← Dombey en Zoon

XXVI. SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST…

Part 5 of 10 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #74613, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (63)
  1. Opening under 1 min
  2. I. DOMBEY EN ZOON about 17 min
  3. II about 16 min
  4. III about 18 min
  5. IV about 19 min
  6. V. PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT about 30 min
  7. VI. PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID about 35 min
  8. VII about 9 min
  9. VIII. PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER about 34 min
  10. IX. DE HOUTEN ADELBORST KOMT IN ONGELEGENHEID about 23 min
  11. X about 20 min
  12. XI. PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD about 24 min
  13. XII. PAUL’S OPVOEDING about 31 min
  14. XIII. SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN about 19 min
  15. XIV about 42 min
  16. XV about 24 min
  17. XVI. WAT DE GOLVEN ALTIJD ZEIDEN about 9 min
  18. XVII. KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN about 18 min
  19. XVIII. VADER EN DOCHTER about 31 min
  20. XIX. WALTER VERTREKT about 22 min
  21. XX. DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS about 24 min
  22. XXI. NIEUWE GEZICHTEN about 17 min
  23. XXII. CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN about 32 min
  24. XXIII. FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG about 37 min
  25. XXIV. HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART about 20 min
  26. XXV. VERRASSEND NIEUWS VAN OOM SAM about 16 min
  27. XXVI. SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST about 25 min
  28. XXVII. DONKERDER SCHADUWEN about 28 min
  29. XXVIII. VERANDERINGEN about 17 min
  30. XXIX. HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN about 20 min
  31. XXX. DE BRUIDSDAGEN about 26 min
  32. XXXI. HET HUWELIJK about 28 min
  33. XXXII. DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW about 31 min
  34. XXXIII. CONTRASTEN about 23 min
  35. XXXIV. NOG EENE MOEDER EN DOCHTER about 20 min
  36. XXXV. HET GELUKKIGE PAAR about 21 min
  37. XXXVI. HET INWIJDINGSFEEST about 21 min
  38. XXXVII. WAARSCHUWINGEN about 19 min
  39. XXXVIII. JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP about 16 min
  40. XXXIX. VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE about 29 min
  41. XL. HUISELIJKE BETREKKINGEN about 28 min
  42. XLI. NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN about 18 min
  43. XLII. VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG about 26 min
  44. XLIII. DE NACHTWAKEN about 15 min
  45. XLIV. EENE SCHEIDING about 17 min
  46. XLV. DE VERTROUWELING about 13 min
  47. XLVI. HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN about 21 min
  48. XLVII. DE DONDERSLAG about 36 min
  49. XLVIII. FLORENCE’S VLUCHT about 19 min
  50. XLIX. DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING about 30 min
  51. L. WALTER EN TOOTS about 30 min
  52. LI. MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD about 14 min
  53. LII. GEHEIME BERICHTEN about 25 min
  54. LIII. NOG MEER BERICHTEN about 28 min
  55. LIV. DE VLUCHTELINGEN about 19 min
  56. LV. ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING about 22 min
  57. LVI about 38 min
  58. LVII. NOG EEN HUWELIJK about 14 min
  59. LVIII. NA EEN TIJDSVERLOOP about 26 min
  60. LIX. VERGELDING about 34 min
  61. LX. VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN about 20 min
  62. LXI. NOG EEN WEDERZIEN about 22 min
  63. LXII. BESLUIT about 10 min

Continue:

XXVI. SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST

“Uw onderdanigste, mijnheer,” zeide de majoor. “Voor den drommel, mijnheer, een vriend van mijn vriend Dombey is een vriend van mij, en ik ben blij dat ik u zie.”—“Ik ben, Carker,” zeide Dombey, als tot opheldering, “majoor Bagstock oneindig verplicht voor zijn gezelschap en onderhoud. Majoor Bagstock heeft mij veel dienst bewezen, Carker.”

Carker de chef, met den hoed in de hand, juist te Leamington aangekomen en aan den majoor gepresenteerd, liet den majoor zijne geheele dubbele rij tanden zien en vertrouwde wel zoo vrij te mogen zijn om hem met al zijn hart te danken dat hij in mijnheer Dombey’s uitzicht en gemoedsstemming zulk eene groote verbetering had tot stand gebracht.

“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor tot antwoord, “er behoeft mij voor niets bedankt te worden, want het is een geven en nemen geweest. Een groot man gelijk onze vriend Dombey, mijnheer,” zeide de majoor, zijne stem latende dalen, maar niet zoozeer dat hij voor dien heer onhoorbaar werd, “kan niet nalaten zijne vrienden te verbeteren en te verheffen. Hij versterkt en verheft iemand in zijne zedelijke natuur, mijnheer, dat doet Dombey.”

Carker ving de uitdrukking gretig op. In zijne zedelijke natuur. Precies juist de woorden die hij had willen in bedenking geven.

“Maar als mijn vriend Dombey, mijnheer,” vervolgde de majoor, “u van majoor Bagstock spreekt, moet ik zoo vrij zijn om hem en u te recht te zetten. Hij meent dan eenvoudig Joe, mijnheer—Joey B.—Josh Bagstock—Jozef—de ruwe, taaie oude J., mijnheer. Tot uw dienst.”

Carker’s buitengemeene vriendelijkheid en welwillendheid voor den majoor, en Carker’s bewondering van zijne ruwheid, taaiheid en plompheid, blonken uit elken tand in Carker’s mond.

“En nu, mijnheer,” zeide de majoor, “hebben gij en Dombey een drommelschen boel zaken om over te praten.”—“Volstrekt niet, majoor,” zeide Dombey.—“Dombey,” hervatte de majoor op den toon eener uitdaging. “Dat weet ik beter. Een man als gij—de steunpilaar van den handel—moet niet gehinderd worden. Uwe oogenblikken zijn kostbaar. Bij het diner zullen wij elkander weerzien. Ondertusschen zal oude Jo zich uit den weg houden. Wij dineeren om zeven uur precies, mijnheer Carker.”

Zoo ging de majoor heen, met een erg opgezwollen gezicht; maar terstond zijn hoofd weder binnen de deur stekende, zeide hij: “Neem mij niet kwalijk, Dombey, hebt gij ook eene boodschap voor ze?”

Eenigszins verlegen, en niet zonder een blik naar den beleefden bewaarder van zijn handelsvertrouwen, droeg Dombey den majoor zijn compliment op.

“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor, “het moet iets warmers wezen, of oude Jo zal verre van welkom zijn.”—“Mijne groetenis dan, als gij wilt, majoor,” antwoordde Dombey.—“Voor den drommel, mijnheer,” zeide de majoor, schertsend zijne schouders en zijne bolle wangen schuddende; “maak het nog wat warmer.”—“Wat u dan maar belieft, majoor,” zeide Dombey.—“Uw vriend is slim, mijnheer, verduiveld slim,” zeide de majoor, om de deur heen naar Carker kijkende. “Maar Bagstock ook.” Hij grinnikte nog wat, maar hield eensklaps daarmede op, gaf zich zelven een slag op de borst en zeide plechtig: “Dombey, ik benijd uw gevoel. God zegen u!” En daarmede ging hij heen.—“Gij moet dien heer van zeer veel nut hebben gevonden,” zeide Carker, hem met zijne tanden volgende.—“Bijzonder,” zeide Dombey.—“Hij schijnt hier vrienden te hebben,” hervatte Carker. “Ik bemerk, uit hetgeen hij zegt, dat gij hier in de samenleving komt. Ik moet zeggen,” daarbij glimlachte hij afschuwelijk, “ik ben zeer blijde dat gij dat doet.”

Dombey erkende deze belangstelling van zijn ondergezaghebber door zijn horlogeketting te draaien en eenigszins zijn hoofd te bewegen.

“Gij zijt voor de samenleving geboren,” zeide Carker. “Van alle menschen die ik ken zijt gij door karakter en positie best voor de samenleving geschikt. Ik moet zeggen, het heeft mij dikwijls verbaasd dat gij u zoolang daarvan afgezonderd hebt gehouden.”—“Ik had mijne redenen daarvoor, Carker. Ik was alleen en onverschillig voor gezelligheid. Maar gij hebt zelf buitengemeene talenten voor de samenleving, en daarom moest het u meer verwonderen.”—“O—ik!” zeide de ander, met bereidvaardige zelfverachting. “Met iemand als ik is het geheel iets anders. Ik kom in geene vergelijking met u.”

Dombey bracht de hand aan zijne das, schikte zijne kin daarin en stond zijn trouwen vriend en dienaar eene poos stilzwijgend aan te zien. “Ik zal het genoegen hebben, Carker,” zeide hij eindelijk, en scheen daarbij iets door te zwelgen dat wat te groot voor zijne keel was, “om u aan mijne—aan de vrienden van den majoor te presenteeren. Heel aardige menschen.”—“Dames daaronder, zou ik denken?” zeide de gladtongige dienaar.—“Het zijn allen—dat is te zeggen, het zijn allebei dames,” antwoordde Dombey.—“Maar twee?” glimlachte Carker.—“Er zijn er maar twee. Ik heb mijne visites tot hare woning bepaald en hier geene andere bekenden gemaakt.”—“Zusters misschien?” zeide Carker.—“Moeder en dochter,” antwoordde Dombey.

Toen Dombey zijne oogen neersloeg en zijne das weder schikte, veranderde de glimlachende tronie van Carker, zonder eenigen tusschenstaat van overgang, in een donker en dreigend gezicht, dat hem met een hoonenden grijns uitvorschend aankeek. Toen Dombey zijne oogen weder opsloeg, nam het gezicht ook weder even snel de oude uitdrukking aan en liet hem al het tandvleesch zien dat het had.

“Gij zijt wel goed,” zeide Carker. “Het zal mij zeer verheugen als ik met haar mag kennis maken. Van dochters gesproken, ik heb mejufvrouw Dombey gezien.”

Eensklaps steeg Dombey het bloed naar het gezicht.

“Ik ben zoo vrij geweest,” zeide Carker, “om haar te gaan vragen of zij mij ook eene kleine commissie had mede te geven. Maar ik ben niet zoo gelukkig om overbrenger van iets te zijn behalve hare—hare hartelijke liefde.”

Een wolvengezicht was het toen, zelfs met de heete tong in den opengesperden muil zichtbaar, toen zijne oogen die van Dombey ontmoetten.

“Welke berichten van zaken zijn er?” vroeg Dombey, na eene poos van stilte, waaronder Carker eenige papieren had voor den dag gehaald.—“Heel weinig,” antwoordde Carker. “Over het geheel hebben wij sedert eenigen tijd niet ons gewoon fortuin gehad, maar dat is van weinig gewicht voor u. Bij Lloyd’s houdt men de Zoon en Erfgenaam voor verloren. Welnu, het schip was geassureerd van de kiel tot den top van den mast.”—“Carker,” zeide Dombey, zich dicht bij hem op een stoel zettende, “ik kan niet zeggen dat dat jonge mensch, Gay, ooit een gunstigen indruk op mij gemaakt heeft...”—“Op mij ook niet,” viel Carker er op in.—“Maar ik wenschte toch wel,” vervolgde Dombey, zonder op die stoornis te letten, “dat hij nooit aan boord van dat schip was gekomen. Ik wenschte dat hij niet uitgezonden was.”—“Het is jammer dat ge dat niet bijtijds hebt gezegd, niet waar?” antwoordde Carker koeltjes. “Evenwel, ik geloof dat alles ten beste is. Heb ik u al gezegd dat er tusschen mejufvrouw Dombey en mij iets geweest is dat naar eene kleine vertrouwelijkheid geleek?”—“Neen,” zeide Dombey barsch.—“Ik twijfel er niet aan,” hervatte Carker, na eene poos van stilte, die bijzonderen indruk moest maken, “dat waar Gay ook is, hij veel beter is waar hij is, dan hier thuis. Als ik in uwe plaats was of wezen kon, zou ik daarvan overtuigd zijn. Ik zelf ben er volkomen van overtuigd. Mejufvrouw Dombey is goed van vertrouwen en jong—misschien haast niet hooghartig genoeg, voor uwe dochter—als zij een gebrek heeft. Schoon dat niet veel is. Wilt gij deze balansen met mij nazien?”

Dombey leunde in zijn stoel achterover, in plaats van zich over de papieren te buigen die voor hem gelegd werden, en zag Carker strak in het gezicht. Carker hield zich, met eenigszins opgetrokken oogleden, alsof hij naar de cijfers keek en wachtte tot het zijn principaal zou gelegen komen het werk te beginnen. Hij toonde dat hij zich maar zoo hield, uit groote kieschheid en om Dombey’s gevoel te sparen, en terwijl de ander hem aanzag begreep deze dit wel en gevoelde hij dat, zonder die kieschheid, zijn vertrouwde veel meer zou gezegd hebben, hetwelk hij (Dombey) te trotsch was om te vragen. Dit was dikwijls Carker’s manier bij het behandelen van zaken. Langzamerhand werd Dombey’s blik minder strak en vestigde hij zijne aandacht op de papieren voor hem; maar terwijl hij bezig was met die na te zien, hield hij dikwijls op en zag Carker wederom aan. Wanneer hij zoo deed praalde Carker gelijk te voren met zijne kieschheid, en prentte hij deze zijnen grooten patroon hoe langer hoe meer in.

Terwijl zij zoo bezig waren en onder Carker’s behendig aanstoken toornige gedachten ten opzichte van de arme Florence in Dombey’s hart de plaats begonnen te beslaan van den kouden afkeer die daarin vroeger had geheerscht, wandelde majoor Bagstock, zeer bewonderd door de oude dames te Leamington, en door den inboorling met de gewone lichte bagage gevolgd, den schaduwkant van den weg langs, om mevrouw Skewton eene ochtendvisite te gaan brengen. Daar het middag was toen de majoor het paleis van Cleopatra bereikte, had hij het geluk om zijne koningin op hare gewone sofa bij een kop koffie te vinden kwijnen, in eene kamer zoo verdonkerd, om hare weelderige rust door geen zonnestraal te storen, dat Withers, die op hare bevelen stond te wachten, meer naar het spook van een page dan naar een levenden jongen geleek.

“Welk onuitstaanbaar schepsel is dat, dat daar binnenkomt!” zeide mevrouw Skewton. “Dat kan ik niet uithouden. Ga heen, wie er ook is!”—“Gij hebt toch het hart niet om J. B. te verbannen, mevrouw,” zeide de majoor, en bleef met den rotting op schouder halverwege stilstaan.—“O, zijt gij het?” zeide Cleopatra. “Nu ik mij wel bedenk moogt gij binnenkomen.”

De majoor trad dus binnen, en naar de sofa komende, drukte hij hare bekoorlijke hand aan zijne lippen.

“Ga zitten,” zeide Cleopatra, kwijnend met haar waaier wuivende, “maar ver van mij af. Kom niet dicht bij mij, want ik ben schrikkelijk gevoelig en zenuwachtig van morgen, en gij ruikt naar de zon. Gij zijt geblakerd.”—“Waarachtig mevrouw,” zeide de majoor, “er is een tijd geweest dat Jozef Bagstock werkelijk door de zon gebraden en geblakerd werd; dat hij door de broeikashitte in West-Indië zoodanig werd geforceerd, mevrouw, dat hij onder den naam van de Bloem bekend was. Men hoorde nooit van Bagstock in die dagen, mevrouw, men hoorde van de Bloem—de Bloem van ons regiment. De Bloem mag min of meer verwelkt zijn, mevrouw,” zeide de majoor, zich op een stoel zettende, veel dichter bij dan zijne wreede godin hem had aangewezen, “maar hij is nog eene taaie plant, en altijd groen, dat wil zeggen altijd trouw.”

Hier kneep de majoor, door de donkere kamer gedekt, zijn oog dicht, liet zijn hoofd rollen als een harlekijn, en bracht zich misschien, door overmaat van zelfvoldaanheid, veel dichter bij eene beroerte dan hij nog ooit geweest was.

“Waar is mevrouw Granger?” vroeg Cleopatra haar page.

Withers geloofde dat zij op hare kamer was.

“Heel goed,” zeide mevrouw Skewton. “Ga maar heen en doe de deur dicht. Ik heb belet.”

Toen Withers verdween, draaide mevrouw Skewton kwijnend haar hoofd naar den majoor om, zonder zich anders te bewegen, en vroeg hem hoe zijn vriend voer.

“Dombey, mevrouw,” antwoordde de majoor, met een comisch gegorgel in zijne keel, “is zoo wel als iemand in zijn toestand kan wezen. Zijn toestand is wanhopig, mevrouw. Dombey is geraakt. Door en door geschoten.”

Cleopatra wierp den majoor een scherpen blik toe, die bijzonder afstak bij den geaffecteerd temenden toon waarmede zij daarop zeide:

“Majoor Bagstock, al weet ik maar weinig van de wereld—en ik heb waarlijk geen spijt van mijne onkunde, want het is toch maar eene valsche wereld, vrees ik, vol akelige gemaaktheid, waar de natuur zelden ontzien wordt en men de muziek van het hart maar zelden hoort—kan ik u toch niet verkeerd verstaan. Gij doelt op Edith—mijn buitengemeen dierbaar kind,” zeide mevrouw Skewton, met haar voorvinger langs hare wenkbrauwen strijkende, “en uwe woorden doen de teederste snaren trillen.”—“Plompheid, mevrouw,” antwoordde de majoor, “is altijd eene eigenaardigheid van den stam van Bagstock geweest. Gij hebt gelijk. Joe moet toegeven.”—“En gij doelt ook,” hervatte Cleopatra, “op eene van de schoonste en edelste en heiligste aandoeningen waarvoor onze droevig verbasterde natuur vatbaar is, als ik wel heb.”

De majoor legde zijne hand op zijne lippen en liet Cleopatra een kusje toezweven, als om te beduiden welke aandoening hij bedoelde.

“Ik gevoel dat ik zwak ben; ik gevoel wel dat het mij ontbreekt aan die geestkracht, welke eene mama behoort te ondersteunen,” zeide mevrouw Skewton, met den geborduurden rand van haar zakdoek langs hare lippen vegende, “maar ik kan toch aan iets, dat voor mijne lieve Edith zoo buitengemeen gewichtig is, haast niet denken, zonder een gevoel alsof ik flauw zal vallen. Evenwel, gij booze man, daar gij er zoo stout van hebt gesproken en het mij toch al zooveel smart heeft veroorzaakt,” hierbij wees zij met haar waaier naar hare linkerzijde, “wil ik niet voor mijn plicht terugdeinzen.”

De majoor liet zijn hoofd rollen en kneep zijn oog dicht, tot hij eene kuch kreeg, die hem noodzaakte om een paar malen de kamer op en neer te gaan, eer zijne schoone vriendin kon vervolgen.

“Mijnheer Dombey,” zeide mevrouw Skewton eindelijk, “was, nu al vele weken geleden, zoo beleefd om ons de eer van eene visite te bewijzen, in uw gezelschap, mijn beste majoor. Ik moet bekennen—laat ik maar openhartig zijn—dat het mijn gebrek is mijn gevoel te veel te laten spreken, mijn hart als het ware buitenop te dragen. Ik ken mijn gebrek wel. Mijn ergsten vijand kan ik niet beter kennen. Maar ik heb er geen berouw van; ik wil mij liever niet door de gevoellooze wereld laten bevriezen, en dat verwijt gewillig dragen.”

Mevrouw Skewton verschikte haar halsdoekje, kneep eens in hare dorre keel, om het vel zachter te doen worden, en vervolgde met groote zelfvoldoening.

“Het deed mij oneindig veel genoegen (en mijne lieve Edith zeker ook) mijnheer Dombey hier te zien. Als een vriend van u, mijn beste majoor, waren wij natuurlijk reeds gunstig voor hem ingenomen, en ik verbeeldde mij iets hartelijks bij mijnheer Dombey op te merken, dat buitengemeen verkwikkelijk was.”—“Tegenwoordig heeft Dombey verduiveld weinig hartelijks, mevrouw,” zeide de majoor.—“Booswicht,” riep mevrouw Skewton uit, hem kwijnend aanziende, “houd u toch stil. Mijnheer Dombey,” vervolgde Cleopatra, de rozenkleur op hare kaken effenende, “herhaalde dus zijne visite; en misschien vond hij iets uitlokkends in de eenvoudigheid van onzen smaak—want het natuurlijke heeft altijd iets bekoorlijks; hij bezocht ten minste elken avond onzen kleinen kring. Weinig dacht ik aan de geduchte verantwoording die ik op mij laadde, toen ik mijnheer Dombey aanmoedigde—om—”—“Om zich hier in te kwartieren, mevrouw,” zeide de majoor.—“Grove man!” zeide mevrouw Skewton, “gij raadt wat ik meen, maar drukt het hatelijk uit.”

Hier liet mevrouw Skewton haar elleboog op een tafeltje naast haar rusten, en hare hand in eene sierlijke houding, naar zij dacht, naar beneden hangen en met haar waaier bengelen. Onder het spreken bleef zij met zeker traag welgevallen naar die hand kijken.

“De zielesmart die ik verduurd heb,” zeide zij met een fijn geknepen mondje, “toen de waarheid langzamerhand voor mij duidelijk werd, is veel te schrikkelijk geweest om er over uit te weiden. Geheel mijn aanzijn is met mijne lieve Edith samengestrengeld; en haar van dag tot dag te zien veranderen—mijn aardig troetelkindje, dat sedert den dood van dien allerbesten Granger haar hart zoo zorgvuldig heeft bewaard—is het aandoenlijkste ding van de wereld.”

Mevrouw Skewton’s wereld scheen niet veel aandoenlijks te bevatten, als men afging op den indruk, dien dit aandoenlijkste ding op haar maakte. Maar dit in het voorbijgaan.

“Edith,” kwezelde mevrouw Skewton, “die de parel van mijn leven is, gelijkt mij sprekend, zegt men. Ik geloof ook wel dat wij op elkaar gelijken.”—“Er is één man in de wereld, die nooit zal toegeven dat iemand naar u gelijkt, mevrouw,” zeide de majoor, “en die man heet oude Joe Bagstock.”

Cleopatra deed alsof zij den vleier met haar waaier de hersenen wilde inslaan, maar bedacht zich, glimlachte en vervolgde.

“Als mijn bekoorlijk meisje eenige voorrechten van mij heeft geërfd, heeft zij ook mijne zwakheden geërfd,” hervatte Cleopatra. “Zij heeft veel kracht van karakter—het mijne zegt men dat ontzaglijk krachtig is geweest, schoon ik het niet geloof—maar als zij eens geroerd wordt is zij ten uiterste gevoelig en teerhartig. Wat moet ik gevoelen als ik haar zie verkwijnen! Het zal mij den dood doen.”

De majoor stak zijne onderkin vooruit en kneep zijne blauwe lippen dicht, om het innigste medelijden te kennen te geven.

“Het vertrouwen,” zeide mevrouw Skewton, “dat tusschen ons bestaan heeft—de vrije uitstorting van gevoel en ziel—is roerend om aan te denken. Wij zijn meer als zusters geweest dan als mama en kind.”—“J. B.’s eigen gevoelen,” zeide de majoor, “dat hij meer dan vijftig duizendmaal bezworen heeft.”—“Val mij toch niet in de rede, gij ruwe man,” zeide Cleopatra. “Wat moet ik dan gevoelen, als ik vind dat er een onderwerp is dat tusschen ons vermeden wordt! Dat er—hoe heet het ook weer—eene kloof tusschen ons is geopend! Dat mijne argelooze Edith voor mij veranderd is! Natuurlijk zijn mijne aandoeningen van den grievendsten aard.”

De majoor stond van zijn stoel op en kwam dichter bij het tafeltje zitten.

“Van dag tot dag zie ik dit, mijn beste majoor,” vervolgde mevrouw Skewton. “Van dag tot dag gevoel ik dit. Van uur tot uur verwijt ik mij zelve die overmaat van vertrouwelijkheid, die tot zulke droevige gevolgen heeft gevoerd; en bijna van minuut tot minuut hoop ik dat mijnheer Dombey zich zal verklaren en een eind maken aan de marteling die ik onderga, en die mijne krachten ondermijnt. Maar er gebeurt niets, mijn beste majoor; ik ben slavin der wroeging—pas op dat kopje, ge kunt zoo lomp zijn—mijne lieve Edith is een veranderd wezen; en ik zie waarlijk niet wat er te doen is, of met wien ik kan raadnemen.”

Majoor Bagstock, misschien aangemoedigd door den vertrouwelijken toon, dien mevrouw Skewton langzamerhand had aangenomen, stak haar over het tafeltje heen zijne hand toe en zeide:

“Neem raad met Joe, mevrouw.”—“Wel, gij ondeugende plaaggeest,” zeide Cleopatra, hare eene hand aan den majoor gevende en hem met haar waaier, dien zij in de andere had, op de knokkels tikkende. “Waarom spreekt gij dan niet iets dat wat afdoet?”

De majoor lachte, kuste de hand die zij hem gegeven had, en lachte nog eens zeer smakelijk.

“Heeft mijnheer Dombey zooveel hartelijks als ik hem heb toegeschreven?” zeide Cleopatra op een teeder kwijnenden toon. “Denkt gij dat hij het ernstig meent, mijn beste majoor? Zoudt gij raden dat hij werd aangesproken, of dat men hem maar liet begaan? Zeg mij eens als een goed man, wat gij zoudt raden.”—“Zullen wij hem met Edith Granger trouwen, mevrouw?” zeide de majoor met een schor gegrinnik.—“Geheimzinnig schepsel!” zeide Cleopatra, en liet haar waaier op des majoors neus neerkomen. “Hoe kunnen wij hem trouwen?”—“Ik zeg, zullen wij hem met Edith Granger trouwen, mevrouw?” grinnikte de majoor weder.

Mevrouw Skewton gaf geen antwoord met woorden, maar zag den majoor glimlachend aan, met zooveel schalkheid en levendigheid, dat de dappere officier dit voor eene uitdaging hield en een kus op hare buitengewoon roode lippen zou gedrukt hebben, als zij er niet met jeugdige behendigheid haar waaier had voorgehouden. Dit kon zedigheid wezen, of ook vrees voor een gevaar dat het rood bedreigde.

“Dombey, mevrouw, is eene goede vangst,” zeide de majoor.—“O gij inhalige vrek!” riep Cleopatra met een gilletje. “Gij doet mij ijzen.”—“En Dombey, mevrouw,” zeide de majoor, nog nader komende, “meent het ernstig. Jozef zegt dat. Bagstock weet dat. J. B. houdt hem er bij. Laat Dombey maar alleen begaan, mevrouw. Dombey is ingepakt. Doe wat gij gedaan hebt; doe niets meer; en verlaat u op J. B. dat het goed zal afloopen.”—“Denkt gij waarlijk zoo, mijn beste majoor?” zeide Cleopatra, die hem, in spijt van hare geveinsde onverschilligheid, zeer scherp in het oog had gehouden.—“Ik ben er zeker van, mevrouw,” antwoordde de majoor. “Cleopatra de weergalooze en haar Antonius Bagstock zullen nog dikwijls met opgetogenheid hiervan spreken, als zij de weelde van Edith Dombey’s huishouden mede genieten. Dombey’s rechterhand-man, mevrouw,” zeide de majoor, zich in zijn gegrinnik stuitende en eensklaps ernstig wordende, “is hier gekomen.”—“Van morgen?” zeide Cleopatra.—“Van morgen, mevrouw,” antwoordde de majoor. “En Dombey’s verlangen naar zijne komst, mevrouw, is daaraan toe te schrijven—geloof dat op Joe’s woord; want Joe is verduiveld slim”—de majoor tikte tegen zijn neus en kneep een van zijne oogen dicht, hetgeen zijne aangeborene schoonheid niet verhoogde—“dat hij wenscht dat die mijnheer Carker zal begrijpen wat er aan de hand is, zonder dat Dombey het hem zegt en hem raadpleegt. Want Dombey, mevrouw, is zoo trotsch als Lucifer.”—“Eene bekoorlijke eigenschap,” lispelde mevrouw Skewton, “die iemand aan mijne lieve Edith doet denken.”—“Wel, mevrouw,” zeide de majoor, “ik heb al eenige wenken gegeven, en die Carker begrijpt ze wel; en ik zal er nog meer geven, eer de dag om is. Dombey heeft tegen morgen van een toertje naar Warwick Castle en Kenilworth gesproken, na eerst met ons ontbeten te hebben. Ik zou de invitatie overbrengen. Wilt ge ons die eer bewijzen, mevrouw?” zeide de majoor, zwellende van kortademigheid en slimheid, terwijl hij een briefje uithaalde, waarin Paul Dombey mevrouw Skewton en hare beminnelijke dochter tot dit toertje inviteerde, met een naschrift waarin hij zijne bijzondere complimenten aan mevrouw Granger verzocht.—“St!” zeide Cleopatra eensklaps. “Edith.”

Men zou niet zoozeer kunnen zeggen dat de liefderijke moeder met dezen uitroep hare kwijnende, flauwe affectatie hernam; want zij had die niet afgelegd, en het was ook niet waarschijnlijk dat zij dit ooit zou of kon doen, behalve in het graf. Maar haastig allen zweem van ernst of erkentenis van een opzet, hetzij goed of kwaad, verwijderende, die haar gezicht, stem of houding voor een oogenblik had verraden, lag zij weder zoo flauw en lusteloos als altijd op de sofa, toen Edith de kamer binnenkwam.

Edith, zoo schoon en statig, maar zoo koud en terugstootend—die even toonde dat zij de aanwezigheid van majoor Bagstock opmerkte, toen een scherpen blik naar hare moeder wierp, zich achter het gordijn van een venster neerzette en daar naar buiten bleef kijken.

“Lieve Edith,” zeide mevrouw Skewton, “waar in de wereld zijt ge toch geweest? Ik heb erg gebrek aan u gehad.”—“Gij hadt gezegd dat gij belet hadt, en daarom bleef ik weg,” antwoordde zij, zonder haar hoofd om te keeren.—“Dat was wreed voor den ouden Joe, mevrouw,” zeide de majoor met zijne gewone galanterie.—“Het was wreed, dat weet ik,” zeide zij, nog naar buiten kijkende, en met zulk eene kalme minachting, dat de majoor geheel uit het veld geslagen was en geen antwoord meer kon bedenken.—“Majoor Bagstock, lieve Edith,” teemde hare moeder, “die gewoonlijk het onbruikbaarste en onaangenaamste schepsel op de wereld is, gelijk gij weet—”—“Het is waarlijk de moeite niet waard, mama,” zeide Edith, nu omkijkende, “die manier van spreken in acht te nemen. Wij zijn geheel alleen, en wij kennen elkander.”

De stille verachting die uit haar schoon gelaat sprak—eene stille verachting, die blijkbaar haar zelve, niet minder dan hen, ten doel had—was zoo doordringend, dat het lachje harer moeder, hoewel anders onverschrokken genoeg, er voor bezweek.

“Maar meisje lief,” begon zij weder.—“Nog geene vrouw?” zeide Edith met een glimlach.—“Hoe wonderlijk zijt ge vandaag, kindlief. Laat ik u mogen zeggen, liefje, dat majoor Bagstock een allerliefst briefje van mijnheer Dombey heeft gebracht, eene invitatie om morgen bij hem te komen ontbijten en dan naar Warwick en Kenilworth te rijden. “Wilt gij gaan, Edith?”—“Of ik gaan wil!” zeide zij met eene hoogroode kleur en snel ademhalende, terwijl zij omkeek en hare moeder aanzag.—“Ik wist wel dat ge zoudt, liefje,” zeide de moeder losweg. “Het vragen is, gelijk ge zegt, maar eene formaliteit. Hier is mijnheer Dombey’s briefje, Edith.”—“Bedankt. Ik heb geen verlangen om het te lezen,” was haar antwoord.—“Dan zal ik het misschien best maar zelve beantwoorden,” zeide mevrouw Skewton, “hoewel ik gedacht had u te vragen om mijn secretaris te zijn.”

Daar Edith geene beweging maakte en geen antwoord gaf, verzocht mevrouw Skewton den majoor om het tafeltje bij haar te schuiven, het lessenaartje dat het bevatte open te slaan, en haar aan pen en papier te helpen, welke galante diensten de majoor met veel onderdanigheid en ijver verrichtte.

“Uwe groetenis, lieve Edith?” zeide mevrouw Skewton, met de pen in de hand wachtende om een naschrift te zetten.—“Wat ge wilt, mama,” antwoordde zij, zonder haar hoofd om te keeren, en met stroeve onverschilligheid.

Mevrouw Skewton schreef dus wat zij wilde, zonder nadere aanduiding te verlangen, gaf haar briefje aan den majoor, die het als eene kostbaarheid ontving en deed alsof hij het dicht bij zijn hart wilde bergen, maar het eindelijk in zijn broekzak moest steken, daar zijn vestzakje niet zeer veilig was. Daarop nam de majoor een hoffelijk en ridderlijk afscheid van beide dames, hetwelk de oudste op hare gewone manier beantwoordde, terwijl de jongste, met haar gezicht naar het venster zittende, zóó eventjes haar hoofd boog, dat het grooter compliment voor den majoor zou zijn geweest als zij geheel niets gedaan had, zoodat hij had kunnen denken dat men hem niet gehoord had.

“Wat verandering bij haar betreft, mijnheer,” peinsde de majoor op den terugweg—waarop hij, daar het een zonnige middag was, den inboorling met de lichte bagage vooruit liet marcheeren, en in de schaduw van dien gebannen prins wandelde—“wat verandering betreft, mijnheer, en kwijnen en zoo al meer, dat wil er bij Jozef Bagstock niet in. Dat gaat niet op, mijnheer. Maar dat er somtijds verdeeldheid tusschen haar is—of eene kloof, gelijk de moeder zegt—verd...d mijnheer, dat schijnt waar genoeg te zijn. En het is wonderlijk genoeg ook! Wel mijnheer!” hijgde de majoor, “Edith Granger en Dombey zijn goed gepaard; laten zij het uitvechten! Bagstock houdt het met de winnende partij!”

Daar de majoor, in het vuur zijner gedachten, deze laatste woorden overluid uitsprak, bleef de ongelukkige inboorling stilstaan en keek om, in de meening dat hij persoonlijk werd aangesproken. Verbolgen over dit blijk van insubordinatie, stiet de majoor (hoewel hij juist opgetogen was over zijne eigene geestigheid) den inboorling zijn rotting tusschen de ribben, en bleef hem zoo, den geheelen weg naar het logement, bij kleine tusschenpoozen porren.

Niet minder ongemakkelijk was de majoor terwijl hij zich voor het diner verkleedde, onder welke bezigheid de bruine knecht eene hagelbui van zeer gemengden aard naar het hoofd kreeg,—voorwerpen tusschen de grootte van eene laars en een haarborstel, en alles insluitende wat zijn meester in zijn bereik kreeg; want de majoor was er grootsch op dat hij den inboorling zoo compleet had gedrild, en strafte alzoo de geringste afwijking van de strengste discipline. Als men hier bij voegt dat de inboorling hem ook tot afleiding van irritatie diende, wanneer hij door zijn pootje of andere onaangenaamheden werd geplaagd, zou het schijnen dat de bruine man zijn loon—dat niet groot was—wel verdiende.

Toen de majoor eindelijk alles wat hem voor de hand kwam had vergooid, en den inboorling zooveel nieuwe scheldnamen had gegeven, dat deze zich zeker over den rijkdom der Engelsche taal had moeten verwonderen, liet hij eindelijk toe dat zijne das werd omgedaan; en zich door zijne vorige lichaamsbeweging bijzonder opgewekt gevoelende, ging hij naar beneden om Dombey en zijn rechterhand-man te vervroolijken.

Dombey was nog niet in de kamer, maar zijn rechterhand-man was er, en al zijne tanden waren, volgens gewoonte, voor den majoor gereed.

“Wel, mijnheer,” zeide de majoor, “hoe hebt gij uw tijd doorgebracht, sedert ik het genoegen had van u te zien? Hebt gij al gewandeld?”—“Een kuiertje gedaan van niet langer dan een halfuur,” antwoordde Carker. “Wij hebben het druk gehad.”—“Met zaken, he?” zeide de majoor.—“Met allerlei kleinigheden die noodzakelijk moesten afgedaan worden,” antwoordde Carker. “Maar weet gij wel—dit is iets zeer ongewoons van mij, die in eene school van wantrouwen ben opgevoed, en doorgaans niet zeer mededeelzaam ben,” zeide hij, afbrekende en een innemend rondborstigen toon aannemende—“maar met u gevoel ik mij terstond vertrouwelijk, majoor Bagstock.”—“Veel eer voor mij, mijnheer,” zeide de majoor; “maar gij moogt het ook wel zijn.”—“Weet gij dan wel,” hervatte Carker, “ik vind mijn vriend—onzen vriend, moest ik hem liever noemen—”—“Meent gij Dombey, mijnheer!” riep de majoor uit. “Gij ziet mij hier wel staan, mijnheer Carker! Joe Bagstock?”

Hij was dik genoeg om hem te zien en Carker zeide ook dat hij dat genoegen had.

“Dan ziet gij een man, mijnheer, die door vuur en water zou loopen om Dombey te dienen,” liet de majoor daarop volgen.

Carker glimlachte en zeide dat hij zich daarvan verzekerd hield. “Weet gij wel, majoor,” hervatte hij, “om weer te beginnen waar ik gebleven ben, dat ik onzen vriend vandaag niet zoo oplettend voor de zaken vind als gewoonlijk?”—“Niet?” zeide de verheugde majoor.—“Ik vond hem eenigszins verstrooid; zijne aandacht zwierf dikwijls af,” zeide Carker.—“Waarachtig,” riep de majoor uit, “dan is er eene dame in het spel.”—“Dat begin ik waarlijk ook te gelooven,” antwoordde Carker. “Ik dacht dat gij maar woudt schertsen toen gij op zoo iets scheent te doelen, want gij militairen...”

De majoor liet zijne paardenkuch hooren en schudde zijn hoofd en schouders, als wilde hij zeggen: “Ja, wij zijn vroolijke snaken, dat is niet tegen te spreken.” Daarop greep hij Carker bij een knoopsgat, en fluisterde hem met uitpuilende oogen in het oor, dat zij eene buitengemeen bekoorlijke dame was, mijnheer. Dat zij eene jonge weduwe was, mijnheer. Dat zij van goede familie was, mijnheer. Dat Dombey tot over de ooren op haar verliefd was, mijnheer, en dat het aan beide kanten een goed huwelijk zou zijn; want zij had schoonheid, afkomst en talenten, en Dombey had fortuin; en wat kon een paar meer hebben? Daar hij Dombey hoorde aankomen, viel de majoor zich zelven in de rede, met te zeggen, dat Carker haar morgenochtend zou zien en dan zelf kunnen oordeelen; en daarna bleef de majoor, afgemat door de inspanning om dit alles met een heesch gefluister te zeggen, met waterende oogen zitten gorgelen tot het diner gereed was.

Gelijk sommige andere edele dieren was de majoor bij den tijd van het voederen het fraaist en interessantst om te zien. Bij deze gelegenheid schitterde hij aan het eene eind van de tafel, met den zachteren glans van Dombey aan het andere tot pendant; terwijl Carker, aan eene zijde, zijne stralen beurtelings met die van een van beide lichten vereenigde, of ze ook door beide liet overschijnen.

In het begin van den maaltijd was de majoor gewoonlijk ernstig; want de inboorling haalde, volgens een algemeen geheim bevel, alle sausen en specerijen voor hem bij elkander, en gaf hem veel te doen om alles op zijn bord ondereen te mengen. Bovendien had de inboorling afzonderlijke kruiderijen op het buffet, waarmede de majoor zich dagelijks de keel verschroeide, om niet te spreken van wonderlijk gefatsoeneerde flesschen, waaruit hij onbekende vloeistoffen in des majoors glas liet spuiten. Doch bij deze gelegenheid vond de majoor te midden van deze omstandigheden tijd om gezellig te zijn; en zijne gezelligheid bestond in eene reeks van slimheden, waarmede hij Dombey’s gemoedstoestand aan Carker verried.

“Dombey,” zeide de majoor, “gij eet niet. Wat scheelt er aan?”—“Verplicht,” was het antwoord. “Ik ben zeer wel. Maar ik heb vandaag niet veel eetlust.”—“Wel, Dombey, waar is die dan gebleven?” zeide de majoor. “Waar is zij naar toe? Gij hebt ze niet bij onze vriendinnen gelaten, dat kan ik bezweren; want ik weet dat zij vandaag bij het twaalf-uurtje ook geen eetlust hadden. Ten minste van eene van de twee kan ik dat zeggen; ik wil niet zeggen van wie.”

De majoor wenkte Carker, en werd zoo schrikkelijk slim, dat de inboorling hem zonder bevel af te wachten op den rug moest kloppen, of hij zou waarschijnlijk onder de tafel verdwenen zijn.

Later onder den maaltijd, namelijk toen de inboorling aan des majoors elleboog stond, gereed om de eerste flesch champagne te laten schuimen, werd de majoor nog geestiger.

“Schenk boordevol, gij schavuit,” zeide de majoor, zijn glas ophoudende. “En mijnheer Carker ook boordevol. En mijnheer Dombey ook. Kom aan, heeren,” zeide de majoor, zijn nieuwen vriend wenkende, terwijl Dombey, met een gezicht alsof hij wel begreep wat er volgen zou, op zijn bord keek, “wij zullen dit glas wijn aan eene godin wijden, die Joe er trotsch op maakt dat hij haar mag kennen en op een eerbiedigen afstand nederig bewonderen. Edith,” zeide de majoor, “is haar naam; engelachtige Edith!”—“De engelachtige Edith!” riep de glimlachende Carker.—“Edith, zeer gaarne,” zeide Dombey.

Het binnenkomen der knechts met nieuwe schotels deed den majoor nog geestiger worden, maar in een ernstiger trant. “Want hoewel, onder ons, Joe Bagstock op dat punt scherts en ernst ondereenmengt, mijnheer,” zeide de majoor, met een vinger op de lippen en half ter zijde tot Carker, “acht hij dien naam te heilig om het eigendom van die knapen, of van knapen in het algemeen gemaakt te worden. Geen woord, mijnheer, terwijl zij hier zijn.”

Dit was eerbiedig en wellevend van den majoor, en Dombey gevoelde duidelijk dat het zoo was. Hoewel op zijne koude manier eenigszins verlegen met de zetten des majoors, had Dombey niets tegen zulke scherts, dit was duidelijk, maar beviel ze hem veeleer. Misschien was de majoor vrij dicht bij de waarheid geweest, toen hij dien morgen giste dat de groote man te trotsch was om zijn minister over zoo iets formeel te raadplegen of in zijn vertrouwen te nemen, en toch wenschte dat hij alles weten zou. Dit zij gelijk het wil, hij keek dikwijls naar Carker, terwijl de majoor zijne lichte artillerie liet manoeuvreeren, en scheen op te letten welken indruk dit op hem maakte.

Maar de majoor, iemand beet hebbende die, wat luisteren en glimlachen betrof, zijn gelijke op de wereld niet had—“kortom een drommels aardige en leepe kerel,” gelijk hij dikwijls naderhand verklaarde—wilde hem niet zoo gemakkelijk, met eenige snakerijen ten koste van Dombey, loslaten. Eer de tafel werd afgenomen vertoonde hij ook zijne uitgebreide talenten als verteller van militaire anekdoten en militaire grappenmaker, hetgeen hij met zulk eene kwistige mildheid deed, dat Carker buiten adem raakte (of veinsde te raken) van het lachen; terwijl Dombey over zijne gestevene das toekeek, als was hij een deftige berenleider, die weltevreden was dat zijn beer zoo goed danste.

Toen de majoor te schor was geworden om zich langer verstaanbaar te maken, ging men aan de koffie; en daarna vroeg de majoor aan Carker, blijkbaar met weinig hoop op een bevestigend antwoord, of hij piket speelde.

“Ja, zoo’n beetje,” zeide Carker.—“En ook triktrak, misschien?” merkte de majoor aarzelend aan.—“Ja, triktrak ook zoo’n beetje,” antwoordde de man van tanden.—“Carker speelt alle spellen, geloof ik,” zeide Dombey, zich zelven op de sofa leggende alsof hij een man van hout zonder gewrichten of geledingen was, “en alles evengoed.”

Inderdaad speelde hij de twee genoemde spelen zoo uitmuntend, dat de majoor er van verbaasd was en hem in het wilde vroeg of hij ook schaak speelde.

“Ja, ik schaak ook zoo’n beetje,” antwoordde Carker. “Ik heb wel eens een spel gespeeld en gewonnen zonder het bord te zien—maar dat is maar een kunstje.”—“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor starende, “ge zijt een compleet contrast van Dombey, die geen een spel speelt.”—“O, hij!” antwoordde Carker. “Hij heeft nooit aanleiding gehad om zich zulke kunstjes eigen te maken. Menschen als ik komen ze somtijds te pas; gelijk nu, bij voorbeeld, majoor Bagstock, om een spelletje met u te kunnen meedoen.”

Het mocht alleen de valsche mond zijn, zoo breed uitgerekt; maar er scheen onder de nederigheid en gedienstigheid van deze gezegden iets hoonends te schuilen, en voor een oogenblik had men kunnen denken, dat de witte tanden de hand, die zij bezeverden, wilde bijten. Maar de majoor dacht niet daaraan; en Dombey lag, zoolang het spelen duurde—dat den geheelen avond was—met half gesloten oogen te peinzen.

Toen het tijd was om te scheiden, was Carker, hoewel hij bestendig had gewonnen, zoo hoog in de schatting des majoors gestegen, dat deze, toen Carker tot aan zijne kamer met hem medeging, als eene bijzondere oplettendheid, den inboorling (die altijd voor zijn meesters deur op eene matras op den grond sliep) met hem medezond om hem in staatsie den gang langs naar zijne kamer te lichten.

De spiegel in Carker’s kamer had eene fout en gaf dus misschien valsche beelden. Maar dien avond vertoonde hij het beeld van een man, die in zijne verbeelding een aantal menschen voor zijne voeten op den grond zag liggen slapen—gelijk de arme inboorling voor zijn meesters deur—en tusschen hen doorging, boosaardig genoeg naar beneden ziende, maar zonder (voor alsnog) op een der omhooggekeerde gezichten te trappen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXVII. DONKERDER SCHADUWEN

Carker de chef stond met den leeuwerik op en ging in den zomerochtendstond uit wandelen. Zijn gepeins—en hij peinsde al voortkuierende met saamgetrokken wenkbrauwen—scheen niet zoo hoog als de leeuwerik te zweven, of die richting te nemen; het bleef integendeel dicht bij de aarde en wroette daar tusschen stof en wormen. Maar er was geen onzichtbaar zingende vogel in de lucht, verder buiten bereik van ieder menschelijk oog dan Carker’s gedachten. Hij had zijn gezicht zoo volmaakt onder bedwang, dat weinigen van zijne uitdrukking meer bepaalds konden zeggen dan dat het lachte of peinsde. Het peinsde nu met inspanning. Naarmate de leeuwerik hooger steeg verzonk hij in dieper gedachten. Naarmate de leeuwerik zijn gezang helderder uitgalmde, werd zijn stilzwijgen strakker en ernstiger. Eindelijk, toen de leeuwerik, met verdubbeld geschal, naar beneden kwam duiken en dicht bij hem in het groene koren neerviel, dat in het ochtendkoeltje als eene rivier golfde, ontwaakte hij uit zijn gemijmer en keek eensklaps met een glimlach rond, zoo beleefd en vriendelijk alsof hij een aantal opmerkers met zich te verzoenen had. Ook vergat hij zich, aldus gewekt, niet weder, maar streek zijn gezicht glad, als bedacht hij zich dat het anders rimpels zou kunnen krijgen en geheimen verklappen, en kuierde, als tot oefening, al glimlachend voort.

Misschien was het dewijl hij wist hoeveel van een eersten indruk afhangt, dat Carker dien ochtend bijzonder net en zorgvuldig gekleed was. Schoon altijd eenigszins stijf in zijne kleeding, in navolging van den grooten man wien hij diende, ging hij echter niet zoover als Dombey’s stijfheid; misschien te gelijk omdat hij wel wist dat deze belachelijk was, als omdat hij daardoor wederom een middel vond om zijne bewustheid van het verschil en den afstand tusschen hen aan te duiden. Sommige menschen noemden hem in dit opzicht een paskwil op zijn bevrozen patroon, maar de wereld is zeer genegen om iets verkeerd uit te leggen, en Carker was niet voor die slechte neiging verantwoordelijk.

Zoo net en proper, blozend en welgedaan, met een voorzichtigen stap, die het gras nog zachter scheen te maken, kuierde Carker de chef door de weiden, en gleed hij tusschen het groene geboomte door, tot het tijd werd om te gaan ontbijten. Toen omkeerende om een naderen weg terug te nemen, zeide hij hardop: “Nu om de tweede mevrouw Dombey te gaan zien!”

Hij was om de stad heengedwaald en naderde deze weder langs eene wandelplaats, door zwaar geboomte beschaduwd, en waar hier en daar banken stonden voor hen die verkozen te rusten. Daar deze plaats nooit druk bezocht werd, en op dat stille morgenuur er zeer eenzaam en verlaten uitzag, meende Carker geheel alleen te zijn, en kreeg het dus in zijn hoofd—daar hij nog twintig minuten tijd had voor een weg, dien hij gemakkelijk in tien kon afleggen—om geen pad te volgen, maar slingerend tusschen de dikke stammen der boomen heen te gaan, voor den eenen heen en achter den anderen om, als het ware een net van voetstappen over het bedauwde gras vlechtende.

Hij bevond dat hij zich vergist had met te denken, dat er niemand in dit boschje was, want toen hij zachtjes om den stam van een grooten boom heenstapte, met een bast zoo ruw en knobbelig als de huid van een rhinoceros, zag hij onverwacht eene gedaante op eene bank dichtbij zitten, welke hij een oogenblik later in zijn net zou hebben ingevlochten.

Het was eene dame, zeer elegant en kostbaar gekleed, welker donkere, trotsche oogen op den grond gevestigd waren, en in wier binnenste een of andere hartstocht scheen te woelen. Want terwijl zij daar zoo zat, had zij een hoek harer onderlip tusschen hare tanden getrokken, zwoegde hare borst en trilden hare neusgaten, beefde haar hoofd, rolden er tranen van verontwaardiging over hare wangen, en was haar voet op het mos gedrukt alsof zij het tot niet had willen stampen. En toch zag hij bijna met denzelfden blik, waarmede hij dit opmerkte, dezelfde dame opstaan met eene houding van lustelooze verveling, en zich omkeeren met een gezicht waarop niets anders dan koude schoonheid en hooghartige minachting te zien waren.

Eene gerimpelde, leelijke oude vrouw, gekleed niet zoozeer als eene heidin, dan als behoorde zij tot dat gemengde ras van vagebonden, die bedelend, stelend, ketellappend en biezen vlechtend het land afloopen, had insgelijks deze dame gadegeslagen; want toen zij opstond, krabbelde deze tweede gedaante—zulk een zonderling contrast met de eerste—van den grond op (scheen bijna daaruit op te rijzen) en trad haar in den weg.

“Laat ik u eens uw fortuin voorzeggen, mooie dame,” zeide het oude wijf, met hare kaken mommelende alsof het doodshoofd onder hare gele huid ongeduldig was om er uit te komen.—“Dat kan ik zelve wel doen,” was het antwoord.—“Ja, ja, mooie dame, maar niet recht. Gij hebt het niet recht gedaan toen gij daar zat. Ik heb u wel gezien. Geef mij een stuk zilver, mooie dame, en ik zal u waarzeggen. Er is rijkdom, mooie dame, in uw gezicht.”—“Dat weet ik wel,” antwoordde de dame, haar met een donkeren glimlach en een trotschen tred voorbijgaande. “Dat wist ik te voren al.”—“Wat, wilt ge mij niets geven?” riep het oude wijf. “Gij wilt mij niets geven om u te zeggen wat ik weet, mooie dame? Hoeveel wilt ge mij dan geven om het niet te zeggen? Geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen!” kraste het oude wijf kwaadaardig.

Carker, achter den boom, dien de dame juist wilde voorbijgaan om op het pad te komen, kwam vooruit, zoodat hij haar moest ontmoeten, nam in het voorbijgaan zijn hoed af, en beval het oude wijf om zich stil te houden. De dame dankte voor zijne tusschenkomst door even haar hoofd te buigen en ging haars weegs.

“Geef gij mij dan wat, of ik zal het haar naschreeuwen,” gilde het oude wijf, tegen zijn uitgestrekten arm inloopende. “Of kom,” vervolgde zij, en liet eensklaps hare stem dalen, zag hem ernstig aan en scheen in een oogenblik het voorwerp harer gramschap te vergeten, “geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen.”—“Mij naschreeuwen, moedertje!” antwoordde Carker, de hand in den zak stekende.—“Ja,” zeide het wijf, hem nog strak aanziende en hare verschrompelde hand uitstekende. “Ik weet veel.”—“Wat weet gij dan?” zeide Carker, haar een schelling toewerpende. “Weet gij wie die mooie dame is?”

Al mommelend en met een boosaardigen schelen blik raapte het oude wijf den schelling op, en ging toen achteruit als eene krab, of liever als een geheele hoop krabben, want hare handen, met de kromme zich beurtelings sluitende en openende vingers, hadden er twee kunnen voorstellen, en haar verwrongen gezicht nog een aantal meer. Zij liet zich op den knoestigen wortel van een boom neerzakken, haalde een kort, zwart pijpje uit den bol van haar hoed, stak het met een vuurslag aan en ging stil zitten rooken, altijd nog den vrager aanziende.

Carker lachte en draaide zich luchtig om.

“Goed!” zeide het oude wijf. “Een kind dood, en een kind in leven; eene vrouw dood, en eene vrouw op zicht. Ga maar naar haar toe!”

Carker kon niet nalaten om te kijken en te blijven staan. Het wijf had haar pijpje niet uit den mond genomen, en mompelde terwijl zij rookte, alsof zij met een onzichtbaren gedienstigen in gesprek was, terwijl zij met haar vinger in de richting wees die hij ging.

“Wat hebt gij daar gezegd, oude heks?” zeide hij.

Het wijf bleef mommelen, snateren en rooken, en nog met haar vinger wijzen, maar gaf geen antwoord. Een lang niet vleienden afscheidsgroet mompelende ging Carker heen, maar toen hij in de verte nog eens omkeek, zag hij het wijf nog met haar vinger wijzen, en meende hij haar nog te hooren schreeuwen: “Ga maar naar haar toe!”

In het logement vond hij een keurig ontbijt gereed, waarbij Dombey en de majoor op de dames zaten te wachten. Zoo iets hangt zeker grootendeels van iemands gestel af, maar in dit geval was de eetlust sterker dan de liefde; want Dombey was zeer koel en bedaard en de majoor zeer ongeduldig. Eindelijk werd de deur door den inboorling geopend, en na eene poos wachtens, daardoor veroorzaakt, dat zij zoo kwijnend langzaam den gang doorkwam, verscheen eene zeer blozende, maar niet zeer jeugdige dame.

“Mijn beste mijnheer Dombey,” zeide de dame, “ik vrees dat wij laat komen; maar Edith is al uit geweest om naar een fraai gelegen plekje voor eene schets te zoeken, en heeft mij naar haar laten wachten. Valschaard van een majoor,” hem haar pink gevende; “hoe gaat het u?”—“Mevrouw Skewton,” zeide Dombey, “laat ik mijn vriend Carker het genoegen mogen geven om hem u te presenteeren.” Onwillekeurig legde hij een nadruk op het woord “vriend,” als wilde hij zeggen “ik weet wel dat ik hem veel eer bewijs met die onderscheiding.”—“Gij hebt mij wel van mijnheer Carker hooren spreken.”—“O, ik ben waarlijk gecharmeerd,” zeide mevrouw Skewton zeer vriendelijk.

Carker was natuurlijk ook gecharmeerd—zou, ter wille van Dombey, nog meer gecharmeerd zijn geweest, als mevrouw Skewton (gelijk hij eerst dacht) de Edith geweest was, op welke hij den vorigen avond had gedronken.

“Maar waar om ’s hemels wil blijft Edith toch!” riep mevrouw Skewton uit. “Nog aan de deur om Withers te beduiden waarbij die teekeningen moet brengen om op te zetten! Lieve mijnheer Dombey, wilt gij wel zoo goed zijn—”

Dombey was haar reeds gaan zoeken. Een oogenblik later kwam hij terug, met de schoone elegant gekleede dame aan den arm, welke Carker onder het geboomte had ontmoet.

“Carker—” begon Dombey. Maar hunne wederzijdsche herkenning was zoo duidelijk, dat hij verwonderd bleef steken.—“Ik ben mijnheer verplicht,” zeide Edith, met eene statige buiging, “dat hij mij daar straks van den overlast van eene bedelaarster heeft bevrijd.”

Terwijl haar oog even op hem rustte en toen naar den grond werd geslagen, zag hij in dien helderen, uitvorschenden blik een vermoeden, dat hij niet pas op het oogenblik zijner tusschenkomst was aangekomen, maar haar reeds vroeger had waargenomen. Terwijl hij dit zag, zag zij in zijn oog dat haar wantrouwen niet ongegrond was.

“Waarlijk,” zeide mevrouw Skewton, die deze gelegenheid had waargenomen om Carker door haar lorgnet te inspecteeren, en zich overtuigd had (gelijk zij den majoor hoorbaar toefluisterde) dat hij een allerliefst, hartelijk man was. “Waarlijk, dat is zulk eene charmante toevalligheid als ik ooit gehoord heb. Lieve Edith, er is zulk eene zichtbare bestemming van het noodlot in, dat iemand waarlijk haast de armen kruiselings over haar fichu zou leggen en zeggen, evenals die gruwelijke Turken, er is geen, ge weet wel, dan, ge weet wel, en die met zijn raren naam is zijn profeet.”

Edith verwaardigde zich niet om iets over deze buitengewone aanhaling uit den Koran te zeggen, maar Dombey achtte het noodig eenige beleefde aanmerkingen te bieden.

“Het doet mij groot genoegen,” zeide hij met stijve galanterie, “dat een heer, die in zulke nauwe betrekking met mij staat als Carker, de eer en het geluk mocht hebben om mevrouw Granger den geringsten dienst te bewijzen.” Daarbij boog hij voor haar. “Maar het spijt mij eenigszins en het geeft mij waarlijk aanleiding om op Carker wangunstig te zijn,” onwillekeurig legde hij een nadruk op deze woorden, als bewust dat zij zeer bevreemdend moesten schijnen, “dat ik niet zelf die eer en dat geluk mocht hebben.” Hij boog zich wederom, Edith bleef roerloos behalve dat hare lip eenigszins krulde.—“Waarachtig, mijnheer,” riep de majoor uit, op het gezicht van den knecht, die kwam zeggen dat het ontbijt gereed was, eensklaps zijne spraak herkrijgende, “het komt mij zeer wonderlijk voor dat niemand de eer en het geluk kan hebben om zulke bedelaarsters door den kop te schieten, zonder dat hem dat kwalijk zou genomen worden. Maar hier is een arm voor mevrouw Granger, als zij J. B. de eer wil geven om dien te nemen, en de grootste dienst, dien Joe u nu kan bewijzen, mevrouw, is u naar de tafel te brengen.”

Daarmede gaf de majoor Edith zijn arm; Dombey ging met mevrouw Skewton vooruit; Carker kwam achteraan en zag het gezelschap glimlachend na.

“Ik ben waarlijk opgetogen, mijnheer Carker,” zeide de mama, onder het ontbijt, nadat zij hem nog eens goedkeurend door haar lorgnet had bekeken, “dat uw bezoek juist zoo gelukkig treft, dat gij vandaag met ons kunt medegaan. Het zal een charmant toertje zijn.”—“Ieder toertje zou in zulk een gezelschap charmant wezen,” antwoordde Carker; “maar ik geloof dat dit op zich zelf zeer interessant is.”—“O,” zeide mevrouw Skewton, met een flauw gilletje van verrukking, “het kasteel is betooverend—vol herinneringen uit de middeleeuwen en dat alles—dat zoo aandoenlijk is. Houdt gij ook niet veel van de middeleeuwen, mijnheer Carker?”—“Bijzonder,” antwoordde Carker.—“Zulk een verrukkelijke tijd!” riep Cleopatra uit. “Zoo hartelijk en natuurlijk! Zoo schilderachtig! Zoo ver boven al het alledaagsche! Och, dat men ons in dezen akeligen tijd wat meer van de poëzie des levens wilde laten houden.”

Mevrouw Skewton lette, terwijl zij dit zeide, scherp op Dombey, die naar Edith zag, welke, zonder hare oogen op te slaan, zat te luisteren.

“Wij zijn verschrikkelijk aan de prozaïsche werkelijkheid gebonden, niet waar, mijnheer Carker?” zeide mevrouw Skewton.

Weinig menschen hadden minder over een gebonden zijn aan de werkelijkheid te klagen dan Cleopatra, die zooveel valsche eigenschappen en sieraden had, dat men bijna niets werkelijks meer aan haar zag. Carker beklaagde haar evenwel en bekende dat zij het in dat opzicht zeer hard hadden.

“Schilderijen op het kasteel—goddelijk!” zeide Cleopatra. “Ik hoop dat gij ook veel van schilderijen houdt?”—“Ik verzeker u, mevrouw Skewton,” zeide Dombey, om zijn dienaar eene plechtige aanmoediging te geven, “dat Carker zeer veel smaak voor schilderijen heeft; een natuurlijk talent om ze te beoordeelen. Hij is zelf een zeer knap teekenaar. Hij zal opgetogen zijn, houd ik mij verzekerd, over mevrouw Granger’s smaak en bekwaamheid.”—“Verduiveld, mijnheer,” riep majoor Bagstock uit, “ik ben van gedachten dat gij een mirakel van knapheid zijt, en alles kunt.”—“O, majoor,” zeide Carker met glimlachende nederigheid, “ge zijt veel te goed. Ik kan maar zeer weinig. Maar mijnheer Dombey is zoo mild in het prijzen van alle beuzelachtige talenten, die iemand als ik zich bijna noodzakelijk moet eigen maken, en waarboven hij, in zijne positie, ver verheven is, dat...” Hij haalde zijne schouders op, als om te verzoeken van meerderen lof verschoond te blijven, en sprak niet verder.

Al dien tijd sloeg Edith hare oogen niet op, dan om somtijds even naar hare moeder te zien, wanneer deze hare geestdrift lucht gaf. Maar toen Carker zweeg, zag zij Dombey voor een oogenblik aan. Voor een oogenblik slechts, maar met eene uitdrukking van verwondering en minachting, welke voor een opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek, niet verloren ging.

Dombey zag haar hare oogen weder neerslaan en poogde hare aandacht opnieuw te trekken.

“Ge zijt ongelukkig al dikwijls naar Warwick geweest?” zeide hij.—“Verscheidene malen.”—“Het toertje zal dus vervelend voor u zijn, vrees ik?”—“O neen, geheel niet.”—“Ja, daarin gelijkt ge naar uw neef Feenix, lieve Edith,” liet mevrouw Skewton hierop volgen. “Hij is zeker wel vijftigmaal naar het kasteel van Warwick geweest, en toch, als hij morgen te Leamington kwam—dat ik wel wenschte—zou hij het overmorgen zijne een en vijftigste visite brengen.”—“Wij hebben allen zooveel enthusiasme, niet waar, mama?” zeide Edith met een kouden glimlach.—“Al te veel voor de rust van onze ziel misschien, melieve,” antwoordde hare moeder, “maar wij willen niet klagen. Onze eigene aandoeningen zijn onze belooning. Misschien verslijt, gelijk uw neef Feenix zegt, de degen de—hoe is het ook weer?”—“De scheede, misschien,” zeide Edith.—“O ja—wat al te gauw, maar dat is omdat hij zoo gloeiend scherp en blinkend is, weet ge wel, liefje.”

Mevrouw Skewton slaakte een zuchtje, dat de houten kling moest gelden waarvan hare teergevoelige borst de scheede was, liet à la Cleopatra haar hoofd op zijde hangen, en zag haar geliefd kind met peinzende genegenheid aan.

Edith had, toen Dombey haar aansprak, haar gezicht naar hem toegekeerd, en was in die houding gebleven, terwijl zij tot hare moeder en hare moeder tot haar sprak, alsof zij hem hare oplettendheid aanbood, als hij nog iets te zeggen had. De manier, waarop zij deze eenvoudige beleefdheid bewees, had bijna iets uitdagends, iets alsof zij die gedwongen en tegen haar zin bewees, en dit ging wederom niet verloren voor den opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek. Het deed hem aan haar denken gelijk hij haar het eerst had gezien, toen zij geloofde dat zij tusschen het geboomte alleen was.

Daar Dombey niets anders te zeggen had, en het ontbijt nu was afgeloopen—de majoor was opgepropt als een boa constrictor—deed hij het voorstel om te vertrekken. Er stond eene barouche te wachten. De twee dames, de majoor en Dombey namen daarin plaats; de inboorling en de bleeke page klommen op den bok, Towlinson bleef achter, en Carker reed te paard mede.

Carker bleef op den geheelen rit een eind achter het rijtuig, en beloerde het alsof hij werkelijk eene kat, en de vier, die er inzaten, muizen waren. Hetzij hij naar den eenen kant van den weg of naar den anderen keek—over het uitgebreide landschap met zacht golvende heuvelen, windmolens, korenvelden, weiden, wilde bloemen, boerenwoningen, hooibergen en kerktorens—of omhoog in de zonnige lucht, waar de vlindertjes om zijn hoofd fladderden en de vogelen hunne liederen uitgalmden—of naar beneden, waar de schaduwen der takken zich samenvlochten en een geschakeerd tapijt over den grond weefden—of vooruit, waar het overhangende geboomte gewelven en bogen vormde en slechts eene zachte schemering door het loofdak drong—altijd hield hij één oog schuins op het stijf opgerichte hoofd van Dombey gericht, dat naar hem was toegekeerd, en op de veder, die zoo sierlijk, maar zoo smadelijk tusschen hen inhing, en toonde dat de trotsche oogleden niet werden opgeslagen. Slechts eenmaal liet zijn loerende blik die voorwerpen los, en dat was toen een sprong over eene lage heg en een galop door een veld het hem mogelijk maakten om het rijtuig voor te komen, en aan het eind van den tocht gereed te staan om de dames er uit te helpen. Toen, en toen alleen, ontmoette hij, in hare eerste verrassing, haar blik, maar toen hij haar, bij het afstappen, met zijne zachte witte hand aanraakte, scheen zij hem weder geheel niet te zien.

Mevrouw Skewton was er op gesteld om Carker bij zich te houden en hem de schoonheden van het kasteel te laten zien. Zij wilde zijn arm hebben en dien van den majoor ook. Het zou dat onverbeterlijke schepsel, dat op het punt van poëzie een ongeloovig barbaar was, goeddoen in zulk gezelschap te wezen. Deze schikking liet Dombey toevallig vrijheid om Edith te geleiden, hetgeen hij dan ook deed, met statige deftigheid vooruit door de vertrekken stappende.

“Die lieve oude tijd, mijnheer Carker,” zeide Cleopatra, “met zijne heerlijke kasteelen, en die aardige oude gevangenissen, en die verrukkelijke pijnkelders, en die romaneske wraakoefeningen, en die schilderachtige gevechten en belegeringen, en alles dat het leven zoo bekoorlijk maakt! Hoe vreeselijk zijn wij toch verbasterd!”—“Ja, wij zijn jammerlijk achteruitgegaan,” zeide Carker.

Het eigenaardige van hun gesprek bestond daarin, dat mevrouw Skewton in spijt van hare verrukking, en Carker in spijt van zijne beleefdheid, beide scherp op Dombey en Edith acht gaven. Met al hun talent voor conversatie spraken zij dus tamelijk verstrooid en verward.

“Wij hebben geen geloof meer,” zeide mevrouw Skewton, haar uitgedroogd oor naar voren keerende, want Dombey zeide juist iets tot Edith; “wij hebben geen geloof meer aan die goede oude baronnen, die zulke alleraardigste lieden waren—of aan die brave oude priesters, die zoo krijgshaftig waren—of zelfs in de dagen van die weergalooze koningin Elizabeth, daar aan den muur, die zulk een echt gouden tijd waren. Lieve vrouw! Zij nog hartelijk! En die charmante vader van haar! Ik hoop dat gij ook veel van Hendrik den achtste houdt?”—“Ik bewonder hem buitengemeen,” zeide Carker.—“Zoo rondborstig, niet waar?” riep mevrouw Skewton uit. “En zoo welgedaan! Zoo echt engelsch! En zulk een schilderachtig portret geeft hij, met zijne kleine, geknepene oogjes en zijne menschlievende kin!”—“O mevrouw,” zeide Carker, en bleef stilstaan, “als gij van schilderijen spreekt, daar hebt gij eene compositie! Welke galerij in de wereld kan er een pendant van toonen?”

Terwijl de glimlachende geleider van mevrouw Skewton zoo sprak, wees hij door eene deur naar het midden van eene andere kamer waar Dombey en Edith stonden.

Zij waren met elkander alleen, maar wisselden woord noch blik. Zoo bij elkander, arm in arm, scheen het dat zij verder van elkander gescheiden waren dan alsof zeeën tusschen hen stroomden. Er was zelfs een verschil in de trotschheid van die twee, dat hen nog verder van elkander verwijderde, dan wanneer de een het hoogmoedigste en de andere het nederigste schepsel op aarde was geweest. Hij, vol van zijne eigene waarde, onbuigzaam, stijf en stroef. Zij, schoon en bevallig, in buitengewone mate, maar onverschillig voor zich zelve en hem en alles in het rond, en met haar fieren trots hare eigene bekoorlijkheden smadende, alsof deze eene livrei waren, waarvan zij een afkeer had. Zoo slecht pasten zij bij elkander, zoo geweldig waren zij aan elkander geboeid met eene keten, die het ongelukkigste toeval had gesmeed, dat men zich had kunnen verbeelden dat de schilderijen aan de wanden van die onnatuurlijke vereeniging schrikten, en daarop met eigenaardige blijken van ongenoegen acht gaven. Ridders en krijgslieden zagen met dreigende verontwaardiging op hen neer. Een geestelijke veroordeelde, met opgehevene hand, de heiligschennis dat zulk een paar voor Gods altaar zou treden. Stille waters in landschappen, in welker diepte de zonneschijn spiegelde, vroegen of, als er geene betere uitkomst was, er geen verdrinken overschoot. Dieven, door de natuur tot vijanden gemaakt, verscheurden elkander, als een waarschuwend voorbeeld voor hen. Minnegoodjes en engeltjes namen verschrikt de vlucht, en de geschilderde geschiedenis van het martelaarschap kon geene zulke foltering vertoonen.

Evenwel was mevrouw Skewton zoo opgetogen over het gezicht, waarop Carker hare aandacht vestigde, dat zij zich niet onthouden kon half luid te zeggen, hoe vol ziel en gevoel het was! Edith hoorde haar, zag om en kreeg van verontwaardiging een blos tot over het voorhoofd.

“Mijne lieve Edith weet wel dat ik haar stond te bewonderen,” zeide Cleopatra, haar bijna schroomvallig met hare parasol op den rug tikkende. “Niet waar, liefje?”

Wederom zag Carker den zielestrijd, waarvan hij tusschen het geboomte zoo onverwacht getuige was geweest. Wederom zag hij die trotsche onverschilligheid en lusteloosheid terugkomen en hare gemoedsbeweging als achter eene wolk verbergen.

Zij sloeg hare oogen niet naar hem op, maar met eene kleine, gebiedende beweging daarvan scheen zij hare moeder te bevelen, om bij haar te komen. Mevrouw Skewton achtte het raadzaam dien wenk te verstaan, en met hare twee cavaliers snel nader komende, bleef zij van dien tijd af bij hare dochter.

Carker, die nu niets meer had om zijne aandacht af te trekken, begon over de schilderijen te spreken, en wees de beste aan Dombey. Hij sprak met zijne gewone ongedwongene erkentenis van Dombey’s grootheid, en bewees hem hulde door zijn tooneelkijker voor hem op de rechte maat uit te schuiven, iets in den catalogus voor hem op te zoeken, zijn stok vast te houden, en dergelijke. Deze diensten waren echter, om de waarheid te zeggen, niet zoozeer van Carker afkomstig als van Dombey zelven, die wel genegen was om zijn oppergezag te doen blijken, door op eene voor hem ongedwongene manier te zeggen: “Hier, Carker, wilt ge zoo goed zijn om mij eens te helpen?” hetgeen de glimlachende dienaar dan altijd met genoegen deed.

Zij bezichtigden zoo de schilderijen, de muren, het kraaiennest, en zoo voort; en daar zij nu één gezelschap uitmaakten, en de majoor, die, zoolang zijne spijsvertering duurde, slaperig was, zich in de schaduw hield, werd Carker zeer spraakzaam en onderhoudend. Eerst richtte hij grootendeels het woord tot mevrouw Skewton, maar daar deze fijngevoelige dame, na het eerste kwartieruurs, zoo verrukt over de kunstwerken was, dat zij niets anders kon doen dan geeuwen (zij waren zulke volmaakte inspiratiën, merkte zij aan als eene reden voor dit blijk van verrukking) wijdde hij verder zijne opmerkzaamheid aan Dombey. Deze zeide weinig meer dan: “Wel waar, Carker,” of “inderdaad, Carker,” maar moedigde hem toch stilzwijgend aan om voort te gaan, en was bij zich zelven zeer tevreden over zijn gedrag, daar hij het zeer goed vond dat er iemand praatte en meende dat zijne geestigheden, die als het ware eene bijzaak van het kantoor waren, mevrouw Granger misschien zouden amuseeren. Carker, die wel wist wat hij deed, nam nooit de vrijheid om die dame rechtstreeks aan te spreken: maar zij scheen toch te luisteren, hoewel zij hem nooit aanzag, en een paar malen, toen zijne eigenaardige nederigheid bijzonder uitkwam, vloog die schemering van een glimlach over haar gelaat, niet als een licht, maar als eene donkere, zwarte schaduw.

Toen Warwick Castle zoo tamelijk, en de majoor geheel uitgeput was—om niet van mevrouw Skewton te spreken, wier eigenaardige blijken van genot zeer veelvuldig waren geworden, ging men weder naar het rijtuig, en reed men naar eenige der meest bewonderde gezichtspunten in den omtrek. Dombey merkte bij een daarvan met complimenteuze statigheid aan, dat eene schets, hoe vluchtig ook, van de schoone hand van mevrouw Granger, eene aangename herinnering van een aangenamen dag voor hem zou zijn; hoewel hij voorzeker geene opzettelijke herinnering noodig zou hebben (hier maakte hij weder een van zijne buigingen) van iets dat hij altijd op hoogen prijs zou stellen. Withers, die Edith’s schetsboek onder den arm had, werd dadelijk door mevrouw Skewton geroepen om het aan te geven; en het rijtuig hield stil, opdat Edith de teekening zou kunnen maken, welke Dombey onder zijne schatten zou bewaren.

“Maar ik vrees dat ik u te veel moeite verg,” zeide Dombey.—“O neen. Waarvan wenscht gij eene schets genomen te hebben?” antwoordde zij, zich naar hem toekeerende met dezelfde gedwongene oplettendheid als te voren.

Met nog eene buiging, welke de stijfsel in zijne das deed kraken, verzocht Dombey dit aan de kunstenares te mogen overlaten.

“Ik heb liever dat gij zelf kiest,” zeide Edith.—“Als wij dan zeiden hier vandaan,” hervatte Dombey. “Dit schijnt een goed punt te zijn, of—Carker, wat denkt gij?”

Toevallig lag er op den voorgrond, niet ver van daar, een boschje, niet ongelijk aan dat waarin Carker des morgens zijn net van voetstappen had gevlochten, en met eene bank onder één boom, in plaatsing en uitzicht zeer gelijkende naar die, waar zijne wandeling was gestuit.

“Zou ik mevrouw Granger in bedenking mogen geven,” zeide Carker, “dat daar een interessant—bijna een merkwaardig—oogpunt is.”

Zij volgde de richting zijner karwats met hare oogen en sloeg ze toen snel naar zijn gezicht op. Dit was de tweede blik dien zij met elkander wisselden, en hij zou volkomen gelijk aan den eersten zijn geweest, als de uitdrukking niet nog duidelijker geweest was.

“Zou dat u bevallen?” zeide Edith tot Dombey.—“Het zal mij bekoren,” was zijn antwoord.

Het rijtuig reed dus naar de plek die Dombey zou bekoren; en zonder van hare plaats op te staan, opende Edith, met hare gewone trotsche onverschilligheid, haar schetsboek, en begon te teekenen.

“Mijne potlooden zijn allen zonder punt,” zeide zij, ophoudende en ze naziende.—“O mag ik dan,” zeide Dombey. “Of Carker zal dat beter doen, hij verstaat die dingen. Carker, wees zoo goed om die potlooden eens voor mevrouw Granger na te zien.”

Carker kwam met zijn paard dicht bij het portier aan mevrouw Granger’s kant, liet de teugels op den hals van het dier vallen, nam haar met een glimlach en eene buiging de potlooden uit de hand, en puntte ze, zoo in den zadel zittende, op zijn gemak aan. Dit gedaan hebbende, verzocht hij haar ze te mogen vasthouden en haar aan te geven naarmate zij ze noodig had. En zoo bleef Carker, onder vele loftuitingen op mevrouw Granger’s buitengemeen talent, inzonderheid voor boomen, vlak bij haar en keek naar de teekening terwijl zij die maakte; Dombey stond ondertusschen stijf rechtop in het rijtuig, als een hoogst fatsoenlijk spook, insgelijks toe te kijken, terwijl Cleopatra en de majoor dartelden gelijk twee stokoude duifjes hadden kunnen doen.

“Zijt ge daarmede tevreden, of zal ik het nog wat meer afmaken?”

Dombey verzocht er niets meer aan te doen; het was de volmaaktheid zelve.

“Het is buitengemeen,” zeide Carker, bij dien lof al zijn tandvleesch toonende. “Ik had niet gedacht iets zoo schoons—en zoo ongewoons—te zullen zien.”

Dit had op de teekenares niet minder dan op de teekening toepasselijk kunnen zijn; maar Carker’s gezicht was de openhartigheid zelve. En dit bleef het terwijl de teekening voor Dombey geborgen en het schetsboek weder ingepakt werd. Toen gaf hij de potlooden terug (die met eene geringe buiging tot dank voor zijne hulp, maar zonder hem aan te zien, werden aangenomen) hernam de teugels, liet het rijtuig voorbij en reed weder daarachter.

Misschien dacht hij, terwijl hij reed, dat zelfs deze luchtige schets geteekend en aan den eigenaar overgegeven was, alsof zij bedongen en gekocht was. Misschien dacht hij, dat, hoewel zij zoo bereidvaardig in zijn verzoek had bewilligd, haar strak gezicht, over de teekening gebogen, of opgeheven naar de verwijderde voorwerpen die zij afbeeldde, het gezicht eener trotsche vrouw was, gedwongen om zich met iets laags en gemeens in te laten. Misschien dacht hij aan zulke dingen; maar zekerlijk glimlachte hij, en terwijl hij nog scheen rond te zien en de ruime lucht en de beweging te genieten, hield hij in de schuinte het rijtuig altijd scherp in het oog.

Eene wandeling tusschen de spookachtige ruïnen van Kenilworth, en nog eenige ritjes naar nog eenige gezichtspunten, waarvan Edith, gelijk mevrouw Skewton Dombey herinnerde, de meeste reeds had geteekend, gelijk hij gezien had toen hij hare teekeningen doorkeek, brachten den dag verder om. Men reed terug en bracht mevrouw Skewton en Edith naar hare woning. Carker werd door Cleopatra vriendelijk geïnviteerd om des avonds daar met Dombey en den majoor terug te komen, en wat muziek van Edith te hooren, en de drie heeren begaven zich naar hun logement om te dineeren.

Het diner was het pendant van dat van gisteren, behalve dat de majoor vier en twintig uren meer triomfeerend en minder geheimzinnig was. Wederom werd er op Edith gedronken. Wederom was Dombey aangenaam verlegen, en Carker vol belangstelling en lof.

Er was geen ander bezoek bij mevrouw Skewton. Edith’s teekeningen waren door de kamer verstrooid, wat rijkelijker dan gewoonlijk misschien; en Withers, de bleeke page, gaf wat sterker thee rond. Maar zelfs de muziek werd, als het ware, door Edith aan de orde van Dombey uitbetaald, met dezelfde stroeve promptheid. Aldus bij voorbeeld:

“Edith, liefje,” zeide mevrouw Skewton, een half uur na de thee. “Mijnheer Dombey sterft van verlangen om u te hooren, weet ik.”—“Mijnheer Dombey heeft nog leven genoeg om dat zelf te zeggen, mama, twijfel ik niet.”—“Het zal mij ontzaglijk verplichten,” zeide Dombey.—“Wat verlangt gij?”—“Piano?” zeide Dombey aarzelend.—“Wat u belieft. Gij hebt maar te kiezen.”

Zij begon dus met de piano. Eveneens was het met de harp; eveneens met de keus der stukken die zij zong en speelde. Zulk eene ijskoude en gedwongene, en toch vaardige en opzettelijk in het oogloopende bewilliging in de wenschen die hij haar oplegde, was opmerkelijk genoeg om onder al de afwisselingen van het piket-spel Carker’s aandacht te trekken. Ook ontging het hem niet dat Dombey blijkbaar trotsch was op zijne macht en die met zeker welbehagen toonde.

Evenwel speelde Carker zoo goed—eenige partijen met den majoor en eenige met Cleopatra, welker waakzaamheid van oog ten aanzien van Dombey en Edith geen lynks had kunnen overtreffen—dat hij nog hooger in de gunst dier dame steeg, en dat, toen hij bij het afscheidnemen zijn leedwezen betuigde dat hij den volgenden morgen naar Londen moest terugkeeren, Cleopatra, met eene overeenstemming van gevoel die men niet dagelijks aantreft, vertrouwde dat zij elkander lang niet voor de laatste maal zouden ontmoet hebben.

“Dat hoop ik ook,” zeide Carker, met een veelbeteekenenden blik naar het paar op eenigen afstand, “en denk ik ook,” en volgde den majoor naar de deur.

Dombey, die statig afscheid van Edith had genomen, boog zich eenigszins over Cleopatra’s sofa en zeide zacht:

“Ik heb mevrouw Granger verlof gevraagd om haar morgenochtend nog eens te komen bezoeken—met een oogmerk—en zij heeft twaalf uur bepaald. Mag ik hopen om u naderhand thuis te vinden, mevrouw?”

Cleopatra was zoodanig onthutst door het hooren van dit, natuurlijk onbegrijpelijke, gezegde, dat zij niets anders kon doen, dan hare oogen sluiten, haar hoofd schudden en Dombey hare hand geven, welke Dombey, niet recht wetende wat er mede te doen, liet vallen.

“Kom toch voort, Dombey!” riep de majoor, de deur binnenkijkende. “Verduiveld, mijnheer, oude Joe heeft grooten lust om eene verandering in den naam van het Royal Hotel voor te slaan, en dat het de Drie Vroolijke Vrijers zou moeten heeten, ter eere van ons zelven en Carker.” Daarbij klopte de majoor Dombey op den rug, lonkte over zijn schouder naar de dames, op het punt om eene beroerte te krijgen, naar het scheen, en ging met hem heen.

Mevrouw Skewton bleef op hare sofa liggen rusten, en Edith bleef, een eind van haar af, stil bij hare harp zitten. De moeder speelde met haar waaier en keek tersluiks meer dan eens naar de dochter; maar de dochter, in somber gepeins verdiept, liet zich niet storen.

Zoo bleven zij een eindeloos uur bij elkander, zonder een woord te spreken, tot mevrouw Skewton’s kamenier verscheen, om haar langzamerhand voor den nacht gereed te maken. Des avonds had die kamenier een geraamte moeten zijn met eene schicht en een zandlooper, want hare hand was als de hand van den dood. Het geblankette ding schrompelde onder die hand weg; de geheele gedaante zakte ineen, de haren vielen af, de donkere gebogene wenkbrauwen veranderden in ongeregelde plekjes grijs, de bleeke lippen krompen in, de huid werd slap en lijkkleurig, en in Cleopatra’s plaats bleef niets anders over dan een geel, afgeleefd oud bestje, gelijk een slordig gebonden pakje vuil goed in eene smerige flanellen japon gemoffeld.

Zelfs de stem, die Edith aansprak toen zij weder alleen waren, was veranderd.

“Waarom zegt ge mij niet,” zeide die stem scherp, “dat hij morgen met afspraak hier komt?”—“Omdat ge dat wel weet—moeder,” antwoordde Edith.

Welk een spottenden nadruk legde zij op dat woord!

“Gij weet wel dat hij mij gekocht heeft,” hervatte zij, “of dat hij dat morgen doen zal. Hij heeft zijn koopje overlegd; hij heeft het zijn vriend laten zien; hij is er zelfs eenigszins grootsch op; hij denkt dat het hem wel zal bevallen en goedkoop genoeg te krijgen zal zijn; en morgen zal hij koopen. God, dat ik daarvoor geleefd heb, en dat ik het gevoel!”

Vereenig in een schoon gelaat de bewuste zelfvernedering en de gloeiende verontwaardiging van honderd vrouwen, vol hartstocht en trots, en daar verborgen zij zich met twee blanke bevende armen.

“Wat meent gij toch?” antwoordde de vergramde moeder. “Hebt gij niet van een kind af...”—“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten? Ik was eene vrouw—baatzuchtig, listig, afgericht om de mannen strikken te spannen—eer ik mij zelve of u nog kende; eer ik zelfs het gemeene, ellendige doel begreep van elke nieuwe kunst die ik leerde. Gij hebt eene volwassene vrouw geboren. Zie haar aan. Zij is van avond in al haar glans.”

En zoo sprekende gaf zij een slag op hare schoone borst, alsof zij zich zelve wilde neervellen.

“Zie mij aan,” zeide zij, “die nooit geweten heb wat het is een eerlijk hart te hebben of liefde te gevoelen. Zie mij aan, geleerd om te kuipen en te intrigeeren als andere kinderen nog spelen, en in mijne jeugd—oud in geslepenheid—getrouwd met iemand voor wien ik niets anders gevoelde dan onverschilligheid. Zie mij aan, weduwe gebleven, toen hij stierf eer hij zijn erfgoed kreeg—een oordeel over u, en wel verdiend—en zeg mij wat sedert mijn leven, tien jaren lang, is geweest.”—“Wij hebben ons best gedaan om u weder goed te etablisseeren,” antwoordde hare moeder. “Dat is uw leven geweest. En nu is het zoover gelukt.”—“Er is geene slavin op de slavenmarkt, geen paard op de paardenmarkt, zoo ten toon gesteld en aangeboden en opgeveild en onderzocht en bekeken—moeder—als ik die tien schandelijke jaren geweest ben,” zeide Edith, met een gloeiend voorhoofd en denzelfden bitteren nadruk op dat eene woord. “Is het zoo niet? Ben ik niet tot een spot gemaakt voor allerlei mannen? Hebben gekken en lichtmissen, kwade jongens en oude suffers mij niet nageloopen, en mij een voor een afgekeurd en laten loopen, omdat gij met al uwe slimheid toch al te lomp waart, en al te oprecht, met al uwe valsche streken; tot wij bijna overal met spot en schande bekend zijn? Welke vrijpostigheid van bekijken en aanraken,” zeide zij met vlammende oogen, “heb ik niet moeten velen, bijna op de helft van al de plaatsen waar men in Engeland bijeenkomt? Ben ik niet hier en daar uitgestald en opgeveild, tot ik alle achting voor mij zelve heb verloren en van mij zelve walg? Is dat mijne late kindsheid geweest? Vroeger heb ik er geen gehad. Zeg mij niet dat ik er een gehad heb, van avond vooral niet!”—“Gij hadt ten minste al twintigmaal goed getrouwd kunnen zijn, Edith,” zeide hare moeder, “als ge maar aanmoediging genoeg hadt gegeven.”—“Neen! Wie mij neemt, uitschot dat ik ben en wel verdien te zijn,” antwoordde zij, haar hoofd opheffende en bevende van schaamte en trotsche verontwaardiging, “zal mij nemen, gelijk deze man doet, zonder dat ik eenige kunsten aanwend om hem te lokken. Hij ziet mij op de veiling en hij vindt goed mij te koopen. Laat hij! Toen hij kwam om mij te zien—misschien om te bieden—wilde hij de lijst van mijne talenten hebben. Ik gaf ze hem. Als hij wil dat ik er een van vertoon, om zijne lieden te laten zien dat hij een goeden koop doet, vraag ik hem wat hij verlangt vertoond te hebben, en vertoon het dan. Meer wil ik niet doen. Hij koopt uit eigene beweging en schat zelf de waarde van zijn koop en van zijn geld; en ik hoop dat hij nooit te leur gesteld zal zijn. Ik heb den koop niet geroemd en opgedrongen; dat hebt gij ook niet, zoover ik in staat ben geweest om het u te beletten.”—“Gij spreekt al zeer vreemd van avond, Edith, en dat tegen uwe eigene moeder.”—“Zoo komt het mij ook voor; mij nog vreemder dan u,” zeide Edith. “Maar mijne opvoeding is al lang geleden voltooid. Ik ben nu te oud en ben langzamerhand te laag gedaald, om een nieuwen weg in te slaan, en u op den uwen te stuiten. De kiem van alles wat het hart eener vrouw reinigt en het oprecht en goed maakt, is nooit in het mijne opgewekt, en als ik mij zelve veracht, heb ik niets meer om mij staande te houden.” Zij had eene aandoenlijke treurigheid in hare stem gehad, maar deze verdween weder, toen zij met opgekrulde bovenlip vervolgde: “Daar wij dus grootsch en arm zijn, ben ik er mede tevreden dat wij op die manier rijk worden. Al wat ik te zeggen heb is, dat ik het eenige voornemen getrouw ben gebleven, dat ik, met u bij mij, moeder, heb kunnen vormen, en dien man niet heb gelokt.”—“Dien man!” zeide hare moeder. “Gij spreekt haast alsof gij een haat tegen hem hadt.”—“En gij dacht dat ik hem liefhad, niet waar?” was haar antwoord. “Zal ik u zeggen,” hervatte zij, hare moeder strak aanziende, “wie ons reeds door en door kent en doorziet, en voor wien ik nog minder gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen heb dan voor mij zelve, zoo vernederd als ik mij gevoel door de kennis die hij van mij heeft?”—“Dat is een uitval, moet ik denken,” antwoordde hare moeder koeltjes, “op dien armen, ongelukkigen, hoe heet hij ook weer—mijnheer Carker. Uw gebrek aan gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen tegenover dien persoon (dien ik een zeer innemend man vind, moet ik zeggen) zal u waarschijnlijk niet veel meer hinderen als gij eens geëtablisseerd zijt. Waarom ziet ge mij zoo strak aan? Zijt ge niet wel?”

Edith’s gezicht betrok eensklaps, alsof zij door eene slang was gestoken, en terwijl zij hare handen voor hare oogen hield, liep er eene huivering door al hare leden. Dit was echter spoedig voorbij, en met haar gewonen tred ging zij de kamer uit.

De kamenier, die een geraamte had moeten zijn, verscheen toen weder en gaf den eenen arm aan hare meesteres, die met hare valsche bekoorlijkheden ook al hare krachten scheen verloren, en met haar flanellen nachtgewaad eene verlamming scheen aangetrokken te hebben, zamelde de asch van Cleopatra bij elkander, nam deze in den anderen arm mede, en bracht beide weg, gereed voor eene kunstmatige opwekking des anderen daags.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXVIII. VERANDERINGEN

“Zoo is dan eindelijk de dag gekomen, Suze,” zeide Florence, “dat wij weder naar huis gaan, waar wij rust en stilte zullen hebben.”

Suze haalde met bijzondere beteekenis haar adem in, gaf verder haar gevoel met een scherp kuchje lucht en antwoordde: “Stilte genoeg, jufvrouw Flore. Stilte genoeg, dat is zeker.”—“Toen ik nog een kind was,” zeide Florence, na eene poos gemijmerd te hebben, “hebt gij toen ooit dien heer gezien, die nu driemaal de moeite heeft gedaan om hier naar toe te komen om mij te spreken?—Was het niet driemaal, Suze?”—“Driemaal, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Eens toen gij uit wandelen waart met die Sket...”

Florence zag haar strak maar vriendelijk aan en Suze bedacht zich.

“Met Sir Barnet en zijne Lady, wil ik zeggen, jufvrouw, en den jongen heer. En later nog tweemaal ’s avonds.”—“Toen ik een kind was, en er wel menschen bij ons plachten te komen, hebt ge toen ooit dien heer aan huis gezien, Suze?” zeide Florence.—“Wel, jufvrouw,” antwoordde de kamenier, na zich bedacht te hebben, “dat zou ik waarlijk niet kunnen zeggen. Toen uwe arme mama stierf, jufvrouw Flore, was ik nog heel nieuw in de familie, en mijn territoor,” hier wierp zij het hoofd in den nek, daar zij meende dat Dombey hare verdiensten altijd opzettelijk had miskend, “was de verdieping vlak onder den zolder.”—“O ja,” zeide Florence, nog peinzend, “het was niet waarschijnlijk dat ge zoudt weten wie er in huis kwam; daar dacht ik niet om.”—“Neen, jufvrouw, maar wij praatten toch wel over de familie en de menschen die er kwamen,” zeide Suze, “en ik hoorde véél, al was de baker, die er vóór jufvrouw Richards was, somtijds hatelijk genoeg, als ik er bij was, om op kleine potjes te schimpen; maar dat was,” merkte Suze verschoonend aan, “alleen aan den drank te wijten, waarom de arme vrouw ook verhuizen moest.”

Florence, die op hare kamer voor het venster zat naar buiten te kijken, scheen nauwelijks te hooren wat Suze zeide, zoo was zij in gedachten verzonken.

“In allen gevalle, jufvrouw,” zeide Suze, “kan ik mij wel herinneren dat die mijnheer Carker toen haast, zoo niet geheel, even groot was bij uw papa, als hij nu is. Men placht toen in huis te zeggen, dat hij in de City aan het hoofd van al uw papa’s zaken was, en dat uw papa meer om hem gaf dan iemand anders, wat hij, als gij het mij niet kwalijk neemt, jufvrouw Flore, gemakkelijk doen kon, want hij gaf nooit iets om iemand anders. Dat weet ik wel, klein potje als ik toen was of niet.”

De krenkende herinnering aan de oude baker deed Suze dit met bijzonderen nadruk zeggen.

“En dat mijnheer Carker niet gezakt is, jufvrouw,” vervolgde zij, “maar even groot bij uw papa gebleven, weet ik uit hetgeen die Perch zegt als hij aan huis komt; en al is hij de flauwste kerel van de wereld, jufvrouw Flore, dien iemand waarlijk geen oogenblik kan uitstaan, weet hij toch tamelijk wel wat er in de City omgaat, en hij zegt dat uw papa nooit iets doet zonder mijnheer Carker en alles aan mijnheer Carker overlaat, en zich naar mijnheer Carker richt en mijnheer Carker altijd bij zich heeft, en ik geloof dat hij gelooft (die flauwe Perch) dat na uw papa de keizer van Indië nog maar een ongeboren kind is bij mijnheer Carker.”

Geen woord hiervan ging voor Florence te loor, die nu niet langer verstrooid naar buiten keek, maar de spreekster aanzag, en met aandacht luisterde.

“Ja, Suze,” zeide zij, toen die jonge juffer ophield, “hij is in papa’s vertrouwen en is zijn vriend, daarvan houd ik mij zeker.”

Florence had eenige dagen lang veel daaraan gedacht. Carker had bij de twee bezoeken, welke hij op zijn eerste bezoek had laten volgen, eene vertrouwelijkheid tusschen hem en haar voorondersteld—een recht van zijn kant om raadselachtig en geheimzinnig te zijn, door haar te zeggen dat men nog niets van het schip gehoord had—zeker vriendelijk en welwillend gezag en vermogen over haar—waarover zij zich verwonderd en ongerust gemaakt had. Zij was niet in staat om hem terug te wijzen of zich te bevrijden uit het net, waarin hij haar langzamerhand verstrikte; want dit zou eene geslepenheid en wereldkennis vereischt hebben, die met de zijne konden kampen; en Florence bezat niets daarvan. Hij had haar, wel is waar, niets meer gezegd dan dat er geene tijding van het schip was en dat zij het ergste vreesden; maar hoe hij te weten kwam dat zij belang in dat schip stelde, en welk recht hij had om haar zijne kennis zoo donker en bijna verraderlijk aan te kondigen, was iets dat haar zeer ontrustte.

Dit gedrag van Carker, en hare gewoonte om daaraan dikwijls met verwondering en ongerustheid te denken, begonnen hem zekere onaangename heerschappij, die naar tooverij geleek, over hare gedachten te geven. Als zij zich zijne trekken en stem duidelijker poogde te herinneren, hetgeen zij somtijds deed om hem tot een alledaagsch persoon te maken, die niet meer macht over haar kon uitoefenen dan een ander, kon zij toch dien onbestemden indruk niet uitwisschen. En toch had hij haar nooit donker of met iets dat naar ongenoegen of vijandschap zweemde aangezien, maar altijd een helder glimlachend gezicht getoond.

Dan wederom bedacht Florence—altijd getrouw aan haar voornemen om eens haar vaders liefde te winnen, en standvastig in haar geloof dat zij zelve onopzettelijk schuld had aan de koelheid hunner betrekking—dat deze heer haar vaders vertrouwde vriend was, en vroeg zich dan met een angstig hart, of die neiging om hem te wantrouwen en te vreezen ook een deel kon zijn van dat ongeluk van haar, dat haar de liefde van haar vader had doen verbeuren en haar zoo eenzaam doen worden. Somtijds vreesde zij dat het zoo was; somtijds geloofde zij het; dan wilde zij weder pogen dat verkeerde gevoel te overwinnen, overreedde zij zich dat zij door de oplettendheid van haar vaders vriend vereerd en aangemoedigd werd, en hoopte zij dat door hem geduldig te volgen en te vertrouwen hare bloedende voeten den steenigen weg zouden vinden die op het hart van haar vader uitliep.

Aldus werd, zonder iemand om haar te raden—want zij kon met niemand raad nemen zonder dat zij over hem scheen te klagen—de zachtaardige Florence op eene woelige zee van hoop en twijfel geslingerd, en Carker zwom, gelijk een schubbig ondier, beneden in de diepte, en hield zijne blinkende oogen op haar gevestigd.

Florence vond in dit alles eene nieuwe reden om maar te wenschen weder thuis te zijn. Haar eenzaam leven daar strookte beter met haar schroomvallig hopen en twijfelen; en zij vreesde somtijds dat zij door hare afwezigheid eene kans zou kunnen verzuimen om hare liefde voor haar vader te doen blijken. De hemel weet, zij had zich in dit laatste opzicht wel mogen geruststellen, arm kind; maar hare versmade liefde liet haar nooit rust, zelfs niet in haar slaap, en goochelde haar in hare droomen eene reeks van tooneelen voor, die altijd daarmede eindigden dat zij haar vader om den hals viel.

Aan Walter dacht zij dikwijls. O, hoe dikwijls, als de nacht somber was en de wind om het huis gierde! Maar de hoop was nog krachtig in haar hart. Het is voor een jeugdig en vurig gemoed, zelfs met zulk eene ervaring als de hare, zoo moeielijk zich te verbeelden dat jeugd en vuur als eene zwakke vlam worden uitgedoofd en de heldere levensdag reeds des morgens in den nacht overgaat, dat zij nog hoopte. Zij schreide dikwijls over Walter’s ongeluk en lijden, maar zelden over zijn vermeenden dood, en dan nooit lang.

Zij had aan den ouden instrumentmaker geschreven, maar geen antwoord op haar briefje ontvangen, waarop ook eigenlijk geen antwoord noodig was. Zoo stond het met Florence op den ochtend toen zij weder naar huis ging om met blijdschap haar vroeger stil en eenzaam leven te hervatten.

Doctor Blimber en zijne gade, door jongen heer Barnet (zeer tegen zijn zin) vergezeld, waren reeds naar Brighton teruggekeerd, waar die jonge heer en zijne medepelgrims naar den Parnas toen zonder twijfel aan het gedurig hervatten hunner studiën waren. De vacantietijd was voorbij; de meesten der jeugdige gasten op de villa waren vertrokken, en ook Florence’s langdurig bezoek liep ten einde.

Er was echter nog een gast, die, hoewel hij niet in huis logeerde, de familie getrouw was komen bezoeken en nog getrouw bleef. Dit was Toots, die, nadat hij eenige weken geleden de kennis had vernieuwd, welke hij het geluk had met Skettles Junior aan te knoopen, op den avond toen hij de Blimbersche slavernij had verbroken, geregeld om den anderen dag was aangekomen en een geheel pak kaartjes aan de voordeur had gelaten.

Insgelijks had Toots, met het gelukkige denkbeeld om de familie te beletten hem te vergeten (hoewel er reden is om te denken dat de Kemphaan hem eigenlijk op dien inval bracht) zich een zesriems kotter aangeschaft, door vrienden van den Kemphaan bemand en door dien doorluchtigen persoon zelven gestuurd, die daarbij een schitterend rooden rok aanhad en het bestendige blauwe oog, waaraan hij onderhevig was, onder een groen schermpje verborg. Eer hij zich deze equipage aanschafte, had Toots den Kemphaan uitgehoord over een denkbeeldig geval, namelijk, voorondersteld dat de Kemphaan verliefd was op eene jonge dame die Mary heette, en het voornemen had opgevat om eene eigene boot aan te leggen, hoe hij dan die boot zou noemen. De Kemphaan antwoordde, met verscheidene krachtige betuigingen, dat hij ze of Polly of de Kemphaans Lust zou doopen. Dit denkbeeld nog wat verbeterende, besloot Toots, na veel nadenken en met inspanning van al zijne vindingskracht, om zijne boot Toots’ Vreugde te noemen, als een fijn compliment voor Florence, dat niemand, die met de partijen bekend was, kon nalaten toe te juichen.

Op een scharlaken kussen in zijne ranke boot uitgestrekt, met zijne schoenen in de lucht, was Toots, zijn voornemen volvoerende, dag aan dag en week op week voorbij den tuin van Sir Barnet de rivier op en neer komen varen, en had hij zijne roeiers, om te beter uit de vensters der villa gezien te worden, met zulke scherpe hoeken laten oversteken en zulke vreemde manoeuvres maken, dat hij den geheelen nabijgelegen waterkant met verbazing vervulde. Maar wanneer hij iemand in Sir Barnet’s tuin op den oever zag, veinsde Toots altijd daar juist door een samenloop der zonderlingste toevalligheden voorbij te komen.

“Hoe gaat het, Toots!” zeide Sir Barnet dan, van het grasperk met de hand wuivende, terwijl de geslepen Kemphaan dicht langs den kant stuurde.—“Hoe vaart gij, Sir Barnet!” antwoordde Toots dan. “Welk eene verrassing dat ik u hier zie!”

In zijne slimheid zeide Toots dit altijd, alsof hij, in plaats van bij Sir Barnet’s huis, bij een verlaten gebouw op den oever van den Nijl of de Ganges was.

“Nooit zoo opgekeken!” riep Toots dan. “Is jufvrouw Dombey daar?”

Daarop verscheen Florence misschien.

“Zoo! Diogenes is heel wel, jufvrouw Dombey,” riep Toots dan. “Ik heb er van morgen nog naar gaan vragen.”—“Wel bedankt!” antwoordde dan de welluidende stem van Florence.—“Wilt ge niet aan land komen, Toots?” zeide Sir Barnet dan. “Kom, gij hebt immers geen haast. Leg eens bij ons aan.”—“O, wel bedankt, het is van geen beduiden!” antwoordde Toots dan. “Ik dacht maar dat jufvrouw Dombey het graag zou willen weten. Anders niet. Goeden morgen!” en de arme Toots, die van verlangen stierf om de uitnoodiging aan te nemen, maar den moed niet daartoe had, gaf met een benauwd hart den Kemphaan een teeken, en de Vreugde vloog als eene pijl over het water heen.

Op den ochtend van Florence’s vertrek, lag de Vreugde, buitengewoon prachtig opgesierd, aan de trap van den tuin. Toen zij, na het gesprek met Suze, naar beneden kwam om afscheid te nemen, vond zij Toots in het salon op haar wachten.

“Zoo! Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide de verliefde Toots, altijd schrikkelijk onthutst als hij den wensch van zijn hart had verkregen, en met haar sprak.

“Wel bedankt; ik ben heel wel: gij ook, hoop ik; en Diogenes was gisteren ook nog heel wel.”—“Ge zijt wel vriendelijk,” zeide Florence.—“O dat is van geen beduiden,” antwoordde Toots. “Ik dacht dat gij er met dat mooie weer misschien niet tegen zoudt hebben, jufvrouw Dombey, om te water naar huis te gaan. Er is plaats genoeg in de boot voor uwe kamenier.”—“Ik ben u wel verplicht,” antwoordde Florence aarzelend, “maar—ik wilde liever niet.”—“O, het is van geen beduiden,” zeide Toots daarop. “Goeden morgen.”—“Wilt ge niet wachten om Lady Skettles te zien?” vroeg Florence vriendelijk.—“O neen, wel bedankt,” antwoordde Toots. “Dat is volstrekt van geen beduiden.”

Zoo schichtig en onthutst was Toots bij zulke gelegenheden. Maar daar Lady Skettles juist op het oogenblik binnentrad, kreeg Toots eensklaps eene hartstochtelijke begeerte om haar te vragen hoe zij voer, en kon maar niet ophouden haar nogmaals en nogmaals de hand te geven, tot Sir Barnet verscheen, aan wien hij zich toen terstond met de kracht der wanhoop vastklemde.

“Wij verliezen vandaag het licht van ons huis,” zeide Sir Barnet, zich naar Florence keerende, “dat verzeker ik u, Toots.”—“O, dat is van geen bed—ik meen, ja, dat is wel waar,” stotterde de bedremmelde Toots. “Goeden morgen.”

In spijt van dit nadrukkelijk vaarwel, bleef Toots, in plaats van heen te gaan, versuft staan kijken. Om hem uit den nood te helpen, nam Florence met vele dankbetuigingen afscheid van Lady Skettles en gaf Sir Barnet haar arm.

“Mag ik wel u verzoeken, lieve jufvrouw Dombey,” zeide haar gastheer, terwijl hij haar naar het rijtuig bracht, “om uw goeden papa mijne beste complimenten te doen?”

Het was smartelijk voor Florence deze boodschap aan te nemen, want het was haar alsof zij Sir Barnet bedroog, wanneer zij hem liet gelooven dat eene vriendelijkheid, aan haar bewezen, zoo goed als aan haar vader bewezen was. Daar zij echter geene opheldering kon geven, boog zij maar en bedankte hem; en wederom dacht zij, dat haar eentonig huis, waar zij veilig was voor zulke verlegenheden en zulke herinneringen aan haar verdriet, hare beste schuilplaats was.

Diegenen harer bekenden, die nog op de villa vertoefden, kwamen uit het huis en den tuin aanloopen, om haar goedendag te zeggen. Allen waren aan haar gehecht en namen hartelijk afscheid. Zelfs de dienstboden speet het dat zij heenging, en de meiden stonden om het rijtuig te nijgen en te knikken. Toen Florence naar deze vriendelijke gezichten rondkeek en daaronder die van Sir Barnet en zijne Lady en dat van Toots zag, die in de verte stond te grinniken en te staren, dacht zij aan den avond toen Paul en zij van Doctor Blimber vertrokken; en toen het rijtuig heenreed, rolden er tranen over hare wangen.

Droevige tranen, maar ook troostrijke tranen, want al de teedere herinneringen, die met het oude eentonige huis in verband stonden en het haar dierbaar maakten, rezen te gelijk voor haar op. Hoelang kwam het haar voor sedert zij door die stille kamers had gezworven, sedert zij het laatst, stil en angstig, naar die was geslopen welke haar vader bewoond had! sedert zij bij elk bedrijf van haar dagelijksch leven den ernstigen maar toch streelenden invloed der beminde dooden had gevoeld! Dit nieuwe afscheid herinnerde haar bovendien aan dat van den armen Walter! aan zijne woorden en blikken op dien avond; aan de schoone mengeling van teederheid voor hen die hij achterliet met moed en zelfvertrouwen, welke zij bij hem had opgemerkt. Zijne korte geschiedenis stond ook met het oude huis in verband, en gaf het eene nieuwe aanspraak op haar hart.

Zelfs Suze Nipper begon zachter over de woning, waar zij zoovele jaren thuis waren geweest, te denken, toen zij weder daarheen op weg waren. Zoo somber als het huis was, en zoo streng als zij over die somberheid dacht, vergaf zij het toch veel. “Ik zal blij zijn als ik het weerzie; dat wil ik ook niet ontkennen, jufvrouw,” zeide zij. “Het heeft niet veel om op te roemen, maar ik zou het toch ook niet afgebrand of afgebroken willen hebben!”

“Gij zult blij zijn als gij de oude kamers weder doorgaat, niet waar, Suze?” zeide Florence met een glimlach.—“Wel, jufvrouw,” antwoordde Suze, al meer en meer voor het huis verzachtende, hoe nader zij het kwamen, “ik wil niet ontkennen of ik zal; schoon ik morgen denkelijk al weer een hekel er aan zal hebben.”

Florence gevoelde dat daar voor haar meer vrede was te vinden dan ergens anders. Het was beter en gemakkelijker haar geheim daar opgesloten te houden, tusschen de hooge donkere muren, dan het door het daglicht mede te dragen en voor een drom gelukkige oogen te verbergen. Het was beter daar alleen de studie van haar liefderijk hart voort te zetten, zonder opnieuw ontmoedigd te worden door de liefhebbende harten om haar heen. Het was gemakkelijker geheel onopgemerkt, maar toch met standvastigheid en geduld, te blijven hopen, bidden en liefhebben, in het stille heiligdom van zulke herinneringen, hoewel het om haar heen verviel en verging, dan tusschen nieuwe tooneelen, hoe vroolijk zij ook mochten zijn. Zij heette haar ouden tooverdroom van het leven weder welkom, en verlangde er naar dat de oude donkere deur zich maar weder achter haar sloot.

Vol van zulke gedachten, reed Florence de lange, sombere straat in. Zij zat niet aan den kant van de koets naar haar huis toe, en toen zij het naderde, keek zij uit het portier, of zij de kinderen aan den overkant ook zag.

Daarop had zij hare aandacht gevestigd, toen een uitroep van Suze haar snel deed omzien.

“Wel lieve hemel!” riep Suze, “waar is ons huis?”—“Ons huis!” zeide Florence.

Suze trok haar hoofd binnen het portier, stak het er weder uit, trok het er weder binnen toen de koets stilhield, en staarde hare meesteres vol verbazing aan.

Om het geheele huis, van de kelderverdieping tot aan het dak, stond een doolhof van steigerwerk. Hoopen steen en stapels hout verstopten de helft der breede zijstraat. Ladders waren tegen de muren opgezet, werklieden klommen op en neer; andere waren op de steigers aan het werk; groote rollen behangselpapier werden voor de deur van een wagen afgegeven; een houtwagen versperde insgelijks den weg; geene meubelen waren door de openstaande vensters en de gebrokene ruiten in de kamers te zien; niets dan de werklieden en de benoodigdheden en gereedschappen van verschillende beroepen zag men van de keuken tot aan de vliering. Van binnen en van buiten metselaars, timmerlieden, schilders, hamer, zaag, kalkbak, troffel en kwast, allen te gelijk aan den gang.

Florence stapte uit de koets, half twijfelende of zij wel aan het rechte huis was, tot zij Towlinson herkende, met een door de zon gebruind gezicht, die aan de deur stond om haar te ontvangen.

“Er is toch niets gebeurd?” zeide Florence.—“O neen, jufvrouw.”—“Maar er worden groote veranderingen gemaakt.”—“Ja, jufvrouw, groote veranderingen,” zeide Towlinson.

Florence ging hem voorbij alsof zij in een droom was, en haastte zich naar boven. Een schel licht vervulde de lange, donkere receptie-kamers, en overal waren trappen en stellages en mannen met papieren mutsen. Haar moeders portret was met de andere meubelen verdwenen, en op de plek waar men zien kon dat het gehangen had, was met krijt gekrabbeld: “Deze kamer in paneelen. Groen met goud.” De trap was een doolhof van palen en planken, evenals buiten het huis, en een geheele Olympus van loodgieters en glazenmakers zweefde in verschillende houdingen boven den lantarenkoepel. Hare eigene kamer was van binnen nog niet aangeroerd; maar van buiten waren er balken en planken tegen gezet, die het daglicht verdonkerden. Zij ging snel naar de andere slaapkamer waar het ledekantje stond, en een donkere reus van een man, met een pijpje in den mond en een zakdoek om het hoofd gebonden, keek door het venster naar binnen.

Het was hier dat Suze Nipper, die Florence had loopen zoeken, haar vond en zeide, of zij beneden bij haar papa wilde komen, die haar wenschte te spreken.

“Thuis!—en wenscht mij te spreken!” riep Florence bevend uit.

Suze, die zelve nog veel meer van hare streek was dan Florence, herhaalde hare boodschap; en Florence, bleek en ontroerd, haastte zich, zonder een oogenblik bedenkens, weder naar beneden. Onderweg dacht zij, zou zij hem een kus durven geven? Het verlangen van haar hart deed haar stout worden, en zij dacht dat zij wel zou durven.

Haar vader had dat hart kunnen hooren kloppen, toen zij voor hem kwam. Nog een oogenblik, en het zou tegen zijne borst hebben geklopt.

Maar hij was niet alleen. Er waren daar nog twee dames, en Florence bleef staan. Zij worstelde zoo zeer tegen hare ontroering, dat zij, als haar redelooze vriend Diogenes niet was binnengestoven en haar, als welkom thuis, met zijne liefkoozingen had overstelpt—waarop een van de dames een gilletje gaf, dat hare aandacht eenigszins afleidde—op den grond zou zijn flauw gevallen.

“Florence,” zeide haar vader, zijne hand uitstekende, zoo stijf dat hij haar daarmede van zich afhield, “hoe vaart ge?”

Florence vatte die hand, bracht ze schroomvallig aan hare lippen en liet ze weder terugtrekken. Toen die hand de deur sloot, raakte zij deze met evenveel liefkoozing aan, als zij haar had gedaan.

“Wat is dat voor een hond?” zeide Dombey misnoegd.—“Het is een hond, papa—van Brighton.”—“Zoo!” zeide Dombey, en er vloog eene wolk over zijn gezicht, want hij verstond haar.—“Hij is heel goedaardig,” zeide Florence, zich met hare natuurlijke bevalligheid en lieftalligheid naar de twee dames keerende. “Hij is maar blij dat hij mij ziet. Ik bid u, vergeef het hem.”

Zij zag met den blik, dien zij wisselden, dat de dame, die gegild had en op een stoel zat, oud was; en dat de andere dame, die bij haar papa stond, zeer schoon was en een elegant voorkomen had.

“Mevrouw Skewton,” zeide haar vader, zich naar de eerste dame keerende en zijne hand uitstekende, “dat is mijne dochter Florence.”—“Charmant, moet ik zeggen,” merkte de dame aan, haar lorgnet voor het oog houdende. “Zoo natuurlijk. Mijne allerliefste Florence, geef mij een kus, als het u belieft.”

Nadat Florence dit gedaan had, keerde zij zich naar de andere dame, bij welke haar papa stond te wachten.

“Edith,” zeide Dombey, “dit is mijne dochter Florence. Florence, deze dame zal binnen kort uwe mama zijn.”

Florence schrikte, en zag naar het schoone gelaat op met eene mengeling van aandoeningen, waaronder de tranen, door dien naam uitgelokt, voor een oogenblik met verrassing, belangstelling, bewondering en zekere onbeschrijfelijke vrees kampten. Toen riep zij uit:

“O papa, moogt gij gelukkig zijn! Moogt gij heel, heel gelukkig zijn, al uw leven lang!” En toen viel zij die dame schreiend aan de borst.

Er volgde eene korte poos van stilte. De schoone dame, die eerst scheen te aarzelen of zij naar Florence toe zou komen of niet, hield haar aan hare borst en sloeg haar arm vast om haar heen, als om haar gerust te stellen en te troosten. Geen woord kwam over hare lippen. Zij boog haar hoofd naar Florence over, en kuste haar op de wang, maar sprak geen woord.

“Zullen wij nu verder de kamers doorgaan,” zeide Dombey, “om te zien hoe de werklieden het maken? Mag ik zoo vrij zijn, mevrouw?”

Hij bood, dit zeggende, mevrouw Skewton zijn arm, die door haar lorgnet naar Florence had gekeken, alsof zij zich verbeeldde wat er door het mededeelen van wat meer hartelijkheid en natuurlijkheid—uit haar eigen rijken voorraad zonder twijfel—van haar zou kunnen gemaakt worden. Florence lag nog snikkend aan de borst dier dame, toen men Dombey in de oranjerie hoorde zeggen:

“Laten wij het aan Edith vragen. Heden, waar is zij?”—“Edith, lief kind,” riep mevrouw Skewton, “waar zijt ge toch? Zeker ergens naar mijnheer Dombey aan het zoeken, dat weet ik wel. Wij zijn hier, lieve.”

De schoone dame liet Florence los, drukte haar nog een kus op de wang en ging haastig naar de twee anderen. Florence bleef op dezelfde plank staan—bedroefd en verheugd, vergenoegd en schreiende—zij wist niet hoe of hoelang, tot op eens hare nieuwe mama terugkwam en haar weder in hare armen sloot.

“Florence,” zeide de dame haastig, en zag haar met grooten ernst in de oogen. “Gij zult dus niet beginnen met mij te haten?”—“Met u te haten, mama!” riep Florence uit, haar arm om haar hals slingerende en haar blik beantwoordende.—“St! Begin met goed van mij te denken,” zeide de schoone dame. “Begin met te gelooven dat ik al het mogelijke zal doen om u gelukkig te maken, en dat ik u gaarne wil liefhebben, Florence. Goedendag. Wij zullen elkander weerzien, spoedig. Goedendag. Blijf nu niet langer hier.”

Nogmaals drukte zij haar aan hare borst—zij had haastig maar met eene vaste stem gesproken—en Florence zag haar zich in de naaste kamer bij de anderen voegen.

En nu begon Florence te hopen dat zij van hare nieuwe, schoone mama zou leeren, hoe de liefde van haar vader te winnen; en in haar slaap dien nacht zag hare eigene mama met een zaligen glimlach op die hoop neder, en gaf haar zegen daarover. Droomende Florence!

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXIX. HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN

Jufvrouw Tox, geheel onbewust van zulke vreemde verschijnselen in en om mijnheer Dombey’s huis als steigers en ladders, en mannen met zakdoeken om het hoofd, die als zwevende spoken of vreemde vogels door de vensters binnenkeken—had op een ochtend tegen dezen gewichtigen tijd op hare gewone manier ontbeten, namelijk met een geraspt Fransch broodje, een versch, pas gelegd ei (of daarvoor verkocht) en één kopje thee, en ging toen naar boven om de Vogel-wals op haar klavier te spelen, hare bloemen te begieten en te verzorgen, hare galanterieën af te stoffen en, volgens hare dagelijksche gewoonte, haar salonnetje tot het juweel van Princess’s Place te maken.

Jufvrouw Tox voorzag zich van een paar oude handschoenen, naar dorre bladeren gelijkende, waarmede zij gewoon was deze bezigheden te verrichten—op alle andere tijden in de la eener tafel voor ieder menschelijk oog verborgen—en ging methodisch aan het werk, beginnende met de Vogel-wals; toen, volgens een natuurlijk verband van denkbeelden, tot haar vogeltje overgaande, een stokoude kanarie, slecht in de veeren, maar een doordringend zinger, gelijk de geheele buurt wel wist, daarna hare ornamenten van porselein, kaartpapier, enz. onder handen nemende, en zoo, na verloop van tijd, aan hare bloemen komende, welke doorgaans hier en daar met eene schaar beknipt moesten worden, om zekere botanische reden waaraan jufvrouw Tox groot gewicht hechtte.

Het duurde dien ochtend lang eer jufvrouw Tox aan hare bloemen kwam. Het was warm weder, zuidenwind, en er was in Princess’s Place een zweempje zomer te bespeuren, dat jufvrouw Tox aan het buitenleven deed denken. De bierjongen uit de herberg was met eene kan buitengekomen en had een waterstraaltje met een slingerend patroon over de straatsteenen laten loopen, dat zulk eene frischheid aan de lucht gaf, zeide jufvrouw Tox, alsof men werkelijk buiten was. Men zag een streepje zonneschijn uit de groote straat om den hoek komen, en de rookerige musschen wipten daarover heen en weder, en werden in dien glans zoo verhelderd en verheerlijkt alsof zij nooit iets van schoorsteenen hadden geweten. Spreuken tot lof van het gemberbier, met afbeeldsels van dorstige klanten, onder het bruisende schuim bedolven of door het springen der kurken versuft, blonken voor het venster der herberg. Men was ergens buiten de stad nog laat aan het hooien, en hoewel de geur van verre moest komen en tusschen de woningen der armen met vele andere geuren had te worstelen (God beloone de brave heeren, die de pest voor een deel der wijsheid onzer voorvaderen houden en hun best doen om die woningen zoo ellendig te doen blijven) kwam er toch een flauwe zweem van in Princess’s Place, en fluisterde van het vrije veld en zijne gezonde lucht.

Jufvrouw Tox zette zich in de vensterbank en dacht aan haar goeden papa, sedert lang overleden en in zijn leven beambte bij het vak van in- en uitgaande rechten; en aan hare kindsheid, in eene zeeplaats gesleten, waar zij veel teer, maar toch ook gras en hooi had geroken. Zoo kwam zij tot eene weemoedige herinnering van groene weiden, vol boterbloempjes; en hoe zij kettinkjes van paardenbloemstengels had gemaakt, voor jeugdige zweerders van eeuwige standvastigheid, voornamelijk in het nankin gekleed; en hoe spoedig die kluisters verdroogd en gebroken waren.

In die vensterbank gezeten, en naar de menschen en het streepje zonneschijn kijkende, dacht jufvrouw Tox insgelijks aan hare goede overledene mama—zuster van den eigenaar van het gepoederde hoofd en het staartje—aan hare deugden en hare rheumatiek. En toen een man met kromme beenen, eene grove stem, en eene zware mand op zijn hoofd, welke zijn hoed tot een zwarten pannekoek samendrukte, met bloemen door Princess’s Place kwam roepen, en zijne kleine vreesachtige plantjes madelieven deed beven door de trilling van elken schreeuw dien hij gaf, alsof hij een menschenvreter was, die met kleine kinderen te koop liep, werden de zomerherinneringen zoo sterk bij jufvrouw Tox, dat zij haar hoofd schudde, en prevelde dat zij oud zou worden eer zij het wist—hetgeen wel denkelijk scheen.

In die peinzende stemming zochten hare gedachten het spoor van Dombey, misschien omdat de majoor weder zijne kamers aan den overkant had betrokken en juist aan zijn venster voor haar gebogen had. Welke andere reden kon jufvrouw Tox hebben om Dombey met hare zomerdagen en kluisters van paardenbloemen in verband brengen? Was hij nu vroolijker? dacht jufvrouw Tox. Was hij nu met de besluiten des noodlots verzoend? Zou hij nooit weer trouwen, en zoo ja, met wie? Welke soort van vrouw zou het wel zijn!

Een gloed overspreidde haar gelaat—het was warm weder—toen zij onder deze bespiegelingen haar hoofd omkeerde en door de weerkaatsing van haar peinzend beeld in den spiegel werd verrast. Een tweede gloed volgde daarop toen zij een rijtuigje zag aankomen en vlak voor hare deur stilhouden. Zij stond op, nam haastig hare schaar, en zoo eindelijk tot hare bloemen komende, was zij druk daarmede bezig, toen mevrouw Chick de kamer binnentrad.

“Hoe vaart mijne liefste vriendin?” riep jufvrouw Tox, met open armen, uit.

Deze liefste vriendin van jufvrouw Tox had thans zekere statigheid in hare houding, maar zij gaf haar toch een kus en zeide: “Wel bedankt, Lucretia. Ik ben tamelijk wel. Gij ook, hoop ik. Hm!”

Mevrouw Chick had een eigenaardig kort kuchje, als het ware een begin om de kunst van hoesten te leeren.

“Gij komt al heel vroeg; dat is vriendelijk van u, lieve,” hervatte jufvrouw Tox. “Hebt gij al ontbeten?”—“Bedankt Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick. “Ik heb vroeg ontbeten,”—mevrouw Chick scheen zeer nieuwsgierig naar Princess’s Place te zijn en keek onder het spreken gedurig naar buiten, “bij mijn broeder, die thuis gekomen is.”—“Hij is beter, durf ik hopen,” stamelde jufvrouw Tox.—“Veel beter, wel bedankt. Hm!”—“Mijne lieve Louise moet op die kuch passen,” merkte jufvrouw Tox aan.—“Het is niets,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is maar de verandering van het weer. Men moet zich aan veranderingen gewennen.”—“Van weer?” vroeg jufvrouw Tox in hare eenvoudigheid.—“Van alles,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is eene wereld vol verandering. De menschen die mij iets wilden tegenspreken dat zoo duidelijk is, Lucretia, zouden mij zeer verwonderen en mij veel geringer gedachten van hun verstand doen opvatten. Verandering!” riep mevrouw Chick met strenge wijsheid uit. “Wel mijn tijd, wat is er dat niet verandert? Zelfs de zijworm, die men zeker niet denken zou dat zich met zoo iets bemoeide, verandert gedurig in allerlei onverwachte dingen.”—“Mijne Louise,” zeide de zachtzinnige jufvrouw Tox, “is altijd gelukkig in hare voorbeelden.”—“Ge zijt wel vriendelijk, Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, eenigszins verzacht, “dat ge zoo zegt, en ook zoo denkt, geloof ik. Ik hoop dat wij geen van beiden ooit reden zullen hebben om geringer gedachten van de andere te krijgen. Lucretia.”—“O, daar ben ik wel zeker van,” antwoordde jufvrouw Tox.

Mevrouw Chick kuchte weder, en trok strepen op het tapijt met het ivoren puntje van hare parasol. Jufvrouw Tox, die ondervinding van hare vriendin had, en wist dat zij, als zij eenigszins vermoeid was of haar iets had gehinderd, wel wat wrevelig en lichtgeraakt kon zijn, nam de stilte waar om van onderwerp te veranderen.

“Neem mij niet kwalijk, Louise,” zeide zij, “maar heb ik niet de manhaftige gedaante van mijnheer Chick in de koets zien zitten?”—“Hij is daar,” antwoordde mevrouw Chick, “maar ik verzoek u, laat hem daar maar. Hij heeft zijne courant en zou zich daarmee in geen twee uren vervelen. Ga voort met uwe bloemen, Lucretia, en laat mij hier maar wat zitten rusten.”—“Mijne Louise weet wel,” merkte jufvrouw Tox aan, “dat tusschen vriendinnen gelijk wij geene complimenten te pas komen. Daarom—” Daarom eindigde jufvrouw Tox den volzin niet met woorden maar met daden, en de handschoenen, die zij uitgedaan had, weder aantrekkende, wapende zij zich nogmaals met hare schaar, en begon zij met microscopische vlijt tusschen de bladeren te knippen.—“Florence is ook thuis gekomen,” zeide mevrouw Chick nadat zij eene poos met haar hoofd op zijde had gezeten, en met hare parasol teekeningen op den grond getrokken; “en waarlijk, Florence is nu veel te oud geworden, om dat eenzame leven te blijven leiden, waaraan zij gewend is. Dat spreekt van zelf. Daar kan geen twijfel aan zijn. Ik zou heel weinig achting voor iemand hebben, die daarover anders kon denken. Al mocht ik ook anders wenschen, ik zou zoo iemand niet kunnen achten. Zoover kan men zijn gevoel niet beheerschen.”

Jufvrouw Tox stemde dit toe, zonder juist te zeggen of zij de stelling begrijpelijk vond.

“Als zij een vreemd meisje is,” zeide mevrouw Chick, “en mijn broeder Paul zich in haar gezelschap niet op zijn gemak gevoelt, na al de droevige omstandigheden, die er hebben plaats gehad, en al de schrikkelijke teleurstellingen die hij ondergaan heeft, wat is dan het antwoord? Dat hij zich eene inspanning moet vergen. Dat hij verplicht is zich eene inspanning te vergen. Wij zijn eene familie die altijd door inspanningen heeft uitgemunt. Paul staat aan het hoofd van de familie—hij is bijna de eenig overgeblevene vertegenwoordiger daarvan. Want wat ben ik? Ik ben van geen beduiden.”—“Maar liefste vriendin!” bracht jufvrouw Tox er tegen in.

Mevrouw Chick droogde hare oogen af, die juist overliepen, en vervolgde:

“En bijgevolg is hij meer dan ooit verplicht om zich eene inspanning te vergen. En hoewel het mij eenigszins een schok geeft, dat hij dat werkelijk heeft gedaan—want ik heb een heel zwak en aandoenlijk gestel, dat waarlijk alles behalve een geluk is; ik wenschte dikwijls dat ik maar eene marmeren zerk of een keisteen was...”—“Maar lieve Louise!” riep jufvrouw Tox uit.—“Evenwel is het een triomf voor mij, te weten dat hij zich zelven en zijn naam van Dombey zoo getrouw blijft, schoon ik natuurlijk altijd wel wist dat hij dat doen zou. Ik hoop maar,” zeide mevrouw Chick, na eene korte poos van stilte, “dat zij ook dien naam waardig zal wezen.”

Jufvrouw Tox was juist bezig met haar groen gietertje uit eene kan te vullen, maar, toen zij dit gedaan had, toevallig opkijkende, was zij zoo verwonderd over de uitdrukking waarmede mevrouw Chick haar aanzag, dat zij het gietertje vooreerst maar op de tafel zette en er zelve bij ging zitten.

“Mijne lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox, “zal het u misschien genoegen doen, als ik, wat dat gezegde van u betreft, de aanmerking waag, dat ik, als een nederig onbeduidend persoon, denk dat uw nichtje in alle opzichten veel belooft?”—“Wat meent gij toch, Lucretia?” hervatte mevrouw Chick met toenemende deftigheid. “Op welk gezegde van mij doelt gij toch, lieve?”—“Dat zij haar naam waardig zal zijn, lieve vriendin,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Als ik mij misschien niet duidelijk genoeg heb uitgedrukt, Lucretia,” zeide mevrouw Chick met zeker plechtig geduld, “ligt de schuld natuurlijk aan mij. Er is misschien geene reden waarom ik er van zou spreken, behalve de vertrouwelijkheid die zoolang tusschen ons bestaan heeft, en die ik hoop, Lucretia, hartelijk hoop, dat door niets gestoord zal worden. Want waarom zou ik dat niet hopen? Er is volstrekt geene reden van neen—het zou ongerijmd wezen. Maar ik wensch toch duidelijk te zijn, Lucretia; en daarom neem ik dat gezegde nog eens op en verzoek u te mogen onder het oog brengen, dat het volstrekt niet op Florence doelde.”—“Niet?” zeide jufvrouw Tox.—“Neen,” antwoordde mevrouw Chick, kort en beslissend.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” zeide hare zachtmoedige vriendin; “maar dan zal ik het niet recht verstaan hebben. Ik vrees dat ik wat onbegrijpelijk ben.”

Mevrouw Chick keek in de kamer rond en naar den overkant, en naar de bloemen, het vogeltje en het gietertje, naar bijna alles in haar gezichtskring, behalve naar jufvrouw Tox; eindelijk liet zij haar blik, terwijl hij den grond zocht, even over jufvrouw Tox heenglijden, en zeide, ondertusschen met opgetrokken wenkbrauwen naar het karpet kijkende:

“Als ik hoop, Lucretia, dat zij den naam waardig zal zijn, dan bedoel ik de tweede vrouw van mijn broeder Paul. Ik meen reeds duidelijk genoeg gezegd te hebben, al is het niet met de woorden die ik nu gebruik, dat hij voornemens is eene tweede vrouw te nemen.”

Jufvrouw Tox stond haastig op, ging weder naar hare bloemen, en knipte tusschen de takjes en bladeren met zoo weinig omzichtigheid als een kapper, die eenige armjongens het haar snijdt.

“Of zij ten volle bewust zal zijn van de onderscheiding, die haar bewezen wordt,” hervatte mevrouw Chick op een hoogdravenden toon, “is eene geheel andere vraag. Ik hoop van ja. Men is in deze wereld verplicht het beste van elkander te denken, en ik hoop dus van ja. Met mij is geen raad genomen. En als er met mij raad genomen was, twijfel ik niet of mijn raad zou weinig geteld zijn, en dus is het oneindig beter zóó. Ik heb het veel liever zóó.”

Jufvrouw Tox knipte nog met gebogen hoofd tusschen hare bloemen. Mevrouw Chick, die haar hoofd nu en dan krachtig schudde, vervolgde op een toon alsof zij iemand uitdaagde:

“Als mijn broeder Paul mij geraadpleegd had, gelijk hij somtijds doet—of liever, somtijds placht te doen; want natuurlijk zal hij dat nu niet meer doen, en dit is eene omstandigheid die ik als eene ontheffing van eene verantwoordelijkheid aanmerk,” zeide mevrouw Chick, op eene manier alsof zij zenuwachtig werd, “want ik ben Goddank niet jaloersch,” hier liet zij wederom tranen vallen, “als mijn broeder Paul bij mij gekomen was en gezegd had: “Louise, naar welke soort van eigenschappen zoudt ge mij raden bij eene vrouw te zien?” zou ik zeker geantwoord hebben: “Paul, gij moet afkomst hebben, gij moet schoonheid hebben, gij moet deftigheid hebben, gij moet connectiën hebben.” Dat zijn de woorden die ik zou gebruikt hebben. Gij hadt mij terstond daarop naar het blok mogen brengen,” zeide mevrouw Chick, alsof dat gevolg hoogst waarschijnlijk was, “maar ik zou ze gebruikt hebben. Ik zou gezegd hebben: “Paul, gij voor de tweede maal zonder afkomst te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder schoonheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder deftigheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder connectiën te trouwen! Er is niemand in de wereld, of hij moest gek wezen, die er van zou kunnen droomen om zulke ongerijmde denkbeelden te durven koesteren.””

Jufvrouw Tox hield op met knippen en bleef, met haar hoofd tusschen de bloemen, aandachtig luisteren. Misschien dacht zij dat deze inleiding en de warmte van mevrouw Chick haar eenige hoop gaven.

“Zoo zou ik geredeneerd hebben,” vervolgde die schrandere dame, “omdat ik vertrouw dat ik geene zottin ben. Ik wil niet voor iemand van buitengewoon verstand te boek staan—schoon ik geloof dat sommige menschen zonderling genoeg zijn geweest om mij daarvoor te houden; iemand die zoo weinig ontzien wordt als ik, zou zeer spoedig uit zulk een droom worden geholpen; maar ik vertrouw toch dat ik niet geheel en al eene zottin ben. En mij dan te zeggen,” zeide mevrouw Chick met onbeschrijfelijke minachting, “dat mijn broeder Paul Dombey ooit aan de mogelijkheid kon denken om zich met iemand te vereenigen—ik vraag met wie—” dit korte gezegde sprak zij met meer scherpheid uit dan eenig ander gedeelte van hare rede—“die deze vereischten niet bezat, zou eene beleediging zijn voor zooveel verstand als ik dan heb, evengoed alsof men mij zeide dat ik een olifant geboren was, dat mij dan ook nog wel kan gezegd worden,” zeide mevrouw Chick met berusting. “Het zou mij geheel niet verwonderen. Ik verwacht het zelfs wel.”

In het oogenblik van stilte, dat hierop volgde, gaf de schaar van jufvrouw Tox een paar flauwe knipjes; maar haar gezicht bleef nog onzichtbaar en hare ochtendjapon was ontroerd. Mevrouw Chick keek eens naar haar, door het groen heen, en vervolgde toen, op een toon van kalme overtuiging, en alsof zij uitweidde over iets dat bijna niet gezegd behoefde te worden:

“Dus heeft ook, gelijk van zelf spreekt, mijn broeder Paul gedaan wat van hem te wachten was; en wat iedereen kon voorzien dat hij doen zou, als hij weder in het huwelijk trad. Ik moet bekennen dat het mij eenigszins verrast, hoewel het mij streelt; omdat ik, toen Paul uit de stad ging, geheel geen denkbeeld had dat hij buiten de stad een attachement zou vormen, en zekerlijk had hij bij zijn vertrek nog geen attachement. Evenwel, het schijnt in alle opzichten zeer wenschelijk te zijn. Ik twijfel niet of de moeder is eene zeer fatsoenlijke en elegante dame, en ik heb volstrekt geen recht om te betwijfelen, of het raadzaam is dat zij bij hem komt inwonen; dat is iets dat Paul aangaat, mij niet—; en wat Paul’s keus zelve betreft, ik heb nog maar haar portret gezien, maar dat is waarlijk schoon. Haar naam klinkt ook mooi,” zeide mevrouw Chick, met kracht haar hoofd schuddende en zich op haar stoel te recht zettende; “Edith komt mij voor, is te gelijk ongemeen en gedistingueerd. Bij gevolg, Lucretia, twijfel ik er niet aan of het zal u genoegen doen te hooren dat het huwelijk binnen heel kort zal plaats hebben—natuurlijk moet u dat genoegen doen,” wederom grooten nadruk, “en verheugt gij u over deze verandering in den staat van mijn broeder, die u bij verschillende gelegenheden zooveel oplettendheid heeft bewezen.”

Jufvrouw Tox gaf geen antwoord met woorden, maar nam met eene bevende hand het gietertje op en keek wezenloos rond, alsof zij zich bedacht voor welk meubelstuk het goed zou zijn als het met den inhoud werd begoten. Daar bij deze crisis harer aandoening juist de kamerdeur openging, lachte zij schaterend en viel daarop den binnentredende in de armen, gelukkig onbewust van mevrouw Chick’s verontwaardigde blikken en van den majoor aan den overkant, die door zijn dubbelen tooneelkijker stond te turen, en wiens geheele gestalte opzwol van Mephistopheliaansche blijdschap.

Niet zoo verheugd was de inboorling, de verbaasde opvanger der bezwijmde jufvrouw Tox, die juist naar boven kwam om, volgens den boosaardigen last des majoors, uit beleefdheid naar de gezondheid van jufvrouw Tox te vernemen, en toevallig het rechte tijdstip trof om de teedere vracht in zijne armen te pakken en den inhoud van het gietertje in zijn eenen schoen te krijgen; welke beide omstandigheden, vereenigd met de bewustheid dat hij onder de oogen van zijn oploopenden meester was, die hem volgens gewoonte met de vernieling van al zijn gebeente had gedreigd als zijne boodschap niet goed afliep, hem tot een aandoenlijk toonbeeld van schrik en angst maakten.

Eenige oogenblikken bleef de benauwde vreemdeling jufvrouw Tox aan zijne borst drukken, met een vuur dat in zonderling contrast met zijn onthutst gezicht stond, terwijl die arme jufvrouw de laatste droppels van haar gieter in zijn schoen goot. Eindelijk herkreeg mevrouw Chick tegenwoordigheid van geest genoeg om tusschen beiden te komen, en beval hem om jufvrouw Tox op de sofa te laten zakken en heen te gaan. Hij gehoorzaamde terstond, en daarop begon zij jufvrouw Tox weder bij te helpen.

Maar niets van die teedere meewarigheid welke de dochters van Eva kenmerkt als zij elkander in zulke omstandigheden bijstaan, niets van die flauwten-vrijmetselarij waardoor zij gewoonlijk in een geheimzinnig verbond van zusterschap zijn vereenigd, was in de handelwijs van mevrouw Chick zichtbaar. Veeleer gelijk de scherprechter, die zijn slachtoffer weder tot bewustheid brengt eer hij de pijniging voortzet (of dat placht te doen in den goeden ouden tijd, waarover alle brave lieden bestendig in den rouw zijn), wendde mevrouw Chick het reukfleschje, het handenkloppen, het koud water spatten en andere beproefde middelen aan. En toen jufvrouw Tox eindelijk hare oogen opende en langzamerhand hare bewustheid herkreeg, deinsde mevrouw Chick terug als voor eene misdadige, en het voorbeeld van den vermoorden koning van Denemarken omkeerende, zag zij haar meer gramstorig dan droevig aan.

“Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “ik wil niet pogen te ontveinzen wat ik gevoel. Mijne oogen gaan eensklaps open. Ik zou het niet geloofd hebben, al had een Heilige het mij gezegd.”—“Het is dwaas van mij dat ik zoo flauw val,” stamelde jufvrouw Tox. “Maar ik zal zoo meteen wel beter zijn.”—“Zoo meteen wel beter zijn, Lucretia!” herhaalde mevrouw Chick met diepe verachting. “Denkt gij dat ik blind ben? Verbeeldt gij u dat ik in mijne tweede kindsheid ben gekomen? Neen, Lucretia. Ik ben u wel zeer verplicht.”

Jufvrouw Tox wierp hare vriendin een jammerlijk smeekenden blik toe, en hield haar zakdoek voor haar gezicht.

“Als iemand mij dit gisteren gezegd had,” zeide mevrouw Chick met majesteit, “of zelfs maar een half uur geleden, zou ik in verzoeking zijn gekomen, geloof ik haast, om hem ter aarde te vellen. Lucretia Tox, mijne oogen zijn op eens voor u opengegaan. De blindheid van mijn vertrouwen is voorbij, Lucretia. Dat vertrouwen is misbruikt, er is mede gespeeld en er baten geene uitvluchten meer, dat kan ik u verzekeren.”—“Waarop doelt gij toch met die wreede woorden, lieve vriendin?” vroeg jufvrouw Tox door hare tranen.—“Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, “vraag dat uw eigen hart. Ik moet u verzoeken om mij niet meer met zulk eene gemeenzame uitdrukking aan te spreken, als gij daar gebruikt hebt, als het u belieft. Ik heb nog eenig gevoel van eigenwaarde, al moogt gij anders denken.”—“O, Louise!” riep jufvrouw Tox uit. “Hoe kunt ge zoo tegen mij spreken?”—“Hoe ik zóó tegen u spreken kan?” liet mevrouw Chick hierop volgen, die, bij gebrek aan goede redenen om te doen gelden, zich vooral op zulke herhalingen verliet om eenen verpletterenden indruk te maken. “Zóó. Gij moogt waarlijk wel zóó zeggen.”

Jufvrouw Tox snikte jammerlijk.

“De gedachte,” zeide mevrouw Chick, “dat gij u aan mijns broeders haard hebt gekoesterd, en u door mij bijna in zijn vertrouwen hebt gewrongen, Lucretia, om in het geheim zekere plannen op hem te smeden, en dat gij aan de mogelijkheid hebt durven denken dat hij zich ooit met u zou vereenigen! Wel, het is eene gedachte,” zeide mevrouw Chick met sarcastische deftigheid, “waarvan de ongerijmdheid bijna het verraderlijke wegneemt.”—“Och, Louise,” smeekte jufvrouw Tox. “Zeg toch zulke ijselijke dingen niet.”—“IJselijke dingen!” herhaalde mevrouw Chick. “IJselijke dingen! Is het dan de waarheid niet, Lucretia, dat gij daar zoo even niet in staat zijt geweest om uwe aandoeningen te beheerschen zelfs voor mij, wier oogen gij zoo geheel hadt verblind?”—“Ik heb niet geklaagd,” snikte jufvrouw Tox. “Ik heb niets gezegd. Als uwe tijding mij eenigszins overweldigde, Louise, en ik ooit eenigszins dacht dat mijnheer Dombey wel genegen was om een oog op mij te laten vallen, zult gij mij zeker niet veroordeelen.”—“Zij zal zeggen,” zeide mevrouw Chick, zich met een blik vol berusting op al de meubelen beroepende. “Zij zal nog zeggen—dat weet ik—dat ik haar heb aangemoedigd.”—“Ik wil geene verwijten uitwisselen, lieve Louise,” snikte jufvrouw Tox. “En ik wil ook niet klagen. Maar tot mijne eigene verdediging...”—“Ja, zij zal het zeggen,” zeide mevrouw Chick, met een profetischen blik in de kamer rondziende. “Ik wist het wel. Zeg het mij dan maar liever. Zeg het openlijk. Wees rondborstig, Lucretia Tox, wat gij ook wezen moogt.”—“Tot mijne eigene verdediging, lieve Louise,” stamelde jufvrouw Tox, “en alleen tot mijne eigene verdediging tegen uwe harde woorden, wilde ik u alleen vragen of gij niet dikwijls zulk eene inbeelding hebt begunstigd, en zelfs gezegd dat het wel gebeuren kon, zooveel iemand kon zeggen?”—“Er is een punt,” zeide mevrouw Chick, opstaande, niet alsof zij op den vloer zou blijven staan, maar alsof zij zoo dadelijk zou omhoogrijzen en de lucht inzweven, “waarboven de verdraagzaamheid belachelijk, zoo niet berispelijk wordt. Ik kan veel verdragen, maar niet al te veel. Wat mij scheelde toen ik vandaag hier in huis kwam, of het tooverij was, weet ik niet; maar ik had een voorgevoel—een donker voorgevoel,” zeide mevrouw Chick huiverend, “dat er iets zou gebeuren. Wel mag ik dat voorgevoel gehad hebben, Lucretia, nu mijn vertrouwen van vele jaren in een oogenblik verwoest wordt, nu mijne oogen op eens opengaan, en ik u in uwe ware kleuren voor mij zie. Lucretia, ik heb mij in u bedrogen. Het is beter voor ons beiden dat de zaak hierbij blijft. Ik wensch u het beste, en zal u altijd het beste wenschen. Maar als iemand die zich zelve in hare eigene positie getrouw wil zijn, wat die positie ook mag wezen of niet mag wezen—en als de zuster van mijn broeder—als de schoonzuster van mijn broeders vrouw—en als in aangehuwde connectie met de moeder van mijn broeders vrouw—en misschien mag ik er bijvoegen als eene Dombey—kan ik niets anders doen dan u goedenmorgen wenschen.”

Deze woorden, met bijtende zachtheid uitgesproken en door een verheven gevoel van zedelijke eigenwaarde ingegeven, brachten de spreekster tot aan de deur. Daar boog zij op eene spookachtige, standbeeldachtige manier haar hoofd, en toen begaf zij zich naar haar rijtuig, om in de armen van Chick, haar heer, heul en troost te zoeken.

Dat is te zeggen, figuurlijk gesproken, want Chick had zijne armen al vol met zijne courant. Ook richtte hij zijne oogen niet naar zijne vrouw dan alleen tersluiks; en hij bood haar ook hoegenaamd geen troost aan. Kortom hij bleef zitten lezen en brokken van wijsjes neuriën, en somtijds zijdelings naar haar kijken, zonder een enkel woord te spreken, goed, kwaad of onverschillig.

Intusschen zat mevrouw Chick haar hoofd te draaien en in den nek te zetten en zich op te blazen, alsof zij nog dat plechtig afscheidsformulier aan Lucretia Tox herhaalde. Eindelijk zeide zij overluid: “O, hoe zijn mij vandaag de oogen opengegaan!”

“Waarvoor zijn u de oogen opengegaan, vrouwlief?” zeide Chick.—“Och, spreek maar niet tegen mij,” antwoordde zijne echtgenoote. “Als ge mij zóó kunt zien, zonder eens te vragen wat mij scheelt, moest ge liever maar geheel zwijgen.”—“Wat scheelt er dan aan, lieve?” vroeg Chick.—“Te denken,” zeide mevrouw Chick, bij wijze van alleenspraak, “dat zij ooit het lage denkbeeld zou hebben opgevat om zich met onze familie te verbinden door een huwelijk met Paul! Te denken dat toen zij paardje speelde met het lieve kind dat nu in zijn graf ligt—het beviel mij toen ook al nooit—er zulke slinksche oogmerken achter scholen! Het verbaast mij dat zij nooit bang werd dat haar iets overkomen zou. Zij is wel gelukkig als dat niet gebeurt.”—“Ik dacht waarlijk, lieve,” zeide Chick, nadat hij een poosje zijn neus met zijne courant had gewreven, “dat gij aldoor hetzelfde op het oog hadt, tot van morgen toe; en het wel aardig zoudt gevonden hebben, als het er toe had kunnen komen.”

Mevrouw Chick barstte dadelijk in tranen uit, en zeide haar echtgenoot, dat hij, als hij met zijne laarzen op haar wilde trappen, het liever maar doen moest.

“Maar met Lucretia heb ik afgedaan,” zeide mevrouw Chick, nadat zij zich, tot groote ontsteltenis van mijnheer Chick, eenige minuten lang aan hare aandoeningen had overgegeven. “Ik kan het wel dragen dat ik Paul’s vertrouwen moet afstaan ter gunste van iemand, van wie ik hoop en vertrouw dat zij het verdienen zal, en die hij alle recht heeft om voor de arme Fanny in de plaats te stellen; ik kan het verdragen dat Paul mij op zijne koele manier van zulk eene verandering in zijne plannen onderricht, en dat ik niet geraadpleegd word eer alles besloten en bepaald is; maar bedrog kan ik niet verdragen, en met Lucretia Tox heb ik afgedaan. Het is beter zoo,” zeide zij, met eene vrome berusting, “veel beter. Het zou lang geduurd hebben eer ik na dit alles weder op mijn gemak met haar was geweest, en ik weet waarlijk niet, daar Paul als een groot heer zal gaan leven en zij van afkomst zijn, of zij eigenlijk wel presentabel zou zijn en ik mij zelve niet zou gecompromitteerd hebben. Er is eene voorzienigheid in alle dingen; ik ben vandaag zwaar beproefd, maar over het geheel spijt het mij niet.”

In dezen Christelijken geest droogde mevrouw Chick hare oogen af, streek hare japon glad en bleef zitten kijken gelijk iemand past die onder eene zware verongelijking kalm blijft. Haar echtgenoot, zonder twijfel zijne onwaardigheid gevoelende, nam spoedig eene gelegenheid waar om zich aan den hoek eener straat te laten afzetten, en kuierde fluitend heen, met hoog opgetrokken schouders en de handen in de zakken.

De arme veroordeelde jufvrouw Tox, die, als zij eene pluimstrijkster en fleemster was, dit ten minste met alle oprechtheid was, die hare aanklaagster altijd eene hartelijke vriendschap had toegedragen, en de grootheid van Dombey met diep gevoelden eerbied had gehuldigd—de arme veroordeelde en verworpene jufvrouw Tox begoot ondertusschen hare bloemen met hare tranen en gevoelde dat het in Princess’s Place winter was geworden.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXX. DE BRUIDSDAGEN

Hoewel het betooverde huis niet meer bestond, de werkende wereld daar was ingebroken en den geheelen dag hamerde en bonsde en trappen op en neer liep, waardoor Diogenes van den ochtend tot den avond woedend aan het blaffen werd gehouden—hij was blijkbaar overtuigd dat zijn oude vijand hem eindelijk te knap was geweest en het huis had overrompeld—had er in het eerst geene groote verandering in de levenswijs van Florence plaats. Des avonds, als de werklieden heengingen, werd het huis weder akelig en eenzaam; en wanneer Florence bij dat heengaan hunne stemmen in het voorhuis en op de trap hoorde klinken, verbeeldde zij zich de vroolijke huishoudens waarheen zij terugkeerden, en de kinderen die naar hen wachtten, en streelde zij zich met de gedachte dat zij blijde waren dat het tijd was om te gaan.

Zij begroette de stilte van den avond als eene oude vriendin; maar deze kwam nu met een veranderd gelaat en zag haar vriendelijker aan. Zij bracht nieuwe hoop mede. De schoone dame, die haar getroost en geliefkoosd had, in dezelfde kamer waar haar hart eens zoo diep was gewond, was een engel van belofte voor haar. Vriendelijker voorboden van een schooner leven, wanneer zij langzamerhand haar vaders liefde zou winnen, en geheel of grootendeels terugkrijgen wat zij verloren had op dien donkeren dag, toen de liefde eener moeder met den laatsten adem eener moeder op hare wang was uitgezucht, zweefden in de schemering om haar heen en waren een opbeurend gezelschap. Naar de blozende kinderen aan den overkant uitkijkende, was het een nieuw en streelend gevoel voor haar, te denken dat zij elkander misschien spoedig zouden spreken en kennen, dat zij niet meer bang zou zijn, gelijk vanouds, om zich aan hen te vertoonen, opdat het hun niet zou bedroeven als zij haar daar in hare zwarte kleeding alleen zagen zitten.

Met die gedachten aan hare nieuwe moeder, en met de liefde en het vertrouwen die in haar rein gemoed voor deze opwelden, kreeg Florence hare doode moeder hoe langer hoe meer lief. Zij was niet bang om haar eene mededingster in haar hart te geven. De nieuwe bloem sproot uit den diep geplanten en lang gekoesterden wortel, dien zij wel kende. Ieder vriendelijk woord, dat de lippen der schoone dame was ontvloten, klonk Florence als een nagalm der stem die zoolang had gezwegen. Hoe kon de teederheid eener levende haar de nagedachtenis van alle ouderlijke teederheid die zij ooit gekend had minder doen liefhebben!

Florence zat eens op hare kamer te lezen en dacht aan de dame en haar binnen kort beloofd bezoek—want de inhoud van haar boek was geschikt om haar daaraan te herinneren—toen zij hare oogen opsloeg en haar in de deur zag staan.

“Mama!” riep Florence, verheugd opstaande. “Nu teruggekomen!”—“Nog geen mama,” antwoordde de dame met een ernstigen glimlach, en sloeg haar arm om Florence’s hals.—“Maar toch heel gauw!” riep Florence uit.—“Nu heel gauw, Florence, heel gauw.”

Edith boog haar hoofd, zoodat zij Florence’s blozende wang tegen de hare drukte, en zweeg zoo een poosje. Hare manier van doen had iets zoo teeders, dat Florence dit nog dieper gevoelde dan bij hare eerste ontmoeting.

Zij bracht Florence naar een stoel en zette zich naast haar. Florence zag haar aan, waarlijk verwonderd over hare schoonheid, en liet gewillig hare hand vasthouden.

“Zijt ge veel alleen geweest, Florence, sedert ik laatst hier was?”—“O ja,” antwoordde Florence haastig en met een glimlach.

Zij sloeg hare oogen neer, want hare nieuwe mama zag zeer ernstig en hield haar blik strak en nadenkend op haar gelaat gevestigd.

“Ik—ik ben gewoon om alleen te zijn,” zeide Florence eenigszins haperend. “Ik geef er geheel niet om. Di en ik slijten somtijds geheele dagen met elkander.” Zij had wel mogen zeggen geheele weken en maanden.—“Is Di uwe kamenier, liefje?”—“Mijn hond, mama,” antwoordde Florence lachende. “Suze is mijne kamenier.”—“En dit zijn uwe kamers,” zeide Edith, rondziende. “Men heeft mij laatst deze kamers niet laten zien. Wij moeten ze laten verbeteren, Florence. Zij zullen tot de mooiste in het huis gemaakt worden.”—“Als ik ze mocht ruilen, mama,” antwoordde Florence, “is er eene, boven in huis, die ik veel liever zou hebben.”—“Is deze niet hoog genoeg, meisje lief?” vroeg Edith met een glimlach.—“Die andere was mijn broertjes kamer,” zeide Florence, “en daar ben ik zoo gaarne. Ik had er papa van willen spreken toen ik thuis kwam, en de werklieden hier vond, en zag dat alles veranderd werd; maar—” Florence sloeg hare oogen neer, uit vrees dat dezelfde blik haar weder zou doen haperen—“maar ik was bang dat het hem zou bedroeven; en daar ik hoorde zeggen dat ge binnen kort weder hier zoudt komen, mama, en meesteres van alles zijn, dacht ik liever maar moed te vatten om het u te vragen.”

Edith zat haar met hare schitterende oogen strak aan te staren, tot Florence de hare opsloeg; toen wendde Edith op hare beurt haar blik af en vestigde dien op den grond. Het was toen dat Florence dacht van welk een geheel anderen aard de schoonheid dier dame was dan zij het in het eerst gedacht had. Zij had die voor statig en trotsch gehouden; maar hare manieren waren zoo zacht en vriendelijk dat zij, al was zij van Florence’s eigene jaren en karakter geweest, bezwaarlijk meer vertrouwen had kunnen uitlokken.

Uitgezonderd wanneer zekere zonderlinge, gedwongene terughouding haar bekroop; en dan scheen het (maar Florence begreep dit toen nog niet, schoon zij niet kon nalaten het op te merken en er over te denken) alsof zij zich voor Florence vernederd gevoelde en slecht op haar gemak was. Toen zij zeide dat zij hare mama nog niet was, en toen Florence haar meesteres van alles noemde, was deze verandering in haar uitzicht even snel als bevreemdend; en thans, nu Florence’s oogen op haar gelaat gevestigd waren, zat zij daar alsof zij wel voor haar had willen wegkruipen en zich verschuilen, in plaats van haar te liefkoozen gelijk zulk eene nauwe betrekking haar recht gaf.

Zij beloofde Florence bereidwillig hare nieuwe kamer, en zeide dat zij zelve last daartoe zou geven. Daarop deed zij eenige vragen naar den armen Paul; en toen zij nog eene poos met elkander hadden gesproken, zeide zij Florence dat zij gekomen was om haar naar hare eigene woning mede te nemen.

“Wij zijn nu naar Londen gekomen, mijne moeder en ik,” zeide Edith, “en gij zult bij ons logeeren tot ik getrouwd ben. Ik wensch dat wij elkander leeren kennen en vertrouwen, Florence.”—“Ge zijt wel goed voor mij, lieve mama,” zeide Florence. “Hoe dank ik u!”—“Laat ik nu zeggen, want het zal misschien de beste gelegenheid wezen,” vervolgde Edith, rondziende of zij geheel alleen waren en zachter sprekende, “dat ik, als ik getrouwd ben en voor eenige weken op reis ga, veel geruster zal zijn als gij hier weder thuis komt. Onverschillig wie u ergens anders te logeeren vraagt, kom hier thuis. Het is beter hier alleen te zijn dan—wat ik zeggen wilde is,” vervolgde zij, zich bedenkende, “dat ik wel weet dat gij best thuis zijt, lieve Florence.”—“Ik zal nog denzelfden dag weder naar huis gaan, mama.”—“Doe dat. Ik vertrouw op die belofte. Maak u nu gereed om met mij mee te gaan, meisje lief. Als ge klaar zijt, zult ge mij beneden vinden.”

Langzaam en peinzend zwierf Edith alleen door het huis, waarvan zij zoo spoedig meesteres zou zijn, en weinig lette zij op de pracht, die het begon ten toon te spreiden. Dezelfde stugge trotschheid, dezelfde hoonende minachting in oog en lip, dezelfde fiere schoonheid, alleen beneveld door het gevoel van hare eigene geringe waardij, dwaalde nu door de kostbare kamers en zalen, die onder het dichte geboomte met woeste hartstochtelijkheid waren uitgebarsten. De nagebootste rozen op de wanden waren met scherpe dorens bezet, die haar de borst opreten; in elk stipje goud, dat haar in de oogen schitterde, zag zij een hatelijk gedeelte van haar koopprijs; de hooge en breede spiegels vertoonden haar ten voeten uit eene vrouw in welke nog iets edels woonde, maar die ontrouw was aan het betere in haar gemoed, en te zeer verlaagd en verloren om zich zelve te redden. Zij geloofde dat dit alles meer of minder zoo duidelijk voor ieders oogen was, dat haar geene toevlucht, geen middel om zich eenigszins te doen gelden overschoot, dan trots; en met dien trots, die haar eigen hart nacht en dag martelde, tartte en bekampte zij haar lot.

Was dit de vrouw, welke Florence—een onnoozel meisje, krachtig alleen door haar ernst en hare eenvoudige oprechtheid—zoodanig kon herscheppen, dat zij bij haar een geheel ander wezen was, hare hartstochtelijkheid gestild, zelfs hare trotschheid gedempt was? Was dit de vrouw, die nu naast haar in de koets zat, met hare armen door die van Florence gestrengeld, die haar bad en vleide om haar lief te hebben en te vertrouwen, die haar hoofdje aan hare borst te rust legde, en haar leven had willen opofferen om dat hoofdje voor gevaar of kwaad te bewaren?

O, Edith, gelukkig zou het waarlijk voor u zijn geweest op zulk een tijd te sterven! Veel beter en gelukkiger, misschien, zoo te sterven, Edith, dan voort te leven tot aan het einde.

Mevrouw Skewton, die liever aan alle andere dingen dan aan zulke bespiegelingen dacht—want gelijk vele fatsoenlijke lieden, wilde zij volstrekt niet van den dood weten, en nam zij het kwalijk als er van zoo iets gemeens werd melding gemaakt—had een huis in Brook-Street, bij Grosvenor-Square, geleend van een aanzienlijk bloedverwant (een lid van de familie Feenix) die uit de stad was, en geen bezwaar maakte om het haar voor den bruidstijd te leenen, daar deze leening dan inhield dat hij van alle verdere leeningen en gaven aan mevrouw Skewton en hare dochter vrij was. Daar het voor de eer der familie noodzakelijk was in zulk een tijd eenige vertooning te maken, zette mevrouw Skewton (met behulp van een gedienstig winkelier, die aan den adel en de fatsoenlijke wereld alle mogelijke dingen verhuurde, van een zilveren tafelservies tot aan een stoet lakeien) in dat huis een bottelier met zilvergrijs haar (die daarom hooger werd berekend, dewijl hij het voorkomen van een oud familiestuk had), twee zeer lange jongelieden in livrei, en een uitgezochten staf van keukenbedienden; zoodat er in het onderhuis een sprookje in omloop kwam, dat men Withers de page, op eens van zijne talrijke huiselijke werkzaamheden en van het duwen van den rolstoel (die in de hoofdstad niet meer gebruikt werd) ontslagen, verscheidene malen zijne oogen had zien uitwrijven en zich zelven in de armen en beenen knijpen, als vreesde hij dat hij bij den melkboer te Leamington was in slaap gevallen en nog in een hemelschen droom verkeerde. Alle benoodigdheden van zilver en porselein werden insgelijks door denzelfden gedienstigen winkelier geleverd, benevens eene verscheidenheid van voorwerpen, waaronder ook een net rijtuigje met een paar bruinen; en door deze hofhouding omringd, zette mevrouw Skewton zich in hare Cleopatrahouding op de fraaiste sofa, om in staatsie audiëntie te geven.

“En hoe maakt het mijne bekoorlijke Florence?” zeide mevrouw Skewton, toen het meisje met hare dochter binnentrad. “Kom mij toch een kusje geven, lieve Florence.”

Florence bukte schroomvallig om in het witte gedeelte van mevrouw Skewton’s gezicht een plekje te zoeken; toen deze dame haar een oor toehield en dus uit hare verlegenheid hielp.

“Edith, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “waarlijk, ik—ga eens een weinigje meer in het licht staan, lieve Florence, voor een oogenblikje.”

Florence gehoorzaamde blozend.

“Weet ge niet meer wat gij waart, lieve Edith,” zeide hare moeder, “toen gij omtrent even oud waart als onze kostbare Florence, of eenige jaren jonger?”—“Dat heb ik lang vergeten, moeder.”—“Want stellig, melieve,” zeide mevrouw Skewton, “mij dunkt ik zie eene bepaalde gelijkenis tusschen datgene wat gij toen waart en ons allerliefst vriendinnetje. En dat bewijst,” vervolgde mevrouw Skewton zachter, om aan te duiden dat zij Florence voor nog zeer ongepolijst hield, “wat polijsten doen kan.”—“Ja, dat doet het wel,” was het stroeve antwoord van Edith.

Hare moeder zag haar voor een oogenblik scherp aan, en gevoelende dat zij op onveiligen grond kwam, zeide zij om er weder van af te raken:

“Mijne bekoorlijke Florence, gij moet mij nog eens een kusje geven, als het u belieft, liefje.”

Florence gehoorzaamde natuurlijk en drukte nog eens hare lippen op mevrouw Skewton’s oor.

“En gij hebt zeker wel gehoord, lievelingetje,” zeide mevrouw Skewton, hare hand vasthoudende, “dat uw papa, wien wij allen op de handen dragen, vandaag over acht dagen met mijne lieve Edith zal trouwen.”—“Ik wist wel dat het heel gauw zou zijn,” antwoordde Florence, “maar niet recht wanneer.”—“Maar lieve Edith,” zeide de moeder vroolijk, “is het mogelijk dat ge dat Florence niet gezegd hebt?”—“Waarom zou ik dat Florence zeggen?” antwoordde Edith, zoo snel en scherp, dat Florence bijna niet gelooven kon dat het dezelfde stem was.

Mevrouw Skewton vertelde toen Florence, als eene andere veiliger afleiding, dat haar vader daar kwam dineeren en zonder twijfel zeer aangenaam verrast zou zijn als hij haar zag; daar hij den vorigen avond gezegd had, dat hij zich maar in de City zou kleeden, en niets van Edith’s voornemen had geweten, waarvan de uitvoering, naar mevrouw Skewton’s gedachten, hem zou doen verrukt staan. Florence werd onrustig toen zij dit hoorde; en toen het uur van het diner naderde werd haar angst zoo groot, dat zij, als zij maar geweten had hoe te vragen om maar weder naar huis te mogen gaan, zonder eene verklaring te geven waarin haar vader betrokken was, liever blootshoofds, te voet en alleen teruggekeerd zou zijn, dan zich aan het gevaar van zijn misnoegen bloot te stellen.

Toen de tijd naderde, kon zij nauwelijks ademhalen. Zij durfde niet bij het venster komen, uit vrees dat hij haar van de straat zou zien. Zij durfde niet naar boven gaan om hare aandoening te verbergen, uit vrees dat zij, de kamerdeur uitkomende, hem onverwacht zou ontmoeten; en bovendien was het haar alsof zij dan nooit weder zou durven terugkomen als zij voor hem werd opgeroepen. In deze benauwdheid zat zij bij Cleopatra’s sofa, en poogde het flauwe gesnap dier dame aan te hooren en te beantwoorden, toen zij zijn voetstap op de trap hoorde.

“Daar hoor ik hem!” riep Florence, opspringend, uit. “Hij komt!”

Cleopatra, wier jeugdigheid haar dartel maakte, en wier eigenliefde haar verhinderde om over den aard van Florence’s aandoening te denken, duwde haar achter de sofa en spreidde een shawl over haar heen, om Dombey eens aangenaam te verrassen. Dit gebeurde zoo haastig, dat Florence een oogenblik later zijn geduchten stap in de kamer hoorde.

Hij groette zijne aanstaande schoonmoeder en zijne aanstaande gade. De vreemde klank zijner stem deed zijne dochter trillen.

“Mijn lieve Dombey,” zeide Cleopatra, “kom eens hier en zeg mij hoe uwe aardige Florence vaart.”—“Florence is heel wel,” zeide Dombey, naar de sofa komende.—“En is zij thuis?”—“Ja, thuis,” antwoordde Dombey.—“Mijn beste Dombey,” hervatte Cleopatra met betooverende levendigheid. “Weet ge nu wel zeker dat ge mij niet bedriegt? Ik weet niet wat mijne lieve Edith zal zeggen als ik zoo spreek, maar ik vrees waarlijk dat gij ook al een valschaard zijt, mijn lieve Dombey.”

Al was hij dit geweest, en al was hij op het oogenblik op de grootste valschheid betrapt, die ooit gezegd of gedaan werd, had hij bezwaarlijk meer kunnen ontstellen dan hij deed toen mevrouw Skewton den shawl wegnam, en Florence, bleek en bevende, als een spook voor hem oprees. Hij had zijne tegenwoordigheid van geest nog niet herkregen, toen Florence naar hem toeliep, hare armen om zijn hals sloeg, hem een kus gaf en de kamer uitsnelde. Hij keek rond als wilde hij de zaak naar iemand anders verwijzen, maar Edith was Florence dadelijk gevolgd.

“Beken nu maar, mijn lieve Dombey,” zeide mevrouw Skewton, hem hare hand gevende, “dat ge nooit in uw leven meer verrast en in uw schik zijt geweest.”—“Ik ben zeker nooit meer verrast geweest,” zeide Dombey.—“En in uw schik, mijn lieve Dombey?” hervatte mevrouw Skewton, met haar waaier dreigende.—“Ik—ja, ik ben zeer blij dat ik Florence hier ontmoet,” zeide Dombey. Hij scheen er een oogenblik ernstig over te denken en zeide toen stelliger: “Ja, ik ben werkelijk zeer blij dat ik Florence hier ontmoet.”—“Gij verwondert u hoe zij hier komt, niet waar?” zeide mevrouw Skewton.—“Edith, misschien,” begon Dombey en bleef daarbij steken.—“O, gij ondeugd!” antwoordde Cleopatra, haar hoofd schuddende. “Gij kunt goed raden. O, gij slimme man! Iemand moest zulke dingen niet zeggen; want uwe sekse, mijn lieve Dombey, heeft zooveel inbeelding en maakt zoo licht misbruik van onze zwakheid; maar gij kent mijne openhartigheid—heel goed, dadelijk.”

Dit was tot een der lange knechts gericht, die kwam zeggen dat het diner gereed was.

“Maar Edith, mijn beste Dombey,” vervolgde zij fluisterend, “als zij u niet bij zich kan hebben—en, zooals ik haar zeg, dat kan zij niet altijd verlangen—wil ten minste iemand bij zich hebben die u toebehoort. Wel, dat is heel natuurlijk! En zoo kon niets haar vandaag beletten om uit te rijden en Florence te gaan halen. Dat is toch bekoorlijk!”

Daar zij naar een antwoord wachtte, antwoordde Dombey: “Buitengemeen.”—“Zegen u, mijn lieve Dombey, voor dat bewijs van hartelijkheid!” riep Cleopatra uit, en drukte hem de hand. “Maar ik word al te ernstig! Breng mij nu naar beneden, als een engel, en laten wij zien wat voor diner die lieden ons zullen geven. Zegen u, beste Dombey!”

Na deze laatste toespraak wipte Cleopatra tamelijk vlug van hare rustkoets, waarop Dombey haar arm in den zijnen nam en haar plechtstatig naar beneden leidde. Terwijl de twee lange knechts volgden, duwde de een, wiens orgaan van eerbied niet genoeg ontwikkeld was, zijne tong in zijne wang om den ander aan het lachen te maken.

Florence en Edith waren reeds in de eetzaal en zaten naast elkander. Florence wilde opstaan toen haar vader binnenkwam, om hem haar stoel over te laten; maar Edith legde openlijk hare hand op haar arm, en Dombey nam aan den overkant der ronde tafel plaats.

Het gesprek werd bijna uitsluitend door mevrouw Skewton aan den gang gehouden. Florence durfde bijna hare oogen niet opslaan, uit vrees dat zij de sporen van tranen zou laten zien; veel minder durfde zij spreken; en Edith liet geen woord hooren, of het moest tot antwoord op eene vraag zijn. Cleopatra gaf zich waarlijk veel moeite voor het etablissement dat zoo haast gepakt was; en het had waarlijk wel zeer kostbaar mogen zijn om haar te beloonen.

“En dus zijn uwe voorbereidselen eindelijk bijna gereed, mijn beste Dombey?” zeide Cleopatra, toen het dessert op de tafel stond en de bottelier met zilvergrijs haar zich verwijderd had. “Ook die van de rechtsgeleerden?”—“Ja, mevrouw,” antwoordde Dombey, “de akte van de huwelijksvoorwaarden, hebben de rechtsgeleerde heeren mij onderricht, is nu gereed, en gelijk ik u zeide, Edith heeft ons maar de gunst te bewijzen om een tijd voor het teekenen voor te stellen.”

Edith zat daar gelijk een fraai steenen beeld, even koud en stil.

“Liefste liefje,” zeide Cleopatra, “hoort gij wel wat mijnheer Dombey zegt? O, mijn beste Dombey,” ter zijde tot dien heer, “hoe herinnert mij hare verstrooidheid, nu de tijd nadert, aan de dagen toen haar papa, een alleraardigst man, in uwe positie was.”—“Ik heb niets voor te stellen. Het zal zijn wanneer gij verkiest,” zeide Edith, nauwelijks over de tafel naar Dombey ziende.—“Morgen?” zeide Dombey.—“Als het u zoo belieft.”—“Of zou overmorgen u beter schikken met hetgeen gij anders nog te doen hebt?” zeide Dombey.—“Ik heb niets te doen. Ik ben altijd tot uwe beschikking. Laat het zijn wanneer gij verkiest.”—“Niets te doen, lieve Edith,” bracht hare moeder hiertegen in, “en gij hebt het den geheelen dag zoo schrikkelijk druk, met duizenderlei bestellingen bij allerlei leveranciers!”—“Dat is uw bedrijf,” antwoordde Edith, haar met een eenigszins gefronst voorhoofd aanziende. “Gij en mijnheer Dombey kunt het met uw beiden schikken.”—“Wel waar, kindlief, en heel vriendelijk van u,” zeide Cleopatra. “Florence, mijn lievelingetje, gij moet mij waarlijk nog eens een kusje komen geven.”

Zonderling dat deze vlagen van belangstelling voor Florence bijna telkens bij Cleopatra opkwamen als Edith eenig deel, hoe gering ook, aan het gesprek nam. Florence was nog nooit zoo dikwijls omhelsd geworden, en misschien, zonder het te weten, nog nooit in haar leven zoo nuttig geweest.

Voor zich zelven was Dombey verre van misnoegd over de houding en de manieren zijner bruid. Hij kon zeer wel met trotschheid en koelheid sympathiseeren, en het streelde hem dat zelfs deze eigenschappen zich bij Edith aan hem onderschikten en zij geen anderen wil scheen te hebben dan den zijnen. Het streelde hem zich voor te stellen hoe deze trotsche, statige vrouw de honneurs van zijn huis zou waarnemen en zijne gasten op zijne eigene manier doen verkleumen. De waardigheid van Dombey en Zoon zou in zulke handen wel gehandhaafd, ja zelfs nog verhoogd worden.

Zoo dacht Dombey toen hij in de eetzaal alleen was gelaten en over het verledene en de toekomst peinsde. Hij vond niets onaangenaams in de schrale en sobere staatsie die in dat vertrek heerschte, met het donkerbruine behangsel, waarop nog donkerder schilderijen als zwarte grafmonumenten afstaken, en vier en twintig zwarte stoelen, met bijna zooveel spijkers als doodkisten, die als rouwdragers om den rand van het Turksche tapijt geschaard stonden, en twee naakte negers, die candelabres van dorre takken droegen, op de buffettafel, en een duffen reuk, alsof de asch van duizend diners in de sarcophaag daaronder was begraven. De eigenaar van het huis was veel op reis; de lucht van Engeland was zelden lang gezond voor een lid der familie Feenix; en dit vertrek was al zwaarder en zwaarder in den rouw over hem gegaan, tot het zoozeer naar eene paradekamer geleek, dat er slechts een lijk aan ontbrak om het geheel daartoe te maken.

Geen slechte plaatsvervanger voor een lijk, door zijne stijfheid, zoo niet door zijne houding, was Dombey, terwijl hij in de koude diepte der doode zee van mahoniehout zat te turen, waarop de fruitschalen en karaffen voor anker lagen; alsof de onderwerpen zijner gedachten een voor een naar de oppervlakte rezen en weder wegzonken. Edith was daar in al hare majesteit van gelaat en gestalte; en dicht bij haar kwam Florence, met haar vreesachtig gezichtje naar hem toegekeerd, gelijk het voor een oogenblik geweest was, toen zij de kamer verliet; en Edith’s oogen waren op haar gevestigd, en Edith’s hand was beschermend naar haar uitgestoken. Eene kleine gedaante op een laag leuningstoeltje kwam vervolgens te voorschijn en zag hem verwonderd aan met de heldere oogen en het oudachtig jeugdig gezichtje, dat glansde als in het flikkerende schijnsel van een vuur. Wederom kwam Florence dicht daarbij en boeide zijne geheele aandacht. Of het was als een hem door het noodlot bestemd bezwaar en teleurstelling, of als eene mededingster die hem eens in den weg was gekomen, en dit nogmaals kon doen; of als zijn kind, dat hem op zulk een tijd niet meer vreemd moest blijven; of als eene vermaning dat hij voor zijne nieuwe betrekkingen ten minste den schijn moest bewaren, alsof zijn eigen bloed hem niet onverschillig was—wist hij zelf het best. Misschien wist hij het eigenlijk toch niet recht; want trouwfeesten en trouwaltaren en tooneelen van bekroonde eerzucht—nog hier en daar met Florence daarbij—altijd die Florence—rezen zoo snel en zoo verward voor hem op, dat hij zelf opstond en naar boven ging om er aan te ontkomen.

Het was laat in den avond eer er licht gebracht werd, want mevrouw Skewton klaagde dat zij tegenwoordig hoofdpijn daarvan kreeg; en ondertusschen zaten mevrouw Skewton en Florence met elkander te praten (Cleopatra was er zeer op gesteld om het meisje bij zich te houden), of speelde Florence, voor mevrouw Skewton’s vermaak, zachtjes op de piano; om niet van eenige gelegenheden in den loop van den avond te spreken, waarbij die hartelijke dame zich gedrongen gevoelde om nog een kusje te verzoeken, hetgeen altijd gebeurde nadat Edith iets gezegd had. Dit was echter niet dikwijls, want Edith bleef den geheelen tijd afgezonderd bij een open venster zitten (hoewel hare moeder vreesde dat zij kou zou vatten) totdat Dombey afscheid nam. Daarbij was hij zeer genadig voor Florence; en Florence ging in eene kamer achter die van Edith naar bed, zoo gelukkig en vol hoop, dat zij aan haar vroeger ik dacht als aan een ander eenzaam en verlaten meisje, waarmede zij medelijden moest hebben; en in haar medelijden snikte zij in slaap.

De week vloog voorbij. Men moest naar modemaaksters, kleedermaaksters, juweliers, procureurs, bloemkweekers en pasteibakkers rijden; en Florence reed altijd mede. Florence zou de trouwplechtigheid bijwonen; en dan haar rouwgewaad afleggen en een brillant costuum dragen. Het model, dat de modemaakster—die eene Française was en veel van mevrouw Skewton had—recommandeerde, was zoo elegant, dat mevrouw Skewton insgelijks zulk een kleedje voor zich zelve bestelde. De modemaakster zeide dat het haar uitmuntend zou staan, en dat iedereen haar voor de zuster van de jonge juffer zou aanzien.

De week vloog nog sneller voorbij. Edith zag naar niets en bekommerde zich om niets. De kostbare kleederen kwamen thuis, en werden aangepast, en werden door mevrouw Skewton en de modemaakster luid geprezen, en werden weggelegd zonder een enkel woord van haar. Mevrouw Skewton maakte plannen voor elken dag en bracht ze ten uitvoer. Somtijds bleef Edith in de koets zitten als men uitreed om iets te gaan koopen; somtijds, als het volstrekt noodig was, ging zij een winkel binnen; maar mevrouw Skewton deed altijd de zaak af, waarom het ook mocht te doen zijn; en Edith keek met schijnbare onverschilligheid toe, alsof het haar niets aanging. Florence had haar misschien trotsch en stroef kunnen vinden, maar voor haar was zij dit nooit; en zoo smoorde Florence hare verwondering in hare dankbaarheid.

De week vloog nog sneller voorbij. Zij was bijna geheel om. De laatste avond, de avond vóór de trouwplechtigheid, was gekomen. In de donkere kamer—want mevrouw Skewton’s hoofd was nog niet beter, hoewel zij des anderen daags eene duurzame beterschap verwachtte—zaten deze dame, Edith en Dombey. Edith zat voor haar open venster naar de straat te kijken; Dombey en Cleopatra waren op de canapé zachtjes aan het praten. Het werd laat; en Florence, die vermoeid was, had zich reeds ter rust begeven.

“Mijn beste Dombey,” zeide Cleopatra, “gij zult mij morgen Florence toch laten, als gij mij van mijne lieve Edith berooft?”

Dombey antwoordde dat hij dit met genoegen zou doen.

“Haar hier bij mij te hebben, terwijl gij beiden naar Parijs zijt, en te kunnen denken, mijn beste Dombey, dat ik op hare jaren tot de vorming van haar geest bijdraag,” zeide Cleopatra, “zal een balsem voor mij wezen in den geschokten toestand, waarin ik dan verzonken zal zijn.”

Edith keerde eensklaps haar hoofd om. Hare lustelooze houding werd in een oogenblik met een uitzicht van vurige belangstelling verwisseld, en zonder dat men dit in het donker zag, luisterde zij oplettend naar hun gesprek.

Dombey zou Florence gaarne onder zulk eene uitmuntende voogdij en leiding laten.

“Duizendmaal dank voor uwe goede meening, mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra. “Ik vreesde dat ge mij, met een boos opzet, tot eene volstrekte eenzaamheid woudt veroordeelen.”—“Hoe kondt ge mij zulk een onrecht aandoen, lieve mevrouw?” zeide Dombey.—“Omdat mijne bekoorlijke Florence mij zoo stellig zegt, dat zij morgen naar huis moet,” antwoordde Cleopatra, “dat ik begon te vreezen dat gij een echte turksche Bassa waart.”—“Ik verzeker u, mevrouw,” zeide Dombey, “ik heb Florence niets voorgeschreven. En al was dat zoo, dan zouden die voorschriften toch voor uw verlangen moeten wijken.”—“Mijn beste Dombey,” antwoordde Cleopatra, “wat zijt ge toch een hoveling! Schoon ik dat toch ook niet zeggen wil, want hovelingen hebben geen hart, en ge zijt altijd zoo hartelijk. Gaat ge waarlijk al zoo vroeg heen, mijn beste Dombey?”

O, het was inderdaad laat, en Dombey vreesde dat hij gaan moest.

“Is het werkelijk, of is alles maar een droom?” lispelde Cleopatra. “Kan ik het gelooven, mijn allerbeste Dombey, dat gij morgenochtend terugkomt om mij mijne lieve gezellin, mijne eigene Edith, te ontrooven!”

Dombey, die gewoon was alles letterlijk op te vatten, antwoordde dat zij elkander eerst nog in de kerk zouden zien.

“De smart om een kind af te staan,” zeide mevrouw Skewton, “zelfs aan u, mijn beste Dombey, is waarlijk niet te beschrijven, en vereenigd met mijn teer gestel en de ijselijke domheid van den pasteibakker, die het ontbijt heeft aangenomen, is zij haast al te groot voor mijne zwakke krachten. Maar ik zal mij toch morgen wel goed houden, mijn beste Dombey, wees voor mij maar niet ongerust; de hemel zegene u! Lieve Edith,” riep zij schalkachtig, “er gaat iemand heen.”

Edith, die het hoofd weder naar het venster had gekeerd, daar zij geen belang in hun gesprek meer stelde, stond op, maar zij kwam niet naar hem toe en sprak geen woord. Met de deftige galanterie, welke bij deze gelegenheid en zijn karakter paste, stapten Dombey’s krakende laarzen naar haar toe, bracht hij hare hand aan zijne lippen en zeide hij: “Morgenochtend zal ik het geluk hebben om deze hand als die van mevrouw Dombey te vragen.” Daarop liet hij zich zelven met eene statige buiging uit.

Mevrouw Skewton schelde om licht zoodra de straatdeur achter hem gesloten was. Met het licht kwam hare kamenier, en met de kamenier het jeugdige kleedje dat des anderen daags de wereld moest begoochelen. Dit kleedje wreekte zich gestreng, gelijk zulke kleedjes altijd doen, en maakte haar veel ouder en afschuwelijker dan hare smerige flanellen nachtjapon. Mevrouw Skewton paste het echter met kinderachtige blijdschap aan, glimlachte tegen haar lijkachtig beeld in den spiegel, bij de gedachte welk een indruk zij zoo op den majoor zou maken; liet het zich door hare kamenier weder uittrekken en zich voor hare nachtrust gereedmaken, en viel zoo in elkander gelijk een beschilderd kaartenhuisje.

Al dien tijd bleef Edith voor het venster naar de straat kijken. Toen zij eindelijk met hare moeder alleen gebleven was, kwam zij, voor de eerste maal dien avond, daar vandaan en plaatste zich vlak over haar. De geeuwerige, beverige, gemelijke moeder, die hare oogen opsloeg naar de trotsche gestalte harer dochter, wier vurige blik vast op haar gevestigd was, had een schuldbesef in haar voorkomen, dat zij door geene vertooning van lichtzinnigheid of wreveligheid kon verbergen.

“Ik ben doodaf,” zeide zij. “Gij zijt geen oogenblik alleen te vertrouwen. Gij zijt nog erger dan een kind. Kind! Geen kind zou half zoo koppig en weerspannig zijn.”—“Luister naar mij, moeder,” antwoordde Edith, deze woorden voorbijziende met eene verachting, die zich niet verwaardigde om zich met zulke beuzelingen op te houden. “Gij moet alleen hier blijven tot ik terugkom.”—“Moet alleen hier blijven tot gij terugkomt, Edith!” herhaalde hare moeder.—“Of bij dien naam, dien ik morgen zoo onbeschaamd en valsch ten getuige zal roepen van wat ik doe, zweer ik dat ik in de kerk de hand van dien man zal weigeren. Als ik dat niet doe, mag ik dood op de steenen neervallen!”

De moeder antwoordde met een blik van angstigen schrik, in geenen deele verminderd door den blik dien zij ontmoette.

“Het is genoeg,” zeide Edith langzaam, “dat wij zijn wat wij zijn. Ik wil geene jeugd en oprechtheid tot mijne laagte laten neerslepen. Ik wil geen onschuldig gemoed laten vergiftigen en verpesten om eene geheele wereld van moeders te amuseeren. Gij weet wel wat ik meen. Florence moet naar huis gaan.”—“Gij zijt eene zottin, Edith,” riep hare vergramde moeder uit. “Denkt gij dat er ooit vrede voor u in dat huis kan zijn, eer zij getrouwd en uit den weg is?”—“Vraag mij of vraag u zelve, of ik ooit vrede in dat huis verwacht,” zeide hare dochter, “en gij weet het antwoord.”—“En moet het mij van avond gezegd worden, na al mijne moeite en zorg, en nu gij door mij onafhankelijk zult worden,” gilde de moeder bijna, terwijl zij driftig haar hoofd schudde, “dat ik een meisje zou besmetten en bederven, dat ik geen geschikt gezelschap voor een meisje ben? Wat zijt gij, vraag ik u—wat zijt gij?”—“Die vraag,” zeide Edith, doodsbleek en naar het venster wijzende, “heb ik mij zelve meer dan eens gedaan terwijl ik daar zat, als er buiten iets voorbijkwam dat nog maar een zweem van mijne sekse had, en God weet dat ik een antwoord heb gekregen. O moeder, moeder, als gij mij maar aan mijn natuurlijk hart hadt overgelaten toen ik ook een meisje was—jonger dan Florence—hoe geheel anders had ik dan nu kunnen zijn!”

Wel begrijpende dat alle vertooning van gramschap hier nutteloos was, bedwong hare moeder zich en begon zij te janken en te jammeren. Zij beklaagde zich dat zij te lang had geleefd, en dat haar eenig kind haar verzaakte, en dat men in dezen boozen tijd om geen kinderplicht meer dacht, en dat zij onnatuurlijke verwijten moest hooren en niet meer om haar leven gaf.

“Als ik gedurig zulke scenes moest hebben,” jankte zij, “zou het waarlijk veel beter voor mij zijn als ik maar om een middel dacht om een eind aan mijn bestaan te maken. O, als ik denk dat gij mijne dochter zijt, Edith, en zoo tegen mij spreekt.”—“Tusschen ons, moeder,” antwoordde Edith treurig, “is de tijd voor wederzijdsche verwijten voorbij.”—“Waarom komt gij er dan weder op terug?” jammerde hare moeder. “Gij weet wel dat ge mij het hart verscheurt. Gij weet wel hoe gevoelig ik ben voor alle onvriendelijkheid. En dan nog op zulk een oogenblik, nu ik om zooveel te denken heb, en natuurlijk verlangend ben om er op mijn best uit te zien. Ik ben verbaasd over u, Edith. Uwe moeder op uw trouwdag tot een spook van leelijkheid te willen maken.”

Terwijl zij snikte en hare oogen wreef, bleef Edith haar met denzelfden strakken blik aanzien. Eindelijk zeide zij met dezelfde vaste stem, die sedert zij het eerst het woord had genomen niet hooger of lager was geworden: “Ik heb gezegd dat Florence naar huis moet gaan.”—“Laat zij gaan,” riep de verschrikte en beangste moeder uit. “Ik voor mij mag wel lijden dat zij gaat. Wat kan mij dat meisje schelen?”—“Mij kan zij zooveel schelen,” antwoordde Edith, “dat ik, liever dan haar een grein van het kwaad, dat ik in mijn eigen hart heb, te laten mededeelen, u verzaken zou, moeder, gelijk ik hem morgen in de kerk zou verzaken, als gij er mij reden toe gaaft. Laat haar met vrede. Zij zal, zoolang ik het verhinderen kan, niet met de lessen besmet worden die ik geleerd heb. Dit is geene harde voorwaarde op dezen bitteren avond.”—“Als gij het op eene vriendelijke, dochterlijke manier hadt voorgeslagen, Edith,” jankte hare moeder, “misschien wel niet. Maar zulke scherpe, bijtende woorden...”—“Zij zijn nu tusschen ons voorbij en gedaan,” zeide Edith. “Ga uw eigen weg, moeder; neem zooveel deel als gij wilt in wat gij gewonnen hebt; verteer, geniet, vermaak u, en wees zoo gelukkig als gij wilt. Het doel van ons leven is bereikt. Laten wij het voortaan stilzwijgend dragen. Mijn mond zal van dit uur af van het verledene zwijgen. Ik vergeef u uw aandeel in de goddeloosheid van morgen. God vergeve mij het mijne!”

Zonder eenige beving in hare stem of hare leden, en voorbijstappende met een voet die elke zachte aandoening op den nek scheen te treden, wenschte zij hare moeder goedennacht en ging naar hare kamer.

Maar niet om te rusten; toen zij alleen was liet hare gemoedsbeweging haar geene rust. Op en neer, op en neer, en al weder op en neer, vijfhonderdmalen, tusschen de prachtige toebereidselen om haar morgen op te tooien; met hare donkere haren losgeschud, en hare donkere oogen vol gloed, en hare blanke borst rood van het onbarmhartig knellen der hand, waarmede zij zich zelve in het hart scheen te willen tasten, stapte zij door de kamer met een afgewend hoofd, alsof zij haar eigen gezicht wilde ontwijken en zich uit haar eigen gezelschap verbannen. Zoo worstelde Edith Granger, in het holste van den nacht vóór haar trouwdag, met haar onrustigen geest, zonder tranen, zonder vrienden, zonder woorden, zonder klagen.

Eindelijk raakte zij bij toeval de half openstaande deur aan, die in de kamer uitkwam waar Florence sliep.

Er brandde daar licht, en dit vertoonde haar Florence in al hare onschuld en schoonheid, gerust in slaap. Edith hield haar adem in, en gevoelde zich naar haar toegetrokken.

Nog dichter, en dichter, en dichterbij; eindelijk zoo dichtbij, dat zij bukkende hare lippen op het zachte handje drukte, dat buiten het bed lag, en daarna dat handje zacht op haar hals legde. Dit aanraken was als de staf des profeten op de rots. Hare tranen welden daaronder op, terwijl zij op hare knieën zonk en haar kloppend hoofd met zwierende haren daarnaast op het kussen legde.

Zoo sleet Edith Granger den nacht vóór haar huwelijk. Zoo vond haar de zon op den ochtend van haar trouwdag.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXXI. HET HUWELIJK

De schemering, met haar bleek en effen gezicht, sluipt huiverend naar de kerk waaronder het stof van kleinen Paul en zijne moeder ligt, en kijkt door de vensters naar binnen. Het is donker en koud. De nacht hurkt nog op den vloer en zit somber in de hoeken van het gebouw te peinzen. De klokkentoren, die hoog boven de huizen uitsteekt, is reeds van verre zichtbaar in het grauwe licht, gelijk een steenen baken in den stroom des tijds; maar binnen de deuren kan de schemering in het eerst slechts naar den nacht turen en zien dat die er nog is.

Om de kerk heen zwevende en naar binnen kijkende, zucht en schreit de schemering over hare korte heerschappij; hare tranen biggelen langs de vensterruiten, en de boomen op het kerkhof buigen hunne hoofden en wringen medelijdend hunne talrijke handen. De nacht verbleekt en ruimt langzamerhand de kerk, maar toeft nog in den grafkelder daaronder en zet zich tusschen de doodkisten. En nu komt de heldere dag, die de torenspits verguldt, de tranen der schemering droogt en hare klachten smoort; en de verschrikte schemering volgt den nacht, verjaagt dezen uit zijne laatste schuilplaats, kruipt zelve in de grafkelders en verbergt zich angstig tusschen de dooden, tot de nacht met nieuwe krachten terugkomt om haar weder te verdrijven.

De muizen, die drukker met de gebedenboeken bezig zijn geweest dan de eigenaars daarvan, en ook met de knielkussens, die meer van hunne tandjes te lijden hebben dan van menschelijke knieën, verbergen nu hunne schitterende oogjes in hunne holen en dringen zich dicht op elkander van schrik over het galmende slaan der kerkdeur. Want de kerkeknecht, die man van gezag, komt dezen morgen vroeg met den doodgraver; en jufvrouw Miff, het aamborstige plaatsbewaarstertje—een allerdroogst oud jufvrouwtje, spaarzaam gekleed, zoodat zij nergens een duim overtollige ruimte om zich heeft—is er ook, en heeft, gelijk hare plaats voegt, een half uur lang bij de kerkdeur naar den kerkeknecht gewacht.

Een zuur gezicht heeft jufvrouw Miff en een zeer stemmig hoedje, en ook eene dorstige ziel naar heele en halve schellingen. Dat zij gedurig vreemdelingen, die blijven staan, naar de banken moet wenken, heeft haar voorkomen iets geheimzinnigs gegeven; en in hare oogen heeft zij nog iets achterhoudends, alsof zij altijd wel eene zachtere bank wist, maar twijfelde aan het fooitje. Een mijnheer Miff bestaat er niet, en heeft er in geen twintig jaren bestaan; en jufvrouw Miff spreekt niet gaarne van hem. Hij had, naar het schijnt, kettersche gevoelens over vrije banken; en hoewel jufvrouw Miff hoopt dat hij in den hemel is, zou zij dat niet stellig durven zeggen.

Jufvrouw Miff heeft het dien ochtend druk aan de kerkdeur met het uitkloppen en afstoffen van altaarkleed, tapijt en kussens; en veel heeft zij te zeggen over de trouw die zij zullen hebben. Jufvrouw Miff heeft gehoord dat de nieuwe meubelen en het verbouwen van het huis vijf duizend pond hebben gekost, zoo goed als een stuiver; en dan heeft zij nog uit de beste bron gehoord, dat de dame geen schelling in de wereld rijk is. Jufvrouw Miff herinnert zich insgelijks, zoo goed alsof het pas gisteren gebeurd was, de begrafenis der eerste vrouw, en dan het doopen, en dan de andere begrafenis, en zij zegt, apropos, zij zal dien zwarten steen eens met zeepsop afdoen tegen dat het gezelschap komt. Sownds, de kerkeknecht, die al dien tijd in het portaal in de zon zit (en zelden iets anders doet, behalve dat hij, als het koud is, bij het vuur gaat zitten) keurt alles goed wat jufvrouw Miff zegt, en vraagt haar of zij ook gehoord heeft dat de dame bijzonder mooi is. Sownds, de kerkeknecht, die, hoewel zeer rechtzinnig en zwaarlijvig, een bewonderaar van vrouwelijke schoonheid is, merkt met zalving aan, ja, hij heeft gehoord dat zij eene Venus is—eene uitdrukking die jufvrouw Miff wel wat aanstootelijk zou vinden, als iemand anders dan Sownds, de kerkeknecht, ze gebruikte.

In Dombey’s huis heerscht ondertusschen eene groote beweging, vooral onder de vrouwelijke dienstboden; geene daarvan heeft na vieren een oogenblik meer geslapen, en allen waren vóór zessen gekleed. Towlinson is voor de werkmeid een voorwerp van grooter oplettendheid dan gewoonlijk, en de keukenmeid zegt onder het ontbijt dat ééne bruiloft er meer geeft, hetgeen de werkmeid niet gelooven kan en voor geheel niet waar houdt. Towlinson verzwijgt zijn gevoelen op dit punt, daar hij eenigszins somber is door de komst van een Franschman met bakkebaarden (Towlinson zelf heeft geen bakkebaard), die gehuurd is om het gelukkige paar naar Parijs te vergezellen en bezig is met de nieuwe reiskoets te pakken. Towlinson zegt weldra, niet te weten dat er ooit iets goeds van Franschen kan komen; en als de dames hem verwijten bevooroordeeld te zijn, zegt hij: “denkt maar om Bonaparte, die aan het hoofd van al de Franschen stond, en zie waar hij altijd op uit was.” De werkmeid vindt dat dit wel waar is.

De pasteibakker is druk aan het werk in de paradebed-zaal in Brook-Street, en de lange knechts hebben het druk met toekijken. Een van de lange knechts ruikt al naar Sherry, en zijne oogen beginnen strak in zijn hoofd te staan en naar iets te staren zonder het te zien. Hij is zich zelven wel van dit zwak bewust, en onderricht zijn kameraad dat het van het “anderatie” komt. Het wilde “alteratie” zeggen, maar zijne spraak is eenigszins belemmerd.

De straatmuzikanten hebben de lucht van het feest gekregen en openen eene onderhandeling met Towlinson om zich te laten afkoopen. De belangstelling en opgewondenheid strekken zich tot op verren afstand uit. Perch brengt zijne vrouw van Balls Pond om den dag met de dienstboden van mijnheer Dombey te slijten en heimelijk met hen mede te gaan om het trouwen te zien. Toots is zich op zijne kamer aan het kleeden alsof hij ten minste de bruidegom was, met voornemen om het schouwspel in volle pracht van een verborgen hoekje der galerij aan te zien en den Kemphaan daarheen mede te nemen, want Toots koestert het wanhopig voornemen om Florence dan en daar aan den Kemphaan te wijzen en te zeggen: “Nu, Kemphaan, wil ik u niet langer bedriegen. De vriend, van wien ik u somtijds gesproken heb, ben ik zelf; jufvrouw Dombey is het voorwerp mijner genegenheid; wat is in dezen staat van zaken uwe meening, Kemphaan, en wat raadt ge mij aan?” De Kemphaan, wien deze verrassing wacht, doopt intusschen, in Toots’ keuken, zijn snavel in eene kan van het zwaarste bier en pikt een paar pond beefsteak op. In Princess’s Place is jufvrouw Tox zich aan het reppen; want, hoewel diep bedroefd, is zij voornemens om jufvrouw Miff een schelling in de hand te stoppen, en de plechtigheid, die eene wreede aantrekkingskracht voor haar heeft, uit een eenzaam hoekje aan te zien. In het kwartier van den houten adelborst is het ook levendig; want kapitein Cuttle zit met zijne halve laarzen en vervaarlijke boordjes te ontbijten en luistert naar Rob den Slijper, die hem het trouwformulier voorleest, opdat de kapitein de plechtigheid, waarvan hij getuige zal zijn, volkomen zou begrijpen. Tot dat einde geeft de kapitein zijn kapelaan nu en dan deftig last om het een of ander nog eens te herhalen, of ook om bij zijne eigene dingen te blijven en de “amens” voor hem (den kapitein) over te laten, welke hij dan ook, telkens wanneer Rob even ophoudt, met galmende zelfvoldoening uitspreekt.

Bovendien hebben, alleen in de straat waar Dombey woont, twintig kindermeiden aan twintig troepjes van jeugdige dametjes, welker natuurlijke belangstelling in huwelijksfeesten van hare wieg af dagteekent, beloofd dat zij het trouwen zullen gaan zien. Wel heeft Sownds, de kerkeknecht, reden om zich voor een gewichtig persoon te houden, terwijl hij in het portaal in de zon zit. Wel heeft jufvrouw Miff reden om een ongelukkig dwergachtig kind, met een reusachtig bakerkindje op den arm, dat stil komt binnenkijken, met verontwaardiging weg te jagen.

Neef Feenix is opzettelijk van buitenslands overgekomen om de plechtigheid bij te wonen. Neef Feenix was veertig jaren geleden een modeheertje; maar hij is nog zoo jeugdig van uitzicht en manieren, en houdt zich zoo goed, dat vreemdelingen zich verwonderen als zij de verborgene rimpels in zijn gezicht ontdekken, en opmerken dat zijn Lordschap, als hij eene kamer doorgaat, niet geheel zeker is dat zijne voeten hem rechtstreeks daar zullen brengen waar hij wezen wil. Maar neef Feenix, die tegen half acht opstaat, is een geheel ander wezen dan neef Feenix, als hij op en aangekleed is; en heel flauw ziet hij er uit, terwijl hij zich in Long’s Hotel, in Bond-Street, laat scheren.

Dombey komt zijne kleedkamer uit, terwijl, met een groot geritsel van rokken, de vrouwen op de trap naar alle kanten heenstuiven, behalve jufvrouw Perch, die, daar zij (gelijk altijd) in gezegende omstandigheden verkeert, niet zoo vlug is, en dus genoodzaakt om hem onder de oogen te komen, bijna van verlegenheid neerzinkt terwijl zij voor hem nijgt—moge de hemel alle kwade gevolgen voor het huis van Perch afwenden! Dombey stapt naar het salon, om daar zijn tijd af te wachten. Prachtig zijn Dombey’s nieuwe blauwe rok, leverkleurige broek, en lila vest; en een gefluister loopt door het huis, dat hij zijne haren heeft laten krullen.

Een dubbele klop kondigt de aankomst des majoors aan, die ook prachtig is, eene geranium in zijn knoopsgat draagt, en zijne haren ter dege heeft laten krullen, gelijk de inboorling maar al te wel weet.

“Dombey!” zegt de majoor, beide handen uitstekende. “Hoe maakt gij het?”—“Majoor,” zegt Dombey; “hoe maakt gij het?”—“Waarachtig, mijnheer,” zegt de majoor, “Joey B. is van morgen in zulk een staat,” daarbij geeft hij zich een harden slag op de borst—“in zulk een staat, mijnheer, dat hij, verduiveld, Dombey, half en half lust heeft om er eene dubbele trouw van te maken en de moeder te nemen.”

Dombey glimlacht, maar flauw, zelfs voor hem; want hij gevoelt dat hij nu met de moeder in verwantschap zal komen, en dat er, onder zulke omstandigheden, niet met haar geschertst behoort te worden.

“Dombey,” zegt de majoor, dit ziende, “ik wensch u geluk, ik feliciteer u, Dombey. Waarachtig, mijnheer,” zegt de majoor, “gij zijt vandaag meer te benijden dan iemand in Engeland.”

Hier geeft Dombey wederom eene niet geheel volmondige toestemming; want hij zal zekere dame eene groote onderscheiding bewijzen, en zonder twijfel is zij het meest te benijden.

“Wat Edith Granger betreft, mijnheer,” vervolgt de majoor, “er is geene vrouw in geheel Europa of zij mocht—en zou ook, mijnheer, als Bagstock er dat mag bijvoegen—en zou ook, hare ooren wel willen geven, en hare oorringen er bij, om in Edith Granger’s plaats te zijn.”—“Ge zijt wel goed om zoo te zeggen, majoor,” zegt Dombey.—“Dombey,” antwoordt de majoor, “dat weet gij zelf wel. Laten wij geene valsche kieschheid hebben. Gij weet het zelf wel. Weet gij het, of weet gij het niet, Dombey?” zegt de majoor bijna driftig.—“O, inderdaad, majoor...”—“Verduiveld, mijnheer,” roept de majoor uit, “weet gij het, of weet gij het niet? Dombey, is de oude Joey uw vriend? Staan wij op dien voet van onbeperkt vertrouwen, Dombey, die iemand—een oude plompe J. B., mijnheer—het recht kan geven om ronduit te spreken; of moet ik mijn afstand houden, Dombey, en complimenten maken?”—“Mijn beste majoor Bagstock,” zegt Dombey gestreeld, “gij wordt waarlijk warm.”—“Ik ben warm, mijnheer,” zegt de majoor. “Jozef B. ontkent het niet, Dombey. Hij is warm. Dit is eene gelegenheid, mijnheer, die al het gevoel in werking brengt dat nog in een ouden, afgebeulden, versleten knapzak is overgebleven. Ik zal u eens wat zeggen, Dombey—op zulk een tijd moet iemand uitflappen wat hij gevoelt, of zich een muilband aandoen; en Jozef Bagstock zegt in uw gezicht, Dombey, gelijk hij in zijne club achter uw rug zegt, dat hij zich nooit zal laten muilbanden als er van Paul Dombey moet gesproken worden. En nu, verduiveld, mijnheer,” zegt de majoor, met groote vastheid, “wat kunt ge daarvan maken?”—“Majoor,” zegt Dombey, “ik verzeker u dat ik u waarlijk verplicht ben. Ik had het niet in mijne gedachten om uwe al te partijdige vriendschap het zwijgen te willen opleggen.”—“Niet al te partijdig, mijnheer,” roept de driftige majoor uit. “Dat ontken ik, Dombey!”—“Uwe vriendschap, wil ik dan zeggen,” hervat Dombey. “En ook kan ik bij zulk eene gelegenheid als deze niet vergeten, majoor, hoeveel ik daaraan verschuldigd ben.”—“Dombey,” zegt de majoor, met een daarbij passend gebaar, “dit is de hand van Jozef Bagstock: van den ouden Joey B., mijnheer, als gij dat liever hebt. Dit is de hand, waarvan Zijne Koninklijke Hoogheid wijlen de Hertog van York mij de eer bewees, mijnheer, om tegen Zijne Koninklijke Hoogheid wijlen den Hertog van Kent aan te merken, dat het de hand van Josh was: een ruwe en taaie, misschien wel wat losse, oude vagebond. Dombey, moge het tegenwoordig oogenblik het minst ongelukkige van ons leven zijn. God zegen u!”

Nu treedt Carker binnen, insgelijks prachtig, en glimlachend als een echte bruiloftsgast. Hij kan Dombey’s hand bijna niet loslaten, zoo vol felicitatiën is hij; en hij schudt den majoor te gelijker tijd zoo hartelijk de hand, dat zijne stem, die tusschen zijne tanden doorglipt, eveneens beeft als zijne beide armen doen.

“Zelfs de dag is gunstig,” zegt Carker. “Het helderste, heerlijkste weer! Ik hoop dat ik geen oogenblik te laat kom?”—“Precies op uw tijd, mijnheer,” zegt de majoor.—“Dat verheugt mij waarlijk,” zegt Carker. “Ik was bang dat ik eenige seconden na den bepaalden tijd kwam, want ik ben zoo vrij geweest om naar Brook-Street om te rijden”—dit tot Dombey—“om eenige zeldzaamheden van bloemen voor mevrouw Dombey te laten. Iemand in mijne positie, en zoodanig onderscheiden dat hij hier geïnviteerd wordt, is er trotsch op dat hij als erkentenis zijner betrekking als vassaal eene kleine hulde mag aanbieden; en daar ik niet twijfel of mevrouw Dombey is reeds overstelpt met al wat kostbaar en prachtig is,” met een vreemden blik naar zijn patroon, “hoop ik dat juist het armelijke mijner offerande ze gunst zal doen vinden.”—“De aanstaande mevrouw Dombey,” zegt Dombey genadig, “zal zeer gevoelig zijn voor uwe oplettendheid, Carker, ben ik overtuigd.”—“En als zij van morgen mevrouw Dombey zal worden, mijnheer,” zegt de majoor, zijn koffiekopje neerzettende en op zijn horloge ziende, “is het hoog tijd dat wij gaan.”

Dombey, majoor Bagstock en Carker rijden in eene barouche naar de kerk. Sownds, de kerkeknecht, is reeds lang van zijne rustplaats opgestaan en staat met zijn steek in de hand te wachten. Jufvrouw Miff nijgt en wil de heeren in de kerkekamer laten. Dombey wil liever in de kerk blijven wachten. Als hij naar het orgel opziet, kruipt jufvrouw Tox op de galerij achter het dikke been van een cherub weg. Kapitein Cuttle integendeel staat op en wuift met zijn haak, ten blijke van welkomst en aanmoediging. Toots onderricht den Kemphaan, achter zijne hand, dat de middelste heer, die met de leverkleurige broek, de vader zijner beminde is. De Kemphaan antwoordt met een schor gefluister, dat hij zulk een stijve kerel is als hij ooit heeft gezien, maar dat de wetenschap toch een middel aan de hand geeft om hem, met één stoot tegen zijn vest, dubbel te doen toeslaan.

Sownds en jufvrouw Miff staan Dombey op eenigen afstand aan te gluren, wanneer men het gerucht van naderende wielen hoort en Sownds naar buiten gaat. Jufvrouw Miff, Dombey’s blik ontmoetende, terwijl het van den verwaanden zot daarboven, die hem met zooveel beleefdheid groet, wordt afgewend, nijgt en onderricht hem dat zij gelooft dat zijne bruid gekomen is. Dan komt er een gedrang en gefluister bij de deur, en de bruid treedt met eene trotsche houding binnen.

Haar gelaat vertoont geen blijk van het lijden in den vorigen nacht; geen spoor is in hare houding te zien van de vrouw op gebogene knieën, die het woeste hoofd, met schoone achteloosheid, op de peluw van het slapende meisje liet rusten. Dat meisje, geheel zachtheid en bevalligheid, is naast haar—een treffend contrast met hare eigene uitdagende gestalte, gelijk zij daar staat met strakke kalmte, onuitvorschbaar van wil, schitterend in al den glans harer bekoorlijkheden, en toch de bewondering, die zij uitlokt, met voeten tredende.

Men moet eene korte poos wachten terwijl Sownds naar de kerkekamer gaat om den geestelijke in de kerk te halen. In dezen tusschentijd spreekt mevrouw Skewton Dombey aan, duidelijker en met meer nadruk dan anders hare gewoonte is, en schuift te gelijk dicht naar Edith.

“Mijn beste Dombey,” zegt de goede mama, “ik vrees dat ik toch van de lieve Florence zal moeten afzien en haar maar naar huis laten gaan, gelijk zij zelve heeft voorgesteld. Na mijn verlies van vandaag, mijn beste Dombey, gevoel ik dat ik geen lust in gezelschap zal hebben, zelfs niet in het hare.”—“Zou zij niet beter bij u blijven?” antwoordt de bruidegom.—“Ik geloof van neen, mijn beste Dombey. Neen, zeker niet. Ik zal beter alleen zijn. Buitendien, mijne lieve Edith zal hare natuurlijke voogdes en geleidster wezen als gij terugkomt, en het is misschien beter dat ik hare taak niet vooruitloop. Zij zou wel jaloersch kunnen worden. Niet waar, lieve Edith?”

De liefderijke mama drukt haar dochters arm als zij dit zegt, misschien om zeker te zijn van hare oplettendheid.

“Om ernstig te spreken, mijn beste Dombey,” hervat zij, “ik wil liever van het goede kind afzien en haar mijne somberheid niet opdringen. Dat hebben wij zoo even besproken. Zij begrijpt het heel goed, mijn beste Dombey. Lieve Edith—zij begrijpt het heel goed.”

Wederom drukt de goede moeder haar dochters arm. Dombey spreekt niet verder tegen, want juist verschijnen de geestelijke en de klerk; en jufvrouw Miff en Sownds de kerkeknecht groepeeren het gezelschap ieder op zijne behoorlijke plaats voor het altaarhek.

“Wie geeft deze vrouw om met dezen man getrouwd te worden?”

Neef Feenix doet dat. Hij is daartoe opzettelijk van Baden-Baden gekomen. “Verduiveld,” zegt neef Feenix—een goedhartige kerel, die neef Feenix—“als wij zulk een rijken knaap uit de City in de familie krijgen, mogen wij hem ook wel eenige attentie toonen en iets voor hem doen.—“Ik geef deze vrouw om aan dezen man getrouwd te worden,” zegt neef Feenix dus. Neef Feenix die rechtuit wil gaan, maar door zijne eigenzinnige beenen zijdelings af wordt gebracht, geeft eerst eene verkeerde vrouw om met dien man getrouwd te worden, namelijk een der bruidsjuffers, eene verre nicht, een tiental jaren jonger dan mevrouw Skewton; maar jufvrouw Miff komt met haar stemmigen hoed tusschen beiden, keert hem handig om, en schuift hem, alsof hij op rolletjes liep, naar de bruid welke neef Feenix dan geeft om met dien man getrouwd te worden.

“En zullen zij ten aanzien des Hemels...?”

Ja, dat zullen zij. Dombey zegt ja. En wat zegt Edith?—Ja.

Zoo verpanden zij dus van dien dag af, voor beter of erger, voor rijker of armer, in ziekte en gezondheid, om lief te hebben en te waardeeren, tot de dood hen scheidt, elkander hunne trouw, en zijn gehuwd.

Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid, als men naar de kerkekamer is gegaan, haar naam in het register. “Er komen niet veel dames hier,” zegt jufvrouw Miff nijgende—als men in zulk een tijdsgewricht jufvrouw Miff aanziet, duikt haar stemmige hoed dadelijk naar beneden—“die zoo haar naam schrijven als deze goede dame.”—Sownds, de kerkeknecht, vindt de handteekening de schrijfster waardig—alsof Venus ze gezet had—maar dit blijft tusschen hem en zijn geweten.

Florence teekent ook, maar zonder toegejuicht te worden, want hare hand beeft. Het geheele gezelschap teekent; neef Feenix het laatst, die zijn edelen naam op eene verkeerde plaats zet, en getuigt dat hij dien morgen geboren is.

De majoor kust nu de bruid zeer galant, en volvoert deze ceremonie met al de dames, niettegenstaande mevrouw Skewton buitengemeen moeielijk te kussen is en een schel gegil door het gewijde gebouw laat klinken. Dit voorbeeld wordt door neef Feenix en zelfs door Dombey gevolgd. Eindelijk komt Carker naar Edith toe, met zijne glinsterend witte tanden, meer alsof hij haar wilde bijten, dan het zoet proeven dat aan hare lippen kleeft.

Er komt een gloed op hare trotsche wangen en eene flikkering in hare oogen, die hem misschien moesten stuiten; maar dit gebeurt toch niet, want hij kust haar, gelijk de anderen hebben gedaan en wenscht haar alle geluk.

“Indien wenschen,” zegt hij zacht, “bij zulk eene vereeniging niet overbodig zijn.”—“Ik dank u, mijnheer,” antwoordt zij, met eene opkrullende lip en eene zwoegende borst.

Maar gevoelt Edith nog, gelijk op den avond toen zij wist dat Dombey zou terugkomen om een echtverbond aan te bieden, dat Carker haar door en door kent en doorziet, en dat zij door deze wetenschap van hem meer vernederd wordt dan door iets anders? Is het om die reden dat hare trotschheid onder zijn glimlach wegkruipt, gelijk sneeuw in de hand die haar vast aangrijpt, en dat haar fiere blik, als hij den zijnen ontmoet, den grond zoekt?

“Ik ben er trotsch op,” zegt Carker met eene slaafsche buiging van zijn hals, die door datgene, wat zijne oogen en tanden zeggen, wordt gelogenstraft, “dat mijn nederig offer door mevrouw Dombey’s hand zoo vereerd wordt en bij zulk eene heuglijke gelegenheid zulk eene begunstigde plaats mag hebben.”

Hoewel zij tot antwoord haar hoofd buigt, heeft de oogenblikkelijke beweging harer hand iets, alsof zij de bloemen wel zou willen ineenknijpen en met verachting op den grond smijten. Maar zij steekt hare hand door den arm van haar nieuwen echtgenoot, die met den majoor heeft staan praten, en is wederom trotsch, roerloos en stil.

De koetsen staan weder voor de kerkdeur, Dombey geleidt zijne bruid door de twintig troepjes jeugdige dametjes heen, die op de trap staan en waarvan elk het fatsoen en de kleur van ieder stuk harer kleeding onthoudt, en zich voorneemt om hare pop, die altijd trouwen moet, eveneens op te sieren. Cleopatra en neef Feenix stappen in dezelfde koets. De majoor helpt Florence en de bruidsjuffer, die haast bij vergissing was weggegeven, in eene tweede, stapt dan zelf in en wordt door Carker gevolgd. Paarden springen en steigeren; koetsiers en lakeien pronken met fladderende strikken, bloemen en nieuwe livreien. Voort stuiven en ratelen zij door de straten, duizend hoofden worden omgekeerd om hen na te zien, en duizend strenge moralisten wreken zich dat ook zij niet dien ochtend getrouwd zijn, door de overweging dat die menschen weinig denken dat zulk een geluk niet duren kan.

Jufvrouw Tox komt, als alles stil is, achter het been van den cherub vandaan, en gaat langzaam de galerij af. Hare oogen zijn rood, en haar zakdoek is vochtig. Zij is gegriefd, maar niet verbitterd, en zij hoopt dat zij gelukkig zullen zijn. Zij moet bij zich zelve bekennen dat de bruid schoon is, en hare eigene bekoorlijkheden verwelkt zijn; maar het statelijke beeld van mijnheer Dombey, met zijn lila vest en zijne leverkleurige broek, blijft haar toch voor den geest, en onderweg naar huis schreit zij opnieuw achter hare voile. Kapitein Cuttle, die met een devoot gebrom in alle amens en antwoorden heeft ingestemd, gevoelt zich daardoor zeer gesticht. Hij wandelt nu in eene vreedzame gemoedsstemming, met den blinkenden hoed in de hand, de kerk door, en leest het opschrift ter gedachtenis van kleinen Paul. De manhaftige Toots verlaat het gebouw met een martelpijn van liefde, door den trouwen Kemphaan vergezeld. De Kemphaan is nog niet in staat een plannetje te verzinnen om Florence voor Toots te krijgen, maar zijn eerste denkbeeld heeft zich bij hem vastgezet, en hij gelooft dat het in allen gevalle goed zou zijn te beginnen met Dombey dubbel toe te slaan. Dombey’s dienstboden komen uit hunne schuilplaatsen en zijn gereed om zich naar Brook-Street te haasten, maar worden opgehouden door teekenen van ongesteldheid bij jufvrouw Perch, die om een glas water vraagt en onrustbarend wordt. Jufvrouw Perch gevoelt zich evenwel spoedig beter en wordt weggebracht; en jufvrouw Miff en Sownds de kerkeknecht zitten samen te tellen wat zij met de zaak gewonnen hebben, en praten er nog eens over, terwijl de doodgraver voor eene begrafenis luidt.

Nu komen de koetsen voor de tijdelijke woning der bruid, en dadelijk beginnen de straatmuzikanten te spelen en geeft Punch, dat model van huwelijksgeluk, zijne vrouw een zoen. Nu loopen en dringen de menschen en blijven in een gapenden kring staan, terwijl Dombey, zijne jonge vrouw bij de hand leidende, de deur binnenstapt. Het overige gezelschap stapt af en volgt het paar. Maar waarom denkt Carker, als hij door het gedrang bij de deur gaat, aan het oude wijf dat hem op dien ochtend in het boschje naschreeuwde? Of waarom denkt Florence in het voorbijgaan, met eene huivering, aan hare kindsheid, toen zij was weggeraakt, en aan het leelijke gezicht van de goede Vrouw Brown?

Nu wordt er nog meer gefeliciteerd met dezen gelukkigsten der dagen, en komt er nog meer gezelschap, hoewel niet veel, en verlaat men het salon en schikt zich om de tafel in de donkerbruine eetzaal, die geen banketbakker kan doen ophelderen, al versiert hij de negers op de buffettafel met zooveel bloemen en strikken als hij wil.

De pasteibakker heeft echter zijn plicht gedaan als een man, en er is een kostbaar ontbijt opgezet. Mijnheer en mevrouw Chick hebben zich onder anderen bij het gezelschap gevoegd. Mevrouw Chick bewondert Edith dat zij van nature zulk eene volmaakte Dombey is, en is vriendelijk en vertrouwelijk met mevrouw Skewton, welker gemoed van een zwaren last is ontheven en die haar deel van den champagne neemt. De lange knecht, die des morgens vroeg aan alteratie leed, is beter; maar hij heeft een onbestemd gevoel van berouw, is kwaad op den anderen langen knecht, rukt hem met geweld de schotels uit de hand, en schept er een wrevelig behagen in om het gezelschap op alles te laten wachten. Het gezelschap is koel en kalm, en beleedigt de akelige schilderijen, die op de gasten neerzien, niet door overmaat van vroolijkheid. Neef Feenix en de majoor zijn de spraakzaamsten; maar Carker heeft een glimlach voor de geheele tafel en nog een bijzonderen glimlach voor de bruid, die zeer, zeer zelden zijn blik ontmoet.

Nadat het gezelschap ontbeten heeft en de bedienden de kamer uit zijn, staat neef Feenix op; en verbazend jeugdig ziet hij er uit, met zijne witte mouwboorden, die bijna zijne handen bedekken (welke anders wel wat knokkig zijn) en den blos van champagne op de wangen.

“Op mijne eer,” zegt neef Feenix, “hoewel het iets ongewoons is in een particulier huis, moet ik zoo vrij zijn om u te verzoeken iets te drinken wat men gewoonlijk een toast noemt.”

De majoor geeft met eene zeer schorre stem zijne goedkeuring te kennen. Carker buigt zich over de tafel naar neef Feenix over, en glimlacht en knikt verscheidene malen.

“Eigenlijk is het niet zoozeer een...” Neef Feenix, die aldus opnieuw begint, blijft steken.—“Luister, luister!” zegt de majoor, op een toon vol overtuiging.

Carker klapt zachtjes in zijne handen, buigt zich weder over de tafel, en glimlacht en knikt nog meermalen dan te voren, alsof het laatste gezegde hem bijzonder had getroffen en hij persoonlijk wilde te kennen geven hoe het hem bevalt.

“Het is, kortom, eene gelegenheid,” zegt neef Feenix, “waarbij men, zonder onwelvoeglijkheid, wel eenigszins van den gewonen regel mag afgaan; en schoon ik nooit een redenaar ben geweest, en toen ik in het Huis der Gemeenten zat en de eer had om het adres te ondersteunen, veertien dagen ziek ben geweest van schrik dat ik er niet mee voort kon...”

De majoor en Carker zijn zoo opgetogen over deze ingevlochtene anekdote, dat neef Feenix lacht en, hen persoonlijk aansprekende, voortgaat:

“Ik ben er toen verduiveld ziek van geweest—maar, weet ge, ik gevoel nu toch dat ik een plicht heb te vervullen. En als een Engelschman een plicht te vervullen heeft, dan moet hij er ook, naar mijne gedachten, zich van afmaken zoo goed hij kan. Wel, onze familie heeft vandaag het genoegen gehad om zich, in den persoon van mijne beminnelijke en begaafde nicht, die ik nu—wat zal ik zeggen—aanwezig zie...”

Hier stoort hem eene algemeene toejuiching.

“Aanwezig zie,” zegt neef Feenix nog eens, gevoelende dat dit eene aardigheid is die wel herhaald kan worden, “te verbinden, zeg ik, met iemand—dat is te zeggen met een man, van wien men nooit met minachting kan—kortom met mijn achtenswaardigen vriend Dombey, als hij mij vergunnen wil hem zoo te noemen.”

Neef Feenix buigt voor Dombey; Dombey geeft die buiging plechtig terug; iedereen is meer of minder aangedaan door dit buitengewone, misschien voorbeeldelooze, blijk van gevoel.

“Ik heb geene gelegenheid gehad,” zegt neef Feenix, “gelijk ik wel had mogen verlangen, om met mijn vriend Dombey kennis te houden, en die hoedanigheden te bestudeeren die zijn hoofd en ik mag zeggen zijn hart evenzeer tot eer strekken; want het is mijn ongeluk geweest, zooals wij in mijn tijd in het Huis der Gemeenten plachten te zeggen, toen het nog geen gebruik was om van de Lords te spreken, en de parlementaire vormen misschien beter in acht genomen werden dan tegenwoordig—om—eigenlijk gezegd,” zegt neef Feenix, zijne aardigheid met groote schalkachtigheid nog wat inhoudende en eindelijk met een schok uitbrengende, “ergens anders te zijn.”

De majoor krijgt stuipen en wordt met moeite weder bijgeholpen.

“Maar ik weet genoeg van mijn vriend Dombey,” hervat neef Feenix op ernstiger toon, alsof hij eensklaps wijzer en zwaarmoediger geworden was, “om te weten dat hij is, eigenlijk is, wat men in vollen nadruk een—een koopman—een Engelsch koopman—en een—man mag noemen. En hoewel ik eenige jaren buitenslands heb vertoefd (het zou een groot genoegen voor mij zijn als ik mijn vriend Dombey, en iedereen hier, te Baden-Baden mocht recipieeren, en gelegenheid hebben om hen aan den Groot-Hertog te presenteeren) weet ik toch genoeg, vlei ik mij, van mijne beminnelijke en begaafde nicht, om te weten dat zij alle vereischten bezit om een man gelukkig te maken, en dat haar huwelijk met mijn vriend Dombey aan beide kanten een huwelijk van genegenheid is.”

Carker glimlacht en knikt zeer dikwijls.

“Daarom,” vervolgt neef Feenix, “feliciteer ik de familie, waarvan ik een lid ben, met de aanwinst van mijn vriend Dombey. Ik feliciteer mijn vriend Dombey met zijne vereeniging met mijne beminnelijke en begaafde nicht, die alle vereischten bezit om een man gelukkig te maken; en ik neem eindelijk de vrijheid om u allen te verzoeken om zoowel mijn vriend Dombey als mijne beminnelijke en begaafde nicht bij de tegenwoordige gelegenheid te feliciteeren.”

De rede van neef Feenix wordt geapplaudiseerd, en Dombey betuigt voor zich zelven en mevrouw Dombey zijn dank. J. B. stelt daarop een toast op mevrouw Skewton voor. Daarna begint het feest te kwijnen. De geschondene paradebedzaal wreekt zich, en Edith staat op om zich in reisgewaad te gaan kleeden.

Al de dienstboden hebben ondertusschen beneden ontbeten. Champagne is onder hen te gemeen geworden om van te spreken, en men is de gebraden hoentjes, taarten en kreeftensla zat. De lange knecht is weder vroolijk geworden, en spreekt wederom van anderatie. De oogen van zijn kameraad beginnen met de zijne te wedijveren en staren ook naar iets zonder er kennis van te nemen. In de gezichten der dames heerscht eene algemeene roodheid; vooral in het gezicht van jufvrouw Perch, dat van blijdschap straalt, en die zoo ver boven de zorgen des levens is verheven, dat indien iemand haar nu juist den weg naar Ball’s Pond vroeg, waar hare eigene zorgen wonen, zij eenige moeite zou hebben om zich dien weg te herinneren. Towlinson heeft het gelukkige paar ingesteld, waarop de bottelier met zilvergrijze haren met aandoening heeft geantwoord, want hij begint half en half te denken dat hij werkelijk een oud familiestuk is, en dat die veranderingen hem moeten treffen. Het geheele gezelschap wordt zeer luchtig, vooral de dames. De keukenmeid van Dombey, die zich gewoonlijk op den voorgrond plaatst, zegt dat het onmogelijk is om na zulk een dag stil thuis te gaan zitten, en waarom niet met hen allen naar de komedie te gaan? Iedereen—jufvrouw Perch ingesloten—stemt hierin toe, zelfs de inboorling, die in zijn dronk tijgerachtig wordt en de dames (vooral jufvrouw Perch) ongerust maakt door het rollen zijner oogen. Een van de lange knechts spreekt zelfs van een bal na de komedie, en dit komt niemand eene onmogelijkheid voor, zelfs jufvrouw Perch niet. Er komen woorden tusschen de werkmeid en Towlinson, daar zij, op gezag van een oud spreekwoord, beweert, dat huwelijken in den hemel worden gesloten, en hij de fabriek daarvan elders veinst te willen verplaatsen. Hij onderstelt dat zij zoo spreekt, omdat zij zelve denkt te trouwen; en zij wenscht dat de Hemel in allen gevalle zal verhoeden dat zij met hem zou trouwen. Om aan dit schimpen een eind te maken, stelt de bottelier met zilvergrijze haren de gezondheid van Towlinson in, wien men niet kan kennen zonder hem te achten, en niet kan achten zonder te wenschen dat hij gelukkig voor vast gevestigd was met het voorwerp zijner keus, waar zij (hier ziet de bottelier met zilvergrijze haren de werkmeid aan) dan ook wezen mag. Towlinson bedankt in eene rede vol gevoel, waarvan het slot over vreemdelingen loopt, die hij zegt dat somtijds gunst kunnen vinden bij een zwak verstand en een onstandvastig gemoed, dat zich door haar laat verlokken, maar al wat hij hoopt, is dat hij nooit mag hooren dat geen vreemdeling nooit uit geen reiskoets iets zal wegkapen. Zijn blik is hierbij zoo streng en vol uitdrukking, dat de werkmeid het op de zenuwen begint te krijgen; maar juist komt er bericht dat de bruid heengaat, en allen haasten zich naar boven om haar te zien vertrekken.

De reiskoets staat voor de deur; de bruid komt de trap af naar het voorhuis, waar Dombey op haar staat te wachten. Florence staat op de trap gereed om ook te vertrekken, en Suze Nipper, wier positie haar in het midden tusschen het salon en de keuken plaatst, is gereed om haar te vergezellen. Zoodra Edith verschijnt, snelt Florence naar haar toe, om haar vaarwel te zeggen.

Is Edith koud, dat zij beeft! Heeft Florence’s aanraking iets onaangenaams of ongezonds, dat de schoone gedaante daarvoor wegkruipt! Heeft dit vertrek zooveel haast, dat Edith met hare hand wuift, en zoo verdwijnt!

Mevrouw Skewton, door haar gevoel als moeder overweldigd, zinkt, wanneer het geratel der wielen onhoorbaar wordt, in hare Cleopatra-houding op de sofa en stort verscheidene tranen. De majoor, die met de rest van het gezelschap van de tafel komt, poogt haar te troosten; maar zij wil zich volstrekt niet laten troosten, en zoo neemt de majoor afscheid. Neef Feenix neemt afscheid, en Carker neemt afscheid. De gasten gaan allen heen. Cleopatra, alleen gebleven, gevoelt zich na hare aandoening wat duizelig en valt in slaap.

Beneden heerscht ook duizeligheid. De lange knecht, die zoo vroeg alteratie gevoelde, schijnt met zijn hoofd aan de tafel te zijn vastgeplakt en kan daarvan niet losgemaakt worden. De gemoedsstemming van jufvrouw Perch heeft eene geweldige omkeering ondergaan; zij is ongerust over haar man, en zegt de keukenmeid dat zij vreest dat hij niet meer zoo aan huis gehecht is als hij placht te zijn, toen zij nog maar met hun negenen waren. Towlinson heeft een gegons in zijne ooren alsof er in zijn hoofd een rad omliep. De werkmeid wenscht dat het niet goddeloos was te wenschen dat men maar dood was.

Er heerscht daar beneden ook een algemeen zinbedrog ten aanzien van den tijd; want iedereen begrijpt dat het, op zijn vroegst, tien uur in den avond is. Een nevelachtig denkbeeld van gepleegde goddeloosheid kwelt iedereen; en ieder houdt den ander voor een medeplichtige, wien hij liefst wilde vermijden. Niemand heeft het hart om van het voorgenomen naar de komedie gaan te reppen; en wie van het bal durfde spreken, zou voor een kwaadaardigen gek worden uitgemaakt.

Twee uren later zit mevrouw Skewton boven nog te slapen en heeft men in de keuken ook nog niet uitgedut. De akelige schilderijen in de eetzaal staren somber naar de brokken en kruimels, vuile borden, wijnvlekken, half ontdooid ijs, verschaalde, wankleurige kliekjes in de glazen, afval van kreeften, beenderen van kippen, en lillende geleien, die zich langzamerhand in eene lauwe slijmerige soep oplossen. Van het huwelijk is reeds evenzeer het mooi af als van het ontbijt. De dienstboden van Dombey moraliseeren er zooveel over, en zijn thuis bij hunne thee zoo ernstig, dat zij er niets goeds meer van wachten; en Perch, die tegen acht uur uit de City komt, frisch en vroolijk, met een wit vest en een comisch liedje, en een pleizierigen avond denkt te hebben, is verbaasd dat hij zeer koel wordt ontvangen, en zijne vrouw lang niet wel is, en hij den aangenamen plicht heeft om deze dame met den eersten omnibus naar huis te brengen.

Het wordt avond. Florence, die door het fraaie huis van het eene vertrek naar het andere heeft gezworven, zoekt hare eigene kamer op, waar de zorg van Edith haar met weelde en gemakken heeft omringd. Zij ontdoet zich van haar mooi nieuw kleedje, trekt haar eenvoudig rouwgoed voor den lieven Paul weder aan en gaat zitten lezen, terwijl Diogenes op den grond naast haar ligt te knipoogen. Maar Florence kan dien avond niet lezen. Het huis komt haar vreemd en nieuw voor, en klinkt zoo hol. Zij heeft eene zwaarte op het hart, zij weet niet waarom; maar het is haar benauwd. Florence slaat haar boek toe, en de ruige Diogenes, die dit voor een sein houdt, legt zijne pooten op haar schoot en wrijft zijne ooren tegen hare liefkoozende handen. Maar Florence kan hem weldra niet duidelijk meer zien, want er is een nevel tusschen hare oogen en hem, en haar gestorven broeder en moeder blinken daarin als engelen. Walter ook, die arme jongen, die zoo zwerven moet en misschien schipbreuk heeft geleden! o, waar is hij!

De majoor weet het niet, dat is zeker, en bekommert er zich niet om. De majoor, die den geheelen namiddag in een benauwden sluimer heeft gelegen, heeft in zijne club laat gedineerd en zit nu bij zijn pintje wijn, en maakt een bescheiden jongmensch aan het naaste tafeltje (die wel een goede som zou willen geven om te kunnen opstaan en heengaan, maar dit niet kan doen) bijna razend door zijne anekdoten van Bagstock, mijnheer, op Dombey’s bruiloft, en oude Joe’s verduiveld hartelijke vriend, Lord Feenix. Terwijl neef Feenix, die in zijn logement en in bed behoorde te zijn, integendeel aan de speeltafel zit, waarheen zijne eigenzinnige beenen hem misschien tegen wil en dank gebracht hebben.

De nacht, een reus gelijk, vult de kerk van den vloer tot aan het dak en voert heerschappij over de stille uren. De bleeke schemering komt weder door de vensters binnenkijken, maakt plaats voor den dag, ziet den nacht in de grafkelders vluchten, volgt hem en verdrijft hem, en verschuilt zich tusschen de dooden. De vreesachtige muizen kruipen weder weg als de groote deur slaat, en Sownds en jufvrouw Miff komen binnen en volgen den kring hunner dagelijksche bezigheden, effen en glad als een trouwring. Wederom staan de steek en het stemmige hoedje op den achtergrond, bij het uur van trouwen, en wederom neemt deze man deze vrouw, en deze vrouw dezen man, op de ernstige voorwaarden:

“Om te hebben en te houden, van dezen dag af en voortaan, voor beter of erger, voor rijker of armer, in ziekte en gezondheid, om lief te hebben en waard te houden, tot de dood hen scheidt.”

Dezelfde woorden die Carker, terwijl hij de stad inrijdt, met zijn mond zoo breed mogelijk uitgerekt, bij zich zelven herhaalt.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us