← Dombey en Zoon

LVIII. NA EEN TIJDSVERLOOP…

Part 10 of 10 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #74613, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (63)
  1. Opening under 1 min
  2. I. DOMBEY EN ZOON about 17 min
  3. II about 16 min
  4. III about 18 min
  5. IV about 19 min
  6. V. PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT about 30 min
  7. VI. PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID about 35 min
  8. VII about 9 min
  9. VIII. PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER about 34 min
  10. IX. DE HOUTEN ADELBORST KOMT IN ONGELEGENHEID about 23 min
  11. X about 20 min
  12. XI. PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD about 24 min
  13. XII. PAUL’S OPVOEDING about 31 min
  14. XIII. SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN about 19 min
  15. XIV about 42 min
  16. XV about 24 min
  17. XVI. WAT DE GOLVEN ALTIJD ZEIDEN about 9 min
  18. XVII. KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN about 18 min
  19. XVIII. VADER EN DOCHTER about 31 min
  20. XIX. WALTER VERTREKT about 22 min
  21. XX. DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS about 24 min
  22. XXI. NIEUWE GEZICHTEN about 17 min
  23. XXII. CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN about 32 min
  24. XXIII. FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG about 37 min
  25. XXIV. HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART about 20 min
  26. XXV. VERRASSEND NIEUWS VAN OOM SAM about 16 min
  27. XXVI. SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST about 25 min
  28. XXVII. DONKERDER SCHADUWEN about 28 min
  29. XXVIII. VERANDERINGEN about 17 min
  30. XXIX. HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN about 20 min
  31. XXX. DE BRUIDSDAGEN about 26 min
  32. XXXI. HET HUWELIJK about 28 min
  33. XXXII. DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW about 31 min
  34. XXXIII. CONTRASTEN about 23 min
  35. XXXIV. NOG EENE MOEDER EN DOCHTER about 20 min
  36. XXXV. HET GELUKKIGE PAAR about 21 min
  37. XXXVI. HET INWIJDINGSFEEST about 21 min
  38. XXXVII. WAARSCHUWINGEN about 19 min
  39. XXXVIII. JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP about 16 min
  40. XXXIX. VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE about 29 min
  41. XL. HUISELIJKE BETREKKINGEN about 28 min
  42. XLI. NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN about 18 min
  43. XLII. VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG about 26 min
  44. XLIII. DE NACHTWAKEN about 15 min
  45. XLIV. EENE SCHEIDING about 17 min
  46. XLV. DE VERTROUWELING about 13 min
  47. XLVI. HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN about 21 min
  48. XLVII. DE DONDERSLAG about 36 min
  49. XLVIII. FLORENCE’S VLUCHT about 19 min
  50. XLIX. DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING about 30 min
  51. L. WALTER EN TOOTS about 30 min
  52. LI. MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD about 14 min
  53. LII. GEHEIME BERICHTEN about 25 min
  54. LIII. NOG MEER BERICHTEN about 28 min
  55. LIV. DE VLUCHTELINGEN about 19 min
  56. LV. ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING about 22 min
  57. LVI about 38 min
  58. LVII. NOG EEN HUWELIJK about 14 min
  59. LVIII. NA EEN TIJDSVERLOOP about 26 min
  60. LIX. VERGELDING about 34 min
  61. LX. VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN about 20 min
  62. LXI. NOG EEN WEDERZIEN about 22 min
  63. LXII. BESLUIT about 10 min

Continue:

LVIII. NA EEN TIJDSVERLOOP

De zee had een geheel jaar lang hare getijden gehad. Een geheel jaar lang waren winden en wolken gekomen en gegaan, en had de tijd, in storm en zonneschijn, zijn rusteloozen arbeid verricht. Een geheel jaar lang hadden de getijden van het wisselend menschenlot den hun toegewezen loop gehouden. Een geheel jaar lang had het vermaarde kantoor van Dombey en Zoon voor zijn leven gestreden, tegen onverwachte tegenspoeden, nadeelige geruchten, ongelukkige waagstukken, ongunstige tijden, en vooral tegen de verdwaasdheid van den eigenaar, die zijne ondernemingen geene haarbreedte wilde inkrimpen, die naar geen woord van waarschuwing wilde luisteren, dat het schip, waarmede hij den storm wilde tarten, zwak was en het niet kon uithouden.

Het jaar was om, en het groote kantoor was gevallen.

Op een zomermiddag, omtrent een jaar na dat huwelijk in de City, werd er op de Beurs over een groot bankroet gemompeld. Zeker koud en trotsch man, daar welbekend, was er niet, en was door niemand vertegenwoordigd. Den volgenden dag hoorde men, dat het kantoor van Dombey en Zoon zijne betalingen had gestaakt, en den volgenden avond werd er eene lijst van bankroetiers uitgegeven, met dien naam bovenaan.

Nu had de wereld veel te zeggen. Het was eene onnoozele, lichtgeloovige, erg mishandelde wereld. Het was eene wereld, waarin men nog nooit van een ander soort van bankroeten had gehoord. Er waren geene voorname mannen in, die wijd en zijd handel dreven met valschen godsdienst, vaderlandsliefde, deugd en eer. Er was geen papier in omloop, waarvan iemand rijkelijk leefde, en waarbij groote sommen van braafheid werden beloofd, waarvoor geen kapitaal aanwezig was. Nergens kwam men ooit iets te kort behalve geld. De wereld was heel boos; en die menschen vooral, die men in eene slechtere wereld voor insolvente speculanten in vertooning en geveinsdheid had kunnen houden, waren ten hoogste verontwaardigd.

Nu werd Perch, den kantoorlooper, door het spel der omstandigheden eene nieuwe verzoeking tot losbandigheid aangeboden. Het scheen zijn lot te zijn, telkens wakker te moeten worden om zich beroemd te vinden. Pas gisteren, mocht men zeggen, was hij weder in het bijzondere leven afgedaald, na zijne vermaardheid door die vlucht en de daaropvolgende gebeurtenissen; en nu werd hij weder door dat bankroet tot een gewichtiger persoon dan ooit gemaakt. Van zijn bankje in het groote kantoor opstaande, waar hij nu naar de vreemde gezichten zat te kijken, die spoedig bijna al de oude klerken vervingen, behoefde Perch zich maar op straat of voor de toonbank van het Koninklijke Wapen te vertoonen, om eene menigte vragen te hooren, waaronder bijna zeker de belangrijke vraag voorkwam, wat hij te drinken wilde hebben. Dan weidde Perch uit over de uren van hooggaanden angst, die hij en zijne vrouw te Ball’s Pond hadden doorgestaan, toen zij pas begonnen te vermoeden, dat “de zaak niet goed ging.” Dan vertelde Perch de hem aangapende luisteraars, met eene zachte stem, alsof het lijk van het overledene kantoor nog onbegraven in de naaste kamer lag, hoe jufvrouw Perch het eerst was begonnen te vermoeden, dat de zaak niet goed ging, door dat zij hem (Perch) in zijn slaap had hooren kermen: “Zestig percent! Zestig percent!” Welk onrustig droomen en slaapspreken hij vermoedde dat ontstaan moest wezen uit den indruk, dien de verandering in mijnheer Dombey’s gezicht op hem maakte. Dan onderrichtte hij hun hoe hij eens gezegd had: “Mag ik zoo vrij zijn om te vragen, mijnheer, is uw gemoed niet gerust?” en hoe mijnheer Dombey had geantwoord: “Mijn trouwe Perch—maar neen, het kan niet zijn!” en zich toen met de hand voor het voorhoofd had geslagen en gezegd: “Verlaat mij, Perch!” Dan, kortom, vertelde Perch, als slachtoffer van zijne positie, eene menigte van allerhande logens, zich zelven tot tranen roerende door diegene, die van een aandoenlijken aard waren, en werkelijk geloovende, dat de verzinsels van gisteren, door de herhaling, vandaag eene soort van waarheid kregen.

Perch besloot deze mededeelingen altijd door weemoedig aan te merken, dat, natuurlijk, wat hij ook mocht vermoed hebben (alsof hij ooit iets vermoed had) het hem niet voegde het vertrouwen van zijn patroon te verraden—deed het wel? Welk gezegde (daar er crediteuren bij waren) altijd gehouden werd zijn gevoel tot eer te strekken. Zoo ging hij doorgaans met een gebalsemd geweten heen en liet hij een aangenamen indruk achter, als hij weder naar zijn bankje terugkeerde, om daar naar de vreemdelingen te zitten kijken, die zoo vrij met die groote geheimen, de boeken, omgingen, of nu en dan op de teenen naar Dombey’s ledige kamer te sluipen en het vuur op te poken, of aan de deur een luchtje te scheppen en nog een treurig praatje met een bekenden voorbijganger te houden, of zich door kleine beleefdheden den voornaamsten der vreemde indringers te vriend te maken, van wien hij een postje bij eene assurantiemaatschappij verwachtte, als de zaken van het kantoor geliquideerd waren.

Voor majoor Bagstock was het bankroet wezenlijk eene ramp. De majoor had niet veel gevoel voor anderen—al zijne aandacht was op J. B. gevestigd en hij was ook aan niet veel gemoedsbewegingen onderhevig, of men moest hoesten en hijgen gemoedsbewegingen kunnen noemen. Maar hij had in zijne club zoodanig met zijn vriend Dombey gepronkt, en de leden in het algemeen zoo dikwijls zijn rijkdom naar het hoofd gegooid, dat de club, die toch maar menschelijk was, er in juichte dit den majoor nu betaald te kunnen zetten, door hem met eene vertooning van groote meewarigheid te vragen, of hij dien geweldigen tuimel ook eenigszins verwacht had, en hoe zijn vriend Dombey zich daaronder hield. Op al zulke vragen antwoordde de majoor, purperrood wordende, dat het eene booze wereld was, mijnheer; dat Joey anders zijn weetje wel wist, maar zich had laten foppen als een kind; dat, als gij J. Bagstock dit voorspeld hadt, toen hij met Dombey op reis ging en dien vagebond door geheel Frankrijk najoeg, J. Bagstock u zou hebben uitgelachen—uitgelachen, mijnheer. Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was; zoo zelfs, dat als Joe’s vader morgen uit zijn graf opstond, hij den ouden heer voor geen stuiver zou vertrouwen, maar hem zou zeggen dat zijn zoon Josh een te oud soldaat was om zich nog eens te laten beetnemen, mijnheer. Dat hij een achterdochtige, knorrige, versletene, ongeloovige ijzervreter was, mijnheer; en dat, als het met het fatsoen van een ruwen en taaien majoor van de oude school strookte, die de eer had gehad persoonlijk bekend te zijn en geprezen te worden met en door Hunne Koninklijke Hoogheden de Hertogen van York en Kent, om in eene ton te kruipen en daarin te blijven wonen, hij waarachtig, mijnheer, morgen eene ton in Pall Mall zou laten zetten, om zijne verachting voor het menschdom te toonen.

Dit alles, en nog vele variatiën van hetzelfde deuntje, ontboezemde de majoor met zulke beroerteachtige verschijnselen, zulk een rollen van zijn hoofd, en zulk een gebrom van verontwaardiging en kwaadheid, dat de jongste leden der club zich verbeeldden, dat hij geld in het kantoor van zijn vriend Dombey gezet en dit verloren had; maar de oudere en slimmere leden, die Joe beter kenden, wilden daarvan niet hooren. De ongelukkige inboorling, die geen gevoelen daaromtrent uitte, had schrikkelijk veel te lijden, niet alleen in zijn zedelijk gevoel, dat op ieder uur van den dag door den majoor gemarteld werd, maar ook in zijne lichamelijke gevoeligheid voor stompen en builen, waarvoor hij gedurig blootstond. Zes geheele weken lang na het bankroet leefde de ongelukkige buitenlander in een regentijd van laarzentrekkers en borstels.

Mevrouw Chick had ten aanzien van dit schrikkelijk onheil drie denkbeelden. Het eerste was, dat zij het niet begrijpen kon. Het tweede, dat haar broeder zich niet ingespannen had. Het derde, dat het nooit gebeurd zou zijn, als zij op den dag dier eerste partij op het diner was gevraagd, en dat zij dit toen gezegd had.

Niemands gevoelen weerde het ongeluk af, verlichtte of verzwaarde het. Men vernam dat de zaken van het kantoor zoo goed het gaan wilde geliquideerd zouden worden; dat mijnheer Dombey vrijwillig al wat hij bezat had afgestaan en van niemand eenige gunst wilde hebben. Dat er aan geen weder opvatten van de zaken te denken was, daar hij van geene schikking tot dat einde wilde hooren; dat hij alle posten van eer en vertrouwen, die hij, als een man van aanzien onder de kooplieden, bekleedde, had neergelegd; dat hij doodziek was, volgens sommigen; dat hij tot eene zwaarmoedige waanzinnigheid was vervallen, volgens anderen; dat hij geheel geruïneerd was, volgens allen.

De klerken verstrooiden zich, nadat zij onder elkander een condoleantie-dineetje hadden gegeven, waarbij comische liedjes werden gezongen, en waarbij men zich uitmuntend vermaakte. Sommige kregen eene andere betrekking buitensland, sommige op een ander kantoor thuis; sommige gingen familiebetrekkingen opzoeken, voor welke zij zich eensklaps herinnerden eene bijzondere genegenheid te hebben; en sommige adverteerden in de couranten om eene plaats. Perch bleef van het geheele personeel alleen over, en zat op zijn bankje naar de vreemde indringers te kijken, of sloofde zich uit om den voornaamsten daarvan, die hem aan een postje bij de assurantiemaatschappij zou helpen, te believen. Spoedig begon het kantoor er smerig en verwaarloosd uit te zien. De koopman in pantoffels en halsbanden, op den hoek, zou getwijfeld hebben of het hem wel voegde om nu nog naar den rand van zijn hoed te wijzen, als Dombey zich daar weder had vertoond; de kruier, met zijne handen onder zijn wit sloofje, hield zedekundige bespiegelingen over den hoogmoed, waarvan het spreekwoord, naar zijne gedachten, niet te vergeefs zeide dat hij voor den val komt.

Morfin, de oude vrijer met grijzende haren en bakkebaarden, was misschien de eenige van het kantoor—het hoofd daarvan natuurlijk uitgezonderd—die waarlijk diep getroffen was door de ramp, welke het overkomen was. Hij had Dombey vele jaren lang met genoegzamen eerbied behandeld, maar nooit zijn natuurlijk karakter ontveinsd, of tot eigen voordeel laaggeestig zijn heerschenden hartstocht gevleid. Hij had derhalve geene zelfverachting te wreken, geene lang knellende banden los te rukken. Hij werkte vroeg en laat om alles te verduidelijken wat in de boeken duister en ingewikkeld was; hield zich altijd gereed om op te helderen wat opheldering noodig had; zat dikwijls des avonds laat nog in zijne oude kamer op moeielijkheden te studeeren, door welker oplossing hij Dombey de onaangenaamheid kon besparen van persoonlijk ondervraagd te worden; en ging dan naar zijne woning te Islington om, eer hij naar bed ging, zijn gemoed tot kalmte te brengen door de treurigste en weemoedigste klanken uit zijne violoncel te halen.

Hij zat zich eens op een avond, toen het verloop van den dag hem bijzonder ontmoedigd had, met het welluidend gebrom der zwaarste tonen te troosten, toen zijne huiswaardin (die gelukkig doof was, en geene andere bewustheid had van zijne muziek dan door het gevoel van een dreunen door haar gebeente) hem kwam zeggen, dat er eene dame was om hem te spreken.

“In den rouw,” zeide zij.

De violoncel zweeg onmiddellijk, en nadat de speler dit instrument zeer behoedzaam op de sofa had gelegd, gaf hij een teeken, dat de dame mocht binnenkomen. Hij ging zelf terstond naar buiten en ontmoette Harriët Carker op het portaal.

“Alleen!” zeide hij. “En John van morgen nog hier? Is er iets gebeurd, lieve? Maar neen,” voegde hij er bij, “uw gezichtje zegt heel wat anders.”—“Ik vrees dan dat het iets zeer eigenlievends verraadt,” antwoordde zij.—“Het staat heel vergenoegd,” zeide hij, “en als het eigenliefde verraadt, is dat, als wat nieuws, wel de moeite waard om bij u te zien. Maar ik geloof dat niet.”

Hij had nu een stoel voor haar gezet, en plaatste zich tegenover haar, terwijl de violoncel op de sofa tusschen hen in lag.

“Het zal u niet verwonderen dat ik alleen kom, of dat John u niet gezegd heeft dat ik zou komen,” zeide Harriët, “en zult gij dat wel gelooven, als ik u zeg waarom ik kom. Mag ik dat nu doen?”—“Gij kunt niet beter.”—“Waart ge niet bezig?”

Hij wees naar de violoncel en zeide: “Dat ben ik den geheelen dag geweest. Hier is mijn getuige. Ik heb hem al mijne zorgen toevertrouwd. Ik wenschte dat ik er geen had dan voor mij zelven.”—“Is het geheel ten einde met het kantoor?”—“Geheel ten einde.”—“Zal het nooit weer worden hervat?”—“Nooit.”

De heldere uitdrukking van haar gezichtje werd niet verduisterd, toen hare lippen dit woord herhaalden. Hij scheen dit met eenige verwondering onwillekeurig op te merken en zeide nog eens:

“Nooit. Gij herinnert u wel wat ik gezegd heb. Het is sedert lang onmogelijk geweest hem van iets te overtuigen, onmogelijk met hem te redeneeren; somtijds onmogelijk hem te naderen. Het ergste is gebeurd. Het huis is gevallen om nooit weer opgebouwd te worden.”—“En is mijnheer Dombey zelf geruïneerd?”—“Geruïneerd.”—“Heeft hij geen bijzonder vermogen over? Niets?”

Zekere drift in haar toon en iets dat bijna blijdschap was in haar blik, scheen hem meer en meer te verwonderen, en hem tevens te leur te stellen en wanluidend met zijn eigen gevoel te strijden. Hij trommelde met zijne vingers op de tafel, zag haar oplettend aan, schudde zijn hoofd en zeide, na eene poos:

“De middelen van mijnheer Dombey zijn mij niet nauwkeurig bekend; maar hoewel zij ontwijfelbaar zeer groot zijn, zijn daarentegen zijne verplichtingen ontzettend. Hij is een man van eer en strenge rechtschapenheid. Een ander in zijne positie had zich kunnen redden, en menigeen zou dat gedaan hebben, door een accoord te maken, dat het verlies van hen, die zaken met hem hadden gedaan, maar zeer weinig, bijna onmerkbaar, zou vergroot hebben, en waardoor hij iets zou hebben overgehouden om van te leven. Maar hij heeft besloten den laatsten penning te betalen, die zijne middelen kunnen opbrengen. Zijne eigene woorden zijn, dat hij alle schulden van het kantoor geheel of bijna geheel zal afdoen, en dat niemand veel kan verliezen. O, jufvrouw Harriët, het zou ons geen kwaad doen, als wij meer bedachten, dan wij dit wel doen, dat ondeugden somtijds maar tot een uiterste gedrevene deugden zijn! Nu vertoont zijn trots zich van den goeden kant.”

Zij hoorde hem aan met geen of weinig verandering in hare trekken, en met eene verdeelde aandacht, die bewees, dat zij aan iets anders dacht. Toen hij zweeg, vroeg zij hem haastig:

“Hebt gij hem binnen kort gezien?”—“Niemand ziet hem. Als deze crisis van zijne zaken hem noodzaakt om zijn huis te verlaten, gaat hij om die reden uit, en dan weder naar huis, en sluit zich op, en wil niemand zien. Hij heeft mij een brief geschreven, waarin hij van onze vroegere betrekking spreekt, met meer eer voor mij dan ik verdiende, en afscheid van mij neemt. Ik ben huiverig, om mij nu aan hem op te dringen, daar ik in betere tijden nooit veel omgang met hem gehad heb; maar ik heb toch beproefd dat te doen. Ik heb geschreven, ben daar naar toe gegaan, heb gebeden. Geheel vruchteloos.”

Hij sloeg haar gade, als hoopte hij dat zij meer meewarigheid aan den dag zou leggen, dan zij nog gedaan had, en sprak met ernst en gevoel, als om meer indruk op haar te maken; maar hare trekken veranderden niet.

“Wel, jufvrouw Harriët,” zeide hij met een gezicht vol teleurstelling, “dat doet er niet toe. Gij zijt hier gekomen om dit te hooren. Gij hebt iets anders en aangenamers in uwe gedachten. Laat het ook in de mijne komen, dan zullen wij meer op gelijken voet met elkander praten. Kom aan.”—“Neen, wij hebben hetzelfde in onze gedachten,” antwoordde Harriët met onbewimpelde verrassing. “Is dat niet waarschijnlijk? Is het niet natuurlijk, dat John en ik veel denken en spreken over die groote veranderingen? Mijnheer Dombey, dien hij zoovele jaren gediend heeft—gij weet op welken voet—zoo arm geworden als gij zegt, en wij rijk!”

Welk een goed en oprecht gezichtje zij ook had, beviel het den ouden vrijer met grijzend haar thans, nu deze straal van blijdschap het verhelderde, toch minder dan het hem ooit had bevallen.

“Ik behoef u niet te herinneren,” vervolgde Harriët, hare oogen neerslaande naar haar zwart kleed, “waardoor onze omstandigheden zoo veranderd zijn. Gij hebt niet vergeten, dat onze broeder James, op dien schrikkelijken dag, geen testament naliet en geene bloedverwanten behalve ons?”

Het gezichtje was hem nu aangenamer, schoon het bleek en treurig werd, dan een oogenblik geleden. Hij scheen vrijer adem te halen.

“Gij kent onze geschiedenis,” zeide zij, “de geschiedenis van mijne beide broeders, in betrekking tot dien ongelukkigen man, van wien gij zoo naar waarheid hebt gesproken. Gij weet, hoe weinig behoeften wij hebben—John en ik—en hoe weinig het geld ons kan baten, na het leven, dat wij zoovele jaren te zamen hebben geleid; vooral nu hij, door uwe goedheid, een inkomen heeft, dat ruim genoeg voor ons is. Gij zijt dus niet onvoorbereid om te hooren, welke gunst ik van u kom vragen?”—“Dat weet ik haast niet. Een oogenblik geleden was ik het wel. Nu geloof ik van neen.”—“Van mijn dooden broeder zeg ik niets. Als de dooden weten wat wij doen—maar gij verstaat mij. Van mijn levenden broeder zou ik veel kunnen zeggen, maar wat behoef ik meer te zeggen, dan dat die plichtvervulling, waartoe ik uwe onmisbare hulp kom vragen, geheel zijne gedachte is, en hij niet kan rusten voordat hij ze volbracht heeft.”

Zij sloeg hare oogen neder, en de blijdschap, die haar gezicht verhelderde, begon nu voor de oplettende oogen, die haar gadesloegen, iets schoons te krijgen.

“Het moet zeer stil en geheim gedaan worden,” vervolgde zij. “Uwe kunde en ondervinding zullen u wel een weg aanwijzen om het te doen. Mijnheer Dombey zal misschien in de meening kunnen gebracht worden, dat er onverwacht nog iets uit de schipbreuk van zijn vermogen is gered; of dat het eene vrijwillige hulde aan zijn eervol karakter is van sommigen, met wie hij groote zaken heeft gedaan; of dat het de betaling van eene lang uitgeschrapte schuld is. Er moeten vele manieren zijn om het te doen. Gij zult de beste wel weten te kiezen. De gunst, die ik van u kom vragen, is dat gij dit voor ons op uwe eigene vriendelijke, edele, bedachtzame manier wilt doen. Dat gij er nooit van tegen John wilt spreken, wiens grootste genoegen in deze daad van vergoeding is, ze onbekend en ongeprezen te verrichten; dat maar een zeer klein gedeelte der erfenis voor ons bewaard zal worden, totdat mijnheer Dombey zijn leven lang de interest van het overige zal genoten hebben; dat gij ons geheim getrouw zult bewaren—maar daarvan ben ik zeker; en dat er van dezen tijd af tusschen u en mij maar zelden van gefluisterd mag worden, maar het alleen in mijne gedachten mag leven, als eene nieuwe reden tot dankbaarheid aan den hemel, en tot blijde trotschheid op mijn broeder.”

Zulk eene blijdschap kon van het gelaat van een engel stralen, wanneer één boetvaardig zondaar den hemel binnentreedt, onder negen en negentig rechtvaardigen. Zij werd niet beneveld door de tranen, die hare oogen vulden, maar blonk daardoor nog te helderder uit.

“Mijne lieve Harriët,” zeide Morfin, na eene poos van stilte, “daarop was ik geheel niet verdacht. Moet ik verstaan, dat gij uw eigen aandeel in de erfenis aan uw goed oogmerk dienstbaar wilt maken, evenals dat van John?”—“O ja,” antwoordde zij. “Nu wij zoolang alles te zamen hebben gedeeld, en geene zorg of hoop of doel van elkander afgescheiden hebben gehad, zou ik het nu kunnen dragen, dat ik van mijn deel hierin werd uitgesloten? Mag ik niet vorderen, tot het laatste toe mijn broeders deel- en lotgenoote te zijn?”—“De hemel verhoede, dat ik dat zou betwisten,” antwoordde hij.—“Wij mogen ons dus op uwe vriendschappelijke hulp verlaten?” zeide zij, “Dat wist ik ook wel.”—“Ik zou een slechter mensch wezen—dan ik hoop te zijn, of mij zelve gaarne voor zou houden, als ik u dat niet met hart en ziel kon verzekeren. Dat moogt gij, zonder bedenken. Op mijne eer, ik zal uw geheim bewaren. En als het blijken mocht, dat mijnheer Dombey zoo arm is, als ik vrees dat blijken zal, wanneer hij bij een voornemen blijft, waarvan niemand hem schijnt te kunnen afbrengen, zal ik u helpen om het plan uit te voeren, waartoe gij en John gemeenschappelijk besloten hebt.”

Zij gaf hem hare hand en dankte hem met hartelijke blijdschap.

“Harriët,” zeide hij, hare hand vasthoudende, “u een woord te zeggen van de waarde van eenige opoffering, die gij nu doen kunt—vooral van eene opoffering van enkel geld—zou nutteloos en aanmatigend zijn. U te vermanen om u nog eens op uw voornemen te bedenken, of het binnen engere grenzen te beperken, zou, dat gevoel ik, dit evenzeer wezen. Het voegt mij niet, het groote slot eener groote geschiedenis te bederven door iemand mijn eigen zwak begrip te willen opdringen. Het voegt mij alleen, mijn hoofd te buigen voor wat gij mij toevertrouwt, overtuigd, dat het u door iets hoogers wordt ingegeven, dan mijne ellendige wereldkennis. Ik wil dit alleen zeggen; ik ben uw getrouwe rentmeester; en ik wil dat, en uw uitverkoren vriend, liever zijn, dan ik iets anders in de wereld zou kunnen wezen, of ik moest u zelve kunnen zijn.”

Zij dankte hem nog eens hartelijk en wenschte hem goedennacht.

“Gaat gij naar huis?” zeide hij. “Laat mij met u meegaan.”—“Van avond niet. Ik ga nu niet naar huis. Ik moet nog alleen een bezoek brengen. Zult gij morgen komen?”—“Goed, goed,” zeide hij. “Ik zal morgen komen. Ondertusschen zal ik eens daarover denken. Misschien zult gij er ook over denken, lieve Harriët—en—en een weinigje aan mij denken in verband daarmede.”

Hij hielp haar in eene koets, die haar voor de deur stond te wachten; en als zijne huiswaardin niet doof was geweest, had zij hem, terwijl hij weder naar boven ging, hooren mompelen, dat wij slaven der gewoonte zijn, en dat het eene treurige gewoonte is een oud vrijer te zijn.

Daar de violoncel nog tusschen de twee stoelen op de sofa lag, nam hij dat instrument op, zonder den ledigen stoel weg te zetten, en zat, zijn hoofd schuddende tegen den ledigen stoel, nog lang, zeer lang te zagen. De uitdrukking, die hij in het eerst aan zijn instrument mededeelde, schoon weemoedig en aandoenlijk, was nog niets bij de uitdrukking, die hij aan zijn eigen gezicht gaf, en die zoo sterk was, dat hij meer dan eens kapitein Cuttle’s hulpmiddel moest te baat nemen en zijn gezicht met zijne mouw afvegen. Langzamerhand evenwel ging de violoncel, in overeenstemming met zijn eigen gemoed, tot de vroolijke tonen van den Zangerigen Hoefsmid over, welke melodie hij nogmaals en nogmaals overspeelde, tot zijn eigen verhelderd gezicht blonk gelijk het metaal op het aanbeeld van een echten hoefsmid. Kortom, de violoncel en de ledige stoel hielden den ouden vrijer gezelschap tot dicht bij middernacht; en toen hij zijn avondmaal gebruikte, scheen de violoncel, in den hoek der sofa overeindgezet, uit zijne kromme oogholten tegen den ledigen stoel te lonken, alsof beide meer wisten dan zij konden zeggen.

Toen Harriët het huis verliet, reed de voerman der huurkoets, een weg inslaande die hem blijkbaar niet nieuw was, verscheidene straten in die voorstad door, tot hij aan eene opene plek kwam, waar, tusschen tuinen, eenige nederige oude huisjes stonden. Aan het tuinhek van een dier huisjes hield hij op en stapte Harriët af.

Toen zij zacht aanschelde, werd haar opengedaan door eene vrouw met een beklaaglijk, bijna kleurloos gezicht, opgetrokkene wenkbrauwen en het hoofd op zijde hangende, die diep voor haar neeg en haar door den tuin naar het huis bracht.

“Hoe is het met de zieke van avond?” zeide Harriët.—“Heel min, vrees ik, jufvrouw. O, hoe dikwijls doet zij mij aan mijn ooms Betsey Jane denken!” antwoordde de vrouw met zekere treurige verrukking.—“In welk opzicht?” vroeg Harriët.—“In alle opzichten, jufvrouw,” was het antwoord, “behalve dat zij volwassen is, en Betsey Jane, toen zij op den oever van den dood lag, nog maar een kind was.”—“Maar gij hebt mij verteld dat zij beter werd,” merkte Harriët aan, “en dus is er des te meer reden om te hopen, jufvrouw Wickam.”—“Och, jufvrouw, hoop is iets heel goeds voor menschen, die ze verdragen kunnen,” zeide jufvrouw Wickam, haar hoofd schuddende. “Ik ben er niet toe in staat, maar ik mag het toch wel lijden. Ik benijd zelfs de menschen, die zoo gelukkig zijn.”—“Gij moest wat vroolijker wezen,” merkte Harriët aan.—“Wel bedankt, jufvrouw, inderdaad,” antwoordde jufvrouw Wickam zeer stroef. “Al wilde ik dat, dan zou de eenzaamheid van mijn post hier—gij zult mij niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij spreek—mij dat toch binnen vier en twintig uren onmogelijk maken. Maar dat is nog niet alles. Ik wilde liever niet. Van het weinigje moed, dat ik er ooit toe had, ben ik eenige jaren geleden te Brighton beroofd, en ik geloof dat het zoo beter voor mij is.”

Het was dezelfde jufvrouw Wickam, die jufvrouw Richards als verzorgster van den kleinen Paul had vervangen, en die nu meende, dat zij door het bedoelde verlies, onder het dak der beminnelijke mevrouw Pipchin, inderdaad gewonnen had. De uitmuntende, door lange gewoonte geheiligde, methode, volgens welke doorgaans de akeligste en onaangenaamste menschen, die men met mogelijkheid vinden kan, tot ziekenoppassters en dergelijke betrekkingen worden verkozen, had jufvrouw Wickam eene zeer goede klandizie in dat vak bezorgd, en deed hare ernstige denkwijs als eene aanbeveling te meer beschouwen.

Jufvrouw Wickam, ging, met opgetrokkene wenkbrauwen, het hoofd op zijde en het licht in de hand, vooruit naar boven naar eene nette, zindelijke kamer, waaraan eene andere flauw verlichte kamer grensde, waarin een bed stond. In de eerste kamer zat eene oude vrouw voor het opene venster werktuiglijk in de duisternis te staren. In de tweede lag, op het bed uitgestrekt, de schim van eene gedaante, die eens op een winteravond den stormwind en den regen tartte, nu nauwelijks te herkennen, behalve aan het lange zwarte haar, dat zoo bijzonder zwart scheen bij het bleeke gezicht en al het witte in het rond.

O, die sterke oogen en dat zwakke lichaam! Die oogen, die zich snel en helder naar de deur keerden toen Harriët binnenkwam, en dat zwakke hoofd, dat zich niet kon opbeuren en zich zoo langzaam op het kussen omdraaide!

“Alice!” zeide Harriët vriendelijk. “Kom ik niet laat van avond?”—“Het schijnt altijd laat, maar gij komt toch altijd vroeg.”

Harriët had zich nu bij het bed neergezet, en legde hare hand op de uitgeteerde hand, die op het dek lag.

“Ge zijt wat beter?”

Jufvrouw Wickam, die als een naargeestig spook aan het einde van het bed stond, schudde zeer krachtig haar hoofd om dit vermoeden tegen te spreken.

“Het komt er weinig op aan,” zeide Alice met een flauwen glimlach. “Beter of erger vandaag, maakt maar een dag verschil—misschien zooveel niet eens.”

De ernstig denkende jufvrouw Wickam gaf door een zwaren zucht hare goedkeuring te kennen; en nadat zij het dek aan het voeteneinde had betast, als dacht zij de koude voeten van de lijderes daardoor heen te voelen, ging zij wat met de medicijnfleschjes op de tafel rinkelen, als wilde zij zeggen: “zoolang er leven is, moet men toch innemen.”

“Neen,” fluisterde Alice, “slecht gedrag en wroeging, vermoeienis, gebrek, weer en wind, storm van buiten en storm van binnen, hebben mijn leven versleten. Het zal niet lang meer duren.”

Zij trok, zoo sprekende, de hand hooger op en legde haar gezicht daartegen.

“Ik lig hier somtijds te denken, dat ik gaarne zou willen leven tot ik tijd had gehad, om u te toonen hoe dankbaar ik zou kunnen zijn. Maar dat is eene zwakheid en gaat gauw voorbij. Het is beter zóó voor u. Beter voor mij.”

Hoe geheel anders vatte zij de hand, dan zij eens bij dien haard op dien barren winteravond had gedaan. Haat, woede, roekeloosheid, halsstarrigheid—zie hier wat er van komt. Dit is het einde.

Nadat jufvrouw Wickam genoeg met de fleschjes had gerinkeld, kwam zij nu met het drankje aan. Zij keek de lijderes scherp aan terwijl zij dronk, kneep haar mond daarbij dicht en schudde haar hoofd, om aan te duiden, dat geene martelingen haar konden doen zeggen, dat het een hopeloos geval was. Daarna ging zij heen om zich beneden met wat gebak te versterken.

“Hoelang is het geleden,” zeide Alice, “dat ik bij u kwam en u zeide wat ik gedaan had, en gij onderricht werdt, dat het te laat was om iemand na te zenden?”—“Over het jaar,” antwoordde Harriët.—“Over het jaar,” zeide Alice, haar peinzend aanziende. “Maanden aan maanden sedert gij mij hier gebracht hebt!”

Harriët antwoordde: “Ja!”

“Mij hier gebracht hebt met geweld van goedheid en zachtheid! Mij!” zeide Alice, haar gezicht achter de hand verbergende. “En mij tot een mensch hebt gemaakt door de oogen en woorden van eene vrouw en de daden van een engel!”

Harriët, over haar heengebogen, poogde haar te bedaren en te troosten. Weldra vroeg Alice, nog zoo liggende, met die hand tegen haar gezicht, om hare moeder te roepen.

Harriët riep haar meer dan eens, maar de oude vrouw was zoo verdiept in haar turen in de duisternis, dat zij niet hoorde. Eerst toen Harriët naar haar toe ging en haar aanraakte, stond zij op en kwam.

“Moeder!” zeide Alice, die hand weder vattende, en hare glansrijke oogen liefdevol op hare weldoenster vestigende; “zeg haar wat gij weet.”—“Van avond, liefje?”—“Ja, moeder,” antwoordde Alice, zacht en plechtig. “Vanavond.”

De oude vrouw, wier verstand door angst of wroeging gekrenkt scheen te zijn, kwam naar het bed gekropen, aan den kant tegenover dien, waar Harriët zat; en daar neerknielende, zoodat zij haar gerimpeld gezicht op gelijke hoogte met het dek bracht, en hare hand uitstekende, zoodat zij Alice’s arm aanraakte, begon zij:

“Mijne mooie dochter—”

Hemel, welk een kreet was dat, waarmede zij zich stuitte, toen zij de gedaante in dat bed aanzag!

“Al lang geleden veranderd, moeder,” zeide Alice zonder haar aan te zien. “Maak u daarom nu niet meer bedroefd.”—“Mijne dochter,” zeide de oude vrouw haperend, “die gauw weer beter zal worden, en ze dan allen beschaamd zal maken met haar mooi.”

Alice zag Harriët met een treurigen glimlach aan, en streelde die hand, maar zeide niets.

“Die gauw weer beter zal worden, zeg ik,” herhaalde de oude vrouw, dreigende hare dorre vuist schuddende, “en ze dan allemaal beschaamd maken met haar mooi—dat zal zij. Ik zeg dat zij zal—dat moet zij,” als sprak zij met hartstochtelijke drift tegen een onzichtbaar persoon bij het bed, die haar tegensprak. “Mijne dochter is verzaakt en verbannen, maar zij kon op hare bloedverwantschap op groote lieden roemen, als zij wilde. Ja, op groote trotsche lieden! Er bestaat ook bloedverwantschap zonder uwe geestelijken en trouwringen—zij maken ze, maar zij kunnen ze niet breken—en mijne dochter is van goede familie. Wijs mij mevrouw Dombey, en gij wijst mij Alice’s volle nicht.”

Harriët zag van de oude vrouw naar de glanzige oogen, die haar aanstaarden, en las daarin eene bevestiging.

“Wat!” riep de oude vrouw, met akelige ijdelheid haar hoofd oprichtende. “Al ben ik nu oud en leelijk—maar toch veel ouder door mijne manier van leven dan door mijne jaren—ik ben eens zoo jong geweest als iemand. Ja, en zoo mooi ook als velen! Ik was een frisch boerenmeisje in mijn tijd, liefje,” haar arm over het bed naar Harriët uitstrekkende, “en zag er goed uit. Waar ik woonde waren mevrouw Dombey’s vader en zijn broeder de vroolijkste heeren, die daar van Londen kwamen logeeren—maar zij zijn al lang dood! och Heere! al heel lang. De broeder, die mijn Ally’s vader was, al het langst van de twee.”

Zij lichtte haar hoofd op en zag hare dochter turend aan, als bracht de herinnering harer eigene jeugd haar op die van haar kind. Toen viel zij eensklaps met haar gezicht op het bed, en klemde haar hoofd tusschen hare handen.

“Zij geleken zoo sterk op elkander,” zeide de oude vrouw, zonder op te zien, “als twee broeders maar konden doen, zoo gelijk van jaren—zij scheelden niet veel meer dan een jaar, herinner ik mij—en als gij mijne dochter hadt kunnen zien, zooals ik haar eens gezien heb, vlak naast de dochter van dien anderen, zoudt gij, met al het verschil van kleeding en manieren, gezien hebben, dat zij op elkander geleken. O, de gelijkenis is weg—en het is mijne dochter—mijne dochter alleen—die zoo moest veranderen!”—“Wij zullen allen veranderen, moeder, op onze beurt,” zeide Alice.—“Beurt!” riep de oude vrouw. “Maar waarom niet hare beurt even gauw als mijn dochters beurt! De moeder moet veranderd zijn—zij zag er even oud en gerimpeld uit als ik, door haar blanketsel heen—maar zij was mooi gebleven. Wat heb ik gedaan, wat heb ik erger gedaan dan die andere, dat mijne dochter alleen daar moet liggen verkwijnen!”

Met een woesten gil liep zij naar de kamer, waaruit zij gekomen was; maar terstond weder in eene andere stemming komende, keerde zij weerom, kroop naar Harriët toe en zeide:

“Dat is het wat Alice wilde, dat ik zou zeggen, liefje. Dat is alles. Ik ontdekte het eens op een zomer in Warwickshire, toen ik haar zag en vroeg wie zij was. Zulke bloedverwanten konden mij toen niet baten. Zij zouden mij niet erkend hebben en hadden mij niets te geven. Ik zou ze misschien naderhand toch om een beetje geld hebben gevraagd, als het niet om Alice was geweest; zij zou mij vermoord hebben, geloof ik, als ik het gedaan had. Zij was zoo trotsch als die andere op hare manier,” zeide de oude vrouw, vreesachtig het gezicht harer dochter aanrakende en daarop hare hand terugtrekkende, “al houdt zij zich nu zoo bedaard; maar zij zal ze toch nog beschaamd maken met haar mooi. Ha, ha! zij zal ze beschaamd maken—mijne mooie dochter!”

De lach, waarmede zij heenging, was akeliger dan haar gillen; akeliger dan het kinderachtig gejammer, dat daarop volgde; akeliger dan de sufheid, waarmede zij zich weder op haar stoel zette en in de duisternis staarde.

De oogen van Alice waren al dien tijd op Harriët gevestigd gebleven, welker hand zij niet had losgelaten. Nu zeide zij:

“Terwijl ik hier lag, dacht ik dikwijls dat ik u dit gaarne wilde doen weten. Het kon, dacht ik, iets verklaren, dat er toe bijdroeg om mij te verharden. Ik had, onder mijn kwaad doen, zooveel van mijne verwaarloosde plichten gehoord, dat ik begon te gelooven dat anderen integendeel hun plicht jegens mij hadden verzuimd, en dat er van het zaad, dat zij gezaaid hadden, geen andere oogst kon groeien. Ik meende te zien dat, wanneer dames eene slechte moeder en een onaangenaam leven hadden, zij op hare manier ook den slechten weg opgingen, maar dat hare manier niet zoo schandelijk was als de mijne, en dat zij daarvoor God mochten danken. Dat is alles voorbij. Het is nu als een droom, dien ik mij niet goed meer kan herinneren. Het heeft meer en meer naar een droom gaan gelijken, sedert den dag toen gij begonnen zijt hier bij mij te zitten en voor mij te lezen. Ik zeg het u maar, zooveel ik mij herinner. Wilt ge nog wat voor mij lezen?”

Harriët trok hare hand terug om het boek open te slaan, toen Alice die nog even vasthield.

“Gij zult mijne moeder niet vergeten? Ik vergeef haar, als ik reden daartoe heb. Ik weet dat zij mij vergeeft, en dat zij in haar hart bedroefd is. Gij zult haar niet vergeten?”—“Nooit, Alice!”—“Een oogenblik nog. Leg mijn hoofd zoo, lieve, dat ik, als gij leest, de woorden op uw vriendelijk gezicht kan zien.”

Harriët voldeed aan dit verlangen en las—las uit het eeuwige boek voor alle vermoeiden en zwaar beladenen, voor al de rampzaligen, gevallenen en verwaarloosden dezer aarde—las de gezegende geschiedenis, waarin de blinde, de lamme, de kreupele bedelaar, de misdadiger, de vrouw met schande bevlekt, zij, die door hen, welke zich beter achten, worden vermeden, allen hun deel hebben, dat door geene menschelijke trotschheid of onverschilligheid, door al de eeuwen, die deze wereld duren zal, heen, kan worden weggenomen of niet het duizendste deel van een grein verminderd—las de woorden en daden van Hem, die medelijden had met alle smarten en angsten van het menschelijk leven.

“Ik zal morgenochtend heel vroeg terugkomen,” zeide Harriët toen zij het boek sloot.

De glanzige oogen, nog op haar gelaat gevestigd, sloten zich voor een oogenblik en openden zich weder, en Alice kuste en zegende haar.

Dezelfde oogen volgden haar naar de deur, en toen deze gesloten werd, kwam er een glimlach op het kalme bleeke gelaat.

Die oogen wendden zich niet weder af. Zij legde hare hand op hare borst, prevelde den heiligen naam, die voor haar gelezen was, en het leven verdween uit hare trekken, gelijk een licht dat men wegneemt.

Niets lag daar meer dan de ruïne van het sterfelijke huis, dat de storm had geteisterd, en het zwarte haar, dat in den winterwind had gefladderd.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LIX. VERGELDING

Wederom zijn er veranderingen gekomen over het groote huis in de lange stille straat, eens het tooneel van Florence’s kindsheid en eenzaamheid. Het is nog een groot huis, bestand tegen wind en weder, zonder reten in het dak, zonder gebroken ruiten of vervallene muren; maar het is niettemin eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

Towlinson en zijn gezelschap willen in het eerst geen geloof slaan aan de loopende geruchten, die zij hooren. De keukenmeid zegt dat ons crediet, Goddank, niet zoo gemakkelijk te schokken is; en Towlinson verwacht nu ook te zullen hooren, dat de Bank van Engeland zal springen, of de juweelen uit de Tower verkocht zullen worden. Maar dan komen de Gazette en Perch; en Perch brengt jufvrouw Perch mede, om er in de keuken over te praten en een genoeglijken avond te slijten.

Zoodra er geen twijfel meer aan is, wordt het Towlinson’s grootste bekommering, dat het een bankroet van belang zal zijn—dat het om niet minder dan honderd duizend pond zal te doen zijn. Perch denkt dat honderd duizend pond nog lang niet genoeg zal zijn om het tekort te dekken. De vrouwen, met jufvrouw Perch en de keukenmeid aan het hoofd, herhalen dikwijls “honderd duizend pond,” met zeker eerbiedig genoegen, alsof het uitspreken van die woorden met het betasten van het geld gelijkstond; en de werkmeid, die een oogje op Towlinson heeft, wenscht dat zij maar het honderdste gedeelte van die som had, om aan den man harer keus te schenken. Towlinson, nog aan zijne oude grieven gedachtig, is van oordeel dat een buitenlander kwalijk zou weten wat met zooveel geld te doen, of hij moest het aan zijne bakkebaarden te koste leggen, welke bittere schimpschoot de werkmeid met tranen in de oogen doet heengaan.

Maar niet om lang weg te blijven, want de keukenmeid, die den naam heeft van zeer goedhartig te zijn, zegt dat zij, wat zij ook doen, elkander nu moeten bijstaan, Towlinson, want dat het niet te zeggen is hoe gauw zij verdeeld zullen raken. Zij hebben in dat huis (zegt de keukenmeid) eene begrafenis, eene bruiloft en een wegloopen beleefd, en laat het niet gezegd worden, dat zij op zulk een tijd als dezen niet eensgezind konden blijven. Jufvrouw Perch wordt door deze roerende toespraak diep getroffen, en merkt openlijk aan dat de keukenmeid een engel is. Towlinson antwoordt de keukenmeid, ver mag het van hem zijn om die eensgezindheid, waarnaar hij ook verlangt, in den weg te staan. Hij gaat de werkmeid opzoeken, en met die jonge juffer aan den arm terugkomende, onderricht hij de keuken, dat hij met buitenlanders den gek steekt, en dat hij en Anne nu besloten hebben om elkander maar te nemen, en zich in Oxford Market in de groentenering en wat daarbij behoort te vestigen, waarvoor hij de gunst en recommandatie verzoekt. Dit bericht wordt met toejuiching ontvangen; en jufvrouw Perch, in de toekomst vooruitziende, fluistert de keukenmeid plechtig het woord “meisjes” in het oor.

Ongeluk in de familie zonder smullen in het onderhuis is eene onmogelijkheid. De keukenmeid maakt dus wat warms klaar voor het avondmaal, waarbij Towlinson een kreeftenslaadje bezorgt. Zelfs mevrouw Pipchin, door het gebeurde ontroerd, schelt en laat verzoeken dat het overgeblevene stukje koek voor haar gewarmd zal worden, en als het haar gebracht wordt er een glas geheeten sherry bij gedaan zal worden, dewijl zij gevoelt dat zij van haar streek is.

Er wordt weinig over mijnheer Dombey gesproken, zeer weinig. Voornamelijk poogt men te raden, hoelang hij wel zou geweten hebben dat dit gebeuren zou. De schrandere keukenmeid zegt: “O, al heel lang. Daar moogt ge wel op zweren.” En wanneer men Perch er naar vraagt, bevestigt hij hare meening. Iemand verwondert zich wat hij nu doen zal, en of hij nu naar eene betrekking zal zoeken. Towlinson denkt van neen, en geeft een wenk van een van die fatsoenlijke armhuizen. “Waar hij een tuintje kan hebben,” zegt de keukenmeid beklaaglijk, “en in den zomer zijne erwtjes kan planten, niet waar?”—“Juist,” antwoordt Towlinson, “en broeder van het een of ander worden.”—“Wij zijn allemaal broeders,” merkte jufvrouw Perch aan, daartoe ophoudende met drinken.—“Behalve de zusters,” zegt haar man.—“Hoe zijn de machtigen gevallen,” merkte de keukenmeid aan.—“Hoogmoed gaat voor den val; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven,” laat de werkmeid hierop volgen.

Het is verwonderlijk hoe deugdzaam zij zich gevoelen, bij het maken dezer bespiegelingen, en van welk eene christelijke eensgezindheid zij zich bewust zijn, om de algemeene ramp met gelatenheid te dragen. Slechts eenmaal wordt deze loffelijke gemoedsgesteldheid verstoord: en dit geschiedt door eene jonge keukenmeid van lager rang, die, nadat zij lang met een open mond heeft zitten luisteren, onverwacht de volgende woorden uitstoot: “Als het loon eens niet betaald wierd!” Het gezelschap blijft een oogenblik sprakeloos; maar de keukenmeid, zich het eerst herstellende, keert zich naar de onvoorzichtige spreekster en verzoekt te mogen weten, hoe zij de familie, wier brood zij eet, durft beleedigen met zoo iets te zeggen, en of zij denkt dat iemand, die nog een aasje eerlijkheid heeft, arme dienstboden hun loon zou onthouden? “Want als dat uw godsdienst is, Mary Daws,” zegt de keukenmeid met warmte, “dan weet ik niet waar gij eens naar toe denkt te gaan.”

Towlinson weet het ook niet; niemand weet het; en de jonge keukenmeid, die het zelve niet recht schijnt te weten, en algemeen wordt uitgejouwd, wordt doodelijk beschaamd en verlegen.

Na eenige dagen beginnen er vreemde lieden in huis te komen, en elkander in de eetzaal te bestellen, alsof zij daar woonden. Vooral is er een heer, met een Mozaïsch Arabischen gelaatsvorm, en een zeer zwaren horlogeketting, die in hun salon loopt te fluiten, en terwijl hij naar een ander heer wacht, die altijd pen en inkt in zijn zak heeft, Towlinson (wien hij vrijpostig jongetje noemt) vraagt, of hij ook toevallig weet hoeveel dat behangsel, rood met goud, nieuw gekost heeft. De bezoekers van de eetzaal worden met elken dag talrijker, en ieder heer schijnt een inktkoker in zijn zak te hebben, en dien ook te gebruiken. Eindelijk zegt men dat er verkooping zal plaats hebben; en dan komen er nog meer lieden met pen en inkt in den zak, die een detachement van lieden met petten kommandeeren, en de tapijten laten opnemen en de meubelen overhoop laten halen en duizenden merken van hunne schoenzolen in het voorhuis en op de trap afdrukken.

De dienstbodenraad beneden blijft al dien tijd zitting houden, en daar men niets anders te doen heeft, verricht men wonderen van eetkunst. Eindelijk worden allen eens in mevrouw Pipchin’s kamer geroepen en door deze dame op vinnigen toon aldus aangesproken:

“Uw meester is in ongelegenheden. Dat zult ge wel weten, denk ik?”

Towlinson, als spreker, erkent eene algemeene kennis van dit feit.

“En gij zijt allen al op den uitkijk voor u zelven, daar durf ik voor instaan,” zegt mevrouw Pipchin, dreigend haar hoofd schuddende.

Eene schelle stem uit de achterhoede roept: “Niet meer dan gij.”—“Denkt gij zoo, onbeschaamde prij?” zegt de gramstorige dame, met een vurig oog over de andere hoofden heenkijkende.—“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”—“Dat gij heen kunt gaan zoo gauw als ge maar wilt,” zegt mevrouw Pipchin. “Hoe eer hoe beter, en ik hoop dat ik nooit weer uw gezicht zal zien.”

Daarmede haalt zij een linnen zakje uit, en telt de keukenmeid haar loon voor tot op dien dag en nog eene maand bovendien, maar houdt het geld vast, tot eene quitantie daarvoor behoorlijk is geteekend, tot aan den laatsten ophaal toe; waarna zij het met zichtbaren weerzin loslaat. Deze ceremonie herhaalt mevrouw Pipchin met ieder lid van het huishouden, totdat allen betaald zijn.

“Nu kunnen zij, die willen, zich dadelijk voortmaken,” zegt mevrouw Pipchin, “en zij, die willen, kunnen nog eene week of zoo hier blijven, om te helpen. Behalve,” zegt de gramstorige dame, “die slet van eene keukenmeid, die dadelijk heen zal.”—“Dat zal zij zekerlijk,” antwoordt de keukenmeid. “Ik wensch u goedendag, mevrouw Pipchin, en wensch van harte dat ik u een compliment kon maken over de vriendelijkheid van uw gezicht.”—“Maak dat gij wegkomt,” zegt mevrouw Pipchin, met haar voet stampende.

De keukenmeid gaat heen met eene vriendelijke deftigheid, die mevrouw Pipchin nog meer kwaad maakt, en weldra voegen de anderen zich beneden bij haar.

Dan zegt Towlinson dat hij vooreerst wilde voorstellen eene kleine versnapering te gebruiken, en dat hij onder het gebruik daarvan eene opmerking wilde maken, die hij denkt dat in de positie, waarin zij zich bevinden, wel zal te pas komen. Terwijl men de versnapering met smaak gebruikt, deelt Towlinson zijne opmerking mede, die daarop neerkomt, dat de keukenmeid heengaat, en dat, als wij ons zelven niet trouw zijn, niemand ons meer trouw zal zijn. Dat zij in dit huis lang te zamen hebben gewoond, en hun best hebben gedaan om gezellig te zijn. (Daarop zegt de keukenmeid met aandoening: “Luister! Luister!” en jufvrouw Perch, die wederom daar en tot aan de keel toe vol is, stort tranen). En dat hij meent, dat men tegenwoordig moet begrijpen: “Een weg, allemaal weg!” De werkmeid wordt door deze edelmoedige ontboezeming zeer geroerd, en geeft ze met warmte haar bijval. De keukenmeid zegt te gevoelen dat het zoo behoort, en hoopt maar dat het niet als een compliment voor haar, maar uit gevoel van plicht wordt gedaan. Towlinson antwoordt—uit gevoel van plicht; en dat, nu hij genoodzaakt is voor zijn gevoelen uit te komen, hij openlijk wil zeggen, dat hij het niet voor heel fatsoenlijk houdt in een huis te blijven waar verkoopingen en zulke dingen aan de hand zijn. De werkmeid is daarvan overtuigd en verhaalt tot bevestiging, dat een vreemd man met eene pet haar dien morgen op de trap heeft willen kussen. Dit doet Towlinson van zijn stoel opspringen om den booswicht te gaan opzoeken en hem een pak slaag te geven; maar de dames houden hem vast, en smeeken hem om te bedaren, en te bedenken dat het gemakkelijker en wijzer is, het tooneel van zulke onwelvoeglijkheden terstond te verlaten. Jufvrouw Perch, de zaak in een nieuw licht plaatsende, toont aan, dat zelfs de kieschheid voor mijnheer Dombey, die zich in zijne kamers opsluit, een overhaasten aftocht voorschrijft. “Want wat,” zegt de goede vrouw, “zou hij moeten gevoelen, als hij een van de arme dienstboden ontmoette, die hij eens bedrieglijk heeft doen denken dat hij onmetelijk rijk was.” De keukenmeid wordt door deze zedekundige bespiegelingen zoodanig getroffen, dat jufvrouw Perch er nog verscheidene vrome bedenkingen bijvoegt. Het wordt iedereen duidelijk dat zij allen moeten vertrekken. Koffers worden gepakt, vigilantes gehaald en met schemeravond is er niemand van den troep meer over.

Het huis staat nog, groot en tegen weer en wind bestand, in de lange, stille straat; maar is toch eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

De mannen met petten blijven de meubelen overhoophalen; en de heeren met pen en inkt maken inventarissen daarvan, en zitten op stukken huisraad, nooit gemaakt om op te zitten, en eten brood en kaas uit de herberg van andere stukken huisraad, nooit gemaakt om van te eten, en schijnen er vermaak in te scheppen om de kostbaarste voorwerpen tot het vreemdste gebruik te bezigen. Er hebben ook chaotische combinatiën van dingen plaats. In de eetzaal ziet men matrassen en bedden; het glas en porselein raakt naar de oranjerie; het groot tafelservies wordt op de lange divan in het groote salon op stapeltjes gezet; en de traproedjes, aan bossen gebonden, staan op marmeren schoorsteenmantels te pronk. Eindelijk wordt een haardkleedje met een gedrukt biljet daarop van het balkon uitgehangen, en dergelijke sieraden prijken aan beide zijden van de straatdeur.

Dan staat er den geheelen dag lang een trein van bemodderde sjeezen en wagentjes in de straat; en troepen smerige heerschappen, joden en christenen, loopen het geheele huis door, tikken met hunne knokkels tegen de spiegels, slaan wanluidende accoorden op de piano’s aan, vegen met natte vingers over de schilderijen, ademen op de lemmeten der beste tafelmessen, beuken de kussens van stoelen en sofa’s met hunne vuile vuisten, betasten de bedden, schuiven al de laden uit en in, laten zilveren lepels en vorken balanceeren, bekijken zelfs de draden van het linnengoed, en vinden alles ver beneden hunne verwachting. Het geheele huis heeft geene geheime plaats meer. Vreemde snoeshanen gluren even nieuwsgierig tusschen het keukengereedschap als in de kleerkas op zolder. Grove kerels, met kaal gesleten hoeden, kijken uit de vensters der slaapkamers en maken grappen met vrienden op straat. Stille narekenaars gaan met catalogussen in de kleedkamers, en maken daar met stompjes potlood aanteekeningen op den kant. Twee uitdragers klimmen zelfs een zolderluik uit en genieten op het dak een panoramisch overzicht van de andere huizen. Dat zwermen en gonzen, op- en neerloopen en begluren, duurt dagen lang. Dombey’s inboedel is publiek te zien.

Dan wordt er in het beste salon eene verschansing van tafels gemaakt, en op de groote mahoniehouten eettafel met gedraaide pooten wordt de lessenaar van den vendumeester gezet, en de troepen van smerige heerschappen, joden en christenen, de vreemde snoeshanen en de grove kerels met kaal gesleten hoeden, verzamelen zich daaromheen, en zetten zich op alles in hun bereik, de schoorsteenmantels ingesloten, en gaan aan het bieden. Heet, stofferig en gonzend zijn de kamers den geheelen dag, en hoog boven de hitte, het stof en het gegons, is de vendumeester aanhoudend met hoofd en schouders, stem en hamer aan het werk. De mannen met petten worden rood en ongeduldig van het dragen met nommers, en nog worden er nommers aangedragen en weggedragen. Somtijds worden er grappen gemaakt en ontstaat er een algemeen geschater. Dit duurt den geheelen dag en nog drie volgende dagen. Dombey’s inboedel wordt publiek verkocht.

Dan komen de bemodderde sjeezen en wagentjes terug, te gelijk met een trein van vrachtwagens en karren en een heirleger van sjouwerlieden. Den geheelen dag zijn de mannen met petten aan het werk met schroevendraaiers en nijptangen, of waggelen zij op de trap bij dozijnen te gelijk onder zware vrachten, of tillen zij de geheele rotsen van mahoniehout, rozenhout of spiegelglas in sjeezen, wagentjes, vrachtwagens en karren. Allerlei soorten van voertuigen worden gebezigd, van mestwagens af tot kruiwagens toe. Het ledikantje van den armen Paul wordt op een ezelkarretje weggevoerd. Bijna eene week lang wordt Dombey’s inboedel weggehaald.

Eindelijk is alles weg. Men heeft niets in huis gelaten dan verstrooide bladen van catalogussen, hoopjes hooi en stroo, en eene batterij van tinnen kannen achter de voordeur. De mannen met petten verzamelen hun gereedschap in zakken, nemen die op schouder en stappen heen. Een van de heeren met pen en inkt gaat, als eene laatste oplettendheid, het geheele huis nog eens door, zet biljetten voor de vensters, waarbij wordt aangekondigd dat het te huur is, en sluit de luiken. Ten laatste volgt hij de mannen met petten. Niemand van de indringers blijft er. Het huis is eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

Mevrouw Pipchin’s apartement, benevens die geslotene kamers beneden, waar de gordijnen altijd dichtgeschoven blijven, zijn bij de algemeene verwoesting gespaard. Mevrouw Pipchin is onder het gewoel stug en steenig in hare kamer blijven zitten, of is onder de verkooping eens even komen kijken, om te zien wat het goed opbracht, of om op zekeren leuningstoel te bieden. Mevrouw Pipchin heeft het hoogste bod op dien leuningstoel gedaan, en zit op haar eigendom, wanneer mevrouw Chick haar komt opzoeken.

“Hoe gaat het met mijn broeder, mevrouw Pipchin?” zegt mevrouw Chick.—“Daar weet ik niet meer van dan de drommel,” zegt mevrouw Pipchin. “Hij bewijst mij nooit de eer om met mij te spreken. Hij laat zijn eten en drinken in de kamer naast zijne kamer zetten; en wat hij gebruikt komt hij daar gebruiken als er niemand is. Het kan niet helpen of ge mij al vraagt. Ik weet er niet meer van dan de man in het zuiden, die zijn mond brandde bij het eten van koude pap.”

Dit zegt de stekelige mevrouw Pipchin met eene heftige beweging.

“Maar mijn goede hemel!” roept mevrouw Chick zeer zoetsappig uit. “Hoelang moet dat dan duren! Als mijn broeder zich geene inspanning wil vergen, mevrouw Pipchin, wat zal er dan van hem worden? Ik heb waarlijk gedacht, dat hij genoeg gezien had, wat er van komt als men zich geene inspanning wil vergen, om zich voor zulk eene noodlottige dwaling te laten waarschuwen.”—“Wel heere mijn tijd!” zegt mevrouw Pipchin, haar neus wrijvende. “Mij dunkt, er wordt machtig veel gedoente over gemaakt. Het is zulk een vreemd geval niet. Er zijn wel meer menschen, die tegenspoed hebben gehad, en hun boel hebben moeten verkoopen. Dat heb ik ook moeten doen.”—“Mijn broeder,” vervolgt mevrouw Chick diepzinnig, “is zulk een singulier man. Hij is de singulierste man dien ik ooit gezien heb. Zou men gelooven, dat, toen hij de tijding kreeg van het huwelijk en de emigratie van dat onnatuurlijke kind—het is nu een troost voor mij, te bedenken dat ik altijd gezegd heb, dat dat meisje iets buitengewoons over zich had; maar niemand let op mij—zou iemand gelooven, zeg ik, dat hij zich toen naar mij omkeerde en zeide, dat hij gemeend had aan mij te zien, dat zij bij mij in huis was gekomen? Wel mijn hemeltje! En zou iemand gelooven, dat, toen ik alleen maar tegen hem zeide: “Paul, ik mag heel onnoozel wezen, en dat geloof ik ook zelf wel, maar ik kan niet begrijpen hoe uwe zaken in dien staat zijn geraakt,” hij toen tegen mij uitviel, en verzocht dat ik niet meer bij hem zou komen eer hij naar mij vroeg? Wel, groote goedheid!”—“Ja,” zegt mevrouw Pipchin. “Het is jammer dat hij niet wat meer met mijnen te doen heeft gehad. Zij zouden zijn humeur wel hebben klein gekregen.”—“En waar moet het op uitloopen?” hervat mevrouw Chick, zonder op de aanmerkingen van mevrouw Pipchin te letten. “Dat zou ik wel willen weten. Wat denkt mijn broeder te doen? Hij moet toch iets doen. Het baat niet of hij al in zijne kamers zit opgesloten. De zaken zullen niet naar hem toe komen. Neen, hij moet er zelf naar toe gaan. Waarom gaat hij dan niet? Hij weet wel waar hij naar toe moest gaan, zou ik denken; daar hij al zijn leven zaken heeft gedaan. Waarom gaat hij dan niet daarheen?”

Nadat mevrouw Chick deze hechte keten van redeneeringen had gesmeed, zweeg zij eene poos, om die zelve te bewonderen.

“Buitendien,” vervolgde zij toen, op denzelfden redeneertrant, “wie heeft ooit van zulk eene stijfhoofdigheid gehoord, als dat hij door al die akeligheden heen hier opgesloten blijft? Het is alsof hij nergens anders had kunnen heengaan. Hij had immers bij ons aan huis kunnen komen. Hij weet toch dat hij daar thuis is, zou ik denken? Mijnheer Chick heeft hem dat tot vervelens toe gezegd, en ik heb hem met mijn eigen mond gezegd: “Beste Paul, gij verbeeldt u toch zeker niet, omdat uwe zaken in dien staat zijn geraakt, dat ge daarom minder thuis zijt bij zulke nauwe betrekkingen als wij? Gij verbeeldt u toch niet, dat wij naar de rest van de wereld gelijken?” Maar neen, hier blijft hij door dat alles heen, en hier zit hij nu nog. Wel, mijn hemel! als het huis eens verhuurd werd—wat zou hij dan doen? Dan kon hij toch niet hier blijven. Als hij dat probeerde, zou hem eene actie worden aangedaan en dat alles, en dan moest hij toch heengaan. Waarom gaat hij dan niet dadelijk, in plaats van op het laatst? En dat brengt mij weder op hetgeen ik daar zoo even gezegd heb, en doet mij natuurlijk vragen, wat er het eind van moet zijn?”—“Ik weet wel wat er het eind van zal zijn, voor zooveel mij aangaat,” antwoordt mevrouw Pipchin, “en dat is mij genoeg. Ik ga nu oppakken in een snap.”—“In een wat, mevrouw Pipchin?” vraagt mevrouw Chick.—“In een snap,” antwoordt mevrouw Pipchin scherp.—“Wel zoo! Ik kan u waarlijk niet laken, mevrouw Pipchin,” zegt mevrouw Chick met rondborstigheid.—“Het zou mij zoo tamelijk hetzelfde zijn, al kondt ge dat,” antwoordt de stekelige mevrouw Pipchin. “In allen gevalle, ik ga heen. Ik kan hier niet blijven. Ik zou binnen de week dood zijn. Ik heb gisteren mijn eigen varkenskarbonaadje moeten braden, en daar ben ik niet aan gewoon. Mijn gestel zou er onder bezwijken. Buitendien, ik had, eer ik hier kwam, eene goede klandizie te Brighton—het kleine goed van Pankey alleen bracht mij tachtig pond ’s jaars op—en die kan ik niet weggooien. Ik heb aan mijne nicht geschreven, en zij verwacht mij nu thuis.”—“Hebt gij met mijn broeder gesproken?” vraagt mevrouw Chick.—“Wel ja, het is heel gemakkelijk hem te spreken te krijgen,” antwoordt mevrouw Pipchin. “Ik heb hem gisteren toegeroepen, dat ik hier tot niets meer diende, en dat het beter zou zijn als hij mij om jufvrouw Richards liet zenden. Hij bromde zoo iets dat ja meende, en toen heb ik om haar gezonden. Brommen, nog al! Als hij mijnheer Pipchin geweest was, zou hij nog reden gehad hebben om te brommen. Ba! Ik kan het niet uitstaan.”

Hier rijst de voordeelige dame, die zooveel standvastigheid en deugd uit de mijnen van Peru heeft opgepompt, van haar gekussend eigendom op, om mevrouw Chick de deur uit te laten. Mevrouw Chick, tot het laatste toe het singuliere karakter van haar broeder beklagende, gaat stil weder heen, zeer ingenomen met hare eigene schranderheid en helderheid van hoofd.

In den schemeravond komt Toodle, die geen dienst heeft, met Polly en een koffer, en laat ze, met een klinkenden kus, in het ledige voorhuis, waarvan de stilte een sterken indruk op zijn gemoed maakt.

“Ik zal u eens wat zeggen, Polly, mijn lief,” zegt Toodle. “Nu ik machinist ben en het zoo goed in de wereld heb, zou ik u niet hier laten komen, om u te verkniezen, als het niet om vroegere gunsten was. Maar vroegere gunsten, Polly, moet men nooit vergeten. Buitendien, voor iemand, die in tegenspoed is, is uw gezicht eene hartsterking. Laat ik het dus nog een zoen geven, lief! Gij wenscht niet beter dan wel te doen, dat weet ik; en ik denk dat dit wel gedaan en een plicht is. Goeden nacht, Polly.”

Nu komt mevrouw Pipchin aan, geheel in het zwart; zij heeft haar goed opgepakt, en haar stoel (voorheen een lievelingsstoel van Dombey en voor een prijsje door haar gekocht) dicht bij de deur gereed staan, en wacht maar op een goederenwagon, dien zij gehuurd heeft om haar en haar eigendom naar Brighton te brengen.

Weldra komt deze. Nadat de garderobe is opgeladen, wordt de stoel in een geschikt hoekje geplaatst en met hooi vastgestopt, daar mevrouw Pipchin voornemens is op reis in dien stoel te blijven zitten. Daarna wordt zij zelve in het rijtuig geholpen en zet zij zich met een strak gezicht op haar zetel. Hare grijze oogen hebben een slangachtigen glans, als verheugde zij zich in het vooruitzicht op haar geboterden toast, op hare karbonaadjes, op het kwellen en sarren van kleine kinderen, op het afsnauwen van de arme Berry en de andere vermaken van haar menschenvreetsterskasteel. Zij lacht bijna terwijl de wagen voortrijdt en zij hare zwarte bombazijnen rokken gladstrijkt.

Het huis is zulk eene ruïne, dat de ratten gevlucht zijn en er geen enkele meer van over is.

Maar Polly, schoon alleen in het verlatene huis—want in de geslotene kamers, waar de vroegere meester zijn hoofd verbergt, vindt zij geene gezelligheid—is niet lang alleen. Het is avond, en zij zit in de huishoudsterskamer te werken, en poogt te vergeten welk een eenzaam huis het is, en wat er in is omgegaan, toen aan de voordeur wordt geklopt, en het geluid door de ledige ruimte galmt. Nadat zij de deur heeft geopend, komt zij door het galmende voorhuis terug, vergezeld door eene vrouwelijke gedaante met een dichtsluitend zwart hoedje. Het is jufvrouw Tox, en jufvrouw Tox heeft roode oogen.

“O Polly,” zeide jufvrouw Tox, “toen ik daar straks bij u aan huis kwam om de kinderen nog een lesje te geven, kreeg ik de boodschap die gij voor mij gelaten hadt; en zoodra ik wat tot mij zelve kwam ben ik u nagekomen. Is hier niemand behalve gij?”—“Geene levende ziel,” antwoordt Polly.—“Hebt gij hem gezien?” fluistert jufvrouw Tox.—“O heere neen,” antwoordt Polly. “Hij heeft zich in geene dagen laten zien. Zij zeggen mij, dat hij nooit buiten zijne kamer komt.”—“Zegt men ook dat hij ziek is?” vraagt jufvrouw Tox.—“Neen, jufvrouw, niet dat ik weet,” antwoordt Polly. “Maar zijne ziel is ziek. In dat opzicht moet het heel slecht met hem gesteld zijn!”

Het medelijden van jufvrouw Tox is zoo groot dat zij nauwelijks kan spreken. Zij is geen kuikentje meer, maar zij is toch van ouderdom niet taai geworden. Haar hart is nog teer, haar medelijden en hare hulde zijn van echte soort. Onder het medaillon met het vischachtige oog draagt jufvrouw Tox betere eigenschappen dan menigeen met eene minder belachelijke buitenzijde, eigenschappen, die de fraaiste uitwendige hoedanigheden vele jaren kunnen overleven.

Het duurt lang eer jufvrouw Tox heengaat, en eer Polly, terwijl hare kaars op de holle trap staat, haar de straat af nakijkt, om nog zoolang gezelschap aan haar te hebben, en ongezind is, om het akelige huis weder binnen te gaan, en de ledigheid daarvan met de zware grendels te laten weergalmen, en naar bed te sluipen. Dat alles doet Polly evenwel; en des morgens zet zij in eene van die kamers de dingen, die men haar gezegd heeft gereed te maken, en gaat dan heen, en komt er niet weder binnen voor den volgenden morgen op hetzelfde uur. Er hangen daar schellen, maar er wordt nooit aan getrokken; en hoewel zij somtijds een voetstap kan hooren heen en weer gaan, komt die nooit naar buiten.

Jufvrouw Tox komt dien dag vroeg terug. Het begint nu hare bezigheid te worden, kleine lekkernijen gereed te maken—of wat voor haar lekkernijen zijn—om den volgenden morgen in die kamer te zetten. Deze bezigheid geeft haar zooveel genoegen, dat zij ze van dien tijd af geregeld aanhoudt, en dagelijks iets in haar mandje medebrengt om in die kamer te zetten. Evenzoo brengt zij, in papier gewikkeld, een stukje koud vleesch, eene schapentong, of eene halve kip mede, om zelve te eten, en deze collations met Polly deelende, slijt zij het grootste gedeelte van haar tijd in het bouwvallige huis, dat de ratten ontvlucht zijn; zich met schrik verschuilende op het minste geluid, in- en uitsluipende alsof zij kwaad deed, niets verlangende dan trouw te zijn aan het gevallen voorwerp harer bewondering, zonder dat hij het weet, zonder dat iemand in de wereld het weet, dan eene eenvoudige arme vrouw.

De majoor weet het ook; maar niemand verneemt het van hem, schoon hij zelf er veel vroolijker door wordt. In eene vlaag van nieuwsgierigheid heeft de majoor den inboorling last gegeven om nu en dan naar het huis te gaan kijken en er naar te vernemen waar Dombey blijft. De inboorling heeft hem de trouw van jufvrouw Tox gerapporteerd, en de majoor is bijna gestikt van het lachen. Van dat uur af is hij op den duur nog blauwer, en mompelt hij telkens, met uit het hoofd puilende oogen, bij zich zelven: “Verduiveld, mijnheer, dat wijf is stapelzot.”

En de geruïneerde koopman. Hoe slijt hij zijne uren, alleen?

“Laat hij zich dat in die kamer herinneren, over jaren!” Hij herinnerde het zich. Het drukte hem zwaar op het gemoed, zwaarder dan al het andere.

“Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis heen zucht, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!”

Hij herinnerde het zich. In den ellendigen nacht dacht hij er aan, op den akeligen dag, bij den rampzaligen dageraad, in de spookachtige schemering. Hij dacht er aan. In knagende zielesmart, met wroeging en wanhoop. “Papa, papa! Spreek toch tegen mij, lieve papa!” Hij hoorde de woorden weder, en zag het gezichtje. Hij zag het op de bevende handjes zinken, en hoorde den zachten, langgerekten kreet hemelwaarts stijgen.

Hij was gevallen; om nooit weder opgericht te worden. Voor den nacht van zijn ondergang als koopman was geene morgenzon; voor de vlek zijner huiselijke schande was geen reinigingsmiddel; niets, Goddank, kon zijn dood kind in het leven terugroepen. Maar datgene, wat hij in het geheele verleden zoo geheel anders had kunnen maken—datgene, wat het verleden zelf zoo geheel anders had kunnen maken, schoon hij daaraan nu bijna niet dacht—datgene wat zijn eigen werk was, wat hij zich zoo gemakkelijk tot een vloek had gemaakt—dat was de kwelling zijner ziel.

O, hij dacht er wel aan! De regen, die op het dak kletterde, de wind, die om het huis heen zuchtte, in dien nacht, hadden iets voorspellends gehad in hun treurig geluid. Hij wist nu wat hij gedaan had. Hij wist nu, dat hij datgene op zijn hoofd had geroepen, dat het lager deed bukken dan de zwaarste slag der fortuin. Hij wist nu wat het was, verworpen en verlaten te zijn, nu elke bloesem van liefde, die hij in het schuldelooze hart zijner dochter had doen verwelken, in asch veranderd op hem neersneeuwde.

Hij dacht aan haar, gelijk zij was op dien avond toen hij en zijne bruid naar huis kwamen. Hij dacht aan haar gelijk zij was onder al de huiselijke gebeurtenissen van het nu verwoeste huis. Hij dacht nu, dat, van alles om hem heen, zij alleen nooit veranderd was. Zijn zoon was tot stof vergaan, zijne trotsche vrouw was tot eene schandvlek harer sekse geworden, zijn vleier en vriend was in een schurkachtigen booswicht veranderd, zijne schatten waren weggesmolten, zelfs de muren, die hem schuilplaats gaven, zagen een vreemdeling in hem; zij alleen had hem altijd hetzelfde lieve, zachtaardige gezichtje getoond. Ja, tot het laatste toe. Zij was nooit voor hem veranderd—hij was ook nooit voor haar veranderd—en zij was verloren.

Toen zij een voor een voor zijne gedachten wegzonken—zijn hoopvolle zoon, zijne vrouw, zijn vriend, zijn vermogen—o, hoe helderde toen de nevel op, waardoor hij haar gezien had, en hoe vertoonde zich toen hare ware gedaante! O, hoeveel beter dan dit, dat hij haar had liefgehad gelijk hij zijn zoon had gedaan, en haar verloren had gelijk zijn zoon, en hen te zamen in een vroegtijdig graf had gelegd!

In zijn trots—want hij was nog trotsch—liet hij de wereld zich vrij van hem verwijderen. Toen zij van hem afviel, schudde hij haar af. Hetzij hij zich verbeeldde dat haar gelaat medelijden of onverschilligheid uitdrukte, hij schuwde het evenzeer. Hij kon niet denken aan eenig gezelschap in zijne ellende, dan die eene, die hij van zich had gedreven. Wat hij tot haar zou gezegd hebben, of welken troost hij haar zou hebben toegelaten hem te geven, stelde hij zich nooit duidelijk voor. Maar hij wist altijd, dat zij hem trouw zou zijn geweest, als hij haar dat maar had toegelaten. Hij wist altijd, dat zij hem nu nog meer zou hebben liefgehad dan anders; hij was zoo zeker, dat dit in haar karakter lag, als dat er een hemel boven hem was; en zoo zat hij, in zijne eenzaamheid, van uur tot uur te denken. Dag aan dag verhaalde hem dit; nacht op nacht leerde hem die wetenschap.

Die wetenschap begon, buiten allen twijfel (hoe langzaam zij een tijd lang ook vorderde) met de ontvangst van den brief van haar jeugdigen echtgenoot, en de zekerheid dat zij weg was. En toch—zoo trotsch was hij in zijn val, of zoozeer dacht hij aan haar alleen als aan iets, dat het zijne had kunnen wezen maar dat hij onherroepelijk verloren had—dat hij, als hij hare stem in de naaste kamer had kunnen hooren, niet naar haar toe zou zijn gegaan. Als hij haar op straat had kunnen zien, en zij niet meer had gedaan dan hem aanzien, gelijk zij placht te doen, zou hij haar met een strak, onverzoenlijk gezicht zijn voorbijgegaan, en haar niet aangesproken of zijn blik verzacht hebben, al had zijn hart ook kort daarop moeten breken. Hoe woest zijne gedachten, of hoe heftig zijne gramschap ook geweest waren, toen hij pas van haar huwelijk hoorde, dat was nu alles voorbij. Hij dacht voornamelijk aan hetgeen had kunnen zijn, en zoo niet was. Wat was, lag alles daarin opgesloten, dat zij verloren was en hij van smart en berouw verging.

En nu gevoelde hij, dat hem twee kinderen in dat huis geboren waren, en dat er tusschen hem en de kale, ledige muren een band bestond, droevig, maar moeielijk los te rukken, daar hij aan eene dubbele kindsheid en een dubbel verlies was vastgeknoopt. Hij had gedacht het huis te verlaten—wetende dat hij gaan moest, hoewel niet wetende waarheen—op den avond van den dag, toen dit gevoel voor het eerst bij hem wortel vatte; maar hij besloot nog een nacht te blijven en in dien nacht nog eens al de kamers door te gaan.

In het holst van den nacht kwam hij uit zijne eenzaamheid, en met eene kaars in de hand ging hij de trap op. Van al de voetstappen daar, die de trap zoo gemeen maakten als de publieke straat, was er niet een, dacht hij, of hij had dien op zijn hoofd zelf voelen zetten, in dien tijd toen hij verborgen luisterde. Hij zag naar hun aantal, hunne haast en hunne verwarring—de eene voetstap den ander uitdelgende, en de op- en neergaande sporen elkander verdringende—en dacht, met schrik en verbazing over zich zelven, hoeveel hij in dien tijd moest geleden hebben, en hoeveel reden hij had om een veranderd mensch te zijn. Hij dacht bovendien—o, was er ergens in de wereld een voetstap, die in een oogenblik de helft van die sporen had kunnen uitwisschen!—en hij boog zijn hoofd en schreide, terwijl hij naar boven ging.

Hij zag bijna dien voetstap voor hem uitgaan. Hij bleef stilstaan, keek op naar de lantaren; en eene gedaante, zelve nog kinderlijk, maar een kind dragende, en al klimmend zingende, scheen zich daar weder te vertoonen. Wederom was het dezelfde gedaante, alleen, voor een oogenblik met ingehouden adem stilstaande, terwijl de glanzige lokken los om het betraande gezichtje krulden, en naar hem terugziende.

Hij ging de kamers door, nog kort geleden zoo vol weelde, nu zoo kaal en akelig, en naar het scheen zelfs van grootte en vorm veranderd. Het gedrang van voetstappen was hier even dicht; en dezelfde gedachte aan het lijden, dat hij verduurd had, verschrikte en verbijsterde hem. Hij begon te vreezen, dat al dat gewoel in zijne hersenen hem van zijn verstand zou brengen, en dat zijne gedachten reeds hare duidelijkheid verloren en onnaspoorlijk door elkander dwarrelden, evenals die voetstappen.

Hij wist niet eens welke van die kamers zij bewoond had toen zij alleen was. Hij verliet ze gaarne om hoogerop te gaan. Daar waren herinneringen in menigte, die met zijne valsche vrouw, zijn valschen vriend en dienaar, de valsche gronden voor zijn hoogmoed in verband stonden; maar hij schoof ze nu allen terzijde, om alleen met weemoed en jammer aan zijne twee kinderen te denken.

Overal die voetstappen! Zij hadden zelfs geen eerbied gehad voor de oude kamer omhoog, waar het ledikantje gestaan had; hij kon daar nauwelijks eene schoone plek vinden, om zich bij den muur op den grond te werpen, arme verslagene man, en zijne tranen onbedwongen te laten vloeien. Hij had hier lang geleden zoovele tranen gestort, dat hij zich in deze kamer minder over zijne zwakheid schaamde dan ergens anders—misschien had hij wel met die bewustheid naar voorwendselen gezocht om hier te komen. Hier was hij met gebogen rug en op de borst gezonken hoofd binnengetreden. Hier, op de bloote planken neergeworpen, had hij in het holste van den nacht geschreid, alleen—zelfs toen nog een trotsch man, die, als eene vriendelijke hand hem had kunnen aanraken, of een vriendelijk gezicht had kunnen binnenkijken, zou zijn opgestaan en met een afgewend gelaat weder naar zijne cel zou zijn gegaan.

Toen de dag aanbrak, was hij weder in zijne kamers opgesloten. Hij had vandaag willen heengaan, maar hij klemde zich vast aan dien band in het huis, als het laatste en eenige dat hem overschoot. Hij wilde morgen gaan. Morgen kwam. Wederom wilde hij morgen gaan. Elken nacht kwam hij, zonder dat iemand het wist, zijne kamer uit en dwaalde als een spook door het geplunderde huis. Menigen ochtend zat hij achter de dichtgeschovene gordijnen van zijn venster, waar het licht nog maar flauw doorheen scheen, over het verlies van zijne twee kinderen te mijmeren. Het was nu niet één kind meer. Hij hereenigde hen in zijne gedachten, en zij waren nooit gescheiden. O, dat hij hen had kunnen vereenigen in zijne vroegere liefde en in den dood, en dat het eene niet zooveel erger dan de dood was geweest!

Sterke gemoedsbewegingen waren hem niet vreemd, zelfs voor zijne laatste rampen. Dat zijn zij nooit voor stroeve, onverzettelijke karakters, want het kost hun een harden kamp om stroef en onverzettelijk te zijn. Een lang ondermijnde grond zinkt dikwijls in een oogenblik in; wat hier op zoovele wijzen ondermijnd was, kruimelde langzamerhand al meer en meer weg, naarmate de trage uren verliepen.

Eindelijk begon hij te denken, dat hij geheel niet behoefde heen te gaan. Hij kon nog opgeven wat zijne crediteuren hem gelaten hadden (dat zij hem niet meer hadden gelaten was zijn eigen bedrijf) en den band tusschen hem en het verwoeste huis slechts te verscheuren, door dien anderen band te verscheuren, die—

Het was toen dat zijn voetstap hoorbaar werd, terwijl hij in de gewezene huishoudsterskamer op en neer ging; maar niet hoorbaar in zijne ware beteekenis, of het geluid zou schrikverwekkend zijn geweest.

De wereld was nog rusteloos met hem bezig. Dit kwam hem wederom te binnen. Zij was aan het fluisteren en babbelen. Zij was nooit stil. Dit en de ingewikkelde verwarring der voetstappen martelde hem dood. Alles begon voor zijne oogen eene roodachtige kleur aan te nemen. Dombey en Zoon was niet meer—zijne kinderen waren niet meer. Hij moest daarover denken—morgen.

Toen het morgen was geworden dacht hij er over; en terwijl hij zat te denken zag hij nu en dan in den spiegel—zijn beeld.

Een spookachtig vermagerd en vervallen afbeeldsel van zich zelven zat bij den ledigen haard te peinzen. Nu tilde dat afbeeldsel zijn hoofd op, en bezag de rimpels en holten van zijn eigen gezicht; dan liet het zijn hoofd weder hangen en peinsde weder. Nu stond het op en wandelde rond; nu ging het naar de naaste kamer en kwam terug met iets van het toilettafeltje in zijne borst. Nu keek het naar den onderkant der deur en dacht—stil! Wat dacht het?

Het dacht dat, als er bloed naar dien kant sijpelde en in het voorhuis doorlekte, het lang zou moeten duren eer het zoover kwam. Het zou zoo langzaam voortkruipen, met hier een stilstaand plasje, en dan een loopend sprankje, en weder een stilstaand plasje, dat een doodelijk gekwetste wel dood zou zijn eer hij op die manier werd ontdekt. Toen het een langen tijd daarover had gedacht, stond het weder op en stapte heen en weder met de hand in de borst. Hij zag tusschenbeide naar dat afbeeldsel, lette nieuwsgierig op de beweging daarvan, en merkte op hoe moorddadig die hand er uitzag.

Nu dacht het weder. Wat dacht het?

Of zij in het bloed zouden trappen, als het zoover gekropen was, en het door het huis dragen tusschen al die voetstappen, en zelfs naar buiten op straat.

Het zette zich neder, met de oogen op den ledigen haard, en terwijl het in gedachten verzonk kwam er een lichtglans in de kamer—een zonnestraal. Maar het bespeurde niets daarvan en bleef zitten denken. Plotseling stond het op, met een allerakeligst gezicht, en die moorddadige hand greep naar wat het in de borst had.

Toen werd de hand gestuit door een kreet van schrik, liefde en verrukking—en hij zag in den spiegel niets anders meer dan zich zelven, en aan zijne voeten, zijne dochter!

Ja! Zijne dochter! Zie hier! Op den grond, zich aan hem vastklemmende, hem roepende, biddend hare handen vouwende.

“Papa! Lieve papa! Vergeef mij, vergeef mij! Ik ben teruggekomen om op mijne knieën uwe vergiffenis te vragen. Ik kan zonder vergiffenis nooit meer gelukkig zijn.”

Nog onveranderd. Van de geheele wereld zij alleen onveranderd. Nog hetzelfde gezichtje naar hem opheffende als in dien rampzaligen nacht. En zij vraagt zijne vergiffenis!

“Lieve papa, o, zie mij zoo vreemd niet aan! Ik was nooit voornemens u te verlaten, ik had er te voren nooit aan gedacht. Ik was buiten mij zelve toen ik heenging, en kon niet nadenken. Lieve papa, ik ben veranderd. Ik heb berouw. Ik erken mijne schuld. Ik ken mijn plicht nu beter. Papa, stoot mij niet van u af, of ik zal het besterven!”

Hij waggelde naar zijn stoel. Hij voelde haar zijne armen om haar hals trekken; hij voelde haar de hare om zijn hals slaan; hij voelde hare kussen op zijn gezicht; hij voelde hare vochtige wang tegen de zijne leggen; hij voelde—o, hoe diep!—al wat hij gedaan had.

Tegen de borst die hij gekneusd had, tegen het hart dat hij bijna gebroken had, legde zij zijn gezicht, nu met zijne handen bedekt, en zeide snikkende:

“Lieve papa, ik ben moeder. Ik heb een kind, dat Walter spoedig bij den naam zal noemen, waarbij ik u noem. Toen het geboren was, en ik gevoelde hoe lief ik het had, gevoelde ik ook wat ik gedaan had toen ik u verliet. Vergeef mij, lieve papa. O, zeg dat God mij en mijn kindje zegene!”

Hij zou het gezegd hebben, als hij kon. Hij zou zijne handen hebben opgeheven en haar om vergiffenis gesmeekt, maar zij vatte ze in de hare en trok ze snel naar omlaag.

“Mijn kindje werd op zee geboren, papa. Ik bad God (en dat deed Walter ook) om mij te sparen, dat ik thuis mocht komen. Zoodra ik aan land kon gezet worden, kwam ik naar u toe. Laten wij nu nooit meer gescheiden worden, lieve papa, nooit meer gescheiden worden!”

Zijn hoofd, nu grijs, werd door haar arm omvangen; en hij slaakte een kermenden zucht bij de gedachte, dat hij nog nooit zoo gerust had.

“Gij zult toch met mij naar huis komen, papa, en mijn kindje zien. Een jongen, papa. Hij heet Paul. Ik denk—ik hoop—hij gelijkt—”

Hare tranen stuitten haar.

“Lieve papa, om mijn kind, om den naam, dien wij het gegeven hebben, om mijnentwil, vergeef Walter. Hij is zoo goed en teer voor mij. Ik ben zoo gelukkig met hem. Het was zijne schuld niet, dat wij getrouwd werden. Het was de mijne. Ik had hem zoo lief.”

Zij omhelsde hem nog vaster en teerder.

“Hij is de lieveling van mijn hart, papa. Ik zou voor hem sterven. Hij zal u liefhebben en eeren evenals ik zal doen. Wij zullen ons kindje leeren om u lief te hebben en te eeren; wij zullen hem zeggen, als hij het verstaan kan, dat gij eens een zoon van dien naam hebt gehad, en dat hij stierf, en dat gij zeer bedroefd waart; maar dat hij in den hemel is, waar wij allen hem hopen te zien, als onze tijd van rusten komt. Geef mij een kus, papa, als belofte, dat gij u met Walter zult verzoenen—met mijn beminden man—met den vader van het kind, dat mij geleerd heeft terug te komen.”

Toen zij, opnieuw in tranen uitbarstende, hem nog vaster omhelsde, gaf hij haar een kus en zijne oogen opslaande, zeide hij: “O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!”

Toen liet hij zijn hoofd weder zinken, en beklaagde haar en liefkoosde haar, en lang, zeer lang was er geen geluid in huis, en bleven zij in elkanders armen gesloten; in dien heerlijken zonneschijn, die met Florence was binnengeslopen.

Hij kleedde zich om uit te gaan, zich gedwee onderwerpende aan hare bede; en met zwakke schreden, bevend omziende naar de kamer, waarin hij zoolang was opgesloten, en waar hij zijn beeld in den spiegel had gezien, ging hij met haar het voorhuis in. Florence, nauwelijks rondkijkende, opdat zij hem niet opnieuw aan hunne laatste scheiding zou herinneren—want hunne voeten waren op dezelfde steenen, waar hij in zijne blinde razernij naar haar had geslagen—en dicht bij hem blijvende, met hare oogen naar de zijne en zijn arm om haar heen, bracht hem naar eene koets, die voor de deur stond te wachten, en nam hem mede.

Toen kwamen jufvrouw Tox en Polly uit haar schuilhoek, en juichten met tranen. En toen pakten zij zijne kleederen en boeken zeer zorgvuldig in, en gaven ze des avonds aan de lieden, die Florence zond om ze te halen. En toen dronken zij een laatst kopje thee in het eenzame huis.

“En zoo heeft Dombey en Zoon, gelijk ik bij zekere gelegenheid aanmerkte,” zeide jufvrouw Tox, aan het eind van een geheelen sleep van herinneringen, “toch eene dochter moeten wezen, Polly.”—“En wat eene goede dochter!” riep Polly uit.—“Daar hebt gij gelijk in,” zeide jufvrouw Tox; “en het strekt u tot eer, Polly, dat gij altijd hare vriendin zijt geweest, toen zij nog een klein kind was. Gij zijt hare vriendin geweest, lang voor dat ik het was, Polly,” zeide jufvrouw Tox, “en ge zijt een goed schepsel.—Robin!”

Jufvrouw Tox richtte dit woord tot een jong mensch, met een rond hoofd, dat niet in de beste omstandigheden en zeer neerslachtig van geest scheen te zijn, en in een afgelegen hoek zat. Opstaande, vertoonde hij de trekken en gestalte van den Slijper.

“Robin,” zeide jufvrouw Tox, “ik heb zoo even tegen uwe moeder aangemerkt, gelijk gij wel zult gehoord hebben, dat zij een goed schepsel is.”—“En dat is zij ook, jufvrouw,” zeide de Slijper, niet zonder gevoel.—“Heel goed, Robin,” hervatte jufvrouw Tox, “het verheugt mij u dat te hooren zeggen. Nu, Robin, daar ik u, op uw dringend verzoek, als mijn bediende op de proef zal nemen, om u weder tot een fatsoenlijken jongen te maken, wil ik deze treffende gelegenheid waarnemen om aan te merken, dat ik hoop dat gij nooit zult vergeten, dat gij eene goede moeder hebt, en gij pogen zult u zoo te gedragen dat gij haar tot een troost zijt.”—“Bij mijne ziel, dat wil ik, jufvrouw,” antwoordde de Slijper. “Ik heb veel uitgestaan en mijne voornemens zijn nu zoo goed, als een arme drommel—”—“Gij moest u dat woord afwennen, Robin, als het u belieft,” viel jufvrouw Tox er zeer beleefd op in.—“Als het u belieft, jufvrouw, als een arme stakker dan—”—“Verplicht, Robin,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik zou liever zeggen als een redelijk wezen.”—“Als een redelijk wezen,” zeide de Slijper.—“Veel beter,” zeide jufvrouw Tox vergenoegd.—“Dat drukt veel meer uit.”—“Ze maar hebben kan,” vervolgde Rob. “Als men geen Slijper van mij gemaakt had, jufvrouw en moeder, dat een allerongelukkigst ding was voor zulk een armen drom—voor een redelijk wezen.”—“Heel goed,” merkte jufvrouw Tox tevreden aan.—“En als ik niet door de vogels op een slechten weg was gebracht en toen in een slechten dienst was gekomen,” zeide de Slijper, “hoop ik dat ik het beter zou hebben gemaakt. Maar het is nooit te laat voor een—”—“Redelijk,” blies jufvrouw Tox hem in.—“Wezen,” zeide de Slijper, “om zich te beteren; en ik hoop mij te beteren, jufvrouw, als ge mij op de proef wilt nemen; en ik verzoek moeder, om vader en mijne broertjes en zusjes van mij te groeten, en het hun te zeggen.”—“Het verheugt mij buitengemeen dit van u te hooren,” zeide jufvrouw Tox. “Wilt gij eene boterham gebruiken en een kopje thee, Robin, eer wij gaan?”

De Slijper weigerde niet, en at alsof hij langen tijd op kort rantsoen had gestaan.

Toen jufvrouw Tox en Polly zich met hoeden en doeken hadden gereedgemaakt om te vertrekken, gaf Rob zijne moeder een kus en volgde hij zijne nieuwe meesteres; terwijl Polly hem hopend nazag, met iets in hare oogen, dat lichtende kringen om de gaslantarens veroorzaakte. Toen sloot Polly de straatdeur, bracht den sleutel bij iemand in de buurt, en liep zoo hard zij kon naar huis, zich vooraf verheugende in de schelklinkende blijdschap, welke hare onverwachte komst zou veroorzaken. Het groote huis, stom voor alles wat er in geleden was en al de veranderingen die het had gezien, bleef somber de straat aanstaren, en wees alle nadere vragen af met het bericht, dat het te huur was.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LX. VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN

Het groote halfjaarlijksche feest, dat door doctor Blimber gegeven werd, en waarop al de jonge heeren werden genoodigd, was naar behooren gevierd; en de jonge heeren hadden zich, zonder onvoegzame betooning van lichtzinnige blijdschap en verzadigd van geleerdheid, naar huis begeven. Skettles ging het land uit, om zijn vader Sir Barnet Skettles te gaan opzoeken, wiens innemende manieren hem eene diplomatische betrekking hadden verschaft, waarvan de honneurs door hem en Lady Skettles tot algemeen genoegen—zelfs van hunne eigene landgenooten—werden waargenomen; iets, dat bijna voor een mirakel werd gehouden. Tozer, thans een rijzig jonkman, was zoo vol oudheidkunde, dat hij in zijne kennis van het Engelsch bijna met een echten ouden Romein gelijkstond: een roem, die zijne goede ouders met de teederste aandoeningen vervulde, en den vader en moeder van Briggs (wiens geleerdheid, gelijk slecht gepakte bagage, zoo in de war lag, dat hij nooit kon vinden wat hij noodig had) met schaamte het hoofd deed verbergen. De vruchten, welke de laatste jonge heer met veel moeite van den boom der kennis had geplukt, waren zoodanig gebroeid, dat zij, gelijk heel ontijdig fruit, niets van den waren smaak hadden behouden. Jonge heer Bitherstone, bij wien het forceerstelsel het minder ongelukkige en niet ongewone gevolg had van niet den minsten duurzamen indruk na te laten, was veel beter op zijn gemak, en zich thans aan boord van een naar Bengalen bestemd schip bevindende, was hij met zulk een bewonderenswaardigen spoed aan het vergeten, dat het twijfelachtig was of zelfs zijne declinatiën van substantieven tot aan het eind van de reis zouden duren.

Toen doctor Blimber, op den ochtend van het feest, volgens zijne vaste gewoonte had moeten zeggen: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten,” was hij van zijne vaste gewoonte afgeweken en had gezegd: “Jonge heeren, toen onze vriend Cincinnatus zich naar zijne hoeve terug begaf, leest men niet, dat hij den senaat een Romein voorstelde, dien hij tot zijn opvolger zocht te benoemen. Doch er is hier een Romein,” zeide doctor Blimber, en legde zijne hand op Feeder’s schouder, “adolescens imprimis gravis et doctus, jonge heeren, wien ik, een tweede Cincinnatus, aan mijn kleinen senaat, als hun toekomstigen dictator wensch voor te stellen. Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten, onder de auspiciën van mijnheer Feeder.” Op dit bericht (hetwelk doctor Blimber de ouders vooraf beleefdelijk had medegedeeld) lieten de jonge heeren een eerekreet hooren; en Tozer bood den doctor, in aller naam, een inktkoker aan, met eene redevoering, die zeer weinig van de moedertaal, maar vijftien aanhalingen uit het Latijn en zeven uit het Grieksch bevatte, hetgeen de jongsten der jonge heeren met ongenoegen en wangunst vervulde, en hen deed zeggen: “Wel ja, het was heel mooi voor dien langen Tozer, maar zij hadden hun geld niet gegeven om er langen Tozer mee te laten pronken; hadden zij wel? Wat had lange Tozer er meer part aan dan de anderen? Het was zijn inktkoker immers niet? Waarom kon hij niet van het goed van anderen afblijven?” met andere uitdrukkingen van ontevredenheid, waaraan zij niet beter lucht schenen te kunnen geven dan door hem langen Tozer te noemen.

Geen woord was den jongen heeren gezegd, geen wenk was hun gegeven van een aanstaand huwelijk tusschen mijnheer Feeder en de schoone Cornelia Blimber. Doctor Blimber vooral scheen moeite te doen om een gezicht te zetten alsof niets hem meer zou verrassen; maar de jonge heeren wisten het toch zeer wel, en toen zij vertrokken om het gezelschap hunner betrekkingen en vrienden te gaan opzoeken, was het met eerbiedig ontzag, dat zij van mijnheer Feeder afscheid namen.

Feeder’s romaneske droomen waren vervuld. De doctor had besloten het huis van buiten te laten schilderen en geheel te repareeren, en zijne zaak en Cornelia aan hem over te doen. Het schilderen en repareeren begon daags nadat de jonge heeren vertrokken, en ziet! nu was de bruiloftsochtend gekomen, en Cornelia, met een nieuwen bril, stond gereed om zich naar het huwelijksaltaar te laten leiden.

De doctor met zijne geleerde beenen, en mevrouw Blimber met een lila hoed, en mijnheer Feeder, met zijne knokkige vingers en borstelig hoofd, en mijnheer Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, die de plechtigheid zou verrichten, waren allen in het salon bijeen, en Cornelia, met hare oranjebloesems en bruidsjuffertjes, was juist naar beneden gekomen en zag er, gelijk van ouds, wat ingeknepen maar allerbekoorlijkst uit, toen de deur geopend werd, en de jonkman met slechte oogen, met luider stem, de volgende proclamatie deed:

“Mijnheer en mevrouw Toots!”

En daarop trad Toots binnen, zeer zwaarlijvig geworden en met eene dame aan den arm, die zeer fraai en met smaak gekleed was, en zeer heldere zwarte oogen had.

“Mevrouw Blimber,” zeide Toots, “laat ik u mijne vrouw mogen presenteeren.”

Mevrouw Blimber was verrukt haar te mogen recipieeren. Mevrouw Blimber was wel wat uit de hoogte, maar toch zeer vriendelijk.

“En daar ge mij lang gekend hebt, weet ge,” zeide Toots, “laat ik u mogen verzekeren, dat zij een van de buitengemeenste vrouwen is, die er ooit geleefd hebben.”—“Maar lieve!” zeide mevrouw Toots.—“Op mijn woord van eer, dat is zij,” zeide Toots, “Ik—ik verzeker u, mevrouw Blimber, zij is eene zeer buitengemeene vrouw.”

Mevrouw Toots lachte vroolijk, en mevrouw Blimber bracht haar naar Cornelia. Toen Toots deze insgelijks zijn compliment had gemaakt, en zijn ouden leermeester begroet, die, met toespeling op den huwelijken staat, zeide: “Wel zoo, Toots. Dus zijt ge nu in ons gild gekomen, Toots!” ging hij met Feeder ter zijde naar een venster.

Mijnheer Feeder, die zeer vroolijk was, plaatste zich in de houding van een bokser, en gaf Toots kunstmatig een stootje op het borstbeen.

“Wel, oude jongen!” zeide Feeder lachende. “Daar zijn wij er. Allebei gevangen. He?”—“Feeder,” antwoordde Toots, “ik feliciteer u. Als gij zoo—zoo—zoo volmaakt gelukkig zijt in den echten staat, als ik ben, zult gij niets meer te verlangen hebben.”—“Ik vergeet mijne oude vrienden niet, ziet ge,” zeide Feeder. “Ik vraag ze op mijne bruiloft.”—“Feeder,” antwoordde Toots met ernst, “de zaak is, dat er verscheidene omstandigheden bestonden, die mij verhinderden om u iets mede te deelen voordat mijn huwelijk voltrokken was. Vooreerst had ik mij, wat jufvrouw Dombey betreft, als een redeloos dier bij u aangesteld; en ik gevoelde wel, als ik u op eene bruiloft vroeg, dat ge natuurlijk zoudt denken dat het met jufvrouw Dombey was, waardoor ophelderingen te pas zouden zijn gekomen, die mij, op mijn woord van eer, in die crisis, geheel overstelpt zouden hebben. Ten tweede, werd ons huwelijk zeer stil gehouden; want er was niemand bij dan een vriend van mij en mijne vrouw, die kapitein is bij—ik weet eigenlijk niet recht waarbij,” zeide Toots, “maar dat is van geen beduiden. Ik hoop, Feeder, dat ik, door u een bericht van het voorgevallene te schrijven, eer mevrouw Toots en ik op reis gingen, aan al de verplichtingen der vriendschap heb voldaan.”—“Toots, mijn jongen,” zeide Feeder, hem de hand gevende, “ik stak er den gek maar mee.”—“En nu, Feeder,” zeide Toots, “zou ik gaarne willen weten, wat gij van mijn huwelijk denkt.”—“Ik vind het heerlijk,” antwoordde Feeder.—“Zoo, vindt gij het heerlijk, Feeder?” zeide Toots met grooten ernst. “Hoe heerlijk moet ik het dan niet vinden! Want gij kunt nooit weten welk eene buitengemeene vrouw zij is.”

Feeder wilde dit gaarne op goed geloof aannemen maar Toots schudde zijn hoofd en wilde er niet van hooren dat dit mogelijk zou zijn.

“Gij ziet wel,” zeide Toots, “wat ik met eene vrouw noodig had, was—kortom, was verstand. Geld, Feeder, had ik wel. Verstand had ik—had ik niet veel.”

Feeder prevelde: “O ja wel, Toots, dat hadt ge wel!” Maar Toots zeide:

“Neen, Feeder, dat had ik niet. Waarom zou ik het verbloemen? Dat had ik niet. Ik wist dat daar verstand was,” zeide Toots, naar zijne vrouw wijzende, “bij hoopen. Ik had geene betrekkingen, die zich over rang of stand konden ergeren of boos maken, want ik had geheel geene betrekkingen. Ik heb nooit iemand gehad, die mij toekwam, behalve mijn voogd; en hem, Feeder, heb ik altijd voor een struikroover gehouden. Dus was het niet te denken, weet ge,” zeide Toots, “dat ik naar zijne meening zou vragen.”—“Neen,” zeide Feeder.—“Derhalve ging ik naar mijne eigene meening te werk,” hervatte Toots, “en het was een gelukkige dag toen ik dat deed, Feeder. Niemand dan ik alleen kan zeggen hoeveel verstand die vrouw heeft. Als de rechten der vrouwen en al die soort van dingen ooit goed te recht gebracht worden, zal haar krachtig verstand het moeten doen.—Suze, melieve,” zeide Toots, plotseling om het gordijn van het venster kijkende, “maak het u toch niet te druk!”—“Ik praat maar, beste,” zeide mevrouw Toots.—“Maar, liefje,” hervatte Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Gij moet waarlijk voorzichtig zijn. Maak het u toch niet te druk, lieve Suze; zij raakt zoo licht opgewonden,” zeide Toots, ter zijde tot mevrouw Blimber, “en dan vergeet zij den dokter heel en al.”

Mevrouw Blimber hield mevrouw Toots de noodzakelijkheid voor om voorzichtig te zijn, toen Feeder haar zijn arm bood om haar naar een van de koetsen te brengen, waarmede men naar de kerk zou rijden. Doctor Blimber geleidde mevrouw Toots, en Toots de schoone bruid, om welker stralenden bril twee gazige bruidsjuffertjes als vlindertjes fladderden. Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, was reeds vooruitgegaan.

De plechtigheid werd met alle staatsie verricht. Cornelia, met hare gekroesde krulletjes, hield zich zeer bedaard; en doctor Blimber gaf haar weg als een man, die daartoe ten volle besloten was. De gazige bruidsjuffertjes schenen het meest ontroerd. Mevrouw Blimber was aangedaan, maar met mate, en zeide den eerwaarden heer Alfred Feeder onderweg naar huis, dat zij, als zij Cicero maar in zijne afzondering te Tusculum gezien had, nu geen wensch meer onvoldaan zou hebben.

Er volgde een ontbijt, dat tot hetzelfde kleine gezelschap beperkt bleef, en waarbij Feeder geducht vroolijk was en zijne vroolijkheid zoodanig aan mevrouw Toots mededeelde, dat men Toots verscheidene malen over de tafel heen hoorde zeggen: “Lieve Suze, maak het u toch niet te druk!” Het fraaiste van alles was, dat Toots zich verplicht achtte om eene aanspraak te houden en, in weerwil van alle telegrafische teekenen zijner vrouw om het hem te ontraden, dit werkelijk voor het eerst van zijn leven deed.

“Ik kan waarlijk, in dit huis,” zeide Toots, “waar ik—wat er ook somtijds met—met mijne hersenen mocht gedaan zijn—dat van geen beduiden is en ik ook niemand verwijt—altijd als een lid van doctor Blimber’s familie ben behandeld, en lang zelfs een eigen lessenaar heb gehad—mijn vriend Feeder niet zien—”—“Trouwen,” blies mevrouw Toots hem in.—“Het zal bij deze gelegenheid niet ongepast en niet geheel onbelangrijk wezen,” zeide Toots met een vergenoegd gezicht, “hier aan te merken, dat mijne vrouw eene zeer buitengemeene vrouw is, en dit veel beter zou doen dan ik zelf—mijn vriend Feeder niet zien trouwen—inzonderheid met—”—“Met jufvrouw Blimber,” fluisterde mevrouw Toots hem toe.—“Met mevrouw Feeder, lieve,” zeide Toots, op den zachten toon eener afzonderlijke redewisseling. “Wat God vereenigd heeft, zal niemand—weet ge wel? Ik kan mijn vriend Feeder niet zien trouwen, inzonderheid met mevrouw Feeder—zonder hunne—hunne toasten in te stellen; en moge,” zeide Toots, zijne oogen op zijne vrouw vestigende, als om zich daardoor tot eene hooge vlucht te inspireeren, “de toorts van Hymen een vreugdevuur voor hen wezen, en mogen de bloemen, die wij heden op hun pad hebben gestrooid, alle—alle somberheid verbannen.”

Doctor Blimber, die veel van zinnebeeldige uitdrukkingen hield, klapte zachtjes in zijne handen en zeide knikkende: “Zeer wel gezegd, Toots, zeer wel gezegd, inderdaad.” Feeder antwoordde met eene schertsende dankbetuiging, met gevoel getemperd. Zijn eerwaarde broeder bracht een zeer fraaien toast op den doctor en mevrouw Blimber uit, en de bruidegom zelf wederom een nauwelijks minder fraaien op de glanzige bruidsjuffertjes. Toen ontboezemde doctor Blimber met eene galmende stem en in een pastoralen trant eenige gedachten over het rieten dak, waaronder hij met mevrouw Blimber zou gaan wonen, en over de bijen, die om hunne stulp zouden gonzen. Kort daarna hief de voorzichtige mevrouw Blimber—daar des doctors oogen opmerkelijk begonnen te flikkeren, en zijn schoonzoon reeds had aangemerkt, dat de klok voor de gekken gemaakt was, en gevraagd had of mevrouw Toots ook zong—de zitting op, en zond Cornelia, zeer koel en rustig, met den man van haar hart in eene postkoets heen.

Mijnheer en mevrouw Toots begaven zich naar de Bedford (mevrouw Toots was daar in vroeger tijd, toen zij nog Nipper heette, meer geweest) en vonden daar een brief, waaraan Toots zulk een geducht langen tijd besteedde om hem te lezen, dat mevrouw Toots er ongerust over werd.

“Lieve Suze,” zeide Toots, “ongerustheid en schrik zijn nog erger dan drukte. Ik bid u, blijf toch bedaard!”—“Van wien is hij?” zeide mevrouw Toots.—“Wel melieve,” was het antwoord, “van kapitein Gills. Schrik nu maar niet. Walters en jufvrouw Dombey worden thuis gewacht.”—“Beste,” zeide mevrouw Toots, haastig en zeer bleek van de sofa opstaande, “wil mij maar niet bedriegen, want dat baat toch niet. Zij zijn thuis gekomen—dat zie ik duidelijk aan uw gezicht.”—“Zij is toch eene buitengemeene vrouw!” riep Toots met bewonderende verrukking uit. “Gij hebt volkomen gelijk, lieve, zij zijn thuis. Jufvrouw Dombey heeft haar vader gezien, en zij zijn verzoend.”—“Verzoend!” riep mevrouw Toots, hare handen samenslaande.—“Lieve,” zeide Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Denk om den dokter. Kapitein Gills zegt—of eigenlijk zegt hij dat niet, maar ik verbeeld mij, dat ik uit zijn schrijven kan begrijpen—dat jufvrouw Dombey haar ongelukkigen vader uit zijn oude huis heeft weggehaald en meegenomen, naar dat waar zij en Walters wonen—dat hij daar heel ziek ligt—stervende, naar men denkt, en dat zij hem nacht en dag oppast.”

Mevrouw Toots begon bitter te schreien.

“Liefste Suze,” zeide Toots, “als gij eenigszins met mogelijkheid kunt, denk dan toch om den dokter. Als gij niet kunt, is het van geen beduiden; maar doe er toch uw best toe.”

Zijne vrouw, die eensklaps hare oude manieren weder aannam, bad hem zoo aandoenlijk om haar naar haar lievelingetje, haar meesteresje te brengen, dat Toots, wiens medelijden en bewondering even groot waren, van ganscher harte daarin bewilligde, en zij afspraken om terstond te vertrekken en in eigen persoon antwoord te brengen op den brief des kapiteins.

Nu hadden zekere toevalligheden den kapitein (naar wien mijnheer en mevrouw Toots zoo spoedig op reis zouden gaan) dien dag zelven op het bloemenpad des huwelijks gebracht, niet als hoofdpersoon, maar als getuige. Dit had zich aldus toegedragen.

Toen de kapitein, tot zijn onbeschrijfelijk genoegen, Florence en haar kindje voor een oogenblik had gezien, en een langen tijd met Walter gepraat, ging hij eene wandeling doen, daar hij het noodig achtte eens eenzaam na te denken over de wisselvalligheid der menschelijke zaken, en zijn blinkenden hoed te schudden over het ongeluk van mijnheer Dombey, met wien hij innig medelijden had. Hij zou zich zelfs zeer droefgeestig over het lot van dien heer hebben gemaakt, als hij niet om het kindje had gedacht, dat hem, telkens als het hem in het hoofd kwam, zoozeer verheugde, dat hij hardop lachende langs de straat stapte, en zelfs meer dan eens, in eene vlaag van plotselinge verrukking, tot verbazing der aanschouwers, zijn blinkenden hoed omhoogwierp en weder opving. De snelle afwisselingen van licht en schaduw, waaraan deze twee tegenstrijdige onderwerpen van bespiegeling den kapitein blootstelden, hadden zulk een invloed op zijne gemoedsrust, dat hij gevoelde eene lange wandeling noodig te hebben om tot bedaren te komen; en daar streelende herinneringen hiertoe veel konden bijdragen, verkoos hij eens in zijne oude buurt te gaan rondwandelen, tusschen masten, roeispanen, blokkenmakers, scheepsbeschuitbakkers, kolendragers, teerketels, matrozen, kanalen, dokken, draaibruggen en andere kalmeerende voorwerpen.

Deze vreedzame tooneelen werkten zoo weldadig op het gemoed des kapiteins, dat hij met stille tevredenheid voortwandelde, en zich zelfs binnensmonds met het liedje van Mooie Peggy verlustigde, toen hij, een hoek omslaande, eensklaps sprakeloos bleef staan op het gezicht van een zegepralenden optocht, die naar hem toekwam.

Aan het hoofd van dien stoet was de geduchte jufvrouw MacStinger, die met een gezicht vol onverzettelijke vastberadenheid, en met een reusachtig horloge op hare steenharde borst pronkende, hetwelk de kapitein terstond als het eigendom van Bunsby herkende, niemand anders dan dien diepdenkenden zeeman zelven onder den arm had; terwijl hij, met het neerslachtig verstrooide gezicht van een gevangene, die in een vreemd land wordt weggevoerd, zich geduldig aan haar wil overgaf. Achter deze kwamen de kleine MacStinger’s in een troepje, juichende, en achter deze twee dames, van onverschrokken uitzicht, met een kort heertje met een hoogen hoed tusschen haar beiden, die insgelijks juichte; geheel achteraan Bunsby’s jongen, met paraplu’s beladen. De schrikkelijk pralende opschik der geheele bende zou, al hadden de dames niet zoo vastberaden en onverschrokken gekeken, genoegzaam hebben aangeduid dat de trein een offerstoet, en dat Bunsby het slachtoffer was.

De eerste gedachte des kapiteins was aan den loop te gaan. Dit scheen ook de eerste gedachte van Bunsby te zijn, hoe hopeloos de uitvoering daarvan ook moest blijken. Maar toen er een herkenningskreet uit het gezelschap opging, en Alexander MacStinger met opene armen naar den kapitein kwam toeloopen, streek deze de vlag.

“Wel, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger. “Dat is wel toevallig. Ik ben nu niet meer kwaad op u, kapitein Cuttle; gij behoeft niet bang te zijn dat ik iets meer zal zeggen. Ik hoop in een anderen geest naar het altaar te gaan.” Hier zweeg zij even, blies met eene lange inademing hare borst op, en zeide, op het slachtoffer doelende: “Mijn aanstaande, kapitein Cuttle.”

De neerslachtige Bunsby keek rechts noch links, noch naar zijne bruid, noch naar zijn vriend, maar vlak voor zich naar niets. Toen de kapitein zijne hand uitstak, stak Bunsby ook de zijne uit; maar op des kapiteins groet sprak hij geen woord.

“Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “als gij oude grieven wilt genezen, en uw vriend, mijn aanstaande, nog op het laatste oogenblik zien als jong gezel, zullen wij blijde zijn met uw gezelschap naar de kerk. Hier is eene jufvrouw,” zeide zij, zich naar de onverschrokkenste der twee dames keerende, “mijne bruidsjuffer, die gaarne uw geleide zal aannemen, kapitein Cuttle.”

De korte heer met den hoogen hoed, die de echtgenoot der andere dame bleek te zijn, en zich blijkbaar verheugde, dat een zijner medemenschen tot zijn eigen staat zou verlaagd worden, liet de bedoelde dame daarop los; welke toen dadelijk kapitein Cuttle beetpakte, en aanmerkende dat men geen tijd te verzuimen had, met eene forsche stem bevel gaf om op te marcheeren.

Des kapiteins bekommering over zijn vriend, niet ongemengd in het eerst met bekommering over zich zelven—want eene onbestemde vrees, dat hij wel met geweld getrouwd zou kunnen worden, vervulde hem, tot zijne kennis van het formulier hem te hulp kwam, en hij zich de wettige verplichting herinnerde om te zeggen: “Ik wil,” zich persoonlijk veilig achtte zoolang hij voornemens was om op alle vragen duidelijk te antwoorden: “Ik wil niet”—bracht hem geweldig aan het zweeten, en belette hem eene poos op te merken, welken weg de stoet nam en wat er gesproken werd. Toen zijne ontroering wat bedaarde, vernam hij van zijne dame, dat zij de weduwe van zekeren mijnheer Bokum was, die een post aan het tolkantoor had gehad; dat zij de dierbaarste vriendin van jufvrouw MacStinger was, welke zij als een voorbeeld voor hare sekse beschouwde; dat zij dikwijls van den kapitein had gehoord, van wien zij hoopte dat zijn vroeger leven hem berouwde; dat zij vertrouwde dat Bunsby wel wist welk een zegen hem ten deel viel, maar dat zij vreesde dat de mannen zelden wisten wat zulke zegeningen waren, voordat zij ze verloren; met nog meer van dien aard.

Al dien tijd kon de kapitein niet nalaten op te merken, dat jufvrouw Bokum den bruidegom nauwlettend in het oog hield, en dat zij, als men aan den hoek van een steegje kwam, hetwelk eene vlucht scheen te kunnen begunstigen, zich gereed hield om zulk eene vlucht desnoods te beletten. Ook de andere dame en haar man, het korte heertje met den hoogen hoed, waren blijkbaar, volgens afspraak, op hunne hoede; en bovendien hield jufvrouw MacStinger den ongelukkigen Bunsby zoo stevig vast, dat elke poging om te ontsnappen verijdeld moest worden. Dit viel zelfs het gepeupel in het oog, dat door schreeuwen en uitjouwen zijn begrip van de zaak aan den dag legde; waarvoor de geduchte jufvrouw MacStinger zich geheel onverschillig hield, terwijl Bunsby zelf in een staat van bewusteloosheid scheen te verkeeren.

De kapitein deed verscheidene pogingen om zich met dezen philosoof in gemeenschap te stellen, al was het maar door een enkel woord of een teeken; maar dit mislukte hem telkens, zoowel door de waakzaamheid der wacht, als door de moeielijkheid, die het altijd inhad om door eenig zichtbaar teeken Bunsby’s aandacht te trekken. Zoo naderden zij de kerk, een net, van binnen en van buiten gewit gebouw, onlangs door den eerwaarden Melchizedek Hawler gehuurd, die op dringend aanzoek had toegegeven dat de wereld nog twee jaren in wezen zou blijven, maar zijne volgelingen had onderricht dat zij dan stellig moest vergaan.

Terwijl de eerwaarde Melchizedek een lang gebed deed, nam de kapitein eene gelegenheid waar om den bruidegom in het oor te brommen:

“Hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”

Waarop Bunsby, met eene vergetelheid van den eerwaarden Melchizedek, die alleen door zijne wanhopige omstandigheden kon verontschuldigd worden, antwoordde:

“Verd...md slecht.”—“Jack Bunsby,” fluisterde de kapitein, “doet gij dit hier uit eigen vrijen wil?”

Bunsby antwoordde: “Neen!”—“Waarom doet gij het dan, mijn jongen?” vroeg de kapitein niet onnatuurlijk.

Bunsby, altijd nog met een onbeweeglijk gezicht naar den anderen kant van de wereld kijkende, gaf geen antwoord.

“Waarom scheert gij u niet weg?” zeide de kapitein.—“He?” fluisterde Bunsby, met eene oogenblikkelijke schemering van hoop.—“Scheer je weg,” zeide de kapitein.—“Wat zou het baten?” antwoordde de neerslachtige wijze. “Zij zou mij toch wel weer pakken.”—“Probeer maar!” hernam de kapitein. “Moed gehouden! Kom aan! Nu is het tijd. Loop, Jack Bunsby!”

Maar in plaats van dien raad te volgen, antwoordde Jack Bunsby akelig fluisterend:

“Het is alles begonnen met die kist van u. Waarom heb ik haar dien avond ooit konvooi gegeven?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met schrik, “ik dacht dat gij haar den baas waart, en niet zij u. Een man, die zulke gevoelens heeft als gij!”

Bunsby slaakte slechts een gesmoorden zucht.

“Kom aan!” zeide de kapitein, hem met zijn elleboog aanstootende. “Nu is het tijd. Loop! Ik zal u den rug dekken. De tijd vliegt om. Bunsby! Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—eens.”

Bunsby bleef onbeweeglijk.

“Bunsby,” fluisterde de kapitein. “Wilt gij?—tweemaal.”

Bunsby wilde nog niet.

“Bunsby!” drong de kapitein. “Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—driemaal. Nu of nooit.”

Bunsby deed het nooit, want een oogenblik later was hij met jufvrouw MacStinger getrouwd.

Eene der akeligste omstandigheden der geheele plechtigheid voor den kapitein was de doodelijke belangstelling, welke Juliana MacStinger liet blijken, en de noodlottige aandacht, waarmede dat veelbelovende kind, alreeds het evenbeeld harer moeder, alles gadesloeg wat er gebeurde. De kapitein zag daarin eene oneindig voortloopende reeks van valstrikken voor mannen—eeuwen van druk en dwang, waartoe de zeevaarders gedoemd waren. Het gezicht was veel opmerkelijker dan de onverzettelijke onverschrokkenheid van jufvrouw Bokum en de andere dame, de blijdschap van het korte heertje met den hoogen hoed, of zelfs de wreede onverschilligheid van jufvrouw MacStinger. De jongeheeren MacStinger begrepen weinig van hetgeen er voorviel, en gaven er nog minder om, daar zij onder de plechtigheid voornamelijk bezig waren met op elkanders laarzen te trappen; het contrast met deze ellendige kinderen deed echter de vroegrijpe vrouw in Juliana des te heerlijker uitkomen. Nog een paar jaren, dacht de kapitein, en het zou iemand slecht bekomen te gaan logeeren waar dat kind was.

De plechtigheid werd besloten met een algemeenen aanval der jeugdige familie op Bunsby, die met den teederen naam van vader begroet en om halve stuivers gevraagd werd. Toen deze uitstortingen van gevoel waren afgeloopen, en de stoet gereed was om weder te vertrekken, werd men nog eene poos opgehouden door een onverwachten inval van Alexander MacStinger. Dat lieve kind denkende, dat in eene kerk buiten de gewone godsdienstoefening niets anders kon gebeuren dan begraven, verbeeldde zich vast, dat zijne moeder nu begraven en voor altijd voor hem verloren was; en in den angst dezer overtuiging schreeuwde hij zoo hard, dat hij er blauw van in het gezicht werd. Hoe treffend dat blijk van teerhartigheid ook voor zijne moeder was, lag het niet in het karakter dier buitengemeene vrouw te dulden, dat deze zwakheid al te ver werd gedreven. Nadat zij dus vruchteloos gepoogd had haar zoontje door stompen, schudden, toesnauwen en dergelijke middelen tot een beter begrip te brengen, bracht zij het in de opene lucht en beproefde eene andere methode, waarvan het gezelschap kennis kreeg door eene snelle opvolging van scherpe geluiden, naar een applaudissement gelijkende, en daarna door Alexander, met een rood gezicht en luid weeklagende, op den koudsten steen van het kerkpleintje te zien zitten.

De processie, nu gereed om naar Brig Place terug te keeren, waar een bruiloftsmaal bereid was, begaf zich weder op weg, niet zonder dat Bunsby van de verzamelde menigte een aantal luimige felicitatiën met zijn pas gewonnen geluk ontving. De kapitein ging mede tot aan de deur van het huis, maar ongerust geworden door de zachtere manieren van jufvrouw Bokum, die, nu zij van hare taak was ontheven—want de waakzaamheid der dames nam zeer merkbaar af zoodra de bruidegom veilig getrouwd was—meer tijd had om hem hare belangstelling te toonen, nam hij daar afscheid, met eene flauwe verontschuldiging wegens eene vroegere afspraak, en eene even flauwe belofte om straks terug te komen. De kapitein had nog eene reden tot ongerustheid in de gedachte, dat hij de eerste aanleiding tot Bunsby’s ongeluk had gegeven, hoewel zonder dit te bedoelen en alleen door zijn onbeperkt vertrouwen op de vermogens van dien philosoof.

Naar den houten adelborst en Sam Gills terug te keeren, en niet eerst te gaan vragen hoe mijnheer Dombey voer—hoewel het huis, waar deze ziek lag, ver buiten Londen en op den zoom eener frissche heide stond—kon de kapitein niet op zich verkrijgen. Hij liet zich dus, als hij moe werd, een eindje rijden, en deed zoo vroolijk den tocht.

De gordijnen waren gesloten en het huis was zoo stil, dat de kapitein bijna bang was om aan te kloppen; maar toen hij aan de deur luisterde, hoorde hij dichtbij zacht spreken, en daarop voorzichtig aankloppende, werd hij door Toots ingelaten. Toots en zijne vrouw waren zoo pas gekomen, daar zij naar den adelborst waren geweest om hem te zoeken, en daar het adres hadden gekregen.

Zij waren er echter niet zoo kort, of mevrouw Toots had het kindje reeds weten te krijgen, en zat het op de trap te kussen en te liefkoozen. Florence stond gebukt naast haar, en niemand had kunnen zeggen, wien mevrouw Toots het meest liefkoosde, de moeder of het kind, of wie teerder was, Florence voor hare Suze, of Suze voor haar, of beide voor het wichtje; zoo vol liefde en blijde beweging was de kleine groep.

“En is uw papa zoo erg ziek, mijne allerliefste jufvrouw Flore?” zeide Suze.—“Hij is heel, heel ziek,” antwoordde Florence. “Maar, lieve Suze, gij moet mij nu niet aanspreken zooals ge vroeger placht te doen. En wat is dat!” zeide Florence, met verbazing hare kleeren aanrakende. “Uw oud japonnetje, lieve? Uwe oude muts, en krullen en alles?”

Suze barstte in tranen uit, en bedekte het handje, dat haar zoo verwonderd had aangeraakt, met kussen.

“Mijne lieve jufvrouw Dombey,” zeide Toots nader komende, “dat zal ik u verklaren. Zij is de buitengemeenste vrouw van de wereld. Er zijn er niet veel die haar gelijken. Zij heeft altijd gezegd—zoo zeide zij eer wij getrouwd waren, en zoo zeide zij nog vandaag—dat zij, als gij thuis kwaamt, naar u toe zou gaan eveneens gekleed als toen zij u placht te dienen, uit vrees dat zij u anders vreemd zou voorkomen en gij minder van haar mocht houden. Ik bewonder haar bovenal zoo gekleed,” zeide Toots. “Ik aanbid haar als zij zoo gekleed is! Mijne lieve jufvrouw Dombey, nu zal zij weder uwe kamenier zijn, uwe oppasster, alles wat zij ooit geweest is en nog meer. Zij is geheel niet veranderd. Maar lieve Suze,” zeide Toots, die met diep gevoel had gesproken, “al wat ik vraag is, dat gij om den dokter denkt en het u niet al te druk maakt.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LXI. NOG EEN WEDERZIEN

Florence had wel hulp noodig. Haar vader had groote behoefte daaraan, en dit maakte den bijstand harer oude vriendin onwaardeerbaar. De dood zweefde over zijne peluw. Reeds eene schim van wat hij vroeger was, ziek naar het lichaam en afgemarteld naar den geest, had hij zijn hoofd neergelegd op het bed, dat zijne dochter voor hem gespreid had, en het niet weder opgebeurd.

Zij was altijd bij hem. Doorgaans kende hij haar, hoewel zijne ontstelde hersenen haar dikwijls in vreemde omstandigheden verplaatsten. Zoo sprak hij haar somtijds aan alsof zijn zoon pas gestorven was, en zeide hij, dat, schoon hij er niets van had gezegd dat zij bij dat bedje zooveel dienst bewees, hij het toch wel gezien had—toch wel gezien had; en dan verborg hij snikkend zijn gezicht, en stak hij zijne vermagerde hand uit. Somtijds vroeg hij naar haar zelve. “Waar is Florence?”—“Ik ben hier, papa; ik ben hier.”—“Ik ken haar niet!” riep hij dan uit. “Wij zijn zoo lang gescheiden geweest, dat ik haar niet ken.” En dan staarde hij zoo angstig rond, dat zij zich verheugde als het haar gelukte de tranen terug te roepen, die zij anders zoo ijverig poogde te drogen.

Somtijds zwierf hij uren lang door tooneelen van vroeger tijd, waar Florence hem dikwijls niet meer kon volgen. Dan herhaalde hij die kinderlijke vraag: “Wat is geld?” en peinsde daarover, en redeneerde met zich zelven, meer of minder geregeld, om een goed antwoord te vinden; alsof zij hem nog nooit dan op dat oogenblik was voorgesteld. Dan herhaalde hij mijmerend den naam zijner oude firma duizenden malen achtereen, en keerde bij elke herhaling zijn hoofd op het kussen om. Dan telde hij zijne kinderen—een—twee, stuitte, keerde zich om, en begon weder opnieuw.

Maar dit was alleen wanneer zijn geest het meest verbijsterd was. Meestal hielden zijne gedachten zich alleen met Florence bezig. Wat hij het meeste deed was dit: Hij herriep dien nacht, waaraan hij kort geleden zooveel had gedacht, dien nacht toen zij beneden in zijne kamer kwam, en verbeeldde zich dat zijn hart hem verwijtingen deed, en hij haar na- en de trap opging om haar terug te halen. Dan, dien tijd verwarrende met de latere dagen van de vele voetstappen, verwonderde hij zich over hun aantal, en begon hij, terwijl hij haar volgde, ze te tellen. Dan was er eensklaps een bloedige voetstap, die tusschen de andere voortliep; en daarna begonnen er deuren open te staan, door welke hij in spiegels akelige afbeeldsels zag van bleeke mannen, die iets in hunne borst verborgen. Maar onder die menigte van voetstappen en den bloedigen voetstap, hier en daar, bleef toch steeds de stap van Florence. Altijd ging zij hem vooruit, altijd volgde haar zijn rustelooze geest, aanhoudend tellende, al verder en al hooger, als naar den top van een toren, zoo hoog, dat men jaren noodig had om hem te beklimmen.

Eens vroeg hij of dat niet Suze was, die niet lang geleden had gesproken.

Florence antwoordde “ja, lieve papa,” en vroeg of hij haar zou willen zien.

Hij antwoordde “zeer gaarne;” en Suze kwam, niet weinig bevende, voor zijn bed.

Dit scheen eene groote verademing voor hem te zijn. Hij verzocht haar om niet heen te gaan; hij vergaf haar wat zij hem gezegd had, en zij moest nu weer blijven. Florence en hij waren nu geheel anders, zeide hij, en zeer gelukkig. Zij moest hier maar naar zien. Hij meende dat hij het lieve hoofdje op zijn kussen neertrok en naast het zijne legde.

Zoo bleef hij dagen en weken. Eindelijk werd hij stiller, en lag nu als eene flauwe schim van een man op zijn bed, en sprak zoo zacht dat men hem alleen hooren kon als men dicht bij zijne lippen luisterde. Het was nu een dof genot voor hem daar te liggen, met het venster open, en uit te zien naar de zomerlucht en de boomen, en des avonds naar de ondergaande zon; de schaduwen der wolken en de bladeren gade te slaan, terwijl het was alsof hij zekere sympathie met schaduwen gevoelde. Het was natuurlijk dat hij dit deed. Voor hem waren het leven en de wereld niets anders.

Hij begon nu te toonen, dat hij om Florence’s vermoeienis dacht, en spande zijne zwakke krachten dikwijls in om haar toe te fluisteren: “Ga toch eens wat wandelen, liefje, in de vrije lucht. Ga eens naar uw goeden oom.” Eens, toen Walter in de kamer was, wenkte hij dezen om bij hem te komen en te bukken; en zijne hand drukkende, fluisterde hij hem toe, wel te weten dat hij hem zijn kind kon toevertrouwen, als hij dood was.

Op een avond tegen het ondergaan der zon, toen Florence en Walter bij elkander in zijne kamer zaten, gelijk hij gaarne had, gebeurde het dat Florence, die haar kindje op den schoot had, zachtjes voor den kleine begon te zingen—hetzelfde oude liedje, dat zij zoo dikwijls voor het doode kind had gezongen. Hij kon dit toen nog niet verdragen; zijne bevende hand uitstekende, bad hij haar om op te houden; maar des anderen daags vroeg hij haar om het nog eens te zingen, en dit des avonds dikwijls te doen. Zij zong, en hij luisterde met een afgewend gezicht.

Op zekeren tijd zat Florence bij zijn venster, met haar werkmandje tusschen haar en Suze, die haar nog trouw gezelschap hield. Hij was ingesluimerd. Het was avond, maar zou nog een paar uren licht blijven; de rustige stilte bracht Florence in eene peinzende stemming. Zij zat mijmerend te denken aan het oogenblik toen hij, die daar zoo veranderd lag, haar voor het eerst aan hare schoone mama had voorgesteld, toen Walter haar op den schouder tikte en met zekeren schrik deed omzien.

“Lieve,” zeide Walter, “er is iemand beneden, die u verlangt te spreken.”

Zij verbeeldde zich dat Walter ernstig zag, en vroeg hem of er iets gebeurd was.

“Neen, neen, liefje,” antwoordde Walter. “Ik heb al zelf met dien heer gesproken. Er is niets gebeurd. Zult ge komen?”

Florence vertrouwde haar vader aan de zwartoogige mevrouw Toots, die zoo wakker zat te werken als eene zwartoogige vrouw maar kon, en ging met Walter naar beneden. In het vroolijke voorkamertje, dat op den tuin uitzag, zat een heer, die, toen zij binnentrad, opstond om naar haar toe te komen, maar door iets eigenaardigs van zijne beenen zijdwaarts afsloeg, en slechts door de tafel werd gestuit.

Nu dacht Florence aan neef Feenix, dien zij in de schaduw van het gebladerte eerst niet had herkend. Neef Feenix vatte hare hand en wenschte haar geluk met haar huwelijk.

“Ik had wel kunnen wenschen,” zeide neef Feenix, zich neerzettende toen Florence was gaan zitten, “al vroeger gelegenheid te hebben om u mijne felicitatiën aan te bieden; maar onbewimpeld gezegd, er hebben zooveel onaangename omstandigheden plaats gehad, die elkander, om zoo te zeggen, op de hielen volgden, dat ik zelf in een drommel van een staat ben geweest, geheel ongeschikt voor conversatie of gezelschap. Het eenige gezelschap, dat ik gehad heb, is mijn eigen gezelschap geweest; en het is zeker alles behalve vleiend voor iemands eigenliefde, als hij ondervindt dat hij, onbewimpeld gezegd, de capaciteit heeft om zich zelven doodelijk te vervelen.”

Uit iets verlegens en gedwongens in neef Feenix’ manieren—die, in weerwil zijner kleine zonderlingheden, altijd de manieren van een gentleman had—en ook uit Walter’s voorkomen, maakte Florence op, dat hierop iets moest volgen, dat een meer bepaald doel had.

“Ik heb mijn vriend, mijnheer Gay, als ik de eer mag hebben om hem zoo te noemen,” zeide neef Feenix, “al gezegd, dat het mij verheugt te hooren dat mijn vriend Dombey stellig aan de beterhand is. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich niet al te zeer over het verlies van geldelijk vermogen zal kwellen. Ik kan niet zeggen, dat ik ooit zelf een groot verlies van geldelijk vermogen ondervonden heb, daar ik, onbewimpeld gezegd, nooit heel veel te verliezen heb gehad. Maar zooveel als ik verliezen kon, heb ik toch verloren, en ik kan niet vinden dat ik het mij bijzonder aantrek. Ik weet, dat mijn vriend Dombey een verduiveld eerlijk man is; en het moet mijn vriend Dombey tot een grooten troost strekken, te weten dat men algemeen zoo over hem denkt. Zelfs Tommy Screwzer—een man, die een verbazend galachtig gestel heeft en met wien mijn vriend Gay denkelijk wel bekend is—kan geen woord daartegen inbrengen.”

Florence gevoelde meer en meer dat er iets komen moest, en zag ernstig daarnaar uit; zoo ernstig, dat neef Feenix, alsof zij gesproken had, antwoordde:

“De zaak is, dat mijn vriend Gay en ik er over gesproken hebben, in hoeverre het voegzaam zou zijn u om eene gunst te verzoeken, en dat ik de toestemming van mijn vriend Gay heb—die mij met eene vriendelijkheid en openhartigheid is te gemoet gekomen, waarvoor ik hem zeer verplicht ben—om u daarom te verzoeken. Ik ben wel bewust, dat eene zoo beminnelijke dame als de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey, niet veel aandrang zal noodig hebben; maar het doet mij toch genoegen, dat ik door mijn vriend Gay’s invloed en goedkeuring word gerugsteund. Gelijk in mijn parlementstijd, als iemand eene motie te doen had—dat in die dagen zelden gebeurde, want wij werden door de hoofden der partijen streng onder discipline gehouden, dat heel goed voor ons was en belette dat wij ons gedurig blootstelden, gelijk velen van ons gaarne zouden gedaan hebben—evenals in mijn parlementstijd, gelijk ik zeide, als iemand alleen een klakkebos had af te schieten, het voor heel slim gehouden werd te zeggen, dat hij het geluk had van te gelooven dat het zijn gevoelen niet aan weerklank in de borst van mijnheer Pitt ontbrak, den stuurman, die de stormen tartte en bemeesterde. Waarop dan een verduiveld groot getal van leden dadelijk bravo riep en hem zoo moed gaf. Schoon de waarheid is, dat die kerels, die order hadden om hard bravo te roepen, als de naam van mijnheer Pitt genoemd werd, daaraan zoo gewoon waren dat zij er altijd van wakker werden. Anders wisten zij zoo geheel niet wat er omging, dat Conversatie-Brown gewoonlijk placht te zeggen—een man van vier flesschen in de financiën, wien de vader van mijn vriend Gay wel zou gekend hebben, want het was voor den tijd van mijn vriend Gay zelf—dat, als er iemand gezegd had, tot zijn leedwezen het Huis te moeten berichten dat er in het portaal een van de leden lag, die eene beroerte had gekregen, en dat de naam van dat lid mijnheer Pitt was, er even geducht bravo zou zijn geroepen.”

Dit verschuiven van hetgeen er komen moest maakte Florence zeer onrustig, en zij keek, met toenemende ontroering, van neef Feenix naar Walter.

“Er is niets gebeurd, liefje,” zeide Walter.—“Er is niets gebeurd, op mijne eer,” zeide neef Feenix; “en het spijt mij zeer, het middel te zijn om u een oogenblik ongerustheid te veroorzaken. Ik verzoek u te mogen verzekeren, dat er niets gebeurd is. De gunst, die ik te vragen heb, is eenvoudig—maar het komt mij waarlijk zoo buitengemeen zonderling voor, dat ik mijn vriend Gay ten uiterste verplicht zou zijn, als hij zoo goed wilde wezen—hoe zal ik het zeggen—om het ijs te breken.”

“Walter, aldus uitgenoodigd, en gedrongen door den blik, waarmede Florence naar hem omzag, zeide:

“Liefste, het is niet meer dan dit. Dat gij eens naar Londen wilt rijden met dezen heer, dien gij kent.”—“En met mijn vriend Gay insgelijks—neem mij niet kwalijk,” viel neef Feenix er op in.—“En met mij, om er ergens eene visite te brengen.”—“Aan wien?” vroeg Florence, van den een naar den ander ziende.—“Als ik u bidden mocht,” zeide neef Feenix, “om niet op een antwoord op die vraag aan te dringen, zou ik gaarne de vrijheid willen nemen om dat verzoek te doen.”—“Weet gij het, Walter?” zeide Florence.—“Ja.”—“En vindt gij het goed?”—“Ja. Alleen omdat ik zeker ben, dat gij het ook goed zoudt vinden, Florence, schoon er redenen kunnen zijn, gelijk ik wel begrijp, die het beter maken dat er vooraf niets meer van gezegd wordt.”—“Als papa nog slaapt, of mij missen kan, als hij wakker is, zal ik terstond gereed zijn,” antwoordde Florence. En stil opstaande verliet zij de kamer, na nog even naar hen te hebben omgezien met een blik, die wel eenigszins angstig was, maar toch aanduidde dat zij zich geheel op hen verliet.

Toen zij terugkwam, gereed om mede te gaan, stonden zij bij het venster ernstig met elkander te spreken; en Florence kon niet nalaten zich te verwonderen wat het onderwerp was, dat hen in zoo korten tijd zoo wel met elkander bekend had gemaakt. Maar zij verwonderde zich niet over den blik van trotschheid en liefde, waarmede haar echtgenoot afbrak toen zij binnenkwam, want zij zag hem nooit of die blik vloog haar te gemoet.

“Ik zal een kaartje voor mijn vriend Dombey laten,” zeide neef Feenix, “oprechtelijk vertrouwende dat hij met ieder uur in gezondheid en krachten zal bijkomen. En ik hoop, dat mijn vriend Dombey mij de gunst zal bewijzen, om mij te houden voor iemand, die eene verduiveld warme bewondering voor zijn karakter heeft, als een Engelsch koopman en een verduiveld echt gentleman te gelijk. Mijn buiten is verduiveld in verval, maar als mijn vriend Dombey verandering van lucht mocht noodig hebben, en daar zijn kwartier wou nemen, zou hij het eene buitengemeen gezonde plek vinden—gelijk het ook wel wezen mag, want het is er verbazend vervelend. Als mijn vriend Dombey lang zwak mocht blijven, en mij vergunde hem iets te recommandeeren, dat mij zelf dikwijls heeft goedgedaan, als iemand die somtijds heel raar is geweest, en die tamelijk ongeregeld leefde, zou ik zeggen, laat het dan een dooier van een ei zijn, met suiker en nootmuskaat geklopt, in een glas sherry, en ’s morgens gebruikt met een sneedje drogen toast. Jackson, die de bokszaal in Bond Street hield—een uitstekend man in zijn vak, van wien mijn vriend Gay zeker wel gehoord zal hebben—placht te zeggen, dat men, om voor het boksen kracht te krijgen, rum nam in plaats van sherry. Maar in dit geval zou ik sherry recommandeeren, omdat mijn vriend Dombey niet wel is; en de rum hem dus, om het onbewimpeld te zeggen, naar het hoofd zou kunnen vliegen en hem meer kwaad- dan goeddoen.”

Dit alles zeide neef Feenix op eene manier, waaruit duidelijk bleek dat hij onrustig en zenuwachtig was. Toen Florence zijn arm gevende, en zijne eigenzinnige beenen, die den tuin schenen te willen inkuieren, met alle kracht in bedwang houdende, bracht hij haar naar de deur en hielp haar in de koets, die naar haar stond te wachten.

De twee heeren stapten insgelijks in en men reed voort.

De rit duurde zoolang, dat het reeds donker werd toen men in zekere stille, deftige straten in het westen van Londen kwam. Florence stak nu hare hand in die van Walter, en keek met strakken ernst en telkens klimmende aandoening elke nieuwe straat in, die men insloeg.

Toen de koets eindelijk ophield voor dat huis in Brook Street, waar het heillooze huwelijk van haar vader gevierd was, zeide zij: “Walter, wat is dit? Wie is er hier?” Toen Walter haar met een enkel woord bemoedigde, maar eigenlijk geen antwoord gaf, keek zij naar den gevel op en zag dat al de vensters gesloten waren, alsof het huis onbewoond was. Neef Feenix was nu uitgestapt en bood haar zijne hand.

“Komt gij niet, Walter?” zeide Florence.—“Neen, ik zal hier blijven. Beef maar niet. Er is niets te vreezen, lieve Florence.”—“Dat weet ik wel, als gij zoo dichtbij zijt. Daarvan ben ik zeker, maar—”

De deur werd zachtjes geopend, zonder dat er was aangeklopt, en neef Feenix bracht haar uit den zomeravond het geslotene, dompige huis binnen. Somberder dan ooit, scheen het van de bruiloft af gesloten te zijn gebleven, en sedert aanhoudend duisternis en zwaarmoedigheid te hebben verzameld.

Florence ging bevende de schemerachtige trap op en bleef met haar geleider voor de deur van het salon staan. Hij opende die zonder spreken, en gaf haar een wenk om naar de achterkamer te gaan, terwijl hij daar bleef. Na een oogenblik aarzelens gehoorzaamde Florence.

Bij het venster aan eene tafel, waar zij scheen gelezen of geteekend te hebben, zat eene dame, die haar hoofd, naar het wegstervend licht gekeerd, op hare hand liet rusten. Florence kwam twijfelend nader, en bleef toen eensklaps stilstaan, als had zij alle vermogen om zich te bewegen verloren. De dame keerde haar hoofd om.

“Groote hemel,” zeide zij, “wat is dit?”—“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”

Zij stonden elkander aan te zien. De hartstochten hadden het doen verwelken, maar het was toch nog het gezicht van Edith—nog schoon en statig. Het was nog het gezichtje van Florence, en door den afschrik, dien het uitdrukte, blonken medelijden, smart en eene dankbaar teedere herinnering heen. Op beider gelaat stonden verwondering en vrees geschilderd, terwijl zij elkander roerloos en sprakeloos stonden aan te zien, over den zwarten afgrond van het verledene heen.

Florence was de eerste die veranderde. In tranen uitbarstende, riep zij, uit het volle hart: “O, mama, mama, waarom moeten wij elkander zoo wederzien? Waarom zijt gij ooit goed voor mij geweest, toen niemand anders dat was, dat wij elkander zoo moeten wederzien!”

Edith bleef stom en roerloos voor haar staan en zag haar strak aan.

“Ik durf er niet aan denken,” zeide Florence, “ik kom zoo van papa’s ziekbed. Wij zijn nu nooit van elkander af en zullen dat nooit weer zijn. Als gij wilt dat ik hem vergiffenis vraag, zal ik het doen, mama. Ik ben bijna zeker dat hij ze nu geven zal, als ik er hem om vraag. Moge de Hemel ze u ook geven en u troosten!”

Zij sprak geen woord.

“Walter—ik ben met hem getrouwd en wij hebben een zoontje,” zeide Florence schroomvallig, “is voor de deur en heeft mij hier gebracht. Ik zal hem zeggen dat gij berouw hebt, dat gij veranderd zijt,” zeide Florence, haar droevig aanziende, “en hij zal papa met mij aanspreken, dat weet ik. Is er behalve dat iets wat ik doen kan?”

Edith, nu hare stilte verbrekende, maar zonder een oog of lid te bewegen, zeide langzaam:

“De smet op uw naam, op dien van uw man en van uw kind. Zal die ooit vergeven worden, Florence?”—“Ooit vergeven, mama? Dat is al vergeven, vrijwillig, vrijwillig, zoowel door Walter als door mij. Als dat een troost voor u is, is er niets dat gij zekerder gelooven moogt. Gij spreekt niet—gij spreekt niet van papa,” zeide Florence haperend; “maar ik ben toch overtuigd, dat gij wenscht dat ik om zijne vergiffenis zal vragen. Daarvan ben ik zeker.”

Zij sprak geen woord.

“Ik zal,” zeide Florence, “ik zal ze u brengen, als gij het mij wilt laten doen; en dan misschien zullen wij meer gelijk wij vroeger voor elkander plachten te zijn afscheid nemen. Ik heb niet van u geschrikt, mama,” zeide Florence zeer zacht, en nu naderbijkomende, “omdat ik bang voor u ben, of vrees dat gij mij schande zoudt aandoen. Ik wensch maar mijn plicht jegens papa te doen. Hij is mij nu heel dierbaar, en ik ben hem heel dierbaar. Maar ik kan toch nooit vergeten, dat gij heel goed voor mij zijt geweest. O, bid den hemel toch,” riep Florence, aan hare borst vallende, “bid den Hemel toch om al die zonde en schande te vergeven, en om mij te vergeven, dat ik dit niet laten kan (als het kwaad is), wanneer ik bedenk wat gij vroeger waart.”

Edith, alsof Florence’s zwaarte haar neerdrukte, zonk op hare knieën en vatte haar om den hals.

“Florence!” riep zij. “Mijn goede engel! Eer ik weder razend word, eer mijne verstoktheid terugkomt en mij doet verstommen, geloof mij, bij mijne ziel, ik ben onschuldig.”—“Mama!”—“Schuldig aan veel! Schuldig aan datgene wat voor altijd eene woestijn tusschen ons plaatst. Schuldig aan datgene wat mij mijn leven lang van al wat rein en goed is—van u, van de geheele wereld, moet afzonderen. Schuldig aan eene blinde hartstochtelijke wraakzucht, waarvan ik zelfs nu nog geen berouw kan of wil hebben; maar niet schuldig met dien doode. Voor God niet!”

Op hare knieën liggende, stak zij beide handen op en bezwoer het.

“Florence,” zeide zij, “rein en liefderijk wezen—gij, die ik liefheb—die mij lang geleden hadt kunnen doen veranderen, en zelfs in de vrouw, die ik ben, voor een tijd eenige verandering teweegbracht—geloof mij, daaraan ben ik onschuldig; en laat mij nog eens dit dierbare hoofd voor de laatste maal aan mijn eenzaam hart leggen!”

Zij was ontroerd en schreide. Als zij in vroegere dagen meermalen zoo geweest was, had zij nu gelukkiger kunnen zijn.

“Er is niets anders in de wereld,” zeide zij, “dat mij deze ontkentenis had kunnen afpersen. Geene liefde, geen haat, geene hoop, geene bedreiging. Ik zeide, dat ik sterven wilde, zonder een woord te spreken of een teeken te geven. Ik had zoo kunnen doen, en zou zoo gedaan hebben, als wij elkander niet hadden weergezien, Florence.”—“Ik vertrouw,” zeide neef Feenix, die nu naar de deur kwam trippelen, en half in, half buiten de kamer het woord nam, “dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij nu niet kwalijk zal nemen, dat ik, door eene kleine list, deze ontmoeting heb teweeggebracht. Ik kan niet zeggen, dat ik in het eerst geheel ongeloovig was aan de mogelijkheid, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht zich ongelukkig gecompromitteerd zou hebben met dien overledene met zijne witte tanden; omdat iemand, onbewimpeld gezegd, in deze wereld—die verduiveld wonderlijke omstandigheden oplevert, en stellig het onbegrijpelijkste ding is waarvan iemand ondervinding heeft—somtijds heel vreemde dingen van dien aard waarneemt. Maar, gelijk ik mijn vriend Dombey eens zeide, ik kon de schuld van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet toegeven, voordat die volkomen bewezen was. En daar ik gevoelde, toen die overledene, om het onbewimpeld te zeggen, op zulk eene verduiveld gruwelijke manier was omgekomen, dat hare positie zeer onaangenaam was—en daar ik buitendien gevoelde dat onze familie eenigszins te laken was, dat zij zich niet meer aan haar had laten gelegen liggen, en dat wij eene onoplettende familie zijn—en dat mijne tante, hoewel eene verduiveld levendige vrouw, misschien niet de allerbeste moeder geweest was—nam ik de vrijheid om haar in Frankrijk te gaan opzoeken, en haar zooveel protectie aan te bieden, als iemand, die zoo kaal is als ik, kon aanbieden. Bij welke gelegenheid mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij de eer bewees van te zeggen, dat zij mij, op mijne manier, voor een verduiveld goed soort van kerel hield, en dat zij zich dus onder mijne protectie stelde. Hetgeen ik, onbewimpeld gezegd, voor eene groote vriendelijkheid van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht hield, daar ik geweldig wrak begin te worden, en hare zorg mij van veel dienst is geweest.”

Edith, die Florence naar eene sofa had gebracht, wenkte met hare hand, als wilde zij hem verzoeken om niets meer te zeggen.

“Mijne bekoorlijke en talentrijke nicht,” hervatte neef Feenix, die nog bij de deur bleef rondtrippelen, “zal het mij niet kwalijk nemen, als ik, tot voldoening van mij zelven en van haar en van mijn vriend Dombey, wiens bekoorlijke en talentrijke dochter wij zoozeer bewonderen, mijne aanmerkingen nog wat verder voortzet. Zij zal zich wel herinneren dat zij en ik, van den eersten af, nooit een woord over hare vlucht hebben gewisseld. Mijne gedachte was altijd wel, dat er iets geheimzinnigs in de zaak was, dat zij wel zou kunnen ophelderen als zij wilde. Maar daar mijne bekoorlijke en talentrijke nicht eene verduiveld resolute vrouw is, wist ik wel dat er, om het onbewimpeld te zeggen, geen gekscheren met haar was, en wilde ik mij dus aan geene discussiën met haar wagen. Maar daar ik sedert eenigen tijd bemerkte, dat haar zwak zekere zeer krachtige soort van teederheid voor de dochter van mijn vriend Dombey scheen te zijn, viel het mij in dat het, als ik eene aan beide kanten onverwachte ontmoeting kon teweegbrengen, misschien heilzame gevolgen zou hebben. Toen wij dus zoo in stilte in Londen waren, eer wij naar het zuiden van Italië gaan, om daar te blijven tot wij, om het onbewimpeld te zeggen, naar ons laatste huis gaan, dat eene verduiveld onaangename herinnering is, deed ik mijn best om de woning van mijn vriend Gay op te sporen—een welgemaakt man, ongemeen rondborstig van karakter, die mijne bekoorlijke en talentrijke nicht denkelijk wel bekend zal zijn—en had toen het geluk van zijne beminnelijke vrouw te mogen hier brengen. En nu,” zeide neef Feenix, met een ernst, die door het luchtige van zijn toon en het omslachtige zijner manier van spreken heen blonk, “bezweer ik mijne nicht om niet halverwege te blijven staan, maar zoover zij kan te recht te helpen wat zij verkeerd heeft gedaan—niet voor de eer van hare familie, niet voor haar eigen goeden naam, niet om een van die redenen, die ongelukkige omstandigheden haar hebben geleerd voor onbeduidend, of, om het onbewimpeld te zeggen, voor weinig beter dan larie te houden—maar omdat het verkeerd en niet recht is.”

Neef Feenix’ beenen waren nu zoo goed om hem weg te brengen; en de twee alleen bij elkander latende, sloot hij de deur.

Edith bleef eene poos stil zitten, dicht naast Florence. Toen haalde zij een verzegeld papier uit hare borst.

“Ik heb lang met mij zelve overlegd,” zeide zij zacht, “of ik dat al of niet zou schrijven, in geval ik onverwacht mocht sterven en dan wenschen zou het te hebben gedaan. Naderhand heb ik weder overlegd of ik het al of niet zou vernietigen. Neem het, Florence. De waarheid staat er in geschreven.”—“Is het voor papa?” zeide Florence.—“Het is voor wien gij wilt,” antwoordde Edith. “Het wordt u gegeven, en hij krijgt het van u. Hij had het anders nooit kunnen krijgen.”

Wederom bleven zij zwijgend zitten, in de toenemende duisternis.

“Mama,” zeide Florence, “hij heeft zijn vermogen verloren; hij is op den oever van den dood geweest; hij zal misschien zelfs nu nog niet herstellen. Is er geen woord, dat ik hem van u zal zeggen?”—“Hebt gij mij niet gezegd,” vroeg Edith, “dat gij hem zeer dierbaar waart?”—“Ja,” antwoordde Florence met eene van aandoening bevende stem.—“Zeg hem dan, dat het mij spijt, dat wij elkander ooit hebben ontmoet.”—“Niets meer?” zeide Florence na eene poos van stilte.—“Zeg hem, als hij er naar vraagt, dat ik geen berouw heb van wat ik gedaan heb—nog niet—want als het morgen nog eens moest gedaan worden, zou ik het doen. Maar als hij veranderd is—”

Zij zweeg. Er was iets in de stille aanraking van Florence’s hand, dat haar stuitte.

“Maar dat, nu hij veranderd is, hij wel weet dat het nu nooit gebeuren zou. Zeg hem, dat ik wensch dat het nooit gebeurd was.”—“Mag ik zeggen,” zeide Florence, “dat het u speet te hooren dat hij zooveel geleden heeft!”—“Niet,” antwoordde zij, “als hij daardoor geleerd heeft, dat zijne dochter hem zeer dierbaar is. Eens zal het hem zelf niet spijten, als hij dat daardoor heeft geleerd, Florence!”—“Gij wenscht hem goeds, gij zoudt willen, dat hij gelukkig was. Ik ben overtuigd, dat zoudt gij!” zeide Florence. “O, laat ik hem dat kunnen zeggen, als ik er eens gelegenheid toe heb!”

Edith zat met hare donkere oogen strak voor zich te staren, en gaf geen antwoord voordat Florence hare bede had herhaald; toen trok zij hare hand door haar arm en zeide, peinzend in den nacht daarbuiten starende:

“Zeg hem, dat als hij in zijne eigene tegenwoordige stemming redenen kan vinden om medelijden te hebben met mijn vroeger lot, ik hem daarom heb laten verzoeken. Zeg hem dat, als hij redenen kan vinden om met minder bitterheid aan mij te denken, ik hem daarom heb verzocht. Zeg hem dat, schoon wij voor elkander dood zijn en elkander aan dezen kant van het graf nooit zullen wederzien, hij weet dat er nu toch één gevoel in gemeenschap tusschen ons is, dat er nooit vroeger was.”

Hare stugheid scheen te zwichten, en er stonden tranen in hare donkere oogen.

“Door dat gevoel,” zeide zij, “vertrouw ik dat hij beter over mij en ik beter over hem zal leeren denken. Als hij Florence het meeste liefheeft, zal hij mij het minste haten. Als hij zich het gelukkigst gevoelt in haar en hare kinderen, zal hij het meeste berouw hebben over zijn eigen aandeel in den donkeren droom van ons huwelijksleven. Dan zal ik ook berouw hebben—laat hem dat weten—en denken dat ik, toen ik zooveel dacht aan al de oorzaken, die mij gemaakt hadden tot hetgeen ik was, meer had moeten denken aan de oorzaken, die hem gemaakt hadden wat hij was. Dan zal ik trachten hem zijn deel in de schuld te vergeven. Laat hij trachten om mij mijn deel te vergeven.”—“O mama,” zeide Florence, “hoe verlicht het mijn hart, zelfs bij zulk een wederzien en afscheid, dat ik dit hoor.”—“Vreemde woorden in mijne eigene ooren,” zeide Edith, “en vreemd voor mijne stem om ze uit te spreken. Maar al was ik het rampzalige schepsel geweest, waarvoor ik hem reden gaf mij te houden, dan geloof ik dat ik ze toch had kunnen uitspreken, als ik gehoord had, dat gij en hij elkander zeer dierbaar waart. Laat hij, als gij hem het dierbaarste zijt, altijd gevoelen, dat hij dan het zachtst over mij denkt—en ik het zachtst over hem denk! Dit zijn de laatste woorden, die ik hem zend. En nu vaarwel, mijn liefste leven!”

Zij sloot haar in hare armen, en scheen geheel hare vrouwenziel van liefde en teederheid in eens uit te storten.

“Deze kus voor uw kind! Deze kussen tot een zegen over uw hoofd! Dierbare Florence! Allerliefste! Vaarwel!”—“Toch om elkander nog weer te zien!” riep Florence uit.—“Nooit weder! Nooit weder! Als ge mij in deze donkere kamer alleen laat, denk dan dat ge mij in het graf hebt gelaten. Onthoud alleen dat ik eens leefde, en dat ik u liefhad.”

En Florence verliet haar, zonder haar gezicht meer te zien, maar tot het laatste toe door hare liefkoozingen vergezeld.

Neef Feenix wachtte haar aan de deur, en bracht haar beneden in de sombere eetzaal bij Walter, op wiens schouder zij haar hoofd liet zinken om uit te schreien.

“Het spijt mij verduiveld,” zeide neef Feenix, op de eenvoudigste manier en zonder het eenigszins te verbloemen zijne mouwboorden naar zijne oogen brengende, “dat de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey en beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay, haar gevoelig hart zoo geschokt moet gevoelen door de zoo even afgeloopene samenkomst. Maar ik hoop en vertrouw dat ik toch wel heb gedaan, en dat mijn geëerde vriend Dombey zijn gemoed verlicht zal vinden door de ontdekkingen, die nu hebben plaats gehad. Ik betreur het buitengemeen, dat mijn vriend Dombey zich, om het onbewimpeld te zeggen, zoo verduiveld in den pekel heeft geholpen door eene alliantie met onze familie; maar ik ben sterk van gevoelen, dat als die helsche schavuit Carker—die man met zijne witte tanden—er niet geweest was, alles tamelijk glad zou hebben gegaan. Ten aanzien van mijne nicht, die mij de eer bewijst van eene buitengewoon goede meening van mij te hebben opgevat, kan ik de beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay verzekeren, dat zij er op aan kan, dat ik, om het onbewimpeld te zeggen, een vader voor haar ben. En wat al die afwisselingen in het menschelijk leven aangaat, en de wonderlijke manier, waarop wij ons gedurig gedragen, is al wat ik zeggen kan, met mijn vriend Shakespeare—een man, die niet voor ééne eeuw, maar voor alle tijden leefde, en met wien mijn vriend Gay buiten twijfel bekend is—dat het naar de schaduw van een droom gelijkt.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

LXII. BESLUIT

Eene flesch, die in langen tijd geen daglicht heeft gezien en ruig is van stof en spinrag, is in den zonneschijn gebracht, en de goudkleurige wijn daarin verspreidt een glans over de tafel.

Het is de laatste flesch van dien ouden madera.

“Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Gills,” zegt Dombey, “dit is een zeer zeldzame en keurige wijn.”

De kapitein, die van het gezelschap is, straalt van blijdschap. Er speelt een lichtkrans van verrukking om zijn gloeiend voorhoofd.

“Wij hadden ons altijd beloofd, mijnheer,” hervat de oude man, “Ned en ik, meen ik—”

Dombey knikt den kapitein toe, die al meer en meer blinkt van sprakeloos genoegen.

“—dat wij die flesch op een of anderen dag zouden drinken op Walter’s behoudene thuiskomst, hoewel wij nooit aan zulk een thuis hadden gedacht. Als gij er niet tegen hebt, mijnheer, dat wij dien ouden gril involgen, laten wij dan dit eerste glas aan Walter en zijne vrouw wijden.”—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Dombey. “Florence, mijn kind,” en keert zich naar haar toe, om haar een kus te geven.—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Toots.—“Aan Walter en zijne vrouw!” roept de kapitein. “Hoera!” en daar de kapitein een sterk verlangen toont om met zijn glas tegen een ander glas te klinken, houdt Dombey hem bereidvaardig het zijne toe. De anderen volgen dit voorbeeld, en er ontstaat een vroolijk geklingel, als werden er schelle trouwklokjes geluid.

Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.

Dombey is een man met sneeuwwitte haren, wiens gelaat diepe sporen van zorg en lijden vertoont; maar het zijn sporen van een storm, die voor altijd voorbij is, en die een helderen avond heeft achtergelaten.

Eerzuchtige plannen ontrusten hem niet meer. Zijn eenige trots is zijne dochter en haar echtgenoot. Hij is stil en peinzend, en zit altijd bij zijne dochter. Jufvrouw Tox komt niet zelden in den familiekring, waarmede zij zeer is ingenomen, en wordt daarin gaarne gezien. Hare bewondering voor haar eenmaal statigen begunstiger is, sedert den ochtend van haar schrik in Princess’s Place, geheel platonisch geweest, maar in het minste niet verzwakt.

Niets is hem uit de schipbreuk van zijn vermogen overgebleven, dan zekere jaarlijksche som, die hij weet niet waar vandaan komt, met een ernstig verzoek, dat hij dit niet wil pogen te ontdekken, en eene verzekering dat het eene schuld en eene daad van vergoeding is. Hij heeft met zijn ouden boekhouder daarover geraadpleegd, die overtuigd is, dat hij dat geld met eere kan aannemen, en niet twijfelt of het spruit uit eene nu lang vergetene zaak uit den tijd der oude firma.

Die oude vrijer, geen oud vrijer meer, is thans getrouwd, en dat wel met de zuster van den grijsharigen junior. Hij komt somtijds, maar zelden, zijn ouden patroon bezoeken. Er bestaat eene reden in de geschiedenis van den grijsharigen junior en eene nog sterkere reden in zijn naam, waarom hij van zijn ouden patroon verwijderd moet blijven, en daar hij bij zijne zuster en haar man woont, deelen deze in zijne afzondering. Walter bezoekt hen somtijds—Florence insgelijks—en dan galmen kunstige duetten voor piano en violoncel door het vroolijke huis.

En hoe gaat het den houten adelborst in deze veranderde dagen? Wel, hij staat daar nog, met den rechtervoet vooruit, observatiën op huurkoetsen doende, en wakkerder dan ooit, daar hij nieuw geschilderd is van zijn steekhoed af tot aan zijne schoenen met gespen; en boven hem blinken, met gouden letters, deze namen:

GILLS EN CUTTLE.

De houten adelborst doet wel geene grootere zaken dan hij vroeger deed, maar men zegt, dat eenige speculatiën van mijnheer Gills verbazend goed afloopen, en dat hij, in plaats van in die opzichten bij zijn tijd ten achteren te zijn, dien eigenlijk een weinigje vooruit was, en hij moest afwachten tot hij rijp werd. Men vertelt, dat het geld, hetwelk mijnheer Gills in die speculatiën had gezet, hem nu goede renten begint op te brengen, die zelfs al hooger en hooger worden. Zeker is het, dat hij, als hij met zijn koffiebruin pak, zijn chronometer in den zak en zijn bril op het voorhoofd, aan zijne winkeldeur staat, het zich volstrekt niet schijnt aan te trekken dat er geene klanten komen, maar er zeer vroolijk en weltevreden uitziet, hoewel nog even nevelachtig als vroeger.

Wat zijn compagnon, den kapitein, betreft, deze leeft in eene verbeelding van drukte, die nog beter is dan de werkelijkheid. Hij is zoo overtuigd, dat de adelborst van het grootste gewicht is voor den handel en de zeevaart des lands, als hij met mogelijkheid wezen kon, indien geen schip zonder bijstand van den adelborst de haven van Londen verliet. Zijne blijdschap in zijn eigen naam boven de deur is onuitputtelijk. Twintigmaal op een dag stapt hij de straat op, om van den overkant naar dien naam te kijken, en telkens zegt hij dan: “Edward Cuttle, mijn jongen, als uwe moeder eens had kunnen weten, dat gij ooit een man van wetenschap zoudt worden, dan zou de goede oude ziel toch versteld hebben gestaan!”

Maar daar komt Toots met geweldige vaart op den adelborst aan, en met een hoogrood gezicht stuift hij het achterkamertje binnen.

“Kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “ik ben verheugd u te kunnen berichten, dat mevrouw Toots eene vermeerdering van hare familie heeft gehad.”—“Dat strekt haar tot eer,” roept de kapitein.—“Ik feliciteer u, mijnheer Toots,” zegt Sam.—“Wel bedankt,” grinnikt Toots. “Ik ben u zeer verplicht. Ik wist wel dat ge blij zoudt zijn het te hooren, en daarom kwam ik zelf maar eens aanloopen. Wij komen nu vooruit. Daar is Florence, en Suze, en nu nog een kleintje.”—“Een meisje?” vraagt de kapitein.—“Ja, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “en daar ben ik ook blij om. Hoe meermalen wij die buitengemeene vrouw kunnen herhalen, zooveel te beter, naar mijn gevoelen!”—“Sta vast,” zegt de kapitein, zich naar de oude vierkante flesch zonder hals keerende—want het is avond en de tafel is volgens gewoonte van pijpen en glazen voorzien. “Dat is op hare gezondheid, en mag zij er nog eens zoo veel krijgen!”—“Wel bedankt, kapitein Gills,” zegt de verheugde Toots. “Dat wensch ik ook. Als gij er niet tegen hebt, daar het nu toch niemand hinderen kan, zal ik eene pijp nemen, dunkt mij.”

Toots begint te rooken, en wordt zeer spraakzaam.

“Van alle merkwaardige voorbeelden van haar uitmuntend verstand, die mij die buitengemeene vrouw gegeven heeft, kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “is er geen opmerkelijker, dunkt mij, dan de volmaaktheid, waarmede zij mijne vereering van jufvrouw Dombey heeft begrepen.”

Beide hoorders stemmen dit toe.

“Omdat ik, weet ge,” zegt Toots, “nooit van gevoelens ten aanzien van jufvrouw Dombey ben veranderd. Die zijn nog dezelfde als ooit voorheen. Zij is nog hetzelfde heerlijke verschijnsel voor mij, als voordat ik met Walters kennis maakte. Toen mevrouw Toots en ik het eerst daarvan begonnen te spreken—van de liefde, weet ge wel, kapitein Gills.”—“Ja, ja, mijn jongen,” zegt de kapitein, “die iedereen wel eens in de war brengt—zooals gij in het boek kunt nazien—”—“Dat zal ik zeker doen, kapitein Gills,” zegt Toots met grooten ernst. “Toen wij het eerst van zulke dingen begonnen te praten, zeide ik haar, dat ik was, wat men eene verdorde bloem zou noemen.”

De kapitein is zeer ingenomen met deze figuurlijke uitdrukking en mompelt, dat geene bloem, die er bloeit, bij de roos kan halen.

“Maar, och Heere,” vervolgt Toots, “zij was evengoed bekend met den staat van mijn gevoel als ik zelf. Ik kon er haar niets meer van vertellen. Zij was de eenige, die zich tusschen mij en het stille graf kon plaatsen, en dat deed zij op eene manier, die mij tot eene eeuwige bewondering moet dwingen. Zij weet, dat er niemand in de wereld is, tegen wie ik zoo opzie, als tegen jufvrouw Dombey. Zij weet, dat er niets in de wereld is, dat ik niet voor jufvrouw Dombey zou willen doen. Zij weet, dat ik haar voor de schoonste, de beminnelijkste, de engelachtigste van hare sekse houd. En wat zegt zij daarvan? Het verstandigste dat iemand zou kunnen zeggen: “Gij hebt gelijk, beste. Ik denk eveneens.”—“Ik ook,” zegt de kapitein.—“Ik ook,” zegt Sam Gills.—“En dan,” hervat Toots, nadat hij eene poos peinzend aan zijne pijp heeft getrokken, terwijl zijn gezicht de innigste tevredenheid uitdrukt, “hoe oplettend is mijne vrouw! En hoe schrander! Welke aanmerkingen kan zij maken! Pas gisteravond, toen wij in het genot onzer echtelijke zaligheid bij elkander zaten—dat, op mijn woord van eer, nog maar eene flauwe uitdrukking is om mijn gevoel in het gezelschap van mijne vrouw aan te duiden—zeide zij, hoe opmerkelijk het was, die tegenwoordige positie van onzen vriend Walters. “Daar is hij,” zegt mijne vrouw, “van het zeevaren bevrijd, na die eerste lange reis met zijne jonge vrouw;” dat was hij ook, weet gij wel, mijnheer Sams.”—“Dat is waar,” zegt de oude instrumentmaker, in zijne handen wrijvende.—”“Daarvan,” zegt mijne vrouw, “wordt hij dadelijk bevrijd, krijgt thuis een post van groot vertrouwen bij hetzelfde kantoor, toont zich dat wederom waardig, klimt verbazend snel al hooger en hooger op; bemind door iedereen; door zijn oom bijgestaan op den tijd toen hem dat juist zoo goed te pas kwam als maar mogelijk was,”—dat ook zoo is, geloof ik, mijnheer Sams? Mijne vrouw heeft het altijd recht.”—“Ja, ja,” zegt de oude Sam lachende. “Dat is waar. Menige van onze verlorene schepen, met goud bevracht, zijn nog thuis gekomen. Kleine vaartuigjes, mijnheer Toots, maar die mijn jongen toch wel te pas kwamen.”—“Juist zoo!” zegt Toots. “Gij zult nooit vinden dat mijne vrouw het verkeerd heeft. “Hier is hij nu, in die omstandigheden,” zegt die buitengemeene vrouw—“en wat volgt er nu uit? Wat volgt er nu?” zegt zij. Let nu eens op, kapitein Gills en mijnheer Sams, hoe diep haar verstand doordringt. “Wel, dat,” zegt zij, “onder de oogen van mijnheer Dombey, de grondslag wordt gelegd van een gebouw,” dat was hare uitdrukking,” zegt Toots met opgetogenheid, “van een gebouw, dat het kantoor misschien nog zal overtreffen, waarvan hij eens aan het hoofd stond, en waarvan hij (een gewoon gebrek, maar een groot gebrek, zegt mijne vrouw), de kleine beginselen had vergeten. Zoo,” zeide mijne vrouw, “zal er uit zijne dochter toch nog een andere Dombey en Zoon opkomen—neen opstaan,” was haar woord, “en zegepralen!””

Toots geeft, met behulp van zijne pijp—die hij gaarne bezigt om oratorische gebaren te maken, daar het eigenlijke gebruik hem onaangename gewaarwordingen veroorzaakt—zooveel nadruk aan de voorspelling zijner vrouw, dat de kapitein, op den hoogsten trap van opgewondenheid, zijn blinkenden hoed wegwerpt en uitroept:

“Sam Gills, gij man van wetenschap en mijn oude compagnon, wat heb ik Walter gezegd om na te lezen op dien avond toen hij pas op het kantoor was gekomen? Was het niet deze aanhaling: “Keer terug, Whittington, en als gij oud geworden zijt, zult gij er niet van afwijken.” Waren dat de woorden niet, Sam Gills?”—“Zekerlijk waren zij het, Ned,” antwoordde de oude instrumentmaker. “Ik herinner het mij nog wel.”—“Dan zal ik u eens wat zeggen,” hervat de kapitein, in zijn stoel achteroverleunende en zijne borst uitzettende om eens geducht te schreeuwen. “Ik zal u Mooie Peggy laten hooren, van het begin tot het eind; en sta vast, allebei voor het koor!”

Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.

De najaarsdagen zijn nog zacht en helder; en op het zeestrand wandelen dikwijls eene jonge dame en een oud heer met sneeuwwitte haren. Zij hebben twee kinderen, een jongetje en een meisje bij zich, en doorgaans houdt een oude hond hen gezelschap.

De oude heer met witte haren wandelt met het knaapje, praat met hem, helpt hem bij zijn spel, bewaakt hem, alsof hij het doel van zijn leven was. Als het kind nadenkend is, is de oude heer ook nadenkend; en somtijds, als het bij hem zit, en naar hem opkijkt, en allerlei vragen doet, neemt hij het zachte handje in zijne hand, en vergeet, het zoo vasthoudende, antwoord te geven. Dan zegt het kind:

“Wat, grootpapa? Gelijk ik weder zoo naar mijn armen kleinen oom?”—“Ja, Paul. Maar hij was zwak, en gij zijt heel sterk.”—“O, ja, ik ben heel sterk.”—“En hij lag op een bedje bij de zee, en gij kunt rondloopen.”

En dan wandelen zij weder op, want de heer met witte haren ziet het kind liefst in beweging; en daar men hen zooveel bij elkander ziet, wordt er veel van gesproken dat zij zoo aan elkander gehecht zijn.

Maar niemand behalve Florence weet hoe innig die heer met sneeuwwitte haren aan het meisje is gehecht. Daarvan wordt nooit gesproken. Het kind zelf verwondert zich bijna over het geheim, dat hij in zeker opzicht daarvan maakt. Hij bewaart haar als een schat in zijn hart. Hij kan haar nooit alleen zien zitten. Hij verbeeldt zich, dat zij zich verwaarloosd gevoelt, als er toch geene de minste reden daarvoor is. Hij sluipt heen om naar haar te zien als zij ligt te slapen. Hij heeft gaarne dat zij hem des morgens komt wakker maken. Hij is het teederst voor haar, en toont dat ook het meest, als er niemand anders bij is. Somtijds zegt het kind:

“Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?”

Dan antwoordt hij slechts: “Kleine Florence! Kleine Florence!” en strijkt de krullen weg, die hare ernstige oogen beschaduwen.

AANTEEKENINGEN

[1] In Engeland is het veelal de gewoonte, dat de verschillende vakken der geneeskunde door denzelfden persoon worden beoefend.

Vert.

[2] Gay beteekent Vroolijk. Grave, subst. Graf, adj. Ernstig.

Vert.

[3] Deze dompers omhoog aan de huisdeuren, dienden in vroeger tijd om de flambouwen uit te dooven, toen, bij gebrek aan straatverlichting, meer dan thans in gebruik.

Vert.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us