← Dombey en Zoon

LII. GEHEIME BERICHTEN…

Part 9 of 10 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #74613, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (63)
  1. Opening under 1 min
  2. I. DOMBEY EN ZOON about 17 min
  3. II about 16 min
  4. III about 18 min
  5. IV about 19 min
  6. V. PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT about 30 min
  7. VI. PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID about 35 min
  8. VII about 9 min
  9. VIII. PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER about 34 min
  10. IX. DE HOUTEN ADELBORST KOMT IN ONGELEGENHEID about 23 min
  11. X about 20 min
  12. XI. PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD about 24 min
  13. XII. PAUL’S OPVOEDING about 31 min
  14. XIII. SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN about 19 min
  15. XIV about 42 min
  16. XV about 24 min
  17. XVI. WAT DE GOLVEN ALTIJD ZEIDEN about 9 min
  18. XVII. KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN about 18 min
  19. XVIII. VADER EN DOCHTER about 31 min
  20. XIX. WALTER VERTREKT about 22 min
  21. XX. DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS about 24 min
  22. XXI. NIEUWE GEZICHTEN about 17 min
  23. XXII. CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN about 32 min
  24. XXIII. FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG about 37 min
  25. XXIV. HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART about 20 min
  26. XXV. VERRASSEND NIEUWS VAN OOM SAM about 16 min
  27. XXVI. SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST about 25 min
  28. XXVII. DONKERDER SCHADUWEN about 28 min
  29. XXVIII. VERANDERINGEN about 17 min
  30. XXIX. HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN about 20 min
  31. XXX. DE BRUIDSDAGEN about 26 min
  32. XXXI. HET HUWELIJK about 28 min
  33. XXXII. DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW about 31 min
  34. XXXIII. CONTRASTEN about 23 min
  35. XXXIV. NOG EENE MOEDER EN DOCHTER about 20 min
  36. XXXV. HET GELUKKIGE PAAR about 21 min
  37. XXXVI. HET INWIJDINGSFEEST about 21 min
  38. XXXVII. WAARSCHUWINGEN about 19 min
  39. XXXVIII. JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP about 16 min
  40. XXXIX. VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE about 29 min
  41. XL. HUISELIJKE BETREKKINGEN about 28 min
  42. XLI. NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN about 18 min
  43. XLII. VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG about 26 min
  44. XLIII. DE NACHTWAKEN about 15 min
  45. XLIV. EENE SCHEIDING about 17 min
  46. XLV. DE VERTROUWELING about 13 min
  47. XLVI. HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN about 21 min
  48. XLVII. DE DONDERSLAG about 36 min
  49. XLVIII. FLORENCE’S VLUCHT about 19 min
  50. XLIX. DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING about 30 min
  51. L. WALTER EN TOOTS about 30 min
  52. LI. MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD about 14 min
  53. LII. GEHEIME BERICHTEN about 25 min
  54. LIII. NOG MEER BERICHTEN about 28 min
  55. LIV. DE VLUCHTELINGEN about 19 min
  56. LV. ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING about 22 min
  57. LVI about 38 min
  58. LVII. NOG EEN HUWELIJK about 14 min
  59. LVIII. NA EEN TIJDSVERLOOP about 26 min
  60. LIX. VERGELDING about 34 min
  61. LX. VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN about 20 min
  62. LXI. NOG EEN WEDERZIEN about 22 min
  63. LXII. BESLUIT about 10 min

Continue:

LII. GEHEIME BERICHTEN

De Goede Vrouw Brown en hare dochter Alice zaten stil bij elkander in hare eigene woning. Het was vroeg in den avond en laat in het najaar. Slechts eenige dagen waren er verloopen sedert Dombey majoor Bagstock had gesproken van het zonderlinge bericht, op eene zonderlinge manier bekomen, dat misschien zou blijken valsch te zijn, of misschien waar; en de wereld was nog niet voldaan.

Moeder en dochter zaten langen tijd zonder een woord te wisselen, bijna zonder zich te bewegen. Het gezicht der oude vrouw duidde gespannen verwachting en ongeduld aan; dat harer dochter insgelijks, maar in minderen graad, en somtijds betrok het alsof zij zich te leur gesteld gevoelde en ongeloovig werd. De oude vrouw bleef, zonder op deze afwisseling van uitdrukking acht te geven, hoewel zij hare dochter dikwijls aanzag, met zekere geruste overtuiging zitten mommelen en luisteren.

De woning, hoewel armoedig en slecht, was niet zoo geheel ellendig als toen de Goede Vrouw Brown er alleen gehuisvest was. Men kon zien, dat er iets voor zindelijkheid en orde werd gedaan, hoewel op eene haastige, ruwe manier, welke deze pogingen een enkele blik aan de jongste der twee vrouwen moest doen toeschrijven. De avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl zij zoo bij elkander zaten, tot de zwarte muren zich bijna in de heerschende duisternis verloren.

Nu verbrak Alice het stilzwijgen, dat zoolang geduurd had, en zeide:

“Gij kunt hem nu wel opgeven, moeder. Hij zal niet hier komen.”—“Voor den duivel niet opgeven,” antwoordde de oude vrouw ongeduldig, “Hij zal wel hier komen.”—“Wij zullen zien,” zeide Alice.—“Wij zullen hem zien,” antwoordde de moeder.—“En den jongsten dag ook,” zeide de dochter.—“Gij denkt dat ik kindsch en suf ben geworden,” krijschte de oude vrouw. “Dat is de achting en eerbied, die ik van mijne eigene dochter krijg, maar ik ben wijzer dan ge mij voor houdt. Hij zal wel komen. Toen ik hem laatst op straat bij zijn rok trok, keek hij om alsof ik eene padde was. Maar Heer, gij hadt hem eens moeten zien toen ik hunne namen noemde, en hem vroeg of hij zou willen weten waar zij waren.”—“Keek hij zoo kwaadaardig?” vroeg de dochter, in een oogenblik tot belangstelling geprikkeld.—“Kwaadaardig? Vraag liever of hij moorddadig keek. Dat lijkt er meer naar. Kwaadaardig? Ha, ha! Dat maar kwaadaardig te noemen,” zeide de oude vrouw, naar de kast strompelende en eene kaars aanstekende, waarbij men nu zien kon hoe akelig leelijk zij haar mond verwrong. “Ik zou evengoed uw gezicht maar kwaadaardig kunnen noemen, als gij van hen spreekt of aan hen denkt.”

Het was zeker iets anders dan dat, gelijk zij daar zat, zoo stil als eene loerende tijgerin, met hare vlammende oogen.

“Luister!” zeide de oude vrouw zegevierend. “Ik hoor een stap aankomen. Het is de stap niet van iemand, die hier woont of dikwijls dezen weg komt. Wij stappen zoo niet. Wij zouden trotsch moeten wezen op zulke buren. Hoort gij hem?”—“Ik geloof dat gij gelijk hebt, moeder,” antwoordde Alice zacht. “Stil! Doe de deur open.”

Terwijl zij haar doek om zich toetrok, opende de oude vrouw de deur, keek naar buiten, wenkte, en liet Dombey binnen, die, toen hij een voet over den drempel had gezet, staan bleef en wantrouwig rondkeek.

“Het is een armoedig huis voor zulk een groot heer als uwe edelheid,” zeide de oude vrouw nijgende. “Dat heb ik u ook gezegd; maar daar steekt geen kwaad in.”—“Wie is dat?” zeide Dombey, naar hare gezellin ziende.—“Dat is mijne mooie dochter,” zeide de oude vrouw. “Zij behoeft uwe edelheid niet te hinderen. Zij weet er alles van.”

Zijn gezicht betrok en verried zijne gedachten zoo duidelijk, alsof hij overluid gekermd had: “Wie weet er niet alles van?” maar hij zag haar toch strak aan, en zij hem niet minder strak, maar zonder eenig ander blijk dat zij zijne komst opmerkte. Zijn gezicht betrok nog donkerder, toen hij zijne oogen van haar afwendde; en naderhand dwaalden zij tersluiks weder naar haar toe, alsof haar stoute blik eene herinnering bij hem opwekte, die hem geene rust liet.

“Vrouw,” zeide Dombey tot de oude heks, die dicht naast hem stond te grijnzen en te mommelen, en die, toen hij zich naar haar omkeerde, tersluiks naar hare dochter wees, en in hare handen wreef, en nog eens wees. “Vrouw, ik geloof dat ik zwak ben en eenigszins mijn stand vergeet door hier te komen, maar gij weet waarom ik kom, en wat ge mij hebt aangeboden toen ge mij op straat staande hieldt. Wat is het nu, dat ge mij te zeggen hebt aangaande datgene wat ik wensch te weten; en hoe komt het dat mij vrijwillig berichten worden aangeboden in eene hut als deze,” met een blik vol minachting om zich heen, “terwijl ik vruchteloos mijn invloed en mijne middelen heb aangewend om die te bekomen? Ik denk niet,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, terwijl hij haar barsch had aangezien, “dat gij vermetel genoeg zijt om mij voor den gek te willen houden, en te beproeven om mij te bedriegen. Maar als gij dat voornemens zijt, zoudt gij beter doen u nog te bedenken. Ik ben niet gezind om met mij te laten gekscheren, en de vergelding zal streng zijn.”—“Och, wees maar zoo barsch niet, mijn goede heer,” grinnikte het oude wijf, haar hoofd schuddende en hare verschrompelde handen wrijvende. “Uwe edelheid zal met uwe eigene oogen zien en met uwe eigene ooren hooren, niet met de onze—en als uwe edelheid op het spoor wordt gebracht, zult gij er immers niet op zien om er wat voor te betalen, zult ge wel, mijn lieve, goede mijnheer?”—“Geld,” antwoordde Dombey, door deze vraag gerustgesteld, naar het scheen, “kan zeer onwaarschijnlijke dingen teweegbrengen, dat weet ik. Het kan zelfs voordeel doen met middelen zoo onverwacht en weinig belovend als deze. Ja. Voor alle inlichtingen, die te vertrouwen zijn, wil ik betalen. Maar ik moet die inlichtingen eerst hebben, en zelf kunnen oordeelen wat zij waard zijn.”—“Kent zij iets, dat krachtiger is dan geld?” vroeg de jongere vrouw, zonder op te staan of van houding te veranderen.—“Hier niet, zou ik mij verbeelden,” zeide Dombey.—“Gij moest toch iets kennen dat krachtiger is, zou ik denken,” hervatte zij. “Weet gij niets van de kwaadheid van eene vrouw!”—“Gij hebt eene impertinente tong, vrouwmensch,” zeide Dombey.—“Gewoonlijk niet,” antwoordde zij, zonder eenig blijk van gemoedsbeweging. “Ik zeg u dat nu maar, opdat gij ons beter zoudt begrijpen en ons meer vertrouwen. De kwaadheid van eene vrouw is hier zoo tamelijk eveneens als in uw mooi huis. Ik ben kwaad. Ik ben dat jaren lang geweest. Ik heb evengoed reden tot kwaadheid als gij voor de uwe, en het voorwerp daarvan is dezelfde man.”

Zijns ondanks maakte hij eene beweging als van schrik en zag haar verwonderd aan.

“Ja,” zeide zij, met eene soort van lach. “Hoe groot de afstand tusschen ons mag schijnen, het is toch zoo. Hoe het zoo is, komt er niet op aan; dat is mijne geschiedenis, en die houd ik voor mij zelve. Ik zou u en hem bij elkander willen brengen, omdat ik woedend tegen hem ben. Mijne moeder hier is gierig en arm; en zij zou alle berichten, die zij kon krijgen, of alles en iedereen, voor geld willen verkoopen. Het is misschien billijk genoeg dat gij haar betaalt, als zij u kan helpen aan wat gij weten wilt. Maar dat is het niet wat mij drijft. Ik heb u gezegd wat het is, en dat zou mij even sterk drijven, al stondt gij met haar op een halven schelling te dingen en te knibbelen. Ik heb gedaan. Mijne impertinente tong zegt niets meer, al stondt gij hier tot morgenochtend te wachten.”

De oude vrouw, die onder deze rede, welke hare verwachte winst dreigde te verkleinen, de grootste onrust had getoond, trok Dombey zachtjes bij zijne mouw en fluisterde hem toe, om zich maar niet aan haar te storen. Hij zag ze beiden beurtelings aan, met een ontsteld gezicht, en zeide met eene zwaardere stem dan hij anders had:

“Ga voort—wat weet gij?”—“Zoo gauw niet, edele heer! wij moeten nog naar iemand wachten,” antwoordde de oude vrouw. “Het moet eerst iemand uitgeknepen—uit de keel gehaald—afgepijnigd worden.”—“Wat meent gij?” zeide Dombey.—“Geduld!” krijschte zij, en legde hare hand, als een klauw, op zijn arm. “Geduld. Ik zal het er wel uitkrijgen. Ik weet dat ik dat wel kan. Als hij het voor mij wilde achterhouden,” zeide de Goede Vrouw Brown, hare tien vingers krommende, “zou ik het hem uit de keel krabben.”

Dombey volgde haar met zijne oogen, terwijl zij naar de deur strompelde en weder buiten keek; toen zocht zijn blik de dochter op; maar zij bleef zwijgend en roerloos zitten, en scheen niet op hem te letten.

“Zegt gij mij, vrouw,” zeide hij, toen Vrouw Brown terugkwam, en haar hoofd schudde en bij zich zelve mompelde, “dat er nog iemand hier wordt gewacht?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, naar hem opziende en knikkende.—“Van wien gij de berichten moet bekomen, die mij van dienst zullen zijn?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, wederom knikkende.—“Een vreemdeling?”—“St!” zeide de oude vrouw, met een schellen lach. “Wat maakt dat uit? Maar neen. Geen vreemdeling voor uwe edelheid. Maar hij zal u niet zien. Dan zou hij bang worden en niet willen praten. Gij zult daar achter die deur zelf over hem oordeelen. Wij vragen u niet, dat gij ons op goed vertrouwen zult gelooven. Wat! Uwe edelheid twijfelt aan de kamer achter die deur? O, hoe achterdochtig zijn die rijke lieden toch! Zie dan maar eerst.”

Hare scherpe oogen hadden eene onwillekeurige uitdrukking bij hem ontdekt van een gevoel, dat onder zulke omstandigheden niet onnatuurlijk was. Om hem gerust te stellen ging zij nu met de kaars naar de deur waarvan zij sprak. Dombey keek binnen, zag dat het eene ledige kamer was, en gaf haar een wenk om het licht weder op zijne plaats te zetten.

“Hoelang zal het nog duren,” zeide hij, “eer die persoon komt?”—“Niet lang,” antwoordde zij. “Wil uwe edelheid niet even gaan zitten?”

Hij gaf geen antwoord, maar begon de kamer op en neer te stappen met een voorkomen, alsof hij niet recht wist of hij zou blijven of heengaan, en alsof hij eenigszins op zich zelven ontevreden was, dat hij daar was gekomen. Maar weldra werd zijn tred langzamer en zwaarder en zijn gezicht strakker, alsof het doel, waarmede hij daar gekomen was, hem weder voor den geest kwam.

Terwijl hij zoo met op den grond gevestigde oogen op en neer stapte, zat Vrouw Brown op den stoel, waarvan zij was opgestaan om hem te ontvangen, opnieuw te luisteren. Het eentonige geluid zijner schreden, of haar ouderdom, maakte haar zoo traag van gehoor, dat hare dochter reeds eene poos op een voetstap buiten de deur had gelet en haastig opkeek om hare moeder te waarschuwen dat hij nader kwam, eer de oude vrouw er iets van bespeurde. Maar toen stond zij schielijk op, en fluisterende: “Daar is hij!” bracht zij haar bezoeker haastig naar de andere kamer, waarna zij nog eene flesch en een glas op de tafel zette, alles met zooveel spoed, dat zij gereed was om Rob den Slijper, zoodra hij de deur inkwam, haar armen om den hals te slaan.

“En daar is toch eindelijk mijn allerliefste jongen!” riep zij. “Oho, oho. Ge zijt toch waarlijk als een eigen zoon voor mij, Robby!”—“Och, laat staan, Vrouw Brown!” pruttelde de Slijper. “Kunt ge niet van een jongen houden, zonder hem zoo te knijpen en half te wurgen! Pas toch op de vogelkooi, die ik draag!”—“Hij denkt om eene vogelkooi meer dan om mij?” riep het oude wijf, alsof zij het woord tot den zolder richtte. “Meer dan om mij, die meer dan eene moeder voor hem gevoel.”—“Ik ben u waarlijk wel dankbaar, Vrouw Brown,” zeide de ongelukkige jonkman, zeer knorrig; “maar ge zijt zoo jaloersch. Ik houd zelf heel veel van u, en dat alles, natuurlijk; maar ik versmoor u toch niet, Vrouw Brown?”

Hij keek en sprak evenwel, alsof hij er lang niet tegen zou gehad hebben om dit, bij voorkomende gelegenheid, werkelijk te doen.

“En dan van vogelkooien te spreken,” jankte de Slijper, “alsof daar kwaad in stak! Wel, zie eens hier. Weet ge wel van wien dat is?”—“Van uw meester, lieve jongen?” zeide de oude vrouw grijnzende.—“Ja,” antwoordde de Slijper, terwijl hij eene groote kooi, in een doek geknoopt, op de tafel zette, en den doek met handen en tanden begon los te maken. “Het is onze papegaai.”—“Mijn Carker’s papegaai, Rob?”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” antwoordde de getergde Slijper. “Wat behoeft gij namen te noemen? Ik mag gezegend wezen,” zeide Rob, in zijne wreveligheid met beide handen aan zijne haren trekkende, “als zij niet in staat is om een jongen razend te maken!”—“Wat, geeft ge mij kwade woorden, ondankbare jongen!” riep het oude wijf, dat zich gereed had gehouden om op te stuiven.—“Och mijn hemeltje, neen, Vrouw Brown!” antwoordde de Slijper met tranen in de oogen. “Is er ooit iemand zoo—Houd ik dan niet veel van u, Vrouw Brown?”—“Doet ge, lieve Rob? Doet ge waarlijk, hartepitje?” Daarmede sloot Vrouw Brown hem nog eens in hare teedere armen, en liet hem niet los voordat hij geweldig van zich af begon te schoppen.—“Och Heere,” zeide de Slijper, “wat is het toch, zoo met hartelijkheid overladen te worden! Ik wou dat ze—Hoe hebt gij het gemaakt, Vrouw Brown?”—“Ja, niet hier geweest sedert van avond voor acht dagen,” zeide de oude vrouw, hem met een blik van verwijt aanziende.—“Wel, mijn hemel, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper, “ik heb immers vandaag voor acht dagen gezegd, dat ik van avond hier zou komen, heb ik niet? En nu ben ik hier. Wat slaat ge weer door! Ik wou dat ge redelijk waart, Vrouw Brown. Ik ben schor van het praten, zooveel als ik mij verdedigen moet, en mijn gezicht blinkt van het zoenen.” Hij wreef het hard met zijne mouw, als om er dien glans af te krijgen.—“Drink een droppeltje om u te troosten, mijn Robin,” zeide de oude vrouw, het glas uit de flesch vol schenkende en hem overgevende.—“Bedankt, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper. “Uwe gezondheid. Lang moogt gij, enz.” Hetgeen, naar de uitdrukking zijner trekken te oordeelen, geen zegenwensch bevatte. “En dat is hare gezondheid,” zeide de Slijper met een blik naar Alice, die, naar het hem voorkwam, met strakke oogen naar den muur achter hem zat te staren, maar werkelijk naar Dombey, dien zij door de half opene deur kon zien, “en dat zij nog veel en nog dikwijls—”

Met deze twee toasten had hij zijn glas geledigd, en zette hij het weder neer.

“Wel, ik zeg, Vrouw Brown!” vervolgde hij. “Om nu wat verstandigs te praten. Gij hebt verstand van vogels en weet ze te behandelen, gelijk ik tot mijn koste weet.”—“Koste!” herhaalde Vrouw Brown.—“Voordeel, meen ik,” antwoordde de Slijper. “Hoe kunt ge zoo tegen een jongen uitvallen, Vrouw Brown. Gij hebt alles weer uit mijn hoofd gebracht.”—“Verstand van vogels, Robby,” zeide de oude vrouw herinnerend.—“Ja,” zeide de Slijper. “Wel, ik moet op dien papegaai passen—want er wordt zeker huishouden opgebroken en zekere dingen worden verkocht—en daar ik dat vooreerst niet wilde geweten hebben, wou ik dat gij hem voor eene week of zoo bij u naamt en den kost gaaft—wilt ge? Als ik toch hier moet komen,” zeide de Slijper met een peinzend gezicht, “mag ik wel iets hebben waar ik om kom!”—“Iets waar hij om komt!” gilde de oude vrouw.—“Behalve u, meen ik, Vrouw Brown,” antwoordde de laffe Rob. “Niet dat ik iets anders noodig heb om mij te lokken dan u, Vrouw Brown. Waarlijk niet. Begin maar niet weer, om alle goedheid!”—“Hij geeft niet om mij!” riep Vrouw Brown, hare beenderige handen opstekende. “Maar ik zal toch op zijn papegaai passen.”—“En pas er goed op ook, weet ge, Vrouw Brown,” zeide Rob, zijn hoofd schuddende. “Als gij maar eens zijne veeren den verkeerden kant mocht opstrijken, geloof ik dat het ontdekt zou worden.”—“Is hij zoo slim, Rob?” zeide Vrouw Brown snel.—“Slim, Vrouw Brown!” herhaalde Rob. “Maar dat is geen ding om van te praten.”

Zich eensklaps stuitende (niet zonder een vreesachtigen blik in het rond) schonk Rob zijn glas nog eens vol, en nadat hij het langzaam geledigd had, schudde hij zijn hoofd en begon met zijne vingers over de traliën der papegaaiskooi te strijken, bij wijze van afleiding van het gevaarlijke onderwerp, dat zoo even was aangeroerd.

De oude vrouw hield hem scherp in het oog, en haar stoel wat nader bij den zijnen schuivende, en naar den papegaai kijkende, die op haar lokken uit zijn vergulden hoepel naar beneden kwam, zeide zij:

“Buiten dienst nu, Robby?”—“Kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde Rob kortaf.—“Op kostgeld misschien, Rob?” zeide Vrouw Brown.—“Kopje krauwen!” zeide de Slijper.

De oude vrouw wierp hem een blik toe, die hem had kunnen waarschuwen dat zijne ooren in gevaar verkeerden, maar het was nu zijne beurt om naar den papegaai te kijken, en hoewel hij zich hare gramschap wel kon verbeelden, werd die niet door zijne lichamelijke oogen waargenomen.

“Het verwondert mij, dat uw meester u niet heeft meegenomen, Rob,” zeide de oude vrouw met eene fleemende stem, maar met toenemende kwaadaardigheid in haar uitzicht.

Rob was zoo verdiept in de beschouwing van den papegaai en in het vermaak om met zijn voorvinger over de traliën te ratelen, dat hij geen antwoord gaf.

De oude vrouw had hare kromme vingers eene haarbreedte boven zijn ruigen haarbos; maar zij bedwong zich en zeide, bijna stikkende van het geweld om hare stem vriendelijk te houden:

“Robby, mijn kind.”—“Wel, Vrouw Brown?” zeide de Slijper.—“Ik zeg, het verwondert mij dat uw meester u niet heeft meegenomen, lieve jongen.”—“Dat kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.

Dadelijk had Vrouw Brown de rechterhand in zijne haren en de linker aan zijne keel, en klemde zij het voorwerp harer teedere liefde met zulk eene woede vast, dat zijn gezicht oogenblikkelijk blauw begon te worden.

“Vrouw Brown!” schreeuwde de Slijper. “Laat los! Wat doet ge! Help mij toch, jonge jufvrouw! Vrouw Bro—Bro—!”

Alice—de bedoelde jonge jufvrouw—hield zich echter geheel onzijdig, totdat Rob, na al worstelende in een hoek te zijn geraakt, zich losmaakte, en daar, achter zijne eigene ellebogen verschanst, bleef staan hijgen, terwijl het oude wijf, insgelijks hijgende, en van woede stampvoetende, hare krachten scheen te verzamelen voor een tweeden aanval. In deze crisis kwam Alice tusschen beide, maar niet ter gunste van den Slijper, en zeide:

“Wel gedaan, moeder. Scheur hem in stukken!”—“Wat,” stotterde Rob huilende, “zijt gij ook tegen mij? Wat heb ik u gedaan? Waarom moet ik in stukken gescheurd worden—dat zou ik wel willen weten? Waarom moet gij een jongen willen wurgen, die u geen van beiden ooit eenig kwaad heeft gedaan? En gij wilt nog al vrouwen heeten!” zeide de ontstelde Slijper, zijne oogen wrijvende. “Ik sta verbaasd over u! Waar is uwe vrouwelijke zachtheid?”—“Gij ondankbare hond!” beet Vrouw Brown hem toe. “Gij onbeschaamde, boosaardige rekel!”—“Wat heb ik dan gedaan dat gij kwalijk kunt nemen, Vrouw Brown?” antwoordde de behuilde Rob. “Een oogenblik geleden hieldt ge nog zooveel van mij.”—“Mij af te snauwen met zijne korte en norsche antwoorden!” zeide de oude vrouw. “Mij! Mij op den schopstoel te durven zetten, omdat ik uit enkele nieuwsgierigheid een praatje wil maken over zijn meester en de dame! Maar ik zal niet meer met u praten, jongetje! Ga nu maar heen!”—“Waarachtig, Vrouw Brown,” antwoordde de laaghartige Slijper, “ik heb nooit te kennen gegeven dat ik wilde heengaan. Praat toch zoo niet, Vrouw Brown, als het u belieft.”—“Ik wil geheel niet meer praten,” zeide Vrouw Brown, met eene beweging harer kromme vingers, die hem nog dichter in den hoek deed kruipen. “Geen woord met hem zal mij meer uit den mond komen. Het is een ondankbare hond. Ik verzaak hem. Laat hij nu maar gaan. Ik zal hem anderen nazenden, die wel te veel zullen praten, die zich niet zullen laten afsnauwen; die hem als bloedzuigers zullen aankleven, en als vossen nasluipen. Hij kent ze wel. Hij kent zijne oude streken en kameraads wel. Als hij ze vergeten is, zullen zij ze hem gauw weer te binnen brengen. Laat hij nu maar gaan, en zien hoe hij op zijn meesters zaken zal passen, en zijn meesters geheimen bewaren, als hij zulk gezelschap altijd bij zich heeft. Ha, ha! Hij zal dan andere lieden vinden dan u en mij, Ally, al houdt hij zich zoo dicht voor ons. Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”

Tot onbeschrijfelijken angst van den Slijper, bleef het kromme oude wijf, onder een aanhoudend herhalen van deze woorden, om hem heen draaien in een kring van omtrent vier voet middellijn, terwijl zij hare vuist boven zijn hoofd schudde en haar mond in allerlei leelijke bochten wrong.

“Vrouw Brown,” pleitte Rob, een weinigje uit zijn hoek komende, “gij zoudt toch zeker een armen jongen niet willen benadeelen, als gij u beter hebt bedacht en bedaard zijt geworden, zoudt ge wel?”—“Spreek niet tegen mij,” zeide Vrouw Brown, nog eveneens haar kring beschrijvende. “Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”—“Vrouw Brown,” hervatte de gemartelde Slijper, “ik had niet gemeend—O, wat is het toch als een jongen eens zoover komt!—Ik was maar voorzichtig om te praten, Vrouw Brown, omdat ik dat altijd ben, omdat hij alles kan te weten komen; maar ik had wel kunnen weten dat het niet verder zou gaan. Ik heb waarlijk zelf grooten lust,” met een allerjammerlijkst gezicht, “om een beetje te praten, Vrouw Brown. Ga toch zoo niet te werk, als het u belieft. Och, zoudt gij niet zoo goed willen zijn om een woordje voor een armen jongen te spreken?” zeide de Slijper, zich wanhopig op de dochter beroepende.—“Kom, moeder, gij hoort wat hij zegt,” viel zij met hare stroeve stem en eene ongeduldige beweging van haar hoofd er op in. “Probeer het nog eens met hem, en als gij weer ongenoegen met hem krijgt, ruïneer hem dan en laat hem loopen.”

Vrouw Brown, door deze teerhartige vermaning bewogen, naar het scheen, begon te huilen; en trapsgewijze vermurwd, sloot zij den boetvaardigen Slijper in hare armen, die haar met een zeer benauwd gezicht nogmaals en nogmaals verschooning verzocht, en zich eindelijk, als een weerloos slachtoffer, weder op zijne vorige plaats zette, dicht naast zijne eerwaardige vriendin, welke hij, met een gezicht, waarop de tegenstrijdigste uitdrukkingen elkander afwisselden, toeliet om haar arm door den zijnen te steken en hem zoo vast te houden.

“En hoe vaart uw meester, lieve jongen?” zeide Vrouw Brown, nadat zij, in deze vriendschappelijke houding gezeten, elkander nog eens hadden toegedronken.—“St! Als gij zoo goed wilt zijn om een beetje zachter te spreken, Vrouw Brown,” smeekte Rob. “Wel, hij is tamelijk wel, dankje, zou ik denken.”—“Gij zijt toch niet buiten dienst, Robby?” zeide Vrouw Brown op een fleemenden toon.—“Wel, eigenlijk niet buiten dienst, en ook niet in dienst,” stotterde Rob. “Ik—ik trek nog mijn geld, Vrouw Brown.”—“En behoeft daarvoor niets te doen, Rob?”—“Niets bijzonders tegenwoordig, Vrouw Brown, behalve—mijne oogen openhouden,” zeide de Slijper en liet zijne oogen angstig rondgaan.—“Meester buitenslands, Rob?”—“Om alle goedheid. Vrouw Brown, zoudt ge niet van wat anders een praatje kunnen maken?” riep de Slijper met eene uitbarsting van wanhoop uit.

Daar de ongeduldige Vrouw Brown dadelijk opstond, hield de gemartelde Slijper haar vast, en stotterde: “Ja, ja, Vrouw Brown. Ik geloof dat hij buitenslands is. Waar kijkt zij zoo naar?” voegde hij er bij, op de dochter doelende, wier oogen gevestigd waren op het gezicht, dat nu achter hem kwam uitkijken.—“Stoor u niet aan haar, jongen,” zeide de oude vrouw, hem steviger vasthoudende, om te beletten dat hij omzag. “Dat is hare manier zoo. Zeg mij, Rob—hebt gij ooit de dame gezien, lieve jongen?”—“Och, Vrouw Brown, welke dame?” riep de Slijper op een jammerlijken smeektoon.—“Welke dame?” antwoordde zij bits. “De dame. Mevrouw Dombey.”—“Ja, ik geloof dat ik haar eens gezien heb,” antwoordde Rob.—“Dien avond toen zij heenging, Robby, he?” beet de oude vrouw hem in het oor, en lette op elke verandering van zijn gezicht. “Ja, ik weet wel dat het dien avond was.”—“Wel, als gij wist dat het dien avond was, Vrouw Brown,” antwoordde Rob, “dan behoeft gij een jongen ook zoo niet te knijpen, om het hem nog eens te laten zeggen.”—“Waar zijn zij dien avond naar toe gegaan, Rob? Hoe gingen zij? Lachte ze of huilde ze? Vertel mij alles er van,” zeide de oude heks, hem nog stijver vasthoudende, en de hand, die door haar arm getrokken was, met hare andere hand knijpende, terwijl zij hem strak in het gezicht keek. “Kom! Begin! Ik wil er alles van weten. Wat zegt ge, Rob, mijn jongen? Gij en ik kunnen samen wel een geheim bewaren. Dat hebben wij wel meer gedaan. Waar zijn zij eerst naar toe gegaan?”

De rampzalige Slijper deed hijgend zijn mond open, maar zweeg.

“Zijt gij stom geworden?” zeide het oude wijf gramstorig.—“Wel neen, Vrouw Brown. Maar gij denkt, dat een jongen een bliksemstraal zal zijn. Ik wou, dat ik de electriciteit zelve was,” mompelde de benauwde Slijper. “Dan zou ik iemand een schok geven, daar zij haar bekomst aan zou hebben.”—“Wat zegt gij?” vroeg het oude wijf grijnzende.—“Dat ik eens op uwe gezondheid wou drinken, Vrouw Brown,” antwoordde de valsche Rob, zijn troost in het glas zoekende. “Waar zij eerst naar toe gingen, vraagt ge. Hij en zij, meent ge?”—“Ja,” zeide de oude vrouw gretig. “Die twee.”—“Wel, zij gingen nergens naar toe—niet te zamen, wil ik zeggen.”

Het oude wijf zag hem aan alsof zij veel lust had om hem nog eens bij het haar en de keel te grijpen; maar zij liet zich weerhouden door zekere knorrige geheimzinnigheid in zijn uitzicht.

“Dat was het slimme er van,” zeide de tegenstribbelende Slijper. “Zoo komt het, dat niemand hen heeft zien heengaan, of heeft kunnen zeggen hoe zij heengegaan zijn. Zij gingen ieder een anderen weg, Vrouw Brown.”—“Ja, ja! Om op eene afgesprokene plaats bij elkander te komen,” zeide het oude wijf grinnikend, nadat zij hem een oogenblik scherp had aangezien.—“Wel, als zij elkander niet ergens wilden opzoeken, dunkt mij, dat zij evengoed thuis hadden kunnen blijven, nietwaar, Vrouw Brown?” antwoordde de onwillige Slijper.—“Wel, Rob? Wat meer?” zeide het oude wijf, zijn arm nog verder door den haren trekkende, alsof zij bang was dat hij haar nu zou ontglippen.—“Wat, hebben wij nog niet genoeg gepraat, Vrouw Brown?” zeide Rob, die van angst en door den drank zoo huilerig was geworden, dat hij bijna geen woord kon spreken, zonder zijn opslag in zijn oog te duwen en een jankend geluid te laten hooren. “Of zij dien avond lachte, niet waar? Hebt gij niet gevraagd of zij lachte, Vrouw Brown?”—“Of huilde?” zeide het oude wijf toestemmend knikkende.—“Geen van beide,” zeide de Slijper. “Zij hield zich zoo stijf, den geheelen weg—och, ik zie wel dat gij mij wilt uitpersen, Vrouw Brown. Maar gij moet er eerst een duren eed op doen, dat gij het nooit iemand zult vertellen.”

Vrouw Brown deed dit zeer bereidwillig, gelijk zij gerust kon doen, daar zij niets anders bedoelde dan den verborgen luisteraar alles zelf te laten hooren.

“Wel dan, den geheelen weg over, toen ik met haar naar Southampton reed, hield zij zich zoo stijf als een steenen beeld,” zeide de Slijper. “Den anderen ochtend nog eveneens, Vrouw Brown. En toen ik voor den dag met haar naar de pakketboot ging—ik alsof ik haar knecht was, die haar veilig aan boord moest brengen—was zij ook nog zoo. Zijt gij nu tevreden, Vrouw Brown?”—“Neen, Rob, nog niet,” antwoordde Vrouw Brown kortaf.—“Hoor die vrouw nu eens aan!” riep de Slijper jammerend uit. “Wat wilt ge dan nog meer weten, Vrouw Brown?”—“Waar is uw meester gebleven? Waar ging hij naar toe?” vroeg zij, hem nog stevig vasthoudende en scherp aanziende.—“Bij mijne ziel, dat weet ik niet, Vrouw Brown,” antwoordde Rob. “Bij mijne ziel, ik weet niet wat hij gedaan heeft, of waar hij naar toe ging, of iets van hem. Ik weet alleen wat hij mij op het laatst nog heeft gezegd, om mij te waarschuwen dat ik mijn mond moest houden; en ik zeg u dit, Vrouw Brown, als een vriend: veel liever dan ooit een woord te vertellen van wat wij nu praten, moest gij u zelve liever doodschieten, of u zelve hier in huis opsluiten en het in brand steken, want er is niets dat hij niet doen zou om wraak op u te nemen. Gij kent hem niet half zoo goed als ik, Vrouw Brown. Gij zijt nooit veilig voor hem, zeg ik u.”—“Heb ik geen eed gedaan,” zeide het oude wijf, “en zal ik dien niet houden?”—“Nu, ik hoop waarachtig dat ge dat doen zult, Vrouw Brown,” antwoordde Rob eenigszins twijfelachtig, en niet zonder iets dreigends in zijn toon. “In uw eigen belang, zoowel als in het mijne.”

Hij zag haar aan terwijl hij haar deze vriendelijke waarschuwing gaf, die hij nog met een hoofdknik aandrong; maar daar hij het onpleizierig vond dat gele grijnzende gezicht en de scherpe loerende oogen zoo dichtbij te zien, keek hij weder naar omlaag, en bleef onrustig op zijn stoel zitten heen en weder schuiven, alsof hij zijn best deed om zich op te winden tot eene stugge verklaring, dat hij nu geene vragen meer wilde beantwoorden. De oude vrouw, die hem nog stevig vasthield nam deze gelegenheid waar om ongemerkt haar voorvinger op te steken, als een geheim teeken voor den verborgen luisteraar om bijzonder op te letten op hetgeen er nu zou volgen.

“Rob,” zeide zij op haar fleemenden toon.—“Lieve hemel, Vrouw Brown, wat is er nu weer?” zeide de radelooze Slijper.—“Rob, waar hebben de dame en uw meester afgesproken om elkander te vinden?”

Rob schoof nog onrustiger heen en weer, keek op en weder naar omlaag, beet op zijn duim, veegde dien op zijn vest af, en zeide eindelijk, zijn plaaggeest schuins aanziende: “Hoe zou ik dat weten, Vrouw Brown?”

De oude vrouw stak nog eens haar vinger op en zeide: “Kom, jongen. Nu gij zooveel gezegd hebt, moet ge mij er niet bij laten steken. Ik wil het weten.”

Rob liet haar eene poos op antwoord wachten en barstte toen radeloos uit: “Hoe kan ik de namen van die vreemde plaatsen uitspreken, Vrouw Brown? Wat zijt ge toch onredelijk!”—“Maar gij hebt het toch gehoord, Robby,” hervatte zij dringend, “en hoe klonk het? Kom aan!”—“Ik heb het nooit gehoord, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.—“Dan,” hervatte zij snel, “hebt gij het geschreven gezien en kunt het spellen.”

Met een wreveligen uitroep, tusschen lachen en huilen—want hij moest de slimheid van Vrouw Brown eenigszins bewonderen, hoe erg zij hem ook kwelde—haalde Rob een stukje krijt uit zijn vestzakje. De oogen van het oude wijf begonnen te schitteren toen zij het tusschen zijn duim en vinger zag blinken, en haastig ruimte makende op de vurenhouten tafel, om hem het woord daar te laten schrijven, gaf zij met hare bevende hand nog eens het vorige teeken.

“Nu zeg ik u vooruit hoe het is, Vrouw Brown,” zeide Rob. “Gij behoeft mij nu niets meer te vragen. Ik wil op niets meer antwoord geven, en kan ook niet. Hoelang het nog duren moest eer zij elkander vonden, of wie het bedacht dat zij ieder alleen zouden gaan, daarvan weet ik niet meer dan gij. Ik weet er nu niets meer van. Als ik u nu nog zeg hoe ik dat woord gevonden heb, zult gij dat wel gelooven. Zal ik u dat zeggen, Vrouw Brown?”—“Ja, Rob.”—“Welnu dan, Vrouw Brown. Maar dan moet ge mij niets meer vragen, weet ge?” zeide Rob, haar aanziende met oogen, die nu dof en slaperig begonnen te worden.—“Geen woord meer,” zeide Vrouw Brown.—“Wel, het was dan op deze manier. Toen zeker iemand de dame bij mij liet, gaf hij haar een papiertje met een geschreven adres, in geval zij het vergeten mocht, zeide hij. Maar zij was niet bang om het te vergeten, want zij verscheurde het zoodra hij zijn rug had gekeerd en toen ik de trede van het rijtuig opsloeg vond ik een van de stukjes—de andere gooide zij uit het portier, denk ik, want ik vond er naderhand niet meer, hoewel ik er naar zocht. Er stond maar één woord op, en dat was dit, als gij het dan moet en zult weten. Maar onthoud, gij hebt een eed gedaan, Vrouw Brown.”

Vrouw Brown wist dat wel, zeide zij, en Rob, die nu niets meer te zeggen had, begon langzaam en stijf op de tafel te schrijven.

“D,” zeide de oude vrouw hardop, toen hij die letter gezet had.—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown?” riep hij, de letter met zijne hand bedekkende en zich driftig naar haar omkeerende. “Ik wil het zoo niet gelezen hebben. Houd u stil, hoort gij?”—“Schrijf dan wat groot, Rob,” antwoordde zij, haar geheim teeken herhalende, “want mijne oogen zijn niet goed meer, zelfs voor de drukletters.”

Onvergenoegd mompelende, ging Rob met blijkbaren tegenzin weder aan het werk. Terwijl hij laag met zijn hoofd bukte, kwam de man, tot wiens inlichting hij zonder het te weten arbeidde, achter de deur vandaan tot dicht achter hem, en keek over zijn schouder naar zijne op de tafel voortkruipende hand. Te gelijk gaf Alice, van haar stoel aan de overzijde, oplettend acht hoe die hand de letters vormde, en sprak zij elke letter met hare lippen uit, maar zonder geluid te laten hooren. Telkens sloeg zij hare oogen naar Dombey op en zag deze naar haar, alsof zij wederkeerig door elkander bevestigd wilden worden, en zoo spelden zij beide: D. I. J. O. N.

“Daar!” zeide de Slijper, haastig zijne handpalm nat makende, om het woord weder uit te vegen; en nog niet met dat uitvegen tevreden, de tafel met zijne mouw boenende, tot zelfs het wit van het krijt niet meer op de planken te zien was. “Nu hoop ik dat ge tevreden zijt, Vrouw Brown!”

Ten teeken dat zij dit was, liet de oude vrouw zijn arm los en klopte hem op zijn rug; en de Slijper, door verdrietelijkheid, inspanning en den drank overweldigd, sloeg zijne armen op de tafel over elkander, liet zijn hoofd daarop neerzakken en viel in slaap.

Niet voordat hij eenigen tijd had geslapen en rustig snorkte, keerde de oude vrouw zich naar de deur, waarachter Dombey zich weder verborgen had, en wenkte zij hem om de kamer door te komen en heen te gaan. Zelfs toen bleef zij bij Rob staan oppassen, gereed om hem hare handen voor de oogen te houden, of zijn hoofd op de tafel neer te duwen, als hij het mocht opheffen, terwijl die voorzichtige voetstap de kamer doorging. Maar hoewel zij scherp op den slapende lette, zij lette niet minder scherp op den wakende; en toen hij hare hand met de zijne aanraakte en in weerwil van zijne voorzichtigheid een gouden klank liet hooren, schitterden hare oogen als die van eene raaf.

De donkere blik der dochter volgde hem naar de deur, en zag wel hoe bleek hij was, en hoe zijn haastige tred aanduidde, dat het minste vertoef hem onuitstaanbaar was, en hoe hij brandde van ongeduld om maar op weg te zijn. Toen hij de deur achter zich sloot, zag zij naar hare moeder om. Het oude wijf kwam snel naar haar toe, opende hare hand om te laten zien wat zij er in had, kneep ze in hare gierigheid terstond weder dicht en fluisterde:

“Wat zal hij nu doen, Ally?”—“Een ongeluk,” zeide de dochter.—“Een moord?” vroeg de oude vrouw.—“Hij is dol genoeg in zijn gekwetsten trots, zoover wij kunnen zeggen, of hij zelf kan zeggen.”

Haar blik was nog vuriger dan die harer moeder, maar haar gezicht was geheel kleurloos, tot hare lippen toe.

Zij spraken niet meer, maar bleven van elkander afgezonderd zitten; de moeder telde haar geld, de dochter verdiepte zich in hare gedachten; beider oogen flikkerden in de duisternis der flauw verlichte kamer. Rob snorkte. De papegaai, op welken niemand lette, was de eenige die zich bewoog. Hij plukte en rukte met zijn krommen bek aan de traliën zijner kooi, en klauterde als eene vlieg langs het koepeldak, en met den kop vooruit weder naar omlaag, en scheen dol van ongeduld om uit te breken, alsof hij het gevaar van zijn meester kende, en naar hem toe wilde vliegen om hem te waarschuwen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LIII. NOG MEER BERICHTEN

Er waren twee van des verraders eigen bloed—de broeder en zuster, die hij verzaakt had—op welke het gewicht zijner schuld bijna even zwaar drukte, als op den man, dien hij zoo diep beleedigd had. Hoezeer de wereld hem door hare nieuwsgierigheid martelde, bewees zij Dombey toch den dienst om hem kracht te geven tot vervolging en wraak. Zij prikkelde zijn trots, zij verwrong het eenige denkbeeld, dat zijn leven vervulde, tot eene nieuwe gedaante, en maakte de voldoening zijner wraakzucht tot een doel waarin geheel zijn aanzijn zich oploste. Al de onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid van zijn karakter, al de stroefheid en somberheid daarvan, al zijn overdreven gevoel van eigenwaarde, al zijne ijverzuchtige drift om het minste gebrek aan erkentenis zijner waarde bij anderen te bestraffen, dat alles vereenigde zich gelijk zoovele waterspranken tot ééne rivier, welke hem op hare golven medevoerde. De hartstochtelijkste en opvliegendste mensch zou een zachter vijand zijn geweest dan de zoodanig opgewondene Dombey. Een wild dier had zich lichter laten stuiten of bedaren dan de deftige heer, zonder rimpeltje in zijne gestevene das.

Maar juist de hitte zijner wraakzucht was eenigszins eene vergoeding voor de werkeloosheid, waartoe die wraakzucht veroordeeld was. Terwijl hij nog onkundig was van de schuilplaats des verraders, strekte die om zijne gedachten van zijn eigen ongeluk af te wenden en met een ander uitzicht bezig te houden. De broeder en de zuster van zijn trouweloozen gunsteling hadden zulk eene verlichting niet; alles in hunne vroegere geschiedenis, zoowel als in het tegenwoordige, gaf zijn misdrijf eene meer bedroevende beteekenis voor hen.

De zuster dacht wel eens treurig dat hij, indien zij bij hem gebleven was als zijne gezellin en vriendin, misschien de misdaad, waartoe hij vervallen was, zou ontvloden hebben. Evenwel, wanneer zij zoo dacht, was het toch zonder berouw over hetgeen zij gedaan had, zonder daarom meer waarde aan hare zelfopoffering toe te schrijven. Maar wanneer deze mogelijkheid den eens verdoolden en nu boetvaardigen broeder voor den geest kwam, werd zijn hart door het bitterste zelfverwijt gemarteld. Geen denkbeeld om nu vergelding tegen zijn wreeden broeder uit te oefenen kwam bij hem op. Nieuwe zelfbeschuldigingen, geheime jammerklachten over zijne eigene onwaardigheid en het onheil waarin hij ook anderen had medegesleept, waren de eenige gedachten, waartoe de ontdekking bij hem aanleiding gaf.

Het was op denzelfden dag, waarvan wij in het vorige hoofdstuk den avond hebben beschreven, en toen Dombey’s wereld het drukst bezig was met het wegloopen van zijne vrouw, dat het venster der kamer, waarin broeder en zuster aan het ontbijt zaten, verdonkerd werd door de schaduw van een man, die terstond daarop de opene deur inkwam; en deze man was Perch, de kantoorlooper.

“Ik kom zoo vroeg van Ball’s Pond aanstappen,” zeide Perch, vertrouwelijk de kamerdeur inkijkende, terwijl hij op de mat bleef staan, om zijne schoenen af te vegen, waaraan geen slijk was, “om eene boodschap te doen, die mij gisteravond belast is. Ik moest u vooral zonder fout een briefje brengen, mijnheer Carker, eer gij nog waart uitgegaan. Ik zou al een uur vroeger hier zijn geweest,” zeide Perch, zoetsappig verontschuldigend, “als mijne vrouw niet zoo van de wijs was geweest. Ik heb van nacht niet minder dan vijfmaal gedacht, dat ik haar zou verliezen, dat kan ik u verzekeren.”—“Is uwe vrouw zoo ziek?” vroeg Harriët.—“Wel, ziet ge,” zeide Perch, zich eerst omkeerende om de deur zorgvuldig te sluiten, “zij trekt zich zoo erg aan wat er met onzen patroon gebeurd is, jufvrouw. Hare zenuwen zijn zwak, en gauw in de war. Maar zeker de sterkste zenuwen mochten door zoo iets wel geschokt worden. Gij zelf zult het ook wel erg gevoelen, daar twijfel ik niet aan.”

Harriët smoorde een zucht en zag naar haar broeder om.

“Ik zelf gevoel het waarlijk ook, in mijn nederigen staat,” vervolgde Perch, even zijn hoofd schuddende, “op eene manier zooals ik niet had kunnen gelooven, als ik het niet had moeten ondervinden. Het heeft op mij bijna de werking van sterken drank. Ik heb elken ochtend letterlijk eene gewaarwording alsof ik den vorigen avond meer had gebruikt dan mij dienstig was.”

Het voorkomen van Perch strekte ter bevestiging dezer verklaring. Het kenteekende zekere koortsigheid en afgematheid, die aan borrels scheen te kunnen worden toegeschreven, en waarvan men waarschijnlijk de oorzaak had kunnen vinden in het gedurig getrakteerd en uitgevraagd worden, dat nu zijn dagelijksch lot was.

“Ik kan daarom heel goed oordeelen,” zeide Perch, wederom zijn hoofd schuddende, “over het gevoel van iemand, die in betrekking tot deze pijnlijke omstandigheid eenigszins in eene bijzondere positie verkeert.”

Nu wachtte Perch op eene vertrouwelijke mededeeling, en daar hij deze niet ontving, kuchte hij achter zijne hand. Toen dit tot niets leidde, kuchte hij achter zijn hoed; en daar ook dit tot niets leidde, zette hij zijn hoed op den grond en zocht in zijn borstzak naar den brief.

“Als ik mij wel herinner, was er geen antwoord noodig,” zeide Perch met een vriendelijk lachje; “maar misschien zult ge wel zoo goed willen zijn om hem eens door te zien, mijnheer.”

John Carker brak den brief open, waarop het cachet van Dombey stond, en nadat hij den inhoud had gelezen, die zeer kort was, zeide hij: “Neen. Er is geen antwoord noodig.”

“Dan zal ik u goedenmorgen wenschen, jufvrouw,” zeide Perch, een stap naar de deur doende, “en ik hoop hartelijk dat gij u door die ongelukkige omstandigheid niet neerslachtiger zult maken dan gij niet laten kunt. De couranten,” zeide Perch, weder twee stappen terug doende en broeder en zuster te gelijk aansprekende, met een gefluister, dat hoe langer hoe geheimzinniger werd, “zijn zoo vurig op nieuws er van, dat gij het u niet verbeelden kunt. Een van de zondagsbladen, met een blauwen mantel en een witten hoed, die mij eerst had willen omkoopen—behoef ik te zeggen met welk gevolg?—loerde gisteravond tien minuten voor negenen nog om het kantoor rond. Ik heb hem zelf met zijn oog voor het sleutelgat gevonden; maar dat is een patentslot, waar men niet door kan kijken. Een ander,” zeide Perch, “met tressen op zijne jas, alsof hij een militair was, zit den ganschen dag in het Koninklijk Wapen in de zijkamer. Verleden week liet ik mij daar toevallig eene kleine aanmerking ontglippen, en ’s anderen daags, dat zondag was, zag ik die tot mijne verwondering gedrukt staan.”

Perch tastte in zijn borstzak, alsof hij het blad er uit wilde halen; maar toen hij geene aanmoediging ontving, trok hij zijne kastoren handschoenen aan, raapte zijn hoed op, en nam afscheid; en nog voor den middag had hij in het Koninklijk Wapen en elders aan een uitgelezen gehoor verteld, hoe jufvrouw Carker in tranen was uitgebarsten, en hem bij beide handen had gevat, en gezegd had: “Och, lieve, lieve Perch, dat ik u nog eens zie is de eenige troost die mij overschiet!” en hoe mijnheer John Carker met eene geduchte stem had gezegd: “Perch, ik verzaak hem. Laat ik hem nooit meer als mijn broeder hooren noemen!”

“Lieve John,” zeide Harriët, toen zij alleen waren gebleven, en eene korte poos hadden gezwegen. “Gij krijgt slechte tijding in dien brief.”—“Ja. Maar niet onverwacht,” antwoordde hij. “Ik had den schrijver gisteren gezien.”—“Den schrijver?”—“Mijnheer Dombey. Hij kwam tweemaal het kantoor door terwijl ik er was. Het was mij vroeger gelukt hem te vermijden; maar dat kon ik natuurlijk niet lang hopen te doen. Ik weet wel hoe natuurlijk het is, dat hij mijne tegenwoordigheid onaangenaam moet vinden. Ik gevoelde dat toen zelf al.”—“Maar hij zeide dat toch niet?”—“Neen. Hij zeide niets; maar ik zag dat zijne oogen even op mij bleven rusten, en was toen voorbereid op wat er gebeuren zou—op wat gebeurd is. Ik ben afgedankt!”

Zij zag zoo weinig ontsteld en zoo moedig als zij kon, maar het was toch een droevig nieuws om vele redenen.

“Ik behoef u niet te zeggen,” zeide John Carker, den brief lezende, “waarom uw naam, in verband met den mijnen, hoe verwijderd dat verband ook zij, voortaan een onnatuurlijken klank zou hebben, of waarom het dagelijksch gezicht van iemand, die zoo heet, mij ondragelijk zou zijn. Ik moet u kennis geven dat van dezen dag af alle betrekkingen tusschen ons ophouden, en u verzoeken dat gij nooit zult beproeven eenige gemeenschap met mij of mijn kantoor meer aan te knoopen.” “Ingesloten vind ik eene som, die rijkelijk tegen eene waarschuwing van langen tijd vooraf opweegt, en dit is mijn ontslag. De hemel weet, Harriët, het is zacht en genadig, als wij alles bedenken.”—“Als het zacht en genadig is u voor het misdrijf van een ander te straffen, John,” zeide zij, maar zonder drift, “dan ja.”—“Onze familie heeft hem nooit iets anders dan onheil aangebracht,” zeide John Carker. “Hij heeft wel redenen om voor den klank van onzen naam te huiveren, en te denken, dat er iets slechts en vervloekts in ons bloed zit. Ik zou dat ook bijna denken, Harriët, als gij er niet waart.”—“O broeder, spreek zoo niet. Als gij eenige bijzondere redenen hebt, gelijk gij zegt en denkt—hoewel ik “neen” zeg—om mij lief te hebben, bespaar mij dan het hooren van zulke woeste woorden.”

Hij hield zijne handen voor zijn gezicht; maar toen zij nader kwam en eene daarvan vatte, liet hij dit toe.

“Na zoovele jaren is dit afscheid droevig, dat weet ik,” zeide zijne zuster, “en de oorzaak daarvan is schrikkelijk voor ons allebei. Ook moeten wij leven en naar middelen daartoe rondzien. Welnu, daarvoor behoeven wij niet bang te zijn. Het is onze trots, en niet een verdriet, dat wij te zamen ons best doen, John.”

Een lachje speelde om hare lippen, terwijl zij hem een kus op de wang drukte en bad om gemoedigd te zijn.

“O, lieve zuster! Door uw eigen edelmoedigen wil aan een geruïneerd man gebonden, die zijn goeden naam verwoest heeft, die zelf geen enkel vriend heeft, en al uwe vrienden van u heeft weggejaagd!”—“John!” zij legde haastig hare hand op zijne lippen. “Om mijnentwil! Denk aan de jaren, die wij te zamen hebben geleefd!” Hij zweeg. “Laat ik nu zeggen, lieve broeder,” vervolgde zij, zich stil naast hem zettende, “ik heb, evenals gij, dit verwacht; en toen ik er aan dacht, en vreesde dat het gebeuren zou, en er mij zoo goed ik kon op gereedmaakte, nam ik mij voor, als het er toe kwam, u te zeggen dat ik een geheim voor u bewaard heb, en dat wij wel een vriend hebben.”—“Hoe heet onze vriend, Harriët?” zeide hij met een treurigen glimlach.—“Dat weet ik niet; maar hij heeft mij eens zeer ernstig verzekerd, dat hij altijd mijn vriend zou zijn en maar verlangde ons te kunnen dienen; en tot op dezen dag geloof ik hem.”—“Harriët!” riep haar verwonderde broeder uit; “waar woont die vriend?”—“Dat weet ik ook niet,” antwoordde zij. “Maar hij kent ons beiden, en onze geschiedenis—geheel onze kleine geschiedenis, John. Dat is de reden waarom ik, op zijn eigen raad, zijn bezoek voor u geheim heb gehouden, opdat het u niet bedroeven zou dat hij zooveel wist.”—“Bezoek! Is hij dan hier geweest, Harriët?”—“Hier, in deze kamer. Eens.”—“Wat voor een man?”—“Niet jong meer. Hij zeide zelf, dat hij sterk begon te grijzen. Maar een braaf man, rondborstig en edelmoedig, daarvan ben ik zeker.”—“En maar ééns gezien, Harriët?”—“In deze kamer maar eens,” antwoordde de zuster, met een blosje, dat echter zeer vluchtig was, op de wangen; “maar toen hij hier was, verzocht hij mij dringend, dat ik mij eens in de week aan hem zou laten zien, als hij voorbijkwam, ten teeken dat wij nog wel waren, en niets van hem bleven noodig hebben. Want ik zeide hem, toen hij ons alle diensten aanbood, die hij bewijzen kon—hetgeen het oogmerk van zijn bezoek was—dat wij niets noodig hadden.”—“En eens in de week....”—“Sedert is hij elke week, en altijd op denzelfden dag en op hetzelfde uur, hier voorbijgekomen; altijd te voet, en altijd denzelfden kant opgaande—naar Londen toe; en nooit heeft hij zich langer opgehouden, dan om voor mij te buigen, en vroolijk met zijne hand te wuiven, gelijk een vriendelijk bejaard bloedverwant zou doen. Hij beloofde dit, toen hij om die zonderlinge ontmoetingen verzocht, en hij heeft zoo getrouw en aardig zijn woord gehouden, dat, al mocht ik in het begin eene kleine ongerustheid gevoelen—dat ik toch niet geloof, John; zijn toon was zoo eenvoudig en oprecht—die ongerustheid toch spoedig verdween, en ik waarlijk blij was als de dag kwam. Verleden maandag—den eersten na die schrikkelijke gebeurtenis—is hij niet voorbijgekomen; en ik heb mij verwonderd of zijn wegblijven ook eenigszins met het gebeurde in verband kan staan.”—“Hoe zoo?” vroeg haar broeder.—“Ik weet niet hoe. Ik heb maar gedacht dat het zonderling was dat het zoo uitkwam, maar niet beproefd het te verklaren. Ik ben overtuigd dat hij wel weder zal komen. Als hij dat doet, lieve John, laat ik hem dan zeggen dat ik eindelijk met u gesproken heb, en laat ik u bij elkander brengen. Hij zal ons zeker aan een nieuw bestaan helpen. Hij verlangde maar iets te kunnen doen, zeide hij, om mij en u het leven aangenamer en gemakkelijker te maken; en ik heb hem beloofd, dat ik om hem zou denken, als wij ooit een vriend noodig hadden. Dan zou zijn naam geen geheim meer blijven.”—“Harriët,” zeide haar broeder, die met de grootste aandacht had geluisterd, “beschrijf mij dien heer toch eens. Ik moet iemand toch wel kennen, die mij zoo goed kent.”

Zijne zuster beschreef zoo duidelijk en levendig als zij kon de gelaatstrekken, de gestalte en de kleeding van den vreemdeling; maar John Carker, hetzij dat hij het origineel niet kende, of omdat er aan hare beschrijving iets haperde, of omdat zijne gedachten, terwijl hij peinzend heen en weder stapte, te zeer verstrooid raakten, herkende het voor hem geschilderde portret niet.

Er werd echter afgesproken, dat hij het origineel zou zien, wanneer dit zich de volgende maal vertoonde. Dit bepaald zijnde, ging de zuster met een minder angstig hart aan hare huiselijke bezigheden; en de grijsharige man, gewezen jongste klerk op het kantoor van Dombey, wijdde den eersten dag zijner ongewone vrijheid aan den arbeid in zijn tuin.

Het was laat in den avond, en de zuster zat te naaien, terwijl de broeder haar voorlas, toen zij door een kloppen aan de deur werden gestoord. Bij den onbestemden angst, waarin zij thans in verband met hun voortvluchtigen broeder verkeerden, had dit daar ongewone geluid bijna iets schrikaanjagends. Terwijl de broeder naar de deur ging, zat de zuster vreesachtig te luisteren. Er sprak hem iemand aan, en hij gaf antwoord en scheen verwonderd; en na nog eenige woorden, kwamen de twee te zamen nader.

“Harriët,” zeide haar broeder, den nog zoo laat komenden bezoeker inlatende en met eene zachte stem sprekende, “mijnheer Morfin—de heer, die zoolang in gelijken rang met James op het kantoor is geweest.”

Zijne zuster deinsde terug alsof zij een spook had gezien. In de deur stond de onbekende vriend, met zijne zwarte, met grijs besprenkelde haren, het blozende gezicht, het breede heldere voorhoofd en de lichtbruine oogen, wiens geheim zij zoolang had bewaard.

“John!” zeide zij, half ademloos. “Dit is de heer, van wien ik u vandaag heb gesproken.”—“Die heer, jufvrouw Harriët,” zeide de bedoelde persoon, nu binnenkomende, want hij was een oogenblik in de deur blijven staan, “is zeer verheugd u dit te hooren zeggen; hij heeft onderweg al allerlei manieren bedacht om zich te verklaren, en was met geen een daarvan tevreden. Mijnheer John, ik ben hier niet geheel vreemd. Gij waart zoo even verbaasd, toen gij mij de deur opendeedt. Ik zie dat gij nu nog meer verbaasd zijt. Nu, dat is in zulke omstandigheden natuurlijk genoeg. Als wij niet zulke slaven der gewoonte waren, zouden wij niet half zoo dikwijls reden hebben om verbaasd te zijn.”

Hij had ondertusschen Harriët gegroet met die innemende mengeling van hartelijkheid en eerbied, die zij zich zoo wel herinnerde, zich dicht bij haar neergezet, zijne handschoenen uitgetrokken en deze in zijn hoed op de tafel geworpen.

“Er is niets verbazends in,” zeide hij, “dat ik verlangen heb gekregen om uwe zuster te zien, mijnheer John, of dat ik dat verlangen op mijne eigene manier heb bevredigd. Wat de regelmatigheid van mijne bezoeken sedert dien tijd betreft (waarvan zij u misschien zal gesproken hebben), daar is niets buitengemeens in. Zij werden spoedig eene gewoonte; en wij zijn slaven der gewoonte—slaven der gewoonte.”

Zijne handen in zijne zakken stekende en op zijn stoel achteroverleunende, zag hij broeder en zuster aan, alsof het iets belangwekkends voor hem was hen bij elkander te zien; en toen vervolgde hij, met zekere peinzende wreveligheid:

“Het is die zelfde gewoonte, die sommige menschen, die tot betere dingen in staat zouden zijn, in de trotschheid en hardnekkigheid van Lucifer bevestigt—andere in schurkerij verhardt—die ons van dag tot dag, naarmate van onzen aard, tot beelden doet versteenen, en ons even onvatbaar maakt als steenen beelden voor nieuwe indrukken en overtuigingen. Ik zal u over den invloed der gewoonte op mij laten oordeelen, John. Jaren lang heb ik mijn gering, nauwkeurig afgepast aandeel gehad aan het bestuur van Dombey’s kantoor, en heb ik uw broeder (die zich een schurk heeft getoond. Uwe zuster zal mij wel vergeven dat ik daarvan melding moet maken) zijn invloed al meer en meer zien uitbreiden, tot hij het kantoor en zijn eigenaar tot zijn speelbal had gemaakt; en heb ik u dagelijks aan uw lessenaar achteraf zien zwoegen, en ben ik tevreden geweest als men mij buiten mijne vaste taak maar zoo weinig mogelijk lastig viel, en heb ik alles om mij heen dag aan dag maar laten voortloopen als eene groote machine—zoo was ik het gewoon en die machine was het gewoon—en heb ik alles maar genomen zooals het was, en alles gehouden voor gelijk het behoorde. Mijne woensdagavonden kwamen geregeld weerom, en onze quartet-gezelschappen werden geregeld gehouden, mijne violoncel was altijd goed gestemd, en in mijne wereld was niets, dat niet zoo behoorde—of zoo al iets, dan toch niet veel—of veel of weinig, het ging mij niet aan.”—“Ik kan er voor instaan, dat al dien tijd niemand op het kantoor meer geacht en bemind is geweest dan gij, mijnheer,” zeide John Carker.—“Och! Goedaardig en handelbaar genoeg, durf ik zeggen,” zeide de ander, “eene gewoonte van mij. Dat beviel het hoofd van het kantoor, het beviel den man die hem regeerde, en het beviel mij het beste van al. Ik deed wat mij was opgedragen, maakte bij geen van beiden mijn hof, en was blijde dat ik een post had, waarop dit niet noodig was. Zoo had ik tot nu toe kunnen voortgaan, als mijne kamer geen bijzonder dunnen muur had gehad. Gij kunt uwe zuster zeggen, dat zij maar met een houten beschot van de kamer was afgescheiden, waarin de man zat, die er nu niet meer komt.”—“Die kamers waren naast elkander, waren voorheen misschien eene kamer geweest, en waren zoo van elkander afgeschoten als mijnheer Morfin daar zegt,” zeide haar broeder, en zag weder naar hem, op het vervolg zijner verklaring wachtende.—“Ik heb daar dikwijls gefloten, gezongen, ben de geheele sonate in B. van Beethoven doorgegaan, om hem te waarschuwen dat ik hem kon hooren,” zeide Morfin, “maar hij lette nooit daarop. Het gebeurde wel is waar zelden, dat mij iets ter ooren kwam wat voor geene andere ooren bestemd was. Maar als dat gebeurde, en ik niet op eene andere manier kon verhinderen dat ik het hoorde, ging ik heen. Zoo ging ik eens heen, John, onder een gesprek tusschen twee broeders, waarbij in het begin de jonge Walter Gay tegenwoordig was. Maar ik had er toch iets van gehoord eer ik de kamer kon uitkomen. Gij zult er u misschien genoeg van herinneren, om uwe zuster te kunnen zeggen van welken aard het was.”—“Het liep over het verledene, Harriët,” zeide haar broeder zacht, “en over het verschil van onze positie op het kantoor.”—“De zaak was niet nieuw voor mij, maar werd mij toen in een nieuw oogpunt voorgesteld. Ik werd geschokt in mijne gewoonte—de gewoonte van negen tienden van de wereld—om te gelooven, dat alles om mij heen zoo was als het behoorde, alleen omdat ik er aan gewoon was,” zeide Morfin, “en als het ware gedwongen om over de twee broeders en hunne geschiedenis na te denken. Ik geloof, dat het bijna de eerste maal van mijn leven was dat ik mij zelven vroeg: hoe zullen vele dingen, die ons nu gemeenzaam zijn en als het ware van zelf spreken, er uitzien, als wij ze uit dat nieuwe en verwijderde oogpunt beschouwen, waarop wij ons allen eens zullen moeten plaatsen? Ik was na dien ochtend wat minder goedhartig, zooals men dat noemt, wat minder met mij zelven en anderen tevreden.”

Hij zat eene poos met zijne vingers op de tafel te trommelen, en hervatte toen haastig, als verlangde hij om spoedig door zijne bekentenis heen te komen:

“Eer ik wist wat te doen, had er een tweede gesprek tusschen dezelfde broeders plaats, waarin de zuster genoemd werd. Ik had toen geene gemoedsbezwaren om mij zooveel van dat gesprek in de ooren te laten klinken, als mij door het beschot bereikte. Ik beschouwde die verdwaalde klanken als mijn rechtmatig eigendom. Daarna kwam ik hier om de zuster zelf te zien. De eerste maal bleef ik aan het tuinhek staan, en veinsde naar het karakter van een armen buurman te willen vernemen; maar ik raakte van den tekst, en ik geloof dat jufvrouw Harriët mij wantrouwde. De tweede maal vroeg ik verlof om binnen te komen, kwam binnen en zeide wat ik wenschte te zeggen. Uwe zuster gaf mij redenen, die ik niet durfde bestrijden, om toen geene hulp van mij te willen aannemen; maar ik bracht een middel van gemeenschap tusschen ons tot stand, dat ongestoord bleef tot voor eenige dagen, toen ik door de gewichtige zaken, waarvoor ik te zorgen had, verhinderd werd om mijne gewone wandeling te doen.”—“Hoe weinig heb ik dat vermoed,” zeide John Carker, “terwijl ik gewoon was u elken dag te zien, mijnheer. Als Harriët uw naam had kunnen raden...”—“Wel, om u de waarheid te zeggen, John,” viel de ander er op in, “ik hield dien om twee redenen voor mij zelven. Ik weet niet of de eerste op zich zelve niet al voldoende zou zijn geweest; maar het past niet zich iets te laten voorstaan op goede voornemens, en daarom had ik besloten om mij niet te ontdekken eer ik in staat was om u eenen of anderen wezenlijken dienst te bewijzen. Mijne tweede reden was, dat ik nog altijd hoopte op eene flauwe mogelijkheid, dat uw broeder tot eene betere gezindheid voor u beiden zou komen; en in dat geval begreep ik, dat indien een man van zijn achterdochtig karakter ontdekte dat ik heimelijk uw vriend was geweest, dit eene nieuwe en noodlottige reden tot verdeeldheid zou kunnen worden. Ik besloot, wel is waar met gevaar om zijn ongenoegen tegen mij zelven te keeren—dat mij niet had kunnen schelen—eene gelegenheid waar te nemen om u bij het hoofd van het kantoor een dienst te doen; maar de drukten van een sterfgeval, eene vrijage, een huwelijk en huiselijk ongenoegen, hebben ons sedert lang geen ander hoofd gelaten dan uw broeder. En het zou beter voor ons geweest zijn,” zeide hij, zijne stem latende dalen, “dat wij een levenlooze romp waren geweest.”

Hij scheen zich bewust, dat deze laatste woorden hem tegen zijn wil waren ontsnapt, en zijne eene hand aan den broeder en de andere aan de zuster toereikende, vervolgde hij:

“Alles wat ik kon verlangen te zeggen, en nog meer, heb ik nu gezegd. Wat ik meen, is meer dan woorden kunnen zeggen, gelijk ik hoop dat gij begrijpt en gelooft. De tijd is gekomen, John—hoewel allerongelukkigst gekomen—dat ik u helpen mag, zonder u te hinderen in die worsteling tot herstel van uw naam, die zoovele jaren heeft geduurd, daar gij vandaag buiten eigen toedoen daarvan zijt bevrijd. Het is laat; ik behoef van avond niets meer te zeggen. Gij zult den schat, dien gij hier hebt, wel bewaren, zonder dat ik u daartoe raad of vermaan.”

Met deze woorden stond hij op om heen te gaan.

“Maar ga gij eerst heen, John,” zeide hij half schertsend, “en neem een licht mee, zonder eerst te zeggen wat gij zeggen wilt, wat het ook wezen mag;” John’s hart was vol, en hij had het gaarne met spreken willen verlichten; “en laat ik een woordje met uwe zuster spreken. Wij hebben wel meer alleen gesproken, en dat in deze kamer ook; hoewel het natuurlijker schijnt met u hier.”

Hem met zijne oogen naar buiten volgende, keerde hij zich vriendelijk tot Harriët en zeide met eene zachtere stem en veel ernstiger gezicht:

“Gij wenscht mij iets te vragen omtrent den man, wiens zuster gij het ongeluk hebt te zijn.”—“Ik vrees er naar te vragen,” zeide Harriët.—“Gij hebt mij meer dan eens zoo ernstig aangezien,” hervatte Morfin, “dat ik uwe vraag wel meen te kunnen raden. Heeft hij geld medegenomen? Is het dat?”—“Ja.”—“Dat heeft hij niet.”—“Daarvoor dank ik den Hemel,” zeide Harriët, “om John’s wil.”—“Dat hij het in hem gestelde vertrouwen op vele manieren heeft misbruikt,” zeide Morfin; “dat hij meer voor zijn eigen voordeel heeft gehandeld en gespeculeerd dan voor dat van het kantoor, dat hij representeerde; dat hij het hoofd van het kantoor heeft verlokt tot groote waagstukken, die dikwijls op geduchte verliezen uitliepen; dat hij de ijdelheid en eerzucht van zijn patroon altijd heeft geprikkeld, terwijl het zijn plicht zou geweest zijn ze tegen te gaan en hem te toonen, gelijk hij had kunnen doen, welke gevolgen zij hier en daar hadden—dat alles zal u misschien nu niet verwonderen. Er zijn ondernemingen gedaan om den roem der uitgebreide middelen van het kantoor nog meer te verhoogen, en het in een trotsch contrast met andere kantoren te doen uitkomen, waarvan men zich de mogelijke gevolgen bijna niet durft voorstellen—eenige weinige nadeelige omstandigheden zouden die gevolgen waarschijnlijk verderfelijk doen worden. Onder al de veelvuldige operatiën van het kantoor, in de meeste gedeelten der wereld—een groot doolhof, waarvan hij alleen den draad had—heeft hij gelegenheid gehad, en schijnt hij die gebruikt te hebben, om de resultaten van al die zaken, als er naar vernomen werd, in het onzekere te houden, en in plaats van bepaalde opgaven, algemeene schattingen en begrootingen te geven. Maar sedert onlangs—gij volgt mij wel, jufvrouw Harriët?”—“Ja, ja!” antwoordde zij, hem angstig aanziende. “Ik bid u, zeg mij in eens het ergste.”—“Sedert eenigen tijd schijnt hij zich de grootste moeite te hebben gegeven om deze resultaten zoo duidelijk te maken, dat men ze, bij het nazien der boeken, zoo talrijk en verschillend als zij zijn, bijna van zelf moet vinden. Het is alsof hij zijn patroon in eens wilde doen zien, waardoor hij door den hartstocht, die hem beheerscht, gekomen is. Dat het zijn gedurige toeleg is geweest, dien hartstocht verraderlijk te vleien en te prikkelen, is ontwijfelbaar. Daarin bestaat voornamelijk zijne schuld met betrekking tot de zaken van het kantoor.”—“Nog een woord eer gij heengaat, mijnheer,” zeide Harriët. “Er is toch geen gevaar bij dat alles?”—“Hoe zoo, gevaar?” zeide hij eenigszins aarzelend.—“Voor het crediet van het kantoor?”—“Ik kan niet nalaten u duidelijk te antwoorden en u geheel te vertrouwen,” zeide Morfin, nadat hij haar een oogenblik had aangezien.—“Dat moogt gij, dat moogt gij waarlijk.”—“Daarvan ben ik overtuigd. Gevaar voor het crediet van het kantoor. Neen, dat niet. Er kunnen bezwaren komen, grooter of geringer, maar geen gevaar, of—het moest gebeuren dat het hoofd van het kantoor er niet toe wilde overgaan om zijne ondernemingen te beperken, niet wilde gelooven dat zijne firma zich in eene andere positie bevindt of bevinden kan, dan hij zich altijd verbeeld heeft, en dus te veel van zijne middelen vergde. Dan zou het kantoor wankelen.”—“Maar daarvoor is geen vrees?” zeide Harriët.—“Er moet geen halfvertrouwen tusschen ons bestaan,” antwoordde hij, haar de hand drukkende. “Mijnheer Dombey is voor iedereen ongenaakbaar, en in zijn tegenwoordigen gemoedstoestand is hij nog trotscher, roekeloozer, onredelijker en onhandelbaarder dan ooit. Maar hij is nu buitengemeen gespannen en opgewonden, en dit kan dus voorbijgaan. Gij weet nu alles, het ergste en het beste. Niets meer van avond, en goeden nacht!”

Daarmede kuste hij haar de hand en ging de kamer uit naar de deur, waarbij de broeder hem stond te wachten, duwde hem schertsend ter zijde, toen hij wilde spreken; zeide hem dat zij elkander spoedig en dikwijls zouden zien, dat hij een andermaal kon spreken als hij wilde, maar dat er nu geen tijd voor was; en ging met snelle schreden heen, opdat geen woord van dankbaarheid hem zou kunnen volgen.

Broeder en zuster bleven bij den haard zitten praten tot het bijna dag werd, slapeloos door den blik in de nieuwe wereld, die zich voor hen opende, en met een gevoel naar dat gelijkende van twee menschen, die voor langen tijd op eene eenzame kust schipbreuk hadden geleden, en tot welke eindelijk een schip gekomen was, nadat zij in berusting oud waren geworden, en alle gedachten aan eene andere woonplaats hadden verloren. Maar ook nog eene andere soort van onrust hield hen wakker. De duisternis, waaruit dit licht hen had bestraald, pakte zich weder opeen, en de schaduw van hun misdadigen broeder viel op het huis, dat zijn voet nooit betreden had.

Die schaduw kon niet verdreven worden en verdween ook niet voor de zon. Den volgenden morgen was zij daar nog—des middags en des avonds, het donkerst en duidelijkst des avonds, gelijk nu moet verhaald worden.

John Carker had een briefje van zijn vriend ontvangen en was dezen gaan opzoeken, en Harriët was alleen thuis gebleven. Zij had eenige uren alleen gezeten. Eene sombere avondschemering was niet gunstig om hare neerslachtigheid te doen verdwijnen. Het denkbeeld van dien broeder, lang ongezien en ongekend, zweefde in allerlei akelige gedaanten om haar heen. Hij was dood, stervende, riep om haar, zag haar dreigend aan. De schilderijen harer verbeelding waren zoo duidelijk, dat zij, toen het donker werd, bijna vreesde om haar hoofd op te heffen en naar de duistere hoeken der kamer te zien, waar zijn geest, het gewrocht harer overprikkelde hersenen, haar misschien stond te wachten om haar te verschrikken. Eens verbeeldde zij zich zoo sterk, dat hij in de andere kamer was en zich daar verschool—schoon zij wel wist dat het eene ziekelijke inbeelding was en zij er niet aan geloofde—dat zij zich dwong om daar binnen te gaan, tot hare eigene overtuiging.

Maar vruchteloos. De kamer hernam hare spookachtige ijselijkheden zoodra zij ze weder verlaten had; en het was haar even onmogelijk zich van die onbestemde schrikbeelden te ontslaan, als waren het steenen reuzen geweest, onwrikbaar in den vasten grond geworteld.

Het was bijna donker en zij zat bij het venster met het hoofd in de hand naar omlaag ziende, toen zij, opmerkende dat de duisternis in de kamer plotseling toenam, hare oogen opsloeg en onwillekeurig een schreeuw gaf. Dicht voor het glas vertoonde zich een bleek, ontsteld gezicht, dat voor een oogenblik onzeker naar binnen keek, alsof het naar iets zocht; toen vielen de oogen op haar, en kregen glans en uitdrukking.

“Laat mij in. Laat mij in. Ik moet u spreken.” en de hand ratelde tegen het glas.

Zij herkende dadelijk de vrouw met het lange zwarte haar, welke zij op een regenachtigen avond warmte, voedsel en schuilplaats had gegeven. Natuurlijk bevreesd voor haar, daar zij zich hare latere woestheid herinnerde, ging Harriët een paar schreden van het venster terug en bleef besluiteloos staan.

“Laat mij in! Laat ik met u spreken! Ik ben dankbaar—stil—nederig—alles wat gij wilt. Maar laat ik u spreken.”

Het heftig dringende van dit verzoek, de ernstige uitdrukking van het gezicht, het beven der twee handen, die smeekend werden opgeheven, en zekere angstigheid en gejaagdheid in de stem, welke haar aan haar eigen toestand op dat oogenblik herinnerde, bewogen Harriët om haar te wille te zijn. Zij haastte zich naar de deur en deed open.

“Mag ik binnenkomen, of zal ik hier spreken?” zeide de vrouw, hare hand vattende.—“Wat moet gij hebben? Wat hebt gij te zeggen?”—“Niet veel, maar laat mij het nu zeggen, of ik zal het nooit zeggen. Ik ben nu nog in verzoeking om weer heen te gaan. Het is alsof ik met handen van de deur word getrokken. Laat mij binnenkomen, als gij mij voor dien eenen keer nog kunt vertrouwen.”

Wederom had haar dringende toon de overhand, en zij ging naar het vuur in de keuken, waarvoor zij eens had gezeten en hare kleeren gedroogd.

“Ga daar zitten,” zeide Alice, bij Harriët neerknielende, “en zie mij aan. Gij kent mij?”—“Ja.”—“Gij weet wel wat ik u zeide, dat ik geweest was, en waar ik vandaan kwam, in havelooze vodden en kreupel geloopen, blootgesteld aan wind en weer?”—“Ja.”—“Gij weet wel hoe ik dien avond terugkwam, en uw geld in den modder smeet, en uw geslacht vervloekte. Zie mij nu hier op mijne knieën. Meen ik het nu minder ernstig dan toen?”—“Als het vergiffenis is wat gij vraagt,” begon Harriët met vriendelijke zachtheid.—“Maar dat is het niet,” zeide Alice met een trotschen en woesten blik. “Wat ik vraag is, geloofd te worden. Nu zult gij oordeelen of ik geloofwaardig ben, zoowel gelijk ik toen was als gelijk ik nu ben.”

Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd, dat hare vervallene schoonheid en hare wilde zwarte haren bescheen, waarvan zij eene lange lok over haar schouder trok en om hare hand wond, om er onder het spreken somtijds peinzend op te bijten en aan te rukken, vervolgde zij:

“Toen ik jong en mooi was, en dit,” zeide zij, verachtelijk rukkende aan de lok die zij vasthield, “niet anders dan zacht werd behandeld en niet genoeg bewonderd kon worden, ontdekte mijne moeder, die niet veel op mij gelet had toen ik een kind was, mijne verdiensten, en was zij goed voor mij en trotsch op mij. Zij was hebzuchtig en arm, en meende een soort van rentegevend pand van mij te maken. Geene groote dame heeft zeker nog ooit zoo over eene dochter gedacht, of zoo gedaan—dat gebeurt nooit, weten wij wel—en dit bewijst, dat de eenige voorbeelden van moeders, die hare dochters verkeerd opbrengen, en van het kwaad dat daarvan komt, onder zulke ellendigen als wij gevonden worden.”

Naar het vuur ziende, alsof zij een oogenblik vergat dat zij eene toehoorster had, vervolgde zij op een droomerigen toon, terwijl zij de lange haarlok stijf om hare hand wond:

“Wat daarvan kwam behoef ik u niet te zeggen. Rampzalige huwelijken komen van zulke dingen niet in onzen stand; alleen maar ellende en verderf. Ellende en verderf kwamen over mij—kwamen over mij.”

Snel hare oogen, die somber in het vuur staarden, naar Harriët opslaande, zeide zij:

“Ik verspil den tijd, en er is geen tijd over, maar als ik niet aan dat alles gedacht had zou ik niet hier wezen. Ellende en verderf kwamen over mij, zeg ik. Ik werd voor een korten tijd een speeltuig, en werd nog onbarmhartiger en onverschilliger weggeworpen dan men zulke dingen doet. Door wiens hand denkt gij?”—“Waarom vraagt ge mij dat?” zeide Harriët.—“Waarom beeft gij?” antwoordde Alice met een vurigen blik. “Zijne behandeling heeft eene duivelin van mij gemaakt. Ik verzonk in ellende en verderf al dieper en dieper. Ik had deel aan een diefstal—deel aan alles behalve de winst—en werd ontdekt en moest te recht staan, zonder een enkel vriend en zonder een stuiver geld. Schoon ik maar een meisje was had ik liever ter dood willen gaan, dan hem om een woord te vragen, als een woord van hem mij had kunnen redden. Dat zou ik. Liever elke soort van dood, die men had kunnen uitvinden. Maar mijne moeder, altijd hebzuchtig, zond hem eene boodschap in mijn naam, verhaalde hem de waarheid van mijn geval, en bad nederig om de laatste geringe gift—om niet zooveel ponden als ik vingers aan deze hand heb. Wie was het, denkt gij, die met zijne vingers naar mij knipte, in mijne ellende, toen ik, naar hij dacht, aan zijne voeten lag, en mij zelfs dat armoedige teeken van herinnering niet wilde geven; weltevreden dat ik buitenslands zou worden gezonden, waar ik hem niet verder kon lastig vallen, en daar zou sterven en verrotten. Wie was dat denkt gij?”—“Waarom beeft gij?” zeide Alice, de hand op haar arm leggende en haar in het gezicht ziende. “Waarom anders, dan omdat gij het antwoord op de lippen hebt? Het was uw broeder James.”

Harriët beefde nog sterker, maar wendde hare oogen niet af van den strakken blik die daarop rustte.

“Toen ik hoorde dat gij zijne zuster waart—dat op dien avond was—kwam ik terug, vermoeid en kreupel als ik was, om u uwe gift voor de voeten te werpen. Het was mij dien nacht, alsof ik, zoo vermoeid en kreupel, wel de geheele wereld had kunnen doorreizen, om hem een mes in het hart te steken, als ik hem maar ergens alleen had kunnen vinden. Gelooft gij dat mij dat alles ernst was?”—“Ja! goede hemel, waarom zijt gij teruggekomen?”—“Sedert,” zeide Alice, nog haar arm vasthoudende en haar strak aanziende, “heb ik hem gezien. Heb ik hem met mijne oogen gevolgd op klaar lichten dag. Als er nog maar een vonkje haat in mijne borst had gesmeuld, had het in vlam moeten schieten toen mijne oogen hem zagen. Gij weet dat hij een trotsch man heeft beleedigd en tot zijn doodvijand gemaakt. Als ik nu dien man eens bericht van hem had gegeven?”—“Bericht!” herhaalde Harriët.—“Als ik eens iemand had gevonden, die uw broeders geheim wist, die wist hoe hij gevlucht is, en waar hij met zijne gezellin naar toe is? Als ik hem eens al wat hij wist, woord voor woord, had laten zeggen, voor dien vijand, verscholen om het te hooren? Als ik er toen eens bij had gezeten, en dien vijand in het gelaat had gezien en er zulk eene verandering op had gezien, dat het bijna geen menschengezicht meer was? Als ik hem eens als dol had zien heenvliegen om hem te vervolgen? Als ik eens wist dat hij nu op weg was, meer duivel dan mensch, en hem in zoovele uren moest inhalen?”—“Neem uwe hand weg!” zeide Harriët, terugdeinzende. “Ga heen! Ik gruw er van dat ge mij aanraakt.”—“Ik heb dat gedaan,” vervolgde Alice even eens, zonder op deze woorden te letten. “Kunt gij niet aan mij hooren en zien, dat ik het gedaan heb? Gelooft gij wat ik zeg?”—“Ik vrees dat ik moet. Laat mijn arm los!”—“Nog niet. Nog een oogenblik. Gij kunt denken wat mijne wraakzucht moet geweest zijn, om zoolang te duren en mij daartoe te drijven?”—“Schrikkelijk!” zeide Harriët.—“Als gij mij dan nu hier wederziet,” zeide Alice met eene schorre stem, “stil op den grond geknield, met mijne hand op uw arm, met mijne oogen op uw gezicht, moogt gij wel gelooven, dat het ernst is met wat ik zeg, en dat ik een zwaren strijd heb gestreden. Ik schaam mij om de woorden uit te spreken, maar ik heb berouw. Ik veracht mij zelve; ik heb den ganschen dag en geheel den verleden nacht met mij zelve gekampt; maar ik gevoel mij zonder reden voor hem verzacht, en ik wensch te herdoen wat ik gedaan heb, als het nog mogelijk is. Ik wilde niet dat zij bij elkander kwamen terwijl zijn vervolger zoo blind en woest is. Als gij hem gisteravond hadt gezien, toen hij heenging, zoudt gij het gevaar beter kennen.”—“Hoe kan dat verhoed worden! Wat kan ik doen!” riep Harriët uit.—“Den geheelen nacht,” vervolgde de ander haastig, “heb ik van hem gedroomd—en toch sliep ik niet—in zijn bloed. Den geheelen dag heb ik hem bij mij gehad.”—“Wat kan ik doen?” zeide Harriët, huiverende bij deze woorden.—“Als er iemand is, die hem wil schrijven, of eene boodschap zenden, of naar hem toe gaan, laat hij dan geen tijd verzuimen. Hij is te Dijon. Kent gij dien naam, en weet gij waar het is?”—“Ja!”—“Waarschuw hem, dat de man, dien hij tot zijn vijand heeft gemaakt, razend is, en dat hij hem niet kent als hij zijne komst gering acht. Zeg hem, dat hij onderweg is—ik weet dat—en haast maakt. Dring hem om zich uit den weg te maken terwijl het nog tijd is—als het nog tijd is—en hem nog niet onder de oogen te komen. Eene maand of zoo zal jaren van verschil maken. Laten zij elkander niet door mij ontmoeten. Daar maar niet! Nu maar niet! Laat zijn vijand hem vervolgen en hem van zelf vinden, maar niet door mij. Ik heb buitendien genoeg op mijn hoofd!”

Het schijnsel van het vuur speelde niet langer over hare zwarte haren en opgeheven gezicht; hare hand lag niet meer op Harriët’s arm, en de plaats, waar zij geknield had, was ledig.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LIV. DE VLUCHTELINGEN

De tijd, een uur voor middernacht; de plaats, een Fransch apartement, bestaande uit een half dozijn vertrekken;—eene donkere koude antichambre of corridor, eene eetzaal, een salon, eene slaapkamer, en een kabinet of boudoir, kleiner en meer afgelegen dan de andere kamers. Dat alles afgesloten met eene dubbele deur, die op de groote trap uitkomt, maar elke kamer voorzien van twee of drie eigene deuren, die verscheidene middelen van gemeenschap aanbieden met het overige van het apartement, en zekere smalle gangen tusschen de muren, die, gelijk in zulke huizen niet ongewoon is, naar eene achtertrap voeren, welke onderaan een uitgang in eene achterstraat heeft. Alles gelegen op de verdieping van een hotel, zoo groot, dat dit apartement nog niet eens eene geheele rij vensters beslaat aan den eenen kant van het binnenplein, waarop de vier zijden van het gebouw uitzien.

Eene pracht, genoeg verbleekt om iets zwaarmoedigs te hebben, en nog schitterend genoeg, om door zekeren zweem van staatsie het gewone gebruik te belemmeren, heerschte in deze vertrekken. De wanden en zolderingen waren beschilderd en verguld; de vloeren waren ingelegd en geboend; roode draperieën hingen om vensters, deuren en spiegels; branches, gewrongen en door elkander gevlochten gelijk takken van boomen of hoornen van dieren, staken uit de wandpaneelen. Maar overdag, wanneer de luiken, nu dicht gesloten, open waren, en het licht binnenscheen, waren onder al dien opschik de sporen zichtbaar van slijting en stof, van zonneschijn, vochtigheid en rook, en lange tusschenpoozen van gebrek aan gebruik en bewoning, wanneer zulke staatsiekamers schijnen te verkwijnen evenals menschen doen, die in eene gevangenis zijn opgesloten. Zelfs de avond en de groepen van brandende kaarsen konden deze sporen niet geheel uitwisschen, schoon het algemeene geflikker ze minder deed opmerken.

Het geflikker van helder brandende bougies en de weerkaatsing daarvan in spiegels, van verguldsel en schitterende kleuren, was dezen avond tot maar eene kamer beperkt—dat kleine vertrekje, achter de andere zoo pas opgenoemde. Uit de voorzaal gezien, waar eene flauwe lamp brandde, door het donkere verschiet van opene deuren, scheen het glansrijk en kostbaar als een juweel. In het hart van dien glans zat eene schoone vrouw—Edith.

Zij was alleen. Haar gelaat had nog dezelfde uitdrukking van uitdagenden trots. Hare wangen waren eenigszins vermagerd, hare oogen schenen eenigszins grooter, maar hadden nog meer glans, en hare fiere houding was juist dezelfde. Geene schaamte op haar voorhoofd; geen laat berouw boog haar trotschen hals. Nog even statig en gebiedend, en toch onverschillig voor zich zelve en alle andere dingen, zat zij daar, met hare donkere oogen neergeslagen, naar iemand te wachten.

Geen boek, geen werk, geene bezigheid hoegenaamd behalve hare eigene gedachten, kortte den slependen tijd. Een voornemen, krachtig genoeg om haar voor niets anders aandacht te laten, vervulde haar. Met dicht geknepene lippen, die beefden als zij ze voor een oogenblik van dat bedwang ontsloeg; met opgespannen neusgaten, met samengeknepene handen, en met haar voornemen in hare zwoegende borst, zat zij daar te wachten.

Toen zij een sleutel in de buitendeur hoorde steken, en daarop een voetstap in de voorzaal volgde, sprong zij op en riep: “Wie is daar?” Het antwoord was in het Fransch, en twee mannen kwamen met rammelende borden, om de tafel te dekken voor het souper.

Wie had hen dat belast? vroeg zij.

Monsieur had het besteld, toen het hem beliefde dat apartement te nemen. Monsieur had gezegd, toen hij hier en route een uur was gebleven en een brief voor madame had gelaten—madame had dien brief toch wel ontvangen?

“Ja.”

Duizendmaal pardon! De plotselinge vrees, dat hij vergeten kon zijn, had hem, een man met een kaal hoofd en een grooten baard, van een naburigen restaurant, tot wanhoop gebracht! Monsieur had gezegd, dat het souper op dat uur gereed moest wezen; en had in zijn brief madame ook gewaarschuwd wat hij besteld had. Monsieur had het Gouden Hoofd de eer bewezen om te verzoeken, dat het souper uitgelezen en keurig zou zijn. Monsieur zou bevinden, dat zijn vertrouwen in het Gouden Hoofd niet verkeerd geplaatst was geweest.

Edith zeide niets meer, maar zag peinzend toe, terwijl zij de tafel voor twee personen dekten en wijn daarop zetten. Eer zij gedaan hadden stond zij op, en eene lamp nemende, ging zij in de slaapkamer en het salon, waar zij haastig maar nauwkeurig al de deuren onderzocht, vooral eene deur in de laatste kamer, die in een smallen gang uitkwam. Zij nam den sleutel daaruit en stak dien aan den buitenkant. Daarna kwam zij terug.

De mannen—waarvan de tweede er zeer donker en galachtig uitzag, met een buisje, glad geschoren en met zwarte, zeer kort geknipte haren—hadden de tafel gedekt en stonden nu hun werk aan te zien. Hij, die eerst gesproken had, vroeg of madame dacht, dat het nog lang zou duren eer monsieur kwam.

Zij kon dat niet zeggen. Het kwam er niet op aan.

Pardon! Daar was het souper. Het moest nu dadelijk gebruikt worden. Monsieur (die Fransch sprak als een engel—of als een Franschman—dat was hetzelfde) had met zeer veel nadruk van zijne preciesheid gesproken. Maar de Engelsche natie had zulk een groot genie voor preciesheid. Ha, welk gerucht! Groote Hemel, daar was monsieur. “Le voilà!”

Inderdaad, monsieur, door den ander van de twee ingelaten, kwam, met zijne blinkende tanden, door de donkere kamers aan, alsof hij geheel en al mond was; maar in dat heiligdom van licht en kleur gekomen, bleek hij een man ten voeten uit te zijn, omhelsde madame en sprak haar in de Fransche taal aan als zijne bekoorlijke vrouw.

“Mijn God! madame zal flauw vallen. Madame is overstelpt van blijdschap.” De man met het kale hoofd en den baard merkte dit op en riep dit uit.

Madame was maar bevend teruggedeinsd. Eer de woorden nog geheel waren uitgesproken, stond zij met hare hand op een fluweelen rug van een leuningstoel, tot hare volle lengte opgericht, en met een onbeweeglijk strak gezicht.

“François is naar het Gouden Hoofd gevlogen om het souper. Hij vliegt bij zulke gelegenheden als een engel of een vogel. De bagage van monsieur is in zijne kamer. Alles is gearrangeerd. Het souper zal in een oogenblik hier zijn.” Deze feiten werden door den kalen man met buigingen en glimlachjes aangekondigd, en weldra kwam het souper.

De warme schotels stonden op een komfoor; de koude waren reeds, met het noodige tafelgereedschap, op een buffet gezet. Monsieur was met deze schikking tevreden. Dat de tafel zoo klein was beviel hem zeer wel. Zij moesten het komfoor maar op den grond zetten en heengaan. Hij zou zelf de schotels wel verplaatsen.

“Pardon!” zeide de kale man zeer beleefd. Dat was onmogelijk.

Monsieur was van een ander gevoelen. Hij had dien avond geene verdere bediening noodig.

“Maar madame,” gaf de kale man in bedenking.

Madame, antwoordde monsieur, had hare eigene kamenier. Dat was genoeg.

Een millioen maal pardon! Neen! Madame had geene kamenier.

“Ik ben alleen hier gekomen,” zeide Edith. “Dat was mijne verkiezing zoo. Ik ben wel aan het reizen gewoon; ik heb geene bediening noodig. Zij behoeven mij niemand te zenden.”

Monsieur liet, bij zijne eerste onmogelijkheid blijvende, de twee bedienden de buitendeur uit en sloot die achter hen. Toen de kale man zich omkeerde om te buigen, merkte hij op dat madame nog met hare hand op den fluweelen rug van den leuningstoel stond, en dat zij hem geheel niet scheen te zien, hoewel zij recht voor zich uitkeek.

Toen het gerucht, dat Carker maakte bij het sluiten der deur, door de reeks der kamers klonk en dof gesmoord die laatste scheen te bereiken, klonk Edith te gelijk eene kerkklok in de ooren, die twaalf sloeg. Zij hoorde hem stilstaan, alsof hij die klok insgelijks hoorde en luisterde, en toen naar haar terugkomen, met eene lange reeks van voetstappen door de stilte, en naarmate hij verder kwam elke deur achter zich sluitende. Hare hand verliet een oogenblik den fluweelen rug van den stoel, om een mes op de tafel binnen haar bereik te brengen; toen stond zij weder gelijk zij te voren had gestaan.

“Hoe vreemd dat gij alleen hier komt, lieve,” zeide hij toen hij de kamer inkwam.—“Wat!” zeide zij.

Haar toon was zoo ruw; de snelle wending van haar hoofd zoo woest; hare houding zoo terugstootend, en haar gezicht zoo donker en dreigend, dat hij haar met de lamp in de hand bleef staan aanzien, alsof zij hem had doen versteenen.

“Ik zeg,” herhaalde hij eindelijk met zijn allerbeleefdsten glimlach, “hoe vreemd, geheel alleen hier te komen! Dat was waarlijk wel eene noodelooze voorzichtigheid, die zich zelve had kunnen verijdelen. Gij hadt te Havre of Rouaan eene dienstbode moeten nemen, en hebt daartoe overvloedig tijd gehad, hoewel gij de grilligste en ongemakkelijkste van alle vrouwen zijt, gelijk gij ook de schoonste zijt, mijn lief.”

Hare oogen zagen hem aan met een vreemden glans, maar zij bleef met hare hand op den stoel staan leunen, en sprak geen woord.

“Ik heb u nooit zoo schoon gezien als van avond,” hervatte Carker. “Zelfs het portret, dat ik gedurende dezen harden proeftijd in mijn gemoed heb omgedragen, en dat ik nacht en dag heb beschouwd, wordt door de werkelijkheid overtroffen,”

Geen woord. Geen blik. Hare oogen geheel verborgen door de hangende wimpers, maar haar hoofd recht opgericht.

“Harde en strenge bedingen waren het!” zeide Carker met een glimlach; “maar zij zijn allen vervuld en voorbij, en maken het tegenwoordige des te verrukkelijker en te veiliger. Sicilië zal onze wijkplaats zijn. In het traagste en verkwikkelijkste gedeelte der wereld, mijn liefje, zullen wij beide vergoeding zoeken voor de oude slavernij.”

Hij kwam vroolijk naar haar toe, toen zij eensklaps het mes van de tafel greep, en hij een stap terugdeinsde.

“Blijf staan,” zeide zij, “of ik zal u vermoorden.”

De plotselinge verandering in haar, de woede en afschuw, die in hare oogen flikkerden deden hem stilstaan alsof een brand hem had gestuit.

“Blijf staan,” zeide zij. “Kom niet nader, op uw leven.”

“Kom, kom! Wij zijn alleen, en niemand hoort of ziet ons. Denkt gij mij bang te maken met die kuurtjes van deugdzame dames?”—“Denkt gij mij bang te maken,” antwoordde zij woest, “met mij te herinneren dat ik hier alleen ben en er geene hulp nabij is? Denkt gij mij daardoor van eenig plan of voornemen af te schrikken? Mij, die met opzet hier alleen ben? Als ik bang voor u was geweest, zou ik dan hier zijn, in het holste van den nacht, om u in uw gezicht te zeggen wat ik u zeggen zal?”—“En wat is dat,” zeide hij, “gij schoone haneveer? Schooner zóó dan eene andere vrouw in haar best humeur?”—“Ik zeg u niets voordat gij naar dien stoel teruggaat,” antwoordde zij,—“behalve dit nog eens—kom niet nader. Geen stap nader. Ik zeg u, als gij dat doet, zoo waar als de hemel ons ziet, zal ik u vermoorden.”—“Ziet gij mij bij vergissing voor uw man aan?” vroeg hij grijnzend.

Zonder zich te verwaardigen om antwoord te geven, strekte zij haar arm uit, en wees naar den stoel. Hij beet op zijne lippen, rimpelde zijn voorhoofd, lachte, en zette er zich op neer, met eene teleurstelling en verlegenheid, die hij onmogelijk kon ontveinzen; zenuwachtig op zijne nagels bijtende, keek hij haar zijdelings met bittere wreveligheid aan, hoewel hij wilde veinzen dat hij zich met hare grilligheid vermaakte.

Zij legde het mes op de tafel neer, en naar hare borst wijzende, zeide zij:

“Ik heb hier iets zitten dat geen minnepand is, en liever dan nog eens te verdragen dat ge mij aanraakt zou ik het tegen u gebruiken—en dat weet gij, terwijl ik spreek—met minder bezwaar dan tegen eenig kruipend gedierte dat er leeft.”

Hij veinsde schertsend te lachen en verzocht haar om haar spelletje spoedig uit te spelen, want dat het souper koud werd. Maar de geheime blik, waarmede hij haar aanzag, werd norscher en dreigender, en meer dan eens stampte hij met een gemompelden vloek op den grond.

“Hoe dikwijls,” zeide Edith, hem met haar donkersten blik aanziende, “heeft uwe vermetele snoodheid mij met schimp en beleedigingen vervolgd? Hoe dikwijls ben ik, door uwe beleefde manieren, uwe spottende woorden en blikken met mijne vrijage en mijn huwelijk geplaagd? Hoe dikwijls hebt gij mijne wond van liefde voor dat lieve, mishandelde meisje, blootgelegd en opgereten? Hoe dikwijls hebt gij het vuur aangeblazen, dat mij twee jaren lang gemarteld heeft, en mij in verzoeking willen brengen om mij dolzinnig over mijne marteling te wreken?”—“Ik twijfel er niet aan, mevrouw,” antwoordde hij, “of gij hebt er goede rekening van gehouden, en zult het dus wel juist weten. Kom, kom, Edith. Tegen uw man, dien ellendigen bloed, mocht dit aangaan....”—“Wat,” zeide zij, hem aanziende met eene trotsche minachting, waaronder hij wegkromp, hoewel hij zich goed wilde houden, “als al mijne andere redenen om hem te verachten als veertjes hadden weggeblazen kunnen worden, zou het bijna reeds genoeg zijn geweest dat hij u tot raadsman en gunsteling had.”—“Is dat de reden waarom ge met mij zijt weggeloopen?” vroeg hij tergend.—“Ja, en waarom wij elkander nu voor de laatste maal zien. Ellendeling! Wij komen dezen nacht bijeen, en scheiden dezen nacht. Geen oogenblik nadat ik gedaan heb met spreken, zal ik meer hier blijven.”

Hij keerde zich naar haar om met zijn afschuwelijksten blik, en greep de tafel met zijne hand aan; maar stond niet op, en deed of zeide niets anders om haar te dreigen.

“Ik ben eene vrouw,” zeide zij, hem strak aanziende, “die van hare kindsheid af beschaamd gemaakt en verstaald is. Ik ben aangeboden, afgekeurd, opgeveild en uitgeloofd, tot mijne ziel er van walgde. Ik had geen talent, dat mij van nut had kunnen wezen, of het is opgevijzeld en uitgestald, om mijne waarde te verhoogen, alsof de omroeper het door de straten had uitgeschreeuwd. Mijne arme, trotsche betrekkingen zagen dat aan en keurden het goed, en elke band tusschen ons is losgemaakt. Er is niemand van hen om wien ik zooveel geef, als ik om een schoothondje zou geven. Ik sta alleen, alleen in de wereld, en weet wel welk eene valsche wereld het voor mij geweest is, en welk eene valsche rol ik er in gespeeld heb. Gij weet dat, en gij weet dat mijn goede naam voor de wereld geene waarde voor mij heeft.”—“Ja, dat heb ik mij wel verbeeld,” antwoordde hij.—“En er op gerekend,” hernam zij, “en mij daarom vervolgd. Al te onverschillig geworden voor eenigen anderen tegenstand dan onverschilligheid tegen den dagelijkschen arbeid der handen, die mij daartoe gevormd hadden, en wetende dat mijn huwelijk ten minste zou beletten dat ik langer werd rondgevent, liet ik mij verkoopen, zoo schandelijk als ooit eene vrouw met een touw om den hals op eene markt is verkocht. Dat weet gij.”—“Ja,” zeide hij, al zijne tanden toonende. “Dat weet ik.”—“Nu, daarop hebt gij gerekend en mij daarom vervolgd,” zeide zij nog eens. “Van mijn trouwdag af vond ik mij blootgesteld aan zulk eene nieuwe schande—aan zulke aanzoeken en vervolgingen (zoo duidelijk uitgedrukt alsof zij met de grofste woorden geschreven en mij telkens in de hand gestopt waren) van een en denzelfden gemeenen schurk, dat het mij was alsof ik tot dien tijd toe nog nooit vernedering had gevoeld. Die schande deed mijn echtgenoot mij aan; hij zelf overstelpte mij daarmede; met zijne eigene handen dompelde hij mij daarin, en dat herhaalde hij geheel eigenwillig honderden malen. En zoo—door die twee van ieder rustpunt verdrongen, dat ik nog had—door die twee gedwongen om het laatste overblijfsel van liefde en zachtheid in mijn binnenste te verzaken, of het onschuldige voorwerp daarvan tot een nieuw onheil te wezen—van den een naar den ander gedreven, en door den een belaagd als ik den ander ontsnapte—steeg mijne gramschap tegen beiden bijna tot razernij. Ik weet niet wien ik meer haatte—den meester of den knecht.”

Hij lette scherp op haar, terwijl zij daar voor hem stond in de zegepraal harer vergramde schoonheid. Zij was vastberaden, dat zag hij; onverschrokken; niet meer bevreesd voor hem dan voor een worm.

“Wat zou ik tegen u van eer of kuischheid zeggen!” vervolgde zij. “Welke beteekenis zouden die woorden voor u hebben; welke beteekenis zouden zij voor mij hebben! Maar als ik u zeg, dat de minste aanraking van uwe hand mijn bloed van tegenzin doet stollen; dat gij van het uur af toen ik u voor het eerst zag en haatte tot nu toe, nu mijn onwillekeurige afschuw van u is vergroot door al de kennis, die ik van u heb opgedaan, gij een walgelijk schepsel voor mij zijt geweest, dat op aarde geen gelijke meer heeft; hoe dan?”

Hij antwoordde met een flauwen lach: “Ja, hoe dan, mijne koningin?”

“Op dien avond toen gij, aangemoedigd door het tooneel, dat gij hadt bijgewoond, het hart hadt om in mijne kamer te komen en mij aan te spreken,” zeide zij, “wat is er toen voorgevallen?”

Hij haalde zijne schouders op en lachte wederom.

“Wat is er toen voorgevallen?” zeide zij.—“Uw geheugen is zoo goed,” antwoordde hij, “dat gij het u zonder twijfel wel herinneren kunt.”—“Dat kan ik,” zeide zij. “Hoor dan! Mij toen deze vlucht voorstellende—niet deze vlucht, maar de vlucht, waar gij aan dacht—hebt gij mij gezegd dat ik, nu ik u die bijeenkomst had gegeven, zoodat gij u daar bij mij kondt laten ontdekken, als gij dat goedvondt, en ik u dikwijls te voren met mij alleen had laten zijn—en gelegenheid daartoe gemaakt had, was uw gezegde—en ik u openlijk bekend had, dat ik voor mijn man geen ander gevoel dan afkeer koesterde en om mij zelve niet gaf—reeds verloren was; dat ik u macht had gegeven om mijn naam door het slijk te slepen—dat mijne eer van een enkel woord van u afhing.”—“In de liefde zijn alle krijgslisten...” viel hij er met een glimlach op in. “Het oude spreekwoord...”—“Op dien avond en toen,” zeide Edith, “kwam er een einde aan mijn langdurigen strijd met iets, dat geene achting voor mijn goeden naam was—ik weet niet wat het was—misschien gehechtheid aan dat laatste overschot van liefde. Op dien avond en toen keerde ik alles den rug behalve mijn haat en mijne wraak. Ik deed een slag, die uw trotschen meester in het stof neervelde, en u daar voor mij zette, gelijk gij mij nu aanziet en weet wat ik meen.”

Hij sprong met een zwaren vloek van zijn stoel op. Zij stak hare hand in hare borst, en geen vinger beefde, geen haar op haar hoofd trilde. Hij bleef stil staan, zij insgelijks, met de tafel en den stoel tusschen hen in.

“Als ik vergeet dat die man zijne lippen aan de mijne bracht en mij in zijne armen sloot, gelijk hij van avond nog eens gedaan heeft,” zeide Edith, naar hem wijzende; “als ik de smet van zijn kus op mijne wang vergeet—de wang, waartegen Florence haar schuldeloos gezichtje wilde leggen—als ik mijne ontmoeting met haar vergeet, terwijl die smet mij zoo heet aankleefde, en hoe de bewustheid mij overstelpte dat ik, terwijl ik haar van de kwellingen bevrijdde, die ik haar door mijne liefde had veroorzaakt, te gelijk haar naam door den mijnen tot schande bracht, en haar, als zij aan mij dacht, ook altijd zou doen denken aan de eerste maal, dat zij een schuldig schepsel ontweek—dan, echtgenoot, van wien ik voortaan gescheiden ben, zal ik de laatste twee jaren vergeten, en herdoen, wat ik gedaan heb, en u uw waan benemen.”

Hare flikkerende oogen, even opgeslagen, vestigden zich nu weder op Carker, en zij reikte hem met hare linkerhand eenige brieven toe.

“Zie deze!” zeide zij verachtelijk. “Die hebt gij mij gezonden in den valschen naam, waaronder gij reist, een hier, andere onderweg. Zij zijn niet geopend. Neem ze terug!”

Zij kneep ze in hare hand ineen en wierp ze hem voor de voeten.

“Wij vinden elkander van nacht en scheiden van nacht,” zeide zij. “Gij hebt wat te vroeg op Siciliaansche dagen van weelderig genot gerekend. Gij hadt nog wat langer kunnen kruipen en vleien en uwe verradersrol spelen, en nog rijker worden. Gij koopt uwe wellustige rust wat te duur.”—“Edith,” antwoordde hij, haar met zijne hand dreigende. “Ga zitten! Houd op daarmee! Welke duivel regeert u?”—“Hun naam is Legioen,” antwoordde zij, zich trotsch oprichtende; “gij en uw meester hebt ze in een vruchtbaar huis opgekweekt, en zij zullen u beiden verscheuren. Gij valschaard, valsch voor hem, valsch voor zijn onschuldig kind, valsch voor iedereen en aan alle kanten, ga heen en poch op mij, en knarsetand, omdat gij weet dat gij liegt!”

Hij stond voor haar, mompelend en dreigend, en keek rond alsof hij naar iets zocht, dat hem helpen kon om haar te overmeesteren; maar zij bleef even onverschrokken staan.

“In elke logen, waarmede gij snoeft,” zeide zij, “triomfeer ik. Ik kies u uit als den gemeensten kerel dien ik ken, den pluimstrijker en het werktuig van den trotschen tiran, opdat zijne wond dieper zou gaan en pijnlijker steken. Snoef, en wreek mij zoo op hem! Gij weet hoe gij van nacht hier zijt gekomen, en gij weet hoe armzalig gij daar staat; gij ziet u zelven met kleuren even verachtelijk, zoo niet even hatelijk, als waarmede ik u zie. Snoef dan, en wreek mij op u zelven.”

Het schuim stond op zijne lippen, het zweet op zijn voorhoofd. Als zij maar voor een half oogenblik had gewankeld, zou hij haar hebben aangepakt en vastgebonden; maar zij stond zoo vast als eene rots, en hare doordringende oogen werden niet van hem afgewend.

“Wij scheiden zoo niet,” zeide hij. “Denkt gij dat ik suf ben, om u in zulk eene dolle bui te laten gaan?”—“Denkt gij,” antwoordde zij, “dat ik tegen te houden ben.”—“Dat zal ik beproeven, mijn liefje,” zeide hij, met eene driftige beweging van zijne hand.—“God zij u genadig, als gij beproeft dichter bij mij te komen,” antwoordde zij.—“En als ik nu eens niet zoo snoeven wilde?” zeide hij. “Als ik mij ook eens omkeerde? Kom aan!” Hij liet zijne tanden wederom eenigszins blinken. “Wij moeten accoord daarvan maken, of ik zou iets onverwachts kunnen doen. Ga zitten, ga zitten!”—“Te laat!” riep zij uit, met oogen, waaruit vonken schenen te schieten. “Ik heb eer en goeden naam in den wind gestrooid. Ik heb besloten de schande te dragen, die aan mij kleven zal—maar ik wil dat ik die ten onrechte draag—en dat gij dat ook weet—en dat hij het nooit kan en zal weten. Ik zal sterven zonder woord of teeken. Daarom ben ik hier met u alleen in het holste van den nacht. Daarom heb ik u hier onder een valschen naam als uwe vrouw afgewacht. Daarom heb ik mij door deze lieden hier laten zien. Niets kan u nu meer redden.”

Hij had zijne ziel wel willen verkoopen om haar met hare schoonheid aan den grond te doen vastwortelen, hare armen te doen verlammen, en haar in zijn geweld te hebben. Maar hij kon haar niet aanzien zonder bevreesd voor haar te zijn. Hij zag eene kracht in haar, die onweerstaanbaar was. Hij zag dat zij wanhopig was en dat haar onuitdoofbare haat tegen hem voor niets zou terugdeinzen. Zijne oogen volgden de hand, die met zulk een doodelijk opzet in hare borst werd gestoken, en hij dacht dat die hand, als zij naar hem stiet en miste, even snel naar hare eigene borst zou stooten.

Hij waagde het dus niet haar te naderen, maar de deur, waardoor hij was binnengekomen, was achter hem, en hij ging achteruit om die te sluiten.

“Voor het laatst, laat u waarschuwen! Zorg voor u zelven!” zeide zij en glimlachte nog eens. “Gij zijt verraden, gelijk alle verraders worden. Het is bekend geworden, dat gij hier zijt of hier zoudt komen. Zoo waar als ik leef, heb ik van avond mijn man hier in een rijtuig gezien.”—“Hoer, dat is gelogen!” schreeuwde Carker.

Op het oogenblik werd er hard aan de schel in de voorzaal getrokken. Hij verbleekte, terwijl zij hare hand ophief, als ware zij eene tooveres, op wier wil dat geluid zich liet hooren.

“Luister! Hoort ge dat?”

Hij zette zijn rug tegen de deur; want hij zag eene verandering in haar en verbeeldde zich, dat zij vooruitkwam om hem voorbij te gaan. Maar in een oogenblik was zij verdwenen door de andere deur, die in de slaapkamer uitkwam, en was deze achter haar gesloten.

Toen zij zich eens had omgekeerd, eens haar strakken blik van hem had afgeweerd, gevoelde hij, dat hij met haar kon kampen. Hij meende dat de schrik van dit onverwachte nachtgerucht haar overmeesterd had, des te gemakkelijker door den overspannen toestand waarin zij verkeerde. Hij duwde de dubbele deur open en volgde haar, bijna oogenblikkelijk.

Maar de kamer was donker, en daar zij op zijn roepen geen antwoord gaf, moest hij teruggaan om de lamp. Hij hield die omhoog en keek overal rond, verwachtende haar ergens in een hoek te zien weggekropen; maar de kamer was ledig. Zoo ging hij achtereenvolgens naar het salon en de eetzaal, met den onzekeren tred van iemand die ergens vreemd is, zag vreesachtig rond en keek achter sofa’s en kamerschutten, maar zij was er niet. Neen, ook niet in de voorzaal, die zoo ledig was, dat hij dit met eene enkelen blik kon zien.

Al dien tijd werd er bij herhaling aan de schel getrokken, en bonsden zij, die buiten stonden, op de deur. Hij zette zijne lamp op een afstand neer, ging dichtbij en luisterde. Verscheidene stemmen waren te gelijk aan het spreken, twee ten minste daarvan in het Engelsch; en schoon de deur dik en de verwarring groot was, kende hij eene daarvan te wel om te twijfelen wiens stem het was.

Hij nam zijne lamp weder op en ging snel terug door al de kamers heen, bij elk vertrek, dat hij verliet, stilstaande en naar haar rondziende, met het licht boven zijn hoofd. Zoo stond hij in de slaapkamer, toen de deur, die in den geheimen gang uitkwam, hem in het oog viel. Hij ging er naar toe, en vond ze aan den anderen kant gesloten; maar zij had bij het uitgaan eene voile laten vallen en tusschen de deur ingesloten.

Al dien tijd stond men op de trap te schellen en met handen en voeten op de deur te rammelen.

Hij was geen lafaard; maar deze geluiden, het voorafgaande, het vreemde der plaats, dat hem verbijsterde, de verijdeling zijner plannen (want, vreemd genoeg, hij zou veel stouter zijn geweest als zij hem gelukt waren), het nachtelijk uur, de herinnering dat hij niemand nabij zich had op wien hij zich voor een vriendendienst kon beroepen, vooral het plotselinge gevoel, dat zelfs zijn hart als lood bezwaarde, dat de man, wiens vertrouwen hij had misbruikt en dien hij zoo verraderlijk had bedrogen, daar was om hem zijn masker af te rukken en uit te dagen,—dat alles vervulde hem met een blinden schrik. Hij poogde de deur te openen, waartusschen de voile was ingesloten, maar zij wederstond zijn geweld. Hij schoof een der vensters open en keek door het zonneblind naar beneden op de plaats; maar het was een hooge sprong, en de steenen waren genadeloos.

Het schellen en bonzen bleef nog aanhouden—zijn angst nam toe—hij ging weder naar de deur in de slaapkamer, en met nieuwe pogingen, telkens sterker dan te voren zijne krachten inspannende, wrong hij ze open. Daar hij niet veraf eene smalle trap zag en de nachtlucht naar boven voelde komen, ging hij zachtjes terug om hoed en jas te halen, sloot de deur achter zich zoo goed hij kon, sloop met het licht in de hand naar beneden, deed het uit toen hij de straatdeur zag, zette de lamp in een hoek neer, en ging naar buiten, waar de sterren schitterden.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LV. ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING

De portier van het ijzeren hek, dat het binnenplein van de straat afsloot, had het deurtje van zijn huis opengelaten en was heengegaan, zonder twijfel door het gerucht op de groote trap nieuwsgierig geworden. Zachtjes de klink oplichtende, sloop Carker naar buiten, sloot het kletterende hek met zoo weinig gerucht als mogelijk was, en snelde heen.

In zijne koorts van ergernis en machtelooze woede, had de laatste schrik hem geheel overmeesterd. Zijn angst was zoo groot dat hij liever blindelings tegen bijna ieder gevaar zou zijn ingeloopen, dan den man te ontmoeten, dien hij twee uren geleden niet het minste had geteld. Zijne woedende komst, geheel onverwacht; de klank van zijne stem; dat zij zoo op het punt geweest waren om elkander onder de oogen te komen—daarover zou hij zich na de eerste ontsteltenis hebben heen gezet, en zoo onbeschaamd met zijne schuld hebben gepraald als ooit een booswicht gedaan heeft. Maar dat zijne mijn tegen hem zelven was gesprongen, scheen al zijne stoutheid en zelfvertrouwen vermorseld te hebben. In het stof getreden als een kruipend gedierte; daarheen gelokt om hem te bespotten; gesmaad en verschopt door de trotsche vrouw, wier gemoed hij langzaam had vergiftigd, naar hij meende, tot zij tot eene dienares voor zijne vermaken was gezonken; betrapt in zijn bedrog, en met zijne vossenhuid afgestroopt, sloop hij verslagen, beschaamd en vreesachtig heen.

Nog een andere schrik, geheel buiten verband met de gedachte van vervolgd te worden, trof hem eensklaps als een electrische schok, terwijl hij door de straten ging. Iets denkbeeldigs en ontzettends, iets onbegrijpelijks en onverklaarbaars, een gedruis, vergezeld met een dreunen van den grond, een gieren en suizen van iets door de lucht, alsof de dood zelf op zijne geduchte vleugelen kwam aanstormen. Hij kroop op zijde als om dat voorwerp te laten voorbijvliegen. Het vloog niet voorbij, het was er nooit geweest, maar welk eene ontsteltenis had het toch achtergelaten.

Hij hief zijn angstig gezicht naar den nachthemel op, waar de sterren, zoo vreedzaam, hem beschenen gelijk toen hij pas in de lucht kwam, en bleef staan om te overleggen wat hij doen zou. De vrees om in eene vreemde afgelegene plaats te worden overvallen, waar de wetten hem misschien niet zouden beschermen—het nieuwe van het gevoel, dat het hem daarom hier zoo vreemd was, omdat hij eensklaps met zijne verwoeste plannen alleen was gebleven—zijn nog grooter angst om nu in Italië of op Sicilië schuilplaats te zoeken, waar, dacht hij, op elken hoek eener straat een kerel kon worden gehuurd om hem te vermoorden—de wispelturigheid van schuld en vrees—misschien zeker gevoel dat, nu al zijne plannen waren omgekeerd, hij insgelijks moest omkeeren—dreef hem om dit werkelijk te doen en zich weder naar Engeland te begeven.

“Daar ben ik in allen gevalle veiliger. Als ik er niet toe mocht besluiten,” dacht hij, “om dien gek satisfactie te geven, is het minder waarschijnlijk dat ik daar zal worden opgespoord, dan nu hier buitenslands. En als ik het mocht doen (als die verwenschte vlaag van schrik maar over is) zal ik daar ten minste niet alleen zijn, zonder iemand om mee te spreken, of mij raad te geven of bij te staan. Ik wil mij niet laten achterhalen en afmaken als een rat.”

Hij mompelde Edith’s naam en balde zijne vuist. Terwijl hij in de schaduw der huizen voortsloop, klemde hij zijne tanden samen, en prevelde geduchte vervloekingen over haar hoofd, en keek heen en weder, alsof hij haar zocht. Zoo sloop hij voort tot aan de poort van een herbergplein. Men was in bed; maar het schellen deed weldra een man met eene lantaren aankomen, met wien hij spoedig in het donkere koetshuis was en dong over het huren van een ouden phaëton, naar Parijs.

De onderhandeling duurde kort, en spoedig werden de paarden gehaald. Zeggende dat het rijtuig hem maar volgen moest, zoodra zij waren voorgespannen, sloop hij weder heen, de stad uit, de oude vestingwerken door en den open weg op, die als een stroom over de donkere vlakte scheen voort te glijden.

Waarheen vloeide hij? Wat was het eind er van? Toen hij stilstond, en terwijl hem zoo iets in de gedachten kwam, over de sombere vlakte uitkeek, waar dunne boompjes de richting van den weg aanduidden, kwam weder dat geduchte gedruis achter hem aan, vloog hem weder met onweerstaanbare, doodelijke vaart voorbij, en liet wederom niets achter dan eene ontzetting, even donker als in het uitzicht, even onbestemd als de gezichteinder.

Er was geen wind; er was geen voorbijzwevende schaduw over het veld; er was geen gerucht. De stad lag achter hem, hier en daar verlicht, en sterrenwerelden verborgen zich achter den toren en het kerkdak, die nauwelijks een tegen de lucht afstekenden omtrek vertoonden. Duisternis en eenzaamheid lagen overal om hem heen, en hij hoorde de klokken flauw twee uur slaan.

Hij ging voort, een langen tijd en een verren weg naar het hem voorkwam, en bleef dikwijls stilstaan om te luisteren. Eindelijk begroette het gerinkel van bellen zijne angstig luisterende ooren. Nu zachter, dan luider, dan weder onhoorbaar, nu zeer langzaam klinkend over slechten grond, dan vlug en vroolijk, kwam het aan; tot met een luidruchtig geroep en zweepgeklap een tot aan de oogen ingebakerde postiljon zijne vier trappelende paarden naast hem ophield.

“Wie gaat daar! monsieur?”—“Ja.”—“Monsieur heeft heel ver gewandeld in den donkeren nacht.”—“Dat doet er niet toe. Ieder zijn smaak. Waren er nog andere paarden aan het posthuis besteld?”—“Duizend duivels!—en pardons! Nog andere paarden? Op dit uur? Neen.”—“Luister, mijn vriend. Ik heb groote haast. Laat eens zien hoe hard wij kunnen rijden. Hoe harder, des te meer drinkgeld. Voort dan! Snel!”—“Hallo! Hoep! Hallo! Hi!” En voort ging het in galop door het donkere landschap, dat modder en stof als zeeschuim in de lucht vlogen.

Het gekletter en geraas was een weergalm van het verwarde oproer in de gedachten des vluchtelings. Niets was helder van buiten, niets helder van binnen. Voorwerpen, die voorbijvlogen, in elkander versmolten, flauw onderscheiden werden, in verwarring verdwenen! Voorbij de afwisselende plekjes struikgewas en de huisjes vlak langs den weg eene akelige ledige vlakte. Voorbij de afwisselende beelden, die voor zijn geest oprezen en weder verdwenen zoodra zij zich vertoonden, eene donkere ledigheid van woede, vrees en teleurgestelde schurkerij. Nu en dan kwam er een zuchtje berglucht van het afgelegene Juragebergte, en verdween langs de vlakte. Somtijds kwam dat gierende gedruis, dat zoo woedend en akelig was, wederom door zijne verbeelding suizen, ging voorbij, en liet eene ijzing in zijn bloed achter.

De lantarens, op den warhoop van paardenkoppen schijnende, met den ingebakerden postiljon en zijn fladderenden mantel, vormden duizend onduidelijke gedaanten, die aan zijne gedachten beantwoordden. Schimmen, welbekende menschen, over hunne lessenaren en boeken gebukt, in hunne welbekende houdingen; vreemde verschijnselen van den man dien hij ontvluchtte of van Edith; herhalingen, in het gerinkel der bellen of het geratel der wielen, van woorden die gesproken waren; eene verwarring van tijd en plaats, welke den laatsten nacht tot eene maand geleden, eene maand geleden tot den laatsten nacht maakte—die zijn thuis nu ongenaakbaar ver, dan oogenblikkelijk bereikbaar deed schijnen, gejaagdheid, verwarring, duisternis en oproer in zijn geest en overal om hem heen.—Hallo! Hi! Voort in galop door het zwarte landschap, dat slijk en stof als zeeschuim wegvliegen, terwijl de dampende paarden snuiven en trappelen alsof ieder door een duivel bereden werd; voort in dollen zegevierenden ren langs den donkeren weg—waarheen?

Wederom komt dat onbeschrijfelijke gedruis achter hem aan, en terwijl het voorbijvliegt, rinkelen de bellen hem in de ooren “waarheen?” De wielen brullen hem in de ooren “waarheen?” Al het gerucht en geratel vormt zich tot dien kreet. De lichten en schaduwen dansen als elfen om de koppen der paarden. Nu geen ophouden, geen vertragen! Voort, voort! Voort met hem in dollen ren langs den donkeren weg!

Hij kon niet duidelijk denken. Hij kon het eene voorwerp zijner gedachten niet genoeg van het andere onderscheiden, om er eene minuut lang bij te blijven vertoeven. Het verijdelen van zijn plan om zich voor vroeger bedwang eene wellustige vergoeding te verschaffen; de straf voor zijn verraad aan iemand, die hem eerlijk en edelmoedig behandeld had, maar van wien hij ieder trotsch woord en blik sedert jaren had opgezameld en op interest gezet—want valsche en listige menschen verachten en haten altijd heimelijk het voorwerp hunner vleierij, en wrokken altijd over het betalen en aannemen dier hulde, die zij weten dat geene waarde heeft; dat waren de onderwerpen die hem het meest voor den geest zweefden. Eene stille woede tegen de vrouw, die hem zoo verschalkt en zich zelve zoo gewroken had, was daarmede altijd gemengd; onbekookte, wanstaltige plannen tot vergelding van haar bedrijf dreven in zijn brein rond; maar niets was duidelijk. Zekere gejaagdheid en tegenstrijdigheid beheerschte al zijne gedachten. Zelfs terwijl hij zoo druk bezig was met dit koortsige, verwarde denken, was zijne eenige steeds blijvende gedachte, dat hij het nadenken tot zekeren onbepaalden tijd wilde uitstellen.

Toen kwamen de oude dagen voor het tweede huwelijk hem weder in het geheugen. Hij dacht hoe jaloersch hij op het knaapje, hoe jaloersch hij op het meisje geweest was, hoe listig hij alle indringers op een afstand had gehouden, en om den man, dien hij misleidde, een kring had getrokken, waarover niemand dan hij zelf moest heen stappen; en toen dacht hij: had hij dat alles gedaan om nu, als een betrapte dief, voor niemand anders dan hem, dien hij zoo bedrogen had en zoo verachtte, te vluchten?

Hij had uit wrevel over zijne lafhartigheid de handen wel aan zich zelven kunnen slaan, maar die lafhartigheid was als het ware de schaduw zijner nederlaag, en kon niet daarvan worden afgescheiden. Zijn vertrouwen op zijne eigene schurkerij zoo met één slag te zien verwoesten, zelf te weten dat hij zulk een ellendig werktuig was geweest, dit had hem zoo goed als verlamd. Met machtelooze woede vloekte hij op Edith, haatte hij Dombey en haatte hij zich zelven, maar toch vluchtte hij, en kon hij niet anders dan vluchten.

Nogmaals en nogmaals luisterde hij naar het gerucht van wielen achter hem. Nogmaals en nogmaals verbeeldde hij zich dat hij het al luider en luider hoorde aankomen. Eindelijk was hij er zoo van overtuigd, dat hij riep: “Houd op!” en liever grond wilde verliezen dan langer die onzekerheid verdragen.

Zijn bevel deed rijtuig, paarden en postiljon met een schok op elkander stuiven en stilstaan.

“Duivel!” riep de postiljon, over zijn schouder omkijkende. “Wat is er?”—“Luister! Wat is dat?”—“Wat?”—“Dat geluid.”—“O hemel! stil dan, vervloekte brigand!” tot een paard, dat zijne bellen schudde. “Wat voor geluid?”—“Daar achter ons. Is dat niet een ander rijtuig in galop? Daar! Wat is dat?”—“Schelm met een varkenskop, sta stil!” tot een ander paard, dat een ander beet, dat de twee andere schichtig maakte, die steigerden en trappelden. “Daar komt niets aan.”—“Niets?”—“Niets, dan daar ginds de dag.”—“Gij hebt gelijk, geloof ik. Ik hoor nu ook niets. Rijd maar voort.”

De in elkander gewarde equipage, half verborgen in den damp, die van de paarden opstijgt, rijdt eerst langzaam voort, want de postiljon, buiten noodzaak in zijne vaart gestuit, haalt brommig zijn zakmes uit en maakt een nieuwen slag aan zijne zweep. En toen “Hallo Ho!” Nog eens in dollen ren.

En nu verbleekten de sterren, en brak de dageraad aan, en in het rijtuig overeindstaande en terugziende, kon de vluchteling den weg onderscheiden, dien hij had afgelegd, en zich overtuigen dat er geen reiziger meer in het gezicht was. En spoedig werd het helder dag, en begon de zon op korenvelden en wijngaarden te schijnen, en gingen eenzame arbeiders uit tijdelijke hutjes, bij groote steenhoopen aan den weg, aan het werk om dien weg te herstellen, en hun brood zitten eten. Later gingen er landlieden naar hun dagwerk of naar de markt, of stonden zij aan de deuren van armoedige huisjes ledig naar hem te kijken, terwijl hij voorbijreed. En toen kwam het posthuis, waar de modder een half voet hoog op het voorplein lag, met rookende mesthoopen en bouwvallige schuren; en aan dit fraaie plein stond een uitgestrekt oud kasteel, met de helft der vensters toegemetseld en met eene groene schimmel begroeid van de steenen borstwering van het terras, tot aan de naar dompertjes gelijkende torenspitsen.

Lusteloos in een hoek van het rijtuig gedoken, en zich om niets anders bekommerende dan dat men hard doorreed—behalve wanneer hij, een kwartier achtereen, opstond en achteromkeek, hetgeen hij telkens deed als men een vrij uitzicht had—reed hij nog voort, nog het nadenken onbepaald uitstellende, en toch steeds gepijnigd door allerlei verwarde gedachten.

Schaamte, teleurstelling en wreveligheid knaagden aan zijn hart, eene gedurige vrees om ingehaald of ontmoet te worden—want hij was zelf zonder eenige reden bevreesd voor de reizigers, die hem op den weg tegenkwamen—drukte hem ter neer. Dezelfde ondraaglijke angst en ontzetting, die hem in den nacht hadden overvallen, keerden overdag onverzwakt terug. Het eentonige rinkelen der bellen en stampen der paarden; de eentonigheid van zijn angst en nuttelooze woede; het eentonige rad van vrees, spijt en gramschap, dat al om en om draaide; dat alles maakte de reis tot een visioen, waarin niets werkelijk bestaan had dan zijne eigene marteling.

Het was een visioen van lange wegen, welke zich tot den gezichteinder uitstrekten, die steeds terugweek en nooit bereikt werd; van slecht bestrate steden, niet op- en neerloopende straten, waar gezichten voor de donkere deuren en doffe vensters kwamen, waar rijen van bemodderde koeien en ossen, in lange straten te koop vastgebonden, stonden te loeien en te stooten, en op hunne botte koppen slagen met knuppels kregen, hard genoeg om ze de hersenen in te slaan; van bruggen, kruisen, kerken, posthuizen, nieuwe paarden tegen wil en dank voorgespannen, en paarden van het laatste station, dampende en hijgende, hunne koppen zwaarmoedig bij eene staldeur bij elkander stekende; van kleine kerkhoven met zwarte kruisen, schuins bij graven gezet, en verwelkte kransen daaraan hangende; en wederom van lange, lange wegen, die zich, heuvel op en heuvel af, naar den verraderlijken gezichteinder voortsleepten.

Van morgen, middag, avond en nacht en het opkomen der maan. Van lange wegen voor eene poos achtergelaten en het ratelen over eene ongelijke straat, en het opkijken tusschen de huizen naar een grooten kerktoren; van uitstappen en haastig eten, en glazen wijn drinken, die geen vervroolijkenden invloed hadden; van te voet buiten te komen, tusschen een zwerm van bedelaars—blindemannen met trillende oogleden, geleid door oude vrouwen, die hen kaarsen voor het gezicht hielden, onwijze kinderen, lammen en kreupelen—van door het rumoer heen te gaan en van zijne plaats naar de omhooggekeerde gezichten en uitgestokene handen te kijken, met een haastig opkomenden angst van een vervolger te herkennen—van weder voort te rennen langs den langen, langen weg, dof en versuft in zijn hoek gedoken, of op te staan om te zien waar mijlen ver op een plekje van denzelfden eindeloozen weg de maan scheen, of om te kijken om te zien wie er volgde.

Van nooit te slapen, maar somtijds met ongeslotene oogen te dutten, en met een schrik op te springen en overluid te antwoorden op eene denkbeeldige stem. Van zich zelven te vervloeken, dat hij daar was, dat hij gevlucht was, dat hij haar had laten gaan, dat hij hem niet had afgewacht en uitgetart. Van een doodelijken wrok tegen de geheele wereld, maar vooral tegen zich zelven. Van alles wel te willen verdelgen terwijl hij voorbijreed.

Het was een koortsig visioen van verledene en tegenwoordige dingen allen ondereen geward, van zijn leven en zijne reis te zamen gesmolten. Van in dolle vaart ergens heengevoerd te worden, waar hij heen moest. Van oude tooneelen, oprijzende tusschen de nieuwe, waardoor hij heenreed. Van te peinzen en te mijmeren over hetgeen lang geleden en veraf was, en niet te letten op de voorwerpen, die hij wezenlijk zag, maar toch met eene vermoeiende bewustheid dat zij hem verbijsterden, en als zij verdwenen hunne beelden in zijn gloeiend brein achterlieten.

Een visioen van veranderingen op veranderingen, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van stad en land, pesthuizen, paarden, postiljons, heuvel en dal, droog weder en regen, wegen en straten, licht en duisternis, hoogten en laagten, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Een visioen van eindelijk de hoofdstad te naderen, langs drukke wegen, en voorbij oude domkerken te rijden, en door kleine steden en dorpen te vliegen, minder dun dan te voren langs den weg gesprenkeld, en in zijn hoek gedoken te zitten, met zijn mantel half voor zijn gezicht, als voorbijgangers hem aankeken.

Van voort en voort te rennen, altijd het denken uitstellende, en altijd gemarteld door zijne woelige gedachten; van buiten staat te zijn om te berekenen hoelang hij onderweg was geweest, of te begrijpen hoe de plaatsen elkander op zijne reis hadden gevolgd. Van dorstig, duizelig en half krankzinnig te zijn. Van ondanks dat alles toch voort te jagen, alsof hij niet kon ophouden, en Parijs binnen te rijden, waar de troebele rivier ongestoord haar snellen loop vervolgde, tusschen twee bruisende stroomen van leven en beweging.

Dan een verward visioen van bruggen, kaden, eindelooze straten; van wijnhuizen, waterdragers, gedrang van menschen, soldaten, koetsen, trommels en gaanderijen. Van een algemeen gewoel en gerucht, dat de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven eindelijk verzwolg. Van het langzaam verminderen van dat gerucht, toen hij met een ander rijtuig eene andere barrière uitreed. Van het terugkomen, terwijl hij zeewaarts reed, van de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust.

Van avond en nacht wederom. Van lange wegen wederom, en duisternis, en flauwe lichtjes voor de vensters langs den weg; en steeds de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van het aankomen van den dag en het opgaan der zon. Van langzaam tegen een heuvel op te kruien en op den top de frissche zeelucht te gevoelen, en het morgenlicht op de kammen der golven in de verte te zien spelen. Van naar de reede te komen, met hoog water, en de visschersscheepjes aan land te zien komen, en blijde vrouwen en kinderen daarnaar te zien wachten. Van netten en visscherskleeren, op het strand te drogen gespreid; van druk bezige matrozen, en hunne stemmen omhoog tusschen masten en touwen; van de dartelheid en helderheid van het water, en het schitteren overal.

Van de kust te verlaten en daarnaar terug te zien van het dek, terwijl er een nevel op het water hing, met eene kleine opening hier en daar, waardoor men het land zag, helder door de zon beschenen. Van het deinen en murmelen der kalme zee. Van eene andere grauwe streep op het water, voor den boeg van het schip, die met spoed duidelijker en hooger werd. Van klippen en gebouwen, en een windmolen en eene kerk, die daar al duidelijker en duidelijker zichtbaar werden. Van eindelijk in effen water te komen, en aan te leggen bij een hoofd, van waar groepen menschen naar beneden keken en hunne vrienden aan boord begroetten. Van snel tusschen hen door te gaan, iedereen vermijdende, en eindelijk weder in Engeland te zijn.

Hij had in zijn droom gedacht van naar een afgelegen landstadje te gaan dat hij kende, en zich daar stil te houden, terwijl hij heimelijk vernam naar wat er was voorgevallen, en overlegde hoe hij handelen moest. Nog in denzelfden versuften toestand, herinnerde hij zich zeker station aan den spoorweg, waar hij een zijtak naar de plaats zijner bestemming zou moeten inslaan, en waar eene stille herberg was. Daar nam hij zich voor eene poos uit te rusten.

Met dit voornemen sloop hij terstond in een spoorrijtuig, en daar in zijn mantel gewikkeld liggende, alsof hij sliep, werd hij spoedig ver van de zee en diep in het groene binnenland gevoerd. Op de bedoelde plaats gekomen keek hij voorzichtig rond. Zijne herinnering had hem niet misleid. Het was eene stille, afgelegene plek, aan den zoom van een boschje. Slechts een huis, pas gebouwd of tot het tegenwoordige doel ingericht, stond daar, door een netten tuin omgeven; de naastbijzijnde kleine stad was toch eenige mijlen ver. Hier stapte hij dus af, en naar de herberg gaande, zonder dat iemand hem opmerkte, verzekerde hij zich van twee bovenkamers, die in elkander uitkwamen, en die hij afgelegen genoeg vond.

Zijn doel was uit te rusten, en zelfbeheersching en bedaardheid terug te krijgen. Doffe verslagenheid en woede—zoodat hij, terwijl hij op zijne kamer heen en weder ging, op zijne tanden knarste—hadden hem geheel overmeesterd. Zijne gedachten, die zich niet lieten stuiten of besturen, zwierven nog waarheen zij wilden en sleepten hem mede. Hij was versuft en dood moede.

Maar, alsof er een vloek op hem lag dat hij nooit zou rusten, wilden zijne slaperige zinnen hunne bewustheid maar niet verliezen. Hij had in dit opzicht niet meer heerschappij over hen, dan alsof zij een ander hadden toebehoord. Het was niet dat zij hem dwongen om op tegenwoordige klanken en voorwerpen te letten, maar zij wilden zich niet laten afbrengen van eene woelige herhaling zijner geheele reis. Deze werd hem gedurig en op eens weder voorgehouden. Zij stond daar weder, met hare donkere oogen vol verachting op hem gevestigd; en hij reed niettemin voort, door stad en land, door licht en duisternis, door regen en zonneschijn, over puinwegen en straatsteenen, heuvelen en dalen, hoogten en laagten, gemarteld en versuft door de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en zonder rust.

“Wat is het voor een dag?” vroeg hij aan den knecht, die zijne tafel kwam dekken.—“Dag, mijnheer?”—“Is het woensdag?”—“Woensdag, mijnheer? Neen, mijnheer. Donderdag, mijnheer.”—“Het was mij ontschoten. Hoe laat is het? Mijn horloge is niet opgewonden.”—“Het is op slag van vijven, mijnheer. Lang op reis geweest, misschien, mijnheer?”—“Ja.”—“Heel vermoeiend voor het hoofd, mijnheer. Zelf niet veel gewoon met spoor te reizen, mijnheer; maar de heeren zeggen dat dikwijls.”—“Komen hier veel heeren?”—“Nog al, mijnheer. Tegenwoordig niemand hier. Nu juist een beetje slap. Alles gaat slap, mijnheer.”

Hij gaf geen antwoord, maar was op de sofa, waarop hij gelegen had, in eene zittende houding overeindgekomen, en staarde nu, voorovergeleund, met de armen op de knieën, naar den grond. Hij kon zijne oplettendheid geene minuut lang meester blijven. Zij vloog heen waar zij wilde, maar verloor zich nooit een oogenblik in den slaap.

Hij dronk na den maaltijd vrij veel wijn, maar vruchteloos. Geen zoodanig kunstmiddel wilde hem slaap in de oogen brengen. Zijne gedachten, nog minder geregeld, sleepten hem ongenadig mede—als werd een rampzalige, tot zulk eene straf veroordeeld, achter de hoeven van wilde paarden medegesleept. Geene vergetelheid, en geene rust.

Hoelang hij daar zat te drinken en te mijmeren, en in verbeelding herwaarts en derwaarts gesleept werd, had niemand minder nauwkeurig kunnen zeggen dan hij zelf. Maar hij wist dat hij langen tijd bij kaarslicht had gezeten, toen hij met plotselingen schrik overeindsprong.

Want nu was het inderdaad geene verbeelding. De grond dreunde, het huis trilde, en het wilde, jagende gedruis was in de lucht! Hij voelde het aankomen en voorbijvliegen; en zelfs toen hij naar het venster was gesneld en zag wat het was, stond hij er nog voor te huiveren, en deinsde hij terug alsof het niet veilig was uit te zien.

Een vloek op den vuurduivel, die zoo onverwacht kwam aandonderen, nu door de afgelegene vallei na te sporen was door een lichtglans en eene rookwolk, en toen verdwenen was! Het was hem te moede alsof hij uit de baan van dat monster was gerukt en daardoor alleen bewaard van aan stukken gescheurd te worden. Het deed hem zelfs nu nog huiveren en beven, nu het flauwste geluid niet meer te hooren was, en de sporen van den ijzeren weg, die hij in den maneschijn kon volgen tot zij in één punt samenliepen, zoo ledig en stil waren als eene woestijn.

Buiten staat om te rusten, en onweerstaanbaar—of hij dacht zoo—naar dezen weg getrokken, ging hij naar buiten en kuierde langs den rand, en lette op het pad, dat de trein bereden had, aan de nog rookende sintels te onderscheiden. Na eene wandeling van omtrent een half uur, in de richting waarin de trein was verdwenen, keerde hij om en stapte den anderen kant op—altijd langs den kant van den weg blijvende—den tuin der herberg weder voorbij, en nog een heel eind verder, en keek nieuwsgierig naar bruggen, seinpalen en lampen, en verwonderde zich wanneer er een andere vuurduivel zou voorbijkomen.

Een dreunen van den grond en eene snelle trilling in zijne ooren; een gil in de verte; een dof licht, dat snel naderde en in twee roode oogen en een schitterend vuur veranderde, waaruit gloeiende kolen op den grond vielen; een brullend, zich reusachtig uitzettend gevaarte, dat met onweerstaanbare vaart aankwam, een snuivende wind en een geratel—nog een vuurduivel was voorbijgevlogen, en hij hield zich aan een hek vast, als om zich te redden.

Hij wachtte naar nog een, en naar nog een. Hij wandelde terug naar het eerste punt, en weder terug naar dit, en keek nog steeds, door het vermoeiende visioen zijner reis heen, naar die naderende monsters uit. Hij bleef bij het station dralen, om te wachten tot er daar een zou ophouden, en toen dit er een deed, en losgerukt werd om water in te nemen, en hij vlak er bij stond en hij de zware wielen en het koperen voorhoofd van het monster zag, dacht hij welk eene gruwelijke kracht het had. IJselijk! De groote wielen langzaam te zien ronddraaien, en te denken, dat men er door overreden en verpletterd kon worden.

Ongesteld door den wijn en het gebrek aan rust—een gebrek dat niets, al was hij nog zoo moede, wilde vervullen—oefenden deze voorwerpen en gedachten een koortsachtigen invloed op hem uit. Toen hij weder naar zijne kamer ging, hetgeen hij eerst tegen middernacht deed, vervolgden zij hem nog, en bleef hij nog naar de komst van een ander monster zitten luisteren.

Zoo was het ook in zijn bed, waarheen hij zich begaf zonder hoop om te slapen. Hij bleef nog liggen luisteren; en als hij het dreunen en trillen voelde, stond hij op en ging naar het venster, om, gelijk hij daar kon, het doffe licht in twee ronde oogen te zien veranderen, en de gloeiende kolen uit het schitterende vuur te zien vallen, en de snuivende vaart van het monster waar te nemen, en zijn spoor van licht en rook door de vallei te volgen. Dan keek hij uit in de richting, waarin hij met den dageraad wilde vertrekken, daar hij hier toch niet rusten kon, en ging weder liggen, en werd wederom geplaagd door het visioen zijner reis, en de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, tot er weder een ander monster kwam. Dit duurde den geheelen nacht. Wel verre van de heerschappij over zich zelven te herkrijgen, scheen hij die zoo mogelijk meer en meer te verliezen. Toen de dageraad aanbrak, werd hij nog gemarteld door zijn denken, en wilde hij nog het nadenken uitstellen tot hij daartoe beter in staat was; het verledene, het tegenwoordige, de toekomst, alles dwarrelde voor hem dooreen, en hij had alle vermogen verloren om iets met vastheid in het oog te houden.

“Hoe laat ga ik hier vandaan, hebt gij gezegd?” vroeg hij den knecht, die hem des nachts bediend had en nu met eene kaars binnenkwam.—“Tegen kwartier over vieren, mijnheer. Om vier uur komt de expres-trein—maar die houdt hier niet op.”

Hij streek met zijne hand over zijn kloppend hoofd en keek op zijn horloge. Bij half vier.

“Denkelijk zal er niemand met u meegaan, mijnheer,” merkte de knecht aan. “Nog twee heeren hier, mijnheer, maar die wachten op den trein naar Londen.”—“Ik dacht, dat gij gezegd hadt, dat er niemand hier was,” zeide Carker, zich naar hem omkeerende met een flauwen zweem van zijn ouden glimlach, als hij kwaad of achterdochtig was.—“Toen niet, mijnheer. Twee heeren zijn van nacht gekomen, met den korten trein die hier blijft, mijnheer. Warm water, mijnheer?”—“Neen. En neem de kaars maar weg. Er is daglicht genoeg.”

Daar hij zich half gekleed in het bed had geworpen, stond hij al weder voor het venster toen de knecht uitging. Het koude licht van den dageraad had den nacht vervangen, en reeds zag men den rooden gloed der naderende zon in de lucht. Hij poogde zijn hoofd en gezicht met water te verfrisschen—maar het had voor hem geene verkoelende kracht—trok haastig zijne kleeren aan, betaalde wat hij schuldig was en ging naar buiten.

Hij vond de lucht, die hem aanwoei, onaangenaam kil. Het had zwaar gedauwd, en verhit als hij was, deed de koelte hem huiveren. Na even te hebben omgekeken naar den kant waar hij des nachts had gewandeld, en naar de seinlichten, thans door het daglicht verdoofd en van geen nut meer, keerde hij zich naar den kant der zon, en zag deze in al hare heerlijkheid opgaan.

Zoo plechtig en schoon, zoo goddelijk prachtig. Terwijl hij zijne flauwe oogen op haar vestigde, waar zij oprees stil en statig, onbeneveld door al de goddeloosheid, die hare stralen sedert het begin der wereld hadden beschenen, wie zal zeggen of toen eene flauwe bewustheid van het bestaan der deugd op aarde en hare belooning in den hemel, zich niet zelfs aan hem openbaarde? Als hij ooit met een zweem van teederheid en wroeging aan zijn broeder en zijne zuster dacht, wie zal zeggen dat het toen niet was?

Wel mocht dat toen zijn. De dood was hem nabij. Hij was afgezonderd van de levende wereld, en had den voet in het graf.

Hij betaalde zijn geld voor de reis naar het landstadje, waaraan hij gedacht had; en wandelde alleen heen en weder, en keek de ijzeren sporen langs, door de vallei in de eene richting, en naar eene donkere brug in de andere; toen hij, zijne wandeling stakende en omkeerende aan het einde eener houten gaanderij, waarop hij heen en weder stapte, den man, voor wien hij de vlucht had genomen, de deur zag uitkomen, door welke hij zelf daar gekomen was. Zij herkenden elkander terstond.

In de duizeling der verrassing wankelde hij en tuimelde van de planken af op den lager weg naast hem. Maar zich terstond weder herstellende, deed hij een paar schreden achterwaarts op dien weg, om den afstand tusschen hen te vergrooten, en zag, kort en snel ademhalende, zijn vervolger aan.

Hij hoorde roepen—nog eens—zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan—voelde den grond dreunen—wist in een oogenblik dat het monster aankwam—gaf een gil—keek om—zag de roode oogen, schemerachtig flauw in het daglicht, dicht achter hem—werd neergesmeten, opgepakt en rondgeslingerd door een getand raderwerk, dat hem om en om liet draaien, hem van lid tot lid verscheurde, zijn bloed met een vuurgloed oplekte, en de verminkte stukken zijner leden in de lucht wierp.

Toen de reiziger, die herkend was, uit zijne bezwijming bijkwam, zag hij op een afstand vier mannen, die op eene plank tusschen hen iets wegdroegen, dat overdekt was en doodstil lag, terwijl anderen eenige honden wegjoegen, die langs den weg liepen te snuffelen en de sporen van zijn bloed met asch bestrooiden.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LVI

VERSCHEIDENE MENSCHEN VERHEUGD EN DE KEMPHAAN VERONTWAARDIGD.

De adelborst was in volle levendigheid. Toots en Suze waren eindelijk gekomen. Suze was naar boven gevlogen als een meisje dat van hare zinnen was, en Toots en de Kemphaan waren naar het achterkamertje gegaan.

“O, mijne allerliefste jufvrouw Flore!” riep Suze, Florence’s kamer binnenstuivende, “als ik denk dat het zoover komen moest, en ik u hier moet vinden, mijn lief duifje, met geen mensch om u te bedienen, en geen huis waar gij thuis zijt; maar nu zal ik nooit weer heengaan, jufvrouw Flore, want al mag ik geen mos verzamelen, ik ben toch geen rollende steen, en mijn hart is ook geen steen, of anders zou het niet barsten zooals het nu barst, och Heere, och Heere!”

Deze woorden in één adem uitstortende, sloot Suze hare meesteres, bij welke zij op hare knieën lag, vast in hare armen.

“O, liefje,” riep Suze uit, “ik weet al wat er gebeurd is, ik weet het alles, mijn hart, en ik stik er van; geef mij toch lucht!”—“Suze, lieve goede Suze!” zeide Florence.—“O zegen haar! Ik, die nog zulk eene kleine meid was, toen zij een klein kind was! en zal zij nu waarlijk en wezenlijk gaan trouwen!” riep Suze, met eene uitbarsting van blijdschap en smart, van trotschheid en verdriet, en de hemel weet hoeveel meer strijdige aandoeningen.—“Wie heeft u dat gezegd?” zeide Florence.—“Och lieve tijd! Die onnoozele Toots,” antwoordde Suze, zenuwachtig lachende. “Ik wist wel dat het waar moest wezen, liefje, omdat hij zich zoo aanstelde. Hij is een allerbeste, onnoozelste jongen. En zal mijn schat,” vervolgde Suze, hare meesteres omhelzende, en in tranen uitbarstende, “dan waarlijk gaan trouwen!”

De mengeling van medelijden, blijdschap, teederheid, bezorgdheid en spijt, waarmede Suze telkens op dit onderwerp terugkwam, en dan telkens haar hoofd ophief, om het jeugdige gezichtje aan te zien en te kussen, en dan haar hoofd weder op den schouder harer meesteres liet zinken, en haar liefkoosde, was iets zoo hartelijks en aardigs als men ooit in de wereld iets gezien heeft.

“Kom, kom!” zeide de troostende stem van Florence weldra. “Nu zijt ge immers weer bedaard, Suze?”

Zij zat op den grond, aan de voeten harer meesteres, te lachen en te snikken, en hield met de eene hand haar zakdoek voor hare oogen, terwijl zij met de andere Diogenes streelde, die haar gezicht likte. In die houding verklaarde zij dat zij weer bedaard was, en lachte en schreide nog wat meer, ten bewijze daarvan.

“Ik—ik—ik heb nooit zulk een schepsel gezien als die Toots,” zeide Suze, “in al mijn leven niet!”—“Zoo goedaardig,” zeide Florence.—“En zoo comisch!” snikte Suze. “De manier zooals hij zich in de koets bij mij aanstelde, met dien schandaligen Kemphaan op den bok.”—“Wat zeide hij dan, Suze?” vroeg Florence beschroomd.—“Och, hij had het over luitenant Walters en kapitein Gills, en over u, jufvrouw Flore, en het stille graf,” zeide Suze.—“Het stille graf?” herhaalde Florence.—“Hij zegt,” zeide Suze, in een zenuwachtig geschater uitbarstende, “dat hij nu dadelijk daarin zal dalen, heel weltevreden; maar wees gerust, lieve jufvrouw Flore, dat zal hij toch niet, hij is daartoe veel te gelukkig als hij andere menschen gelukkig ziet; hij mag geen Salomon wezen,” vervolgde zij met hare gewone radheid van tong, “en ik zeg ook niet dat hij er een is, maar dat zeg ik, dat er nooit iemand geweest is, die minder eigenlievend was dan hij!”

Daar Suze nog zenuwachtig was, begon zij na het afleggen dezer nadrukkelijke verklaring onmatig te lachen en onderrichtte Florence daarna dat hij beneden wachtte om haar te zien, hetgeen eene rijke belooning voor hem wezen zou voor de moeite, die zijne laatste onderneming hem gekost had.

Florence belastte Suze om Toots als eene gunst te gaan verzoeken, dat zij het genoegen mocht hebben om hem voor zijne goedheid te danken, en weinige oogenblikken later liet Suze den jongen heer binnen, nog zeer slordig in zijn voorkomen en buitengemeen stotterende.

“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots. “Nog eens vergunning te verwerven om—om—om te staren—ten minste, niet te staren maar—ik weet niet recht wat ik wilde zeggen, maar het is van geen beduiden.”—“Ik moet u zoo dikwijls danken,” zeide Florence, hem beide hare handen gevende, terwijl al hare onschuldige dankbaarheid haar uit de oogen straalde, “dat ik geene woorden meer heb, en niet weet hoe ik het doen zal.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, met eene akelig holle stem, “als het mogelijk was dat gij, met uw engelachtig karakter, mij kondt vloeken, zoudt ge mij—als ik het zoo mag uitdrukken—oneindig minder overhoopsmijten, dan door deze onverdiende uitdrukkingen van vriendelijkheid. De werking daarvan op mij—is—maar,” zeide Toots, kort afbrekende, “dat is iets dat nu niet te pas komt, en van geheel geen beduiden.”

Daar het niet mogelijk scheen hierop anders te antwoorden, dan door hem nog eens te bedanken, deed Florence dit nog eens.

“Ik wenschte deze gelegenheid waar te nemen, als ik mocht, jufvrouw Dombey,” zeide Toots, “om een woordje van opheldering te spreken. Ik zou het genoegen gehad hebben om—om al vroeger met Suze terug te komen; maar vooreerst wisten wij niet hoe de bloedverwant heette, bij wien zij in huis was gegaan, en ten tweede was zij al weder van dien bloedverwant vandaan en naar een ander gegaan, die veel verder woonde, zoodat ik haast niet geloof dat het van den Kemphaan, met al zijne schranderheid, te vergen was haar heel gauw te vinden.”

Florence was daarvan overtuigd.

“Maar dat is eigenlijk de zaak niet,” hervatte Toots. “Het gezelschap van Suze, verzeker ik u, jufvrouw Dombey, is in mijn gemoedstoestand een troost en een genoegen geweest, die men zich gemakkelijker kan verbeelden dan beschrijven. De reis heeft hare eigene belooning medegebracht. Maar dat is eigenlijk ook de zaak niet. Jufvrouw Dombey, ik heb al vroeger eens gezegd, dat ik wel weet dat ik niet ben wat men heel schrander noemt. Ik ben mij daarvan volkomen bewust. Ik weet niet, dat iemand beter bekend kan zijn—als de uitdrukking niet wat al te sterk was, zou ik zeggen met de botheid van zijn eigen kop—dan ik het ben. Maar jufvrouw Dombey, in weerwil daarvan begrijp ik toch wel den—den staat van zaken—met luitenant Walters. Welke zielesmart mij die staat van zaken ook veroorzaakt mag hebben (dat van geheel geen belang is), ik ben verplicht te zeggen, dat luitenant Walters een persoon is, die mij voorkomt den zegen waardig te zijn die hem ten deel is gevallen. Mag hij dien lang genieten, en zoo hoog waardeeren als een geheel ander en zeer onwaardig persoon, dien ik niet behoef te noemen, zou gedaan hebben! Dat is evenwel de zaak niet. Jufvrouw Dombey, kapitein Gills is een vriend van mij, en gedurende den tusschentijd, die nu verloopt, geloof ik dat het kapitein Gills genoegen zou verschaffen als ik nu en dan hier kwam. Het zou mij ook genoegen verschaffen zoo nu en dan te komen. Maar ik kan niet vergeten hoe ongelukkig ik mij eens op den hoek van het plein te Brighton heb gecompromitteerd; en als mijne tegenwoordigheid hier in den allergeringsten graad onaangenaam mocht wezen, verzoek ik u maar om het mij te zeggen, en ik verzeker u dat ik u volkomen zal begrijpen. Ik zal het volstrekt niet voor onvriendelijk houden, en zal mij maar al te zeer verheugen aldus met uw vertrouwen te worden vereerd.”—“Mijnheer Toots,” antwoordde Florence, “als gij, die zulk een oud en trouw vriend van mij zijt, nu niet meer hier aan huis wildet komen, zoudt ge mij een groot verdriet veroorzaken. Het kan nooit, nooit anders dan een genoegen voor mij wezen u te zien.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, zijn zakdoek uithalende, “als ik een traan stort, is het een traan van vreugde. Het is van geen beduiden, en ik ben u zeer verplicht. Ik zal wel mogen aanmerken, na hetgeen gij daar zoo even gezegd hebt, dat het mijn voornemen niet is mijn eigen persoon nog langer te verwaarloozen.”

Florence ontving deze aankondiging met een allerliefst verwonderd gezichtje, als begreep zij niet wat Toots daarmede bedoelde.

“Ik meen,” zeide Toots, “dat ik het voor mijn plicht jegens mijne medemenschen zal houden, om mij, tot het stille graf mij roept, zoo goed mogelijk voor te doen, en om—om mijne laarzen zoo blinkend te laten poetsen, als—als omstandigheden veroorloven. Dit is de laatste maal, jufvrouw Dombey, dat ik u met eene aanmerking van bijzonderen en persoonlijken aard lastig val. Ik ben u waarlijk zeer dankbaar. Ik ben over het geheel niet zoo vlug van begrip als mijne vrienden wel konden wenschen, of als ik zelf wel zou wenschen, maar op mijn woord van eer, ik begrijp toch bijzonder wel en ben zeer gevoelig voor al wat goedhartig en vriendelijk is. Ik weet,” vervolgde hij vol vuur, “dat ik mijn gevoel nu bijzonder krachtig zou kunnen uitdrukken, als—als ik maar een begin kon vinden.”

Daar hij, na eene poos gewacht te hebben, het begin niet scheen te kunnen vinden, nam Toots haastig afscheid en ging weder naar beneden om den kapitein op te zoeken, dien hij in den winkel vond.

“Kapitein Gills,” zeide Toots, “wat er nu tusschen ons zal plaats hebben, blijft onder het heiligste zegel van vertrouwen. Het is een gevolg, kapitein Gills, van wat er boven tusschen mij en jufvrouw Dombey heeft plaats gehad.”—“Boven in den mast en tusschendeks, mijn jongen?” mompelde de kapitein.—“Juist, kapitein Gills,” antwoordde Toots, wiens toestemming te hartelijker was, omdat hij geheel niet wist, wat de kapitein meende. “Jufvrouw Dombey, geloof ik, kapitein Gills, zal binnen kort met luitenant Walters vereenigd worden?”—“Wel ja, mijn jongen. Wij zijn hier allemaal scheepskameraads. Walter en zijn liefje zullen samen worden gepaard in den echtelijken staat, zoodra de verboden gedaan zijn,” fluisterde kapitein Cuttle hem in het oor.—“De verboden, kapitein Gills?” herhaalde Toots.—“In de kerk, daar ginder,” antwoordde de kapitein, met zijn duim over zijn schouder wijzende.—“O ja,” zeide Toots.—“En dan,” zeide de kapitein met zijn schor gefluister, Toots een stootje op de borst gevende en toen een stap achteruit doende met een blik vol bewonderende opgetogenheid. “Wat dan? Dan gaat dat lieve schepseltje, zoo teertjes opgebracht als een Oost-Indisch vogeltje, met Walter over de bulderende zee op reis naar China.”—“Goede hemel, kapitein Gills!” riep Toots uit.—“Ja,” zeide de kapitein met een knikje. “Het schip, dat hem opnam, toen hij in dien orkaan schipbreuk had geleden, was een Chinavaarder en Walter deed de reis mee, en bracht zich in gunst—als een knappe, brave jongen—en toen dus de opperkoopman te Canton stierf, kwam hij in zijne plaats—hij was te voren al in zijne plaats geweest—en nu is hij opperkoopman aan boord van een ander schip van dezelfde reeders. En zoo ziet ge,” herhaalde de kapitein nadenkend, “gaat dat lieve schepseltje met Walter mee over de woeste zee op reis naar China.”

Toots en kapitein Cuttle slaakten te gelijk een zucht.

“Waarom niet?” zeide de kapitein. “Zij is hem trouw, en hij is haar trouw. Zij, die haar liefgehad en bewaard moesten hebben, hebben haar slecht behandeld. Toen zij, uit haar huis gejaagd, hier bij mij kwam en daar op die planken neerviel, was haar hartje gebroken. Dat zag ik wel. Dat weet ik wel. Er is niets dan trouwe liefde, dat het ooit weer kan lappen. Als ik dat niet wist, en niet wist, dat Walter haar trouw liefheeft, broeder, zou ik deze blauwe armen en beenen laten afhakken, eer ik haar liet gaan. Maar dat weet ik, en wat nu? Nu zeg ik, de hemel zij met hen allebei, en dat zal hij ook! Amen!”—“Kapitein Gills,” zeide Toots hierop, “laat ik het genoegen hebben van u de hand te geven. Gij hebt eene manier om zoo iets te zeggen, waarvan ik eene pleizierige warmte langs mijn ganschen rug krijg. Ik zeg ook amen. Gij weet wel, kapitein Gills, dat ik jufvrouw Dombey insgelijks heb aangebeden.”—“Vroolijk maar, mijn jongen!” zeide de kapitein, zijne hand op Toots’ schouder leggende. “Sta vast!”—“Het is mijn voornemen, kapitein Gills,” antwoordde de dappere Toots, “om zoo vroolijk te zijn en zoo vast te staan als ik maar kan. Als het stille graf zich opent, kapitein Gills, zal ik klaar zijn om mij te laten begraven, maar niet eer. Daar ik niet heel zeker ben van mijn vermogen over mij zelven, wenschte ik evenwel u iets te zeggen, wat ik u als eene bijzondere gunst verzoek om aan luitenant Walters over te brengen, namelijk als volgt.”—“Namelijk als volgt,” herhaalde de kapitein. “Sta vast!”—“Daar jufvrouw Dombey zoo onuitsprekelijk goed is,” vervolgde Toots met waterige oogen, “om te zeggen, dat mijne tegenwoordigheid haar het tegendeel van onaangenaam is, en gij en iedereen hier niet minder inschikkelijk en verdraagzaam zijt voor iemand,” zeide Toots met oogenblikkelijke neerslachtigheid, “die eigenlijk voor niets in de wereld schijnt te deugen, zal ik des avonds hier zoo af en aan blijven komen, gedurende den korten tijd, dien wij allen nog bij elkaar kunnen zijn. Maar wat ik vraag is dit. Als ik somtijds ondervind, dat ik het gezicht van luitenant Walters’ zaligheid niet kan verdragen en dan naar buiten stuif, hoop ik, kapitein Gills, dat gij en hij dat voor een ongeluk, en niet voor mijne schuld of gebrek aan zelfstrijd zult houden. Dat gij u overtuigd zult houden, dat ik geen levend wezen—en allerminst luitenant Walters eenigen haat toedraag; en dat gij ter loops zult aanmerken, dat ik eene wandeling ga doen, of waarschijnlijk op de klok van de Koninklijke Beurs wil gaan kijken hoe laat het is. Als gij deze schikking kondt aannemen, kapitein Gills, en voor luitenant Walters instaan, zou dat eene verlichting voor mijn gevoel zijn, waarvoor ik gaarne een gedeelte van mijn aanzienlijk vermogen zou willen opofferen.”—“Zeg maar niet meer, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Gij kunt geene vlag hijschen, of Walter en ik zullen ze respecteeren.”—“Kapitein Gills,” zeide Toots, “nu ben ik gerust. Ik wensch de goede meening van iedereen hier te behouden. Ik—ik meen het goed, op mijn woord van eer, hoe slecht ik mij ook mag voordoen. Gij begrijpt wel,” zeide Toots, “het is net alsof Burgess en Comp. iemand eene allerbuitengemeenste pantalon wilden maken, en het fatsoen, dat zij voor den geest hadden, maar niet konden treffen.”

Met deze gelukkige opheldering, waarop hij wel eenigszins trotsch scheen, gaf Toots den kapitein een zegenwensch tot afscheid en vertrok.

De brave kapitein was, met zijn hartediefje in huis en Suze om haar te bedienen, een hoogst gelukkig man. Met elken dag begon zijn gezicht meer te blinken. Na eenige onderhandelingen met Suze (voor welker wijsheid de kapitein den diepsten eerbied koesterde) stelde hij Florence voor, dat de dochter der bejaarde dame, die gewoonlijk op de Leadenhallmarkt onder eene blauwe paraplu zat, om redenen van voorzichtigheid, in de tijdelijke waarneming der huiselijke bezigheden zou vervangen worden door iemand, die hun niet onbekend was en op welke zij zich veilig konden verlaten. Suze, die erbij was, noemde toen, volgens vroegere afspraak met den kapitein, jufvrouw Richards. Deze naam alleen deed Florence reeds ophelderen. En toen Suze zich dien namiddag naar de woning der Toodle’s begeven had, om jufvrouw Richards eens te polsen, kwam zij nog denzelfden avond in zegepraal terug, vergezeld door Polly, nog met hetzelfde ronde gezicht en dezelfde roode wangen, wier blijdschap, toen zij Florence wederzag, nauwelijks minder hartelijk was, dan die van Suze.

Toen deze fijne streek gelukt was—waarover de kapitein zich ongemeen verheugde, gelijk hij, trouwens, over alles deed wat er gebeurde—moest Florence Suze op de naderende scheiding voorbereiden. Dit was veel moeielijker taak, daar Suze zich vast in het hoofd gezet had, dat zij teruggekomen was om hare oude meesteres nooit weer te verlaten.

“Wat loon betreft, lieve jufvrouw Flore,” zeide zij, “gij zoudt toch niet zoo gering van mij denken om daarvan te spreken, want ik heb geld overgelegd, en ik zou mijne liefde en dienst toch op zulk een tijd niet willen verkoopen, al had ik nooit van de spaarbank geweten of al waren alle spaarbanken bankroet; maar ge zijt nooit zonder mij geweest, lieveling, van den tijd af toen uwe goede mama werd weggenomen, en al heb ik niets om op te roemen, ge zijt toch aan mij gewend, en o mijne lieve meesteres van zoovele jaren, denk er toch niet aan om zonder mij heen te gaan, want dat mag en dat kan niet!”—“Maar, lieve Suze, ik ga eene lange, heel lange reis doen.”—“Wel, jufvrouw Flore, en wat zou dat? Zooveel te meer zult ge mij noodig hebben. Ik ben niet bang voor eene lange reis, Goddank!” zeide de onverzettelijke Suze.—“Maar Suze, ik ga met Walter, en met Walter zou ik overal heen gaan. Walter is arm en ik ben doodarm, en ik moet nu mij zelve leeren helpen en hem leeren helpen.”—“Lieve jufvrouw Flore,” riep Suze, heftig haar hoofd schuddende, “het is niets nieuws voor u, u zelve te helpen en anderen ook, en zoo geduldig en trouw te zijn als het edelste hart wezen kan, maar laat ik met mijnheer Walter Gay spreken en het met hem afmaken, want u zoo alleen door de wereld te laten zwalken, dat kan ik niet en wil ik niet.”—“Alleen, Suze?” antwoordde Florence. “Alleen? en Walter neemt mij mee!” O welk een helder lachje vertoonden hare trekken! Dat had hij moeten zien. “Ik ben overtuigd, dat ge niet met Walter zult spreken, als ik u vraag om dat niet te doen,” voegde zij er vriendelijk bij; “en ik bid u, doe dat niet, lieve!”—“Waarom niet, jufvrouw Flore?” snikte Suze.—“Omdat ik,” zeide Florence, “zijne vrouw zal worden, om hem geheel mijn hart te geven, en met hem te leven en te sterven. Hij kon denken, als hij u hoorde zeggen wat ge mij gezegd hebt, dat ik bang ben voor wat ik voor mij heb, of dat gij reden hebt om bang voor mij te zijn. En Suze, ik heb hem lief!”

Suze was zoo geroerd door den zachten ernst dezer woorden, waarbij het gezichtje der spreekster nog schooner en reiner werd dan ooit, dat zij niets anders kon doen dan haar nog eens om den hals vallen en uitroepen, of haar lief meesteresje dan waarlijk, waarlijk zou gaan trouwen, en haar nogmaals en nogmaals bejammeren en liefkoozen.

Maar Suze, hoewel onderhevig aan vrouwelijke zwakheden, was ook wel in staat om zich te bedwingen, en van dien tijd af sprak zij nooit weder van de zaak, en was zij altijd vroolijk, werkzaam, vol moed en hoop. Zij onderrichtte, wel is waar, Toots in het geheim, dat zij zich maar zoolang zoo hield, en dat zij, als jufvrouw Dombey eens weg was, een jammerlijk schouwspel zou worden; en Toots gaf haar te kennen, dat dit ook zijn geval was, en dat zij hunne tranen te zamen zouden vermengen; maar in tegenwoordigheid van Florence gaf zij nooit lucht aan haar gevoel.

Zoo beperkt en eenvoudig als Florence’s garderobe was—welk een contrast bij die, welke voor het laatste huwelijk, dat zij had bijgewoond, was aangeschaft—was er veel te doen om die gereed te krijgen, en Suze Nipper zat den geheelen dag bij haar te werken met den vereenigden ijver van vijftig naaisters. De verwonderlijke bijdragen tot deze uitrusting, die kapitein Cuttle zou hebben geleverd, als men hem had laten begaan—gelijk rozeroode parasols, gekleurde zijden kousen, blauwe schoenen en andere aan boord niet minder noodzakelijke voorwerpen—zouden, als men ze wilde optellen, vrij wat ruimte beslaan. Hij liet zich echter, door verschillende valsche voorstellingen, overhalen om zijne giften tot een werkdoosje en een toiletkistje te bepalen, van welke beide hij de grootste soort aanschafte, die voor geld te krijgen was. Nog tien of veertien dagen naderhand zat hij doorgaans het grootste gedeelte van den dag deze kistjes aan te staren; verdeeld tusschen bewondering en een angstigen twijfel, dat zij niet prachtig genoeg waren, en dikwijls de straat opstuivende om het een of ander ongerijmds te koopen, hetwelk hij dacht, dat nog ontbrak om de benoodigdheden te completeeren. Maar zijn meesterstuk was, dat hij ze beide eens op een morgen wegbracht, om de woorden “Florence Gay” te laten graveeren op de koperen hartjes, die in de deksels waren ingelegd. Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.

Walter had het druk en was den geheelen dag weg, maar kwam elken ochtend vroeg naar Florence zien en sleet elken avond bij haar. Florence verliet hare hooge kamers nooit dan om beneden naar hem te wachten als het zijn tijd was om te komen, of hem, door zijn arm omstrengeld, weder naar de deur te brengen en somtijds even de straat op te kijken. In de schemering waren zij altijd bij elkander. O zalige tijd! O rust voor het zwervende hart! O diepe bron van liefde, waarin zooveel verzonken lag!

Zij had dat wreede teeken nog op hare borst. Dat rees tegen haar vader op met den adem dien zij haalde, dat lag tusschen haar en haar minnaar als hij haar aan zijn hart drukte. Maar zij vergat het. Bij het kloppen van zijn hart voor haar en het hare voor hem, werden alle stugge, ongevoelige harten vergeten. Broos en teer was zij, maar zij had eene macht van liefde in haar binnenste, die haar uit zijn beeld alleen eene wereld deed scheppen waar zij toevlucht en rust vond.

Hoe dikwijls rezen het groote huis en de oude dagen voor haar op in het schemeruur, wanneer die arm, zoo trotsch en zoo teeder, haar omgaf, en zij, bij die herinnering, zich dicht aan hem vastklemde! Hoe dikwijls sloeg zij, bij de gedachte aan dien nacht, toen zij naar die kamer ging en dien onvergetelijken blik ontmoette, hare oogen op naar die, welke haar met zooveel ernst en liefde bewaakten, en schreide zij van blijdschap over zulk eene wijkplaats! Hoe veiliger zij zich daar gevoelde, des te meer had zij het lieve doode kind in hare gedachten; maar alsof zij haar vader toen voor de laatste maal had gezien, toen hij lag te slapen en zij hem een kus op de wang drukte, liet zij hem altijd zoo blijven en kwam zij in hare verbeelding nooit dat uur voorbij.

“Lieve Walter,” zeide Florence eens op een avond, toen het bijna donker was, “weet ge wel wat ik vandaag gedacht heb?”—“Gedacht hoe de tijd voorbijvliegt, en hoe spoedig wij op zee zullen zijn, lieve Florence?”—“Dat meen ik niet, Walter, schoon ik daar ook wel aan denk. Ik heb gedacht welk een last ik toch voor u ben.”—“Een dierbare, heilige last, hartjelief! Wel, daaraan denk ik somtijds ook.”—“Gij lacht, Walter. Ik weet wel dat gij veel meer daaraan denkt dan ik. Maar ik meen kosten.”—“Kosten, Florence?”—“Aan geld, lieve. Al die toebereidselen, waarmee Suze het zoo druk heeft—ik heb zelve heel weinig kunnen koopen. Gij waart toch al arm. Maar hoeveel armer zal ik u maken, Walter!”—“En hoeveel rijker, Florence!”

Florence lachte en schudde haar hoofdje.

“Buitendien,” zeide Walter, “lang geleden—eer ik naar zee ging—werd mij eens een beursje gegeven, liefste, met geld er in.”—“Och!” antwoordde Florence, met een treurig lachje. “Heel weinig, heel weinig, Walter. Maar gij moet niet denken,” en zij legde haar handje op zijn schouder, “dat het mij spijt dat ik zulk een last voor u ben. Neen, lieve, ik ben er blij om. Ik stel er mijn geluk in. Ik zou het voor de geheele wereld niet anders willen hebben.”—“Ik waarlijk ook niet, lieve Florence.”—“Ja, maar, Walter, gij kunt het nooit zoo gevoelen als ik. Ik ben zoo trotsch op u! het doet mijn hart zoo van verrukking zwellen, dat zij, die van u spreken, moeten zeggen, dat gij een arm, verstooten meisje hebt getrouwd, dat hier schuilplaats had gezocht; dat geen ander thuis, geene andere vrienden had; dat niets—niets had! O Walter, als ik u millioenen had kunnen aanbrengen, zou ik om uwentwil nooit zoo vergenoegd kunnen zijn, als ik nu ben.”—“En gij, lieve Florence, zijt gij niets?” antwoordde hij.—“Neen, niets, Walter. Niets dan uwe vrouw.” Het handje gleed om zijn hals, en de stem kwam al nader en nader bij. “Ik ben niets meer dat niet één met u is. Ik heb geen hoop op aarde meer, die niet van u komt. Ik heb niets dat mij dierbaar is, of gij zijt het.”

O, wel mocht Toots het kleine gezelschap dien avond verlaten en tweemaal heengaan om zijn horloge naar de klok op de Beurs gelijk te zetten, en nog eens om eene afspraak met zijn bankier, die hij zich eensklaps herinnerde, en nog eens om een wandelingetje naar de pomp van Aldgate en terug te doen.

Maar eer hij op deze tochten uitging, of eigenlijk eer hij nog kwam en voordat er licht werd gebracht, zeide Walter:

“Florence, lieve, de lading van ons schip is haast afgeloopen, en waarschijnlijk zal het juist op den dag van ons trouwen de rivier afzakken. Zullen wij dan dien dag vertrekken en in Kent blijven tot wij te Gravesend aan boord gaan?”—“Als het u zoo belieft, Walter. Ik zal overal gelukkig zijn. Maar—”—“Wel, mijn liefje?”—“Gij weet,” zeide Florence, “dat wij geene partij zullen geven, en dat niemand ons aan onze kleeren van andere menschen zal onderscheiden. Daar wij nu denzelfden dag vertrekken, wilt gij—wilt ge mij dan dien morgen ergens brengen, Walter—vroeg—eer wij naar de kerk gaan?”

Walter scheen haar te verstaan, gelijk zulk een waarlijk verliefd minnaar behoort te doen, en bevestigde zijne bereidvaardige belofte met een kus, met meer dan een misschien; en dien geheelen ernstigen, kalmen, vreedzamen avond was Florence zeer vergenoegd.

Toen kwamen Suze en de kaarsen de stille kamer in, en kort daarop de thee, de kapitein en Toots, die, gelijk zoo even gezegd is, verscheidene malen weder wegliep en een onrustigen avond had. Dit was echter iets buitengewoons; doorgaans kon hij rustig blijven zitten, terwijl hij met den kapitein, met raad en toezicht van jufvrouw Nipper, cribbage speelde, en zich in de berekeningen van dat spel verdiepte, hetgeen hij een zeer goed middel vond om zich geheel en al suf te maken.

Des kapiteins gezicht bood bij zulke gelegenheden een der fraaiste voorbeelden van menigvuldigheid en afwisseling van uitdrukkingen aan. Zijne instinctmatige kieschheid en ridderlijke galanterie voor Florence leerden hem dan wel, dat het geen tijd was voor luidruchtige vroolijkheid of heftige uitbarstingen van blijdschap. Maar aan den anderen kant zochten opkomende herinneringen van Mooie Peggy nu en dan naar een uitweg, en dreven den kapitein om zich onherstelbaar te compromitteeren. Dan weder werd zijne bewondering voor Florence en Walter—een welpassend paar inderdaad en wel waardig om de oogen te trekken, door jeugd, liefde en schoonheid—zoo machtig, dat hij zijne kaarten neerlegde en hen met stralende oogen aanzag, terwijl hij zijn gezicht met zijn zakdoek wreef, tot hij, misschien, door het plotseling heenstuiven van Toots werd gewaarschuwd, dat hij onbewust het werktuig was geweest om dien jonkman rampzalig te maken. Deze bemerking deed den kapitein dan treurig worden, totdat Toots terugkwam, wanneer hij zijne kaarten weder opvatte, en Suze ter zijde een aantal oogjes en knikjes gaf, om aan te duiden dat hij zoo iets niet weer zou doen. De toestand, waarin hij dan geraakte, was misschien de merkwaardigste; want terwijl hij zijn best deed om alle uitdrukking van zijn gelaat te verbannen, zat hij in het rond te staren met een gezicht, waarop al die uitdrukkingen te gelijk met elkander worstelden. Ingenomene bewondering van Florence en Walter overwon echter altijd de andere en bleef dan alleen heerschen, of het moest gebeuren dat Toots wederom heenstoof, en dan bleef de kapitein als een boetvaardig zondaar zitten, tot deze terugkwam, zich nu en dan met eene stem vol zelfverwijt zachtjes vermanende om “vast te staan,” of knorrig op “Edward Cuttle” brommende, over het gebrek aan omzichtigheid dat zijn gedrag deed blijken.

Een der zwaarste beproevingen van Toots werd echter door hem zelven opgezocht. Toen de zondag naderde, waarop het laatste dier kerkelijke “verboden” zou plaats hebben, waarvan de kapitein gesproken had, gaf Toots aldus den staat van zijn gevoel aan Suze Nipper te kennen.

“Suze,” zeide hij, “ik word naar het gebouw toegetrokken. De woorden, die mij voor altijd van jufvrouw Dombey afsnijden, zullen mij als eene doodklok in de ooren klinken, dat weet ge wel, maar op mijn woord van eer, ik gevoel dat ik ze moet hooren. Wilt ge daarom morgen met mij meegaan naar de kerk?”

Jufvrouw Nipper verklaarde zich bereid om dit te doen, indien dit mijnheer Toots eenig genoegen gaf, maar bad hem om van dat denkbeeld af te zien.

“Suze,” antwoordde Toots, met plechtigen ernst, “eer iemand nog mijn baard begon op te merken behalve ik zelf, aanbad ik jufvrouw Dombey al. Terwijl ik nog een slachtoffer der slavernij van Blimber was, aanbad ik jufvrouw Dombey. Toen mijn eigendom mij niet wettig meer kon onthouden worden en—en ik het dus kreeg—aanbad ik jufvrouw Dombey. De geboden, die haar aan luitenant Walters toewijzen, en mij tot—duisternis veroordeelen,” zeide Toots, nadat hij even naar eene krachtige uitdrukking had gezocht—“mogen schrikkelijk zijn, zullen schrikkelijk zijn; maar ik gevoel dat ik wenschen zou ze te hooren uitspreken. Ik gevoel dat ik wenschen zou zeker te weten, dat de grond onder mij is weggemaaid, dat ik geen hoop meer kan koesteren, kortom, dat ik omverlig.”

Suze Nipper kon niet anders dan Toots’ ongelukkigen toestand beklagen, en onder deze omstandigheden bewilligen om met hem mede te gaan, hetgeen zij den volgenden morgen deed.

De kerk, die Walter tot dat einde had gekozen, was een oud vervallen kerkje, door een doolhof van achterstraten en stegen ingesloten, met eene kleine begraafplaats er om heen, en zelve begraven in een soort van kelder, door de naburige huizen gevormd. Van binnen was zij donker en leelijk, met hooge eikenhouten banken, waarin omtrent twintig menschen elken zondag verzonken, terwijl de slaperige stem van een hulpprediker door de ledige ruimte galmde. Evenwel kwijnde deze kerk niet uit gebrek aan gezelschap van andere kerken, want de torens verhieven zich in het rond, zoo dicht als de scheepsmasten op de rivier. Het zou zelfs moeielijk zijn geweest ze van den toren dezer kerk te tellen, zooveel waren er. Op bijna ieder ledig plekje in het rond stond eene kerk. Het verwarde gebengel der klokken, op den zondagochtend toen Suze en Toots zich daarheen begaven, was verdoovend. Er waren twintig kerken dicht bijeen, die allen de menschen riepen om er in te komen.

De twee verdwaalde schapen werden door een kerkeknecht in eene ruime bank gekooid, en daar het nog vroeg was, zaten zij eene poos de vergadering te tellen, naar de teleurgestelde klok omhoog in den toren te luisteren, of naar een armoedig oud manneke in het portaal te kijken, die de klok luidde, waartoe hij zijn voet in een soort van stijgbeugel had gestoken. Nadat Toots lang naar de groote boeken op den voorlezerslessenaar had getuurd, fluisterde hij Suze toe dat hij zich verwonderde waar de geboden bewaard werden, maar de jonge dame schudde slechts met een donker gezicht haar hoofd en wilde nu van geen aardsche zaken weten.

Toots kon evenwel zijne gedachten niet van de geboden aftrekken, en zat blijkbaar onder den geheelen dienst daarnaar te wachten. Toen de tijd, om ze te lezen, naderde, legde de arme jongen eene groote onrust aan den dag, die niet verminderde door de onverwachte verschijning van kapitein Cuttle vooraan op de galerij. Toen de voorlezer de lijst aan den predikant gaf, hield Toots, hoewel hij zat, zich aan de bank vast; maar toen de namen van Walter Gay en Florence Dombey voor de derde en laatste maal werden opgelezen, werd hij zoodanig door zijn gevoel overweldigd, dat hij zonder hoed de kerk uitstoof, gevolgd door den kerkeknecht, den banksluiter en twee heeren van het medische vak, die toevallig daar waren. De eerstgenoemde kwam weldra terug om den hoed te halen en jufvrouw Nipper fluisterend te onderrichten, dat zij zich niet ongerust over mijnheer behoefde te maken, daar mijnheer zeide dat zijne ongesteldheid van geen belang was.

Jufvrouw Nipper, die gevoelde dat de oogen van dat gedeelte van Europa, dat wekelijks in de hooge banken verzonk, op haar gevestigd waren, zou door dit voorval reeds verlegen genoeg zijn geworden, al ware het daarbij gebleven; te meer daar de kapitein vooraan op de galerij zich bewust was, dat hij in een geheimzinnig verband er mede stond, en niet nalaten kon dit besef aan de vergadering te doen opmerken. Maar de buitengemeene onrustigheid van Toots maakte haar toestand weldra nog veel neteliger. Deze jonge heer, buiten staat om alleen op het kerkhof eene prooi zijner eenzame gepeinzen te blijven, en ook buiten twijfel verlangend om zijn eerbied te toonen voor eene plechtigheid, die hij eenigermate gestoord had, kwam eensklaps terug—niet naar zijne bank, maar zette zich op eene vrije bank in den zijgang, tusschen twee oude vrouwen, die gewoon waren wekelijks eene portie brood te komen ontvangen, welke op eene plank in het portaal voor haar gereed lag. Zoo bleef Toots zitten, tot groote stoornis der vergadering, die niet laten kon naar hem te kijken, tot zijn gevoel hem weder overweldigde en hij nogmaals onverwacht vertrok. Nu niet weder in de kerk durvende komen en toch wenschende in zekere gemeenschap te blijven met hetgeen er in omging, zag men Toots daarna, met een bedrukt gezicht door een of ander venster binnenkijken; en daar hij verscheidene vensters van buiten bereiken kon, en zijne onrust zeer groot was, werd het niet alleen moeielijk te gissen voor welk venster hij zich de volgende maal zou vertoonen, maar was ook de geheele gemeente, terwijl zij naar de preek luisterde, als het ware gedwongen, over die kansen der verschillende vensters te denken. Toots’ bewegingen op het kerkhof waren echter zoo ongeregeld, dat hij doorgaans alle berekening te leur stelde, en evenals het popje of balletje van een goochelaar, daar verscheen waar men hem allerminst verwachtte; en deze verschijningen maakten te meer indruk omdat het voor hem moeielijk was om naar binnen, en voor de anderen gemakkelijk om naar buiten te zien, hetgeen ten gevolge had dat hij telkens, veel langer dan men zou verwacht hebben, met zijn gezicht dicht voor het glas bleef staan, tot hij eensklaps bespeurde dat aller oogen op hem gevestigd waren, en dan verdween.

Dit gedrag van Toots en de medeplichtigheid, waarvan de kapitein zich bewust toonde, maakte Suze’s positie zoo netelig, dat het einde der godsdienstoefening haar een groote verademing gaf, en zij niet zoo vriendelijk als gewoonlijk voor Toots was, toen deze haar en den kapitein op den terugweg onderrichtte, dat hij nu, zeker wetende dat hij geene hoop meer had, zich tevredener gevoelde—of eigenlijk niet tevredener, maar tevredener en diep rampzalig.

Nu verliep de tijd inderdaad snel tot aan den avond voor den dag, waarop het huwelijk was bepaald. Allen waren op de bovenkamer van den Adelborst bijeen en vreesden voor geene stoornis; want er waren nu geene huurders meer in huis; de adelborst had het geheel alleen. Zij waren ernstig en stil, in het vooruitzicht op den volgenden morgen, maar toch matig vroolijk. Florence, naast Walter gezeten, maakte een handwerkje af, dat tot een afscheidsgeschenk voor den kapitein bestemd was. De kapitein speelde cribbage met Toots; Toots liet zich door Suze raadgeven. Suze gaf haar raad met alle heimelijkheid en omzichtigheid. Diogenes lag te luisteren, en liet nu en dan een half gesmoorden blaf hooren, waarover hij zich dan weder scheen te schamen, alsof hij twijfelde, of hij er wel reden voor had.

“Stil, stil!” zeide de kapitein tot Diogenes; “wat scheelt u? Ge schijnt niet op uw gemak van avond, mijn jongen.”

Diogenes kwispelstaartte, maar stak terstond daarna zijne ooren op en liet weder een blaf hooren, waarover hij den kapitein verschooning verzocht door nog eens te kwispelstaarten.

“Ik ben van gedachten, Di,” zeide de kapitein, in zijne kaart kijkende en peinzend zijne kin met zijn haak wrijvende, “dat gij aan jufvrouw Richards twijfelt; maar als gij zulk een hond zijt als ik u voor houd, zult gij u daarop beter bedenken, want zij ziet er veel te goed uit om niet te deugen. Kom aan, broeder,” tot Toots; “als ge klaar zijt, speel dan op.”

De kapitein sprak met bedaardheid en had al zijne aandacht op het spel, maar eensklaps liet hij zijne kaarten uit de hand vallen, sperde hij mond en oogen wijd open, trok hij zijne beenen onder zijn stoel op, en bleef hij met stomme verbazing naar de deur zitten staren. Toen in het gezelschap rondkijkende en ziende dat niemand de reden zijner verwondering opmerkte, herstelde hij zich met een snik, gaf een geduchten slag op de tafel, riep met eene daverende stem: “Sam Gills, a-hoy!” en tuimelde in de armen van eene oude duffelschen jas, die met Polly de kamer was ingekomen.

Een oogenblik later viel Walter in de armen van de duffelschen jas. Een oogenblik later deed Florence hetzelfde. Een oogenblik later had kapitein Cuttle jufvrouw Richards en Suze om den hals gepakt, en schudde hij de hand van Toots, roepende, terwijl hij zijn haak boven zijn hoofd wuifde: “Hoera, mijn jongen, hoera!” Waarop Toots, geheel buiten staat om zich dit gedrag te verklaren, zeer beleefd antwoordde: “Zekerlijk, kapitein Cuttle, wat u maar belieft.”

De duffelschen jas, en de ruige muts en bouffante, die daarbij behoorden, keerden zich van den kapitein en Florence weder naar Walter, en klanken kwamen daaruit, alsof een oud man daarbinnen snikte, terwijl de ruige armen Walter vast omklemden. Ondertusschen heerschte er eene algemeene stilte, en bruineerde de kapitein met grooten ijver zijn neus. Maar toen de duffelschen jas Walter weder losliet, kwam Florence naderbij, en toen zij met hun beiden jas, muts en bouffante wegnamen, onthulden zij den ouden instrumentmaker; wat magerder en meer vervallen dan voorheen, met zijne oude ronde pruik, zijn oud koffiebruin pak en zijn ouden onfeilbaren chronometer tikkende in zijn zak.

“Zoo propvol wetenschap als hij ooit geweest is,” zeide de verheugde kapitein. “Sam Gills, Sam Gills, waar zijt ge toch zoolang gebleven, oude jongen?”—“Ik ben half blind, Ned,” zeide de oude man, “en bijna doofstom van blijdschap.”—“Nog zijne eigene stem,” zeide de kapitein, met opgetogenheid rondziende, “nog zijne eigene stem, zoo propvol wetenschap als zij ooit geweest is! Sam Gills, mijn jongen, kom nu voor anker, onder uw eigen wijnstok en vijgeboom, als een oud patriarch als ge zijt, en doe eens rapport van uwe avonturen, met uwe eigene stem, die ons nog zoo goed heugt. Het is de stem,” zeide de kapitein, met nadruk, en door middel van zijn haak beduidende dat hij eene aanhaling deed, “van den luiaard; ik hoorde hem klagen, gij hebt mij te vroeg gewekt, ik moet nog slapen. Verstrooi zijne vijanden en doe ze vallen.”

De kapitein zette zich neer als iemand, die het gevoel van alle aanwezigen zeer gelukkig had uitgedrukt, en stond dadelijk weder op om Toots te presenteeren, die zeer verbaasd was over de komst van iemand, die aanspraak scheen te maken op den naam van Gills.

“Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer,” stotterde Toots, “eer gij—eer gij—”—“Waart verdwenen voor het oog, maar trouw in het hart,” blies de kapitein hem zachtjes in.—“Juist zoo, kapitein Gills,” zeide Toots. “Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer—mijnheer Sams,” zeide hij, door een gelukkigen inval op dien naam komende, “eer dat plaats had, doet het mij toch het grootste genoegen, verzeker ik u, u—u te leeren kennen. Ik hoop,” zeide Toots, “dat gij naar omstandigheden wel vaart.”

Met deze beleefde woorden ging Toots blozend en grinnikend zitten.

De oude instrumentmaker, in een hoekje tusschen Walter en Florence gezeten, antwoordde den kapitein aldus:

“Ned Cuttle, beste jongen, al heb ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord, van mijne vroolijke vriendin daar,” daarbij knikte hij tegen jufvrouw Richards, wier gezicht geheel glimlach was,—“welk een pleizierig gezicht heeft zij om een zwerveling welkom thuis te heeten!” zeide de oude man afbrekende en op zijne oude droomerige manier zijne handen wrijvende.—“Luister!” riep de kapitein ernstig. “Het is de vrouw, die het geheele menschdom verleidt. Daarover,” ter zijde tot Toots, “kunt gij uw Adam en Eva op nazien, broeder.”—“Dat zal ik niet verzuimen, kapitein Gills,” antwoordde Toots.—“Schoon ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord heb,” hervatte de oude instrumentmaker, zijn ouden bril uit zijn zak halende en dien op de oude manier op zijn voorhoofd zettende, “zij zijn zoo groot en onverwacht, en ik ben zoo overweldigd door het gezicht van mijn lieven jongen, en door de”—hier zag hij naar de neergeslagene oogen van Florence en sprak niet voort—“dat ik—dat ik van avond niet veel kan zeggen. Maar, mijn beste Ned Cuttle, waarom hebt gij niet geschreven?”

De verbazing, die zich op des kapiteins trekken vertoonde, deed Toots zoodanig schrikken, dat zijne oogen stijf bleven staan, zoodat hij ze niet van des kapiteins gezicht kon afwenden.

“Geschreven!” herhaalde de kapitein. “Geschreven, Sam Gills!”—“Ja,” zeide de oude man, “hetzij naar Barbados, of naar Jamaica, of naar Demerary. Zoo had ik u gevraagd.”—“Gevraagd, Sam Gills!” herhaalde de kapitein wederom.—“Ja,” zeide de oude man. “Weet gij het niet meer, Ned? Dat hebt ge toch zeker niet vergeten? Telkens als ik u schreef.”

De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, zette dien op zijn haak, en bleef, terwijl hij zijn haar van achteren met zijne hand gladstreek, in het rond zitten kijken, als een beeld van berustende verwondering.

“Gij schijnt mij niet te begrijpen, Ned,” merkte de oude man aan.—“Sam Gills,” antwoordde de kapitein, na hem en de anderen nog eene poos zonder spreken te hebben aangestaard. “Ik ben heelemaal van mijn koers. Laat eens een paar woorden glippen van die avonturen, wilt ge. Ik kan er maar geen hoogte van krijgen,” zeide de kapitein, peinzend in het rond kijkende.—“Gij weet wel, Ned,” zeide de oude man, “waarom ik hier vandaan ben gegaan? Gij hebt mijn pakje toch opengedaan?”—“Wel ja, wel ja,” zeide de kapitein. “Ik heb het pakje opengedaan.”—“En gelezen ook?” zeide de oude man.—“En gelezen ook,” antwoordde de kapitein, hem oplettend aanziende, en begon toen uit zijn geheugen op te zeggen: “Mijn beste Ned Cuttle, toen ik naar de West-Indiën vertrok om tijding te gaan zoeken van mijn lieven—Daar zit hij! Daar is Walter!” zeide de kapitein, als ware het eene verademing voor hem iets te kunnen aangrijpen, dat ontwijfelbaar en onbetwistbaar was. “Wel, Ned, let nu eens even op,” zeide de oude man. “Toen ik de eerste maal schreef—dat was van Barbados—zeide ik dat, hoewel ge dien brief zoudt ontvangen lang voor dat het jaar om was, ik toch gaarne had, dat ge het pakje opendeedt, daar dat de reden zou verklaren waarom ik was heengegaan. Goed! Toen ik de tweede, en de derde, misschien de vierde maal schreef—dat was van Jamaica—zeide ik, dat ik nog in denzelfden staat was, en geene rust had, en niet uit dat werelddeel kon terugkomen, eer ik wist of mijn jongen verongelukt of gered was. Toen ik de volgende maal schreef—dat was, denk ik, uit Demerary, niet waar?”—“Dat was, denkt hij, uit Demerary!” zeide de kapitein, hopeloos rondziende.—“Zeide ik,” vervolgde de oude man, “dat er nog geen zeker bericht was gekomen. Dat ik in dat werelddeel vele kapiteins en anderen had gevonden, die mij sedert jaren hadden gekend, en die mij hielpen om hier en daar heen te komen, en voor wie ik tot dank daarvoor nu en dan eene kleinigheid in mijn oud beroep kon doen. Dat iedereen met mij begaan was, en zeker belang in mijn zwerven scheen te stellen; en dat ik begon te denken, dat het mijn lot zou zijn om zoo zoekende naar tijding van mijn jongen, tot aan mijn dood toe heen en weder te kruisen.”—“Begon te denken, dat hij een geleerde Vliegende Hollander was!” zeide de kapitein, evenals te voren, met den grootsten ernst.—“Maar toen eens op een dag de tijding kwam, Ned—dat was op Barbados, toen ik daar weer terug was—dat een Chinavaarder op de thuisreis gepraaid was, die mijn jongen aan boord had, toen, Ned, nam ik de eerste scheepsgelegenheid waar om weer naar huis te gaan; en zoo kwam ik van avond hier, om te vinden dat het waar is, Goddank!” zeide de oude man met vromen ernst.

Nadat de kapitein eerbiedig zijn hoofd had gebogen keek hij starend den geheelen kring in het rond, met Toots beginnende en met den instrumentmaker besluitende, en zeide toen ernstig:

“Sam Gills. Wat ik nu zal zeggen, zal u geheel overstaagsmijten. Geen een van die brieven is ooit aan Edward Cuttle behandigd. Geen een van die brieven,” herhaalde de kapitein, om zijne verklaring des te plechtiger te maken, “is ooit aan Edward Cuttle behandigd.”—“Ik heb ze toch eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd, Brig Place, nommer negen,” riep de oude man uit.

Alle kleur verdween van des kapiteins gezicht en kwam terstond daarop gloeiend terug.

“Wat meent ge, Sam Gills, mijn vriend, met Brig Place, nommer negen?” zeide de kapitein.—“Meenen? Het huis waar gij woont, Ned,” antwoordde de oude man, “bij jufvrouw—hoe heet zij ook weer? Ik zal mijn eigen naam nog vergeten, maar ik ben bij mijn tijd ten achter—dat was ik altijd, weet ge wel—en suf van hoofd, jufvrouw—”—“Sam Gills,” zeide de kapitein, alsof hij het onwaarschijnlijkste geval van de wereld onderstelde, “het is toch de naam van MacStinger niet, dien gij u wilt te binnen brengen?”—“Wel natuurlijk is het die,” riep de instrumentmaker uit. “Wel zeker Ned, jufvrouw MacStinger!”

Kapitein Cuttle wiens oogen nu zoo wijd openstonden als zij maar konden, liet een allerschelst gefluit hooren, en stond toen sprakeloos te kijken.

“Zeg mij dat nog eens, als ge zoo goed wilt zijn, Sam Gills,” zeide hij eindelijk.—“Al die brieven,” antwoordde oom Sam, met zijn rechter voorvinger in de palm zijner linkerhand tikkende, met eene duidelijkheid en regelmatigheid, die zelfs zijn onfeilbare chronometer tot eer zou hebben gestrekt, “heb ik eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd, aan kapitein Cuttle, ten huize van jufvrouw MacStinger, Brig Place, nommer negen.”

De kapitein nam zijn blinkenden hoed van den haak, keek er eens in, zette hem op zijn hoofd en ging weder zitten.

“Wel, vrienden allemaal,” zeide de kapitein, vol verslagenheid rondkijkende, “daar was ik vandaan geloopen.”—“En niemand wist waar gij naar toe waart, kapitein Cuttle” riep Walter haastig uit.—“Zegen ons, Walter,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende, “zij zou mij nooit hebben laten gaan om hier op het goed te passen. Ik kon niet anders doen dan wegloopen. Och Heere, Walter!” zeide de kapitein. “Gij hebt haar nog maar bij stil weer gezien. Maar gij moest haar eens zien als het stormt!”—“Ik zou haar wel klein krijgen,” zeide Suze zachtjes.—“Zoudt ge—denkt gij dat, liefje?” antwoordde de kapitein met flauwe bewondering. “Wel, kindlief, dat strekt u tot eer. Maar wat mij betreft, er is geen wild dier, dat ik niet liever zou staan. Ik heb mijne kist alleen weggekregen door middel van een vriend, waar niemand tegen op kan. Het kon niet baten of men daar al brieven zond. Zij zou ze toch niet aannemen. Wel waarlijk,” zeide de kapitein, “het was haast een waagstuk ze te gaan bestellen!”—“Dus is het vrij duidelijk, kapitein Cuttle,” zeide Walter, “dat wij allen, maar gij en oom Sam vooral, niet weinig angst en zorg aan die jufvrouw MacStinger te danken hebben.”

De algemeene verplichting aan die manhaftige weduwe was zoo duidelijk, dat de kapitein deze stelling niet tegensprak; maar daar hij zich eenigszins over zijne positie schaamde—hoewel niemand verder van de zaak sprak, en Walter, zich het laatste gesprek daarover herinnerende, dit vooral vermeed—bleef zijn gezicht vijf minuten lang—een buitengewone tijd voor hem—betrokken. Toen helderde het weder op, en kreeg hij lust om iedereen nogmaals en nogmaals over de hand te geven.

Vroeg, maar niet voordat oom Sam en Walter elkander eenigszins uitvoerig van hunne avonturen en gevaren hadden verteld, namen allen, behalve Walter, afscheid van Florence, en gingen beneden naar het achterkamertje. Hier kwam Walter spoedig bij hen en zeide dat Florence eenigszins droefgeestig en zwaarmoedig was, en naar bed zou gaan. Hoewel zij haar daar beneden niet hadden kunnen storen, spraken zij na dien tijd toch fluisterend, en ieder toonde op zijne verschillende manier zijne teerhartigheid voor Walter’s jeugdige bruid. Oom Sam ontving eene uitvoerige mededeeling van alles wat haar aanging, en Toots was zeer gevoelig voor de kieschheid, waarmede Walter het gewicht zijner diensten en het noodzakelijke zijner tegenwoordigheid bij deze kleine raadsvergadering deed uitkomen.

“Mijnheer Toots,” zeide Walter, toen hij hem aan de deur verliet. “Wij zullen elkander morgenochtend toch zien?”—“Luitenant Walters,” antwoordde Toots, hem vurig de hand drukkende. “Ik zal zeker tegenwoordig zijn.”—“Dit is de laatste avond, dat wij elkander in langen tijd zullen zien—misschien de laatste avond dat wij elkander ooit zullen zien,” zeide Walter. “Zulk een edel hart als het uwe moet het wel gevoelen, denk ik, wanneer een ander hart daaraan verbonden is. Gij weet wel, hoop ik, hoe dankbaar ik u ben.”—“Walters,” antwoordde Toots, met aandoening, “het zou mij verheugen als ik gevoelde, dat gij daartoe reden hadt.”—“Florence,” hervatte Walter, “heeft mij, op den laatsten avond dat zij haar eigen naam draagt, doen beloven—pas zoo even, toen gij ons bij elkander liet,—dat ik u zou zeggen, met verzekering van hare hartelijke genegenheid—”

Toots sloeg zijne hand aan den deurpost en drukte zijne oogen op zijne hand.

“Van hare hartelijke genegenheid,” herhaalde Walter, “dat zij nooit een vriend kan hebben, dien zij boven u zal schatten. Dat zij uwe trouwe welwillendheid voor haar nooit zal vergeten. Dat zij van avond in haar gebed aan u gedachtig is, en hoopt dat gij nog aan haar denken zult als zij ver weg is. Zal ik haar van u iets zeggen?”—“Zeg, Walters,” antwoordde Toots onduidelijk, “dat ik alle dagen aan haar zal denken, maar nooit zonder mij gelukkig te gevoelen omdat ik weet, dat zij getrouwd is met den man dien zij liefheeft, en die haar liefheeft. Zeg haar, als het u belieft, dat ik zeker ben, dat haar man haar—zelfs haar—waardig is—en dat ik mij verheug over hare keus.”

Toen Toots aan deze woorden kwam werd hij duidelijker, en zijne oogen van den deurpost opslaande, zeide hij ze stoutweg. Toen drukte hij Walter nog eens de hand, met eene hartelijkheid, die Walter niet miste te beantwoorden, en ging heen.

Met hem ging de Kemphaan, dien hij sedert eenigen tijd elken avond medegebracht en in den winkel gelaten had, met het denkbeeld, dat er onverwachte omstandigheden konden ontstaan, waarin de dapperheid van dien uitstekenden persoon den adelborst van dienst zou kunnen zijn. De gaslantarens gaven een valsch licht, of hij kneep op eene afschuwelijke manier zijn oog dicht, en haalde daarbij even leelijk zijn neus op, toen Toots, de straat overstappende, omkeek naar de kamer waar Florence sliep. Onderweg naar huis liet hij meer vijandige neigingen tegen andere voetgangers blijken, dan een beoefenaar der vreedzame kunst van zelfverdediging wel paste. Thuis gekomen, bleef hij, in plaats van Toots in zijne apartementen alleen te laten, voor dezen staan, zijn witten hoed met beide handen op den rand wiegelende, en zijn neus (die meermalen beschadigd en niet te best gelapt was) ophalende op eene manier, die alles behalve eerbiedig kon heeten.

Daar zijn patroon druk met zijne eigene gedachten bezig was, merkte hij dit niet op, voordat de Kemphaan, die niet onopgemerkt wilde blijven, met zijne tong zekere klinkende geluiden maakte.

“Nu, baas,” zeide de Kemphaan zeer stroef, toen hij eindelijk de oogen van Toots had getrokken, “wou ik maar eens weten of het met die malligheid moet afloopen, of dat gij er ernst van zult maken?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots. “Verklaar u wat duidelijker.”—“Wel dan, kort en goed, baas,” zeide de Kemphaan. “Ik ben geen man om een woord weg te gooien. Zoo is het. Zal er een geboft worden?”

Toen hij deze vraag deed, liet de Kemphaan zijn hoed vallen, maakte daarop eene parade met de linkerhand, viel met de rechtervuist uit om zijn vermeenden vijand een geweldigen stomp te geven, schudde vinnig zijn hoofd en stelde zich weder in postuur.

“Kom aan, baas,” zeide de Kemphaan; “zal het lorrendraaierij zijn of meenens? Wat van de twee?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “uwe uitdrukkingen zijn grof, en uwe meening is donker.”—“Dan zal ik ze ronduit zeggen, baas!” hervatte de Kemphaan. “Het is laf.”—“Wat is laf, Kemphaan?” vroeg Toots.—“Dat is laf,” antwoordde de Kemphaan, met eene geduchte rimpeling van zijn beschadigden neus. “Daar nu, baas. Wat zeg ik. Nu die stijve hark al op zij is,” met deze minachtende benaming is het te denken, dat hij mijnheer Dombey wilde aanduiden, “en gij den winner op uw gemak zijn bekomst zoudt kunnen geven, laat gij het er bij zitten! Bij zitten!” herhaalde de Kemphaan, met verachtelijken nadruk. “Dat is laf, zeg ik.”—“Kemphaan,” zeide Toots met strengheid, “ge zijt een rechte gier. Uwe gevoelens zijn gruwelijk.”—“Ik houd het met courage en zuiver spel, baas,” antwoordde de Kemphaan. “En dat zijn mijne gevoelens. Ik kan geen lafheid velen. Ik ben een publiek persoon; voor de toonbank van den Kleinen Olifant kan men naar mij vernemen, en geen patroon van mij moet iets doen dat laf is. En het is laf,” zeide de Kemphaan met toenemenden nadruk. “Het is laf.”—“Kemphaan,” zeide Toots. “Ik begin van u te walgen.”—“Dan zijn wij met ons beiden, baas,” antwoordde de Kemphaan. “Kom aan. Ik zal een voorslag doen. Gij hebt mij meer dan eens of tweemaal van kastelein worden gesproken. Maar dat komt er niet op aan. Geef mij morgen een bankje van vijftig pond, en laat mij gaan.”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “na de hatelijke gevoelens, die gij aan den dag hebt gelegd, zal ik blij zijn als ik op die manier van u af ben.”—“Gedaan dan!” zeide de Kemphaan. “Het is te koop. Uw gedrag bevalt mij niet. Het is laf,” zeide de Kemphaan, die, naar het scheen, niets anders wist te zeggen, maar dit toch niet scheen te kunnen zwijgen. “Dat is het. Het is laf.”

Toots en de Kemphaan vonden dus in het verschil hunner zedelijke begrippen eene reden om te scheiden; en toen Toots ging slapen, droomde hij genoeglijk van Florence, die op den laatsten avond van haar meisjesleven aan hem als een vriend gedacht en hem van hare hartelijke genegenheid had laten verzekeren.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LVII. NOG EEN HUWELIJK

Sownds de kerkeknecht en jufvrouw Miff, de plaatsbewaarster, zijn vroeg op hun post in de fraaie kerk waar Dombey getrouwd werd. Een geelzuchtig oud heer uit Indië zal dien morgen eene jonge vrouw trouwen, en zes koetsen, vol heeren en dames, worden verwacht, en jufvrouw Miff heeft gehoord dat de geelzuchtige heer den weg naar de kerk wel met diamanten zou kunnen beleggen en ze bijna niet missen.

De huwelijkszegen zal van de beste qualiteit zijn, want ze zal door een buitengemeen eerwaardig heer, een Deken, worden uitgesproken, en de bruid zal, als een buitengewoon presentje, worden weggegeven door een generaal, die daartoe opzettelijk van het ministerie van oorlog komt.

Jufvrouw Miff kan gemeene lieden dien ochtend nog minder verdragen dan gewoonlijk, en zij is altijd zeer streng in dit opzicht. Jufvrouw Miff heeft geene staathuishoudkunde bestudeerd (zij denkt dat die wetenschap met de Dissenters in verband staat; Baptisten, of Wesleyanen, of zulk volk, zegt zij), maar zij kan toch nooit begrijpen wat gemeene lieden zich hebben te laten trouwen. “Wat drommel,” zegt jufvrouw Miff, “men leest dezelfde formulieren voor hen, en in plaats van souvereinen, krijgt men halve schellingen.”

Sownds, de kerkeknecht, is liberaler dan jufvrouw Miff—maar hij is ook geen plaatsbewaarster. “Het moet toch gedaan worden, jufvrouw,” zegt hij. “Wij moeten ze trouwen. Wij moeten onze nationale scholen hebben om aan het hoofd van te gaan, en wij moeten onze staande legers hebben. Wij moeten ze dus wel trouwen, jufvrouw,” zegt Sownds, “om het land aan den gang te houden.”

Sownds zit op de stoep en jufvrouw Miff veegt de kerk aan, wanneer een jong paartje, eenvoudig gekleed, binnenkomt. Het stemmige hoedje van jufvrouw Miff wordt driftig naar hen toegekeerd, want dit vroege bezoek doet haar aan een geheim huwelijk denken. Maar zij willen zich niet laten trouwen. “Zij willen de kerk maar eens rondgaan,” zegt de heer, en daar hij jufvrouw Miff een fatsoenlijk fooitje in de hand stopt, wordt haar zuur gezicht wat vriendelijker, duikt het stemmige hoedje, en kraakt hare droge houterige gestalte.

Jufvrouw Miff hervat haar stoffen, en schudt de kussens op—want men zegt dat de geelzuchtige oude heer gevoelige knieën heeft—maar houdt haar glazig plaatsbewaarsters oog op het paartje, dat de kerk rondwandelt. “Ahem!” kucht jufvrouw Miff, wier kuch droger is dan het hooi in eenig knielkussen, dat zij in bewaring heeft, “gij zult op een ochtend wel eens bij ons komen, liefjes, als ik mij niet zeer vergis.”

Zij zien naar een steen in den muur, ter gedachtenis van een doode daar geplaatst. Zij zijn ver van jufvrouw Miff af, maar deze kan toch met een half oog zien, hoe zij op zijn arm leunt, en hoe zijn hoofd tot haar neergebogen is. “Wel, wel,” zegt jufvrouw Miff, “ge zoudt wel erger kunnen doen. Want ge zijt een knap paar.”

Jufvrouw Miff’s gezegde heeft niets persoonlijks. Zij spreekt slechts van de materialen van haar beroep. Zij let bijna niet meer op paartjes dan op doodkisten. Zij is zulk eene magere, stokkerige, droge oude vrouw, dat men haast evenveel gevoel in eene geschaafde krul zou kunnen verwachten. Sownds daarentegen, die vleezig is, heeft een ander temperament. Hij zegt, terwijl zij op de stoep het heengaande paartje staan na te zien, dat zij een net figuurtje heeft, niet waar, en zoo goed hij zien kon (want zij liet haar hoofdje hangen toen zij buitenkwam) een ongemeen lief gezichtje. “Over het geheel, jufvrouw Miff,” zegt Sownds zeer smakelijk, “is zij wat men een rozeknopje zou kunnen noemen.”

Jufvrouw Miff stemt dit met een droog knikje toe, maar keurt het zoo weinig goed, dat zij heimelijk voorneemt, dat zij de vrouw van Sownds niet zou willen worden voor zooveel geld als hij haar maar geven kon, kerkeknecht als hij is.

En wat zegt het jonge paartje als het de kerk verlaat en het hek uitgaat?

“Lieve Walter, ik dank u. Nu kan ik vergenoegd heengaan.”—“En als wij terugkomen, Florence, zullen wij nog eens naar zijn graf komen zien.”

Florence slaat hare heldere, maar betraande oogen naar hem op, en legt hare andere hand op het handje, dat zijn arm omknelt.

“Het is nog heel vroeg, Walter, en de straten zijn bijna leeg. Laten wij nog wat wandelen.”—“Maar ge zult zoo moe worden, liefje.”—“O neen! Ik was heel moe de eerste maal toen wij samen wandelden, maar vandaag zal ik niet moe worden.”

En zoo—niet veel veranderd—zij even onschuldig en hartelijk—hij even rondborstig, even vol hoop en nog trotscher op haar—wandelen Florence en Walter, op den ochtend van hun trouwdag, te zamen langs de straten.

Zelfs niet bij die kinderlijke wandeling van zoolang geleden, waren zij meer van de geheele wereld om hen heen afgezonderd geweest, dan op dien ochtend. De kinderlijke voeten van zoolang geleden betraden geen zulken toovergrond als zij nu betraden. Kinderlijke liefde en vertrouwen kunnen menigmaal ontstaan en menigmaal gegeven worden, maar Florence’s vrouwelijk hart kan maar eenmaal worden weggeschonken, en kan, als het verworpen of verwaarloosd wordt, slechts verkwijnen en sterven.

Zij nemen de stilste straten en komen die, waar hare oude woning staat, niet nabij. Het is een heldere, warme zomerochtend, en de zon beschijnt hen, terwijl zij op den zich verdonkerenden nevel toegaan, die de City overspreidt. Schatten worden in de winkels ontbloot; juweelen, goud en zilver schitteren voor de zonnige vensters van den goudsmid, en groote huizen werpen eene statige schaduw op hen als zij voorbijgaan. Maar door het licht en door de schaduw wandelen zij verliefd te zamen voort, zonder om andere schatten te denken dan zij nu in elkander hebben.

Langzamerhand komen zij in donkerder, smaller straten, waar men de zon, nu geel, dan rood, niet anders ziet dan op de hoeken of op kleine opene plekken, waar een boom of eene van de ontelbare kerken staat, of waar een opgang met trappen is, of een wonderlijk plekje tuin, of eene begraafplaats met bijna zwarte zerken en gedenksteenen. Vol vertrouwen en liefde, gaat Florence door al die smalle straatjes en stegen, aan zijn arm hangende, met hem mede, om zijne vrouw te worden.

Haar hart klopt nu sneller, want Walter zegt haar dat hunne kerk dichtbij is. Zij gaan eenige groote pakhuizen voorbij, met wagens en karrelieden voor de deur, die den weg verstoppen—maar Florence ziet of hoort hen niet—en dan wordt de lucht stil en het daglicht duister, en staat zij te beven in de kerk, die een zonderlingen reuk, gelijk een kelder heeft.

Het smerige oude manneke, luider van de teleurgestelde klok, staat in het portaal, en heeft zijn hoed in de doopvont gelegd—want hij, de doodgraver, is daar geheel thuis. Hij brengt hen in eene oude, stofferige, met bruin hout beschotene kerkekamer, die wel naar eene hoekkast gelijkt, waaruit de planken zijn weggenomen, waar de doorwormde registers een reuk verspreiden gelijk verschaalde snuif, hetgeen de betraande Suze aan het niezen helpt.

Hoe jeugdig en schoon is de bruid in deze oude stofferige kamer, met niets om haar heen dat haar verwant is, behalve haar aanstaanden echtgenoot! Daar is een stofferige oude voorlezer, die onder eene poort aan den overkant, achter eene geheele verschansing van paaltjes, een soort van verschaald nieuwswinkeltje hield. Daar is eene stofferige oude plaatsbewaarster, die voor niemand te zorgen heeft dan zich zelve, en daarmede moeite genoeg heeft. Daar is een stofferige oude kerkeknecht (de kerkeknecht en plaatsbewaarster, die Toots verleden zondag zijn nageloopen) die iets te doen heeft met een gild, dat dichtbij een huis of eene hal heeft, met een geschilderd venster er in, dat geen sterveling nog ooit gezien heeft. Er zijn stofferige houten lijstwerken, met in- en uitspringende hoeken, boven het altaar en om de galerij, en boven een opschrift, hetwelk vermeldt wat de Meester en Broeders van het gemelde gild in het jaar een duizend zeshonderd vier en negentig gedaan hebben. Er zijn stofferige oude klankborden boven den preekstoel en den leeslessenaar, die er uitzien als deksels om op den predikant en den voorlezer neergelaten te worden, in geval zij aanstoot geven. Daar zijn alle mogelijke inrichtingen en gemakken tot het bewaren van stof, behalve op het kerkhof, dat maar zeer bekrompen is.

De kapitein, oom Sam en Toots zijn gekomen, de geestelijke trekt in de kerkekamer zijn overkleed aan, terwijl de voorlezer om hem rondgaat en er het stof afblaast, en de bruid en de bruidegom staan voor het altaar. Er is geene bruidsjuffer,—of Suze Nipper moet er een zijn—en geen beter vader dan kapitein Cuttle. Een man met een houten been, die op een appel kauwt en een blauwen zak draagt, komt eens binnen om te zien wat er gebeurt; maar niets vindende om hem te vermaken, gaat hij stampend weder heen tusschen de galmende echo’s van het portaal.

Geen vriendelijken lichtstraal ziet men Florence beschijnen, terwijl zij met schroomvallig gebogen hoofd voor het altaar knielt. De ochtendzon is daar uitgemetseld. Buiten staat een schrale boom, waarin de musschen een weinigje zitten te tjilpen; en in een plekje zonneschijn op een zoldertje hangt een lijster, die onder het formulier schel begint te zingen, terwijl de man met het houten been heenstampt. De amens van den stofferigen voorlezer schijnen, gelijk die van Macbeth, in zijne keel te blijven steken; maar kapitein Cuttle helpt hem er aan, en doet dit zoo van goeder harte, dat hij drie geheel nieuwe amens invoegt, op plaatsen van het formulier waar men ze nog nooit heeft gehoord.

Zij zijn getrouwd, en hebben hunne namen geteekend in een dier oude muffe registers, en de geestelijke heeft zijn overkleed aan het stof teruggegeven en is zelf naar huis gegaan. In een donker hoekje der donkere kerk ligt Florence in Suze’s armen te schreien. Toots’ oogen zijn rood. De kapitein wrijft zijn neus, oom Sam heeft zijn bril van zijn voorhoofd naar omlaag geschoven en is de deur uitgegaan.

“God zegen u, Suze, lieve Suze! Als gij ooit getuigenis kunt geven van de liefde, die ik voor Walter heb, en de reden die ik heb om hem lief te hebben, doe het dan om zijnentwil. Goedendag! Vaarwel!”

Zij hebben het beter gevonden, niet naar den Adelborst terug te gaan, maar zoo te scheiden; eene koets staat dichtbij naar hen te wachten.

Suze kan niet spreken; zij snikt maar en liefkoost hare meesteres. Toots komt nader, poogt haar op te beuren, en wil haar geleider zijn. Florence geeft hem hare hand—geeft hem, uit de volheid van haar hart, hare lippen—kust oom Sam en kapitein Cuttle, en wordt door haar jongen man heengeleid.

Maar Suze kan het niet uitstaan dat Florence met eene droevige herinnering van haar zal vertrekken. Zij had zoo geheel anders willen zijn, en doet zich zelve bittere verwijten. Eene laatste poging willende doen tot herstel van haar goeden naam, rukt zij zich van Toots los, en loopt de koets na om een afscheidsglimlach te laten zien. De kapitein, haar oogmerk radende, zet haar na, want hij acht het ook zijn plicht om hen, zoo mogelijk, met een hoera te laten heenrijden. Oom Sam en Toots blijven buiten de kerk naar hen staan wachten.

De koets is weg, maar de straat, die steil afloopt, is smal en aan het einde verstopt, en Suze kan zien dat de koets in de verte moet blijven staan. Kapitein Cuttle volgt haar terwijl zij heenstuift, en wuift met zijn blinkenden hoed, als een sein dat misschien de rechte koets zal aantrekken, en misschien ook niet.

Suze loopt den kapitein vooruit en bereikt de koets. Zij kijkt het portier in, ziet Walter en naast hem het lieve gezichtje, slaat hare handen samen en gilt uit:

“Jufvrouw Flore, lieveling! Zie mij toch aan. Wij zijn allen zoo blij nu. Nog eens goedendag, mijn schat, nog eens!”

Hoe Suze het doet weet zij niet, maar zij bereikt het portier, kust haar en heeft in een oogenblik de armen om haar hals.

“Wij zijn allen zoo—zoo blij nu, lieve jufvrouw Florence!” zegt Suze, met eene zeer verdachte hapering in haar adem. “Gij—gij zult nu niet boos op mij zijn? Zult ge wel?”—“Boos, Suze?”—“Neen, neen, dat zult ge zeker niet. Ik zeg, dat zult ge niet, mijn lief meesteresje!” roept Suze. “En hier is de kapitein ook—uw vriend de kapitein, weet ge wel—om u nog eens goedendag te zeggen.”—“Hoera, mijn hartediefje!” schreeuwt de kapitein, met een gezicht vol krachtige ontroering. “Hoera, Walter, mijn jongen, hoera! hoera!”

Met den jongen man aan het eene portier, en de jonge vrouw aan het andere, met den kapitein op de eene trede, en Suze op de andere, terwijl de koets tegen wil en dank moet voortrijden, en al de andere koetsen en wagens oproerig worden omdat zij tegenstribbelt, was er nooit zooveel verwarring op vier wielen. Maar Suze Nipper blijft dapper bij haar stuk. Zij houdt tot het laatste toe een lachend gezicht, door tranen heen lachende, naar hare meesteres gewend. Zelfs toen zij achter wordt gelaten, blijft de kapitein nog beurtelings voor het portier verschijnen en verdwijnen, en roept: “Hoera, mijn jongen! Hoera, mijn hartediefje!” tot elke poging om de koets langer bij te houden, hopeloos is. Eindelijk is de koets weg. De kapitein komt bij Suze terug, zij bezwijmt, en wordt een bakkerswinkel ingebracht om weer bij te komen.

Oom Sam en Toots blijven op het kerkhof geduldig zitten wachten op de rollaag van het hek, tot kapitein Cuttle en Suze terugkomen. Daar geen van allen wenscht te spreken of toegesproken te worden, zijn zij uitmuntend gezelschap voor elkander en volkomen tevreden. Wanneer zij allen weder bij den houten adelborst komen en zich aan het ontbijt zetten, kan niemand een brok aanraken. Kapitein Cuttle wil zich houden alsof hij razend van honger was, maar moet het opgeven. Toots zegt, na het ontbijt, dat hij des avonds zal terugkomen, en loopt den geheelen dag door de stad te kuieren, met een onbestemd gevoel, alsof hij in geen veertien dagen naar bed was geweest.

Er heerscht eene vreemde aantrekkingskracht in het huis en de kamer, waar men zoo dikwijls bij elkander is geweest, en waaruit zooveel verdwenen is. Dit verscherpt, en verzacht tegelijk, de smart der scheiding. Toots zegt Suze, als hij des avonds terugkomt, dat hij den geheelen dag zoo ellendig is geweest, en dat dit gevoel hem toch wel bevalt. Hij neemt Suze Nipper, daar hij met haar alleen is, in zijn vertrouwen, en vertelt haar wat hij wel gevoelde toen zij hem zoo oprecht hare meening zeide over de waarschijnlijkheid of jufvrouw Dombey hem ooit zou liefkrijgen. In de vertrouwelijkheid, door deze gemeenschappelijke herinneringen en hunne tranen voortgebracht, doet Toots het voorstel, dat zij te zamen zullen uitgaan en wat voor het avondeten koopen. Daar Suze hierin toestemt koopen zij een goed aantal kleinigheden; en met hulp van jufvrouw Richards zetten zij, eer de kapitein en oom Sam thuis komen, een prachtig souper gereed.

De kapitein en de oude Sam zijn aan boord van het schip geweest, en hebben Di daar gehuisvest en de kisten en koffers bezorgd. Zij hebben veel te vertellen, hoe bemind en geacht Walter is, en hoeveel gemakken hij zal hebben, en hoe hij in stilte vroeg en laat heeft gewerkt, om zijne kajuit, gelijk de kapitein zegt, tot “een schilderijtje” te maken, en zijn vrouwtje daarmee te verrassen. “Eene admiraalskajuit,” zegt de kapitein, “kan niet netter wezen.”

Maar het grootste genoegen van den kapitein is, te weten, dat het groote horloge, en de suikertang en de theelepeltjes aan boord zijn; en telkens mompelt hij bij zich zelven: “Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers bezeild, dan toen gij dat kapitaaltje hebt overgemaakt, gansch en gaar. Gij hadt wel gezien hoe het land lag, Edward; en dat strekt u tot eer, mijn jongen.”

De oude instrumentmaker is nog verstrooider en mistiger dan hij placht te zijn, en trekt zich het huwelijk en het afscheid erg aan. Maar het troost hem zeer, dat hij zijn ouden bondgenoot, Ned Cuttle, bij zich heeft, en hij zet zich met een vergenoegd en dankbaar gezicht aan het avondmaal.

“Mijn jongen is bewaard geworden en het gaat hem goed,” zegt de oude man, in zijne handen wrijvende. “Wat recht heb ik om anders dan dankbaar en tevreden te zijn!”

De kapitein, die zich nog niet aan tafel heeft gezet, maar eenigen tijd onrustig heeft rondgedrenteld, en nu aarzelend voor zijne plaats staat, ziet zijn ouden vriend twijfelachtig aan, en zegt:

“Sam, daar is die laatste flesch ouden Madera nog beneden. Zoudt ge ze van avond niet boven willen hebben, oude jongen, om op de gezondheid van Walter en zijne vrouw leeg te drinken?”

De instrumentmaker ziet den kapitein peinzend aan, steekt de hand in den borstzak van zijne koffiebruine jas, haalt zijne portefeuille te voorschijn en neemt er een brief uit.

“Aan mijnheer Dombey,” zegt de oude man. “Van Walter. Om over drie weken te zenden. Ik zal hem lezen:—“Mijnheer. Ik ben met uwe dochter getrouwd. Zij is met mij op eene verre reis gegaan. Dat ik geheel aan haar ben toegewijd, geeft mij geene aanspraak op haar of op u, maar God weet dat ik dat ben. Waarom ik, die haar boven al de aardsche dingen liefheb, haar toch, zonder gewetensbezwaar, heb vereenigd met al de onzekerheden en gevaren van mijn leven, zal ik niet zeggen. Gij weet wel waarom, en gij zijt haar vader. Doe haar geene verwijten. Zij heeft u nooit iets verweten. Ik denk of hoop niet, dat gij mij ooit zult vergeven. Er is niets, dat ik minder verwacht. Maar indien er een uur mocht komen, waarin het u een troost zou zijn te gelooven, dat Florence altijd iemand bij zich heeft, die het tot de grootste taak van zijn leven maakt hare herinnering van vroegere smart uit te wisschen, verzeker ik u plechtig, dat gij dan in dat geloof gerust kunt wezen.””

Samuel stak den brief weder zorgvuldig in zijne portefeuille en de portefeuille in zijn zak.

“Wij willen de laatste flesch van dien ouden Madera nog niet drinken, Ned,” zeide de oude man peinzend. “Nog niet.”—“Nog niet,” zeide de kapitein toestemmend. “Neen. Nog niet.”

Suze en Toots zijn van hetzelfde gevoelen. Na eene poos van stilte zetten zij zich allen aan den maaltijd en drinken met iets anders op de gezondheid van het jonge paar; en de laatste flesch van dien ouden Madera blijft nog ongestoord onder stof en spinrag liggen.

Eenige dagen zijn verloopen, en een statig schip is op zee, en spreidt zijne witte vleugelen uit voor den gunstigen wind.

Op het dek, voor den ruwsten man aan boord een beeld van al wat schoon en schuldeloos is—iets dat goed en aangenaam is daar te hebben, en dat de reis voorspoedig moet maken—is Florence. Het is avond, en zij en Walter zitten alleen, turende op de baan van licht over de zee, tusschen hen en de maan.

Eindelijk kan zij niet duidelijk meer zien door de tranen in hare oogen; en dan laat zij haar hoofdje aan zijne borst zinken, en slaat hare armen om zijn hals en zegt: “O, lieve Walter, ik ben zoo gelukkig.”

Haar echtgenoot drukt haar aan zijn hart, en zij blijven stil zitten, en het statige schip vaart zachtjes voort.

“Als ik de zee hoor en naar haar zit te turen,” zegt Florence, “brengt mij dat zoovele dagen voor den geest. Het doet mij zooveel denken—”—“Aan Paul, liefste. Dat weet ik.”

Aan Paul en Walter. De stemmen in de golven fluisteren Florence, met haar onophoudelijk gemurmel, gedurig toe van eene liefde, eeuwig en onveranderlijk, niet door de grenzen dezer wereld, of door het einde van den tijd beperkt, maar reikende, over de zee, over het luchtruim heen, tot in het verre onzichtbare land!

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us