← Dombey en Zoon

XIV…

Part 3 of 10 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #74613, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (63)
  1. Opening under 1 min
  2. I. DOMBEY EN ZOON about 17 min
  3. II about 16 min
  4. III about 18 min
  5. IV about 19 min
  6. V. PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT about 30 min
  7. VI. PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID about 35 min
  8. VII about 9 min
  9. VIII. PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER about 34 min
  10. IX. DE HOUTEN ADELBORST KOMT IN ONGELEGENHEID about 23 min
  11. X about 20 min
  12. XI. PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD about 24 min
  13. XII. PAUL’S OPVOEDING about 31 min
  14. XIII. SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN about 19 min
  15. XIV about 42 min
  16. XV about 24 min
  17. XVI. WAT DE GOLVEN ALTIJD ZEIDEN about 9 min
  18. XVII. KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN about 18 min
  19. XVIII. VADER EN DOCHTER about 31 min
  20. XIX. WALTER VERTREKT about 22 min
  21. XX. DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS about 24 min
  22. XXI. NIEUWE GEZICHTEN about 17 min
  23. XXII. CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN about 32 min
  24. XXIII. FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG about 37 min
  25. XXIV. HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART about 20 min
  26. XXV. VERRASSEND NIEUWS VAN OOM SAM about 16 min
  27. XXVI. SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST about 25 min
  28. XXVII. DONKERDER SCHADUWEN about 28 min
  29. XXVIII. VERANDERINGEN about 17 min
  30. XXIX. HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN about 20 min
  31. XXX. DE BRUIDSDAGEN about 26 min
  32. XXXI. HET HUWELIJK about 28 min
  33. XXXII. DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW about 31 min
  34. XXXIII. CONTRASTEN about 23 min
  35. XXXIV. NOG EENE MOEDER EN DOCHTER about 20 min
  36. XXXV. HET GELUKKIGE PAAR about 21 min
  37. XXXVI. HET INWIJDINGSFEEST about 21 min
  38. XXXVII. WAARSCHUWINGEN about 19 min
  39. XXXVIII. JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP about 16 min
  40. XXXIX. VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE about 29 min
  41. XL. HUISELIJKE BETREKKINGEN about 28 min
  42. XLI. NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN about 18 min
  43. XLII. VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG about 26 min
  44. XLIII. DE NACHTWAKEN about 15 min
  45. XLIV. EENE SCHEIDING about 17 min
  46. XLV. DE VERTROUWELING about 13 min
  47. XLVI. HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN about 21 min
  48. XLVII. DE DONDERSLAG about 36 min
  49. XLVIII. FLORENCE’S VLUCHT about 19 min
  50. XLIX. DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING about 30 min
  51. L. WALTER EN TOOTS about 30 min
  52. LI. MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD about 14 min
  53. LII. GEHEIME BERICHTEN about 25 min
  54. LIII. NOG MEER BERICHTEN about 28 min
  55. LIV. DE VLUCHTELINGEN about 19 min
  56. LV. ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING about 22 min
  57. LVI about 38 min
  58. LVII. NOG EEN HUWELIJK about 14 min
  59. LVIII. NA EEN TIJDSVERLOOP about 26 min
  60. LIX. VERGELDING about 34 min
  61. LX. VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN about 20 min
  62. LXI. NOG EEN WEDERZIEN about 22 min
  63. LXII. BESLUIT about 10 min

Continue:

XIV

PAUL WORDT HOE LANGER HOE MEER OUDMANNETJESACHTIG EN GAAT MET DE VACANTIE NAAR HUIS.

Toen de zomervacantie naderde, legden de jonge heeren bij doctor Blimber door geene onvoegzame vreugdebetooningen hunne blijdschap aan den dag. De krachtige uitdrukking van “opbreken” zou op dat beschaafde instituut geheel ontoepasselijk zijn geweest. Met ieder halfjaar gingen de jonge heeren een voor een stilletjes naar huis; nooit braken zij op. Zij zouden dit beneden zich hebben geacht.

Tozer, die op den duur door eene gesteven witte das werd gemarteld, welke hij op uitdrukkelijk verzoek van mevrouw Tozer, zijne moeder, droeg—welke, daar zij hem voor den geestelijken stand bestemde, van meening was dat hij niet te vroeg daartoe kon worden voorbereid—Tozer zeide, dat hij, als hij tusschen twee kwaden te kiezen had, nog liever zou willen blijven waar hij was, dan naar huis gaan. Hoe onvereenigbaar die verklaring ook mocht schijnen met Tozer’s thema over dat onderwerp, waarin hij had aangemerkt “dat de gedachte aan het ouderlijke huis en al de daaraan verbondene herinneringen de streelendste gewaarwordingen en het vurigste verlangen in zijn gemoed opwekten,” en zich zelven ook bij een Romeinsch veldheer had vergeleken, die, brallende op eene overwinning over de Iceni, of met den buit van Karthago beladen, tot op weinige uren afstands van het Kapitool was genaderd,—hetwelk om de vergelijking vol te houden, de woonplaats van mevrouw Tozer moest wezen—was zij echter zeer oprecht. Want het scheen dat Tozer een geduchten oom had, die hem niet alleen, onder de vacantie, ongevraagd over punten van geleerdheid kwam examineeren, maar zelfs de onschuldigste dingen en gebeurtenissen zoodanig wist te verdraaien, dat hij ze tot hetzelfde barbaarsche oogmerk deed strekken; zoodat, indien zijn oom hem mede naar de komedie nam, of hem met dezelfde geveinsde vriendelijkheid een reus, een dwerg, een goochelaar, of iets anders liet zien, Tozer wel wist dat hij vooruit eene classische aanhaling over zoo iets had opgezocht, en dus in gedurige benauwdheid verkeerde, daar hij niet kon voorzien, wanneer die zou uitbarsten, of welke schrijver tegen hem in de wapens zou worden gebracht.

Wat Briggs betrof, zijn vader wond er geene doekjes om. Hij liet hem nooit met rust. Zoo talrijk en zwaar waren de beproevingen van dien ongelukkigen jongeling in den vacantietijd, dat de vrienden der familie (die toen bij Bayswater woonde) zelden den vijver in den tuin van Kensington naderden, zonder aan de mogelijkheid te denken om den hoed van den jongen heer Briggs op het water te zien drijven, en eene onafgemaakte thema op den kant te vinden. Briggs verlangde dus geheel niet naar de vacantie; en deze twee deelgenooten van Paul’s slaapkamer waren getrouwe staaltjes van de jonge heeren in het algemeen, zoodat zelfs de luchthartigste onder hen dien feestelijken tijd met welvoeglijke gelatenheid te gemoet zag.

Geheel anders was het met kleinen Paul. Het eind dier eerste vacantie zou zijne scheiding van Florence medebrengen, maar wie dacht ooit aan het eind van iets waarvan het begin nog moest komen. Paul zeker niet. Toen die gelukkige tijd naderde, werden de leeuwen en tijgers, die tegen de muren der slaapkamers opklauterden, zoo mak en speelsch als hondjes. De grijnzende gezichten in de ruiten van het vloerkleed ontspanden zich en keken hem met minder booze oogen aan. De deftige oude klok had meer den toon van persoonlijke belangstelling in hare onveranderlijke vraag; en de rustelooze zee bleef den geheelen nacht voortruischen, op de wijs van eene treurige melodie—maar het was toch streelend—die met de golven rees en daalde, en hem als het ware in slaap wiegde.

Mijnheer Feeder scheen insgelijks te denken dat hem de vacantiedagen bijzonder zouden bevallen. Toots zag van dien tijd af een geheel leven van vacantiedagen te gemoet; want, gelijk hij Paul geregeld elken dag onderrichtte, het was zijn laatste halfjaar bij doctor Blimber, en hij zou nu haast beginnen te gaan krijgen wat hem toekwam.

Het was tusschen Paul en Toots uitgemaakt dat zij vertrouwde vrienden waren, ten spijt van hun verschil in stand en jaren. Toen de vacantie naderde keek Toots, als hij in Paul’s gezelschap was, hem nog strakker aan en ademde hij nog zwaarder dan voorheen; en Paul wist wel dat dit beduidde, dat het hem speet dat zij elkander uit het oog zouden verliezen, en was hem dankbaar voor zijne gunst en goede meening.

Ook doctor Blimber, mevrouw Blimber, Cornelia en de jonge heeren in het algemeen, begrepen dat Toots zich zelven tot beschermer en voogd van Dombey had aangesteld, en mevrouw Pipchin hoorde zooveel daarvan, dat de goede oude ziel eene bittere jaloezie tegen Toots opvatte, en hem in de veiligheid van haar eigen huis meermalen voor een “ingebeeld uilskuiken” uitschold. Waartegen de onschuldige Toots even weinig denkbeeld had om mevrouw Pipchin boos te maken, als van eenige andere bepaalde mogelijkheid of gebeurlijkheid. Integendeel, hij hield haar voor iemand die wel iets aardigs en veel belangwekkends over zich had. Om deze reden zag hij haar met zulk een beleefden glimlach aan, en vroeg hij haar staande hare bezoeken bij den kleinen Paul zoo dikwijls hoe zij voer, dat zij hem op een avond ronduit zeide, dat zij, wat hij zich ook mocht verbeelden, niet daaraan gewoon was, en het ook niet kon of wilde velen, evenmin van hem als van ieder anderen mallen kwast op de wereld; van welken onverwachten dank voor zijne beleefdheden Toots zoodanig schrikte, dat hij zich op eene afgelegene plaats verschool tot zij weg was, en nooit meer den moed had om de manhaftige mevrouw Pipchin onder doctor Blimber’s dak onder de oogen te komen.

Men was nog twee of drie weken van de vacantie af, toen Cornelia den kleinen Paul eens in hare kamer riep en zeide: “Dombey, ik zal uwe analyse naar huis zenden.”—“Dankje wel, jufvrouw,” antwoordde Paul.—“Gij weet toch wel wat ik meen, Dombey?” vroeg Cornelia, hem scherp door haar bril aanziende.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Paul.—“Dombey, Dombey,” zeide Cornelia, “ik vrees, dat er nooit veel van u zal komen. Als gij de beteekenis van eene uitdrukking niet verstaat, waarom vraagt ge dan niet om onderrichting?”—“Mevrouw Pipchin heeft mij gezegd, dat ik nooit naar iets moest vragen,” antwoordde Paul.—“Ik moet u verzoeken om mij nooit van mevrouw Pipchin te spreken, Dombey,” zeide Cornelia hierop. “Dat kan ik onmogelijk toelaten. De regel van studie hier is geheel anders. Als ik weder zoo iets van u mocht hooren, zoudt ge mij noodzaken u te verzoeken om morgen voor het ontbijt, zonder eene enkele fout, alles van verbum personale tot aan simillima cygno voor mij op te zeggen.”—“Ik had niet gemeend, jufvrouw,” begon kleine Paul.—“Ik moet u verzoeken om mij nooit te zeggen, dat gij iets gemeend hadt, Dombey, als het u belieft,” zeide Cornelia, die bij hare bestraffingen eene geduchte beleefdheid in acht nam. “Dat is eene manier van redeneeren, die ik volstrekt niet kan toelaten.”

Paul achtte het veiligst niets meer te zeggen, en keek dus maar naar Cornelia’s bril. Cornelia schudde nog eens ernstig haar hoofd, en las van een papier dat voor haar lag:

““Analyse van het karakter van P. Dombey.” Als ik mij wel herinner,” zeide zij, afbrekende, “is analyse, in tegenoverstelling van Synthese, volgens de definitie van Walker, de oplossing van een object, hetzij zinnelijk of intellectueel, in zijne eerste elementen. In tegenoverstelling van Synthese, moet gij wel opmerken. Nu weet gij wat eene analyse is, Dombey.”

Dombey scheen wel niet geheel verblind te worden door het licht dat zijn verstand bestraalde, maar maakte toch eene buiging voor Cornelia.

““Analyse van het karakter van P. Dombey,”” hervatte zij, het papier weder inziende. “Ik heb opgemerkt dat de natuurlijke vatbaarheid van Dombey zeer goed is, en zijn aanleg voor de studie daarmede in eene rechte evenredigheid kan worden gesteld. Aldus acht als ons hoogste nommer nemende, meende ik dat deze eigenschappen bij Dombey op zes en drie vierden kunnen geraamd worden.”

Cornelia hield even op, om te zien hoe Paul deze tijding ontving. Daar hij onzeker was of zes en drie vierden de beteekenis had van zes pond en zestien shillings, of van zes stuivers en drie farthings, of van zes voet en drie duim, of van zes uur en drie kwartier, of van zes dingen die hij nog niet geleerd had, met nog drie anderen waar hij niet van wist, wreef Paul zijne handen maar en keek Cornelia strak aan. Toevallig was dit evengoed als iets anders dat hij had kunnen doen, en Cornelia vervolgde:

““Heftigheid twee. Eigenliefde twee. Neiging tot gemeen gezelschap, gebleken in het geval met zekeren Glubb, oorspronkelijk zeven, maar sedert verminderd.” Waarop ik vooral uwe aandacht wilde vestigen, Dombey, is de algemeene opmerking aan het slot van deze analyse.”

Paul luisterde oplettend toe.

““In het algemeen mag van Dombey worden opgemerkt,”” las Cornelia met eene zeer luide stem, en om het andere woord de kleine gedaante door haar bril aanziende, ““dat zijn aanleg en wil goed zijn, en dat hij zooveel vorderingen heeft gemaakt als men onder de omstandigheden had kunnen verwachten. Maar het is van dezen jongen heer te bejammeren, dat hij iets zonderlings (met eene gemeenzame uitdrukking zou men het oudmannetjesachtig kunnen noemen) in zijn karakter en zijn gedrag heeft, en dat hij zonder in een van beiden iets te vertoonen dat bepaaldelijk te berispen is, zich dikwijls geheel anders voordoet dan andere jonge heeren van zijn ouderdom en stand in de maatschappij.” Verstaat gij dat Dombey?” zeide Cornelia, het papier neerleggende.—“Ik geloof wel van ja, jufvrouw,” zeide Paul.—“Deze analyse, ziet ge, Dombey,” hervatte Cornelia, “moet aan uw hooggeachten vader gezonden worden. Het zal hem natuurlijk veel verdriet doen, als hij hoort dat gij zonderling in uw karakter en gedrag zijt. En het is natuurlijk ook verdrietig voor ons, want wij kunnen dan niet zooveel van u houden, weet ge, Dombey, als wij wel zouden wenschen.”

Hier trof zij bij het kind eene teedere plek. Hij was, terwijl de tijd van zijn vertrek naderde, van dag tot dag meer bezorgd geworden dat iedereen in huis van hem mocht houden. Eene verborgene reden, die hij maar onvolkomen begreep—zoo hij er al iets van begreep—deed hem eene langzamerhand toenemende gehechtheid gevoelen aan alles en ieder die daar was. Hij kon de gedachte niet verdragen, dat hij hun geheel onverschillig zou zijn, als hij weg was. Hij wenschte, dat zij met genegenheid aan hem zouden denken; en hij had er zelfs werk van gemaakt om den grooten ruigen hond te verzoenen, die achter het huis aan een ketting lag en waarvoor hij voorheen doodelijk bang was, opdat zelfs dit beest hem zou missen als hij er niet meer was.

Weinig denkende dat hij hierin al weder toonde hoezeer hij van zijne makkers verschilde, deed de arme Paul zijn best om dit Cornelia te verklaren, en bad haar zoo goed te willen zijn om, in spijt van de officieele analyse, toch maar van hem te houden. Aan mevrouw Blimber, die bij hem was gekomen, deed hij hetzelfde verzoek; en toen deze dame niet nalaten kon, zelfs in zijn bijzijn, hare dikwijls geuite meening te herhalen, dat hij een “raar” kind was, zeide Paul haar dat zij zeker wel gelijk zou hebben; dat hij dacht dat het van zijn gebeente kwam, maar het niet zeker wist; en dat hij hoopte dat zij het door de vingers zou zien, want dat hij van allen heel veel hield.

“Niet zooveel,” zeide Paul, met eene mengeling van beschroomdheid en openhartigheid, die een der eigenaardigste en innemendste hoedanigheden van het kind was, “niet zooveel als ik van Florence houd, natuurlijk; dat zou nooit kunnen. Dat kondt gij ook niet denken, niet waar, mevrouw?”—“O, welk een ouderwetsch oud kereltje!” riep mevrouw Blimber fluisterend uit.—“Maar ik houd hier toch veel van iedereen,” zeide Paul, “en het zou mij spijten als ik heenging en denken moest, dat iemand blij was dat ik weg was, of er niet om gaf.”

Mevrouw Blimber was nu volkomen overtuigd dat Paul het raarste kind van de wereld was, en toen zij den doctor vertelde wat er was voorgevallen, sprak hij hare meening niet tegen. Maar hij zeide, gelijk hij reeds gezegd had, toen Paul pas kwam, dat het studeeren veel zou doen; en evenals bij die gelegenheid spoorde hij Cornelia aan om hem voort te zetten.

Cornelia had hem altijd zoo sterk voortgezet als zij maar kon, en Paul had het waarlijk zwaar genoeg gehad. Maar behalve het afwerken van zijne dagtaak, had hij altijd nog een ander doel voor de oogen, waaraan hij nog getrouw bleef. Hij wilde een stille, zachtzinnige, gedienstige kleine jongen zijn, en altijd zijn best doen om de genegenheid en de welwillendheid van de anderen te verwerven. Hoewel men hem dus nog dikwijls op zijn ouden post op de trap vond, of hem uit zijn eenzaam venster naar de wolken en golven zag turen, vond men hem toch meermalen bij de andere jongens, die hij met stille bescheidenheid allerlei kleine vrijwillige diensten bewees. Zoo kwam het dat, zelfs onder die stroeve jonge kluizenaren, die onder doctor Blimber’s dak hun vleesch kastijdden, Paul een voorwerp van algemeene belangstelling was; een broos stukje speelgoed, waarvan zij allen veel hielden, en dat niemand ruw had willen behandelen. Maar hij kon zijn aard niet veranderen of de analyse doen overschrijven; en zoo waren allen het eens dat Dombey een oud mannetje was.

Er waren echter aan dien naam eenige voorrechten verbonden, die niemand anders genoot. Een kind dat geen oud mannetje was had men veel beter kunnen missen, en dit alleen was reeds veel. Wanneer de anderen, des avonds heengaande, slechts voor doctor Blimber en zijne familie bogen, stak Paul zijn mager handje uit en schudde cordaat de hand des doctors, en ook die van mevrouw Blimber en van Cornelia. Als iemand straf bedreigde en die straf moest worden afgebeden, was Paul altijd de afgezant. Zelfs het jonge mensch met zwakke oogen had hem eens geraadpleegd ten aanzien van een ongelukje met glas en porselein; en er werd een gerucht rondgefluisterd, dat de bottelier, die hem met zulke gunstige oogen aanzag als die barsche man nog nooit een jongen had gedaan, somtijds porter bij zijn tafelbier schonk opdat hij maar sterk zou worden.

Boven en behalve deze uitgebreide voorrechten, had Paul nog vrijen toegang tot mijnheer Feeder’s kamer, uit welk vertrek hij Toots tweemaal erg misselijk in de opene lucht bracht, ten gevolge eener mislukte poging om eene zeer lichte sigaar te rooken, uit het pakje dat deze jonge heer op het strand heimelijk van een desperaten smokkelaar had gekocht, die hem in vertrouwen had bekend, dat tweehonderd pond, levend of dood, de prijs was, dien het tolkantoor op zijn hoofd had gezet. Het was een gezellig kamertje, dat van Feeder, met zijn ledikant in een ander kamertje daarachter, en, boven den schoorsteenmantel opgehangen, eene fluit, waarop Feeder nog niet kon spelen, maar waarop hij binnen kort zou gaan leeren, zeide hij. Er waren ook eenige boeken, en een hengel; want Feeder zeide, dat hij zeker zou gaan leeren visschen, als hij er maar tijd toe kon vinden. Met hetzelfde voornemen had Feeder zich een fraaien klephoorn, een schaakbord met stukken, eene Spaansche spraakkunst, een kistje met teekengereedschap en een paar bokserhandschoenen aangeschaft. Allereerst, zeide Feeder, zou hij van de edele kunst van vuistvechten werk maken, gelijk hij meende dat de plicht van ieder man was, dewijl men zich daardoor in staat kon stellen om, als het noodig was, eene hulpelooze vrouw te beschermen.

Feeder’s grootste schat was echter een groene pot met snuif, dien Toots hem na de laatste vacantie als een present had medegebracht, en waarvoor hij een hoogen prijs had betaald, daar die snuif nog uit den voorraad van den prins-regent afkomstig was. Toots en Feeder konden geen van beiden snuiven, zonder bijna de stuipen te krijgen van het niezen; maar het was toch hun grootste vermaak eene doos, vol van die krachtige snuif, met koude thee te bevochtigen en ze daar te zitten verorberen. Het was eene marteling voor hen, er den neus mede vol te stoppen, maar dit hadden zij er voor over, en daar zij er tusschenbeide tafelbier bij dronken, hadden zij al het genot van een bacchanaal.

Voor kleinen Paul, die naast Toots, zijn voornaamsten beschermer, stil bij hen zat, had zulk een roekeloos feest zekere geduchte bekoorlijkheid; en wanneer Feeder van de donkere verborgenheden van Londen sprak en Toots vertelde, dat hij die in de aanstaande vacantie zelf in alle bijzonderheden zou gaan onderzoeken, en met dat oogmerk reeds bij twee ongetrouwde oude jufvrouwen te Peckham eene kamer had gehuurd, zag Paul hem aan alsof hij de held uit een boek met reizen of wilde avonturen was, en werd bijna bang voor zulk een dolleman.

Op een avond, toen de vacantie reeds zeer nabij was, naar deze kamer gaande, vond Paul Feeder bezig met eenige gedrukte brieven in te vullen, terwijl andere, reeds ingevuld, door Toots gevouwen en gecacheteerd werden. “Ha, Dombey, zijt ge daar?” zeide Feeder, want zij waren altijd vriendelijk voor hem en verheugd als zij hem zagen—en hem een van die brieven toewerpende, vervolgde hij: “En daar zijt gij ook, Dombey. Dat is de uwe.”—“De mijne, mijnheer?” zeide Paul.—“Uwe invitatie,” antwoordde Feeder.

Toen Paul den brief las—die geplaatdrukt was, met uitzondering van zijn eigen naam en den datum, welke door Feeder waren ingevuld—bevond hij dat doctor en mevr. Blimber het genoegen verzochten van den heer P. Dombey’s tegenwoordigheid op een partijtje op woensdagavond, den zeventienden dezer, tegen acht ure, en dat er quadrilles zouden gedanst worden. Toots liet Paul den voor hem bestemden brief zien, ten blijke dat hij ook was verzocht, en voor Briggs, Tozer, kortom voor al de jonge heeren, lagen insgelijks invitatiën gereed.

Feeder zeide hem toen, tot zijne groote blijdschap, dat zijne zuster ook was gevraagd, en dat het eene halfjaarlijksche gebeurtenis was, en dat hij, daar de vacantie dien dag begon, terstond na de partij met zijne zuster kon medegaan, als hij wilde; hetgeen Paul zeide dat hij zeer gaarne zou willen. Feeder onderrichtte hem verder dat hij doctor en mevr. Blimber, met een keurig net geschreven briefje, behoorde te kennen te geven, dat de heer P. Dombey gaarne de eer zou hebben om aan hunne beleefde invitatie te voldoen. Eindelijk zeide Feeder, dat hij ten aanhoore van den doctor en mevrouw Blimber liefst maar niet van dit feest moest spreken, daar al deze toebereidselen en de geheele zaak evenals in de groote wereld werd behandeld, en de jonge heeren, in hunne hoedanigheid van scholieren, geacht werden er niets van te weten.

Paul bedankte Feeder voor deze wenken, stak de invitatie in zijn zak, en zette zich volgens gewoonte naast Toots op een stoeltje. Maar zijn hoofd, dat hem al lang had gehinderd, en somtijds zeer zwaar en gedrukt was geweest, was dien avond zoo lastig, dat hij het op zijne hand moest laten rusten. En toch zonk het hoe langer hoe dieper neer, tot het eindelijk op de knie van Toots bleef liggen, alsof het niet voornemens was zich ooit weder op te beuren.

Dit was wel geene reden waarom hij doof moest wezen; maar hij moest dit toch geweest zijn, dacht hij, want kort daarna hoorde hij Feeder in zijn oor roepen, en voelde hij zich door dezen zacht schudden om zijne aandacht te trekken. En toen hij zijn hoofd ophief en verschrikt rondkeek, bevond hij dat doctor Blimber in de kamer was gekomen, en het venster was opengezet, en dat zijn voorhoofd met water was nat gemaakt; schoon het vreemd was, hoe dat alles gebeurd kon zijn, zonder dat hij er iets van wist.

“Ha! Zoo, zoo! Dat is goed! Hoe gaat het mijn vriendje nu?” zeide doctor Blimber bemoedigend.—“O, heel wel; dankje, mijnheer,” antwoordde Paul.

Maar er scheen toch iets aan den vloer te haperen, want hij kon er niet vast op staan, en aan de muren ook, want zij wilden zich gedurig ronddraaien, en bleven alleen stilstaan als hij er heel strak naar keek. Het hoofd van Toots scheen te gelijk veel grooter en veel verder weg te zijn dan natuurlijk was; en toen hij Paul in zijne armen opnam om hem naar boven te dragen, merkte Paul met verwondering op dat de deur op eene geheel andere plaats was dan hij gemeend had, en dacht in het eerst bijna dat Toots recht op den schoorsteen afging.

Het was heel vriendelijk van Toots dat hij hem zoo naar boven droeg, en Paul zeide hem dit. Maar Toots antwoordde dat hij nog wel meer zou willen doen, als hij maar kon; en hij deed ook meer; want hij hielp Paul allervriendelijkst om zich uit te kleeden en in bed te komen, en bleef toen bij het bed zitten grinniken; terwijl Feeder, over het voeteinde van het ledikantje gebogen, al de stoppels op zijn hoofd met zijne beenderige handen door elkander wreef, en toen zich hield alsof hij met Paul wilde boksen, omdat hij nu weer geheel in orde was, hetgeen Paul zoo buitengemeen comisch, en te gelijk zoo vriendelijk vond, dat hij, niet wetende, of hij er om zou lachen of schreien, beide te gelijk deed.

Hoe Toots wegsmolt, en hoe Feeder in mevrouw Pipchin veranderde, vroeg Paul niet eens; hij was er ook niet nieuwsgierig naar, maar toen hij mevrouw Pipchin, in plaats van Feeder, aan het voeteinde van zijn ledikantje zag staan, riep hij: “Mevrouw Pipchin, zeg het maar niet aan Florence!”—“Wat moet ik niet aan Florence zeggen, mijn kleine Paul?” zeide mevrouw Pipchin, om het ledikant heengaande en zich daarnaast op een stoel zettende.—“Van mij,” zeide Paul.—“Wel neen,” zeide mevrouw Pipchin.—“Wat denkt ge dat ik voornemens ben te doen als ik groot word, mevrouw Pipchin?” vroeg Paul, zijn gezichtje op zijn kussen naar haar omkeerende, en haar, met zijne kin op zijne gevouwene handjes oplettend aanziende.

Mevrouw Pipchin kon het niet raden.

“Ik denk dan al mijn geld in eene Bank te zetten,” zeide Paul, “en nooit moeite te doen om meer te krijgen, en met mijn lieve Florence naar buiten te gaan, en een huis te nemen met een mooien tuin er bij, en velden en bosschen, en daar al mijn leven met haar te wonen.”—“Zoo waarlijk!” zeide mevrouw Pipchin.—“Ja,” zeide Paul. “Dat denk ik te doen, als ik—” Hij zweeg en dacht een oogenblik na.

Mevrouw Pipchin’s grijze oogen poogden in zijn peinzend gezichtje te lezen.

“Als ik groot word,” zeide Paul; en terstond daarop begon hij mevrouw Pipchin van het partijtje te vertellen, en dat Florence gevraagd was, en hoe trotsch hij zou zijn als al de jongens haar zoo mooi en lief vonden, en dat zij allen zoo goed voor hem waren en zooveel van hem hielden, en hij zooveel van hen hield, en daar zoo blij om was. En toen vertelde hij mevrouw Pipchin van de analyse, en dat hij oudmannetjesachtig werd gevonden, en vroeg hoe mevrouw Pipchin daarover dacht, en of zij wist wat dat was, en waarom hij het was. Mevrouw Pipchin wilde er niets van weten, als de kortste manier om uit de verlegenheid te komen; maar Paul was lang niet tevreden met dit antwoord, en keek mevrouw Pipchin zoo strak uitvorschend aan, dat zij genoodzaakt was op te staan en uit het venster te kijken, om zijne oogen te vermijden.

Er was een zeker altijd bedaarde apotheker, die geroepen werd als een van de jonge heeren ongesteld was, en deze man verscheen nu in de kamer en bij het bed, met mevrouw Blimber. Hoe zij daar kwamen, en hoelang zij er al geweest waren, wist Paul niet; maar toen hij hen zag, kwam hij in het bed overeind en beantwoordde al de vragen des apothekers zeer uitvoerig, en fluisterde hem toe dat Florence er toch niets van weten moest, en dat hij er zoo op gesteld was dat zij op de partij kwam. Hij was zeer spraakzaam met den apotheker, en zij scheidden als beste vrienden. Toen hij weder met gesloten oogen was gaan liggen, hoorde hij den apotheker zeggen, buiten de kamer en heel ver weg—of hij droomde het maar—dat er gebrek aan levenskracht was (Paul verwonderde zich wat dit was) en een zeer zwak gestel. Dat, daar de kleine patiënt er zoo op gesteld was op den zeventienden van zijne schoolmakkers afscheid te nemen, het best zou zijn, als hij niet erger werd, hem daarin zijn zin te geven. Dat hij zich verheugde van mevrouw Pipchin te hooren, dat hij den achttienden naar zijne familie te Londen zou gaan. Dat hij, zoodra hij beter over het geval kon oordeelen, maar zeker voor dien tijd, aan mijnheer Dombey zou schrijven. Dat er geene reden was tot onmiddellijke—wat? Dit woord ontsnapte Paul. En dat de kleine patiënt zeer schrander en gevoelig was, maar heel oudmannetjesachtig.

Paul lag zich met een kloppend hart te verwonderen, wat dat oudmannetjesachtig toch was, dat zoovele menschen zoo duidelijk aan hem zagen.

Hij kon er niet achter komen, maar deed er ook niet lang moeite toe. Mevrouw Pipchin was weder bij hem, als zij ooit weg was geweest (hij dacht dat zij met den doctor was heengegaan, maar dat was een droom misschien) en had weldra, als door tooverij, eene flesch en een glas in de handen en schonk iets voor hem in. Daarop kreeg hij wat lekkere gelei, die mevrouw Blimber zelve hem bracht; en toen gevoelde hij zich zoo wel, dat mevrouw Pipchin, op zijn dringend verzoek, naar huis ging, en Briggs en Tozer naar bed kwamen. De arme Briggs bromde erg over zijne eigene analyse, maar was heel vriendelijk voor Paul, en Tozer ook, en al de anderen insgelijks; want ieder kwam eens naar hem kijken, eer hij naar bed ging, en zeide: “Hoe gaat het nu, Dombey?”—“Houd u maar goed, kleine Dombey!” Nadat Briggs in bed was gegaan, lag hij nog lang wakker en over zijne analyse te zuchten, zeggende dat er niets van waar was, en dat zij een moordenaar niet erger hadden kunnen uitmaken, en—hoe het doctor Blimber zelf zou bevallen als zijn zakgeld er van afhing? Het was heel gemakkelijk, zeide Briggs, een jongen het heele halfjaar door tot een galeislaaf te maken en dan te zeggen dat hij lui was; en hem tweemaal in de week zijn middageten te onthouden, en dan te zeggen dat hij gulzig was; maar dat was immers toch niet uit te houden? O! en ach!

Eer het jonge mensch met zwakke oogen den volgenden morgen op den gong sloeg, kwam hij boven om Paul te zeggen dat hij maar stil moest blijven liggen, hetgeen Paul zeer gaarne deed. Mevrouw Pipchin verscheen weder, een weinig voor den apotheker, en een weinig nadat de goede meid, welke Paul op dien eersten ochtend de kachel had zien potlooden (hoelang scheen dat nu al geleden!) hem zijn ontbijt had gebracht. Er werd nog eens consult gehouden, heel ver weg, of anders droomde Paul het weder; en toen kwam de apotheker met den doctor en mevrouw Blimber terug en zeide:

“Ja, ik denk, doctor Blimber, dat deze jonge heer zijne boeken nu wel mocht laten liggen, daar de vacantie zoo nabij is.”—“Wel ja,” zeide doctor Blimber. “Lieve, zult gij Cornelia eens daarvan onderrichten, als het u belieft?”—“Wel zeker,” zeide mevrouw Blimber.

De apotheker bukte laag om Paul in de oogen te zien, en voelde hem den pols, en legde zijne hand op zijn hart, met zooveel zorg en belangstelling, dat Paul zeide: “Dankje wel, mijnheer.”—“Onze kleine vriend heeft nooit geklaagd,” merkte doctor Blimber aan.—“Neen!” antwoordde de apotheker. “Het was ook niet te denken.”—“Gij vindt hem nu veel beter?” zeide doctor Blimber.—“O ja. Hij is veel beter, mijnheer,” antwoordde de apotheker.

Paul lag er op zijne zonderlinge manier over te denken, welk onderwerp des apothekers geest op dat oogenblik toch wel bezig hield; zoo verstrooid had hij die twee vragen van den doctor beantwoord. Maar daar de apotheker juist den blik van den kleinen patiënt ontmoette, en toen terstond met een opgeruimden glimlach uit zijne verstrooiing opkeek, beantwoordde Paul dien glimlach en dacht er niet meer aan.

Dien geheelen dag lag hij in bed te dommelen en te droomen, en naar Toots te kijken; maar den volgenden dag stond hij op en ging naar beneden. En zie daar, er haperde juist iets aan de groote klok, en een man, die op een trapje stond, had de wijzerplaat afgenomen en peuterde met instrumentjes in het werk, bij het licht van een eindje kaars! Dit was eene zaak van gewicht voor Paul, die zich op den ondersten trap zette en oplettend naar het werk bleef kijken; nu en dan een blik werpende naar de wijzerplaat der klok, die dicht bij hem schuin tegen den muur stond te leunen, daar hij zich niet kon ontdoen van het vermoeden, dat die wijzerplaat naar hem keek.

De man op het trapje was zeer beleefd, en daar hij, toen hij Paul zag, zeide: “Hoe gaat het, jonge heer?” raakte Paul met hem in gesprek en vertelde hem dat hij eenigen tijd niet heel wel was geweest. Toen het ijs aldus was gebroken, deed Paul hem eene menigte vragen over klokken en uurwerken, en of er des nachts in de eenzame kerktorens menschen waakten om ze te laten slaan, en hoe de klokken werden geluid als er iemand stierf, en of dat andere klokken waren, dan die men bij het trouwen luidde, dan of zij maar in de verbeelding der levenden zoo akelig klonken. Daar hij bevond dat zijn nieuwe bekende niet wel onderricht was op het punt van de avondklok in den ouden tijd, gaf Paul hem eenige inlichtingen daarover, en vroeg hem ook, als een man van het vak, wat hij dacht van koning Alfred’s denkbeeld om den tijd te meten door het afbranden van kaarsen; waarop de man antwoordde, dat het, naar zijne gedachte, eene ruïne voor de klokkenmakers zou zijn, als dat ooit weder in de mode kwam. Kortom Paul bleef toekijken tot de klok weder haar gewoon voorkomen had herkregen, en hare onveranderlijke vraag liet hooren; waarop de man, na zijn gereedschap in eene lange mand te hebben geborgen, hem goedendag wenschte en heenging. Vlak bij de deur fluisterde hij echter nog even met den knecht, en in dit gefluister kwam het woord oudmannetjesachtig—want Paul hoorde dit.

Wat kon dat oudmannetjesachtige wezen, dat de menschen altijd zoo scheen te spijten?

Daar hij nu niet behoefde te leeren, dacht hij dikwijls daarover, schoon niet zoo dikwijls als hij wel zou gedaan hebben, indien hij minder dingen had gehad om aan te denken. Maar hij had er heel veel, en dacht altijd, den geheelen dag lang.

Vooreerst, Florence zou op de partij komen. Florence zou zien dat de jongens veel van hem hielden, en dat zou haar zulk een genoegen doen. Dit was het voornaamste voor hem. Als Florence maar zeker was dat zij goed en vriendelijk voor hem waren, en hij een kleine gunsteling onder hen geworden was, zou zij altijd aan den tijd, dien hij daar had doorgebracht, kunnen denken, zonder er heel bedroefd om te zijn. Misschien zou zij er ook des te geruster om zijn, als hij weer terugkwam.

Als hij weer terugkwam! Vijftigmaal daags ging hij stil naar boven naar zijne kamer, ten einde zijne boeken en alle kleinigheden bij elkander te zoeken, om alles, tot het minste toe, mede naar huis te nemen. Hij scheen er geheel niet op te rekenen dat hij ooit weder terug zou komen; niets van hetgeen hij dacht of deed stond daarmede in het minste verband, behalve die enkele gedachte die op zijne zuster betrekking had. Hij had integendeel, terwijl hij zoo peinzend en mijmerend door het huis dwaalde, om alles wat hem gemeenzaam was te denken, als iets waarvan hij afscheid moest nemen; en daardoor had hij aan zooveel te denken, den geheelen dag lang.

Hij moest boven die kamers binnenkijken en denken hoe eenzaam zij zouden zijn als hij weg was, en zich verwonderen hoeveel stille dagen, weken, maanden en jaren lang zij nu ernstig en ongestoord zouden blijven. Hij moest denken—zou daar ooit een ander kind oudmannetjesachtig, evenals hij, rond dwalen, en dezelfde groteske figuren in de behangsels en meubelen zien; en zou iemand dien jongen dan van kleinen Dombey vertellen, die daar voorheen geweest was?

Hij moest aan het portret op de trap denken, dat hem altijd zoo ernstig nazag als hij heenging en er over zijn schouder naar omkeek; en dat, als hij het met iemand anders voorbijging, nog altijd naar hem en niet naar dien anderen scheen te zien. Hij had veel te denken over die plaat, die ergens anders hing, waarop in het midden eener verwonderde groep eene gedaante stond, die hij kende, eene gedaante met een krans van licht om het hoofd—zachtmoedig, goedertieren, barmhartig—en naar boven wijzende.

Voor het venster van zijne slaapkamer kreeg hij nog andere gedachten, die zich met deze vermengden, en elkander opvolgden gelijk de rollende golven. Waar die wilde vogels woonden, die met onstuimig weder altijd over de zee zweefden; waar de wolken oprezen en eerst begonnen, waar de wind vandaan kwam en waar hij ophield; of de plek waar hij en Florence zoo dikwijls over die dingen hadden zitten praten, wel ooit weder juist dezelfde kon zijn, nu zij er niet meer waren; of zij ooit weder dezelfde voor Florence kon zijn, als hij ver weg was en zij daar alleen zat.

Hij moest ook aan Toots, en mijnheer Feeder, en aan al de jongens denken; en aan doctor Blimber en mevrouw Blimber en Cornelia; aan thuis, en aan zijne tante en jufvrouw Tox; aan zijn vader, Dombey en Zoon, aan Walter met zijn armen ouden oom, die nu het geld had dat hij noodig had, en aan dien kapitein met zijne grove stem en met zijne ijzeren hand. Bovendien had hij in den loop van den dag nog een aantal bezoeken te brengen: aan de schoolzaal, aan doctor Blimber’s studeerkamer, aan mevrouw Blimber’s kamer, aan die van Cornelia, en aan den hond. Want hij mocht nu vrij door het geheele huis gaan gelijk hij wilde, en in zijn verlangen om van allen op een vriendschappelijken voet te scheiden, poogde hij ieder nog eenige diensten te bewijzen. Nu zocht hij plaatsen in boeken op voor Briggs, die nooit zelf iets kon vinden; dan woorden in dictionnaires voor jonge heeren, die er mede verlegen waren; dan hield hij eene streng voor mevrouw Blimber op als zij zijde moest winden; dan legde hij de papieren in Cornelia’s lessenaar te recht; somtijds sloop hij zelfs des doctors studeerkamer binnen, en daar, aan zijne geleerde voeten gezeten, liet hij zachtjes de globes draaien, en reisde zoo den aardbol rond, of nam eene vlucht tusschen de verste sterren.

In die dagen onmiddellijk voor de vacantie, toen al de andere jonge heeren aan eene algemeene repetitie der studiën van het gansche halfjaar zwoegden, was Paul zulk een bevoorrecht leerling als men daar in huis nog nooit gezien had. Hij kon het zelf haast niet gelooven; maar zijne vrijheid bleef van uur tot uur, en van dag tot dag, voortduren, en kleine Dombey werd door iedereen geliefkoosd. Doctor Blimber was zoo oplettend voor hem, dat hij eens Johnson onder den maaltijd van de tafel zond, omdat hij hem onbedacht dien armen kleinen Dombey had genoemd; hetgeen Paul zelf wat al te hard vond, schoon hij er op dat oogenblik van had geschrikt en zich verwonderd waarom Johnson hem beklaagde. De rechtvaardigheid des doctors was te meer twijfelachtig, dacht Paul, omdat hij dien grooten man zelven den vorigen avond toestemmend had hooren antwoorden op een gezegde van mevrouw Blimber, dat die arme lieve kleine Dombey hoe langer hoe meer een oud mannetje werd. Paul begon nu te denken dat dit oudmannetjesachtige daarin moest bestaan, dat iemand mager en licht was, en heel gauw moede werd, en daarom gaarne overal ging liggen rusten; want hij kon niet nalaten te gevoelen dat hem dit van dag tot dag meer tot eene gewoonte werd.

Eindelijk kwam de dag van de partij; en toen zeide doctor Blimber bij het ontbijt: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten van de volgende maand zullen wij onze studiën hervatten.” Toots verzaakte oogenblikkelijk alle onderdanigheid, en stak zijn ring aan zijn vinger; en kort daarop in een toevallig gesprek van den doctor melding makende, noemde hij dezen zelfs eenvoudig “Blimber!” Deze vrijpostigheid vervulde de oudste leerlingen met bewondering en afgunst; maar de jongere waren ontzet en schenen zich te verwonderen, dat er geen balk kwam neervallen om hem te verpletteren.

Geen woord werd er aan het ontbijt of diner van het feest van dien avond gerept; maar er was den geheelen dag eene buitengewone drukte in huis, en op zijne omwandelingen maakte Paul kennis met verscheidene vreemde banken en kandelaren, en ontmoette hij eene harp met eene groene jas aan, die bij de deur van het salon op het portaal stond. Er was bij het diner ook iets wonderlijks aan mevrouw Blimber’s hoofd, alsof zij hare haren al te stijf had opgebonden; en hoewel Cornelia aan beide slapen eene sierlijke vlecht ten toon droeg, scheen zij daaronder toch hare eigene krulletjes in papillotten te hebben, en dat wel in stukken van een tooneelbiljet, want boven een van hare schitterende brilleglazen las Paul “Theatre Royal,” en boven het andere “Brighton.”

Er was, toen de avond naderde, eene groote tentoonstelling van witte vesten en dassen in de slaapkamers der jonge heeren, en zulk een reuk van gezengd haar, dat doctor Blimber den knecht naar boven zond, om met zijn compliment te vragen of het huis ook in brand stond. Maar het was slechts de kapper, die de jonge heeren friseerde en in zijne drukte zijne tang wat al te heet had laten worden.

Toen Paul gekleed was—dat men zeer vlug deed, want hij gevoelde zich niet wel en slaperig, en kon het niet lang uithouden—ging hij beneden naar het salon, waar hij doctor Blimber vond op- en neerstappen, bijzonder net gekleed, maar met een deftig en onverschillig gezicht, alsof hij het niet meer dan mogelijk achtte, dat hij dien avond een paar visites zou krijgen. Kort daarop verscheen mevrouw Blimber, en zag er allerliefst uit, dacht Paul, met zulk eene wijdte van rok, dat het eene heele wandeling was om haar heen te gaan. Cornelia kwam kort na hare mama, en zag er uit alsof zij wat te sterk was ingeperst, maar anders bekoorlijk.

Toots en mijnheer Feeder waren de volgenden die kwamen. Beide hadden den hoed in de hand, alsof zij ergens anders woonden, en toen zij door den bottelier werden aangediend, zeide doctor Blimber: “Zoo, zoo! Wel heb ik ooit!” en scheen buitengemeen verheugd hen te zien. Toots schitterde overal van juweelen en knoopen, en gevoelde dit zoo sterk, dat hij, na den doctor de hand gegeven en voor mevrouw en Cornelia gebogen te hebben, Paul ter zijde nam, en vroeg: “Wat vindt gij er nu van, Dombey?”

Maar in weerwil van dit bescheiden zelfvertrouwen, scheen Toots in groote onzekerheid te verkeeren, of het wel behoorlijk was den ondersten knoop van zijn vest dicht te hebben, en of het, alle omstandigheden in aanmerking nemende, beter was zijne witte mouwboorden op- of neergeslagen te dragen. Toen hij zag dat die van Feeder waren opgeslagen, sloeg Toots ook de zijne op; maar toen de volgende heer de zijne neer had, sloeg hij ze ook neer. De verscheidenheden in het knoopen van het vest, niet alleen van onderen maar ook van boven, werden, toen er meer heeren kwamen, zoo talrijk en ingewikkeld, dat Toots gedurig met zijne vingers langs dat kleedingstuk vloog alsof hij op een instrument speelde, en eindelijk niet meer scheen te weten hoe zich te helpen.

Toen al de jonge heeren, met stijve dassen, gefriseerd haar, dansschoenen aan en hun besten hoed in de hand, een voor een aangediend waren, kwam Baps, de dansmeester, vergezeld door mevrouw Baps, voor welke mevrouw Blimber buitengemeen vriendelijk was. Baps was een zeer deftig en ernstig heer, met eene langzame, afgemetene manier van spreken, en eer hij vijf minuten onder den lustre had gestaan begon hij met Toots (die stilzwijgend hunne schoenen had staan vergelijken) er over te praten, wat gij met uwe ruwe grondstoffen doen zoudt als zij naar uwe havens kwamen om uw goud uit het land te halen. Toots, wien die vraag zeer netelig voorkwam, gaf aan de hand ze “te koken;” maar Baps scheen niet te denken dat dit baten zou.

Paul liet zich nu van de gekussende sofa glijden, die zijn observatie post was geweest, en ging naar beneden in de kamer waar thee geschonken werd, om op Florence te wachten, die hij in bijna veertien dagen niet had gezien, daar hij den vorigen zaterdag en zondag bij doctor Blimber was gebleven, uit vrees dat hij kou zou vatten. Weldra kwam zij, en zag er met haar eenvoudig balkleedje en frissche bloemen in de hand zoo heerlijk uit, dat, toen zij op den grond knielde om Paul om den hals te pakken en te kussen (want er was daar niemand behalve zijne vriendin en nog een jong dienstmeisje, om thee te schenken), hij er nauwelijks toe kon besluiten om haar weder los te laten, en haar hare heldere, liefdevolle oogen van de zijne te laten afwenden.

“Maar wat scheelt er aan, Flore?” vroeg Paul, bijna zeker dat hij een traan in die oogen zag.—“Niets, broertjelief, niets,” antwoordde Florence.

Paul raakte met zijn vinger zacht hare wang aan—en het was een traan! “Waarom, Flore?” zeide hij.

“Wij zullen samen naar huis gaan, en ik zal u wel oppassen, lieve Paul,” zeide Florence.—“Mij oppassen!” herhaalde Paul.

Paul kon niet begrijpen hoe dit te pas kwam, of waarom de twee dienstmeisjes zoo ernstig toekeken, of waarom Florence even haar hoofd omkeerde, en hem toen weder helder glimlachend aanzag.

“Flore,” zeide Paul, eene lok van haar donker haar tusschen zijne vingers houdende. “Zeg mij toch, lieve! Vindt gij dat ik oudmannetjesachtig ben geworden?”

Zijne zuster lachte en liefkoosde hem, en zeide: “Neen!”—“Omdat ik wel weet dat zij dat van mij zeggen,” hervatte Paul, “en ik wilde weten wat zij daarmede meenen, Flore.”

Maar er werd nu hard aan de deur geklopt, en Florence snelde naar de tafel, en er werd niets meer tusschen hen gezegd. Paul verwonderde zich weder toen hij zijne vriendin met Florence zag fluisteren, alsof zij haar troostte; maar de komst van een nieuw troepje gasten bracht hem dit spoedig uit het hoofd.

Het waren Sir Barnet Skettles, Lady Skettles en jonge heer Skettles. De laatste zou na de vacantie op het instituut komen, en de faam was in Feeder’s kamer reeds met zijn vader bezig geweest, die lid van het parlement was, en van wien Feeder zeide dat hij, als hij eens het woord nam (hetgeen men reeds drie of vier jaren van hem verwacht had), de Radicalen denkelijk geducht zou raken.

“En wat is nu deze kamer, bij voorbeeld?” zeide Lady Skettles tot Paul’s vriendin, Melia.—“Doctor Blimber’s studeerkamer, mevrouw,” was het antwoord.

Lady Skettles nam het vertrek door haar lorgnet op, en zeide, met een goedkeurend knikje, tot Sir Barnet: “Heel wel!” Sir Barnet stemde dit toe, maar de jonge heer keek achterdochtig en twijfelachtig.

“En dit jongetje nu,” zeide Lady Skettles, zich naar Paul keerende; “is hij een van de....”—“Jonge heeren, mevrouw; ja, mevrouw,” zeide Paul’s vriendin.—“En hoe heet gij, mijn bleek jongetje?” zeide Lady Skettles.—“Dombey,” antwoordde Paul.

Dadelijk viel Sir Barnet Skettles er op in, en zeide, dat hij de eer had gehad van Paul’s vader aan een openbaar diner te zien, en dat hij hoopte dat hij nog wèl voer. Daarna hoorde Paul hem tegen Lady Skettles zeggen: “City—heel rijk—hoogst respectabel—de doctor heeft er mij van gesproken.” En toen zeide hij tot Paul: “Wilt gij uw goeden papa wel zeggen dat Sir Barnet Skettles zeer verheugd was te hooren dat hij nog wèl voer, en hem zijn beleefd compliment laat doen?”—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul.—“Dat is een cordate jongen,” zeide Sir Barnet Skettles. “Barnet,” tot den jongen heer, die zich voor de aanstaande studiën bij voorraad op den tulband wreekte, “dit is een jonge heer met wien gij wel kennis kunt maken. Dit is een jonge heer met wien gij kennis moogt maken, Barnet;” zeide hij, met bijzonderen nadruk op dit verlof.—“Welke oogen! Welke krullen! Wat een lief gezichtje!” riep Lady Skettles zachtjes uit, terwijl zij Florence door haar lorgnet opnam.—“Mijne zuster,” zeide Paul.

De Skettles’sen waren nu opgetogen; en daar Lady Skettles reeds op het eerste gezicht veel zin in Paul had gekregen, gingen allen te zamen naar boven. Sir Barnet Skettles leidde Florence, en de jonge Barnet kwam achteraan.

Toen zij het salon hadden bereikt bleef deze jonge heer echter niet lang op den achtergrond; want doctor Blimber had hem dadelijk naar voren en met Florence aan het dansen. Het kwam Paul voor dat hij niet bijzonder vergenoegd, maar integendeel tamelijk slecht in zijn humeur was; maar daar hij Lady Skettles, die met haar waaier de maat sloeg, tot mevrouw Blimber hoorde zeggen, dat haar lieve jongen duidelijk al smoorlijk verliefd was op het engelachtige kind, jonge jufvrouw Dombey, scheen het wel dat Skettles Junior niet wilde toonen hoe zalig hij was.

Kleine Paul vond het iets vreemds dat niemand zijne plaats tusschen de kussens op de sofa had ingenomen, en dat, toen hij weder in de kamer kwam, iedereen ruimte voor hem maakte om er weder naar toe te gaan. Ook bleef er niemand voor hem staan toen men opmerkte dat hij Florence gaarne zag dansen, maar men liet de plaats geheel vrij, zoodat hij haar met zijne oogen kon volgen. Zij waren zoo vriendelijk ook, zelfs de vreemdelingen, die er spoedig in groot aantal waren, dat zij hem telkens kwamen aanspreken, en hem vroegen hoe hij het maakte, en of hij hoofdpijn had, en of hij niet moe was. Hij was hun wel dankbaar voor al die goedheid en oplettendheid, en door kussens gesteund in zijn hoekje zittende, met Lady Skettles en mevrouw Blimber op dezelfde sofa, terwijl Florence op het eind van elken dans naast hem kwam zitten, bleef hij zeer vergenoegd toekijken.

Florence had den geheelen avond bij hem willen blijven en liever geheel niet dansen, maar Paul bewoog haar daartoe door haar te zeggen hoeveel behagen hij daarin had. En hij zeide haar de waarheid; want zijn hartje verhief zich en zijn gezichtje gloeide, als hij zag hoe iedereen haar bewonderde en zij het schoonste rozeknopje der danszaal was.

Van zijne rustplaats tusschen de kussens kon Paul bijna alles zien en hooren wat er omging, alsof alles alleen voor zijn vermaak gedaan werd. Onder andere kleine voorvallen merkte hij op dat mijnheer Baps, de dansmeester, met Sir Barnet Skettles in gesprek trad, en hem al zeer spoedig vroeg, evenals hij Toots had gedaan, wat hij met zijne ruwe grondstoffen doen zou als zij naar zijne havens kwamen en het goud wegliep—hetgeen voor Paul zoo iets raadselachtigs was, dat hij zeer verlangde te hooren wat er toch eigenlijk mee gedaan moest worden. Sir Barnet Skettles had er veel over te zeggen, en zeide dit ook, maar het scheen toch de vraag niet op te lossen, want Baps hervatte: “Ja, maar als Rusland dan ook met zijn talk aankwam?” hetgeen Sir Barnet bijna deed verstommen, want toen kon hij slechts zijn hoofd schudden en zeggen, wel dan moest men zich maar aan zijne katoenen stoffen houden, dacht hij.

Sir Barnet Skettles keek Baps na, toen hij mevrouw Baps wat ging opvroolijken (die, daar zij geheel verlaten was, zich hield alsof zij het muziekboek doorkeek van den heer die de harp bespeelde) alsof hij hem voor een merkwaardig persoon hield; en zeide dit ook kort daarop met zoovele woorden tot doctor Blimber, er bijvoegende of hij wel zoo vrij mocht zijn om te vragen wie hij was, en of hij ooit in den Raad van Koophandel had gezeten. Doctor Blimber antwoordde van neen, dat hij dit niet geloofde, dat hij eigenlijk een vak had....

“Dat met de statistiek in verband staat, zou ik durven zweren?” viel Sir Barnet er op in.—“Dat juist niet, Sir Barnet,” antwoordde doctor Blimber, zijne kin wrijvende. “Om de waarheid te zeggen, mijnheer Baps is een braaf man, Sir Barnet; maar eigenlijk is hij—onze dansmeester.”

Paul verwonderde zich zeer dat dit bericht Sir Barnet eene geheele andere meening van mijnheer Baps deed opvatten, dat hij zelfs woedend kwaad scheen te worden, met gloeiende oogen naar Baps omkeek, en naderhand, toen hij het geval aan Lady Skettles vertelde, zeide dat de kerel wel een dansmeester moest zijn om zoo verd...d onbeschaamd te wezen.

Er was nog iets dat Paul opmerkte. Mijnheer Feeder begon, nadat hij verscheidene glaasjes bisschop had gedronken, bijzonder vroolijk te worden. Het dansen was over het geheel zeer stijf en de muziek plechtig—zij geleek eenigszins naar kerkmuziek—maar na die glaasjes bisschop zeide Feeder tegen Toots, dat hij er wat leven in zou brengen; en daarna begon hij niet alleen te dansen, zoodat het werkelijk dansen mocht heeten, maar de muziek ook heimelijk op te stoken om wilde deuntjes te spelen. Verder werd zijne oplettendheid voor de dames zeer in het oog loopend; en met Cornelia dansende fluisterde hij haar iets in het oor—haar iets in het oor!—maar niet zoo zacht of Paul verstond deze buitengemeene dichtregelen:

“Had ik een hart dat valsch kon zijn, U kon ik nooit bedriegen!”

Dit hoorde Paul hem vier jonge dames achter elkander toefluisteren. Wel mocht hij tot Toots zeggen, dat hij vreesde dat het hem morgen zou opbreken.

Mevrouw Blimber maakte zich een weinig ongerust over dit—vergelijkenderwijs—losbandige gedrag, en vooral over de verandering in de muziek, die, daar zij nu ook gemeene straatdeuntjes begon te laten hooren, Lady Skettles wel aanstoot zou kunnen geven. Maar deze dame was zoo goed om mevrouw Blimber te verzoeken, dat zij er maar niet van zou spreken, en nam hare verontschuldiging dat mijnheer Feeder’s levendigheid van geest hem bij zulk eene gelegenheid somtijds tot kleine buitensporigheden verleidde, zeer beleefd en vriendelijk op, aanmerkende dat hij voor zijn stand een heel aardig man scheen te zijn, en haar vooral de netheid beviel waarmede hij zijn haar droeg, dat (gelijk reeds gezegd is) ongeveer een kwartduim lang was.

Eens, bij eene pauze in het dansen, zeide Lady Skettles tot Paul, dat hij veel van muziek scheen te houden. Paul antwoordde dat dit zoo was, en dat zij, als zij er ook zooveel van hield, zijne zuster Florence eens moest hooren zingen. Terstond ontdekte Lady Skettles dat zij bijna stierf van verlangen naar dit genot; en hoewel Florence er eerst van schrikte dat men haar vroeg om voor zooveel menschen te zingen, en ernstig verzocht dat men haar toch daarvan zou verschoonen, liet zij zich echter overhalen toen Paul haar bij zich riep en zeide: “Och toe, Flore! voor mij lieve Flore!” Zij ging dadelijk naar de piano en begon; en toen allen wat op zijde gingen, zoodat Paul haar kon zien, en hij haar daar alleen zag zitten, zoo jong, en zoo goed, en zoo schoon, en zoo vriendelijk voor hem; en hare heldere stem hoorde, zoo natuurlijk en bevallig, zulk een gouden band tusschen hem en alle liefde en geluk in zijn leven, moest hij zijn hoofd omkeeren om zijne tranen te verbergen. Niet, gelijk hij zeide, toen men hem aansprak, omdat de muziek te treurig of te aandoenlijk was, maar omdat zij hem zoo lief was.

Iedereen kreeg Florence lief. Hoe konden zij het laten. Paul had vooraf wel geweten dat zij moesten en zouden; terwijl hij daar tusschen de kussens in zijn hoekje zat, met kalm gevouwene handjes, en het eene been los onder zich geslagen, hadden weinigen kunnen raden welke trotsche blijdschap zijne kinderlijke borst deed zwellen, of welk eene zoete rust hij gevoelde. Lofspraken op “Dombey’s zuster” klonken hem van al de jongens in de ooren; iedereen verwonderde zich over het bescheidene zelfvertrouwen der jonge schoone; gedurig sprak men over hare geestigheid en hare talenten; en, als ware het zwevende in de lucht van een zomernacht, spreidde zich een half begrepen gevoel voor Florence en hem in het rond, dat hem roerde en streelde.

Hij wist niet waarom. Want al wat hij dien avond opmerkte, gevoelde en dacht—al het tegenwoordige en afwezige, het heden en verleden—smolt in elkander weg gelijk de kleuren van een regenboog, of van de pluimage van fraaie vogelen wanneer de zon ze beschijnt, of gelijk de zacht geschakeerde tinten der lucht wanneer die zon ondergaat. De vele dingen, waaraan hij in den laatsten tijd had moeten denken, zweefden hem in de muziek voorbij, niet alsof zij nogmaals zijne aandacht eischten, of dat zij die waarschijnlijk ooit weder zouden bezig houden, maar als vreedzaam afgedaan en bezorgd. Een eenzaam venster, waarvoor hij jaren geleden had staan turen, zag uit over een oceaan, mijlen en mijlen ver; op de golven lagen de invallende gedachten, die hem gisteren nog zoo woelig bezig hadden gehouden, nu rustig te slapen. Hetzelfde geheimzinnig gemurmel, waarover hij zich verwonderd had, toen hij in zijn wagentje op het strand lag, meende hij nog door het gezang zijner zuster, het gebrom van stemmen en het gescharrel van voeten te hooren klinken; het was alsof het zelfs eenig deel had aan de gezichten, die hem voorbijdwarrelden, en aan de botte vriendelijkheid van Toots, die hem dikwijls de hand kwam geven. Door de algemeene welwillendheid heen meende hij het nog te hooren; zelfs zijn naam van oudmannetjesachtigheid scheen er, hij wist niet hoe, in verband mede te staan. Zoo zat kleine Paul te luisteren, te mijmeren en te droomen, en was zeer vergenoegd.

Tot het tijd werd om afscheid te nemen; en toen kwam het geheele gezelschap in beweging. Sir Barnet Skettles bracht Skettles junior bij hem om hem de hand te geven, en vroeg hem of hij wel zou willen onthouden om zijn goeden papa te zeggen, met zijne bijzondere complimenten, dat hij, Sir Barnet Skettles, gezegd had te hopen dat de twee jonge heeren gemeenzame bekenden zouden worden. Lady Skettles gaf hem een kus, en streek het haar van zijn voorhoofd weg en sloot hem in hare armen, en zelfs mevrouw Baps—die arme mevrouw Baps! Paul was er blijde om—kwam van het muziekboek van den heer, die de harp speelde af, en nam even hartelijk afscheid van hem als iemand anders in de kamer.

“Goedendag, doctor Blimber,” zeide Paul, zijn handje toereikende.—“Goedendag, mijn vriendje,” antwoordde de doctor.—“Ik blijf u wel verplicht, mijnheer,” zeide Paul, hem argeloos in het geduchte gezicht kijkende. “Zult gij hun vragen, als het u belieft, dat zij goed voor Diogenes zorgen?”

Diogenes was de hond,—die nooit vóór Paul een vriend in zijn vertrouwen had genomen. De doctor beloofde dat men, gedurende Paul’s afwezigheid, alle mogelijke oplettendheid voor Diogenes zou hebben; en nadat Paul hem nog eens bedankt en de hand gegeven had, zeide hij mevrouw Blimber en Cornelia vaarwel, met zulk eene hartelijkheid en ernst, dat mevrouw Blimber van dat oogenblik af vergat om Lady Skettles van Cicero te spreken, hoewel zij het den geheelen avond vast voornemens was geweest. Cornelia nam Paul’s beide handjes in de hare en zeide: “Dombey, Dombey, gij zijt altijd mijn liefste leerling geweest. God zegene u!” En dit bewees, dacht Paul, hoe licht men iemand onrecht kon doen; want Cornelia, hoewel zij hem het leven zoo zuur had gemaakt, meende het en gevoelde het.

Een gemompel liep onder de jonge heeren de kamer door: “Dombey gaat heen!—Kleine Dombey gaat heen!” en er ontstond een algemeen gedrang de trap af naar het voorhuis, achter Paul en Florence. De geheele familie Blimber ging mede. Zoo iets, zeide Feeder hardop, was, zoover hij zich kon herinneren, nog nooit met een jongen heer gebeurd; maar het zou moeielijk te zeggen zijn of dit de nuchtere waarheid of de bisschop was. De dienstboden, met den bottelier aan het hoofd, stelden er allen belang in om kleinen Dombey te zien heengaan; zelfs het jonge mensch met zwakke oogen, dat zijne boeken en koffers naar de koets droeg, welke hem en Florence voor dien nacht naar mevrouw Pipchin zou brengen, was zichtbaar aangedaan.

Zelfs niet de invloed van den meest verteederenden hartstocht op de jonge heeren—en allen waren op Florence verliefd—kon hen weerhouden om een luidruchtig afscheid van Paul te nemen, hem met hoeden na te wuiven, elkander te verdringen om hem de hand te geven, een voor een te roepen “Dombey, vergeet mij niet!” en zich meer dergelijke zulke uitbarstingen van gevoel te veroorloven, zeer ongewoon bij deze jeugdige Chesterfield’s. Toen Florence Paul inbakerde, eer de deur werd opengedaan, fluisterde hij haar toe—Had zij dat gehoord? Zou zij het ooit vergeten? Was zij er niet blij mee? En uit zijne oogen straalde de levendigste blijdschap toen hij dit zeide.

Nog eens keerde hij zich om, en wierp een laatsten blik op de naar hem gerichte gezichten, en verwonderde zich hoe helder en hoe talrijk zij waren, en hoe zij boven elkander waren opgestapeld, gelijk de gezichten in eene volle schouwburgzaal. Terwijl hij nog keek, dwarrelden zij voor zijne oogen alsof hij ze in een spiegel zag, die niet stil hing, en een oogenblik later was hij buiten in de donkere koets en klemde hij zich aan Florence vast. Wanneer hij naderhand aan het huis van doctor Blimber dacht, kwam het hem altijd weder voor den geest gelijk hij het toen voor het laatst had gezien; nooit scheen het weder een werkelijk huis te zijn, maar altijd een droom, en vol oogen.

Dit was echter het laatste afscheid nog niet. Onverwacht schoof Toots een van de portierglazen neer, keek binnen en zeide giggelend: “Is Dombey daar?” en schoof het dadelijk weder op, zonder naar antwoord te wachten. Zelfs dit was het laatste nog niet; want eer de koetsier kon oprijden, schoof Toots even onverwacht het andere portier neer, keek met hetzelfde gegiggel binnen, zeide met dezelfde stem: “Is Dombey daar?” en verdween evenals te voren.

Wat lachte Florence! En hoe dikwijls dacht Paul daar nog aan en wat lachte hij dan ook!

Maar er was veel, kort daarop—des anderen daags en naderhand—dat Paul zich slechts verward kon herinneren. Zooals, waarom zij dagen en nachten bij mevrouw Pipchin bleven, in plaats van naar huis te gaan; waarom hij in bed lag en Florence daar naast bleef zitten; of het zijn vader was geweest in de kamer, of maar eene lange schaduw op den muur; of hij zijn dokter van iemand had hooren zeggen, dat, als zij hem hadden weggebracht vóór den dag waarvan hij zich zooveel had voorgesteld, met eene verbeelding te krachtiger omdat hij zelf zoo zwak was, het wel mogelijk was dat hij zich zou hebben doodgetreurd.

Hij kon zich zelfs niet herinneren of hij dikwijls tot Florence gezegd had: “Och Flore, breng mij naar huis en verlaat mij nooit weer!” maar hij dacht het wel. Hij verbeeldde zich somtijds dat hij zich zelven had hooren herhalen: “Breng mij naar huis, Flore, breng mij naar huis!”

Maar hij kon zich herinneren, toen hij thuis kwam en de welbekende trap werd opgedragen, dat hij vele uren lang het rommelen van eene koets had gehoord, terwijl hij op de bank lag, met Florence nog naast hem en de oude mevrouw Pipchin aan den overkant. Hij herinnerde zich ook zijn vroeger ledikantje, toen men hem weder daarin legde, en zijne tante, jufvrouw Tox en Suze. Maar er was nog iets anders, en dat wel kort geleden, dat hem verbijsterde.

“Ik wilde Florence spreken, als het u belieft,” zeide hij. “Florence alleen, voor een oogenblik.”

Zij boog zich over hem heen, en de anderen bleven achteruit.

“Flore, mijn liefje, was dat niet papa, in het voorhuis, toen ze mij uit de koets haalden?”—“Ja, broertje lief.”—“Hij schreide toch niet, en ging niet naar zijne kamer, deed hij wel, Flore, toen hij mij zag binnenkomen?”

Florence schudde haar hoofd, en drukte hare lippen op zijne wang.

“Ik ben blij dat hij niet schreide,” zeide Paul. “Ik dacht dat hij dat gedaan had. Zeg hem maar niet, dat ik er naar gevraagd heb.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XV

VERBAZENDE SLIMHEID VAN KAPITEIN CUTTLE EN IETS NIEUWS VOOR WALTER GAY.

Walter kon het verscheidene dagen niet met zich zelven eens worden, wat hij in die zaak van Barbados zou doen, en koesterde zelfs eene flauwe hoop dat mijnheer Dombey niet zou gemeend hebben wat hij zeide, of van gedachten zou veranderen en hem naderhand zeggen dat hij niet behoefde te gaan. Maar dewijl er niets voorviel om dit denkbeeld (dat op zich zelf onwaarschijnlijk genoeg was) den minsten zweem van bevestiging te geven, en de tijd zachtjes aan verliep, begreep hij dat hij moest handelen, zonder zich langer te bedenken.

Walter’s grootste bezwaar was, hoe hij de verandering in zijne vooruitzichten aan zijn oom Sam zou mededeelen, voor wien hij gevoelde dat dit een geduchte slag zou zijn. Het viel hem te zwaarder oom Sam met zulk eene ontzettende tijding te bedroeven, dewijl de oude man sedert eenigen tijd veel was opgefleurd, en weder zoo vroolijk geworden, dat het achterkamertje wederom even gezellig was als voorheen. Oom Sam had den eersten termijn van de schuld aan Dombey betaald, en hoopte op zijn tijd ook de rest af te doen; en hem thans opnieuw ter neer te slaan, nu hij zich zoo mannelijk boven zijn leed had verheven, was eene droevige noodzakelijkheid.

Het ging evenwel niet aan om zoo maar van hem weg te loopen. Hij moest er vooruit van weten; en hoe het hem te zeggen, was de zaak. Wat de vraag van gaan of niet gaan betrof, meende Walter geene keus te hebben. Dombey had hem met waarheid gezegd, dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren; en door den blik, die deze herinnering vergezelde, had hij duidelijk te kennen gegeven, dat Walter, als hij het voorstel afwees, wel thuis mocht blijven, als hij zoo verkoos, maar niet op zijn kantoor. Zijn oom en hij hadden eene groote verplichting aan mijnheer Dombey, waarom Walter zelf had verzocht. Hij mocht er heimelijk aan wanhopen om ooit de gunst van dien heer te winnen, en denken dat deze hem nu en dan met eene minachting behandelde, die eigenlijk niet billijk was; maar wat buitendien zijn plicht zou geweest zijn, bleef toch zijn plicht—zoo dacht Walter ten minste—en zijn plicht moest hij doen.

Toen Dombey hem aanzag en zeide dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren, had zijn gezicht de smadelijke onderstelling uitgedrukt, dat Walter wel lust zou hebben om op kosten van een oud man, die toch reeds in bekrompene omstandigheden verkeerde, te blijven ledig loopen; en dit had den edeldenkenden jongeling tot in de ziel getroffen. Met voornemen om mijnheer Dombey, zoover hij dit zonder woorden te gebruiken doen kon, te verzekeren dat hij zich in zijn karakter had vergist, had Walter er zich op toegelegd om zich na die West-Indische benoeming nog vroolijker en vlijtiger te toonen dan te voren, zoo dit voor een jongen van zijn levendigen en vurigen aard mogelijk was. Hij was te jong en te onervaren om te denken, dat juist deze hoedanigheid van hem mijnheer Dombey niet aangenaam was, en het geen middel was om zijne goede meening te winnen als iemand zich onder de schaduw van zijn geducht ongenoegen, hetzij billijk of onbillijk, weltevreden en gemoedigd bleef toonen. Maar misschien—misschien—dacht de groote man dat dit nieuwe blijk van een edel en mannelijk gemoed moest dienen om hem te tarten, en nam hij zich voor het te vernederen.

“Wel, eens moet het oom Sam toch gezegd worden,” dacht Walter met een zucht; en daar hij vreesde dat zijne stem misschien wat mocht beven, en zijn uitzicht niet zooveel hoop aanduiden als hij wenschte, indien hij het den ouden man zelf zeide en den eersten indruk dier mededeeling in zijne gerimpelde trekken waarnam, besloot hij de goede diensten van kapitein Cuttle, als bemiddelaar in te roepen. Toen het weder zondag was geworden, begaf hij zich nog eens naar de woning des kapiteins.

Onderweg was het geene onaangename herinnering voor hem, dat jufvrouw MacStinger elken zondagochtend een verren tocht deed, om de godsdienstoefening bij te wonen, onder het gehoor van den eerwaarden Melchizedek Howler, die, toen hij van de West-Indische dokken werd weggezonden, op de valsche verdenking (door den grooten vijand opzettelijk tegen hem uitgestrooid) dat hij gaatjes in vaten boorde en dan zijn mond er voor hield, begonnen was het vergaan der wereld tegen dien dag over twee jaren aan te kondigen, en eene benedenkamer had gehuurd ter ontvangst van heeren en dames van de Dolle Gezindte, op welke, bij hunne eerste vergadering, zijne vermaningen zulk een krachtigen indruk hadden gemaakt, dat, onder den heiligen dans welke de plechtigheden besloot, de vloer bezweek en de geheele gemeente beneden in de keuken neerplofte, waarbij een mangel, aan een lid der kudde toebehoorende, onherstelbaar werd beschadigd.

Dit had de kapitein, in een oogenblik van buitengemeene spraakzaamheid, op den avond toen Brogley de uitdrager werd afbetaald, aan Walter en zijn oom verteld. De kapitein bezocht geregeld elken zondagmorgen eene kerk in zijne eigene buurt, waar hij goed genoeg was om—daar de wettige hondenslager een gebrekkig oud man was—het oog op de jongens te houden, over welke hij, door zijn geheimzinnigen haak, een groot vermogen uitoefende. Wetende hoe geregeld de kapitein in alles was, maakte Walter zooveel haast als hij kon, om hem nog eer hij uitging te vinden, en had ook het genoegen, toen hij den hoek van Brig place omsloeg, de blauwe jas en het vest van kapitein Cuttle buiten het venster in de zon te luchten te zien hangen.

Het was bijna ongeloofelijk de blauwe jas te zien, zonder dat de kapitein er instak; maar hij stak er toch niet in, anders zouden zijne beenen—daar de huizen in Brig Place niet hoog zijn—de straatdeur hebben verstopt, die evenwel geheel vrij was. Zeer verwonderd over dit gezicht, klopte Walter ééns aan.

“Stinger,” hoorde hij den kapitein, boven op zijne kamer, duidelijk zeggen, alsof dit kloppen hem niet aanging. Walter klopte dus tweemaal.

“Cuttle,” hoorde hij den kapitein daarop zeggen; en terstond daarop kwam de kapitein zelf, in zijne schoone hemdsmouwen, met zijne das als een touw om den hals en zijn blinkenden hoed op, boven zijne jas en vest uit het raam kijken.

“Walter!” riep de kapitein uit, met verbazing naar beneden ziende.—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter. “Ik ben het maar.”—“Wat scheelt er aan, mijn jongen?” zeide de kapitein zeer bezorgd. “Gills is toch niet weer over stuur?”—“Neen, neen,” antwoordde Walter. “Mijn oom scheelt niets, kapitein.”

Kapitein Cuttle gaf zijn genoegen daarover te kennen, en zeide dat hij naar beneden zou komen en de deur opendoen, hetgeen hij dan ook deed.

“Maar ge zijt er toch heel vroeg bij, Walter,” zeide de kapitein, hem nog twijfelachtig aanziende, toen zij boven waren gekomen.—“Wel, kapitein,” zeide Walter, zich neerzettende, “de zaak is eigenlijk, dat ik bang was dat ge zoudt uitgaan; en ik wenschte eens een vriendelijken raad van u te hebben.”—“Kom maar op, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Gij kunt alles van mij krijgen.”

Walter verhaalde hem wat er was voorgevallen, in welk bezwaar hij zich daardoor ten opzichte van zijn oom bevond, en hoe het hem verplichten zou als kapitein Cuttle zoo goed wilde zijn om hem bij te staan. Kapitein Cuttle’s verbazing was zoo groot, dat zijn gezicht op het eind van het verhaal een ledig masker scheen te zijn, waarachter nooit eene menschelijke ziel had gescholen.

“Gij begrijpt wel, kapitein Cuttle,” vervolgde Walter, “wat mij zelven betreft, ik ben nog jong, zooals mijnheer Dombey zegt, en op mij komt het niet aan. Ik moet maken dat ik door de wereld kom, dat weet ik wel, maar er zijn twee punten dacht ik, terwijl ik hier naar toekwam, waarop ik voor mijn oom bijzonder moet letten. Ik wil niet zeggen dat ik verdien zijn roem en de lust van zijn leven te zijn—dat gelooft gij wel van mij—maar dat ben ik toch. Denkt gij het ook niet?”

De kapitein scheen eene poging te doen om uit de diepte zijner verbazing op te rijzen en zijn gezicht weder te bezielen; maar daar dit hem mislukte, knikte de blinkende hoed slechts met onuitsprekelijke beteekenis.

“Als ik in leven en gezond blijf,” zeide Walter, “en daar ben ik niet bang voor, kan ik toch, als ik naar West-Indië ga, bezwaarlijk hopen mijn oom ooit weder te zien. Hij is oud, en buitendien, kapitein Cuttle, zijn leven is een leven van gewoonte....”—“Sta vast, Walter! En als die gewoonte ophoudt!” zeide de kapitein, eensklaps als het ware herlevende.—“Maar al te waar, kapitein,” antwoordde Walter, zijn hoofd schuddende. “En als het (zooals gij eens met waarheid hebt gezegd) zijn leven zou verkort hebben, als hij zijn winkelvoorraad, en al die dingen, waaraan hij zooveel jaren gewoon was, had verloren, denkt gij dan niet dat het zijn leven ook verkorten zou....”—“Als hij zijn neef verloor?” viel de kapitein er op in. “Wel zeker.”—“Nu dan,” zeide Walter, met eene poging om een vroolijken toon aan te nemen; “wij moeten ons best doen om hem te doen gelooven, dat de scheiding maar voor een tijd zal zijn; maar daar ik beter weet, of vrees beter te weten, kapitein, en zooveel redenen heb om hem te achten en lief te hebben, vrees ik dat het mij zeer slecht zou afgaan als ik probeerde hem dat wijs te maken. Dat is mijne voornaamste reden om te wenschen dat gij er hem het eerst van spreekt, en dat is mijn eerste punt.”—“Laveeren,” merkte de kapitein peinzend aan.—“Wat zegt ge, kapitein?” vroeg Walter.—“Sta vast!” antwoordde de kapitein, nog peinzend.

Walter zweeg eene poos om te wachten of de kapitein er nog iets bij zou voegen; maar daar deze niets meer zeide vervolgde hij.

“Nu het tweede punt, kapitein Cuttle. Het spijt mij dat ik het moet zeggen, maar ik ben geen gunsteling van mijnheer Dombey. Ik heb altijd mijn best willen doen, en ik heb dat ook altijd gedaan, maar hij houdt niet van mij. Ik kan het misschien niet helpen, dat ik hem niet beval. Daar zeg ik niets van. Ik zeg maar, het is zeker dat hij niet van mij houdt. Hij zendt mij niet naar dien post omdat het een goede post is; hij wil mij dien zelfs niet beter doen voorkomen dan hij is, en ik twijfel zeer of ik daardoor ooit tot bevordering op het kantoor zal komen—of hij mij niet integendeel maar voor altijd uit den weg wil hebben. Nu moeten wij hiervan niets tegen oom zeggen, kapitein Cuttle, maar de zaak zoo gunstig voorstellen als wij kunnen; en als ik u zeg hoe het werkelijk is, doe ik dat alleen opdat ik, als er ooit gelegenheid mocht komen om mij een handje te helpen, terwijl ik zoo ver weg ben, thuis een vriend zou hebben, die mijne wezenlijke omstandigheden kent.”—“Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, “in de spreuken van Salomo vinden wij dit: “Mogen wij nooit gebrek hebben aan een vriend in nood, of aan eene flesch om hem te geven!” Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”

Hierbij had de kapitein, met een gezicht vol welmeenendheid, Walter zijne hand toegestoken; en nog eens zeide hij (want hij was eenigszins trotsch op de nauwkeurigheid en gepastheid van zijne aanhaling): “Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”—“Kapitein Cuttle,” zeide Walter, de vervaarlijke vuist, die hem werd toegestoken, met zijne beide handen vattende; “na mijn oom, is er niemand van wien ik zooveel houd als van u. Er is niemand op de wereld wien ik zoo gerust kan vertrouwen, dat weet ik zeker. Wat het heengaan betreft, kapitein, daarom geef ik niet. Waarom zou ik daarom geven? Als ik mijn fortuin mocht gaan zoeken als gemeen matroos, zou ik het gaarne doen. Ik zou het al jaren geleden gaarne gedaan hebben, en het er op gewaagd hebben hoe het met mij afliep. Maar dat was tegen den zin van mijn oom en tegen de plannen die hij voor mij gemaakt had; en daarmede was dat afgedaan. Maar wat ik gevoel, kapitein Cuttle, is dat wij ons allen aldoor eenigszins vergist hebben, en dat ik tegenwoordig geene betere vooruitzichten heb dan toen ik pas bij mijnheer Dombey op het kantoor kwam—misschien slechter vooruitzichten, want misschien was de patroon mij toen wel wat genegen, en dat is hij nu zeker niet.”—“Keer terug, Whittington,” mompelde de verslagene kapitein, nadat hij Walter eene poos had aangezien.—“Het zal lang duren, vrees ik,” antwoordde Walter lachende, “eer er weer een Whittington komt. Niet dat ik klaag,” vervolgde hij, weder zijn gewonen levendigen toon aannemende. “Ik heb over niets te klagen. Ik ben bezorgd. Ik kan leven. Als ik mijn oom verlaat, laat ik hem aan u over, kapitein Cuttle, en ik kan hem aan niemand beter overlaten. Ik heb u dat alles niet gezegd omdat ik wanhopig ben, dat niet; het is maar om u te overtuigen, dat ik het op het kantoor niet maar zoo voor het kiezen heb, en dat ik moet gaan waar ik gezonden word en moet nemen wat mij geboden wordt. Het is voor mijn oom beter dat ik word weggezonden; want mijnheer Dombey is een vriend die hem kan bijstaan, en ook wel wil, gelijk gebleken is; en ik ben overtuigd dat hij dit nog eerder zal doen als ik er niet ben, dien hij niet gaarne ziet. Dus, kapitein Cuttle, met eene kleine verandering van het matrozen-liedje:

“Dat gaat naar West-Inje toe, Voor meer dan zeven jaren.””

Kapitein Cuttle kon niet nalaten mede te schreeuwen, en besloot het gezang met een lang uitgerekt “A-hoy!” dat de geheele straat doorklonk.

“En nu, kapitein Cuttle,” zeide Walter, hem met groote drukte jas en vest aangevende, “als ge nu wilt meekomen en oom Sam het nieuws vertellen (dat hij eigenlijk al lang had moeten weten) zal ik u aan de deur laten en tot van middag gaan rondkuieren.”

De kapitein scheen niet veel zin in die taak te hebben, of te denken dat hij ze naar behooren zou kunnen volvoeren. Hij had zich Walter’s toekomstige loopbaan zoo geheel anders voorgesteld; hij had zich zoo dikwijls verheugd over de schranderheid waarmede hij zijn fortuin vooruitzag, dat het hem veel kostte daarvan af te zien, en zelfs mede te helpen, om die vooruitzichten den bodem in te slaan. Buitendien vond hij het moeilijk zijne oude denkbeelden in dit opzicht over boord te werpen en eene nieuwe lading in te nemen, zonder in de haast, welke de omstandigheden vereischten, de eene met de andere zaak te verwarren en zelf niet te weten hoe hij het had. In plaats van dus met zooveel spoed, als Walter zou verlangd hebben, vest en jas aan te trekken, weigerde hij dit geheel en al, en onderrichtte hij Walter dat hij over zulk eene ernstige zaak eerst “een beetje op zijne nagels moest bijten.”

“Dat is eene oude gewoonte van mij. Walter,” zeide de kapitein, “al sedert vijftig jaar. Als gij Ned Cuttle op zijne nagels ziet bijten, denk dan maar dat hij aan den grond zit.”

Daarop nam de kapitein zijn ijzeren haak tusschen de tanden, alsof het eene hand was, en begon de zaak, met een gezicht vol diepdenkende wijsheid, uit alle oogpunten te overwegen.

“Ik heb een vriend,” mompelde hij peinzende, “maar hij is tegenwoordig op de kustvaart naar Whitby uit, die er zooveel over zou kunnen zeggen en over alle andere dingen, dat hij het parlement wel zes zou kunnen voorgeven en het nog kloppen. Hij is tweemaal over boord geslagen, die man, en het heeft hem niets gedeerd. Toen hij nog een jongen was kreeg hij alle dag met eene handspaak op zijn kop, en toch is er geen mensch op de wereld die helderder kop heeft.”

In weerwil van zijne achting voor kapitein Cuttle kon Walter niet nalaten zich heimelijk over de afwezigheid van dien wijzen man te verheugen, en te hopen dat zijn helder verstand zich niet met zijne bezwaren mocht bemoeien eer zij geheel waren opgeruimd.

“Als ik dien man de ton aan de Nore wees,” zeide kapitein Cuttle, op denzelfden toon, “en hem zijne meening daarover vroeg, Walter, zou hij er een ding van maken dat zoo weinig op eene ton geleek als de knoopen van uw oom. Geen mensch loopt zoo hard—op twee beenen zeker niet—dat hij hem kan bijhouden.”—“Hoe heet hij, kapitein Cuttle?” zeide Walter, die toch eenige belangstelling in den vriend des kapiteins wilde toonen.—“Hij heet Bunsby,” zeide de kapitein. “Maar, Heere, hij zou heel wat anders kunnen heeten, met zulk een verstand als hij heeft.”

Welk denkbeeld de kapitein eigenlijk aan deze lofspraak hechtte helderde hij niet verder op, en Walter lokte hem ook niet daartoe uit; want toen hij met zijne natuurlijke levendigheid nog eens over de voornaamste punten zijner zaak begon te spreken, ontdekte hij spoedig dat de kapitein weder in zijne vroegere diepzinnigheid was verzonken, en hoewel hij hem onder zijne ruige wenkbrauwen strak aankeek, hem blijkbaar niet zag of hoorde.

Kapitein Cuttle zat zich inderdaad met zulke diepzinnige bespiegelingen bezig te houden, dat zijn doorzicht weldra geheel geen grond meer vond. Langzamerhand werd het hem duidelijk dat er eene misvatting moest plaats hebben, en het veel waarschijnlijker was dat Walter zich vergiste dan hij; dat, indien er werkelijk een West-Indisch plan bestond, dit geheel iets anders moest wezen dan Walter, die zoo jong en loszinnig was, meende,—dat het niets anders wezen kon dan een nieuw verzinsel om hem met buitengewonen spoed fortuin te laten maken. “Of als er werkelijk eene kleine haspelarij tusschen hen is,” dacht de kapitein, meenende tusschen Walter en Dombey, “zal er maar een gepast woordje van een wederzijdsch vriend noodig zijn, om alles weder in orde te brengen.” De slotsom, die kapitein Cuttle uit deze overwegingen trok, was, dat daar hij reeds de eer had gehad om mijnheer Dombey te leeren kennen en te Brighton een zeer aangenaam half uur in zijn gezelschap door te brengen (op den ochtend toen zij dat geld leenden), en daar twee lieden, die de wereld kenden en elkander verstonden, en genegen waren om elkander pleizier te doen, gemakkelijk een klein bezwaar van dien aard konden schikken, het vriendschappelijk van hem zou zijn, als hij, zonder er Walter iets van te zeggen, bij mijnheer Dombey aan huis ging—tegen den knecht zeide: “Jongetje, wilt gij wel zoo goed zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren?”—Mijnheer Dombey in een geest van vertrouwen aan te spreken—hem bij zijn knoopsgat te haken—er over te praten—alles in het effen te brengen—en in zegepraal heen te gaan!

Terwijl deze gedachten langzamerhand bij kapitein Cuttle opkwamen en een bepaalden vorm kregen, klaarde zijn gezicht op, evenals een benevelde morgen voor een helderen middag plaats maakt. Zijne wenkbrauwen, die geducht dreigend waren geweest, trokken naar omhoog en werden minder borstelig; zijne oogen, bijna dichtgeknepen van het ingespannen denken, openden zich ongedwongen; een glimlach, die eerst maar drie plekjes had,—een aan den rechterkant van zijn mond en een aan beide ooghoeken—verspreidde zich over geheel zijn gezicht, ontrimpelde zijn voorhoofd, en lichtte den blinkenden hoed op, alsof deze, die met den kapitein aan den grond had gezeten, nu, evenals hij, gelukkig weder vlot was.

Eindelijk staakte de kapitein het nagelbijten, en zeide: “Nu, Walter, mijn jongen, kunt ge mij eens helpen met dat tuig;” waarmede hij zijn vest en jas bedoelde.

Walter vermoedde weinig waarom de kapitein zoo keurig was op zijne das, dat hij de beide slippen tot een soort van staart maakte, en deze door een zwaren gouden ring haalde, met eene tombe, een hek en een boom er op, ter gedachtenis van een overleden vriend; en waarom de kapitein zijne boordjes zoo hoog mogelijk optrok, zoodat hij er slechts even overheen kon zien; of waarom hij zijne schoenen uitdeed en een paar halvelaarzen aantrok, die hij slechts bij buitengewone gelegenheden droeg. Toen eindelijk de kapitein naar zijn genoegen was gekleed, en zich van het hoofd tot de voeten had bekeken in een scheerspiegeltje, hetwelk hij ten dien einde van een spijker nam, greep hij zijn knoestigen stok en zeide, dat hij gereed was.

De kapitein stapte op straat deftiger dan gewoonlijk, maar Walter schreef dit aan de laarzen toe en lette er dus weinig op. Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand; een waaierachtig bouquet, dat twee en een halven voet in omtrek had en uit de kleurigste en vroolijkste bloemen was samengesteld.

Met dit presentje, dat hij voor mijnheer Dombey bestemde, gewapend, stapte kapitein Cuttle met Walter voort, tot zij de deur des instrumentmakers bereikten, waarvoor zij beiden bleven stilstaan.

“Gij gaat binnen?” zeide Walter.—“Ja,” antwoordde de kapitein, die wel gevoelde dat hij zich Walter moest kwijt maken, eer hij verder ging, en dat hij zijn voorgenomen bezoek liever tot wat later op den dag moest uitstellen.—“En gij zult niets vergeten?” zeide Walter.—“Neen,” antwoordde de kapitein.—“Ik zal dus maar dadelijk op mijne wandeling uitgaan,” zeide Walter, “dan ben ik uit den weg.”—“Doe maar eene frissche lange wandeling, mijn jongen,” riep de kapitein hem na. Walter wuifde met de hand om dit te beloven, en ging zijns weegs.

Zijn weg lag eigenlijk nergens heen; maar hij dacht dat hij eens naar buiten wilde gaan, waar hij over het onbekende leven, dat voor hem lag, kon nadenken en onder een of anderen boom gerust zitten peinzen. Hij wist geene betere buitenwandeling dan bij Hampstead, en geene betere manier om daarheen te komen dan door Dombey’s huis voorbij te gaan.

Het was zoo statig en donker als ooit, en hij ging voorbij en zag naar den dreigenden gevel op. De valgordijnen waren allen neergelaten, maar de bovenvensters stonden wijd open, en het koeltje, dat die gordijnen deed heen en weder zwaaien, was het eenige teeken van leven of beweging dat van buiten zichtbaar was. Walter stapte zachter, toen hij het huis voorbijging, en was blijde toen hij het een paar deuren achter zich had.

Toen zag hij om—met die belangstelling welke hij altijd, sedert het avontuur van het verdwaalde kind, jaren geleden voor de plek gevoeld had, en keek vooral naar die bovenvensters. Terwijl hij zoo stond, hield er een koetsje voor de deur stil, en een zwaarlijvig heer, in het zwart, met een zwaren horlogeketting, stapte af en ging binnen. Toen hij zich naderhand dien heer en zijne equipage te zamen herinnerde, twijfelde Walter niet of het was een dokter, en toen verwonderde hij zich wie er ziek was: maar dit viel hem niet in voordat hij een eind ver was gegaan en mijmerend aan andere dingen had gedacht.

Maar toch aan dingen die door het huis bij hem opkwamen, want hij streelde zich met de gedachte, dat er misschien eens een tijd zou komen, wanneer het schoone meisje, dat zijne oude vriendin was, en hem altijd zoo dankbaar was geweest en zoo blijde dat zij hem zag, haar broeder in zijn belang zou trekken en zoo een gunstigen invloed op zijn lot uitoefenen. Hij streelde zich daarmede, meer, op het oogenblik, omdat hij zich dan zou kunnen verbeelden dat zij bestendig aan hem bleef denken, dan om het voordeel dat het hem zou kunnen geven; maar zijn nuchter verstand fluisterde hem toe dat hij, als hij dan nog leefde, over zee, en vergeten zou wezen, en zij getrouwd, rijk, trotsch en gelukkig. Er bestond niet meer reden dat zij bij zulk een veranderden staat van zaken met eenige belangstelling aan hem zou denken, dan aan eenig speeltuig dat zij ooit had gehad—neen, zelfs zooveel niet.

En toch idealiseerde Walter het bevallige meisje, dat hij eens op de gemeene straten had vinden zwerven, zoodanig, en vond in de onschuldige dankbaarheid, welke zij dien avond zoo eenvoudig en oprecht had getoond, zooveel edels en schoons, dat hij zich voor zich zelven schaamde, toen hij zich wilde opdringen dat zij trotsch zou worden. Aan den anderen kant waren zijne gedachten zoo grillig, dat het hem bijna niet minder lasterlijk voorkwam zich haar als eene volwassene vrouw te verbeelden, haar zich anders voor te stellen dan als hetzelfde zachtzinnige, argelooze, aanhalige kind, dat zij in de dagen van Goede Vrouw Brown geweest was. Kortom, Walter ontdekte dat hij, zoodra hij met zich zelven over Florence wilde redeneeren, terstond geheel onredelijk werd, en maar niet beter kon doen dan haar beeld in zijn hart te bewaren als iets kostbaars, onveranderlijks, onbereikbaars en onduidelijks—onduidelijk in alles behalve haar vermogen om hem op te beuren, en hem als een beschermengel terug te houden van alles wat harer onwaardig zou zijn.

Het was eene lange wandeling die Walter deed, terwijl hij naar de vogeltjes, en de kerkklokken, en het verzachte gegons der stad luisterde—streelende geuren inademde—somtijds naar den benevelden gezichteinder keek, waarachter zijne reis en de plaats zijner bestemming lagen—en dan weder rondzag naar het groene Engelsche gras en het bekende landschap. Evenwel dacht hij niet duidelijk, zelfs niet aan zijn vertrek; hij scheen het nadenken, uit traagheid, van uur tot uur, en van minuut tot minuut uit te stellen, en toch bleef hij al dien tijd aan het peinzen.

Walter had de velden weder verlaten, en stapte in dezelfde mijmerende stemming huiswaarts, toen hij een man een schreeuw hoorde geven, en terstond daarop eene gillende vrouwenstem hem bij zijn naam riep. Verwonderd omkijkende, zag hij dat eene huurkoets, die den anderen kant opreed, niet ver van hem af, was blijven stilstaan; dat de koetsier op den bok omzag en hem met zijne zweep wenkte, en dat eene jonge vrouw het halve lijf uit het portier stak en hem met alle macht teekenen gaf. Naar deze koets toeloopende, bevond hij dat de onbekende jonge jufvrouw Nipper was, en dat jonge jufvrouw Nipper zoodanig onthutst was dat zij haast niet wist wat zij zeide of deed.

“Staggs’s Gardens, mijnheer Walter!” zeide zij. “O zeg toch, als je blieft.”—“Wat?” vroeg Walter. “Wat is er te doen?”—“O, mijnheer Walter, Staggs’s Gardens als je blieft!” zeide Suze.—“Daar!” zeide de koetsier, zich met zekere zegevierende wanhoop op Walter beroepende, “zoo heeft die jonge jufvrouw al een uur lang aangegaan, en mij gedurig weer achteruit laten rijden uit blinde sloppen, waar zij wilde dat ik zou inrijden. Ik heb al veel vrachten in die koets gehad, maar nog nooit zulk eene vracht als zij.”—“Woudt ge naar Staggs’s Gardens, Suze?” vroeg Walter.—“Ja! Daar wil ze naar toe! Maar waar is het?” bromde de koetsier.—“Ik weet niet waar het is,” riep Suze radeloos uit. “Ik ben er eens geweest, mijnheer Walter, met jonge jufvrouw Flore en onzen armen lieveling, jongen heer Paul, op denzelfden dag toen gij jonge jufvrouw Flore in de City hebt gevonden, want wij raakten haar kwijt toen wij naar huis kwamen, jufvrouw Richards en ik, en een dolle stier en haar oudste jongetje; en ik ben er later nog wel geweest, maar nu kan ik het niet vinden, het is alsof het in den grond is gezonken. O, mijnheer Walter, laat mij toch niet zitten. Staggs’s Gardens, als je blieft. Flore’s lieveling—de lieveling van ons allemaal—die kleine, vriendelijke jonge heer Paul! O mijnheer Walter!”—“Goede God!” riep Walter uit. “Is hij ziek—erg ziek?”—“Och dat engeltje!” zeide Suze, hare handen wringende. “Hij heeft in zijn hoofdje gekregen, dat hij graag zijne oude min zou zien, en nu moet ik haar bij hem aan zijn bed halen, jufvrouw Staggs, in Polly Toodle’s Gardens—wist het toch maar iemand!”

Ontroerd van hetgeen hij hoorde, en terstond door Suze’s ijver aangestoken, trok Walter, nu hij hare boodschap begreep, zich de zaak zoo hartelijk aan, dat de koetsier genoeg werk had om hem dicht op te volgen, terwijl hij vooruitliep, om hier en daar en overal naar Staggs’s Gardens te vragen.

Er was geen Staggs’s Gardens meer. Het was van de aarde verdwenen. Waar eens het oude vermolmde zomerhuisje stond, verhief zich nu een paleis, en opende zich tusschen reusachtige kolommen een vergezicht in de spoorwegwereld daarachter. Het ellendige stuk braakland, waar voorheen allerlei vuilnis lag opgehoopt, was weg; in plaats daarvan zag men rijen van magazijnen met allerlei kostbare koopwaren volgestapeld. De oude achterstraten wemelden nu van voetgangers en rijtuigen; de nieuwe straten, die moedeloos in den modder waren blijven steken, vormden nu steden op zich zelven, met eigenaardige gemakken en genoegens, die men nooit beproefd, waaraan men nooit gedacht had, eer zij hier geschapen werden. Bruggen die naar niets toe gingen, brachten nu naar villa’s, tuinen, kerken en gezonde openbare wandelingen. De geraamten van huizen en beginselen van nieuwe buitenwijken waren langs den weg met stoomsnelheid medegeloopen, en als een monstertrein het land ingevlogen.

Wat de buurt betrof, die den spoorweg in zijne dagen van ontstaan niet had willen erkennen, zij was wijzer geworden en roemde nu op haar rijken en machtigen buurman. Men zag er spoorwegpatronen voor de vensters der manufactuurwinkels, en spoorwegbladen voor die der courantenloopers. Men zag er spoorweghotels en koffiehuizen, men had er spoorwegplannen, kaarten, gezichten, mantels, flesschen, boterhammenblikjes en vertreklijsten; spoorwegkoetsveeren, spoorwegomnibussen, spoorwegstraten en gebouwen, spoorweghandlangers en pannelikkers, en vleiers buiten getal. De klokken wezen zelfs spoorwegtijd, alsof de zon was afgeschaft. Onder de overwonnelingen was de voorheen zoo ongeloovige schoorsteenveger van Staggs’s Gardens, die nu in een gepleisterd huis van drie verdiepingen woonde, en zich op een geschilderd bord met gouden krulletters voor “aannemer van het machinale reinigen der spoorwegschoorsteenen” uitgaf.

Naar en van het hart dier groote verandering stroomde nacht en dag een rustelooze stroom van levensbloed heen en weder. Scharen van menschen en bergen van goederen, die twintig maal in de vier en twintig uren aankwamen en vertrokken, onderhielden eene eeuwigdurende beweging. Zelfs de huizen schenen genegen om op te pakken en uitstapjes te gaan doen. Wonderlijke parlementsleden, die zich, weinig langer dan twintig jaren geleden, met de wilde spoorwegtheorieën der ingenieurs hadden vroolijk gemaakt, en bij parlementaire verhooren den draak met hen hadden gestoken, reden nu met het horloge in de hand naar het noorden, en zonden met den magnetischen telegraaf boodschappen vooruit, dat zij kwamen. Dag en nacht snorden de locomotieven zegevierend voort, of gleden, op het eind van een tocht, gelijk getemde draken, naar het aangewezene hoekje, op een duimbreed afgemeten, en stonden daar te borrelen en te trillen, dat de muren er van beefden, als vervulde hen de geheime bewustheid van groote vermogens, die men nog niet vermoedde, en veruitziende oogmerken, die zij nog moesten verwezenlijken.

Maar Staggs’s Gardens was met wortel en tak uitgeroeid. O jammer, dat geen voet Engelschen grond—met krotjes van huizen bezet—meer veilig is!

Eindelijk vond Walter, na veel vruchteloos navragen, een man, die in dat verdwenen land had gewoond, en niemand anders was dan de vroeger gemelde schoorsteenveger, nu een deftig, zwaarlijvig man geworden, die juist aan zijne eigene deur klopte. Hij kende Toodle wel, zeide hij. Was hij niet aan den spoorweg geplaatst?

“Ja, mijnheer, ja!” riep Suze Nipper uit het portier.

Waar woonde hij nu? vroeg Walter haastig.

Hij woonde in de gebouwen der Compagnie, den tweeden hoek rechtsom, de werf langs, dan dwars over en weer den tweeden hoek rechtsom. Het was nommer elf; zij kon niet missen; maar als zij dat toch deden, moesten zij maar naar Toodle den stoker vragen, en iedereen zou hun wijzen waar hij woonde. Bij dit onverwachte geluk, kwam Suze met allen spoed uit de koets, nam Walter’s arm en ging met een stap, die haar spoedig buiten adem moest doen raken, te voet op weg, de koets daar latende om op hare terugkomst te wachten.

“Is de kleine jongen lang ziek geweest, Suze?” vroeg Walter, terwijl zij zich voortrepten.—“Al heel lang sukkelig, maar niemand hield het voor zoo erg,” antwoordde Suze, en voegde er met buitengemeene scherpheid bij: “O die Blimber’s!”—“Blimber’s?” herhaalde Walter.—“Ik zou het mij zelve niet kunnen vergeven, mijnheer Walter,” antwoordde Suze, “als ik iemand hard viel in een tijd als deze, nu er zooveel ernstige droefheid is om aan te denken, maar ik mag toch wel wenschen dat die heele familie aan het werk werd gezet om nieuwe wegen te maken in een steenigen grond, en dat die jufvrouw Blimber met het houweel vooruit moest.”

Daarop haalde zij eens adem en stapte nog harder door, alsof die buitengewone ontboezeming hare borst verruimd had. Walter, die nu zelf geen adem te missen had, stapte met haar mede zonder meer te vragen, en spoedig stormden zij in hun ongeduld eene deur binnen, en kwamen zoo in een zindelijk voorkamertje vol kinderen.

“Waar is jufvrouw Richards?” riep Suze rondkijkende. “O jufvrouw Richards, jufvrouw Richards, kom toch met mij mee, als een lief mensch!”—“Wel waarlijk, als dat Suze niet is!” zeide Polly, onder de groep, met haar goedig moederlijk gezicht, zeer verwonderd opstaande.—“Ja, jufvrouw Richards, ik ben het,” zeide Suze; “en ik wou dat ik het niet was, al lijkt het niet beleefd om zoo te zeggen; maar jonge heer Paul is heel ziek, en heeft zijn papa vandaag gezegd dat hij zijne oude min zoo graag nog eens zou zien, en hij en jonge jufvrouw Flore hopen dat ge met mij mee zult komen—en mijnheer Walter, jufvrouw Richards—en vergeten wat er is voorgevallen, en dat lieve kind nog een pleizier willen doen, want hij zal het niet lang meer maken, jufvrouw Richards. Och, hij zal het niet lang meer maken!”

Toen Suze begon te schreien, en Polly, van aandoening over hare komst en het gehoorde bericht, mede schreide, en al de kinderen (waaronder verscheidene kleintjes) zich om haar heen drongen, legde Toodle, die juist van Birmingham thuis was gekomen, en uit een schotel zat te eten, mes en vork neer, stond op, kreeg voor zijne vrouw den hoed en doek, die achter de deur hingen, hielp haar die opzetten en omdoen, klopte haar toen op den rug, en zeide, met meer vaderlijk gevoel dan welsprekendheid: “Snij maar uit, Polly!”

Zoo kwamen zij naar de koets terug, lang voor dat de koetsier hen verwachtte; en Walter hielp Suze en jufvrouw Richards er in, ging zelf op den bok zitten, opdat er geene vergissing meer zou plaats hebben, en bracht de twee veilig tot bij mijnheer Dombey in het voorhuis—waar hij, terloops gezegd, een reusachtigen ruiker zag liggen, welke hem aan dien herinnerde, dien kapitein Cuttle des morgens in zijn gezelschap had gekocht. Hij zou gaarne nog wat gebleven zijn om meer van den kleinen zieke te hooren, of gewacht hebben, hoelang ook, om te zien of hij den minsten dienst kon bewijzen; maar zich pijnlijk bewust, dat zulk een gedrag door zijn patroon voor vrijpostig en aanmatigend zou worden gehouden, ging hij langzaam en treurig heen.

Hij was nog geene vijf minuten ver, toen een man hem kwam naloopen en verzocht om terug te komen. Walter ging haastig weder met hem mede, en trad met een droevig voorgevoel het sombere huis binnen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVI. WAT DE GOLVEN ALTIJD ZEIDEN

Paul was nooit weder uit zijn bedje opgestaan. Daar lag hij naar het gerucht op straat te luisteren, rustig en stil, zonder zich veel te bekommeren hoe de tijd verliep, maar toch oplettend daarop en op alles om hem heen acht gevende.

Als de zonnestralen door de dunne gordijnen in de kamer vielen, en de gouden golfjes over den muur aan den overkant speelden, wist hij dat het avond werd en het eene heerlijke roode lucht was. Als dit schijnsel wegstierf, en de duisternis tegen den muur opkroop, lette hij er op hoe het al donkerder en donkerder werd, tot het geheel nacht werd. Dan dacht hij hoe de lange straten met lantarens waren besprenkeld, en hoe omhoog de vreedzame sterren flikkerden. Zijne verbeelding had eene zonderlinge neiging om naar de rivier te dwalen, die hij wist dat door de groote stad stroomde; en dan dacht hij hoe zwart zij was, en hoe diep zij moest schijnen, als die menigte van sterren er in spiegelde—en vooral hoe standvastig zij voortvloeide naar de zee.

Als het later in den nacht werd, en de voetstappen op straat zoo zeldzaam werden, dat hij ze kon hooren aankomen, en tellen tot zij zich weder in de verte verloren, lag hij stil naar den gekleurden ring om de kaars te kijken, en wachtte geduldig naar den dag. Het eenige dat hem ontrustte was die diepe, snelle rivier. Somtijds gevoelde hij zich genoodzaakt om haar te willen stuiten—om met zijne kinderlijke handjes haar loop te stremmen—of ze met zand te verstoppen—en als hij ze onweerstaanbaar zag aankomen, gaf hij een schreeuw. Maar een woord van Florence, die altijd bij hem was, bracht hem weder tot bezinning, en zijn hoofdje tegen hare borst leggende, vertelde hij Flore zijn droom en glimlachte.

Als de dag weder begon aan te breken, wachtte hij naar de zon, en wanneer haar vroolijk licht de kamer begon te verhelderen, verbeeldde hij zich—neen, zag hij de hooge kerktorens in de morgenlucht oprijzen, de stad herleven, ontwaken, weder in beweging komen, de rivier glinsteren in haar loop (maar altijd even snel voortstroomen), en het veld schitteren van den dauw. Langzamerhand kwam dan op straat het gewone gerucht en geroep; de dienstboden in huis kwamen op en aan het werk, gezichten kwamen de deur inkijken en vroegen aan zijne oppassters zachtjes hoe hij het maakte. Paul antwoordde altijd zelf: “Ik ben beter. Ik ben veel beter; wel bedankt! Zeg dat aan papa!”

Langzamerhand werd hij het gewoel van den dag, het gerucht van koetsen, wagens en voorbijgangers moede, en dan viel hij in slaap, of plaagde hem weder die lastige bewustheid—hij kon zelf bijna niet zeggen of hij dan sliep of wakker was—van de stroomende rivier. “Waarom wil zij nooit ophouden, Flore?” vroeg hij haar dan somtijds... “Zij neemt mij mee, geloof ik!”

Maar Flore kon hem altijd bedaren en geruststellen, en het was dagelijks een genot voor hem haar het hoofd op zijn kussen te laten leggen, om zoo wat te rusten.

“Gij waakt altijd bij mij, Flore. Laat ik nu bij u waken!” Dan zette men hem met kussens in een hoek van zijn bed, en daar zat hij dan, terwijl zij naast hem lag, zich somtijds overbuigende, om haar een kus te geven, en de anderen in de kamer toe te fluisteren dat zij moe was, en dat zij al zoovele nachten bij hem was opgebleven.

Zoo verliep langzamerhand de dag en verloren zich weder zijne warmte en licht; en dan speelden de gouden golfjes weder over den muur.

Hij werd door drie deftige dokters bezocht—zij plachten zich beneden te verzamelen en te zamen naar boven te komen—en de kamer was dan zoo stil en Paul lette zoo goed op hen (schoon hij nooit iemand vroeg wat zij zeiden) dat hij zelfs het verschil in het geluid van hunne horloges kende. Maar zijne belangstelling was vooral op Sir Parker Peps gevestigd, die altijd dichtst bij zijn bed kwam zitten; want hij had lang geleden hooren zeggen, dat die dokter bij zijne mama was geweest, toen zij Florence in hare armen sloot en stierf; en dat kon hij nu niet vergeten. Hij hield om die reden van den dokter. Hij was niet bang. De menschen om hem heen veranderden even onbegrijpelijk als in dien eersten nacht bij dokter Blimber—behalve Florence: Florence veranderde nooit—en wat Sir Parker Peps was geweest, was nu zijn vader, die met zijn hoofd in de hand zat. De oude mevrouw Pipchin, die in een leuningstoel zat te dutten, veranderde dikwijls in jufvrouw Tox of in zijne tante, en dan sloot Paul gaarne zijne oogen weder, om te zien wat er vervolgens zou gebeuren, zonder dat dit hem eenigszins ontroerde. Maar die gedaante met het hoofd in de hand kwam zoo dikwijls terug en bleef zoolang, en zat zoo plechtig stil, zonder ooit te spreken of aangesproken te worden, en maar zelden zijn gezicht vertoonende, dat Paul zich flauw begon te verwonderen of zij wel iets wezenlijks was; en als hij ze des nachts daar zag zitten, was hij bang.

“Flore,” zeide hij. “Wat is dat?”—“Waar, lieve Paul?”—“Daar, aan het voeteind van het bed.”—“Daar is niets, behalve papa.”

De gedaante beurde het hoofd omhoog, stond op, kwam naar het bed en zeide:

“Paul, mijn jongen, kent ge mij niet?”

Paul keek het gezicht aan en dacht: Was dat zijn vader? Maar het gezicht dat hij zoo veranderd vond, trilde onder dat staren, alsof het van pijn was; en eer hij zijne beide handjes kon uitsteken, om het daartusschen te nemen en naar zich toe te trekken, keerde de gedaante zich om en ging de deur uit.

Paul zag met een kloppend hart Florence aan, maar hij wist wel wat zij zou zeggen, en stuitte haar door zijn gezichtje tegen hare lippen te drukken. Toen hij de volgende maal die gedaante aan het voeteinde van zijn bed zag zitten, riep hij ze toe:

“Wees niet zoo bedroefd om mij, lieve papa! Waarlijk, ik ben heel gelukkig!”

Toen zijn vader kwam en zich naar hem overboog—hetgeen hij snel deed, zonder eerst bij het bed te blijven staan—sloeg Paul hem zijne armen om den hals, en herhaalde die woorden verscheidene malen en met grooten ernst; en naderhand zag Paul hem nooit weder in de kamer, hetzij over dag of des nachts, of hij riep hem toe: “Wees niet bedroefd om mij! Waarlijk ik ben heel gelukkig!” Dit was het begin er van, dat hij des morgens altijd zeide dat hij veel beter was, en dat zij dit zijn vader moesten zeggen.

Hoevele malen de gouden golfjes over den muur speelden; hoevele nachten de donkere rivier, zijns ondanks, naar de zee stroomde—dit telde Paul nooit en verlangde hij nooit te weten. Indien hunne vriendelijke oplettendheid of zijn gevoel daarvan konden toenemen, werden zij met elken dag nog vriendelijker en hij nog dankbaarder, maar of het vele dagen of weinige waren, kwam het zachtzinnige kind nu als van weinig belang voor.

Op een nacht had hij aan zijne moeder gedacht en aan haar portret in het salon beneden, en hij had zich verbeeld dat zij meer van de lieve Florence moest gehouden hebben dan zijn vader deed, om haar zoo in hare armen te sluiten toen zij gevoelde dat zij stierf; want zelfs hij, haar broeder, die haar zoo liefhad, kon geen grooter wensch hebben dan deze. Deze gedachten brachten hem op de vraag of hij zijne moeder ooit gezien had; want hij kon zich niet herinneren of men hem ja of neen had gezegd;—die rivier stroomde zoo sterk en verwarde zijn denkvermogen.

“Flore, heb ik ooit mama gezien?”—“Neen, lieveling; waarom?”—“Heb ik nooit een vriendelijk gezicht, zooals dat van mama, mij zien aankijken toen ik nog een klein kind was, Flore?”

Hij vroeg haar dit ongeloovig twijfelende, alsof hij een zweem van zulk een gezicht voor zich had.

“O ja, lieve.”—“Van wie dan, Flore?”—“Van uwe oude min. Dikwijls.”—“En waar is mijne oude min?” zeide Paul. “Is zij ook dood? Flore, zijn wij allen dood, behalve gij?”

Er kwam eene beweging in de kamer, voor een oogenblik—langer misschien, maar het scheen toch niet langer—en toen was alles weder stil; en Florence hield, met een doodsbleek, maar toch nog glimlachend gezichtje, zijn hoofd in haar arm. Haar arm beefde sterk.

“Laat mij die oude min eens zien, Flore, als het belieft.”—“Zij is niet hier, lieve Paul; maar zij zal morgen komen.”—“Dank, Flore.”

Paul sloot met deze woorden zijne oogen en viel in slaap. Toen hij wakker werd, stond de zon hoog, en was het een heldere warme dag. Hij lag een poosje naar de vensters te kijken, die openstonden en waarvoor de gordijnen ritselend heen en weder zwaaiden; toen zeide hij: “Flore, is het nu morgen? Is zij gekomen?”

Er scheen iemand om haar uit te gaan. Misschien was het Suze. Paul meende haar, toen hij weder zijne oogen sloot, te hooren zeggen dat zij spoedig terug zou zijn; maar hij opende ze niet om te zien. Zij hield haar woord—misschien was zij niet eens uit geweest—maar het volgende dat hij hoorde waren voetstappen op de trap, en toen werd Paul wakker—wakker naar lichaam en geest—en kwam in zijn bed overeind. Hij zag ze nu om hem heen. Er was nu geen grauwe mist voor hem, gelijk des nachts somtijds gebeurde. Hij kende iedereen, en noemde ieder bij zijn naam.

“En wie is dat? Is dat mijne oude min?” zeide het kind, de binnentredende met een blijden glimlach aanziende.

Ja, ja. Geene andere vreemde zou bij zijn gezicht die tranen hebben geschreid, en hem haar lieven jongen, haar zoeten jongen, haar arm lief kind hebben genoemd. Geene andere vrouw zou zich over zijn bed hebben gebogen, en zijn vermagerd handje hebben gevat, en het aan hare lippen en hare borst hebben gedrukt, alsof zij iemand was die wel eenig recht had om het te liefkoozen. Geene andere vrouw zou zoo ieder die daar was, behalve hem en Flore, hebben vergeten, en zooveel teederheid en medelijden hebben getoond.

“Flore, dat is een vriendelijk, goedig gezicht!” zeide Paul. “Ik ben blij dat ik het weerzie. Ga niet heen, oude min! Blijf hier!”

Al zijne zinnen waren gescherpt, en hij hoorde een naam noemen.

“Wie was dat, die daar “Walter” zeide?” vroeg hij, in het rond ziende. “Iemand heeft Walter gezegd? Is hij hier? Ik zou hem heel graag zien.”

Niemand gaf rechtstreeks antwoord; maar spoedig zeide zijn vader tot Suze: “Roep hem dan terug en laat hem boven komen!” Na eene korte poos van verwachting, waaronder hij met glimlachende belangstelling en verwondering zijne min aankeek, en zag dat zij Flore nog niet vergeten had, werd Walter in de kamer gelaten. Zijn frisch gezicht, zijne rondborstige manieren en zijne vroolijke oogen hadden hem bij Paul altijd tot een gunsteling gemaakt; en toen Paul hem zag, stak hij zijn handje uit en zeide: “Vaar wel!”—“Vaar wel, kind!” riep mevrouw Pipchin, en kwam haastig naar het bed. “Wel neen, geen vaar wel immers?”

Voor een oogenblik zag Paul haar aan met het peinzende gezichtje, waarmede hij haar zoo dikwijls in zijn hoekje bij het vuur had aangestaard. “Ja,” zeide hij kalm; “vaar wel! Lieve Walter, vaar wel!” en het hoofd omkeerende naar den kant waar zijn vader stond, stak hij nog eens zijn handje uit en vroeg: “Waar is papa?”

Hij gevoelde den adem van zijn vader op zijne wang, eer hij nog geheel had uitgesproken.

“Denk om Walter, lieve papa,” fluisterde hij, hem aanziende. “Denk om Walter. Ik heb veel van Walter gehouden!” Het zwakke handje wuifde door de lucht, alsof het Walter nog eens “vaar wel!” toeriep.—“Leg mij nu neer,” zeide hij; “en Flore, kom dicht bij mij en laat ik u zien!”

Zuster en broeder strengelden hunne armen door elkander, en het gouden licht kwam binnenstralen, en bescheen hen zoo aaneengesloten.

“Wat stroomt die rivier snel, tusschen hare groene oevers en biezen, Flore. Maar zij is nu dicht bij de zee. Ik hoor de golven! Zij hebben altijd zoo gezegd!”

Weldra zeide hij haar dat de beweging der boot op den stroom hem in slaap wiegde. Hoe groen waren de oevers nu, en hoe schitterend de bloemen die er op groeiden, en hoe hoog de biezen! Nu was de boot buiten op zee, maar gleed toch zachtjes voort. En nu lag er eene kust voor hem. Wie stond daar op den kant!

Hij vouwde zijne handjes samen, gelijk hij placht te doen als hij bad. Hij nam zijne armen niet weg om dit te doen; maar men zag hem zijne handjes zoo vouwen, achter om haar hals.

“Mama gelijkt op u, Flore. Ik ken haar aan haar gezicht! Maar zeg hun dat de plaat boven op school niet goddelijk genoeg is. Het licht om het hoofd beschijnt mij nu!”

De gouden golfjes speelden weder over den muur, maar niets anders bewoog zich in de kamer van het oudachtige kind. De oude Dood, zoo oud als de wereld, was daar gekomen. God zij geloofd, nog ouder is de Onsterfelijkheid!

“O Heere, Heere!” zeide jufvrouw Tox, dien avond opnieuw uitbarstende, alsof haar het hart zou breken. “Als men bedenkt dat Dombey en Zoon toch eene dochter moest wezen!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVII. KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN

Vertrouwende op dat verbazende talent voor onpeilbaar diep berekende listen, waarmede hij (gelijk bij menschen van klaar doorzichtige eenvoudigheid niet ongewoon is) oprecht geloofde door de natuur begaafd te zijn, was kapitein Cuttle op dien gewichtigen zondag naar het huis van Dombey gegaan, den geheelen weg over knipoogende om zijne overtollige slimheid lucht te geven, en had zich in den vollen glans zijner halve laarzen voor Towlinson vertoond. Van dien persoon vernemende welk eene ramp het huis bedreigde, was de kapitein uit kieschheid en ontsteltenis terstond weder heengegaan, alleen den ruiker overgevende, als een klein bewijs zijner deelneming, waarbij hij verzocht de familie zijn eerbiedig compliment te doen, en zijne hoop te kennen gaf dat zij in deze omstandigheden het maar scherp bij den wind zouden houden, met eene belofte dat hij “morgen wel eens weer zou praaien.”

Van het compliment des kapiteins werd nooit weder iets gehoord. Zijn ruiker bleef in het voorhuis liggen tot hij des anderen daags in den vuilnisbak werd geworpen, en de slimme berekening des kapiteins werd, te gelijk met veel hooger plannen en uitzichten, door één ongeluk verijdeld. Zoo moeten, wanneer een sneeuwval een bosch vernielt, de heesters en struiken met de boomen lijden, en allen te zamen vergaan.

Toen Walter op dien zondagavond van zijne wandeling, die zulk een merkwaardig einde had gehad, terugkwam, was hij in het eerst te vol van de tijding die hij medebracht, en van de aandoeningen welke het bijgewoonde tooneel natuurlijk in zijn gemoed had opgewekt, om op te merken dat zijn oom blijkbaar nog onbekend was met het bericht, dat de kapitein hem zou hebben medegedeeld, of dat de kapitein met zijn haak seinen maakte ten einde hem te waarschuwen om niet van de zaak te spreken. Niet dat de seinen des kapiteins zeer begrijpelijk zouden geweest zijn, al had men er nog zoo nauwkeurig op gelet; want gelijk de Chineesche wijzen, die men zegt dat in hunne redetwisten zekere geleerde woorden, die volstrekt niet kunnen uitgesproken worden, met trekken in de lucht schrijven, maakte de kapitein zulke zwaaien en zwieren, dat iemand, die niet vooraf met zijn geheim bekend was, ze met geene mogelijkheid kon uitleggen.

Kapitein Cuttle zag echter, toen hij hoorde wat er gebeurd was, van deze pogingen af, daar hij begreep welke geringe kans er nu bestond om voor den tijd van Walter’s vertrek een gemeenzaam praatje met Dombey te hebben. Maar terwijl hij, met een bedrukt gezicht, zich zelven toegaf, dat Samuel Gills het hooren en Walter gaan moest—de zaak thans nemende gelijk zij was, zonder dat zij door de slimme tusschenkomst van een vriend kon toegelicht of verbeterd worden—bleef de kapitein toch een onverflauwd vertrouwen koesteren, dat hij, Ned Cuttle, de man voor mijnheer Dombey was, en dat er, om Walter’s fortuin klaar te maken, niets anders noodig was dan dat zij eens met hun beiden bij elkander kwamen. Want de kapitein kon nooit vergeten hoe goed hij en Dombey te Brighton met elkander te recht waren gekomen; hoe welgepast zij beiden, als het noodig was, een woordje hadden gesproken; hoe wel zij elkander hadden begrepen, en hoe hij, Ned Cuttle, in den eersten nood die uitkomst had aangewezen, en de onderhandeling tot een gewenscht einde gebracht. Op al deze gronden troostte de kapitein zich met de gedachte dat hij, schoon de omstandigheden hem nu noodzaakten om werkeloos voor anker te blijven liggen, toch door den tijd de zeilen in top zou halen en zich door alles heenslaan.

Onder den invloed dezer goedhartige zelfbegoocheling, begon kapitein Cuttle, terwijl hij Walter zat aan te kijken en met een traan op zijn boordje naar zijn verhaal te luisteren, zelfs te overleggen, of het niet te gelijk beleefd en politiek zou zijn, mijnheer Dombey, als zij elkander eens zagen, eene mondelinge uitnoodiging te geven om, wanneer het hem maar schikte, eens in Brig Place bij hem te komen eten, en dan onder een gezellig glas over de vooruitzichten van zijn jongen vriend te praten. Doch het onzekere humeur van jufvrouw MacStinger, en de mogelijkheid dat zij onder zulk een onthaal in den gang zou gaan staan en daar eene lang niet vleiende predikatie houden, maakte den kapitein beschroomd om aan deze gastvrije gedachten voet te geven.

Eén ding was den kapitein, terwijl Walter over het gebeurde uitweidde, volkomen duidelijk; namelijk dat, hoewel Walter’s bescheidenheid hem mocht beletten om dit zelf te zien, hij toch zoo goed als een lid van mijnheer Dombey’s huisgezin was. Hij was in persoon bij de gebeurtenis, die hij zoo aandoenlijk beschreef, tegenwoordig geweest, hij was er met name bij genoemd en geprezen, en zijn geluk moest in de oogen van zijn patroon eene zaak van bijzonder gewicht zijn. Indien de kapitein nog heimelijk eenigszins aan zijne eigene redeneering twijfelde, twijfelde hij toch volstrekt niet of zij zou voor de gemoedsrust van den ouden instrumentmaker goed kunnen zijn. Hij nam dus een gunstig oogenblik waar, om zijn ouden vriend de zending naar West-Indië, als eene buitengewone bevordering, mede te deelen, en verklaarde daarbij dat hij gaarne honderd duizend pond (als hij ze had) zou willen geven voor het voordeel dat Walter eens daaruit zou trekken, en niet twijfelde of hij zou dan nog eene goede som winnen.

Samuel Gills was door dit bericht, dat als een donderslag in het achterkamertje neerviel, in het eerst geheel versuft. Maar de kapitein liet zulke gulden beloften voor zijne benevelde oogen schitteren: gaf zulke geheimzinnige wenken van Whittingtoniaansche gevolgen, legde zooveel nadruk op hetgeen Walter pas verhaald had, en noemde dit zoo stoutweg eene bevestiging zijner vroegere voorspellingen, dat hij den ouden man geheel verbijsterde. Walter, aan zijn kant, veinsde zoo vol hoop en ijver te zijn, en zich zoo zeker te houden van spoedig weder naar huis te komen, en hij ondersteunde den kapitein met zulk een nadrukkelijk hoofdknikken en handenwuiven, dat Samuel, eerst hem en daarna Cuttle aanziende, begon te denken dat hij opgetogen van blijdschap behoorde te zijn.

“Maar ik ben bij mijn tijd ten achter, weet ge,” merkte hij verontschuldigend aan, en streek zenuwachtig met zijne hand langs de blinkende knoopen van zijn rok op en neer, alsof zij de kralen van een rozenkrans waren, die hij telde, “en ik zou mijn lieven jongen liever hier houden. Het is een ouderwetsch begrip, denk ik wel. Hij heeft altijd veel van de zee gehouden. Hij is,” hier zag hij Walter oplettend aan, “hij is blij dat hij gaat.”—“Oom Sam!” riep Walter haastig uit. “Als gij dat zegt, wil ik niet gaan. Neen, kapitein Cuttle, dan wil ik niet. Als mijn oom denkt dat ik blij zou kunnen zijn dat ik hem verliet, al was het om gouverneur van al de eilanden in West-Indië te worden, dat is genoeg. Ik blijf hier.”—“Walter mijn jongen,” zeide kapitein Cuttle. “Sta vast. Sam Gills, richt den kijker eens op uw neef.”

Den statigen zwaai van des kapiteins haak met zijne oogen volgende, richtte de oude man deze op Walter.

“Hier is zekere bodem,” zeide de kapitein, met trotsche bewustheid van de beeldspraak waartoe hij zich verhief, “die op zekere reis zal uitgaan. Welke naam staat er onuitwischbaar op den spiegel geschilderd? Is het de Gay? of” zeide de kapitein, zijne stem verheffende, als wilde hij zeggen, let eens op het geestige hiervan, “is het de Gills?”—“Edward,” zeide de oude man, Walter naar zich toetrekkende, en diens arm met teedere vriendelijkheid onder den zijnen nemende, “ik weet het wel. Ik weet het wel. Ik weet natuurlijk wel dat Walter altijd meer om mij dan om zich zelven denkt. Dat onthoud ik wel. Als ik zeg dat hij blij is, meen ik, dat ik dat hoop. Ziet ge wel, Edward, en gij ook, Walter, dit is iets nieuws en onverwachts; en ik vrees, dat ik zoo bij mijn tijd ten achter ben gebleven en zoo arm ben, er de eigenlijke reden van is. Is het waarlijk een fortuintje voor hem, zeg mij dat nu?” zeide de oude man, beiden beurtelings angstig aanziende. “Waarlijk en wezenlijk? Is het dat? Ik kan mij haast met alles verzoenen dat Walter voorthelpt; maar ik wilde niet dat Walter om mij zich zelven benadeelde, of iets voor mij achterhield. Gij, Edward Cuttle!” zeide de oude man, den kapitein strak aanziende, tot groote verlegenheid van dezen diplomaat; “gaat gij nu oprecht met uw ouden vriend te werk? Spreek op, Edward Cuttle. Steekt er iets achter? Is het goed voor hem dat hij gaat? Waarom, en hoe weet ge dat?”

Daar het een kampstrijd van toegenegenheid en zelfverloochening was, kwam Walter den kapitein te hulp, en met hun beiden gelukte het hun Samuel Gills, door lang praten, tamelijk wel met het plan te verzoenen, of liever hem zoodanig te verbijsteren, dat hij niets, zelfs niet het smartelijke der scheiding, meer duidelijk voor den geest had.

Hij had niet veel tijd om de zaak te overwegen, want reeds des anderen daags ontving Walter van Carker den Chef de noodige papieren voor zijne uitrusting en zijn overtocht, te gelijk met bericht dat de Zoon en Erfgenaam over veertien dagen, of ten uiterste een paar dagen later, zou uitzeilen. In de drukte der toebereidselen, die Walter met opzet zooveel mogelijk vergrootte, verloor de oude man het weinige besef dat hij nog had, en zoo naderde al spoedig de tijd van vertrek.

De kapitein, die niet verzuimde zich van al wat er omging onderricht te houden, door Walter van dag tot dag daarnaar te vragen, bevond dat het er nog altijd bij bleef dat Walter zou vertrekken, zonder dat zich eenige gelegenheid aanbood, of scheen te zullen aanbieden, om beter met zijne vooruitzichten bekend te worden. Het was na lang over den ongelukkigen samenloop van omstandigheden te hebben nagedacht, dat den kapitein een gelukkig denkbeeld inviel. Als hij mijnheer Carker eens ging opzoeken, en van hem poogde te vernemen hoe de kust eigenlijk lag!

Kapitein Cuttle was zeer ingenomen met dit denkbeeld. Hij kreeg het, toen hij eens na het ontbijt zijne pijp zat te rooken, en het was den tabak wel waard. Daardoor zou hij zijn geweten geruststellen, dat, door hetgeen Walter hem toevertrouwd en zijn vriend Gills gezegd had, eenigszins onrustig was geworden; en tevens zou het een slimme trek en een echt bewijs van vriendschap zijn. Hij wilde Carker voorzichtig uithooren, en veel of weinig zeggen, naarmate het karakter van dien heer hem beviel en hij zag dat zij goed of niet goed met elkander te recht kwamen.

Zonder eenigszins bang voor Walter te zijn, dien hij wist dat thuis aan het pakken was, versierde kapitein Cuttle zich dus weder met zijne halve laarzen en zijn rouwring, en aanvaardde zijn tweeden tocht. Hij kocht thans geen ruiker om present te doen, dewijl hij naar een kantoor ging; maar stak eene kleine zonnebloem in zijn knoopsgat, om zich daardoor iets vroolijks te geven, en hiermede en met den knoestigen stok en den blinkenden hoed, stapte hij naar het kantoor van Dombey en Zoon.

Nadat hij in eene herberg dichtbij een warm glas rum met water had gebruikt, om zijne gedachten wat te verzamelen, haastte zich de kapitein de steeg in, opdat de geest van dien drank niet zou verwasemen, en vertoonde zich op het alleronverwachtst voor Perch den boodschaplooper.

“Maatje,” zeide hij op innemenden toon. “Een van uwe gouverneurs heet immers Carker?”

Perch stemde dit toe; maar gaf tevens, volgens zijn plicht, te verstaan, dat al zijne gouverneurs belet hadden, en denkelijk nooit weer tijd zouden hebben om iemand te woord te staan.

“Hoor eens hier, maatje,” zeide de kapitein vlak aan zijn oor, “ik heet kapitein Cuttle.”

De kapitein had Perch zachtjes naar zich toe willen haken, maar deze deinsde terug, niet zoozeer uit vrees, als wel uit schrik bij de plotselinge gedachte, welke gevolgen het onverwachte gezicht, van zulk een wapen wel bij jufvrouw Perch, in hare toenmalige omstandigheden, zou kunnen hebben.

“Als ge zoo goed wilt zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren, zoodra gij gelegenheid hebt,” zeide de kapitein, “zal ik hier wel wachten.”

Met deze woorden zette de kapitein zich op het bankje van Perch, en zijn zakdoek uit den bol van zijn blinkenden hoed nemende, dien hij tusschen zijne knieën klemde (zonder hem eenigszins te beschadigen, want geene menschelijke kracht kon dien hoed indeuken) wreef hij zijn hoofd eens goed daarmede af en scheen toen zeer verfrischt te zijn. Vervolgens streek hij met zijn haak zijne haren glad en bleef toen met eene mengeling van achting en welwillendheid naar de klerken zitten kijken.

De kapitein was in zijne onverstoorbare gelijkmoedigheid zulk een geheimzinnig wezen, dat Perch er van ontzette.

“Welken naam hebt gij gezegd?” vroeg Perch, naar hem bukkende.—“Kapitein,” schor fluisterend.—“Ja,” zeide Perch met een knikje.—“Cuttle.”—“Zoo!” zeide Perch insgelijks fluisterend. Hij kon het niet laten denzelfden toon aan te nemen; zulk een indruk maakte de diplomatische kapitein. “Ik zal eens gaan zien of hij nu vrij is. Ik weet het niet. Misschien voor eene enkele minuut.”—“Ja, ja, mijn jongen, ik zal hem niet langer dan eene enkele minuut ophouden,” zeide de kapitein, knikkende met al het gewicht dat hij in zijn binnenste gevoelde.

Perch kwam spoedig terug en zeide: “Wil kapitein Cuttle maar meegaan?”

Carker de Chef, die voor den ledigen haard stond, welke met een uitgeknipt vel grauw papier was versierd, zag den kapitein, toen hij binnenkwam, niet bijzonder bemoedigend aan.

“Mijnheer Carker?” zeide kapitein Cuttle.—“Zoo zou ik denken,” antwoordde Carker en liet al zijne tanden zien.

Het beviel den kapitein dat hij met een glimlach antwoordde; dat scheen vriendelijk te zijn. “Gij ziet wel,” begon de kapitein, zijne oogen langzaam in het kamertje latende rondgaan en daarvan zooveel overziende als zijne boordjes toelieten, “ik ben zelf een varensman, mijnheer Carker, en Walter, die op uwe lijst staat, is haast zoo goed als een zoon van mij.”—“Walter Gay?” zeide Carker, wederom al zijne tanden toonende.—“Ja wel, juist, Walter Gay,” antwoordde de kapitein, op een toon die zijne warme goedkeuring van Carker’s vlugheid van begrip moest aanduiden. “Ik ben een vertrouwd vriend van hem en zijn oom. Misschien hebt gij uw patroon wel eens van mij hooren spreken?—kapitein Cuttle.”—“Neen,” zeide Carker, zijn mond nog breeder openende.—“Wel,” hervatte de kapitein, “ik heb het pleizier van hem te kennen. Ik ben hem eens daar aan de kust van Sussex gaan opzoeken, met mijn jongen vriend Walter, toen—kortom, toen er eene kleinigheid te schikken was.” De kapitein knikte daarbij op eene manier die te gelijk genoeglijk, onbezorgd, en nadrukkelijk was. “Dat zult ge nog wel onthouden hebben?”—“Ik meen, dat ik de eer had om die zaak te behandelen,” zeide Carker.—“Wel zeker,” hernam de kapitein. “Dat hadt gij ook. Gij hebt alweer gelijk. Nu ben ik zoo vrij om hier te komen...”—“Wilt ge niet gaan zitten?” zeide Carker met een glimlach.—“Verplicht,” antwoordde de kapitein, van het aanbod gebruik makende. “Men kan misschien nog beter praten, als men zit. Wilt gij zelf geen stoel nemen?”—“Bedankt,” zeide Carker, en bleef (misschien omdat hij dit zich des winters had aangewend) met zijn rug tegen den schoorsteenmantel staan, op den kapitein neerziende met een oog in elken tand. “Ge zijt zoo vrij geweest, zegt ge—maar gij behoeft geen complimenten te maken...”—“Dankje vriendelijk, mijn jongen,” hernam de kapitein. “Ik kom dan hier voor mijn vriend Walter. Samuel Gills, zijn oom, is een man van kunde, en in de wetenschap is hij een bram; maar hij is eigenlijk niet wat ik een bevaren zeeman zou noemen—geen man van praktijk. Walter is zulk een ferme jongen als er ooit een geloopen heeft; maar in één opzicht is hij een beetje flauw, en dat is in zijne bescheidenheid. Nu wenschte ik u te vragen,” zeide de kapitein, zijne stem tot eene soort van vertrouwelijk gebrom latende dalen, “geheel vriendschappelijk onder ons, tot ik uw patroon eens kan praaien—is hier alles gezond aan boord, en zal Walter met een goeden wind buitengaats komen?”—“Wat denkt gij er van, kapitein Cuttle?” antwoordde Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wat meer op zijn gemak plaatsende. “Gij zijt een man van praktijk; wat denkt gij er van?”

De slimheid en veelzijdige beteekenis van des kapiteins oog, toen hij, in plaats van te antwoorden, daarmede lonkte, zouden geene woorden, of het moesten de vroeger gemelde onuitsprekelijke Chineesche woorden zijn, kunnen uitdrukken.

“Kom aan!” zeide de kapitein, geheel verademd. “Wat zegt gij? Heb ik gelijk of niet?”

Zooveel had de kapitein, door Carker’s glimlachende beleefdheid aangemoedigd, met zijn blik te kennen gegeven, dat hij zich evenzeer bevoegd achtte om deze vraag te doen, alsof hij zijne gevoelens met de grootste uitvoerigheid had ontwikkeld.

“Gelijk,” zeide Carker, “daar twijfel ik niet aan.”—“Dus mooi weer te wachten, zeg ik,” riep kapitein Cuttle uit.

Carker lachte toestemmend.

“De wind vlak van achteren, en eene frissche koelte,” vervolgde de kapitein.

Carker glimlachte weder.

“Zoo, zoo!” zeide kapitein Cuttle, zeer in zijn schik. “Ik weet wel wat voor koers er gezeild zal worden, en dat heb ik Walter ook gezegd. Wel bedankt, wel bedankt!”—“Gay heeft heerlijke vooruitzichten,” merkte Carker aan en trok zijn mond nog breeder open. “De geheele wereld voor zich.”—“De geheele wereld voor zich en een vrouwtje op het oog,” antwoordde de opgetogen kapitein.

Dit gezegde was hem eigenlijk onverhoeds ontvallen, maar dat behoefde hem niet te spijten, dacht hij. Hij knipte eens met zijne oogen, zette zijn blinkenden hoed op den knoestigen knop van zijn stok, liet hem daarop ronddraaien, en zag zijn altijd glimlachenden vriend schuins aan.

“Ik wil een pintje echte oude rum verwedden,” zeide de kapitein, “dat ik weet waarom gij lacht.”

Carker was schrander genoeg om nog sterker te glimlachen.

“Maar het gaat niet verder?” zeide de kapitein, en stiet eens met zijn stok tegen de deur om zich te verzekeren dat die gesloten was.—“Zeker niet,” zeide Carker.—“Gij denkt misschien aan eene groote F?” zeide de kapitein.

Carker ontkende het niet.

“En dan eene L en eene O,” zeide de kapitein.

Carker glimlachte nog altijd.

“Heb ik weer gelijk?” fluisterde de kapitein, terwijl de roode streep over zijn voorhoofd, in zijne zegevierende blijdschap, nog eens zoo vurig werd.

Daar Carker nog glimlachte en nu toestemmend knikte, stond de kapitein op, drukte hem de hand en verzekerde hem met warmte dat zij beiden over denzelfden boeg zeilden, en dat wat hem (kapitein Cuttle) betrof, hij al lang dien koers had willen houden. “Hij heeft haar het eerst op eene ongewone manier leeren kennen,” zeide de kapitein, met al den ernst en de voorzichtigheid die het onderwerp vereischte—“gij weet wel dat hij haar eens op straat vond, toen zij nog maar een kind was,—en hij heeft altijd van haar gehouden, en zij van hem, zooveel als zulke jonge luidjes maar kunnen doen. Wij hebben altijd gezegd, Sam Gills en ik, dat zij voor elkander geknipt waren.”

Eene kat, of een aap, of een hyena, of een doodskop had den kapitein niet meer tanden te gelijk kunnen laten zien, dan Carker hem op dit punt van het gesprek vertoonde.

“Er loopt eene sterke strooming dien kant heen,” merkte de vergenoegde kapitein aan. “Wind en water helpen elkander, ziet ge wel. Bedenk maar, dat hij daar laatst ook weer bij moest wezen.”—“Zeer gunstig voor zijne hoop,” zeide Carker.—“Bedenk dat hij in het zog van dien dag werd mee geboegseerd!” vervolgde de kapitein. “Wat kan nu het sleeptouw kappen?”—“Niets,” antwoordde Carker.—“Gij hebt al weer gelijk,” zeide de kapitein, hem nogmaals de hand drukkende. “Niets! Sta vast dus! Er is een zoontje gestorven—een aardig jongetje. Niet waar?”—“Ja, er is een zoontje gestorven,” antwoordde de alles toestemmende Carker.—“Welnu, er is al een ander voor u klaar,” zeide de kapitein. “Een neef van een knap man! Een neef van Sam Gills. Walter, die in al uwe zaken is, die alle dag in uw huis en uw hart komt!” zeide de kapitein, zijne stem verheffende om dit dichterlijke slot uit te spreken.

De zelfvoldoening waarmede de kapitein Carker bij ieder gezegde zachtjes met zijn elleboog aanstiet, kon door niets overtroffen worden dan door de opgetogenheid waarmede hij, na dit schitterend staaltje van schranderheid en welsprekendheid, een stap achterwaarts deed en hem aankeek.

“Heb ik geen gelijk?” zeide de kapitein.—“Kapitein Cuttle,” zeide Carker, op een toon die eenigszins zonderling had kunnen schijnen, “in hetgeen gij daar van Walter Gay en zijne vooruitzichten hebt gezegd, hebt gij volkomen gelijk. Ik begrijp dat wij in vertrouwen met elkander spreken.”—“Op mijne eer!” viel de kapitein er op in. “Geen woord!”—“Tegen hem of iemand anders?” hernam Carker.

De kapitein trok zijne wenkbrauwen samen en schudde zijn hoofd.

“Maar alleen voor uwe eigene gerustheid, en ook natuurlijk om u voor het vervolg naar te richten,” zeide Carker.—“Ik dank je wel vriendelijk,” zeide de kapitein, met groote aandacht luisterende.—“Ik maak geen bezwaar om te zeggen dat gij alle waarschijnlijkheden zeer juist hebt geraden.”—“En wat uw patroon betreft,” zeide de kapitein, “een onderhoud tusschen ons moet maar liefst ongezocht van zelf komen. Er is tijd genoeg.”

Met een mond van het eene oor tot het andere, herhaalde Carker: “Tijd genoeg!” Hij sprak de woorden niet uit, maar knikte slechts vriendelijk, en vormde ze met zijne lippen.

“En daar ik nu weet—wat ik altijd gezegd heb—dat Walter op weg is om zijn fortuin te maken,” zeide de kapitein.—“Om zijn fortuin te maken,” herhaalde Carker, even klankloos als te voren.—“En dat hij dat reisje maar gaat doen als een stukje, om zoo te zeggen, van zijn gewone werk, en toch hier de beste vooruitzichten houdt,” zeide de kapitein.—“De beste vooruitzichten houdt,” herhaalde Carker alweder op dezelfde manier.—“Wel, zoolang ik dat weet,” vervolgde de kapitein, “is er geen haast en ben ik gerust.”

Daar Carker wederom glimlachte en knikte, werd kapitein Cuttle ten sterkste in zijn gevoelen bevestigd, dat hij een van de aardigste menschen was, die hij ooit had gezien, en dat zelfs mijnheer Dombey zich naar zulk een model zou kunnen verbeteren. Met groote hartelijkheid stak hij dus nogmaals zijne geduchte hand toe (die in kleur vrij wel naar een oud scheepsblok geleek) en gaf Carker een kneep, welke op zijn zachter vleesch een proefdruk van de barsten en spleten naliet waarmede de palm des kapiteins rijkelijk getatoeëerd was.

“Vaar wel!” zeide de kapitein. “Ik ben geen man van veel woorden, maar ik blijf u wel dankbaar dat gij zoo vriendschappelijk en rondborstig zijt geweest. Gij zult het wel verschoonen als ik wat vrijpostig geweest ben, niet waar?”—“Geheel niet!” was het antwoord.—“Wel bedankt. Mijn kajuitje is niet heel ruim,” zeide de kapitein, nog eens terugkomende, “maar nog al aardig; en als gij ooit dicht bij Brig Place, nommer negen, mocht komen—wilt ge dat opschrijven?—en naar boven gaan, zonder u te storen aan iets dat iemand beneden aan de deur misschien mocht zeggen—zou ik mij zeer vereerd houden.”

Met deze gastvrije noodiging zeide de kapitein goedendag! ging heen en sloot de deur, terwijl Carker tegen den schoorsteenmantel bleef staan leunen. Zijne sluwe oogen en valsche mond, nog uitgerekt, maar nu niet glimlachend; zijne hagelwitte das; zijn bakkebaard; zelfs het stille strijken van de zachte hand over zijn wit linnengoed en zijn glad gezicht, alles had iets gruwelijk katachtigs.

De argelooze kapitein stapte heen met eene zelfvoldoening, die zijne blauwe jas een geheel nieuw fatsoen scheen te geven. “Goed zoo, Ned!” zeide hij bij zich zelven. “Vandaag hebt ge toch iets voor de jongelui gedaan, mijn jongen!”

Eenigszins opgeblazen over zijne gemeenzaamheid, van vroeger en in het vooruitzicht, met den patroon, kon de kapitein, toen hij het groote kantoor bereikte, niet nalaten Perch een weinigje voor den gek te houden en te vragen of hij nog dacht dat iedereen belet had. Maar om een man, die slechts zijn plicht had gedaan niet al te hard te vallen, fluisterde de kapitein hem in het oor, dat hij, als hij lust had in een glas grog, maar moest meegaan, en het dan hartelijk gaarne tot zijn dienst was.

Eer hij geheel heenging, keek de kapitein, eenigszins tot verbazing der klerken, het kantoor eens op zijn gemak in het rond, als een gedeelte van iets waarin zijn jonge vriend van nabij belang had. Het brandkamertje wekte vooral zijne bewondering op; maar om niet te vrijpostig te schijnen, bepaalde hij zich tot een enkelen goedkeurenden blik, en stapte, na de klerken in het algemeen met goedgunstige beleefdheid gegroet te hebben, de straat op. Daar Perch hem spoedig volgde, bracht hij dezen heer naar de herberg en vervulde zijne belofte—haastig, want de tijd van Perch was kostbaar.

“Ik zal u een toast geven,” zeide de kapitein, toen het glas bijna uit was en hij met eene dikke tong begon te spreken. “Waller!”—“Wie?” zeide Perch.—“Waller!” herhaalde de kapitein met eene dreunende stem.

Perch, die zich flauw herinnerde in zijne jeugd eens van een dichter van dien naam te hebben gehoord, maakte wel geen bezwaar, maar was toch zeer verwonderd dat de kapitein naar de City kwam om de gezondheid van een dichter te drinken; hij had het bijna niet vreemder kunnen vinden als iemand had voorgesteld om in eene straat van de City het standbeeld van een dichter—van Shakespeare bij voorbeeld—te plaatsen. Over het geheel was de kapitein zulk een geheimzinnig en onbegrijpelijk personage, dat Perch zich voornam om zijne vrouw maar niet van hem te vertellen, uit vrees dat dit onaangename gevolgen mocht hebben.

Geheimzinnig en onbegrijpelijk bleef de kapitein—vervuld van de bewustheid dat hij iets voor de jongelieden gedaan had—den geheelen dag, zelfs voor zijne vertrouwdste vrienden, en indien Walter zijn wenken en grinniken niet aan zijn genoegen over het goed gevolg van het onschuldige bedrog, dat zij den ouden Gills speelden, had toegeschreven, zou hij zich zeker voor dien avond verraden hebben. Thans echter bewaarde hij zijn geheim, en ging laat van den instrumentmaker naar huis, met zijn blinkenden hoed zoo sterk op zijde en zulk eene zalige uitdrukking in zijne oogen, dat jufvrouw MacStinger (die wel bij doctor Blimber opgevoed had kunnen zijn, zulk eene romeinsche matrone was zij) zich op zijn eerste gezicht achter de opene straatdeur verschanste en niet daar vandaan kwam, om naar hare lieve kindertjes te kijken, eer hij veilig op zijne eigene kamer was.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVIII. VADER EN DOCHTER

Door het geheele huis van Dombey is het doodstil. De dienstboden, die de trap op en af sluipen, ritselen, maar laten geene voetstappen hooren. Zij praten gedurig met elkander, blijven lang aan tafel zitten, eten en drinken met smaak, en vermaken zich op zekere naargeestige, onheilige manier. Jufvrouw Wickam, met de oogen vol tranen, vertelt akelige anekdoten, en zegt hoe zij mevrouw Pipchin altijd gezegd heeft dat het zoo gaan zou, en drinkt meer bier dan gewoonlijk, en is heel bedroefd, maar toch gezellig. De keukenmeid verkeert in een dergelijken gemoedstoestand. Zij belooft wat gebakken visch voor den avond, en kampt evenzeer tegen haar gevoel en de uien, die zij bij de sla gereedmaakt. Towlinson begint te denken dat het zoo wezen moest, en wil weten of iemand hem kan zeggen dat een hoekhuis ooit gelukkig was. Het komt allen voor dat het reeds lang geleden is, hoewel het kind nog, met een kalmen glimlach op het gezichtje, op zijn bedje ligt.

Na den donker komen er anderen—geen gerucht maken zij, op hunne schoenen met vilten zolen—die er vroeger nog eens bij zijn geweest; en met hen komt dat laatste rustbed, dat zoo vreemd is voor een kinderlijken slaper. Al dien tijd is de vader zelfs niet door een bediende gezien; want als er iemand in de donkere kamer komt, blijft hij in een hoek zitten, en op andere tijden schijnt hij zich niet te bewegen, dan om die op en neer te stappen. Maar des morgens fluistert men in het huishouden, dat men hem in het holste van den nacht naar boven heeft hooren gaan, en dat hij daar—in de kamer—gebleven is, tot de zon begon te schijnen.

Aan het kantoor in de City zijn de vensters van dof geslepen glas nog met luiken verduisterd. De lampen op de lessenaars worden verdonkerd door den toch nog invallenden dag, en de dag wordt wederom door de lampen verdonkerd, en er heerscht eene buitengewone somberheid. Er wordt niet veel gewerkt. De klerken hebben geen lust daartoe, en maken afspraak om in den namiddag met elkander te gaan eten, wandelen of varen. Perch blijft lang met zijne boodschappen uit, en zit in herbergen bij de toonbank, waar hem vrienden hebben meegenomen, en redeneert daar over de onzekerheid van al het ondermaansche. Hij gaat des avonds vroeger dan gewoonlijk naar huis, en trakteert zijne vrouw op eene kalfskarbonade en een extra glas bier. Carker de chef trakteert niemand en wordt niet getrakteerd; maar alleen in zijne kamer laat hij den geheelen dag zijne tanden zien, en het zou schijnen dat er een struikelblok is opgeruimd, dat hem in den weg lag.

Nu komen de blozende kinderen, die tegenover Dombey wonen, voor het venster der kinderkamer naar de straat kijken; want er staan vier zwarte paarden voor zijne deur, met pluimen op den kop, en op het rijtuig dat zij trekken wuiven insgelijks pluimen; en deze, en een stoet van mannen met rouwsjerpen en staven, trekken een hoop volk bijeen. De kunstenmaker, die juist zijne vertooning wilde beginnen, hangt zijne losse jas weder over zijn mooi pakje, en zijne vrouw, met een zwaar kind op den arm, blijft staan dralen om de staatsie te zien. Maar dichter aan den valen doek, die hare borst bedekt, drukt zij haar kind, als de doodkist, zoo licht om te dragen, buitenkomt; en het jongste der blozende kinderen voor het venster aan den overkant heeft geene waarschuwende hand noodig om hare vroolijkheid te smoren, als zij, met het mollige vingertje wijzende, de kindermeid aanziet en vraagt: “Wat is dat?”

En nu, tusschen een troepje knechts in den rouw en de schreiende vrouwen door, gaat Dombey naar de andere koets, die op hem wacht. Hij is niet “neergedrukt”, denken de toeschouwers. Zijn gang is even statig, zijne houding even stijf als ooit. Hij houdt geen zakdoek voor zijn gezicht en ziet strak voor zich. Behalve dat zijn gezicht bleek en eenigszins ingevallen is, heeft het dezelfde uitdrukking als gewoonlijk. Hij neemt zijne plaats in de koets en nog drie andere heeren volgen. Dan trekt de deftige rouwstoet langzaam de straat door. De pluimen wuiven nog in de verte, als de kunstenmaker reeds zijne waschkom op een stok laat draaien, en denzelfden hoop volk om zich heen heeft om hem te bewonderen. Zijne vrouw is minder vlug dan anders met het geldbakje, want die kinderbegrafenis heeft haar in de gedachten gebracht, dat het kind onder haar valen doek misschien ook niet zal groot worden, misschien nooit een blauw lint om het hoofd zal hebben, eene broek van vleeschkleur tricot dragen en in den modder duikelen.

De pluimen vervolgen somber haar weg langs de straten en komen binnen den klank eener kerkklok. In dezelfde kerk heeft het aardige knaapje gekregen, wat spoedig alles zal zijn dat op aarde van hem over is—een naam. Al wat van hem dood is leggen zij daar, dicht bij het vergankelijke deel zijner moeder. Het is goed zoo. Zijn stof rust waar Florence op hare wandelingen—o, eenzame, eenzame wandelingen!—het dagelijks kan voorbijkomen.

Nadat de plechtigheid is afgeloopen en de geestelijke heengegaan, ziet Dombey rond en vraagt zacht of de man er is, die gewaarschuwd is om de bestelling voor den gedenksteen aan te nemen.

Er komt iemand naar voren, en zegt: “Ja!”

Dombey beduidt hem waar hij het gedenkteeken geplaatst wil hebben, en wijst hem met de hand op den muur, de grootte en het fatsoen, en hoe het zich aan dat der moeder moet aansluiten. Dan schrijft hij het opschrift met potlood op een stukje papier, geeft het hem en zegt: “Ik verlang het spoedig geplaatst te hebben.”—“Het zal dadelijk gebeuren, mijnheer.”—“Er is eigenlijk niets op te zetten dan naam en ouderdom, ziet ge.”

De man buigt, kijkt naar het papier, maar schijnt te twijfelen. Dombey, hier niet op lettende, keert zich om en gaat vooruit naar het portaal.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer;” zijn rouwmantel wordt zacht aangeraakt; “maar daar gij het dadelijk gedaan wilt hebben, en ik het dus onderhanden zou geven zoodra ik terugkom ...”—“Wel?”—“Wilt ge zoo goed zijn om het nog eens over te lezen? Ik geloof dat er eene vergissing in is.”—“Waar?”

De steenhouwer geeft hem het papier terug, en wijst met zijn duimstok naar de woorden “geliefd en eenig kind.”

“Het zou “zoon” moeten wezen, dunkt mij, mijnheer?”—“Gij hebt gelijk. Natuurlijk. Verander dat.”

De vader vervolgt, met haastiger tred, zijn weg naar de koets. Wanneer de andere drie, die hem op de hielen volgen, bij hem plaats nemen, is zijn gezicht voor de eerste maal in zijn mantel verborgen. Zij zien het dien dag niet meer. Hij stapt het eerst af en gaat terstond naar zijne kamer. De andere rouwdragers (zij zijn mijnheer Chick en twee van de dokters) gaan boven naar het salon, waar zij door mevrouw Chick en jufvrouw Tox worden ontvangen. En welk een gezicht het is, in die geslotene kamer beneden; of welke gedachten daar heerschen; welk een hart daar is, hoe daar gestreden of geleden wordt—weet niemand.

Het voornaamste dat men beneden in de keuken weet is, dat het naar een zondag gelijkt. Men kan haast niet anders denken of het is zeer onvoegzaam, zoo niet goddeloos, dat de menschen buitenshuis hunne gewone bezigheden verrichten en hunne dagelijksche kleeren dragen. Het is geheel iets nieuws, dat de gordijnen weder opgehaald zijn en de luiken openstaan; en men maakt zich naargeestig vroolijk bij den wijn, die zoo mild geschonken wordt als op een feestdag. Men is zeer genegen om te moraliseeren. Towlinson geeft met een zucht den toast: “Ons aller beterschap!” waarop de keukenmeid, insgelijks met een zucht, zegt: “Daar is nog genoeg reden toe, weet God.” In den avond nemen mevrouw Chick en jufvrouw Tox haar naaiwerk weder op, en gaat Towlinson uit om een luchtje te scheppen, vergezeld door de werkmeid, die haar rouwhoed nog niet geprobeerd heeft. Zij zijn heel teer voor elkaar op donkere hoeken van straten, en Towlinson denkt er aan om als een rechtzinnig groenteman een ander en onberispelijk leven te gaan leiden.

Er wordt dien nacht geruster geslapen dan sedert vele nachten. De ochtendzon wekt het oude huishouden, om weder den ouden gang te gaan. De blozende kinderen van den overkant loopen met hoepels voorbij. In de kerk is eene prachtige trouwpartij. De vrouw van den kunstenmaker haalt in eene andere wijk van de stad geld op, even vlug en ijverig als voorheen. De steenhouwer zingt en fluit terwijl hij op de marmeren plaat voor hem, de letters P-A-U-L beitelt.

En kan het zijn dat in eene wereld zoo vol en druk het verlies van één zwak schepseltje eene ledigheid in een hart veroorzaakt, zoo wijd en diep dat niets dan de wijdte en diepte der eeuwigheid ze kan vullen! Florence had in hare onschuldige droefheid kunnen antwoorden: “O, mijn broeder, o, mijn teerbeminde en liefhebbende broeder! Eenige vriend en deelgenoot van mijne verachte kindsheid! Kan eene minder verhevene gedachte het licht verspreiden dat reeds uw vroegtijdig graf bestraalt, of de weemoedigheid doen ontstaan, die reeds onder deze tranen mijne smart verzacht!”—“Kindlief,” zeide mevrouw Chick, die het haar plicht achtte, deze gelegenheid waar te nemen om eene nuttige les te geven, “als gij eens zoo oud zijt als ik—”—“Dat dus nog op het best van uw leven zal zijn,” merkte jufvrouw Tox. aan.—“Dan zult gij,” vervolgde mevrouw Chick, jufvrouw Tox de hand drukkende, uit erkentelijkheid voor haar vriendelijk gezegde “dan zult gij weten dat alle droefheid niet baten kan, en het onze plicht is te berusten.”—“Ik zal mijn best doen, lieve tante. Dat doe ik al,” antwoordde Florence snikkend.—“Dat doet mij genoegen,” zeide mevrouw Chick, “omdat, liefje, zooals onze lieve jufvrouw Tox—wier verstand en oordeel niemand betwijfelen kan—”—“Mijne lieve Louise, ik zal waarlijk nog trotsch worden,” zeide jufvrouw Tox.—“U zal zeggen en met hare ondervinding bevestigen,” vervolgde mevrouw Chick, “dat wij altijd gereed moeten zijn om ons in te spannen. Als een misanthroop ooit in mijn bijzijn mocht vragen: “Waartoe wordt de mensch geboren?” zou ik antwoorden: “Om zich in te spannen.””—“Heel goed gezegd,” zeide jufvrouw Tox, getroffen door het origineele dier ontboezeming. “Heel goed!”—“Ongelukkig,” hervatte mevrouw Chick, “hebben wij een waarschuwend voorbeeld vlak voor onze oogen. Wij hebben maar al te veel reden om te denken, lief kind dat, als men zich in deze familie maar bijtijds eene inspanning had gevergd, eene geheele reeks van bedroevende omstandigheden had kunnen vermeden worden. Niets zal mij ooit overreden,” zeide zij, op vasten toon, “of als de arme lieve Fanny zich maar wat had ingespannen, zou dat arme lieve kind ten minste een sterker gestel gehad hebben.”

Mevrouw Chick gaf zich voor een half oogenblik aan hare aandoening over; maar om hare leer met een voorbeeld te bekrachtigen, stuitte zij zich in het midden van een snik, en ging toen weder voort:

“Laat ons daarom zien, Florence, verzoek ik u, dat gij een beetje kracht van geest hebt, en de droefheid, waarin uw papa gedompeld is, niet door uwe eigenliefde verzwaart.”—“Lieve tante!” zeide Florence, snel voor haar neerknielende, om haar te beter en ernstiger in het gezicht te kunnen zien. “Zeg mij meer van papa. Och, zeg mij wat van hem! Is hij geheel onder zijn hartzeer bezweken?”

Jufvrouw Tox had een teer gevoel, en dit gezegde deed haar diep ontroeren. Of zij daarin bij het verwaarloosde kind slechts dezelfde medelijdende aandoening zag, die haar doode broeder zoo dikwijls had getoond—of wel eene liefde, die zich aan het hart, dat hem had liefgehad, zocht te hechten, en niet dulden kon dat zij van de gemeenschap in zulk eene smart werd uitgesloten—dan of zij daarin alleen het kinderlijke hart zag, gegriefd omdat zijne teederheid zoolang onbeantwoord was gebleven, en dat in zijne eenzaamheid tot hem riep om getroost te worden en troost te geven—hoe zij dit gezegde ook opvatte, jufvrouw Tox werd er door geroerd. Voor een oogenblik vergat zij de waardigheid van mevrouw Chick, en haastig Florence de wang streelende, keerde zij zich om en liet de tranen uit hare oogen stroomen, zonder naar een wenk van die deftige matrone te wachten.

Mevrouw Chick verloor zelve voor een oogenblik de tegenwoordigheid van geest, waarop zij zooveel roem droeg, en bleef het schoone jeugdige gezichtje, dat zoolang, standvastig en geduldig naar het bedje gekeerd was gebleven, verstomd aanzien. Maar hare stem terug krijgende—een synoniem van hare tegenwoordigheid van geest, want beide waren eigenlijk een en hetzelfde—antwoordde zij deftig:

“Florence, kindlief, uw goede papa heeft somtijds wel iets singuliers; en als gij mij naar hem vraagt, vraagt gij mij naar iets dat ik waarlijk niet kan beweren te verstaan. Ik geloof dat ik zooveel invloed op uw papa heb als iemand anders. Evenwel is al wat ik zeggen kan, dat hij mij zeer weinig gezegd heeft, en dat ik hem maar eens of tweemaal voor een oogenblik heb gezien, of eigenlijk haast niet gezien, want zijne kamer was donker. Ik heb tot uw papa gezegd: “Paul!” dat is de juiste uitdrukking die ik gebezigd heb—“Paul! waarom gebruikt gij niet iets versterkends?” Telkens is het antwoord van uw papa geweest: “Louise, wees zoo goed om mij alleen te laten. Ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen.” Als ik morgen een eed voor een rechter moest doen, Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “twijfel ik niet of ik zou veilig durven zweren, dat dit zijne eigene woorden waren.”

Jufvrouw Tox gaf hare bewondering te kennen door te zeggen: “Mijne Louise is altijd zoo nauwkeurig!”—“Kortom, Florence,” hervatte hare tante, “er is letterlijk niets tusschen uw ongelukkigen papa en mij gepasseerd, tot vandaag, toen ik uw papa zeide dat Sir Barnet en Lady Skettles buitengemeen vriendelijke briefjes hadden gezonden—onze lieve jongen! Lady Skettles hield zooveel van hem als van een—waar is mijn zakdoek?”

Jufvrouw Tox gaf er haar een aan.

“Buitengemeen vriendelijke briefjes, om voor te stellen dat gij tot verstrooiing bij hen zoudt komen logeeren. Toen ik uw papa zeide te denken dat jufvrouw Tox en ik nu wel naar huis konden gaan (waarin hij toestemde) vroeg ik of hij er tegen had dat gij die invitatie zoudt aannemen. Hij zeide: “Neen, Louise, niet het minste!””

Florence sloeg hare betraande oogen op.

“Evenwel, als gij liever hier woudt blijven, Florence, in plaats van daar nu te gaan logeeren, of met mij naar huis te gaan—”—“Dat zou ik veel liever willen, tante,” was het flauwe antwoord.—“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “dan kunt gij dat. Het is eene vreemde keus, moet ik zeggen. Maar gij zijt altijd vreemd geweest. Iemand anders op uwe jaren, en na hetgeen er is voorgevallen—mijne lieve jufvrouw Tox, ik ben mijn zakdoek weer kwijt—zou gaarne hier vandaan gaan, zou men denken.”—“Ik had niet gaarne,” zeide Florence, “dat het huis nu gemeden scheen. Ik zou niet gaarne denken, dat de—zijne—de kamers boven nu geheel leeg stonden en zoo akelig waren, tante. Ik wilde liever vooreerst hier blijven. O, mijn broeder! O, mijn broeder!”

Het was eene natuurlijke, onbedwingbare gemoedsbeweging, die zich zelve een uitweg baande tusschen de vingers door waarmede zij haar gezicht bedekte. De overkropte borst moest somtijds zoo lucht krijgen, of het gewonde, eenzame hart daarbinnen had moeten smoren.

“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “ik zou u voor alles niets onaangenaams willen zeggen, en dat weet gij ook wel. Gij zult dus hier blijven en net zoo doen als gij verkiest. Niemand zal zich met u bemoeien, Florence, of willen bemoeien.”

Florence schudde treurig toestemmend haar hoofd.

“Ik had niet zoodra uw armen papa begonnen te raden, dat hij waarlijk wat verstrooiing en afleiding moest gaan zoeken,” zeide mevrouw Chick, “of hij zeide mij, dat hij al voornemens was voor eene poos naar buiten te gaan. Ik hoop maar dat hij het gauw zal doen. Hij kan het niet te gauw doen. Maar ik denk dat er nog wel zaken te beschikken en papieren te veranderen zijn, ten gevolge van dien slag, die ons allen zoo bedroefd heeft—ik kan niet begrijpen waar de mijne gebleven is: Lucretia, leen mij den uwen eens, lieve—die hem nog wel een paar avonden in zijne kamer zullen bezig houden. Uw papa is een Dombey, kind, als er ooit een geweest is,” zeide mevrouw Chick, hare beide oogen zeer zorgvuldig met verschillende hoeken van den geleenden zakdoek afdrogende. “Hij zal zich wel inspannen. Daarvoor behoeft men bij hem niet bang te zijn.”

“Is er niets, tante,” begon Florence bevende, “dat ik zou kunnen doen om...”—“Heere, kindlief,” viel mevrouw Chick er haastig op in, “wat praat ge toch? Als uw papa tegen mij zeide—ik heb u zijne eigene woorden laten hooren: “Louise, ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen,”—wat denkt gij dan dat hij tegen u zou zeggen? Gij moet u niet aan hem laten zien, kind—niet eens van zoo iets droomen.”—“Tante,” zeide Florence, “ik zal maar wat te bed gaan liggen.”

Mevrouw Chick keurde dit besluit goed en zond haar met een kus heen. Maar jufvrouw Tox ging, met het flauwe voorwendsel dat zij naar den weggeraakten zakdoek wilde zoeken, haar na naar boven, en poogde in eenige gestolene minuten haar te troosten, hoewel Suze Nipper haar lang niet daartoe aanmoedigde. Want in haar gloeienden ijver maakte Suze jufvrouw Tox voor een krokodil uit; en toch scheen haar medelijden van echte soort te zijn, en had het ten minste den schijn van belangeloosheid voor zich—er was weinig gunst mede te winnen.

En was er niemand nader en dierbaarder dan Suze om het worstelende hart in zijn strijd bij te staan? Was er geen andere hals om te omvatten; geen ander gezicht om aan te zien; niemand anders om in zulke diepe droefheid een troostend woord te spreken? Was Florence zoo alleen in de barre wereld, dat haar niets anders overschoot? Niets. Op eens en te gelijk moederloos en broederloos geworden—want met het verlies van den kleinen Paul, trof het eerste en zwaarste verlies haar met nieuwe zwaarte—was dit de eenige hulp die zij had. O, wie kan zeggen hoezeer zij in het eerst naar hulp verlangde!

In het eerst, toen het huis weder op den gewonen regel was gekomen, en allen vertrokken waren behalve de dienstboden en haar vader, die in zijne kamers bleef opgesloten, kon Florence niets doen dan schreien, en op en neer dwalen, en somtijds, in eene vlaag van wanhopig herdenken, naar hare kamer vliegen, hare handen wringen, zich met haar gezicht op haar bed werpen, en van geen troost willen weten, van niets weten dan de bitterheid en wreedheid van haar leed. Dit volgde gewoonlijk op het herkennen van eene plek of een voorwerp dat in bijzonder teedere betrekking met hem stond, en maakte het huis in het begin tot eene martelplaats voor haar.

Maar het ligt niet in den aard der reine liefde om lang met zulk eene verderfelijke woestheid te branden. De vlam, die door grove aardsche deelen wordt ontreinigd, mag de borst verteren, welke haar schuilplaats geeft; maar het heilige vuur van den hemel is in het hart even zacht, als toen het op de hoofden der verzamelde twaalve rustte, en ieder daarbij zijn broeder zag, verlicht en ongedeerd. Het opgeroepene beeld kreeg weldra het vergenoegde gezichtje, de zachte stem, de liefdevolle blikken, de stille vertrouwelijkheid terug, en hoewel Florence nog bleef schreien, schreide zij toch rustiger, en gevoelde zij dat de herinnering haar weldadig was.

Het duurde niet lang of de gouden golfjes, die op de oude plaats en den ouden tijd over den muur speelden, werden onder het verdwijnen met kalme treurigheid nagestaard. Het duurde niet lang of die kamer zag haar daar weder zitten, alleen, maar even stil en geduldig als zij bij dat bedje had gewaakt. Als het akelige gevoel, dat het nu ledig was, haar te pijnlijk werd, kon zij er nu bij neerknielen en God bidden—het was de uitstorting van het overvolle hart—dat een engel haar mocht blijven liefhebben en gedenken.

Het duurde niet lang, of in dat akelige, holle huis hief hare stem in het schemeruur, langzaam en somtijds ophoudende, de oude wijsjes aan, waarnaar hij zoo dikwijls had geluisterd, met het zwakke hoofdje in haar arm. En daarna, als het geheel donker was, klonk er eene muziek door de kamer, zoo zacht gespeeld en gezongen, dat zij meer eene weemoedige herinnering geleek van hetgeen zij dien laatsten avond op zijn verzoek gedaan had, dan eene werkelijke herhaling. Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.

Zoo kreeg zij moed om naar het werk te zien, waarmede hare vingers naast hem op het zeestrand waren bezig geweest; en zoo duurde het niet lang of zij vatte het weder op—met iets dat naar menschelijke liefde geleek, alsof het gevoel en bewustheid had en hem had gekend; en zoo sleet zij, voor het venster, dicht bij het portret harer moeder gezeten, de peinzende uren.

Waarom richtten hare donkere oogen zich zoo dikwijls naar den overkant, waar die blozende kinderen woonden? Zij deden haar niet rechtstreeks aan haar verlies denken, want het waren allen meisjes, vier kleine zusters. Maar zij waren moederloos evenals zij—en hadden een vader.

Het was gemakkelijk te weten wanneer hij uit was en thuis werd verwacht, want het oudste kind stond dan altijd gekleed voor het venster van het salon of op het balkon naar hem uit te zien, en als hij verscheen blonk haar verwachtend gezichtje van blijdschap, terwijl de anderen, voor het hoogere venster, ook altijd op de wacht, in de handjes klapten en op de vensterbank trommelden en hem riepen. Het oudste meisje kwam dan beneden naar het voorhuis, en gaf hem haar handje en bracht hem naar boven; en Florence zag haar naderhand naast hem of op zijne knie zitten, met haar arm liefkoozend om zijn hals, en met hem praten; en hoewel zij altijd vroolijk met elkander waren, zag hij haar dikwijls aan, alsof hij dacht dat zij naar hare doode moeder geleek. Somtijds wilde Florence hier niet meer naar zien, en in tranen uitbarstende, verschool zij zich dan achter het gordijn, alsof zij bang werd, of ging zij van het venster af. Zij kon zich echter niet weerhouden van terug te komen, en dan viel haar werk haar spoedig weder onopgemerkt uit de handen.

Het was het huis, dat voor jaren ledig had gestaan. Het was lang zoo blijven staan. Eindelijk, en terwijl zij van huis was, had deze familie het betrokken; en toen was het gerepareerd en nieuw geschilderd, en nu waren er vogeltjes en bloemen in, en geleek het niet meer naar wat het vroeger was. Maar zij dacht nooit aan het huis. De meisjes en haar vader waren haar alles.

Als hij gegeten had, kon zij ze, door de opene vensters, met de kindermeid of gouvernante naar beneden zien komen, en zich om de tafel scharen; en bij het stille zomerweder kwam het geluid van hare kinderstemmetjes en haar helder gelach de straat overklinken in de drukkende lucht der kamer waar zij zat. Dan sprongen en klauterden zij met hem de trap op, en stoeiden met hem op de sofa, of zaten op zijne knieën bij elkander gedrongen, een bouquetje van gezichtjes, terwijl hij iets scheen te vertellen. Of zij kwamen ook naar buiten op het balkon loopen, en dan verborg Florence zich snel, uit vrees dat het hare blijdschap zou storen, als zij haar daar in het zwart alleen zagen zitten.

Het oudste meisje bleef bij haar vader als de anderen heengingen, en schonk dan thee voor hem—welk een vergenoegd lief huishoudstertje—en zat met hem te praten, somtijds voor het venster, somtijds meer achter in de kamer, tot er licht werd gebracht. Hij maakte haar dus tot zijne gezellin, hoewel zij eenige jaren jonger was dan Florence, en zij kon zich bij haar boekje of werkdoosje zoo stil en stemmig houden als een volwassen meisje. Als er licht brandde, was Florence niet bang om uit hare eigene donkere kamer weder binnen te kijken. Maar wanneer het tijd voor het meisje werd om “goeden nacht, papa,” te zeggen en naar bed te gaan, en zij haar gezichtje naar hem ophief, begon Florence te beven en te snikken, en kon zij niet meer zien.

Eer zij zelve naar bed ging, keek zij echter, onder het zingen en spelen der eenvoudige wijs, die hem zoo dikwijls in slaap had gesust, nog dikwijls naar dat huis om. Maar dat zij er ooit aan dacht, of het bespiedde, was een geheim dat zij in haar jeugdig hart bewaarde.

En bewaarde dat hart—zoo oprecht en trouw—de liefde zoo waardig die de gestorvene haar had toegedragen en met zijne laatste woorden toegefluisterd—dat hart, welks argelooze onschuld zich in haar gezichtje spiegelde en in elken klank harer zachte stem ademde—geen ander geheim? Ja. Nog een.

Als er niemand anders in huis meer op was en alle lichten waren uitgedaan, verliet zij zacht hare kamer, en ging met onhoorbare stappen de trap af naar de deur van haar vaders kamer. Daartegen liet zij dan met smachtende liefde haar hoofd rusten, en drukte zij hare bevende lippen. Elken nacht knielde zij op den kouden steenen vloer daar buiten, om naar zijne ademhaling te luisteren, en in haar vurig verlangen om hem maar eenige genegenheid te mogen toonen, om hem tot eenigen troost te mogen zijn, om hem te bewegen dat hij eenige teederheid van haar, zijn eenzaam kind, verdroeg, zou zij, als zij maar gedurfd had, nederig smeekend voor zijne voeten geknield hebben.

Niemand wist het. Niemand dacht er aan. De deur bleef altijd dicht en hij daar binnen opgesloten. Een paar malen ging hij uit, en in huis zeide men dat hij spoedig op reis zou gaan; maar overigens bleef hij in die kamers, geheel alleen; en haar zag hij nooit, naar haar vroeg hij nooit. Misschien wist hij niet eens dat zij in huis was.

Eens, omtrent eene week na de begrafenis, zat Florence te werken, toen Suze haar met een half lachend half schreiend gezicht kwam zeggen, dat er visite voor haar was.

“Visite! Voor mij, Suze?” zeide Florence verwonderd opziende.—“Ja dat is wel een wonder, niet waar jufvrouw Flore,” zeide Suze; “maar ik wenschte dat gij druk visites hadt, dat doe ik waarlijk; want dat zou beter voor u zijn, en ik denk ook hoe eerder gij zelfs naar de oude Skettles’en gaat, zooveel te beter voor ons allebei. Ik mag van geene drukte houden, jonge jufvrouw Flore, maar ik ben toch geen oester.”

Om Suze recht te doen, dacht zij, dit zeggende, meer om hare jonge meesteres dan om zich zelve, en haar gezicht toonde dit.

“Maar wie is er dan om mij te spreken, Suze?” zeide Florence.

Met eene zenuwachtige uitbarsting, die evenveel een lach als een snik, en evenveel een snik als een lach was, antwoordde Suze: “mijnheer Toots!”

De glimlach die zich even op Florence’s gezichtje vertoonde, verdween terstond weder, en hare oogen vulden zich met tranen. Maar het was toch een glimlach geweest, en daarmede was Suze reeds zeer in haar schik.

“Net hetzelfde dat ik gevoeld heb, jufvrouw Flore,” zeide zij, haar voorschoot voor hare oogen houdende, en haar hoofd schuddende. “Toen ik dien lummel in het voorhuis zag, begon ik eerst te lachen en toen kreeg ik een brok in de keel.”

Onwillekeurig deed zij hetzelfde nog eens. Ondertusschen was Toots, geheel onbewust van den indruk dien hij gemaakt had, haar achterop naar boven gekomen, en nadat hij met zijne knokkels op de deur zich zelven nog eens had aangediend, stapte hij met bijzondere vlugheid binnen.

“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”

Toots—een van de beste jongens in de wereld, hoewel er schranderder mochten zijn—had deze lange redevoering met moeite bijeengebracht, om aldus voor Florence en zich zelven de aandoening van het wederzien te verminderen. Nu echter bevindende dat hij onvoorzichtig genoeg was geweest om al wat hij wist uit te kramen, eer hij nog een stoel genomen, of Florence een woord gezegd had—eer hij eigenlijk wel binnen de deur was—achtte hij het raadzaam om nog eens te beginnen.

“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”

Florence gaf hem hare hand en zeide dat zij zeer wel was.

“Ik ben ook heel wel,” zeide Toots, een stoel nemende. “Inderdaad, heel wel ben ik. Ik kan mij niet herinneren,” vervolgde hij, na een oogenblik peinzens, “dat ik ooit beter ben geweest—zeer verplicht.”—“Het is heel vriendelijk van u dat gij eens aankomt,” zeide Florence, haar werk weder opnemende. “Ik ben blij dat ik u zie.”

Toots antwoordde met een gegiggel. Denkende dat dit misschien te levendig was, verbeterde hij het met een zucht. Wederom denkende dat dit misschien te treurig was, giggelde hij weder. Met geen van beide manieren van antwoord geheel tevreden, haalde hij zwaar adem.

“Gij zijt heel goed voor mijn lieven broeder geweest,” zeide Florence, hare natuurlijke neiging volgende om zijne verlegenheid te verminderen. “Hij heeft mij dikwijls over u gesproken.”—“O, dat is van geen beduiden,” zeide Toots haastig. “Warm, niet waar?”—“Het is heel mooi weer,” antwoordde Florence.—“Dat is recht mijn weer,” hervatte Toots. “Ik geloof niet dat ik mij ooit zoo wel heb gevoeld als tegenwoordig—zeer verplicht.”

Na deze merkwaardige en onverwachte omstandigheid vermeld te hebben, verzonk Toots in een diepen put van stilzwijgen.

“Ge zijt nu niet meer bij doctor Blimber?” zeide Florence, als eene poging om hem er uit te helpen.—“Dat zou ik hopen,” antwoordde Toots en stortte er weder in.

Hij bleef, verzonken naar het scheen, wel tien minuten lang beneden. Na verloop van dien tijd kwam hij eensklaps bovendrijven, en zeide:

“Wel! Goeden morgen, jufvrouw Dombey.”—“Gaat gij al heen?” zeide Florence, opstaande.—“Dat weet ik toch nog niet. Neen, nog niet,” zeide Toots, en ging alleronverwachtst weder zitten. “De zaak is—zeg eens, jufvrouw Dombey.”—“Wees niet bang om te spreken,” zeide Florence met een glimlach, “ik zou heel gaarne eens over mijn broeder met u spreken.”—“Zoudt ge—toch?” zeide Toots daarop, met levendige sympathie in elken trek van zijn anders onbeteekenend gezicht. “Arme Dombey! Ik had waarlijk nooit gedacht dat Burgess en Comp.—kleermakers, in de mode, maar heel duur, over wie wij wel eens gepraat hebben—mij daarvoor dit pak zouden maken.” Toots was in den rouw. “Arme Dombey! Zeg eens, jufvrouw Dombey!” stotterde en snikte Toots.—“Wel?” zeide Florence.—“Er is een vriend, waarvan hij op het laatst bijzonder gehouden heeft. Ik dacht dat gij hem misschien wel zoudt willen hebben als eene soort van gedachtenis. Gij weet wel hoe hij nog om Diogenes dacht?”—“O ja! o ja!” riep Florence uit.—“Arme Dombey! Ik ook,” zeide Toots.

Toots, die Florence in tranen zag, had veel moeite om dit punt te boven te komen, en was bijna weder in den put getuimeld. Maar een gegiggel redde hem op den kant.

“Zeg, jufvrouw Dombey,” vervolgde hij. “Ik zou in staat zijn geweest om hem te stelen, als zij hem niet gegeven hadden—dat zou ik zeker hebben gedaan; maar zij waren blij dat zij hem maar kwijt raakten, geloof ik. Als gij hem hebben wilt, hij is voor de deur. Ik heb hem met opzet voor u meegebracht. Hij is geen dameshondje, weet ge wel; maar daar zult ge niet op zien, niet waar?”

Diogenes stond op dat oogenblik, gelijk zij weldra zagen, toen zij naar de straat keken, uit het portier van eene huurkoets te staren, waarin men hem, om hem te vervoeren, had gelokt door hem wijs te maken dat er ratten in het stroo zaten. Om de waarheid te zeggen, hij geleek zoo weinig op een dameshondje als een hond wel doen kon; en in zijn ongeduldigen angst om uit de koets te komen zag hij er weinig innemend uit. Hij jankte aanhoudend, nam nu en dan een sprong, die telkens mislukte, zoodat hij achterover in het stroo tuimelde, en sprong dan hijgend weder op en stak zijne tong uit, alsof hij ze een dokter moest laten zien.

Maar schoon Diogenes zulk een belachelijke, lompe, leelijke hond was als men ergens zou vinden, een lastige hond, die zich altijd verbeeldde dat er ergens een vijand school, tegen wien het zijn plicht was te blaffen; schoon hij ver van goedaardig en zeker niet schrander was, met haar over de oogen, een gekken neus, een staart die hem niet scheen toe te komen, en eene grove stem, was hij Florence, omdat Paul bij zijn afscheid nog zoo om hem had gedacht en verzocht dat er goed voor hem gezorgd zou worden, aangenamer dan de fraaiste en kostbaarste hond kon zijn geweest. Zoo dierbaar, zoo welkom was haar die leelijke Diogenes, dat zij de bejuweelde hand van Toots vatte en die uit dankbaarheid kuste. En toen Diogenes, losgelaten, de trap kwam oprennen en de kamer instuiven (zulk een gedoente als men eerst had, om hem uit de koets te krijgen!) en onder al de meubelen kroop, en een langen ijzeren ketting, die hem nasleepte, om de pooten van stoelen en tafels wond, en er toen aan trok, tot zijne oogen hem zoodanig uit den kop puilden, dat zij door zijne haren zichtbaar werden; en toen hij bromde tegen Toots, die familiaar met hem wilde zijn, en op Towlinson aanvloog, met de zedelijke overtuiging, dat hij de vijand om den hoek was, tegen wien hij al zijn leven had geblaft en dien hij nog nooit had gezien, was Florence zoo met hem ingenomen als ware hij een model van dressuur en schranderheid geweest.

Toots was zoo blijde dat zijn present zoo beviel, en zoo verrukt toen hij Florence zich over Diogenes zag bukken en zijn ruigen rug met haar handje streelen—hetgeen Diogenes van het eerste oogenblik hunner kennismaking af goedgunstig toeliet—dat het hem moeielijk viel afscheid te nemen, en het zeker nog veel langer zou geduurd hebben eer hij daartoe kon besluiten, als Diogenes zelf hem niet had geholpen, door het in zijn kop te krijgen om tegen hem te blaffen en uit te schieten. Niet zeker zijnde waarop deze demonstratiën zouden uitloopen, en begrijpende dat zij de pantalon, waaraan Burgess en Comp. hunne kunst hadden getoond, in gevaar brachten, ging Toots grinnikend naar de deur, keek daar nog een paar malen zonder bepaald oogmerk om, telkens door een nieuwen uitval van Diogenes begroet, en ging eindelijk heen.

“Kom dan, Di! lieve Di! maak eens kennis met uwe nieuwe meesteres. Wij moeten veel van elkander houden, Di!” zeide Florence, zijn ruigen kop liefkoozende. En de grove, ruige Di, alsof zijne harige huid niet ondoordringbaar was voor den traan die er op viel, en zijn hondehart er door verweekt werd, duwde haar zijn neus in het gezicht en zwoer haar trouw.

Diogenes de man sprak niet duidelijker tot Alexander den Groote, als Diogenes de hond tot Florence sprak. Hij onderteekende blijmoedig het contract met zijne kleine meesteres en wijdde zich aan haar dienst. Dadelijk werd in een hoek een feestmaal voor hem aangericht, en toen hij volop gegeten had, kwam bij naar het venster waar Florence zat toe te kijken, ging op de achterpooten staan, met zijne lompe voorpooten op hare schouders, likte haar gezicht en hare handen, drukte zijn kop tegen hare borst en kwispelstaartte tot hij er moe van werd. Eindelijk rolde hij zich voor hare voeten ineen en ging liggen slapen.

Hoewel Suze eenigszins bang voor honden was, en het raadzaam achtte om, als zij in de kamer was, hare rokken zorgvuldig strak te trekken, alsof zij door een geverfd huis ging, en ook eenige gilletjes te geven en op een stoel te gaan staan als Di zich eens uitrekte, was zij toch op hare manier aangedaan over de vriendelijkheid van Toots, en kon zij Florence niet zoo gevoelig zien voor de genegenheid en het gezelschap van dien ruwen vriend van kleinen Paul, zonder eenige stille bespiegelingen daarover, die haar het water in de oogen brachten. Misschien brachten hare denkbeelden mijnheer Dombey wel in zeker verband met den hond; in allen gevalle, nadat zij den geheelen avond naar Diogenes en zijne meesteres had zitten kijken, en zeer goedwillig eene slaapplaats voor Diogenes had gereedgemaakt, in de voorkamer dicht bij de deur zijner meesteres, zeide zij, eer zij deze goeden nacht wenschte, haastig:

“Uw papa gaat morgenochtend heen, jufvrouw Flore.”—“Morgenochtend, Suze?”—“Ja jufvrouw. Zoo heeft hij het besteld. Vroeg.”—“Weet gij ook,” zeide Florence zonder haar aan te zien, “waar papa naar toe gaat?”—“Niet recht, jufvrouw. Hij zal eerst dien heerlijken majoor gaan opzoeken, en ik moet zeggen, als ik zelve met een majoor kennis hield (waarvoor de hemel mij moge bewaren) zou het geen blauwe zijn.”—“St; Suze!” zeide Florence zacht maar dringend.—“Wel, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, die van verontwaardiging gloeide, “dat kan ik niet helpen, blauw is hij, en zoolang ik een Christenmensch was, al was het van lagen staat, zou ik vrienden van natuurlijke kleur willen hebben, of in het geheel geen.”

Uit hetgeen zij er bijvoegde en beneden had opgezameld, bleek, dat mevrouw Chick den majoor tot Dombey’s reisgenoot had voorgesteld, en dat Dombey hem na eenig bedenken daartoe had uitgenoodigd.

“Hij gezelschap wezen!” zeide Suze, met grenzelooze minachting. “In plaats van met zulk gezelschap was ik liever alleen.”—“Goeden nacht, Suze!” zeide Florence.—“Goeden nacht, mijne lieve, lieve jufvrouw Flore!”

Haar toon van medelijdend beklag deed de snaar trillen die zoo dikwijls werd aangeraakt, maar waarnaar Florence nooit luisterde zoolang Suze of iemand anders er bij was. Alleen gebleven, liet Florence haar hoofd op de eene hand zinken, drukte de andere op haar zwoegend hart, en verdiepte zich in haar leed.

Het was een regenachtige nacht: en vervelend was het aanhoudend gekletter tegen de glazen. Een flauwe, trage wind suisde zuchtend om het huis, als hoorde men een gesmoord steenen van pijn of droefheid. Een schel geschuifel floot door de boomen. Terwijl zij daar zoo zat te schreien werd het laat, en het akelige middernachtsuur klonk van de kerktorens.

Florence was weinig meer dan een kind in jaren—nauwelijks veertien—en de eenzaamheid en somberheid van zulk een uur in het groote huis, waar de dood zoo kort geleden zijne geduchte macht had getoond, hadden wel eene andere verbeelding met onbestemde akeligheden kunnen vervullen. Doch hare jeugdige verbeelding was te vol van één onderwerp om zich zulk een spel te veroorloven. Niets dwaalde er om in haar brein dan liefde—dwalende, als balling verstootene liefde, wel is waar—maar die altijd weder haar vader zocht.

Het kletteren van den regen, het zuchten van den wind, het sidderende geluid van het geboomte, het slaan der statige klokken had niets dat die ééne gedachte kon doen verflauwen. Hare herinneringen van het dierbare doode kind—en deze begaven haar nooit—hadden dezelfde strekking. O zoo gebannen te zijn; zoo buitengesloten; haar vaders gezicht van dat uur af nooit te hebben weergezien!

Zij kon niet naar bed gaan, het arme meisje, en was sedert ook nooit naar bed gegaan, zonder haar nachtelijken pelgrimstocht naar zijne deur te doen. Het zou een vreemd en droevig schouwspel zijn geweest, haar nu in duisternis zachtjes de trap te zien afsluipen, en daarvoor met verblinde oogen, een kloppend hart en achteloos loshangende haren blijven staan, en hare betraande wangen van buiten daartegen drukken. Maar de nacht verborg dit, en niemand wist het.

Op het oogenblik toen zij dezen nacht de deur aanraakte, ontwaarde Florence dat die open was. Voor de eerste maal stond zij open, hoewel maar een haar breed; en daar binnen was nog licht. De eerste neiging van het schroomvallige meisje—en zij zwichtte daarvoor—was snel de vlucht te nemen. Hare volgende, terug te komen en binnen te gaan; en deze tweede neiging hield haar besluiteloos op de trap staande.

Dat de deur openstond, zelfs maar met zulk een reetje, scheen hoop te geven. Het was bemoedigend een streepje licht van binnen langs den donkeren post te zien sluipen en op den marmeren vloer schijnen. Zij keerde terug, nauwelijks wetende wat zij deed, maar voortgedreven door de liefde in haar binnenste en het leed dat zij te zamen ondergaan, maar niet gedeeld hadden; en met de bevende handen omhoog trad zij stil binnen.

Haar vader zat voor zijne oude tafel in het middenvertrek. Hij had eenige papieren in orde gebracht, en andere verscheurd, waarvan de snippers voor hem lagen. De regen kletterde zwaarmoedig op de ruiten van het achterste kamertje, waar hij zoo dikwijls den armen Paul, als een onnoozel wichtje, had gadegeslagen; en buiten hoorde men den wind zuchten.

Maar hij hoorde dit niet. Hij zat, met de oogen strak op de tafel, zoo diep in gedachten verzonken, dat een veel zwaarder tred dan het lichte voetje van zijn kind hem misschien niet zou gewekt hebben. Zijn gezicht was naar haar toegekeerd; bij de flauw brandende lamp en zoo laat in den nacht, zag het er vervallen en vermagerd uit; en de eenzaamheid, die hem omringde, had iets dat Florence diep ontroerde.

“Papa, papa! spreek toch tegen mij, lieve papa!”

Hare stem deed hem verschrikt opspringen. Zij stond dicht voor hem met uitgespreide armen, maar hij deinsde terug.

“Wat scheelt er aan?” zeide hij stuursch. “Waarom komt gij hier? Wat heeft u bang doen worden?”

Als iets haar bang had doen worden, was het zijn gezicht. De gloeiende liefde in het hart zijner jeugdige dochter bevroor onder dien blik, en zij bleef hem staan aanzien alsof zij in steen veranderd was.

Geen zweem van teederheid of medelijden had dat gezicht. Niets van vaderlijke herkenning, belangstelling of weemoedigheid. Er was eene verandering in, maar niet van dien aard. De onverschilligheid en stijfheid hadden plaats gemaakt voor iets anders—wat het was durfde zij niet denken, en toch gevoelde zij de kracht er van en kende zij het, zonder het een naam te geven—dat, toen hij haar zoo aanzag, eene schaduw op haar hoofd scheen te werpen.

Zag hij de gelukkige mededingster van zijn zoon, in leven en gezondheid voor zich? Beschouwde hij haar als zijne eigene gelukkige mededingster in de genegenheid van dien zoon? Werden zoete herinneringen, die haar dierbaar en kostbaar hadden moeten doen worden, door razende jaloezie en gekrenkte trotschheid vergiftigd? Kon het mogelijk zijn, dat het gal en alsem voor hem was, haar in hare veelbelovende schoonheid voor zich te zien, en aan zijn zoon te denken?

Florence dacht zoo iets niet. Maar de liefde ziet snel wanneer zij veracht en hopeloos is; en toen zij haar vader zoo zag, stierf de hoop harer liefde.

“Ik vraag u, Florence, zijt gij bang of geschrikt? Scheelt er iets aan, dat gij hier komt?” “Ik kwam, papa...”—“Tegen mijn verlangen. Waarom?”

Zij zag dat hij wel wist waarom—dit stond duidelijk op zijn gezicht geschreven—en zij liet met een zachten, langgerekten kreet haar hoofd in hare handen zinken.

Nog over jaren moge hij zich in die kamer dien kreet herinneren! Eer hij de stilte afbreekt, is het geluid weggestorven. Even snel is het hem uit de gedachten gegaan, naar hij gelooft; maar het blijft er nog in. Nog over jaren moge hij het zich in die kamer herinneren!

Hij nam haar bij den arm. Zijne hand was koud en vatte haar nauwelijks aan.

“Ge zijt vermoeid, zou ik denken,” zeide hij, de kaars opnemende en haar naar de deur brengende, “en hebt behoefte aan rust. Wij hebben allen behoefte aan rust. Ga heen, Florence. Gij hebt gedroomd.”

De droom dien zij gehad had, was toen, helaas! voorbij; en zij gevoelde dat hij nooit meer kon terugkomen.

“Ik zal hier blijven om u op de trap te lichten. Het geheele huis daar boven is voor u,” zeide haar vader langzaam. “Gij zijt daar nu meesteres. Goeden nacht!”

Nog met hare handen voor haar gezicht, zeide zij snikkend: “Goeden nacht, lieve papa!” en ging stil naar boven. Eens zag zij om, alsof zij had willen terugkeeren indien de vrees haar niet had weerhouden. Het was eene oogenblikkelijke gedachte, te hopeloos om er voedsel aan te geven; en haar vader stond daar met het licht—stijf, koel en roerloos—tot het fladderende kleedje zijner dochter in de duisternis verdween.

Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis blaast, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!

De laatste maal toen hij haar van die plek die trap zag opgaan, droeg zij haar broertje in hare armen. Dit verteederde nu zijn hart niet voor haar; het verstaalde het; maar hij ging zijne kamer binnen, sloot zijne deur, zette zich op zijn stoel en schreide om zijn verloren zoon.

Diogenes was klaar wakker op zijn post, en wachtte naar zijne jonge meesteres.

“O, Di! O, lieve Di! Houd toch van mij, om zijnentwil!”

Diogenes hield reeds van haar om haar zelve, en schroomde niet dit te toonen. Hij maakte zich belachelijk door eene menigte lompe sprongen, en toen Florence eindelijk sliep en van de blozende kinderen aan den overkant droomde, besloot hij met hare kamerdeur open te krabben, zijn bed als een bal samen te rollen, en aan het uiterste eind van zijn ketting op de planken te gaan liggen, met zijn kop naar haar toe. Zoo bleef hij knipoogend naar haar liggen kijken, tot hij al knipoogend zelf in slaap viel en brommend van zijn vijand droomde.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XIX. WALTER VERTREKT

De houten adelborst aan de deur des instrumentmakers, die ook een hard houten hart had, bleef geheel onverschillig voor Walter’s aanstaand vertrek, zelfs toen de laatste dag, dien deze in het achterkamertje zou doorbrengen, ten einde liep. Met zijne sextant voor het kogelronde zwarte oog, en altijd op het punt om vlug vooruit te stappen, bleef de houten adelborst met zijne korte broek pronken, en stelde hij, in de wetenschap verdiept, geen het minste belang in aardsche zaken. Hij was in zooverre van omstandigheden afhankelijk, dat een droge dag hem met stof bedekte, een mistige dag hem met roetstippen bestrooide, een regenachtige dag zijne verbleekte uniform voor het oogenblik ophelderde, en een buitengewoon heete dag hem deed bladderen; maar anders was hij een hardvochtige, eigenwijze adelborst, die aan niets anders dacht dan zijne eigene ontdekkingen, en zich zoo weinig bekommerde om hetgeen er op de wereld en om hem heen gebeurde, als Archimedes bij het innemen van Syracuse.

Zulk een adelborst scheen hij ten minste in den toenmaligen staat der huiselijke zaken te zijn. Walter zag hem bij het uit- en ingaan dikwijls vriendelijk aan; en de arme oude Sam kwam, als Walter er niet was, dikwijls tegen den post der deur staan leunen, en liet zijne vermoeide pruik zoo dicht hij kon bij de schoengespen van den beschermgeest van zijn winkel rusten. Maar geen wanschapen afgod, met een mond van het eene oor tot het andere, was ooit onverschilliger voor het roepen zijner heidensche aanbidders, dan de houten adelborst voor deze blijken van gehechtheid was.

Walter’s hart was beklemd, toen hij in zijn slaapkamertje rondzag en naar de schoorsteenen daar buiten keek, en bedacht, dat de nacht, die nu reeds begon te vallen, zijne kennis daarmede, misschien voor altijd, zou besluiten. Reeds ontdaan van de kleine uitstalling van boeken en prenten, zag het kamertje hem koud en verwijtend aan, en had het reeds een zweem van zijne aanstaande vreemdheid. “Nog eenige uren,” dacht Walter, “en geen droom, dien ik hier ooit als een schooljongen heb gehad, zal minder mijn eigendom zijn dan dit oude kamertje. De droom mag in mijn slaap terugkomen, en ik mag wakend weder hier komen; maar de droom zal ten minste geen ander meester dienen, en het kamertje kan er twintig krijgen, en ieder van die meesters kan het veranderen, verwaarloozen of misbruiken.”

Maar zijn oom moest niet in het achterkamertje alleen blijven zitten, waar hij nu toch reeds eene poos alleen was geweest; want kapitein Cuttle, ruw, maar toch bedachtzaam, was zeer tegen zijn zin met opzet weggebleven, opdat oom en neef ongehinderd met elkander konden spreken; en zoo ging Walter, pas van zijne laatste dagdrukte naar huis gekomen, spoedig naar beneden om hem gezelschap te houden.

“Oom,” zeide hij vroolijk, zijne hand op des ouden mans schouder leggende, “wat moet ik u van Barbados zenden?”—“Hoop, mijn beste Wally. Hoop dat wij elkander zullen wederzien, aan dezen kant van het graf. Zend mij daarvan zooveel gij kunt.”—“Dat zal ik, oom. Ik heb genoeg en over, en zal er niet karig mee zijn. En wat levendige schildpadden betreft, en citroenen voor kapitein Cuttle’s punch, en confituren voor u op zondag, daarvan zal ik u scheepsladingen zenden, zoodra ik maar rijk genoeg ben.”

Oude Samuel veegde zijn bril af en glimlachte flauw.

“Zoo is het goed, oom!” riep Walter vroolijk, hem nog eenige malen op den schouder kloppende. “Beur gij mij maar op! Ik zal u opbeuren! Wij zullen morgenochtend zoo vroolijk als leeuweriken zijn en even hoog vliegen. Mijne vooruitzichten zijn nu al in de wolken.”—“Wally, mijn goede jongen,” zeide de oude man. “Ik zal mijn best doen, ik zal mijn best doen.”—“En uw best, oom,” zeide Walter, met zijn innemenden lach, “is het beste best dat ik ken. Gij zult niet vergeten, wat ge mij zenden moet, oom?”—“Neen, Walter, neen,” was het antwoord, “al wat ik van jonge jufvrouw Dombey hoor, nu zij zoo alleen is, het arme schaap, zal ik u schrijven. Maar ik vrees, dat het niet veel zal zijn, Walter.”—“Wat, ik zal u eens wat zeggen, oom,” zeide Walter, na een oogenblik aarzelens. “Ik ben zoo even daarheen geweest.”—“Zoo, zoo, zoo!” zeide de oude man, zijne wenkbrauwen optrekkende, en daardoor te gelijk zijn bril omhoogschuivende.—“Niet om haar te zien,” zeide Walter, “schoon ik haar wel had kunnen zien, denk ik, als ik er om gevraagd had, nu mijnheer Dombey uit de stad is, maar om met Suze een woordje tot afscheid te spreken. Ik dacht dat ik dit wel mocht doen, onder deze omstandigheden, en als men bedenkt, wanneer ik jonge jufvrouw Dombey het laatst gezien heb.”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, uit eene korte vlaag van verstrooidheid ontwakende.—“Ik vroeg dus naar haar,” vervolgde Walter, “naar Suze, meen ik, en zeide haar, dat ik morgen zou vertrekken. En ik zeide haar, oom, dat gij altijd zooveel belang in jonge jufvrouw Dombey hadt gesteld, sedert den avond toen zij hier was, en haar altijd geluk en voorspoed hadt gewenscht, en altijd vereerd en verheugd zoudt zijn als gij haar den minsten dienst kondt bewijzen; ik dacht dat ik dit wel mocht zeggen, in deze omstandigheden, weet ge. Denkt gij dat ook niet?”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, op denzelfden toon als te voren.—“En ik voegde er nog bij,” vervolgde Walter, “dat als zij, Suze meende ik, u ooit kon laten weten, hetzij zelve, of door jufvrouw Richards of iemand anders, die dezen weg uitkwam, dat jonge jufvrouw Dombey gezond en gelukkig was, gij dat voor heel vriendelijk zoudt houden, en het mij zoudt schrijven, en dat ik het ook voor heel vriendelijk zou houden. Daar nu! Op mijn woord, oom,” zeide Walter, “ik heb verleden nacht haast niet kunnen slapen, zoo heb ik liggen denken of ik dit zou doen of niet, en ik kon maar niet tot een besluit komen; en toch is het waarlijk het echte gevoel van mijn hart, en ik zou naderhand heel verdrietig zijn geweest als ik dat niet had lucht gegeven.”

Zijn toon was bewijs genoeg van zijne oprechtheid.

“Als gij haar dus ooit ziet, oom,” hervatte Walter, “ik meen nu jonge jufvrouw Dombey—en misschien zult ge wel; wie weet het!—zeg haar dan hoeveel gevoel ik voor haar had; hoe ik altijd aan haar dacht toen ik hier was; hoe ik nog met tranen in de oogen van haar sprak, op den laatsten avond eer ik heenging. Zeg haar, hoe ik toen nog gezegd heb, dat ik nooit hare zachte manieren, of haar lief gezichtje kon vergeten, of haar lief en vriendelijk karakter, dat nog beter dan alles was. En daar ik ze geene jonge dame van de voeten heb genomen, maar alleen een onnoozel kind,” zeide Walter, “zeg haar dus, oom, als het u niet schelen kan, dat ik die schoenen heb bewaard—zij zal nog wel weten hoe dikwijls ze dien avond uitgingen—en ze als eene gedachtenis heb meegenomen!”

Zij werden juist in een van Walter’s koffers de deur uitgedragen. Een kruier, die zijne bagage op een wagen laadde, om ze aan boord van de Zoon en Erfgenaam te brengen, had ze in zijne macht en reed er mede heen, uit de oogen van den gevoelloozen adelborst, bijna eer de eigenaar nog had uitgesproken.

Maar men had dien ouden zeeman zijne onverschilligheid voor den schat, die daar werd weggevoerd, wel kunnen vergeven, want vlak in de richting van zijne sextant en zijne scheelziende oogen, waren Florence en Suze Nipper; Florence keek zelve half beschroomd naar hem op en ontving den geheelen schok van zijn houten lonk.

Nog meer, zij gingen den winkel in naar de deur van het achterkamertje, eer iemand anders dan de houten adelborst ze had waargenomen; en Walter, die met zijn rug naar de deur zat, zou zelfs toen nog niets van hare verschijning hebben geweten, als hij zijn oom niet van zijn stoel had zien opspringen en bijna over een anderen heen tuimelen.

“Oom!” riep hij uit. “Wat scheelt er aan?”—“Jonge jufvrouw Dombey!” was het antwoord.—“Is het mogelijk!” riep Walter, omkijkende en insgelijks opspringende. “Hier!”

Het was zoo mogelijk en zoo werkelijk, dat, eer nog de woorden uit zijn mond waren, Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, en zich toen naar Walter keerende, hem met de eenvoudigheid en hartelijkheid, die haar en niemand anders in de wereld eigen waren, hare hand reikte.

“Gij gaat heen, Walter!” zeide Florence.—“Ja, jufvrouw Dombey,” antwoordde hij, maar niet met zooveel hoop in zijn toon als hij wel gewild had. “Ik heb eene reis vóór mij.”—“En uw oom,” zeide Florence, weder naar Samuel omziende. “Het spijt hem zeker dat gij heengaat. Ja, dat zie ik wel. Beste Walter, het spijt mij ook zeer.”—“Onze lieve Heer weet,” riep Suze nu uit, “dat er menigeen is dien wij beter konden missen, als het daarom te doen was; mevrouw Pipchin zou als opzichter haar gewicht in goud waard zijn, en als men zwarte slaven moest kunnen drijven, zouden die Blimber’s juist de menschen zijn voor zulk een post.”

Daarmede maakte zij de linten van haar hoed los, en nadat zij voor een oogenblik verstrooid in een zwart trekpotje had gekeken, dat bij het gewone eenvoudige theeservies op de tafel stond, schudde zij haar hoofd en een blikken busje en ging ongevergd thee zetten.

Ondertusschen had Florence zich weder naar den ouden instrumentmaker gekeerd, die even vol van opgetogenheid als verwondering stond te kijken. “Zooveel grooter!” zeide hij. “Zooveel mooier! En toch niet veranderd! Nog juist dezelfde!”—“Waarlijk!” zeide Florence.—“Ja-a!” antwoordde de oude man, langzaam zijne handen wrijvende, en hardop denkende, terwijl iets peinzends in de heldere oogen, die hem aanzagen, zijne aandacht boeide. “Ja, die uitdrukking had het jongere gezichtje ook.”—“Gij herinnert u mij dus nog,” zeide Florence met een glimlach; “en welk een klein dingetje ik toen was?”—“Lieve jonge jufvrouw,” antwoordde de instrumentmaker, “hoe kon ik u vergeten, zoo dikwijls als ik sedert om u gedacht en van u gehoord heb! Zelfs op het oogenblik toen gij binnenkwaamt was Walter over u aan het praten, en gaf mij boodschappen voor u, en...”—“Deed hij dat?” zeide Florence. “Daarvoor dank ik u, Walter. Ik was bang dat gij mocht heengaan zonder haast om mij te denken.” En wederom gaf zij hem haar handje zoo vrijmoedig en hartelijk, dat Walter het niet zoo terstond weder kon loslaten, maar het eene poos vasthield.

Hij hield het echter niet zoolang vast als hij misschien eens zou gedaan hebben, en het deed ook die oude droomen zijner jongensjaren niet weder ontwaken, die hem zelfs nog niet lang geleden somtijds voor den geest hadden gezweefd en hem met hunne verwarde en onduidelijke beelden verbijsterd. De reinheid en onschuld harer lieftalligheid, haar onbeperkt vertrouwen en de ongeveinsde achting voor hem, die uit hare zachte oogen en haar lief gezichtje spraken, in weerwil van den glimlach die het overschaduwde—want, helaas, het was een te treurige glimlach om het te verhelderen—hadden niets van dat romaneske. Zij voerden zijne gedachten terug naar het vroegere sterfbed dat hij haar had zien verzachten, en de liefde die het kind haar had toegedragen; en op de vleugelen van zulke herinneringen scheen zij zich, ver boven zijne ijdele hersenschimmen, in reiner lucht te verheffen.

“Ik—ik zou u gaarne Walter’s oom willen noemen, mijnheer,” zeide Florence, tot den ouden man, “als ge dat wel wilt hebben.”—“Lieve jonge jufvrouw!” riep de oude Samuel uit. “Willen hebben! Wel goede hemel!”—“Wij hebben altijd met dien naam van u gesproken,” zeide Florence, in het rond ziende en met een zachten zucht. “Dat aardige oude kamertje! Nog juist hetzelfde! Hoe goed heugt het mij nog!”

Samuel zag eerst haar en toen zijn neef aan, wreef toen in zijne handen, veegde toen zijn bril af en zeide binnensmonds: “O, die tijd, die tijd, die tijd!”

Er volgde eene korte poos van stilte, waaronder Suze Nipper knaphandig nog twee kopjes en schoteltjes uit de kas kreeg, en peinzend wachtte terwijl de thee stond te trekken.

“Ik moet Walter’s oom,” zeide Florence, hare hand schroomvallig op die des ouden mans leggende, welke op de tafel rustte, “iets zeggen waarover ik bekommerd ben. Hij zal alleen blijven, en als hij mij wil toelaten—niet om Walter’s plaats te vervullen, want dat zou ik niet kunnen, maar om zijne ware vriendin te zijn en hem zoo veel te helpen als ik kan terwijl Walter weg is, dan zal ik hem waarlijk zeer verplicht wezen. Wilt gij? Mag ik, Walter’s oom?”

De instrumentmaker bracht zonder te spreken hare hand aan zijne lippen, en Suze Nipper, met over elkander geslagene armen achteroverleunende in den presidentsstoel, waarop zij zich eigenmachtig had geplaatst, beet op een lint van haar hoed, en slaakte een zachten zucht, terwijl zij naar het lantarenraam opzag.

“Gij wilt dan wel dat ik naar u kom zien als ik kan,” zeide Florence, “en gij zult geene geheimen voor Suze hebben, als zij komt en ik niet kan, maar zult ons vertrouwen en op alles antwoord geven. En gij zult ons toelaten ons best te doen om u een troost te wezen? Wilt gij, Walter’s oom?”

Het lieve gezichtje, dat naar hem opzag, de vriendelijke smeekende oogen, de zachte stem, de lichte druk op zijn arm, alles nog innemender door den kinderlijken eerbied voor zijne jaren, die er een bevalligen zweem van twijfeling en beschroomdheid aan gaf—dit, en de natuurlijke ernst harer hartelijkheid, overweldigden den ouden instrumentmaker zoo zeer, dat hij niets anders antwoordde dan: “Walter, zeg toch een woord voor mij, beste jongen. Ik ben dankbaar, heel dankbaar.”—“Neen, Walter,” zeide Florence, met haar kalmen glimlach. “Zeg niets voor hem als het u belieft. Ik versta hem goed, en wij moeten leeren zonder u met elkander te praten, beste Walter.”—“Jufvrouw Florence,” antwoordde hij, zijn best doende om den vroolijken toon te hernemen, waarmede hij met zijn oom had gesproken. “Ik weet waarlijk even weinig als mijn oom, wat ik zeggen zal om zulke goedheid en vriendelijkheid te erkennen. Maar wat kon ik ook zeggen, al had ik het vermogen om een uur lang te praten, behalve dat gij doet gelijk men van u kon verwachten!”

Suze Nipper begon aan een nieuw eind van haar lint, en knikte tegen den zolder, ten teeken van hare goedkeuring.

“Maar, Walter,” zeide Florence, “er is iets, dat ik u wenschte te zeggen eer gij heengaat, en gij moet mij Florence noemen als het u belieft, en niet spreken als een vreemde.”—“Als een vreemde!” herhaalde Walter. “Neen, waarlijk, dat zou ik niet kunnen. Ten minste zeker niet met het gevoel van een vreemde.”—“Ja, maar dat is niet genoeg, en het is niet wat ik meen,” zeide Florence. “Want Walter,” vervolgde zij, in tranen uitbarstende, “hij hield heel veel van u, en voor zijn dood zeide hij dat hij dat deed, en zeide nog “denk om Walter!” en als gij nu een broeder voor mij wilt zijn, Walter, nu hij weg is en ik niemand op de wereld meer heb, zal ik al mijn leven eene zuster voor u wezen, en als eene zuster aan u denken, waar wij ook zijn! Dit is het dat ik u wenschte te zeggen, lieve Walter, maar ik kan het niet zoo goed zeggen als ik wilde, omdat mijn hart te vol is.”

En in de volheid en lieve eenvoudigheid van haar hart, stak zij hem beide handen toe. Walter nam ze, bukte en raakte met zijne lippen het betraande gezichtje aan, dat zich niet terugtrok of omkeerde, en ook niet bloosde toen hij dit deed, maar met gerustheid en vertrouwen naar hem opzag. In dat oogenblik verdween alle zweem van twijfel of onrust uit Walter’s gemoed. Het was hem als beantwoordde hij hare onschuldige bede bij het bedje van het doode kind; en denkende aan het plechtige dat hij daar had gezien, verbond hij zich om zelfs haar beeld, in zijne ballingschap, met broederlijke hoogachting te vereeren en lief te hebben, om haar eenvoudig vertrouwen nooit te schenden, en zich zelven diep vernederd te achten als hij ooit eene gedachte daarbij koesterde, die niet in haar eigen hart was toen zij het hem gaf.

Suze Nipper, die beide hare linten had doorgebeten en het lantarenraam van niet weinig geheime aandoening deelgenoot gemaakt, bracht nu een ander onderwerp op het tapijt door te vragen wie er melk en suiker gebruikte; en hieromtrent ingelicht schonk zij thee. Alle vier verzamelden zich gezellig om de kleine tafel, en genoten wat de ijverige jonge dame hun aanbood; en Florence’s tegenwoordigheid in het achterkamertje scheen zelfs de kleur van het fregat de Tartaar aan den wand te verhelderen.

Een half uur geleden had Walter haar, om alles in de wereld, niet bij haar naam durven noemen. Maar nu zij hem zelve daarom verzocht, kon hij dat wel doen. Hij kon aan haar bijzijn denken, zonder eenigen geheimen schroom dat het beter zou geweest zijn als zij niet gekomen was. Hij kon met kalmte denken hoe schoon zij was, hoeveel schooner zij nog beloofde te worden, en welk eene rustplaats een of ander gelukkig man eens in zulk een hart zou vinden. Hij dacht aan zijne eigene plaats in dat hart, met edelen trots en een moedig besluit om die, zoo niet te verdienen—dit achtte hij nog ver boven zich—ze nooit minder waardig te worden.

Er moet iets tooverachtigs zijn geweest in de manier waarop Suze thee schonk, hetwelk oorzaak was van het rustige dat er ondertusschen in het achterkamertje heerschte; en een tegenovergestelde invloed moet oom Sam’s chronometer hebben voortgejaagd en hem harder doen loopen dan het fregat de Tartaar ooit voor den wind zeilde. Dit zij gelijk het wil, de bezoeksters hadden niet veraf op een stil hoekje eene koets laten staan wachten; en toen de chronometer toevallig werd geraadpleegd, was deze zoo stellig van meening dat de koets reeds zeer lang had staan wachten, dat het onmogelijk was er aan te twijfelen. Oom Sam had liever alles willen doen dan bekennen dat zijn chronometer voorliep.

Bij het afscheid herhaalde Florence nog eens alles, wat zij den ouden man gezegd had, en bond hem door eene uitdrukkelijke belofte aan hun verdrag. Oom Sam geleidde haar met vaderlijke vriendelijkheid tot aan de beenen van den houten adelborst en gaf haar daar aan Walter over, die gereed was om haar en Suze naar de koets te brengen.

“Walter,” zeide Florence onderweg, “ik heb u dat voor uw oom niet durven vragen. Denkt ge dat ge lang zult wegblijven?”—“Dat weet ik waarlijk niet,” antwoordde Walter. “Ik vrees van ja. Mijnheer Dombey gaf mij dat vrij duidelijk te kennen, dacht ik, toen hij mij benoemde.”—“Is het eene gunst, Walter?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens, en zag hem angstig aan.—“Die benoeming?” vroeg Walter.—“Ja.”

Walter had gaarne een bevestigend antwoord willen geven, maar zijn gezicht antwoordde reeds eer zijne lippen dit konden, en Florence was te oplettend om dat antwoord niet te verstaan.

“Ik vrees dat gij eigenlijk geen gunsteling van papa zijt geweest,” zeide zij beschroomd.—“Er is geene reden waarom ik dat zijn zou,” antwoordde Walter met een glimlach.—“Geene reden, Walter!”—“Er was geene reden,” hervatte Walter, hare meening begrijpende. “Er zijn er zoo veel op het kantoor. Tusschen mijnheer Dombey en een jong mensch zooals ik is een groote afstand. Als ik mijn plicht doe, doe ik maar wat ik moet en niet meer dan al de anderen.”

Koesterde Florence eene achterdocht, waarvan zij zich zelve nauwelijks bewust was—eene achterdocht die onduidelijk bij haar was opgekomen, sedert dien nacht toen zij in haar vaders kamer was geweest—dat Walter’s belangstelling in haar en toevallige kennis met haar, hem misschien dat geduchte ongenoegen hadden op den hals gehaald? Had Walter zelf zulk een denkbeeld, of viel het hem eensklaps in dat het haar op dat oogenblik voor den geest zweefde? Geen van beiden sprak er van. Eene korte poos spraken zij in het geheel niet. Suze, die aan den anderen kant naast Walter ging, zag hen beide scherp aan; en hare gedachten namen zeker die richting, en wel met zeer weinig twijfel.

“Gij kunt misschien heel gauw terugkomen, Walter,” zeide Florence.—“Ik kan als een oud man terugkomen,” antwoordde Walter, “en u eene oude dame vinden. Maar ik hoop beter.”—“Papa,” zeide Florence, na een oogenblik stilzwijgens, “zal zich van dien slag herstellen, en—en dan vrijer met mij spreken, eens misschien; en als hij dat doet, zal ik hem zeggen hoe ik verlang u weer te zien, en hem vragen om u om mijnentwil terug te roepen.”

Er was eene weifeling in deze woorden over haar vader, die Walter maar te wel begreep.

Daar de koets dichtbij was, zou hij haar zonder meer te zeggen hebben verlaten, want hij gevoelde nu wat het scheiden was; maar toen Florence zat drukte zij hem nog de hand, en hij vond dat zij een klein pakje in de hare had.

“Walter,” zeide zij, hem met hare vriendelijke oogen aanziende, “evenals gij, hoop ik op beter. Ik zal er om bidden en wil gelooven dat het komen zal. Ik geef die kleinigheid voor Paul. Ik bid u, neem ze met mijne hartelijke wenschen, en zie er niet naar eer gij vertrokken zijt. En nu, God zegene u, Walter! Vergeet mij nooit! Gij zijt mijn broeder!”

Hij was blijde dat Suze tusschen hen in kwam, of zij zou hem misschien met eene treurige herinnering hebben verlaten. Hij was ook blijde, dat zij niet weder uit de koets keek, maar slechts met haar handje wuifde, zoolang hij het kon zien.

In spijt van haar verzoek, kon hij niet nalaten het pakje te openen toen hij dien avond naar bed ging. Het was een beursje, en er was geld in.

Helder rees de zon den volgenden morgen op, en Walter ontving haar met den kapitein, die reeds aan de deur was, daar hij vroeger dan noodig was uitgegaan, om weg te komen, terwijl jufvrouw MacStinger nog sluimerde. De kapitein veinsde zeer vroolijk te zijn, en bracht in een der zakken van zijne blauwe jas eene zeer sterk gerookte ossetong voor het ontbijt mede.

“En, Walter,” zeide de kapitein, toen zij om de tafel zaten, “als uw oom de man is waarvoor ik hem houd, zal hij bij deze gelegenheid de laatste flesch van dien madera opentrekken.”—“Neen, neen, Edward,” zeide de oude man. “Neen. Die moet worden opengetrokken als Walter weer thuis komt.”—“Wel gezegd!” zeide de kapitein. “Goed zoo!”—“Daar ligt zij,” hervatte Samuel Gills, “in het keldertje, met stof en spinnewebben bedekt. Misschien zullen gij en ik ook wel onder stof en spinnewebben liggen, eer zij wordt opengetrokken.”—“Goed zoo!” riep de kapitein. “Eene mooie zedeles. Walter, mijn jongen, buig den vijgeboom den weg dien hij gaan moet, en als gij oud zijt, kunt gij onder zijne schaduw zitten. Kijk maar na in—ja,” zeide de kapitein zich bedenkende, “ik ben niet recht zeker waar dat te vinden is; maar als gij het vindt zet er dan een streepje bij. Sam Gills, ga maar weer voort!”—“Maar daar, of ergens, zal zij blijven liggen, tot Walter terugkomt om ze op te eischen,” zeide de oude man. “Dat is wat ik wilde zeggen.”—“En het is goed gezegd, mooi gezegd,” antwoordde de kapitein, “en als wij met ons drieën die flesch niet in gezelschap kraken, geef ik u beiden verlof om mijne portie op te drinken.”

In weerwil der buitengewone vroolijkheid des kapiteins, smaakte de ossetong hem toch lang niet goed, hoewel hij, als er iemand naar hem keek, zijn best deed om zich te houden alsof hij zeer hongerig at. Hij was ook schrikkelijk bang om met den oom of den neef alleen te blijven, en scheen te denken dat hij dan alleen kans had om zich goed te houden, als zij altijd met hun drieën bij elkander bleven. Deze angst des kapiteins deed hem op verschillende schrandere invallen komen. Zoo liep hij, toen Samuel zijne jas ging aantrekken, naar de deur, onder voorwendsel dat hij iets zeer buitengewoons aan eene voorbijkomende huurkoets zag; en toen Walter naar boven ging om van de inwoners afscheid te nemen, stapte hij de straat op, voor reden gevende dat hij brand in een naburigen schoorsteen rook. Deze kunstgrepen hield kapitein Cuttle voor ondoorgrondelijk voor alle menschelijk vernuft.

Walter kwam van zijn afscheidnemen terug en ging den winkel door naar het achterkamertje, toen hij een gezicht, dat hij kende, door de voordeur zag binnenkijken en er dadelijk op toeschoot.

“Mijnheer Carker,” zeide hij, Carker Junior de hand drukkende. “Kom toch binnen. Dat is vriendelijk van u, dat ge zoo vroeg hier zijt om mij goedendag te zeggen. Gij wist wel, hoe gaarne ik u nog eens de hand zou geven eer ik heenging. Ik kan niet zeggen hoe blij ik er mee ben. Kom toch binnen.”—“Het is niet waarschijnlijk dat wij elkander ooit zullen weerzien, Walter,” zeide de ander, zacht wederstand biedende, “en ik ben zoo blijde dat ik u nog eens zie. Nu wij zoo spoedig zullen scheiden, durf ik wel tot u spreken en u de hand geven. Ik behoef nu uwe hartelijkheid niet meer af te wijzen, Walter.”

De glimlach waarmede hij dit zeide had iets treurigs, waaruit bleek dat hij zelfs in hun geringen en van zijn kant stroeven omgang zeker gezelschap had gevonden.

“O, mijnheer Carker!” zeide Walter; “waarom hebt gij ze afgewezen? Ik ben overtuigd, dat ge mij niet anders dan goed hadt kunnen doen.”

Hij schudde zijn hoofd. “Als ik op de wereld nog iets goeds kon doen,” zeide hij, “zou ik het voor u doen, Walter. Uw gezicht van dag tot dag, is te gelijk een genoegen en eene wroeging voor mij geweest. Maar het genot ging de smart te boven. Dat weet ik nu, door te gevoelen wat ik verlies.”—“Kom binnen, mijnheer Carker, en maak eens kennis met mijn goeden, ouden oom,” zeide Walter dringend. “Ik heb hem dikwijls over u gesproken, en hij zal u gaarne alles vertellen wat hij van mij hoort. Ik heb,” vervolgde Walter, zijne aarzeling opmerkende en nu zelf eenigszins verlegen wordende, “ik heb hem niets van ons laatste gesprek gezegd, mijnheer Carker; zelfs hem niet, geloof mij.”

De grijze Junior drukte hem de hand en tranen kwamen hem in de oogen.

“Als ik ooit kennis met hem maak, Walter,” zeide hij, “zal het zijn om tijding van u te kunnen hooren. Gij kunt er op aan dat ik uwe goedheid en verdraagzaamheid niet zal misbruiken. Het zou een misbruik wezen, als ik hem niet de geheele waarheid zeide, eer ik een vertrouwelijk woord van hem zocht te krijgen. Maar ik heb geen vriend of bekende behalve u, en zelfs om uwentwil is het niet waarschijnlijk dat ik er nog een zal zoeken.”—“Ik wenschte,” antwoordde Walter, “dat ge mij waarlijk uw vriend hadt laten zijn. Dat heb ik altijd gewenscht, mijnheer Carker, zooals gij weet; maar nooit half zooveel als nu, nu wij zullen scheiden.”—“Het is genoeg,” was het antwoord, “dat gij in mijne eigene gedachten mijn vriend zijt geweest, en dat toen ik u het meest vermeed, mijn hart u het meest was toegedaan. Vaar wel nu, Walter!”—“Vaar wel, mijnheer Carker! De Hemel zij met u, mijnheer!” riep Walter met aandoening uit.—“Als gij,” zeide de ander, zijne hand vasthoudende, “als gij, wanneer gij terugkomt, mij mist in mijn ouden hoek, en van iemand mocht hooren waar ik lig, kom dan eens naar mijn graf zien. Denk dat ik even eerlijk en gelukkig had kunnen zijn als gij! En laat ik denken, als ik weet dat mijn tijd nadert, dat iemand gelijk ik vroeger was, daarvoor een oogenblik kan blijven staan, en met medelijden en vergiffenis aan mij denken. Vaar wel nu, Walter!”

Zijne gedaante gleed als eene schaduw in den helderen zonneschijn de straat af, en verdween in de verte.

De onbarmhartige chronometer verkondigde ten laatste dat Walter den houten adelborst den rug moest keeren; en zij reden, hij zelf, zijn oom, en de kapitein, met eene huurkoets naar de werf, van waar zij met eene stoomboot naar eene bocht van de rivier zouden varen, welker naam, gelijk de kapitein dien uitsprak, voor de ooren van ieder landsman een raadsel moest blijven. Aan die bocht gekomen (waarheen het schip met het laatste getij was verzeild) werden zij door onderscheidene opgewonden bootroeiers aan boord geklampt, onder anderen door een smerigen Cycloop, een bekende van den kapitein, die hem met zijn eene oog reeds op eene halve mijl afstands had onderscheiden, en zoolang een onverstaanbaar geschreeuw met hem had gewisseld. De wettige prooi van dezen persoon geworden, die altijd eene schorre stem en een ongeschoren baard scheen te moeten hebben, werden zij alle drie aan boord van de Zoon en Erfgenaam gebracht, waar op het oogenblik eene groote verwarring heerschte, het natte dek met losse zeilen en touwen was overspreid, bestemd, naar het scheen, om iemand een beentje te te lichten, mannen met roode hemden blootsvoets naar voren en naar achteren liepen, kisten en vaten overal den weg verstopten, en, in het dichtste gedrang, een zwarte kok, in eene zwarte kombuis, blind van den rook, tot aan de oogen in groenten zat gedoken.

De kapitein trok Walter dadelijk terzijde, en haalde met eene inspanning, waarvan zijn gezicht rood werd, het zilveren horloge uit, dat zoo groot was en zoo stijf in zijn zak zat, dat het er met een “pop” uitschoot.

“Walter,” zeide de kapitein het hem overgevende, en hem hartelijk de hand schuddende, “een afscheidspresentje, mijn jongen. Zet het ’s morgens een half uur, en ’s avonds nog een kwartier, achteruit, en het is een horloge waarvan ge pleizier zult hebben.”—“Kapitein Cuttle, daar kan ik niet aan denken,” zeide Walter, hem vasthoudende, want hij liep al weg. “Ik bid u, neem het terug. Ik heb er al een.”—“Dan, Walter,” zeide de kapitein, eensklaps in zijne zakken duikende, en de twee theelepeltjes en de suikertang ophalende, waarmede hij zich tegen zulk een bezwaar had gewapend. “Neem dan die stukjes zilver in plaats.”—“Neen, neen, dat kan ik waarlijk niet,” zeide Walter; “duizendmaal dank. Gooi ze niet weg, kapitein Cuttle,” want de kapitein wilde ze over boord werpen. “Zij zullen u veel beter te pas komen dan mij. Geef mij uw stok. Ik heb al dikwijls gedacht, dat ik dien graag zou willen hebben. Daar! Goedendag, kapitein Cuttle! Pas goed op mijn oom! Oom Sam, God zegen u!”

Zij waren in het gewoel reeds van boord, eer Walter zag waar zij bleven; en toen hij naar de kampanje liep en hen nakeek, zag hij zijn oom met een hangend hoofd in de boot zitten, en de kapitein hem met het zilveren horloge op den rug kloppen (dat nog al zeer moest doen) en met de theelepeltjes en de suikertang gesticuleeren om hem moed en hoop te geven. Walter in het oog krijgende, liet de kapitein zijne schatten geheel onbezorgd onder in de boot vallen, nam zijn blinkenden hoed af en riep hem op zeemans manier lustig aan. De blinkende hoed flikkerde in den zonneschijn, en de kapitein bleef daarmede zwaaien tot hij niet meer te zien was. Toen bereikte de verwarring aan boord, die hoe langer hoe grooter was geworden, haar toppunt; nog twee of drie booten voeren onder een algemeen gejuich af; de zeilen glinsterden in den zonneschijn, toen Walter ze voor het gunstige koeltje zag uitspreiden; het water stoof flikkerend voor den boeg op, en de Zoon en Erfgenaam aanvaardde hare reis, zoo vroolijk en vol hoop, als menig ander zoon en erfgenaam, reeds lang verdwenen, vroeger had gedaan.

Dag aan dag berekenden oom Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje den koers van het schip, met de kaart op het ronde tafeltje voor hen. Des avonds, als de oude man zoo alleen naar boven ging naar het zolderkamertje, waar het somtijds zoo geducht waaide, keek hij naar de sterren en luisterde hij naar den wind, en hield hij langer wacht dan hij had moeten doen als hij matroos aan boord was geweest. De laatste flesch oude madera, die meer dan eens de linie was gepasseerd en de zeegevaren had leeren kennen, bleef ondertusschen stil en ongestoord, onder stof en spinrag liggen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us