

„Het zal nauwelijks noodig zijn de woorden van mijn broeder nog te bevestigen,” zei juffrouw Murdstone, „maar ik verzoek u wel in aanmerking te willen nemen, dat er geen slechter jongen in de wereld is dan deze.”

„Het is sterk!” zeide tante.

„Doch niet te sterk voor de feiten,” antwoordde juffrouw Murdstone.

„Zoo! Welnu, mijnheer....”

„Ik heb mijn eigen denkbeelden,” hernam mijnheer Murdstone, wiens gezicht hoe langer hoe donkerder werd, naarmate hij en tante elkander langer aankeken, hetgeen zij met de grootste aandacht deden, „over de wijze van opvoeding van zulk een jongen; denkbeelden, gegrond op de kennis van zijn karakter en op mijn eigen middelen en inkomsten. Ik ben daarvoor aan mij zelven verantwoording schuldig en ik zal handelen zonder meer daarover te zeggen dan mij goed dunkt. Het is genoeg dat ik dezen jongen in een fatsoenlijke betrekking plaats, onder het toezicht van een mijner beste vrienden; dat hem dit niet bevalt, dat hij wegloopt, als een vagebond langs den weg zwerft en hier bij u aankomt in lompen gehuld, heeft hij geheel aan zichzelven te wijten en is slechts een bewijs te meer voor zijn weerspannige inborst, juffrouw Trotwood. Ik wensch u, voor zoover mij dat mogelijk is, openhartig de gevolgen voor te houden, indien gij wellicht genegen waart, de partij op te nemen voor dezen knaap.”

„Voor gij verder gaat, zou ik gaarne iets wenschen te weten van den aard der fatsoenlijke betrekking, waarover gij spreekt,” zei tante. „Zoudt gij hem, indien hij uw eigen zoon was, in dezelfde betrekking hebben geplaatst?”

„Indien hij een eigen kind van mijn broeder geweest was,” kwam juffrouw Murdstone te hulp, „zou zijn karakter heel anders geweest zijn.”

„En zou hij ook in dezelfde fatsoenlijke betrekking zijn gegaan, als dat kind, zijne moeder, nog geleefd had?” vroeg tante weder.

„Ik geloof niet, dat mijne lieve Clara zich verzet zoude hebben tegen maatregelen, die mijne zuster en ik als de beste beschouwden,” antwoordde mijnheer Murdstone met een hoofdknik.

En juffrouw Murdstone bevestigde het met een hoorbaar gemompel.

„Hm!” zei tante. „'t Ongelukkige schepseltje!”

Mijnheer Dick, die gedurende al dien tijd met zijn geld had staan rammelen, deed dit thans zoo hevig, dat tante het noodig vond hem met een wenk tot kalmte aan te manen; daarna ging zij voort:

„Het jaargeld van het arme kind is zeker met haar gestorven?”

„Hield met haar dood op,” bevestigde mijnheer Murdstone.

„En er bestaat geen enkele bepaling, waardoor het huis en het erf—Kraaiennest zonder kraaien—op dezen knaap zijn overgegaan?”

„Kraaiennest was haar door haar eersten echtgenoot nagelaten zonder eenige voorwaarde,” hernam mijnheer Murdstone, maar tante viel hem driftig en ongeduldig in de rede. „Mijn Hemel, man, dat behoeft gij mij niet te vertellen! Nagelaten zonder voorwaarden! Hoe zou David Copperfield vooruit hebben kunnen zien; hij zag niets, al stond het vlak voor zijn neus! Natuurlijk was die nalatenschap onvoorwaardelijk! Maar toen zij voor de tweede maal in het huwelijk trad.... toen zij den betreurenswaardigen stap deed door.... kortom—door met u te trouwen—dat is zoo duidelijk mogelijk—heeft toen niemand een woord in het midden gebracht ten gunste van dezen knaap?”

„Mijne vrouw had haar tweeden echtgenoot lief, juffrouw Trotwood, en vertrouwde hem onvoorwaardelijk,” antwoordde mijnheer Murdstone.

„Uwe vrouw, mijnheer, was een ongelukkig, onhandig kind, dat niet zóóveel verstand van zaken had,” zei tante en knipte daarbij met vinger en duim in de richting van mijnheer Murdstone, terwijl zij onheilspellend met het hoofd begon te schudden. „Dat was zij. En wat hebt gij nu nog verder te vertellen?”

„Eenvoudig dit, juffrouw Trotwood. Ik ben hier om David mede te nemen—David mede te nemen zonder mij eenige voorwaarde te laten stellen, ik zal met hem doen wat ik goed acht en daarmee uit. Ik ben hier niet gekomen om eenige belofte af te leggen of aan iemand eenige verantwoording te doen. Ik zal met hem handelen zooals mij rechtmatig voorkomt. Gij zoudt wellicht plan hebben om hem in zijn verzet te stijven en zijn wegloopen te vergoelijken, juffrouw Trotwood—de toon, dien gij tegen mij aanneemt, doet mij zoo iets dergelijks vermoeden—maar ik moet u waarschuwen; want neemt gij hem eenmaal onder uwe hoede, dan houdt gij hem ook voor goed; wilt gij u plaatsen tusschen dien jongen en mij, dan behoudt gij die plaats voor goed. Ik ben hier voor de eerste en laatste maal, om den jongen op te halen, juffrouw Trotwood. Is hij gereed om met mij mede te gaan? Indien hij niet gereed is en gij zegt: neen—om welke reden dan ook, dat is mij onverschillig—dan is mijn deur voortaan voor hem gesloten en de uwe, bijgevolg, voor hem geopend.”

Mijne tante had gedurende deze geheele toespraak recht als eene kaars en met een gezicht, om bang voor te worden, zitten luisteren. Toen hij uitgesproken had, wendde zij hare oogen zooveel naar den kant waar juffrouw Murdstone stond, dat zij deze zien kon; overigens veranderde zij niets in hare houding.

„Wel, juffrouw, hebt gij er ook nog iets bij te voegen?” vroeg zij.

„Waarlijk, juffrouw Trotwood,” antwoordde juffrouw Murdstone, „al wat ik zou kunnen zeggen is zoo goed door mijn broeder gezegd, en alle omstandigheden zijn zoo goed door hem uiteengezet, dat ik niet weet wat ik er nog zou kunnen bijvoegen dan mijn dank voor uwe voorkomendheid, voor uwe overgroote voorkomendheid.” Zij sprak dit uit met eene ironie, die tante even weinig van haar stuk bracht als het kanon, waaronder ik te Chatham geslapen had, er door van zijne plaats zou zijn gebracht.

„En wat zegt de jongen zelf er van?” zei tante. „Zijt gij gereed om met mijnheer Murdstone mede te gaan, David?”

Ik antwoordde, dat ik niet gereed was en smeekte haar mij bij zich te houden. Ik zei, dat noch mijnheer, noch juffrouw Murdstone ooit van mij gehouden hadden, dat geen van beiden ooit vriendelijk voor mij geweest was. Ik zei, dat zij mijne mama, die mij altijd lief had gehad, tegen mij hadden opgestookt; dat ik dit zeer goed wist en dat Peggotty het ook wist. Ik zei, dat ik ongelukkiger geweest was dan iemand vermoeden kon, die wist hoe jong ik nog was en ik smeekte en bad tante Betsey—ik weet niet meer in welke bewoordingen, maar herinner mij zeer goed, dat ik hevig ontroerd was—mij te beschermen en te helpen ter wille van mijn vader.

„Mijnheer Dick,” zei tante, „wat moet ik met den jongen doen?”

Mijnheer Dick dacht na, aarzelde... maar eensklaps helderde zijn gezicht op en zei hij: „Hem onmiddellijk de maat laten nemen voor een pak kleeren.”

„Mijnheer Dick,” zei tante Betsey met een zegevierenden blik, „geef mij eene hand, want uw raad pleit voor uw gezond verstand.” Nadat zij hem hartelijk de hand had geschud, duwde zij mij naar hem toe en zei tot mijnheer Murdstone: „Gij kunt wel heengaan als gij wilt; ik zal het wagen met den jongen. Indien hij al de slechte eigenschappen bezit, die gij hem toedicht, kan ik altijd nog met hem doen wat gij gedaan hebt. Maar ik geloof er geen woord van.”

„Juffrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Murdstone, schouderophalend en van zijn stoel opstaande: „indien gij een man waart....”

„Och wat, zotteklap, anders niets!” zei tante. „Spaar u de moeite om verder tegen mij te spreken.”

„Hoe uiterst beleefd!” riep juffrouw Murdstone opstaande uit. „Waarlijk, gij overstelpt ons met beleefdheden!”

„Meent gij soms, dat ik niet weet,” ging mijne tante voort, alsof zij niets verstond van hetgeen juffrouw Murdstone zeide en heviger dan ooit met het hoofd schuddend tegen haar broeder, „meent gij soms, dat ik niet weet, hoe gij dat arme, ongelukkige, bedrogen kind hebt behandeld? Meent gij, dat ik niet weet, welk een heillooze dag het voor dat zachte schepseltje geweest is, toen gij voor het eerst haar weg kruistet—met een gelegenheidslachje en een paar oogen—daarop wil ik een eed doen—alsof gij nog geen boe! tegen eene gans zoudt durven zeggen!”

„Ik heb nooit zoo iets fijns gehoord!” riep juffrouw Murdstone uit.

„Meent gij, dat ik niet begrijp, hoe gij er toen moet hebben uitgezien, al ben ik er niet bij geweest? Nu ik kennis met u heb gemaakt—hetgeen, oprecht gezegd, alles behalve een genoegen voor mij is—weet ik dat maar al te goed. Och ja, goede Hemel! Wat zult gij bloemzoet geweest zijn in het begin! Het arme, onwetende kind had nooit zulk een man ontmoet! Al zachtheid in al zijn doen! Hij aanbad haar, hij droeg haar op de handen! En haar jongen? Wel, hij was verzot op den knaap! Hij zou een tweede vader voor hem zijn en zij zouden allen te zamen leven als in een paradijs! Nietwaar?.... Ba! Ga uit mijn oogen!” riep zij uit.

„Als ik nu toch ooit in mijn leven zulk een mensch meer ontmoet heb!” verklaarde juffrouw Murdstone.

„En toen gij u meester gemaakt hadt van het kleine gekkinnetje—de Hemel vergeve mij, dat ik haar zoo noem, nu zij daar is, waar gij niet zoo spoedig komen zult—en gij haar en de haren nog geen onrecht genoeg hadt aangedaan, moest gij haar gaan opvoeden, nietwaar? Gij moest haar africhten als een vogel in een kooitje en haar een ellendig leven laten leiden, opdat zij uwe deuntjes zou leeren fluiten?”

„Dat mensch is òf dronken òf krankzinnig,” zei juffrouw Murdstone, woedend omdat zij niet bij machte was den stroom van tante's welsprekendheid naar haar zelve te leiden, „ik vermoed, dat het krankzinnigheid is.”

Zonder de minste notitie te nemen van dezen uitroep, ging tante Betsey voort zich tot mijnheer Murdstone te wenden, alsof er geen juffrouw Murdstone en geen krankzinnigheid op de wereld waren.

„Gij waart een dwingeland voor het arme schaap,” ging zij voort, met den vinger dreigend, „gij hebt haar hart gebroken. Ik weet, dat zij veel kon liefhebben—ik wist dit al jaren vóór gij haar zelfs gezien hadt—en gij hebt van hare zwakheid gebruik gemaakt om haar de wonden toe te brengen, waaraan zij gestorven is. Dat is de zuivere waarheid, of gij die hooren wilt of niet. Gij en uwe handlangers kunt er van denken wat gij wilt!”

„Sta mij toe te vragen, juffrouw Trotwood,” zoo viel juffrouw Murdstone haar in de rede, „wie gij wel zoo goed zijt in een woordenvloed, dien ik niet volgen kan, de handlangers van mijn broeder te noemen?”

Tante Betsey bleef nog steeds stokdoof voor die stem; zij scheen er zich niet het minst van aan te trekken, maar ging voort: „Het was duidelijk genoeg, jaren reeds voor gij haar voor de eerste maal zaagt—waarom de Voorzienigheid in Zijne ondoorgrondelijke wijsheid u op haar weg bracht, is voor een gewoon menschenverstand niet te begrijpen—welnu, het was duidelijk, dat het arme, kleine ding nog eens zou trouwen, maar dat het zoo slecht zou afloopen, had ik niet kunnen verwachten. Dat was in den tijd, mijnheer Murdstone, toen zij het levenslicht schonk aan dezen jongen, aan dit kind hier, waarmede gij haar later gemarteld hebt; dat is eene onaangename herinnering voor u, en daarom is deze knaap u een doorn in het oog. Ja, ja, gij behoeft er niet zoo van te schrikken! Ik weet toch wel dat het waar is.”

Hij had al dien tijd bij de deur gestaan en haar met een glimlach om den mond aangestaard, ofschoon zijne dikke, zwarte wenkbrauwen dicht waren saamgetrokken. Ik merkte nu ook op, dat, al bleef de glimlach om zijn mond, alle kleur uit zijn gelaat verdwenen was, en hij naar adem scheen te snakken, alsof hij hard geloopen had.

„Goeden dag, mijnheer,” zei tante, „vaarwel! En u ook, goeden dag, juffrouw,” voegde zij er bij, terwijl zij zich plotseling naar zijne zuster omwendde. „Laat ik u nog eens op een ezel over mijn grasperk zien rijden, dan zal ik, zoo zeker als gij een hoofd op uw schouders hebt, u den hoed afslaan en er op trappen!”

Ik wenschte, dat er een schilder bij de hand geweest ware—en geen gewone schilder—om tante's gezicht op het doek te brengen, toen zij dit geheel onverwachte slot aan haar toespraak maakte, en dat van juffrouw Murdstone, toen zij het aanhoorde. De toon, waarop tante sprak, en ook hetgeen zij zeide, was zoo dreigend, dat juffrouw Murdstone, zonder een woord te antwoorden, den arm door dien van haar broeder stak en met hoog opgeheven hoofd de deur uitstapte. Tante keek hen uit het venster na, gereed—daarvan ben ik overtuigd—om bij de wederverschijning van de ezels hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.

Er werd echter zelfs geen poging gedaan om haar te tarten, zoodat de strakheid langzamerhand van haar gelaat verdween, en er zelfs een tevreden trek op kwam, waardoor ik werd aangemoedigd om beide armen om haar hals te slaan en haar met een hartelijken kus te bedanken. Daarna schudde ik mijnheer Dick de hand en mijnheer Dick schudde mij telkens weer de hand, en zoo besloten wij den gelukkigen afloop van de onderhandeling met eens hartelijk samen te lachen.

„Ik verzoek u mede op te treden als voogd van dit kind, mijnheer Dick,” zei tante.

„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde hij, „dan voogd te wezen over een kind van David.”

„Heel goed,” zei tante, „dat is dus uitgemaakt. Ik heb er over gedacht, mijnheer Dick, hem voortaan Trotwood te noemen.”

„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Dick, „zeker. David's zoon, Trotwood.”

„Trotwood Copperfield, bedoelt gij zeker,” hernam tante.

„Ja, ja, zeker. Ja. Trotwood Copperfield,” herhaalde mijnheer Dick, een weinig uit het veld geslagen.

Dit denkbeeld beviel mijne tante zoo zeer, dat eenige kleedingstukken, welke dien avond werden thuisgebracht, onmiddellijk werden gemerkt: T. C. Zij deed dit eigenhandig met onuitwischbaren merkinkt, voor ik ze mocht aantrekken; voorts werd bepaald, dat alle kleederen, die voor mij gemaakt werden—een kompleet uitzet werd dien namiddag besteld—op dezelfde wijze gemerkt zouden worden. Zoo begon ik dus een nieuw leven met een nieuwen naam en alles nieuw om mij heen. Nu de twijfel was opgeheven, leefde ik eenige dagen als in een droom. Ik dacht geen oogenblik, dat ik in mijne tante en mijnheer Dick een paar zonderlinge voogden had; ik dacht aan hetgeen mij zelven betrof eigenlijk nooit helder. Hetgeen mij het duidelijkst voor den geest stond, was, dat het leven te Blunderstone veel langer geleden was en dat de tijd, dien ik bij Murdstone en Grinby had doorgebracht, voor altijd vergeten moest worden. Niemand heeft dien tijd ooit weder opgerakeld. Ik zelf heb dien tijd in dit verhaal slechts even aangeroerd, tegen mijn zin, om er terstond weder een gordijn voor te laten vallen. De herinnering daaraan is met zooveel zielelijden, zooveel ellende, zooveel hopeloosheid verbonden, dat mij zelfs de moed ontbreekt na te gaan, hoe lang ik tot dat leven ben veroordeeld geweest. Ik weet niet meer of het een jaar geduurd heeft, of langer of korter. Ik weet alleen, dat die tijd er geweest is en dat er een einde aan gekomen is, dat ik dien moest beschrijven, maar het daarbij ook laat.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XV

Ik begin opnieuw.

Mijnheer Dick en ik werden weldra de beste vrienden en meermalen gingen wij des avonds, wanneer zijne dagtaak was afgeloopen, uit om den grooten vlieger op te laten. Elken dag zat hij aan zijne memorie te werken, die nooit afkwam, want hoe hij ook zijn best deed, Koning Karel I kwam er telkens weer in voor en dan werd het geschrevene op zij gelegd en opnieuw begonnen. Het geduld en de lijdzaamheid, waarmede hij deze telkens terugkeerende teleurstellingen droeg; het bewustzijn, dat er iets met koning Karel I niet in orde was; de zwakke pogingen, die hij in het werk stelde om hem uit de memorie te houden en de zekerheid, waarmede hij er telkens weder in kwam en de geheele memorie in duigen deed vallen, dat alles maakte een diepen indruk op mij. Wat mijnheer Dick zich voorstelde, dat het gevolg zou zijn van de memorie, als zij af was; wat hij er mede zou doen, of wat iemand ter wereld er aan zou hebben, wist hij evenmin als iemand anders. Maar het was ook volstrekt onnoodig, dat hij zich met deze vragen het leven lastig maakte, want als er iets zeker was onder de zon, dan was het wel dit, dat de memorie nimmer ten einde zou worden gebracht.

Ik herinner mij nog goed, welk een aandoenlijk schouwspel het was hem met den vlieger te zien, wanneer deze hoog in de lucht stond. Hetgeen hij mij op zijne kamer verteld had omtrent de verspreiding van zijne denkbeelden door middel van den vlieger, die werkelijk geheel beplakt was met afgekeurde memories, moge een uitvloeisel zijn geweest van zijne ziekelijke verbeelding; wanneer de vlieger hoog in de lucht stond en hij het touw in zijne hand voelde rukken en trekken, geloofde hij het onvoorwaardelijk. Hij keek nooit zoo ernstig als in die oogenblikken. En wanneer ik dan des avonds bij hem zat in het gras en hem zoo kalm naar den vlieger zag turen, kwam meermalen de gedachte bij mij op, of deze wellicht de verwarring, die in zijn geest heerschte, had medegenomen in de wolken. Wond hij het touw weder op en daalde de vlieger al lager en lager, totdat hij den grond raakte en daar als dood ter nederlag, dan scheen de arme man uit een droom te ontwaken; ik herinner mij nog, hoe hij den vlieger dan opnam en wezenloos rondkeek, alsof met dezen ook weder de verwarring in zijne ziel was teruggekeerd en o, dan had ik zoo'n innig medelijden met hem.

De toenemende vriendschap en vertrouwelijkheid tusschen mijnheer Dick en mij deed mij niet achteruit gaan in de gunst van zijne onafscheidelijke vriendin, van mijne tante. Zij was zoo zeer met mij ingenomen, dat zij na eenige weken reeds mijn aangenomen naam Trotwood tot Trot afkortte en mij zelfs te kennen gaf dat ik, indien ik voortging zooals ik begonnen was, eene even ruime plaats in haar hart zou innemen als mijne zuster Betsey Trotwood.

„Trot,” sprak zij op zekeren avond, toen het trictracbord als naar gewoonte tusschen haar en mijnheer Dick was geplaatst, „Trot, wij mogen uwe opvoeding niet vergeten.”

Dit was het eenige waarover ik mij nu en dan bezorgd maakte, zoodat ik zeer verheugd was toen zij er over begon.

„Zoudt gij wel naar Canterbury op school willen gaan?” vroeg tante.

Ik antwoordde, dat ik het heel prettig zou vinden, vooral omdat ik dan toch dicht bij haar zou blijven. „Goed”, hernam zij. „Zoudt gij morgen willen gaan?” Tante's voortvarendheid was mij niet vreemd meer, zoodat de spoed, waarmede zij ook ditmaal weder haar plan ten uitvoer wilde brengen, mij volstrekt niet verbaasde. Ik zei dus: „Jawel, tante.”

„Goed,” herhaalde zij. „Janet, bestel het wagentje met den grijzen hit tegen morgen ochtend, tien uur, en pak van avond nog de kleeren in van jongeheer Trotwood.”

Ik was opgetogen van blijdschap toen ik deze maatregelen hoorde nemen, maar een oogenblik later verweet ik mij in stilte mijn zelfzucht, toen ik de uitwerking zag, welke tante's woorden op mijnheer Dick hadden; hij was zoo terneergeslagen in het vooruitzicht van onze scheiding en speelde dientengevolge zoo slecht, dat tante, na hem met haar beker verscheidene tikjes op de hand gegeven te hebben, het trictracbord dichtsloeg en verklaarde niet meer met hem te willen spelen. Toen hij echter van tante vernam, dat ik nu en dan des Zaterdags zou overkomen en hij mij, zoo vaak als hij verkoos, des Woensdags mocht bezoeken, herleefde hij en beloofde voor die gelegenheden een vlieger te zullen maken van veel grootere afmetingen dan de reeds bestaande. Den volgenden morgen was hij weder zeer terneergeslagen en zou troost hebben gezocht door mij al het geld, dat hij bezat, goud en zilver, te geven, als mijne tante het niet voorkomen en zijn gift beperkt had tot vijf shillings, die echter op zijn dringend verzoek tot tien werden aangevuld. Wij namen aan het tuinhek op aandoenlijke wijze afscheid en mijnheer Dick ging niet het huis binnen, voordat mijne tante en ik om een hoek van den weg verdwenen waren.

Tante Betsey, die zich van de publieke opinie niets aantrok, mende zelve en bracht den grijzen hit op meesterlijke wijze door de straten van Dover. Zij zat stijf en rechtop als een echte koetsier, had haar paardje goed in de hand en stond het geen enkele maal toe zijn eigen zin te doen. Toen wij den grooten weg hadden bereikt, liet zij het echter een weinig meer vrij en zich tot mij wendende—ik zat veel lager dan zij—vroeg zij mij of ik mij gelukkig gevoelde.

„Heel gelukkig, tante, werkelijk, tante,” zei ik, „ik ben u heel dankbaar.”

Tante scheen bijzonder tevreden met dit antwoord en aangezien zij geen harer handen vrij had, tikte zij mij met de zweep even op het hoofd.

„Is het een groote school, tante?” vroeg ik.

„Dat weet ik niet,” antwoordde zij. „Wij gaan eerst naar mijnheer Wickfield.”

„Is mijnheer Wickfield het hoofd van de school?”

„Neen, Trot; mijnheer Wickfield heeft een kantoor.”

Ik deed geen vragen meer aangaande mijnheer Wickfield, omdat tante uit zich zelve geen verdere inlichtingen gaf, zoodat wij over allerlei andere onderwerpen spraken, tot wij Canterbury binnenreden. Het was marktdag en tante moest al hare aandacht wijden aan den hit, dien zij tusschen karren, manden, allerlei soorten van groenten en andere koopwaren liet voortdraven. Nu en dan scheelde het een haar of zij was tegen het een of ander aangereden en de opmerkingen, die ons naar het hoofd werden geslingerd, waren niet altijd van vriendschappelijken aard; maar tante stoorde er zich volstrekt niet aan en reed door; zij zou, geloof ik, met hetzelfde stalen gezicht door een vijandelijk land gereden zijn.

Eindelijk hielden wij stil voor een heel oud huis, waarvan de bovenverdieping een weinig vooruitstak, een huis met lage vensters, die ook weder vooruitstaken en zware balken met gebeeldhouwde koppen aan de uiteinden, die nog weder verder vooruitstaken, zoodat het mij voorkwam of het geheele huis voorover hing, ten einde te zien wie de nauwe straat doorkwam. Het huis maakte een bijzonder zindelijken indruk. De ouderwetsche metalen klopper op de lage boogvormige deur schitterde als eene ster tusschen de gebeeldhouwde guirlandes van vruchten en bloemen; de twee steenen trapjes, die tot deze deur toegang gaven, waren zoo wit alsof ze met fijn damast waren belegd, en al de hoekjes en uitstekjes en al de onderdeelen van het beeldhouwwerk en de aardige kleine ruitjes en de nog aardiger kleine venstertjes, hoewel zoo oud als de omringende heuvelen, waren zoo helder en blank als de blankste sneeuw, die ooit op deze heuvelen gevallen was.

Toen de hittenwagen voor de deur stil hield en ik het huis van onderen tot boven bekeek, zag ik een lijkkleurig gezicht achter een der vensters van de benedenverdieping—in een klein rond torentje, dat de eene zijde van het huis vormde—even verschijnen, om onmiddellijk daarop weder te verdwijnen. Daarna werd de lage huisdeur geopend en datzelfde gezicht kwam buiten. Het was toen even lijkkleurig als toen ik het door het venster had opgemerkt, hoewel de huidkleur hier en daar de sporen van die zekere roode kleur vertoonde, welke aan menschen met rood haar eigen is. Dat gezicht behoorde aan een roodharigen jongen van vijftien jaar—ik weet dit nu, maar hij zag er veel ouder uit—wiens haar zoo kort was afgeknipt, dat zijn hoofd een stoppelveld geleek en die bijna geen wenkbrauwen en volstrekt geen ooghaartjes had; dit gemis maakte op mij den indruk of hij zijne bruine oogen volstrekt niet sluiten kon, zoodat ik mij met verbazing afvroeg hoe hij kon slapen. Hij had hooge schouders en een grof beenderengestel, was stemmig in het zwart gekleed met eene witte stropdas; zijne rok was tot aan den hals dichtgeknoopt en hij had lange, smalle, skeletachtige handen, die bijzonder mijne aandacht trokken, toen hij er aanhoudend zijne kin mede wreef, terwijl hij bij den kop van den hit naar ons stond te kijken.

„Is mijnheer Wickfield thuis, Uriah Heep?” vroeg tante.

„Mijnheer Wickfield is thuis, juffrouw Trotwood,” antwoordde hij, „wees zoo goed binnen te gaan”—hij wees met zijne lange hand naar de kamer waar mijnheer Wickfield was.

Wij stegen uit en terwijl Uriah Heep buiten bleef om den hit vast te houden, gingen wij eene lage kamer binnen, die op de straat uitzag; zoodra wij daar binnen waren, zag ik door het venster, dat Uriah Heep den hit in de neusgaten blies en deze terstond met de hand bedekte, alsof hij het dier wilde betooveren. Tegenover den hoogen ouderwetschen schoorsteenmantel hingen twee portretten: het eene was van een heer met grijs haar—hoewel volstrekt geen oud man—en zwarte wenkbrauwen, die eenige papieren bekeek, welke met een rood bandje waren saamgebonden; het andere van eene jonge dame met een vriendelijk, lief gezicht waarmede zij mij scheen aan te kijken.

Ik meen, dat ik mij omkeerde om Uriah's portret te zoeken, toen aan het einde van het vertrek eene deur geopend werd en een heer binnentrad, waarop ik mij terstond omwendde naar het eerst vermelde portret, ten einde mij te overtuigen, dat het niet uit de lijst gekomen was. Het hing er echter nog onaangeroerd en toen de heer wat meer in het licht kwam, zag ik dat het portret reeds eenige jaren geleden vervaardigd moest zijn.

„Kom binnen, juffrouw Betsey Trotwood,” zei mijnheer Wickfield—want deze was het. „Ik was druk bezig; gij zult mij dat wel niet kwalijk nemen, want gij kent mijn eenige levensdoel.”

Tante Betsey beantwoordde deze toespraak met eenige beleefde woorden, waarna wij zijne kamer binnengingen, die geheel als een kantoor was gemeubeld met boeken, papieren, blikken trommels en dergelijke zaken. Deze kamer zag in den tuin uit en er was een groote ijzeren brandkast in den muur gemetseld, zoo vlak boven den schoorsteenmantel, dat ik mij zelven met verbazing afvroeg hoe de schoorsteenvegers er om heen konden komen.

„Wel, juffrouw Trotwood,” vroeg mijnheer Wickfield, die notaris en tevens rentmeester van een rijk landedelman was, „wat voert u hierheen? Toch geen onaangename redenen?”

„Neen,” antwoordde tante, „ik kom niet om rechtszaken te behandelen.”

„Zooveel te beter, juffrouw,” zei mijnheer Wickfield. Zijn haar was nu spierwit, hoewel zijne wenkbrauwen nog altijd zwart waren. Hij had een innemend gelaat, dat, naar mij voorkwam, knap mocht genoemd worden. Zijne gelaatskleur deed mij aan portwijn denken—Peggotty had mij deze wijsheid geleerd—en ik verbeeldde mij, dat ook zijne stem mij daaraan herinnerde en hij er zijne zwaarlijvigheid aan verschuldigd moest zijn. Hij was zeer net gekleed in eene blauwe rok, gestreept vest en nankingschen broek en zijn fijn geplooid overhemd en batisten das waren zoo zacht en wit, dat ze mij in mijne kinderlijke verbeelding aan het dons van een zwaan deden denken.

„Deze jongen is een neef van mij,” zei tante.

„Ik wist niet, dat gij er een rijk waart, juffrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Wickfield.

„Hij is eigenlijk een achterneef,” deed tante opmerken.

„Ik geef u mijn woord, dat ik niets van dien achterneef wist,” zei mijnheer Wickfield.

„Ik heb hem aangenomen,” vervolgde tante, met hare hand wuivende als wilde zij zeggen, dat het haar volmaakt onverschillig was of hij het al of niet wist, „en ik heb hem hier gebracht om hem op eene school te doen, waar hij degelijk onderwijs ontvangt en goed behandeld wordt. Vertel mij nu eens of hier zulk eene school bestaat, waar die is en hoe die is—vertel mij er, in één woord, alles van wat gij weet.”

„Voor ik u degelijken raad kan geven,” zei mijnheer Wickfield,—„moet ik u de vraag doen, die gij van oudsher kent. Welke zijn uwe beweegredenen?”

„Groote goedheid, wat wil die man toch!” riep tante uit. „Altijd hengelen naar beweegredenen, terwijl ze voor de hand liggen. Natuurlijk om van dit kind een gelukkig en tevens een nuttig lid van de maatschappij te maken.”

„Ik vermoed dat uwe beweegredenen toch tweeledig zijn... gemengd,” hernam mijnheer Wickfield hoofdschuddend en met een ongeloovig lachje.

„Loop toch rond met uwe beweegredenen! Waarom zouden ze tweeledig zijn? Ge zegt altijd slechts één beweegreden te hebben bij uw werk; meent gij wellicht, dat gij de eenige zijt op de wereld, die zonder nevenbedoelingen handelt?”

„Ja, zeker, ik heb maar één beweegreden voor mijn werk, maar één levensdoel, juffrouw Trotwood,” hernam hij glimlachend. „Andere menschen hebben er een dozijn, twintig, honderd! Ik heb er maar één. Dat is het verschil. Evenwel, dat is nu de vraag niet. De beste school? Wat uwe beweegredenen ook zijn, gij wilt de beste hebben.”

Mijne tante knikte toestemmend.

„Op de beste, die wij hier hebben,” vervolgde mijnheer Wickfield, nadenkend, „zal uw neef op dit oogenblik niet in den kost kunnen komen.”

„Maar hij zou ergens anders in den kost kunnen zijn, zou ik denken,” meende tante.

Mijnheer Wickfield meende dat ook. Na eenig heen- en weerpraten stelde hij voor mijne tante naar de bedoelde school te vergezellen, opdat zij persoonlijk kon zien en oordeelen; bovendien zou hij haar bij een drietal families brengen, waar ik, volgens zijne meening, wel in den kost zou kunnen komen. Mijne tante nam dit voorstel aan en wij waren reeds met ons drieën buiten, toen hij bleef staan en zei:

„Onze jonge vriend zou wellicht beweegredenen kunnen hebben om bezwaren te maken tegen onze beschikkingen. Zou het dus niet beter zijn hem thuis te laten?”

Mijne tante scheen zich tegen dat voorstel te willen verklaren, maar om de zaak te bespoedigen zei ik, dat ik gaarne wilde achterblijven, indien zij dat goed vonden; ik keerde dus naar mijnheer Wickfield's kantoor terug en nam daar op denzelfden stoel plaats, waarop ik zoo even gezeten had, ten einde hunne terugkomst af te wachten.

Toevallig stond deze stoel tegenover een nauw gangetje, dat uitkwam in de kleine torenkamer, waar ik het eerst Uriah Heep's gezicht achter het venster gezien had. Toen Uriah den hit naar een naburigen stal gebracht had, was hij weder aan zijn werk gegaan in die kamer, achter eene groote lessenaar, waarop een koperen hekje stond. Aan dit hekje hingen een aantal papieren, en ook dat, waarvan hij op dit oogenblik eene copie zat te maken. Hoewel hij met het gezicht naar mij toezat, meende ik, dat hij mij niet kon zien, omdat dit papier tusschen ons hing; maar toen ik eens opmerkzamer toekeek, ontdekte ik, dat nu en dan zijne haarlooze oogen als twee roode zonnen onder het papier doorkeken en mij telkens wel een minuut lang aanstaarden, terwijl toch de pen over het papier werd bewogen als zat hij ijverig te schrijven. Deze ontdekking deed eene onaangename gewaarwording in mij opkomen. Ik stelde allerlei pogingen in het werk om mij aan die blikken te onttrekken—ik ging boven op mijn stoel staan, ten einde een kaart te bekijken, die aan de andere zijde van de kamer hing; ik boog mij over een Kentsch nieuwsblad heen—maar telkens trokken die beide roode zonnen mij weder tot zich, en wanneer ik ook keek, ik was zeker ze te vinden, hetzij dat ze juist opkwamen of juist ondergingen.

Eindelijk werd ik uit dezen pijnlijken toestand verlost en kwamen mijne tante en mijnheer Wickfield na eene vrij langdurige afwezigheid terug. Zij waren niet zoo goed geslaagd als wij gewenscht hadden, want hoe aanbevelenswaardig de school ook was, kosthuizen waren niet te vinden.

„Het is wel jammer,” zei tante. „Ik weet werkelijk niet wat ik doen moet, Trot.”

„Het treft zeker ongelukkig,” zei mijnheer Wickfield, „maar ik zal u zeggen wat gij doen kunt, juffrouw Trotwood.”

„Wat dan?” vroeg tante nieuwsgierig.

„Laat uw neef voorloopig hier blijven. Hij lijkt mij een flinke jongen, en zal 't mij niet lastig maken. Hij heeft hier uitstekende gelegenheid om te studeeren; het is hier zoo stil als in een klooster en bijna even ruim. Laat hem maar hier.”

Mijne tante was blijkbaar zeer ingenomen met dit aanbod evenals ik, doch hare bescheidenheid verbood haar, het zoo maar aan te nemen.

„Kom, juffrouw Trotwood,” hernam mijnheer Wickfield, „dit is de eenige wijze om alle moeielijkheden te boven te komen. Bovendien is het slechts eene tijdelijke maatregel, begrijpt gij. Gaat het niet goed, of bevalt het een van beide partijen niet, dan kunnen wij altijd naar andere maatregelen omzien. Er zal intusschen wel hier of daar eene gelegenheid openkomen. Gij kunt niet beter doen dan hem voorloopig hier laten.”

„Ik ben u zeer verplicht voor uw aanbod en... Trot ook, naar ik opmerk; maar...”

„Kom, kom, ik weet wat gij bedoelt,” riep mijnheer Wickfield. „Gij behoeft volstrekt geen verplichtingen te maken, juffrouw Trotwood. Gij kunt voor hem betalen als gij wilt. Wij zullen het over de condities wel eens worden...”

„Op die voorwaarde,” antwoordde tante, „wil ik hem gaarne hier laten; al neemt dit niets weg van de verplichting, die ik aan u heb.”

„Ga dan maar eens mede om kennis te maken met mijn kleine huishoudstertje,” zei mijnheer Wickfield.

Wij gingen dientengevolge een verbazend oude trap op, met eene leuning zoo breed, dat wij even gemakkelijk daar langs hadden kunnen gaan, en een schemerachtig verlichte ontvangkamer binnen, waarin drie of vier van die aardige vensters waren, welke ik van de straat af had gezien. De eikenhouten vensterbanken schenen van dezelfde houtsoort te zijn gemaakt als er thans nog boomen om het huis stonden en waaruit ook de zwarte, uitstekende balken gezaagd waren. De kamer was gezellig gemeubeld met eene piano, met levendig rood en groen overtrokken meubelen en hier en daar bloemen. Overal zag men gezellige hoekjes en in elk hoekje een vreemdsoortig gevormd tafeltje of kastje of stoel of iets anders, zoodat ik telkens het hoekje, waarop mijne aandacht viel, het gezelligste vond uit de geheele kamer; keek ik dan weder naar een volgend, dan vond ik dit weder het gezelligst en zoo voort. Op elk voorwerp lag dezelfde stempel van netheid en gezelligheid, die ook het huis van buiten kenmerkte.

Mijnheer Wickfield klopte op eene deur in den met hout beschoten wand, waarop een meisje binnenkwam, ongeveer van mijn leeftijd, en de armen om zijn hals sloeg. Ik herkende terstond het kalme, zachte gelaat van het portret, dat ik beneden gezien had. Het scheen mij toe alsof het portret ouder geworden en het origineel kinderlijk gebleven was. Hoewel haar gezichtje opgewekt en vroolijk stond, lag er toch eene zekere kalmte over verspreid, die trouwens haar geheele wezen kenmerkte; ik heb dien eersten indruk nooit vergeten en—zal dien ook nimmer vergeten!

Dit was zijn kleine huishoudstertje, zijne dochter Agnes, zooals mijnheer Wickfield vertelde. Toen ik hoorde hoe hij dat zei en ik zag hoe hij hare hand in de zijne hield, begreep ik wat het eenige doel van zijn leven was.

Zij had een klein sleutelmandje aan den arm en keek zoo stemmig en zoo bescheiden als een huishoudstertje in zulk een groot, oud huis maar doen kon. Met een blij gezichtje luisterde zij naar haar vader, toen deze haar een stukje van de geschiedenis van mijn jonge leven vertelde en toen hij uitgesproken had, stelde zij tante voor met haar naar boven te gaan en mijne kamer eens te bekijken. Wij gingen er samen heen—zij vooruit. En o, het was zulk eene aardige, ouderwetsche kamer, met dezelfde eikenhouten balken en dezelfde raampjes als beneden en dezelfde breede leuning liep tot mijn kamertje door.

Ik kan mij niet herinneren, waar ik in mijne kindsheid geschilderde vensters in eene kerk gezien heb. Ook herinner ik mij niet wat de schildering voorstelde. Maar ik weet wel, dat toen ik haar in het getemperde licht op de trap zich zag omkeeren en boven op ons wachten, ik aan dat venster dacht, en ik later altijd den zachten gloed op dat venster in verband bracht met Agnes Wickfield.

Mijne tante was even verheugd over de gemaakte schikking als ik en wij gingen zeer tevreden en vergenoegd naar de ontvangkamer terug. Tante wilde er niet van hooren te blijven om het middagmaal te gebruiken, omdat zij voor het invallen van de duisternis met haar hit thuis moest zijn en aangezien mijnheer Wickfield haar genoegzaam scheen te kennen om te weten, dat zij op een eenmaal genomen besluit niet terugkwam, werd er het een en ander voor haar gereed gezet en gingen Agnes en mijnheer Wickfield aan hunne bezigheden. Zij deden dit uit bescheidenheid, ten einde ons in de gelegenheid te stellen afscheid te nemen en nog het een en ander te bespreken. Zij vertelde mij, dat mijnheer Wickfield in alles voor mij zorgen zou, dat het mij aan niets zou ontbreken en gaf mij den besten raad. „Trot,” sprak zij tot besluit, „wees u zelven, mij en mijnheer Dick tot eer, dan zal God met u zijn.”

Ik was hevig aangedaan en kon haar slechts telkens en telkens opnieuw mijn dank betuigen en mijne groeten medegeven aan mijnheer Dick.

„Wees nooit laag,” zei tante, „wees oprecht in alles wat gij zegt en doet, wees niet valsch en niet wreed. Ontwijk deze drie ondeugden, Trot, dan blijf ik de beste verwachtingen van u koesteren.”

Ik beloofde haar, zoo goed als ik kon, dat ik nimmer misbruik zou maken van hare vriendelijkheid en hare wijze lessen nimmer zou vergeten.

„De wagen is voor,” sprak zij eindelijk, „ik moet weg. Blijf gij hier.”

Met deze woorden omhelsde zij mij haastig, en ging de kamer uit, terwijl zij de deur achter zich sloot. Het eerste oogenblik was ik een weinig geschrikt van dit overhaast vertrek en kwam de vrees in mij op, of ik ook iets gedaan of gezegd had, dat haar onaangenaam was geweest; maar toen ik naar buiten keek en zag hoe bedrukt zij in haar wagentje klom en hoe zij wegreed zonder nog eens om te kijken, begreep ik haar beter en deed haar geen onrecht meer aan.

Tegen vijf uur, het gewone etensklokje van mijnheer Wickfield, had ik mijne gewone opgewektheid terug en was gereed om alle eer te bewijzen aan het middagmaal. Er was slechts voor twee personen gedekt, maar Agnes had boven op haar vader zitten wachten en nam tegenover hem plaats. Ik geloof ook, dat hij zonder haar niet zou hebben kunnen eten.

Na afloop van het middagmaal bleven wij niet zitten, maar gingen weder naar de ontvangkamer, waar Agnes in een der vele gezellige hoekjes eenige glazen en een karaf portwijn voor haar vader gereed zette. Als andere handen dat gedaan hadden, zou de wijn zeker den gewonen geur hebben gemist.

In dat hoekje bleef hij ongeveer twee uur zitten en gebruikte eene flinke hoeveelheid van den wijn; terwijl Agnes piano speelde en nu en dan een praatje met ons maakte. Gedurende het grootste gedeelte van den tijd was hij vroolijk en opgewekt en schertste en praatte hij met ons; maar nu en dan bleven zijne oogen op Agnes gevestigd en keek hij peinzend voor zich uit. Zij merkte dat meestal spoedig op en dan bracht zij hem door eene vraag of eene liefkoozing tot de werkelijkheid terug, waarna hij voortging met wijn drinken.

Agnes schonk thee en daarna ging de tijd voorbij, evenals na den maaltijd, tot zij naar bed ging; haar vader nam haar in zijne armen, kuste haar en beval licht aan te steken in zijn kantoor. Dit was voor mij een wenk om ook mijn bed op te zoeken.

In den loop van den avond was ik nog even de deur uitgegaan en had de straat eens doorgewandeld, ten einde het oude huis en de domkerk te bekijken; vreemd! ik was op mijn tocht naar Dover deze straat ook doorgegaan en herinnerde mij niets meer daarvan. Toen ik terugkwam, vond ik Uriah Heep bezig het kantoor te sluiten en aangezien ik jegens iedereen vriendelijk wilde zijn, ging ik ook naar hem, bleef eenige oogenblikken met hem praten en gaf hem bij het heengaan een hand. Maar brr! Wat was die hand klam! Ik had een gevoel alsof ik een slang had aangeraakt, en wreef heengaande mijne hand om er weder warmte in op te wekken, en om dat akelige gevoel kwijt te raken.

Het was zulk eene akelige hand, dat ik, toen ik boven op mijne kamer kwam, nog steeds die koude, natte aanraking voelde, en toen ik even uit het venster keek, en mijn oog op een van de koppen aan de uiteinden van de balken viel, meende ik dat het Uriah Heep was, die daar op de eene of andere wijze was opgeklommen, en sloot haastig het venster.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVI

Ik word een andere jongen in meer dan één opzicht.

Den volgenden morgen na het ontbijt begon ik mijn schoolleven opnieuw. Mijnheer Wickfield bracht mij naar de plaats, waar ik mijne afgebroken studiën zou voortzetten—een deftig gebouw met een grooten tuin. Er lag een waas van geleerdheid over verspreid, dat zeer wel overeenkwam met de enkele verdwaalde kraaien en kauwen, die van de domkerk naar beneden kwamen en in alle deftigheid over het voorplein stapten.

Mijn nieuwe meester, doctor Strong, zag er, naar mijn oordeel, even oud uit als de hooge ijzeren tralies van het hek, dat wij waren doorgekomen, en even stijf en log als de groote steenen vazen, die op regelmatige afstanden op den steenen muur waren geplaatst, bij wijze van een reusachtig kegelspel om den Tijd mede te laten spelen. Hij zat in zijne bibliotheek—ik bedoel doctor Strong—met slecht afgeborstelde kleeren en slecht gekamde haren; de gespen van zijne korte broek waren niet dichtgehaald, en de knoopjes van zijne lange, zwarte slobkousen niet toegemaakt, terwijl zijne schoenen op het haardkleedje stonden. Hij keek mij aan met een paar oogen, waaruit alle glans scheen verdwenen en die mij herinnerden aan een oud, blind paard, dat op het kerkhof te Blunderstone het gras tusschen de graven placht af te vreten; hij zei blijde te zijn mij te zien, en toen hij mij eene hand gaf, wist ik niet wat ik er mede moest doen, want de zijne deed ook niets.

Niet ver van hem af zat een mooie jonge dame, die hij Annie noemde—ik vermoedde dat zij zijne dochter was. Zij hielp hem uit de verlegenheid door voor hem neer te knielen en hem handig en vlug zijne laarzen aan te trekken en zijne slobkousen vast te knoopen. Toen zij er mede gereed was en wij naar de schoolzaal gingen, was ik ten hoogste verbaasd mijnheer Wickfield te hooren zeggen: „Goeden morgen, mevrouw Strong” en ik meende nog te moeten aannemen, dat zij eene schoondochter van doctor Strong was, toen deze mij onwillekeurig inlichtte.

„A propos, Wickfield,” zei hij, terwijl hij in de gang bleef staan met de hand op mijn schouder, „hebt gij nu nog niets gevonden voor dien neef van mijne vrouw?”

„Neen,” antwoordde mijnheer Wickfield. „Neen, nog niet.”

„Ik verlang zeer dat er een einde aan komt, Wickfield,” hernam doctor Strong, „want Jack Maldon is zoo arm als een kerkrot en bovendien lui, twee eigenschappen, die zelden tot iets goeds leiden. Wat zegt doctor Watts ook weer?” voegde hij er bij, terwijl hij mij aankeek en op de maat van den aangehaalden versregel met het hoofd knikte. „‚De duivel vindt altijd iets te doen voor ledige handen.’”

„Nu, doctor,” antwoordde mijnheer Wickfield, „indien doctor Watts de wereld goed gekend had, zou hij er met even veel recht hebben kunnen bijvoegen: ‚de Duivel vindt voor werkzame handen altijd wat te doen.’ O, de werkzame menschen stichten zooveel kwaad, wees daarvan verzekerd. Hoeveel kwaad is er niet gesticht door de menschen, die in de laatste tweehonderd jaren tot macht en aanzien zijn weten te komen!”

„Jack Maldon zal nimmer tot macht en aanzien komen, dat is zeker,” zei doctor Strong, nadenkend zijne kin wrijvend. „Daartoe is hij te lui.”

„Vermoedelijk niet,” hernam mijnheer Wickfield, „en daarmede herinnert gij mij aan de vraag, die tot dit gesprek heeft aanleiding gegeven. Neen, ik heb nog geen plaatsing kunnen vinden voor Jack Maldon. Ik geloof,” voegde hij er na eenige aarzeling bij, „dat ik uwe beweegredenen doorzie en dat maakt de zaak moeilijker voor mij.”

„Mijne beweegredenen,” antwoordde doctor Strong, „is eene fatsoenlijke betrekking te vinden voor een neef en oud-speelmakker van Annie.”

„Ja, dat weet ik,” zei mijnheer Wickfield, „hier of buitenslands.”

„Ja, zeker, hier of buitenslands.” Doctor Strong scheen een weinig verbaasd over den nadruk, dien mijnheer Wickfield op deze woorden legde.

„Dat zijn uw eigen woorden, zooals gij u wel zult herinneren.”

„Zeker, zeker.... het een of het ander.”

„Het een of het ander? Geen voorkeur?” vroeg mijnheer Wickfield.

„Neen.”

„Geen?” herhaalde mijnheer Wickfield verbaasd.

„Niet de minste.”

„Geen beweegredenen om liever buitenslands dan hier eene betrekking voor hem te wenschen?”

„Neen,” herhaalde de doctor.

„Ik moet u wel gelooven en daarom doe ik het ook,” zei mijnheer Wickfield. „Het zou mijne opdracht zeer veel gemakkelijker hebben gemaakt, als ik het te voren geweten had. Ik beken echter een anderen indruk gekregen te hebben.”

Doctor Strong keek hem verlegen en verbaasd aan, maar in het volgend oogenblik zag ik weder een glimlach om zijn mond, hetgeen voor mij een bemoedigend gezicht was, want ik mocht daaruit besluiten, dat hij een goedhartig en zachtaardig karakter had. Bovendien lag er zooveel eenvoud in zijne geheele wijze van doen, als hij voor een oogenblik zijne geleerdheid vergeten had; voor een jeugdigen leerling, zooals ik, voorwaar, een verblijdend en aanmoedigend gezicht. Nog eens herhalende „neen” en „niet de minste” en dergelijke korte verzekeringen was doctor Strong ons voorgegaan in een wonderlijken, onregelmatigen pas. Mijnheer Wickfield keek heel ernstig en schudde, zooals ik opmerkte, eenige malen het hoofd, zonder te weten, dat ik hem gadesloeg.

De schoolzaal was een vrij groot vertrek aan de stilste zijde van het huis, met het uitzicht op een half dozijn van de groote vazen en met een kijkje op den particulieren tuin van den doctor, waarin de perziken tegen den zuidelijken muur reeds rijp waren. Op het gras voor de vensters stonden twee aloë's in groote tobben en sedert zijn de groote bladeren van deze plant, die er uitzien alsof ze van geschilderd blik gemaakt zijn, voor mij het symbool van stilte en afzondering. Toen wij binnen kwamen, zaten er een vijfentwintigtal jongens over hunne boeken gebogen, maar zij stonden op om den doctor goeden morgen te wenschen en bleven staan, toen zij mijnheer Wickfield en mij zagen.

„Een nieuwe jongen, jongelui!” zei de doctor, „Trotwood Copperfield heet hij.”

Zekere Adams, de hoogste van de school, kwam van zijne plaats om mij welkom te heeten. Hij zag er uit als een jonge dominee met zijn witte das, maar hij was heel vriendelijk en opgeruimd, wees mij mijne plaats en stelde mij aan de meesters voor op een wijze, die mij zeer zeker op mijn gemak zou hebben gebracht, indien iets dit had kunnen doen. Het kwam mij echter zoo lang geleden voor sinds ik met dergelijke jongens van mijn eigen leeftijd had omgegaan—behalve met Mick Walker en den „melige”—dat ik mij zoo vreemd voelde als ik mij ooit ergens gevoeld heb. Ik was nog zoo vol van de tooneelen, waarvan zij zich geen denkbeeld konden vormen, en mij zoo bewust van de ondervinding, die ik had opgedaan en die nog zoo vreemd moest zijn aan iemand van mijn leeftijd, voorkomen en stand, dat ik het bijna bedrog achtte daar als een gewone schooljongen aan te komen. Ik had in den tijd, dien ik bij Murdstone en Grinby had doorgebracht—het moge dan lang of kort zijn geweest—alle spelen en gewoonten van jongens van mijn leeftijd verleerd, zoodat ik achterlijk was in de meest alledaagsche dingen en den indruk maakte van lomp en onhandig te zijn. Hetgeen ik ooit geleerd had was verloren gegaan in dien tijd vol beslommeringen van de laagste soort; toen men mij aan een klein examen onderwierp, wist ik niets meer, zoodat ik in de laagste klasse geplaatst werd. Maar hoe mij mijne weinige bedrevenheid en geleerdheid ook kwelde, de gedachte, dat hetgeen ik wel wist mij veel verder afbracht van mijne kameraden dan hetgeen ik niet wist, griefde mij oneindig meer. Ik vroeg mij zelven af wat zij wel van mij zouden denken als zij eens wisten hoe gemeenzaam ik was met de King's Bench gevangenis. Zou er niets aan mij te zien zijn dat mijn omgang met de familie Micawber verried—al die wandelingen naar het pandjeshuis, al dat geschacher en die soupeetjes tegen wil en dank? Als een van de jongens mij eens door Canterbury had zien loopen, half kreupel en zonder kleederen en—mij herkende. Wat zouden zij wel zeggen, zij, die zoo weinig om geld gaven, als zij eens wisten, hoe ik mijn halve stuivers had samengeschraapt, om dagelijks een stuk worst en een glas bier of een snee podding te kunnen koopen! Wat zouden zij ontstellen, zij, die niets van Londen en Londen's straten kenden, als zij ontdekten hoe bekend ik was—ik schaamde mij daarover—met de gemeenste buurten! Dit alles ging mij dezen eersten dag op de school van doctor Strong meermalen door het hoofd; ik wantrouwde den onbeduidendsten blik, de geringste beweging; kromp bijna ineen van schrik, telkens wanneer een van mijne nieuwe schoolmakkers mij naderde, en snelde heen, zoodra de schooltijd om was, uit vrees dat ik een antwoord zou moeten geven op een of andere vriendelijke toespraak.

Het oude huis van mijnheer Wickfield oefende echter zulk een invloed op mij, dat, toen ik den koperen klopper deed overgaan met mijne nieuwe schoolboeken onder den arm, elk gevoel van onrust verdween. Het scheen wel dat, toen ik naar mijn aardig, ouderwetsch kamertje ging, de schaduwen van de breede trap ook op mijn angsten en twijfelingen vielen en het verleden mij daardoor minder duidelijk voor den geest stond. Ik bleef daar ijverig in mijne boeken lezen tot etenstijd—de school duurde tot drie uur—en ging toen naar beneden, vervuld met de blijde hoop, dat er toch nog wel een betamelijken jongen van mij zou kunnen groeien.

Agnes zat in de ontvangkamer op haar vader te wachten, die nog iemand bij zich op het kantoor had. Zij ontving mij met een allerliefsten glimlach en vroeg mij hoe de school mij bevallen was. Ik antwoordde, dat de school mij langzamerhand wel zou bevallen, maar dat ik er mij voorloopig nog vreemd voelde.

„Gij zijt nooit op school geweest, nietwaar?” vroeg ik.

„O, zeker! Altijd!”

„Zoo, maar gij krijgt zeker les in huis?”

„Papa wilde mij niet missen,” antwoordde zij glimlachend. „Zijn huishoudstertje moet altijd thuis zijn, begrijpt gij?”

„Hij houdt veel van u; dat heb ik reeds opgemerkt,” zei ik.

Zij knikte en ging naar de deur om te luisteren of hij nog niet kwam, ten einde hem op de trap te gemoet te gaan. Maar hij kwam nog niet en daarom ging zij weer zitten.

„Mama is reeds gestorven toen ik nog heel klein was,” vertelde zij op hare eigenaardige, kalme wijze. „Ik ken haar alleen van het portret, dat beneden hangt. Gisteren zag ik dat gij er naar keekt. Begreept gij wie het was?”

„Ja,” zei ik, „want het lijkt sprekend op u.”

„Dat zegt papa ook,” zei Agnes met een tevreden lachje. „Luister.... daar komt papa de trap op.”

Haar lief, vroolijk gezichtje straalde van blijdschap, toen zij hem te gemoet liep en zij, hand aan hand, de kamer binnenkwamen. Mijnheer Wickfield groette mij vriendelijk en zei, dat ik het zeker heel prettig zou vinden op school, want doctor Strong was een van de beste menschen, die hij kende.

„Misschien zijn er wel menschen.... ik weet niet of er zijn.... die misbruik maken van zijne goedheid,” vervolgde mijnheer Wickfield. „Doe daar nooit aan mede, Trotwood, in geen enkel opzicht. Hij kent geen achterdocht en dit moge een deugd of een gebrek zijn, als men met doctor Strong in aanraking komt, hetzij in kleine of in groote zaken, moet men deze omstandigheid in aanmerking nemen.”

Hij sprak, naar het mij voorkwam, of hij vermoeid of over het een of ander ontevreden was; maar ik had geen tijd om mij verder daarin te verdiepen, want het middagmaal was gereed, zoodat wij naar beneden gingen en op dezelfde wijze plaats namen als den vorigen dag. Nauwelijks waren wij begonnen, of Uriah Heep stak zijn rood hoofd en zijne lange, slappe hand door de deur en zeide:

„Daar is mijnheer Maldon, die u een oogenblik wenscht te spreken, mijnheer.”

„Mijnheer Maldon is juist heengegaan,” zei mijnheer Wickfield.

„Ja, mijnheer,” antwoordde Uriah, „maar mijnheer Maldon is teruggekomen, en heeft u slechts een paar woorden te zeggen.”

Terwijl hij daar in de deur stond, keek Uriah naar mij, naar Agnes, naar de schotels, naar alles wat in de kamer was; zoo kwam het mij tenminste voor—en toch scheen hij naar niets te kijken; zoolang hij daar stond, maakte hij dezen indruk, terwijl hij zijne bruine oogen eerbiedig op zijn meester gevestigd hield.

„Neem mij niet kwalijk; ik wilde u alleen maar zeggen dat ik mij reeds bedacht heb,” klonk eene stem achter Uriah, waarna het roode hoofd moest plaats maken voor een ander.—„Ik vraag verschooning voor mijn indringen,—het schijnt wel, dat mij geen andere keus overblijft: hoe eerder ik dus heenga, hoe beter. Mijn nichtje Annie zei, toen ik er haar over sprak, dat zij hare vrienden liever in hare nabijheid heeft dan verbannen, en de oude doctor——”

„Bedoelt gij doctor Strong?” viel mijnheer Wickfield hem op ernstigen toon in de rede.

„Natuurlijk bedoel ik doctor Strong,” antwoordde de stem. „Ik noem hem altijd ‚de oude doctor’, dat is hetzelfde, begrijpt gij wel?”

„Ik begrijp het niet,” antwoordde mijnheer Wickfield.

„Welnu dan, doctor Strong dacht er evenzoo over, meen ik. Maar nu mij uit den loop, dien ons gesprek genomen heeft, gebleken is, dat hij van opinie veranderd schijnt te zijn, wel, dan is het maar beter dat ik zoo spoedig mogelijk vertrek. Ik kwam terug om u dat te zeggen. Als men toch in het water wil springen, waarom zal men dan nog langs den kant gaan slenteren?”

„Wij zullen zorg dragen, dat gij niet lang behoeft te slenteren, mijnheer Maldon, reken daarop,” zei mijnheer Wickfield.

„Wel bedankt,” antwoordde de ander. „Zeer verplicht. Het is niet beleefd een gegeven paard in den bek te zien, maar dit durf ik wel zeggen, mijn nichtje Annie had het heel anders kunnen regelen. Ik onderstel dat zij maar tot den ouden doctor had behoeven te zeggen....”

„Gij bedoelt, dat mevrouw Strong slechts tot haar echtgenoot had behoeven te zeggen.... begrijp ik u zoo goed?” zei mijnheer Wickfield.

„Volkomen,” antwoordde de ander,—„had slechts behoeven te zeggen, dat zij dit of dat zus of zoo hebben wilde, en het zou zus of zoo geweest zijn, dat spreekt van zelf.”

„En waarom spreekt dat van zelf, mijnheer Maldon?” vroeg mijnheer Wickfield, die intusschen kalm doorat.

„Wel, omdat Annie een bekoorlijk jong vrouwtje is, en de oude doctor—ik bedoel doctor Strong—is volstrekt geen bekoorlijke jonge man,” antwoordde Jack Maldon lachend. „Ik wil volstrekt niemand kwetsen, mijnheer Wickfield; ik bedoel alleen, dat in dergelijke huwelijken eenige schadeloosstelling niet meer dan billijk is.”

„Schadeloosstelling aan eene dame, mijnheer?” vroeg mijnheer Wickfield op denzelfden ernstigen toon als zoo straks.

„Ja, aan de dame, mijnheer,” antwoordde Jack Maldon nog altijd lachend. Hij merkte echter op, dat mijnheer Wickfield op dezelfde kalme wijze met zijn middagmaal voortging en er niet de minste kans bestond om hem ook maar een spier van zijn onverstoorbaar gelaat te doen vertrekken, waarom hij er bijvoegde: „Ziezoo, nu heb ik gezegd, waarom ik terugkwam en vraag nogmaals verschooning voor mijn indringen. Ik ga heen en zal natuurlijk uw raad opvolgen en deze zaak beschouwen als geheel alleen tusschen u en mij besproken en er dus bij den doctor over zwijgen.”

„Hebt gij al gegeten?” vroeg mijnheer Wickfield met eene uitnoodigende beweging zijner hand.

„Dank u, ik ga eten bij mijn nichtje Annie,” zei mijnheer Maldon. „Goeden middag.”

Zonder op te staan, keek mijnheer Wickfield den vertrekkende peinzend na. In weerwil van zijn knap uiterlijk, zijne gladde tong en zijne ongedwongen manieren scheen die mijnheer Jack Maldon mij toch een oppervlakkig jongmensch toe. Ik had niet verwacht hem zoo spoedig te zullen zien, toen ik 's morgens doctor Strong zijn naam hoorde noemen.

Toen het middagmaal was afgeloopen, gingen wij naar boven en zag ik de herhaling van hetgeen ik den vorigen avond had bijgewoond. Agnes zette de glazen en de karaf in hetzelfde hoekje en mijnheer Wickfield ging er bij zitten en dronk weder tamelijk veel. Agnes speelde piano voor hem, zat bij hem te werken en te praten en speelde met mij een paar spelletjes domino. Toen het tijd was, schonk zij thee en later, toen ik met mijne boeken beneden kwam, keek zij er eens in en wees mij aan, wat zij er van kende—zij voegde er bij, dat het weinig was, maar ik was dat volstrekt niet met haar eens—en vertelde mij wat de beste en gemakkelijkste wijze was, om ze te leeren begrijpen. Ik zie haar nog met haar lief gezichtje en hare kalme, bescheiden manieren; ik hoor nog hare mooie, welluidende stem, terwijl ik dit schrijf. De invloed ten goede, dien zij in lateren tijd op mij oefende, doet zich weder gevoelen. Ik heb kleine Emily lief en Agnes niet—neen, volstrekt niet op dezelfde wijze—maar ik voel, dat waar Agnes is, daar is zachtheid, waarheid en vrede; het zachte, getemperde licht van het geschilderde venster, dat ik ergens gezien heb, lang geleden, ligt altijd over haar verspreid en beschijnt ook mij en alles, waarmede zij in aanraking komt.

Toen het tijd was voor haar om naar bed te gaan en zij ons verlaten had, gaf ik mijnheer Wickfield eene hand en maakte mij ook gereed om mijn kamertje op te zoeken. Hij hield mij echter terug en vroeg: „Zoudt gij gaarne bij ons blijven, Trotwood, of liever elders heengaan?”

„Blijven,” antwoordde ik haastig.

„Zijt gij daar zeker van?”

„O, ja.... als ik mag!”

„Het is hier anders een eentonig leven, mijn jongen.”

„Voor mij toch niet eentoniger dan voor Agnes, mijnheer. Volstrekt niet vervelend.”

„Dan voor Agnes,” herhaalde hij, langzaam naar den grooten schoorsteenmantel wandelend. „Dan voor Agnes!”

Hij had dien avond, naar het mij voorkwam, veel wijn gedronken, want zijne oogen waren met bloed doorloopen. Op dit oogenblik, terwijl hij daar tegen den schoorsteen geleund stond, kon ik ze niet zien, want hij hield ze half dicht en bedekte ze met de hand; maar ik had het te voren reeds opgemerkt.

„Het zal mij verwonderen,” mompelde hij binnensmonds, „of Agnes mij niet moede zal worden. Maar hoe zou ik ooit Agnes moede worden! Maar, enfin, dat is ook heel wat anders..... heel wat anders.”

Hij sprak in zich zelven—niet tegen mij; ik bewaarde dus het stilzwijgen.

„Een vervelend ouderwetsch huis,” zei hij, „en een eentonig leven; maar ik moet haar altijd bij mij hebben. Ik moet haar dicht bij mij houden. Wanneer de gedachte, dat ik sterven kan en mijn lieveling alleen achterlaten, of dat zij sterven kan en mij achterlaten als een spook voor mij oprijst, kan ik die alleen verdrijven door....” Hij sprak het woord niet uit, maar wandelde langzaam naar zijne plaats terug, nam werktuigelijk de ledige karaf op en deed alsof hij zijn glas volschonk, waarna hij weder even langzaam naar den schoorsteen terugwandelde.

„Het is al zoo zwaar te dragen, wanneer zij bij mij is,” mompelde hij weder, „hoe zou het dan zijn, wanneer zij was heengegaan? Neen, neen, dat zou ik niet uithouden.”

Hij stond daar zoo lang te peinzen bij den schoorsteen, dat ik niet wist of ik hem uit dien staat van halve verdooving zou wekken door heen te gaan, of zou blijven zwijgen tot hij er van zelf uit zou ontwaken. Eindelijk werd hij wakker en keek de kamer rond, tot zijn oog op mij viel.

„Blijf bij ons, Trotwood, hoor,” zei hij, op een toon alsof hij antwoord gaf op iets, dat ik juist had gezegd.

„Het zal mij veel genoegen doen. Gij kunt ons beiden gezelschap houden. Het is aangenaam voor mij u bij ons te hebben, het is ook aangenaam voor Agnes en wellicht voor ons alle drie.”

„Voor mij is het zeker aangenaam,” zei ik. „Ik ben heel blijde, dat gij mij bij u wilt houden.”

„Gij zijt een beste jongen,” antwoordde hij, „en zoo lang gij gaarne bij ons blijft, moogt gij dat ook.” Hij schudde mij de hand, klopte mij op den rug en zei dat, als ik 's avonds, wanneer Agnes naar bed was, nog wat wilde lezen of iets anders doen, ik dan in zijn kamer kon komen zitten, als hij thuis was en ik gaarne gezelschap wilde hebben. Ik bedankte hem voor dit vriendelijk aanbod en toen hij een oogenblik later naar beneden ging, volgde ik hem met een boek, ten einde reeds dadelijk van zijne toestemming gebruik te maken. Ik zag echter licht in het kleine ronde kantoortje en voelde mij onmiddellijk aangetrokken tot Uriah Heep, die eene zekere toovermacht op mij oefende, en ging er binnen. Uriah zat met zulk een ingespannen aandacht in een groot, dik boek te lezen, dat zijn lange wijsvinger de regels volgde, terwijl hij las, en kleverige afdruksels achterliet op het papier, alsof er een slak over geloopen had.

„Gij werkt nog laat,” zei ik binnenkomende.

„Ja, jongeheer Copperfield, dat moet ik ook,” antwoordde hij.

Terwijl ik op een hoogen kantoorstoel tegenover hem plaats nam, ten einde meer op mijn gemak met hem te kunnen praten, merkte ik op, dat hij eigenlijk niet kon glimlachen, maar alleen zijn mond breeder maakte, zoodat er zich aan weerszijden twee plooien in zijne wangen vertoonden.

„Ik doe nu geen kantoorwerk, jongeheer Copperfield,” zei Uriah.

„Wat doet gij dan?” vroeg ik.

„Ik ben bezig mij een weinig in de rechtsgeleerdheid te bekwamen, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Ik lees nu in ‚Tidd's Practice’. Die Tidd moet een geleerd man zijn geweest, jongeheer Copperfield!”

Van mijne hooge zitplaats af had ik de beste gelegenheid om hem aandachtig gade te slaan, toen hij na dezen geestdriftigen uitroep weder begon te lezen en zijn wijsvinger de regels liet volgen; ik merkte toen op, dat zijne dunne, scherpe neusvleugels zich regelmatig uitzetten en samentrokken, hetgeen het onaangename en afstootende in zijn uiterlijk nog verhoogde. Ook merkte ik op, dat er in zijne neusvleugels even veel en even lange gleufjes of kloofjes waren en dat de beweging, die hij er mede deed, waarschijnlijk het knipoogen van andere menschen verving, want zijne oogen bleven altijd wijd geopend.

„Gij zult zeker wel spoedig een knap rechtsgeleerde zijn?” vroeg ik, na hem eenigen tijd te hebben gadegeslagen.

„Maar, jongeheer Copperfield!” riep hij. „O, neen, daarvoor ben ik veel te nederig.”

Hetgeen ik omtrent zijne handen had opgemerkt, was geen verbeelding, dat zag ik nu; want hij wreef telkens de binnenvlakken tegen elkander, alsof hij ze droog en warm wilde wrijven en ook veegde hij ze meermalen heimelijk met zijn zakdoek af.

„O, ik weet, dat ik de nederigste persoon van de wereld ben,” zei Uriah zoo bescheiden mogelijk, „laat de ander wezen, wie hij wil. Mijne moeder is ook heel nederig. Wij hebben eene nederige woning, jongeheer Copperfield, maar zijn uiterst dankbaar. Mijn vader had ook een nederig beroep; hij was doodgraver.”

„En wat is hij nu?” vroeg ik.

„Hij is nu deelgenoot van de heerlijkheid Gods, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Wij hebben echter veel reden tot dankbaarheid. Hoe dankbaar moet ik niet zijn, dat mijnheer Wickfield mij wel bij zich op het kantoor heeft willen nemen!”

Ik vroeg of hij al lang bij mijnheer Wickfield was. „Ik ben reeds vier jaar bij mijnheer Wickfield,” zei hij, terwijl hij het dikke boek sloot na zorgvuldig te hebben aangeteekend, waar hij gebleven was. „Een jaar na mijns vaders dood kwam ik bij mijnheer Wickfield. Ik ben er zoo dankbaar voor. Hoe dankbaar moet ik mijnheer Wickfield niet zijn, dat hij een contract met mij heeft willen sluiten; mijne moeder en ik hadden gedacht, dat wij daarvoor veel te nederig zouden zijn.”

„Wanneer uw contract is afgeloopen, wordt gij zeker zelf notaris?” vroeg ik.

„Zoo God wil, ja, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah.

„Gij wordt dan misschien wel compagnon van mijnheer Wickfield,” ging ik voort om hem iets aangenaams te zeggen; „dan lezen wij Wickfield en Heep, of Heep, voorheen Wickfield.”

„O neen, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij hoofdschuddend, „daarvoor ben ik veel te nederig.”

Terwijl hij daar zoo zat in al zijne nederigheid, mij met schuinsche blikken aanstarend, met zijn breeden mond en de plooien in de wangen, geleek hij sprekend op een van de gezichten aan de uiteinden der balken aan de buitenzijde van het huis.

„Mijnheer Wickfield is een uitmuntend mensch, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Als gij hem wat langer kent zult gij dat ook zeggen, daar ben ik zeker van; hij is veel beter dan de meeste menschen.”

Ik antwoordde, dat ik daarvan overtuigd was, al kende ik hem nog niet lang, maar dat hij een vriend was van mijne tante.

„O, zeker, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Uwe tante is een allerliefst mensch, jongeheer Copperfield.”

Hij had eene manier om zich te wringen, wanneer hij het noodig vond iets met geestdrift te zeggen, die mij afkeer inboezemde; mijne aandacht werd dientengevolge afgetrokken van het compliment, dat hij mijne tante gemaakt had, en geheel ingenomen door zijne slangachtige kronkelingen.

„Een allerliefste dame, jongeheer Copperfield,” herhaalde Uriah. „Zij schijnt een en al bewondering te zijn van jongejuffrouw Agnes, jongeheer Copperfield.... tenminste ik meen dat opgemerkt te hebben.”

Ik antwoordde stoutweg „Ja,” hoewel ik er niets van had opgemerkt. De Hemel moge 't mij vergeven!

„Ik hoop dat gij ook in bewondering van haar zijt, jongeheer Copperfield... o, ik weet zeker dat gij het zijt.”

„Dat moet iedereen wel zijn,” antwoordde ik.

„O, ik dank u, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „voor dit oordeel. Het is zoo waar! Zoo nederig als ik ben, weet ik dat het waar is! O, ik dank u, jongeheer Copperfield!”

Hij wrong zich half van zijn stoel in zijne opgewondenheid, en toen hij er af was begon hij zich gereed te maken om te vertrekken.

„Moeder zal mij wachten,” zei hij op zijn horloge kijkend, waarvan het glas zoo dof was, dat de wijzers bijna niet waren te onderscheiden, „en zich misschien ongerust maken; want al zijn wij nederig, jongeheer Copperfield, wij zijn toch zeer aan elkander gehecht. Als gij ons een bezoek zoudt willen brengen en een kop thee gebruiken in onze nederige woning, zou moeder even trotsch op uw gezelschap zijn als ik.”

Ik beloofde hem te zullen komen.

„Dank u, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, het dikke boek op eene plank leggend.

„Ik onderstel, dat gij hier eenigen tijd blijven zult, jongeheer Copperfield?”

Ik zei, dat ik hier vermoedelijk mijn geheelen schooltijd zou doorbrengen.

„Zoo, waarlijk!” riep Uriah uit. „Dan zult gij zeker later in de zaak komen, jongeheer Copperfield!”

Ik gaf te kennen, dat dergelijke plannen nog nooit in mij waren opgekomen en dat vermoedelijk niemand ooit aan zoo iets had gedacht, maar Uriah beantwoordde al mijne verzekeringen door telkens op walgelijk zoeten toon te herhalen: „O, jawel, jongeheer Copperfield, ik geloof het zeker! O, jawel, jongeheer Copperfield, ik geloof het zeker!” Toen hij eindelijk gereed was om huiswaarts te gaan, vroeg hij of hij het licht maar zou uitdraaien en op mijn toestemmend antwoord, deed hij het oogenblikkelijk. Wij gaven elkander de hand—ik had een gevoel alsof ik een kikvorsch in de mijne kreeg—en toen opende hij de deur, die op de straat uitkwam, halverwege, wrong zich door de opening heen en sloot de deur weder; terwijl hij mij in de duisternis den weg liet zoeken in huis. Ik kon dien slechts met moeite vinden, na mij duchtig bezeerd te hebben door een val over zijn stoel. Dit was, naar ik meen, de naaste aanleiding, waarom ik bijna den geheelen nacht van hem droomde; zoo, bijvoorbeeld, dat hij met de schuit van baas Peggotty op zeeroof was uitgegaan, met eene zwarte vlag in de mast, waarop geschreven stond: „Tidd's Practice”, en dat hij Emily en mij medenam om ons in de Spaansche golf te verdrinken.

Den volgenden dag voelde ik mij op school reeds wat beter op mijn gemak en den daarop volgenden dag nog beter: mijne verlegenheid verdween en was eindelijk geheel geweken, zoodat ik mij na veertien dagen al geheel thuis voelde onder mijne nieuwe kameraden. Wel was ik nog onhandig in hunne spelen en achterlijk in het leeren; maar de gewoonte zou mij wel behendiger maken en door hard te leeren zou ik het verzuimde wel inhalen. Zoo hoopte ik ten minste. Ik legde mij dus met grooten ijver toe, zoowel op het spel als op de studie, en werd meer dan eens geprezen. Het duurde dan ook niet lang of het leven bij Murdstone en Grinby kwam mij als een droom of een sprookje voor, terwijl mijn tegenwoordige leven mij zoo gewoon toescheen, alsof ik jaren achtereen geen ander gekend had.

De school van doctor Strong was uitmuntend en geleek even weinig op die van mijnheer Creakle als goed op kwaad gelijkt. Alles was er goed en ordelijk geregeld volgens een gezond systeem; in alle dingen werd gerekend op het eergevoel en de goede trouw van de jongens; zoolang zij zich dit niet onwaardig toonden, wisten zij, dat men het bezit van deze eigenschappen op den voorgrond stelde en dit deed wonderen. Wij voelden allen, dat wij mede verantwoordelijk waren voor den goeden naam van de inrichting. Dientengevolge waren wij aan onze school gehecht—ik was dit ten minste en ik herinner mij uit mijn tijd geen enkelen jongen, die het niet was—en leerden met den grootsten ijver, ten einde den naam van de school hoog te houden. Buiten de schooltijden werd ons veel vrijheid gelaten en konden wij ons met allerlei spelen bezig houden; maar men prees ons, zooals ik later hoorde, algemeen in de stad en zelden gaven wij aanleiding tot een minder gunstig oordeel over doctor Strong of over doctor Strong's scholieren.

Eenige van de oudste scholieren waren bij doctor Strong in den kost en door hen vernam ik—dus uit de tweede hand—eenige bijzonderheden van doctor Strong's geschiedenis; zoo o. a. dat hij ongeveer een jaar geleden getrouwd was met het mooie jonge vrouwtje, dat ik in zijne studeerkamer had gezien; dat zij geen shilling in de wereld bezat doch wel eene geheele kolonie van arme bloedverwanten, die er op uit waren den doctor uit huis en hof te verdrijven, maar—dat hij haar uit liefde getrouwd had. Ook vernam ik dat de peinzende uitdrukking op het gelaat van doctor Strong het gevolg was van zijn zoeken naar Grieksche wortels, hetgeen ik in mijne onschuld en mijne onwetendheid voor eene botanische liefhebberij van den doctor hield, te meer wijl hij altijd naar den grond keek op zijne wandelingen; tot ik tot de ontdekking kwam dat hij wortels van woorden zocht, ten einde een nieuw woordenboek samen te stellen. Adams, de oudste jongen, die heel ver in de wiskunde was, had eene berekening gemaakt van den tijd, dien doctor Strong, als hij op deze wijze voortging, zou noodig hebben om het woordenboek te voltooien en was tot het besluit gekomen, dat het, gerekend van des doctors laatsten of twee-en-zestigsten verjaardag, in een duizend zes honderd negen-en-veertig jaar gereed kon zijn.

De doctor was de afgod van de geheele school en het gehalte van de jongens moest al zeer slecht geweest zijn, als hij dat niet geweest was, want hij was de vriendelijkste man, dien men zich bedenken kan; bovendien was hij zoo eenvoudig en waar, dat zelfs de harten van de steenen vazen op den muur er door getroffen moesten worden. Wanneer hij op het voorplein heen en weer wandelde, waar de kraaien en kauwen hem met het kopje op zijde nastaarden, alsof zij wel wisten, hoeveel beter zij op de hoogte waren van hetgeen er in de wereld te koop was dan hij, en een of andere bedelaar kans zag dicht genoeg bij zijne krakende schoenen te komen om hem een wanhopend verhaal van zijne armoede op te disschen, was die bedelaar voor de volgende twee dagen weder geholpen. Dit was zoo bekend in huis, dat de onderwijzers en de oudste jongens hun best deden, om dien vagebonden den pas af te snijden en uit het venster springende, hen van het voorplein te verjagen, eer zij hunne tegenwoordigheid aan den doctor hadden kunnen verraden; somtijds gebeurde dit op eenige ellen van hem af, zonder dat hij er iets van bemerkte. Buiten zijn domein en onbeschermd, was hij als een schaap in handen van de scheerders. Hij zou zijne slobkousen uitgetrokken en weggegeven hebben. Inderdaad ging er een verhaal onder ons rond—ik weet volstrekt niet en heb ook nooit geweten wie er de zegsman van was, maar ik heb er zooveel jaren geloof aan geslagen dat ik overtuigd ben van de waarheid—dat hij op zekeren kouden winterdag zijne slobkousen aan eene bedelaarster had gegeven, die daarna in de buurt niet weinig schandaal verwekte, door met een heel klein kindje, in deze kleedingstukken gewikkeld, van deur tot deur te gaan; want iedereen kende doctor Strong's slobkousen, waarvan hij onafscheidelijk was. De legende zegt, dat hij de eenige persoon was, die ze niet herkende, toen ze korten tijd later aan de deur van een slecht befaamden uitdragerswinkel te koop hingen, waar dergelijke zaken in ruil werden genomen voor jenever; dat hij zelfs meermalen voor dien winkel bleef staan en ze met een goedkeurenden blik betastte, alsof het fatsoen iets nieuws voor hem was, iets dat beter was dan die welke hij zelf droeg.

Het was alleraardigst den doctor te zien met zijne jonge vrouw. Er was iets vaderlijks, iets welwillends in de wijze, waarop hij haar zijne teederheid toonde, waaruit alleen reeds was op te maken, dat hij een goedhartig man was. Menigmaal zag ik hen samen wandelen in den tuin bij de perziken, en somtijds kon ik hen nog nauwkeuriger gadeslaan in de studeerkamer of de huiskamer. Het scheen mij toe dat zij zeer bezorgd was voor den doctor en veel van hem hield, ofschoon ik niet geloof, dat zij veel belang stelde in zijn woordenboek, waarvan de doctor altijd eenige lijvige brokstukken in zijne zakken of in de voering van zijn hoed had, die hij haar dan onder het wandelen trachtte uit te leggen.

Ik zag mevrouw Strong dikwijls, zoowel omdat zij een soort van moederlijke genegenheid voor mij had opgevat dien morgen, toen ik mijne intrede deed op de school, later altijd heel vriendelijk voor mij was en veel belang in mij bleef stellen, als omdat zij dol veel hield van Agnes, bij wie ik haar ook later nog dikwijls ontmoette. Tusschen haar en mijnheer Wickfield, voor wien zij bang was naar het mij toescheen, bestond een gedwongen verhouding, die ook door den tijd niet beter werd. Wanneer zij daar nu en dan een avond doorbracht, deed zijn aanbod om haar thuis te brengen, haar telkens weder van schrik ineenkrimpen, en dan snelde zij gewoonlijk ijlings met mij weg. Somtijds, als wij vroolijk over het plein voor de domkerk wandelden, denkende niemand te zullen ontmoeten, kwamen wij Jack Maldon tegen, die dan altijd zeer verrast was ons te zien.

De mama van Mevrouw Strong was eene dame, die ons niet weinig vermaakte. Zij heette mevrouw Markleham, maar de jongens noemden haar nooit anders dan „de oude Overste”, omdat zij zulk een kranig, militair figuur had en zoo behendig hare familieleden tegen den doctor in het strijdperk wist te brengen. Zij was een klein vrouwtje met tintelende oogjes en droeg schijnbaar steeds dezelfde muts, opgemaakt met eenige kunstbloemen en twee kunstkappelletjes, die om de bloemen moesten fladderen. Onder ons had het bijgeloof wortel geschoten, dat deze muts in Frankrijk vervaardigd moest zijn en alleen door deze vernuftige natie kon zijn uitgevonden; maar het eenige, dat ik zeker weet, was, dat waar mevrouw Markleham zich ook vertoonde de muts ook tegenwoordig was; dat zij die naar vriendschappelijke samenkomsten meebracht in een Oostersch mandje; dat de kappelletjes altijd in beweging waren en in de woning van doctor Strong veeleer nijvere bijtjes geleken, die zich ten koste van den doctor te goed deden.

Ik had het voorrecht „de oude Overste”—men zal toch niets oneerbiedigs zoeken in deze benaming—eens te kunnen gadeslaan op zekeren avond, die onvergetelijk voor mij is gebleven om nog een ander voorval, dat ik zal vertellen. Het was de avond, waarop de doctor een partijtje gaf naar aanleiding van Jack Maldon's vertrek naar Indië—hij zou daarheen gaan als.... ja, dat weet ik niet; mijnheer Wickfield had die zaak in orde gebracht. Dit feestje viel toevallig samen met den verjaardag van den doctor. Wij hadden dien dag vacantie gehad, hem 's morgens cadeautjes gegeven, een toespraak tot hem gehouden bij monde van den oudsten jongen en „lang zal hij leven” geroepen tot wij heesch waren en bij hem de waterlanders verschenen. En 's avonds dronken mijnheer Wickfield, Agnes en ik thee in zijne studeerkamer.

Mijnheer Jack Maldon was er reeds vóór ons. Mevrouw Strong, gekleed in eene witte japon met kersrood garneersel, zat piano te spelen toen wij binnenkwamen en Maldon sloeg de bladen om van het muziekstuk. Naar het mij voorkwam zag zij er niet zoo frisch en bloeiend uit als gewoonlijk; maar toch was zij mooi, o zoo mooi!

Toen wij hadden plaats genomen, zei de mama van mevrouw Strong: „ik heb vergeten, doctor, u het compliment van den dag te maken; hoewel, zooals gij wel begrijpen kunt, mijn gelukwensch meer dan een vorm is. Ik hoop dat gij dezen dag nog dikwijls zult beleven.”

„Dank u, mevrouw,” zei de doctor.

„Dikwijls, heel, heel dikwijls,” herhaalde de oude Overste. „En niet alleen ter wille van u zelven, maar ook ter wille van Annie, van Jack Maldon en van zooveel anderen. Het heugt mij nog, John, alsof het gisteren gebeurd was, dat ik u als kleine jongen, nog een hoofd kleiner dan jongeheer David, met Annie achter de bessenstruiken bruid en bruidegom zag spelen.”

„Maar lieve mama,” zei mevrouw Strong, „laat die herinneringen toch rusten.”

„Maar, lieve Annie,” antwoordde hare moeder, „wees toch niet dwaas. Als gij nu nog bloost over zulke dingen, nu gij een oude getrouwde vrouw zijt, wanneer zult gij dan niet meer blozen?”

„Oud?” riep mijnheer Maldon uit. „Annie oud? Kom!”

„Ja John!” hernam de oude Overste. „Wel degelijk, een oude getrouwde vrouw. Al is uw nichtje niet oud in jaren—wie heeft ooit beweerd dat een meisje van twintig jaren oud is!—zij is eene oude getrouwde vrouw, omdat zij de vrouw is van doctor Strong. Het is heel goed voor u, John, dat uw nichtje nu de vrouw is van den doctor. Gij hebt in hem een invloedrijken, welwillenden vriend gevonden, die—dat durf ik voorspellen—nog welwillender voor u zijn zal dan gij verdient. Ik aarzel nooit te bekennen dat sommige leden van onze familie zulk een vriend behoeven. Gij zelf behoordet onder hen, eer uwe nicht u door haar invloed zulk een vriend bezorgde.”

Doctor Strong gaf in zijne goedhartigheid een teeken met de hand, als wilde hij zeggen, dat hetgeen hij voor Jack Maldon gedaan had niets beteekende en hij hem de herinnering daaraan wilde besparen. Mevrouw Markleham verwisselde echter van zitplaats en ging naast den doctor zitten, legde de hand, waarin zij haar waaier had, op zijn arm en zei:

„Neen, beste doctor, waarlijk, gij moet mij toestaan daarover nog eens uit te weiden, want het heeft mij zoo diep getroffen. Ik denk er steeds aan en moet er altijd over spreken; het wordt eene manie bij mij. Gij zijt onze reddende engel geweest, begrijpt gij?”

„Dwaasheid, dwaasheid,” zei de doctor.

„Neen, neen, ik vraag wel excuus;” ging de oude Overste voort. „Nu hier niemand tegenwoordig is dan onze brave en vertrouwde vriend, mijnheer Wickfield, kan ik er onmogelijk over zwijgen. Als gij zoo spreekt zal ik van mijn recht als schoonmoeder gebruik maken en u bekijven. Ik spreek oprecht en zeg niets anders dan ik meen. Hetgeen ik zeg is hetzelfde als wat ik zeide, toen gij mij zoo verbaasd deedt staan—gij weet hoe verbaasd ik was—met uw aanzoek om Annie. Niet dat die vraag zoo zonderling was—het zou belachelijk zijn dit te zeggen!—maar omdat gij haar armen vader gekend hebt en ook haar gekend hebt van een kind van zes maanden af; daarom had ik nooit gedacht dat gij nog eens mijn schoonzoon worden zoudt, ja, eigenlijk had ik gedacht, dat gij nooit meer trouwen zoudt—dat was het alleen, begrijpt gij?”

„Ja wel, ja wel,” antwoordde de doctor vroolijk. „Laat dat nu maar rusten.”

„Maar ik kan het niet laten rusten,” hernam mevrouw Markleham, terwijl zij den waaier op zijne lippen legde. „Ik denk er steeds aan. Ik spreek er over, opdat men mij zou kunnen tegenspreken als ik ongelijk heb. Welnu! Ik sprak met Annie en vertelde haar wat er was voorgevallen. ‚Lieve’, zei ik, ‚doctor Strong is hier geweest en heeft zoo waarlijk eene mooie liefdesverklaring aan u gedaan en u ten huwelijk gevraagd?’ Heb ik toen het minst invloed geoefend op haar? Neen. Ik zei: ‚Wel, Annie, vertel mij eens, is uw hart nog vrij?’ ‚Mama’, antwoordde zij schreiend, ‚ik ben nog zoo vreeselijk jong’—dat was de zuivere waarheid—‚ik weet niet of ik eigenlijk wel een hart heb?’ ‚Dan’, zei ik, ‚kunt gij er op aan, kindlief, dat het vrij is. In elk geval moet doctor Strong, die erg zenuwachtig is, spoedig antwoord hebben. Wij mogen hem niet lang in het onzekere laten.’ ‚Mama’, vroeg Annie, ‚zou hij ongelukkig zijn als ik zijn aanbod afsloeg? Als dat zoo is, dan.... ik acht hem zoo hoog.... dan zal ik hem nemen!’—En toen was de zaak beklonken!—En toen, niet eerder, zei ik tegen Annie: ‚Annie, doctor Strong zal niet alleen de plaats van een echtgenoot, maar ook die van uw overleden vader vervullen; hij zal het hoofd worden van de geheele familie, want hij is de wijste, de aanzienlijkste en, ik mag zeggen, ook de vermogendste van de familie en zal, in het kort, onze reddende engel zijn.’—Ik gebruikte dat woord toen en ik heb het heden weer gebruikt. Wat men dus van mij zeggen mag, ik kan niet van wispelturigheid beschuldigd worden.”

Het jonge vrouwtje had gedurende deze geheele redevoering stil en zwijgend naar den grond zitten kijken en haar neef stond naast haar en keek ook naar den grond. Heel zachtjes en met bevende stem sprak zij nu: „Ik hoop dat gij nu aan het einde zijt, mama?”

„Neen, lieve Annie,” antwoordde de Overste, „ik ben nog niet aan het einde. Omdat gij het mij vraagt, lieve, moet ik antwoorden dat ik nog niet alles gezegd heb. Ik moet mij over u beklagen omdat gij een weinig onnatuurlijk zijt tegenover uwe eigen familie en aangezien het mij niet baat of ik al bij u mijn beklag indien, zal ik het bij uw echtgenoot doen. Kijk dat onnoozele vrouwtje nu eens goed aan, beste doctor.”

Toen de doctor zijn vriendelijk gelaat met den eenvoudigen, welwillenden glimlach naar haar toekeerde boog zij het hoofd nog dieper. Ik zag ook dat mijnheer Wickfield haar voortdurend gadesloeg.

„Toen ik laatst eens aan dat ondeugende ding vertelde,” ging hare moeder voort, terwijl zij het hoofd schudde en haar met haar waaier dreigde, „dat er eene zekere omstandigheid in de familie was, die zij u eens moest meedeelen—ik meen zelfs verplicht was u mede te deelen—antwoordde zij dat dit hetzelfde was als u eene gunst te vragen, en aangezien gij zoo goed zijt en al hare wenschen zelfs voorkomt, wilde zij het niet doen.”

„Maar, lieve Annie,” zei de doctor. „Dat was niet goed van u. Gij hebt mij van een genoegen beroofd.”

„Bijna dezelfde woorden, die ik tot haar gesproken heb!” riep mevrouw Markleham uit. „Nu, als er weder zoo iets is en zij het u niet vertellen wil, waarde doctor, dan heb ik grooten lust het u zelve te vertellen.”

„Ik zal heel blijde zijn als gij dat wilt doen,” antwoordde doctor Strong.

„Zult ge waarlijk?”

„Zeker!”

„Welnu, dan doe ik het ook!” zei de oude Overste.

„Dat is afgesproken!”

Naar ik onderstelde was zij nu waar zij wezen wilde; zij klopte den doctor eenige malen met haar waaier—waarop zij eerst een kus drukte—op de hand en keerde met een zegevierend gelaat naar hare eerste plaats terug.

Er kwamen nu langzamerhand meer menschen, o. a. de twee onderwijzers en Adams, zoodat het gesprek meer algemeen werd; natuurlijk werd het op Jack Maldon gebracht, op zijne reis, op het land, waarheen hij vertrok, op zijne plannen en vooruitzichten. Hij zou dien zelfden avond met de postkar naar Gravesend vertrekken, waar het schip lag, waarmede hij de reis zou maken, en—als hij niet met verlof of wegens ziekte naar huis kwam—zou hij, ik weet niet hoeveel jaren wel, uitblijven. Ik herinner mij nog hoe men het algemeen eens was, dat de meeste menschen zich eene verkeerde voorstelling maken van Indië en het een heerlijk land was, behalve dat er een paar tijgers waren en het er wat warm was op het midden van den dag. Wat mij zelven aangaat, ik zag in Mijnheer Maldon een modernen Sinbad, en stelde mij hem nu reeds voor als de vriend van alle Radjah's in het Oosten, zittende onder een troonhemel, uit gouden pijpen rookend, die, recht getrokken, wel een mijl lang waren.

Mevrouw Strong had een mooie stem; ik wist dit, want ik had haar, als zij alleen was, dikwijls hooren zingen. Maar, of zij niet gaarne in gezelschap zong of niet goed bij stem was, zij kon dien avond niet zingen. Zij beproefde een duet met Jack Maldon, maar bracht het niet verder dan den eersten regel; en later toen zij het alleen wilde beproeven, begaf de stem haar plotseling en bleef zij verdrietig zitten met het hoofd over de toetsen gebogen. De goede doctor zei dat zij wat zenuwachtig was, en stelde, om de aandacht van haar af te leiden, een gezelschapsspel met kaarten voor, waarvan hij evenveel verstand had als van het bespelen der trombone. Ik bemerkte echter dat de oude Overste onmiddellijk beslag op hem legde en een compagnieschap met hem aanging, waarvoor hij echter beginnen moest, haar al het zilvergeld te geven, dat hij in den zak had.

Wij speelden heel prettig en amuseerden ons het meest met de vergissingen van den doctor, die hij elk oogenblik beging, in weerwil van de waakzaamheid der kappelletjes en tot groote teleurstelling van hare eigenares. Mevrouw Strong had afgezien van het spel, omdat zij zich niet wel voelde, en Jack Maldon speelde niet mede, omdat hij nog het een of ander te pakken had. Toen hij daarmede gereed was, kwam hij terug en ging met mevrouw Strong op de canapee zitten praten. Van tijd tot tijd stond zij eens op en keek dan over den schouder van den doctor heen, om hem te zeggen wat hij spelen moest. Zij was erg bleek en ik meende zelfs den vinger, waarmede zij de kaart aanwees, te zien beven; maar de doctor was verrukt over hare oplettendheid en scheen van hare bleekheid niets op te merken.

Aan het souper waren wij niet meer zoo vroolijk. Iedereen scheen te voelen dat het geen gewone reis was, die een der gasten ging ondernemen, en hoe meer het uur van vertrek naderde, hoe gedrukter de stemming werd, waarin het gezelschap scheen te verkeeren. Mijnheer Maldon deed zijn best om zoo spraakzaam mogelijk te zijn, maar hij was niet op zijn gemak en maakte de zaak nog erger. Ook de oude Overste, die telkens voorvallen uit mijnheer Maldon's jeugd ophaalde, had beter gedaan te zwijgen. De doctor daarentegen, die—daarvan ben ik overtuigd—in de meening verkeerde, dat iedereen zich uitstekend amuseerde, had zelf het grootste pleizier en vermoedde niets van eene gedrukte stemming.

„Annie, lieve,” zei hij, na op zijn horloge gekeken en zijn glas gevuld te hebben, „het is al meer dan tijd voor uw neef, en wij moeten hem niet ophouden, want de tijd en het getij, die beide in deze zaak betrokken zijn, wachten niet. Mijnheer Jack Maldon,” ging hij voort met het glas in de hand, „gij hebt eene lange reis en een vreemd land voor u, maar menigeen heeft dat voor zich en zal dit nog voor zich hebben in den loop der tijden. De winden, die gij gaat tarten, hebben duizenden en duizenden naar hun geluk gevoerd en evenveel duizenden gelukkig teruggebracht.”

„Het is toch aandoenlijk,” zei mevrouw Markleham—„hoe men de zaak ook bekijkt, het is aandoenlijk—een netten jongen man, dien men van zijne prilste jeugd af heeft gekend, naar het andere einde van de wereld te zien vertrekken, allen, die hij lief heeft achterlatende en zonder te weten, wat vóór hem ligt. Een jonge man, die zich zooveel opofferingen getroost, verdient wel dat men hem voortdurend”—bij deze woorden keek zij den doctor aan—„hulp en steun verleent.”

„De tijd zal voor u omvliegen,” vervolgde de doctor, „evenals voor ons. Volgens den natuurlijken loop der dingen kunnen sommigen van ons nauwelijks verwachten u bij uwe terugkomst te begroeten. Het beste is het te hopen en—dat doe ik ook. Ik zal u niet vermoeien met allerlei raadgevingen; gij hebt te lang reeds een goed voorbeeld gehad in uwe nicht Annie—tracht hare deugden na te streven.”

Mevrouw Markleham scheen het erg benauwd te krijgen, want zij schermde druk met haar waaier en schudde telkens het hoofd.

„Vaarwel, Jack,” zoo eindigde de doctor opstaande, welk voorbeeld door ons allen gevolgd werd. „Wij wenschen u eene voorspoedige reis, eene prachtige loopbaan daar ginds aan de overzijde en een behouden terugkomst!”

Wij ledigden allen ons glas na dezen toast en schudden mijnheer Jack Maldon hartelijk de hand, waarna hij haastig afscheid nam van de aanwezige dames en naar de deur snelde, waar hij ontvangen werd met luide hoezee's van de jongens, die zich daartoe buiten hadden opgesteld. Ten einde hunne gelederen te versterken, voegde ik mij bij hen en was vlak bij de postkar, toen deze wegreed; nimmer zal ik den indruk vergeten, dien ik kreeg, toen ik daar Jack Maldon met een ontroerd gezicht en iets roods in zijne hand zag vertrekken.

Na nog een hoezee! voor den doctor en nog een voor de doctorsvrouw, verdwenen de jongens en ging ik in huis terug, waar ik de gasten allen om den doctor vereenigd vond, pratende over de wijze, waarop Jack Maldon was heengegaan, hoe hij zich gehouden had en wat hij gevoeld moest hebben en zoo meer. Te midden van deze woordenwisseling riep mevrouw Markleham eensklaps: „Waar blijft Annie toch?”

Maar Annie was er niet en toen wij haar overal riepen, gaf zij geen antwoord. Allen stormden de deur uit om haar te zoeken en eindelijk vonden wij haar in de gang liggen. In het eerst was de schrik onuitsprekelijk tot men ontdekte, dat het eene gewone flauwte was, die onmiddellijk week voor de gewone middelen. De doctor had haar hoofd op zijne knie gelegd, streek de krullen zacht uit haar gelaat en zei, den kring rondkijkende: „Arme Annie! Zij is zoo trouw en zoo teerhartig! Zonder twijfel is het vertrek van den speelgenoot harer jeugd, van haar liefsten neef, er de oorzaak van. Het is jammer! Het spijt mij zeer!”

Toen zij de oogen opende en zag waar zij was en hoe wij allen om haar heen stonden, richtte zij zich met een weinig hulp op en terwijl zij dit deed, wendde zij het hoofd om en legde het op den schouder van den doctor—of verborg het—dat weet ik niet zeker. Wij gingen naar het salon, ten einde haar met den doctor en haar moeder alleen te laten, maar zij zeide dat zij, naar het scheen, beter was dan zij zich den geheelen dag gevoeld had en liever weder bij het gezelschap wilde komen; zij brachten haar binnen, nog een weinig bleek, naar ik meende, en lieten haar op de sofa plaats nemen.

„Lieve Annie,” zei hare moeder op eens, terwijl zij het toilet van hare dochter een weinig in orde bracht, „zie eens hier! Gij hebt een strik verloren. Wil iemand zoo goed zijn eens te zoeken; het is een roode strik.”

Het was de eenige, dien zij op haar boezem gedragen had. Wij zochten allen—ik zelf zocht overal, daarvan ben ik overtuigd—maar de strik was niet te vinden.

„Herinnert gij u ook waar gij hem het laatst gehad hebt?” vroeg de overste.

Het verbaasde mij wel een weinig, dat zij eerst zoo bleek en daarna zoo gloeiend rood werd, toen zij antwoordde dat zij hem een oogenblik geleden nog gehad had, maar dat het niet der moeite waard was er naar te zoeken. In weerwil daarvan werd er nog gezocht, doch met denzelfden ongunstigen uitslag. Zij smeekte dat men er toch mede eindigen zou, maar nu en dan werd er nog gezocht, tot zij weder heel wel was en het gezelschap vertrok.

Mijnheer Wickfield, Agnes en ik wandelden langzaam naar huis—Agnes en ik de maan en de sterren bewonderende, terwijl mijnheer Wickfield de oogen bijna niet van den grond ophief. Toen wij eindelijk onze woning hadden bereikt, bemerkte Agnes dat zij haar werktaschje vergeten had. Blijde haar een dienst te kunnen bewijzen, snelde ik onmiddellijk terug om het te halen. Toen ik de kamer, waar wij gesoupeerd hadden en waar het liggen moest, binnentrad was deze donker en verlaten; maar ik zag nog licht in de studeerkamer van den doctor en klopte daar aan, om te zeggen wat ik kwam doen en een kandelaar te vragen.

De doctor zat in zijn gemakkelijken stoel bij den haard en zijne jonge vrouw op een bankje aan zijne voeten. Met een gezicht, dat straalde van welgevallen, las hij haar de eene of andere bespiegeling voor uit dat eindelooze woordenboek en zij keek naar hem op en scheen aandachtig te luisteren. Maar zulk een gelaat zag ik nooit. De schoone lijnen kwamen zoo tot haar recht, het was zoo vaalbleek, het was zoo strak tengevolge van hare afgetrokkenheid, dat ik den indruk kreeg alsof ik eene slaapwandelaarster zag, die geschrikt was van een afgrijselijk visioen. Hare oogen waren wijd geopend, hare bruine krullen lagen als dikke slangen op hare schouders en langs hare witte japon, die tengevolge van het gemis van den strik niet meer zoo nauwsluitend was als in het begin van den avond. De uitdrukking, die in hare oogen lag, kan ik niet beschrijven, maar zal ik nimmer vergeten. Thans zelfs, nu ik ouder ben geworden en meer ondervinding heb, zou ik het niet kunnen. Berouw, verootmoediging, schaamte, trots, liefde en vertrouwen—alles zie ik nog in dien blik en toch ook dat alles overheerschende, dat afgrijzen van ik weet niet wat. Toen ik binnentrad en zeide wat ik verlangde, scheen zij uit haar droom te ontwaken. Ook de doctor was gestoord, want toen ik den kandelaar terugbracht, had hij haar hoofd op vaderlijke wijze tusschen zijne handen en zeide, dat hij een onbarmhartige droomer was om haar nu nog met zijn voorlezen te plagen, want dat zij naar bed moest gaan.

Zij verzocht hem echter op hare vlugge, dringende manier te mogen blijven, te mogen voelen dat zij dezen avond geheel in zijn vertrouwen was—ik vernam tenminste eenige afgebroken klanken, welke dezen indruk op mij maakten. En toen zij, na mij bij mijn vertrek een glimlach te hebben toegeworpen, weder ging zitten, zag ik haar de handen vouwen over hare knieën en met hetzelfde gelaat, doch wat geruster, naar hem opkijken, terwijl hij voortging met lezen. Dit maakte een diepen indruk op mij en ik herinnerde mij dien indruk nog langen tijd daarna. Als de tijd daartoe gekomen is, zal ik vertellen bij welke gelegenheid dat was.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVII

Er komt iemand opdagen.

Het is niet in mij opgekomen melding te maken van Peggotty in de laatste bladzijden; natuurlijk schreef ik haar een brief, zoodra ik te Dover was aangeland en een tweeden, langeren, met alle bijzonderheden, toen tante Betsey mij voor goed onder hare veilige vleugelen had genomen. Op den eersten dag van mijn verblijf bij doctor Strong schreef ik haar nogmaals en deelde haar mede hoe gelukkig ik was en hoe heerlijk nu mijne vooruitzichten waren. Zeker had ik van het geld, dat mijnheer Dick mij bij het afscheid in de hand had gestopt, niet meer genoegen kunnen hebben dan hetgeen ik smaakte, toen ik in mijn laatsten brief aan Peggotty de halve gouden guinje terugzond, die zij mij geleend had; in dezen brief, niet eerder, vertelde ik haar tevens de geschiedenis met den jongen en de ezelkar.

Op al deze mededeelingen antwoordde Peggotty even spoedig, zij het dan ook al niet even beknopt als een kantoorklerk. Zij putte al hare zeggingskracht—die in inkt niet heel groot was—uit in pogingen om mij te doen gevoelen wat zij geleden had bij het lezen van mijn reisverhaal. Vier zijdjes vol afgebroken volzinnen en tusschenwerpsels, zonder punten, hier en daar gevlekt, waren ontoereikend om lucht te verschaffen aan haar opgekropt gemoed. Deze vlekken zeiden mij echter meer dan de best gestelde brief had kunnen doen; ze zeiden mij dat Peggotty boven het papier had zitten schreien; kon ik meer verlangen?

Ik begreep zonder veel moeite dat zij zich tante Betsey nog maar niet kon voorstellen als eene vriendelijke dame. Zij had te lang een vooroordeel tegen haar gekoesterd om zoo plotseling te kunnen veranderen. „Wij kennen de menschen eigenlijk nooit,” schreef zij, „maar te denken dat tante Betsey zoo geheel anders was dan zij gemeend had, dat ging haar te hoog”—dit waren hare eigen woorden. Blijkbaar was zij nog bang voor tante, want zij verzocht heel schroomvallig hare groeten; en vermoedelijk was zij ook bang voor mij en op de waarschijnlijkheid bedacht, dat ik spoedig weer zou wegloopen—tenminste ik moest dat wel opmaken uit de meer dan eenmaal herhaalde verklaring, dat het geld voor de vracht per diligence naar Yarmouth altijd voor mij gereed lag.

Eén bericht in haar brief trof mij zeer; zij schreef dat er aan onze oude woning eene verkooping van meubelen had plaats gehad; dat mijnheer en juffrouw Murdstone naar elders vertrokken waren en mijn ouderlijk huis te koop of te huur stond. De Hemel weet dat ik er volstrekt geen belang bij had of zij daar bleven of niet, maar de gedachte dat het lieve, oude huis nu zoo eenzaam en verlaten daar stond, dat het onkruid welig tieren zou op de paden en de dorre bladeren in den tuin en op het graf van mijn vader en mijne moeder zouden blijven liggen—die gedachte pijnigde mij meer dan ik hier kan beschrijven. Ik stelde mij voor hoe de wind des winters om het huis zou huilen, hoe de koude regen tegen de vensters zou kletteren en hoe de maan haar spookachtig wit licht zou laten schijnen op de kale muren van de ledige kamers. Ik dacht aan het graf mijner ouders onder den grooten boom en het scheen mij toe of het huis nu ook dood was, alsof alle banden, waarmede ik aan mijn vader en mijne moeder gehecht was, verbroken waren.

Ander nieuws bevatten Peggotty's brieven niet. Barkis was een voorbeeldig echtgenoot, schreef zij, alleen een beetje schriel; maar wij hebben allen onze gebreken en zij zelve had er in overvloed—het zou mij onmogelijk geweest zijn er een op te noemen—; Barkis zond mij zijne groeten en had gezegd dat mijn kleine kamertje altijd gereed was om mij ontvangen. Baas Peggotty was heel gezond en Ham was heel gezond en juffrouw Gummidge was maar zoo zoo en de kleine Emily wilde geen kus voor mij in den brief sluiten en had gezegd dat Peggotty zelve het maar doen moest als zij er lust in had.

Van al deze berichten deed ik trouw verslag aan mijne tante; alleen hield ik dat van de kleine Emily voor mij zelven, wel wetende dat tante dit niet heel vriendelijk zou opnemen. Toen ik pas bij doctor Strong was, kwam zij mij meermalen bezoeken, maar altijd onverwachts—ten einde mij te verrassen, denk ik. Maar zij vond mij altijd nuttig bezig en aangezien ik mij een goeden naam maakte en zij van alle kanten vernam, dat ik heel vlijtig was, staakte zij deze bezoeken al heel spoedig. Ik zag haar des Zaterdags om de drie of vier weken, als ik voor pleizier naar Dover ging, en ik zag mijnheer Dick des Woensdags om de veertien dagen; hij kwam dan tegen den avond met de diligence en bleef tot den volgenden morgen.

Bij dergelijke gelegenheden reisde mijnheer Dick nooit zonder zijne lederen schrijfportefeuille, waarin zich het noodige schrijfgereedschap en de memorie bevonden; ten opzichte van deze laatste begon het hem nu duidelijk te worden, dat het tijd werd om zich wat te haasten en dat het nu werkelijk eens tot eene uitgave komen moest.

Mijnheer Dick was een hartstochtelijk liefhebber van peperkoek, en ten einde hem zijn bezoeken zoo aangenaam mogelijk te maken, had tante mij last gegeven een crediet voor hem te openen in een koekwinkel, echter onder de beperkende voorwaarde, dat ik op een en denzelfden dag niet meer dan een shilling mocht besteden. Dit en de omstandigheid, dat al de kleine rekeningetjes van de herberg, waar hij sliep, aan mijne tante moesten gezonden worden eer zij betaald werden, wekte het vermoeden bij mij op dat mijnheer Dick wel met zijn geld mocht rammelen, maar het niet mocht uitgeven naar believen. Bij een nader onderzoek bleek mij dat mijn vermoeden juist was, tenminste dat er eene overeenkomst bestond tusschen tante en hem, en hij al zijne uitgaven aan haar verantwoordde. Aangezien het niet in hem opkwam haar te bedriegen en hij niets liever wenschte dan haar genoegen te doen, was op deze eenvoudige wijze alle verkwisting buitengesloten. Mijnheer Dick was op dit punt, zoowel als op alle andere punten, overtuigd dat tante de verstandigste en bewonderenswaardigste aller vrouwen was; zooals hij mij menigmaal in diep geheim en op fluisterenden toon verzekerde.

„Trotwood,” vroeg hij met eene geheimzinnige uitdrukking op zijn gelaat, na mij op zekeren Woensdag deze vertrouwelijke mededeeling weder gedaan te hebben, „weet gij wie die man is, die zich in de buurt van ons huis schuil houdt en haar telkens angst aanjaagt?”

„Tante angst aanjaagt, mijnheer?”

Hij knikte bevestigend. „Ik meende,” zei hij, „dat niets haar angst zou kunnen aanjagen, want zij is,”—hij begon weder te fluisteren—„vertel dat aan niemand, de verstandigste en bewonderenswaardigste aller vrouwen.” Toen hij dit gezegd had, deed hij een stap achteruit, ten einde de uitwerking van zijne woorden beter te kunnen gadeslaan.

„De eerste keer dat hij kwam,” ging hij voort, „was... laat mij eens zien... zestienhonderd negen-en-veertig werd koning Karel onthoofd.... gij zeidet immers zestienhonderd negen-en-veertig?”

„Ja, mijnheer.”

„Ik begrijp niet hoe het mogelijk is,” antwoordde hij, erg in de war en voortdurend het hoofd schuddende. „Ik ben toch nog niet zoo oud?”

„Maar was het dan in dat jaar, dat die man voor het eerst verscheen?” vroeg ik.

„Maar hoe is dat mogelijk!” riep mijnheer Dick. „Ik begrijp volstrekt niet hoe het in dat jaar kan geweest zijn, Trotwood. Hebt gij dien datum uit de geschiedenisboeken geleerd?”

„Ja, mijnheer.”

„Kunnen geschiedenisboeken wel eens onwaarheid vermelden?” vroeg hij op een toon, die nog een zweempje hoop verried.

„Wel neen, mijnheer,” antwoordde ik zoo beslist mogelijk. Ik was nog jong en naïef, en meende werkelijk dat het zoo was.

„Ik kan het niet uitmaken,” hernam hij hoofdschuddende. „Er moet iets in de war zijn, wat het is weet ik niet. Hoe het zij, het moet spoedig nadat men zich zoo vergist en het geharrewar uit koning Karel's hoofd in het mijne gebracht heeft, geweest zijn. Toen is die man voor de eerste maal verschenen. Ik maakte na de thee een wandeling met juffrouw Trotwood, en toen wij tegen het donker thuiskwamen, stond hij vlak bij de deur.”

„Gingt gij wandelen?” vroeg ik.

„Wandelen?” herhaalde mijnheer Dick. „Laat eens zien. Ik moet het mij eens goed herinneren. N..ee..een, hij ging niet wandelen.”

Als de kortste manier om er achter te komen, vroeg ik: „Wat deed hij dan?”

„Wel, hij was er niet,” antwoordde hij, „hij kwam achter ons aan en fluisterde iets. Toen keerde juffrouw Trotwood zich om en viel flauw en ik bleef staan en keek hem aan en toen ging hij heen; maar het zonderlinge van het geval is dat hij sinds dien avond ergens, in den grond geloof ik, verborgen is.”

„Is hij sinds dien tijd ergens verborgen geweest?”

„Zeker, is hij dat,” antwoordde mijnheer Dick. „Hij kwam nooit te voorschijn vóór gisteren avond! Wij gingen weer wandelen en hij kwam ons weer achterop en ik herkende hem terstond!”

„En schrikte tante ook weer?”

„Zij beefde over haar gansche lichaam,” antwoordde hij, de aandoening nabootsend en met de tanden klapperend; „zij hield zich aan het tuinhek vast... zij schreeuwde. Maar, Trotwood, kom eens hier,”—hij trok mij dicht tegen zich aan en vroeg op fluisterenden toon: „waarom gaf zij dien man geld? Ik heb het bij het maanlicht duidelijk gezien.”

„Misschien was hij een bedelaar?”

Mijnheer Dick schudde hevig met het hoofd, alsof hij deze oplossing van het raadsel met alle kracht wilde ontkennen, en na een aantal malen met de innigste overtuiging gezegd te hebben: „Neen, geen bedelaar, geen bedelaar, geen bedelaar, jongeheer!” ging hij voort: „uit mijn venster heb ik laat op den avond gezien, dat uwe tante dien man buiten het tuinhek geld gaf en dat hij toen weder wegzonk”—hij meende zeker in den grond—„en niet meer werd teruggezien. Uwe tante kwam daarna haastig en zoo geheimzinnig mogelijk aan de achterzijde het huis weder binnen en was den volgenden morgen heel anders dan gewoonlijk.” Blijkbaar verontrustte deze geschiedenis mijnheer Dick; maar ik twijfelde geen oogenblik of die onbekende bestond alleen in zijne verbeelding en moest op één lijn geplaatst worden met den ongelukkigen vorst, die hem zooveel hoofdbreken kostte; maar na eenig nadenken begon ik de vraag te overwegen of er niet twee malen eene poging kon zijn gedaan om den ongelukkigen mijnheer Dick zelf aan tante's bescherming te onttrekken en of wellicht tante, wier genegenheid voor hem mij bekend was—ik wist uit haar eigen mond immers hoe zij hem genegen was—zich genoopt had gevoeld eene som gelds te geven, ten einde hem vrede en rust te verschaffen. Ik was zelf ook zeer aan mijnheer Dick gehecht en zijn welzijn ging mij zeer ter harte, zoodat de vrees mij sterkte in mijn eenmaal opgevat vermoeden. Langen tijd nog daarna bekroop mij elken Woensdag weder de angst, dat ik hem niet in de diligence zou zien zitten. Telkens was die angst echter ongegrond, want op de vastgestelde dagen zat hij altijd met zijn grijze hoofd en denzelfden tevreden glimlach om den mond op dezelfde plaats en nooit had hij iets meer te vertellen van den man, die mijne tante zulk een schrik had aangejaagd.

Deze Woensdagen waren de gelukkigste dagen in mijnheer Dick's tegenwoordig leven en zeker waren ze niet de minst gelukkige van het mijne. Weldra kenden al de jongens mijnheer Dick; en hoewel hij nooit aan eenige andere uitspanning deelnam dan aan het oplaten van vliegers, stelde hij toch groot belang in al onze spelen. Hoe menigmaal heb ik hem niet met de grootste belangstelling zien turen naar onze knikkers en tollen, zóó vol aandacht, dat hij op het beslissende oogenblik nauwelijks ademhaalde. Hoe menigmaal heb ik hem bij het krijgertje spelen niet op een heuveltje zien staan; allen aanmoedigend en met den hoed boven het hoofd zwaaiend, Koning Karel's hoofd en alles wat daarmede in betrekking stond vergetend! Hoe menig uurtje—voor hem slechts eenige zalige oogenblikken—bracht hij des zomers door op het cricketveld! Hoe menigen kouden winterdag heb ik hem met een blauwen neus in den Oostenwind zien staan kijken naar de jongens, als zij in langen rijen de zelf gemaakte glijbanen afgleden! Hoe vergenoegd kon hij dan in zijne dikke handschoenen klappen!

Hij was aller vriend en zijne schranderheid in kleinigheden ging ieders verstand te boven. Hij kon uit sinaasappelen de vreemdsoortigste dingen snijden, waarover iedereen verbaasd was; van een vleeschpen, ja, van alles maakte hij bootjes, van beenderen uit het vleesch vervaardigde hij stukken voor het schaakbord; van oude kaarten Romeinsche zegewagens, wielen met spaken van garenklosjes en vogelkooien van oud ijzerdraad. Van bindtouw en stroo kon hij alles maken wat hij wilde—daarvan waren wij allen overtuigd. Zijne vermaardheid drong spoedig door tot buiten de school. Nadat hij eenige malen te Canterbury geweest was, informeerde doctor Strong bij mij naar mijnheer Dick en ik vertelde hem alles wat mijne tante mij verteld had. Doctor Strong's nieuwsgierigheid werd daardoor opgewekt en den eerstvolgenden Woensdag verzocht hij mij hem de gelegenheid te verschaffen kennis met hem te maken. Ik stelde de heeren aan elkander voor en toen de doctor mijnheer Dick uitnoodigde, om, wanneer ik eens niet aan het diligencekantoor of de ochtendles nog niet geëindigd mocht zijn, bij hem te komen wachten, werd het spoedig eene gewoonte, dat mijnheer Dick op het voorplein heen en weer bleef wandelen, tot ik met mijn werk gereed was, hetgeen 's Woensdags gewoonlijk vrij lang duurde. Hier maakte hij kennis met de mooie, jonge doctorsvrouw—die er den laatsten tijd bleeker uitzag dan vroeger en zich ook aan mij zeldzamer vertoonde, niet meer zoo vroolijk was als voorheen maar niet minder mooi—en zoo werd hij langzamerhand gemeenzamer met allen en kwam eindelijk in de school om daar te wachten. Hij zat altijd in een bijzonder hoekje en op een bijzonder bankje, dat „Dick” genoemd werd naar hem; hier bleef hij dan zitten met het grijze hoofd voorovergebogen, luisterende naar alles, dat om hem heen voorviel, en met den diepsten eerbied voor al de geleerdheid, die hij zelf nooit had kunnen machtig worden.

Deze vereering strekte zich ook uit tot den doctor, die in zijn oogen de geleerdste en diepzinnigste wijsgeer was, waarvan de wereld ooit gewaagde. Het duurde lang eer mijnheer Dick hem ooit anders dan blootshoofds durfde naderen en zelfs toen de doctor en hij reeds vriendschap hadden gesloten en zij te zamen op dat gedeelte van het voorplein wandelden, dat onder ons het „doctorspad” genoemd werd, nam mijnheer Dick telkens nog zijn hoed af, om zijn eerbied te toonen voor wijsheid en kennis. Hoe het kwam dat de doctor op deze wandelingen uit brokstukken van zijn woordenboek begon te lezen, heb ik nooit begrepen; vermoedelijk was dit voor hem hetzelfde alsof hij het voor zich alleen las. Hoe het zij, het werd eene gewoonte en mijnheer Dick luisterde met een gelaat, dat glom van blijden trots, en scheen te gelooven dat het Grieksche woordenboek van den doctor de heerlijkste lectuur was van de wereld.

Als ik nu nog denk aan die wandelingen langs de schoolramen—de doctor met een vergenoegden glimlach om den mond, lezende en nu en dan zwaaiende met het manuscript of deftig met het hoofd knikkende; en mijnheer Dick met de grootste aandacht luisterend, terwijl zijne gedachten op de vleugelen dier bijna niet uit te spreken woorden, de Hemel weet waarheen, vlogen—komen zij mij nog voor als een van de grappigste dingen, die ik ooit gezien heb. Ik krijg dan een gevoel alsof zij daar eeuwig hadden kunnen heen- en weerwandelen en de wereld daardoor beter zou zijn geworden; alsof duizend dingen, waarover de wereld zich druk maakt, niet half zoo goed zijn geweest voor haar en voor mij.

Agnes was spoedig op een goeden voet met mijnheer Dick en zoo maakte deze ook spoedig kennis met Uriah Heep. De vriendschap tusschen mijnheer Dick en mij nam voortdurend toe en terwijl het heette, dat hij naar mij kwam zien als voogd, raadpleegde hij mij bij elk gevoel van twijfel dat in hem oprees; hij koesterde niet alleen grooten eerbied voor mijne aangeboren schranderheid, maar was overtuigd dat ik ook een goede dosis van mijne tante geërfd had.

Op zekeren Donderdagmorgen, terwijl ik, alvorens weder naar school te gaan—wij hadden een uur les voor het ontbijt—mijnheer Dick van het hôtel naar het diligencekantoor bracht, ontmoette ik Uriah, die mij aan mijne belofte herinnerde om bij hem en zijne moeder thee te komen drinken, terwijl hij, zich in allerlei bochten draaiend, er bijvoegde: „Maar ik had niet verwacht dat gij het doen zoudt, jongeheer Copperfield; wij zijn al te nederig.”

Ik was het werkelijk tot nu toe nog niet met mij zelven eens kunnen worden, of ik van Uriah hield dan wel of ik een afschuw van hem had en toen ik daar op straat tegenover hem stond en hem vlak in het gezicht keek, verkeerde ik nog steeds in denzelfden twijfel. Ik wilde echter in geen geval voor trotsch doorgaan en zei daarom dat ik wachtte op eene uitnoodiging.

„O, als dat zoo is, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „en het waarlijk niet onze nederigheid is, die u terughoudt, kom dan van avond? Maar als wij te nederig zijn, hoop ik dat gij niet aarzelen zult het te zeggen, jongeheer Copperfield; want wij zijn onze nederigheid volkomen bewust.”

Ik antwoordde dat ik het mijnheer Wickfield zou vragen, en als deze er niets tegen had, waaraan ik geen oogenblik twijfelde, zou ik met genoegen komen. Het was een avond, waarop het kantoor vroeg gesloten werd, en zoo deelde ik te zes uur aan Uriah mede, dat ik gereed was om hem naar zijne moeder te vergezellen.

„Moeder zal er zeker trotsch op zijn,” zei hij, terwijl wij samen voortwandelden. „O, zij zou er zeker trotsch op zijn, als dat geen zonde was, jongeheer Copperfield.”

„En toch maaktet gij dezen morgen geen oogenblik bezwaar om te onderstellen dat ik trotsch was,” antwoordde ik.

„O, Hemel, neen, jongeheer Copperfield!” riep Uriah. „O, geloof mij, neen! Eene dergelijke gedachte is niet in mij opgekomen! Ik zou het volstrekt niet trotsch van u gevonden hebben, als gij ons te nederig hadt gevonden voor u. Want wij zijn zoo heel nederig.”

„Hebt gij in den laatsten tijd veel gestudeerd?” vroeg ik, om van dit onderwerp af te stappen.

„O, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij op den meest bescheiden toon, „het weinige dat ik lees kan geen studeeren genoemd worden. Ik heb eenige avonden een uur of twee met Mr. Tidd doorgebracht.”

„Zeker moeilijk te begrijpen?” vroeg ik.

„Voor mij is hij dikwijls moeilijk te begrijpen,” antwoordde hij, „maar ik weet niet of hij voor meer begaafden dan ik ben ook zoo moeilijk te begrijpen zal zijn.”

Na al wandelende eenigen tijd met de voorste vingers van zijn beenige hand op zijne kin getrommeld te hebben, ging hij voort: „Daar zijne uitdrukkingen in Mr. Tidd's werk, jongeheer Copperfield, die voor iemand met mijne nederige talenten moeilijk te begrijpen zijn, vooral het Latijn en Grieksch.”

„Zoudt gij gaarne Latijn leeren?” vroeg ik. „Ik wil er u gaarne les in geven”, voegde ik er bereidwillig bij.

„O, dank u, jongeheer Copperfield”, antwoordde hij hoofdschuddend. „Het is wel vriendelijk van u mij zulk een aanbod te doen, maar ik ben veel te nederig om het te durven aannemen.”

„Hoe dwaas, Uriah!”

„Neen, waarlijk niet, jongeheer Copperfield; ik ben u zeer verplicht en ik zou niets liever wenschen, dat verzeker ik u; maar ik ben al te nederig. Er zijn menschen genoeg, die mij in mijn nederigen staat wel zouden willen vertrappen, al geef ik hun geen oogenblik aanstoot door mijne geleerdheid. Want ik ben niet geleerd en zal het nimmer worden. Iemand als ik moet laag bij den grond blijven; wil ik vooruitkomen in de wereld dan moet ik nederig zijn, jongeheer Copperfield.”

Nooit zag ik zijn mond zoo wijd geopend, noch de plooien in zijne wangen zoo diep dan bij deze ontboezeming; hij schudde voortdurend met het hoofd en wrong zich uit bescheidenheid in de vreemdsoortigste bochten.

„Ik kan u geen gelijk geven, Uriah,” zei ik. „Ik geloof dat ik u veel dingen zou kunnen leeren, indien gij lust daarin hadt.”

„O, ik twijfel daar niet aan, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „niet het minst. Maar omdat gij zelf niet tot zulk een nederigen stand behoort, kunt gij misschien niet goed oordeelen over hen, die wel nederig zijn. Ik wil mijn meerderen niet lastig vallen met geleerdheid, dank u wel. Ik ben veel te nederig. Hier is onze nederige woning, jongeheer Copperfield!”

Wij traden zoo van de straat eene lage, ouderwetsche kamer binnen en vonden daar juffrouw Heep, het sprekend evenbeeld van haar zoon, maar verkleind. Zij ontving mij met eene onderdanige buiging en verzocht verschooning, omdat zij haar zoon een kus gaf, waarbij zij de opmerking maakte, dat al waren zij nederig, zij toch hun natuurlijk gevoel hadden, hetgeen naar zij hoopte, niemand aanstoot zou geven. Het was een heel zindelijke kamer, half zitkamer half keuken, maar geen prettige kamer. Het theeblad stond op de tafel gereed en boven het vuur hing een ketel water. Er stond een laag bureautje met drie laden, waaraan Uriah des avonds zat te lezen of te schrijven; verder lag er Uriah's blauwe portefeuille vol papieren; dan stonden er Uriah's boeken allen op een rij, met Mr. Tidd aan het hoofd, een hoekkastje met allerlei huisraad en verder de gewone meubelen. Ik herinner mij niet dat er één voorwerp in die kamer was, dat er bepaald armoedig of kaal uitzag, maar ik herinner mij wel dat het geheel dien indruk op mij maakte.

Het scheen bij juffrouw Heep's nederigheid te behooren, dat zij nog in den rouw was. Niettegenstaande er reeds een zeer lange tijd verloopen was sinds den dood van haar man, droeg zij nog steeds weduwenrouw. Als ik het mij goed herinner, was het fatsoen van den kap eenigszins gewijzigd, maar overigens was zij nog in even zwaren rouw als in de eerste dagen.

„Dit is een dag, die ons lang zal heugen, Uriah, dat is zeker,” zei juffrouw Heep, terwijl zij thee zette, „wij zullen het niet gemakkelijk vergeten dat jongeheer Copperfield ons wel een visite heeft willen brengen.”

„Ik heb al gezegd dat gij er zoo over zoudt denken, moeder,” antwoordde Uriah.

„Als ik ooit gewenscht heb dat vader bij ons mocht gebleven zijn,” ging juffrouw Heep voort, „zou het zijn om met ons gezelschap van heden avond kennis te maken.”

Ik werd verlegen onder al deze complimenten; maar ik vond het ook wel aardig zoo geëerd te worden als gast en juffrouw Heep was in mijne oogen een allerliefste vrouw.

„Mijn Uriah,” zei juffrouw Heep, „heeft langen tijd naar dezen avond gewenscht, jongeheer. Hij vreesde dat onze nederigheid een beletsel zijn zou en ik deelde die vrees met hem. Wij zijn nu eenmaal nederig, wij zijn altijd nederig geweest en zullen nederig blijven; daarbij bevinden wij ons het best.”

„Ik meen toch wel te mogen zeggen dat gij niet zoo nederig behoeft te zijn,” gaf ik ten antwoord, „tenzij gij het zelve wenscht.”

„Ik dank u wel, jongeheer,” antwoordde juffrouw Heep, „wij weten waar wij moeten staan en zijn dankbaar voor hetgeen wij hebben.”

Ik merkte op dat juffrouw Heep hoe langer hoe dichter naar mij toeschoof, en dat Uriah vlak tegenover mij had plaats genomen, terwijl zij mij als om strijd bedienden van het lekkerste, dat op tafel stond. Er was wel niet veel keus, maar ik nam den wil voor de daad en was erkentelijk voor hunne oplettendheden. Weldra begonnen zij te vertellen van tantes en ik vertelde van de mijne; en van vaders en moeders en ik vertelde van de mijne; en toen bracht Uriah het gesprek op stiefvaders en ik vertelde weer van den mijnen,—maar ik brak mijn verhaal spoedig af, want tante had mij den raad gegeven over dit punt liever te zwijgen. Een zacht klein kurkje zou echter niet beter bestand geweest zijn tegen een flinken kurketrekker, een melktandje tegen een kiezentrekker of een volant tegen een palet dan ik tegen Uriah en juffrouw Heep. Zij deden met mij wat ze wilden en ontwrongen mij dingen, die ik volstrekt niet had willen vertellen; en zij deden dit met een gemak en een zekerheid, dat ik er nu nog over bloos, als ik er aan denk, te meer wijl ik het deed met eene openhartigheid, die alleen haar oorzaak vond in mijn jeugdigen trots; ja, ik was er trotsch op, dat men mij zoo in het vertrouwen nam en voelde, dat ik daar zat als de meerdere van de beide aandachtige luisteraars.

Eén ding was zeker; zij hielden veel van elkander. Ik onderstel dat dit indruk op mij maakte omdat het zoo natuurlijk was; maar de handigheid, waarmede de een doorging op hetgeen de ander gezegd had, was niet natuurlijk—dat was kunstmatig en daartegen was ik in het geheel niet bestand. Toen ik niets meer over mij zelven te vertellen had—over mijn verblijf bij Murdstone en Grinby bewaarde ik het stilzwijgen—begonnen zij over mijnheer Wickfield en Agnes te spreken. Uriah wierp den bal naar zijne moeder en deze ving hem handig op en wierp hem terug naar Uriah; Uriah hield hem een oogenblik vast en wierp hem toen terug naar juffrouw Heep en zoo ging het voort, tot ik volstrekt niet meer wist wie hem had en geheel in de war was. Ook was er telkens een andere bal. Nu eens was mijnheer Wickfield, dan weder Agnes aan de beurt; nu eens was de voortreffelijkheid van mijnheer Wickfield, dan weder mijne bewondering voor Agnes het onderwerp van het gesprek; nu eens spraken wij over mijnheer Wickfield's zaken en inkomsten, dan weder over ons samenzijn aan tafel of over den wijn, dien mijnheer Wickfield dronk, over de reden waarom hij dien dronk, of betreurden wij het, dat hij zooveel wijn dronk; nu het een dan het ander, dan weder alles tegelijk. Gedurende al dien tijd en niet tegenstaande ik weinig sprak, maar hen alleen nu en dan eens aanmoedigde opdat zij niet al te zeer onder den indruk zouden geraken van hunne eigen nederigheid en van de eer van mijn gezelschap—gedurende al dien tijd betrapte ik er mij zelven telkens op, het een of ander los te laten, dat ik niet had moeten loslaten en zag ik de uitwerking daarvan in de trillende neusvleugels van Uriah. Ik begon mij reeds minder op mijn gemak te gevoelen en mij ver weg te wenschen, toen er iemand de straat afkwam—het was warm zoodat de deur open stond—nog eens terugliep en eindelijk binnenkwam, uitroepende: „Copperfield! Zijt gij het waarlijk?”

Het was mijnheer Micawber! Het was mijnheer Micawber in eigen persoon, met zijn lorgnet en zijn wandelstok en zijn overhemdje en zijn vriendelijk gezicht en zijne galmende stem.... mijnheer Micawber—niets veranderd!

„Mijn waarde Copperfield,” sprak hij, zijne hand uitstekende, „dit is inderdaad eene ontmoeting, die wel geschikt is om ons al de onzekerheid en de onstandvastigheid van het aardsche te doen beseffen—kortom, het is eene buitengewone ontmoeting. Terwijl ik de straat doorliep om te zien of zich ook iets zou opdoen—waarop ik tegenwoordig zeer veel hoop heb—vind ik daar een jongen, maar zeer gewaardeerden vriend terug, die verbonden is aan een der merkwaardigste tijdperken in mijn leven, ja, ik mag wel zeggen aan een keerpunt in mijn leven. Copperfield beste jongen, hoe maak je 't?”

Ik kan niet zeggen .... ik kan werkelijk niet zeggen—dat ik blijde was mijnheer Micawber daar te zien; maar toch was ik blijde hem te zien en schudde hem hartelijk de hand, terwijl ik hem vroeg, hoe mevrouw Micawber het maakte.

„Dank u,” zei hij, als van ouds met de hand wuivend en zijne kin in zijn halsboord drukkend. „Mevrouw Micawber is vrij wel. De tweelingen putten niet langer de noodzakelijke bestanddeelen voor hun levensonderhoud uit de bronnen der Natuur,.... Kortom,” voedde hij er in eene uitbarsting van vertrouwelijkheid bij, „zij zijn gespeend en mevrouw Micawber heeft mij hierheen vergezeld. Zij zal blijde zijn, Copperfield, de kennismaking te hernieuwen met iemand, die altijd getoond heeft een waardig priester te zijn aan het altaar der vriendschap.”

Ik zeide, dat het mij ook zeer aangenaam zou zijn haar te zien.

„Gij zijt wel goed,” antwoordde mijnheer Micawber met een glimlach, waarna hij opnieuw zijne kin in de plooi zette en het vertrek rondkeek.

„Ik heb mijn jongen vriend Copperfield gevonden,” hernam mijnheer Micawber op hoffelijken toon, doch zonder zich bepaald tot iemand te wenden, „niet in de eenzaamheid, maar deelnemende aan een huiselijken maaltijd met eene weduwe en nog een persoon, die vermoedelijk tot haar kroost behoort—kortom, haar zoon. Het zal mij eene groote eer zijn aan beiden voorgesteld te worden.”

Onder deze omstandigheden kon ik niet minder doen dan mijnheer Micawber in kennis te brengen met Uriah Heep en zijne moeder, hetgeen ik dan ook deed. Toen zij eene buiging voor hem maakten, nam mijnheer Micawber een stoel, ging zitten en wuifde op de hoffelijkste wijze zeer genadig met zijne hand.

„De vrienden van mijn vriend Copperfield,” zei hij, „kunnen ook aanspraak maken op mijne vriendschap.”

„Wij zijn veel te nederig, mijnheer,” zei juffrouw Heep, „mijn zoon en ik zijn veel te nederig om ons vrienden te noemen van jongeheer Copperfield. Hij is wel zoo goed geweest bij ons te komen theedrinken en wij zijn hem dankbaar voor zijn gezelschap.... evenals u voor uwe woorden van zoo even.”

„Mejuffrouw,” antwoordde mijnheer Micawber met eene buiging, „gij zijt wel beleefd; en wat doet gij tegenwoordig, Copperfield? Nog altijd in den wijnhandel?”

Ik verlangde vreeselijk mijnheer Micawber weg te krijgen en antwoordde met mijn hoed in de hand en zonder twijfel met een kleur als vuur, dat ik op school was bij doctor Strong.

„Op school?” vroeg mijnheer Micawber, zijne wenkbrauwen optrekkende. „Het verheugt mij zeer dat te hooren. Evenwel, een geest als die van mijn jongen vriend”—hierbij wendde hij zich tot Uriah en juffrouw Heep—„heeft niet zulk een leerschool noodig als het geval zou wezen zonder zijne voortreffelijke kennis van menschen en dingen; zijn geest is als een vruchtbare bodem, waarin elk zaadje welig ontkiemt... kortom”—weder zulk eene uitbarsting van vertrouwelijkheid—„kortom niemand zal het zoo ver in de klassieken brengen als hij.”

Uriah wreef zijne lange, magere handen langzaam over elkander en, om zijne instemming met deze lofspraak op mij te betuigen, wrong hij zijn bovenlijf als een kurketrekker.

„Mag ik met u meegaan en mevrouw Micawber een bezoek brengen?” vroeg ik, ten einde hem maar weg te krijgen.

„Indien gij haar deze eer wilt aandoen, Copperfield,” antwoordde mijnheer Micawber opstaande. „Ik aarzel niet in tegenwoordigheid van onze vrienden hier te verklaren, dat ik gedurende eenige jaren met geldelijke moeilijkheden heb te kampen gehad, kortom, dat ik in ongelegenheden ben geraakt.”—Ik wist zeker, dat hij iets dergelijks zeggen zou, want hij liep altijd te koop met zijne ongelegenheden.—„Somtijds heb ik mij boven mijne ongelegenheden kunnen verheffen; somtijds hebben de ongelegenheden mij—kortom, zijn ze mij te machtig geweest. Er zijn tijden geweest, dat ik ze van mij af heb weten te houden; er zijn ook tijden geweest, dat ze in te grooten getale kwamen opdagen en ik het onderspit moest delven en tot mevrouw Micawber de woorden van Cato herhalen: ‚Plato, gij spreekt goed. Het is gedaan, ik geef den strijd op.’ Maar nooit heb ik grooter vreugde gekend dan in den tijd, toen ik mijn verdriet—als ik ongelegenheden, voorspruitende uit dagvaardingen van deurwaarders en wissels op twee en drie dagen, zoo noemen mag—aan mijn jongen vriend Copperfield mocht toevertrouwen.”

Mijnheer Micawber besloot deze openhartige bekentenis met te zeggen: „Mijnheer Heep! Goeden avond. Mejuffrouw Heep! Uw dienaar!” en stapte toen met den zwier van een millionair de deur uit, terwijl hij een vroolijk deuntje floot en een ontzettend leven maakte met zijn schoenen op de straatsteenen.

Mevrouw Micawber had haar intrek genomen in eene kleine herberg, waar men hun eene kamer gegeven had, die van de gelagkamer afgeschoten en doortrokken was van tabaksrook. Ik vermoed, dat dit hokje boven de keuken gelegen was, want er drong eene warme vetlucht door de reten in den vloer naar boven en de muren waren met eene glibberige zelfstandigheid bedekt. Het buffet scheen tegen het beschot te staan want er heerschte eene doordringende lucht van spiritus. Uitgestrekt op eene kleine sofa onder eene schilderij, die een wedren voorstelde, vond ik daar mevrouw Micawber, met het hoofd dicht bij het vuur, terwijl haar eene voet op het punt was om een mosterdpotje van een dientafeltje aan het andere einde van de kamer af te schoppen. Toen wij binnentraden, zei mijnheer Micawber, die vooruitging: „Lieve, vergun mij u voorstellen een leerling van de school van doctor Strong.”

Het trok mijne aandacht, dat, hoewel mijnheer Micawber, evenals vroeger in de war scheen ten aanzien van mijn leeftijd en mijn stand, zich nu toch herinnerde, dat ik een scholier was van doctor Strong. Mevrouw Micawber was even verbaasd als verheugd, toen zij mij zag. Ik was ook blijde haar terug te zien en na eene hartelijke begroeting van weêrzijden, nam ik naast haar op de sofa plaats.

„Lieve,” zei mijnheer Micawber, „als gij Copperfield eens wildet meedeelen, hoe onze tegenwoordige omstandigheden zijn, waarin hij zonder twijfel zeer veel belang zal stellen, dan zal ik de couranten eens gaan inkijken; wellicht doet zich onder de advertentiën iets op.”

„Ik meende, dat gij te Plymouth waart, mevrouw,” zei ik toen mijnheer Micawber weg was.

„Mijn beste Copperfield,” antwoordde zij, „wij zijn ook naar Plymouth geweest.”

„Om bij de hand te zijn,” voegde ik er bij.

„Juist,” hernam zij, „om bij de hand te zijn. Maar, om u de waarheid te zeggen, een man van mijnheer Micawber's talenten kon men aan het tolkantoor niet gebruiken. De invloed van mijne familie daar ter plaatse was geheel ontoereikend om mijnheer Micawber aan eene betrekking te helpen. Zij wilden iemand als mijnheer Micawber juist niet hebben. Hij zou de anderen te veel in de schaduw stellen. Bovendien, ik wil dat voor u niet verhelen, jongeheer Copperfield, toen de tak van mijne familie, die te Plymouth woont, vernam, dat mijnheer Micawber in gezelschap was van mij, den kleinen Wilkins, diens zuster en de tweelingen, hebben zij hem niet zulk eene warme ontvangst bereid, als ik na zijn ontslag uit de gevangenis wel verwacht had. Inderdaad,” vervolgde zij en liet hare stem een weinig dalen,—„maar dit blijft tusschen ons—de ontvangst was koel.”

„Waarlijk!” zei ik.

„Ja,” hernam zij. „Het is wel pijnlijk de menschheid van zulk eene zijde te leeren kennen, jongeheer Copperfield, maar onze ontvangst was inderdaad zeer koel. Daaromtrent kan geen twijfel bestaan. De tak mijner familie, die te Plymouth woont, werd zelf onaangenaam tegen mijnheer Micawber, nog eer wij eene week daar woonden.”

Ik zei en ik meende het ook, dat zij zich schamen moesten.

„Ja en toch was het zoo,” vervolgde mevrouw Micawber. „En wat zou een man van mijnheer Micawber's karakter onder zulke omstandigheden beginnen? De eenige weg, die voor hem openstond, was: van dien tak mijner familie het geld te leenen om naar Londen terug te keeren, wat het ook mocht kosten.”

„En keerdet gij toen allen terug mevrouw?” vroeg ik.

„Wij keerden allen terug,” antwoordde mevrouw Micawber. „Ik heb toen den raad ingewonnen van andere takken mijner familie, om den weg te leeren, dien mijnheer Micawber te volgen had—want ik houd vol, dat hij den een of anderen weg moet inslaan, jongeheer Copperfield,” voegde zij er op haar gewonen betoogtrant bij. „Het is duidelijk, nietwaar, dat eene familie van zes personen, behalve de dienstmeid, niet van den wind kan leven.”

„Zeker, mevrouw,” antwoordde ik.

„De raad, dien wij van deze andere takken der familie kregen,” vervolgde mevrouw Micawber, „was dat mijnheer Micawber onmiddellijk zijne aandacht moest vestigen op de kolen.”

„Op wat, mevrouw?”

„Op de kolen,” was mevrouw Micawber's antwoord. „Op den handel in steenkolen. Na een gehouden onderzoek is mijnheer Micawber dan ook tot het besluit gekomen, dat er voor iemand van zijne talenten wellicht eene plaatsing zou zijn te bekomen bij den kolenhandel op de Medway. Toen was het—mijnheer Micawber zag dit, als gewoonlijk, weder zeer juist in—een eerste vereischte de Medway te zien. Wij gingen er dus heen en zagen de Medway. Ik zeg, ‚wij’, jongeheer Copperfield, omdat ik nimmer, nimmer mijnheer Micawber zal verlaten.” Zij zei dit met eene stem, die trilde van aandoening.

Ik liet een goedkeurend gemompel hooren en zij ging voort: „Wij kwamen aan de Medway en zagen de Medway. Mijne opinie omtrent den kolenhandel op die rivier is, dat er zeker talent toe behoort om dien met voordeel te drijven, maar ook.... kapitaal. Talent.... heeft mijnheer Micawber te over; maar kapitaal heeft mijnheer Micawber niet. Wij zagen, vermoed ik, het grootste gedeelte van de Medway en hetgeen ik zoo even zei, is mijne vaste overtuiging. Nu wij zoo dicht bij Canterbury waren, kwam het mijnheer Micawber bijna zondig voor den kathedraal niet eens te gaan bekijken, eerstens omdat de kathedraal van Canterbury zeer bezienswaardig is en wij dien nooit gezien hadden; ten tweede, omdat de mogelijkheid niet was uitgesloten, dat er zich in eene stad met een kathedraal iets voor hem zou opdoen. Wij zijn hier nu drie dagen en tot op dit oogenblik heeft zich nog niets opgedaan en het zal u niets verbazen, jongeheer Copperfield,—omdat wij geen vreemden voor u zijn—als ik u vertel, dat wij op dit oogenblik een wissel wachtende zijn uit Londen, ten einde de vertering in dit hôtel te betalen. Tot de aankomst van dien wissel,” sprak zij aangedaan, „ben ik gescheiden van mijn huis—ik bedoel onze kamers te Pentonville—van mijne kinderen.... van mijne tweelingen.”

Ik voelde diep medelijden met mijnheer en mevrouw Micawber in deze netelige omstandigheden en sprak dit ook uit, er bijvoegende, dat ik niets liever wenschte dan geld genoeg te hebben om hen van het noodige te voorzien. Het antwoord van mijnheer Micawber gaf mij het duidelijkste bewijs van de onrust, die zich van zijn gemoed had meester gemaakt. Hij schudde mij de hand en zei: „Copperfield, gij zijt een trouw vriend, maar als de nood op het hoogst is heeft elk man een trouwen vriend in zijn scheerkistje.” Bij deze droevige toespeling sloeg mevrouw Micawber de armen om den hals van haar echtvriend en smeekte hem moed te houden. Hij schreide; maar in het volgend oogenblik had hij zich reeds genoegzaam hersteld, om te schellen en den knecht twee warme nierbroodjes en een schaaltje garnalen te bestellen als ontbijt voor den volgenden morgen.

Toen ik afscheid van hem nam, drongen zij er beiden zoo op aan, dat ik dikwijls moest komen en ook eens bij hen het middagmaal moest gebruiken, dat ik het niet kon weigeren. Ik wist echter, dat ik den volgenden dag veel te werken zou hebben en dus niet kon komen, waarop mijnheer Micawber afsprak, dat hij doctor Strong een bezoek zou brengen—de wissel zou den volgenden morgen zeker komen—en mij voor den volgenden dag uitnoodigen, indien dit beter met mijne werkzaamheden was overeen te brengen. Den volgenden voormiddag werd ik dan ook uit de school geroepen en vond ik mijnheer Micawber in de spreekkamer; hij vertelde mij, dat het diner den volgenden dag zou plaats hebben en op mijne vraag of de wissel was aangekomen, drukte hij mij de hand en ging zwijgend heen.

Toen ik dien avond uit het raam keek, was ik hoogst verbaasd en verontrustte het mij, mijnheer Micawber met Uriah Heep, arm in arm te zien voorbijkomen: Uriah hoogst gevoelig voor de eer, die hem werd aangedaan; mijnheer Micawber innig vergenoegd, dat hij zijne beschermende hand over Uriah mocht uitstrekken. Maar hoe steeg mijne verbazing, toen ik den volgenden dag aan het „hôtel” kwam op het vastgestelde uur—de familie dineerde te vier uur, had mijnheer Micawber gezegd—en vernemen moest, dat mijnheer Micawber met Uriah naar huis was gegaan en een glas cognacgrog gedronken had bij de Heeps.

„Ik zal u eens iets vertellen, beste Copperfield,” zei mijnheer Micawber, „uw vriend Heep is een jongmensch die zeker eenmaal procureur zal worden. Indien ik dat jonge mensch gekend had in het tijdperk, waarin mijne ongelegenheden het toppunt hadden bereikt, dan, ja, ik kan niet anders zeggen dan dat mijne schuldeischers veel handelbaarder zouden zijn gemaakt dan zij nu waren.”

Ik begreep niet goed, hoe dit mogelijk zou geweest zijn, omdat ik mijnheer Micawber nooit iets had zien afbetalen, maar ik vroeg er niet verder naar. Ook wilde ik de hoop niet uitspreken, dat hij niet al te mededeelzaam mocht geweest zijn tegenover Uriah, noch hem vragen of zij veel over mij gesproken hadden. Ik was bang, mijnheer Micawber's gevoel te kwetsen of misschien dat van mevrouw Micawber, die in eene bijzonder weekhartige stemming verkeerde; maar toch maakte het mij ongerust en moest ik er telkens aan denken.

Wij hadden een keurig middagmaal: een sierlijken schotel visch, een gebraden lendestuk, sausijsjes, een koppel patrijzen en een podding. Verder stond er wijn en ale op tafel en na afloop van het diner maakte mijnheer Micawber eigenhandig een punchbowl. Mijnheer Micawber was bijzonder opgeruimd; nooit had ik hem nog in zulk eene stemming ontmoet. Zijn gezicht begon op het laatst te glimmen van de punch, zoodat het scheen alsof het gevernist was. Hij werd aandoenlijk, toen hij over de stad begon te praten, dronk een glas op haar welzijn en gaf te kennen, dat mevrouw Micawber en hij er met groot genoegen eenige dagen hadden doorgebracht. Later dronk hij een glas op mijne gezondheid en met ons drieën bespraken wij nog eens den tijd, waarin onze kennismaking had plaats gehad, en verkochten daarbij nog eens elk stuk, dat ik had weggebracht. Daarna dronk ik op de gezondheid van mevrouw Micawber; ten minste ik zei erg verlegen: „indien gij het mij wilt toestaan, mevrouw Micawber, zal ik nu het genoegen hebben op uwe gezondheid te drinken.” Hierin vond mijnheer Micawber aanleiding eene lofrede te houden op mevrouw Micawber's deugden, „zij is altijd mijn gids, mijn raadgeefster en mijne vriendin geweest,” zei hij, „en mocht gij ooit voor u zelven huwelijksplannen smeden, tracht dan eene vrouw te krijgen als zij—indien er namelijk een tweede zooals zij te vinden is.”

Naarmate de punch verdween, werd mijnheer Micawber opgeruimder en vertrouwelijker. Ook mevrouw Micawber werd een weinig geanimeerd en wij zongen met ons drieën het bekende lied:

„Auld Lang Syne” en toen wij aan de regel kwamen: „Geef mij de hand, mijn trouwe broeder”, gaven wij elkander ook om de tafel heen de hand, zoodat wij een kring vormden en toen wij den laatsten regel zongen, waarvan wij geen woord begrepen, waren wij werkelijk aangedaan.

In één woord, ik zag zelden guller en aangenamer gastheer dan mijnheer Micawber en dat bleef hij tot het laatst van den avond, toen ik afscheid nam van hem en zijne lieve vrouw. Het spreekt van zelf, dat ik er volstrekt niet op voorbereid was den volgenden morgen te zeven uur het volgende briefje te ontvangen, gedateerd van den vorigen avond half tien, een kwartier nadat ik hem verlaten had.

„Mijn beste, jonge vriend!

De teerling is geworpen—alles is voorbij! Terwijl ik de knagende zorgen achter een masker van vroolijkheid verborg, heb ik u heden avond niet medegedeeld, dat alle hoop op een wissel vervlogen is. Onder deze omstandigheden, vernederend om te dragen, vernederend om aan te zien, vernederend om te verhalen, heb ik mij van de geldelijke verplichtingen, die ik in dit hôtel op mij geladen heb, gekweten door een wissel af te geven op mijn naam, te betalen over veertien dagen aan mijne woonplaats, Pentonville, Londen. Die wissel zal niet gehonoreerd worden op den vervaldag en dan is het met mij gedaan. Het onweder steekt op, de boom wordt geveld!

De ongelukkige man, die thans aan u schrijft, beste Copperfield, zij u ten waarschuwend voorbeeld. Hij schrijft u met die bedoeling en in die hoop. Kon hij denken ooit tot iets nuttig te zijn, dan, wellicht, zou er nog een straaltje zonlicht doorbreken in zijn troosteloos bestaan—hoewel op dit oogenblik twijfel bij hem oprijst of dat bestaan nog langer zal worden gerekt.

Dit is het laatste bericht, mijn waarde Copperfield, dat gij zult ontvangen van

den balling-bedelaar Wilkins Micawber.”

De inhoud van dit hartroerende schrijven deed mij zoo ontstellen, dat ik terstond naar het kleine hotel liep met het voornemen mijnheer Micawber een hart onder den riem te steken. Op weg daarheen ontmoette ik echter de diligence naar Londen; mijnheer en mevrouw Micawber zaten achterop; mijnheer als een toonbeeld van stille vergenoegdheid, glimlachende tegen zijne eega en in druk gesprek, terwijl hij voortdurend noten at uit een zakje en de hals van eene flesch uit zijn borstzak kwam kijken. Aangezien zij mij niet opmerkten, meende ik, de omstandigheden in aanmerking genomen, het best te doen hen ook maar niet op te merken. Van een zwaren last bevrijd wandelde ik door een zijstraatje naar school, en ik kan niet anders zeggen dan dat over het geheel het vertrek van de familie Micawber mij eenige verademing schonk; toch hield ik heel veel van hen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us