← Dombey en Zoon

VIII. PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER…

Part 2 of 10 · Dickens, Charles · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #74613, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (63)
  1. Opening under 1 min
  2. I. DOMBEY EN ZOON about 17 min
  3. II about 16 min
  4. III about 18 min
  5. IV about 19 min
  6. V. PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT about 30 min
  7. VI. PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID about 35 min
  8. VII about 9 min
  9. VIII. PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER about 34 min
  10. IX. DE HOUTEN ADELBORST KOMT IN ONGELEGENHEID about 23 min
  11. X about 20 min
  12. XI. PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD about 24 min
  13. XII. PAUL’S OPVOEDING about 31 min
  14. XIII. SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN about 19 min
  15. XIV about 42 min
  16. XV about 24 min
  17. XVI. WAT DE GOLVEN ALTIJD ZEIDEN about 9 min
  18. XVII. KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN about 18 min
  19. XVIII. VADER EN DOCHTER about 31 min
  20. XIX. WALTER VERTREKT about 22 min
  21. XX. DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS about 24 min
  22. XXI. NIEUWE GEZICHTEN about 17 min
  23. XXII. CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN about 32 min
  24. XXIII. FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG about 37 min
  25. XXIV. HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART about 20 min
  26. XXV. VERRASSEND NIEUWS VAN OOM SAM about 16 min
  27. XXVI. SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST about 25 min
  28. XXVII. DONKERDER SCHADUWEN about 28 min
  29. XXVIII. VERANDERINGEN about 17 min
  30. XXIX. HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN about 20 min
  31. XXX. DE BRUIDSDAGEN about 26 min
  32. XXXI. HET HUWELIJK about 28 min
  33. XXXII. DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW about 31 min
  34. XXXIII. CONTRASTEN about 23 min
  35. XXXIV. NOG EENE MOEDER EN DOCHTER about 20 min
  36. XXXV. HET GELUKKIGE PAAR about 21 min
  37. XXXVI. HET INWIJDINGSFEEST about 21 min
  38. XXXVII. WAARSCHUWINGEN about 19 min
  39. XXXVIII. JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP about 16 min
  40. XXXIX. VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE about 29 min
  41. XL. HUISELIJKE BETREKKINGEN about 28 min
  42. XLI. NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN about 18 min
  43. XLII. VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG about 26 min
  44. XLIII. DE NACHTWAKEN about 15 min
  45. XLIV. EENE SCHEIDING about 17 min
  46. XLV. DE VERTROUWELING about 13 min
  47. XLVI. HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN about 21 min
  48. XLVII. DE DONDERSLAG about 36 min
  49. XLVIII. FLORENCE’S VLUCHT about 19 min
  50. XLIX. DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING about 30 min
  51. L. WALTER EN TOOTS about 30 min
  52. LI. MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD about 14 min
  53. LII. GEHEIME BERICHTEN about 25 min
  54. LIII. NOG MEER BERICHTEN about 28 min
  55. LIV. DE VLUCHTELINGEN about 19 min
  56. LV. ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING about 22 min
  57. LVI about 38 min
  58. LVII. NOG EEN HUWELIJK about 14 min
  59. LVIII. NA EEN TIJDSVERLOOP about 26 min
  60. LIX. VERGELDING about 34 min
  61. LX. VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN about 20 min
  62. LXI. NOG EEN WEDERZIEN about 22 min
  63. LXII. BESLUIT about 10 min

Continue:

VIII. PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER

Onder de waakzame en oplettende oogen van den tijd—in zooverre een tweede majoor—veranderde de sluimer van den kleinen Paul langzamerhand van aard. Al meer en meer licht brak daarin door; hij werd door al duidelijker en duidelijker droomen gestoord. Eene gestadig toenemende menigte van voorwerpen en indrukken dwarrelde om hem heen, en zoo trad hij de eerste bewustelooze kindsheid uit, en werd hij een loopende, pratende, zich verwonderende Dombey.

Na de ongenade en verbanning van Richards, werd de kinderkamer om zoo te zeggen aan eene commissie opgedragen gelijk een ministerie somtijds gedaan wordt, als men geen Atlas kan vinden die in staat is om het alleen te torschen. De commissarissen waren natuurlijk mevrouw Chick en jufvrouw Tox, die zich met zulk een verbazenden ijver aan hare plichten toewijdden, dat majoor Bagstock dagelijks eene nieuwe herinnering aan zijne verlatenheid kreeg, terwijl mijnheer Chick, van alle huiselijk opzicht ontslagen, zich in de vermaken der wereld stortte, in clubs en koffiehuizen dineerde, bij drie verschillende gelegenheden naar tabak rook, alleen naar de komedie ging, kortom (gelijk mevrouw Chick hem eens zeide) zich van alle maatschappelijke en zedelijke verplichtingen losmaakte.

Evenwel konden, in weerwil van hetgeen hij vroeger had beloofd, al deze waakzaamheid en zorg den kleinen Paul niet tot een voorspoedig kind maken. Misschien reeds zwak van gestel, begon hij, nadat zijne min was weggezonden, te kwijnen en te vermageren, en scheen hij lang slechts eene gelegenheid af te wachten om door de handen te glippen en zijne verlorene moeder te gaan opzoeken. Hij kwam wel op zijn steeple-chase naar den mannelijken leeftijd over dezen gevaarlijken grond heen, maar vond den rit toch nog moeielijk genoeg, en leed veel aanstoot van al de hindernissen in zijn ren. Elke tand was eene schutting waarover hij bijna den hals brak, ieder puistje, toen hij de mazelen kreeg, was een steenen muur voor hem. Bij elke vlaag van den kinkhoest stortte hij neer, en dan werd hij door een geheelen jachttroep van kleine ziekten overreden en vertrapt, die elkander op de hielen volgden om hem te beletten weder op te staan.

De koude bij zijn doop was bij hem misschien op een gevoelig deel van zijn gestel gevallen, dat zich in de even koude schaduw van zijn vader niet weder kon herstellen; maar hij was van dien dag af een ongelukkig kind. Jufvrouw Wickam zeide dikwijls dat zij nog nooit een kind zoo sukkelig had gezien.

Jufvrouw Wickam was de vrouw van een logementknecht—hetgeen met een ander mans weduwe zou schijnen gelijk te staan—welker aanzoek om bij Dombey in dienst te komen gunstig was opgenomen, daar het bijna onmogelijk scheen te zijn, dat zij iemand zou hebben, die haar naliep, of iemand om na te loopen; en die, een paar dagen nadat Paul zoo streng was gespeend, was aangesteld om hem op te passen. Jufvrouw Wickam was eene zachtzinnige vrouw, met eene blanke kleur, altijd eenigszins opgetrokken wenkbrauwen en een neerhangend hoofd, altijd gereed om zich zelve te beklagen of te laten beklagen, en anderen te beklagen; en die eene verwonderlijke natuurlijke gaaf had om alle dingen in een jammerlijk licht te beschouwen, en schrikkelijke voorbeelden daarvan aan te halen, en in de uitoefening van dit talent den grootsten troost scheen te vinden.

Het is bijna niet noodig aan te merken, dat geen zweem van deze eigenschap ooit de kennis van den statigen Dombey bereikte. Het zou wel opmerkelijk zijn geweest, als dit gebeurd was, terwijl niemand in huis—zelfs mevrouw Chick en jufvrouw Tox niet—hem had durven toefluisteren dat er ooit de minste reden was geweest om zich over den kleinen Paul ongerust te maken. Hij was het met zich zelven eens, dat het kind noodzakelijk zekere reeks van geringe ziekten moest doorloopen, en dat wel hoe eer hoe beter. Als hij hem had kunnen vrijkoopen, of een plaatsvervanger stellen, gelijk bij het trekken van een ongelukkig nommer voor de militie, zou hij dit gaarne gedaan hebben, zonder op geld te zien. Maar dewijl dit niet doenlijk was, verwonderde hij zich slechts nu en dan, op zijne hooghartige manier, wat de natuur toch daarmede wilde, en troostte hij zich met de gedachte dat men daarmede wederom een mijlsteen van den weg voorbij was, en het groote doel der reis zooveel nader was gekomen. Want het gevoel dat thans bij hem de overhand had en, naarmate Paul ouder werd, meer en meer toenam, was ongeduld. Ongeduld naar dien tijd in het verschiet, wanneer de droomgezichten hunner vereenigde grootheid zegevierend verwezenlijkt zouden worden.

Sommige wijsgeeren zeggen ons dat zelfzucht de wortel van al onze aandoeningen, zelfs van de edelste liefde is. Dombey’s jongste kind was hem, van den eersten af, zoo duidelijk om die reden gewichtig, dewijl het een deel van zijne eigene grootheid, of (hetgeen hetzelfde is) van de grootheid van Dombey en Zoon was, dat het niet te betwijfelen is of men had voor zijne vaderlijke genegenheid, gelijk voor menig fraai gebouw van weidschen naam, een zeer lagen grondslag kunnen opsporen. Maar hij had zijn zoon toch lief met al de liefde die hij had. Indien er in zijn bevroren hart een warm plekje was, had zijn zoon het in bezit; indien de harde oppervlakte van dat hart den indruk van eenig beeld kon ontvangen, stond daar het beeld van zijn zoon; hoewel niet zoozeer als kind, of knaap, maar als volwassen man—als de “Zoon” der firma. Daarom was hij ongeduldig om de toekomst te bereiken en over de tusschenkomende toevalligheden heen te snellen. Daarom was hij, in weerwil van zijne liefde, daarover weinig of niet ongerust; want het was hem alsof het kind een betooverd leven had en de man moest worden, met wien hij in zijne gedachten reeds gestadig omging, en voor wien hij dagelijks plannen en ontwerpen maakte, alsof hij reeds werkelijk bestond.

Zoo werd Paul bijna vijf jaren oud. Hij was een aardig knaapje, hoewel zijn smal gezichtje iets schraals en scherps had, dat jufvrouw Wickam dikwijls veelbeteekenend het hoofd deed schudden. Zijn humeur gaf overvloedige beloften dat het op later leeftijd heerschzuchtig zou zijn; en hij had zulk een duidelijk begrip van zijn eigen gewicht en van het rechtmatige, dat alle andere dingen en personen hem dienstbaar en onderworpen moesten zijn, als eenig hart kon verlangen. Hij was somtijds kinderlijk en speelziek genoeg, en niet stug van aard; maar somtijds had hij ook eene vreemde, oudmannetjesachtige manier om in zijn leuningstoeltje te zitten peinzen, en dan zag hij er uit (en zoo praatte hij ook) als een van die schrikkelijke wezentjes in de tooversprookjes, die, al zijn zij honderd vijftig of tweehonderd jaren oud, nog het fantastische beeld vertoonen van de kinderen waarvoor zij verruild zijn. Dikwijls kreeg hij zulk eene vlaag boven op de kinderkamer; en somtijds kwam hij er plotseling toe, met den uitroep dat hij moe was, zelfs terwijl hij met Florence speelde of met jufvrouw Tox paardje reed. Maar nooit kwam hij er zoo zeker toe, als wanneer hij, met zijn stoeltje naar zijn vaders kamer gebracht, daar met dezen na den maaltijd bij het vuur zat. Zij waren op zulk een tijd het zonderlingste paar, dat ooit door een vuur is beschenen. Dombey, zoo statig rechtop naar de vlam starende; zijn klein afbeeldsel, met een oud, oud gezichtje en met de strakke aandacht van een peinzend wijsgeer in den rooden gloed turende. Dombey hield zich met ingewikkelde wereldsche plannen en berekeningen bezig,—zijn klein afbeeldsel met, de hemel weet welke, grillige verbeeldingen, halfgevormde gedachten en ongeregelde bespiegelingen. Dombey stijf van stijfsel en eigenwaan, zijn klein afbeeldsel even stijf bij erfenis en door onwillekeurige nabootsing. Die twee zoozeer aan elkander gelijk, en toch zulk een verbazend contrast.

Bij een dezer gelegenheden, toen zij beiden langen tijd hadden stilgezwegen, en Dombey alleen wist dat het kind wakker was door het nu en dan naar de oogen te kijken, waarin het heldere vuur flonkerde als een juweel, verbrak kleine Paul aldus de stilte:

“Papa, wat is geld?”

Deze onverwachte vraag stond in zulke onmiddellijke betrekking met Dombey’s eigene gedachten, dat hij er geheel door van zijn stuk raakte.

“Wat geld is, Paul?” antwoordde hij. “Geld?”—“Ja,” zeide het kind, zijne handjes op de armleuningen van zijn stoeltje leggende en met zijn oud gezichtje naar Dombey opziende; “wat is geld?”

Dombey bevond zich in verlegenheid. Hij had hem gaarne eene opheldering willen geven, waarin van de verschillende ruilmiddelen, edele metalen, munt, papier, wisselkoers, en zoo voort, melding moest gemaakt worden; maar naar het stoeltje kijkend, en ziende hoever omlaag dat nog was, antwoordde hij: “Goud zilver en koper. Guinjes, schellingen en stuivers. Gij weet immers wel wat die zijn!”—“O ja, ik weet wel wat die zijn,” zeide Paul; “maar dat meen ik niet papa. Ik meen, wat is eigenlijk geld?”

Hemel en aarde, hoe oud was het gezichtje, waarmede hij weder naar zijn vader opzag!

“Wat eigenlijk geld is?” zeide Dombey, zijn stoel wat achteruitschuivende, om vol verbazing het verwatene wezentje, dat zulk eene vraag deed, te beter aan te zien.—“Ik meen, papa, wat kan het doen?” hervatte Paul, zijne armpjes over elkander slaande (die nauwelijks lang genoeg waren om over elkander te slaan), terwijl hij eerst naar het vuur en toen naar hem, en weder naar het vuur en weder naar hem opkeek.

Dombey schoof zijn stoel weder bij en klopte hem op het hoofd. “Dat zult ge door den tijd wel beter leeren, manneke,” zeide hij. “Geld, Paul, kan alles doen.” Hij vatte het lichte handje en tikte er zacht mede op zijne eigene hand terwijl hij dit zeide.

Maar Paul trok zoo gauw hij kon zijne hand los, en die op de armleuning van zijn stoeltje wrijvende, alsof zijn verstand in de palm zat en hij het wilde slijpen, en wederom naar het vuur kijkende, alsof het vuur de raadsman was die hem zijne vragen influisterde, zeide hij, na een poosje bedenkens:

“Alles, papa?”—“Ja—nagenoeg,” zeide Dombey.—“Alles,” herhaalde de kleine nog eens bij zich zelven. Het beperkende bijvoegsel had hij niet opgemerkt, of misschien niet begrepen, en vervolgde toen hardop. “Waarom heeft het geld dan mijne mama niet gered? Het is immers niet boosaardig, niet waar?”—“Boosaardig!” zeide Dombey, zijne das verschuivende, en eenigszins verstoord, naar het scheen, over zulk een denkbeeld. “Neen. Iets goeds kan niet boosaardig wezen.”—“Als het iets goeds is en alles kan doen,” zeide de kleine peinzend en weder naar het vuur kijkende, “dan verwondert het mij, dat het mijne mama niet heeft gered.”

Ditmaal was dit geene vraag, die hij tot zijn vader richtte. Misschien had hij, met de schranderheid van een kind, gezien dat hij dezen reeds verdrietig had gemaakt. Maar hij herhaalde de gedachte overluid, alsof zij iets zeer ouds voor hem was en hem reeds dikwijls had lastig gevallen; en bleef met de kin in de hand zitten kijken en peinzen, alsof hij in het vuur eene opheldering zocht.

Toen Dombey zich van zijne verrassing, om niet te zeggen van zijn schrik had hersteld (want het was de eerste maal dat het kind van zijne moeder tot hem sprak, schoon hij het avond aan avond evenzoo naast hem had zien zitten) verklaarde hij Paul hoe het geld, schoon een machtige geest, en waarvan men vooral geen kwaad moest spreken, geene menschen in leven kon houden, voor wie de tijd gekomen was om te sterven; en hoe wij allen moeten sterven, ongelukkig zelfs in de City, hoe rijk wij ook zijn. Maar hoe het geld ons geëerd, gevreesd, geacht, gediend en gevierd deed worden, en ons in de oogen van alle menschen machtig en aanzienlijk maakte, en hoe het zelfs dikwijls den dood zeer lang kon weghouden. Hoe het, bij voorbeeld, zijne mama de diensten van mijnheer Pilkins had verschaft, waarvan Paul zelf ook dikwijls nut had gehad; zoo mede van den grooten dokter Parker Peps, dien hij nooit gekend had. Hoe het alles kon doen wat maar te doen was. Dit alles, en nog meer van dien aard, prentte Dombey zijn zoon in den geest, die aandachtig luisterde en het meeste van hetgeen hem gezegd werd zeer wel scheen te verstaan.

“Het kan mij ook niet sterk en heelemaal gezond maken, niet waar papa; kan het wel?” zeide Paul na eene korte poos van stilte, zijne magere handjes wrijvende.—“Wel, gij zijt immers sterk en geheel gezond,” antwoordde Dombey. “Zijt ge niet?”

O, hoe oud was het gezichtje dat naar hem opzag, en met eene uitdrukking half van treurigheid, half van slimheid daarin!

“Ge zijt immers zoo sterk en gezond als zulke kleine jongens gewoonlijk zijn? He?” zeide Dombey.—“Florence is ouder dan ik, maar ik ben niet zoo gezond en sterk als Florence, dat weet ik wel,” antwoordde het kind; “en ik geloof, dat, toen Florence zoo klein was als ik, zij veel langer achtereen kon spelen zonder moe te worden. Ik ben somtijds zoo moe,” zeide kleine Paul, zijne handjes warmende, en tusschen de traliën van den haard kijkende, alsof daar een spookachtig poppenspel werd vertoond, “en mijn gebeente doet dan zoo zeer (jufvrouw Wickam zegt, dat het mijn gebeente is) dat ik niet weet wat ik doen zal.”—“Ja, maar dat is ’s avonds,” zeide Dombey, zijn stoel dichter bij dien van zijn zoon schuivende, en hem de hand zacht op den rug leggende, “kleine jongens moeten ’s avonds moe zijn, want dan slapen zij goed.”—“O, het is niet ’s avonds, papa,” antwoordde het kind; “het is overdag; en dan ga ik op Florence’s schoot liggen, en dan zingt zij voor mij. En des nachts droom ik van zulke won-der-lijke dingen.”

En hij bleef zijne handjes zitten warmen en peinzen, gelijk een oud manneke of een jong kaboutertje.

Dombey was zoo verbaasd, en zoo slecht op zijn gemak, en zoo verlegen hoe hij het gesprek zou voortzetten, dat hij niets kon doen dan zijn zoon in het schijnsel van het vuur te blijven aanzien, met de hand nog op zijn rug, alsof die daar door eene magnetische aantrekking werd vastgehouden. Eens stak hij zijne andere hand uit en lichtte hij even het peinzende gezichtje naar het zijne op. Maar zoodra hij het losliet, zocht het wederom het vuur; en zoo bleef Paul zitten, naar de flikkerende vlam gekeerd, tot zijne oppasster kwam om hem naar bed te halen.

“Ik wil dat Florence mij komt halen,” zeide Paul.—“Wilt ge dan niet met uwe goede jufvrouw Wickam meegaan, jonge heer Paul?” zeide deze jufvrouw zeer aandoenlijk,—“Neen, ik wil niet,” antwoordde Paul, en zette zich weder te recht op zijn stoeltje, alsof hij in huis heer en meester was.

Met eene zegenspraak over zijne onnoozelheid, ging jufvrouw Wickam heen, en kort daarop verscheen Florence. Paul sprong terstond vlug en gewillig overeind, en hief, om zijn vader goedennacht te zeggen, een gezichtje op, zooveel helderder, zooveel jonger, over het geheel zooveel kinderlijker, dat Dombey door die verandering in groote mate gerustgesteld, er tevens zeer verbaasd over was.

Toen zij te zamen de kamer uit waren, meende hij eene zachte stem te hooren zingen: en zich herinnerende hoe Paul gezegd had dat zijne zuster voor hem zong, had hij de nieuwsgierigheid om de deur te openen, hen na te zien en te luisteren. Zij zwoegde de breede holle trap op, met Paul in hare armen; zijn hoofdje lag op haar schouder, en een van zijne armpjes was om haar hals geslagen. Zoo tobden zij voort, zij den geheelen weg over zingende, en Paul somtijds flauw neuriënde om met haar mee te doen. Dombey zag hen na tot zij boven aan de trap waren gekomen—niet zonder onderweg eens te staan rusten—en uit zijne oogen verdwenen. Toen bleef hij nog naar boven staan kijken, tot de bleeke stralen der maan, die met eene treurige schemering door de traplantaarn vielen, hem weder naar zijne kamer deden gaan.

Mevrouw Chick en jufvrouw Tox werden des anderen daags tot eene raadsvergadering aan het diner geroepen; en toen de tafel was afgenomen, opende Dombey de handelingen door te verzoeken, dat men hem zonder eenige terughouding of bewimpeling zou onderrichten, of Paul iets scheelde en wat mijnheer Pilkins van hem zeide.

“Want het kind is wel niet zoo stevig,” zeide Dombey, “als ik kon wenschen.”—“Met uwe gewone scherpzinnigheid, mijn beste Paul,” antwoordde mevrouw Chick, “hebt gij het in eens juist getroffen. Onze lieveling is niet geheel zoo stevig als wij konden wenschen. De zaak is dat zijn geest hem te sterk is. Zijne ziel is veel te groot voor zijn lichaam. Inderdaad, de manier waarop dat lieve kind praat,” vervolgde zij, haar hoofd schuddende, “zou niemand gelooven. Zijne uitdrukkingen, Lucretia, gisteren nog, over begrafenissen!—”—“Ik vrees,” viel Dombey haar netelig in de rede, “dat sommige van die lieden boven het kind op ongepaste onderwerpen brengen. Hij sprak mij gisteravond van—van zijn gebeente,” zeide Dombey, een gramstorigen nadruk op dat woord leggende. “Wat op de wereld heeft iemand te maken met—met het gebeente van mijn zoon? Hij is toch geen levend geraamte, zou ik denken.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick, met onbeschrijfelijke kracht.—“Dat hoop ik ook,” hervatte haar broeder. “Dan weer—begrafenissen. Wie praat het kind van begrafenissen? Wij zijn toch geen aansprekers of doodgravers naar mij dunkt.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick op denzelfden toon als te voren.—“Wie brengt hem dan toch zulke dingen in het hoofd?” zeide Dombey. “Ik was er gisteravond waarlijk van ontzet. Wie brengt hem toch zulke dingen in het hoofd, Louise?”—“Mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, na een oogenblik van stilte, “dat behoeft eigenlijk niet gevraagd te worden. Ik denk niet, dat moet ik u oprecht zeggen, dat jufvrouw Wickam een heel opgeruimd mensch is, niet wat men zoo zou noemen...”—“Eene dochter van Momus,” gaf jufvrouw Tox haar zachtjes in bedenking.—“Juist zoo,” zeide mevrouw Chick. “Maar zij is heel oplettend en gewillig, en geheel niet eigenwijs; ik heb waarlijk nooit gezeggelijker mensch gezien. Als het lieve kind,” vervolgde mevrouw Chick, op een toon alsof zij de slotsom opmaakte uit iets waarover men het te voren geheel eens was geworden, in plaats van het alles voor de eerste maal te zeggen, “door dien laatsten stoot wat verzwakt is, en geene zoo krachtige gezondheid heeft als wij wel konden wenschen; en als zijn gestel tegenwoordig wat zwak is, alsof hij nu en dan eene zekere lamheid schijnt te hebben in zijne....”

Mevrouw Chick was bang om beentjes te zeggen, daar Dombey pas getoond had zooveel tegen gebeente te hebben, en wachtte dus naar eene influistering van jufvrouw Tox, die, getrouw aan haar post, het woord “leedjes” waagde.

“Leedjes?” herhaalde Dombey.—“Mij dunkt dat de dokter van morgen zijne beentjes noemde, deed hij niet, Louise?” zeide jufvrouw Tox.—“Wel zeker deed hij dat, lieve,” antwoordde mevrouw Chick, met zacht verwijt. “Hoe kunt ge mij dat vragen? Gij hebt het immers gehoord. Ik zeg, als onze lieve Paul nu en dan eene lamheid in zijne beentjes schijnt te hebben, dan zijn dat kleinigheden die vele kinderen op zijn ouderdom krijgen, en door geene zorg of voorzichtigheid zijn voor te komen. Hoe eer gij dat begrijpt en toestemt, beste Paul, des te beter.”—“Gij moet toch wel weten,” merkte Dombey aan, “dat ik uwe natuurlijke gehechtheid voor het toekomstig hoofd van mijn huis volstrekt niet betwijfel. Mijnheer Pilkins heeft Paul van morgen nog gezien, naar ik meen?”—“Ja,” antwoordde zijne zuster, “en jufvrouw Tox en ik zijn er bij geweest. Jufvrouw Tox en ik zijn er altijd bij. Wij maken daar eene wet van. Mijnheer Pilkins heeft hem al eene poos iederen dag gezien, en ik houd hem voor een heel knap man. Hij zegt dat het niets van beduiden is; en dat ik ook bevestigen kan, als dat eene gerustheid is; maar vandaag heeft hij de zeelucht aangeraden. Zeer verstandig, Paul, daarvan ben ik overtuigd.”—“De zeelucht,” herhaalde Dombey, zijne zuster aanziende.—“Daar is niets in om u ongerust te maken,” zeide mevrouw Chick. “Voor mijn George en Frederik is ook de zeelucht aangeraden toen zij zoo oud waren; en mij zelve is zij heel dikwijls aangeraden. Ik geef u volkomen toe, Paul, dat er boven misschien onvoorzichtig voor hem gesproken wordt van dingen, waarmede zijn kleine geest zich liever niet moest bezig houden; maar ik zie waarlijk niet hoe dat bij een kind van zijne schranderheid te verhelpen is. Als hij een gewoon kind was, zou er niets in steken. Ik moet zeggen, ik denk, met jufvrouw Tox, dat eene korte afwezigheid van huis, de lucht van Brighton, en het lichamelijk en geestelijk toezicht van zulk een zoo ervaren mensch als mevrouw Pipchin bij voorbeeld....”—“Wie is mevrouw Pipchin, Louise?” vroeg Dombey, versteld over deze gemeenzame vermelding van een naam, dien hij nog nooit gehoord had.—“Mevrouw Pipchin, mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “is eene bejaarde dame—jufvrouw Tox kent hare geheele geschiedenis—die een tijd lang al de vermogens van haar geest, met het beste gevolg, aan de studie en de behandeling der kindsheid heeft gewijd, en zeer aanzienlijke relatiën heeft gehad. Haar man stierf van hartzeer over—waardoor hebt ge ook gezegd dat haar man van hartzeer gestorven is, lieve? De juiste omstandigheden zijn mij ontschoten.”—“Door het waterpompen uit de mijnen van Peru,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Niet dat hij zelf pomper is geweest, natuurlijk,” zeide mevrouw Chick, zich weder naar haar broeder keerende; en waarlijk scheen deze opheldering niet overbodig, want jufvrouw Tox sprak alsof hij met de hand aan den pompslinger was gestorven, “maar omdat hij geld in die speculatie had gestoken, die geheel en al mislukte. Ik geloof dat mevrouw Pipchin met kinderen verbazende dingen weet te doen. Ik heb haar hooren prijzen—Heere, hoe hoog!” Hare oogen zwierven naar de buste van Pitt op de boekenkast, die omtrent tien voet van den grond was.—“Misschien moet ik van mevrouw Pipchin zeggen, mijnheer,” liet jufvrouw Tox, met een zedig blosje, hierop volgen, “daar men zich zoo uitdrukkelijk op mij heeft beroepen, dat de lof, dien uwe lieve zuster haar gegeven heeft, welverdiend is. Vele heeren en dames, die nu tot interessante leden der maatschappij zijn opgegroeid, hebben veel aan hare zorgen te danken gehad. De nederige persoon, die nu met u spreekt, was eens onder hare hoede. Ik geloof zelfs dat de jeugdige adel haar etablissement niet vreemd is.”—“Moet ik dan begrijpen dat die achtenswaardige dame een etablissement houdt, jufvrouw Tox?” vroeg Dombey goedgunstig.—“Wel, ik weet waarlijk niet of ik het wel zoo behoor te noemen,” antwoordde de dame. “Het is geene bewaarschool—geheel niet. Ik zou mijne meening best uitdrukken,” zeide jufvrouw Tox, met bijzondere lieftalligheid, “als ik het een boarding-house voor kinderen noemde, van zeer uitgelezene soort.”—“Voor een zeer beperkten kring en op een kostbaren voet ingericht,” zeide mevrouw Chick, met een blik naar haar broeder.—“O ja, zeer exclusief,” zeide jufvrouw Tox.

Dit was iets van belang. Dat mevrouw Pipchin’s echtgenoot van hartzeer over de mijnen van Peru was gestorven was goed. Het had een rijken klank. Bovendien ijsde Dombey van de gedachte om Paul nog een uur lang te laten blijven waar hij was, nadat een geneeskundig persoon had aanbevolen hem te doen verhuizen. Dit was een stilstaan en dralen op den weg, dien het kind nog moest afleggen eer het doel bereikt werd, dat toch nog ver genoeg af was. Dat de twee dames mevrouw Pipchin zoo roemden, rekende hij van veel gewicht; want hij wist dat zij ijverzuchtig waren op elke vreemde bemoeiing met het kind, en hij dacht er niet aan, dat zij misschien verlangend waren om eene verantwoordelijkheid waaromtrent hij zijne eigene vaste begrippen had, met iemand anders te deelen. “Van hartzeer over de mijnen van Peru gestorven,” peinsde Dombey. “Wel! eene zeer fatsoenlijke manier van sterven.”

“Als wij nu, na morgen navraag te hebben gedaan, besloten om Paul naar Brighton bij die dame te zenden, wie zou dan met hem meegaan?” vroeg Dombey na eenig bedenken.—“Ik geloof niet dat gij het kind tegenwoordig ergens heen zoudt kunnen zenden zonder Florence, mijn beste Paul,” zeide zijne zuster aarzelend. “Hij is geheel verzot op haar. Hij is nog heel jong, weet ge, en heeft zijne kuurtjes.”

Dombey keerde zijn hoofd om, ging langzaam naar de boekenkast, opende die en haalde een boek om te lezen.

“Iemand anders, Louise?” zeide hij, zonder op te zien, en terwijl hij de bladen omsloeg.—“Jufvrouw Wickam natuurlijk. Die is volkomen voldoende, zou ik denken,” antwoordde zijne zuster. “Daar Paul in zulke handen komt, als die van jufvrouw Pipchin, kunt gij bezwaarlijk iemand zenden, die haar eenigszins de wet zou stellen. Gij zoudt zelf ten minste eens in de week daarheen gaan, natuurlijk.”—“Natuurlijk,” zeide Dombey, en zat daarna een uur lang op een blad te kijken, zonder een woord te lezen.

Deze vermaarde mevrouw Pipchin was eene verbazend leelijke oude vrouw, met een krommen rug, een geplekt gezicht, gelijk slecht marmer, een haviksneus, en harde grijze oogen, die er uitzagen alsof zij op een aanbeeld konden gehamerd worden zonder eenige schade te lijden. Veertig jaren, ten minste, waren verloopen, sedert de mijnen van Peru den heer Pipchin den dood hadden berokkend; maar zijne weduwe droeg nog zwart merinos, van zulk eene doffe, doodsche tint, dat des avonds het gas zelfs haar niet kon verlichten. Men zeide algemeen dat zij bijzonder goed met kinderen wist om te gaan; en het geheim harer behandeling was, hun alles te geven dat hun niet beviel en niets dat hun wel beviel—hetgeen bevonden werd dat hen veel zoeter maakte. Zij was zoo bitter, boos en hatelijk, dat men in verzoeking kwam om te gelooven, dat de machinerie der Peruaansche pompen eigenlijk verkeerd had gewerkt, en alle menschelijkheid en vroolijkheid uit haar gemoed had gepompt, in plaats van het water uit de mijnen.

Het Kasteel van deze wildevrouw en kinderentemster stond in eene steile achterstraat van Brighton; waar de grond meer dan gewoonlijk kalkachtig, steenachtig en dor was, en de huizen meer dan gewoonlijk dun en wrak gebouwd waren; waar de tuintjes daar voor de onverklaarbare eigenschap hadden om niets anders dan paardenbloemen voort te brengen, wat er ook in mocht gezaaid worden, en waar men gedurig slakken aan de straatdeuren zag kleven. In den winter kon men de lucht niet uit het Kasteel krijgen, en in den zomer er niet in. Er was zulk een gedurig gesuis van den wind in, dat het eveneens klonk als een groote zeehoorn, en de bewoners nacht en dag de ooren moesten dicht houden. Van zelf had het huis geen frisschen reuk, en voor het venster der voorkamer, dat nooit werd opengezet, hield mevrouw Pipchin eene verzameling van planten in potten, waardoor het etablissement eene eigenaardige lucht kreeg. Deze planten, hoe keurig ook in hare soort, waren bijzonder uitgekozen om eene vrouw als mevrouw Pipchin tot verlustiging te strekken. Een half dozijn daarvan waren cactussen, die zich als harige slangen om een stokje kronkelden; eene andere soort schoot klauwen uit, gelijk eene groene kreeft; verscheidene kruipende planten, die kleverige bladeren hadden, welke zich aan alles vastplakten; en één hatelijke bloempot, die aan den zolder hing en scheen over te koken om de menschen daaronder met de lange groene einden te kriewelen, welke hen aan spinnekoppen deden denken—waarvan de woning van mevrouw Pipchin ongemeen rijkelijk voorzien was, hoewel zij zich misschien, in het rechte seizoen, nog meer op een buitengewonen overvloed van oorwormen kon beroemen.

Daar mevrouw Pipchin echter een hoog kostgeld eischte, en de gelijkmatige zuurheid van haar humeur zeer zelden voor iemand verzachtte, werd zij voor eene oude dame van een bijzonder vast karakter gehouden, die eene wetenschappelijke kennis van het gestel en den aard van kinderen bezat. Deze naam en het hartzeer waaraan mijnheer Pipchin gestorven was, hadden haar geholpen sedert den dood van haar man, het eene jaar door het ander gerekend, een vrij ruim bestaan te verkrijgen. Binnen de drie dagen nadat mevrouw Chick voor het eerst van haar had gesproken, had deze brave oude vrouw het genoegen om eene aanmerkelijke vermeerdering harer loopende ontvangsten uit den zak van Dombey te gemoet te zien, en Florence en haar broertje Paul als bewoners van haar kasteel te ontvangen.

Mevrouw Chick en jufvrouw Tox, welke de kinderen den vorigen avond hadden gebracht (des nachts hadden zij in een logement geslapen) waren juist van de deur gereden, en mevrouw Pipchin stond, met den rug naar het vuur, gelijk een oud officier de recruten te inspecteeren. Mevrouw Pipchin’s nicht, eene juffer van middelbare jaren, hare welwillende en getrouwe slavin, maar stroef en strak van uitzicht en zeer geplaagd met zwellingen van den neus, ontdeed den jongen heer Bitherstone van den schoonen kraag, dien hij op de parade had gedragen. Jonge jufvrouw Pankey, op het oogenblik het eenige andere logeetje, was juist naar den kerker gebracht (eene ledige kamer achter in huis, eene plaats van tuchtiging en boete) omdat zij in het bijzijn der vreemde dames driemaal gesnuffeld had.

“Wel, jonge heer,” zeide mevrouw Pipchin tot Paul, “hoe denkt ge dat ik u bevallen zal?”—“Ik denk, dat ge mij geheel niet zult bevallen,” antwoordde Paul. “Ik wil weg. Dit is mijn huis niet.”—“Neen. Het is mijn huis,” zeide mevrouw Pipchin hierop.—“Een heel leelijk huis,” antwoordde Paul.—“Maar er is toch eene kamer nog leelijker dan deze,” zeide mevrouw Pipchin. “waar wij stoute jongens opsluiten.”—“Is hij daar wel geweest?” vroeg Paul, naar den kleinen Bitherstone wijzende.

Mevrouw Pipchin knikte toestemmend; en Paul had het overige van den dag genoeg te doen om den kleinen Bitherstone van het hoofd tot de voeten te bekijken en op al de veranderingen van zijn gezicht te letten, met de belangstelling welke een kleine jongen moest opwekken, die ondervinding van schrikkelijke en geheimzinnige dingen had.

Tegen één ure ging men aan den maaltijd, die voornamelijk uit meelkost en groenten bestond, als wanneer jonge jufvrouw Pankey (een nietig klein meisje, met blauwe oogen, dat elken morgen “geshampood” werd en gevaar scheen te loopen om geheel te worden weggewreven) door de wildevrouw zelve uit hare gevangenis gehaald en onderricht werd dat kinderen, die snuffelden als er menschen waren, nooit in den hemel kwamen. Toen deze groote waarheid haar wel was ingeprent, werd zij op rijst vergast, en daarna moest zij een dankgebedje opzeggen, dat in het Kasteel was voorgeschreven en waarin bijzondere melding werd gemaakt van dankbaarheid aan mevrouw Pipchin voor den goeden maaltijd. Mevrouw Pipchin’s nicht, Berinthia, at koud spek. Mevrouw Pipchin zelve, wier gestel warm voedsel vereischte, had voor zich alleen lamskarbonaden, die snikheet tusschen twee borden werden binnengebracht en zeer lekker roken.

Daar het na den eten regende en zij niet op het strand konden gaan wandelen, en mevrouw Pipchin’s gestel na de lamskarbonaden rust vereischte, gingen zij met Berry (anders gezegd Berinthia) naar den kerker, eene ledige kamer, die op een blinden muur en eene waterton uitzag, en iets spookachtig akeligs had door een schoorsteen zonder haard er in. Door gezelschap verlevendigd, was deze kamer toch de pleizierigste; want Berry speelde hier met de kinderen en scheen met evenveel lust te stoeien als zij, totdat mevrouw Pipchin gramstorig tegen den muur klopte; toen hielden zij op en vertelde Berry hun sprookjes tot het begon te schemeren.

Bij de thee had men overvloed van water en melk en brood met boter, benevens een zwart trekpotje voor mevrouw Pipchin en Berry, en geboterden toast voor mevrouw Pipchin alleen, wie deze versnapering, evenals de karbonaden, snikheet werd gebracht. Hoewel mevrouw Pipchin onder het gebruik dier lekkernij van buiten zeer vettig werd, scheen zij haar van binnen geheel niet te smeren, want zij bleef even stroef, en de harde grijze oogen bleven even droog.

Na de thee kreeg Berry een naaikistje, met het koninklijke paviljoen op het deksel, en ging ijverig aan het naaien; terwijl mevrouw Pipchin, na haar bril opgezet en een groot boek, met groene stof bekleed, opgeslagen te hebben, begon te knikken. En wanneer mevrouw Pipchin bijna voorover in het vuur viel en met een schrik wakker werd, gaf zij den kleinen Bitherstone een knip op den neus omdat hij ook knikte.

Eindelijk was het voor de kinderen tijd om naar bed te gaan, en na gebeden te hebben, werden zij weggebracht. Daar de jonge jufvrouw Pankey bang was om alleen in den donker te slapen, maakte mevrouw Pipchin er eene wet van om haar zelve als een schaap naar boven te drijven; en het was vervroolijkend te hooren hoe het meisje, nog lang naderhand, in de naargeestigste kamer van het huis lag te huilen, en mevrouw Pipchin nu en dan daarheen ging om haar te stompen. Tegen half tien kwam de geur van warm krentenbrood (mevrouw Pipchin’s gestel kon zonder dat niet in slaap komen) eene afwisseling brengen in den heerschenden reuk van het huis, dien jufvrouw Wickam zeide dat een “bouwlucht” was, en kort daarop lag het geheele kasteel in slaap gedompeld.

Het ontbijt van den volgenden morgen geleek naar de thee van den vorigen avond, behalve dat mevrouw Pipchin een geraspt broodje, in plaats van toast gebruikte, en daarna nog wat neteliger scheen dan anders. De kleine Bitherstone las hardop een geslachtregister uit Genesis (met oordeel door mevrouw Pipchin uitgekozen) en werkte zich door de namen heen met de vlugheid en het gemak van iemand, die tegen een tredmolen opstrompelt. Dit gedaan zijnde, werd jonge jufvrouw Pankey weggebracht om “geshampood” te worden, en de kleine Bitherstone om zich iets anders met zeewater te laten doen, waarvan hij altijd zeer blauw en neerslachtig terug kwam. Paul en Florence gingen intusschen met jufvrouw Wickam (die gedurig in tranen was) op het strand wandelen; en tegen den middag liet mevrouw Pipchin de kinderen bij zich lezen. Daar het tot haar stelsel behoorde den geest van een kind niet aan te moedigen om zich te ontwikkelen en te ontsluiten als eene jonge bloem, maar om dien veeleer als een oester met geweld open te breken, was de moraal van die leeslessen doorgaans van zeer forschen aard; daar de held—een stoute jongen—zelden (ook als het nog genadig met hem afliep) door iets geringers dan een leeuw of beer om hals werd geholpen.

Dit was het leven bij mevrouw Pipchin. Des zaterdags kwam Dombey over en gingen Florence en Paul naar zijn logement op de thee. Zij sleten den geheelen zondag met hem, en gingen gewoonlijk voor den maaltijd uit rijden, en onder zulk een toertje scheen hij nog veel stijver en stroever te zijn dan anders. De zondagavond was de akeligste avond van de week, want mevrouw Pipchin scheen er eene wet van gemaakt te hebben om dan altijd bijzonder knorrig te zijn. De jonge jufvrouw Pankey werd doorgaans diep bedroefd van eene tante te Rottendean teruggebracht; en de kleine Bitherstone, wiens bloedverwanten allen in Indië waren, en die tusschen de kerktijden stijf rechtop met zijn hoofd tegen den muur in de voorkamer moest zitten, zonder hand of voet te bewegen, vond dit zoo onuitstaanbaar, dat hij Florence op een zondagavond eens vroeg, of zij hem niet den weg kon wijzen om weer naar Bengalen te komen.

Men zeide echter algemeen, dat mevrouw Pipchin wel met kinderen te recht wist te komen, en dit was in zekeren zin ook waar. De wildste kinderen gingen, nadat zij eenige maanden onder haar gastvrij dak hadden vertoefd, mak genoeg naar huis. Men zeide ook algemeen dat het mevrouw Pipchin zeer tot eer strekte, dat zij zich aan deze levenswijs had gewijd, en haar gevoel zoo had weten te overwinnen en hare rampen zoo standvastig onder de oogen had gezien, toen haar man van hartzeer over de mijnen van Peru was gestorven.

Naar deze voorbeeldige oude dame kon Paul in zijn leuningstoeltje bij het vuur blijven zitten staren, hoelang het ook duurde. Terwijl hij mevrouw Pipchin zoo strak aankeek, scheen hij niet te weten wat verveling was. Hij hield niet van haar; hij was niet bang voor haar; maar als hij in zulk eene stemming was, scheen zij eene groteske aantrekkingskracht voor hem te hebben. Daar zat hij dan haar aan te kijken, tot hij mevrouw Pipchin, wildevrouw als zij was, somtijds verlegen maakte. Eens vroeg zij hem, toen zij alleen waren, waar hij over dacht.

“Over u,” zeide Paul, zonder de minste achterhoudendheid.—“En wat denkt gij over mij?” vroeg zij.—“Ik denk hoe oud gij moet wezen,” zeide Paul.—“Gij moet zulke dingen niet zeggen, jonge heer,” liet zij hierop volgen. “Dat behoort niet.”—“Waarom niet?” vroeg Paul.—“Omdat het niet beleefd is,” antwoordde mevrouw Pipchin snibbig.—“Niet beleefd?” zeide Paul.—“Neen.”—“Het is niet beleefd,” zeide Paul, geheel argeloos, “al de lamskarbonaden en toast op te eten, zegt jufvrouw Wickam.”—“Jufvrouw Wickam,” viel mevrouw Pipchin uit, eene kleur krijgende, “is eene onbeschaamde prij.”—“Wat is dat?” vroeg Paul alweer.—“Dat is buiten u, jonge heer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Denk maar aan de historie van den kleinen jongen die door een dollen stier werd dood gestooten omdat hij te veel vroeg.”—“Als de stier dol was,” zeide Paul, “hoe wist hij dan dat de jongen te veel gevraagd had? Niemand kan een dollen stier geheimen gaan influisteren. Ik geloof niet aan die historie.”—“Gelooft gij er niet aan?” riep mevrouw Pipchin met verbazing uit.—“Neen,” zeide Paul.—“Ook niet, als het nu eens een makke stier was geweest?” zeide mevrouw Pipchin.

Daar Paul de zaak nog niet uit dit oogpunt had bezien, en zijne besluiten op de beweerde dolheid van den stier had gebouwd, liet hij zich daarmede vooreerst tot zwijgen brengen. Maar hij bleef er over zitten peinzen, met zulk een blijkbaar voornemen om mevrouw Pipchin zoo met een vast te zetten, dat zelfs deze geharde oude dame het voorzichtig achtte heen te gaan tot hij het geval vergeten had.

Van dien tijd af scheen kleine Paul dezelfde zonderlinge aantrekkingskracht op mevrouw Pipchin uit te oefenen, als zij op hem deed. Zij liet hem zijn stoeltje aan denzelfden kant van het vuur zetten, in plaats van tegen haar over, en daar zat hij dan, in een hoekje tusschen mevrouw Pipchin en den haard, elke rimpel van haar gezicht te bestudeeren en in hare harde grijze oogen te turen, tot zij die somtijds liever maar dicht deed, en zich hield alsof zij was ingedut. Mevrouw Pipchin had eene oude zwarte kat, welke doorgaans voor den haard ineengerold, egoïstisch lag te spinnen, en naar het vuur te knipoogen, tot hare versmalde oogappels naar twee uitroepteekenen geleken. De goede vrouw had—het zij zonder oneerbiedigheid gezegd—wel eene heks kunnen zijn, en Paul en de kat hare twee gedienstige geesten, gelijk zij daar te zamen bij het vuur zaten. Het zou volmaakt met het voorkomen van dit gezelschapje gestrookt hebben, als zij allen eens op een avond bij een harden wind den schoorsteen waren ingevlogen, en men nooit weder iets van hen gehoord had.

Dit gebeurde echter niet. De kat, Paul en mevrouw Pipchin waren na den donker bestendig op hunne gewone plaatsen te vinden; en Paul, het kameraadschap van den kleinen Bitherstone schuwende, bleef avond aan avond mevrouw Pipchin, de kat en het vuur bestudeeren, alsof zij een tooverboek in drie deelen waren.

Jufvrouw Wickam verklaarde Paul’s zonderlingheden op hare eigene manier; en in hare zwaarmoedigheid bevestigd door het uitzicht op eenige zwarte schoorsteenen, het aanhoudende geloei van den wind, in de kamer waar zij gewoonlijk zat, en de eentonigheid (narigheid was hare krachtige uitdrukking) van haar tegenwoordig leven, leidde zij uit de vermelde gegevens de akeligste gevolgen af. Mevrouw Pipchin was er zeer op uit om allen vertrouwelijken omgang tusschen hare meid en jufvrouw Wickam af te snijden, en besteedde dientengevolge veel tijd om achter eene deur verborgen op de wacht te staan, en dan eensklaps uit te schieten, als die ongelukkige meid zich naar jufvrouw Wickam’s kamer wilde begeven. Berry daarentegen mocht daar zoo dikwijls komen en zoolang blijven, als dit door de menigvuldige plichten, waaraan zij zich van den ochtend tot den avond afsloofde, werd veroorloofd, en het was voor Berry dat jufvrouw Wickam haar gemoed ontlastte.

“Welk een aardig jongetje is hij als hij slaapt!” zeide Berry, en bleef staan om naar Paul in bed te kijken, toen zij jufvrouw Wickam eens haar avondeten bracht.—“Och ja,” zuchtte jufvrouw Wickam. “En dat mag hij ook wel!”—“Wel, als hij wakker is, is hij toch ook niet leelijk,” merkte Berry aan.—“Neen, jufvrouw. O neen. En mijn ooms Betsey Jane ook niet,” zeide jufvrouw Wickam.

Berry keek alsof zij naar het verband tusschen Paul Dombey en jufvrouw Wickam’s ooms Betsey Jane zocht.

“Mijn ooms vrouw,” vervolgde jufvrouw Wickam, “stierf evenzoo als zijne mama. En met zijn dochtertje ging het eveneens als met jongen heer Paul. Dat kind deed iemand somtijds het bloed stollen, dat deed zij!”—“Hoe zoo?” vroeg Berry.—“Ik had ’s nachts niet alleen bij Betsey Jane willen opblijven,” zeide jufvrouw Wickam, “al hadt gij Wickam den anderen ochtend zelf in eene zaak willen zetten. Ik had het niet kunnen doen, jufvrouw Berry.”

Berry vroeg natuurlijk, waarom niet; maar jufvrouw Wickam praatte, volgens het gebruik van sommige dames van haar stand, op hare eigene manier voort.

“Betsey Jane,” vervolgde zij, “was zulk een lief kind als iemand kon verlangen. Ik denk nooit liever kind te zullen zien. Door alle ziekten, die een kind krijgen kan, was zij allerliefst heen gekomen. Maar Betsey Jane,” vervolgde zij, hare stem latende dalen en naar Paul in zijn bedje omkijkende, “was in haar wiegje door hare doode moeder bewaakt. Ik zou niet kunnen zeggen hoe, of wanneer, en zou ook niet kunnen zeggen of het lieve kind het wist of niet, maar Betsey Jane was door hare moeder bewaakt, jufvrouw Berry! Gij moogt zeggen dat dit gekheid is, en ik zal het u niet kwalijk nemen, jufvrouw. Ik hoop zelfs dat gij het met uw geweten overeen kunt brengen om te denken, dat het maar gekheid is; gij zult er des te vroolijker door blijven; neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrij ben—in dit akelige, grafachtige huis, dat mij den dood zal doen. Paul is wat onrustig in zijn slaap. Klop hem eens op den rug, als het u belieft.”—“Gij denkt natuurlijk,” zeide Berry, zachtjes doende wat haar gevraagd was, “dat hij ook door zijne moeder bewaakt is?”—“Met Betsey Jane,” zeide jufvrouw Wickam op haar allerplechtigsten toon, “is het eveneens gegaan als het met dat kind gegaan is. Zij is eveneens veranderd als dat kind veranderd is. Ik heb haar dikwijls en dikwijls zoo zien zitten denken—denken—denken, evenals hij. Ik heb haar dikwijls even zoo oudachtig zien kijken als hij. Ik heb haar dikwijls eveneens hooren praten als hij doet. Ik houd het er voor dat het met dat kind en Betsey Jane volmaakt eveneens is, jufvrouw Berry.”—“Is dat kind van uw oom nog in leven?” vroeg Berry.—“Ja, jufvrouw Berry, nog in leven,” antwoordde jufvrouw Wickam, met iets zegevierends in haar toon, want blijkbaar had Berry het tegendeel verwacht, “en zij is met een zilversmid getrouwd. O ja, jufvrouw, zij is nog in leven,” zeide jufvrouw Wickam, met bijzonderen nadruk op het voornaamwoord.

Daar het duidelijk genoeg was dat iemand anders dood moest wezen, vroeg mevrouw Pipchin’s nicht wie dat was.

“Ik zou u niet gaarne ongerust willen maken,” antwoordde jufvrouw Wickam, aan haar avondeten beginnende. “Vraag het mij maar niet.”

Dit was het zekerste middel om nog meer gevraagd te worden. Berry deed dit dus ook, en na nog wat tegensporrelen legde jufvrouw Wickam haar mes neer, en naar Paul in zijn bedje omziende, antwoordde zij:

“Zij hechtte zich bijzonder aan sommige menschen. Somtijds was het onverklaarbaar waarom; somtijds was het eene gehechtheid, die men natuurlijk had kunnen verwachten, maar sterker dan gewoonlijk. Al die menschen stierven.”

Dit was zoo onverwacht en ontzettend, dat Berry stijf op den harden rand van het ledikant bleef zitten en, kort ademhalende, hare berichtgeefster met on verholen angst aanstaarde.

Jufvrouw Wickam wees tersluiks met haar voorvinger naar het bedje, waar Florence lag te slapen en toen even nadrukkelijk naar den grond. Vlak daaronder was de kamer waar mevrouw Pipchin gewoonlijk haar souper gebruikte.

“Onthoud wat ik zeg, jufvrouw Berry,” zeide jufvrouw Wickam, “en wees dankbaar dat jonge heer Paul niet van u houdt. Ik ben het, dat hij niet van mij houdt, dat verzeker ik u; al hebt ge niet veel om voor te leven—neem mij niet kwalijk, dat ik zoo vrij ben—in zulk eene gevangenis van een huis.”

Misschien deed Berry’s ontroering haar Paul wat al te hard op den rug kloppen, of wel geheel daarmede ophouden, maar hij keerde zich nu in het bed om, werd daarop wakker, kwam overeind, ontsteld door een benauwden droom, en vroeg naar Florence.

Op het eerste geluid van zijne stem, was zij uit haar bed; en terstond over zijne peluw buigende, zong zij hem weder in slaap. Jufvrouw Wickam schudde haar hoofd, en liet eenige tranen vallen, terwijl zij deze groep aan Berry wees.

“Goeden nacht, jufvrouw, goeden nacht,” zeide jufvrouw Wickam zacht. “Uwe tante is eene oude vrouw, en het is dus iets dat ge toch al dikwijls moet verwacht hebben.”

Jufvrouw Wickam vergezelde dit troostende vaarwel met een blik van diepe zielesmart, en toen zij met de twee kinderen alleen was gebleven, gaf zij zich aan hare zwaarmoedigheid over, tot zij ook door den slaap werd overweldigd.

Hoewel de nicht van mevrouw Pipchin deze voorbeeldige vrouw juist niet dood op het haardkleedje dacht te vinden, toen zij naar beneden ging, was het toch eene verademing voor haar toen zij haar buitengemeen knorrig en lastig vond, en zij alle blijken gaf dat zij voornemens was om nog lang, tot vreugde van allen die haar kenden, te blijven leven. Ook in de volgende week vertoonden zich nog geene verschijnselen van tering, maar verdwenen de voedingsmiddelen, die haar gestel vereischte, even geregeld als gewoonlijk, hoewel kleine Paul haar zoo onvermoeid als ooit bestudeerde, en op zijne gewone plaats tusschen haar zwarten rok en den haard bleef zitten.

Maar dewijl Paul na verloop van dien tijd niet sterker was dan bij zijne komst, hoewel zijn gezichtje er veel gezonder uitzag, werd er een wagentje voor hem gekocht, waarin hij op zijn gemak kon liggen, met een A B boek en eenige prentenboekjes bij zich, en zich naar den zeekant laten rijden. Overeenkomstig met zijn zonderlingen smaak, wilde het kind niets weten van een frisschen blozenden knaap, die voorgesteld werd om zijn wagentje te trekken, en koos, in zijne plaats, zijn grootvader, een oud, afgeleefd man, met een allerzuurst gezicht en een pak van oud wasdoek, dat een reuk verspreidde gelijk een met wier overdekt strand.

Met dezen fraaien bediende om hem voort te trekken, en Florence altijd naast hem, terwijl de neerslachtige jufvrouw Wickam achteraankwam, werd hij dagelijks naar het strand gereden, en zat of lag hij daar uren achtereen in zijn wagentje, terwijl niets hem zoo onaangenaam was als het gezelschap van kinderen—Florence alleen altijd uitgenomen.

“Ga maar heen, als het u belieft,” zeide hij gewoonlijk tot een kind, dat hem gezelschap wilde komen houden. “Ik dank u wel, maar ik heb u niet noodig.”

Een kinderstemmetje aan zijn oor vroeg hem wel eens hoe het hem ging.

“Ik ben heel wel—dank u,” antwoordde hij dan; “maar gij moest liever maar gaan spelen, als het u belieft.”

Dan keerde hij zijn hoofd om, wachtte tot het kind weg was, en zeide tot Florence: “Wij hebben niemand anders noodig, niet waar? Geef mij maar een kus, Flore.”

Hij had op zulk een tijd zelfs een hekel aan het gezelschap van jufvrouw Wickam, en was weltevreden als zij opkuierde, gelijk zij meestal deed, om schelpen en kennissen te zoeken. Zijn geliefkoosd plekje was eene eenzame plaats ver van de gewone wandeling; en als Florence daar bij hem zat te werken, of hem voorlas, of met hem praatte, en de wind hem langs het voorhoofd blies, en het water tot aan de wielen van zijn wagentje opkwam, verlangde hij niets meer.

“Flore,” zeide hij eens, “waar is Oost-Indië, waar de familie van dien jongen woont?”—“O, dat is heel ver weg,” zeide Florence, hare oogen van haar werk opslaande.—“Weken ver?” vroeg Paul.—“Ja; men zou vele weken dag en nacht moeten reizen om er te komen.”—“Als gij in Oost-Indië waart, Flore,” zeide Paul, na eene poos te hebben gezwegen, “dan zou ik—wat was het dat mama deed? Dat ontschiet mij daar.”—“Mij liefhebben,” antwoordde Florence.—“Neen, neen. Heb ik u dan nu niet lief, Flore? Wat is het?—Sterven. Als gij in Oost-Indië waart, zou ik sterven, Flore.”

Zij legde haastig haar werk neer, liet haar hoofdje op zijn kussen rusten en liefkoosde hem. En dat zou zij ook, zeide zij, als hij daar was. Hij zou wel gauw beter worden.

“O, ik ben nu al veel beter,” antwoordde hij. “Dat meen ik niet. Ik meen dat ik zou sterven, omdat ik zoo bedroefd en zoo alleen zou zijn, Flore.”

Een andermaal viel hij op dezelfde plaats in slaap en bleef een langen tijd gerust slapen. Toen hij wakker werd, kwam hij met zekeren schrik overeind en bleef zitten luisteren.

Florence vroeg hem wat hij dacht te hooren.

“Ik wilde weten wat zij zegt,” antwoordde hij, haar strak aanziende. “De zee, Flore, wat zegt zij toch zoo gedurig?”

Zij zeide hem dat het alleen het gerucht der rollende golven was.

“Ja, ja,” zeide hij. “Maar ik weet dat zij altijd iets zeggen. Altijd hetzelfde. Wat ligt daar aan den overkant?” Hij richtte zich nog meer op en tuurde met verlangen naar den gezichteinder.

Zij zeide hem dat daar aan den overkant een ander land lag, maar hij zeide dat hij dit niet meende; hij meende verder weg—verder weg!

Zeer dikwijls brak hij naderhand midden in hun gesprek af en poogde te verstaan wat het was dat de golven gedurig zeiden, en kwam hij in zijn bedje overeind om naar dat onzichtbare gewest—ver aan den overkant—te staren.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

IX. DE HOUTEN ADELBORST KOMT IN ONGELEGENHEID

De zucht voor het romaneske en wonderbare, waarvan het karakter van den jeugdigen Walter Gay een vrij krachtigen zweem had, en welke de voogdij van zijn oom, den ouden Samuel Gills, niet zeer door de lessen zijner ondervinding had verzwakt, was de oorzaak dat hij aan het avontuur van Florence met de Goede Vrouw Brown met buitengemeene en streelende belangstelling bleef denken. Hij troetelde en koesterde het in zijn geheugen, vooral dat gedeelte waarin hij betrokken was geweest, tot het geheel het bedorven kindje van zijne verbeelding werd, dat volkomen zijn eigen zin deed.

De herinnering dier voorvallen en zijn eigen deel daaraan werd misschien nog bekoorlijker gemaakt door de wekelijksche droomen van den ouden Sam en kapitein Cuttle op zondag. Er ging nauwelijks een zondag voorbij, zonder dat een dezer goede lieden met eene geheimzinnige toespeling op Richard Whittington voor den dag kwam, en de kapitein had zelfs de onkosten gedaan om een oud liedje te koopen, dat lang onder vele andere, voornamelijk zeemansliedjes, aan een blinden muur in de Commercial Road had hangen te fladderen; welk gedicht de vrijage en het huwelijk bezong van een knappen jongen kolendrager met zekere “mooie Peggy,” de bekoorlijke dochter van den meester en medeëigenaar van een kolenschip. In deze roerende legende zag kapitein Cuttle iets zeer diepzinnig toepasselijks op het geval van Walter en Florence; en dit wond hem zoodanig op, dat hij bij feestelijke gelegenheid, gelijk verjaren andere herinneringsdagen, het geheele liedje in het winkelkamertje uitgalmde.

Doch een vurige, rondborstige knaap is niet gewoon veel na te denken over den aard van zijne eigene aandoeningen, hoe krachtig zij hem ook mogen beheerschen; en Walter zou het zeer moeielijk hebben gevonden in dit opzicht iets te beslissen.

Hij had een groot zwak voor de werf, waar hij Florence had gevonden, en voor de straten (al hadden zij op zich zelven niet veel fraais) waardoor zij naar huis waren gekomen. De schoenen, die zoo dikwijls onderweg waren uitgegaan, bewaarde hij op zijn eigen kamertje; en des avonds in het winkelkamertje zittende had hij eene geheele galerij denkbeeldige portretten van vrouw Brown geteekend. Het kan zijn dat hij na dat gedenkwaardige voorval een weinigje netter op zijne kleeren werd; en zeker hield hij er veel van om in zijn ledigen tijd naar dat gedeelte der stad te wandelen waar het huis van Dombey stond, zich streelende met de zeer onzekere kans om kleine Florence op straat te ontmoeten. Maar zijn gevoel bij dat alles was zoo jongensachtig en onschuldig als het wezen kon. Florence zag er zeer lief uit, en het is aangenaam een lief gezichtje te bewonderen; Florence was zwak en kon zich zelve niet verweren; en het was eene trotsche gedachte dat hij in staat was geweest om haar hulp en bescherming te verleenen. Florence was het dankbaarste kind van de wereld, en het was verrukkelijk hare dankbaarheid van haar helder gezichtje te zien afstralen. Florence werd verwaarloosd en achteraf gezet, en zijn hart gloeide van jeugdige belangstelling voor het min geachte kind in hare sombere statige woning.

Zoo kwam het dat Walter, misschien zesmaal in den loop van het jaar, op straat zijn hoed voor Florence afnam, en Florence staan bleef om hem de hand te geven. Jufvrouw Wickam—die hem, met eigenaardige verandering van zijn naam, altijd “de jonge Graves” noemde [2]—met de geschiedenis hunner kennismaking bekend, was hieraan zoo gewoon, dat zij er volstrekt niet op lette. De jonge jufvrouw Nipper daarentegen verlangde zelfs eenigszins naar zulk eene ontmoeting, dewijl haar jeugdig en gevoelig hart heimelijk door Walter’s voorkomen was ingenomen, en zij tot het geloof overhelde dat het gevoel van dat hart beantwoord werd.

Aldus moest Walter, in plaats van zijne kennis met Florence te vergeten, die al beter en beter leeren onthouden. Wat het avontuurlijke begin en al die kleine omstandigheden daarvan betrof, die er iets zoo eigenaardigs en streelends aan gaven, daaraan dacht hij meer als een aardig historietje, dat zijne verbeelding aangenaam bezig hield, dan als eene gebeurtenis waarin hij zelf betrokken was. Die omstandigheden gaven, in zijne verbeelding, Florence iets veel meer belangwekkends, maar hem zelven niet. Somtijds dacht hij (en dan stapte hij zeer hard door) hoe mooi het zou geweest zijn, als hij daags na die eerste ontmoeting naar zee was gegaan, en daar dan mirakelen had uitgevoerd, en lang was weggebleven, en als admiraal van alle vlaggen, of ten minste als post-kapitein, met onweerstaanbaar schitterende epauletten was teruggekomen, en met Florence (dan een schoon volwassen meisje) was getrouwd, in spijt van mijnheer Dombey’s strak gezicht, stijve das en horlogeketting, en haar in zegepraal naar de blauwe kusten van een of ander land had medegenomen. Maar zulk eene vlucht van verbeelding polijstte het koperen plaatje op de deur van het kantoor zelden tot eene voorspellende tafel van gouden hoop, en spreidde maar zelden een schitterend licht over de doffe lantarenramen; en wanneer de kapitein en oom Sam over Richard Whittington en meesters dochter praatten, gevoelde Walter dat hij zijne ware positie bij Dombey en Zoon veel beter begreep dan zij deden.

Zoo kwam het, dat hij dag aan dag met lust en vroolijkheid deed wat hij te doen had; dat hij het ongegronde der hoopvolle hersenschimmen van oom Sam en kapitein Cuttle doorzag; en dat hij toch zelf duizend onbestemde, droomachtige verbeeldingen koesterde, waarbij de hunne alledaagsche waarschijnlijkheden waren. Zoodanig was zijn toestand in den tijd van mevrouw Pipchin, toen hij er eenigszins ouder begon uit te zien dan voorheen, maar niet veel; en nog dezelfde vlugge, luchthartige, loshoofdige knaap was, als toen hij aan het hoofd van oom Sam en den denkbeeldigen entertroep het achterkamertje uitstormde, en hem lichtte om de Madera te krijgen.

“Oom Sam,” zeide Walter. “Ik denk dat ge niet wel zijt. Gij hebt van morgen geheel niet gegeten. Ik zal een dokter bij u halen, als ge zoo voortgaat.”—“Hij kan mij toch niet geven wat ik noodig heb, jongen,” zeide oom Sam. “Ten minste als hij dat kon moest hij eene goede praktijk hebben—en dan zou hij het toch niet.”—“Wat is dat dan, oom? Klanten?”—“Ja,” antwoordde Samuel met een zuchtje. “Klanten zouden het wel doen.”—“Voor den drommel, Oom!” zeide Walter, zijn kopje neerzettende dat het rinkelde en met de hand op de tafel slaande; “als ik de menschen den heelen dag bij troepen de straat zie doorgaan, en met twintig in de minuut den winkel voorbijkomen, zou ik haast naar buiten vliegen, den een of ander bij den kraag pakken, hem binnenbrengen, en niet loslaten eer hij voor vijftig pond instrumenten gekocht en contant betaald had. Waarom kijkt gij zoo in?” vervolgde Walter, een oud heer met een gepoeierd hoofd aansprekende, die uit alle macht naar een scheepskijker staarde, en hem natuurlijk niet hooren kon. “Dat helpt niet. Kom binnen en koop hem.”

De oude heer ging evenwel, na zijne nieuwsgierigheid voldaan te hebben, stil weder heen.

“Daar gaat hij,” zeide Walter; “en zoo doen zij allemaal. Maar oom—zeg eens, oom Sam”—want de oude man zat te peinzen en had naar het eerste roepen niet geluisterd—“wees maar niet neerslachtig. Wees niet verdrietig, oom. Als er eens bestellingen komen, zullen zij met zulk een troep komen, dat gij ze niet zult kunnen voldoen.”—“Als zij eens komen, mijn jongen, zal ik ze zeker niet meer kunnen voldoen,” antwoordde Samuel Gills. “Er zullen er in dezen winkel nooit weer komen, voordat ik er uit ben.”—“Maar zeg toch, oom! Gij moet waarlijk zoo niet!” zeide Walter dringend. “Kom aan!”

Oude Samuel poogde een vroolijk gezicht te zetten, en zag hem over het tafeltje met zulk een genoeglijken glimlach aan als hij kon.

“Er scheelt toch niets buitengewoons aan, niet waar, oom?” zeide Walter, zijne ellebogen op het theeblad zettende en zich daarover heenbuigende, om meer vertrouwelijk te spreken. “Wees openhartig voor mij, oom, als het zoo is, en zeg mij dan alles.”—“Neen, neen, neen,” antwoordde oude Samuel. “Iets buitengewoons? Neen, neen. Wat zou er buitengewoons wezen?”

Walter antwoordde met een ongeloovig hoofdschudden.

“Dat zou ik juist willen weten,” zeide hij; “en gij vraagt het mij! Ik zal u eens wat zeggen, oom; als ik u zoo zie, spijt het mij waarlijk dat ik bij u ben.”

De oude man sloeg onwillekeurig een paar groote oogen op.

“Ja. Al is iemand nooit gelukkiger geweest dan ik ben en altijd bij u geweest ben, spijt het mij toch waarlijk dat ik bij u ben, als ik zie dat gij iets op het hart hebt.”—“Ja, ik ben dan een beetje dof,” zeide Samuel, geduldig in zijne handen wrijvende.—“Wat ik meen, oom Sam,” zeide Walter, zich nog wat meer overbuigende, om hem op den schouder te kloppen, “is dat ik dan gevoel, dat gij hier, in plaats van mij, een aardig mollig vrouwtje moest hebben zitten om thee voor u te schenken—een vriendelijk en genoeglijk oud jufvrouwtje, dat juist bij u paste, en met u wist om te gaan en u moed in te spreken. Hier ben ik, zulk een hartelijk liefhebbende neef als er ooit geweest is (dat ik waarlijk ook wel wezen mag) maar toch maar een neef, en ik kan zulk een gezelschap niet voor u zijn, als ge mismoedig en neerslachtig zijt, als zij zich al jaren geleden voor u zou gemaakt hebben, al zou ik waarlijk alle geld van de wereld willen geven als ik u maar kon opbeuren. En zoo zeg ik, als ik zie dat gij iets op het hart hebt, dat het mij waarlijk spijt dat ge niemand beters bij u hebt dan een lompe, wilde, haspelige jongen zooals ik, die wel een goeden wil heeft om u te troosten, oom, maar de manier niet heeft—de manier niet heeft,” herhaalde Walter, nog verder overreikende, om zijn oom bij de hand te vatten.—“Wally, mijn beste jongen,” zeide Samuel, “als dat vriendelijke oude jufvrouwtje vijf en veertig jaar geleden in dit kamertje was komen zitten, had ik nooit meer van haar kunnen houden dan ik van u doe.”—“Dat weet ik wel, oom Sam,” antwoordde Walter. “God zegen u, dat weet ik wel. Maar als zij bij u was geweest, hadt gij niet de geheele zwaarte van drukkende geheimen behoeven te dragen, want zij zou wel geweten hebben hoe zij er u van kon ontlasten, en dat weet ik niet.”—“Ja, ja, dat doet gij wel,” antwoordde de instrumentmaker.—“Welnu dan, wat scheelt er aan, oom Sam?” zeide Walter vleiend. “Kom, wat scheelt er aan?”

Samuel Gills bleef beweren dat er niets bijzonders aan scheelde, en deed dit zoo standvastig, dat er voor zijn neef niets anders overschoot dan zich te houden alsof hij hem geloofde, hetgeen hem echter niet best afging.

“Al wat ik zeggen kan is, oom Sam, dat als er iets is...”—“Maar er is niets,” zeide Samuel.—“Heel goed,” zeide Walter. “Dan heb ik niets meer te zeggen, en dat is gelukkig, want het is tijd dat ik naar mijn werk ga. Ik zal strakjes nog eens aankomen, als ik uit moet, oom, om te zien hoe het u gaat. En onthoud, oom, ik zal u nooit meer gelooven, en u nooit meer iets van mijnheer Carker Junior vertellen, als ik ontdek dat ge mij nu bedrogen hebt.”

Samuel Gills daagde hem lachend uit iets van dien aard te ontdekken; en Walter stapte naar het kantoor van Dombey en Zoon, met een veel zwaarder hart dan hij anders daarheen medenam, en onderweg over allerlei onuitvoerbare middelen denkende om zijn fortuin te maken en den houten adelborst klanten te bezorgen.

Er woonde in die dagen, om den hoek, in Bishopsgate-Street, zekere Brogley, uitdrager en beëedigd taxateur, die een winkel hield waarin allerlei oude meubelen op de onbehagelijkste manier, en in omstandigheden en combinatiën, zoo vreemd mogelijk aan hunne oorspronkelijke bestemming, waren ten toon gesteld. Dozijnen stoelen aan waschtafeltjes gehaakt, die zich met moeite op de schouders van buffetten balanceerden, die wederom op den onderkant van eettafels stonden, welke met de pooten omhoog op andere eettafels gymnastiseerden, behoorden nog tot de minst uitzinnige schikkingen. Doorgaans zag men eene uitstalling van schotels, glazen en karaffen in den schoot van een ledikant, als ware het eene gedekte tafel, waaraan een gezelschap van een half dozijn poken en eene ganglantaren onthaald werd. Een stel meubelgordijnen, zonder vensters er bij, zag men sierlijk gedrapeerd over eene barricade van latafels, met apothekerspotjes beladen; terwijl een huisloos haardkleedje, van zijn natuurlijken makker, den haard, gescheiden, in zijn tegenspoed den oostenwind tartte, en in droevige overeenstemming scheen te trillen met de schelle klachten eener piano, waarvan nu en dan eene snaar sprong, en in wier ontstelde hersenkas het straatgerucht een flauwen weergalm vond. Van stilstaande klokken, die nooit slinger of wijzer bewogen, en even onmogelijk weder aan den gang gebracht schenen te kunnen worden als de zaken der voormalige eigenaars, had men in Brogley’s winkel altijd ruime keus, en verscheidene spiegels, waarin de weerkaatsing der lichtstralen hand aan hand ging met de breking, boden het oog een eindeloos verschiet van ongelukken en bankroeten aan.

Brogley zelf was een man met glanzige oogen, blozende kleur en krullend haar, zwaarlijvig van gestalte en goed van humeur—want die klasse van Mariussen die op de puinhoopen van vreemde Carthago’s zit, kan gemakkelijk goedsmoeds blijven. Hij was wel eens in Samuel’s winkel gekomen, om iets over dingen van Samuel’s vak te vragen; en Walter kende hem genoeg om hem goedendag te zeggen als zij elkander op straat tegenkwamen. Maar dewijl de kennis des uitdragers met Samuel Gills ook niet verder ging, was Walter niet weinig verwonderd, toen hij, volgens zijne belofte, in den loop van den voormiddag nog eens aankwam, dat hij Brogley met de handen in de zakken en zijn hoed achter de deur gehangen, in het achterkamertje vond zitten.

“Wel, oom Sam,” zeide Walter. De oude man zat treurig aan den overkant der tafel, met zijn bril—vreemd genoeg—voor de oogen, in plaats van op zijn voorhoofd. “Hoe gaat het nu?”

Samuel schudde zijn hoofd en wuifde met de hand naar den uitdrager, als om hem te introduceeren.

“Scheelt er iets aan?” vroeg Walter, met zekere hapering in zijne ademhaling.—“Wel neen. Het is niets,” zeide Brogley. “Maak maar geen beweging.”

Walter keek in stomme verbazing van den uitdrager naar zijn oom.

“De zaak is,” zeide Brogley, “dat een betalinkje op een borgtocht, van driehonderd zeventig pond en een beetje, over den termijn is uitgebleven, en dat ik in posessie ben.”—“In posessie!” riep Walter uit, naar den winkel omkijkende.—“Ja!” zeide Brogley, vertrouwelijk toestemmende, en daarbij knikkende als wilde hij beduiden dat het raadzaam was om goede vrienden met elkander te blijven. “Het is eene executie. Dat is het eigenlijk. Maak er maar geen beweging van. Ik kom zelf, omdat ik het stil en in het vriendelijke wil houden. Gij kent mij toch. Het blijft alles stil.”—“Oom Sam!” bracht Walter haperend uit.—“Wally, mijn jongen,” zeide zijn oom. “Het is de eerste maal. Zulk een ongeluk is mij nooit overkomen. Ik ben een te oud man om te beginnen.” Zijn bril weder omhoogschuivende (want die baatte toch niet meer om zijne aandoening te verbergen) hield hij zijne hand voor zijne oogen en schreide hardop, en zijne tranen droppelden op zijn koffiebruin vest.—“Oom Sam! Och, ik bid u, doe dat niet!” riep Walter uit, die van schrik en angst beefde toen hij den ouden man zag schreien. “Om Gods wil, doe dat niet. Mijnheer Brogley, wat zal ik doen?”—“Ik zou u raden om een vriend of zoo te gaan opzoeken,” zeide Brogley, “en er eens over te praten.”—“Wel zeker!” riep Walter, blijde dat er iets kon gedaan worden, “dat is ook zoo. Wel bedankt. Kapitein Cuttle is de man, oom. Wacht maar tot ik naar kapitein Cuttle loop. Houd mijn oom in het oog, wilt ge, mijnheer Brogley, en stel hem zooveel gerust als gij kunt, terwijl ik weg ben. Wanhoop maar niet, oom Sam. Doe uw best om moed te houden, als een goede man.”

Hij zeide dit met vuur en aandoening; en zonder naar de afgebrokene tegenspraak des ouden mans te luisteren, stoof Walter, zoo hard hij loopen kon, den winkel uit, en haastte zich naar het kantoor om zich daar te verontschuldigen dat zijn oom plotseling ongesteld was geworden; van daar sloeg hij met denzelfden spoed den weg naar de woning van kapitein Cuttle in.

Terwijl hij langs de straten rende kwam alles hem veranderd voor. Daar was het gewone gewoel en gerucht van karren, wagens, omnibussen, koetsen en voetgangers, maar het ongeluk dat den houten adelborst getroffen had, maakte alles vreemd en nieuw. Huizen en winkels waren verschillend van hetgeen zij plachten te zijn, en droegen Brogley’s volmacht met groote letters op den voorgevel. De uitdragerdeurwaarder scheen zelfs de kerken in beslag te hebben genomen, want hunne torens stegen met iets ongewoons in hun aanzien in de lucht. De lucht zelve was veranderd en dreigde duidelijk met eene executie.

Kapitein Cuttle woonde aan een kanaal, dicht bij de Oost-Indische dokken, waar eene draaibrug was, die nu en dan geopend werd om een reusachtig schip, gelijk een gestrande leviathan, de straat op te laten. De trapsgewijze overgang van land in water was, als men de woning van kapitein Cuttle naderde, iets merkwaardigs. Zij begon met de verschijning van vlaggestokken, als toebehooren van herbergen; dan kwamen de winkels van wantsnijders, waar geruite hemden, geöliede hoeden en linnen broeken, zoowel van de nauwste als de wijdste soort, buiten de deur hingen. Deze werden opgevolgd door smederijen van ankers en kettingkabels, waar de zware mokers den geheelen dag op het ijzer beukten. Dan kwamen rijen van huizen, waarvoor kleine masten met windvaantjes tusschen roode klimboomen waren geplant. Dan slooten. Dan knotwilgen. Dan nog meer slooten. Dan onverklaarbare plekken vuil water, moeielijk te onderscheiden door de schepen die ze bedekten. Dan de geheele lucht een geur van houtkrullen, en werden alle andere handwerken verzwolgen door het masten- riemen- en blokkenmaken, en het scheepstimmeren. Dan werd de grond onvast en moerassig. Dan was er niets te ruiken dan rum en suiker. En dan had men het huis waar kapitein Cuttle eene kamer bewoonde—te gelijk op de eerste verdieping en onder het dak, in Brig Place—vlak voor zich.

De kapitein was een van die menschen uit één stuk, welke de levendigste verbeelding onmogelijk van eenig gedeelte hunner kleeding, hoe onbeduidend ook, kan afzonderen. Toen Walter dus aan de deur klopte, en de kapitein dadelijk zijn hoofd uit een zijner voorvenstertjes stak en hem aanriep, met den harden blinkenden hoed reeds op, en het hemdsboordje als een zeil en de wijde blauwe jas, alles gelijk gewoonlijk, was Walter zoo volkomen overtuigd dat hij er altijd zoo uitzag, alsof de kapitein een vogel was geweest en dit zijne veeren waren.

“Walter, mijn jongen,” zeide kapitein Cuttle. “Sta vast en klop nog eens. Hard! Het is waschdag.”

Walter gaf in zijn ongeduld een geweldige bons met den klopper.

“Dat is hard genoeg!” zeide kapitein Cuttle, en haalde terstond zijn hoofd binnen alsof hij een storm verwachtte.

Hij bedroog zich ook niet; want eene weduwvrouw, met tot aan de schouders opgerolde mouwen, en armen geheel met zeepschuim bedekt en zoo dampend uit het heete water gehaald, kwam met verbazende snelheid op dit kloppen aan. Eer zij Walter aanzag, keek zij naar den klopper, en hem toen van top tot teen met hare oogen metende, zeide zij zich te verwonderen dat hij er nog iets van had overgelaten.

“Kapitein Cuttle is thuis, weet ik,” zeide Walter met een verzoenend glimlachje.—“is hij?” antwoordde de jufvrouw. “Zoo!”—“Hij heeft zoo even met mij gesproken,” zeide Walter nog buiten adem, tot opheldering.—“Heeft hij?” antwoordde zij. “Dan zult ge misschien wel zoo goed willen zijn om hem het compliment van jufvrouw MacStinger te maken en hem te zeggen, dat, als hij weer zich zelven en zijne kamer de schande aandoet om uit het raam te praten, zij hem zal verzoeken om dan ook naar beneden te komen en de deur open te doen.” Jufvrouw MacStinger sprak zeer luid, en luisterde of daarop ook iets van boven zou geantwoord worden.—“Ik zal het zeggen,” zeide Walter, “als ge maar zoo goed wilt zijn om mij in te laten, jufvrouw.”

Want hij werd tegengehouden door eene houten verschansing dwars voor den ingang, daar geplaatst om te verhinderen dat de kleine MacStinger’s in hunne oogenblikken van uitspanning van de stoep rolden.

“Een jongen die mijne deur kan inbeuken,” zeide jufvrouw MacStinger verachtelijk, “kan ook daar wel overheen komen, zou ik hopen!” Maar toen Walter dit als een verlof om binnen te komen opvatte, en er over stapte, vroeg jufvrouw MacStinger dadelijk of het huis eener Engelsche vrouw haar kasteel was of niet, en of men er zoo maar in mocht breken. Hare nieuwsgierigheid in dit opzicht was nog zeer dringend en luidruchtig, toen Walter—nadat hij eene smalle trap was opgegaan, door een kunstmatigen mist heen, een gevolg van het wasschen, die ook de leuning met een klammen aanslag bedekte—de kamer van kapitein Cuttle binnentrad en dezen heer achter de deur in hinderlaag vond.—“Haar nooit een stuiver schuldig gebleven, Walter,” zeide kapitein Cuttle zacht, en met zichtbare blijken van angst op het gelaat. “Haar dikwijls goede diensten gedaan en de kinderen ook. Toch soms eene helleveeg. Poeh!”—“Dan zou ik heengaan, kapitein Cuttle,” zeide Walter.—“Zou niet durven, Walter,” antwoordde de kapitein. “Zij zou mij opzoeken en vinden, waar ik ook bleef. Ga zitten. Hoe maakt het Gills?”

De kapitein was (met zijn hoed op) aan het eten. Zijn maaltijd bestond uit koud schapenvleesch, eene kan bier en snikheete aardappelen, die hij zelf had gekookt, en naarmate hij ze noodig had uit een potje nam dat voor het vuur stond. Als hij ging eten schroefde hij zijn haak uit en een mes daarvoor in de plaats, waarmede hij nu reeds begon een van die aardappelen voor Walter te schillen. Zijne kamer was zeer klein, en sterk met tabakslucht doortrokken, maar gemakkelijk genoeg: alles was er in weggepakt alsof met ieder half uur geregeld eene aardbeving plaats had.

“Hoe maakt het Gills?” vroeg de kapitein.

Walter, die nu pas op adem was gekomen, en de opgewondenheid, die het harde loopen hem had gegeven, verloren had, zag den vrager een oogenblik aan, zeide toen: “O kapitein Cuttle!” en barstte in tranen uit.

Geene woorden kunnen de ontsteltenis des kapiteins bij dit gezicht beschrijven. Jufvrouw MacStinger verdween daarbij in het niet. Hij liet vork en aardappel vallen—en had het mes ook laten vallen als hij kon—en bleef den knaap zitten aanstaren alsof hij het volgende oogenblik dacht te hooren dat zich in de City een afgrond had geopend, die zijn ouden vriend, met koffiebruin pak, knoopen, chronometer, bril en al, had verzwolgen.

Maar toen Walter hem zeide wat er eigenlijk gebeurd was, herkreeg kapitein Cuttle, na een oogenblik nadenkens, op eens zijne volle levendigheid. Hij nam van de bovenste kasplank een blikken busje, en stortte daaruit zijn geheelen voorraad van contanten (ten bedrage van dertien pond en eene halve kroon) dien hij vervolgens in een der zakken van zijn blauwe jas stak; daarna verrijkte hij zijne schatkamer nog met zijn zilverwerk, bestaande uit twee dood uitgesletene theelepeltjes en eene ouderwetsche gebochelde suikertang; hij haalde ook zijn geducht zilveren horloge met dubbele kas uit de diepte waar het rustte, om zich te verzekeren dat dit kostbare stuk nog aanwezig en in goeden staat was; schroefde den haak weder aan zijn rechterarm, en eindelijk zijn knoestigen stok vattende, beval hij Walter om maar mee te gaan.

Zich echter te midden zijner edele opgewondenheid herinnerende, dat jufvrouw MacStinger wel beneden op de loer kon liggen, bleef kapitein Cuttle toen nog aarzelend staan, en keek zelfs naar het venster, als dacht hij er aan om langs dien ongewonen weg de vlucht te nemen, liever dan zijne geduchte vijandin onder de oogen te komen. Hij gaf evenwel de voorkeur aan eene krijgslist.

“Walter,” zeide de kapitein, met een angstvalligen wenk, “ga gij vooruit, mijn jongen. Als gij in den gang zijt, roep dan “dag, kapitein Cuttle,” en trek de deur toe. Blijf dan op de straat staan wachten tot ge mij ziet.”

Dit plan bleek niet zonder voorafgaande ondervinding van de tactiek des vijands beraamd te zijn, want toen Walter beneden was, kwam jufvrouw MacStinger als eene dreigende schim het achterkeukentje uit zweven.

Maar daar zij den kapitein niet zag, gelijk zij verwacht had, zeide zij nog maar iets over den klopper, en zweefde weder naar binnen.

Er verliepen vijf minuten eer kapitein Cuttle moeds genoeg kon verzamelen om een uitval te beproeven; want zoolang bleef Walter op den hoek van de straat naar hem staan omkijken, eer hij iets van den harden blinkenden hoed zag. Eindelijk kwam de kapitein als eene bom de deur uitvliegen en hard naar hem toeloopen, zonder eens over zijn schouder om te kijken; maar toen zij wel de straat uit waren, hield hij zich alsof hij een deuntje floot.

“Oom erg van zijn streek, Walter?” zeide de kapitein, terwijl zij met elkander voortstapten.—“Ik vrees van ja. Als gij hem van morgen gezien hadt, zoudt gij het nooit weer vergeten hebben.”—“Stap dan wat aan, Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein; “en onthoud dat zoolang gij leeft. Zie er den catechismus maar eens op na, en houd er u dan bij.”

De kapitein had het te druk met zijne eigene gedachten aan Samuel Gills, misschien met eenige bespiegelingen over zijne jongste vlucht voor jufvrouw MacStinger gemengd, om verder aan Walter’s zedelijke verbetering te arbeiden. Zij wisselden geen woord meer tot zij bij de deur kwamen, waar de ongelukkige houten adelborst met zijn instrument voor zijn oog den geheelen horizon langs scheen te zoeken naar een vriend om hem uit zijne ongelegenheid te redden.

“Gills!” zeide de kapitein, naar het achterkamertje snellende en hem met ware teederheid bij de hand vattende. “Houd maar vlak in den wind, en wij zullen er wel doorkomen. Al wat gij te doen hebt,” zeide de kapitein, met de deftigheid van iemand die een der gewichtigste stelregels predikt, welke de wijsheid des menschdoms ooit ontdekt heeft, “is dat ge maar vlak in den wind houdt, en wij zullen er wel doorkomen.”

De oude Sam beantwoordde zijn handdruk en dankte hem.

Daarop stalde kapitein Cuttle, met eene bij deze gelegenheid voegzame plechtigheid, de twee theelepeltjes, de suikertang, het horloge en de contanten op de tafel uit, en vroeg Brogley hoeveel er te betalen was.

“Kom aan. Laat hooren hoeveel gij er van maakt?” zeide de kapitein.—“Wel, mijn tijd!” antwoordde de uitdrager. “Gij denkt toch niet dat die dingen iets kunnen helpen?”—“Waarom niet?” vroeg kapitein Cuttle.—“Wel. De som is driehonderd en in de zeventig,” was het antwoord.—“Dat is hetzelfde,” zeide de kapitein, hoewel blijkbaar ontsteld van het cijfer. “Het is toch alles visch wat gij in het net krijgt, zou ik denken?”—“Zekerlijk,” antwoordde Brogley. “Maar sprotjes zijn geen walvisschen.”

Het wijsgeerige dezer opmerking scheen kapitein Cuttle te treffen. Hij zat een poosje te denken, ondertusschen den uitdrager aankijkende alsof hij hem voor een man van genie hield, en riep toen den instrumentmaker ter zijde.

“Gills,” zeide hij. “Geef mij eens het bestek van die historie. Wie is de crediteur?”—“Stil!” antwoordde de oude man. “Kom hier mee. Laat Wally er niet van hooren. Het is een oude borgtocht voor Wally’s vader. Ik heb er al veel van betaald, Ned, maar het is zulk een slechte tijd dat ik er nu niet meer aan doen kan. Ik heb het wel voorzien, maar ik kon het niet verhelpen. Om alles in de wereld, laat Wally er niets van hooren.”—“Maar gij hebt toch wat geld, niet waar,” fluisterde de kapitein.—“Ja—o ja—ik heb wel wat,” antwoordde de oude man, eerst zijne handen in zijne ledige zakken stekende, en toen zijne pruik er tusschen knijpende, alsof hij dacht dat hij daar iets uit zou kunnen persen; “maar ik—het beetje dat ik heb, is niet disponibel—ik kan er niet aankomen. Ik heb geprobeerd er iets voor Wally mee te doen; en ik ben een ouderwetsch man, die niet met den tijd mee kan. Het is hier en daar en—en kortom, het is zoo goed als nergens,” zeide de oude man verbijsterd in het rond ziende.

Hij had zoozeer het voorkomen van een half verstandelooze, die zijn geld ergens had weggestopt en niet meer wist waar, dat kapitein Cuttle zijne oogen volgde, niet zonder eene flauwe hoop, dat hij zich nog eenige honderd pond zou herinneren, die hij boven in den schoorsteen of beneden in den kelder had verborgen. Maar Samuel Gills wist wel beter.

“Ik ben ver bij den tijd ten achter, mijn beste Ned,” zeide Samuel, met zekere berustende wanhoop, “heel ver. Het helpt niet of ik zoo ver achteraan nog mee voort wil. De boel moest liever maar verkocht worden—hij is meer waard dan die schuld—en ik moest van het overschot maar liever ergens gaan sterven. Ik heb nergens kracht meer toe. Ik heb nergens verstand meer van. Het is beter dat het nu gedaan is. Laten zij den boel maar verkoopen en hem wegnemen,” zeide de oude man, met eene machtelooze hand naar den houten adelborst wijzende; “laten zij ons maar samen sloopen.”—“En wat denkt gij dan met Walter te doen?” zeide de kapitein. “Kom aan, ga zitten, Gills, ga zitten, en laat ik er eens over denken. Als ik niet iemand was met maar een klein pensioen, dat tot vandaag toe altijd groot genoeg is geweest, behoefde ik er niet over te denken. Maar houd maar vlak in den wind,” zeide de kapitein, nogmaals op dien onfeilbaren troostgrond terugkomende, “en het zal wel schikken.”

De oude Samuel bedankte hem van ganscher harte en ging moedeloos tegen den schoorsteenmantel leunen.

Kapitein Cuttle stapte eene poos den winkel op en neer, diep in gedachten, en met de ruige zwarte wenkbrauwen zoo diep op den neus samengetrokken, gelijk wolken die zich op een berg neerlaten, dat Walter bang was om hem in zijn gepeins te storen. Brogley, die niemand wilde hinderen, en een onderzoeklievenden geest had, ging, zachtjes fluitend, onder den winkelvoorraad rond, tikte tegen weerglazen, schudde kompassen alsof het medicijnfleschjes waren, haalde sleutels met magneten op, keek door verrekijkers, poogde zich met het gebruik van globes bekend te maken, zette parallellinealen te paard op zijn neus, en vermaakte zich met nog andere natuurkundige proefnemingen.

“Walter,” zeide de kapitein eindelijk. “Ik heb het gevonden.”—“Hebt ge, kapitein Cuttle?” zeide Walter zeer nieuwsgierig.—“Kom eens hierheen, mijn jongen,” zeide de kapitein. “De winkelvoorraad is eene securiteit, ik wil ook borg blijven, en uw patroon is de man die het geld moet schieten.”—“Mijnheer Dombey!” zeide Walter haperend.

De kapitein knikte ernstig. “Zie hem eens aan,” zeide hij. “Zie eens naar Gills. Als zij die dingen nu gingen verkoopen, zou hij het besterven. Dat weet gij wel. Wij moeten alles probeeren—geen steen laten liggen—en daar is een steen voor u.”—“Een steen!—Mijnheer Dombey!” stamelde Walter.—“Loop eerst eens naar het kantoor, en zie of hij daar is,” zeide kapitein Cuttle, hem een klap op den rug gevende. “Schielijk!”

Walter gevoelde dat hij niets tegen dat bevel mocht inbrengen—een blik op zijn oom zou hem daarvan overtuigd hebben, als hij anders had gedacht—en hij ging terstond. Hij kwam spoedig buiten adem terug, en zeide dat mijnheer Dombey er niet was. Het was zaterdag, en hij was dus naar Brighton.

“Dan zal ik u eens wat zeggen, Walter,” zeide de kapitein, die zich gedurende zijne afwezigheid op zoo iets scheen te hebben voorbereid. “Wij gaan naar Brighton. Ik zal wel voor u spreken, mijn jongen. Ik zal u niet in den steek laten. Wij gaan van middag met de diligence naar Brighton.”

Indien er toch bij mijnheer Dombey aanzoek moest worden gedaan,—hetgeen iets ontzettends was om aan te denken—had Walter dit veel liever alleen en ongeholpen willen doen, dan gerugsteund door den invloed van kapitein Cuttle, waaraan hij bezwaarlijk kon meenen dat mijnheer Dombey veel gewicht zou hechten. Maar dewijl de kapitein van een geheel ander gevoelen scheen te zijn, en er zeer op gesteld bleek te wezen, en zijne vriendschap veel te ijverig en te ernstig was, dan dat iemand zooveel jonger dan hij ze zou durven licht achten, wachtte hij zich wel om het minste bezwaar te maken. Kapitein Cuttle nam dus een haastig afscheid, stak de contanten, de theelepeltjes, de suikertang en het zilveren horloge weder in zijn zak—met oogmerk, gelijk Walter met ontzetting dacht, om daarmede bij mijnheer Dombey eene grootsche vertooning van zijn rijkdom te maken—en bracht hem zonder verwijl naar het diligencekantoor, hem onderweg nog verscheidene malen verzekerende dat hij hem niet in den steek zou laten.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

X

HOE HET MET DE ONGELEGENHEID VAN DEN HOUTEN ADELBORST AFLIEP.

Majoor Bagstock kwam, na den kleinen Paul van den overkant van Princess’s Place dikwijls en lang door zijn dubbelen tooneelkijker te hebben waargenomen, en na vele omstandige dag- week- en maandberichten te dien aanzien te hebben ontvangen van den inboorling, die zich met dat oogmerk voortdurend met de kamenier van jufvrouw Tox in gemeenschap hield, tot de slotsom dat Dombey, mijnheer, een man was dien men wel kennen mocht, en de J. B. de jongen was om kennis met hem te maken.

Daar jufvrouw Tox echter even koel en terughoudend bleef en den majoor—als hij (gelijk dikwijls gebeurde) in verband met zijn voornemen een vischtochtje kwam doen—volstrekt niet wilde begrijpen, moest deze, in spijt van de hem eigene taaiheid en slimheid, de vervulling zijner begeerte eenigermate aan het toeval overlaten, “hetwelk,” gelijk hij in zijne club dikwijls grinnikend zeide, “altijd vijftig tegen een voor Joey B was, mijnheer, sedert zijn oudste broeder in de West-Indiën aan de gele koorts was gestorven.”

Het duurde ditmaal eenigen tijd eer het hem te hulp kwam, maar eindelijk toonde het zich hem genegen. Toen de bruine knecht hem eens in alle bijzonderheden rapport bracht dat jufvrouw Tox om dienstzaken naar Brighton was vertrokken, kwam er bij den majoor eensklaps eene teedere herinnering aan zijn vriend Bill Bitherstone in Bengalen op, die hem in een brief had verzocht om, als hij ooit dien weg uitkwam, eens naar zijn eenigen zoon te gaan zien. Maar toen dezelfde bruine knecht rapporteerde dat Paul bij mevrouw Pipchin was, en de majoor, den brief inkijkende, dien jongeheer Bitherstone hem bij zijne aankomst in Engeland had geschreven—en waarop hij nooit gedacht had te zullen letten—de gelegenheid zag die zich hem aanbood, maakte het pootje, dat hem toen juist aan zijne kamer bond, hem zoo dol, dat hij den bruinen knecht tot dank voor zijn bericht een voetbankje naar den kop smeet, en zwoer dat hij dien schelm nog eens zou vermoorden; hetwelk de bruine knecht meer dan half genegen was om te gelooven.

Toen de majoor eindelijk van zijn pootje bevrijd was, reed hij op een zaterdag, met den bruinen knecht achter zich, brommende naar Brighton, den geheelen weg over aanspraken aan jufvrouw Tox houdende, en zich verlustigende in het vooruitzicht om den voornamen vriend, dien zij zoo geheim had gehouden en voor wien zij hem had verlaten, met den stormpas tot zijn eigen vriend te maken.

“Woudt ge, jufvrouw, woudt ge,” zeide de majoor, vol kwaadheid, terwijl de reeds gezwollen aderen van zijn hoofd nog meer opzwollen, “woudt ge Joey B aan kant zetten, jufvrouw? Nog niet, jufvrouw, nog niet! Verd—d, nog niet, mijnheer. J. B. is wakker, jufvrouw. Jo is bij de hand, mijnheer. Joe weet zijn weetje wel. Jo heeft altijd één oog open, mijnheer. Gij zult hem taai vinden, jufvrouw. Taai, mijnheer, taai is Jozef. Taai en verduiveld slim!”

En inderdaad vond de kleine Bitherstone hem heel taai, toen hij dien jongen heer op eene wandeling medenam. Met eene kleur als een Stiltonsche kaas, en oogen als die van eene garnaal, bleef de majoor maar rondkuieren, geheel onverschillig voor jongen heer Bitherstone’s vermaak, en hem aan de hand voortslepende, terwijl hij overal naar Dombey en zijne kinderen rondkeek.

Eindelijk ontdekte de majoor, vooraf door mevrouw Pipchin onderricht, Paul en Florence, met een deftig heer (ongetwijfeld mijnheer Dombey) in gezelschap, en rukte in den stormpas op dit troepje aan. Dichtbij gekomen was het natuurlijk dat de kleine Bitherstone zijne mede patiënten aansprak. Nu bleef de majoor staan, om de lieve kinderen te bewonderen, herinnerde zich met verbazing dat hij hen bij zijne vriendin jufvrouw Tox in Princess’s Place gezien en gesproken had; vond dat Paul een alleraardigste jongen was; verklaarde hem voor zijn vriendje; vroeg of hij Joey B., den majoor, nog wel kende; en keerde zich eindelijk, plotseling om de strenge regelen der welvoegelijkheid denkende, naar Dombey om verschooning te verzoeken.

“Maar mijn kleine vriend hier, mijnheer,” zeide de majoor, “maakt mij zelf weder tot een jongen. Een oud soldaat, mijnheer—majoor Bagstock, om u te dienen—schaamt zich niet om dat te bekennen.” Hier wipte de majoor zijn hoed op. “Verd...d, mijnheer,” riep de majoor met plotselinge warmte uit, “ik benijd u.” Toen bedacht hij zich en voegde er bij: “Neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrijpostig ben.”

Dombey verzocht hem om er toch niet van te spreken.

“Een oud gediende, mijnheer,” zeide de majoor, “een in den rook gedroogde, in de zon geblakerde, invalide, oude rekel van een majoor, mijnheer, was ook niet bang dat een man als mijnheer Dombey hem zulk een jongenskuur kwalijk zou nemen. Ik heb de eer om mijnheer Dombey te spreken, naar ik meen?”—“Ik ben de onwaardige representant van dien naam, majoor,” antwoordde Dombey.—“Bij G—. Mijnheer,” zeide de majoor, “het is een groote naam. Het is een naam, mijnheer,” zeide de majoor, op een toon zoo vast alsof hij Dombey uitdaagde om hem tegen te spreken, en het dan zijn smartelijken plicht zou achten om hem te brutaliseeren, “die in de Britsche bezittingen over zee bekend en geacht is. Het is een naam, mijnheer, waarvoor iemand met trotschheid zijn hoed mag afnemen. Jozef Bagstock is lang geen vleier, mijnheer. Zijne Koninklijke Hoogheid de Hertog van York heeft bij meer dan eene gelegenheid gezegd: “Joey is lang geen vleier. Joe is een ronde, oude soldaat. Hij is zelfs wat al te taai, die Joe;” maar het is een groote naam, mijnheer. Bij den hemel, het is een groote naam,” zeide de majoor plechtig.—“Gij zijt goed genoeg om hem misschien hooger te stellen dan hij verdient, majoor,” antwoordde Dombey.—“Neen, mijnheer,” zeide de majoor. “Mijn kleine vriend hier, mijnheer, zal wel voor Jozef Bagstock getuigen, dat hij een ronde en plompe oude soldaat is, en niets anders. Die kleine jongen, mijnheer,” zeide de majoor, een zachter toon aannemende, “zal in de geschiedenis leven. Die kleine jongen, mijnheer, is geen gewoon product. Pas wel op hem, mijnheer Dombey.”

Dombey scheen te kennen te willen geven, dat hij dit zou pogen te doen.

“Hier is een jongen, mijnheer,” vervolgde de majoor in vertrouwen, en gaf hem een stomp met zijn rotting. “Zoontje van Bill Bitherstone van Bengalen. Die jongen zijn vader en ik, mijnheer, waren gezworen vrienden. Waar gij ook mocht komen, mijnheer, ge zoudt van niets anders hooren dan van Bill Bitherstone en Joe Bagstock. Ben ik nu blind voor de gebreken van dien jongen? Geheel niet. Hij is een domoor, mijnheer.”

Dombey keek eens naar den belasterden jongen heer Bitherstone, van wien hij ten minste evenveel wist als de majoor en zeide zeer welgevallig: “Inderdaad?”—“Dat is hij, mijnheer,” zeide de majoor. “Hij is een domoor. Joe Bagstock windt er nooit doekjes om. De zoon van mijn ouden vriend Bill Bitherstone van Bengalen is een botmuil.” Hier lachte de majoor tot hij er bijna zwart van werd. “Mijn kleine vriend is voor eene openbare school bestemd, zou ik meenen, mijnheer Dombey?” zeide de majoor toen hij zich hersteld had.—“Dat heb ik nog niet beslist,” antwoordde Dombey. “Ik geloof van neen. Hij is wat teer.”—“Als hij wat teer is, mijnheer,” zeide de majoor, “hebt ge gelijk. Het moesten taaie knapen zijn om het te Sandhurst uit te houden, mijnheer. Wij martelden daar elkander, mijnheer. Wij roosterden daar de nieuwe jongens voor een langzaam vuurtje, en hingen ze uit een bovenvenster met het hoofd naar beneden. Jozef Bagstock, mijnheer, is dertien minuten lang bij de hielen van zijne laarzen uit het raam gehouden, op de schoolklok af.”

De majoor had zich ter bevestiging van zijn verhaal op zijn gezicht kunnen beroepen. Het zag er zeker uit, alsof hij wat te lang buiten had gehangen.

“Dat maakte ons tot zulke kerels, mijnheer,” zeide de majoor, zijn jabot gladstrijkende. “Wij waren ijzer, mijnheer, en zoo werden wij gesmeed. Blijft gij hier, mijnheer Dombey?”—“Doorgaans kom ik eens in de week over, majoor,” antwoordde de gevraagde. “Ik logeer in de Bedford.”—“Ik zal de eer hebben om eens in de Bedford aan te komen, mijnheer, als ge mij permiteeren wilt,” zeide de majoor. “Joey B. mijnheer, is doorgaans geen liefhebber van visites maken, maar mijnheer Dombey heeft geen gewonen naam. Ik ben mijn kleinen vriend wel verplicht, mijnheer, voor de eer van deze introductie.”

Dombey gaf een goedgunstig antwoord; en nadat majoor Bagstock Paul over het hoofd had gestreken, en van Florence gezegd dat hare oogen over niet lang den drommel met de jongelui zouden spelen—“en met de oudelui ook, als gij daarop komt, mijnheer,” voegde hij er grinnikend bij—gaf hij den kleinen Bitherstone een stootje met zijn rotting en vertrok met dien jongen heer, die op een halven draf moest loopen, terwijl hij wijdbeens al waggelend voortstapte, en met groote deftigheid kuchte en met zijn hoofd zwaaide.

Ter vervulling zijner belofte kwam de majoor naderhand een bezoek bij Dombey afleggen; en nadat Dombey de lijst van officieren had nagezien, bracht hij den majoor een bezoek terug. Toen kwam de majoor bij Dombey in de stad aan, en ging weder naar Brighton, in dezelfde diligence als Dombey. Kortom Dombey en de majoor werden buitengemeen snel buitengemeen goede vrienden, en Dombey merkte van den majoor tot zijne zuster aan, dat hij, behalve dat hij geheel militair was, een verwonderlijk juist begrip had van zaken buiten zijn vak.

Toen Dombey eindelijk jufvrouw Tox en mevrouw Chick eens medebracht om de kinderen te zien, en den majoor weder te Brighton vond, noodigde hij dezen in de Bedford op het diner, en maakte jufvrouw Tox bij voorraad een compliment over haar buurman en bekende. In weerwil der hartkloppingen welke deze toespelingen haar veroorzaakten, waren zij jufvrouw Tox alles behalve onaangenaam, daar zij haar gelegenheid gaven om zeer interessant te zijn en eene verwarring en verlegenheid te laten blijken, die zij niet ongaarne ten toon spreidde. De majoor gaf overvloedig aanleiding om deze aandoeningen te vertoonen, daar hij onder het diner zeer mild was met zijne klachten dat zij hem in Princess’s Place had verlaten, en daar hij zelf zich bijzonder met deze gezegden scheen te vermaken, kwamen zij allen zeer wel met elkander voort.

Het deed in dit opzicht geen kwaad dat de majoor het gesprek geheel voor zijne rekening nam, en een even onverzadelijk prater als eter scheen te zijn, daar hij zich, onder zijne aardigheden, met zooveel smaak op de lekkernijen der tafel vergastte, dat hij het gevaar eener ontstekingskoorts aanmerkelijk dichterbij bracht. Daar Dombey’s gewone stilzwijgendheid hem ruim baan liet, gevoelde de majoor dat hij bijzonder uitblonk, en in zijne vroolijkheid verknoeide hij zijn eigen naam op zoo oneindig vele manieren dat hij er zelf verbaasd over was. Kortom zij waren allen zeer wel in hun schik. Men vond dat de majoor onuitputtelijk in geestigheden was; en toen hij, na een langen robber whist, laat afscheid nam, maakte Dombey de blozende jufvrouw Tox nogmaals een compliment over haar buurman en bekende.

Maar den geheelen weg naar zijn logement langs, zeide de majoor gedurig bij zich zelven en van zich zelven, “slim, mijnheer—slim, mijnheer—verduiveld slim!” En toen hij daar gekomen was, zette hij zich op een stoel, en kreeg hij eene stille lachbui, die hem somtijds overviel en waaronder hij er allergeduchtst uitzag. Hij bleef er ditmaal zoolang in, dat de bruine knecht, die hem op een afstand stond te bewaken, maar hem voor alles in de wereld niet nabij had durven komen, hem twee- of driemaal voor verloren hield. Zijne geheele gestalte, maar vooral zijn gezicht en hoofd zwollen geweldiger op dan nog ooit was waargenomen, zoodat de bruine knecht niets anders zag dan eene stuipachtig trillende massa indigo. Eindelijk barstte hij in een geweldigen hoest uit, en toen deze over was in eene reeks van uitroepingen gelijk de volgende:

“Zoudt ge wel willen, jufvrouw, zoudt ge wel willen? Mevrouw Dombey, he, jufvrouw? Ik geloof het niet, jufvrouw. Niet zoolang Joe B. eene spaak in het wiel kan steken, jufvrouw. J. B. is nu quite met u, jufvrouw. Hij is nog niet geheel uitgekegeld, mijnheer, Jozef Bagstock. Zij is slim, mijnheer, slim, maar Jozef is nog slimmer. De oude Joe is wakker, klaar wakker; hij heeft zijne oogen wijd open, mijnheer!” Er kon geen twijfel zijn aan de waarheid der laatste verklaring; zij was zelfs van schrikkelijke waarheid, en bleef dit ook het grootste gedeelte van den nacht, welken de majoor voornamelijk onder het uiten van dergelijke uitroepingen doorbracht, afgewisseld met hoest- en hijgbuien, die het geheele huis deden bang worden.

Het was daags na deze gelegenheid (op een zondag), toen, terwijl Dombey, mevrouw Chick en jufvrouw Tox nog aan het ontbijt zaten en lofspraken op den majoor hielden, Florence kwam binnenloopen, met eene gloeiende kleur over geheel haar gezichtje en vroolijk schitterende oogen, en riep:

“Papa, papa! Daar is Walter! en hij wil niet binnenkomen.”—“Wie?” zeide Dombey. “Wat meent zij toch? Wat is er?”—“Walter, papa,” antwoordde Florence beschroomd, nu begrijpende dat zij met veel te veel gemeenzaamheid zijne hooge tegenwoordigheid was genaderd. “Die mij gevonden heeft toen ik was weggeraakt.”—“Meent zij den jongen Gay, Louise?” vroeg Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Inderdaad, dat kind heeft zeer luidruchtige manieren gekregen. Zij kan den jongen Gay niet meenen, denk ik. Zie eens wat het is, als het u belieft.”

Mevrouw Chick haastte zich naar den gang en kwam terug met het bericht dat het de jonge Gay was, met nog iemand, die er heel wonderlijk uitzag; en dat de jonge Gay zeide dat hij niet zoo vrijpostig wilde zijn om binnen te komen, daar hij hoorde dat mijnheer Dombey aan het ontbijt zat, maar wachten zou tot het mijnheer Dombey beliefde hem te zien.

“Zeg den jongen dat hij nu maar komt,” zeide Dombey. “Wel, Gay, wat is er? Wie heeft u hier gezonden? Was er niemand anders om te gaan?”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik ben niet gezonden. Ik ben zoo vrij geweest om uit mij zelven te komen en hoop dat gij dit niet kwalijk zult nemen, als ik u de reden zeg.”

Maar zonder te letten op hetgeen hij zeide, keek Dombey ongeduldig aan beide kanten om hem heen (alsof hij een pilaar was die in den weg stond) naar een voorwerp achter hem.

“Wat is dat?” zeide Dombey. “Wie is dat? Ik denk dat gij u in de deur hebt vergist, mijnheer.”—“O het spijt mij wel dat ik iemand moest medebrengen, mijnheer,” zeide Walter haastig; “maar dit is—dit is kapitein Cuttle, mijnheer.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein met eene zware stem, “sta nu vast!”

Te gelijker tijd kwam de kapitein wat verder binnen, waardoor zijn wijd blauw pak, zijne in het oog loopende boordjes en zijn knobbelige neus nog duidelijker uitkwamen, en bleef voor Dombey staan buigen en beleefd met zijn haak naar de dames wuiven, met zijn harden blinkenden hoed in zijne eenige hand en eene roode streep voor het hoofd, welke de hoed versch daarop had nagelaten.

Dombey zag dit verschijnsel met verbazing en verontwaardiging aan, en scheen met zijne blikken naar mevrouw Chick en jufvrouw Tox daartegen te protesteeren. Kleine Paul, die na Florence was binnengekomen, deinsde, toen de kapitein met zijn haak zwaaide, achteruit naar jufvrouw Tox en hield zich op verdediging gereed.

“Wel, Gay,” zeide Dombey. “Wat hebt ge mij te zeggen?”

Nogmaals zeide de kapitein, als eene algemeene opening van het gesprek, waardoor hij niet missen kon iedereen gunstig te stemmen: “Walter, sta vast.”—“Ik vrees, mijnheer,” begon Walter, bevende en naar den grond ziende, “dat het heel vrijpostig van mij is dat ik hier kom—dat doe ik waarlijk. Ik zou haast den moed niet gehad hebben om naar u te vragen, mijnheer, zelfs toen ik al hier was gekomen, vrees ik, als jonge jufvrouw Dombey mij niet had gezien en....”—“Wel!” zeide Dombey, zijne oogen volgende toen hij naar de oplettende Florence omkeek, en zonder het zelf te weten zijn voorhoofd fronsende, toen zij hem met een glimlach aanmoedigde. “Ga voort als het u belieft.”—“Ja, ja,” zeide de kapitein, die het voor een plicht van beleefdheid hield mijnheer Dombey te ondersteunen. “Wel gezegd! Ga voort, Walter.”

Kapitein Cuttle had verdelgd moeten worden door den blik dien Dombey hem tot dank voor zijne goedgunstige hulp toezond. Maar zonder iets daarvan te vermoeden, kneep hij slechts tot antwoord een oog dicht en gaf Dombey door zekere bewegingen van zijn haak te verstaan, dat Walter in het eerst een beetje bedeesd was, maar spoedig wel beter op zijn dreef zou komen.

“Het is geheel eene bijzondere en personeele zaak, die mij hier heeft doen komen, mijnheer,” vervolgde Walter, haperend; “en kapitein Cuttle...”—“Hier!” viel de kapitein er op in, als eene verzekering dat hij bij de hand was en men op hem aan kon.—“Die een heel oud vriend van mijn ongelukkigen oom en een best mensch is, mijnheer,” vervolgde Walter, zijne oogen opslaande met een blik alsof hij voor den kapitein om inschikkelijkheid wilde smeeken, “was zoo goed om met mij mede te willen gaan—iets dat ik moeielijk weigeren kon.”—“Wel neen,” merkte de kapitein zeer vergenoegd aan. “Geene reden om te weigeren. Ga voort, Walter.”—“En daarom, mijnheer,” hervatte Walter, het nu wagende om Dombey in de oogen te zien, en juist uit wanhoop aan de zaak met meer moed voortgaande, nu het niet meer te vermijden was, “en daarom, mijnheer, ben ik met hem hier gekomen om te zeggen dat mijn goede oude oom in groote ongelegenheid en droefheid is. Zijne zaken zijn langzamerhand verloopen, en zoo is hij niet in staat geweest om eene betaling te doen, waarvoor de vrees hem al maanden lang zwaar heeft gedrukt, zooals ik waarlijk wel weet, mijnheer; en nu is er eene executie in huis, en ik vrees dat hij al wat hij heeft zal verliezen en dan van hartzeer sterven. En als gij nu in uwe goedheid en omdat gij vanouds weet dat hij een ordentelijk man is, iets mocht willen doen om hem uit zijne verlegenheid te helpen, mijnheer, zouden wij u nooit genoeg kunnen danken.”

Walter’s oogen vulden zich met tranen terwijl hij sprak, en die van Florence insgelijks. Haar vader zag ze glinsteren, hoewel hij alleen naar Walter scheen te zien.

“Het is eene groote som, mijnheer,” hervatte Walter. “Boven de driehonderd pond. Mijn oom is door dit ongeluk geheel ter neer geslagen, en buiten staat om zelf iets te doen om uitkomst te zoeken. Hij weet ook nog niet dat ik u ben gaan spreken. Gij zoudt zeker willen, mijnheer,” vervolgde Walter, na een oogenblik aarzelens, “dat ik zeide wat ik eigenlijk verlangde; maar dat weet ik waarlijk niet recht, mijnheer. Mijn oom heeft nog zijn winkelvoorraad, waarop ik geloof gerust te mogen zeggen dat geene andere schulden liggen; en hier is kapitein Cuttle, die ook borg wil blijven. Ik—ik durf er haast niet van spreken,” zeide Walter, “zooveel als ik verdien; maar als ge dat woudt laten oploopen—opnemen—voorschot—oom—een eerlijk oud man.” Met deze afgebroken woorden kwam Walter tot stilzwijgen, en bleef toen met een hangend hoofd voor zijn patroon staan.

Dit een gunstig oogenblik achtende om zijne schatten te vertoonen, kwam kapitein Cuttle naar de tafel, en nadat hij tusschen het ontbijtgoed, vlak bij Dombey’s elleboog, ruimte had gemaakt, haalde hij horloge, contanten, theelepeltjes en suikertang uit, stapelde alles op een hoop, opdat het er zoo kostbaar mogelijk zou uitzien, en sprak toen aldus:

“Een half brood is beter dan geen brood, en hetzelfde geldt van kruimeltjes. Hier is een hoopje. Een pensioen van honderd pond ’s jaars kan ook verbonden worden. Als er een man propvol wetenschap in de wereld is, is het de oude Sam Gills. Als er een jong mensch van belofte is—een jong mensch, overvloeiende van melk en honig,” zeide de kapitein met een zijner gelukkige aanhalingen, “dan is het zijn neef.”

Daarna ging de kapitein achterwaarts naar zijne vorige plaats, waar hij zijne verstrooide lokken stond glad te strijken met het gezicht van een man, die iets zeer moeielijks bijzonder goed verricht had.

Toen Walter ophield met spreken, werden Dombey’s oogen door den kleinen Paul aangetrokken, die, toen hij zijn zusje stil zag schreien, uit medelijden met het ongeluk waarvan zij gehoord had, naar haar toeging en haar poogde te troosten, terwijl hij met een gezichtje vol uitdrukking naar Walter en zijn vader omkeek. Na de korte afleiding van kapitein Cuttle’s rede, die hij met deftige onverschilligheid aanhoorde, vestigde Dombey zijne oogen weder op zijn zoon, en bleef het kind eene poos stilzwijgend aanzien.

“Hoe is die schuld gemaakt?” vroeg Dombey eindelijk. “Wie is de crediteur?”—“Dat weet hij niet,” antwoordde de kapitein, zijne hand op Walter’s schouder leggende. “Maar ik wel. Die schuld komt daar vandaan dat mijn vriend Gills eens iemand geholpen heeft, die nu al lang dood is, en dat heeft hem al menige honderd pond gekost. Meer onder vier oogen, als u dat belieft.”—“Menschen die moeite genoeg hebben om zelven staande te blijven,” zeide Dombey, zonder op des kapiteins geheimzinnige teekenen achter Walter te letten, en nog naar zijn zoon ziende, “moesten liever met hunne eigene verplichtingen en bezwaren voldaan zijn, en ze niet vermeerderen door voor anderen borg te blijven. Zoo iets is een blijk van oneerlijkheid en verwaandheid,” zeide Dombey zeer barsch, “van groote verwaandheid; want rijke lieden zouden niet meer kunnen doen. Paul, kom eens hier.”

Het kind gehoorzaamde, en Dombey nam hem op zijne knie.

“Als gij nu geld hadt,”—zeide Dombey. “Zie mij eens aan.”

Paul, wiens oogen tusschen zijne zuster en Walter heen en weder zwierven, zag zijn vader aan.

“Als gij nu geld hadt,” zeide Dombey, “zooveel geld als de jonge Gay van gesproken heeft; wat zoudt ge dan doen?”—“Het aan zijn ouden oom geven,” antwoordde Paul.—“Het aan zijn ouden oom leenen, niet waar?” verbeterde Dombey. “Wel! Als gij oud genoeg zijt, weet ge, zult ge deel aan mijn geld krijgen en zullen wij het samen gebruiken.”—“Dombey en Zoon,” viel Paul er op in, wien deze spreuk reeds vroeg was bijgebracht.—“Dombey en Zoon,” herhaalde zijn vader. “Zoudt ge nu gaarne Dombey en Zoon beginnen te worden, en dat geld aan den oom van Gay leenen?”—“O, als het u belieft, papa,” antwoordde Paul, “en dat zou Florence ook zoo graag.”—“Meisjes,” zeide Dombey, “hebben niets met Dombey en Zoon te maken. Zoudt gij het gaarne willen?”—“Ja, papa, ja.”—“Dan zult gij het doen,” antwoordde zijn vader. “En gij ziet nu wel, Paul,” vervolgde hij, zijne stem latende dalen, “hoe machtig het geld is, en hoe de menschen er naar verlangen. De jonge Gay komt dien geheelen weg om geld te vragen, en gij, die zoo rijk en groot zijt, omdat gij het hebt, zult het hem nu laten hebben, als eene groote gunst en verplichting.”

Paul keek even op met zijn oudachtig gezichtje, hetwelk uitdrukte, dat hij de beteekenis dezer woorden zeer wel begreep; maar terstond daarop werd het weder een jong en kinderlijk gezichtje, toen hij zich van zijn vaders knie liet glijden en naar Florence toeliep om haar te zeggen dat zij niet meer moest schreien, want dat hij den jongen Gay het geld zou laten hebben.

Dombey keerde zich nu om naar een zijtafeltje, schreef een briefje en verzegelde dit. In dien tusschentijd fluisterden Paul en Florence met Walter, en zag kapitein Cuttle genoeglijk op dit drietal neer, met zulke hoogvliegende en verwaande gedachten, dat Dombey ze nooit had kunnen gelooven. Toen het briefje gereed was, keerde Dombey zich weder om en hield het Walter toe.

“Geef dat,” zeide hij, “morgenochtend terstond aan mijnheer Carker. Hij zal dadelijk zorgen dat iemand van het kantoor uw oom uit zijne tegenwoordige positie gaat bevrijden, door het volle bedrag van den eisch te betalen, en dat er voor de terugbetaling zulke schikkingen gemaakt worden als in de omstandigheden van uw oom dienstig zijn. Gij zult wel onthouden, dat het door jongen heer Paul voor u gedaan wordt.”

Walter, die zoo onverwacht het middel in de hand kreeg om zijn goeden oom uit zijne bezwaren te redden, had wel iets van zijne dankbaarheid en blijdschap willen uitdrukken; maar Dombey stuitte hem.

“Gij zult wel onthouden,” herhaalde hij, “dat dit door den jongen heer Paul gedaan wordt. Ik heb het hem verklaard, en hij begrijpt het. Ik wensch dat er niets meer van gezegd worde.”

Daar hij naar de deur wees, kon Walter niets anders doen dan buigen en heengaan. Jufvrouw Tox, die zag dat de kapitein hetzelfde scheen te willen doen, kwam er nu tusschen.

“Mijnheer,” zeide zij, Dombey aansprekende, over wiens mildheid zij en mevrouw Chick een overvloed van tranen stortten. “Ik geloof dat gij iets voorbijziet. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Dombey, ik geloof dat uw verheven karakter u eene kleine bijomstandigheid heeft doen overslaan.”—“Inderdaad, jufvrouw Tox!” zeide Dombey.—“Die heer met dat—instrument,” hervatte jufvrouw Tox, met een blik naar kapitein Cuttle, “heeft op de tafel, naast u...”—“Goede hemel,” zeide Dombey, de schatten des kapiteins wegvegende, alsof het werkelijk kruimels waren. “Neem die dingen weg. Ik ben u wel verplicht, jufvrouw Tox. Dit is een bewijs van uwe gewone oplettendheid. Wees zoo goed om die dingen weg te nemen, mijnheer.”

Kapitein Cuttle gevoelde dat hem niets overschoot dan te gehoorzamen. Maar de grootmoedigheid van Dombey, die schatten, zoo vlak voor hem opgestapeld, van de hand wees, trof hem zoodanig, dat hij, na de theelepeltjes en de suikertang in den eenen zak en de contanten in den anderen te hebben gestoken en het groote horloge langzaam in zijn eigen kuil te hebben afgelaten, zich niet kon weerhouden van de rechterhand van dien heer met zijne linkerhand te vatten, en den haak hartelijk in de palm te drukken. De gelijktijdige gewaarwording van warm gevoel en koud ijzer deed Dombey huiveren.

Daarna wierp kapitein Cuttle de dames zeer zwierig en galant verscheidene haakkussen toe, en nadat hij nog in het bijzonder afscheid van Paul en Florence had genomen, ging hij met Walter de kamer uit. In de warmte van haar hartje liep Florence hen reeds na, om eene boodschap voor den ouden Sam mede te geven, toen Dombey haar terug riep en beval te blijven waar zij was.

“Zult ge dan nooit eene Dombey worden, kindlief?” zeide mevrouw Chick met aandoenlijk verwijt.—“Lieve tante,” zeide Florence, “wees niet boos op mij. Ik ben papa zoo dankbaar.”

Zij had wel naar hem willen toeloopen en hare armen om zijn hals slaan, als zij maar gedurfd had; maar dewijl zij niet durfde, keek zij maar naar hem met dankbare oogen, terwijl hij zat te peinzen, somtijds met een onrustigen blik naar haar omziende, maar meestal den kleinen Paul gadeslaande, die in zijne nieuwe waardigheid, als de persoon die den jongen Gay het geld had laten hebben, deftig door de kamer stapte.

En de jonge Gay—Walter—hoe was het met hem?

Hij was blijde dat de huiselijke haard des ouden mans nu van deurwaarders en uitdragers gezuiverd zou worden, en hij met goede tijding naar zijn oom terugsnelde. Hij was blijde dat alles den volgenden dag voor den middag beschikt en beredderd was, en hij des avonds weder met den ouden Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje zat, en hij den instrumentmaker reeds zag herleven, en op de toekomst hopen, en gevoelen dat de houten adelborst weder zijn eigendom was. Maar zonder zijne dankbaarheid voor mijnheer Dombey eenigszins te kort te doen, moet het toch gezegd worden dat Walter vernederd en ontmoedigd was. Het is, wanneer de zwellende bloesemknoppen onzer hoop door een guren wind onherstelbaar genepen worden, dat wij meest genegen zijn ons voor te stellen welke bloemen zij hadden kunnen geven als zij ontloken waren; en nu Walter zich door een nieuwen en schrikkelijken val van de ontzaglijke Dombeyaansche hoogte vond afgesneden, en gevoelde dat al zijne oude dwaze grillen daardoor in den wind verstrooid waren, begon hij te vermoeden dat zij hem hadden kunnen voeren om zich geheel argeloos te verbeelden, dat hij eens naar Florence’s hand zou kunnen staan.

De kapitein beschouwde de zaak in een geheel ander licht. Hij scheen te gelooven dat de samenkomst, die hij had bijgewoond, zoo bemoedigend was, dat zij maar een paar stappen van eene bepaalde verloving tusschen Walter en Florence was verwijderd, en dat het voorgevallene zijne Whittingtoniaansche hoop ten uiterste had begunstigd, zoo al niet tot volstrekte zekerheid gebracht. Geprikkeld door deze overlegging, alsook door de meerdere opgeruimdheid van zijn ouden vriend, en zijne eigene daaruit voortspruitende vroolijkheid, poogde hij dien avond, toen hij de ballade van mooie Peggy zong, den naam van Florence voor dien der heldin in de plaats te stellen, en daar hij dit om het rijm bezwaarlijk vond, kwam hij op den gelukkigen inval om den weerbarstigen naam in Fleggy te veranderen. Zoo zong hij dus het liedje met bijna bovennatuurlijke schalkachtigheid en eene daverende stem, hoewel de tijd nabij was dat hij de woning der geduchte jufvrouw MacStinger weder moest gaan opzoeken.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XI. PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD

Mevrouw Pipchin’s gestel bestond uit zulk hard metaal, hoewel het onderhevig was aan de vleeschelijke zwakheid om na karbonaden rust noodig te hebben, dat zij de voorspellingen van jufvrouw Wickam logenstrafte en er zich geene verschijnselen van tering bij haar opdeden. Daar echter Paul’s buitengewone ingenomenheid met de oude dame in volle kracht bleef, week jufvrouw Wickam geen duim breed van haar gevoelen af. Zich op den vasten grond van haar ooms Betsey Jane verschansende, raadde zij jufvrouw Berry als vriendin om zich op het ergste gereed te houden, en waarschuwde haar dat hare tante ieder oogenblik even gevaarlijk was als een kruitmolen.

De arme Berry hoorde dit alles geduldig aan en sloofde en slaafde naar gewoonte voort, volmaakt overtuigd dat mevrouw Pipchin een der verdienstelijkste menschen op de wereld was, waarom zij dan ook zich zelve ontelbare malen daags op het altaar dier edele matrone ten offer bracht. Doch al die zelfopofferingen van Berry werden door mevrouw Pipchin’s vrienden en vriendinnen op eene of andere wijs geheel ter eere van die dame uitgelegd, en in verband gebracht met de treurige omstandigheid dat mijnheer Pipchin van hartzeer over de mijnen van Peru was gestorven.

Bij voorbeeld, er was een eerlijk komenijsman, tusschen wien en mevrouw Pipchin een aanteekenboekje, met een vettig rood bandje, werd gehouden, dat gedurig geschil veroorzaakte, en waarover telkens geheime conferentiën werden gehouden, hetzij op de mat in den gang, of met geslotene deur in de zijkamer. Het ontbrak ook niet aan donkere geruchten, van jongen heer Bitherstone afkomstig (die door den invloed der zonnehitte van Indië op zijn bloed een wraakzuchtig karakter had gekregen) dat de rekening dikwijls onbetaald bleef en men tusschenbeide gebrek aan suiker bij de thee leed. Daar deze komenijsman ongetrouwd was en niet naar uitwendige schoonheid zag, had hij eens zeer fatsoenlijk om de hand van Berry gevraagd, welke mevrouw Pipchin hem met hoon en smaad had geweigerd. Iedereen zeide, hoe loffelijk dit van mevrouw Pipchin was, weduwe van een man, die aan de mijnen van Peru was gestorven, en hoe hooghartig en onafhankelijk de oude dame nog was. Maar niemand zeide iets van Berry, die zes weken lang schreide (al dien tijd door hare goede tante geducht bekeven), en in een staat van hopeloos oudvrijsterschap verzonk.

“Berry houdt veel van u, niet waar?” zeide Paul eens tot mevrouw Pipchin, toen zij met de kat bij het vuur zaten.—“Ja,” zeide mevrouw Pipchin.—“Waarom?” vroeg Paul.—“Waarom?” herhaalde de oude dame uit het veld geslagen. “Hoe kunt gij zoo iets vragen, jonge heer? Waarom houdt gij van uw zusje Florence?”—“Omdat zij zoo goed is,” antwoordde Paul. “Er is niemand die naar Florence gelijkt.”—“Wel,” zeide mevrouw Pipchin kortaf, “en er is niemand die naar mij gelijkt, denk ik.”—“Zou er waarlijk niemand wezen?” vroeg Paul, op zijn stoeltje vooroverleunende en haar zeer strak aankijkende.—“Neen,” zeide de oude dame.—“Daar ben ik blij om,” merkte Paul aan, nadenkend in zijne handjes wrijvende. “Dat vind ik heel goed.”

Mevrouw Pipchin durfde hem niet vragen waarom, uit vrees voor een geheel verpletterend antwoord. Maar als een balsem voor haar gekwetst gevoel, plaagde zij den kleinen Bitherstone tot hij naar bed ging zoodanig, dat hij dien zelfden avond beschikkingen begon te maken om over land naar Indië terug te keeren, door van zijn avondeten een brok brood en een stukje kaas weg te stoppen, als het begin van een voorraad van levensmiddelen om zich op reis te onderhouden.

Mevrouw Pipchin had nu bijna een jaar lang den kleinen Paul en zijne zuster onder haar opzicht gehad. Zij waren tweemaal naar huis geweest, maar slechts voor weinige dagen, en hadden overigens hun vader wekelijks geregeld in zijn logement gaan bezoeken. Langzamerhand was kleine Paul sterker geworden en had hij zijn wagentje kunnen missen; maar hij was nog mager en teer, en bleef nog hetzelfde oudachtige, stille, droomerige kind, dat hij was toen hij pas aan de zorg van mevrouw Pipchin werd toevertrouwd. Op een zaterdagavond, tegen de schemering, werd er eens in het Kasteel eene groote ontsteltenis veroorzaakt, daar Dombey geheel onverwacht mevrouw Pipchin een bezoek kwam brengen. Dadelijk werd de bevolking der zijkamer als door een wervelwind naar boven gejaagd, en na veel toeslaan van deuren en stampen van voeten op die verdieping, en nadat mevrouw Pipchin, om hare onrust eenigszins lucht te geven, den kleinen Bitherstone eenige duwen en stompen had toegediend, verdonkerde eindelijk het zwarte gewaad der brave vrouw de audiëntiezaal, waar Dombey het ledige leuningstoeltje van zijn zoon en erfgenaam zat te beschouwen.

“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey. “Hoe vaart ge?”—“Wel verplicht, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin. “Tamelijk wel, alles in aanmerking genomen.”

Mevrouw Pipchin gebruikte altijd die spreekwijs. Zij meende, hare deugden, opofferingen enz. in aanmerking genomen.

“Ik kan niet verwachten ooit geheel gezond te zijn, mijnheer,” hervatte mevrouw Pipchin, een stoel nemende en naar adem hijgende, “maar voor zooveel gezondheid als ik heb, ben ik dankbaar.”

Dombey boog zijn hoofd met het tevreden gezicht van een patroon, die begreep dat dit juist datgene was waarvoor hij zooveel in het vierendeeljaar betaalde. Na een oogenblik van stilte, hervatte hij:

“Mevrouw Pipchin, ik ben zoo vrij geweest aan te komen, om u over mijn zoon te raadplegen. Ik ben dat al eenigen tijd voornemens geweest, maar heb het gedurig uitgesteld, om te wachten tot zijne gezondheid geheel hersteld was. Gij hebt geene bezorgdheid in dat opzicht, mevrouw Pipchin?”—“Brighton is hem zeer heilzaam geweest, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Inderdaad, zeer heilzaam.”—“Ik ben ook voornemens,” zeide Dombey, “dat hij te Brighton zal blijven.”

Mevrouw Pipchin wreef in hare handen en vestigde hare oogen op het vuur.

“Maar,” vervolgde Dombey, zijn voorvinger opstekende, “maar misschien zal ik nu eene verandering met hem maken, waardoor hij hier eene geheel andere levenswijs zal krijgen. Kortom, mevrouw Pipchin, dat is het oogmerk van mijn bezoek. Mijn zoon begint nu voort te komen—werkelijk voort te komen.”

De zegepralende houding waarmede Dombey dit zeide had iets treurigs. Zij bewees hoelang Paul’s kindsheid hem geduurd had, en hoe zijne hoop op een later tijdperk van zijn leven was gevestigd. Medelijden mag een vreemd woord schijnen om op een man, die zoo koud en trotsch was, toe te passen, en toch scheen hij op dat oogenblik een waardig voorwerp van medelijden te zijn.

“Zes jaren oud,” zeide Dombey, zijne das verschikkende, misschien om een onbedwingbaren glimlach te verbergen, die veeleer van zijn gezicht, waar hij geene rustplaats vond, scheen af te schampen, dan er over te spelen. “Wel, zes zal zestien worden, eer wij er om denken.”—“Tien jaren,” kraste de onmeedoogende mevrouw Pipchin, met eene ijskoude flikkering in hare harde grijze oogen, en een akelig schudden van haar gebogen hoofd, “is een lange tijd.”—“Dat hangt van omstandigheden af,” antwoordde Dombey. “In allen gevalle, mevrouw Pipchin, mijn zoon is nu zes jaren, en er is geen twijfel aan, vrees ik, of hij is in het leeren ver ten achter bij vele kinderen even oud als hij—of even jong,” zeide Dombey, snel opmerkende wat hij misschien voor een spottend flikkeren der koude oogen meende te moeten houden—“even jong is eene meer gepaste uitdrukking. Nu, mevrouw Pipchin, behoorde mijn zoon, in plaats van bij andere kinderen ten achter, hen veel vooruit te zijn. Er is eene verhevene plaats voor hem gereed. De loopbaan van mijn zoon heeft niets twijfelachtigs. Zijn weg door het leven was duidelijk afgeteekend en voorbereid, eer hij aanwezig was. De opvoeding van zulk een jongen heer moet niet verzuimd of vertraagd worden. Zij moet niet onvolkomen blijven. Er moet met ijver en ernst voor gezorgd worden, mevrouw Pipchin.”—“Zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Daar kan ik niets tegen zeggen.”—“Ik was overtuigd, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey goedkeurend, “dat iemand van uw verstand dat niet zou kunnen of willen.”—“Er wordt veel onzin, of erger, over uitgekraamd, dat kinderen in het eerst niet te hard moeten worden aangezet, en zachtjes voortgeleid, en zoo al meer, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin, ongeduldig haar haviksneus wrijvende. “In mijn tijd dacht men nooit om zoo iets, en dat behoeft men nu nog niet te doen. Mijne meening is “laat ze geen rust.””—“Mevrouw,” antwoordde Dombey, “gij hebt uwe reputatie niet onverdiend verworven; en ik verzoek u te willen gelooven, dat ik meer dan tevreden ben over uwe uitmuntende manier van opvoeden, en die met het grootste genoegen zal recommandeeren, als mijne geringe recommandatie”—Dombey’s statigheid, wanneer hij zijne eigene gewichtigheid veinsde te willen verkleinen, ging alle verbeelding te boven, “van eenigen dienst kan zijn. Ik heb aan doctor Blimber gedacht, mevrouw Pipchin.”—“Mijn buurman, mijnheer?” zeide mevrouw Pipchin. “Ik geloof dat het instituut van doctor Blimber uitmuntend is ingericht. Ik hoor dat men er zeer streng is, en er van den ochtend tot den avond niets gedaan wordt dan leeren.”—“En het is zeer duur,” voegde Dombey er bij.—“En het is zeer duur, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met een spoed alsof zij, door deze omstandigheid te vergeten, een der voornaamste verdiensten van het instituut had verwaarloosd.—“Ik heb reeds eenige informatie bij den doctor genomen, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zijn stoel onrustig een weinig dichter bij het vuur schuivende, “en hij denkt dat Paul volstrekt niet te jong is. Hij heeft mij verscheiden voorbeelden genoemd van jongens, die op dezelfde jaren al aan het Grieksch waren. Als ik mij, wat die verandering betreft, eenigszins ongerust maak, mevrouw Pipchin, is het niet om die reden. Daar mijn zoon nooit eene moeder heeft gekend, heeft hij zijne kinderlijke gehechtheid langzamerhand wat veel—wat al te veel—op zijne zuster overgebracht. Of hunne scheiding—” Dombey sprak niet verder, maar bleef zwijgend zitten.—“Wel heere mijn tijd!” riep mevrouw Pipchin uit, haar zwarten rok uitschuddende, terwijl de kindereetster in volle mate bij haar ontwaakte. “Als het haar niet bevalt, mijnheer Dombey, moet zij het maar leeren slikken.” De goede vrouw verzocht terstond daarop verschooning dat zij zulk eene triviale uitdrukking gebruikte, maar zeide (en met waarheid) dat dit de manier was waarop zij redeneerde.

Dombey wachtte tot mevrouw Pipchin gedaan had met het hoofdschudden en zuur kijken alsof zij een legioen Bitherstone’s en Pankey’s wilde bang maken, en zeide toen bedaard, maar berispend: “Maar hem, mijne goede mevrouw, hem.”

Mevrouw Pipchin zou wel gezind zijn geweest om allen tegenzin van kleinen Paul op dezelfde wijs te genezen; maar het grijze oog was scherp genoeg om te zien, dat haar recept, schoon Dombey wel wilde toegeven dat het voor zijne dochter dienstig kon zijn, hem voor zijn zoon niet beviel. Zij begon dus over de zaak uit te weiden, en beweerde dat de verandering, het nieuwe gezelschap, de geheel verschillende levenswijs, die hij bij doctor Blimber zou hebben, en de drukte van de lessen hem spoedig van oude betrekkingen zouden vervreemden. Daar dit met Dombey’s eigene hoop en geloof instemde, gaf het hem eene nog hoogere meening van mevrouw Pipchin’s verstand; en daar mevrouw Pipchin te gelijk het verlies van haar liefste vriendje bejammerde (hetwelk echter niet zulk een zware schok voor haar was, daar zij het reeds lang had verwacht, en in het begin niet had gedacht dat hij langer dan drie maanden bij haar zou blijven) vatte hij eene even gunstige meening van mevrouw Pipchin’s belangeloosheid op. Het was duidelijk dat hij zorgvuldig over de zaak had gedacht, want hij had een plan gevormd, gelijk hij mevrouw Pipchin nu zeide, om Paul het eerste halfjaar slechts voor de week bij den doctor in den kost te doen, terwijl Florence zoolang bij haar zou blijven, om hem des zaterdags te ontvangen. Zoo zou hij langzaam gespeend worden, zeide Dombey, misschien met eene herinnering dat hij eene vorige maal niet langzaam gespeend was.

Dombey maakte een eind aan het onderhoud, door zijne hoop te kennen te geven, dat mevrouw Pipchin zijn zoon, zoolang hij te Brighton bleef, nog onder haar opzicht zou houden, en nadat hij Paul een kus en Florence de hand had gegeven, den kleinen Bitherstone met zijn staatsiekraag had gezien, en jonge jufvrouw Pankey aan het huilen gemaakt door haar op het hoofd te kloppen (dat bij haar bijzonder gevoelig was, ten gevolge der gewoonte die mevrouw Pipchin had om er met hare knokkels tegen te tikken, alsof het eene ton was waarvan zij het geluid wilde hooren) begaf hij zich naar zijn logement en aan zijn diner, met het besluit dat de opvoeding van den kleinen Paul, nu hij zoo oud en zoo gezond werd, zonder uitstel met kracht moest worden begonnen, om hem aldus voor te bereiden voor de positie waarin hij eens zou schitteren, en dat doctor Blimber hem dadelijk onder handen zou nemen.

Wanneer een jongen door doctor Blimber onder handen werd genomen, kon hij er op rekenen dat het tamelijk hard zou zijn. De doctor nam niet meer dan tien jonge heeren onder zijne leiding, maar hij had altijd (volgens de laagste schatting) een voorraad van geleerdheid voor honderd gereed; en het was zoowel de taak als de vreugd van zijn leven, de ongelukkige tien daarmede vol te proppen.

Doctor Blimber’s instituut was eigenlijk eene groote broeikas, waarin de stooktoestel onophoudelijk in werking werd gehouden. Al de jongens bloeiden voor hun tijd. Geestelijke doperwtjes werden tegen Kerstmis gekweekt, en intellectueele asperges het geheele jaar door. Mathematische aalbessen (erg zuur ook) rijpten onder doctor Blimber’s kweeking in de ontijdigste seizoenen, en aan struiken, die nog niet meer dan spruitjes waren. Alle soorten van Grieksche en Latijnsche groenten werden van de droogste stokken van jongens gehaald, en dat onder de vriesachtigste omstandigheden. De natuur kwam er volstrekt niet op aan. Onverschillig wat een jonge heer bestemd was te dragen, doctor Blimber deed hem, op eene of andere manier, dragen wat men maar wilde.

Dit alles was heel aardig en schrander, maar de geforceerde kweekerij ging met gewone nadeelen gepaard. Die vroegrijpe producten hadden den rechten smaak niet en hielden zich ook niet goed. Bovendien, één jong heer, met een gezwollen neus en een bijzonder groot hoofd (de oudste van de tien, die “alles was door geweest”) hield eens plotseling op met bloeien en bleef als een stok in het etablissement; en men zeide dat de doctor het met den jongen Toots wat al te erg had gemaakt, en dat hij, toen hij een baard begon te krijgen, geene hersenen meer had.

Daar was, in allen gevalle, de jonge Toots, met eene allergrofste stem en een allerschraalsten geest. Hij droeg opzichtige spelden voor de borst en een ring in zijn vestzakje, om tersluiks aan zijn pink te steken, als de leerlingen uit wandelen gingen; werd gedurig verliefd op kindermeisjes, die hij zag en die geen het minste denkbeeld hadden van zijn bestaan; en keek des avonds na den tijd van naar bed gaan, naar de met gas verlichte wereld uit het linker hoekvenster op de derde verdieping, gelijk een boven de maat gegroeide cherub, die al te lang boven was blijven zitten.

De doctor was een zwaarlijvig man, geheel in het zwart, met strikjes aan de knieën en kousen daarbeneden. Hij had een blinkend kaal hoofd, eene zware stem, en zulk eene onderkin, dat het te verwonderen was hoe hij zich in de plooien kon scheren. Hij had insgelijks een paar kleine oogen, die altijd half dicht waren, en een mond, die altijd tot een grijnzenden lach was uitgerekt, alsof hij zoo op het oogenblik een jongen had vastgezet en wachtte om hem uit zijn antwoord te overtuigen, dat hij zijne les niet had geleerd. Wanneer de doctor de rechterhand in de borst stak, met de linker op den rug, en dan, bijna onmerkbaar zijn hoofd schuddende, het gewoonste gezegde tot een zenuwachtigen vreemdeling richtte, was het alsof de Sphinx eene raadselspreuk uitte, die den ongelukkigen vreemdeling het leven moest kosten.

De doctor had een zeer mooi huis, met het uitzicht op de zee. Van binnen was het echter geen vroolijk huis, maar wel het tegendeel. Gordijnen van donkere droevige kleur, zeer schraal en smal, verscholen zich neerslachtig achter de vensters. De tafels en stoelen stonden op rijen, gelijk de cijfers van eene som; in de staatsievertrekken werd zoo zelden gestookt, dat zij zoo kil waren als kelders; de eetzaal scheen de laatste plaats in de wereld te zijn waar men ooit kon eten en drinken; door het geheele huis hoorde men geen geluid behalve het tikken eener groote klok in het voorhuis, hetwelk zelfs op de vliering te hooren was, en somtijds een dof gemurmel van de jonge heeren aan hunne lessen, gelijk het gekir van een troep zwaarmoedige duiven.

Jufvrouw Blimber, hoewel eene ranke, tengere maagd, deed den ernst van het huis geen zacht geweld aan. Jufvrouw Blimber wist van geen gekheid. Zij droeg een bril op haar neus en de haren kort gekroesd. Zij was droog en zanderig van het werken in de graven van doode talen. Men behoefde haar niet van levende talen te spreken. Zij moesten dood wezen—lang dood—en dan groef zij ze op als een hyena.

Mevrouw Blimber, hare mama, was niet geleerd, maar hield zich toch zoo, en dit kwam op hetzelfde neer. Zij zeide op avond partijtjes, dat, als zij Cicero maar had kunnen kennen, zij dacht dat zij tevreden had kunnen sterven. Het was haar altijd een genot de jonge heeren van den doctor uit wandelen te zien gaan, zoo geheel anders dan andere jonge heeren, met de grootst mogelijke boordjes en de stijfst mogelijke dassen. Dat was zoo classisch, zeide zij.

Wat mijnheer Feeder, doctor Blimber’s assistent en bezitter van een academischen graad, betrof, hij was een soort van menschelijk draaiorgel, met een lijstje van deuntjes, die hij aanhoudend, zonder eenige variatie, afspeelde. Misschien had hij vroeger in zijn leven, als het lot hem gunstig was geweest, met verschillende rollen ter verwisseling kunnen voorzien worden; maar dit was niet gebeurd; en hij had er maar een, met welke het zijne taak was door gestadig draaien de jeugdige hersenen van doctor Blimber’s jonge heeren te verbijsteren. Deze jonge heeren werden ontijdig door kwellende zorgen geplaagd. Zij hadden geene rust van onmeedoogende werkwoorden, barsche naamwoorden, onbuigzame taalregelen, en spoken van thema’s, die hun in hunne droomen verschenen. Onder het stelsel van geforceerde cultuur was een jonge heer gewoonlijk in drie weken zijne vroolijkheid kwijt. Binnen drie maanden was hij met al de zorgen der wereld beladen; in vier begon hij de bitterste gevoelens tegen ouders en voogden te koesteren; in vijf was hij een oud menschenhater; in zes benijdde hij Curtius zijne gelukkige schuilplaats onder de aarde, en in een jaar kwam hij tot het besluit, waarvan hij naderhand nooit weder afweek, dat al de schoonheden van dichters en de lessen van wijzen, slechts eene opeenstapeling van woorden tot beoefening der spraakkunst waren, en anders niets beteekenden.

Maar hij bleef ondertusschen in de broeikas des doctors bloeien; en groot waren des doctors naam en roem als hij met zijn wintergroen bij zijne betrekkingen en vrienden thuis kwam.

Eens stond Paul, met een onrustig kloppend hart en het rechterhandje in de hand van zijn vader, op de stoep des doctors. Zijne andere hand was in die van Florence gesloten. Hoe stijf was de druk aan den eenen kant, hoe los en koud aan den anderen!

Mevrouw Pipchin zweefde, met hare zwarte pluimage en haar krommen neus, gelijk een onheilspellende vogel, achter haar slachtoffer. Zij was buiten adem—want Dombey, vol van groote gedachten, had hard doorgestapt—en terwijl zij wachtte tot de deur geopend werd, kuchte zij schor, alsof er eene raaf kraste.

“Nu, Paul,” zeide Dombey met zegepralende blijdschap. “Dit is nu de manier om Dombey en Zoon te worden en geld te krijgen. Gij zijt al haast een man.”—“Haast,” antwoordde het kind.

Zelfs zijne kinderlijke aandoening kon den zonderling sluwen en toch roerenden blik niet overmeesteren, waarmede hij dit antwoord vergezelde.

Deze blik deed een zweem van ongenoegen op Dombey’s gezicht komen, maar dewijl de deur nu geopend werd, verdween die spoedig weder.

“Doctor Blimber is thuis, geloof ik,” zeide Dombey.

De knecht zeide ja; en toen zij boven gingen, keek hij naar Paul, alsof deze een muisje en het huis eene val was. Hij was een jong mensch met zwakke oogen en de flauwst mogelijke sporen van een grijnzend lachje op zijn gezicht. Dit was enkel domheid; maar mevrouw Pipchin verbeeldde zich dat het onbeschoft was, en voer dadelijk tegen hem uit.

“Hoe durft gij achter dien heer zijn rug lachen?” zeide zij. “En waar houdt gij mij voor?”—“Ik lach om niemand, en ik houd u waarlijk ook voor niets, mevrouw,” antwoordde het jonge mensch in zijne verlegenheid.—“Een troep luie rekels,” zeide mevrouw Pipchin, “die voor niets anders deugen dan om een spit te draaien. Ga uw meester dadelijk zeggen dat mijnheer Dombey er is, of het zal u opbreken!”

Het jonge mensch met zwakke oogen ging zeer gedwee zijne boodschap doen, en kwam weldra terug met verzoek dat zij naar des doctors studeerkamer zouden komen.

“Daar lacht gij alweer,” zeide mevrouw Pipchin, toen zij hem op hare beurt, achteraankomende, in het voorhuis voorbijging.—“Dat doe ik niet,” antwoordde het jonge mensch, nu erg ontsteld. “Ik heb nooit zoo iets beleefd!”—“Wat is er toch, mevrouw Pipchin?” zeide Dombey omkijkende. “Zachtjes—verzoek ik u.”

Uit ontzag voor Dombey mompelde mevrouw Pipchin nog maar iets tegen het jonge mensch, terwijl zij verder ging en zeide dat hij een aardig heerschap was; terwijl het jonge mensch, geheel gedweeheid en onthutstheid, daar staan bleef, door dit voorval bijna tot tranen geroerd. Mevrouw Pipchin had de manier om alle zachtzinnige menschen te brutaliseeren; en hare vrienden vroegen, wie zich daarover kon verwonderen, na hetgeen er met de mijnen van Peru was gebeurd.

De doctor zat in zijne geduchte studeerkamer, met eene globe aan elke knie, boeken overal om zich heen, Homerus boven de deur en Minerva op den schoorsteenmantel. “Hoe vaart gij, mijnheer,” zeide de doctor, “en hoe maakt het mijn vriendje?” De stem des doctors was zoo zwaar als een orgel, en toen hij zweeg, scheen (voor Paul ten minste) de groote klok in het voorhuis zijne woorden op te vangen en te herhalen: “hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je,” en zoo op den duur maar voort.

Daar het vriendje wat te klein was om hem van de plaats waar de doctor zat, over de boeken op de tafel heen, te kunnen zien, deed de doctor verscheidene vruchtelooze pogingen om hem langs de pooten dier tafel in het oog te krijgen; en toen Dombey dit opmerkte, maakte hij een eind aan des doctor’s verlegenheid door Paul in zijne armen op te nemen, en hem midden in de kamer op een ander tafeltje te zetten. “Ha!” zeide de doctor, toen Paul daar zat, en hij zich met de hand in de borst op zijn stoel achterover liet zakken. “Nu zie ik mijn vriendje. Hoe maakt gij het, mijn vriendje?”

De klok in het voorhuis wilde zich niet naar deze kleine verandering in den vorm der uitdrukking schikken, maar bleef herhalen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?”—“Heel wel, mijnheer, dank u,” antwoordde Paul, evenzeer de klok als den doctor antwoord gevende.—“Ha!” zeide doctor Blimber. “Of wij ook een man van hem zullen maken!”—“Hoort gij wel, Paul?” voegde Dombey er bij, daar Paul bleef zwijgen.—“Of wij ook een man van hem zullen maken!” herhaalde de doctor.—“Ik wilde liever een kind wezen,” antwoordde Paul.—“Zoo waarlijk,” zeide de doctor. “Waarom?”

Het kind bleef hem op de tafel zitten aankijken, met eene zonderlinge uitdrukking van gesmoorde aandoening op zijn gezichtje, en klopte met de eene hand trotsch op zijn knietje, alsof hij de opwellende tranen daaronder had en ze wegsloeg. Maar zijne andere hand dwaalde ondertusschen wat verder—nog wat verder—nog wat verder—tot zij op den hals van Florence kwam te liggen. “Daarom is het,” scheen die hand te zeggen, en toen verdween de strakke blik, ontspande zich de trekkende mond en stroomden de tranen.

“Mevrouw Pipchin,” zeide zijn vader op een neteligen toon. “Het spijt mij waarlijk zeer dit te zien.”—“Ga van hem vandaan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide mevrouw Pipchin.—“Het komt er niet op aan,” zeide de doctor, met een knikje om mevrouw Pipchin terug te houden. “Het—komt—er—niet—op—aan. Wij zullen hem wel spoedig nieuwe indrukken en nieuwe zorgen geven, mijnheer Dombey. Gij zoudt nog wenschen dat mijn vriendje onderricht kreeg in...”—“Alles, als het u belieft, doctor,” antwoordde Dombey op vasten toon.—“Ja,” zeide de doctor, die, met zijne half geslotene oogen en zijn gewonen glimlach, den kleinen Paul met die soort van belangstelling scheen te beschouwen, welke hij aan een aardig beestje had kunnen hechten, dat hij zou opstoppen. “Ja, juist. Ha! Wij zullen ons vriendje eene groote verscheidenheid van kundigheden bijbrengen en hem snel vooruithelpen, durf ik wel zeggen—durf ik wel zeggen. Geheel maagdelijke grond, meen ik van u te hebben gehoord, mijnheer Dombey?”—“Behalve de gewone voorbereiding thuis en van deze dame,” antwoordde Dombey; met een wenk naar mevrouw Pipchin, die zich terstond nog veel stijver hield, alsof zij den doctor bij voorraad uitdaagde in geval hij het minste tegen haar mocht zeggen, “heeft Paul tot nog toe geen onderwijs ontvangen.”

Doctor Blimber boog zijn hoofd, om zijne vriendelijke verdraagzaamheid te kennen te geven voor zulke onbeduidende strooperijen als die van mevrouw Pipchin op zijn gebied, en zeide dat hij zich daarover verheugde. Het was veel beter, zeide hij, zijne handen wrijvende, van den grondslag af te beginnen. En wederom loerde hij naar Paul, alsof hij dezen gaarne terstond met het Grieksche alphabet had willen aanklampen.

“Die omstandigheid, doctor Blimber,” hervatte Dombey, “en het onderhoud dat ik reeds met u heb mogen hebben, maken alle verdere ophelderingen, en dus alle verdere eischen op uw kostbaren tijd, zoo onnoodig, dat...”—“Houd u stil, jonge jufvrouw Dombey!” zeide de zure mevrouw Pipchin.—“Verschooning,” zeide de doctor. “Nog een oogenblik. Laat ik u mevrouw Blimber en mijne dochter mogen presenteeren, die het huiselijk leven van onzen jongen pelgrim naar den Parnassus zullen veraangenamen.—Mevrouw Blimber,” want deze dame, die misschien had staan wachten, trad juist op dat oogenblik binnen, gevolgd door hare dochter met haar bril, “mijnheer Dombey. Mijne dochter Cornelia, mijnheer Dombey. Mijnheer Dombey, lieve,” vervolgde de doctor, zich naar zijne vrouw keerende, “is zoo goed om—ziet gij ons vriendje wel!”

In hare overmaat van beleefdheid voor Dombey, deed mevrouw Blimber dit blijkbaar niet, want al nijgende achteruitstappende duwde zij het vriendje bijna van de tafel af. Op dezen wenk keerde zij zich echter om, ten einde zijne schrandere en classische trekken te bewonderen, en zich toen weder naar Dombey omkeerende, zeide zij, dat zij zijn dierbaren zoon benijdde.

“Als een bijtje, mijnheer,” zeide mevrouw Blimber, met de oogen omhoog, “gereed om zich in een tuin vol van de keurigste bloemen te storten en voor de eerste maal den honig daaruit te zuigen. Virgilius, Horatius, Ovidius, Terentius, Plautus, Cicero. Welk een schat van honig hebben wij hier. Het kan wel vreemd schijnen, mijnheer Dombey, dat zij die eene vrouw is—de vrouw van zulk een man—”—“Stil, stil!” zeide doctor Blimber. “Foei schaam u!”—“Mijnheer Dombey zal de partijdigheid van eene vrouw wel vergeven,” zeide mevrouw Blimber met een innemend lachje.

Dombey antwoordde “Geheel niet!” welke woorden hij waarschijnlijk op de partijdigheid, niet op het vergeven, wilde toegepast hebben.

“En het kan ook vreemd schijnen dat zij die eene moeder is,” hervatte mevrouw Blimber.—“En zulk eene moeder,” zeide Dombey, met eene buiging en eene verwarde gedachte dat hij Cornelia daarmede een compliment maakte.—“Maar waarlijk,” vervolgde mevrouw Blimber, “ik geloof als ik Cicero had kunnen kennen, en zijne vriendin wezen, en met hem omgaan in zijne afzondering te Tusculum (dat schoone Tusculum), had ik tevreden kunnen sterven.”

Geleerde geestdrift is zoo besmettelijk, dat Dombey half geloofde in hetzelfde geval te verkeeren; en dat zelfs mevrouw Pipchin, die anders gelijk wij gezien hebben niet zeer inschikkelijk was, een geluid slaakte tusschen een geknor en een zucht, alsof zij wilde zeggen, dat Cicero alleen iemand onder zulk een ongeval als dat met de mijnen van Peru had kunnen troosten.

Cornelia keek Dombey door haar bril aan alsof zij gaarne eenige aanhalingen uit den bedoelden schrijver met hem had willen wisselen, maar dit voornemen, als zij het koesterde, werd verijdeld door een kloppen aan de kamerdeur.

“Wie is daar?” zeide de doctor. “O, kom binnen, Toots, kom binnen. Mijnheer Dombey, jonge heer.” Toots boog. “Al zeer toevallig!” zeide doctor Blimber. “Hier hebben wij het begin en het einde. De Alpha en de Omega. Onze primus, mijnheer Dombey.”

De doctor had hem wel onzen reus mogen noemen, want hij stak met hoofd en schouders boven al de andere leerlingen uit. Hij werd erg rood toen hij zich voor vreemdelingen bevond en grinnikte hoorbaar.

“Eene aanwinst voor onzen kleinen Porticus, Toots,” zeide de doctor. “Mijnheer Dombey’s zoontje.”

Toots werd nog rooder, en daar de plechtige stilte, die er heerschte, hem deed begrijpen dat men van hem verwachtte dat hij iets zou zeggen, zeide hij tot Paul: “Hoe vaart ge?” met eene stem zoo grof en een gezicht zoo schaapachtig, dat het niet verrassender had kunnen zijn als men een lam had hooren bulken.

“Vraag mijnheer Feeder, als het u belieft, Toots,” zeide de doctor, “om de eerste boeken voor mijnheer Dombey’s zoon gereed te maken en eene goede plaats voor hem uit te zoeken. Lieve, ik geloof dat mijnheer Dombey de slaapkamers nog niet gezien heeft.”—“Als mijnheer Dombey boven wil komen,” zeide mevrouw Blimber, “zal ik er meer dan trotsch op zijn hem het rijk van den god der droomen te laten zien.”

Daarmede ging mevrouw Blimber, die eene zeer vriendelijke vrouw, en zeer dor van gestalte was, en eene muts droeg waarvan hemelsblauw de hoofdkleur was, met Dombey en Cornelia naar boven. Mevrouw Pipchin volgde, scherp uitkijkende naar haar vijand den knecht.

Terwijl zij weg waren, bleef Paul op de tafel zitten, Florence bij de hand houdende en beschroomd naar den doctor in het rond kijkende, terwijl de doctor, achterover in zijn stoel geleund, met de eene hand volgens gewoonte in de borst, een boek op armslengte van zich afhield en las. Er was iets zeer ontzagwekkends in deze wijze van lezen. Het was zulk eene vastberadene, hartstochtelijke, onbuigzame, koelbloedige manier om te werk te gaan. Des doctors gezicht bleef daardoor geheel zichtbaar, en wanneer hij achterdochtig tegen zijn auteur glimlachte, of zijn voorhoofd rimpelde, of zijn hoofd schudde en een scheef gezicht trok, alsof hij wilde zeggen. “Maak mij niets wijs, mijnheer; ik weet wel beter,” was het ontzettend.

Toots had ook niet bij de deur behoeven te blijven staan, om het werk van zijn horloge te bekijken en zijne halve kronen te tellen. Maar dit duurde niet lang, want toen doctor Blimber toevallig zijne welgevulde beenen verplaatste, alsof hij wilde opstaan, verdween Toots terstond en liet zich niet meer zien.

Weldra hoorde men Dombey en zijne geleidsters weder naar beneden komen, den geheelen weg over pratende; en zoo kwamen zij weder in de kamer.

“Ik hoop, mijnheer Dombey,” zeide de doctor, zijn boek neerleggende, “dat onze inrichting uwe goedkeuring wegdraagt.”—“Zij is uitmuntend, mijnheer,” zeide Dombey.—“Heel wel, inderdaad,” zeide mevrouw Pipchin zacht, daar zij nooit te veel wilde prijzen.—“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich omkeerende, “zal, met uw verlof, doctor en mevrouw Blimber, Paul nu en dan komen bezoeken.”—“Wanneer het mevrouw Pipchin maar belieft,” merkte de doctor aan.—“Altijd genoegen doen haar te zien,” voegde mevrouw Blimber er bij.—“Ik denk,” zeide Dombey, “dat ik nu zooveel moeite gegeven heb als noodig is, en wel afscheid kan nemen. Paul, mijn kind,” hij kwam dicht bij den kleine, die nog op de tafel zat. “Goedendag!”—“Goedendag, papa!”

Het slappe onverschillige handje, dat Dombey in zijne hand nam, was zonderling in tegenspraak met het benauwde gezichtje. Maar hij had geen deel in de treurige uitdrukking daarvan. Het was niet naar hem toegekeerd. Neen—naar Florence—uitsluitend naar Florence.

Als Dombey zich door onbeschaamden hoogmoed op zijn rijkdom ooit een wraakzuchtigen, haatdragenden vijand had berokkend, had zelfs zulk een vijand den steek, die hem toen door het trotsche hart ging, als eene vergoeding voor de hem aangedane beleediging kunnen aanzien.

Hij boog zich over zijn zoon en kuste hem. Als zijne oogen, terwijl hij dit deed, verdonkerd werden door iets dat op het kindergezichtje afdroppelde, kan zijn geestelijk gezicht misschien voor die korte poos des te helderder zijn geweest.

“Ik zal u spoedig weerzien, Paul. Zaterdag en zondag hebt ge vrij af, weet ge.”—“Ja, papa,” antwoordde Paul, naar zijne zuster ziende. “Zaterdag en zondag.”—“En gij zult uw best doen om hier veel te leeren en een knap man te worden,” zeide Dombey. “Niet waar?”—“Dat zal ik wel,” antwoordde het kind onverschillig.—“En gij zult nu gauw groot worden!” zeide Dombey.—“O, heel gauw!” antwoordde Paul. Wederom vloog dat oudachtige uitzicht, gelijk eene vreemde schemering van licht, over zijne trekken. Het licht van dien blik scheen naar mevrouw Pipchin te dwalen en zich in haar zwart kleed uit te dooven. Deze uitmuntende kindereetster kwam nu nader om afscheid te nemen en Florence weg te slepen, waarnaar zij al lang gedorst had. Hare beweging deed Dombey opzien, wiens oogen nog op Paul gevestigd waren. Na nog eens zijn hoofd gestreeld en zijn handje gedrukt te hebben nam hij met zijne gewone ijskoude beleefdheid, afscheid van doctor Blimber en de twee dames, en ging de kamer uit.

In weerwil van zijn verzoek dat zij zich geene moeite zouden geven, verdrongen doctor Blimber en de twee dames elkander bijna om hem naar het voorhuis te brengen, en zoo raakte mevrouw Pipchin tusschen den doctor en de jonge jufvrouw ingeklemd, en werd zij de kamer uitgedrongen eer zij Florence kon grijpen. Aan dit gelukkig toeval had Paul naderhand de dierbare herinnering te danken, dat Florence kwam terugloopen om hare armen om zijn hals te slaan, en dat haar gezichtje—met een bemoedigenden glimlach naar hem toe gekeerd, te helderder om de tranen waardoor die glimlach heen blonk—het laatste in de deur was.

Het deed, toen hij alleen was, zijne kinderlijke borst zwellen en zwoegen, en de globes, de boeken, den blinden Homerus en de Minerva schemerachtig door de kamer ronddraaien. Maar eensklaps bleven zij stilstaan, en toen hoorde hij de klok in het voorhuis nog ernstig vragen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?” evenals te voren.

Hij bleef met gevouwen handjes stil op de tafel zitten luisteren. Maar hij had wel mogen antwoorden: “Och ik ben zoo moe, zoo moe! Heel eenzaam, en heel droevig!” En daar, met eene pijnlijke ledigheid in het jeugdige hart, en alles om hem heen zoo koud, en dor, en vreemd, zat Paul alsof hij het leven ongemeubeleerd had gehuurd, en de behanger maar nooit kwam.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XII. PAUL’S OPVOEDING

Na verloop van eenige minuten, die kleinen Paul Dombey op de tafel als een eindeloozen tijd voorkwamen, kwam doctor Blimber terug. Des doctors gang was deftig en berekend om het jeugdig gemoed een gevoel van ontzag in te boezemen. Het was eene soort van parademarsch; want als de doctor zijn rechtervoet vooruitbracht, draaide hij zich statig om, met een halfronden zwaai links, en als hij zijn linkervoet vooruitbracht, draaide hij op dezelfde manier rechts; zoodat hij met elken stap, dien hij deed, om zich heen scheen te kijken, als wilde hij zeggen: “kan iemand ook zoo goed zijn om mij een onderwerp te noemen, van welken aard ook, waaromtrent ik niet onderricht ben? Ik denk eenigszins van neen.”

Mevrouw Blimber en hare dochter kwamen met den doctor terug; en nu tilde de doctor zijn nieuwen leerling van de tafel en leverde hem aan zijne dochter over.

“Cornelia,” zeide de doctor, “Dombey zal vooreerst onder uwe zorg komen. Maak dat hij wat voortkomt, Cornelia, maak dat hij wat voortkomt.”

Cornelia nam haar nieuwen pupil uit de handen van den doctor over; en Paul, die gevoelde dat de bril hem bezichtigde, sloeg zijne oogen neer.

“Hoe oud zijt ge al, Dombey?” zeide Cornelia.—“Zes,” antwoordde Paul, zich verwonderende, toen hij tersluiks een blik naar de jonge dame wierp, waarom hare haren niet lang groeiden, gelijk die van Florence, en waarom zij er zoo als een jongen uitzag.—“Hoeveel weet gij al van de Latijnsche spraakkunst, Dombey?” hervatte Cornelia.—“Niets,” antwoordde Paul; en begrijpende dat dit antwoord Cornelia’s gevoel een schok gaf, keek hij op naar de drie gezichten, die op hem neerkeken, en vervolgde: “Ik ben niet wel geweest. Ik ben een zwak kind geweest. Ik kon geen Latijn leeren toen ik alle dag met den ouden Glubb uit was. Ik wou dat gij den ouden Glubb liet zeggen om eens bij mij te komen, als het u belieft.”—“Welk een schrikkelijk gemeene naam,” zeide mevrouw Blimber. “Ten hoogste onclassisch! Wie is dat monster, kind?”—“Wat voor monster?” vroeg Paul.—“Glubb,” zeide mevrouw Blimber met grooten tegenzin.—“Hij is even weinig een monster als gij,” antwoordde Paul.—“Wat!” riep de doctor met eene geduchte stem. “Ho, ho, ho! Wat is dat?”

Paul was geweldig verschrikt, maar hij poogde toch den afwezigen Glubb te verdedigen, hoewel hij het bevende deed.

“Hij is een heel aardig oud man, mevrouw,” zeide hij. “Hij placht mijn wagentje te trekken. Hij weet alles van de diepe zee, en de visschen die er in zijn, en de groote monsters die op de rotsen in de zon komen liggen, en weder in het water duiken als zij ontrust worden, en zoo hard blazen en plassen dat men ze mijlen ver kan hooren. Er zijn sommige van die beesten,” zeide Paul, door zijn onderwerp in vuur gebracht, “ik weet niet hoeveel ellen lang, en ik heb ook hunne namen vergeten, maar Florence weet ze wel, die zich houden alsof zij in nood waren, en als er iemand uit medelijden naar hen toe komt, doen zij hun grooten bek open en bijten naar hem. Maar al wat hij dan te doen heeft,” zeide Paul, stout genoeg om den doctor zelven deze inlichting aan te bieden, “is dat hij aldoor maar ronddraait als hij wegloopt, en dan ontloopt hij hun zeker, omdat zij zich langzaam omdraaien, want zij zijn zoo lang en kunnen zich niet buigen. En al weet de oude Glubb niet, waarom de zee mij altijd aan mijne mama doet denken, die dood is, of wat het is dat zij altijd zegt—altijd zegt—hij weet er toch veel van. En ik wou,” besloot het kind, terwijl zijn gezichtje eensklaps betrok en hij de drie vreemde gezichten treurig aanzag, “dat gij dien ouden Glubb eens hier bij mij liet komen, want ik ken hem heel goed, en hij kent mij.”—“Het is erg,” zeide de doctor, zijn hoofd schuddende; “maar studeeren zal veel doen.”

Mevrouw Blimber merkte met eene soort van huivering aan, dat hij een onbegrijpelijk kind was, en zag hem, het onderscheid der gezichten in aanmerking genomen, omtrent eveneens aan als mevrouw Pipchin placht te doen.

“Breng hem het huis eens door, Cornelia,” zeide de doctor, “om hem met zijne nieuwe sfeer bekend te maken. Ga met die jonge dame mee, Dombey.”

Dombey gehoorzaamde, gaf zijne hand aan de afgetrokkene Cornelia en zag haar, terwijl zij te zamen heengingen, met vreesachtige nieuwsgierigheid, zijdelings aan; want haar bril maakte haar, door het glinsteren der glazen, tot zulk een geheimzinnig wezen, dat hij niet wist naar welken kant zij keek, en zelfs niet zeker was of zij daarachter wel oogen had.

Cornelia bracht hem eerst naar de schoolzaal, die achter het voorhuis lag, en welke men door twee met baai bekleede deuren binnentrad, die de stemmen der jonge heeren verdoofden. Hier bevonden zich acht jonge heeren in verschillende trappen van versuffing, allen zeer hard aan het werk en zeer ernstig. Toots, als de oudste, had een lessenaar alleen in een hoek en daarachter scheen hij, in Paul’s jeugdige oogen, een deftig man van ontzaglijken ouderdom te zijn.

Mijnheer Feeder, die voor een anderen lessenaar zat, had zijn draaiorgel op den Virgiliusdeun gezet, en speelde dien langzaam aan vier jonge heeren voor. Van de overige vier, waren twee, die de handen stuipachtig tegen het voorhoofd klemden, met het oplossen van mathematische voorstellen bezig; één, met een gezicht als een morsig venster, van het vele huilen, poogde nog voor den eten door een hopeloos getal van regels heen te fladderen, en één zat in versteende wanhoop zijne taak aan te staren, en scheen van het ontbijt af in dien toestand te hebben verkeerd.

De verschijning van een nieuwen jongen bracht geenszins die opschudding te weeg, welke men had kunnen verwachten. Feeder (die om de koelte gewoon was zijn hoofd te scheren en niets dan korte stoppels daarop had) gaf hem eene beenderige hand en zeide dat hij blij was hem te zien—hetgeen Paul hem ook gaarne had willen zeggen, als hij dit met de minste oprechtheid kon gedaan hebben. Daarop gaf Paul, door Cornelia onderricht, de hand aan de vier jonge heeren bij Feeder’s lessenaar; daarna aan de twee jonge heeren, die de voorstellen uitwerkten, en wier handen zeer koortsachtig waren; daarna aan den jongen heer, die den tijd de loef poogde af te winnen, en eene zeer beïnkte hand had; en eindelijk aan den jongen heer in een toestand van verstijving, wiens hand klam en koud was.

Daar Paul reeds met Toots in kennis was gebracht, grinnikte deze jonge heer maar eens, volgens zijne gewoonte, en ging voort met zijn werk. Dit was niet zeer zwaar, want daar hij (in meer dan één zin) al zooveel was door geweest, en ook, gelijk wij vroeger gezegd hebben, in zijn besten tijd had opgehouden met bloeien, had Toots thans verlof om op zijne eigene manier te studeeren, welke voornamelijk daarin bestond, dat hij zich zelven lange brieven van personen van aanzien schreef, aan “P. Toots, Esquire, Brighton, Sussex” geadresseerd, en deze zeer zorgvuldig in zijn lessenaar bewaarde.

Toen deze plechtigheden waren afgeloopen, bracht Cornelia Paul de trap op tot geheel boven in huis; hetgeen eene eenigszins langzame reis was, daar Paul eerst beide voeten op een trap moest zetten, eer hij den volgenden kon bestijgen. Maar zij kwamen toch eindelijk aan het einde van hun tocht; en daar, in eene voorkamer die op de woeste zee uitzag, wees Cornelia hem een aardig bedje, met witte gordijnen, vlak bij het venster, waaraan een kaartje was gehecht, waarop reeds—zeer fraai met eene ronde hand geschreven, met zeer vette neerhalen en zeer fijne ophalen—de naam “Dombey” stond te lezen; terwijl twee andere ledikantjes in dezelfde kamer op dezelfde wijs aan Briggs en Tozer waren toegeëigend.

Juist toen zij weder beneden in het voorhuis kwamen, zag Paul den jonkman met zwakke oogen, die mevrouw Pipchin zoo doodelijk had geërgerd, een zeer grooten trommelstok opnemen en op een gong, die daar hing, toevliegen alsof hij dol was geworden. In plaats van echter dadelijk uit zijn dienst te worden gejaagd of in hechtenis te worden genomen, liet men hem ongestoord begaan en hield hij van zelven op, nadat hij een schrikkelijk geweld had gemaakt. Toen deelde Cornelia Blimber den kleinen Dombey het bericht mede, dat het diner over een kwartier uurs gereed zou zijn, en hij misschien zoolang maar liefst in de schoolzaal bij zijne “vrienden” moest gaan.

De kleine Dombey ging dus met eerbied de groote klok voorbij, die nog even verlangend was om te weten hoe hij het maakte, opende de deur der schoolzaal eene klein eindje, ging aarzelend binnen, alsof hij gevoelde dat hij verdwaald was, en deed ze met tamelijk veel moeite weder dicht. Zijne vrienden waren allen door de zaal verspreid, met uitzondering van den versteenden vriend, die onbeweeglijk bleef. Mijnheer Feeder stond zich in zijne grijze kamerjapon uit te rekken, alsof hij, zonder kosten te ontzien, er de mouwen van wilde aftrekken.

“Hee-ho!” riep hij, zich schuddende als een karrepaard. “O Heere, Heere! Ya-a-ah!”

Paul schrikte waarlijk van Feeder’s geeuwen, zoo geducht krachtig en ernstig was het. Al de jongens (Toots uitgezonderd) schenen evenzeer afgemat, en maakten zich lusteloos voor den maaltijd gereed—sommigen verstrikten hunne dassen, die inderdaad zeer stijf waren, en anderen waschten in eene aangrenzende kamer hunne handen, of streken hun haar op—alsof zij toch niet dachten dat die hun zou smaken.

De jonge Toots was reeds vooruit klaar. Dus niets te doen hebbende, had hij zijn tijd voor Paul over en zeide met botte goedhartigheid:

“Ga zitten, Dombey.”—“Dank je wel, mijnheer,” zeide Paul.

Toen hij zich zelven op eene zeer hooge vensterbank poogde te hijschen en er weder afgleed, scheen Toots eene ontdekking te doen.

“Ge zijt nog een heel klein kereltje,” zeide Toots.—“Ja, mijnheer, ik ben nog klein,” antwoordde Paul. “Wel bedankt, mijnheer.”

Want Toots had hem op de bank getild, en dit zelfs met vriendelijke behoedzaamheid gedaan.

“Wie is uw kleermaker?” vroeg Toots, na hem eene poos te hebben aangezien.—“Tot nog toe heeft de naaister, die jurken voor mijne zuster maakt, ook voor mij kleeren gemaakt,” zeide Paul.—“Mijn kleermaker is Burgess en Comp.,” zeide Toots. “In de mode. Maar heel duur.”

Paul was schrander genoeg om zijn hoofd te schudden, als wilde hij zeggen dat dit gemakkelijk te zien was; en zoo dacht hij ook werkelijk.

“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.”—“En wat?” vroeg Toots.—“En Zoon, mijnheer,” antwoordde Paul.

Toots deed binnensmonds eenige pogingen om die firma in zijn geheugen te prenten; maar dewijl hem dit niet volkomen gelukte zeide hij, dat hij Paul morgen zou vragen om hem dien naam nog eens te zeggen, daar dit van eenig gewicht voor hem was. Hij was inderdaad niets minder voornemens, dan zich zelven terstond een vertrouwelijken brief van Dombey en Zoon te schrijven.

Thans hadden zich de andere leerlingen (altijd met uitzondering van den versteenden jongen) om hem heen verzameld. Zij waren beleefd, maar bleek, spraken zeer zacht en waren zoo ter neer gedrukt, dat bij den algemeenen toon van dat gezelschap vergeleken, de kleine Bitherstone een vroolijke snaak was. En toch meende hij ook over grieven te klagen te hebben, die Bitherstone.

“Gij slaapt in mijne kamer, niet waar?” vroeg een ernstige jonge heer, wiens boordjes zijne oorlapjes deden omkrullen.—“Jonge heer Briggs?” vroeg Paul.—“Tozer,” zeide de jonge heer.

Paul antwoordde nu van ja; Tozer, daarop naar den versteenden jongen wijzende, zeide dat hij Briggs was. Paul had zich reeds zeker gevoeld dat hij Briggs of Tozer moest wezen, schoon hij niet wist waarom.

“Hebt gij een sterk gestel?” vroeg Tozer.

Paul zeide te denken van neen. Tozer antwoordde dat hij ook zoo dacht, naar Paul’s uitzicht te rekenen, en dat dit jammer was, daar hij er wel een noodig had. Daarop vroeg hij Paul of hij met Cornelia zou beginnen, en toen Paul “ja” zeide, lieten al de jonge heeren (met uitzondering van Briggs) een zacht gebrom hooren.

Dit werd gesmoord door de klanken van den gong, die weder een vervaarlijk geweld maakte, en allen gingen naar de deur der eetzaal; altijd met uitzondering van Briggs, den versteenden jongen, die bleef zitten waar hij was en gelijk hij was. Onderweg naar hem toe ontmoette Paul weldra een broodje, zeer fatsoenlijk op een bord met een servet, en met eene zilveren vork dwars daar overheen gelegd.

Doctor Blimber zat reeds op zijne plaats aan het boveneind der tafel, met mevrouw Blimber en Cornelia aan beide zijden naast hem. Mijnheer Feeder zat met een zwarten rok onderaan. De stoel voor Paul stond naast Cornelia; maar dewijl men bevond, toen hij ging zitten, dat zijne oogen niet veel boven het tafellaken uitkwamen, werden er eenige boeken uit des doctors studeerkamer gehaald, waarop hij verheven werd, en waarop hij van dien dag af aan altijd zat—ze bij latere gelegenheden zelf halende en weder wegbrengende, gelijk een kleine olifant met zijn kasteel.

Toen de doctor een gebed had gedaan begon de maaltijd. Er was lekkere soep, gebraden en gekookt vleesch, groenten, podding en kaas. Ieder jonge heer had eene zware zilveren vork en een servet; alles was deftig en fraai ingericht. Vooral was er een bottelier met een blauwen rok met blinkende knoopen, die het bier waarlijk een wijnsmaak scheen te geven, zoo deftig schonk hij het.

Niemand sprak of er moest tot hem gesproken worden, behalve doctor Blimber, mevrouw Blimber en Cornelia, die nu en dan een woordje wisselden. Wanneer een jonge heer niet dadelijk met mes en vork, of lepel bezig was, zochten zijne oogen, door eene onweerstaanbare aantrekkingskracht, de oogen van doctor Blimber, mevrouw Blimber of Cornelia, en bleven daar eerbiedig rusten. Toots scheen de eenige uitzondering op dien regel te zijn. Hij zat naast mijnheer Feeder, aan Paul’s kant van de tafel, en keek dikwijls voor of achter de tusschen hem zittende jongens om, ten einde Paul in het gezicht te krijgen.

Slechts eenmaal onder het eten had er een gesprek plaats, waarbij de jonge heeren betrokken waren. Dit gebeurde onder het tijdperk der kaas, toen de doctor, na een glas portwijn genomen, en twee- of driemalen zijne keel geschraapt te hebben, zeide:

“Het is opmerkelijk, mijnheer Feeder, dat de Romeinen—”

Bij het noemen van dit geduchte volk, hunne onverzoenlijke vijanden, vestigden al de jonge heeren hunne oogen op den doctor, met een schijn van de diepste belangstelling. Een van hen, die juist dronk, en het oog des doctors hem door den kant van zijn glas heen zag aangrimmen, hield met zooveel overhaasting op, dat hij eene stuip scheen te zullen krijgen en in de gevolgen de rede des doctors geheel bedierf.

“Het is opmerkelijk, mijnheer Feeder,” zeide de doctor, nog eens langzaam beginnende, “dat de Romeinen, bij die prachtige en kostbare maaltijden, waarvan wij in de dagen der keizers lezen, toen de weelde eene vroeger of later ongekende hoogte had bereikt, en geheele provinciën werden geplunderd om de kosten voor een enkel keizerlijk feestmaal op te brengen....”

Hier barstte de schuldige, die in gevaar van te stikken vruchteloos naar een sluitteeken had gewacht, geweldig uit.

“Johnson,” zeide mijnheer Feeder, zacht en verwijtend, “drink wat water.”

De doctor wachtte met een zeer barsch gezicht tot het water gebracht was, en hervatte:

“En toen, mijnheer Feeder...”

Maar Feeder, die zag dat Johnson weder zou moeten uitbarsten, en wel wist dat de doctor, voor de jonge heeren sprekende, aan geen rustpunt zou komen eer hij geheel had uitgesproken, kon zijne oogen niet van Johnson afhouden; en zoo werd hij er op betrapt dat hij den doctor niet aanzag, die derhalve weder zweeg.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Feeder, rood wordende.—“En toen,” zeide de doctor, zijne stem verheffende, “toen, mijnheer, gelijk wij lezen, en ik geene reden heb om te betwijfelen—hoe ongeloofelijk het onkundigen in onzen tijd ook mag voorkomen—de broeder van Vitellius hem een maaltijd deed voorzetten, waarbij, alleen van visschen, werden voorgediend twee duizend schotels....”—“Neem een slokje water, Johnson—schotels, mijnheer,” zeide Feeder.—“Van verschillende soorten van vogelen, vijftien duizend schotels...”—“Of probeer een stukje brood,” zeide Feeder.—“En een schotel,” vervolgde doctor Blimber, zijne stem nog meer verheffende en de tafel rondziende, “wegens zijne verbazende afmetingen het Schild van Minerva genoemd, en, onder andere kostbare ingrediënten, bestaande uit de hersenen van faisanten...”—“Hoe, hoe, hoe!” (van Johnson.)—“Houtsnippen...”—“Hoe, hoe, hoe!”—“Zekere gedeelten van den visch, scari geheeten...”—“Er zal nog een ader in uw hoofd barsten,” zeide Feeder. “Laat het liever maar los.”—“En de kuit van de lamprei, uit de Karpatische Zee aangebracht,” vervolgde de doctor op zijn gestrengsten toon; “wanneer wij lezen van gastmalen zoo kostbaar als deze, en niettemin bedenken, dat wij een Titus hebben.”—“Wat zou uwe moeder doen als gij aan eene beroerte kwaamt te sterven!” zeide Feeder.—“Een Domitiaan,”—“En gij wordt al blauw,” zeide Feeder.—“Een Nero, een Tiberius, een Caligula, een Heliogabalus, en nog zoo velen,” vervolgde de doctor, “dan is het, mijnheer Feeder—als ge mij de eer wilt doen om te luisteren—opmerkelijk, zeer opmerkelijk, mijnheer.”—

Maar Johnson, buiten staat om zich langer in te houden, barstte op dat oogenblik in zulk een geweldigen hoest uit, dat het, hoewel zijne beide buren hem in den rug stompten, en Feeder zelf hem een glas water voor den mond hield, en de bottelier hem verscheidene malen, als een schildwacht, tusschen zijn stoel en het buffet liet heen en weer stappen, toch volle vijf minuten duurde eer hij eenigszins bedaarde. Toen volgde er eene diepe stilte.

“Jonge heeren,” zeide doctor Blimber, “staat op om te danken! Cornelia, help Dombey eens van zijn stoel”—men zag nu niets van dezen boven het tafellaken, behalve de kruin van zijn hoofd. “Johnson zal morgenochtend, vóór het ontbijt, het eerste hoofdstuk van den brief aan de Ephesen, uit het Grieksche Testament, geheel uit het hoofd opzeggen. Over een halfuur, mijnheer Feeder, zullen wij onze studiën hervatten.”

De jonge heeren bogen en gingen heen. Feeder deed hetzelfde. Gedurende dat half uur kuierden de jonge heeren, paar aan paar en arm in arm, op een plekje gronds achter het huis op en neer, of poogden een vonkje van leven in de borst van Briggs op te wekken. Maar tot zoo iets gemeens als gewone jongensspelen kwam het niet. Precies op het bepaalde uur klonk de gong, en werden de studiën, onder het vereenigd opzicht van doctor Blimber en mijnheer Feeder, hervat.

Daar het Olympische spel van op en neer kuieren, ten gevolge van Johnson’s misdrijf, dien dag korter dan gewoonlijk had geduurd, ging men voor de thee gezamenlijk uit om te wandelen. Zelfs Briggs (schoon hij nog niet aan zijn werk was begonnen) nam deel aan dit vermaak, en keek onder het genot daarvan twee- of driemaal somber over den rand der steile klip. Doctor Blimber ging mede; en Paul had de eer om door den doctor zelven op sleeptouw te worden genomen, bij wien hij er al zeer klein en zwak uitzag.

De thee werd niet minder deftig voorgediend dan het diner, en na de thee gingen de jonge heeren met eene buiging heen om de dagtaken, die zij niet hadden afgekregen, nog af te maken, of de reeds voor den morgen dreigende taken in te zien. Ondertusschen ging Feeder naar zijne eigene kamer, en bleef Paul in een hoek zitten, zich verwonderende of Florence aan hem dacht, en wat men bij mevrouw Pipchin wel deed.

Toots, die door een gewichtigen brief van den Hertog van Wellington werd opgehouden kwam eindelijk naar Paul toe, en na hem, evenals te voren, lang te hebben aangezien, vroeg hij of hij veel van mooie vesten hield.

“Ja, mijnheer,” zeide Paul.—“Ik ook,” zeide Toots.

Dien avond sprak Toots geen woord meer, maar bleef Paul staan aankijken alsof hij wel zin in hem had, en daar dit reeds eenigszins gezellig was, en Paul niet veel lust had om te praten, beviel het hem beter dan een gesprek zou gedaan hebben.

Tegen acht uur liet de gong zich weder hooren voor het gebed in de eetzaal, waar de bottelier vervolgens bij een buffet stond, waarop brood, kaas en bier waren gereed gezet, ten dienste van de jonge heeren, die van deze ververschingen verkozen te gebruiken. De plechtigheden werden daarmede besloten, dat de doctor zeide: “Jonge heeren, morgenochtend om zeven uur zullen wij onze studiën hervatten;” en toen voor de eerste maal zag Paul Cornelia Blimber’s oog, dat op hem gevestigd was. Toen de doctor gezegd had, dat men morgenochtend om zeven uur de studiën zou hervatten, bogen de jonge heeren weder en gingen naar bed.

In de vertrouwelijke stilte hunner eigene kamer boven, zeide Briggs dat hij eene pijn in het hoofd had alsof het barsten moest, en dat hij wel wenschen zou dat hij dood was, als hij dat niet liet om zijne moeder en eene lijster die hij thuis had. Tozer sprak weinig, maar zuchtte veel, en waarschuwde Paul om maar op te passen, want dat hij morgen aan de beurt zou zijn. Na het uiten dezer voorspelling kleedde hij zich uit en stapte in bed. Briggs en Paul waren insgelijks in bed, eer het jonge mensch met zwakke oogen kwam om de kaars weg te halen, waarbij hij hun een goeden nacht en pleizierige droomen wenschte. Deze goede wensch bleef echter ten aanzien van Briggs en Tozer onvervuld, want Paul, die lang wakker lag en nog dikwijls weder ontwaakte, vond dat Briggs door zijne les werd geplaagd alsof het eene nachtmerrie was, en dat Tozer, hoewel minder onrustig, in zijn slaap onbekende talen, of brokken Latijn en Grieksch praatte,—voor Paul was dit eveneens—die in de stilte van den nacht zeer akelig klonken, alsof hij door de wroeging over eene zware schuld werd benauwd.

Paul was in een zoeten slaap gezonken, en droomde dat hij met Florence hand aan hand door een fraaien tuin wandelde, toen zij aan eene groote zonnebloem kwamen, die zich eensklaps tot een gong uitspreidde en begon te galmen. Toen hij zijne oogen opende, bevond hij dat het een donkere ochtend was, met een druilenden motregen, en dat de werkelijke gong in het voorhuis zich schrikkelijk waarschuwend liet hooren.

Hij stond dus dadelijk op, en zag Briggs, bijna zonder oogen, want de nachtmerrie en het huilen hadden zijn gezicht doen opzwellen, bezig met zijne laarzen aan te trekken, terwijl Tozer, in een zeer slecht humeur stond te bibberen en zijne schouders te wrijven. De arme Paul, niet gewoon om zich zelven aan te kleeden, kon niet best daarmede terecht, en vroeg hun om een paar bandjes voor hem vast te strikken, maar dewijl Briggs niet anders zeide dan “Loop heen!” en Tozer “Wel ja!” ging hij, toen hij voor het overige klaar was, naar beneden, en zag toen eene verdieping lager eene knappe jonge meid met lederen handschoenen, die eene kachel potloodde. Dit meisje scheen verwonderd over zijn voorkomen en vroeg hem waar zijne moeder was. Toen Paul haar zeide dat zij dood was, trok zij hare handschoenen uit, deed wat hij verlangde, wreef bovendien zijne handjes om ze te warmen, gaf hem een kus, en zeide dat hij, als hij meer zoo iets wilde gedaan hebben,—zij meende het helpen aankleeden—maar naar Melia moest vragen, hetgeen Paul, na haar bedankt te hebben, zeide, dat hij zeker zou doen. Toen zette hij zachtjes zijne reis benedenwaarts voort, maar toen hij eene deur, die op eene kier stond, voorbijkwam, riep eene stem van binnen: “Is dat Dombey?” Toen Paul antwoordde “Ja, jufvrouw”—want hij wist wel dat het de stem van Cornelia was,—zeide zij: “Kom binnen, Dombey;” en hij ging dus binnen.

Cornelia zag er eveneens uit als den vorigen dag, behalve dat zij een shawl om had. Hare lichte krulletjes waren even stijf gekroesd, en zij had ook reeds haar bril op, hetgeen Paul zich deed verwonderen of zij daarmede naar bed ging. Zij had daar boven een koel zitkamertje, met eenige boeken en zonder vuur. Maar Cornelia was nooit koud en nooit slaperig.

“Dombey,” zeide zij. “Ik ga uit om exercitie.”

Paul verwonderde zich wat dat was, en waarom zij, bij zulk ongunstig weder, er den knecht niet om zond. Maar hij sprak hier niet van, daar zijne aandacht door een stapeltje nieuwe boeken werd geboeid, waarmede Cornelia zich zoo pas scheen te hebben bezig gehouden.

“Die zijn voor u, Dombey,” zeide zij.—“Allemaal, jufvrouw?” zeide Paul.—“Ja,” antwoordde Cornelia, “en mijnheer Feeder zal er binnen kort nog eenige voor u uitzoeken, als ge zoo vlijtig zijt als ik verwacht dat ge zijn zult, Dombey.”—“Wel bedankt, jufvrouw,” zeide Paul.—“Ik ga uit voor exercitie,” hervatte Cornelia, “en terwijl ik uit ben, dat wil zeggen tusschen dezen tijd en het ontbijt, Dombey, wensch ik dat gij eens doorleest wat ik in die boeken heb aangeteekend; en mij dan zegt of gij alles verstaat wat gij te leeren hebt. Sammel nu niet, Dombey, want gij hebt geen tijd te verzuimen, maar neem ze mee naar beneden en begin terstond.”

Er waren er zooveel, dat, hoewel Paul zijne eene hand onder het onderste boek plaatste en het bovenste met zijne andere hand en zijne kin zoo stevig vasthield als hij maar kon, het middelste boek er toch tusschen uitschoot, eer hij nog bij de deur kwam, en zij allen op den grond vielen. “O, Dombey, dat is al heel achteloos,” zeide Cornelia, en stapelde ze nog eens voor hem op. Ditmaal kwam Paul, met groote voorzichtigheid, de kamer uit en eenige trappen af, eer hem weder twee ontglipten. Maar hij hield de anderen zoo vast, dat hij er nog maar een meer op de trap en een in den gang verloor; en toen hij de overigen behouden in de schoolkamer had gebracht, ging hij nog eens naar boven, om de verlorenen te halen. Eindelijk de heele bibliotheek bijeen hebbende, klom hij op zijne plaats en ging aan het werk, aangemoedigd door het gezegde van Tozer, “dat hij er nu voor zat,” hetwelk het eenige was dat hem stoorde, tot het tijd werd voor het ontbijt. Bij dien maaltijd, waaraan hij weinig eetlust medebracht, was alles even deftig en fatsoenlijk als bij de anderen; en zoodra het ontbijt gedaan was, ging hij met Cornelia naar boven.

“Wel Dombey!” zeide zij, “hoe zijt ge met die boeken te recht gekomen?”

Er stond weinig Engelsch in en veel Latijn—namen van dingen, verbuigingen van naamwoorden en voornaamwoorden en thema’s daarover, eenige eerste taalregelen, een overzicht van de oude geschiedenis, een weinigje van de nieuwere, eenige tafels van maten en gewichten en zoo wat rekenkunst en algemeene kundigheden. Toen de arme Paul het aangewezene in nommer twee had doorgehaspeld, vond hij dat hij niets van nommer een wist; later drongen zich daarvan eenige brokken in nommer drie, dat zich met nommer vier verwarde, die zich beide weder niet van nommer twee konden vrijhouden; zoodat of twintig Romulussen één Remus maakten, òf hic, hæc, hoc trooisch gewicht was; of een werkwoord altijd bij een ouden Brit moest passen, en of driemaal vier Taurus een stier was, onbesliste vragen voor hem bleven.

“O, Dombey, Dombey!” zeide Cornelia; “dat is al heel erg.”—“Als het u belieft,” zeide Paul, “ik denk, als ik somtijds een beetje met den ouden Glubb mocht praten, zou het mij veel beter gaan.”—“Gekheid, Dombey,” antwoordde Cornelia. “Daar kan ik niet van hooren. Wij hebben hier geen Glubb’s van doen. Gij zult, denk ik, die boeken een voor een naar beneden moeten nemen, Dombey, en eerst de vragen van onderwerp A goed leeren, eer gij aan B begint. Neem nu het bovenste boek mee, Dombey, en kom terug als gij de les kent.”

Cornelia sprak met zekere sombere blijdschap over de diepe onkunde van Paul, alsof zij zoo iets wel verwacht had, en zich verheugde dat zij veel aan hem te doen zou hebben. Paul ging, gelijk hem gezegd was, met de eerste les heen en zette zich beneden aan het leeren; somtijds kon hij zich ieder woord herinneren, en somtijds was hij alles weder vergeten en alle andere dingen bovendien, tot hij zich eindelijk naar boven waagde om de les op te zeggen; en toen werd hem, eer hij begon, haast alles weder daardoor uit het hoofd gejaagd, dat Cornelia het boek toedeed en zeide: “Zeg maar op Dombey;” een bedrijf hetwelk aanduidde dat zij zelve alles van buiten kende, en Paul over hare geleerdheid deed versteld staan.

Hij kweet zich echter nu zeer wel; en Cornelia prees hem als een jongen, die wel gauw vooruit zou komen, en gaf hem terstond daarop de les B mede, van welke hij voor den maaltijd nog tot C en zelfs tot D kwam. Het was moeielijk kort na den eten weder aan het studeeren te gaan; hij gevoelde zich duizelig en verward, en dof en slaperig. Maar al de jonge heeren gevoelden hetzelfde, en moesten toch ook weder aan het studeeren—als dat hem kon troosten. Het was te verwonderen, dat de groote klok in het voorhuis, in plaats van altijd bij hare eerste vraag te blijven, ook niet eens zeide: “Jonge heeren, nu zullen wij onze studiën hervatten;” want dit gezegde werd in hare nabijheid dikwijls genoeg herhaald. Die studiën liepen rond gelijk een vervaarlijk wiel, en de jonge heeren waren altijd daarop vastgebonden.

Na de thee had men wederom de herhalingen en de voorbereidingen voor den volgenden dag bij kaarslicht. Eindelijk werd het toch tijd voor het bed, waar men, als men niet van de lessen droomde, rust en zoete vergetelheid vond.

O zaterdagen! O gelukkige zaterdagen, wanneer des middags altijd Florence kwam, en nooit om het weder wilde wegblijven al bromde mevrouw Pipchin nog zoo erg. Die zaterdagen waren sabbatten voor ten minste twee kleine christenen onder al de Joden, en deden een heilig sabbatwerk door de liefde tusschen broeder en zuster te versterken en te bevestigen.

Zelfs niet de zondagavonden,—die drukkende zondagavonden, welker schaduw den eersten glans van licht bij het ontwaken op zondagochtend verdonkerde—konden die heerlijke zaterdagen bederven. Of zij te zamen naar het ruime strand gingen om daar te wandelen of te zitten; of in de donkere achterkamer van mevrouw Pipchin bleven, waar zij zoo zacht voor hem zong, met zijn slaperig hoofd in haar arm, was Paul geheel onverschillig. Florence was bij hem; dit was al waar hij om dacht; en wanneer op zondagavond de donkere deur des doctors gaapte, om hem weder voor eene week te verzwelgen, was het tijd om van Florence afscheid te nemen—anders niets.

Jufvrouw Wickam was weder naar Londen gegaan, en jonge jufvrouw Nipper was voor haar in de plaats gekomen. In menig duel met mevrouw Pipchin stond Suze Nipper dapper pal; en indien mevrouw Pipchin ooit in haar leven iemand vond, die haar staan kon, deed zij dit nu. Op den eersten ochtend toen zij in het huis van mevrouw Pipchin opstond, wierp Suze Nipper de scheede van het zwaard weg. Zij vroeg en gaf geen kwartier. Zij zeide dat het oorlog moest wezen, en het was oorlog; en mevrouw Pipchin leefde van toen af in gedurig gevaar van schermutselingen en onverhoedsche aanvallen, die haar zelfs in het onbewaakte oogenblik harer karbonade belaagden, en haar geroosterd brood verbitterden.

Toen Suze Nipper op een zondagavond met Florence was teruggekomen, nadat zij Paul naar den doctor hadden gebracht, haalde Florence een stukje papier uit hare borst waarop zij met potlood eenige woorden had geschreven.

“Zie eens hier, Suze,” zeide zij. “Dat zijn de titels van die boekjes, die Paul meebrengt om die lange thema’s uit te maken, als hij al zoo moe is. Ik heb ze gisteravond opgeteekend toen hij aan het schrijven was.”—“Laat ze mij maar niet zien, jonge jufvrouw, als het u belieft,” antwoordde Suze, “Ik zou haast even graag mevrouw Pipchin zien.”—“Ik zou gaarne willen, dat gij ze morgenochtend voor mij kocht, Suze. Ik heb geld genoeg,” zeide Florence.—“Wel Heere mijn tijd, jonge jufvrouw,” antwoordde Suze, “hoe kunt ge toch zoo praten? Gij hebt immers al boeken genoeg, en meesters en meesteressen die u alles leeren, al geloof ik, jonge jufvrouw Dombey, dat uw pa u nooit iets had laten leeren, en er niet eens om zou gedacht hebben, als gij het niet gevraagd hadt—toen hij het niet wel kon weigeren. Maar iets te geven als het gevraagd wordt, of iets te presenteeren als het niet gevraagd wordt, zijn twee verschillende dingen, jonge jufvrouw. Ik kan er wel niet tegen hebben dat een jong mensch over mij verkeert, en als hij het jawoord vraagt het hem te geven; maar dan zeg ik toch nog niet: “Zoudt ge wel zoo goed willen zijn om zin in mij te krijgen.””—“Maar gij kunt die boeken toch wel voor mij koopen, Suze; en dat zult gij ook wel willen, als ge weet waarom ik ze noodig heb.”—“Wel, jonge jufvrouw, waar hebt ge ze dan voor noodig?” zeide Suze, en voegde er zachter bij: “Als het was om ze mevrouw Pipchin naar den kop te gooien, zou ik wel eene wagenvracht willen koopen.”—“Ik denk dat ik Paul misschien wat zou kunnen helpen, Suze, als ik die boeken had,” zeide Florence, “en de volgende week een weinigje gemakkelijker voor hem maken. Ten minste ik zou het gaarne beproeven. Koop ze dus voor mij, lieve Suze, en ik zal nooit vergeten, hoe goed het van u was.”

Het had een harder hart moeten zijn dan dat van Suze Nipper, om het beursje te kunnen afwijzen dat Florence haar bij deze woorden toereikte, of den smeekenden blik waarmede zij haar verzoek aandrong. Suze stak het beursje terstond in haar zak, en ging den volgenden morgen op hare boodschap uit.

De boeken waren niet gemakkelijk te bekomen, en het antwoord in verscheidene winkels was, dat men ze juist niet had, of ze er nooit op nahield, of dat men er verleden maand een aantal van gehad had, of er aanstaande week een aantal van verwachtte. Doch Suze liet zich bij zulk eene onderneming niet licht afschrikken, en nadat zij een jong mensch met vlashaar en een zwart sloofje, uit een boekwinkel waar zij bekend was, had meegetroond om haar te helpen zoeken, liet zij hem zoo heen en weer loopen, dat hij waarlijk zijn uiterste best deed, om maar van haar af te komen. Zoo kon zij eindelijk in zegepraal naar huis gaan.

Met deze schatten dus, zette Florence, als zij met hare eigene lessen gereed was, zich des avonds neer om Paul’s voetstappen langs de doornige paden der kennis na te sporen; en daar zij een vlug begrip en een goeden aanleg bezat, en door die verbazende leermeesteres, de liefde, werd voortgeholpen, duurde het niet lang of zij was Paul op de hielen, met hem gelijk en hem voorbij.

Geen woord hiervan mocht mevrouw Pipchin hooren; maar menigen avond, wanneer allen naar bed waren en Suze Nipper, met hare haren in papillotten, in eene ongemakkelijke houding bij haar zat te slapen, en de sintels in den haard reeds lang koud waren, en de kaarsen reeds in de pijp brandden, gaf Florence zich nog zooveel moeite om eene plaatsvervangster voor dien éénen kleinen Dombey te kunnen zijn, dat hare standvastigheid haar bijna het recht had moeten verwerven om zelve dien naam te dragen.

En groot was hare belooning, toen op een zaterdagavond Paul naar gewoonte ging zitten om “zijne studiën te hervatten,” en zij zich naast hem zette en hem liet zien dat de ongebaande weg geëffend was, en alles wat zoo donker was geweest helder en duidelijk voor hem lag. Het was niets anders dan een verwonderde blik van Paul—een blos—een glimlach—en toen eene hartelijke omhelzing—maar God weet hoe haar hart opsprong bij die rijke vergelding voor hare moeite.

“O Flore!” riep haar broeder uit. “Wat heb ik u lief! Wat heb ik u lief, Flore!”—“En ik u ook, lieve!”—“Ja, dat weet ik wel, Flore!”

Hij zeide er niet meer van; maar dien geheelen avond bleef hij dicht bij haar zitten, heel stil; en in den nacht riep hij uit zijn kamertje, achter het hare, nog drie- of viermaal dat hij haar liefhad.

Daarna was Florence geregeld klaar om op zaterdagavond naast Paul te komen zitten, en hem met geduld te helpen aan zooveel van zijn werk voor de volgende week als zij te zamen konden voorzien. De opbeurende gedachte dat hij werkte waar Florence even te voren voor hem had gewerkt, zou Paul op zich zelven reeds moed hebben gegeven bij de gedurige hervatting zijner studiën; maar vereenigd met de werkelijke verlichting van zijn last, die deze hulp hem verschafte, was zij misschien de oorzaak dat hij niet bezweek onder de vracht, die de schoone Cornelia hem oplaadde.

Niet dat zij hem hard wilde vallen, of dat doctor Blimber meende over het geheel te veel van de jonge heeren te vergen. Cornelia bleef slechts bij het geloof waarin zij was opgevoed, en de doctor was aan zekere verwarring van denkbeelden onderhevig, welke hem de jonge heeren deed beschouwen alsof zij allen doctors en volwassen geboren waren. Gestreeld door de toejuiching van de naaste betrekkingen der jonge heeren, en door hunne ijdelheid en door hun onbedachtzaam ongeduld aangespoord, zou het vreemd geweest zijn als doctor Blimber zijn misslag had ontdekt, en begrepen dat het raadzaam was zijne gezwollene zeilen te reven.

Zoo was het ook met Paul. Als doctor Blimber zeide dat hij groote vorderingen maakte, en veel aanleg had, was Dombey er meer dan ooit op gesteld dat hij geforceerd en overkropt zou worden; en wanneer de doctor van Briggs zeide, dat hij nog niet veel vorderde en niet veel aanleg had, was de oude Briggs onverbiddelijk in hetzelfde opzet. Kortom, hoe onnatuurlijk hoog de temperatuur mocht wezen waarop de doctor zijne broeikas hield, de eigenaren der planten waren altijd gereed om een handje aan den blaasbalg te helpen en het vuur aan te stoken.

Zooveel levenslust en vroolijkheid als Paul in het begin had, verloor hij natuurlijk zeer spoedig. Maar hij behield al wat zijn karakter vreemds, oudachtigs en nadenkends had; en onder omstandigheden, welke de ontwikkeling van zulke neigingen zoozeer begunstigden, werd hij nog vreemder, oudachtiger en nadenkender dan ooit.

Het eenige verschil was dat hij het eigenaardige van zijn karakter nu voor zich zelven hield. Hij werd van dag tot dag stiller en mijmeriger; geen der levende leden van des doctors huisgezin wekte zulk eene nieuwsgierigheid bij hem op als mevrouw Pipchin had gedaan. Hij was liefst alleen; en in de korte tusschenpoozen wanneer hij niet met zijne boeken bezig was, deed hij niets zoo gaarne als eenzaam door het huis dwalen, of op de trap naar de groote klok in het voorhuis zitten luisteren. Hij kende al de behangsels in huis van buiten, en zag dingen in de patronen, die niemand anders er in zag; hij ontdekte kleine leeuwen en tijgers, die tegen den muur opliepen, en zag scheele gezichten hem uit de ruiten van het vloerkleed aangluren.

Zoo leefde het eenzame kind voort, door de arabesken zijner mijmerende verbeelding omringd, en niemand verstond hem. Mevrouw Blimber vond hem “raar,” en somtijds zeiden de dienstboden onder elkander dat kleine Dombey “druilde;” maar dat was alles.

Of de jonge Toots moest een denkbeeld van de zaak gehad hebben, dat hij geheel buiten staat was om uit te drukken. Denkbeelden, gelijk spoken (volgens het gewone begrip van spoken) moeten aangesproken worden, eer zij zich willen verklaren; en Toots had sedert lang geene vragen meer aan zijn eigen gemoed gedaan. Misschien steeg er wel een damp uit die looden vaas, zijne hersenpan, op, die, als hij eene bepaalde gedaante had kunnen aannemen, een genius had kunnen worden; maar dat kon hij niet, en dus volgde hij slechts in zooverre het voorbeeld van den rook in de Arabische vertelling, dat hij zich als eene dikke wolk uitbreidde en zoo bleef hangen. Maar hij liet toch eene kleine gedaante zichtbaar op een eenzaam strand; en daarnaar staarde Toots aanhoudend.

“Hoe gaat het?” vroeg hij Paul wel vijftigmaal daags.—“Heel wel, mijnheer, dank je,” antwoordde Paul dan.—“Geef mij eens de hand,” liet Toots dan volgen.

Paul deed dit natuurlijk terstond, en gewoonlijk zeide Toots, na nog een tijd lang gestaard en diep geademd te hebben, wederom: “Hoe gaat het?” waarop Paul wederom antwoordde: “Heel wel, mijnheer, dankje.”

Op een avond zat Toots voor zijn lessenaar, druk bezig met zijne correspondentie, toen er een groot voornemen bij hem scheen op te komen. Hij legde zijne pen neer en ging Paul opzoeken, dien hij eindelijk uit het venster van zijne slaapkamer vond kijken.

“Zeg eens!” riep Toots, zoodra hij binnenkwam, opdat hij zijne boodschap niet vergeten zou. “Waar denkt gij toch zoo aan?”—“Och! ik denk aan heel veel dingen,” antwoordde Paul.—“Zoo! Doet ge?” zeide Toots, die dit op zich zelven reeds verwonderlijk scheen te vinden.—“Als gij sterven moest,—” zeide Paul, naar hem opziende.

Toots maakte eene beweging van schrik en scheen zeer onrustig te worden.

“Denkt gij dan niet dat gij liever in een nacht met maneschijn zoudt willen sterven, als de lucht helder was en het frisch waaide, zooals verleden nacht?”

Toots zeide, terwijl hij Paul twijfelend aanzag en zijn hoofd schudde, dat hij daar niets van wist.

“Het waaide eigenlijk niet hard,” hervatte Paul, “maar er was een gesuis in de lucht, evenals de zee in een grooten hoorn maakt. Het was een heerlijke nacht. Toen ik lang naar de zee had liggen luisteren, stond ik op en ging naar het venster. Er was eene boot daar ginder, in het volle maanlicht, eene boot met een zeil.”

Het kind zag hem zoo strak aan en sprak met zooveel ernst, dat Toots, zich geroepen achtende om iets van die boot te zeggen, zeide: “Smokkelaars!” Maar zich onpartijdig herinnerende, dat alle dingen twee kanten hebben, liet hij volgen: “of kustwachters.”—“Eene boot met een zeil,” herhaalde Paul, “in het volle maanlicht. Het zeil als een arm, geheel van zilver. Het werd in de verte al kleiner en kleiner, en wat denkt ge dat het scheen te doen door de beweging van de golven?”—“Slingeren,” zeide Toots.—“Het scheen mij te wenken,” zeide Paul, “te wenken om daar naar toe te komen.—Daar is zij!—Daar is zij!”

Na het voorafgaande, schrikte Toots geweldig van dezen uitroep, en vroeg: “Wie?”—“Mijne zuster Florence,” antwoordde Paul. “Zij kijkt naar boven en wuift met hare hand. Zij ziet mij—zij ziet mij! Goeden nacht, lieve! Goeden nacht, goeden nacht!”

Zijn plotselinge overgang tot opgetogene blijdschap, terwijl hij voor het venster stond in de handen te klappen en handkussen te werpen; en de manier waarop die glans, toen zij uit zijne oogen raakte, van zijn gezichtje verdween, en er eene geduldige zwaarmoedigheid op achterliet, waren te opmerkelijk om zelfs Toots geheel te ontsnappen. Daar hun onderhoud toen juist gestoord werd door de komst van mevrouw Pipchin, die Paul gewoonlijk eens in de week tegen schemeravond kwam bezoeken, had Toots geen tijd om de gelegenheid waar te nemen; maar de indruk, dien dit voorval op hem maakte, was zoo groot, dat hij na de gewone begroetingen met mevrouw Pipchin te hebben gewisseld, nog tweemaal terugkwam om te vragen hoe zij voer. Dit hield de lichtgeraakte oude dame voor eene opzettelijke, lang te voren overlegde beleediging, gesproten uit een duivelachtig verzinsel van het jonge mensch met zwakke oogen beneden, tegen wien zij daarom nog denzelfden avond eene formeele aanklacht bij doctor Blimber inbracht, die het jonge mensch zeide dat hij, als hij het ooit weer deed, genoodzaakt zou zijn hem te laten gaan.

Daar de avonden nu langer werden, sloop Paul elken avond naar zijn venster, om naar Florence uit te zien. Zij ging op zekeren tijd zoolang heen en weder tot zij hem zag, en hunne wederzijdsche herkenning was een straaltje zonneschijn in Paul’s dagelijksch leven. Dikwijls wandelde na den donker nog eene andere gedaante alleen des doctors huis voorbij. Hij kwam thans des zaterdags zelden bij hen. Hij kon dit niet uitstaan. Hij wilde liever onherkend naar de vensters opkijken van het huis waar zijn zoon werd voorbereid om een man te worden; en wachten, waken, plannen maken en hopen.

O, had hij maar kunnen zien, hoe het tengere kind daar boven in den schemeravond met zijne ernstige oogen naar de golven en de wolken tuurde, en zich, als er vogelen voorbijvlogen, tegen het venster van zijne eenzame kooi drukte, alsof hij hen had willen volgen en heenvliegen naar omhoog!

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XIII. SCHEEPSTIJDINGEN EN KANTOORZAKEN

Het kantoor van Dombey was in eene blindloopende straat of pleintje, waar op den hoek een stalletje met eene keur van fijne fruit was gevestigd, en tusschen tien en vijf uur wandelende kooplieden, van beide seksen, pantoffels, zakportefeuilles, sponsen, halsbanden voor honden, en stukjes zeep te koop boden; en somtijds ook een brak of eene schilderij in olieverf.

Als de brak dien weg kwam, was het met het oog op de effectenbeurs, waar een smaak voor jachtvermaken (doorgaans uit weddenschappen om nieuwe hoeden spruitende) zeer in de mode is. De andere dingen waren voor het publiek in het algemeen bestemd; maar zij werden door de kooplieden nooit aan Dombey aangeboden. Als hij kwam gingen zij eerbiedig op zijde. De voornaamste pantoffel- en halsbandman—die zich zelven voor een publiek persoon hield, en wiens portret in Cheapside op de deur van een schilder was geschroefd—wees, als mijnheer Dombey voorbijkwam, met zijn voorvinger naar den rand van zijn hoed. De kruier van de buurt liep, als hij niet met eene boodschap uit was, altijd gedienstig vooruit, om de deur van het kantoor zoo wijd mogelijk open te doen, en hield ze met den hoed in de hand open, terwijl Dombey binnenging.

De klerken daarbinnen waren vooral niet achterlijk met hunne bewijzen van eerbied. Er heerschte eene plechtige stilte, wanneer Dombey het buitenkantoor door kwam. De grappenmaker onder den troep werd in een oogenblik even stom als de rij lederen brandemmers, die omhoog achter hem hing. Het flauwe daglicht, dat door de vensters en lantarens van dof geslepen glas heendrong, vertoonde de boeken en papieren, en de daarover gebogene gedaanten, in eene deftige schemering, zoozeer van de buitenwereld afgezonderd, alsof zij op den bodem van den oceaan verzameld waren; terwijl een duf, gewelfd brandkamertje in het duistere verschiet, waar altijd eene lamp met een schermpje brandde, de grot van een zeemonster had kunnen verbeelden, dat met een vurig oog deze geheimen der diepte verspreidde.

Wanneer Perch, de boodschaplooper, die zijne vaste plaats op een bankje had, dat hem eenigszins naar eene staande klok op eene console deed gelijken, Dombey zag binnenkomen—of liever als hij hem voelde aankomen, want hij werd meestal door zeker instinct voor zijne nadering gewaarschuwd—haastte hij zich naar Dombey’s kamer, pookte het vuur op, schudde er versche kolen uit den emmer bij, hing de courant op den haardrand te drogen, zette den stoel gereed en het vuurscherm op zijne plaats, en draaide, juist op het oogenblik dat Dombey binnenkwam, op zijn hiel rond, om hem zijne overjas en hoed af te nemen en op te hangen. Dan nam Perch de courant, zwaaide ze nog een paar malen voorbij het vuur, en legde ze eerbiedig bij Dombey’s elleboog. En zoo weinig bezwaar had Perch in het betoonen van den uitersten eerbied, dat het hem des te beter zou hebben bevallen als hij zich zelven voor Dombey’s voeten had mogen werpen, en hem met zulke titels aanspreken als men den Kalif Haroun Alraschid placht te geven.

Daar dit eerbewijs echter eene gewaagde nieuwigheid zou zijn geweest, moest Perch zich vergenoegen met zoo goed hij kon door zijne houding uit te drukken: gij zijt het licht van mijne oogen; gij zijt de adem mijner ziel; gij zijt de beheerscher van den geloovigen Perch! Door dit onvolmaakte geluk opgebeurd, sloot hij zachtjes de deur, ging op de teenen heen, en liet zijn grooten meester onder den glazen koepel in het plat zitten, aangestaard door leelijke schoorsteenen en achtermuren van huizen, en vooral door een onbeschaamd venster van een haarsnijsalon, waar een wassen borstbeeld, des morgens zoo kaal als een Turk, en na elf uur met den weligsten haartooi volgens de laatste christelijke mode versierd, hem eeuwiglijk den achterkant van zijn hoofd toonde.

Tusschen Dombey en de gewone wereld, gelijk zij door het buitenkantoor toegankelijk was, bestonden twee trappen van afdaling. Mijnheer Carker in zijn eigen kantoor was de eerste trap; mijnheer Morfin in zijn eigen kantoor was de tweede. Ieder van deze heeren had een vertrekje gelijk een badkamertje, dat bij de deur van Dombey in den gang uitkwam. Carker, als Groot Vizier, bewoonde het vertrek dichtst bij den Sultan. Morfin, als van lager rang, had de kamer dichtst bij de klerken.

De laatstgenoemde heer was een tamelijk bejaard oud vrijer, met een vroolijk uitzicht en lichtbruine oogen; deftig gekleed, wat zijne bovenste helft betrof, in het zwart, en wat de beenen aanging, in peper- en zoutkleur. Zijne donkere haren hadden hier en daar een vlekje grijs, alsof de voetstap van den tijd ze bespat had, en zijn bakkebaard was reeds wit. Hij had een grooten eerbied voor Dombey en bewees hem verplichte hulde; maar daar hij zelf van een vroolijk temperament was, en nooit geheel op zijn gemak in het bijzijn van zijn statigen patroon, kwelde hem geene jaloezie op de vele mondgesprekken die Carker ten deel vielen, en was hij zelfs heimelijk vergenoegd dat hij een post waarnam, welke hem slechts zelden er aan blootstelde om tot zulk eene onderscheiding te worden uitgekozen. Hij was op zijne manier een groot muziekliefhebber—na de zaken; en koesterde eene vaderlijke genegenheid voor zijne violoncel, die eens in de week van Islington, zijne woonplaats, naar zeker salon dicht bij de Bank werd gebracht, waar eene vereeniging van liefhebbers elken woensdagavond de gruwelijkste en martelendste quartetten speelde.

Carker was een heer van acht en dertig of veertig jaren, met eene blozende kleur, en twee ongeschonden rijen glinsterende tanden, welker regelmatigheid en witheid iets hinderlijks hadden. Het was onmogelijk er niet op te letten, want hij liet ze altijd zien wanneer hij sprak, en had zulk een breeden glimlach (die zich echter zeer zelden verder dan zijn mond uitstrekte) dat zijn gezicht bij het lachen eenigszins naar dat van eene blazende kat geleek. Hij droeg eene stijve witte das, op het voorbeeld van zijn principaal, en was altijd spannend gekleed en dicht toegeknoopt. Zijne houding tegenover Dombey was diep doordacht. Hij was gemeenzaam met hem, juist om het uiterste van zijn gevoel van den afstand tusschen hen uit te drukken. “Mijnheer Dombey, voor iemand in uwe positie van iemand in de mijne, is er geene vertooning van onderdanigheid, zoover maar met het behandelen van zaken vereenigbaar is, die ik genoegzaam kan achten. Ik zeg u daarom rondborstig, mijnheer, ik zie er geheel van af. Ik gevoel dat ik mij zelven niet zou kunnen voldoen, en gij, mijnheer Dombey, kunt mijne ontoereikende pogingen wel missen.” Als hij deze woorden op een biljet gedrukt op de borst van zijn rok had gedragen, om ze Dombey telkens te laten lezen, had hij niet duidelijker kunnen zijn.

Dit was Carker de chef. Carker junior, Walter’s vriend, was zijn broeder, twee of drie jaren ouder dan hij, maar ver beneden hem in stand. De jongste broeder stond op de bovenste sport van de ladder, de oudste geheel onderaan. De oudste broeder klom nooit eene sport hooger, lichtte zelfs nooit een voet op om dat te doen. Jongelieden sprongen hem voorbij en kwamen al hooger en hooger; maar hij bleef altijd onderaan. Hij was volkomen tevreden met dien lagen rang, klaagde er nooit over en had zeker nooit gehoopt er zich boven te verheffen.

“Hoe vaart gij van morgen?” zeide Carker de chef, op zekeren ochtend de kamer van Dombey binnenkomende, met eenige papieren in de hand.—“Hoe vaart gij, Carker?” zeide Dombey, van zijn stoel opstaande en zich met den rug naar het vuur plaatsende. “Hebt ge daar iets voor mij?”—“Ik weet niet of ik u wel behoef lastig te vallen,” antwoordde Carker, de papieren in zijne hand naziende. “Gij hebt vandaag om drie uren eene vergadering, zooals gij weet.”—“En nog eene kwartier voor vieren,” zeide Dombey.—“Laat men u eens betrappen dat gij iets vergeet!” riep Carker uit, nog zijne papieren naziende. “Als jonge heer Paul uw geheugen erft, zal hij een lastige patroon zijn. Wij hebben al genoeg aan één zoo.”—“Gij hebt zelf een goed geheugen,” zeide Dombey.—“O, ik,” antwoordde Carker. “Dat is het eenige kapitaal van iemand als ik.”

Dombey keek niet minder statig, en ook geheel niet misnoegd, terwijl hij, tegen den schoorsteenmantel leunende, zijn (natuurlijk hiervan geheel onbewusten) boekhouder, van het hoofd tot de voeten opnam. De stijfheid en netheid van Carker’s kleeding, en zekere aanmatiging in zijne manieren, die hem of natuurlijk of naar een niet ver verwijderd model gevolgd was, gaven zijne nederigheid iets nog meer in het oog loopends. Hij scheen een man te zijn, die, als hij kon, wel had willen kampen tegen de macht, die hem overwon, maar door de grootheid van Dombey geheel overstelpt werd.

“Is Morfin hier?” vroeg Dombey na eene korte poos van stilte, waaronder Carker in zijne papieren had gebladerd en bij zich zelven het een en ander daaruit gepreveld.—“Ja, Morfin is hier,” antwoordde hij met zijn breedsten glimlach opziende, “en neuriet muzikale herinneringen—uit de quartetten van gisteravond denk ik,—door den muur tusschen ons, dat ik er half dol van word. Ik wenschte dat hij een vreugdevuurtje van zijn violoncel stookte en daarin zijne muziekboeken verbrandde.”—“Gij respecteert toch niemand, Carker,” zeide Dombey hierop.—“Niet?” zeide Carker, met nog eene breede en allerkatachtigste vertooning van zijne tanden. “Wel! Niet veel menschen, geloof ik. Misschien,” prevelde hij, alsof hij dit maar bij zich zelven dacht, “niet meer dan een.”

Eene gevaarlijke eigenschap, indien zij echt, en niet minder gevaarlijk als zij maar geveinsd is. Maar Dombey scheen zoo niet te denken, terwijl hij, tot zijne volle lengte uitgerekt, met zijn rug naar het vuur stond, en zijn eersten boekhouder aanzag met eene deftige bedaardheid, waarin een nog sterker gevoel van macht dan gewoonlijk scheen te schuilen.

“Van Morfin gesproken,” hervatte Carker, een papier uit de anderen uitzoekende, “hij rapporteert dat er aan het hulpkantoor op Barbados een jongste klerk dood is, en stelt voor in de Zoon en Erfgenaam, die over eene maand of zoo moet uitzeilen, eene passagiersplaats voor zijn opvolger open te houden. Het zal u niet kunnen schelen wie er gaat, denk ik. Wij hebben niemand van die soort hier.”

Dombey schudde met statige onverschilligheid zijn hoofd.

“Het is geen beste post,” merkte Carker aan, eene pen opnemende om de beslissing op den achterkant van het papier aan te teekenen. “Ik hoop dat hij een zoon of neef van een muzikalen vriend heeft om er mee te begeven. Dat zal hem misschien van de viool afhouden, als hij er liefhebberij in heeft. Wie daar? Binnen!”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Carker. Ik wist niet dat gij hier waart, mijnheer,” antwoordde Walter, die zich nu vertoonde, met eenige pas aangekomene brieven in de hand. “Mijnheer Carker junior...”

Op het hooren van dien naam scheen Carker de chef zich door schaamte overstelpt te gevoelen. Hij sloeg zijne oogen met een blik van verlegenheid en verontschuldiging naar Dombey op, daarop naar den grond en zweeg een oogenblik alsof hij verstomd was.

“Ik dacht,” zeide hij eensklaps, zich gramstorig naar Walter keerende, “dat u al meer verzocht was om mijnheer Carker Junior buiten uw gesprek te laten.”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik wilde maar zeggen, dat mijnheer Carker junior mij gezegd had te denken dat gij uit waart, of ik zou niet aan de deur geklopt hebben terwijl gij bij mijnheer Dombey waart. Dit zijn brieven voor mijnheer Dombey, mijnheer.”—“Goed,” zeide Carker de chef, hem de brieven driftig uit de hand rukkende. “Ga maar weer heen.”

Maar door zijne ruwheid liet hij een van de brieven, zonder dat hij of Dombey het zag, op den grond vallen. Walter aarzelde een oogenblik, om te zien of een van beiden dien brief zou opmerken, en toen dit niet zoo was, bleef hij staan, keerde terug, raapte hem op en legde hem zelf op Dombey’s lessenaar. Toevallig was deze brief juist het wekelijksche rapport van mevrouw Pipchin, volgens gewoonte—daar mevrouw Pipchin eene slechte schrijfster was—door Florence geadresseerd. Dombey, wiens aandacht door Walter stilzwijgend op den brief werd gevestigd, zag hem driftig en gramstorig aan, als dacht hij dat Walter dien met opzet uit de anderen had gezocht.

“Gij kunt heengaan,” zeide Dombey trotsch.

Hij kneep den brief in zijne hand samen, en stak hem, toen hij Walter de deur had zien uitgaan, ongeopend in zijn zak.—“Gij hadt iemand noodig, hebt gij daar gezegd, om naar West-Indië te zenden,” merkte Dombey haastig aan.—“Ja,” antwoordde Carker.—“Zend den jongen Gay.”—“Goed, heel goed. Niets gemakkelijker,” zeide Carker, zonder eenig blijk van verwondering, en de pen weder opnemende, schrapte hij zijne eerste aanteekening uit, en schreef, even koel als te voren: “Gay zenden.”—“Roep hem eens terug,” zeide Dombey.

Carker deed dit snel, en Walter was even snel weder binnen.

“Gay,” zeide Dombey, zich eenigszins omkeerende om hem over zijn schouder aan te zien. “Er is...”—“Eene plaats open,” zeide Carker, met zijn mond zoo breed mogelijk uitgerekt.—“In West-Indië. Op Barbados. Ik zal u daarheen zenden,” zeide Dombey, het beneden zich achtende om de naakte waarheid eenigszins op te sieren, “als jongste klerk op het kantoor daar. Zeg uw oom van mij, dat ik u gekozen heb om naar West-Indië te gaan.”

Walter was zoo verbaasd, dat hij niets anders kon doen dan het woord “West-Indië” te herhalen.

“Er moet iemand gaan,” zeide Dombey, “en gij zijt jong en gezond, en uw ooms omstandigheden zijn niet gunstig. Zeg uw oom dat gij benoemd zijt. Gij behoeft niet terstond te gaan. Het zal nog eene maand duren,—twee misschien.”—“Zal ik daar blijven, mijnheer?” vroeg Walter.—“Of gij daar blijven zult!” herhaalde Dombey, zich een weinig meer naar hem omkeerende. “Wat meent gij? Wat meent hij, Carker?”—“Voor vast, mijnheer,” stamelde Walter.—“Zekerlijk,” antwoordde Dombey.

Walter boog.

“Dat is alles,” zeide Dombey, zich weder naar zijne brieven keerende. “Gij zult hem wel eens van de gewone uitrusting en zoo voort spreken, Carker. Hij behoeft niet te wachten, Carker.”—“Gij behoeft niet te wachten, Gay,” zeide Carker, die nu zelfs zijn tandvleesch liet zien.—“Of,” zeide Dombey, met het lezen ophoudende, maar zonder van zijn brief op te zien, en alsof hij luisterde, “of hij moest iets te zeggen hebben.”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Walter, onthutst en verlegen, bijna versuft zelfs door de menigte van schilderijen die hem op eens voor den geest kwamen, en waaronder kapitein Cuttle met zijn blinkenden hoed, versteend van verbazing, en zijn oom in het achterkamertje zijn verlies beklagende, voorname plaatsen bekleedden.—“Ik weet haast niet—ik—ik ben u wel dankbaar, mijnheer.”—“Hij behoeft niet te wachten, Carker,” zeide Dombey.

En toen Carker deze woorden nog eens herhaalde, en zijne papieren opzamelde, alsof hij ook heenging, gevoelde Walter dat het eene onvergeeflijke lompheid zou zijn als hij langer bleef dralen—vooral daar hij niets te zeggen had—en ging dus geheel verbijsterd de kamer uit.

Hij was nog in den gang, evenals in een droom, maar half bewust van hetgeen er gebeurd was, toen hij Dombey’s kamerdeur nog eens hoorde openen en sluiten. Carker kwam er uit en riep hem na:

“Breng uw vriend, mijnheer Carker Junior, eens bij mij in de kamer, jonge heer, als het u belieft.”

Walter ging naar het groote kantoor en bracht zijne boodschap aan Carker Junior over, die daarop van achter het schut kwam, waar hij alleen in een hoek zat, en met hem naar de kamer van Carker den chef ging.

De heer stond, met zijn rug naar het vuur en de handen onder de rokspanden, zoo stijf over zijne witte das te kijken als Dombey zelf had kunnen doen. Hij ontving hen zonder eenigszins van houding te veranderen of de dreigende uitdrukking van zijn gezicht te verzachten, en gaf slechts Walter een wenk om de deur te sluiten.

“John Carker,” zeide de chef, toen dit geschied was zich plotseling naar zijn broeder keerende, met een paar rijen tanden alsof hij hem wilde bijten, “welk verbond bestaat er toch tusschen u en dit jonge mensch, om mij met uw naam te vervolgen en te kwellen? Is het u niet genoeg, John Carker, dat ik uw naaste bloedverwant ben en mij niet kan losmaken van die...”—“Zeg maar schande, James,” zeide de ander met eene zachte stem, toen hij zag dat de spreker om een woord verlegen was. “Gij meent dat toch, en hebt er wel reden toe. Zeg maar schande.”—“Van die schande dan,” zeide zijn broeder met scherpen nadruk, “maar moet de zaak weder gedurig worden opgehaald en uitgebazuind—voor den patroon zelven—en dat in oogenblikken van vertrouwen? Denkt gij dat uw naam hier eenigszins met het woord vertrouwen harmonieert, John Carker?”—“Neen,” was het antwoord. “Neen, James. God weet dat ik dat niet denk.”—“Wat denkt gij dan, en waarom komt gij mij gedurig in den weg? Hebt ge mij niet al genoeg benadeeld?”—“Ik heb u nooit met opzet benadeeld, James.”—“Gij zijt mijn broeder,” zeide de chef. “Dat is al erg genoeg.”—“Ik wenschte dat ik het onwaar kon maken.”—“Dat wenschte ik ook.”

Onder dit gesprek had Walter, vol smart en verbazing, nu den een en dan den ander aangezien. Hij, die de oudste in jaren en de jongste op het kantoor was, stond, met gebogen hoofd en met op den grond gevestigde oogen, nederig naar de verwijten van den ander te luisteren. Hoezeer deze ook door toon en blik, en vooral door de tegenwoordigheid van Walter, werden verbitterd, hij bracht er niets tegen in, behalve dat hij even zijne rechterhand smeekend ophield, als wilde hij zeggen: “Spaar mij!”

Edelmoedig en vurig in al wat hij deed, viel Walter, die zich zelven voor de onschuldige oorzaak dezer verwijten hield, er nu op in:

“Mijnheer Carker, het is waarlijk alleen mijne schuld. Door eene onbedachtzaamheid, die ik mij zelven niet genoeg kan verwijten, heb ik zeker meermalen van mijnheer Carker Junior gesproken dan noodig was, en mij somtijds wel zijn naam laten ontvallen, waar gij mij uitdrukkelijk daarvoor gewaarschuwd hadt. Maar dat was geheel mijn bedrijf, mijnheer. Wij hebben nooit een woord daarover gewisseld,—wij hebben over het geheel maar zeer weinig met elkander gesproken. En het is ook,” vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, “niet geheel onbedachtzaamheid van mij geweest, mijnheer; want zoolang ik hier ben, heb ik veel belangstelling voor mijnheer Carker gevoeld, en zoo kon ik somtijds haast niet nalaten van hem te spreken, omdat ik zooveel om hem dacht.”

Walter zeide dit met oprechtheid en vuur; want hij zag het gebogene hoofd, en de neergeslagene oogen, en de opgehevene hand, en dacht: “Ik heb het gevoeld; en waarom zou ik het niet bekennen, als het dien armen daar, die door iedereen miskend schijnt te worden, misschien iets kan baten.”

“Waarlijk, gij hebt mij altijd vermeden, mijnheer Carker,” zeide Walter, met tranen in de oogen; zoo hartelijk was zijn medelijden, “dat weet ik tot mijne spijt. Toen ik pas hier kwam, en op den duur, heb ik altijd uw vriend willen zijn, zooveel iemand van mijne jaren zich dat kon laten voorstaan; maar het heeft niet gebaat.”—“En onthoud, Gay,” viel de chef er snel op in, “dat het nog minder baten zal, als gij voortgaat met mijnheer Carker iedereen onder de aandacht te willen dwingen. Dit is de manier niet om mijnheer John Carker’s vriend te zijn. Vraag hem zelven maar of hij dat wel denkt.”—“Het doet mij geen dienst,” zeide de broeder. “Het geeft maar aanleiding tot zulk een gesprek als dit, en ik behoef niet te zeggen dat ik dit gaarne had willen missen. Niemand kan zich beter mijn vriend toonen,” hier sprak hij zeer duidelijk, alsof hij het Walter wilde inprenten, “dan door mij te vergeten, en mij mijn weg te laten gaan, zonder op mij te letten of mij iets te vragen.”—“Daar gij geen sterk geheugen hebt, Gay, voor hetgeen anderen u zeggen,” zeide Carker de chef, beter tevreden naar het scheen, “dacht ik dat gij dit eens uit de beste bron moest hooren;” naar zijn broeder knikkende. “Gij zult het nu niet meer vergeten, hoop ik. Dat is alles Gay. Gij kunt gaan.”

Walter ging de deur uit, en wilde ze juist achter zich sluiten, toen hij weder de stemmen der broeders hoorde en zijn eigen naam hoorde noemen. Nu bleef hij staan met de hand aan de kruk, in twijfel of hij zou terugkeeren of heengaan, en kon dus niet nalaten te hooren wat er volgde.

“Denk zachter over mij, als gij kunt, James,” zeide John Carker, “als ik u zeg—hoe kon het anders, met mijne geschiedenis, hier geschreven”—met deze woorden gaf hij zich een slag op de borst—“als ik u zeg dat het mij tot in de ziel roerde toen ik dien Walter Gay zag. Ik zag in hem, toen hij pas hier kwam, bijna een evenbeeld van mij zelven.”—“Van u zelven!” herhaalde James met minachting.—“Niet zooals ik nu ben, maar zooals ik was toen ik ook pas hier kwam; even los, vurig, jongensachtig en onervaren; vol van dezelfde onrust en avontuurlijke inbeeldingen, met denzelfden aanleg voor goed en kwaad.”—“Ik hoop van neen,” zeide zijn broeder, met eene verborgene smadelijke beteekenis in zijn toon.—“Gij raakt mij diep,” zeide de ander, met eene stem (dacht Walter) alsof hij werkelijk een steek met een dolk had gekregen. “Maar ik verbeeldde mij dat, toen hij nog een jongen was. Ik geloofde het. Ik hield het voor waarheid. Ik zag hem onbezorgd langs den rand der onzichtbare diepte gaan, waar velen even vroolijk wandelen, en zoovelen....”—“De oude verontschuldiging,” zeide zijn broeder, het vuur oppokende. “Zoovelen.—Ga maar voort. Zeg: zoovelen in neerstorten.”—“Waarin één reiziger neerstortte,” zeide de ander, “die evenals hij op weg ging toen hij nog een knaap was, al meer en meer uitglipte, en lager en lager afgleed, tot hij in den afgrond stortte en voor altijd kreupel op den bodem lag. Verbeeld u wat ik geleden heb toen ik dien knaap zoo zag.”—“Dat hebt gij alleen aan u zelven te danken,” antwoordde James.—“Alleen aan mij zelven,” zeide John met een zucht. “Ik zoek de schuld of de schande niet te deelen.”—“Gij hebt de schande gedeeld,” prevelde James Carker tusschen zijne tanden; en door zoovele en zoo dicht geslotene tanden kon hij zeer duidelijk prevelen.—“Ach, James,” antwoordde zijn broeder, voor de eerste maal een toon van verwijt aannemende, schoon hij, naar den klank zijner stem, de handen voor zijn gezicht scheen te houden, “ik ben u sedert altijd nuttig geweest als een contrast. Gij hebt gerust op mij getrapt om hooger te klimmen. Schop mij nu niet nog met den voet!”

Er volgde eene poos van stilte. Men hoorde Carker den chef onder zijne papieren ritselen, alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken. Te gelijk kwam zijn broeder dichter naar de deur.

“Dat is alles,” zeide hij. “Ik heb hem zoo met vreezen en beven gadegeslagen, dat dit wel reeds eenige straf voor mij was, tot hij de plaats voorbij was waar ik de eerste maal viel, en toen, al was ik zijn vader geweest, geloof ik dat ik God niet hartelijker had kunnen danken. Ik durfde hem niet waarschuwen of raad geven; maar als ik er bepaalde reden voor had gezien, zou ik hem mijn voorbeeld getoond hebben. Ik was bang dat men mij met hem zou zien spreken, opdat men niet denken zou dat ik hem kwaad deed of bedierf—opdat ik dat niet werkelijk zou doen. Er kan wel iets besmettelijks in mij zijn; ik weet het niet. Breng mijne geschiedenis met dien Walter Gay in verband, en verbeeld u wat hij mij heeft doen gevoelen; en denk dan zachter over mij, James, als gij kunt.”

Met deze woorden kwam hij de deur uit. Hij werd nog wat bleeker toen hij Walter zag staan, en nog wat bleeker, toen deze hem bij de hand vatte en fluisterend zeide:

“Mijnheer Carker, laat ik u mogen danken! Laat ik u mogen zeggen wat ik voor u gevoel! Hoe spijt het mij dat ik de ongelukkige oorzaak van dit alles geweest ben! Ik houd u nu bijna voor mijn bewaker en beschermer. Hoe dankbaar ben ik u, en hoe beklaag ik u!” zeide Walter, hem bij beide handen vattende, en van ontroering nauwelijks wetende wat hij zeide of deed.

Daar de kamer van Morfin ledig was en de deur wijd openstond, gingen beide van zelf daarbinnen; want in den gang werd gedurig heen en weder geloopen. Daar in de kamer zag Walter op Carker’s gezicht eenige sporen der beweging in zijn binnenste, en het was hem bijna alsof hij dat gezicht nog nooit had gezien, zoozeer was het veranderd.

“Walter,” zeide hij, zijne hand op des jonkmans schouder leggende, “ik ben ver van u af; en moge ik dat altijd blijven! Weet gij wel wat ik ben?”—“Wat gij zijt!” scheen op Walter’s lippen te zweven, terwijl hij hem oplettend aanzag.—“Het begon voor mijn een en twintigsten verjaardag,” zeide Carker. “De grond werd er al vroeger toe gelegd, maar het begon niet voor tegen dien tijd. Toen ik meerderjarig werd had ik hen bestolen. Ik bestal hen nog naderhand. Voor mijn twee en twintigsten verjaardag was alles uitgekomen; en toen, Walter, was ik voor allen omgang met menschen dood.”

Wederom zweefden zijne laatste woorden Walter bevend op de lippen, maar hij kon ze niet uitspreken, en ook zelf niets zeggen.

“De patroon was zeer goed voor mij! God beloone den ouden man voor zijne barmhartigheid! Ook deze, zijn zoon, die toen pas in de zaak was gekomen, waarin ik een post van groot vertrouwen had gehad. Ik werd in die kamer geroepen, die nu de zijne is—ik ben er sedert nooit weder in geweest—en toen ik er uitkwam was ik, wat gij weet en kent. Vele jaren lang heb ik op mijne tegenwoordige plaats gezeten, alleen, evenals nu, maar toen een bekend en erkend voorbeeld voor de anderen. Zij waren allen barmhartig voor mij, en ik bleef leven. De tijd heeft dit gedeelte van mijne boete gewijzigd, en ik geloof dat er, behalve de drie hoofden van het kantoor, niemand hier is, die mijne geschiedenis recht weet. Eer de kleine jongen groot is, en ze hem verteld wordt, zal mijn hoek misschien wel ledig zijn. Ik mag wel lijden dat het zoo is. Dit is de eenige verandering voor mij sedert dien dag, toen ik alle hoop, jeugd, en gezelschap van goede menschen, in die kamer daar achterliet. God zegene u, Walter! Moge Hij u en allen die u dierbaar zijn eerlijk doen blijven, of hen laten sterven!”

Eene herinnering, dat hij van het hoofd tot de voeten beefde, alsof het van koude was, en toen in tranen uitbarstte, was al wat Walter hierbij kon voegen, toen hij zich naderhand nauwkeurig poogde te bezinnen wat er tusschen hen was voorgevallen.

Toen Walter hem de volgende maal zag, zat hij, als vanouds, stil en nederig over zijn lessenaar gebogen. Toen ziende hoe hij blijkbaar wenschte dat er geen verdere omgang tusschen hen zou plaats hebben, en nog eens denkende over alles wat hij dien morgen in zulk een korten tijd van de geschiedenis der beide Carkers’s had vernomen, kon Walter nauwelijks gelooven dat hij last had gekregen om naar West-Indië te vertrekken, en spoedig voor oom Sam en kapitein Cuttle zou verloren zijn, en zelfs die enkele blikken van Florence Dombey—neen, hij meende Paul—en alles wat hij in zijn dagelijksch leven liefhad en met verlangen te gemoet zag, zou moeten missen.

Maar het was toch waar, en het nieuws had reeds het groote kantoor bereikt; want terwijl hij met een beklemd hart over al die dingen zat na te denken, en zijn hoofd in zijne hand liet rusten, kwam Perch, de boodschaplooper, van zijn bankje, stiet hem aan den elleboog, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen, maar wenschte hem toch in het oor te fluisteren, of hij geene kans zag om hem goedkoop een pot geconfijte gember over te zenden, tegen den tijd dat jufvrouw Perch na hare aanstaande bevalling weder op de been kwam.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us