← Dombey en Zoon

Opening…

Part 1 of 10 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #74613, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (63)
  1. Opening under 1 min
  2. I. DOMBEY EN ZOON about 17 min
  3. II about 16 min
  4. III about 18 min
  5. IV about 19 min
  6. V. PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT about 30 min
  7. VI. PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID about 35 min
  8. VII about 9 min
  9. VIII. PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER about 34 min
  10. IX. DE HOUTEN ADELBORST KOMT IN ONGELEGENHEID about 23 min
  11. X about 20 min
  12. XI. PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD about 24 min
  13. XII. PAUL’S OPVOEDING about 31 min
  14. XIII. SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN about 19 min
  15. XIV about 42 min
  16. XV about 24 min
  17. XVI. WAT DE GOLVEN ALTIJD ZEIDEN about 9 min
  18. XVII. KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN about 18 min
  19. XVIII. VADER EN DOCHTER about 31 min
  20. XIX. WALTER VERTREKT about 22 min
  21. XX. DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS about 24 min
  22. XXI. NIEUWE GEZICHTEN about 17 min
  23. XXII. CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN about 32 min
  24. XXIII. FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG about 37 min
  25. XXIV. HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART about 20 min
  26. XXV. VERRASSEND NIEUWS VAN OOM SAM about 16 min
  27. XXVI. SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST about 25 min
  28. XXVII. DONKERDER SCHADUWEN about 28 min
  29. XXVIII. VERANDERINGEN about 17 min
  30. XXIX. HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN about 20 min
  31. XXX. DE BRUIDSDAGEN about 26 min
  32. XXXI. HET HUWELIJK about 28 min
  33. XXXII. DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW about 31 min
  34. XXXIII. CONTRASTEN about 23 min
  35. XXXIV. NOG EENE MOEDER EN DOCHTER about 20 min
  36. XXXV. HET GELUKKIGE PAAR about 21 min
  37. XXXVI. HET INWIJDINGSFEEST about 21 min
  38. XXXVII. WAARSCHUWINGEN about 19 min
  39. XXXVIII. JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP about 16 min
  40. XXXIX. VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE about 29 min
  41. XL. HUISELIJKE BETREKKINGEN about 28 min
  42. XLI. NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN about 18 min
  43. XLII. VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG about 26 min
  44. XLIII. DE NACHTWAKEN about 15 min
  45. XLIV. EENE SCHEIDING about 17 min
  46. XLV. DE VERTROUWELING about 13 min
  47. XLVI. HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN about 21 min
  48. XLVII. DE DONDERSLAG about 36 min
  49. XLVIII. FLORENCE’S VLUCHT about 19 min
  50. XLIX. DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING about 30 min
  51. L. WALTER EN TOOTS about 30 min
  52. LI. MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD about 14 min
  53. LII. GEHEIME BERICHTEN about 25 min
  54. LIII. NOG MEER BERICHTEN about 28 min
  55. LIV. DE VLUCHTELINGEN about 19 min
  56. LV. ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING about 22 min
  57. LVI about 38 min
  58. LVII. NOG EEN HUWELIJK about 14 min
  59. LVIII. NA EEN TIJDSVERLOOP about 26 min
  60. LIX. VERGELDING about 34 min
  61. LX. VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN about 20 min
  62. LXI. NOG EEN WEDERZIEN about 22 min
  63. LXII. BESLUIT about 10 min

Continue:

Opening

DOMBEY EN ZOON

DOOR CHARLES DICKENS

VERTALING VAN C. M. MENSING.—HOUTGRAVUREN NAAR TEEKENINGEN VAN F. BARNARD

SCHIEDAM—H. A. M. ROELANTS

DOMBEY EN ZOON.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

I. DOMBEY EN ZOON

Dombey zat in een hoek van het duister gemaakte vertrek, in den grooten leuningstoel naast het bed, en de zoon lag, warm toegestopt, in een draagbaar kinderbedje van mandewerk, dat zorgvuldig voor en dicht bij het vuur was geplaatst, alsof zijn aard met dien van een melkbroodje overeenkwam, en het een vereischte was hem bruin te roosten, terwijl hij nog versch was.

Dombey was omtrent acht en veertig jaren oud. De zoon omtrent acht en veertig minuten. Dombey was eenigszins kaal, eenigszins rood in zijn gezicht, en hoewel een knap, welgemaakt man, al te barsch en statig van uitzicht om innemend te wezen. De zoon was bijna geheel kaal, zeer rood, en hoewel (gelijk van zelf spreekt) een schoon kind, vooralsnog over het geheel wat vlakkerig en gekneusd. Op het voorhoofd van Dombey hadden de tijd en zijne zuster de zorg eenige merken gezet, als op een boom, die mettertijd vallen moest—meedoogenlooze tweelingen zijn zij, als zij zoo door hunne menschenbosschen voortstappen, en al gaande hunne merken inhakken—terwijl het gezichtje van den zoon overkruist was met duizend plooitjes en rimpeltjes, welke dezelfde bedriegelijke tijd met het platte van zijne zeis spelend zou gladstrijken, om daardoor de oppervlakte voor het trekken van diepere groeven toe te bereiden.

Dombey, opgetogen over de lang verwachte gebeurtenis, zat met den zwaren gouden horlogeketting te rammelen, die van onder zijn netten blauwen rok te voorschijn kwam, waarvan de knoopen in den flauwen schijn van het vuur als phosphorvonken schitterden. De zoon, zijne gebalde vuistjes dichtknijpende, scheen, zoover zijne zwakheid toeliet, met het aanzijn te willen vechten, omdat het hem zoo onverwacht overvallen had.

“Nu zal het kantoor weder Dombey en Zoon wezen, niet alleen in naam, maar inderdaad, mevrouw Dombey!” zeide Dombey. “Dom-bey en Zoon.”

Deze woorden hadden iets zoo streelends, dat hij op den naam zijner vrouw eene uitdrukking van teederheid liet volgen (hoewel niet zonder aarzeling, daar hij aan die manier van spreken weinig gewoon was), en zeide: “Mevrouw Dombey, me—melieve!”

Een vluchtige blos van flauwe verrassing overtoog het gelaat der kraamvrouw terwijl zij hare oogen naar hem opsloeg.

“Hij zal Paul gedoopt worden, me—mevrouw Dombey—natuurlijk.”

Zij antwoordde flauw: “Natuurlijk!” of liever zij gaf dit slechts te kennen door de beweging van hare lippen, en sloot hare oogen weder.

“Zijn vaders naam, mevrouw Dombey! en zijn grootvaders. Ik wenschte wel, dat zijn grootvader nog leefde!” en daarop herhaalde hij weder “Dombey en Zoon!” op denzelfden toon als te voren.

Deze drie woorden bevatten het eenige denkbeeld van Dombey’s leven. De wereld was Dombey en Zoon geschapen om handel te drijven, en de zon en de maan om hun licht te geven. Rivieren en zeeën waren gemaakt om hunne schepen te torschen; regenbogen beloofden hun goed weder; winden waaiden gunstig of ongunstig voor hunne ondernemingen; sterren en planeten liepen in hunne banen, om het stelsel ongeschonden in stand te houden, waarvan zij het middelpunt waren. Gewone verkortingsteekens namen in zijne oogen eene nieuwe beteekenis aan, en zagen uitsluitend op de firma. A. D. had niets te maken met Anno Domini, maar beteekende Anno Dombey en Zoon.

Hij was, gelijk zijn vader vóór hem, in den loop van zijn leven en sterven, van zoon tot Dombey opgeklommen, en was bijna twintig jaren lang de eenige vertegenwoordiger der firma geweest. Van die jaren was hij er tien getrouwd geweest—getrouwd, gelijk sommigen zeiden, met eene vrouw, die hem geen hart geven kon, wier geluk in het verledene lag, en die gewillig was om haar verslagen geest tot een trouw en zachtmoedig dragen van het tegenwoordige te dwingen. Zulke losse praatjes bereikten waarschijnlijk de ooren van Dombey niet, hoewel zij hem het naaste aangingen; en hadden zij hem bereikt, dan zou niemand ze waarschijnlijk met zulke volslagene ongeloovigheid hebben aangehoord, als hij. Dombey en Zoon hadden dikwijls zaken gedaan in huiden, maar nooit in harten. Zij lieten de modeartikelen aan jonge knapen en meisjes, aan kostscholen en boeken over. Dombey zou aldus geredeneerd hebben: Dat het van zelf sprak, dat eene huwelijksverbintenis met een man, als hij, streelend en vereerend voor elke vrouw van gezond verstand moest wezen. Dat de hoop, om moeder te worden van een nieuwen compagnon in zulk een kantoor, niet falen kon eene edele eerzucht op te wekken, in de borst zelfs van de minst eerzuchtige harer sekse. Dat mevrouw Dombey de maatschappelijke verbintenis van den echt—bijna een noodwendig vereischte voor eene fatsoenlijke en rijke positie, zelfs zonder acht te geven op het instandhouden van oude firma’s—met vol besef van deze voordeelen had aangegaan. Dat mevrouw Dombey dagelijks proefondervinding had gehad van zijne positie in de maatschappij. Dat mevrouw Dombey altijd aan het hoofd van zijne tafel had gezeten, en de eer van zijn huis op eene zeer bevallige en deftige wijze had opgehouden. Dat mevrouw Dombey derhalve gelukkig moest zijn geweest. Dat zij onmogelijk ongelukkig kon wezen.

Of, in allen gevalle, met ééne uitzondering. Ja; dat zou hij hebben toegestemd. Met ééne enkele, maar die zeker van veel gewicht was. Zij waren tien jaren getrouwd, en tot op den dag van heden, waarop Dombey in den leuningstoel naast het bed met zijn horlogeketting zat te rammelen, hadden zij geen kroost gehad.

Niet om van te spreken; niet de moeite waard om er melding van te maken. Er was omtrent zes jaren vroeger een meisje gekomen, en dat kind, dat onopgemerkt de kamer was binnengeslopen, verschool zich nu beschroomd in een hoekje, waar zij haar moeders gezicht zien kon. Maar wat was een meisje voor Dombey en Zoon! In het kapitaal van naam en aanzien, dat het kantoor bezat, was zulk een kind maar een stuk slecht geld, dat geen koers had—een valsche jongen—anders niet.

Dombey’s beker van vreugde was op dit oogenblik zoo vol, dat hij gevoelde wel een paar droppeltjes te kunnen missen, zelfs om in het stof van het zijpaadje zijner jeugdige dochter te sprenkelen.

Hij zeide dan: “Florence, gij moogt wel eens naar uw lief broertje gaan kijken; maar raak hem niet aan.”

Het meisje keek strak naar den blauwen rok en de witte das, welke, met een paar krakende laarzen en een zeer luid tikkend horloge, voor haar het denkbeeld van een vader verwezenlijkten; maar terstond richtte zij hare oogen weder naar het gelaat van hare moeder, en bewoog zich evenmin als zij antwoord gaf.

Het volgende oogenblik had de moeder hare oogen geopend en het kind aangezien, en was dit naar haar toe geloopen; en op de teenen staande, om haar gezichtje te beter aan de moederlijke borst te kunnen verbergen, klemde Florence zich aan haar vast met eene hartstochtelijke liefde, die weinig met hare jaren strookte.

“Och hemel!” zeide Dombey, knorrig opstaande, “die ontroering is immers onvoorzichtig en kan koorts veroorzaken! Het zal misschien best wezen, dat ik dokter Peps [1] verzoek om nog eens boven te komen. Ik zal maar eens naar beneden gaan. Ik behoef u wel niet te verzoeken,” vervolgde hij, terwijl hij een oogenblik bij het bedje staan bleef, “om bijzonder op dezen jongen heer te passen, jufvrouw....”—“Blockitt, mijnheer!” fluisterde de baker, een altijd glimlachend, versleten fatsoenlijk portret, welke zich niet aanmatigde om haar naam als eene daadzaak op te geven, maar dien slechts vriendelijk in bedenking gaf.—“Op dezen jongen heer, jufvrouw Blockitt!”—“Neen, zeker niet, mijnheer! Ik weet nog wel, toen de jonge jufvrouw Florence geboren werd....”—“Ja wel, ja wel!” zeide Dombey, zich over het bedje heen buigende, en te gelijk zijne wenkbrauwen eenigszins samentrekkende. “Florence was goed en wel, maar dit is iets anders. Deze jonge heer heeft eene bestemming te vervullen. Eene bestemming, kleine jongen!” Terwijl hij aldus het wichtje aansprak, bracht hij een der handjes aan zijne lippen en kuste het; toen, vreezende, naar het scheen, dat dit bedrijf zijne deftigheid te na mocht wezen, ging hij tamelijk stijf en gedwongen heen.

Dokter Parker Peps, een der voornaamste accoucheurs, een man van grooten roem, voor hetgeen hij tot de vermeerdering van aanzienlijke geslachten had toegebracht, wandelde met de handen op den rug de voorkamer op en neer, met onbeschrijfelijke bewondering aangestaard door den gewonen dokter van het huis, die bij al zijne patiënten, vrienden en kennissen, reeds zes weken lang met deze bevalling had gebluft, als eene gewichtige taak, waartoe hij op elk uur van den dag en den nacht verwachtte geroepen te worden, ter assistentie van dokter Parker Peps.

“Wel, mijnheer!” zeide dokter Parker Peps met eene volle, zware stem, waarvan het geluid bij deze gelegenheid was gedempt, evenals dat van den deurklopper: “vindt ge dat mevrouw door uw bezoek eenigszins is opgewekt?”—“Geprikkeld, om zoo te zeggen?” voegde de huisdokter er zacht bij, te gelijk eene buiging voor den dokter makende, als wilde hij zeggen: “Ik vraag verschooning, dat ik er een woordje bij doe; maar dit is een klant van belang voor mij.”

Dombey werd door deze vraag geheel uit het veld geslagen. Hij had zoo weinig om de kraamvrouw gedacht, dat hij niet in staat was om er op te antwoorden. Hij zeide, dat het hem genoegen zou doen, als dokter Peps eens naar boven wilde gaan.

“Goed,” zeide dokter Peps. “Wij moeten u niet verbergen, mijnheer, dat er een gebrek aan veerkracht bestaat bij hare genade de hertogin—neem mij niet kwalijk, ik verspreek mij—mevrouw uwe echtgenoote, had ik moeten zeggen. Dat er een zekere graad van verdooving, eene algemeene kwijning bestaat, die wij liever—niet....”—“Zouden zien,” viel de huisdokter hierop in, nogmaals buigende.—“Juist,” zeide dokter Peps. “Die wij hier liever niet zouden zien. Het schijnt wel, dat het gestel van Lady Cankaby—neem mij niet kwalijk, ik wilde zeggen van mevrouw Dombey—ik verwar de namen van mijne patiënten...”—“Zulk een aantal,” prevelde de huisdokter. “Het is niet anders te denken—het zou een wonder zijn, als het niet gebeurde—dokter Parker Peps’ praktijk in het West-End....”—“Dankje!” zeide de dokter. “Juist. Het schijnt, wilde ik aanmerken, dat het gestel van onze kraamvrouw een schok heeft ondergaan, waarvan wij slechts kunnen hopen, dat het zich herstellen zal door eene groote, sterke, en...”—“Krachtige,” fluisterde de huismedicus.—“Juist,” zeide de dokter toestemmend. “En krachtige inspanning. Mijnheer Pilkins hier, die door zijne betrekking als geneeskundig raadsman van het gezin—en niemand kan voor die betrekking beter geschikt wezen, durf ik zeggen.”—“O!” prevelde de huisdokter. “De lof van den eersten man in het vak...”—“Wel verplicht voor uw compliment,” antwoordde dokter Peps. “Mijnheer Pilkins, die door zijne betrekking best bekend is met het gestel der patiënte in derzelver normalen toestand (eene kennis, welke van zeer veel belang voor ons is om bij gelegenheden als deze ons oordeel op te bouwen) is met mij van gevoelen, dat de natuur moet aangezet worden om eene krachtige inspanning te doen, en dat, indien onze geëerde en belangwekkende vriendin de gravin van Dombey—neem mij niet kwalijk, mevrouw Dombey—in staat mocht wezen, om die inspanning gelukkig te volbrengen, er dan eene crisis zou kunnen ontstaan, welke wij beide hartelijk zouden betreuren.”

Daarna keken zij eenige oogenblikken naar den grond, en vervolgens gingen zij, op eene pantomimische uitnoodiging van dokter Peps, naar boven. De huisdokter opende met gedienstige beleefdheid de deur voor den vermaarden man, en liet hem voorgaan.

Als wij zeiden, dat Dombey niet op zijne manier getroffen werd door dit bericht, zouden wij hem onrecht doen. Hij was geen man, van wien men eigenlijk kon zeggen, dat hij ooit verschrikt of ontsteld was; maar hij had toch zeker gevoel, dat het hem zeer spijten zou, als zijne vrouw ernstig ziek werd en in levensgevaar kwam, en dat hij, indien zij stierf, onder zijne meubelen, zilverwerk en andere huiselijke bezittingen iets zou missen, dat het bewaren wel waardig was, en niet zonder oprecht leedwezen kon verloren worden. Evenwel, het zou voorzeker een koel, geregeld, fatsoenlijk, welberaden leedwezen zijn.

Zijn gepeins over dit onderwerp werd spoedig afgebroken, eerst door het ritselen van kleederen op de trap, en toen door het plotseling binnenwippen van eene dame—eer boven dan beneden de middelbare jaren, maar zeer jeugdig gekleed, vooral wat het spannende van haar korset betrof—die naar hem toe kwam met een als het ware opgeschroefd gezicht, en daarbij passende houding, hetgeen bedwongene aandoening moest te kennen geven, hare armen om zijn hals sloeg, en met eene gesmoorde stem zeide:

“Beste Paul! Hij is precies een Dombey!”—“Nu ja,” antwoordde haar broeder, want Dombey was haar broeder. “Hij heeft inderdaad een familietrek, geloof ik. Wees zoo ontroerd niet, Louise!”—“Het is wel dwaas van mij,” zeide Louise, terwijl zij ging zitten en haar zakdoek uithaalde; “maar hij is—hij is zoo volmaakt een Dombey! ik heb nooit in mijn leven zoo iets gezien.”—“Maar wat is dat van Fanny zelve?” zeide Dombey. “Hoe gaat het met haar?”—“Och, lieve Paul,” antwoordde Louise, “het is niets. Op mijn woord, volstrekt niets. Zij is wat uitgeput zeker; maar het gelijkt nog niet naar wat ik was, toen ik van George of Frederik was bevallen. Zij moet zich maar wat opbeuren; dat is alles. Als Fanny-lief maar eene Dombey was!—Maar zij zal zich wel opbeuren. Ik twijfel er geen oogenblik aan. Daar zij weet, dat het van haar geëischt wordt, als een plicht, is het niet anders mogelijk of zij zal het doen. Och, beste Paul! het is wel gek en mal van mij, ik weet het wel, dat ik zoo beverig ben van het hoofd tot de voeten; maar ik ben zoo raar, dat ik u om een glas wijn en een stukje van dien koek moet verzoeken. Ik dacht, dat ik op de trap in het venster zou zijn gevallen, toen ik naar beneden kwam, nadat ik Fanny-lief had gezien en dat hartepitje.” Deze laatste woorden werden haar door eene plotseling opkomende herinnering aan den jonggeborene ontlokt.

Hierop volgde een zacht kloppen aan de deur.

“Mevrouw Chick,” zeide eene vleiende vrouwenstem buiten de deur, “hoe gaat het u nu, lieve vriendin?”—“Beste Paul,” zeide Louise zacht, terwijl zij opstond, “het is jufvrouw Tox, het goedhartigste mensch! Zonder haar had ik onmogelijk hier kunnen komen.—Jufvrouw Tox, mijn broeder, mijnheer Dombey! Lieve Paul, mijne intieme vriendin, jufvrouw Tox!”

De dame, welke zoo hartelijk werd geïntroduceerd, was eene lange, magere gedaante, die er zoo verlept uitzag, dat zij oorspronkelijk niet met vaste kleuren, zooals manufacturiers zeggen, gemaakt scheen te zijn, en langzamerhand door het wasschen verschoten was. Ware dit zoo niet geweest, dan had zij voor een model van innemendheid en beleefdheid kunnen gelden. Door lange gewoonte om met bewondering naar al wat zij hoorde te luisteren, en de sprekers daarbij aan te zien, alsof zij hunne beelden in haar gemoed wilde drukken, om die eerst met haar leven weder te verliezen, had haar hoofd zich geheel op ééne zijde vastgezet. Hare handen hadden zekere gestadige kramptrekkingen om zich van zelven, als uit onwillekeurige bewondering, op te heffen. Hare oogen waren aan eene dergelijke aandoening onderhevig. Zij had de zachtste stem, die iemand ooit hoorde; en haar neus, verbazend sterk gebogen, had een knobbeltje vlak bovenop, en liep van daar recht naar beneden, als met een onverwinnelijk besluit om zich nooit voor iets op te trekken.

De kleeding van jufvrouw Tox, hoewel zeer goed en fatsoenlijk, had iets hoekerigs en schraals. Zij droeg gewoonlijk onnoembare onkruidjes van bloempjes op hare hoeden en mutsen. In hare haren zag men somtijds vreemde grassoorten; en liefhebbers maakten de opmerking, dat bij al hare kragen, boordjes en andere voorwerpen van kleeding en opschik, die twee einden hadden, welke bestemd waren om bijeen te komen, deze twee einden het nooit eens waren en zich niet zonder tegenstand tot elkander wilden laten brengen. Zij had bontwerk als winterdracht, gelijk kragen, boa’s en moffen, waarvan het haar altijd te berge gerezen was, en nooit glad lag. Het scheen hare liefhebberij, beursjes en taschjes bij zich te dragen met knipjes er aan, die afgingen als pistooltjes, wanneer zij toegedaan werden; en als zij in staatsie gekleed was, droeg zij aan haar hals het akeligste van alle medaillons, een oud vischachtig oog verbeeldende, dat zichtbaar blind was. Deze en andere verschijnselen van dergelijken aard, dienden om de meening voort te planten, dat jufvrouw Tox eene arme rentenierster was, die met haar sober bestaantje zoo goed mogelijk trachtte rond te komen. Misschien, dat haar trippelende stap deze meening nog versterkte en deed gelooven, dat zij daarom eene schrede van gewone wijdte in tweeën of drieën knipte, omdat zij gewoon was alles zoo zuinig uit te meten als maar mogelijk was.

“Ik moet verzekeren,” zeide jufvrouw Tox, verbazend diep nijgende, “dat de eer, om bij mijnheer Dombey geïntroduceerd te worden, eene onderscheiding is, waarnaar ik lang heb verlangd, maar die ik op het oogenblik weinig verwachtte. Lieve mevrouw Chick—mag ik zeggen Louise?”

Mevrouw Chick nam de hand van jufvrouw Tox in de hare, zette den voet van haar wijnglas daarop, bedwong een traan, en zeide met eene zachte stem: “O mijn hemel!”—“Lieve Louise, dan!” hervatte jufvrouw Tox. “Liefste vriendin, hoe gaat het u nu?”—“Beter,” antwoordde mevrouw Chick. “Drink een glas wijn. Gij zijt bijna even aangedaan geweest als ik, en zult het zeker noodig hebben.”

Dombey bood de dame terstond een glas wijn.

“Daar jufvrouw Tox wist, Paul,” zeide mevrouw Chick, nog de hand van hare vriendin vasthoudende, “met hoeveel belangstelling ik de gebeurtenis van vandaag te gemoet zag, heeft zij een presentje voor Fanny gemaakt, dat ik haar beloofd heb aan te bieden. Het is maar een speldenkussen voor de toilettafel, Paul! maar ik zeg, en moet en wil zeggen, dat jufvrouw Tox de gewone spreuk heel aardig op deze gelegenheid toepasselijk heeft gemaakt. “Welkom, kleine Dombey!” noem ik waarlijk iets dichterlijks.”—“Is dat het devies?” vroeg haar broeder.—“Ja, dat is het devies,” antwoordde Louise.—“Maar gij moet mij ook het recht doen om te bedenken, lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox op een vriendelijk en ernstig verzoekenden toon, “dat alleen de—ik weet bijna niet hoe ik het zeggen zal—alleen de twijfelachtigheid van den afloop mij heeft gedrongen om zulk eene vrijheid te nemen. “Welkom, jonge heer Dombey!” zou mijn gevoel veel beter hebben uitgedrukt, zooals gij ook wel weet. Maar de onzekerheid, welke met de komst van zulke kleine engeltjes verbonden is, zal, hoop ik, iets verontschuldigen, dat anders eene onvoegzame familiariteit zou gelijken.” Dit zeggende, maakte jufvrouw Tox eene sierlijke buiging naar den kant van Dombey, welke deze heer minzaam beantwoordde. De soort van erkenning van Dombey en Zoon, welke in het gevoerde gesprek lag opgesloten, beviel hem zoowel, dat zijne zuster—hoewel hij deed, alsof hij haar al te zwak en teerhartig vond—misschien meer invloed op hem bezat dan iemand anders.—“Wel,” zeide mevrouw Chick met een zachten glimlach, “nu dit gebeurd is, vergeef ik Fanny alles.”

Dit was eene christelijke verklaring, en mevrouw Chick gevoelde er zich het hart door verlicht. Niet dat zij hare schoonzuster iets bijzonders, of in het geheel iets ter wereld, te vergeven had, behalve dat zij haar broeder had getrouwd—op zich zelf eene soort van vermetelheid—en dat zij naderhand een meisje, in plaats van een jongen, ter wereld had gebracht, hetgeen, gelijk mevrouw Chick meermalen had aangemerkt, eigenlijk niet was wat zij van haar verwacht had, en geene pleizierige beantwoording was van de oplettendheid en onderscheiding, die haar te beurt waren gevallen.

Daar Dombey op dit oogenblik haastig uit de kamer werd geroepen, bleven de beide dames te zamen alleen. Jufvrouw Tox kreeg oogenblikkelijk eene vlaag van hare kramp.

“Ik wist wel, dat gij mijn broeder zoudt bewonderen. Ik heb het u vooraf gezegd, lieve!” zeide Louise.

De handen en oogen van jufvrouw Tox poogden uit te drukken, hoe groot die bewondering was.

“En wat zijn vermogen betreft, lieve!”—“O-o!” zeide jufvrouw Tox met diep gevoel.—“Ont-zag-lijk!”—“Maar zijne manieren van doen en spreken, lieve Louise!” hervatte jufvrouw Tox. “Zijn voorkomen, zijne deftigheid. Geen portret, dat ik ooit gezien heb, had half zooveel daarvan. Iets zoo statigs, weet ge, zoo manhaftigs, zoo breed over de borst, zoo recht op! De Hertog van York in een koopman herschapen, en geen haar daar beneden, zoo zou ik hem uitduiden.”—“Hoe, lieve Paul!” riep zijne zuster uit, toen Dombey weder binnenkwam. “Gij ziet zoo bleek. Er scheelt toch niets aan?”—“Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, Louise! Zij zeggen mij, dat Fanny...”—“Och, beste Paul!” zeide zijne zuster, opstaande, “geloof het niet. Als gij eenig vertrouwen in mijne ondervinding stelt, Paul, kunt gij verzekerd wezen, dat er niets ander noodig is, dan dat Fanny zich wat inspant, om zich op te beuren. En om die inspanning te doen,” vervolgde zij, terwijl zij haar hoed afzette, en met drukte hare muts verschikte en hare handschoenen optrok, “moet zij aangemoedigd, ja zelfs, als het noodig is, werkelijk gedrongen worden. Kom, lieve Paul! ga met mij mede naar boven.”

Dombey, die, behalve dat hij zich, om de vroeger vermelde reden, veelal door den invloed zijner zuster liet leiden, inderdaad vertrouwen stelde in hare ondervinding als huismoeder, sprak niet tegen, en volgde haar naar de kraamkamer.

Zijne vrouw lag in het bed, gelijk toen hij haar verliet, en hield hare dochter aan hare borst gedrukt. Het meisje klemde zich aan haar vast met dezelfde hartstochtelijkheid als te voren, en hield hare zachte wang tegen het gezicht van hare moeder gedrukt; zij hief haar hoofd niet op, zag niemand der aanwezigen eene enkele maal aan, sprak niet, bewoog zich niet, stortte geen traan.

“Zonder het meisje is zij onrustig,” fluisterde de dokter Dombey toe. “Wij vonden het best, haar maar weder te laten binnenkomen.”

Er was zulk eene plechtige stilte om het bed heen, en de twee dokters schenen met zooveel medelijden en met zoo weinig hoop naar de roerlooze lijderes te zien, dat mevrouw Chick voor een oogenblik van haar voornemen werd afgebracht. Maar spoedig vatte zij moed, hernam wat zij hare tegenwoordigheid van geest noemde, zette zich naast het bed neder, en zeide op den zachten, maar dringenden toon van iemand, die een slapende wil wekken:

“Fanny, Fanny!”

Geen geluid gaf antwoord, behalve het tikken van de horloges van Dombey en dokter Peps, die in de stilte met elkander schenen te wedijveren.

“Lieve Fanny!” zeide mevrouw Chick met geveinsde luchtigheid: “daar is mijnheer Dombey, om u te komen zien. Wilt gij niet met hem spreken? Zij willen uw kleinen jongen—het kleintje, gij weet wel, Fanny! gij hebt het haast nog niet gezien, geloof ik—bij u in bed leggen; maar zij kunnen niet, als gij niet een beetje opkomt. Denkt gij niet, dat het tijd is om wat op te komen? Zeg!”

Zij boog zich met een luisterend oor over het bed, terwijl zij te gelijk de omstanders aanzag en haar vinger opstak.

“Hé?” herhaalde zij. “Wat zeidet gij daar, Fanny, Fanny? Ik heb u niet verstaan.”

Geen woord of klank gaf antwoord. De twee horloges schenen nog harder te wedijveren.

“Kom, lieve Fanny! Waarlijk,” zeide de schoonzuster, terwijl zij zich verschikte, en in weerwil van haar zelve een minder gerusten en te gelijk ernstiger toon aannam, “ik zal boos op u worden, als gij niet wat opkomt. Het is noodig voor u, dat gij u wat inspant; en het kan wel wezen, dat die inspanning u moeielijk valt en gij er geen lust toe hebt; maar de wereld is vol moeite, Fanny! dat weet ge, en wij moeten ons nooit in zwakheid toegeven, als er zooveel op ons aankomt. Kom, beproef het eens! Ik zal waarlijk op u moeten knorren, als gij het niet doet.”

In de stilte, welke nu volgde, werd de wedstrijd der horloges razend driftig; zij schenen elkander op de hielen te trappen en te doen struikelen.

“Fanny!” zeide Louise, met toenemende ongerustheid om zich heen ziende. “Zie mij maar eens aan! Open nu uwe oogen maar eens, om mij te toonen, dat ge mij hoort en verstaat; wilt ge? Goede hemel, heeren! wat zullen wij doen?”

De twee dokters wisselden over het bed heen een blik met elkander, en de huisdokter bukte en fluisterde het meisje iets in het oor. Daar de kleine niet verstaan had wat hij zeide, keerde zij haar doodsbleek gezichtje naar hem toe, en vestigde hare donkere oogen op hem, maar zonder in het minst hare moeder los te laten. Hij fluisterde nog eens. “Mama!” zeide het kind.

Het stemmetje, zoo bekend en bemind, wekte zelfs in die flauwte een gering blijk van bewustzijn. Voor een oogenblik trilden de geslotene oogleden en trokken de neusvleugels, en zag men den flauwst mogelijken zweem van een glimlach.

“Mama!” riep het kind, overluid snikkende. “Och, lieve mama! Och, lieve mama!”

De dokter streek zacht de losse krullen van het kind van het gezicht en den mond der moeder weg. Helaas, hoe stil lag zij daar! hoe weinig adem was er, om ze te doen bewegen!

Zoo, al wat zij op de wereld liefhad aan hare borst drukkende, was de moeder in den laatsten slaap gezonken.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

II

WAARIN TIJDIG RAAD GESCHAFT WORDT IN EENE VERLEGENHEID, DIE SOMTIJDS IN DE GEREGELDSTE HUISHOUDENS KAN PLAATS HEBBEN.

“Ik zal er altijd blij om wezen,” zeide mevrouw Chick, “dat ik gezegd heb, toen ik nog weinig dacht, wat er voor ons aanstaande was—waarlijk alsof het mij zoo werd ingegeven—dat ik de arme lieve Fanny alles vergaf. Wat er ook gebeuren mag, dat zal mij altijd een troost zijn.”

Mevrouw Chick maakte deze treffende aanmerking in de voorkamer, nadat zij weder boven was geweest, om naar de naaisters te zien, die aan den rouw bezig waren. Zij moest dienen tot stichting van mijnheer Chick, een dik heer, met een kaal hoofd en een groot gezicht, gewoon om zijne handen in zijne zakken te houden en genegen om gedurig wijsjes te neuriën en te fluiten, waarin hij zich zelven nu met moeite bedwong, daar hij inzag, hoe onwelvoeglijk zulke geluiden in een huis waren, dat in rouw gedompeld was.

“Maak het u zelve niet al te druk, Louise,” zeide Chick, “of gij zult een zenuwtoeval krijgen, dat zie ik.—Ti-re-li, ti-re-lo! Hemel, ik vergat daar! Den eenen dag zijn wij nog hier, en den anderen al weg.”

Mevrouw Chick stelde zich tevreden met een bestraffenden blik, en vervolgde toen hare rede.

“Ik hoop,” zeide zij, “dat deze hartverscheurende gebeurtenis eene waarschuwing voor ons wezen zal, om ons er aan te gewennen onze krachten in te spannen en ons bijtijds op te beuren, als dat van ons geëischt wordt. Alles heeft eene les, als wij ze ons maar ten nutte willen maken. Het zal onze eigene schuld zijn, als wij deze niet in acht nemen.”

Mijnheer Chick stoorde de ernstige stilte, welke op deze aanmerking volgde, met het hoogst ongepaste wijsje van: “Daar was ereis een lappertje.” Maar hij bedwong zich terstond, niet zonder verlegenheid, en zeide, dat het zeker onze eigene schuld was, als wij van zulke treurige voorvallen geen nut trokken.

“Men zou er evenwel beter nut van kunnen trekken,” antwoordde zijne echtgenoot, na eene korte poos van stilte, “dan door er de horlepijp of het even zinlooze als ongevoelige rumpti-diditi mede te verbinden.” En inderdaad had Chick dit refrein, hetwelk zijne vrouw met gloeiende verachting uitsprak, binnensmonds geneuried.—“Het is maar uit gewoonte, lieve,” pleitte Chick.—“Gewoonte?” antwoordde zijne vrouw. “Zotheid! Als gij een redelijk wezen zijt, maak dan zulke belachelijke verontschuldigingen niet. Gewoonte! Als ik eens de gewoonte aannam (zooals gij het noemt) om tegen den zolder te loopen, gelijk de vliegen, zou ik er genoeg van hooren, dat durf ik zeggen.”

Het scheen zoo waarschijnlijk, dat zulk eene gewoonte eenig gerucht zou maken, dat Chick het niet waagde dit gezegde tegen te spreken.

“Hoe gaat het met het kindje, Louise?” vroeg mijnheer Chick, om op een ander onderwerp te komen.—“Wat voor een kindje meent ge?” vroeg mevrouw. “Zulk een troep kinderen als ik van morgen in de achterkamer heb gehad, zou niemand gelooven.”—“Een troep kinderen?” herhaalde Chick met eenigszins ongeruste verwondering.—“Bijna alle menschen zouden begrepen hebben,” zeide zijne vrouw, “dat nu de arme Fanny er niet meer is, het noodig wordt voor eene min te zorgen.”—“O, ja!” zeide Chick. “Toereloe—ik wil zeggen, zoo gaat het in de wereld. Ik hoop dat gij naar uw zin te recht gekomen zijt, lieve!”—“Zeker niet,” antwoordde mevrouw, “er is weinig kans op, zoover ik zien kan. Ondertusschen gaat het kind....”—“Naar den drommel,” zeide Chick treurig. “Ja dat moet wel zoo.”

Daar echter de verontwaardiging op het gezicht van zijne vrouw bij de gedachte, dat een Dombey daarheen zou kunnen gaan, hem onder het oog bracht, hoezeer hij zich vergrepen had, en hij zijn misslag door een goeden raad wilde herstellen, vervolgde hij:

“Zou men voorloopig niet iets met een trekpot kunnen uitrichten?”

Indien het zijne bedoeling was geweest spoedig een eind aan het gesprek te maken, had hij het niet beter kunnen overleggen. Na hem eenige oogenblikken met stilzwijgende berusting te hebben aangezien, ging mevrouw Chick plechtstatig naar het venster, en keek door eene reet van het gordijn, daar het geratel van wielen hare aandacht trok. Mijnheer Chick, die begreep dat hij voor het oogenblik het noodlot tegen zich had, zeide niets meer en blies den aftocht. Het ging echter niet altijd zoo met hem. Dikwijls had hij zelf de overhand, en dan strafte hij Louise duchtig af. In hun echtelijk gekibbel waren zij over het geheel een wel tegen elkander opgewassen paar. Het zou doorgaans zeer moeielijk zijn geweest om te wedden wie het winnen zou. Dikwijls, als mijnheer Chick geslagen scheen, keerde hij zich eensklaps om, verhing de bordjes, liet ze Louise om de ooren klateren, en joeg haar uit het veld. Daar hij er evenwel insgelijks aan bloot stond om op dezelfde wijs door zijne vrouw overrompeld te worden, gaf dit aan hunne schermutselingen eene onzekerheid, waardoor zij iets bijzonder levendigs kregen.

Tusschen de wielen, waarvan zoo even gesproken is, was jufvrouw Tox aangekomen, en nu kwam zij buiten adem de kamer binnenloopen.

“Lieve Louise,” zeide zij, “is de plaats nog open?”—“Och ja, goede ziel,” was het antwoord.—“Dan hoop en geloof ik,” hervatte jufvrouw Tox—“maar wacht een oogenblik, lieve! ik zal mijn gezelschap hier halen.”

Zij liep even haastig heen als zij gekomen was, haalde haar gezelschap uit de huurkoets, en kwam er weldra mede aan. Het bleek toen, dat zij inderdaad een geheel gezelschap had medegebracht. De eerste daarvan was eene jonge vrouw, met een rond, gezond, blozend gezicht, en een kind in hare armen; de tweede nog eene jonge vrouw, minder gezet, maar ook met een rond gezicht, die aan elke hand een kind had, beide met even ronde gezichten; daarop volgde een kleine jongen met een rond gezicht, die alleen binnenkwam; en eindelijk een man met een rond gezicht, die op zijn arm nog een kleinen jongen had, met een even rond gezicht, dien hij op den vloer zette, en met eene schorre stem toefluisterde, om zich aan broertje John vast te houden.

“Zie Louise,” zeide jufvrouw Tox, “daar ik wist hoe groot uwe verlegenheid was, en ik u gaarne wilde helpen, ben ik zelf naar koningin Charlotte’s Koninklijke Getrouwde Vrouwen gereden, die gij vergeten hadt, en heb daar gevraagd of er iemand was, die zij dachten dat geschikt zou zijn. Neen, zeiden ze, er was niemand. Toen zij mij dat antwoord gaven, verzeker ik u, werd ik om uwentwil bijna wanhopig. Maar toevallig hoorde eene van de Koninklijke Getrouwde Vrouwen mijne vraag, en herinnerde de Moeder aan eene andere, die naar huis was gegaan, en, naar zij zeide, waarschijnlijk juist geschikt zou wezen. Zoodra ik dit hoorde en het door de Moeder werd bevestigd—de getuigen waren uitmuntend—vroeg ik het adres, lieve, en reed weder voort.”—“Daarin herken ik mijne beste vriendin,” zeide Louise.—“Och neen, dat moet ge niet zeggen,” hervatte jufvrouw Tox. “Toen ik in het huis kwam—zoo zindelijk, lieve, ge zoudt van den vloer kunnen eten—vond ik de geheele familie aan tafel zitten; en daar ik begreep, dat het beste bericht van hen u en mijnheer Dombey nooit half zooveel genoegen kon doen, als hen allen eens bijeen te zien, heb ik hen allen medegebracht. Deze heer,” zij wees hierbij naar den man met het ronde gezicht, “is de vader. Wilt ge zoo goed wezen om een beetje vooruit te komen, mijnheer?”

Nadat de man bedremmeld aan dit verzoek had voldaan, bleef hij in het eerste gelid staan grinniken en giggelen.

“Dit is zijne vrouw, gelijk van zelf spreekt,” zeide jufvrouw Tox, naar de jonge vrouw met het kindje wijzende. “Hoe vaart ge, Polly?”—“Tamelijk wel, mevrouw! dankje,” was het antwoord. Met oogmerk om de vrouw gunstig te doen uitkomen, had jufvrouw Tox hare vraag gedaan alsof zij inderdaad eene oude kennis, die zij in een poosje niet gezien had, naar haar welstand vroeg.—“Dat verheugt mij inderdaad,” zeide jufvrouw Tox. “Dat meisje is hare zuster, ongetrouwd, die bij haar woont, en op hare kinderen zou passen. Zij heet Jemima. Hoe vaart ge, Jemima?”—“Dankje, mevrouw! heel wel.”—“Dat verheugt me. Ik hoop dat het zoo met u blijven zal.—Vijf kinderen. Het jongste is zes weken. Die aardige kleine jongen, met een blaar op zijn neus, is de oudste. Die blaar, geloof ik,” vervolgde jufvrouw Tox, de familie rondom aanziende, “is zeker niet erfelijk, maar iets toevalligs.”—“Strijkijzer,” hoorde men den man brommen.—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer!” zeide jufvrouw Tox; “ge zegt?”—“Strijkijzer,” herhaalde hij.—“O ja,” zeide jufvrouw Tox. “Dat is waar. Ik had het vergeten. De kleine jongen heeft, terwijl zijne moeder er niet bij was, aan een heet strijkijzer willen ruiken. Gij hebt gelijk, mijnheer! Toen wij bij de deur kwamen, waart gij juist zoo goed om uw beroep te willen zeggen, namelijk....?”—“Stoker,” antwoordde de man.—“Wat?” vroeg Tox, verwonderd.—“Stoker. Stoommachine.”—“O ja!” zeide jufvrouw Tox, hem peinzend aanziende, zonder, naar het scheen, nog recht te begrijpen, wat hij bedoelde. “En hoe bevalt het u, mijnheer?”—“Wat, mevrouw?”—“Dat; uw beroep?”—“O, tamelijk wel, mevrouw! De asch vliegt hier wel eens wat in,” zeide de man, naar zijne borst wijzende, “en dan spreekt iemand schor, zooals ik doe. Maar het is maar asch, mevrouw! geen grommigheid.”

Mejuffer Tox scheen door dit antwoord zoo weinig licht te hebben gekregen, dat het haar moeielijk viel verder over het onderwerp te spreken. Maar mevrouw Chick loste haar af, door een streng examen te beginnen van Polly, hare kinderen, haar trouwbrief, hare getuigschriften, enz. Daar Polly deze vuurproef ongezengd doorstond, ging mevrouw Chick met het verslag naar haar broeders kamer, en als eene nadrukkelijke bevestiging daarvan, nam zij de twee blozendste kleine Toodle’s mede. Toodle was de naam van de familie met de ronde gezichten.

Dombey was sedert den dood zijner vrouw in zijne kamer gebleven, verzonken in gepeinzen over de jeugd, de opvoeding en de bestemming van zijn pasgeboren zoon. Er lag hem iets op het koele hart, kouder en zwaarder dan de last, dien het gewoonlijk droeg; maar het was meer een gevoel van het verlies, dat het kind had getroffen, dan zijn eigen, hetwelk eene bijna toornige smart in hem opwekte. Dat het leven en de ontwikkeling, waarop hij zooveel hoop had gebouwd, in het eerste begin door zulk eene geringe behoefte in gevaar gebracht werden,—dat het huis van Dombey en Zoon waggelde bij gebrek aan eene min, dit was eene zware vernedering. En echter, in zijne trotschheid en ijverzucht, was de gedachte hem zoo bitter, om bij den eersten stap ter vervulling van het verlangen zijner ziel, afhankelijk te wezen van eene huurlinge, welke gedurende dien tijd alles voor het kind moest wezen, wat zelfs de verbintenis met hem zijne eigene vrouw kon gemaakt hebben, dat hij bij elke nieuwe verwerping eener zich aanbiedende min eene geheime blijdschap gevoelde. De tijd was echter nu gekomen, dat hij zich niet langer tusschen deze twee richtingen van zijn gevoel kon verdeelen, des te minder daar er niets tegen de aanspraken van Polly Toodle scheen te zijn in te brengen, nadat zijne zuster die, met vele lofspraken op de onvermoeibare vriendschap van jufvrouw Tox, had uiteengezet.

“Die kinderen zien er gezond uit,” zeide Dombey. “Maar te denken dat zij eens aanspraak zullen maken op een soort van betrekking op Paul! Breng hen weg, Louise! Laat mij die vrouw en haar man zien.”

Mevrouw Chick bracht het teedere paar Toodle’s weder weg, en kwam terstond terug met het steviger paar, dat haar broeder had bevolen hem te laten bezichtigen.

“Goede vrouw!” zeide Dombey, zich in zijn leuningstoel omkeerende, alsof hij uit een stuk bestond, en niet een mensch met geledingen was, “ik verneem, dat gij arm zijt, en geld wilt verdienen met het kleine kind, mijn zoon, te minnen, die zoo vroeg beroofd is van iets, dat nooit vervangen kan worden. Ik heb er niet tegen, dat gij op die wijze uw huishouden ondersteunt. Zoover ik zeggen kan, schijnt gij eene verdienstelijke persoon te zijn. Maar ik moet u een of twee voorwaarden opleggen, eer gij in die betrekking in mijn huis komt. Terwijl gij hier zijt, moet ik vorderen, dat gij u—.... bij voorbeeld Richards laat noemen—een gewone en gemakkelijke naam. Hebt gij er iets tegen om u Richards te laten noemen? Het zou best wezen dat ge er u met uw man over onderhieldt.”

Daar de man niets deed dan grinniken en giggelen en met zijne rechterhand over zijn mond strijken, nam zijne vrouw het woord, nadat zij hem een paar malen vruchteloos had aangestooten, en zeide nijgende, dat, als zij zich met een anderen naam moest laten noemen, men dit misschien bij de huur in aanmerking zou nemen.

“O, natuurlijk!” zeide Dombey. “Ik verlang de zaak tot niets anders dan een huurcontract te maken. Nu, Richards! als gij mijn verlaten kind mint, verlang ik, dat gij dit altijd zult onthouden. Gij zult eene ruime belooning ontvangen voor het bewijzen van zekere diensten, onder het bewijzen van welke ik verlang, dat gij uwe familie zoo weinig zien zult als mogelijk is. Als die diensten niet meer noodig zijn, en het loon niet meer betaald wordt, is er een eind aan alle betrekking tusschen ons. Begrijpt ge mij?”

Vrouw Toodle scheen er aan te twijfelen, en wat Toodle zelf aangaat, deze twijfelde volstrekt niet, dat hij er niets van vatte.

“Gij hebt kinderen van u zelve,” hervatte Dombey. “Het is volstrekt niet in het accoord begrepen, dat gij u aan mijn kind behoeft te hechten, of dat mijn kind zich aan u behoeft te hechten. Ik verlang of verwacht niets van dien aard; juist het tegendeel. Als gij hier vandaan gaat, zult gij iets afgedaan hebben, dat niets anders is dan eene zaak van koop of verkoop, of van huur en verhuur, en derhalve kunt gij dan wegblijven. Het kind zal ophouden zich u te herinneren, en gij kunt, als het u belieft, ook ophouden u het kind te herinneren.”

Vrouw Toodle antwoordde met een weinigje meer kleur op de wangen dan zij te voren had, dat zij hoopte, dat zij zich zelve en hare plaats wel kende.

“Dat hoop ik, Richards!” hervatte Dombey. “Ik twijfel niet, of gij kent die wel. De zaak is ook zoo duidelijk, dat het bijna niet anders kan. Louise, schik het nu met Richards over het geld, en betaal haar wanneer en op welken voet zij wil. Goede vriend, nog een woordje met u!”

Aldus op den drempel gestuit, terwijl hij achter zijne vrouw de kamer wilde uitgaan, keerde Toodle zich om en bleef voor Dombey staan. Hij was een forsch, onbehouwen man, met ronde schouders en een ongepolijst voorkomen, wien de kleederen als aan het lijf waren gesmeten, ruim van haren en baard voorzien, welker kleur misschien door rook en kolenstof wat donkerder was geworden, met harde knokkige handen, en een voorhoofd zoo ruw als de schors van een eik. In alle opzichten vormde hij een volmaakt contrast met Dombey, een van die glad geschoren en kort geknipte rijke heeren, die zoo glad en krakig zijn als de nieuwe banknoten, en wier zenuwen kunstmatig opgespannen schijnen te zijn door de prikkelende werking van gouden stortbaden.

“Gij hebt een zoon, geloof ik?” zeide Dombey.—“Vier, mijnheer! Vier hijen en één zij. Allemaal gezond en frisch.”—“Wel, dat is haast zooveel als gij onderhouden kunt?”—“Ik zou er toch niet graag een van verliezen, mijnheer!”—“Kunt gij lezen?”—“Niet te best, mijnheer!”—“Schrijven?”—“Met krijt, mijnheer?”—“Dat is hetzelfde.”—“Met krijt zou het mij wel een beetje lukken, geloof ik, als ik het doen moest,” zeide Toodle, na zich een poosje bedacht te hebben.—“En toch zijt ge twee en dertig jaren oud, denk, ik?” zeide Dombey.—“Daaromtrent geloof ik dat het wezen zal, mijnheer!” antwoordde Toodle, na zich nog eens bedacht te hebben.—“Waarom leert ge dan niet?” vroeg Dombey.—“Dat zal ik doen, mijnheer! Een van mijne kleine jongens zal mij leeren, als hij oud genoeg is en zelf op school is geweest.”—“Welnu!” zeide Dombey, nadat hij den man opmerkzaam en niet zeer gunstig had aangezien, terwijl deze in de kamer rondstaarde, voornamelijk naar den zolder, en nog gedurig zijn mond afveegde. “Gij hebt gehoord, wat ik zoo even tegen uwe vrouw gezegd heb?”—“Polly heeft het gehoord,” antwoordde Toodle, met zijn hoed over zijn schouder heen naar de deur wijzende, als verliet hij zich in alles geheel op zijne wederhelft.—“Daar gij alles aan haar schijnt over te laten,” zeide Dombey, te leur gesteld in zijn voornemen om zijne inzichten nog meer bepaald aan den man te doen begrijpen, “geloof ik, dat het mij niet baten zal iets tegen u te zeggen.”—“Volstrekt niet,” antwoordde Toodle. “Polly heeft het wel gehoord. Zij is bij de hand, mijnheer!”—“Ik zal u dan niet langer ophouden,” zeide Dombey verdrietig. “Waar hebt gij al uw leven gewerkt?”—“Meest onder den grond, mijnheer, tot ik getrouwd ben. Toen ben ik boven gekomen. Ik zal naar een van die spoorwegen hier gaan, als ze in vollen gang komen.”

Gelijk het laatste strootje den overladen kameel de ruggegraat breekt, zoo verpletterde dit ondergrondsche bericht de bezwijkende geestkracht van Dombey. Hij wees den pleegvader van zijn kind naar de deur, waarop deze zich niet ongaarne wegmaakte, draaide toen den sleutel om, en stapte in diepe neerslachtigheid het vertrek op en neder. Ondanks zijne stijve, onbuigzame deftigheid en bedaardheid, moest hij de tranen die hem verblindden, uit zijne oogen vegen; en dikwijls zeide hij met eene ontroering, waarbij hij voor de geheele wereld geen getuige had willen hebben: “Arme kleine!”

Het was misschien een bijzondere trek van Dombey’s trotschheid, dat hij in het kind zich zelven beklaagde. Hij zeide niet: “ik arme weduwnaar, die gedwongen ben mijn vertrouwen te stellen op de vrouw van een lompen kerel, die al zijn leven “meest onder den grond” heeft gewerkt, en aan wiens deur de Dood toch nog nooit heeft aangeklopt, en aan wiens armoedige tafel dagelijks vier zonen zitten!”—maar: “Arme kleine!”

Met deze woorden op de lippen, viel het hem in—en het is een blijk hoe sterk al zijne hoop en vrees, al zijne gedachten op één punt gevestigd waren—dat de vrouw in eene zware verzoeking werd gebracht. Haar kind was ook een jongen. Zou het nu niet mogelijk zijn, dat zij de kinderen verruilde?

Hoewel hij zich spoedig verzekerd hield, dat hij deze gedachte als te romanesk en te onwaarschijnlijk van zich had verwijderd,—schoon de zaak toch mogelijk bleef, dit was niet te ontkennen,—kon hij niet nalaten er in zooverre aan te blijven hechten, dat zijne verbeelding hem een tafereel ophing, wat zijn toestand wezen zou, indien hij ooit zulk een bedrog ontdekte, wanneer hij oud geworden was. Zou iemand in die omstandigheid in staat wezen om de vrucht van zoovele jaren van gewoonte, vertrouwen en geloof den bedrieger te ontrukken, en er een vreemdeling mede te begiftigen?

Naarmate zijne buitengewone ontroering bedaarde, verdwenen ook langzamerhand deze schrikbeelden, hoewel er nog zooveel van hunne schaduw overbleef, dat hij volhardde bij het besluit om Richards zelf nauwkeurig in het oog te houden, zonder te laten blijken dat hij zulks deed. Nu hij wat beter te moede was, beschouwde hij den levensstand der vrouw als eene veeleer gunstige dan onaangename omstandigheid, daar die op zich zelve een breeden slagboom tusschen haar en het kind plaatste, en de onderscheiding gemakkelijk en natuurlijk maakte.

Ondertusschen werden tusschen mevrouw Chick en Richards, met behulp van jufvrouw Tox, de conditiën geregeld en bepaald, en nadat aan Richards met groote plechtigheid het wichtje, dat het kantoor Dombey en Zoon ten steun moest wezen, was overgegeven, gaf zij het hare met vele kussen en tranen aan Jemima. Daarna werd er wijn geschonken, om den zinkenden moed der familie op te beuren.

“Gij zult toch ook wel een glas nemen, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox, toen Toodle binnentrad.—“Als je blieft, mevrouw, als ik u niet ontrijf,” was het antwoord.—“En gij zijt zeker wel blijde, dat gij uwe lieve, goede vrouw in zulk een goed huis laat, niet waar, mijnheer?” hervatte zij, hem tersluiks wenkende en toeknikkende.—“Neen, mevrouw!” was het antwoord. “Ik wou dat ik haar al weerom had.”

Polly begon hierop nog meer te schreien. Mevrouw Chick vreesde, als ervaren huismoeder, dat het toegeven aan deze smart den kleinen Dombey nadeelig zou kunnen zijn. “Ik ben bang voor het zuur,” fluisterde zij jufvrouw Tox toe, en haastte zich om Polly te troosten.

“Uw kindje zal bij uwe zuster Jemima bloeien als eene roos, Richards!” zeide zij, “en gij moet u maar wat opbeuren—altijd moet men zich opbeuren in de wereld, weet ge—om heel gelukkig te zijn. Men heeft immers al de maat genomen voor uw rouwgoed, niet waar, Richards?”—“Ja—ja, mevrouw” snikte Polly.—“En het zal u uitmuntend passen, dat weet ik,” hervatte mevrouw Chick, “want hetzelfde meisje heeft een aantal kleedjes voor mij gemaakt. En van de beste stof ook!”—“Gij zult zoo mooi wezen, dat uw man u niet kennen zal, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox.—“Ik zou haar overal kennen, hoe zij er ook uitzag,” antwoordde Toodle barsch.

Hij wilde zich blijkbaar niet laten omkoopen.

“Wat het eten betreft, Richards!” hervatte mevrouw Chick, “het beste van alles staat voor u klaar. Gij hebt alle dag maar te bestellen wat gij eten wilt, en alles, waarin gij lust hebt, dat durf ik zeggen, zal zoo vlug aankomen, alsof gij eene dame waart.”—“Ja zeker,” zeide jufvrouw Tox, snel het woord vattende. “En wat bier aangaat—zooveel ge maar wilt, niet waar, Louise?”—“O zeker!” hervatte mevrouw Chick op denzelfden toon. “Maar een beetje voorzichtig wat groenten betreft, weet ge, lieve?”—“En misschien ook met ingelegd goed,” liet jufvrouw Tox er op volgen.—“Met deze uitzonderingen,” zeide Louise, “kan zij verkiezen wat zij maar begeert, zonder dat iemand haar beperken zal.”—“En dan, natuurlijk, weet ge,” hervatte jufvrouw Tox, “hoeveel zij ook van haar eigen lief kindje houden mag—en ik ben zeker, Louise! dat gij het haar niet kwalijk neemt, dat zij er veel van houdt?”—“O neen,” zeide mevrouw Chick goedertieren.—“Evenwel,” vervolgde jufvrouw Tox, “moet zij natuurlijk groot belang stellen in het haar toevertrouwde pand, en het een voorrecht achten, om een kleinen engel, die zoo nauw verbonden is met de hoogere klassen, zich dagelijks langzamerhand te zien ontwikkelen aan eene gemeenschappelijke bron. Is het niet zoo, Louise?”—“Ongetwijfeld,” antwoordde mevrouw Chick. “Gij ziet, lieve vriendin! zij is al geheel tevreden en vergenoegd, en zal nu met een luchtig hart en een lachje hare zuster Jemima en hare lieve kleintjes en haar goeden braven man vaarwelzeggen. Dat zal zij immers, lieve?”—“O wel zeker zal zij dat,” zeide jufvrouw Tox.

In weerwil hiervan omhelsde de arme Polly allen, een voor een, met groote droefheid, en liep eindelijk weg, om aan het afscheid tusschen haar en de kinderen een eind te maken. De list slaagde echter niet zoo goed als zij verdiend had, want de kleinste jongen op een na kroop op handen en voeten haar na, de trap op, en de oudste begon met de hakken zijner laarzen een dollen roffel te trommelen, om zijne smart lucht te geven, waarin de overigen der familie hartelijk deel namen.

Een aantal sinaasappelen en halve stuivers, die den jeugdigen Toodle’s zonder onderscheid in de handen werden gestopt, stuitte de eerste uitbarsting hunner droefheid, en de familie werd spoedig weder naar huis gebracht in de huurkoets, welke te dien einde was blijven wachten. De kinderen, onder het opzicht van Jemima, verstopten het raampje van het portier, en strooiden den geheelen weg over sinaasappelen en kopergeld. Mijnheer Toodle verkoos liever op het achterbankje mede te rijden, als eene plaats waaraan hij best gewoon was.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

III

WAARIN DOMBEY ZICH ALS MAN EN VADER AAN HET HOOFD VAN ZIJN HUISHOUDEN VERTOONT.

Nadat de begrafenis der overledene was afgeloopen, tot volkomen genoegen van den aanspreker, zoowel als van de buurt in het algemeen, welke doorgaans op zulk een punt zeer licht geraakt is, en zich door een verzuim of eene vergissing bij de plechtigheid beleedigd acht, keerden de verschillende leden van Dombey’s huishouden op hunne gewone plaatsen in hun kring terug. De kleine wereld, evenals de groote wereld buiten de deur, bezat de bekwaamheid om gemakkelijk hare dooden te vergeten; en toen de keukenmeid had gezegd, dat zij eene zachtzinnige mevrouw was, en de huishoudster, dat sterven het lot van alle menschen was, en de bottelier had gevraagd, wie het zou gedacht hebben, en de werkmeid had gezegd, dat zij het haast nog niet gelooven kon, en de huisknecht dat het hem als een droom voorkwam, hadden zij het onderwerp uitgeput, en begonnen zij te denken dat hun rouw ook al sleet.

Voor Richards, die boven in een staat van eervolle gevangenschap verkeerde, scheen de dageraad van haar nieuw leven koud en grauw aan te breken. Dombey’s huis was groot; het stond op den schaduwkant van eene donkere, akelig fatsoenlijke straat, in de streek tusschen Portland-Place en Bryanstone-Square. Het was een hoekhuis, met groote wijde keldergaten in de stoep, waarin getraliede vensters uitkwamen, benevens de openingen van kolen- en aschhokken. Het was een akelig statig huis, met eene geheele reeks van pronkkamers en suite, die op eene met lekzand bestrooide binnenplaats uitzagen, waarop twee magere boomen, met zwarte stammen en takken, hunne bladeren meer lieten ratelen dan ritselen, zoo verdroogd waren zij van den rook. De zomerzon scheen nooit in de straat, behalve des morgens tegen het uur van ontbijten, en dan kwam zij te gelijk met de waterkarren, en de oude-kleerenkoopers, en de jongens met geraniums, en den paraplulapper, en den man, die al voortgaande een houten klokje liet rinkelen. Spoedig was zij weg, om dien dag niet terug te komen; en de troepen muzikanten en zwervende poppenkasten, die spoedig volgden, lieten de straat ten prooi aan de ellendigsten der orgels en aan de witte muizen, met nu en dan een stekelvarken om de vermaken af te wisselen, totdat de botteliers, wier heeren uit eten waren, in de schemering aan de deuren kwamen staan, en de lantaarnopsteker zijne elken avond mislukte poging weder herhaalde om de straat met gas eenigszins op te helderen.

Het huis was van binnen even somber als van buiten. Toen de begrafenis voorbij was, gaf Dombey last om het huisraad te bergen,—misschien om het voor den zoon te bewaren, die het middelpunt van al zijne plannen was—en de kamers te ontmeubelen, behalve die, welke hij beneden voor zich zelven hield. Derhalve werden de tafels en stoelen op het midden van den vloer opgestapeld en als het ware met groote lijkkleeden overdekt. De deurknoppen, spiegels en ornamenten, met oude nieuwspapieren omwikkeld, lieten nog stukken van doodberichten en moorden lezen. Elke lustre en kroonkandelaar, in wit katoen gehuld, had het voorkomen van een monsterachtig grooten traan, aan het oog van den zolder hangende. De schoorsteenen sloegen een graflucht uit. De doode en begravene meesteres staarde uit de lijst van eene spookachtige, met wit omkleede schilderij. Elke windvlaag voerde van den naburigen mesthoop om den hoek iets van het stroo weder aan, dat voor de deur had gelegen toen zij ziek was; die half vergane overblijfsels bleven liggen en verzamelden zich op de stoep van het morsige huis, dat aan den overkant ledig stond, eene naargeestige herinnering voor ieder, die bij Dombey uit het venster zag.

De vertrekken, welke Dombey voor zijn eigen gebruik had gehouden, waren terstond uit het voorhuis bereikbaar en bestonden in eene spreekkamer, eene bibliotheek, die ook tot kleedkamer diende (zoodat de reuk van papier, marokijn en rusleder zich vermengde met de lucht van eenige paren laarzen) en eene soort van lantarenkamertje of glazen ontbijtvertrekje, dat het uitzicht had op de bovengemelde boomen, en doorgaans op eenige loerende katten. Deze drie kamers liepen in elkander. Des morgens, wanneer Dombey in eene der twee eerstgemelde zat te ontbijten, alsook des namiddags, wanneer hij thuis kwam om te eten, werd er voor Richards gescheld, om in het glazen kamertje te komen, en daar met den kleine op en neer te wandelen. Uit de schuwe blikken, welke zij dan op Dombey kon werpen, terwijl deze in de verte in de duisternis zat onder het donkere huisraad, en naar het kind zag, begon zij zich zonderlinge verbeeldingen van hem in zijne eenzaamheid te maken, als ware hij een gevangene in zijne cel, of eene vreemde verschijning, die men niet mocht aanspreken of pogen te doorgronden.

De pleegmoeder van den kleinen Paul Dombey had eenige weken lang dit leven geleid en den kleinen Paul er door gedragen. Eens was zij weder naar boven gegaan, na eene treurige wandeling door de akelige pronkkamers—zij ging nooit uit zonder mevrouw Chick, die ’s morgens, als het mooi weder was, altijd aankwam, doorgaans in gezelschap van jufvrouw Tox, om haar en het kleintje een luchtje te laten scheppen, of eigenlijk haar met een deftigen tred de straat op en neer te laten kuieren, als ware het eene lijkstaatsie; en toen zij nu in hare kamer zat, werd de deur langzaam en zacht geopend, en keek een klein meisje met donkere oogen om den hoek.

“Dat is zeker jonge juffer Florence, die van hare tante thuis gekomen is,” dacht Richards, die het kind nog nooit had gezien. “Gij vaart nog wel, hoop ik, jonge juffer?”—“Is dat mijn broertje?” vroeg het kind, naar den kleine wijzende.—“Ja, liefje!” antwoordde Richards. “Kom, geef hem een kus.”

Maar in plaats van naderbij te komen, zag het meisje haar ernstig aan en vroeg: “Wat hebt gij met mijne mama gedaan?”—“God beware de arme kleine!” riep Richards uit. “Welk eene treurige vraag! Ik gedaan? Niets, jonge jufvrouw!”—“Wat hebben zij met mijne mama gedaan?” vroeg het kind.—“Nog nooit heb ik iets zoo aandoenlijks gezien,” zeide Richards, die zeer natuurlijk voor dit kind een van hare eigene in de plaats stelde, dat in dergelijke omstandigheden naar haar vroeg. “Kom naderbij, lieve juffer! Wees niet bang voor mij.”—“Ik ben niet bang voor u,” zeide het meisje, naderbij komende. “Maar ik wil weten, wat zij met mijne mama gedaan hebben.”—“Liefje!” antwoordde Richards, “gij draagt die mooie zwarte jurk tot gedachtenis van uwe mama.”—“Ik kan wel aan mama denken, met eene andere jurk aan,” zeide het kind, terwijl het tranen in de oogen kreeg.—“Maar men draagt zwarte kleeren, om aan menschen te denken als zij niet meer hier zijn.”—“Niet meer hier? Waar dan?” vroeg het meisje.—“Kom eens bij mij zitten, dan zal ik u eene geschiedenis vertellen,” antwoordde Richards.

Snel begrijpende, dat de vertelling het antwoord op hare vraag zou moeten zijn, legde Florence het hoedje neder, dat zij tot nog toe in hare hand had gehouden, ging op een voetbankje dicht bij de min zitten, en zag deze vragend aan.

“Eens op een tijd,” zeide Richards, “was er eene mevrouw—eene heel goede mevrouw—die een dochtertje had, dat heel veel van haar hield.”—“Eene heel goede mevrouw en een dochtertje, dat heel veel van haar hield,” herhaalde het meisje.—“En toen God het goed achtte, dat het zoo wezen moest, werd zij ziek en stierf.”

Het kind huiverde.

“Zij stierf, om nooit weer door iemand op de wereld gezien te worden, en zij werd begraven in den grond, waar de boomen groeien.”—“In den kouden grond?” zeide het meisje, wederom huiverende.—“Neen, in den warmen grond,” antwoordde Polly, van deze vraag spoedig gebruik makende, “waarin de leelijke kleine zaadjes in mooie bloemen veranderen, en in gras en koorn, en ik weet niet wat al meer. Waarin goede menschen in schoone engelen veranderen, en dan opstijgen naar den hemel.”

Het meisje, dat haar hoofdje had laten zinken, hief het weder op, en bleef haar aandachtig aanzien.

“Wacht, laat mij zien!” zeide Polly, eenigszins van haar stuk gebracht door dien uitvorschenden blik, bij haar verlangen om het kind te troosten, den onverwachten indruk van hare woorden, en haar zeer gering vertrouwen op hare eigene krachten. “Zoodat, wilde ik zeggen, toen die mevrouw stierf, waar zij haar ook mogen gelegd hebben, zij ging tot God—en zij bad hem, dat deed zij,” vervolgde Polly, zelve zeer aangedaan, want zij was hartelijk in ernst, “haar dochtertje te leeren om daarvan in haar hart verzekerd te zijn, en te weten, dat zij gelukkig was en haar nog liefhad, en te hopen en te trachten—o, haar leven lang—om haar daar eens te ontmoeten, en dan nooit, nooit weder te scheiden.”—“Dat was mijne mama!” riep het meisje uit, terwijl zij opsprong en hare armen om Polly’s hals sloeg.—“En het hart van het kind,” vervolgde Richards, terwijl zij Florence aan hare borst drukte, “was zoo vol van de waarheid hiervan, dat, toen zij het hoorde van eene vreemde min, die het haar niet eens goed kon zeggen, maar zelve eene arme moeder was, anders niets,—dat zij er toen troost in vond—en zich niet zoo eenzaam gevoelde—en schreide aan hare borst—en het kindje lief kreeg, dat op haar schoot lag;—en zoo is het, zoo is het, arm lief kind!” zeide Polly, terwijl zij de lokken van het meisje gladstreek en hare tranen daarop afdruppelden.—“Zoo, jonge juffer! zal uw papa daar nu niet boos om zijn?” riep eene schelle stem aan de deur. Het was die van een meisje van veertien jaren, dat, hoewel zij klein van gestalte was, toch reeds bijna het voorkomen eener volwassene vrouw had, met eene bruine kleur, een wipneusje, en oogen zoo zwart als kralen. “Het was immers uitdrukkelijk belast, dat gij de min niet mocht gaan lastig vallen?”—“Zij valt mij niet lastig,” was het verwonderde antwoord van Polly. “Ik houd heel veel van kinderen.”—“O, neem mij niet kwalijk, jufvrouw Richards! maar dat doet er niet toe,” hervatte het meisje, een scherp en vinnig nest. “Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.”—“Nu, goed, het komt er niet op aan,” was het antwoord.—“Maar gij weet toch wel, dat de jonge juffer onder mij staat, en de jonge heer onder u.”—“Maar wij behoeven daarom toch geen twist te maken,” zeide Polly.—“O neen,” hervatte het vinnige ding, dat eigenlijk Susanna Nipper heette. “Dat behoeft niet, want Florence is eene vaste plaats, en Paul maar voor behulp.” Het meisje scheen gewoon te zijn om alles zooveel mogelijk in één adem te zeggen.—“Jonge juffer Florence is zeker pas thuis gekomen, niet waar?” vroeg Polly.—“Ja, dat is zij, jufvrouw Richards, en ziedaar, jonge juffer! eer gij een kwartier in het huis zijt geweest, gaat gij uw nat gezicht tegen het dure rouwkleed wrijven, dat jufvrouw Richards voor uwe mama draagt.” Met deze bestraffing rukte Susanna het kind tamelijk ruw van Polly af. Zij scheen dit echter meer te doen uit overdreven ijver in het waarnemen van haar post, dan uit opzettelijke boosheid.—“Zij zal wel blij wezen, dat zij thuis is en van avond weder bij haar lieven papa komt,” zeide Polly, het kind met een bemoedigenden glimlach toeknikkende.—“Heere, jufvrouw Richards!” viel Susanna hierop in. “Spreek toch zoo niet! Bij haar papa komen? Wel waarlijk! Ik zou wel eens willen zien, dat zij het deed!”—“Zou zij dan niet?” vroeg Polly.—“Wel Heere neen, jufvrouw Richards! Haar papa is veel te veel verdiept in iemand anders, en voordat er iemand anders was, om zich in te verdiepen, was zij toch niet veel in gunst. Meisjes zijn hier in huis zoo goed als weggegooid, jufvrouw Richards! Dat kan ik u verzekeren.”

Het meisje zag snel van de eene naar de andere zijde, alsof zij wel begreep en gevoelde wat er gezegd werd.

“Gij verbaast mij!” riep Polly uit. “Heeft mijnheer Dombey haar dan niet gezien, sedert...”—“Neen,” viel Susanna haar in de rede “geene enkele maal, en vóór dien tijd had hij haar ook in maanden nauwelijks onder de oogen gehad, en ik geloof niet, dat hij haar voor zijn eigen kind zou gekend hebben, als hij haar op straat had ontmoet, of haar voor zijn eigen kind kennen zou, als hij haar morgen daar tegenkwam. Wat mij betreft, jufvrouw Richards!” voegde zij er lachende bij, “ik twijfel of hij wel weet, dat ik in de wereld ben.”—“En toch zoo lief!” zeide Polly, waarbij zij niet Susanna, maar de kleine Florence op het oog had.—“O, ik kan u verzekeren, dat er een bullebak te vinden is, geen honderd uren van deze plek, jufvrouw Richards!” liet Susanna daarop volgen. “En nu wensch ik u goeden morgen. Kom, Florence! ga nu mede, en laat u zoo niet slepen, als eene stoute meid, die van God noch zijn gebod weet.”

In weerwil van deze toespraak echter, en in weerwil dat Susanna haar rechterarm bijna uit het lid trok, rukte Florence zich los, om hare nieuwe vriendin een hartelijken kus te geven.

“Goedendag,” zeide het meisje. “God zegene u! Ik zal spoedig weder bij u komen, en gij ook bij mij. Suze zal het ons wel toelaten; niet waar, Suze?”

Het vinnige dingetje scheen toch over het geheel niet kwaad te zijn, hoewel zij onder die kindermeisjes behoorde, die schijnen te begrijpen, dat kinderen geschud moeten worden, als een zakje met geld, dat men blinkend wil houden; want op deze toespraak, die met eenige aanhalige liefkoozingen vergezeld was, sloeg zij hare korte armen over elkander, en gaf, terwijl zij haar hoofd schudde, hare zwarte, altijd wijd openstaande oogen eene zachtere uitdrukking.

“Het is niet mooi van u, dat ge dat vraagt, Florence!” zeide zij, “want gij weet wel, dat ik u niets weigeren kan; maar jufvrouw Richards en ik zullen zien wat wij doen kunnen, als jufvrouw Richards wil, want, begrijpt ge, ik kan wel lust hebben, om eene reis naar China te doen, jufvrouw Richards, en toch niet weten hoe ik het Londensche dok uit zal komen.”

“Dit huis is juist zoo vroolijk niet,” vervolgde Susanna, “dat iemand meer alleen behoeft te blijven, dan wezen moet. Eene partij Tox’en en Chick’sen mogen mijne voorste tanden uittrekken; maar dat is geene reden, waarom ik mijn geheele gebit behoef te geven.”

Jufvrouw Richards gaf haar hierin wederom gelijk.

“Ik ben daarom wel genegen, om als goede vrienden te leven, jufvrouw Richards, zoolang de kleine Paul eene plaats voor u blijft, als wij er maar middel toe kunnen vinden, zonder te doen wat uitdrukkelijk verboden is. Maar goede hemel, Florence, gij hebt uw goed nog niet eens af, ondeugend kind! Kom terstond mede!”

Met deze woorden deed Susanna, in eene vlaag van ijver, een vinnigen aanval op het onder haar geweld staande kind, en trok het in eens de kamer uit.

In hare smart en verlatenheid was het meisje zoo zacht, stil en geduldig, zij bezat zooveel liefde, welke niemand het der moeite waard achtte zich toe te eigenen, en zulk een fijn gevoel, dat niemand zich ontzag te kwetsen, dat Polly het hart zeer deed, toen zij zich weder alleen bevond. Bij het eenvoudige tooneel, dat tusschen haar en het moederlooze kind had plaats gehad, was haar eigen moederlijk hart niet minder getroffen geweest dan dat van het meisje; en zij gevoelde evenals de kleine Florence, dat er van dit oogenblik af een band van vertrouwen en belangstelling tusschen haar beiden bestond.

In weerwil van het groote vertrouwen, hetwelk Toodle in zijne vrouw stelde, was zij hem echter in aangeleerde kundigheden misschien slechts zeer weinig vooruit. Doch zij was een eenvoudig en schoon voorbeeld van een gemoedsaard, welke over het geheel beter, oprechter, edeler en verhevener is dan die der mannen, en alle aandoeningen van teederheid, medelijden en zelfverloochende liefde veel lichter plaats geeft en veel verstandiger bewaart. En misschien, zoo onkundig als zij was, had zij toen reeds een licht van kennis voor Dombey kunnen doen opgaan, hetwelk hem dan niet op het laatst als een bliksemstraal zou getroffen hebben.

Maar dit is eene afdwaling van ons tegenwoordig onderwerp. Polly dacht er toen alleen aan om gebruik te maken van haar gunstigen indruk op Susanna, en een middel te verzinnen om de kleine Florence wettig en zonder muiterij bij haar te krijgen. Toevallig bood zich nog dien zelfden avond eene gelegenheid daartoe aan.

Zij was naar gewoonte gescheld om beneden in het glazen kamertje te komen, en had daar reeds lang om en om gewandeld met den kleine in hare armen, toen, tot hare groote verwondering en ontzetting, Dombey eensklaps op haar toekwam en voor haar staan bleef.

“Goeden avond, Richards!”

Juist dezelfde stijve, strenge heer, als hij haar op dien eersten dag was voorgekomen, zoo barsch van uitzicht, dat zij, terwijl zij neeg, onwillekeurig hare oogen nedersloeg.

“Hoe gaat het met jongen heer Paul, Richards?”—“Heel wel en voorspoedig, mijnheer!”—“Zoo ziet hij er ook uit,” zeide Dombey, met een blik vol belangstelling op het gezichtje, dat zij voor hem ontdekte, terwijl hij toch half den schijn van onverschilligheid wilde aannemen. “Zij geven u al wat gij noodig hebt, hoop ik?”—“O ja, mijnheer! ik dank u.”

Na dit antwoord scheen zij echter zoo blijkbaar iets te verzwijgen, dat Dombey, die reeds weder wilde heengaan, zich omkeerde en haar vragend aanzag.

“Ik geloof dat niets zoo goed is om kinderen levendig en vroolijk te maken, mijnheer, dan dat zij andere kinderen om zich heen zien spelen,” zeide Polly, moed vattende.—“Ik meen u gezegd te hebben, Richards, toen gij hier kwaamt,” antwoordde Dombey, zijn voorhoofd rimpelende, “dat ik verlangde dat gij uwe familie zoo weinig mogelijk zien zoudt. Gij kunt voortwandelen, als het u belieft.”

Daarmede verdween hij in de andere kamer, en Polly had de voldoening van te gevoelen, dat hij haar geheel verkeerd begrepen had, en zij zich zijn ongenoegen had berokkend, zonder haar oogmerk eenigszins naderbij te komen.

Den volgenden avond vond zij hem in het glazen kamertje wandelen, toen zij beneden kwam. Toen zij, door dit ongewone gezicht verzet, bij de deur staan bleef, niet wetende of zij zou voortgaan of terugkeeren, riep hij haar binnen.

“Als gij inderdaad denkt, dat dit soort van gezelschap goed voor het kind is,” zeide hij scherp, alsof er geen tijd verloopen was sedert zij daarvan gesproken had, “dan is er immers jonge juffer Florence?”—“Niemand zou beter kunnen zijn dan jonge juffer Florence, mijnheer,” zeide Polly gretig: “maar ik heb van het meisje, dat haar oppast, gehoord, dat zij niet mochten...”

Dombey trok aan de schel en wandelde op en neer, tot er een bediende verscheen.

“Zeg hun, dat zij jonge juffer Florence altijd bij Richards moeten laten komen als zij verkiest, en met haar laten uitgaan, en zoo voort. Zeg hun, dat zij de kinderen bij elkander moeten laten, als Richards het verlangt.”

Het ijzer was nu heet, en Richards smeedde er stout op los. Zij had eene goede zaak voor, en was daarom stoutmoedig, hoewel zij instinctmatig bevreesd voor Dombey was. Zij verzocht, dat Florence nu terstond zou komen, om met haar broertje vriendschap te maken.

Zij hield zich, alsof zij met het kind speelde, terwijl de knecht met deze boodschap heenging; maar zij meende te zien, dat Dombey’s kleur verschoot, dat zijn gelaat eene geheel andere uitdrukking aannam, dat hij zich haastig omkeerde, als wilde hij herroepen wat hij gezegd had, of wat zij gezegd had, of wel wat zij beide gezegd hadden, en alleen door schaamte daarvan weerhouden werd.

En zij had gelijk. De laatste maal, dat hij zijne verwaarloosde dochter had gezien, was er in die droevige omhelzing tusschen haar en hare stervende moeder iets geweest, dat te gelijk eene openbaring en een verwijt voor hem was. Al mocht hij zich nog zoo verdiepen in den zoon, op wien hij zulk eene trotsche hoop had gebouwd, hij kon dit slottooneel niet vergeten. Hij kon niet vergeten, dat hij er geen deel aan gehad had; dat, in den gewijden kring van teederheid en trouw, die twee gedaanten in elkanders armen lagen gesloten, terwijl hij er buiten stond, en als een bloot aanschouwer toezag.

Buiten staat om deze dingen uit zijn geheugen te verdrijven, en om zich te ontslaan van zulke flauwe schemeringen der beteekenis, welke zij inhielden, als zich door den nevel van zijn trots voor hem konden zichtbaar maken, veranderde zijne vroegere onverschilligheid voor de kleine Florence in eene buitengewone soort van onrust. Het was hem bijna, alsof zij hem bespiedde en wantrouwde; alsof zij den sleutel had van iets geheims in zijne borst, waarvan hij zelf nauwelijks den aard kende; alsof zij eene aangeboren kennis had van eene knarsende, wanluidende snaar in zijn binnenste, en haar enkele adem die kon doen trillen.

Zijn gevoel voor het meisje was, van hare geboorte af, iets negatiefs geweest. Hij had nooit tegenzin voor haar opgevat; dat was hem niet de moeite waard geweest, of in den zin gekomen. Zij was nooit een positief onaangenaam voorwerp voor hem geweest. Maar nu was hij slecht op zijn gemak als hij aan haar dacht. Zij stoorde zijne rust. Hij had liever de gedachte, dat zij bestond, wel geheel op zijde willen schuiven, als hij maar geweten had hoe. Misschien—wie zal over zulke geheimen uitspraak doen?—was hij bevreesd, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten.

Toen de kleine Florence schroomvallig aankwam, bleef Dombey stilstaan, om naar haar te zien. Indien hij met meer belangstelling en het oog van een vader had gezien, had hij in haar scherpen blik het verlangen en de vrees kunnen lezen, die haar deden aarzelen; het hartstochtelijke verlangen om naar hem toe te loopen, zich aan hem vast te klemmen, en uit te roepen: “O vader! tracht mij toch lief te hebben; er is niemand anders!” de vrees om teruggestooten te worden, de vrees om te stout te wezen en hem te verstoren; hare medelijdenswaardige behoefte aan eenige geruststelling en aanmoediging, en hoe haar overkropt jeugdig hart rondzocht om eene natuurlijke rustplaats te vinden voor zijne smart en liefde.

Maar hij zag niets hiervan. Hij zag haar besluiteloos aan de deur blijven staan en naar hem kijken, en anders zag hij niets.

“Kom binnen,” zeide hij, “kom binnen. Waar is het kind bang voor?”

Zij kwam binnen, en nadat zij eene poos met onzekerheid had rondgezien, bleef zij bij de deur staan, hare handjes stijf tegen elkander drukkende.

“Kom hier, Florence!” zeide haar vader koel. “Weet ge wie ik ben?”—“Ja, papa!”—“Hebt gij niets tegen mij te zeggen?”

De tranen, die haar in de oogen stonden, toen zij die naar zijn gelaat opsloeg, werden bevrozen door de uitdrukking, die zich daarop vertoonde. Zij sloeg ze weer neder, en sloeg hare bevende hand uit.

Dombey nam die losjes in de zijne en bleef een oogenblik op haar nederzien, als wist hij even weinig als het kind wat hij zeggen of doen zou.

“Kom, wees een zoet meisje,” zeide hij, terwijl hij haar op het hoofd klopte en haar, als het ware steelsgewijze, met een onrustigen, twijfelenden blik aanzag. “Ga nu maar naar Richards.”

Zijn dochtertje aarzelde nog een oogenblik, als wilde zij nog bij hem blijven, of als had zij eene flauwe hoop, dat hij haar in zijne armen zou opnemen en een kus geven. Zij zag nog eens naar hem op. Hij dacht, hoezeer de uitdrukking van haar blik geleek naar dien, waarmede zij op dien avond naar den dokter had omgezien, liet onwillekeurig hare hand los, en keerde zich om.

Het was niet moeielijk op te merken, dat Florence zich in haar vaders bijzijn in een zeer ongunstig licht vertoonde. Zijne tegenwoordigheid was niet slechts een bedwang voor het gemoed van het meisje, maar zelfs voor de natuurlijke bevalligheid en vrijheid van hare bewegingen. Evenwel bleef Polly des te sterker bij haar voornemen, toen zij dit zag, en daar zij over Dombey naar zich zelve oordeelde, stelde zij veel vertrouwen in de stilzwijgende voorspraak van het rouwkleed der arme Florence. “Het zou wel ongelukkig wezen,” dacht zij, “dat hij maar met één moederloos kind veel zou ophebben, terwijl hij er nog een, en dat wel een meisje, voor zijne oogen heeft.”

Derhalve hield Polly haar voor zijne oogen, zoolang als zij kon, en wist met den kleinen Paul zoo om te springen, dat hij door het gezelschap van zijn zusje blijkbaar veel levendiger werd. Toen het tijd was om weder naar boven te gaan, had zij Florence wel naar de andere kamer willen zenden, om haar vader goedennacht te zeggen, maar het meisje was beschroomd en schoof achteruit; en toen zij haar nogmaals aanzette, hield zij hare handen voor hare oogen, als ware het om hare eigene onwaardigheid te verbergen, en zeide: “O neen, neen! Hij wil mij niet hebben. Hij wil mij niet hebben.”

Het kleine geschil tusschen de twee had Dombey’s aandacht getrokken, en hij vroeg van de tafel, waar hij bij zijn wijn zat, wat er te doen was.

“Jonge juffer Florence was bang dat zij u storen zou, mijnheer, als zij binnenkwam, om u goeden nacht te wenschen,” zeide Richards.—“Dat komt er niet op aan,” antwoordde Dombey. “Gij kunt haar laten komen en gaan, zonder op mij te letten.”

Het meisje huiverde, terwijl zij luisterde, en was weg eer hare nederige vriendin weder omzag.

Polly verheugde zich echter niet weinig over het gelukken harer welgemeende list, en over de behendigheid, waarmede zij die had uitgevoerd. Zij deelde alles aan Susanna mede, toen zij weder veilig boven verschanst zat. Deze nam echter dit bewijs van vertrouwen, alsmede het bericht van haar toekomstigen vrijen omgang, tamelijk koel op, en was lang niet uitgelaten in hare vreugdeblijken.

“Ik dacht, dat gij er mede in uw schik zoudt zijn geweest,” zeide Polly.—“O ja, jufvrouw Richards, ik ben ook in mijn schik, wel verplicht,” antwoordde Susanna, die zich eensklaps zoo stijf recht hield, dat zij eene balein meer in haar korset scheen gestoken te hebben.—“Gij toont het toch niet,” zeide Polly.—“O!” hervatte Susanna, “daar ik eene vaste plaats heb, kan men niet verwachten, dat ik het zoo toonen zal als iemand, die maar voor behulp is. Noodhulpen hebben hier alles voor, naar ik zie; maar hoewel er een goede muur tusschen dit huis is en dat naast aan, is het toch wel mogelijk, dat ik er niet graag naar toe wil gaan, jufvrouw Richards!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

IV

WAARIN NOG EENIGEN OP HET TOONEEL VAN DIT VERHAAL DEBUTEEREN.

Hoewel het kantoor van Dombey en Zoon binnen het rechtsgebied van Londen stond, zelfs binnen het gehoor der Bow klokken, als hare luide stemmen niet door het straatrumoer verdoofd werden, kon men echter in sommige nabijzijnde voorwerpen sporen van romaneske en avontuurlijke dingen opmerken. Gog en Magog hielden hun hof op tien minuten gaans afstand; de beurs was dichtbij; de bank van Engeland met hare gewelven vol goud en zilver, “onder den grond, tusschen de dooden,” was een trotsche nabuur. Even om den hoek stond het rijke Oost-Indische Huis, dat aan kostbare stoffen en steenen, aan tijgers, olifanten, howda’s, hoeka’s, zonneschermen en palankijns deed denken, en aan statige bruine prinsen op tapijten zittende, met muilen met omgekrulde teenen aan de voeten. Overal in den naasten omtrek zag men afbeeldingen van schepen, die met volle zeilen naar alle werelddeelen heenspoedden; magazijnen van uitrusting, gereed om iemand binnen een half uur, van alles voorzien, weg te zenden, waarheen het ook wezen mocht, en kleine houten adelborsten met ouderwetsche uniformen, die zich buiten de deuren der zeevaartkundige instrumentmakers eeuwiglijk bezig hielden met het doen van waarnemingen op voorbijrijdende huurkoetsen.

Eenig heer en eigenaar van een dezer beelden—van dat, hetwelk men wel het houtigste van allen had kunnen noemen—dat met de meest onuitstaanbare vriendelijkheid met het rechterbeen vooruit naar de straat scheen te komen, het ongerijmdste vest met panden en de onredelijkste schoengespen droeg en den onevenredigsten octant voor zijn rechteroog hield—eenig heer eigenaar van dien adelborst, en trotsch op hem ook, had een bejaard man, met een gepoeierde pruik, reeds meer jaren lang huishuur en belastingen voor zijn winkel betaald dan menig volwassen adelborst van vleesch en bloed er in zijn leven geteld heeft; en aan adelborsten die al op jaren beginnen te komen heeft men op de Engelsche vloot geen gebrek.

De winkelvoorraad van dezen ouden heer bestond uit chronometers, barometers, verrekijkers, kompassen, kaarten, octanten, quadranten, en allerlei soorten van instrumenten, die gebezigd worden tot het besturen en berekenen van den koers van een schip. Dingen van koper en glas lagen op zijne planken en in zijne laden, waaraan niemand, behalve een ingewijde, kon ontdekken wat onder of boven was, of kon raden waartoe ze dienen moesten, of ze, na ze bekeken te hebben, zonder hulp weder in hunne mahoniehouten kistjes pakken. Alles was in de nauwste doosjes gepast en ingeklemd, achter en tusschen stijve kussentjes, en in scherpe hoeken geschroefd, om te verhinderen dat de mathematische rust door het woelen der zee verstoord werd. Zooveel vernuft was er toe gebezigd om ruimte te winnen en te sparen, en zooveel practicale zeevaartkunde was in elk kistje opgeschroefd en ingepast, dat de winkel zelf, als ware het door iets aanstekends, een schipachtig voorkomen had aangenomen, en slechts naar een gunstigen wind scheen te wachten, om naar een of ander onbewoond eiland te varen.

Vele geringe bijzonderheden in het huiselijk leven van den scheepsinstrumentmaker, die trotsch op zijn adelborstje was, konden deze inbeelding versterken. Daar zijne meeste kennissen proviandmeesters enz. waren, had hij altijd een overvloed van echte scheepsbeschuit op zijne tafel, waarop ook naar teer ruikend gedroogd vleesch en tong een gewoon verschijnsel was. Augurkjes werden in groote steenen potten, met het adres van een handelaar in victualiën voorzien, opgezet—brandewijn in vierkante kelderflesschen zonder hals. Oude prenten van schepen, met alphabetische verklaringen van al hunne geheimen, hingen in lijsten aan de muren; het fregat de Tartaar, onder zeil, stond op de borden; buitenlandsche horens, schelpen en zeegewassen, versierden den schoorsteenmantel, en het met eikenhout beschoten achterkamertje kreeg licht door eene lantaarn, evenals eene kajuit.

Hier woonde hij ook met schipperachtige deftigheid, en geheel alleen met zijn neef Walter, een knaap van veertien jaren, die in zijn voorkomen genoeg van een adelborst had, om den algemeenen zweem van het geheel nog te versterken. Maar verder ging die zweem ook niet, want Samuel Gills zelf—doorgaans werd hij oude Sam genoemd—was ver van het voorkomen van een zeeman te hebben. Om niet te spreken van zijne gepoeierde pruik, zulk eene stijve pruik als iemand ooit droeg, en waarmede hij er nooit zeemanachtig uitzag, was hij een langzaam, zacht sprekend, nadenkend oud man, met oogen zoo rood, als waren het kleine zonnen, die u door een mist tegenblonken, en hij keek zoo nuchter, als had hij eenige dagen achtereen door al de optische instrumenten van zijn winkel getuurd, en als was hij zoo pas naar de wereld teruggekomen, om zich te verwonderen, dat ze groen was. De eenige verandering, die men ooit in zijn uitwendigen mensch had opgemerkt, was van een compleet koffiebruin pak met sterk glimmende knoopen, tot hetzelfde pak, met uitzondering van de broek, die toen bleek nankin was geworden. Hij droeg eene zeer net geplooide jabot, en een uitmuntenden bril op zijn voorhoofd. In zijn horlogezakje had hij een ontzaglijken chronometer, en liever dan aan dat kostbaar instrument te twijfelen, zou hij geloofd hebben, dat al de klokken en horloges in de stad, ja de zon zelve, er tegen hadden saamgezworen. Zooals hij nu was, had men hem jaren achtereen in den winkel en het achterkamertje achter den houten adelborst gezien; elken avond geregeld naar bed gaande op een tochtigen zolder, ver van al de andere bewoners van het huis, waar het, wanneer zij, die lager woonden, weinig of geheel niet dachten wat voor weder het buiten was, dikwijls waaide om er bang van te worden.

Het is half zes op een namiddag in den herfst, dat de lezer en Samuel Gills kennis maken. Hij ziet juist op zijn onfeilbaren chronometer hoe laat het is. Reeds voor een uur of langer is in de City de gewone verhuizing begonnen, en de menschenstroom golft nog steeds westwaarts heen. “De straten zijn al zeer gedund,” zooals Gills het uitdrukt. Het dreigt een regenachtige avond te worden. Al de weerglazen in den winkel zijn gezakt, en de regen blinkt reeds op het steekje van den houten adelborst.

“Het verwondert mij waar Walter blijft!” zeide Gills, nadat hij den chronometer zorgvuldig weder opgestoken had. “Het eten heeft al een half uur klaargestaan, en nog geen Walter.”

Zich omdraaiende op zijn stoeltje achter de toonbank, keek hij uit tusschen de instrumenten voor het venster, om te zien of zijn neef ook aankwam. Neen: hij was niet tusschen de wiegende parapluen te ontdekken, en zeker was hij ook de courantenjongen niet, die bezig was met op het koperen plaatje aan de deur zijn eigen naam met zijn voorvinger over dien van den heer Gills te schrijven.

“Als ik niet wist, dat hij te veel van mij houdt om weg te loopen, en tegen mijn zin aan boord van een schip te gaan, zou ik ongerust beginnen te worden,” zeide Gills, met zijne knokkels tegen een paar weerglazen tikkende. “Dat zou ik inderdaad. He, wat regent het! Nu, het is wel noodig.—Ik geloof,” vervolgde hij, terwijl hij het stof van een kompas afblies, “dat gij niet rechter en trouwer naar de achterkamer wijst, dan de lust van den jongen naar de zee. En de achterkamer kan ook niet vlakker liggen. Vlak noord, geen twintigste van een streek op zijde.”—“Holla, oom Sam!”—“Holla, mijn jongen!” riep de instrumentmaker, zich driftig omkeerende. “Zoo, zijt ge daar?”

Een vroolijke, gezonde knaap, met een blank gezicht, heldere oogen en krullende haren, opgefrischt van door den regen naar huis te loopen, stond voor hem.

“Wel oom, hoe hebt ge het den geheelen dag zonder mij gesteld? Is het eten klaar? Ik heb zoo’n honger!”—“Wat stellen betreft,” antwoordde Gills schertsend, “het zou vreemd wezen als ik het niet veel beter kon stellen zonder een jongen rekel zooals gij, dan ik het met hem kan. Wat het eten betreft, dat staat al een half uur naar u te wachten. Wat honger aangaat, ik heb ook honger.”—“Kom dan voort, oom!” riep de knaap. “Hoezee voor den admiraal!”—“Wat admiraal?” zeide Gills hierop. “Gij meent den Lord Mayor.”—“Neen, dien meen ik niet!” riep de knaap. “Hoezee voor den admiraal! Voorwaarts!”

Op dit commando werden pruik en pruikdrager, zonder tegenstand te bieden, naar het achterkamertje geduwd, als aan het hoofd van een entertroep van vijf honderd man, en oom Sam en zijn neef zaten spoedig aan gebakken tongen, met het vooruitzicht op beefsteak daarna.

“De Lord Mayor, Walter,” zeide Gills. “Geen admiralen meer. De Lord Mayor is uw admiraal. Maar, luister eens, Walter, kijk eens naar den schoorsteenmantel.”—“Heer, wie heeft mijn zilveren kroes daar aan een spijker opgehangen?” riep de knaap uit.—“Ik,” antwoordde zijn oom. “Geen kroezen nu meer. Vandaag moeten wij uit glazen beginnen te drinken, Walter. Wij zijn mannen van zaken. Wij behooren tot den koopmansstand. Van morgen hebben wij onze intrede gedaan.”—“Wel oom,” zeide de knaap. “Ik wil alles uitdrinken wat ge verkiest, zoolang ik u kan toedrinken. Dit is op uwe gezondheid, oom, en hoezee voor...”—“Den Lord Mayor!” viel de oude man er op in.—“Voor den Lord Mayor, de Sheriffs en al de anderen!” zeide de knaap. “Lang mogen zij leven!”

Oom knikte weltevreden en zeide: “Laat ons nu iets van het kantoor hooren.”—“O, van het kantoor is niet veel te vertellen,” antwoordde de knaap, druk bezig met mes en vork. “Het is eene rij donkere kamers, en in de kamer waar ik zit, is een hoog vuurscherm, en eene ijzeren kist, en eenige biljetten van schepen, die uitzeilen, en een almanak en eenige lessenaren en kantoorstoelen, en eene inktflesch, en eenige boeken en doozen, en een heele boel spinnewebben, en in een daarvan, vlak boven mijn hoofd, eene verschrompelde blauwe vlieg, die er uitziet, alsof zij daar wie weet hoelang gehangen had.”—“Anders niet?” vroeg de oom.—“Neen, anders niet, behalve een vogelkooitje,—het verwondert mij, hoe dat daar ooit gekomen is,—een kolenemmer.”—“Geen boeken, papieren, wissels, of andere teekenen van schatten, die dagelijks worden omgezet?” vroeg zijn oom met een vriendelijken nadruk op ieder woord.—“O ja, daarvan zal wel overvloed wezen, denk ik,” antwoordde de neef onverschillig, “maar al die soort van dingen zijn in mijnheer Carker’s kamer, of in mijnheer Morfin’s kamer, of in mijnheer Dombey’s kamer.”—“Is mijnheer Dombey er vandaag geweest?”—“O ja, hij loopt den geheelen dag in en uit.”—“Hij zal zich niet met u bemoeid hebben, denk ik?”—“Ja wel; hij kwam achter mijn stoel—ik wou wel dat hij niet zoo statig en stijf was, oom!—en zeide: “Zoo, zijt gij de zoon van Gills den instrumentmaker?”—“Neef, mijnheer!” zeide ik. “Ik heb ook neef gezegd, jongen!” zeide hij. Maar ik kan er op zweren, oom, dat hij zoon zeide.”—“Gij zult u vergist hebben, maar dat doet er niet toe.”—“Neen, het doet er niet toe; maar hij behoeft toch zoo scherp niet te wezen, dacht ik. Er stak geen kwaad in, al had hij zoon gezegd. Toen zeide hij mij, dat gij met hem over mij hadt gesproken, en hij mij daarom werk op zijn kantoor had gegeven, en dat ik zeer oplettend en stipt moest zijn, en toen ging hij heen. Ik dacht dat hij niet veel zin in mij had.”—“Gij meent, denk ik,” zeide de instrumentmaker, “dat gij niet veel zin in hem hadt?”—“Wel mogelijk oom!” antwoordde de knaap lachende; “maar daaraan heb ik niet gedacht.”

Gills’ gezicht stond wat ernstiger, terwijl hij een eind maakte aan zijn maaltijd, en van tijd tot tijd een blik wierp op het heldere gezicht van den knaap. Toen de tafel was afgenomen—het maal was van een naburigen gaarkok gehaald—stak hij eene kaars aan, en ging beneden in een keldertje, terwijl zijn neef, op de vochtig uitslaande trap staande, hem gedienstig lichtte. Na eene poos rondgetast te hebben, kwam hij terug met eene flesch, die er zeer goed uitzag en met eene laag van stof en vuil was bedekt.

“Wel, oom, wat gaat ge doen?” zeide de knaap. “Dat is die wonderbare Madera. Er is nog maar ééne flesch meer van.”

Oom knikte, ten teeken dat hij zeer wel wist wat hij deed; en nadat hij in plechtige stilte de kurk had afgetrokken, schonk hij twee glazen in, en zette de flesch en nog een schoon glas op de tafel.

“De andere flesch zult gij drinken, Walter,” zeide hij, “als gij tot fortuin zijt gekomen; als gij een geacht, welvarend en gelukkig man zijt; als de intrede, die gij vandaag hebt gedaan, u, zooals ik hoop en bid, zal gebracht hebben op een effen gedeelte van den weg, dien gij te bewandelen hebt. Op uw welzijn!” Zijne stem was eenigszins heesch, en zijne hand beefde, toen hij met zijn neef de glazen liet klinken. Maar toen hij eens den wijn had geproefd, dronk hij zijn glas ledig als een man, en smakte daarna smakelijk met zijne lippen.—“Beste oom,” zeide de knaap, zich houdende alsof hij er licht over dacht, hoewel de tranen hem in de oogen stonden, “voor de bewezene eer, en al wat er dan volgt! Nu verzoek ik u te mogen instellen, Mijnheer Samuel Gills! En gij zult bedanken, oom, als wij de laatste flesch te zamen drinken, niet waar?”

Zij klonken nog eens met hunne glazen, en Walter, die zuinig was op zijn wijn, nam er een teugje van, en hield toen zijn glas voor zijn oog, waarbij hij het gezicht van een kenner trachtte te zetten.

Zijn oom zat hem eene poos stilzwijgend aan te zien. Toen hunne oogen elkander eindelijk ontmoetten, vervolgde hij overluid zijne gedachten over het onderwerp, dat hem bezig hield, alsof hij er al dien tijd over had gesproken.

“Gij weet wel, Walter,” zeide hij, “dat deze winkel eigenlijk maar eene gewoonte van mij is. Ik ben er zoo aan gewend, dat ik niet zou kunnen leven, als ik er van afstapte; maar er is niets in te doen, niets in te doen. Toen die uniform gedragen werd,” naar den houten adelborst wijzende, “toen was er nog fortuin te maken, en werd er ook fortuin gemaakt. Maar concurrentie, nieuwe uitvindingen—de wereld is mij voorbijgeloopen. Ik weet nauwelijks waar ik zelf ben, veel minder waar mijne klanten zijn.”—“Laat hen maar loopen, oom!”—“Sedert gij van de school te Peckham thuis zijt gekomen, bij voorbeeld, en dat is tien dagen geleden, herinner ik mij niet dat er meer dan één mensch in den winkel is gekomen.”—“Twee, oom, weet ge niet meer? Die man, die een souverein wilde wisselen....”—“Dat is die eene.”—“Wel oom, en telt gij dan die vrouw niet, die den weg vroeg naar Mile-End Turnpike?”—“O, dat is waar, die had ik vergeten. Twee menschen.”—“Zij kochten wel niets,” zeide de knaap.—“Neen, zij kochten niets,” herhaalde Gills zonder ontevredenheid.—“En zij hadden ook niets noodig.”—“Neen, als zij iets noodig gehad hadden, zouden zij naar een anderen winkel zijn gegaan,” zeide Gills, even bedaard.—“Maar er waren er toch twee, oom,” riep de knaap, als ware dit eene groote reden tot blijdschap; “en gij hebt er maar één gezegd.”—“Nu, Walter,” hervatte Gills na eene korte poos van stilte, “daar wij niet gelijken naar de wilden, die op Robinson’s eiland kwamen, kunnen wij niet leven van een man, die een souverein wil wisselen, en eene vrouw, die naar den weg vraagt. Gelijk ik zoo even zeide, de wereld is mij voorbijgeloopen. Ik ben er niet ontevreden op, maar ik begrijp haar niet meer. Werkbazen zijn dezelfde niet meer als voorheen, leerjongens ook niet, zeelieden ook niet, en wat zij noodig hebben ook niet. Zeven achtste van mijn voorraad is ouderwetsch; ik ben een ouderwetsch man, in een ouderwetschen winkel; in eene straat, die niet meer zoo is als ik haar mij herinner. Ik ben ten achter geraakt bij mijn tijd, en ben te oud om hem in te halen. Zelfs het gerucht dat hij maakt, ver vooruit, verbijstert mij.”

Walter wilde spreken, maar zijn oom hief zijne hand op.

“Daarom, Walter,” vervolgde hij, “daarom ben ik zoo verlangend, dat gij vroeg de wereld intreedt en de wereld op het spoor komt. Ik ben nog maar eene schim van mijn beroep—de zelfstandigheid is lang verdwenen, en als ik sterf, verdwijnt de schim ook. Daar mijn winkel dus eigenlijk geene erfenis voor u is, heb ik het best geacht tot uw voordeel gebruik te maken van het bijna eenige overschot van mijne oude klanten, dat uit lange gewoonte nog bij mij blijft. Sommige menschen denken, dat ik rijk ben. Ik wenschte om uwentwil, dat zij gelijk hadden. Maar wat ik ook na te laten heb, of wat ik u geven kan, in zulk een huis als bij Dombey zijt gij op weg om het goed te leeren gebruiken. Wees vlijtig, doe uw best om er lust in te krijgen, goede jongen, werk om een onafhankelijk bestaan te bekomen, en wees gelukkig.”—“Ik wil alles doen, wat ik kan, om uwe genegenheid te verdienen, oom! Dat wil ik waarlijk,” zeide de knaap met ernst.—“Dat weet ik,” hervatte Gills. “Daarvan ben ik zeker.” En nu dronk hij met smaak een tweede glas oude madera. “Wat de zee betreft,” vervolgde hij, “dat is mooi genoeg in verbeelding, Walter, maar in de werkelijkheid gaat het niet aan. Het is natuurlijk, dat gij er om denkt, uit gewoonte aan de dingen die gij hier ziet; maar het gaat niet aan, het gaat niet aan.”

De oude man wreef echter met heimelijk genoegen in zijne handen, terwijl hij van de zee sprak, en overzag met genot de voorwerpen om hem heen, die met de zeevaart in betrekking stonden.

“Denk eens aan dezen wijn, bij voorbeeld,” hervatte hij, “die naar de Oost-Indiën en terug is geweest, ik weet niet hoe dikwijls, en eens om de wereld. Denk aan de pikdonkere nachten, de bulderende winden en rollende golven.”—“De donder, de bliksem, de hagel, de regen, en allerlei stormen,” zeide de knaap.—“Juist,” hervatte Gills, “al wat deze wijn heeft doorgestaan. Denk eens hoe de masten en rondhouten buigen en kraken, hoe de wind door het want en de touwen huilt.”—“En hoe het volk omhoog klautert, wedijverend wie het eerst op de ra’s zal liggen om de natte zeilen te reven, terwijl het schip slingert en stampt, alsof het dol was,” riep de neef uit.—“Juist,” zeide Gills, “zoo is het gegaan met het oude vat, waar deze wijn in was. Wel, toen de Bekoorlijke Sally zonk in de....”—“In de Oostzee, in het holle van den nacht, op den veertienden Februari, zeventienhonderd negen en veertig,” riep Walter met groote beweging.—“Juist, juist,” zeide Gills. “Toen waren er vijfhonderd vaten zulken wijn aan boord, en het volk (behalve de bootsman, de eerste luitenant, twee matrozen en eene dame, in eene lekke boot) sloeg de bodems in, dronk zich dronken, en zong “Rule Britannia” met een ontzaglijken schreeuw aan het slot, toen het schip zonk.”—“Maar, oom! toen de George de Tweede strandde op de kust van Cornwall, twee uren voor den dageraad, den zevenden Maart van het jaar een en zeventig, had men bijna tweehonderd paarden aan boord, en in het begin van den storm braken de paarden beneden los, renden op en neer, trapten elkander dood, en maakten zulk een geweld en schreeuwden zoo vreeselijk, dat het volk geloofde, dat het schip vol duivels was, en sommige van de beste matrozen, geheel verbijsterd en wanhopig, over boord sprongen, en maar twee bleven eindelijk in leven, die het geval konden vertellen.”—“En toen de Polyphemus in brand raakte,” zeide Gills, “vier dagen na zijn vertrek van Jamaica, midden in den nacht...”—“Toen waren er twee broeders aan boord,” viel zijn neef er op in, snel en hard sprekende, “en omdat er geen plaats voor beiden was in de eenige boot, die nog niet overladen en gezonken was, wilden geen van beiden er in gaan, tot de oudste den jongste om het lijf pakte en hem er in smeet. En toen riep de jongste, in de boot opstaande: “Edward! denk aan uwe verloofde thuis. Ik ben maar een jongen. Niemand wacht thuis op mij. Spring in mijne plaats.” En toen wierp hij zich in zee.”

De fonkelende oogen en gloeiende kleur van den knaap, die in het vuur van zijn spreken en zijn gevoel was opgestaan, schenen den ouden man aan iets te herinneren, dat hij vergeten had. In plaats van nog meer anekdoten op te halen, gelijk hij een oogenblik vroeger blijkbaar voornemens was geweest, knikte hij droogjes, en zeide: “Als wij nu eens over wat anders gingen spreken!”

De waarheid was, dat de eenvoudige oom, in zijne geheime neiging voor het wonderbare en avontuurlijke, waarmede hij door zijn beroep, als het ware, in de verte verwant was, dezelfde neiging bij zijn neef had aangemoedigd, en dat alles, wat den knaap werd voorgehouden om hem van een avontuurlijk leven af te schrikken, de gewone onverklaarbare uitwerking had van hem er meer smaak in te doen krijgen. Dat is altijd zoo. Het zou schijnen, dat er nooit een boek geschreven of eene geschiedenis verteld wordt met het opzettelijke oogmerk om de jongens aan land te houden, of het spreekt van zelf, dat zij er door naar de zee gelokt worden.

Het gezelschap kreeg thans echter eene vermeerdering door de komst van een man in eene wijde blauwe jas, met een haak, in plaats van eene hand, aan zijn rechterarm, zeer donkere zwarte wenkbrauwen, en een dikken stok, die (evenals zijn neus) met knobbels bedekt was, in zijne linkerhand. Hij droeg een zwarten zijden doek los om zijn hals, en zulk een breed grof hemdsboord, dat het wel een klein zeil geleek. Hij was blijkbaar de persoon, voor wien het derde glas bestemd was, en scheen dit ook te weten; want nadat hij zijne ruige jas had uitgetrokken, en zijn blinkenden hoed—zoo hard dat iemand van fijne zenuwen door het gezicht alleen hoofdpijn kon krijgen, en die ook eene roode streep over zijn voorhoofd naliet alsof hij een klemmenden ijzeren pot had gedragen—aan eene bijzondere pen achter de deur had opgehangen, zette hij een stoel voor het schoone glas neder, en ging er zelf bij zitten. De bezoeker werd doorgaans met den naam “kapitein” aangesproken, en was stuurman, koopvaardij- of kaperkapitein, of misschien alle drie geweest; hij zag er inderdaad zeer zoutwaterachtig uit.

Zijn stroef bruin gezicht helderde op, toen hij oom en neef de hand gaf, maar hij scheen laconisch van aard te wezen, en zeide niets anders dan: “Hoe gaat het?”—“Alles wel,” antwoordde Gills, hem de flesch toeschuivende. Hij nam ze op, bekeek ze, rook er aan, en zeide met buitengewonen nadruk: “De?”—“De!” was het antwoord van den instrumentmaker.

De kapitein floot, terwijl hij zijn glas inschonk, en scheen te denken dat het een bijzondere feestdag moest wezen.

“Walter,” zeide hij, terwijl hij zijn haar, dat dun was, met zijn haak gladstreek, en toen naar den instrumentmaker wees. “Zie hem aan. Liefhebben, eeren en gehoorzamen. Lees uw catechismus na, tot gij dat vindt, en leg er dan een vouwtje bij. Geluk mijn jongen!”

Hij was zoo in zijn schik met zijne aanhaling en toepassing, dat hij niet kon nalaten de woorden nog eens zacht te herhalen, zeggende dat hij er in geen veertig jaren om had gedacht.

“Maar nooit in mijn leven heb ik een woord of drie noodig, Gills!” merkte hij aan, “of ik weet waar ik ze vinden kan. Dat komt er van, dat ik geene woorden verspil, zooals sommige menschen doen.”

Misschien bedacht hij nu, dat hij er ook verder zuinig op moest zijn; ten minste hij zweeg en bleef zwijgen, totdat Gills naar den winkel ging, om licht aan te steken; toen keerde hij zich tot Walter, en zeide zonder eenige inleiding:

“Ik denk, dat hij wel eene klok zou kunnen maken, als hij het beproefde.”—“Het zou mij niet verwonderen, kapitein Cuttle!” antwoordde de knaap.—“En wat zou die loopen!” zeide de kapitein, met zijn haak een zwier door de lucht makende. “Wat zou die klok loopen!”

Een oogenblik scheen hij verzonken in de beschouwing van zijn denkbeeldig uurwerk, en keek Walter aan, alsof diens gezicht de wijzerplaat was.

“Hij is propvol geleerdheid,” merkte hij eindelijk aan, zijn haak naar de instrumenten zwaaiende. “Zie maar eens! Daar is eene verzameling. Aarde, lucht of water, alles eveneens. Zeg maar wat gij gedaan wilt hebben. Omhoog met een luchtbol? Daar! Naar beneden met eene duikerklok? Daar! Wilt gij de noordstar in eene schaal gelegd en gewogen hebben? Hij zal het voor u doen.”

Men kan hieruit opmaken, dat de kapitein een diepen eerbied voor de instrumenten koesterde, en dat hij weinig of geen onderscheid maakte tusschen het verkoopen en het uitvinden daarvan.

“Ja!” zeide hij, met een zucht: “Het is iets moois, dat alles te verstaan. Maar het is ook iets moois, het niet te verstaan. Ik weet haast niet wat het beste is. Het is zoo genoeglijk, hier te zitten, en te gevoelen, dat men u zou kunnen wegen, meten, magnetiseeren, electriseeren, polariseeren, den drommel met u spelen, zonder dat ge ooit zoudt weten hoe.”

Er was niets minder noodig geweest dan de wonderbare madera, vereenigd met de gelegenheid (die het wenschelijk maakte om Walter een lesje te geven) om zijne tong zoo los te maken, dat hij zulk eene verbazend lange redevoering uitsprak. Hij scheen zelf verwonderd dat hij de bron had ontdekt van het stille genot, waarmede hij tien jaren lang alle zondagen in dat achterkamertje was komen eten, en zweeg peinzend stil.

“Kom!” zeide Gills, uit den winkel terugkomende, “eer gij uw glas grog neemt, Edward, moeten wij de flesch leegmaken.”—“Sta bij,” zeide Edward, inschenkende. “Schenk den jongen ook nog eens in.”—“Niet meer, oom! dankje.”—“Ja, ja,” zeide Gills, “nog een beetje. Wij zullen de flesch uitdrinken op het kantoor. Walter’s kantoor! Het kan toch wel eens gedeeltelijk zijn kantoor worden; wie weet het! Richard Whittington trouwde zijn meesters dochter, hoewel mijnheer Dombey geene dochter heeft...”—“Ja, ja, hij heeft er eene, oom!” zeide de knaap blozende en lachende.—“Heeft hij?” riep de oude man uit. “Ja, nu geloof ik het ook.”—“Ik weet het zeker,” zeide Walter. “Eenigen van hen spraken er vandaag over in het kantoor. En zij zeggen, oom en kapitein Cuttle!” hier liet hij zijne stem dalen, “dat hij een hekel aan haar heeft, en dat zij onder de boden blijft, zonder dat hij acht op haar geeft, en dat zijn geest er zoo vol van is, dat zijn zoon in het kantoor zal komen, hoewel die zoon nog een bakerkindje is, dat hij meermalen dan te voren eene balans laat opmaken, en de boeken stipter naziet, en dat men zelfs gezien heeft, toen hij dacht dat men het niet zag, dat hij naar de dokken ging en zijne schepen en goederen bezichtigde, alsof hij zich er mede streelde, dat hij en zijn zoon die nu te zamen zullen bezitten. Zoo zeggen zij. Ik weet het natuurlijk niet.”—“Gij ziet, dat hij reeds alles van haar weet,” zeide de instrumentmaker.—“Gekheid, oom!” zeide de knaap, nog jongensachtig blozende en lachende. “Hoe kan ik helpen, dat ik hoor wat zij mij vertellen.”—“De zoon is ons nu een beetje in den weg, naar ik vrees, Edward!” zeide de oude man schertsende.—“Erg,” antwoordde de kapitein.—“Evenwel, wij zullen zijne gezondheid drinken,” hervatte Gills. “Dat is op Dombey en Zoon!”—“Goed, oom!” riep de knaap vroolijk. “Maar nu gij van haar gesproken hebt, en er bijgevoegd, dat ik alles van haar wist, zal ik zoo vrij zijn om den toast te verbeteren. Daarom op Dombey—en zoon—en dochter!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

V. PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT

Kleine Paul, die uit het bloed der Toodle’s geene smetstof opnam, werd van dag tot dag grooter en sterker. Van dag tot dag werd hij ook vuriger door jufvrouw Tox geliefkoosd, wier hartelijkheid in zooverre door Dombey werd gewaardeerd, dat hij haar voor eene zeer verstandige vrouw begon te houden, wier gevoel haar tot eer strekte en aanmoediging verdiende. Hij was zoo mild met zijne nederbuigende goedheid, dat hij niet alleen bij verschillende gelegenheden in het bijzonder voor haar boog, maar ook zijne zuster nu en dan een statig compliment voor haar opdroeg, zooals: “Zeg uwe vriendin, Louise, dat zij zeer goed is,” of “zeg jufvrouw Tox, Louise, dat ik haar verplicht ben;” onderscheidingen, welke op de aldus vereerde dame een diepen indruk maakten.

Jufvrouw Tox was gewoon mevrouw Chick dikwijls te verzekeren, dat niets hare belangstelling kon te boven gaan in alles wat maar met de ontwikkeling van dat lieve kind in betrekking stond; en iemand die haar gedrag waarnam had dit ook zonder zulk eene verklaring wel kunnen begrijpen. Zij woonde de onschuldige maaltijden van den jeugdigen erfgenaam met onuitsprekelijk genoegen bij, bijna met een gezicht alsof zij evenveel deel had aan het onthaal als Richards. Bij de kleine ceremoniën van het bad en toilet was zij met geestdrift behulpzaam. Het toedienen van kinderlijke medicijnen deed al de levendige sympathie van haar gemoed ontwaken; en toen zij bij zekere gelegenheid in eene kast was verscholen (waarin zij uit zedigheid de vlucht had genomen) toen Dombey door zijne zuster in de kinderkamer werd gebracht, om zijn zoon, die naar bed geholpen werd, in een kort en luchtig linnen japonnetje, eene kleine wandeling, tegen den heuvel van Richard’s japon op, te zien doen, was jufvrouw Tox zoo verrukt dat zij niet nalaten kon uit te roepen: “Is hij niet lekker, mijnheer Dombey! Is hij geen Cupidootje, mijnheer!” en toen bijna achter de kastdeur neerzonk van verlegenheid en schaamte.

“Louise,” zeide Dombey eens tot zijne zuster, “ik denk waarlijk, dat ik uwe vriendin eene kleine gedachtenis moet vereeren bij gelegenheid als Paul gedoopt wordt. Zij heeft van den eersten af zooveel hartelijkheid voor het kind getoond, en schijnt hare positie zoo wel te begrijpen (eene zeer zeldzame verdienste in deze wereld, moet ik met leedwezen zeggen) dat het mij waarlijk aangenaam zou zijn haar een blijk van onderscheiding te geven.”

Laat het de verdiensten van jufvrouw Tox niet verkleinen, als hier wordt aangestipt, dat in de oogen van Dombey, gelijk in sommige anderen die wel eens het licht zien, diegenen alleen zulk een toppunt van kennis bereikt hadden, dat zij hunne eigene positie begrepen, die een gepasten eerbied voor de zijne toonden. Hunne verdienste was niet zoozeer daarin gelegen, dat zij zich zelven kenden, als dat zij hem kenden en laag voor hem bogen.

“Mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “gij laat jufvrouw Tox niet meer dan recht wedervaren, gelijk ik wel wist dat een man van uw doorzicht doen zou. Ik geloof, als er drie woorden in de taal zijn, waarvoor zij eene achting heeft, die bijna tot eerbied gaat, het de woorden zijn: Dombey en Zoon.”—“Wel,” zeide Dombey, “ik wil het gelooven. Het strekt jufvrouw Tox tot eer.”—“En wat een gedachtenisje betreft, beste Paul,” vervolgde zijne zuster, “kan ik niets anders zeggen, dan dat alles wat ge jufvrouw Tox maar geven kunt, als eene reliquie bewaard en vereerd zal worden. Maar er is een middel, mijn beste Paul, om uw gevoel voor de vriendelijkheid van jufvrouw Tox op eene nog vleiender manier te toonen, als ge daartoe genegen mocht zijn.”—“Hoe zoo?” vroeg Dombey.—“Het is natuurlijk een punt van belang, wat connectie en invloed betreft, welke peten een kind krijgt,” hervatte mevrouw Chick.—“Ik weet niet waarom zij dat voor mijn zoon zouden wezen,” zeide Dombey koel.—“Heel waar, beste Paul,” hervatte mevrouw Chick, met eene buitengewone vertooning van levendigheid, “en heel juist uitgedrukt. Ik had niet anders van u kunnen verwachten. Ik had wel kunnen weten dat dit uw gevoelen zou zijn. Misschien,” hier haperde mevrouw Chick weder, als niet gerust of zij wel op den rechten weg was, “misschien is dat wel eene reden waarom gij er minder bezwaar in zoudt hebben om jufvrouw Tox tot meter van den lieven kleine te nemen, al was het maar als plaatsvervangster van iemand anders. Dat dit als eene groote eer en onderscheiding zou worden opgenomen, Paul, behoef ik niet te zeggen.”—“Louise,” zeide Dombey na eene korte poos van stilte, “het is niet te vooronderstellen...”—“Zeker niet,” riep mevrouw Chick, zich haastende om eene weigering vooruit te loopen; “ik heb het ook nooit gedacht.”

Dombey zag haar ongeduldig aan.

“Laat mij niet schrikken, lieve Paul,” zeide zijne zuster, “want daar kan ik niet tegen. Ik ben lang niet sterk. Ik ben, sedert die arme lieve Fanny stierf, nog niet recht op mijn verhaal gekomen.”

Dombey keek eens naar den zakdoek, dien zijne zuster voor hare oogen hield, en hervatte:

“Het is niet te vooronderstellen, zeg ik...”—“En ik zeg,” prevelde mevrouw Chick, “dat ik het ook nooit gedacht heb.”—“Goede hemel, Louise!” zeide Dombey.—“Neen; mijn lieve Paul,” bracht zij met tranen en deftigheid hiertegen in, “ik moet waarlijk mogen spreken. Ik ben niet zoo knap, of zoo beredeneerd, of zoo welsprekend, of zoo iets anders als gij zijt. Dat weet ik heel wel. Zooveel te erger voor mij. Maar al waren het de laatste woorden die ik spreken moest—en laatste woorden moeten voor u en mij iets heel ernstigs wezen, Paul, na die arme lieve Fanny—dan zou ik nog zeggen, dat ik het nooit gedacht had. En wat meer is,” voegde mevrouw Chick er met nog grootere deftigheid bij, alsof zij haar verpletterend argument tot nog toe had teruggehouden, “ik heb het ook nooit gedacht.”

Dombey ging eens naar het venster en kwam weder terug.

“Het is niet te vooronderstellen, Louise,” zeide hij (mevrouw Chick had hare vlag aan den mast gespijkerd, en herhaalde “dat weet ik wel,” maar hij lette er niet op) “of er zijn velen die, vooronderstellende dat ik in zulk een geval eenige aanspraken erkende, hoogere aanspraken op mij zouden hebben dan jufvrouw Tox. Maar dat doe ik niet. Ik erken zoo iets niet. Paul en ik zullen in staat zijn, als die tijd komt, om pal te staan—het kantoor, met andere woorden, zal in staat wezen om pal te staan, en zich te handhaven, en zich voort te planten, alleen en van zelf, zonder zulke alledaagsche hulpmiddelen. De soort van vreemde hulp welke de menschen gewoonlijk voor hunne kinderen zoeken, ben ik in staat te verachten, ben ik boven verheven, hoop ik. Als Paul’s kindsheid maar gelukkig verloopt, en ik hem zonder tijdverzuim geschikt zie worden voor de loopbaan, waarvoor hij bestemd is, ben ik tevreden. Hij zal zich vermogende vrienden maken zooveel hij wil, in later tijd, als hij werkzaam is om het aanzien en crediet der firma te handhaven,—en uit te breiden, als dat mogelijk is—tot zoolang ben ik genoeg voor hem, misschien, en alles in alles. Ik wil veel liever mijne gevoeligheid toonen voor de verplichtende handelwijs van een verdienstelijk persoon gelijk uwe vriendin. Laat het dus zoo zijn; en uw man en ik zullen kunnen volstaan voor de andere getuigen, durf ik zeggen.”

Door deze gezegden, met groote statigheid uitgesproken, had Dombey waarlijk de geheime gewaarwordingen van zijn hart geopenbaard. Een onbeschrijfelijk wantrouwen dat zich iemand tusschen hem en zijn zoon zou plaatsen; eene trotsche vrees dat hij in den eerbied en de onderdanigheid van den knaap een mededinger of deelgenoot zou krijgen; een pijnlijke twijfel, pas bij hem opgekomen, dat hij niet onfeilbaar was in zijne macht om den wil van andere menschen te buigen en te dwingen; eene even pijnlijke benauwdheid voor eene tweede teleurstelling of belemmering; dit waren toen de heerschende aandoeningen zijner ziel. In al zijn leven had hij nooit een vriend gehad. Zijn koud en stug gemoed had er evenmin een gezocht als gevonden. En thans, nu dat gemoed zijne geheele kracht verzamelde om ze op een partijdig plan van vaderlijke baatzucht en eerzucht te richten, was het alsof de bevrozen stroom, in plaats van door dien invloed vrij te worden en helder voort te vloeien, slechts voor een oogenblik was ontdooid om zijn last op te nemen, en toen daarmede tot een enkel onbewegelijk blok was bevrozen.

Aldus om hare onbeduidendheid tot het meterschap van den kleinen Paul verheven, was jufvrouw Tox van dat uur af tot dien post gekozen en benoemd; en Dombey gaf verder zijn welbehagen te kennen dat de plechtigheid, reeds lang vertraagd, zonder verder uitstel zou plaats hebben. Zijne zuster, die zulk een uitstekend gelukkigen afloop niet had durven verwachten, verwijderde zich zoodra zij maar kon, om dien aan hare beste vriendin mede te deelen, en Dombey bleef alleen in zijne bibliotheek.

In de kinderkamer heerschte alles behalve eenzaamheid; want daar genoten mevrouw Chick en jufvrouw Tox een gezelligen avond, tot zoo groot misnoegen van Susanna Nipper, dat die jonge jufvrouw elke gelegenheid waarnam om achter de deur leelijke gezichten te trekken. Haar gevoel was bij deze gelegenheid zoodanig opgewonden, dat zij het onmisbaar vond zich deze verlichting te geven, zonder zelfs het genoegen van toeschouwers of deelneming te hebben. Gelijk de dolende ridders van den ouden tijd hun gemoed verlichtten door de namen hunner meesteressen in woestijnen en andere eenzame plaatsen te snijden of te graveeren, waar geene waarschijnlijkheid was dat ooit iemand zou komen om ze te lezen, zoo trok Susanna Nipper haar mopneusje schimpend in latafels en kleerkassen op, zoo schoot zij blikken van minachting in een buffet, en spottend schele lonken in eene steenen kan: zoo zond zij tegenspraak en scheldwoorden buiten de deur den gang in.

De twee indringsters, die in eene zalige onbewustheid van de gevoelens der jonge juffer verkeerden, bleven echter gerust zitten terwijl kleine Paul werd uitgekleed, zijne luchtige wandeling deed, nog eens de borst nam en naar bed werd geholpen, en zetten zich toen bij het vuur om thee te drinken. De twee kinderen sliepen nu, door de goede diensten van Polly, in deze kamer; en het was niet voordat de dames aan hare theetafel waren gevestigd, dat zij toevallig naar de bedjes ziende, om Florence dachten.

“Wat slaapt zij gerust,” zeide jufvrouw Tox. “Wel, ge weet, melieve, zij heeft tegenwoordig veel beweging over dag,” antwoordde mevrouw Chick, “nu zij zoo druk met kleinen Paul speelt.”—“Zij is een wonderlijk kind,” zeide jufvrouw Tox.—“Melieve,” antwoordde mevrouw Chick zeer zacht. “Hare mama, heel en al.”—“Waarlijk!” zeide jufvrouw Tox. “Och Heere!”

Jufvrouw Tox zeide dit op een toon van het diepste medelijden, schoon zij niet wist waarom, behalve dat dit van haar verwacht werd.

“Florence zal nooit, nooit, nooit een Dombey worden,” zeide mevrouw Chick, “niet al wordt zij duizend jaar oud.”

Jufvrouw Tox trok hare wenkbrauwen op en was wederom vol medelijden.

“Ik kwel en pijnig mij zelve over haar,” zeide mevrouw Chick, met een zuchtje van bescheidene verdienste. “Ik weet waarlijk niet wat er van haar worden moet als zij ouder wordt, of wat hare positie zal moeten zijn. Zij neemt haar papa in het minste niet voor zich in. Hoe kan men ook denken dat zij dat zou doen, daar zij zoo weinig naar een Dombey gelijkt?”

Mevrouw Tox keek alsof zij tegen zulk eene bondige redeneering niets zag in te brengen.

“En het kind, ziet ge,” zeide mevrouw Chick in diep vertrouwen, “heeft heel en al het karakter van die arme lieve Fanny. Zij zal zich in later tijd nooit eene inspanning vergen, durf ik wel zeggen. Nooit! Zij zal zich nooit om haar vaders hart slingeren en winden gelijk...”—“Gelijk het klimop?” gaf jufvrouw Tox in bedenking.—“Gelijk het klimop,” stemde mevrouw Chick toe... “Nooit! Nooit zal zij zich in haar papa’s boezem verschuilen, en in zijne genegenheid sluipen gelijk—de...”—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Tox.—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Chick. “Nooit! Arme Fanny! En hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”—“Gij moet u maar niet bedroeven, lieve vriendin,” zeide jufvrouw Tox met eene troostende stem. “Kom, kom, waarlijk niet! Gij hebt al te veel gevoel.”—“Wij hebben allen onze gebreken,” zeide mevrouw Chick schreiende en haar hoofd schuddende. “Dat durf ik wel zeggen. Ik ben nooit blind voor de hare geweest. Dat heb ik nooit gezegd. Verre van daar. Maar hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”

Welk eene voldoening was het voor mevrouw Chick—eene tamelijk alledaagsche zottin, bij welke vergeleken, hare schoonzuster een engel van vrouwelijk verstand en zachtaardigheid was geweest—de nagedachtenis dier dame met zulke verschoonende zachtheid te behandelen—evenals zij haar zelve in haar leven had gedaan—en zoo geheel in zich zelve te gelooven, zich zelve te foppen, en zich zoo ongemeen te streelen met de kracht harer verdraagzaamheid! Welk eene aangename deugd moet de verdraagzaamheid wezen als wij gelijk hebben, wanneer zij reeds zoo aangenaam is als wij ongelijk hebben en geheel buiten staat zijn om aan te toonen hoe wij met het voorrecht bekleed komen om haar te mogen uitoefenen!

Mevrouw Chick zat nog hare oogen af te drogen en haar hoofd te schudden, toen Richards de vrijheid nam om haar te waarschuwen dat jonge jufvrouw Florence wakker was en overeind zat. Zij was overeind gekomen, gelijk de min zeide, en hare oogleden waren nat van tranen. Maar niemand zag ze glinsteren behalve Polly. Niemand anders boog zich over haar heen en fluisterde haar troostende woorden toe, of was dichtbij genoeg om het onstuimig kloppen van haar hartje te hooren.

“O lieve min,” zeide het kind, haar ernstig aanziende. “Laat ik bij mijn broertje liggen.”—“Waarom, liefje?” zeide Richards.—“Och, ik denk dat hij mij wel liefheeft,” riep het kind verwilderd uit. “Laat ik bij hem liggen. Och toe!”

Mevrouw Chick kwam nu met eenige moederlijke woorden tusschen beiden om haar te beduiden dat zij als een zoet kind moest gaan slapen, maar Florence herhaalde haar smeekend verzoek met een angstig gezichtje en eene door snikken afgebroken stem.

“Ik zal hem niet wakker maken,” zeide zij, met een hangend hoofd de handjes voor de oogen houdende. “Ik zal hem maar even met mijne hand aanraken en dan gaan slapen. Och, laat ik van nacht maar bij mijn broertje liggen, want ik geloof dat hij veel van mij houdt.”

Richards nam haar zonder een woord te spreken op, droeg haar naar het bedje waarin het kind sliep en legde haar naast het wichtje neer. Florence kroop zoo dicht bij hem als zij kon doen zonder zijne rust te storen; strekte schroomvallig een arm uit, zoodat hij om den hals van haar broertje kwam, verborg haar gezichtje op den anderen arm, waarover hare vochtige losgeraakte haren heenvielen, en bleef toen roerloos liggen.

“Arme kleine,” zeide jufvrouw Tox. “Zij heeft gedroomd, denk ik zeker.”

Dit geringe voorval had den loop van het gesprek zoodanig gestoord, dat het moeielijk weder op te vatten was; en bovendien was mevrouw Chick zoodanig ontroerd door de beschouwing van haar eigen verdraagzaam karakter, dat zij geen lust meer had om te praten. De twee vriendinnen maakten dus spoedig een eind aan haar theedrinken, en er werd een knecht gezonden, om voor jufvrouw Tox eene vigilante te halen. Jufvrouw Tox had groote ondervinding van vigilantes, en als zij met eene zou wegrijden, was dit doorgaans een werk dat tijd kostte, daar zij zeer stelselmatig in de toebereidselen daartoe was.

“Wees zoo goed, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “om eerst met pen en inkt naar buiten te gaan en zijn nommer duidelijk op te schrijven.”—“Ja, jufvrouw!” zeide Towlinson.—“En dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “wees zoo goed om het kussen om te keeren.—Dat is doorgaans vochtig, melieve,” voegde zij er ter zijde tot mevrouw Chick bij.—“Ja, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En dan moet ik u, als het u belieft, Towlinson,” hervatte jufvrouw Tox, “nog met dit kaartje en dezen schelling lastig vallen. Hij moet mij op dit kaartje brengen, en wel verstaan dat hij om geene reden meer dan dien schelling zal krijgen.”—“Neen, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En—het spijt me dat ik u zooveel moeite geef, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox peinzend.—“Geheel niet, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“Zeg den man dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “dat een oom van de dame een rechter is, en dat hij, als hij haar eenige impertinentie toont, schrikkelijk gestraft zal worden. Gij kunt u wel houden, als het u belieft, Towlinson, alsof ge hem dat maar vriendschappelijk zegt, en omdat gij weet dat dit met een ander man gebeurde, die nu al dood is.”—“Zekerlijk, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En nu goeden nacht, mijn lief, lief petekindje,” zeide jufvrouw Tox, met een zacht regentje van kussen bij elke herhaling van het woord “lief.” “En Louise, beste vriendin, beloof me dat ge wat warms zult gebruiken eer ge naar bed gaat, en dat gij u niet bedroefd zult maken.”

Het was met groote moeite dat Susanna Nipper, met de zwarte oogen, die strak stond te kijken, zich bij deze crisis en tot aan het kort daarop volgend vertrek van mevrouw Chick in bedwang hield. Maar toen de kinderkamer eindelijk van de dames was bevrijd, verschafte zij zich eenige vergoeding voor het geweld dat zij zich had aangedaan.

“Ge zoudt me zes weken lang in een dwangjak kunnen zetten,” zeide zij, “en als het uitging zou ik nog maar nijdiger wezen. Wie heeft ooit van twee zulke draken gehoord, Richards?”—“En dan te zeggen dat zij gedroomd had, arm kind!” zeide Polly.—“O, gij lievertjes!” riep Susanna, en neeg voor de deur waardoor de dames waren heengegaan. “Nooit eene Dombey worden zal ze; het is wel te hopen dat ze niet zal; wij hebben er niet meer zoo noodig; een is al genoeg.”—“Maak de kinderen niet wakker, lieve Suze,” zeide Polly.—“Ik ben u wel zeer verplicht, jufvrouw Richards,” zeide Susanna, die in hare gramschap weinig onderscheid tusschen vriend en vijand kende; “ik gevoel mij waarlijk vereerd dat ik bevelen van u ontvang, want ik ben toch maar eene zwarte slavin en mesties. Jufvrouw Richards, als gij mij nog meer orders geven kunt, zeg ze dan maar.”—“Gekheid! Orders!” zeide Polly.—“O lieve deugd, jufvrouw Richards,” riep Susanna, “die maar kort blijft mag de anderen, die voor vast geplaatst zijn, altijd orders geven. Wist ge dat niet? Wel, waar zijt ge dan geboren, jufvrouw Richards? Maar waar gij ook geboren moogt wezen, jufvrouw Richards,” hierbij schudde zij geweldig haar hoofd, “en wanneer en hoe (dat ge zelve best weten zult), gij moogt toch wel onthouden, als het u belieft, dat het één ding is orders te geven, en geheel iets anders ze aan te nemen. Iemand mag een ander zeggen om hals over kop van eene brug te springen in vijf en veertig voet water, jufvrouw Richards, maar de ander kan wel geen lust hebben om te duiken.”—“Zie daar nu,” zeide Polly, “ge zijt boos omdat gij een goedhartig schepsel zijt en veel van jonge jufvrouw Florence houdt; en toch valt ge mij op het lijf, omdat er niemand anders is.”—“Het is heel gemakkelijk voor sommige menschen om in een goed humeur te blijven, jufvrouw Richards,” antwoordde Suze, eenigszins verzacht, “als van hun kind zooveel werk wordt gemaakt als een prins, en het gestreeld wordt tot het zijne vrienden ik weet niet waar zou wenschen; maar als een lief, mooi, onschuldig dingetje, dat nooit een kwaad woord hooren moest, achteraf wordt gezet, dan is het een heel ander geval. Wel heere mijn tijd, jonge jufvrouw Flore, gij goddeloos ondeugend kind, als gij uwe oogen niet dadelijk toedoet, zal ik de bietebauwen roepen die op de vliering wonen om u levend te komen opeten.”

Daarop maakte zij een gruwelijk gebulk, dat van een bietebauw uit het rundergeslacht moest komen, ongeduldig om zijn strengen plicht te vervullen. Nadat zij het meisje verder had gerustgesteld door haar het dek over het hoofd te slaan en het kussen drie of vier nijdige stompen te geven, sloeg zij hare armen over elkander, kneep zij haar mond dicht en bleef zij het overige van den avond naar het vuur zitten kijken.

Schoon men in kinderkamertaal van kleinen Paul zeide, dat hij voor zijn ouderdom heel kennelijk was, lette hij toch op dat alles even weinig als op de toebereidselen tot zijn doopen op den tweeden dag daaraanvolgende, die evenwel—zoover de zorg voor zijn opschik, en die van zijn zusje, de min en de kindermeid betrof—met veel drukte in zijne tegenwoordigheid plaats hadden. Even weinig toonde hij op den bepaalden morgen eenig gevoel van het gewichtige daarvan; hij was integendeel buitengewoon genegen om te slapen en het zijne oppassters kwalijk te nemen dat zij hem kleedden om uit te gaan.

Het was juist een ijzergrauwe najaarsdag, met een guren oostenwind—een dag geheel in overeenstemming met de plechtigheid. Dombey representeerde in zich zelven den wind, de duisternis en het najaarsachtige van dit doopfeest. Hij stond in zijne bibliotheek om het gezelschap te ontvangen, even koud en guur als het weder, en als hij door de glazen kamer naar de boomen in het tuintje keek, kwamen hunne bruine en gele bladeren naar omlaag dwarrelen, alsof zijn blik ze deed verdorren.

Bah! Het waren zwarte, koude kamers; zij schenen, evenals de bewoners van het huis, in den rouw te zijn. De boeken, nauwkeurig volgens de grootte gerangschikt en als soldaten in gelid geschaard, schenen in hunne koude, harde, gladde monteeringen, met hun allen slechts één denkbeeld te hebben, en dat was bevriezend. De boekenkast, met geslotene glazen deuren, weerde alle familiariteiten af. De heer Pitt, in het brons, bovenop, zonder eenig spoor van zijne hemelsche afkomst over zich, bewaarde dien ontoegankelijken schat gelijk een betooverde moor. Eene stofferige urne, uit eene oude grafstede opgedolven, op elken hoogen hoek, predikte rouw en vergankelijkheid, als van twee preekstoelen; en de spiegel in den schoorsteenmantel, welke Dombey en zijn portret in éénen terugkaatste, scheen vol zwaarmoedig gepeins.

Het stijve, hoekerige haardgereedschap scheen nauwer verwantschap dan iets anders daar op Dombey te kunnen doen gelden, met zijn dichtgeknoopten rok, zijne witte das, zijn zwaren gouden horlogeketting en zijne krakende laarzen. Maar dit was voor de komst van mijnheer en mevrouw Chick, die zich weldra vertoonden.

“Mijn beste Paul,” prevelde mevrouw Chick, terwijl zij hem omhelsde, “het begin, hoop ik, van vele blijde dagen.”—“Dank u, Louise,” zeide Dombey stroef. “Hoe vaart ge, mijnheer John?”—“Hoe vaart gij, mijnheer?” zeide Chick.

Hij gaf Dombey de hand, alsof hij vreesde dat die hem zou electriseeren. Dombey nam ze aan alsof zij een visch of eene zeeplant of eene dergelijke klamme zelfstandigheid was, en gaf ze hem terstond met statige beleefdheid weder terug.

“Misschien, Louise,” zeide Dombey, zijn hoofd eenigszins in zijne das omdraaiende, alsof het op eene spil stond, “zoudt ge liever vuur gehad hebben?”—“O mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, die veel moeite had om hare tanden het klapperen te beletten, “voor mij niet.”—“Mijnheer John,” zeide Dombey, “gij voelt toch geene kilheid?”

Mijnheer John, die zijne handen reeds tot over de polsen in zijne broekzakken had gestoken, betuigde dat hij het warm genoeg vond.

Hij voegde er zachtjes bij, “met mijn tiere liere la,” toen hij gelukkig door Towlinson werd gestuit, die jufvrouw Tox aandiende.

En nu trad deze schoone binnen, met een blauwen neus en een onbeschrijfelijk koudbont gezicht, daaraan te wijten dat zij zich, om de plechtigheid eer aan te doen, zeer dun in een warhoop van fladderende lapjes en strookjes had gekleed.

“Hoe vaart gij, jufvrouw Tox?” zeide Dombey.

Te midden harer uitspreidende gazen strooken zonk jufvrouw Tox geheel in elkander, evenals een tooneelkijker die ingeschoven wordt; zij neeg zoo laag uit erkentelijkheid dat Dombey haar een paar stappen te gemoet kwam.

“Ik kan deze gelegenheid nooit vergeten, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zachtjes. “Dat is onmogelijk. Mijne lieve Louise, ik kan haast het getuigenis van mijne zinnen niet gelooven.”

Indien jufvrouw Tox het getuigenis van een harer zinnen gelooven kon, was het een zeer koude dag. Dit was volkomen duidelijk. Zij nam de eerste gelegenheid waar om den bloedsomloop in het tipje van haar neus te bevorderen door dit heimelijk met haar zakdoek te wrijven, opdat het door deszelfs bijzonder lage temperatuur het wichtje niet op eene onaangename wijs zou verbazen, als zij het een kus zou komen geven.

Weldra verscheen dit wichtje, in groote staatsie door Richards gedragen, terwijl Florence, in bewaring van Susanna Nipper, als dienaar van politie, achteraankwam. Hoewel het gezelschapje uit de kinderkamer thans in lichter rouw was gekleed dan in het eerst, had het voorkomen der moederlooze kinderen toch iets, niet geschikt om den dag helderder te doen schijnen. Ook begon het wichtje—misschien was het wel om den neus van jufvrouw Tox—te schreeuwen, en verhinderde daardoor mijnheer Chick in de ongepaste volvoering van een zeer welgemeend voornemen dat hij had, namelijk om bijzonder werk van Florence te maken. Want deze heer, ongevoelig voor de hoogere aanspraken van een volmaakten Dombey (misschien wel omdat hij zelf de eer had van met eene Dombey vereenigd te zijn, en aan dat uitmuntende gewoon was geworden) had waarlijk veel schik in haar, toonde dit ook, en was nu gereed om dit op zijne manier weder te toonen, toen Paul begon te schreien, en zijne wederhelft hem stuitte.

“Kom, Florence, kind!” zeide hare tante levendig. “Wat doet ge nu toch, liefje? Laat u aan hem kijken. Houd hem wat bezig!”

De lucht in het rond werd al kouder en kouder, of had dit wel kunnen worden, terwijl Dombey stijf en stil naar zijn dochtertje stond te kijken, dat in hare handjes klappende voor den troon van zijn zoon en erfgenaam op de teenen ging staan en hem verlokte van zijne hooge waardigheid op haar neer te zien. Eene welgemeende beweging van Richards mag daartoe hebben geholpen, maar hij keek naar omlaag en hield zich stil. Als zijn zusje zich achter de min verschool, volgde hij haar met de oogen; en als zij met een dartelen kreet naar hem kwam uitkijken, sprong hij op en kraaide—hardop lachende als zij op hem kwam toeloopen, en terwijl zij hem met zoentjes smoorde, scheen hij met zijne kleine handjes hare krullen te liefkoozen.

Behaagde het Dombey toen hij dit zag? Hij toonde geen genoegen door het ontspannen van een enkelen trek; maar uitwendige blijken van eenigerlei gevoel waren bij hem iets buitengewoons. Als er een zonnestraal in de kamer sloop om de kinderen onder hun spel te beschijnen, bereikte hij zijn gezicht toch niet. Hij bleef zoo strak en koel toekijken, dat het warme licht zelfs uit de lachende oogen der kleine Florence verdween, toen zij eindelijk toevallig de zijnen ontmoette.

Het was wel een donkere grauwe najaarsdag, en in de korte poos van stilte, die hierop volgde, vielen de bladeren treurig neer.

“Mijnheer John,” zeide Dombey, op zijn horloge ziende, en daarna hoed en handschoenen opnemende. “Neem mijne zuster, als het u belieft; mijn arm is vandaag voor jufvrouw Tox. Gij moest liever met jongen heer Paul vooruitgaan, Richards. Wees heel voorzichtig.”

In Dombey’s koets zaten Dombey en Zoon, jufvrouw Tox, mevrouw Chick, Richards en Florence; in een ander rijtuigje volgden Susanna Nipper en de eigenaar, mijnheer Chick. Susanna keek aanhoudend uit het portier, om niet verlegen te worden, dat zij het groote gezicht van dien heer zoo vlak over zich had, en dacht telkens als er iets rammelde, dat hij eene voegzame vereering voor haar in een papiertje deed.

Eens op weg naar de kerk, klapte Dombey tot vermaak van zijn zoon in de handen; bij welk voorbeeld van vaderlijke geestvervoering jufvrouw Tox verrukt was. Doch met uitsluiting van dit voorval, bestond het voornaamste verschil tusschen dit naar een doop rijdend gezelschap en een gezelschap in eene rouwkoets, in de kleur van de koets en de paarden.

Aan de deur der kerk werden zij door een geduchten kerkeknecht ontvangen. Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen, en naast hem bij het portier bleef staan, scheen wel een tweede kerkeknecht te zijn. Een minder prachtig maar veel geduchter tuchtmeester; de tuchtmeester van den huiselijken kring en het dagelijksche leven.

De hand van jufvrouw Tox beefde, toen zij die door Dombey’s arm stak, en zich, door een steekhoed en een bont gekleurden kraag voorafgegaan, de trappen voelde opleiden. Voor een oogenblik scheen het naar die andere plechtigheid te gelijken.—“Wilt gij dezen man hebben, Lucretia?”—“Ja, ik wil.”—“Breng het kind maar gauw hier uit de lucht,” fluisterde de kerkeknecht, de binnendeur der kerk open houdende.

Kleine Paul had wel met Hamlet mogen vragen: “In mijn graf?” zoo kil en dompig was het daar. De hooge met donkere stof bekleede preekstoel en leeslessenaar, het akelige verschiet van ledige banken, die zich onder de galerijen uitstrekten en tot aan het dak opstegen, waar zij zich in de schaduw van het groote sombere orgel verloren; de stofferige matten en koude steenen zerken; de smerige vrije banken in de zijgangen; en de vochtige hoek bij het klokkentouw, waar de zwarte schragen, bij begrafenissen gebezigd, waren weggeborgen, benevens eenige schoppen en manden en een paar ringen grafachtig touw; de vreemde, onaangename reuk en het lijkachtige licht, alles strookte met elkander. Het was een koud en akelig tooneel.

“Er wordt juist getrouwd, mijnheer,” zeide de kerkeknecht; “maar het zal zoo meteen gedaan zijn, als gij hier maar even in de kerkekamer wilt gaan.”

Eer hij zich weder omkeerde om vooruit te gaan, maakte hij voor Dombey eene buiging met een half glimlachje van herkenning, om aan te duiden dat het hem (den kerkeknecht) nog wel heugde het genoegen te hebben gehad van op hem te wachten toen hij zijne vrouw kwam begraven, en hoopte dat hij sedert wel in zijn schik was geweest.

Zelfs de trouwplechtigheid, die zij zagen toen zij het altaar voorbijgingen, had iets akeligs. De bruid was te oud en de bruidegom te jong, en een oud maar zeer pronkerig gekleed heertje met één oog en een lorgnet voor de andere ledige holte, was bruidsvader, en de vrienden stonden te huiveren. In de kerkekamer rookte het; en een bejaarde, overwerkte en karig betaalde procureursklerk, die “iets moest nazoeken,” liep met zijn voorvinger langs de perkamenten bladen van een ontzaglijk register (een van eene lange reeks dergelijke boeken) propvol aanteekeningen van begrafenissen. Boven den schoorsteen was eene grondteekening van de grafgewelven onder de kerk; en mijnheer Chick, die om het gezelschap te vervroolijken de bijgeschreven verklaring overluid voorlas, had de aanwijzing van mevrouw Dombey’s graf voluit gelezen, eer hij zich kon bedenken.

Na nog eene koude poos wachtens, riep eene aamborstige stoelenzetster, met een kuch, die aan het kerkhof, niet aan de kerk, moest doen denken, hen naar de doopvont. Hier wachtte men nog een poosje terwijl de pas getrouwden en hun gezelschap in de kerkekamer draalden; en ondertusschen liep de aamborstige stoelenzetster, nog harder hoestende,—gedeeltelijk omdat zij dit niet laten kon, gedeeltelijk opdat het aftrekkende gezelschap haar niet zou vergeten—door de kerk rond.

Weldra kwam de klerk (de eenige die er eenigszins vroolijk uitzag—en hij was een aanspreker) met eene kan warm water aan, en terwijl hij dit in de doopvont goot, zeide hij iets van de kilheid weg te nemen, hetgeen millioenen emmers kokend heet water niet hadden kunnen doen. Toen verscheen de geestelijke, een jong hulpprediker, met een zacht en vriendelijk gezicht, maar blijkbaar bang voor het kind, gelijk de hoofdpersoon in eene spookhistorie, “eene lange gedaante geheel in ’t wit;” op wiens gezicht Paul de kerk met zijn geschreeuw vervulde, niet ophoudende voordat hij met een leiblauw gezichtje werd weggebracht.

Zelfs toen dit, tot verademing van alle aanwezigen geschied was, hoorde men hem nog zoolang de plechtigheid verder duurde, in het portaal, nu flauwer dan harder, dan bijna stil, dan weder met een onbedwingbaar gevoel van zijne grieven uitbarstende. Dit trok de aandacht der twee dames zoodanig af, dat mevrouw Chick gedurig den middelgang instapte om boodschappen met de stoelenzetster te zenden, terwijl jufvrouw Tox haar gebedenboek bij het buskruitverraad openhield, en nu en dan de antwoorden uit dat formulier oplas.

Onder dit alles bleef Dombey zoo stijf en statig als ooit, en droeg er misschien toe bij om het zoo koud te maken, dat den jongen hulpprediker onder het lezen eene dampwolk uit den mond vloog. De eenige maal dat hij zijn gezicht eenigszins ontspande, was toen de geestelijke, bij het lezen der toespraak aan het slot (hetgeen hij zeer eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid deed) aangaande de toekomstige ondervraging van het kind door de doopgetuigen, toevallig mijnheer Chick aanzag; en toen had men Dombey door een blik vol majesteit kunnen zien uitdrukken, dat hij zijn schoonbroeder wel eens daarop wilde betrappen.

Het zou misschien goed voor Dombey zijn geweest als hij wat minder aan zijne eigene waardigheid had gedacht, en wat meer aan den grooten oorsprong en het gewichtige doel der plechtigheid, waaraan hij zoo stijf en statig deel nam. Zijne verwaandheid stond in een vreemd contrast met de geschiedenis dier instelling.

Toen alles voorbij was, gaf hij zijn arm weder aan jufvrouw Tox en leidde haar naar de kerkekamer, waar hij den geestelijke onderrichtte hoeveel genoegen het hem zou verschaft hebben de eer van zijn gezelschap aan den maaltijd te verzoeken, indien zijne ongelukkige huiselijke omstandigheden dit niet hadden verhinderd. Toen het register geteekend, het doopgeld betaald, de stoelenzetster (die weer zeer erg hoestte) bedacht, de kerkeknecht bevredigd, en de doodgraver (die toevallig in het portaal stond en met groote belangstelling naar het weder keek) niet vergeten was, stapte men weder in de koetsen en reed in dezelfde kille gezelligheid naar huis.

Daar vonden zij den ouden heer Pitt, zijn neus ophalende voor een koud collation, in koude pracht van glas- en zilverwerk opgezet, en dat meer naar een diner op een paradebed dan naar een gezellig onthaal geleek. Bij hunne aankomst bracht jufvrouw Tox een kroesje voor haar petekind te voorschijn, en mijnheer Chick een mes, vork en lepel in een doosje. Dombey haalde een armband voor jufvrouw Tox voor den dag; en bij het ontvangen dezer gedachtenis was jufvrouw Tox teeder aangedaan.

“Mijnheer John,” zeide Dombey, “wilt gij aan het eind van de tafel plaats nemen, als het u belieft. Wat hebt gij daar, mijnheer John?”—“Ik heb hier eene koude kalfsschijf, mijnheer,” antwoordde Chick, zeer hard zijne handen wrijvende. “Wat hebt gij daar, mijnheer?”—“Dit,” antwoordde Dombey, “is eene toebereiding van kouden kalfskop, geloof ik. Ik zie ook koude kippen—ham—kreeften—sla—jufvrouw Tox, wilt ge mij de eer bewijzen om eens te drinken? Champagne voor jufvrouw Tox.”

Er stak kiespijn in alles. De wijn was zoo bitter en koud, dat hij jufvrouw Tox een gilletje afdwong, hetwelk zij met groote moeite in een lachje veranderde. Het kalfsvleesch kwam uit zulk eene luchtige vliegenkast, dat het eerste proefje er van mijnheer Chick een gevoel als van koud lood tot in de teenen zond. Dombey alleen bleef onbewogen. Hij had op eene Russische kermis te koop gehangen kunnen worden als een staaltje van een bevrozen gentleman.

De heerschende invloed was zelfs zijne zuster te erg. Zij deed geene poging tot vleierij of beuzelpraatjes, maar alleen haar best om er zoo warm uit te zien als zij kon.

“Wel, mijnheer,” zeide Chick, na eene lange stilte een wanhopigen sprong doende, en een glas sherry inschenkende; “ik zal dit, mijnheer, als ge mij permitteert, op het welzijn van den kleinen Paul drinken.”—“Zegen hem!” prevelde jufvrouw Tox, een teugje nemende.—“Lieve kleine Dombey!” fluisterde mevrouw Chick.—“Mijnheer John,” zeide Dombey met strengen ernst, “mijn zoon zou zonder twijfel zijne verplichting aan u gevoelen en uitdrukken, als hij reeds in staat was om de gunst, die gij hem bewezen hebt, te waardeeren. Hij zal in vervolg van tijd, vertrouw ik, bewijzen berekend te zijn voor alle verantwoordelijkheid, welke de verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem kunnen opleggen.”

De toon waarop dit gezegd werd liet geen wederantwoord toe, en Chick verzonk dus nogmaals in neerslachtigheid en stilzwijgen. Niet zoo jufvrouw Tox, die met nog meer opgetogene aandacht en nog meer uitdrukking in het overhangen van haar hoofd dan gewoonlijk naar Dombey geluisterd had, en nu over de tafel leunde en zachtjes tot mevrouw Chick zeide:

“Louise!”—“Lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick.—“Gewichtige plichten van onze openbare positie hem mag—ik heb de juiste uitdrukking vergeten.”—“Hem mogen blootstellen,” zeide mevrouw Chick.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” hervatte jufvrouw Tox, “ik geloof van neen. Het was meer welluidend en vloeiend. De verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem—kunnen—opleggen?”—“Opleggen—o wel zeker,” zeide mevrouw Chick.

Jufvrouw Tox klapte zegevierend in hare kleine handjes en zeide, in verrukking hare oogen opslaande: “Dat is welsprekend!”

Dombey had ondertusschen last gegeven dat Richards zou geroepen worden. Deze trad nu nijgende binnen, maar zonder kind, daar Paul, na de vermoeienis van dien morgen, in slaap geraakt was. Nadat Dombey aan deze onderhoorige een glas wijn had gegeven, sprak hij haar met deze woorden aan: vooraf zette jufvrouw Tox haar hoofd reeds op zijde en maakte andere kleine schikkingen om ze in haar hart te graveeren.

“In de zes maanden of daaromtrent, Richards, die gij hier in huis hebt gewoond, hebt gij uw plicht gedaan. Verlangende om u bij deze gelegenheid een geringen dienst te bewijzen, heb ik nagedacht hoe ik best dat oogmerk zou kunnen bereiken, en ben ik ook te rade gegaan met mijne zuster, mevrouw...”—“Chick,” viel de heer van dien naam er op in.—“O, stil toch, als ’t u blieft!” zeide jufvrouw Tox.—“Ik wilde u zeggen, Richards,” hervatte Dombey, met een ontzettenden blik naar mijnheer John, “dat ik bij het nemen van mijn besluit verder bestuurd werd door de herinnering van een gesprek, dat ik in deze kamer met uw man heb gehouden, bij gelegenheid dat gij gehuurd werdt, en waarbij hij mij de treurige omstandigheid mededeelde, dat uwe familie, hij zelf aan het hoofd, in onwetendheid was gedompeld en verzonken.”

Richards sloeg onder de deftigheid dezer bestraffing de oogen neer.

“Ik ben verre van datgene toegedaan te zijn,” vervolgde Dombey, “wat menschen, die overdreven liberale gevoelens hebben, algemeene opvoeding noemen. Maar het is noodzakelijk dat de mindere klassen onderricht blijven ontvangen om hunne positie te kennen en zich behoorlijk te gedragen. In zooverre geef ik mijne goedkeuring aan scholen. Daar ik macht heb om een kind te plaatsen in de fondatie eener oude instelling, die naar een achtbaar gilde, de Liefdadige Slijpers wordt genoemd, waar niet alleen den scholieren eene heilzame opvoeding wordt gegeven, maar zij insgelijks van eene bovenkleeding en een onderscheidingsteeken worden voorzien, heb ik (vooraf door mevrouw Chick met uwe familie in overleg getreden) uw oudsten zoon tot de opengevallene plaats benoemd, en heeft hij vandaag, naar ik onderricht ben, de kleeding aangenomen. Het nommer van haar zoon is, geloof ik,” vervolgde hij, zich naar zijne zuster keerende, en sprekende alsof het kind eene huurkoets was, “honderd zeven en veertig. Louise, dat kunt gij haar zeggen.”—“Honderd zeven en veertig,” zeide mevrouw Chick. “De kleeding, Richards, is een mooie, warme, blauwe saaien rok met lange panden, en eene pet van dezelfde stof, met oranje uitgemonsterd, roode wollen kousen, en eene korte leeren broek, heel sterk. Men zou zulk goed zelf kunnen dragen,” zeide mevrouw Chick, met geestvervoering, “en er dankbaar voor zijn.”—“Wel, Richards!” zeide jufvrouw Tox. “Nu moogt ge wel trotsch wezen. De Liefdadige Slijpers!”—“Ik ben u zeker wel zeer verplicht, mijnheer,” antwoordde Richards flauw, “en houd het voor eene groote goedheid dat gij om mijne kleintjes denkt.” Te gelijker tijd rees eene verschijning van Biler als een Liefdadig Slijpertje, met zijne korte beentjes in de door mevrouw Chick beschrevene, onverslijtelijke broek gepakt, voor Richards’ oogen op, en deed ze wateren.—“Het verheugt mij wel te zien, dat ge zooveel gevoel hebt, Richards,” zeide jufvrouw Tox.—“Het doet iemand bijna hopen, dat doet het waarlijk,” zeide mevrouw Chick, die er zich op beroemde dat zij altijd het beste van de menschen vertrouwde, “dat er nog een vonkje van dankbaarheid en rechtschapenheid in de wereld is.”

Richards beantwoordde deze complimenten door te nijgen en eene dankbetuiging te prevelen; maar het geheel onmogelijk vindende om zich te herstellen van de ontroering, welke het beeld van haar zoon met zijn kort lederen broekje haar veroorzaakt had, ging zij langzamerhand naar de deur, en was hartelijk blijde toen zij daaruit ontsnapt was.

De tijdelijke teekenen van een gedeeltelijken dooi, die met haar verschenen waren, verdwenen ook met haar; en de vorst viel weder in, zoo koud en hard als ooit. Men hoorde mijnheer Chick aan het eind van de tafel tweemaal een wijsje brommen, maar beide keeren was het een brok van den doodenmarsch in Saul. Het gezelschap scheen al kouder en kouder te worden en langzamerhand in een geheel bevrozen toestand over te gaan, gelijk het collation waarom het verzameld was. Eindelijk zag mevrouw Chick jufvrouw Tox aan en zond jufvrouw Tox dien blik terug; beiden stonden op en zeiden dat het waarlijk tijd was om te gaan. Daar Dombey dit bericht met volmaakte gelijkmoedigheid ontving, namen zij afscheid van dezen heer en vertrokken weldra onder de hoede van mijnheer Chick, die, toen zij het huis den rug hadden gekeerd en den meester in zijne gewone eenzame grootheid gelaten, zijne handen in zijne zakken stak, zich in het rijtuig achterover liet zakken, en een van zijne lijfdeuntjes geheel uitfloot, waarbij hij zulk een dreigend en somber uitdagend gezicht zette, dat mevrouw Chick niet durfde protesteeren of hem op eenigerlei manieren hinderlijk zijn.

Richards kon, hoewel zij den kleinen Paul op haar schoot had, haar eigen eerstgeborene niet vergeten. Zij gevoelde dat dit ondankbaar was; maar de invloed van den dag strekte zich zelfs tot de Liefdadige Slijpers uit, en zij kon niet nalaten zijn tinnen plaatje op de mouw, met nommer honderd zeven en veertig, voor iets te houden dat ook heel streng en hard was. Zij sprak ook in de kinderkamer van zijne kleine beentjes, en werd nogmaals gekweld door zijne schim in uniform.

“Ik weet niet wat ik wel geven wou,” zeide Polly, “om het arme lieve kind nog eens te zien eer hij er aan gewoon wordt.”—“Wel, zal ik u eens wat zeggen, jufvrouw Richards,” zeide Suze, die zij in haar vertrouwen had genomen, “ga hem zien en stel zoo uw gemoed gerust.”—“Mijnheer Dombey zal het niet willen hebben,” zeide Polly.—“Niet, jufvrouw Richards!” liet Suze hierop volgen. “Hij zou het wel graag willen hebben, denk ik, als men het hem vroeg.”—“Gij zoudt het hem geheel niet vragen, geloof ik?” zeide Polly.—“Neen, jufvrouw Richards, wel ten contrarie,” antwoordde Suze; “en daar die twee inspecteurs, Tox en Chick, morgen niet op de wacht denken te zijn, zooals ik ze heb hooren zeggen, zullen jonge jufvrouw Flore en ik morgenochtend met u meegaan, en als ge dan wilt, jufvrouw Richards, kunnen we daar evengoed een straatje op en neer kuieren als ergens anders—nog beter zelfs.”

Polly verwierp dit denkbeeld in het eerst met vrij veel drift; maar langzamerhand begon zij het toch te begunstigen, toen de verbodene schilderijen van hare kinderen en haar eigen huis haar al duidelijker voor de oogen kwamen. Eindelijk beredeneerende dat er toch geen groot kwaad in kon steken als zij eens even aan de deur aanging, nam zij Suze’s voorslag aan.

Toen de zaak aldus was afgesproken, begon kleine Paul jammerlijk te schreeuwen, alsof hij een voorgevoel had dat er geen goed van zou komen.

“Wat scheelt het kind toch?” vroeg Suze.—“Hij is koud, denk ik,” zeide Polly, met den kleine heen en weer wandelende en hem sussende.

Het was waarlijk een gure najaarsavond; en toen zij wandelde en suste, en door de beslagene vensters uitkijkende, den kleine dichter aan hare borst drukte, vielen de verdorde bladeren bij geheele vlagen af.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

VI. PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID

Des morgens had Polly zooveel bekommeringen, dat zij zonder het onophoudelijk aandrijven harer zwartoogige gezellin alle gedachten aan de onderneming zou hebben laten varen, en formeel verlof gevraagd om nommer honderd zeven en veertig onder de schaduw van Dombey’s dak te mogen zien. Maar Suze, die zelve grooten lust in het tochtje had, en die (gelijk Tony Lumpkin), al kon zij de teleurstellingen van anderen met vrij veel standvastigheid dragen, volstrekt geen zin had om zich zelve te leur te stellen, wierp deze tweede gedachte zoovele schrandere twijfelingen in den weg, en beval het eerste plan met zoovele schrandere redenen aan, dat Dombey bijna niet zoodra zijn statigen rug gekeerd had en zich op zijn dagelijkschen weg naar de City bevond, of zijn van niets bewuste zoon was insgelijks op weg naar Staggs’s Gardens.

De plek met dezen welluidenden naam was in eene voorstad gelegen, die bij de bewoners van Staggs’s Gardens als Camberling Town bekend stond, eene benaming welke de “kaart van Londen voor vreemdelingen” gelijk zij (tot grooter gemak en gerief) op zakdoeken gedrukt is, niet zonder schijn van reden, tot Camden Town verkort. Hierheen richtten min en kindermeid, door de haar toevertrouwde panden vergezeld, hare schreden; Richards, gelijk reeds van zelf spreekt, droeg Paul, en Suze had de kleine Florence bij de hand, die zij van tijd tot tijd zooveel duwen en rukken gaf als zij noodig en nuttig oordeelde.

De eerste schok eener groote aardbeving had juist op dien tijd den geheelen omtrek omgewoeld. Sporen daarvan waren aan alle kanten zichtbaar. Huizen waren onder den voet gesmeten, straten doorgebroken en verstopt, diepe putten en greppels in den grond gegraven, ontzaglijke hoopen klei en aarde opgeworpen, ondermijnde en verzakte gebouwen met groote balken onderstut. Hier lag een chaos van karren, verward onder en over elkander geworpen, aan den voet van een onnatuurlijk steilen heuvel; daar lagen schatten ijzer te roesten in iets dat toevallig een vijver was geworden. Overal waren bruggen die nergens heen voerden; doorgangen die geheel onbegaanbaar waren; Babelsche torens van schoorsteenen die de helft van hunne hoogte misten; tijdelijke houten huizen en afschuttingen op de onwaarschijnlijkste plaatsen; geraamten van armoedige woningen, en stukken van onvoltooide muren en bogen, en hooge steigers, en wildernissen van bouwsteenen, en reusachtige gedaanten van kranen en stellingen waar zij geheel niet noodig schenen te zijn. Men zag het onvoltooide in honderd duizend gedaanten en stoffen, alles van zijne plaats en ondereengemengd, ten onderste boven, in den grond gezonken, in de lucht opstekende, in het water vergaande, even onbegrijpelijk als een droom. Heete bronnen en vurige uitbarstingen, de gewone bijomstandigheden van aardbevingen, leenden hare bijdragen tot de verwarring van het tooneel. Kokend water borrelde en siste binnen vervallene muren, waaruit ook de gloed en het gebrul van vlammen opsloeg, en hoopen asch verstopten hier en daar den doorgang waarop men vanouds recht had, en veranderden alle wetten en gebruiken van die streek.

Kortom, de nog onvoltooide en ongeopende spoorweg was in aanleg, en uit het hart van al die gruwelijke wanorde gleed hij waterpas voort op zijne machtige baan van beschaving en vooruitgang.

Maar tot nog toe was de buurt beschroomd om den spoorweg te erkennen. Een of twee stoute speculanten hadden straten ontworpen, en een van hen had een weinigje gebouwd, maar was in den modder en de asch blijven stilstaan om er nog eens over te denken. Eene splinternieuwe herberg, naar verschen kalk en verf riekende, en met een uitzicht op niemendal, had Spoorweg’s Welvaren tot uithangbord genomen; maar dit kon wel eene roekelooze onderneming zijn—en men hoopte ook drank aan de werklieden te slijten. Zoo was de Delvers Ververschingsplaats uit eene oude bierkroeg ontstaan, en was de oude Ham- en Vleeschwinkel in de Spoorweg Restauratie veranderd, om baatzuchtige redenen van dergelijken onmiddellijken en populairen aard. De slaapsteehouders waren insgelijks welgezind en om dezelfde redenen niet te vertrouwen. Het algemeene geloof was zeer traag. Er waren weilanden, koestallen, mest- en aschhoopen, slooten, tuinen, zomerhuisjes en tapijtenklopperijen tot vlak bij den spoorweg. In den oestertijd lagen er hoopjes oesterschelpen, in den kreeftentijd kreeftenschalen, en op alle tijden potscherven en rotte koolbladen verspreid. Scheidspalen, en hekken, en oude waarschuwingen van voetangels en klemmen, en achterzijden van gemeene huizen, en met onkruid begroeide plekjes land schenen er den draak mede te steken. Niets was door den spoorweg bevoordeeld of dacht dit te worden. Als het ellendige stuk braakland, dat er bij lag, had kunnen lachen, zou het den spoorweg hebben uitgelachen, gelijk velen van de ellendige buren deden.

Staggs’s Gardens was buitengemeen ongeloovig. Het was eene kleine rij huizen, met akelige plekjes grond er voor, met oude deuren, duigen van vaten, lappen geteerd zeildoek en doode heesters afgeheind; met bodemlooze blikken ketels en brokken oud ijzer in de openingen gestoken. Hier kweekten de tuiniers van Staggs’s Gardens roode klimboomen, hielden zij kippen en konijnen, bouwden zij wrakke zomerhuisjes (een daarvan was eene oude boot), droogden zij kleeren en rookten zij een pijpje. Sommigen waren van gevoelen dat Staggs’s Gardens zijn naam ontleende van een overleden kapitalist, zekeren mijnheer Staggs, die het voor zijn vermaak had gebouwd. Anderen, die een landelijken smaak hadden, hielden den naam voor afkomstig uit den landelijken tijd toen de herten hier onder het geboomte de schaduw zochten. Dit zij gelijk het wil, Staggs’s Gardens werd door zijne bevolking voor een heilig bosch gehouden, dat niet door spoorwegen zou worden uitgeroeid; en zoo vast geloofde men algemeen dat het alle zulke belachelijke uitvindingen lang zou overleven, dat de schoorsteenveger op den hoek, die voor den toongever der plaatselijke politiek werd gehouden, openlijk had verklaard, dat op den dag wanneer de spoorweg geopend werd, als dit ooit gebeurde, twee van zijne jongens op de schoorsteenen zouden klimmen, met last om van die hoogte de mislukte onderneming uit te jouwen.

Naar deze onheilige plek, waarvan de naam tot dusverre zorgvuldig voor Dombey door zijne zuster was verborgen gehouden, werd kleine Paul nu door het Noodlot en Richards heen gevoerd.

“Dat is mijn huis, Suze,” zeide Richards, er naar wijzende.—“Ei, is het, jufvrouw Richards!” zeide Suze goedgunstig.—“En daar staat waarlijk mijne zuster Jemima aan de deur,” riep Polly, “met mijn eigen kostbaar kind op den arm!”

Dit gezicht gaf Polly’s ongeduld een paar zulke groote vleugelen, dat zij op een draf voortliep, naar Jemima toestoof en in een oogenblik van kinderen met haar verwisselde, tot groote verbazing dier jonge maagd, voor welke de erfgenaam der Dombey’s uit de wolken scheen te zijn gevallen.

“Wel, Polly!” riep Jemima. “Gij! Wat hebt ge mij doen schrikken! Wie zou dat gedacht hebben! Kom binnen, Polly! Wat ziet gij er goed uit! De kinderen zullen half razend worden als zij u zien, Polly; dat zullen zij waarlijk.”

Dat werden zij ook waarlijk, als men oordeelen mocht naar het leven dat zij maakten, en naar de manier waarop zij Polly aanvlogen en naar een stoel in het hoekje van den haard trokken, waar haar eigen goedig appelrond gezicht dadelijk het middelpunt van een tros kleine pippelingen werd, die allen hunne roode wangen dicht daarbij duwden en allen blijkbaar vruchten van denzelfden boom waren. Wat Polly betreft, zij was even luidruchtig en woest als de kinderen; en het was niet voordat zij geheel buiten adem was en de haren haar langs het gloeiende gezicht zwierden, en haar doopgoed erg gehavend was, dat het oproer eenigszins bedaarde. Ook toen nog bleef de kleinste Toodle op een na op haar schoot en hield zich met beide armpjes om haar hals vast, terwijl de kleinste Toodle op twee na achter op haar stoel klom en, met het eene been in de lucht, wanhopige pogingen aanwendde om haar over haar schouder te zoenen.

“Kijk! Daar is een lief klein dametje, dat naar u komt zien,” zeide Polly; “en zie hoe stil zij is! Wat een mooi dametje, niet waar?”

Dit gezegde richtte aller aandacht op Florence, die dit tooneel bij de deur was blijven staan aanzien, en had ook het gelukkige gevolg dat men nu ook behoorlijk op jonge jufvrouw Nipper lette, die reeds begon te denken dat men haar over het hoofd zag.

“O kom toch binnen en ga even zitten, Suze,” zeide Polly. “Dit is mijne zuster Jemima, hier. Jemima, ik weet niet hoe ik het maken zou, als ik Suze Nipper niet had. Zonder haar zou ik nu niet hier zijn geweest.”—“O ga toch zitten, jufvrouw Nipper, als het u belieft,” zeide Jemima.

Suze zette zich met een zeer stijf en deftig gezicht op het uiterste kantje van een stoel.

“Ik ben nog nooit in mijn leven zoo blij geweest dat ik iemand zag; waarlijk niet, jufvrouw Nipper,” zeide Jemima.

Suze liet zich vermurwen, nam wat meer van haar stoel, en glimlachte genadig.

“Maak toch uw hoed los en doe alsof gij thuis waart, als het u belieft, jufvrouw Nipper,” smeekte Jemima. “Ik vrees dat het hier armoediger is dan gij gewoon zijt, maar dat zult gij zeker wel inschikken.”

De zwartoogige liet zich door deze eerbiedige behandeling zoodanig verzachten, dat zij het oudste meisje, dat haar juist voorbijliep, oppakte en op haar schoot nam.

“En waar is mijn lieve jongen?” zeide Polly. “Mijn arm kereltje? Ik ben dien heelen weg gekomen om hem met zijn nieuw pakje te zien.”—“O hoe jammer!” riep Jemima uit. “Wat zal het hem spijten, als hij hoort dat zijne moeder hier geweest is. Hij is naar school, Polly.”—“Al daar naar toe!”—“Ja. Hij is gisteren voor het eerst gegaan, om geene lessen te verzuimen. Maar het is een halve vacantiedag, Polly. Als ge nu maar blijven kondt totdat hij thuis komt, ten minste als jufvrouw Nipper ook wel wil blijven,” zeide Jemima, bijtijds bedacht op de waardigheid der zwartoogige.—“En hoe ziet hij er uit, Jemima?” zeide Polly haperend.—“Wel, hij ziet er waarlijk zoo kwaad niet uit als ge zoudt denken,” antwoordde Jemima.—“Och,” zeide Polly, met aandoening, “ik wist wel dat zijne beentjes te kort moesten zijn.”—“Zij zijn wel wat kort,” antwoordde Jemima, “vooral van achteren; maar zij zullen met iederen dag langer worden, Polly.”

Dit was eene langzame, ver vooruitziende soort van troost; maar de vroolijkheid en goedhartigheid waarmede hij werd toegediend, gaf er eene waarde aan, die hij op zich zelf niet bezat. Na een oogenblik van stilzwijgen vroeg Polly op levendiger toon: “En waar is vader, Jemima lief?” Want bij dezen patriarchalen naam was baas Toodle in zijn huishouden bekend.—“Daar alweer!” zeide Jemima. “Hoe jammer! Vader heeft van morgen zijn eten meegenomen, en komt niet voor van avond thuis. Maar hij spreekt aldoor over u, Polly, en vertelt de kinderen van u, en is de goedigste, geduldigste ziel van de wereld, zooals hij altijd geweest is en zijn zal.”—“Dank daarvoor,” riep de eenvoudige Polly uit, opgetogen over het gezegde en te leur gesteld door de afwezigheid.—“O, gij hebt mij niet te bedanken,” zeide hare zuster, die haar een klinkenden kus op de wang gaf, en toen kleinen Paul vroolijk liet dansen. “Ik zeg wel eens hetzelfde van u, en ik denk het ook.”

In spijt van de dubbele teleurstelling, was het onmogelijk een bezoek, dat met zulk eene ontvangst werd begroet, voor mislukt te houden. De zusters praatten dus vergenoegd over huiselijke zaken, en over Biler, en over al zijne broertjes en zusjes; terwijl de zwartoogige het oudste meisje op haar schoot liet koetsje rijden, en scherpe waarnemingen deed op het huisraad, de houten klok, het hoekbuffet, het kasteeltje op den schoorsteenmantel met groene en roode vensters, dat met een eindje kaars van binnen kon geïllumineerd worden, en de twee zwarte fluweelen katjes, met eene damesreticule in den bek, die door de bewoners van Stagg’s Gardens als wonderen van nabootsende kunst beschouwd werden. Daar het gesprek spoedig eene meer algemeene wending nam, opdat de zwartoogige niet stekelig zou worden, gaf deze jonge dame aan Jemima een kort verslag van alles wat haar van mijnheer Dombey, zijne familie, vooruitzichten, levenswijs en karakter bekend was, benevens een getrouwen inventaris van hare eigene garderobe, en eenig bericht van hare betrekkingen en vriendinnen. Nadat zij door deze mededeelingen haar gemoed had verlicht, verkwikte zij zich met garnalen en porter, en legde zij eene neiging aan den dag om eeuwige vriendschap te zweren.

Kleine Florence zelve verzuimde niet van deze gelegenheid om pleizier te hebben zooveel mogelijk gebruik te maken, want toen zij door de jeugdige Toodle’s naar buiten was gebracht om eenige paddestoelen en andere merkwaardigheden der Gardens te bezichtigen, was zij met hart en ziel behulpzaam tot het aanleggen van een dijkje door een groenachtigen waterplas, die zich in een hoek had verzameld. Zij was nog ijverig aan dien arbeid toen Suze haar kwam opzoeken, die zulk een diep gevoel van plicht had, dat zij zelfs onder den vermurwenden invloed der garnalen, het meisje eene met stompen aangedrongen zedepreek over hare goddelooze ondeugendheid liet hooren, terwijl zij haar gezichtje en handjes waschte, en voorspelde dat zij hare geheele familie van verdriet ten grave zou brengen. Na eenig dralen, veroorzaakt door een vertrouwelijk onderhoud over geldzaken, dat op het bovenkamertje tusschen Polly en Jemima plaats had, werden de kinderen nogmaals uitgewisseld—want Polly had al dien tijd haar eigen kind, en Jemima kleinen Paul gehouden—en namen de bezoeksters afscheid.

Doch eerst werden de jeugdige Toodle’s, slachtoffers van een vroom bedrog, verleid om zich gezamenlijk naar een naburigen komenijswinkel te begeven, zoo het heette om daar een stuiver te besteden; en toen de baan schoon gemaakt was, nam Polly de vlucht, terwijl Jemima haar nog nariep dat, als zij om weer naar huis te gaan den City Road konden nemen, zij zeker den kleinen Biler zouden ontmoeten, die van school kwam.

“Denkt ge dat wij nog tijd zouden hebben om zoover om te gaan, Suze?” vroeg Polly, toen zij bleven stilstaan om adem te scheppen.—“Waarom niet, jufvrouw Richards?” antwoordde Suze.—“Het loopt al tegen onzen etenstijd, weet ge,” zeide Polly.

Maar de genoten hartsterking had hare gezellin meer dan onverschillig voor deze gewichtige bedenking doen worden, en men besloot dus nog zoover om te gaan.

Nu was het geval dat het leven van den armen Biler hem sedert den vorigen ochtend tot een last was geworden, alleen door het costuum der Liefdadige Slijpers. De straatjeugd kon dit niet uitstaan. Geen kwade jongen kon het een oogenblik zien, zonder den onschuldigen drager te lijf te willen. Zijn maatschappelijk aanzijn had meer gelijkenis naar dat van een Christen uit den oudsten tijd, dan naar dat van een onschuldig kind uit de negentiende eeuw. Hij was op de openbare straat gesteenigd, in de goot gesmeten, met modder bespat, met geweld tegen palen geduwd. Volslagen vreemdelingen, die niets van hem wisten, hadden hem zijne opzichtige pet afgenomen en die verder weggegooid. Zijne beentjes waren niet alleen bespot en uitgejouwd, maar ook aangepakt en geknepen. Dien zelfden ochtend had hij onderweg naar de Slijperschool geheel ongevraagd een blauw oog gekregen en was hij daarvoor nog door den meester gestraft, een bejaarden Slijper van kwaadaardig karakter, die tot schoolmeester was aangesteld omdat hij niets wist en tot niets deugde, en wiens gruwelijke rotting eene ware toovermacht over alle welgevleeschde kleine jongens uitoefende.

Zoo kwam het dat Biler om naar huis te komen de minst begane wegen zocht, en door nauwe stegen en achterstraatjes sloop, om zijne pijnigers te ontwijken. Eindelijk genoodzaakt om weder in de groote straat te komen, bracht zijn ongeluk hem daar juist op een punt, waar een troepje jongens, met een bloeddorstigen jongen slager aan het hoofd, op de loer stond om op een of ander pretje te wachten. Toen deze een Liefdadigen Slijper vlak bij zich zagen—als het ware door het noodlot in hunne handen overgeleverd—vlogen zij met een algemeen gejoel op hem aan.

Maar nu gebeurde het dat Polly, die na eene wandeling van een goed uur hopeloos voor zich had uitgezien en gezegd, dat het toch niet baten zou verder te gaan, ook juist dit schouwspel in het oog kreeg. Niet zoodra zag zij het, of zij gaf met een haastigen uitroep den kleinen Paul aan Suze over, en snelde heen om haar ongelukkigen zoon te ontzetten.

Verrassingen, gelijk ongelukken, komen zelden alleen. De verbaasde Suze en de twee kinderen werden door de omstanders bijna onder de wielen van een juist voorbijkomend rijtuig vandaan gehaald, eer zij zelven wisten wat er gebeurd was; en op hetzelfde oogenblik (het was marktdag) werd de onrustbarende kreet van “een dolle stier!” aangeheven.

In die wilde verwarring, terwijl de menschen schreeuwend heen en weder liepen, wagens hen overreden, jongens vochten, dolle stieren kwamen aanloopen, en de min onder al die gevaren misschien reeds verloren was, liep Florence gillend weg. Zij liep tot zij geheel buiten adem was, Suze gedurig toeroepende om mee te loopen; en toen angstig stilstaande, daar zij bedacht dat zij de min hadden achtergelaten, zag zij, met onbeschrijfelijken schrik, dat zij geheel alleen was.

“Suze! Suze!” riep Florence, met woesten angst in hare handjes klappende. “O, waar zijn zij! Waar zijn zij!”—“Waar zijn zij?” riep eene oude vrouw, die zoo gauw zij kon van den overkant der straat kwam aanstrompelen. “Waarom zijt ge van hen weggeloopen?”—“Ik was bang,” antwoordde Florence. “Ik wist niet wat ik deed. Ik dacht dat zij bij mij waren. Waar zijn zij?”

De oude vrouw nam haar bij den arm en zeide: “Ik zal het u wijzen.”

Zij was een allerleelijkst oud wijf, met roode randen om de oogen, en een mond die van zelf mummelde en fluisterde, al sprak zij niet. Zij was ellendig gekleed en droeg eenige beestenvellen over den arm. Zij scheen Florence reeds eenigen tijd gevolgd te hebben, want zij was buiten adem, en dit maakte haar nog leelijker, terwijl zij daar stond te hijgen en haar geheel gerimpeld gezicht stuipachtig verdraaide, alsof zij zou stikken.

Florence was bang voor haar en keek angstig de straat in, die zij bijna ten einde was geloopen. Het was eene eenzame plek, meer een achterslop dan eene straat, en er was niemand dan zij zelve en die oude vrouw.

“Gij behoeft nu niet meer bang te zijn,” zeide de oude vrouw, haar nog stijf vasthoudende. “Kom maar met mij mee.”—“Ik—ik ken u niet. Hoe heet gij?” zeide Florence.—“Vrouw Brown,” zeide de vrouw. “Goede vrouw Brown.”—“Zijn zij dichtbij?” vroeg Florence medegaande.—“Suze is niet ver weg,” zeide vrouw Brown; “en de anderen zijn dicht bij haar.”—“Is er iemand bezeerd?” vroeg Florence schreiende.—“Wel neen, geheel niet,” antwoordde vrouw Brown.

Florence schreide tranen van blijdschap toen zij dit hoorde, en ging daarop gewillig met de oude vrouw mede; schoon zij niet kon nalaten haar nu en dan in het gezicht te zien—vooral naar dien bewegelijken mond—en zich te verwonderen of Kwade Vrouw Brown, als er zoo iemand was, ook eenigszins op haar geleek.

Zij hadden nog niet ver gegaan, maar waren toch reeds eenige leelijke onaangename plaatsen, zooals steen- en pannenbakkerijen, voorbijgekomen, toen de vrouw een laantje insloeg, waar de modder zoo hoog lag dat men er slechts met moeite doorheen kon. Zij bleef staan voor een armoedig huisje, zoo dicht gesloten als een huisje vol spleten en scheuren maar zijn kon. De deur openende met een sleutel, dien zij uit haar hoed haalde, duwde zij het kind voor zich uit naar eene achterkamer, waar op den vloer eene groote hoop vodden van allerlei kleur lag, met twee kleinere hoopen beenderen en sintels; maar er was in het geheel geen huisraad, en de muren en de zolder waren even zwart als de vloer.

Florence schrikte zoodanig dat zij de spraak verloor en scheen te zullen flauwvallen.

“Kom, wees nu niet ezelachtig,” zeide Goede Vrouw Brown, haar met schudden bijhelpende. “Ik zal je geen zeer doen. Ga op die vodden zitten.”

Florence gehoorzaamde en stak stil smeekend hare gevouwene handjes op.

“Ik zal u niet houden, zelfs geen uur lang,” zeide vrouw Brown. “Verstaat ge wat ik zeg?”

Het kind antwoordde met groote moeite: “Ja!”

“Maak mij dan niet kwaad,” zeide Goede Vrouw Brown, zelve op de beenderen plaats nemende. “Als ge dat niet doet, zeg ik u dat ik u geen zeer zal doen. Maar als ge dat doet, zal ik u vermoorden. Ik had u altijd kunnen vermoorden, al waart ge in uw eigen bed. Laat nu hooren wie ge zijt en wat ge zijt, en alles.”

De dreigementen en beloften der oude vrouw, de vrees om haar boos te maken, en de gewoonte, zeldzaam bij een kind, maar bij Florence reeds bijna natuurlijk, om zich stil te houden en te smoren wat zij gevoelde, vreesde en hoopte, waren oorzaak dat het haar mogelijk was dit bevel te gehoorzamen, en hare geschiedenis, of wat zij daarvan wist, te vertellen. Vrouw Brown luisterde oplettend tot zij gedaan had.

“Dus heet gij Dombey, he?” zeide vrouw Brown.—“Ja, jufvrouw.”—“Ik wou dat mooie jurkje hebben, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Goede Vrouw Brown, “en dat hoedje, en een paar rokjes, en wat ge nog meer kunt missen. Kom aan! Trek uit!”

Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. Toen zij zich van al de genoemde kleedingstukken had ontdaan, keek vrouw Brown die op haar gemak na, en scheen tamelijk wel met de waarde daarvan tevreden.

“Hm!” zeide zij, hare oogen over het tengere figuurtje latende heengaan. “Nu zie ik niets meer—behalve de schoenen. Ik moet die schoentjes hebben, jonge jufvrouw Dombey.”

De arme Florence trok ze even gewillig uit, maar al te blijde dat zij nog middelen had om haar tevreden te stellen. De oude vrouw zocht nu uit den hoop vodden het een en ander op, dat in de plaats van het afgelegde kon dienen—een paar ellendige schoenen, een meisjes manteltje, zeer oud en versleten, en het ineengeknepen overschot van een hoed, waarschijnlijk van een mesthoop opgeraapt. Met dezen fraaien opschik beval zij Florence zich te kleeden; en daar dit de voorbereiding tot hare loslating scheen te zullen zijn, gehoorzaamde het kind, zoo mogelijk, met nog meer gewilligheid dan te voren. Toen zij haastig den zoogenaamden hoed opzette, bleef deze in hare welige haren hangen, en kon zij hem niet zoo spoedig los krijgen. Goede Vrouw Brown haalde dadelijk eene groote schaar uit en sloeg tot eene onverklaarbare opgewondenheid over.

“Waarom kondt ge mij niet met vrede laten, toen ik tevreden was? Gij zottinnetje!” zeide zij.—“Neem het mij niet kwalijk. Ik weet niet wat ik gedaan heb,” bracht Florence uit. “Ik kon het niet helpen.”—“Kon het niet helpen,” riep vrouw Brown. “En ik kan het ook niet helpen, en niet laten ook. Wel Heere,” vervolgde zij, met woedend genot in hare krullen woelende, “een ander dan ik zou ze allereerst hebben afgeknipt.”

Florence was zoo blijde dat vrouw Brown slechts op hare haren en niet op haar hoofd belust was, dat zij geen tegenstand bood en om geene verschooning bad, maar alleen hare zachte oogen naar die goede ziel opsloeg.

“Als ik niet zelve eens eene dochter had gehad—nu over zee—die grootsch op hare haren was,” zeide vrouw Brown, “zou ik alles hebben afgeknipt. Zij is ver weg, ver weg! O ho! O ho!”

De jammerkreet van vrouw Brown was niet welluidend, maar, evenals het woeste slingeren met hare magere armen, vol hartstochtelijke smart, en deed Florence opnieuw schrikken en aan het schreien gaan. Dit droeg er evenwel misschien toe bij om hare krullen te redden; want nadat vrouw Brown hare schaar, gelijk een nieuwe soort van vlinder, een oogenblik daarboven had laten zweven, beval zij haar ze onder den hoed weg te stoppen, zoodat er niets van te zien was om haar te verzoeken. Nadat zij deze zelfoverwinning had behaald, hernam vrouw Brown hare plaats op de beenderen en ging een zeer kort zwart pijpje zitten rooken, aanhoudend mummelende, alsof zij den steel opat.

Toen de pijp was uitgerookt, gaf zij het meisje een konijnevel te dragen, om haar meer den schijn van een harer gewone geleidsters te geven, en zeide haar toen dat zij haar nu ergens op straat zou brengen, van waar zij den weg naar hare familie kon vragen. Maar zij waarschuwde haar, met dreigementen van doodelijke wraak in geval van ongehoorzaamheid, om tegen geene vreemdelingen te spreken en niet naar haar eigen huis te gaan, (hetwelk vrouw Brown misschien te dichtbij vond) maar naar haar vader in de stad; en om ook op den hoek van de straat, waar zij zou gelaten worden, te blijven staan tot het drie uur sloeg, met verzekering dat er geduchte oogen en ooren zouden zijn, die alles zouden zien en hooren wat zij deed; en Florence beloofde trouw en oprecht te zullen gehoorzamen.

Eindelijk ging vrouw Brown de deur uit en bracht haar geheel veranderd en in vodden gewikkeld vriendinnetje door een doolhof van nauwe straatjes en stegen, die na langen tijd op een stalplein uitliepen, met eene poort aan het einde, waardoor men het gerucht eener drukke straat hoorde. Vrouw Brown wees naar deze poort en onderrichtte Florence, dat zij, als de klokken drie sloegen, linksaf moest gaan, pakte nog eens hare haren, hetgeen zij niet scheen te kunnen laten, en zeide dat zij nu wist wat zij doen moest, en dat maar moest doen, en onthouden dat er op haar gelet werd.

Met een lichter hart, maar toch nog bang, voelde Florence zich losgelaten en trippelde naar den hoek. Toen zij daar gekomen was keek zij om, en zag het hoofd der Goede Vrouw Brown uit het houten gangetje turen, waar zij hare laatste bevelen had gegeven, en ook de vuist der Goede Vrouw Brown haar dreigend toehouden. Maar hoewel zij naderhand nog dikwijls omkeek—elke minuut ten minste, in haar zenuwachtigen angst voor de oude vrouw—kon zij haar niet weerzien.

Florence bleef daar staan, naar het gewoel op straat kijkende en al meer en meer daardoor verbijsterd; en ondertusschen schenen de klokken zich te hebben voorgenomen om nooit meer drie te slaan. Eindelijk klonken de drie slagen van de kerktorens; er was er eene dichtbij, zoodat zij zich niet kon bedriegen; en na dikwijls over haar schouder te hebben omgekeken, een eindje te zijn voortgegaan en weder teruggekomen, uit vrees dat de geduchte spionnen van vrouw Brown het nog kwalijk mochten nemen—snelde zij voort, met zooveel spoed als hare wijde schoenen toelieten en met het konijnevel stijf in de hand geklemd.

Al wat zij van haar vaders kantoor wist was, dat het aan Dombey en Zoon behoorde, en iets zeer voornaams in de City was. Zij kon dus slechts den weg naar Dombey en Zoon in de City vragen; en daar zij deze vraag doorgaans aan kinderen deed—dewijl zij bang was om volwassen menschen aan te spreken—kreeg zij zeer weinig inlichting. Door echter na eenigen tijd alleen naar de City te vragen, en vooreerst het overige harer vraag achterwege te laten, kwam zij werkelijk langzamerhand nader bij het hart van dat uitgestrekte gebied, dat door den geduchten Lord Mayor wordt geregeerd.

Moede van het loopen, telkens geduwd en gestooten, versuft door het rumoer en gewoel, angstig over haar broertje, de min en hare oppasster, onthutst door hetgeen zij had doorgestaan, benauwd om haar vader in zulk een veranderden toestand onder de oogen te komen; verschrikt evenzeer door hetgeen er was omgegaan, nu nog omging, en zij nog voor zich had, zwoegde Florence met de oogen vol tranen voort, en kon niet nalaten een paar malen te blijven stilstaan en haar barstend hart te verlichten door bitterlijk te schreien. Slechts weinige menschen gaven dan acht op haar, in de kleeding die zij droeg; of zoo zij dit al deden, dachten zij dat zij was afgericht om medelijden te wekken en gingen voorbij. Florence riep ook al de vastheid te hulp van een karakter, dat hare droevige ondervinding reeds vroeg gevormd en gehard had, en hield onafgewend haar doel in het oog.

Het was twee volle uren later in den namiddag dan toen zij op haar avontuurlijken tocht was uitgegaan, toen zij, het gewoel en gerucht eener smalle straat vol karren en wagens ontwijkende, eene soort van werf of landingplaats aan den waterkant opkeek, waar eene menigte balen, kisten en vaten verstrooid lagen, bij eene groote houten schaal en een houten huisje op wielen, waar buiten een zwaarlijvig man, met eene pen achter het oor en de handen in de zakken, fluitend naar de masten en booten in de nabijheid stond te kijken, alsof zijn dagwerk haast gedaan was.

“Wat moet ge?” zeide de man, toevallig omkijkende.—“Wij hebben hier niets voor u, kind. Maak maar dat ge weg komt.”—“Neem mij niet kwalijk, is dit de City?” vroeg het bevende dochtertje der Dombey’s.—“Ja zeker de City. Dat weet ge ook wel. Ga maar heen. Wij hebben hier niets voor u.”—“Ik wil ook niets hebben—wel bedankt,” was het bedeesde antwoord. “Behalve dat ik den weg naar Dombey en Zoon wilde weten.”

De man, die onverschillig naar haar was toe gekomen, scheen verwonderd over dit antwoord, en haar oplettend aanziende, zeide hij:

“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”

De man keek haar nog eens aan, en wreef in zijne verwondering zijn achterhoofd zoo hard dat hij zijn eigen hoed afstiet.

“Jo!” riep hij een ander man toe—een werkman—terwijl hij zijn hoed opraapte.—“Wat moet Jo?” zeide deze.—“Waar is dat jonge maatje van Dombey, die naar het inladen van dat goed heeft gezien?”—“Gaat daar net heen, de andere poort uit.”—“Roep hem eens even terug.”

Jo liep de poort uit, luidkeels roepende, en kwam weldra terug met een frisschen lustigen knaap.

“Gij zijt immers een snaphaan van Dombey, niet waar?” zeide de eerste man.—“Ik ben bij Dombey op het kantoor, mijnheer Clark,” antwoordde de knaap.—“Zie dan eens hier.”

Mijnheer Clark wees met de hand naar Florence, en de knaap kwam naar haar toe, zich verwonderende, gelijk hij wel mocht, wat hij met haar kon te maken hebben. Maar zij, die de woordenwisseling had gehoord, en behalve de verademing dat zij zich zoo onverwacht veilig en aan het eind van haar tocht mocht achten, zich door het levendige en jeugdige van zijn gezicht en stem geheel gerustgesteld gevoelde, kwam met drift naar hem toeloopen, waarbij een van hare wijde schoenen op den grond bleef liggen, en vatte zijne hand met hare beide handjes.

“Ik ben weggeraakt, als ’t u belieft,” zeide Florence.—“Weggeraakt!” riep de knaap uit.—“Ja, van morgen ben ik weggeraakt, heel ver van hier—en toen heeft men mij mijne kleeren afgenomen—en ik heb nu mijne eigene kleeren niet aan—en ik heet Florence Dombey, de eenige zuster van mijn broertje—en och, och, bezorg mij toch weerom!” snikte Florence, de kinderlijke aandoeningen, die zij zoolang gesmoord had, lucht gevende en in tranen uitbarstende. Te gelijk viel haar leelijke hoed af, en kwamen hare krullende lokken over haar gezichtje rollen, waardoor de jonge Walter, neef van Samuel Gills, den scheepsinstrumentmaker, tot sprakelooze bewondering en even sprakeloos medelijden werd bewogen.

Mijnheer Clark stond verbaasd en zeide binnensmonds dat hij daar op de werf nog nooit zoo iets beleefd had. Walter raapte den schoen op en stak hem aan het voetje, gelijk de prins in het sprookje Asschepoetsters muiltje mocht hebben aangestoken. Hij hing het konijnevel over zijn linkerarm, gaf zijn rechter aan Florence; en het was hem te moede, niet gelijk Richard Whittington—dat is eene lamme vergelijking—maar gelijk Sint George van Engeland, toen de draak dood voor hem lag.

“Schrei toch niet, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter in eene vlaag van geestverrukking. “Hoe gelukkig voor mij dat ik hier ben! Ge zijt nu zoo veilig alsof gij door een heelen troep uitgelezen volk van een oorlogsschip werdt bewaakt. O schrei toch niet.”—“Ik zal niet meer schreien,” zeide Florence. “Ik schrei maar van blijdschap.”—“Schreien van blijdschap!” dacht Walter. “En ik ben de oorzaak daarvan! Kom nu maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Daar valt de andere schoen! Neem de mijne, jonge jufvrouw Dombey.”—“Neen, neen,” zeide Florence, hem stuitende toen hij driftig zijne schoenen wilde uittrekken. “Deze zijn beter. Deze zijn heel goed.”—“Wel zeker ook,” zeide Walter, naar haar voetje ziende: “de mijne zijn veel te groot. Waar denk ik aan. Gij zoudt de mijne niet kunnen aanhouden. Kom maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Laat ik nu den deugniet eens zien, die u durft molesteeren.”

Zoo leidde Walter, met een geweldig fier gezicht, Florence voort, wier gezichtje zeer vergenoegd stond; en zij gingen arm in arm langs de straten, geheel onverschillig voor de verbazing die hun voorkomen kon veroorzaken.

Het werd donker en mistig, en begon ook te regenen; maar zij gaven hier niet om, daar zij beiden geheel in de avonturen van Florence verdiept waren, welke zij met de onschuldige oprechtheid en vertrouwelijkheid harer jaren vertelde, terwijl Walter luisterde alsof zij, ver van den modder van Thames-Street, onder de breede bladeren en hooge boomen van een onbewoond eiland tusschen de keerkringen wandelden—gelijk hij zich waarschijnlijk wel verbeeldde dat zij deden.

“Hebben wij nog ver te gaan?” zeide Florence eindelijk, hare oogen naar haar metgezel opslaande.—“Ja, dat is ook waar!” zeide Walter stilstaande, “laat eens zien. Waar zijn wij? O, ik weet het al. Maar het kantoor is nu gesloten, jonge jufvrouw Dombey. Daar is niemand meer. Mijnheer Dombey is al lang naar huis. Ik denk dat wij dus ook maar naar huis moeten gaan. Of wacht. Als ik u eens naar mijn oom bracht, waar ik woon—dat is heel dichtbij—en dan met eene koets naar uw huis reed om hun te zeggen dat ge veilig zijt, en wat kleeren voor u te halen. Zou dat niet best wezen?”—“Ik denk wel ja,” antwoordde Florence. “Gij ook niet? Wat denkt gij?”

Terwijl zij op straat stonden raad te nemen, kwam er iemand aan, die in het voorbijgaan snel naar Walter omkeek, alsof hij hem herkende, maar van die eerste gedachte scheen terug te komen, en zonder zich op te houden verder ging.

“Wel, ik geloof dat daar mijnheer Carker is,” zeide Walter. “Carker van ons kantoor. Niet Carker de chef. Jonge jufvrouw Dombey—de andere, Carker junior. Heila, mijnheer Carker!”—“Is dat Walter Gay?” zeide de ander, omkeerende en terugkomende. “Ik kon het niet gelooven, met zulk vreemd gezelschap.”

Toen hij bij eene lantaren stond en met verwondering naar Walter’s haastige opheldering luisterde, vormde hij een opmerkelijk contrast met de twee jeugdige gedaanten, die zoo gearmd voor hem stonden. Hij was niet oud, maar zijn haar was grijs; zijn rug was gekromd of gebogen, als ware het door den druk van een zwaar verdriet, en diepe rimpels kenteekenden zijn vervallen gezicht. De glans zijner oogen, de uitdrukking zijner trekken, zelfs de stem waarmede hij sprak, alles was gedoofd en gesmoord, alsof de geest in zijn binnenste tot asch was verteerd. Hij was fatsoenlijk hoewel zeer eenvoudig gekleed, in het zwart; maar zijne kleeren schenen het karakter van geheel zijne gestalte aan te nemen, zich aan zijn lijf in te krimpen en te verlagen, en zich te vereenigen in de droevige bede, welke de geheele man van het hoofd tot de voeten uitsprak, dat men hem maar onopgemerkt zou laten, en alleen in zijne nederigheid.

En toch was zijne belangstelling in jeugd en levenslust niet uitgedoofd met de andere vonken zijner ziel, want hij sloeg het ernstige gezicht van den knaap, terwijl hij sprak, met innige deelneming gade, hoewel met zekere onrust en een even onverklaarbaar medelijden, dat zich in zijne blikken vertoonde, hoeveel moeite hij ook deed om het te ontveinzen. Toen Walter hem ten slotte dezelfde vraag deed, die hij Florence had gedaan, bleef hij hem nog met dezelfde uitdrukking staan aanzien, alsof hij op zijn gezicht een dreigend noodlot las, dat in droevige tegenspraak met zijne tegenwoordige helderheid stond.

“Wat zoudt gij raden, mijnheer Carker?” zeide Walter met een glimlach. “Gij geeft mij altijd goeden raad, weet ge wel, als gij met mij spreekt; dat evenwel niet dikwijls is.”—“Ik houd uwe eigene gedachte voor de beste,” antwoordde hij, en liet zijne oogen tusschen Florence en Walter heen en weder gaan.—“Mijnheer Carker,” zeide Walter, door eene edelmoedige gedachte in vuur gebracht. “Kom aan! Daar is een kansje voor u. Ga gij naar mijnheer Dombey en wees de bode van goede tijding. Dat zal u misschien voordeel doen, mijnheer. Ik zal thuis blijven. Gij moet gaan.”—“Ik!” zeide de ander.—“Ja. Waarom niet, mijnheer Carker?” hervatte de knaap.

Tot antwoord drukte hij hem slechts de hand; hij scheen eenigszins beschaamd en bevreesd om zelfs dit te doen; en hem goeden avond wenschende en nogmaals aanradende om haast te maken, ging hij heen.

“Kom aan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter, hem nog even nakijkende, “nu zullen wij maar zoo gauw als wij kunnen naar mijn oom gaan. Hebt gij ooit mijnheer Dombey van mijnheer Carker junior hooren spreken, jonge jufvrouw Florence?”—“Neen,” antwoordde het kind zachtzinnig. “Ik hoor papa niet dikwijls spreken.”—“Wel waar, en wel schande voor hem,” dacht Walter.

Na het lieve geduldige gezichtje naast hem eene poos te hebben aangezien, zocht hij met zijne gewone levendigheid naar een ander onderwerp; en daar juist een van die ongelukkige schoenen weder uitging, stelde hij Florence voor om haar in zijne armen naar zijn oom te dragen. Florence, hoewel zeer vermoeid, wees dit voorstel lachend af, uit vrees, gelijk zij zeide, dat hij haar zou laten vallen; en daar zij reeds dicht bij den houten adelborst waren, en Walter verscheidene voorbeelden aanhaalde van schipbreuken en andere ongelukken, waarbij jongere knapen dan hij oudere meisjes dan Florence hadden gered en zegevierend weggedragen, waren zij nog levendig in gesprek toen zij de deur des instrumentmakers bereikten.

“Heila, oom Sam!” riep Walter, den winkel binnenstuivende, en van dien tijd af, zoolang de avond duurde, zeer afgebroken en kortademig sprekende. “Daar is een verbazend avontuur! Daar is mijnheer Dombey’s dochtertje op straat verdwaald en van hare kleeren beroofd door eene oude heks van een wijf—door mij gevonden—en naar huis gebracht om te rusten—kijk maar!”—“Goede hemel!” zeide oom Sam, terugdeinzende tegen zijn liefste kompaskistje aan. “Is het mogelijk! Wel, ik...”—“Neen, en niemand anders ook,” zeide Walter, het overige voorkomende. “Dat zou ook niemand, en kon ook niemand. Hier, help mij eens even dat kanapeetje bij het vuur schuiven, als ge wilt, oom Sam—pas op voor de borden—snijd vast wat vleesch voor haar, wilt ge wel, oom Sam—gooi die schoenen maar onder den haard, jonge jufvrouw Florence—zet uwe voeten op den rand te drogen—wat zijn ze vochtig—dat is een avontuur, niet waar, oom?—Wel mijn tijd, wat ben ik warm!”

Samuel Gills was even warm geworden, en ongemeen verbijsterd bovendien. Hij klopte Florence zachtjes op het hoofd, drong haar om te eten en te drinken, wreef hare voetzolen met zijn voor het vuur gewarmden zakdoek, volgde zijn beweeglijken neef met oogen en ooren, en had geen duidelijk begrip van iets, behalve dat die opgewonden jonge heer gedurig tegen hem aanliep, terwijl hij door de kamer heen en weer stoof om twintig dingen te gelijk te doen en eigenlijk geheel niets uitvoerde.

“Hier, wacht een oogenblikje, oom,” vervolgde hij, eene kaars opnemende, “tot ik naar boven loop en een ander buis aantrek; en dan vlieg ik voort. Zeg toch eens oom, is dat geen avontuur?”—“Mijn beste jongen,” zeide Samuel, die zich, met den bril op het voorhoofd, gedurig heen en weder draaide tusschen Florence op het kanapeetje en zijn neef die overal in de kamer te gelijk scheen te zijn, “het is het buitengewoonste...”—“Neen maar, oom, maak toch—toe, jonge jufvrouw Florence—eten, oom, weet ge!”—“Ja, ja, ja!” zeide Samuel, en begon terstond van een schapenbout te snijden, alsof de portie voor een reus bestemd was. “Ik zal wel voor haar zorgen, Walter. Ik begrijp het wel. Het lieve kind! Uitgehongerd, natuurlijk. Maak u maar gauw klaar! Wel Heere, Heere! Sir Richard Whittington, driemaal Lord Mayor van Londen!”

Het duurde niet lang of Walter was naar zijn zolderkamertje geloopen en weder beneden; maar ondertusschen was Florence, door vermoeienis overweldigd, toch voor het vuur ingesluimerd. Die korte poos van stilte, schoon zij maar weinig minuten duurde, stelde Samuel Gills in staat zijne zinnen in zooverre bijeen te halen dat hij eenige schikkingen voor haar gemak bedacht, de kamer donkerder maakte en haar voor den gloed van het vuur beschutte. Toen de knaap terugkwam lag zij dus gerust te slapen.

“Dat is heerlijk!” fluisterde hij, Samuel zoodanig in zijne armen knellende, dat hij op het gezicht des ouden mans eene geheel nieuwe uitdrukking perste. “Nu loop ik heen. Ik zal maar even een stuk brood nemen, want ik heb een geweldigen honger—en—maak haar vooral niet wakker, oom Sam.”—“Neen, neen,” zeide Samuel. “Lief kind!”—“Hoe lief, niet waar!” riep Walter uit. “Ik heb nooit zulk een gezichtje gezien, oom Sam. Nu loop ik heen.”—“Heel goed,” zeide Samuel, met groote verademing.—“Zeg eens, oom Sam!” zeide Walter, zijn hoofd weder binnenstekende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Hoe ziet zij er nu uit?”—“Heel vergenoegd,” zeide Samuel.—“Allerbest. Nu loop ik heen.”—“Ik hoop van ja,” zeide Samuel bij zich zelven.—“Zeg eens, oom Sam,” riep Walter, nog eens voor de deur komende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Wij zijn mijnheer Carker junior op straat tegengekomen, nog wonderlijker dan ooit. Hij zeide mij goedendag, maar ging ons toch na—dat is het rare!—want toen wij hier aan de deur kwamen, keek ik om en zag hem stilletjes heengaan, evenals een knecht die mij had thuis gebracht, of als een trouwe hond. Hoe ziet zij er nu uit, oom?”—“Zoo wat eveneens als te voren, Walter,” antwoordde Samuel.—“Goed zoo! Nu loop ik heen.”

Ditmaal deed hij dit werkelijk, en Samuel Gills, die geen trek had om te eten, bleef bij het vuur Florence in haar sluimer zitten bewaken en eene menigte allergrilligste luchtkasteelen bouwen, zoodat hij er in het schemerlicht en in de nabijheid van al die instrumenten uitzag als een toovenaar, met eene gepoeierde pruik en een koffiebruin lakensch pak vermomd, die het kind in een tooverslaap hield geboeid.

Ondertusschen reed Walter naar het huis van Dombey met een spoed gelijk een huurkoetsiers paard maar zelden maakt, en toch stak hij elke twee of drie minuten zijn hoofd uit het portier om den koetsier eene ongeduldige aanmaning te geven. Aan het eind van zijn tocht gekomen, sprong hij af, gaf den knecht, nog buiten adem van het haasten, zijne boodschap en volgde hem op den voet naar de bibliotheek, waar eene groote verwarring van tongen heerschte, en waar mijnheer Dombey, zijne zuster, jufvrouw Tox, Richards en Suze Nipper op dat oogenblik allen bij elkander waren.

“O, neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Walter, naar hem toestuivende; “maar ik ben zoo blij dat ik u kan zeggen dat alles wel is, mijnheer. Jonge jufvrouw Dombey is gevonden!”

De knaap met zijn rondborstig gezicht, zijne zwierende haren en schitterende oogen, hijgende van blijdschap en aandoening, vormde een verbazend contrast met Dombey, die in zijn leuningstoel tegenover hem zat.

“Ik heb u wel gezegd, Louise, dat zij zeker gevonden zou worden,” zeide Dombey, even over zijn schouder naar die dame omziende, die in gezelschap van jufvrouw Tox zat te schreien. “Laat de bedienden weten dat er verder geene moeite noodig is. Deze knaap, die mij het bericht brengt, is de jonge Gay, van het kantoor. Hoe is mijne dochter gevonden, mijnheer? Ik weet hoe zij is weggeraakt.” Hier zag hij majestueus naar Richards om. “Maar hoe is zij gevonden? Wie heeft haar gevonden?”—“Wel, ik geloof dat ik jonge jufvrouw Dombey zoo goed als gevonden heb, mijnheer,” zeide Walter zeer bescheiden; “ten minste, ik weet niet of ik mij wel de verdienste kan geven dat ik haar eigenlijk gevonden heb, maar ik was toch het gelukkige werktuig om...”—“Wat meent gij er mee, mijnheer?” viel Dombey hem in de rede, die de zichtbare blijdschap en trotschheid des jongelings over zijn aandeel in het gebeurde met instinctmatig misnoegen beschouwde, “dat gij mijne dochter niet eigenlijk gevonden hebt en toch het gelukkige werktuig zijt? Wees duidelijk en geregeld, als het u belieft.”

Geregeld te wezen was geheel boven Walter’s vermogen; maar hij maakte zich toch zoo duidelijk als hij in zijn ademloozen toestand kon, en vermeldde de redenen waarom hij alleen gekomen was.

“Gij hoort dit, meisje?” voegde Dombey de zwartoogige met barschheid toe. “Neem wat er noodig is, en ga dadelijk met dit jonge mensch mee om Florence naar huis te halen. Gay, gij zult morgen beloond worden.”—“O, ik dank u wel, mijnheer,” zeide Walter. “Gij zijt wel goed. Ik heb waarlijk aan geene belooning gedacht, mijnheer.”—“Gij zijt nog een jongen,” zeide Dombey stroef, bijna toornig, “en waar gij aan denkt of zegt te denken is van weinig belang. Gij hebt wel gedaan, mijnheer. Bederf het niet weder. Louise, wees zoo goed om hem een glas wijn te geven.”

Dombey’s blik volgde Walter Gay met bitter ongenoegen, toen hij onder het geleide van mevrouw Chick de kamer verliet; en misschien volgden de oogen van zijn geest hem met geen grooter welgevallen, toen hij met Suze Nipper naar zijn oom terugreed.

Daar vonden zij dat Florence, door het slapen zeer verkwikt, reeds gegeten had, en ook reeds beter met Samuel Gills kennis had gemaakt, met wien zij nu zeer gemeenzaam en vertrouwelijk praatte. De zwartoogige (die zooveel geschreid had, dat zij nu wel de roodoogige mocht genoemd worden, en zeer stil en neerslachtig was) sloot haar zonder een woord van bestraffing of verwijt in hare armen, en maakte de ontmoeting tot een zeer zenuwachtig tooneel. Toen het winkelkamertje voor behulp tot eene toiletkamer makende, kleedde zij Florence zeer zorgvuldig in hare eigene kleeren, en was toen gereed om haar weg te brengen, zoo gelijk aan eene Dombey als zij, met hare natuurlijke ongeschiktheid daartoe, kon gemaakt worden.

“Goeden nacht!” zeide Florence, naar Samuel toeloopende. “Ge zijt heel goed voor mij geweest.”

De oude Sam was opgetogen en kuste haar als een grootvader.

“Goeden nacht, Walter!” zeide Florence toen.—“Goeden nacht!” zeide Walter, haar beide handen gevende.—“Ik zal u nooit vergeten,” vervolgde Florence. “Neen, waarlijk, dat zal ik nooit. Goeden nacht, Walter!”

In de onschuld van haar dankbaar hart lichtte zij haar gezichtje naar het zijne op. Walter boog zijn hoofd, en toen hij het weder ophief, was hij gloeiend rood en keek hij om naar zijn oom Sam, met een zeer schaapachtig gezicht.

“Waar is Walter?—Goeden nacht, Walter!—Dag Walter!—Nog eens de hand, Walter!” Zoo riep Florence nog toen zij reeds met Suze in de koets zat. En toen de koets eindelijk voortreed, beantwoordde Walter op de stoep vroolijk het wuiven van haar zakdoek, terwijl de houten adelborst, even als hij, alleen op die koets scheen te letten, en alle andere voorbijrijdende koetsen van zijne observatiën uit te sluiten.

Na verloop van tijd bereikte men wederom het huis van Dombey, en wederom heerschte het verwarde gerucht van tongen in de bibliotheek. Wederom ook werd den koetsier gelast te wachten—“voor vrouw Richards,” fluisterde een van Suze’s mededienstboden haar onheilspellend toe, toen zij met Florence voorbijging.

Het binnenkomen van het verloren kind veroorzaakte eenige beweging, maar niet veel. Haar vader, die haar nooit gevonden had, gaf haar een kus op het voorhoofd, en waarschuwde haar om niet weder weg te loopen of met ontrouwe dienstboden ergens heen te gaan. Mevrouw Chick staakte hare jammerklachten over de bedorvenheid der menschelijke natuur, zelfs wanneer zij door een Liefdadigen Slijper naar het pad der deugd werd gewenkt; en ontving haar met eene welkomst, een weinig minder dan die welke alleen aan volmaakte Dombey’s toekwam. Jufvrouw Tox regelde hare aandoeningen naar de modellen die zij voor zich had. Richards alleen stortte haar hart in afgebrokene woorden van welkomst uit, en boog zich over het weggedwaalde hoofdje alsof zij het waarlijk liefhad.

“O Richards!” zeide mevrouw Chick met een zucht. “Het zou diegenen, die gaarne goed over hunne evennaasten denken, veel meer voldoening hebben gegeven, en u veel beter hebben gestaan, als gij bijtijds behoorlijk gevoel hadt getoond voor het kind, dat nu ontijdig van zijn natuurlijk voedsel zal beroofd worden.”—“Afgesneden,” zeide jufvrouw Tox met een klagend gefluister, “van eene gemeenschappelijke bron.”—“Als het mijn geval was, dat ik zoo ondankbaar was geweest,” zeide mevrouw Chick plechtig, “en ik zoo denken moest als gij, Richards, zou het mij wezen alsof de kleeding van de Liefdadige Slijpers mijn kind ongeluk zou aanbrengen en de opvoeding van die instelling het zou doen stikken.”

Wat dat betrof—maar mevrouw Chick wist het niet—die kleeding had hem al genoeg kwaad gedaan, en ook de opvoeding kon door den tijd aan hare wraakzucht beantwoorden, want zij was een gestadig onweder van slaan en huilen.

“Louise,” zeide Dombey. “Het is niet noodig die aanmerkingen voort te zetten. De vrouw heeft haar ontslag en is betaald. Gij verlaat dit huis, Richards, omdat gij mijn zoon—mijn zoon,” hij herhaalde die twee woorden met nadruk, “naar plaatsen en in gezelschap hebt gebracht, waaraan men niet zonder huiveren kan denken. Wat het ongeluk aangaat, dat jonge jufvrouw Florence dezen morgen getroffen heeft, dit beschouw ik, in één gewichtig opzicht, als eene gelukkige omstandigheid; dewijl ik zonder die gebeurtenis nooit had kunnen vernemen—en dat wel uit uw eigen mond—waaraan gij u hadt schuldig gemaakt. Ik denk, Louise, dat de andere, dat meisje,” hier snikte jonge juffer Nipper hardop, “daar zij zooveel jonger, en natuurlijk door de min van Paul verleid is, wel blijven kan. Wees zoo goed om te zorgen dat de koets voor die vrouw betaald wordt tot aan—” hier haperde hij voor een oogenblik eer hij met walgenden tegenzin vervolgde, “tot aan Staggs’s Gardens.”

Polly ging naar de deur, terwijl Florence haar bij haar kleed vasthield en haar op de aandoenlijkste manier toeriep om toch niet heen te gaan. Het was een dolksteek in het hart van haar trotschen vader, een pijl door zijn brein, te zien hoe vleesch en bloed, dat hij niet verloochenen kon, zich aan deze geringe vreemde hechtte, terwijl hij daarbij zat. Niet dat hij er om gaf tot wien zijne dochter zich keerde, of van wien zij zich afkeerde. De gedachte die hem door de ziel sneed was, wat zijn zoon eens zou kunnen doen.

Zijn zoon schreeuwde en huilde dien nacht, in allen gevalle, luidkeels. Om de waarheid te zeggen, de arme Paul had eene betere reden voor zijne tranen dan zonen van dien ouderdom dikwijls hebben, want hij had zijne tweede moeder verloren—zijne eerste zooveel hij wist—door een slag even plotseling als het verlies dat het begin van zijn leven had verdonkerd. Door denzelfden slag had zijne zuster, die zich zoo droevig in slaap schreide, ook eene even goede en trouwe vriendin verloren. Maar dit is geheel buiten bedenking. Laten wij daarover geene woorden verspillen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

VII

EEN BLIK IN DE WONING VAN JUFVROUW TOX, ALSMEDE IN DEN STAAT VAN HAAR GEMOED.

Jufvrouw Tox bewoonde een donker huisje, dat, in een of ander verwijderd tijdperk der Engelsche geschiedenis, in eene aanzienlijke buurt van het West einde der stad was ingeschoven, waar het in de schaduw stond als eene arme nabestaande der groote straat om den hoek, en de trotsche huizen daar er met koude minachting op neerzagen. Het was niet juist in een hofje, en niet juist in een slop, maar het was in den stilsten van alle doodloopende inhammen, gedurig verontrust door het aankloppen aan de voorname huizen in de verte. De naam dezer afgelegene plek, waar het gras tusschen de steenen groeide, was Princess’s Place. Men had daar een kerkje met eene tinkelende klok, waar somtijds op een zondag wel vijf en twintig menschen den dienst bijwoonden, en eene herberg, die veel door prachtige lakeien werd bezocht. Binnen het hek voor die herberg stond een draagstoel, dien men echter zoolang iemand heugde nog nooit daar vandaan had zien komen; en op een fraaien ochtend was elke punt van dat hek (er waren er acht en veertig, gelijk jufvrouw Tox dikwijls geteld had) met eene tinnen kan versierd.

Er was nog een gesloten huis behalve dat van jufvrouw Tox in Princess’s Place, om niet van eene ontzaglijke dubbele deur te spreken, met een ontzaglijk paar leeuwenkoppen als kloppers daarop, die nooit geopend werd en voor den ongebruikten ingang van iemands stal werd gehouden. Inderdaad had de lucht van Princess’s Place een reuk van stallingen; en de slaapkamer van jufvrouw Tox, die achter in huis was, had het uitzicht op een pleintje, waarop stalknechts, met wat voor werk ook bezig, zich daarbij gedurig met bruisende geluiden accompagneerden, en waar de huiselijkste en geheimste kleedingstukken van koetsiers en hunne vrouwen en kinderen gewoonlijk, gelijk de banieren van Macbeth, aan de muren uithingen.

In dat andere gesloten huis in Princess’s Place, door een gewezen bottelier bewoond, die eene huishoudster had getrouwd, werden gemeubileerde kamers verhuurd aan een nog ongetrouwd heer, namelijk aan een majoor, met een houten gezicht van blauwe kleur, en uit het hoofd puilende oogen, in wien jufvrouw Tox, gelijk zij het uitdrukte, “iets zoo echt militairs” ontdekte; en tusschen wien en haar zelve nu en dan eene uitwisseling van nieuwsbladen, vlugschriften en dergelijke Platonische galanterieën plaats had, door tusschenkomst van een bruinen knecht van den majoor, wien jufvrouw Tox zich vergenoegde een “inboorling” te noemen, zonder daaraan eenig geographisch denkbeeld hoegenaamd te verbinden.

Misschien is er nooit een kleiner voorhuis en trap geweest dan het voorhuis en de trap van jufvrouw Tox. Misschien was er over het geheel geen ongemakkelijker huisje in Engeland; maar dan, zeide jufvrouw Tox, welk een stand! Er was in den winter zeer weinig daglicht te krijgen, geen zon in den besten tijd zelfs, en lucht en levendigheid kwamen in geene bedenking. Evenwel zeide jufvrouw Tox, bedenk welk een stand! Zoo zeide ook de majoor met het blauwe gezicht en de uitpuilende oogen, die grootsch was op Princess’s Place, en in zijne club gaarne het gesprek op de groote lui in de groote straat om den hoek bracht, om de zelfvoldoening te kunnen hebben van te zeggen dat zij zijne buren waren.

Het donkere huisje, door jufvrouw Tox bewoond, was haar eigendom, daar het haar was nagelaten en vermaakt door den overleden eigenaar van het vischachtige oog in het medaillon, van wien ook een miniatuurportretje, met een gepoeierd hoofd en een staart, in het voorkamertje hing. De meeste meubelen waren uit den poeier- en staartentijd; waaronder een bordenwarmer, die zijne vier dunne kromme pooten iemand altijd in den weg stak, en een oud klavier, om den naam van den maker met een krans van doperwtjes versierd.

Hoewel majoor Bagstock over de middelbare jaren was gekomen, en nu bijna zonder hals, met een paar zeer strakke kaken, lange olifantsooren, en eene kleur en oogen in den reeds gemelden kunstmatigen toestand van geprikkeldheid, zijne reis benedenwaarts voortzette, was hij er machtig trotsch op dat hij de belangstelling van jufvrouw Tox had doen ontwaken, en streelde hij zijne ijdelheid met den waan dat zij eene brillante dame was, die een goed oog op hem had. Hiervan had hij reeds verscheidene malen in zijne club een wenk gegeven, gepaard met andere schertsende aardigheden, waarvan oude Joe, of Joey, of J. of Josh. Bagstock, enz. gestadig het onderwerp was; want het was als het ware het bolwerk van des majoors geestigheid, zoo vrijpostig mogelijk met zijn eigen naam om te springen.

“Joey B., mijnheer,” placht de majoor te zeggen, met zijn rotting zwaaiende, “is alleen zooveel waard als een dozijn van u. Als ge wat meer van den Bagstock-stam onder u hadt, mijnheer, zoudt gij er niet te minder om zijn. Oude Joey, mijnheer, zou zelfs nu niet ver naar eene vrouw behoeven te zoeken, als hij daarnaar uitkeek; maar hij is hard van bast, mijnheer, dat is Joe—hij is taai, mijnheer, taai, en verduiveld slim!” Na zulk eene verklaring hoorde men veelal een benauwd hijgen, terwijl het blauw des majoors in purper overging en de oogen hem geheel uit het hoofd schenen te zullen springen.

In weerwil van zijn milden eigenlof, was de majoor toch zelfzuchtig. Het is zelfs te betwijfelen of ooit iemand meer geheime eigenliefde bezat. Het kwam niet bij hem op dat iemand hem zou over het hoofd zien of minachten, vooral kon hij zich volstrekt niet verbeelden dat jufvrouw Tox dit zou doen.

En toch, naar het scheen, jufvrouw Tox vergat hem langzamerhand. Kort nadat zij de familie Toodle had ontdekt, begon zij hem te vergeten. Zij bleef hem vergeten tot aan den tijd dat Paul gedoopt werd, en naderhand scheen zij hare vergetelheid op saamgestelden interest te hebben gezet. Iets of iemand had hem uit hare belangstelling verdrongen.

“Goeden morgen, mejufvrouw,” zeide de majoor, toen hij, eenige weken na de voorvallen in het laatste hoofdstuk geboekt, jufvrouw Tox in Princess’s Place ontmoette.—“Goeden morgen, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zeer koel.—“Joe Bagstock, mejufvrouw,” hervatte de majoor, met zijne galanterie, “heeft sedert geruimen tijd het geluk niet gehad om voor u aan het venster te buigen, Joe is hard behandeld, mejufvrouw. Zijne zon is achter eene wolk geweest.”

Jufvrouw Tox antwoordde met eene hoofdbuiging maar zeer koel.

“Joe’s gesternte is misschien uit de stad geweest, mejufvrouw,” zeide de majoor vragenderwijs.—“Ik? uit de stad? O neen, ik ben niet uit de stad geweest,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik ben toch sedert kort veel uit geweest. Mijn tijd is bijna geheel aan eenige zeer intieme vrienden gewijd. Ik vrees dat ik zelfs nu geen tijd overheb. Goeden morgen, mijnheer.”

Toen jufvrouw Tox met haar sierlijksten tred en hare bekoorlijkste houding uit Princess’s Place verdween, bleef de majoor haar staan nazien met een gezicht, blauwer dan ooit, onder het brommen en mompelen van eenige lang niet vleiende gezegden.

“Wel, verd...md, mijnheer,” zeide de majoor, en liet zijne bolle oogen in Princess’s Place rondgaan, “zes maanden geleden had die vrouw den grond wel willen kussen waarover Joe Bagstock ging. Wat beduidt dat nu?”

Na eenig bedenken begreep de majoor, dat het eene listige toelaag op zijn hart beduidde, dat jufvrouw Tox hem strikken spande. “Maar ge zult Joe toch niet vangen, mejufvrouw,” zeide de majoor. “Hij is taai, mejufvrouw; J. B. is taai. Taai en verduiveld slim!” over welke gedachte hij het overige van den dag bleef grinniken.

Maar toen die dag en nog vele andere dagen verloopen waren, scheen het toch dat jufvrouw Tox zich hoegenaamd niet om den majoor bekommerde en geheel niet aan hem dacht. Eens was zij gewoon geweest nu en dan toevallig voor een van hare donkere venstertjes te komen en den groet des majoors met een blosje te beantwoorden; maar nu gaf zij den majoor volstrekt geene gelegenheid meer daartoe, en stoorde zij er zich geheel niet aan of hij naar den overkant keek of niet. Nog andere veranderingen hadden plaats gehad. De majoor kon, in de schaduw zijner eigene kamer staande, waarnemen dat het huis van jufvrouw Tox sedert onlangs iets meer opgeschikts had gekregen; dat er eene kooi met vergulde traliën voor het oude kanarievogeltje was gekomen; dat verschillende ornamenten, uit gekleurd carton en papier geknipt, den schoorsteenmantel en de tafels schenen te versieren; dat eensklaps een paar bloemstruikjes voor de vensters waren opgegroeid; dat jufvrouw Tox nu en dan op het klavier speelde, welks krans van doperwtjes altijd pronkerig was opgeslagen, bekroond met een muziekboek, opengelegd bij ouderwetsche walsen, die jufvrouw Tox zelve had gekopieerd.

Bovenal, jufvrouw Tox was nu sedert lang buitengewoon elegant in lichten rouw gekleed. Maar dit hielp den majoor uit zijne verlegenheid, en hij begreep dat zij een legaatje had gekregen en trotsch was geworden.

Het was des anderen daags nadat hij zijn gemoed had verruimd door tot dit besluit te komen, dat de majoor, aan zijn ontbijt gezeten, in de voorkamer van jufvrouw Tox eene verschijning zag, zoo verbazend en geducht, dat hij eene poos op zijn stoel geworteld bleef, en toen, naar de naaste kamer snellende, met een dubbelen tooneelkijker terugkwam, waardoor hij die verschijning eene poos oplettend beschouwde.

“Het is een kind, een bakerkindje, mijnheer,” zeide de majoor, den kijker weder inschuivende; “daarop wil ik vijftig duizend pond verwedden.”

De majoor kon dit niet vergeten. Hij kon niets anders doen dan fluiten en zoodanig staren, dat zijne oogen, bij hun tegenwoordigen staat vergeleken, voorheen hol en ingezonken waren geweest. Dag na dag, twee-, drie-, viermaal in de week, verscheen dit kind alweder. De majoor bleef staren en fluiten. Anders had hij niets meer te doen. Jufvrouw Tox lette geheel niet meer op hem. Hij had evengoed zwart als blauw kunnen zijn, en zij zou het zich niet hebben aangetrokken.

De volharding waarmede zij uitging om dit kind en de draagster te halen, en daarmede uit wandelen ging, en er weder mede terugkwam, en er gedurig de wacht over hield; en de volharding waarmede zij hetzelve verschoonde, en eten gaf, en er mee speelde, en zijn jeugdig bloed door airtjes op het klavier deed stollen, was iets buitengemeens. Te gelijker tijd werd zij aangetast door eene zucht om zekeren armband te bekijken, alsmede door eene zucht om naar de maan te turen, waarop zij uit haar venster lange waarnemingen deed. Maar waar zij ook naar keek, naar zon, maan, sterren of armbanden, zij keek niet meer naar den majoor. En de majoor floot en staarde, en drentelde in zijne kamer rond, en kon er niet wijs uit worden.

“Gij zult heel en al mijn broeder Paul’s hart winnen, dat is de waarheid, lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick eens.

Jufvrouw Tox verbleekte.

“Hij begint met elken dag meer op Paul te gelijken,” zeide mevrouw Chick.

Jufvrouw Tox gaf geen antwoord dan door kleinen Paul in hare armen te nemen, en den strik op zijn mutsje met hare liefkoozingen geheel plat te drukken.

“Zijne moeder, lieve,” zeide jufvrouw Tox, “met wie ik door u in kennis zou gebracht zijn, gelijkt hij ook eenigszins op haar?”—“Geheel niet,” antwoordde Louise.—“Zij was—zij was mooi, geloof ik?” stamelde jufvrouw Tox.—“Ja, die arme lieve Fanny was wel interessant,” zeide mevrouw Chick, na rijp overleg. “Zekerlijk interessant. Maar zij had dat air van iets verhevens en gebiedends niet, dat men eenigermate, bijna als iets natuurlijks, bij mijn broeders vrouw zou verwacht hebben, en had ook de geestkracht niet die zulk een man verlangt.”

Jufvrouw Tox slaakte een zwaren zucht.

“Maar zij was zeer innemend,” zeide mevrouw Chick, “buitengemeen. En zij meende het—och lieve, die arme Fanny meende het zoo goed!”—“Gij engeltje!” riep jufvrouw Tox den kleinen Paul toe. “Gij schilderijtje van uw eigen papa!”

Indien de majoor had kunnen weten hoevele wenschen en uitzichten, welk eene menigte van plannen en berekeningen op dat kinderhoofdje gevestigd waren; en ze in een bonten drom om het geborduurde mutsje van den nog geheel argeloozen kleinen Paul had kunnen zien zweven, dan had hij wel mogen staren. Dan had hij onder dien drom eenige zonnestofjes kunnen herkennen, die aan jufvrouw Tox behoorden; dan zou hij misschien begrepen hebben naar welke soort van compagnieschap met de firma Dombey en Zoon die dame verlangde.

Als het kind zelf, des nachts wakker wordende, om zijn bedje de flauwe afspiegelingen had kunnen zien van de droomen, die anderen van hem hadden, had hij er wel bang van mogen worden. Maar hij sluimerde voort, evenzeer onbewust van de goede voornemens van jufvrouw Tox, de verwondering van den majoor, het jeugdig harteleed zijner zuster en de ernstiger hersenschimmen van zijn vader, onbewust zelfs dat er ergens op de wereld een Dombey of een Zoon bestond.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us