XXXIX. VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE
De tijd, vast van voet en krachtig van wil, had zich zoo gerept, dat het jaar, hetwelk de oude instrumentmaker had bepaald als de tijd hoelang zijn vriend moest wachten om het verzegelde pakje te openen, dat hij bij zijn brief had achtergelaten, nu bijna verloopen was, en kapitein Cuttle het op een avond met eene mengeling van nieuwsgierigheid en ongerustheid zat te bekijken.
De kapitein zou er, als man van eer, even weinig aan gedacht hebben om het pakje een uur voor den afloop van den voorgeschreven tijd te openen, als om zich zelven te openen ten einde zich van binnen te bekijken. Hij haalde het slechts, als hij zijne eerste avondpijp rookte, te voorschijn, legde het op de tafel, en zat het dan twee of drie uren achtereen met stillen ernst van buiten aan te staren. Somtijds, als hij het aldus een tamelijk langen tijd had beschouwd, schoof de kapitein zijn stoel langzamerhand al verder en verder achteruit, als ware het om buiten den kring der toovermacht te komen; maar als dit zijn oogmerk was, gelukte het hem toch nooit; want zelfs als hij tegen den muur van het kamertje gekomen was, bleef het pakje hem toch aantrekken, of als zijne oogen, peinzend zwervende, naar den zolder of het vuur dwaalden, ging het beeld van het pakje dadelijk mede en posteerde zich tusschen de kolen of tegen de witkalk aan.
Wat zijn Hartediefje betrof, kende des kapiteins vaderlijke genegenheid en opgetogenheid geene verandering. Maar sedert zijn laatste gesprek met Carker, was kapitein Cuttle begonnen te twijfelen, of zijne vroegere tusschenkomst ten behoeve van die jonge dame en Walter, zijn lieven jongen, wel zoo voordeelig was geweest als hij had kunnen wenschen en toen ter tijd had geloofd. De kapitein was, kortom, ernstig bekommerd dat hij meer kwaad dan goed had gedaan; en in zijne wroeging en bescheidenheid deed hij de beste boete die hij kon doen, door zich overal vandaan te houden, waar hij iemand nog meer kwaad zou kunnen doen, en zich, als het ware, als een ongeluksvogel overboord te werpen.
Zoo door zijn eigen vonnis tusschen instrumenten begraven, kwam de kapitein nooit meer in de nabijheid van Dombey’s huis, en liet hij Florence en Suze Nipper niets meer van zich zien of hooren. Hij brak zelfs de kennis met Perch af, toen deze hem eene volgende maal kwam bezoeken, door dien heer droogjes te onderrichten, dat hij hem voor zijn gezelschap dankbaar was, maar zich voortaan van al zulken omgang wilde af houden, daar hij niet wist welk kruitmagazijn hij, zonder het te willen, in de lucht kon doen vliegen. In deze hem door zich zelven opgelegde afzondering sleet de kapitein geheele dagen en weken zonder een enkel woord met iemand te wisselen behalve met Rob den Slijper, wien hij voor een model van belangelooze verkleefdheid en trouw hield. In deze afzondering zat de kapitein des avonds het pakje aan te staren en al rookende aan Florence en den armen Walter te denken, tot zij voor zijne eenvoudige verbeelding beide dood schenen en nu in eeuwige jeugd de schoone onschuldige kinderen zijner eerste herinnering bleven.
De kapitein verzuimde echter door dit gepeins zijne eigene stichting en de verstandsbeschaving van Rob den Slijper niet. Gewoonlijk moest deze jongeling den kapitein elken avond een uur uit een boek voorlezen; en daar de kapitein blindelings geloofde dat in alle boeken niets anders dan waarheid stond, zamelde hij aldus vele merkwaardige feiten op. Op zondagavond las de kapitein altijd voor zich zelven, eer hij naar bed ging, zekere Goddelijke Rede, die eens op een berg werd uitgesproken; en hoewel hij gewoon was den tekst, zonder boek, op zijne eigenaardige manier aan te halen, scheen hij toch met een even eerbiedig gevoel van den hemelschen geest daarin te lezen, alsof hij dien in het Grieksch van buiten kende en in staat was om over ieder vers een aantal scherpe theologische twistschriften te schrijven.
Rob de Slijper, wiens eerbied voor de Heilige Schriften, onder het bewonderenswaardig stelsel der Slijpersschool, ontwikkeld was door hem aanhoudend over al de eigennamen in de geslachtregisters van Israël te laten struikelen en bij wijze van straf moeielijke verzen te laten opzeggen, alsmede door hem op zesjarigen ouderdom met zijne lederen broek, driemaal op een zondag, in parade heel ver naar eene heel warme kerk te laten trekken, waar een groot orgel hem door zijn slaperig hoofd bromde, gelijk eene reusachtige nijvere bij—Rob de Slijper hield zich alsof hij machtig gesticht was wanneer de kapitein met lezen ophield, en zat doorgaans te geeuwen en te knikkebollen zoolang het lezen duurde; welke laatste omstandigheid nooit door den kapitein werd vermoed.
Kapitein Cuttle ging ook, als man van zaken, aan het boekhouden. In zijne boeken schreef hij observatiën over het weder, en over den stroom van wagens en andere rijtuigen, dien hij opmerkte dat in die streek des morgens en gedurende het grootste gedeelte van den dag westwaarts en des avonds oostwaarts liep. Daar zich in eene week twee of drie “kruisers” vertoonden, die hem “praaiden”—zoo werd het door den kapitein geboekt—over een bril, en, zonder eigenlijk te koopen, zeiden dat zij nog wel eens zouden aankomen, begreep de kapitein dat de zaken beter begonnen te gaan, en noteerde dit ook in zijn dagboek; de wind toen (hetgeen hij eerst aanteekende) tamelijk frisch waaiende, west ten noorden, daar hij in den nacht veranderd was.
Een der voornaamste bezwaren des kapiteins was Toots, die dikwijls aankwam, en, zonder veel te zeggen, in het denkbeeld scheen te verkeeren dat het achterkamertje een zeer geschikt vertrekje was om in te zitten grinniken, dewijl hij het daartoe bij het halve uur achtereen kwam gebruiken, zonder daarom met den kapitein op vertrouwelijker voet te komen. De kapitein, door zijne jongste ondervinding voorzichtig geworden, kon het maar niet met zich zelven eens worden of Toots inderdaad de onnoozele bloed was dien hij scheen te zijn, dan wel een listige veinsaard en huichelaar. Zijne herhaalde toespelingen op jufvrouw Dombey waren verdacht; maar de kapitein gevoelde zich heimelijk ingenomen door de vertrouwelijkheid die Toots hem scheen te bewijzen, en wilde dus vooreerst nog niet ongunstig over hem oordeelen. Hij zag hem slechts, als hij het onderwerp naderde dat hen het naast aan het hart lag, met onbeschrijfelijke schranderheid aan.
“Kapitein Gills,” flapte Toots eens geheel onverwacht uit, gelijk zijne manier was, “denkt gij dat gij gunstig zoudt kunnen denken over dat voorstel van mij, en mij het pleizier geven om kennis met u te mogen houden?”—“Wel, ik zal u zeggen hoe het is, mijn jongen,” zeide de kapitein; “ik heb dat eens overlegd.”—“Kapitein Gills, dat is heel vriendelijk van u,” hervatte Toots, “en ik ben u wel verplicht. Op mijn woord van eer, kapitein Gills, het zou eene weldaad voor mij zijn als ik het pleizier mocht hebben om kennis met u te houden. Dat zou het waarlijk.”—“Gij ziet wel, broeder,” zeide de kapitein langzaam redeneerend, “ik ken u niet.”—“Maar gij kunt mij nooit kennen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, bij zijn a-propos blijvende, “als gij mij het pleizier niet geeft om kennis met u te mogen houden.”
De kapitein scheen getroffen door het juiste en origineele dezer opmerking, en keek Toots aan alsof hij dacht dat er veel meer achter hem stak dan hij zich verbeeld had.
“Wel gezegd, mijn jongen,” zeide de kapitein, peinzend knikkende, “en wel waar. Zie nu eens hier. Gij hebt mij het een en ander verteld waaruit ik opmaak dat gij bewondering gevoelt voor zeker lief schepseltje. He?”—“Kapitein Gills,” zeide Toots, geweldige gebaren makende met de hand waarin hij zijn hoed hield. “Bewondering is het rechte woord niet. Op mijn woord, gij hebt er geen begrip van wat mijn gevoel is. Als men mij kon zwart verven en tot jufvrouw Dombey’s slaaf maken, zou ik het voor een compliment houden. Als ik, met opoffering van al wat ik bezit, in jufvrouw Dombey’s hond kon herschapen worden, denk ik—denk ik waarlijk dat ik nooit zou ophouden met kwispelstaarten. Zoo volmaakt gelukkig zou ik zijn, kapitein Gills.”
Toots zeide dit met waterige oogen, en drukte, met diepe aandoening, zijn hoed tegen zijne borst.
“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein, tot medelijden bewogen, “als gij dat waarlijk ernstig meent...”—“Kapitein Gills,” riep Toots uit, “ik meen het zoo schrikkelijk ernstig, en ik ben in zulk een gemoedstoestand, dat ik, als ik het op een gloeiend stuk ijzer, of op eene kool vuur, of op gesmolten lood, of brandend lak, of iets van dien aard, kon bezweren, waarlijk blij zou zijn als ik mij zeer deed, om mijn gevoel maar wat lucht te geven.” En Toots keek haastig in de kamer rond, als zocht hij naar het een of ander om zijn vreeselijk voornemen te volvoeren.
De kapitein schoof zijn blinkenden hoed op zijn hoofd achterover, streek zijn gezicht met zijne zware hand,—daardoor zijn neus nog bonter makende—plantte zich vlak voor Toots, haakte hem bij den lappel van zijn jasje, en sprak hem met deze woorden toe, terwijl Toots hem zeer aandachtig en eenigszins verwonderd aanstaarde:
“Als gij het ernstig meent, ziet gij, mijn jongen, zijt gij een voorwerp van menschlievendheid, en menschlievendheid is de schoonste parel in de kroon op het hoofd van een Brit, dat gij kunt nazien in de constitutie, zooals in Rule Britannia staat, en als gij dat vindt, dan hebt gij daar het charter, waarvan die beschermengelen zoo dikwijls zingen. Sta vast nu! Dat voorstel van u brengt mij een beetje overstuur. En waarom? Omdat ik, verstaat ge, hier in deze wateren maar alleen rondzwalk, en geen maat heb, en misschien daar ook niet naar wensch. Sta vast. Gij hebt mij eerst gepraaid om eene zekere jonge juffer, die u had uitgerust. Als gij en ik nu elkander gezelschap zullen houden, dan moet de naam van dat jonge schepseltje nooit genoemd of gerept worden. Ik weet niet wat voor kwaad er al gebeurd is door er voorheen al te vrij van te spreken, en daarbij houd ik het. Begrijpt ge mij zoo tamelijk, broeder?”—“Wel, gij moet het mij niet kwalijk nemen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “als ik u somtijds niet geheel kan volgen. Maar op mijn woord, ik—het is toch hard, kapitein Gills, niet van jufvrouw Dombey te mogen spreken. Ik heb waarlijk zulk eene vreeselijke zwaarte hier,” daarbij legde Toots weemoedig beide handen op zijne borst, “dat ik nacht en dag een gevoel heb, juist alsof er iemand op mij zat.”—“Dat zijn de bedingen, die ik aanbied.” zeide de kapitein. “Als gij ze te hard vindt, broeder, zooals ze misschien zijn, laat ze dan staan, en laten wij als goede vrienden scheiden.”—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “ik weet haast niet hoe het is, maar na hetgeen gij mij gezegd hebt toen ik de eerste maal hier kwam, gevoel ik—dat ik liever in uw gezelschap aan jufvrouw Dombey wil denken, dan bij haast iemand anders van haar praten. Dus kapitein Gills, als ge mij het pleizier wilt doen van met u te mogen kennis houden, zal ik dat heel gaarne op uw eigene conditiën doen. Ik wil eerlijk zijn, kapitein Gills,” zeide Toots, zijne uitgestokene hand nog even terugtrekkende, “en daarom moet ik zeggen, dat ik niet kan nalaten aan jufvrouw Dombey te denken. Het is mij onmogelijk te beloven, dat ik niet aan haar denken zal.”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein, wiens achting voor Toots door deze oprechte bekentenis zeer verhoogd werd, “iemands gedachten zijn evenals de wind, en niemand kan lang achtereen daarvoor instaan. Is het een accoord wat woorden betreft?”—“Wat woorden betreft, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “denk ik dat ik mij wel kan verbinden.”
Toen gaf Toots den kapitein zijne hand er op; en de kapitein gaf hem, met veel vertooning van vriendelijke goedgunstigheid, uitdrukkelijk verlof om kennis met hem te mogen houden. Toots scheen zeer verheugd over dit geluk, en bleef, zoolang zijn bezoek nog duurde, vergenoegd zitten grinniken. De kapitein, van zijn kant, was niet slecht in zijn schik met zijne positie als begunstiger en beschermer, en buitengemeen weltevreden over zijne eigene voorzichtigheid en schranderheid.
Doch hoe rijk kapitein Cuttle ook met deze hoedanigheden was bedeeld, hij kreeg denzelfden avond nog eene onverwachte verrassing, van geen minder oprecht en eenvoudig jongeling dan Rob den Slijper. Die argelooze knaap, die aan dezelfde tafel thee dronk en deemoedig over zijn kopje gebogen zat, ondertusschen met zijdelingsche blikken op zijn meester lettende, die met veel moeite, maar groote deftigheid, door zijn bril de courant las, verbrak de stilte door te zeggen:
“Neem mij niet kwalijk, kapitein; maar gij zult misschien geen duiven noodig hebben, zult ge wel, mijnheer?”—“Neen, mijn jongen,” antwoordde de kapitein.—“Omdat ik de mijne maar wilde wegdoen, kapitein,” zeide Rob.—“Zoo, zoo?” zeide de kapitein, zijne ruige wenkbrauwen een weinig optrekkende.—“Ja; ik ga heen, kapitein,” zeide Rob.—“Heengaan? Waar gaat gij dan naar toe?” vroeg de kapitein, over zijn bril heen naar hem omkijkende.—“Wat? Wist gij dan niet dat ik van u vandaan zou gaan, kapitein?” zeide Rob, met een gluiperigen glimlach.
De kapitein legde de courant neer, zette zijn bril af, en zag den deserteur strak aan.
“Wel ja, kapitein, ik zou u waarschuwen. Ik dacht dat gij er misschien al te voren van geweten hadt,” zeide Rob, zijne handen wrijvende en opstaande. “Als ge zoo goed kondt zijn om u gauw van iemand anders te voorzien, kapitein, zou mij dat best gelegen komen. Ge zoudt dat niet tegen morgenochtend kunnen doen, vrees ik, kapitein; zoudt ge wel, denkt gij?”—“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.—“Het is toch wel hard voor een jongen, kapitein,” zeide de teerhartige Rob, gekrenkt en verontwaardigd te gelijk, “dat hij niet eens behoorlijk zijne huur kan opzeggen, of men moet hem zoo zuur aankijken en een deserteur noemen. Het staat u niet vrij om een armen jongen uit te schelden, kapitein. Omdat ik een knecht ben en gij een meester zijt, moogt ge mij toch geen kwaden naam geven. Wat voor kwaad heb ik gedaan? Kom aan, kapitein, zeg mij wat ik misdaan heb.”
De diepgetroffen Slijper huilde, en duwde zijn mouwopslag tegen zijn oog.
“Kom aan, kapitein,” riep de beleedigde jongeling uit, “laat hooren waaraan ik schuldig ben. Wat heb ik gedaan? Heb ik van het goed gestolen? Heb ik het huis in brand gestoken? Zoo ja, waarom laat ge mij dan niet pakken en voor het gerecht brengen? Maar een jongen zijn goeden naam te ontnemen, die een goede knecht voor u is geweest, omdat hij zich zelven niet in het licht wil staan voor uw profijt, wat voor kwaad is dat, en wat voor belooning voor trouwen dienst! Dat is immers om een jongen voor altijd te bederven en om hem op een slechten weg te brengen. Ik ben verbaasd over u, kapitein, dat ben ik.”
Dit alles bracht de Slijper uit met een jankend gehuil, terwijl hij voorzichtig achteruit naar de deur week.
“Dus hebt gij eene andere plaats, jongetje, niet waar?” zeide de kapitein, hem nog strak aanziende.—“Ja, kapitein, als gij daarop komt, ik heb eene andere plaats,” zeide Rob, al meer en meer achteruitgaande, “beter plaats dan ik hier heb, en waar ik niet eens uw goed woord noodig heb, dat gelukkig voor mij is, na al het vuil waarmee ge mij gegooid hebt, omdat ik arm ben en het mij niet schikt, mij zelven in het licht te staan voor uw profijt. Waarom verwijt gij het mij dat ik arm ben en mij zelven niet voor uw profijt in het licht wil staan, kapitein? Hoe kunt gij u zoo gemeen aanstellen?”—“Hoor eens hier, jongetje,” antwoordde de vreedzame kapitein. “Laat maar niet meer van die woorden los.”—“Wel, laat gij dan ook niet meer van uwe woorden los,” zeide de gegriefde Rob hierop, nog harder jankende en in den winkel afdeinzende. “Ik heb liever, dat gij mijn bloed neemt dan mijn goeden naam.”—“Omdat ge,” vervolgde de kapitein bedaard, “misschien wel eens van zoo iets als een eindje touw hebt gehoord.”—“Of ik—zoo?” riep de smalende Slijper uit. “Neen, kapitein. Van zulk een ding heb ik nooit gehoord.”—“Wel,” zeide de kapitein, “dan geloof ik dat gij er tamelijk gauw meer van zult weten, als ge niet voor u ziet. Ik kan uwe seinen wel onderscheiden, jongetje. Gij kunt gaan.”—“Zoo, mag ik dadelijk, kapitein?” riep Rob verheugd over dezen afloop. “Maar let er wel op, dat ik niet gevraagd heb om dadelijk te gaan, kapitein. Gij moet mij niet weer een slechten naam geven, omdat gij mij uit eigen verkiezing wegzendt. En gij moet niets van mijn loon inhouden, kapitein.”
Zijn meester besliste dit laatste punt door het blikken busje te voorschijn te halen en des Slijpers volle geld op de tafel uit te tellen. Zuchtend en snikkend, en diep in zijn gevoel gekwetst, nam Rob de stukken een voor een op, met een zucht en een snik voor elk, en knoopte ze een voor een in zijn zakdoek; daarna klom hij naar het dak van het huis en vulde zijn hoed en zijne zakken met duiven; vervolgens kwam hij weder naar beneden, ging naar zijn bed onder de toonbank en maakte zijn pakje, nog harder zuchtende en snikkende, alsof oude herinneringen hem het hart doorsneden; daarop jankte hij: “Goedennacht, kapitein. Ik ga zonder boosheid van u vandaan;” eindelijk naar buiten stappende, trok hij, als een afscheidsaffront, den houten adelborst bij den neus, en ging in grijnzenden triomf de straat af.
De kapitein, alleen gelaten, hervatte zijn onderzoek van het nieuws alsof er niets buitengewoons of onverwachts gebeurd was, en las met den grootsten ijver voort. Maar geen enkel woord verstond kapitein Cuttle, hoewel hij er een groot aantal las, want Rob de Slijper liep de geheele courant door langs de kolommen op en neer.
Het is twijfelachtig of de brave kapitein zich ooit voor op dit oogenblik geheel verlaten had gevoeld; maar nu waren de oude Sam Gills, Walter en Hartediefje eerst waarlijk voor hem verloren, en nu eerst bedroog en smaadde Carker hem op het grievendst. Zij allen hadden een vertegenwoordiger in den valschen Rob, voor wien hij zoo dikwijls had uitgeweid over de herinneringen, die zijn binnenste verwarmden. Hij had in den valschen Rob geloofd en zich verheugd dat hij dit doen kon; hij had hem tot zijn gezelschap gemaakt als den laatsten der bemanning van het oude schip; hij had met hem aan zijne rechterhand het kommando over den houten adelborst overgenomen, hij had zijn plicht jegens hem willen doen, en den jongen eene genegenheid toegedragen, bijna alsof zij te zamen schipbreuk hadden geleden en op eene onbewoonde plek waren aangespoeld. En nu de valsche Rob wantrouwen, verraad en laagheid in dat achterkamertje had gebracht, dat een soort van heiligdom was, was het kapitein Cuttle te moede, alsof het achterkamertje zelf nu ook wel had kunnen verzinken, zonder dat het hem veel verwonderde of speet.
Daarom las kapitein Cuttle de courant met groote aandacht en zonder eenig begrip, en daarom zeide kapitein Cuttle niets hoegenaamd over Rob tot zich zelven, of wilde hij zich zelven bekennen, dat hij aan hem dacht, of dat Rob er iets mee te maken had dat hij zich zoo eenzaam gevoelde als Robinson Crusoe.
Op dezelfde bedaarde en onverschillige manier stapte de kapitein in het donker naar Leadenhall Market en maakte daar schikking met een waker, die de wacht had, om elken ochtend en avond de luiken van den houten adelborst te komen afnemen en opzetten. Toen ging hij in het eethuis aan, om het dagelijksch rantsoen, tot nog toe aan den houten adelborst geleverd, tot de helft te verminderen, en in de herberg, om het bier van den verrader af te zeggen. “Mijn jongen,” zeide de kapitein ter verklaring aan het juffertje in het buffet, “mijn jongen heeft eene betere plaats gezocht, jufvrouw.” Eindelijk besloot de kapitein om het bed onder de toonbank in bezit te nemen, en daar des nachts te slapen in plaats van boven, als eenig bewaker van het goed.
Uit dit bed stond de kapitein voortaan elken morgen om zes uur op en duwde zijn harden hoed op het hoofd, met het eenzame uitzicht van Crusoe, die zijne muts van geitenvel opzet; en hoewel zijne vrees voor een bezoek van den wilden stam der MacStinger’s eenigszins was bekoeld, gelijk eene dergelijke vrees bij den eenzamen schipbreukeling placht te bekoelen als er een lange tijd verliep zonder dat hij iets van de kannibalen bespeurde, bleef hij nog zijn geregeld verdedigingsstelsel in acht nemen, en waagde hij zich nooit in de nabijheid van een vrouwenhoed, zonder dien vooraf uit zijn kasteel te hebben waargenomen. Ondertusschen begon (daar hij in langen tijd geen bezoek van Toots kreeg, die hem schreef dat hij uit de stad was) zijne eigene stem een vreemden klank in zijne ooren te krijgen, en nam hij zoodanig de gewoonte aan om te zitten peinzen, dat de roode rand, door zijn harden blinkenden hoed op zijn voorhoofd veroorzaakt, somtijds zeer deed van het ingespannen nadenken.
Daar het jaar nu om was, achtte kapitein Cuttle het raadzaam, het pakje te openen; maar dewijl hij altijd voornemens was geweest dit in tegenwoordigheid van Rob den Slijper te doen, die het hem gebracht had, en hij zich verbeeldde dat het behoorlijk was dit in iemands tegenwoordigheid te verrichten, was hij erg om een getuige verlegen. In deze verlegenheid, was het met buitengewone blijdschap dat hij eens onder de scheepsberichten de tijding vond, dat de Voorzichtige Clara, kapitein John Bunsby, weder van eene kustvaart was teruggekomen; en dadelijk zond hij dezen philosoof over de post een brief, waarin hij het diepste stilzwijgen ten aanzien van zijne woning aanbeval, en verzocht om eens in den avond met een bezoek te worden begunstigd.
Bunsby, een van de wijzen, die niet dan met volle overtuiging willen handelen, had eenige dagen noodig om zich ten volle van de overtuiging te doordringen dat hij zulk een brief had ontvangen. Toen het hem echter gelukt was zich dat denkbeeld geheel eigen te maken, zond hij spoedig een jongen met de boodschap: “Hij komt van avond.” Deze knaap was belast om deze woorden uit te spreken en dan weder te verdwijnen, en vervulde ook zijne zending gelijk een beteerd spook, met eene geheimzinnige waarschuwing belast.
De kapitein, zeer daarmede in zijn schik, maakte toebereidselen van pijpen, rum en water, en verwachtte het bezoek in het achterkamertje. Tegen acht uur begreep de luisterende kapitein uit een dof geloei voor de deur, als ware het van een zeestier, gevolgd door het kloppen met een stok op het paneel, dat Bunsby voor de haven was; en zoodra de deur geopend was, trad deze binnen, ruig en slordig, en met zijn strak mahoniehouten gezicht, dat gelijk gewoonlijk, geene bewustheid scheen te hebben van iets dat het voor zich had, maar oplettend naar iets te turen dat in eene geheel andere wereldstreek voorviel.
“Bunsby,” zeide de kapitein, hem bij de hand vattende, “hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”—“Scheepskameraad,” antwoordde de stem in het binnenste van Bunsby, zonder dat die kommandant zelf iets daarvan scheen te weten, “hartig, hartig!”—“Bunsby,” zeide de kapitein, met onwillekeurig betoon van hulde aan zijn genie, “daar zijt ge weer hier! Een man die een gevoelen kan geven dat helderder is dan diamant, en een man die hier in de kamer al eens een gevoelen heeft gegeven, dat letterlijk is uitgekomen;” hetgeen de kapitein oprecht geloofde.—“Ja, ja!” bromde Bunsby.—“Letterlijk!” zeide de kapitein.—“Want waarom?” bromde Bunsby, zijn vriend nu voor de eerste maal aanziende. “Hoe dat? Zoo ja, waarom niet? Dus!” Met deze orakelachtige woorden—die den kapitein bijna duizelig schenen te doen worden, zooveel vermoedens en twijfelingen gaven zij hem aan de hand—liet de wijze zich zijne ruige jas uittrekken, en vergezelde zijn vriend naar het achterkamertje, waar zijne hand dadelijk op de rumflesch neerkwam, waaruit hij een stevig glas grog gereedmaakte; en kort daarna op eene pijp, die hij stopte en aanstak.
Kapitein Cuttle, in beide opzichten zijn vriend navolgende, schoon de strakke verstrooidheid van Bunsby ver boven zijn vermogen was, zat aan het andere hoekje van den haard eerbiedig naar hem te kijken, alsof hij wachtte dat Bunsby eenig blijk van nieuwsgierigheid zou geven of hem aanmoedigen om ter zake te komen. Daar de mahoniehouten philosoof echter geen blijk gaf van iets bewust te zijn, behalve van warmte en tabaksrook, met eene uitzondering, toen hij, zijne pijp uit zijn mond nemende, om plaats voor zijn glas te maken, met eene zeer grove stem aanmerkte, dat zijn naam Jack Bunsby was—een gezegde dat niet veel gelegenheid gaf om een gesprek aan te knoopen—verzocht de kapitein hem in eene korte, maar vleiende voorafspraak om zijne aandacht, verhaalde daarna de geheele geschiedenis van oom Sam’s verdwijnen, met de verandering daardoor in zijn eigen levenslot teweeggebracht, en besloot met het pakje op de tafel te leggen.
Na eene lange pauze knikte Bunsby met zijn hoofd.
“Opendoen?” zeide de kapitein.
Bunsby knikte nog eens.
De kapitein brak dus het zegel los, en bracht aldus twee toegevouwen papieren te voorschijn, waarvan hij een voor een de opschriften las: “Laatste Wil en Testament van Samuel Gills.” “Brief aan Ned Cuttle.”
Bunsby scheen, met zijn oog op de kust van Groenland, naar den inhoud te luisteren. De kapitein schraapte dus zijne keel en las den brief voor.
““Mijn waarde Ned Cuttle. Toen ik naar West-Indië wilde vertrekken....””
Hier hield de kapitein op en keek Bunsby strak aan, die even strak naar de kust van Groenland keek.
““Om hopeloos tijding van mijn lieven jongen te zoeken, wist ik wel dat gij, als gij met mijn plan bekend waart, mij zoudt willen tegenhouden, of met mij medegaan; en daarom hield ik het geheim. Als gij ooit dezen brief leest, Ned, zal ik waarschijnlijk wel dood wezen. Gij zult dan gemakkelijk de dwaasheid van een oud vriend vergeven, en medelijden hebben met de onrustigheid en onzekerheid, die hem dreven om op zulk eene reis uit te gaan. Dus niet meer daarvan. Ik heb weinig hoop dat mijn arme jongen ooit deze woorden zal lezen, of uwe oogen ooit meer met zijn openhartig gezicht verheugen.””—“Neen, neen; nooit meer,” zeide kapitein Cuttle, treurig peinzende.
Een oogenblik later las hij voort: “Maar als hij er bij mocht wezen wanneer deze brief gelezen wordt:” de kapitein zag onwillekeurig rond en schudde zijn hoofd, “of er op een anderen tijd van mocht vernemen,” de kapitein schudde weder zijn hoofd; “dan geef ik hem mijn zegen. In geval het hierbijgevoegde papier niet volgens de wet is geschreven, komt het er zeer weinig op aan, want het is voor niemand van eenig belang dan voor u en voor hem, en mijn verlangen is eenvoudig dat hij, als hij nog leeft, het weinige zal hebben dat ik bezit, en dat, als het anders is, (gelijk ik vrees) gij het dan hebben zult, Ned. Gij zult mijn wensch eerbiedigen, dat weet ik. God zegen u daarvoor, en voor alle uwe vriendschap bovendien voor Samuel Gills.”
“Bunsby,” zeide de kapitein, hem plechtig aansprekende, “wat maakt gij nu daarvan? Daar zit gij, een man die van kindsbeen af zijn hoofd aan stuk heeft gevallen, en er door elke nieuwe barst nieuw verstand in heeft gekregen. Wat maakt gij nu hiervan?”—“Als het gebeurt,” antwoordde Bunsby met buitengewonen spoed, “dat hij dood is, dan is het mijn gevoelen dat hij niet weerom zal komen. Als het gebeurt dat hij nog leeft, dan is het mijn gevoelen dat hij het wel zal doen. Zeg ik dat hij zal? Neen. Waarom niet? Omdat de ondervinding het zal leeren.”—“Bunsby,” zeide kapitein Cuttle, die de uitspraken van zijn vriend des te hooger scheen te achten, naarmate hij het moeielijker vond om er iets van te begrijpen; “Bunsby,” zeide de kapitein met opgetogene bewondering, “gij voert met gemak eene vracht van verstand, waarmee iemand van mijne maat gauw zou verzinken. Maar wat dit testament betreft, ik ben niet voornemens iets met het goed te doen—God bewaar mij—behalve om het voor een meer rechtmatigen eigenaar te bewaren; en ik hoop dat de rechtmatige eigenaar, Sam Gills, nog leeft en nog weerom zal komen, al is het vreemd dat hij geene rapporten heeft gezonden. Wat is nu uw gevoelen er van, Bunsby, om deze papieren weer weg te stouwen en er buitenop te merken, dat zij op dien en dien dag in tegenwoordigheid van John Bunsby en Edward Cuttle zijn geopend?”
Daar Bunsby op de kust van Groenland of elders geen bezwaar tegen dit voorstel zag, werd het ten uitvoer gebracht; en de groote man, zijn oog daartoe even van Groenland terugroepende, zette zijne handteekening op den omslag, waarbij hij zich, met eigenaardige zedigheid, geheel van het gebruik van kapitale letters onthield. Nadat kapitein Cuttle ook zijne linksche handteekening er op had gezet en het pakje in de ijzeren kist gesloten, verzocht hij zijn gast om zich nog een glas klaar te maken en nog eene pijp te rooken; en insgelijks hetzelfde doende, geraakte hij bij het vuur over het mogelijke lot des ouden instrumentmakers aan het peinzen.
En nu had er eene verrassing plaats van zoo geduchten aard, dat kapitein Cuttle, indien de tegenwoordigheid van Bunsby hem niet had ondersteund, er geheel onder had moeten bezwijken, en van dat noodlottig uur af een verloren man zou zijn geweest.
Hoe de kapitein, zelfs in zijne blijdschap over het ontvangen van zulk een gast, de deur slechts had kunnen toestooten, in plaats van ze te sluiten, aan welk verzuim hij zich inderdaad had schuldig gemaakt, is een van die vragen, die voor altijd punten van bespiegeling moeten blijven, indien men ze niet in beschuldigingen tegen het noodlot wil veranderen. Maar door die ongeslotene deur kwam op dat stille oogenblik de geduchte jufvrouw MacStinger binnenstuiven, met Alexander MacStinger in hare moederlijke armen, en straf en wraak (om niet van Juliana MacStinger en haar broertje Charles, op zijne jeugdige speelplaatsen algemeen als Chowley bekend, te spreken) in haar gevolg. Zij kwam zoo snel en stil, alsof de wind haar uit de buurt der Oost-Indische dokken had overgewaaid, dat kapitein Cuttle haar werkelijk reeds een poosje had aangekeken, eer het kalme gelaat, waarmede hij had zitten peinzen, in een gezicht vol schrik en ontzetting veranderde.
Maar zoodra kapitein Cuttle de volle uitgestrektheid van zijn ongeluk begreep, deed de zucht tot zelfbehoud hem eene poging aanwenden om te vluchten. Naar het deurtje snellende, dat uit het achterkamertje naar het steile keldertrapje voerde, schoot hij met het hoofd vooruit daarbinnen, als een man, die onverschillig voor builen en kneuzingen, zich slechts in de ingewanden der aarde zoekt te verbergen. Zijn dapper voornemen zou hem waarschijnlijk gelukt zijn, zonder de hartelijkheid van Juliana en Chowley, die hem bij de beenen grepen—een van deze lieve kinderen aan ieder been—en hem met een jammerlijk geschreeuw als een wedergevonden vriend begroetten. Ondertusschen had jufvrouw MacStinger, die nooit iets van aanbelang begon zonder eerst haar zoontje Alexander ten onderste boven te keeren, om hem onder het bereik eener batterij van vlugge klappen te brengen, en hem dan neer te zetten om af te koelen, gelijk de lezer hem eens gezien heeft, deze plechtigheid verricht, welke bij deze gelegenheid eene offerande aan de Furiën scheen te zijn; en nadat zij het slachtoffer op den grond had geplaatst, kwam zij op den kapitein af met een gezicht hetwelk Bunsby, die tusschen beiden kwam, met krabben scheen te bedreigen.
Het geschreeuw der twee oudste MacStinger’s en het gehuil van den jeugdigen Alexander maakten dit tooneel nog geduchter; maar eerst toen er weder stilte heerschte, en de kapitein, geweldig zweetende, jufvrouw MacStinger bedeesd stond aan te zien, steeg het ontzettende daarvan ten top.
“O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger, iets tegen hem schuddende, dat men, als hare sekse niet zoo teer was, hare vuist zou kunnen noemen. “O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle, durft ge mij in het gezicht zien, zonder dat ge door den grond zinkt!”
De kapitein, die er alles behalve manhaftig uitzag, mompelde flauw: “Sta vast!”—“O, ik was wel eene teerhartige zottin, toen ik u onder mijn dak nam, kapitein Cuttle, dat was ik,” riep jufvrouw MacStinger. “Als ik aan de weldaden denk waarmede ik dien man heb overhoopt, en de manier zooals ik mijne kinderen leerde om hem lief te hebben en te eeren alsof hij een vader voor hen was, al was er geen huishoudster, ja zelfs geen commensaal in de straat, of men wist dat ik geld op dien man toelegde met zijn slobberen en flobberen.” Jufvrouw MacStinger gebruikte het laatste woord om het rijm en tot versterking van den nadruk, niet zoozeer om een bepaald denkbeeld aan te duiden; “en al sprak men er schande van dat hij zoo leefde met eene brave vrouw, vroeg en laat op om voor haar huishouden wat te verdienen, en die haar huis zoo zindelijk houdt, dat iemand van den vloer of van de trap zou kunnen eten, ja zelfs theedrinken als hij wilde, in spijt van al zijn slobberen en flobberen, zooveel moeite gaf ik mij om hem.”
Zij hield even op om eens adem te halen, en triomfeerde er in dat zij des kapiteins flobberen nog eens zoo gelukkig had te pas gebracht.
“En hij loopt vo-o-ort!” riep jufvrouw MacStinger, met een uithaal van het laatste woord, die den ongelukkigen kapitein zich zelven voor den laagsten aller stervelingen deed houden, “en houdt zich een jaar lang schuil! Voor eene vrouw! Dat doet zijn geweten. Hij durft haar niet onder de oogen komen, maar kruipt weg als een deserteur. Wel, als dat kleine kind van mij,” zeide jufvrouw MacStinger, zeer snel sprekende, “zoo wilde wegkruipen, zou ik als moeder mijn plicht aan hem doen, tot hij bont en blauw was.”
De jeugdige Alexander, die dit als eene stellige belofte opnam, tuimelde van schrik omver, bleef met de schoenzooltjes omhoog op den vloer liggen en hief zulk een verdoovend geschreeuw aan, dat jufvrouw MacStinger het noodig vond hem op haar arm te nemen, en hem nu en dan, als hij weder uitbarstte, te stillen, door hem te schudden op eene manier, die zijne tandjes scheen te moeten losmaken.
“Een aardig soort van een man is kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “om zich zoo aan te trekken, dat men er niet van slapen kan, en er van flauw valt, en hem voor dood houdt, en de heele stad op en neer loopt, alsof men gek was, om naar hem te vragen! Een aardig soort van man, ha, ha, ha! Hij is wel zooveel angst en moeite waard, en nog meer. Och Heere, dat is niemendal. Ha, ha, ha! Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, met eene stem vol barsche strengheid, “ik wensch te weten, of gij nu naar huis komt.”
De verschrikte kapitein keek in zijn hoed, alsof hij er niets meer op zag dan dien op te zetten en zich over te geven.
“Kapitein Cuttle,” herhaalde jufvrouw MacStinger op denzelfden vasten toon, “ik wensch te weten of gij nu naar huis komt, mijnheer.”
De kapitein scheen volkomen bereid om mede te gaan, maar mompelde flauw iets van “zooveel leven niet te maken.”—“Ja, ja, ja,” zeide nu Bunsby op een bedaarden toon. “Zachtjes aan, vrouwtje, zachtjes aan!”—“En wie zoudt gij wel wezen, als je belieft!” zeide jufvrouw MacStinger zeer preutsch en statig. “Hebt gij in nommer negen op Brig Place gewoond, mijnheer? Mijn geheugen mag slecht wezen, maar ik geloof toch bij mij niet. Zekere jufvrouw Jollson heeft voor mij in nommer negen gewoond, en misschien ziet ge mij voor haar aan. Dit is de eenige manier waarop ik uwe familiariteit kan verklaren, mijnheer.”—“Kom, kom; zachtjes aan.”
Kapitein Cuttle kon het nauwelijks gelooven, zelfs van dezen grooten man, hoewel hij het met zijne eigene oogen zag; maar Bunsby, stoutmoedig nader komende, sloeg zijn ruigen blauwen arm om jufvrouw MacStinger heen, en vermurwde haar, door de tooverachtige manier waarop hij dit deed, en die weinig woorden sprak—hij zeide niets meer—zoodanig, dat zij, na hem even te hebben aangezien, in tranen wegsmolt, en zeide dat een kind haar nu aankon, zoo had zij haar moed verloren.
Sprakeloos van verbazing zag de kapitein hem die onverbiddelijke vrouw naar den winkel brengen, terugkomen om rum, water en eene kaars te halen, en haar geheel bevredigen, zonder naar het scheen een woord te spreken. Weldra kwam hij nog eens binnenkijken met zijne jas aan en zeide: “Cuttle, ik ga ze als convooi naar huis brengen”; en met meer verslagenheid, dan wanneer hij zelf in de boeien was gezet om hem veilig naar Brig Place te vervoeren, zag de kapitein de familie vreedzaam aftrekken, met jufvrouw MacStinger aan het hoofd. Hij had nauwelijks tijd om het blikken busje te krijgen, en Juliana, zijne vorige lieveling, en Chowley tersluiks eenig geld in de hand te stoppen, of de houten adelborst werd door allen verlaten, en Bunsby, fluisterende dat hij Ned Cuttle nog eens zou praaien eer hij weder naar boord ging, trok de deur achter zich toe.
Een onrustige twijfel dat hij gedroomd moest hebben of schimmen had gezien, en geene familie van vleesch en bloed, kwelde den kapitein in het eerst toen hij weder naar het achterkamertje ging en zich daar alleen bevond. Daarop volgde een toestand van verrukking, vol onbeperkt geloof aan en onmetelijke bewondering voor den gezagvoerder der Voorzichtige Clara.
Toen echter de tijd verliep en Bunsby niet terugkwam, begon de kapitein onaangename twijfelingen van een anderen aard te ontwaren. Of Bunsby arglistig naar Brig Place was gelokt en daar in hechtenis werd gehouden als gijzelaar voor zijn vriend; in welk geval het den kapitein als man van eer zou voegen hem te verlossen door het opofferen van zijne eigene vrijheid. Of hij door jufvrouw MacStinger aangevallen en overwonnen was, en zich schaamde om zich na zijne nederlaag te vertoonen. Of jufvrouw MacStinger, zich in de ongestadigheid van haar humeur bedenkende, was teruggekeerd om den houten adelborst nog eens aan boord te klampen, en Bunsby veinzende haar een korter weg te willen brengen, de familie in de woestenijen der stad poogde te doen verdwalen. Vooral wat hem, kapitein Cuttle, wel zou voegen, in geval hij nooit meer iets van de MacStinger’s of van Bunsby hoorde, hetgeen, met al die verwonderlijke en onverwachte gebeurtenissen, mogelijk ook wel gebeuren kon.
Hij overlegde dat alles met zich zelven tot hij er moe van werd; en nog kwam er geen Bunsby. Hij maakte zijn bed onder de toonbank op, gereed om er in te kruipen; en nog geen Bunsby. Eindelijk, toen de kapitein hem voor dien avond ten minste had opgegeven en zich had beginnen te ontkleeden, hoorde hij het gerucht van naderende wielen, die voor de deur stilhielden en daarop volgde Bunsby’s aanroep.
De kapitein beefde bij de gedachte dat hij jufvrouw MacStinger niet had kunnen kwijtraken en in die koets terugbracht.
Maar neen. Bunsby had niets anders bij zich dan een grooten koffer, dien hij met eigene handen binnensleepte, en waarop hij, zoodra hij dien had binnengesleept, ging zitten. Kapitein Cuttle herkende daarin den koffer dien hij bij jufvrouw MacStinger aan huis had gelaten, en toen hij, met de kaars in de hand, Bunsby meer oplettend bekeek, meende hij dat deze een nat zeil had, of ronduit gezegd, dronken was. Het was echter moeielijk hiervan zeker te zijn, daar de kommandant, wanneer hij nuchter was, toch geen het minste spoor van uitdrukking in zijn gezicht had.
“Cuttle,” zeide Bunsby, van den koffer opstaande en het deksel openende, “is dat uwe plunje?”
Kapitein Cuttle keek in den koffer en herkende zijn eigendom.
“Tamelijk knap geklaard, niet waar, scheepskameraad?” zeide Bunsby.
De dankbare en verbijsterde kapitein vatte hem bij de hand en wilde zijn gevoel in een opgetogen antwoord lucht geven, toen Bunsby zich met een ruk losmaakte en eene poging scheen te doen om met zijn draaiend oog te lonken, waarvan het eenige gevolg, in zijn toestand, was dat hij zijne balans kwijtraakte en bijna omver tuimelde. Toen deed hij onverwacht de deur open en streek heen om met allen spoed de voorzichtige Clara weder op te zoeken—hetgeen men voor zijne vaste gewoonte hield, wanneer hij begreep dat hij bijzonder had uitgemunt.
Daar het hem niet beviel als men hem te dikwijls opzocht, besloot kapitein Cuttle niet naar hem toe te gaan of iemand naar hem te zenden, voordat hij zijn genadig welgevallen in dit opzicht had laten weten, of er ten minste eenige tijd verloopen was. De kapitein hervatte dus den volgenden morgen zijn eenzaam leven, en dacht vele ochtenden, middagen en avonden diepzinnig na over Sam Gills en de hoop op zijne terugkomst. Dit vele denken versterkte hem in die hoop; en hij vermaakte zich dikwijls met naar den instrumentmaker aan de deur te staan wachten—gelijk hij nu, in zijne zonderlinge vrijheid durfde doen—en zijn stoel op de gewone plaats te zetten, en alles in het achterkamertje te schikken gelijk het placht te zijn, ingeval hij onverwacht thuis mocht komen. Hij was ook behoedzaam genoeg om zeker miniatuurtje van Walter als een schoolknaap van den gewonen spijker te nemen, opdat het den ouden man bij zijne terugkomst niet zou schokken. De kapitein had somtijds ook een voorgevoel dat hij op dien of dien dag zou komen; en op zekeren zondag bestelde hij zelfs eene dubbele portie eten, zoo vast rekende hij er op. Maar de oude Samuel kwam toch niet; en de buren raakten er aan gewoon dat de varensman met den blinkenden hoed des avonds aan de deur stond en de straat op- en afkeek.
XL. HUISELIJKE BETREKKINGEN
Het lag niet in den aard der zaak dat een man als Dombey, tegen zulk een geest overgesteld als hij tegen zich had opgeroepen, de heerschzuchtige stroefheid van zijn karakter eenigszins zou verzachten; of de koude, harde wapenrusting van trotschheid, die hij bestendig droeg, buigzamer zou worden door het gedurig stooten tegen trotsche minachting en uitdagenden hoon. Het is de vloek van zulk een karakter—het is een voornaam gedeelte van de straf over zich zelf die het medebrengt—dat, terwijl eerbied en onderdanigheid de slechte eigenschappen daarvan doen toenemen, en een voedsel zijn waarvan het groeit, tegenstand en onwil om zijne eischen in te willigen het niet minder aankweeken. Het kwaad, dat het in zich heeft, vindt in beide gevallen evenzeer middelen om te groeien en zich uit te breiden. Het zuigt uit het zoete en het bittere evenzeer leven en kracht; gevleid of onerkend beheerscht het toch het hart, waarin het zijn troon heeft gevestigd, hoe langer hoe meer; aangebeden of verworpen is het toch een even hard meester als de duivel in bijgeloovige fabelen is.
Jegens zijne eerste vrouw had Dombey zich, in zijne koude trotsche laatdunkendheid, gedragen als het hoog verhevene wezen, dat hij zich bijna verbeeldde te zijn. Hij was, toen zij hem voor de eerste maal zag, “mijnheer Dombey” geweest, en hij was nog “mijnheer Dombey” toen zij stierf. Gedurende hun huwelijksleven had hij zijne grootheid doen gelden, en had zij die ootmoedig erkend. Hij was boven op zijn troon in staatsie blijven zitten, en zij had nederig op den laagsten trap gestaan; en veel goed had het hem gedaan, zoo in eenzame slavernij onder zijn heerschend denkbeeld te leven. Hij had zich verbeeld dat het trotsche karakter zijner tweede vrouw zich aan het zijne zou hebben aangesloten—daarin verzwolgen zijn geworden en zijne grootheid nog verhoogd zou hebben. Hij had zich voorgesteld nog trotscher dan ooit te zullen zijn, als Edith’s trotschheid de zijne dienstbaar was. Hij had zich nooit de mogelijkheid voorgesteld dat die tegen hem in de wapens zou komen. En nu hij die trotschheid op elken stap van zijn dagelijksch leven in zijn weg zag oprijzen en een kouden, uitdagenden, verachtelijken blik op hem vestigen, was het gevolg, dat zijn trots, in plaats van te verwelken of het hoofd te laten hangen, nieuwe wortelen schoot, nog krachtiger, bitterder, somberder, wreveliger en onbuigzamer werd, dan hij ooit te voren geweest was.
Hij, die zulk eene wapenrusting draagt, draagt nog eene zware vergelding met zich mede. Die rusting is bestand tegen verzoening, liefde en vertrouwen, tegen alle zachte sympathie, alle teederheid, alle streelende aandoening; maar voor diepe wonden der eigenliefde is zij even kwetsbaar als de bloote borst voor het staal; en zulke kwaadaardige, pijnlijke zweren blijven daarvan achter, als op geene andere wonden volgen, zelfs niet op die, welke door den ijzeren handschoen des hoogmoeds zelven een zwakker trots worden toegebracht, die ontwapend en neergeworpen is.
Zulke wonden droeg hij nu om. Hij voelde ze pijnlijk in de eenzaamheid zijner oude kamers, waarin hij zich nu weder dikwijls begon af te zonderen en lange uren te slijten. Het scheen zijn noodlot te zijn altijd trotsch en machtig te zijn; en toch altijd vernederd en machteloos waar hij sterkst wilde wezen. Wie scheen bestemd om dat vonnis des noodlots te voltrekken?
Wie? Wie was het, die zijne vrouw kon winnen, gelijk zij zijn zoon gewonnen had! Wie was het, die hem deze nieuwe overwinning had getoond, toen hij in dien donkeren hoek zat! Wie was het, wier minste woord deed wat zijne uiterste middelen niet konden doen! Wie was het, die, ongeholpen door zijne liefde, gunst of zorg, welvarend bleef en schoon werd, terwijl diegenen, die zoo geholpen werden, stierven! Wie kon het anders zijn dan hetzelfde kind, waarnaar hij in hare moederlooze kindsheid zoo menigen onrustigen blik had geworpen, met eene soort van vrees, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten; en van wie dit voorgevoel vervuld was, want hij haatte haar nu in zijn hart.
Ja, hij wilde haar haten, en hij haatte haar, schoon er nu en dan nog een glans van het licht, waarin zij voor hem verschenen was op den gedenkwaardigen avond toen hij met zijne bruid thuis kwam, om haar heen zweefde. Hij wist nu dat zij schoon was, hij sprak het niet tegen dat zij bevallig en innemend was, en dat zij hem in den helderen dageraad van haar vrouwelijken leeftijd als eene verrassing voor de oogen was gekomen. Maar zelfs dit keerde hij tegen haar. In zijn wrevelig naargeestig gemijmer maakte de ongelukkige, met een dof gevoel, dat alle harten van hem vervreemd waren, en een onbestemd verlangen naar datgene, wat hij al zijn leven had teruggestooten, zich eene overdrevene voorstelling van zijne rechten en van het ongelijk dat hem werd aangedaan, en daarmede rechtvaardigde hij zich zelven tegenover haar. Hoe meer zij zijner waardig beloofde te worden, des te grooter eisch had hij op hare gehechtheid en onderwerping. Wanneer had zij hem ooit gehechtheid of onderwerping getoond? Veraangenaamde zij zijn leven—of dat van Edith? Had zij hare innemende eigenschappen het eerst aan hem geopenbaard—of aan Edith? Wel—hij en zij waren, van hare geboorte af, nooit als vader en dochter geweest! Zij waren altijd vervreemd geweest. Zij had hem altijd en overal gedwarsboomd. Zij spande nu tegen hem samen. Hare schoonheid zelfs verzachtte gemoederen, die voor hem verhard bleven, en beleedigde hem met eene onnatuurlijke zegepraal.
Het kon zijn dat dit alles het gefluister van een in zijn hart ontwakend gevoel was, hoewel dit slechts door zijne zelfzucht werd opgewekt, als hij zijn toestand vergeleek bij datgene waartoe zij zijn leven had kunnen maken. Maar hij bracht de zachte stem van dit gevoel door het gebulder zijner zee van hoogmoed tot zwijgen. Hij wilde niets hooren dan zijn trots, en in zijn trots, vol tegenstrijdigheden en martelingen, haatte hij haar.
Tegen den stuurschen, koppigen, norschen duivel, die hem beheerschte, stelde zijne vrouw haar geheel anderen trots in volle kracht over. Zij hadden nooit een gelukkig leven met elkander kunnen leiden; maar niets had hen ongelukkiger kunnen maken dan de hardnekkige strijd tusschen zulke elementen. Zijn trots was er op gesteld om zijne verhevene opperheerschappij te handhaven en haar tot erkentenis daarvan te noodzaken. Zij had zich dood laten martelen, en zou hem tot op het laatst met haar trotschen blik van kalme, onverschillige minachting hebben aangezien. Zulk eene erkentenis van Edith! Hij wist weinig door welk een zielestrijd zij zich had moeten doorworstelen eer zij zich dwingen kon om de eer van zijne hand aan te nemen! Hij wist weinig hoeveel zij meende te hebben opgeofferd toen zij hem toeliet om haar zijne vrouw te noemen!
Dombey nam zich voor om haar te toonen, dat hij oppermachtig was. Er moest geen wil bestaan dan de zijne. Trotsch verlangde hij dat zij zou zijn, maar zij moest vóór, niet tegen hem trotsch wezen. Terwijl hij zich alleen zat te verharden, hoorde hij haar dikwijls uitgaan en thuis komen, in den kring van het leven in Londen rondzwieren, zonder zich meer om zijn goedvinden of niet goedvinden, zijn genoegen of ongenoegen te bekommeren, dan alsof hij haar rijknecht was geweest. Hare koude, fiere onverschilligheid—zijne eigene eigenschap, die zij zich aanmatigde—kwetste hem dieper dan eenige andere soort van behandeling kon gedaan hebben; en hij besloot haar naar zijn verheven en statelijken wil te buigen.
Hij had zich lang met deze gedachten bezig gehouden, toen hij haar op een avond in hare eigene kamer ging opzoeken, nadat hij haar laat had hooren thuis komen. Zij was alleen, in hare schitterende kleeding, en was pas een oogenblik te voren uit de kamer harer moeder gekomen. Haar gezicht stond zwaarmoedig en peinzend, toen hij binnentrad; maar het lette dadelijk op hem toen hij de deur inkwam; want in den spiegel ziende, waarvoor zij stond, zag hij terstond, als in de lijst eener schilderij, het betrokken voorhoofd en de benevelde schoonheid, die hij zoo wel kende.
“Mevrouw Dombey,” zeide hij, binnenkomende, “ik moet eenige woorden met u verzoeken.”—“Morgen,” antwoordde zij.—“Geen tijd zoo goed als nu, mevrouw,” hervatte hij. “Gij vergist u in uwe positie. Ik ben gewoon mijn eigen tijd te kiezen, niet dien voor mij te laten kiezen. Ik denk dat gij niet goed begrijpt wie of wat ik ben, mevrouw Dombey.”—“Ik denk,” antwoordde zij, “dat ik u zeer wel begrijp.”
Dit zeggende zag zij hem aan, en hare blanke, van goud en juweelen schitterende armen over hare borst kruisende, keerde zij hare oogen af.
Indien zij minder schoon was geweest, en minder statig met hare koude bedaardheid, zou zij misschien het vermogen niet gehad hebben, om hem dat gevoel van minderheid in te boezemen, dat door zijn stugsten trots heendrong. Maar zij had dit vermogen, en hij gevoelde dit levendig. Hij wierp een blik door de kamer, en zag hoe de prachtigste voorwerpen van kleeding en opschik achteloos hier en daar verstrooid waren; niet uit enkele grilligheid en zorgeloosheid (of zoo, dacht hij), maar met opzettelijke, trotsche minachting voor al dat kostbare:—en gevoelde het meer en meer. Kunstbloemen, vederen, juweelen, kanten en satijn; waar hij zich wendde zag hij schatten met verachting neergeworpen. Zelfs de diamanten—een bruidsgeschenk—die met hare ongeduldig zwoegende borst rezen en daalden, schenen te hijgen om de keten te breken, die ze om haar hals sloot, en over den vloer te rollen, waar zij ze kon vertrappen.
Hij gevoelde zijne vernedering, en hij toonde dit. Zoo plechtstatig en zoo vreemd onder dien rijkdom van kleuren en weelderigen glans, zoo vreemd en stijf voor de trotsche meesteres daarvan, wier terugstootende schoonheid door alles in het rond werd herhaald en teruggekaatst, gelijk in zoovele stukken van een gebroken spiegel, was hij zich bewust van zijne verlegenheid en linksheid. Alles wat hare onverschillige kalmte dienstbaar was, moest hem kwetsen. Op zich zelven verstoord, zette hij zich neer, en vervolgde, nog slechter in zijn humeur:
“Mevrouw Dombey, het is zeer noodig dat het tot eene opheldering tusschen ons komt. Uw gedrag behaagt mij niet, mevrouw.”
Zij zag hem slechts even aan, en wendde hare oogen wederom af; maar zij had een uur lang kunnen spreken, zonder zooveel uit te drukken.
“Ik herhaal, mevrouw Dombey—behaagt mij niet. Ik heb reeds eene gelegenheid waargenomen, om te verzoeken het te veranderen. Nu beveel ik dat.”—“Gij hebt eene gepaste gelegenheid voor uwe eerste vermaning gekozen, mijnheer, en kiest eene gepaste manier en gepaste woorden voor uwe tweede. Gij beveelt! Mij!”—“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne hatelijkste statigheid, “ik heb u tot mijne vrouw gemaakt. Gij draagt mijn naam. Gij staat met mijne positie en reputatie in betrekking. Ik wil niet zeggen dat de wereld over het algemeen genegen is om te denken, dat die betrekking eene eer voor u moet zijn; maar ik wil zeggen, dat ik gewoon ben mijne betrekkingen en ondergeschikten te bevelen.”—“Voor wat van die twee zal het u believen mij te houden?” vroeg zij.—“Misschien zal ik denken dat mijne vrouw aan beide eigenschappen deel moet hebben—of werkelijk deel heeft, en niet anders kan, mevrouw Dombey.”
Zij zag hem strak aan en kneep hare bevende lippen dicht. Hij zag hare wangen gloeien en daarna verbleeken. Dat alles zag hij; maar hij kon het ééne woord niet hooren, dat in het binnenste van haar hart gefluisterd werd om haar stil te doen blijven; en dat woord was Florence.
Blinde dwaas, die naar den rand van een afgrond snelde! Hij dacht dat zij bang voor hem was!
“Gij zijt al te kostbaar, mevrouw,” zeide Dombey. “Gij zijt buitensporig. Gij verspilt veel geld—of wat veel geld zou zijn voor de beurs van de meeste heeren—om in eene soort van kring te verkeeren die mij nutteloos is, eigenlijk, over het geheel, mij onaangenaam is. Ik moet op eene volslagene verandering in al deze opzichten aandringen. Ik weet, dat door het nieuwe om een tiende van zulke middelen te bezitten als de fortuin tot uwe beschikking heeft gesteld, dames zeer licht tot een uiterste overgaan. Maar er is nu meer dan genoeg van dat uiterste geweest. Ik verzoek, dat de geheel andere ondervinding van mevrouw Granger nu mevrouw Dombey tot leering zal dienen.”
Nog de strakke blik, de bevende lippen, de zwoegende borst, de nu gloeiende dan bleeke wangen; en nog het gefluister van Florence, Florence, dat in het kloppen van haar hart tot haar sprak.
Zijne onbeschofte laatdunkendheid zwol nog meer op, toen hij deze verandering bij haar zag. Gezwollen niet minder door hare vroegere minachting voor hem en de pas gevoelde vernedering, dan door hare tegenwoordige onderwerping (naar hij dacht), werd die laatdunkendheid te groot voor zijne borst en verbrak zij alle perken. Wel zeker—wie kon lang zijn wil en welbehagen wederstaan! Hij had besloten haar te overmeesteren, en zie daar nu!
“Het zal u verder believen, mevrouw,” zeide Dombey, op een toon van oppermachtig bevel, “om dadelijk te verstaan, dat men mij behoort te respecteeren en te gehoorzamen. Dat men voor de wereld behoort te toonen en te bekennen dat men mij achting toedraagt en ontziet, mevrouw. Daaraan ben ik gewoon. Dat eisch ik als een recht. Kortom, ik wil het zoo. Ik beschouw dit als geene onbillijke beantwoording van de verhooging in de maatschappij die u te beurt gevallen is; en ik geloof dat niemand er zich over zal verwonderen, dat dit van u gevorderd wordt, of dat gij het bewijst. Aan mij—aan mij!” voegde hij er met nadruk bij.
Geen woord van haar; geene verandering in haar; hare oogen op hem gevestigd.
“Ik heb van uwe moeder vernomen, mevrouw Dombey,” zeide Dombey, met de deftigheid van een rechter, “wat gij zonder twijfel ook weet, namelijk dat Brighton voor hare gezondheid wordt aangeraden. Mijnheer Carker is zoo goed geweest....”
Zij veranderde op eens. Haar gezicht en hare borst gloeiden, alsof het roode licht eener toornig ondergaande zon ze bescheen. Deze verandering niet onopgemerkt latende, en ze op zijne eigene manier uitleggende, vervolgde Dombey:
“Mijnheer Carker is zoo goed geweest om daarheen te gaan en voor eenigen tijd een huis te huren. Wanneer het huishouden weder naar Londen komt, zullen tot bestuur daarvan zulke maatregelen genomen worden, als ik noodig acht. Daaronder zal behooren, dat eene zeer fatsoenlijke, maar tot armoede vervallene persoon, zekere mevrouw Pipchin, die vroeger een post van vertrouwen in mijne familie heeft bekleed, en te Brighton woont, zoo mogelijk, als huishoudster zal worden aangenomen. Een huishouden gelijk dit, mevrouw Dombey, dat slechts in naam een hoofd heeft, behoort een meer bevoegd hoofd te krijgen.”
Zij was, eer hij tot deze woorden kwam, van houding veranderd, en zat nu—hem nog strak aanziende—een bracelet aan haar arm om en om te draaien, niet los en zacht, maar klemmend en schurend over de zachte huid, tot de blanke arm eene roode streep vertoonde.
“Ik heb,” zeide Dombey—“en dit maakt het slot uit van hetgeen ik noodig acht u thans te zeggen, mevrouw Dombey—ik heb een oogenblik geleden opgemerkt, mevrouw, dat mijne vermelding van mijnheer Carker op eene bijzondere manier werd opgenomen. Bij gelegenheid dat ik u, in het bijzijn van dien vertrouwden gelastigde van mij, de aanmerkingen mededeelde, die ik had tegen de manier waarop mijne gasten door u werden ontvangen, beliefde het u bezwaar tegen zijne tegenwoordigheid te maken. Gij zult dat bezwaar te boven moeten komen, mevrouw, en er u waarschijnlijk bij vele dergelijke gelegenheden aan gewennen; tenzij gij daartegen het middel gebruikt, dat gij in uwe macht hebt, namelijk om mij geene reden van klagen te geven. Mijnheer Carker,” zeide Dombey, die na de gemoedsbeweging, welke hij zoo even gezien had, groote waarde hechtte aan dit middel om zijne trotsche vrouw te doen zwichten, en misschien ook wel gaarne zijne macht voor dien heer in een nieuw licht wilde ten toon spreiden, “mijnheer Carker is in mijn vertrouwen, mevrouw Dombey, en mag dus zeer wel tot zoo verre in het uwe zijn. Ik hoop,” vervolgde hij, na eene korte poos, waarin hij, met stijgenden trots, zijn denkbeeld nog wat meer had uitgewerkt, “dat ik het niet noodig zal vinden mijnheer Carker ooit eene boodschap van bezwaar of berisping tegen u toe te vertrouwen; maar daar het beneden mijne positie en reputatie zou zijn, dikwijls beuzelachtige geschillen te hebben met eene dame, aan welke ik de hoogste onderscheiding heb bewezen die in mijn vermogen is, zal ik niet schroomen van zijne diensten gebruik te maken, als ik daartoe reden zie.”—“En nu,” dacht hij, met al zijne deftigheid opstaande, stijver en ongenaakbaarder dan ooit, “kent ze mij en mijn besluit.”
De hand, die den bracelet zoo had omgedraaid, lag zwaar op hare borst, maar zij zag hem nog aan, met een onveranderd gezicht, en zeide met eene zachte stem:
“Wacht! Om Gods wil! Ik moet u spreken!”
Waarom sprak zij niet, en van welken aard was die inwendige strijd, welke haar daartoe eenige minuten lang buiten staat stelde, terwijl haar gezicht, in het bedwang dat zij zich aandeed, zoo strak bleef als dat van een steenen beeld, en hem aanzag, noch zwichtend, noch uitdagend, met genegenheid noch haat, met trots noch nederigheid; met niets anders dan een doordringend starenden blik.
“Heb ik u ooit uitgelokt om mijne hand te vragen? Heb ik eenige kunstgreep gebruikt om u in te nemen? Ben ik ooit vriendelijker voor u geweest toen ik door u werd aangezocht, dan ik sedert ons huwelijk geweest ben? Ben ik ooit anders voor u geweest dan ik nu ben?”—“Het is geheel noodeloos, mevrouw,” antwoordde Dombey, “in zulk eene woordenwisseling te treden.”—“Denkt gij dat ik u liefhad? Wist gij niet van neen? Hebt gij u ooit om mijn hart bekommerd, man, of u voorgesteld dat ding zonder waarde te winnen? Heeft er bij ons koopcontract eenige valschheid plaats gehad? Van uw kant of van den mijnen?”—“Deze vragen,” zeide Dombey, “zijn allen geheel nutteloos, mevrouw.”
Zij stapte tusschen hem en de deur, om te verhinderen dat hij heenging, en hare trotsche gestalte hoog oprichtende, zag zij hem nog strak aan.
“Gij beantwoordt ze allen. Gij antwoordt mij eer ik spreek, zie ik. Hoe kunt gij dat laten; gij, die de rampzalige waarheid evengoed kent als ik? Zeg mij nu. Als ik u tot aanbiddens toe liefhad, zou ik dan meer kunnen doen dan geheel mijn wil en wezen aan u overgeven, gelijk gij daar zoo even gevorderd hebt? Als mijn hart geheel rein was en gij de afgod daarvan, kondt gij dan meer vragen—kondt gij dan meer verkrijgen?”—“Mogelijk wel neen, mevrouw,” antwoordde hij koel.—“Gij weet hoe geheel anders ik ben. Gij ziet mij u aanzien, en kunt de warmte der liefde voor u lezen, die van mijn gezicht afstraalt.” Geen optrekken der trotsche bovenlip, geene flikkering van het donkere oog, niets dan dezelfde, strakke, doordringende blik vergezelde deze woorden. “Gij kent over het geheel mijne geschiedenis. Gij hebt van mijne moeder gesproken. Denkt gij dat gij mij door vernedering of dwang tot onderwerping en gehoorzaamheid kunt brengen, mij kunt buigen of breken?”
Dombey glimlachte, gelijk hij had kunnen glimlachen op de vraag of hij tien duizend pond beschikbaar had.
“Als hier iets ongewoons is,” zeide zij, even hare hand voor haar gezicht bewegende, dat geen oogenblik dat strakke staren naliet, dat anders niets uitdrukte, “gelijk ik weet dat hier een ongewoon gevoel is,” daarbij hief zij de hand op, die hare borst drukte, en liet ze zwaar weder zinken, “bedenk dan dat de bede, die ik u doen zal, geene gewone beteekenis heeft. Ja, want ik ga u eene bede doen,” zeide zij snel, als tot antwoord op iets in zijn gezicht.
Met eene goedgunstige buiging van zijne kin, die zijne stijve das deed kraken, zette Dombey zich op eene sofa, die dicht bij hem stond, om de bede te hooren.
“Als gij gelooven kunt dat ik tegenwoordig van zulk een karakter ben”—hij verbeeldde zich dat hij tranen in hare oogen zag, en dacht, met welgevallen, dat hij ze haar had afgeperst, hoewel er geen traan over hare wang rolde, en zij hem even strak aanzag als ooit,—“dat datgene, wat ik nu zeg, mij zelve bijna ongeloofelijk voorkomt,—zoo gezegd tot een man die mijn man is geworden, maar vooral tot u—zult gij er misschien meer gewicht aan hechten. In het ongeluk, dat voor ons aanstaande is, zullen wij niet alleen ons zelven wikkelen (dat zou misschien niet veel beteekenen) maar ook anderen.”
Anderen! Hij wist wel op wie dit woord doelde en trok zijne wenkbrauwen samen.
“Ik spreek tot u, ter wille van anderen. Maar ook om uwentwil en mijnentwil. Sedert ons huwelijk zijt gij arrogant voor mij geweest; en ik heb u met gelijke munt betaald. Gij hebt mij en ieder om ons heen elken dag en ieder uur getoond, dat gij mij door de verbintenis met u ten hoogste vereerd acht. Ik denk zoo niet, en heb dat insgelijks getoond. Het schijnt dat gij niet begrijpt, of (zoover uwe macht reikt) niet wilt, dat wij ieder onzen eigen weg gaan; en in plaats daarvan eene hulde van mij verwacht, die gij nooit zult krijgen.”
Hoewel haar gezicht nog hetzelfde bleef, was toch zelfs hare ademhaling eene nadrukkelijke bevestiging van dat “nooit.”—“Ik gevoel geene teerheid voor u, dat weet gij. Gij zoudt er niet om geven, al deed ik dat, of kon ik dat. Ik weet evengoed dat gij ze niet voor mij gevoelt. Maar wij zijn aan elkander geboeid, en aan de keten, die ons bindt, zijn, gelijk ik gezegd heb, ook anderen gesloten. Wij moeten beide sterven, wij staan beide reeds met de dooden in betrekking, ieder door een klein kind. Laten wij elkander wederkeerig ontzien.”
Dombey haalde eens diep adem, als wilde hij zeggen: O, was dat alles waarop het neerkwam!
“Er zijn geene schatten,” vervolgde zij, bleeker wordende, terwijl hare oogen, door hunne strakheid, nog meer glans verkregen, “die deze woorden en de beteekenis, die zij hebben, van mij konden koopen. Eens als ijdele klanken verworpen, kan geen geld of macht ze terugbrengen. Ik meen ze; ik heb ze gewogen; ik zal trouw zijn aan hetgeen ik op mij neem. Als gij beloven wilt mij van uw kant te ontzien, wil ik beloven u van mijn kant te ontzien. Wij zijn een allerongelukkigst paar, waarbij, door verschillende oorzaken, ieder gevoel, dat het huwelijk gelukkig of dragelijk maakt, is uitgeroeid; maar door verloop van tijd kan er nog eenige vriendschap, of eenige geschiktheid voor elkander, tusschen ons ontstaan. Ik wil dat pogen te hopen, als gij dat ook wilt doen; en ik wil vooruitzien naar een beter en gelukkiger gebruik van mijn ouderdom, dan ik van mijne jeugd en het beste van mijn leven heb gemaakt.”
Zij had met eene zachte, duidelijke stem gesproken, die niet rees of daalde; toen zij ophield, liet zij de hand zinken, waarmede zij zich gedwongen had om zoo hartstochteloos en duidelijk te zijn, maar niet de oogen waarmede zij hem zoo strak aanzag.
“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne grootste deftigheid, “ik kan een voorstel van zulk een buitengewonen aard zelfs niet in overweging nemen.”
Zij zag hem nog aan, zonder de minste verandering.
“Ik kan,” zeide Dombey, onder het spreken opstaande, “niet bewilligen om met u te temporiseeren of te onderhandelen, mevrouw Dombey, over iets waaromtrent u mijne gevoelens en verwachtingen zijn kenbaar gemaakt. Ik heb mijn ultimatum gegeven, mevrouw, en heb alleen te verzoeken dat gij dit uwe zeer ernstige aandacht verleent.”
Dat gezicht de oude uitdrukking weder te zien aannemen, nog veel krachtiger dan te voren! Die oogen te zien afwenden als van een afzichtelijk en hatelijk voorwerp! Dat trotsche voorhoofd te zien betrekken! Verachting, gramschap, verontwaardiging en afschuw te zien uitblinken, en dien bleeken strakken ernst als een nevel te zien verdwijnen! Hij kon niet nalaten dit te zien, hoewel hij met ontzetting toezag.
“Ga, mijnheer!” zeide zij, met eene gebiedende hand naar de deur wijzende. “Onze eerste en laatste vertrouwelijkheid is ten einde. Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn.”—“Ik zal doen wat mij voegzaam en raadzaam voorkomt, mevrouw,” zeide Dombey, “zonder mij, daarvan kunt gij zeker zijn, door algemeene declamatiën te laten afschrikken.”
Zij keerde hem haar rug toe, en zette zich, zonder antwoord te geven, voor haar spiegel neer.
“Ik vertrouw dat gij uw plicht beter zult leeren inzien, in eene betere stemming komen en u beter bedenken, mevrouw,” zeide Dombey.
Zij sprak geen woord. Hij zag in haar spiegel even weinig uitdrukking, zij scheen hem even weinig op te merken, als ware hij eene ongeziene spinnekop aan den wand, of eene zwarte tor op den vloer geweest, of liever als ware hij een van beide geweest, door haar gezien, vertrapt en vergeten bij het andere doode ongedierte op den grond.
Hij zag om, toen hij de deur uitging, naar het prachtige, helder verlichte vertrek, naar al het schitterende dat daar prijkte, naar de gestalte van Edith, zoo rijk gekleed voor den spiegel gezeten, en naar het gezicht van Edith gelijk die spiegel het hem voorhield; en begaf zich naar zijne oude kamer van gepeinzen, in zijn geest een levendig tafereel van dat alles medenemende, waarbij te gelijk op eene onverklaarbare manier de zonderlinge gedachte bij hem opkwam (gelijk zoo iets iemand somtijds in het hoofd komt) hoe dat alles er zou uitzien als hij het de volgende maal zag.
Voor het overige was Dombey zeer stroef, zeer deftig, en vast overtuigd dat hij zijn oogmerk zou volvoeren; en dit bleef hij.
Hij was niet voornemens de familie naar Brighton te vergezellen; maar bij het ontbijt op den ochtend van het vertrek, dat een paar dagen later plaats had, onderrichtte hij Cleopatra zeer vriendelijk, dat men spoedig een bezoek van hem kon verwachten. Er moest geen tijd verzuimd worden om Cleopatra ergens heen te brengen, waar men het gezond voor haar achtte; want zij scheen spoedig geheel in stof te zullen vallen.
Zonder een bepaalden tweeden aanval van hare kwaal gehad te hebben, scheen de oude vrouw sedert in beterschap achteruit te zijn gekropen. Zij was nog magerder en meer verschrompeld, nog ongestadiger en suffer, en in hare gedachten en haar geheugen heerschte nog vreemder verwarring. Onder de blijken van die verwarring behoorde ook, dat zij tot de gewoonte verviel om de namen harer twee schoonzonen, van den levenden en den dooden, te verwisselen of te zamen te voegen, en Dombey meestal “Grangeby” of “Domber” noemde.
Maar zij was toch nog jeugdig, zeer jeugdig; en in hare jeugdigheid verscheen zij aan het ontbijt, eer zij vertrok, met een nieuw en zeer luchtig hoedje, en een reisgewaad, geborduurd en met tressen bezet als ware zij een kind dat pas uit de lange kleeren kwam. Het was nu niet gemakkelijk haar dat luchtige hoedje op te zetten, of het achter haar beverig hoofd op zijne plaats te houden als zij het ophad. Het zat niet alleen altijd scheef, maar moest ook nog gedurig op den bol getikt worden door Flowers de kamenier, welke, om dezen dienst te verrichten, gedurende het ontbijt achter hare meesteres bleef.
“Nu, mijn allerliefste Grangeby,” zeide mevrouw Skewton, “moet ge mij stellig bel,” zij brak sommige woorden af en sloeg andere geheel over. “Om gauw eens bij ons te komen.”—“Ik heb zoo even gezegd, mevrouw,” antwoordde Dombey, luid en langzaam, “dat ik over een dag of twee zal komen.”—“Zegen u, Domber.”
De majoor, die afscheid van de dames kwam nemen, en door zijne beroerteachtige oogen, met de belangelooze kalmte van een onsterfelijk wezen, naar mevrouw Skewton staarde, zeide nu:
“Verduiveld, mevrouw, waarom vraagt gij den ouden Joe niet?”—“Wie is dat, lastige plaaggeest?” lispte Cleopatra. Maar een tik van Flowers op haar hoedje scheen haar geheugen op te schudden, en zij vervolgde: “O, gij meent u zelven, gij ondeugend schepsel!”—“Verduiveld raar, mijnheer,” fluisterde de majoor tot Dombey. “Leelijk geval! Zich nooit genoeg ingebakerd;” de majoor was tot aan zijne kin toegeknoopt. “Wel, wie zou J. B. anders met Joe meenen dan oude Joe Bagstock, Jozef, Joe, uw slaaf, mevrouw? Hier staat de man. Hier is zijn blaasbalg, mevrouw!” zeide de majoor, en gaf zich een dreunenden stomp op de borst.—“Mijne lieve Edith—Grangeby—het is toch ongelukkig,” zeide Cleopatra korzelig, “dat majoor...”—“Bagstock! J. B.!” riep de majoor, ziende dat zij naar zijn naam zocht.—“Wel, het komt er niet op aan,” zeide Cleopatra. “Edith, lieve, ge weet wel dat ik nooit kon onthouden—wat was het ook weer? Ja, iets ongemeens dat zooveel menschen naar mij willen komen zien. Ik ga toch niet voor lang heen. Ik kom terug. Zij kunnen immers wel wachten tot ik terugkom.”
Dit zeggende keek Cleopatra in het rond en scheen zeer onrustig.
“Ik wil geene visites hebben—ik heb geene visites noodig—een beetje rust—en dat alles—is al wat ik noodig heb. Geene leelijkerds moeten bij mij komen, eer ik die dofheid kwijt ben;” en met eene akelige poging om hare coquette maniertjes te hernemen, deed zij een stoot naar den majoor met haar waaier, maar stiet, in plaats van hem te raken, Dombey’s kopje om, dat aan een geheel anderen kant stond.
Toen riep zij Withers en belastte hem om vooral te zorgen dat er eenige geringe veranderingen in hare kamer werden gemaakt, die klaar moesten zijn eer zij terugkwam, en waarvan men dadelijk werk moest maken, daar zij niet wist hoe gauw zij terugkwam, want zij had veel engagementen en was eene menigte visites schuldig. Withers ontving dezen last met gepaste onderdanigheid en gaf zijn woord voor de vervulling; maar toen hij een paar stappen achteruit was gegaan, scheen hij niet te kunnen laten den majoor op eene zonderlinge manier aan te zien, die niet laten kon Dombey eveneens aan te zien, die niet laten kon Cleopatra eveneens aan te zien, die niet laten kon met haar hoofd te schudden, zoodat haar hoedje over een oog zakte, en met haar mes en vork op haar bord te ratelen alsof zij de castagnetten speelde.
Edith alleen sloeg hare oogen niet naar eenig gezicht aan tafel op, en scheen zich nooit te bevreemden over iets dat hare moeder zeide of deed. Zij luisterde naar haar onsamenhangend gepraat, of keerde ten minste haar hoofd naar haar om; antwoordde met eenige zachte woorden als dit noodig was, en stuitte haar somtijds als zij geheel in de war raakte, of bracht hare gedachten met een enkel woord naar het punt terug, van waar zij waren afgedwaald. De moeder, hoe ongestadig ook in andere opzichten, was hierin bestendig, dat zij altijd op haar lette. Zij tuurde naar het schoone gelaat, zoo ernstig en strak als marmer, nu met zekere vreesachtige bewondering, dan met eene kinderachtige poging om het tot een glimlach te bewegen, dan met spijtige tranen en een jaloersch hoofdschudden, als zij zich verbeeldde er door verwaarloosd te worden; maar altijd er door aangetrokken door iets, dat nooit het onvaste van hare andere denkbeelden vertoonde, maar haar bestendig beheerschte. Van Edith zag zij somtijds naar Florence, en van deze weder naar Edith, op eene manier die wel iets wilds had; en somtijds beproefde zij ergens anders heen te zien, als wilde zij het gezicht harer dochter ontwijken; maar zij scheen steeds genoodzaakt daartoe terug te komen, hoewel dat gezicht nooit uit eigene beweging het hare zocht.
Toen het ontbijt was afgeloopen, werd mevrouw Skewton, die zich hield alsof zij meisjesachtig los op des majoors arm leunde, maar aan den anderen kant stevig door Flowers de kamenier, en van achteren door Withers werd gesteund, naar de koets geholpen, die haar, Florence en Edith naar Brighton zou brengen.
“En is Jozef inderdaad verbannen?” zeide de majoor, zijn purperrood gezicht binnen het portier stekende. “Verduiveld, mevrouw, is Cleopatra zoo hardvochtig dat zij haar trouwen Antonius Bagstock verbiedt om haar te naderen?”—“Loop heen;” zeide Cleopatra. “Ik kan u niet uitstaan. Gij zult mij zien als ik terugkom, als ge heel zoet zijt.”—“Zeg Jozef dat hij in hoop mag leven, mevrouw,” zeide de majoor, “of hij zal in wanhoop sterven.”
Cleopatra huiverde en liet zich achteroverzakken. “Edith, lieve,” zeide zij, “zeg hem...”—“Wat?”—“Zulke ijselijke woorden,” zeide Cleopatra. “Hij gebruikt zulke ijselijke woorden.”
Edith gaf hem een wenk om heen te gaan en te gelijk last om op te rijden.
De afgewezen majoor keerde zich fluitend naar Dombey.
“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, zeer wijdbeens staande, met de handen op den rug, “eene schoone vriendin van ons is in de Wrakke-Straat gaan wonen.”—“Wat meent ge, majoor?” vroeg Dombey.—“Ik wil zeggen, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat ge binnen kort een schoonwees zult zijn.”
Dombey scheen zoo weinig smaak te hebben in deze schertsende aanduiding van hem zelven, dat de majoor, als een blijk van ernst, met een paardenkuch besloot.
“Verduiveld, mijnheer,” hervatte de majoor, “er zijn geen doekjes om te winden. Joe is plomp, mijnheer. Dat is zijn aard. Als gij Joe hebben wilt, moet gij hem nemen zooals gij hem vindt; en gij zult hem een taaien, groven, ouden rekel vinden. Dombey, uwe schoonmoeder staat op sprong.”—“Ik vrees,” antwoordde Dombey zeer koel, “dat mevrouw Skewton geschokt is.”—“Geschokt, Dombey?” zeide de majoor. “Zij heeft het weg!”—“Maar afwisseling en oplettendheid kunnen nog veel doen,” zeide Dombey.—“Geloof het niet, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verduiveld, mijnheer, zij heeft zich nooit genoeg ingebakerd. Als iemand zich niet inbakert,” zeide de majoor, nog een knoop van zijn vest dichtmakende, “verzwakt hij zijn gestel. Maar sommige menschen willen sterven. Dat willen zij. Zij zijn koppig. Ik zal u wat zeggen, Dombey; het mag niet zoo mooi zijn, het mag niet zoo gepolijst wezen, maar een zweempje van de oud Engelsche degelijkheid van het Bagstockras, mijnheer, zou iedereen goeddoen.”
Na het mededeelen van dit wetenswaardige bericht kuierde de majoor naar zijne club en bleef daar den geheelen dag zitten hijgen alsof hij ieder oogenblik eene beroerte zou krijgen.
Cleopatra, nu eens gemelijk, dan weder vergenoegd, somtijds wakker, somtijds in slaap, en altijd jeugdig, kwam des avonds te Brighton aan, viel naar gewoonte in stukken en werd in bed gestopt; waar eene sombere verbeelding zich had kunnen voorstellen dat een machtiger geraamte dan de kamenier, die een geraamte had moeten zijn, de rozekleurige gordijnen bewaakte, welke men had medegenomen om haar blos te verhoogen.
Het werd door een hoogen raad van dokters beslist dat zij dagelijks een toertje met rijtuig moest doen, en ook dagelijks, als zij kon, wat wandelen. Edith was gereed om haar te vergezellen—altijd gereed om haar te vergezellen met dezelfde werktuiglijke oplettendheid en onbeweeglijke schoonheid—en zij reden alleen uit; want Edith was, nu hare moeder erger werd, in het bijzijn van Florence onrustig, en zeide Florence, met een kus, dat zij liever met haar beiden alleen wilde gaan.
Op zekeren dag was mevrouw Skewton in dat ongestadige, wrevelige, jaloersche humeur, dat zich onder haar herstel na het eerste toeval had ontwikkeld. Nadat zij in de koets Edith eenigen tijd stilzwijgend had zitten aanstaren, vatte zij hare hand en kuste die hartstochtelijk. Die hand werd noch gegeven noch teruggetrokken, en viel, toen zij losgelaten werd, weder neer, bijna alsof zij gevoelloos en machteloos was. Daarop begon mevrouw Skewton te grienen en te kermen, en zeide, welk eene moeder zij geweest was, en hoe zij vergeten werd. Hiermede ging zij bij grillige tusschenpoozen voort, zelfs nadat men was afgestapt, terwijl zij, door Withers en een stok gesteund, voortstrompelde, Edith naast haar ging en het rijtuig op eenigen afstand langzaam volgde.
Het was een gure, betrokkene, winderige dag, en zij waren op het duin, waar men niets anders zag dan den kalen grond en de lucht. De moeder bleef, met zeker wrevelig genoegen in het eentonige harer klacht, deze nog nu en dan binnensmonds herhalen, en de trotsche gestalte harer dochter zweefde langzaam naast haar voort, toen zij, eene geringe hoogte bestegen hebbende, eensklaps twee gedaanten voor zich zagen, die zoozeer naar eene overdrevene nabootsing van hare eigene gedaanten geleken, dat Edith bleef stilstaan.
Bijna gelijktijdig stonden ook die twee gedaanten stil; en diegene, welke Edith vond dat naar eene wanstaltige schaduw van hare moeder geleek, sprak ernstig tot de andere en wees met de hand naar hen. Deze scheen gezind om terug te keeren, maar de andere, in welke Edith eene genoegzame gelijkenis met haar zelve vond, om een zeer ongewoon gevoel, dat niet geheel vrij van vrees was, bij haar te doen opkomen, stapte voort, en zoo naderden zij elkander.
Het meeste van het vorige had Edith opgemerkt terwijl zij voortwandelde, want zij was slechts een oogenblik blijven stilstaan. Nader komende zag zij dat die twee armoedig waren gekleed, bijna als bedelaars, en dat de jongste vrouw gebreide goederen of zoo iets te koop droeg, terwijl de oudste onbelast voortstrompelde.
En toch, hoe ver beneden haar in schoonheid, houding en kleeding, kon Edith ook nu niet nalaten de jongste vrouw met zich zelve te vergelijken. Misschien zag zij op haar gelaat eenige sporen van datgene wat zij wist dat in hare eigene ziel school, al vertoonden er zich nog geene uitwendige blijken van; maar toen die vrouw aankwam, haar blik teruggaf, hare glanzige oogen op haar vestigde, ontwijfelbaar iets van hare eigene houding en uitzicht vertoonde en zelfs hare gedachten scheen te beantwoorden, gevoelde zij zich door eene kilheid overvallen alsof de lucht meer betrok en de wind kouder werd.
Zij waren nu bij elkander. De oude vrouw hield hare hand op en bedelde bij mevrouw Skewton. De jongste bleef insgelijks staan, en zij en Edith zagen elkander in de oogen.
“Wat hebt ge daar te koop?” zeide Edith.—“Dit maar,” antwoordde de vrouw, hare waren vertoonende, zonder er zelve naar te zien: “mij zelve heb ik al lang geleden verkocht.”—“Geloof haar niet, Mylady,” kraste de oude vrouw tot mevrouw Skewton. “Geloof niet wat zij zegt. Zij wil maar zoo praten. Zij is mijne mooie, onnatuurlijke dochter. Zij geeft mij niets dan verwijten, Mylady, voor al wat ik voor haar gedaan heb. Zie haar nu eens, Mylady, hoe zij hare arme moeder aankijkt.”
Toen mevrouw Skewton met eene bevende hand hare beurs uithaalde en naar geld zocht, waarnaar de andere oude vrouw gretig stond te wachten—terwijl hare hoofden, door beider haast en zwakheid, bijna tegen elkander stieten, kwam Edith er tusschen.
“Ik heb u meer gezien,” zeide zij, de oude vrouw aansprekende.—“Ja, Mylady,” antwoordde zij nijgende. “Daar in Warwickshire. Dien ochtend tusschen de boomen. Toen ge mij niets woudt geven. Maar die heer, hij heeft mij wat gegeven! O zegen hem, zegen hem!” mompelde de oude vrouw, hare dorre hand opstekende en akelig tegen hare dochter grijnzende.—“Gij behoeft mij niet te willen tegenhouden, Edith!” zeide mevrouw Skewton gramstorig, om afrading van haar voor te komen. “Gij weet er niets van. Ik wil mij niet laten afraden. Ik ben zeker dat dit eene brave vrouw is, en eene goede moeder.”—“Ja, Mylady, ja,” kakelde de oude vrouw, hare gretige hand uitstekende. “Bedankt, Mylady. God zegen u, Mylady. Nog zes stuivers, mijne lieve Lady, omdat gij zelf eene goede moeder zijt.”—“En die ook somtijds onnatuurlijk genoeg wordt behandeld, goede vrouw, dat verzeker ik u,” zeide mevrouw Skewton grienende. “Daar! Geef mij de hand. Gij zijt eene goede oude ziel—ook vol, hoe is het ook weer, en dat alles. Vol hartelijkheid en zoo al meer, niet waar?”—“O ja, Mylady!”—“Ja, dat geloof ik zeker; en dat is Grangeby ook, die fatsoenlijke man. Ik moet u waarlijk nog eens de hand geven. En nu kunt gij gaan; en ik hoop,” zeide mevrouw Skewton, de dochter aansprekende, “dat ge meer dankbaarheid, en natuurlijke, hoe heet het ook weer, en dat alles, zult toonen—ik heb nooit namen kunnen onthouden—want er is nooit beter moeder geweest, dan die arme oude ziel voor u geweest is. Kom, Edith!”
Terwijl de ruïne van Cleopatra grienend heenwaggelde, en hare oogen afveegde, maar met voorzichtigheid om het rouge in de nabijheid te ontzien, strompelde de oude vrouw, mompelende en haar geld tellende, een anderen kant heen. Geen woord, geen gebaar was tusschen Edith en de jongere vrouw meer gewisseld, maar geen van beide had hare oogen van de andere afgewend. Zij waren tegen elkander over blijven staan tot zoolang, toen Edith, alsof zij uit een droom ontwaakte, langzaam voortging.
“Ge zijt mooi,” prevelde hare schaduw, haar naziende, “maar het mooi kan ons niet redden. En ge zijt trotsch, maar trotschheid kan ons niet redden. Wij zullen elkander wel kennen, als wij elkander weerzien!”
XLI. NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN
Alles loopt voort als naar gewoonte. De golven worden schor door het gedurig herhalen van haar geheim; het zand ligt op de kust opgewaaid; de zeevogels zwieren en zweven; de winden en wolken snellen op hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.
Met een teeder weemoedig genoegen wandelt Florence weder over den ouden grond, dien zij zoo treurig en toch zoo gelukkig heeft betreden, en denkt aan hem op de stille plek, waar hij en zij zoo dikwijls te zamen hebben gesproken, terwijl het water om zijn rustbedje opkwam. En nu, terwijl zij daar zit te peinzen, hoort zij in het zachte gemurmel der zee zijne korte geschiedenis nog eens verhalen, zelfs zijne eigene woorden herhalen; en vindt zij, dat geheel haar leven met al de hoop en smart daarvan—in het eenzame huis en in het prachtige paleis waarin het veranderd is—in de tonen van dat wonderbare gezang worden afgeschaduwd.
En de zachtzinnige Toots, die op een afstand blijft dralen, en de gedaante, die hem zoo dierbaar is, oplettend gadeslaat, en ze daarheen gevolgd is, maar uit kieschheid niet op zulk een tijd wil storen, hoort insgelijks den lijkzang van den kleinen Dombey over de golven, rijzende en dalende in de tusschenpoozen van haar eeuwig loflied op Florence. Ja, hij begrijpt flauw, die arme Toots, dat zij iets zeggen van een tijd toen hij wist dat hij helderder van hoofd en vlugger van begrip was, en tranen komen hem in de oogen, wanneer de vrees, dat hij nu bot en dom is, en tot weinig meer deugt, dan om uitgelachen te worden, zijne blijdschap vermindert over de streelende herinnering dat hij voor het tegenwoordige van zijne verantwoording aan den Kemphaan is ontheven, daar deze heer (op kosten van Toots) naar het land is om zich op zijn grooten wedstrijd tegen een anderen vermaarden bokser voor te bereiden.
Doch Toots vat moed, wanneer zij hem eene goede gedachte toefluisteren; en langzaam, dikwijls onderweg besluiteloos stilstaande, nadert hij Florence. Stotterend en blozend, veinst hij zich te verwonderen, als hij bij haar komt, en zegt (terwijl hij de koets waarin zij reed den geheelen weg van Londen over duin voor duin heeft gevolgd, zich gaarne het stof van de wielen in de keel latende vliegen) dat hij nooit in zijn leven zoo verrast is.
“En gij hebt Diogenes ook meegebracht, jufvrouw Dombey!” zegt Toots, doortinteld door de aanraking van het handje dat hem zoo vriendelijk en vrijmoedig gegeven wordt.
Zonder twijfel is Diogenes daar, en zonder twijfel heeft Toots reden gehad om hem op te merken, want hij komt recht op zijne beenen afstuiven, en duikelt over zijn kop, door de vaart waarmede hij op hem aanvliegt. Maar hij wordt door zijne lieve meesteres gestuit.
“Koest, Di, koest! Weet gij niet meer wie ons het eerst vrienden heeft gemaakt, Di? Foei, schaam u!”
Ja, wel mag Di zijn kop liefkoozend tegen haar hand drukken, en voortrennen, en terugkomen, en blaffend om haar heendraven, en blindelings tegen iedereen aanloopen, om zijne gehechtheid te toonen. Toots zou ook wel blindelings tegen iedereen willen aanloopen. Een officier wandelt voorbij; Toots zou niets liever willen doen dan hem bot tegen het lijf loopen.
“Diogenes is hier in zijne geboortelucht, niet waar, jufvrouw Dombey?” zegt Toots.
Florence antwoordt met een knikje en een vriendelijk lachje.
“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots, “neem mij niet kwalijk, maar als gij gaarne eens naar doctor Blimber zoudt willen gaan, ik—ik ga naar hem toe.”
Florence steekt zonder een woord te spreken haar arm door dien van Toots, en zij wandelen te zamen voort, terwijl Diogenes vooruitloopt. Toots voelt zijne beenen onder hem beven; en hoewel hij keurig gekleed is, voelt hij slecht passende plekken en ziet hij rimpels aan de meesterstukken van Burgess en Comp., en wenscht hij dat hij de blinkendste laarzen aanhad.
Het huis van doctor Blimber ziet er van buiten even geleerd en deftig uit als voorheen; en daar omhoog is een venster waar zij naar het bleeke gezichtje placht te zien, en waar het bleeke gezichtje ophelderde als het haar zag, en het uitgeteerde handje haar kussen toewierp als zij voorbijging. De deur wordt geopend door hetzelfde jonge mensch met slechte oogen, wiens dom gegrinnik op het gezicht van Toots de gepersonifiëerde flauwheid is. Zij worden in de studeerkamer des doctors gelaten, waar de blinde Homerus en Minerva hun, gelijk voorheen, audiëntie geven, onder het tikken der groote klok in het voorhuis; en waar de globes nog op hare gewone plaatsen staan, alsof de wereld ook stilstond, en niets daarin ooit verging en aan de algemeene wet gehoorzaamde, die de aarde doet voortrollen en alles tot de aarde terugroept.
En daar is doctor Blimber met zijne geleerde beenen; en daar is mevrouw Blimber met hare hemelsblauwe muts; en daar is Cornelia met haar vlasblond rijtje krullen, en haar schitterenden bril, die nog als een doodgraver in de knekelhuizen van talen werkt. Daar is de tafel waarop hij eens zat, vreemd en verlegen, als de “nieuweling” van de school; en men hoort in de verte het gerucht der jongens, die nog in de oude schoolkamer op de oude manier aan hunne oude lessen zijn.
“Toots,” zegt doctor Blimber, “het doet mij genoegen u te zien, Toots.”
Toots antwoordt door eens te grinniken.
“En ook u in zoo goed gezelschap te zien, Toots,” zegt doctor Blimber.
Toots zegt met een bloedrood gezicht, dat hij jufvrouw Dombey toevallig heeft ontmoet, en dat, daar jufvrouw Dombey, evenals hij zelf, het oude huis nog eens wenschte te zien, zij te zamen gekomen zijn.
“Gij zult ook zeker gaarne onze jonge vrienden nog eens willen zien, jufvrouw Dombey,” zegt doctor Blimber. “Allen eens medeleerlingen van u, Toots. Ik geloof dat wij geene nieuwe bewoners van onzen kleinen porticus hebben gekregen, lieve,” zegt doctor Blimber tot Cornelia, “sedert mijnheer Toots ons verlaten heeft.”—“Behalve Bitherstone,” zegt Cornelia.—“Ja, waarlijk,” zegt de doctor. “Bitherstone zal mijnheer Toots nog nieuw zijn.”
Voor Florence is hij ook bijna nieuw, want in de schoolzaal vertoont zich Bitherstone—niet langer de kleine Bitherstone van mevrouw Pipchin—als drager van boordjes en een horloge. Maar Bitherstone, onder een ongelukkig Bengaalsch gestarnte geboren, is buitengemeen inkterig, en zijn Lexicon is door gedurig nazoeken zoo weerbarstig geworden dat het niet meer sluiten wil, en gaapt alsof dat gemaal het doodelijk verveelde. Zoo doet ook Bitherstone, de eigenaar van dat gapende Lexicon, maar Bitherstone’s gapen heeft iets kwaadaardigs, en men heeft hem hooren zeggen te wenschen dat hij dien “ouden Blimber” maar eens in Indië betrapte. Dan zou hij gauw door een troepje van zijne (Bitherstone’s) Coolies landwaarts ingebracht en aan de Thugs overgeleverd worden; dat kan hij hem zeggen.
Briggs is nog aan het malen in den molen der wetenschap, en Tozer ook, en Johnson ook, en al de anderen; de oudste leerlingen zijn voornamelijk bezig om met verbazenden arbeid alles te vergeten wat zij wisten toen zij jonger waren. Allen zijn zoo beleefd en zoo bleek als ooit, en onder hen is mijnheer Feeder, met zijne knokkige handen en zijn borstelig hoofd, nog even ijverig aan het draaiorgelen; hij speelt hun nu juist een brok uit Herodotus voor, en zijne rollen ter verwisseling liggen op eene plank achter hem.
Er ontstaat eene geweldige opschudding, zelfs onder deze ernstige jonge heeren, door het bezoek van den geëmancipeerden Toots, die met zeker ontzag wordt aangestaard, als een die den Rubicon is overgetrokken en zijn woord heeft verpand om nooit terug te komen, en over wiens kleeren en juweelen achter de hand wordt gefluisterd. De galachtige Bitherstone, die niet uit den tijd van Toots is, veinst dezen te verachten, en zegt dat hij wel beter weet, en dat hij hem wel eens in Bengalen met die dingen wilde zien aankomen, waar zijne moeder een smaragd voor hem bewaart, die uit het voetbankje van een Radja is genomen.
Verbijsterende aandoeningen worden insgelijks door het gezicht van Florence opgewekt, op welke al de jonge heeren dadelijk verlieven; behalve wederom Bitherstone, die dit, uit geest van tegenspraak, niet doen wil. Er ontstaat eene bittere wangunst op Toots, en Briggs is van gedachte dat hij toch nog zoo oud niet is. Maar deze kwaadsprekende inblazing wordt spoedig daardoor te schande gemaakt dat Toots hardop tot mijnheer Feeder zegt: “Hoe gaat het, Feeder?” en hem vraagt om dien middag in de Bedford bij hem te komen eten; welke bedrijven hem in staat zouden stellen om zich, als hij verkoos, zonder tegenspraak voor een Methusalem uit te geven.
Er wordt veel hand gegeven en veel gebogen, en alle jonge heeren doen hun best om Toots in de gunst van jufvrouw Dombey te verdringen; en dan grinnikt Toots nog eens tegen zijn ouden lessenaar, en gaan Florence en hij met mevrouw Blimber en Cornelia heen, en wanneer doctor Blimber de deur achter hen sluit, hoort men hem zeggen: “Jonge heeren, nu zullen wij onze studiën hervatten.” Want dit en weinig anders is het wat de doctor de zee hoort zeggen, of al zijn leven heeft hooren zeggen.
Florence glipt dan heen en gaat met mevrouw Blimber en Cornelia naar boven naar de oude slaapkamer. Toots, die gevoelt dat hij daar niet te maken heeft, blijft in de deur der studeerkamer met den doctor staan praten, of liever hoort den doctor tegen hem praten, en verwondert zich hoe hij de studeerkamer ooit voor een heiligdom en den doctor voor een geducht persoon hield. Florence komt spoedig weder beneden en neemt afscheid, en Toots neemt afscheid, en Diogenes, die het ondertusschen het jonge mensch met slechte oogen zeer lastig heeft gemaakt, schiet de deur uit en rent uitdagend blaffende de hoogte af, terwijl Melia en eene andere meid uit een bovenvenster kijken en om “dien Toots” lachen, en van jufvrouw Dombey zeggen: “Maar waarlijk—lijkt zij niet op haar broertje, behalve dat zij mooier is?”
Toots, die, toen Florence weder beneden kwam, tranen op hare wangen heeft gezien, is doodelijk ongerust, en vreest in het eerst dat hij verkeerd heeft gedaan, met haar dit bezoek voor te stellen. Maar weldra wordt hij van zijne vrees ontslagen; daar zij zegt zeer blijde te zijn dat zij daar geweest is, en er zeer opgeruimd over praat, terwijl zij langs de zee voortwandelen. De stemmen uit die zee en hare lieve stem overweldigen Toots zoodanig, dat hij, wanneer zij bij het door Dombey gehuurde huis komen, en hij haar verlaten moet geen aasje vrijen wil meer over heeft; als zij hem tot afscheid de hand geeft, kan hij die niet weder loslaten.
“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots zeer onthutst, “neem mij niet kwalijk, maar als gij zoo goed woudt zijn om—om—”
Het lachende, argelooze gezichtje van Florence doet hem bot stilzwijgen.
“Als ik mocht—als gij het voor geene al te groote vrijpostigheid zoudt houden, jufvrouw Dombey, als ik—zonder mij eenigszins aan te moedigen, als ik maar hopen mocht, weet gij,” zegt Toots.
Florence ziet hem vragend aan.
“Jufvrouw Dombey,” hervatte Toots, die gevoelt dat hij nu meer moet zeggen, “ik ben waarlijk in zulk een gemoedstoestand, als ik u zie, en u zoo aanbiddelijk vind, dat ik niet weet waar ik zal blijven. Ik ben de beklagenswaardigste ellendeling. Als ik nu niet op den hoek van het Plein was, zou ik op mijne knieën vallen, en u bidden en smeeken, zonder mij eenige aanmoediging te geven, om mij maar te laten hopen—om het maar voor mogelijk te mogen houden dat gij...”—“Och neen, als het u belieft. Zeg niets meer. Als eene goedheid en vriendelijkheid voor mij, zeg niets meer.”
Toots is schrikkelijk uit het veld geslagen, en zijn mond blijft openstaan.
“Gij zijt goed voor mij geweest,” zegt Florence, “ik ben u zoo dankbaar, ik heb zooveel redenen om van u te houden, omdat gij zulk een vriend voor mij geweest zijt, en ik houd zooveel van u,” en hier ziet zij hem vriendelijk glimlachend aan met het oprechtste gezichtje van de wereld, “dat ik mij zeker houd dat gij alleen maar goedendag gaat zeggen.”—“Zekerlijk, jufvrouw Dombey. Ik—ik—dat is juist wat ik meen. Het is van geen beduiden.”—“Goedendag dan,” zegt Florence.—“Goedendag, jufvrouw Dombey,” stottert Toots. “Ik hoop dat gij er maar niet meer om zult denken. Het is—het is van geen belang. Wel bedankt. Het is van geen het minste belang.”
De arme Toots gaat naar zijn logement, sluit zich in zijne slaapkamer op, werpt zich op zijn bed, en blijft daar een langen tijd liggen, zoo wanhopig alsof het toch wel van het grootste belang was. Maar mijnheer Feeder komt bij hem eten, en dit is gelukkig voor Toots, of men had niet kunnen weten wanneer hij zou zijn opgestaan. Toots is nu genoodzaakt op te staan om hem te ontvangen en gastvrij te onthalen.
En de milde invloed dier maatschappelijke en gezellige deugd, de gastvrijheid (om niet van den wijn en de goede tafel te spreken), opent het hart van Toots en maakt hem warm genoeg om te spreken. Hij vertelt Feeder wel niet wat er op den hoek van het Plein is voorgevallen; maar wanneer Feeder hem vraagt “wanneer het zal plaats hebben,” antwoordt Toots, “dat er zekere dingen zijn,” hetgeen Feeder terstond in zijne schulp doet kruipen. Toots voegt er bij, dat hij niet weet waarom het Blimber vrijstond op te merken dat hij in jufvrouw Dombey’s gezelschap was, en dat, als hij dacht dat hij dat zoo onbescheiden gemeend had, hij hem zou uitdagen, hij mocht doctor wezen of niet; maar dat hij gelooft dat het alleen zijne onkunde is geweest, waaraan Feeder zegt niet te twijfelen.
Feeder evenwel, als een vertrouwd vriend, behoeft niet buiten de zaak te worden gehouden. Toots vordert alleen dat er met zekere geheimzinnigheid en met gevoel over gesproken zal worden. Na eenige glazen wijn te hebben gedronken, stelt hij jufvrouw Dombey’s gezondheid in, en zegt: “Feeder, gij hebt geen denkbeeld van de gevoelens waarmee ik dien toast instel.” Feeder antwoordt: “O ja, dat heb ik wel, mijn beste Toots; en zij strekken u zeer tot eer, oude jongen.” Feeder wordt dan aangedaan van vriendschap, en geeft Toots de hand, en zegt, als Toots ooit een broeder noodig heeft, weet hij waar hem te vinden, hetzij over den post of met een pakje. Feeder zegt insgelijks, dat hij, als hij een raad mocht geven, Toots zou raden om de guitar te leeren, of ten minste de fluit; want vrouwen houden veel van muziek, als men zijn hof bij haar maakt, en hij heeft zelf het voordeel daarvan ondervonden.
Dit brengt Feeder tot de bekentenis dat hij een oog op Cornelia Blimber heeft. Hij onderricht Toots dat hij niet tegen den bril heeft, en dat, als de doctor eens gul wilde zijn en de zaken overdeed, wel, dan waren zij bezorgd. Hij zegt van gedachten te zijn dat iemand, als hij met zijne zaken eene goede som gewonnen heeft, verplicht is ze over te doen; en dat Cornelia eene helpster in de zaak zou zijn, waarop iedereen trotsch zou mogen wezen. Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. Feeder poogt hem te beduiden dat dit eene roekeloosheid zou zijn, en als een middel om hem met het leven te verzoenen, vertoont hij hem Cornelia’s portret, met bril en al.
Aldus slijten deze goede lieden den avond; en wanneer deze voor den nacht heeft plaats gemaakt, gaat Toots met Feeder mede, en brengt hem tot voor de deur van doctor Blimber. Doch Feeder gaat maar de stoep op, en als Toots weg is, komt hij er weder af, om eene eenzame wandeling langs het strand te doen en over zijne vooruitzichten te denken. Hij hoort, terwijl hij voortkuiert, de golven hem duidelijk onderrichten, dat doctor Blimber de zaak wel zal overdoen; en hij vindt er een zacht romanesk genoegen in om het huis van buiten te beschouwen, en te denken dat de doctor het eerst wel zal laten verven en goed repareeren.
Toots dwaalt insgelijks op en neer, in de nabijheid van het koffertje dat zijn juweel bevat; en in een jammerlijken gemoedstoestand, en niet zonder den achterdocht der politie op te wekken, tuurt hij naar een venster waar hij licht ziet, en hetwelk hij niet twijfelt of het is dat van Florence. Maar dat is het niet, want het is van mevrouw Skewton’s kamer; en terwijl Florence in eene andere kamer ligt te slapen, en genoeglijk droomt van de oude tooneelen, en al hare oude herinneringen weder herleven, ligt daar eene gedaante, welke de barre werkelijkheid in dat vertrek voor die van het geduldige zieke kind in de plaats heeft gesteld—om het nog eens, maar hoe anders! met ziekte en dood in verband te brengen—slapeloos te morren en te klagen. Afzichtelijk leelijk ligt zij daar op haar bed van onrust; en daarbij, in schrikkelijke, strakke schoonheid,—want zij is schrikkelijk in de verflauwde oogen der lijderes—zit Edith. Wat zeggen de golven in de stilte van den nacht tot deze twee!
“Edith, wat is die steenen arm, die dreigt om mij te slaan? Ziet gij hem niet?”—“Het is niets dan uwe verbeelding, moeder.”—“Mijne verbeelding! Alles is mijne verbeelding. Zie! Is het mogelijk dat gij hem niet ziet!”—“Inderdaad, moeder, er is niets. Zou ik zoo onverschillig blijven zitten, als er zoo iets was?”—“Onverschillig?” haar woest aanziende. “Nu is hij weg. En waarom zijt gij zoo onverschillig? Dat is geene verbeelding van mij, Edith. Ik word er koud van dat ik u zoo zie zitten.”—“Dat spijt mij, moeder.”—“Spijten! Gij schijnt altijd iets te hebben dat u spijt. Maar ik ben het niet!”
Daarmede begint zij te huilen, en werpt haar rusteloos hoofd op het kussen heen en weder, en prevelt over verwaarloozing, en welk eene moeder zij geweest is, en welk eene moeder die goede oude ziel was, die zij ontmoet hebben, en hoe ondankbaar de dochters van zulke moeders zijn. In het midden van dat verwarde gerevel houdt zij op, ziet hare dochter aan, roept dat zij niet recht meer bij hare zinnen is, en verbergt haar gezicht in het dek.
Edith buigt zich medelijdend over haar heen en spreekt haar toe. De zieke oude vrouw slaat de armen om haar hals en zegt met een blik vol angst:
“Edith, wij gaan toch gauw weer naar huis? Gij denkt immers ook dat wij weer naar huis zullen gaan?”—“Ja, moeder, ja.”—“En wat hij zeide—hoe heet hij ook weer, ik heb nooit namen kunnen onthouden—de majoor—dat akelige woord, toen wij wegreden—dat is immers niet waar? Edith!” met een gil, “dat is het toch niet dat mij dreigt!”
Nacht op nacht brandt het licht voor het venster en ligt de gedaante in het bed, en zit Edith daarnaast, en roepen de rustelooze golven beiden toe, den geheelen nacht lang. Nacht op nacht fluisteren de golven zich schor met het gedurig herhalen van haar geheim; het zand wordt op het strand opgewaaid; de zeevogels zweven en zwieren; de winden en wolken vervolgen hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.
En altijd nog staart de zieke oude vrouw naar dien hoek, waar de steenen arm—een stuk van een beeld op eene tombe, zegt zij—dreigend opgeheven is om haar te slaan. Eindelijk valt de slag: en dan ligt er eene sprakelooze oude vrouw in dat bed, krom ineengetrokken; en de helft van haar is dood.
Dit is de gedaante die, opgelapt en opgeschilderd, om door de zon te worden bespot, dag aan dag langzaam door de menigte wordt getrokken, en onderweg uitkijkt naar de goede ziel die zulk eene moeder was, en gezichten trekt als zij vruchteloos zoekt. Dit is de gedaante die dikwijls naar den zeekant wordt gekrooien en daar eenigen tijd gelaten, maar welke geen wind kan verfrisschen, en voor welke het gemurmel der golven geen troostend woord heeft. Zij ligt daar uren lang te luisteren; maar die spraak is dreigend en somber voor haar, en haar gezicht staat angstig; en als hare oogen in de ruimte rondzwerven ziet zij niets anders dan eene breede streep hopelooze ledigheid tusschen hemel en aarde.
Florence ziet zij zelden, en als zij haar ziet, maakt zij zich boos en trekt gezichten. Edith is altijd bij haar en houdt Florence weg; en des nachts in haar bed beeft Florence bij de gedachte aan den dood in zulk eene gedaante, en wordt dikwijls wakker en luistert dan, en verbeeldt zich dat hij gekomen is. Niemand past haar op dan Edith. Het is beter dat maar weinige oogen haar zien; en hare dochter waakt alleen bij haar bed.
Er komt eene schaduw zelfs over dat donkere gezicht, de scherpe trekken worden nog scherper, de sluier over de oogen wordt een lijkkleed dat de geheele wereld buitensluit. De over het dek zwervende handen drukken flauw palm tegen palm, en bewegen zich naar hare dochter toe; en eene stem—die niet naar de hare gelijkt, evenmin naar eenige andere die onze sterfelijke taal spreekt—zegt: “Want ik heb u toch grootgebracht.”
Zonder een traan te laten, knielt Edith, om hare stem dichter bij het zinkende hoofd te brengen, en antwoordt:
“Moeder, kunt ge mij hooren?”
Met wijd starende oogen, poogt zij tot antwoord te knikken.
“Kunt gij u den avond voor mijn trouwen herinneren?”
Het hoofd is roerloos, maar toch duidt het aan dat zij dit doet.
“Ik heb u toen gezegd dat ik u uw deel daaraan vergaf, en God bad mij het mijne te vergeven. Ik zeide u toen dat het verledene tusschen ons voorbij was. Ik zeg dat nu nog eens. Kus mij, moeder.”
Edith raakte de bleeke lippen aan. Voor een oogenblik is alles stil. Een oogenblik later komt hare moeder, met haar meisjesachtig lachje en het geraamte der Cleopatrahouding, in het bed overeind.
Schuif de rozekleurige gordijnen dicht. Er is nog iets anders uit op eene spoorlooze baan, behalve de winden en wolken. Schuif de rozekleurige gordijnen dicht.
Er wordt dadelijk kennisgeving aan Dombey gezonden, die neef Feenix gaat opzoeken, die nog niet tot het besluit is kunnen komen om weder naar Baden-Baden te gaan, en insgelijks bericht heeft ontvangen. Zulk een goedaardig man als neef Feenix is juist de man voor eene bruiloft of eene begrafenis, en zijne positie in de familie maakt het voegzaam hem te raadplegen.
“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien. Mijne arme tante! Zij was zulk eene drommels levendige vrouw.”
Dombey antwoordt: “Bijzonder.”—“En als zij wat opgeknapt was,” zegt neef Feenix “was zij werkelijk nog jong, als men in aanmerking nam.—Waarlijk, op den dag van uw trouwen dacht ik dat zij het nog wel twintig jaar zou uithouden. Ik zeide dat zelfs nog tegen iemand in mijne club—kleine Billy Joper—gij kent hem zeker wel—hij heeft altijd een lorgnet voor zijn oog?”
Dombey buigt ontkennend. “Wat de begrafenis betreft,” begint hij, “als gij eenige verkiezing mocht hebben....”—“Wel,” zegt neef Feenix, zijne kin wrijvende, waartoe juist genoeg van zijne hand onder zijne mouwboorden uitkomt, “dat weet ik waarlijk niet. Er is wel een mausoleum in mijn park, maar ik vrees dat het in slechten staat is. Als ik niet wat schraal bij kas was, had ik het al eens laten repareeren; maar ik geloof dat tegenwoordig de menschen, die in het park komen wandelen, wel eens binnen het hek gaan zitten ontbijten.”
Dombey begrijpt dat dit niet aangaat.
“Het dorp heeft eene heel goede kerk,” zegt neef Feenix peinzende, “een model van den zuiveren vroegsten Anglo-Normandischen stijl, en waarvan Lady Jane Finchbury—eene dame die zich heel stijf rijgt—eene mooie schets heeft geteekend; maar zij hebben ze met witten bedorven, naar ik hoor, en het is een verre weg.”—“Misschien Brighton zelf,” zegt Dombey, om een wenk te geven.—“Op mijne eer, Dombey, ik geloof dat wij niet beter konden doen,” zegt neef Feenix. “Dat is dichtbij ziet ge, en een heel vroolijk plaatsje.”—“En wanneer,” zegt Dombey, “zou het conveniëeren?”—“Ik wil mij gaarne gereed houden,” antwoordt neef Feenix, “tegen den dag dien gij best vindt. Het zal een groot genoegen voor mij zijn (een treurig genoegen, natuurlijk) om mijne arme tante naar de grenzen der—kortom naar het graf te brengen,” zegt neef Feenix, daar hem geene andere uitdrukking te binnen schiet.—“Zoudt gij maandag uit de stad kunnen?” zegt Dombey.—“Maandag zou mij uitmuntend schikken,” antwoordt neef Feenix.
Dombey maakt dus afspraak om neef Feenix op dien dag te laten mederijden, en neemt weldra afscheid. Neef Feenix brengt hem tot aan de trap en zegt bij het scheiden: “Het spijt mij waarlijk, Dombey, dat gij er zooveel moeite van moet hebben;” waarop Dombey antwoordt: “Geheel niet.”
Op den bepaalden tijd rijden neef Feenix en Dombey met elkander naar Brighton, en met hun beiden al de andere rouwdragers over het verlies der oude dame vertegenwoordigende, begeleiden zij haar overschot naar de rustplaats. Neef Feenix, in de rouwkoets gezeten, herkent onderweg ontelbare bekenden maar neemt, welstaanshalve, geene andere notitie van hen, dan dat hij ze voor Dombey opleest, zooals: “Tom Johnson, met zijn kurken been. Zoo, zijt ge hier, Tommy? Foley, op eene volbloedmerrie. De meisjes van Smalder,”—enz. Bij de plechtigheid is neef Feenix neerslachtig, en merkt aan, dat zulke gelegenheden iemand doen denken dat hij ook wrak begint te worden; en nadat de plechtigheid is afgeloopen, zijn zijne oogen waarlijk vochtig. Maar hij herstelt zich weldra; en dat doen al de overige betrekkingen en vrienden van mevrouw Skewton insgelijks, en de majoor vertelt in zijne club gedurig dat zij zich nooit genoeg inbakerde; terwijl de jonge dame met den rug, die zooveel moeite met hare oogleden heeft, met een gilletje zegt, dat zij schrikkelijk oud moet zijn geweest, en aan allerlei akeligheden gestorven moet zijn, en dat men er maar niet van spreken moet.
Zoo blijft dan Edith’s moeder onbesproken onder hare vriendinnen, die doof zijn voor het gefluister der golven, en blind voor de witte armen, die in den maneschijn naar het verre, onzichtbare land wenken. Maar alles gaat voort, als naar gewoonte, op den oever der onbekende zee; en Edith, die daar alleen staat en naar hare golven luistert, ziet slibberig ontuig voor hare voeten opspoelen, om haar levensweg daarmede te bestrooien.
XLII. VERTROUWELIJK EN TOEVALLIG
Niet meer met de zwarte afleggertjes en den flaphoed van kapitein Cuttle uitgedost, maar met eene nieuwe bruine livrei gekleed, die, terwijl zij zeer stemmig moest schijnen te zijn, inderdaad zoo opzichtig deftig was, als een kleermaker er een kon maken, was Rob de Slijper, naar den uitwendigen mensch aldus herschapen, en naar den inwendigen geheel onverschillig voor den kapitein en den adelborst, behalve wanneer hij, met eene toejuichende fanfare van dat koperen instrument, zijn geweten, zich verlustigde in de gedachte, hoe hij deze twee (in zijne verbeelding onafscheidbaar) den zak had gegeven, thans bij zijn beschermer Carker in dienst. Medebewoner van Carker’s huis en als zijn lijfknecht werkzaam, hield Rob met vreezen en beven zijne oogen op de witte tanden gevestigd, en gevoelde dat hij ze waarlijk wel wijder dan ooit mocht openzetten.
Hij kon niet sterker door geheel zijn wezen voor die tanden gebeefd hebben, al was hij in den dienst van een machtig toovenaar gekomen, en al waren die tanden zijne krachtigste toovermiddelen geweest. De jongen had een gevoel van de macht en het gezag van zijn patroon, dat al zijne aandacht gespannen hield en hem tot blinde onderwerping en gehoorzaamheid noopte. Hij durfde zelfs, als hij niet bij hem was, nauwelijks over hem denken, eenigszins vreezende dat hij dan weder dadelijk bij de keel zou gepakt worden, gelijk op den ochtend hunner eerste kennismaking, en dat elke tand de geheimen van zijn gemoed zou doorgronden. Onder de oogen van zijn meester, twijfelde hij evenmin dat Carker zijne geheimste gedachten las, of lezen kon indien hij wilde, als hij er aan twijfelde of deze hem zag als hij hem aankeek. Zoo groot was die invloed, dat de knaap bijna geheel niet durfde denken, maar met eene nevelachtige voorstelling van zijn meesters onweerstaanbare macht over hem, en zijn vermogen om alles met hem te doen wat hij wilde, naar zijne wenken stond te wachten en zijne bevelen poogde te voorkomen, geheel suf en stomp voor alle andere dingen.
Rob had het met zich zelven niet uitgemaakt—in zijn gemoedstoestand zou het reeds eene groote vermetelheid zijn geweest er naar te vragen,—of hij zich zoo volkomen aan dien invloed overgaf, dewijl hij vermoedde dat zijn beschermer een meester was in zekere verraderlijke kunsten, waarin hij zelf op de Slijpersschool een beginnend leerling was geweest. Zeker is het dat Rob hem bewonderde zoowel als vreesde. Carker was misschien beter bekend met de bronnen zijner macht en verzuimde niets om die te bevestigen.
Op denzelfden avond toen Rob den dienst des kapiteins verliet, was hij, na zijne duiven verkocht en in zijne haast zelfs eene slechte negotie gedaan te hebben, recht naar Carker’s huis gegaan, en was hij met een gloeiend gezicht, dat eene lofspraak scheen te verwachten, voor zijn nieuwen meester verschenen.
“Zoo, deugniet!” zeide Carker, naar zijn pakje ziende. “Zijt gij uit uw dienst geloopen, en komt ge nu naar mij toe?”—“O, als je blieft, mijnheer,” stotterde Rob, “gij hebt immers gezegd, toen ik laatst hier was...”—“Ik gezegd?” hervatte Carker. “Wat heb ik gezegd?”—“Als je blieft, mijnheer, gij hebt niemendal gezegd, mijnheer,” antwoordde Rob, door den toon der vraag gewaarschuwd, en zeer onthutst.
Zijn patroon keek hem aan, liet zijn tandvleesch zien, schudde zijn voorvinger en zeide:
“Gij zult aan een slecht eind komen, mijn losbandige vriend, dat voorzie ik. Gij zult in uw ongeluk loopen.”—“Och neen, mijnheer, als je blieft!” barstte Rob uit, terwijl zijne beenen onder hem beefden. “Waarachtig, mijnheer, ik wil niets anders dan voor u werken, en u bedienen, en trouw doen wat mij belast wordt, mijnheer.”—“Het is u ook maar geraden om trouw te doen wat u belast wordt, als gij met mij te maken hebt,” antwoordde zijn patroon.—“Ja, dat weet ik wel, mijnheer,” zeide de onderdanige Rob hierop. “Daar ben ik wel zeker van, mijnheer. Als ge maar zoo goed wilt zijn om mij te probeeren, mijnheer. En als gij er mij ooit op betrapt, mijnheer, dat ik iets tegen uw zeggen doe, moogt ge mij vrij doodslaan.”—“Gij rekel!” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en hem vergenoegd glimlachend aanziende: “dat is nog niets bij wat ik u doen zou, als gij het hart hadt om mij te willen bedriegen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde de benauwde Slijper, “ik weet wel dat ge mij iets vreeselijks zoudt doen, mijnheer. Ik zou het ook niet probeeren, mijnheer, al wilde men mij met goud omkoopen.”
Geheel te leur gesteld in zijne verwachting van eene lofspraak, bleef de onthutste Slijper zijn beschermer staan aanzien, en poogde vruchteloos hem niet aan te zien, met dezelfde ongerustheid welke een hond dikwijls in dergelijke omstandigheden aan den dag legt.
“Dus hebt gij uw ouden dienst verlaten, en komt hier vragen of ik u in mijn dienst wil nemen, he?” zeide Carker.—“Ja, als je blieft, mijnheer,” antwoordde Rob, die wat hij gedaan had op eigen last van zijn patroon had gedaan, maar zich niet durfde rechtvaardigen door de geringste aanduiding daarvan.—“Wel!” zeide Carker. “Gij kent mij, jongen?”—“Ja, mijnheer, als je blieft,” antwoordde Rob, zijn hoed in het rond draaiende, en nog door Carker’s oogen geboeid, waarvan hij zich vruchteloos poogde los te rukken.
Carker knikte. “Pas op, dan.”
Rob gaf door een aantal snelle buigingen zijn levendig begrip van deze waarschuwing te kennen, en wilde zoo buigende naar de deur gaan, zeer verlicht door het vooruitzicht om maar daarbuiten te komen, toen zijn patroon hem stuitte.
“Holla!” zoo riep hij met eene grove stem terug. “Gij zijt—doe die deur toe!”
Rob gehoorzaamde alsof zijn leven van zijne vlugheid afhing.
“Gij zijt aan het spionneeren en luisteren gewoon, niet waar?”—“Hier zou ik zoo iets nooit doen, mijnheer,” antwoordde Rob, “op mijn woord van eer, dat zou ik niet. Ik zou het voor de geheele wereld niet durven, of het moest mij belast worden, mijnheer.”—“Dat zou u ook niet geraden zijn. Gij zijt ook aan babbelen en overpraten gewoon,” zeide zijn patroon, met de grootste koelbloedigheid. “Pas hier daarop, of ge zijt een verloren schobbejak,” en wederom glimlachte hij en waarschuwde hij met zijn voorvinger.
De Slijper voelde zijne ademhaling beklemd. Hij wilde zijne welmeenende gezindheid betuigen, maar kon den glimlachenden heer slechts aanstaren met eene botte onderdanigheid, waarmede de glimlachende heer tamelijk weltevreden scheen; want na den knaap nog eene poos stilzwijgend te hebben aangezien, beval hij hem om naar beneden te gaan, en zeide dat hij hem in zijn dienst zou houden.
Dit was de manier waarop Rob de Slijper door Carker tot lijfknecht werd aangenomen; en met elke minuut van zijn dienst werd zijn ontzag voor dezen heer, zoo mogelijk, nog grooter.
Die dienst had eenige maanden geduurd, toen Rob op zekeren morgen het tuinhek voor Dombey opendeed, die volgens afspraak bij zijn meester kwam ontbijten. Op hetzelfde oogenblik kwam zijn meester zelf naar buiten snellen om zijn geëerden gast te ontvangen en met al zijne tanden te verwelkomen.
“Ik had waarlijk nooit gedacht u eens hier te zien,” zeide Carker, terwijl hij Dombey van het paard hielp stappen. “Dit is een uitstekende dag in mijn almanak. Geen bezoek heeft veel bijzonders voor een man als gij, die alles kan doen wat hij wil, maar voor een man als ik is het geheel anders.”—“Gij hebt hier een met smaak aangelegd buitentje, Carker,” zeide Dombey, zich verwaardigende om voor het grasperk te blijven stilstaan en rond te zien.—“Dat belieft u zoo te zeggen,” antwoordde Carker. “Wel verplicht.”—“Waarlijk,” zeide Dombey met zijne deftige minzaamheid, “dat zou iedereen moeten zeggen. Zoover het gaat schijnt het zeer gemakkelijk en goed ingericht—wezenlijk elegant.”—“Zoover het gaat inderdaad,” antwoordde Carker, met nederigheid. “Dat moet er bij gezegd worden. Nu, wij hebben er genoeg van gezegd; en schoon het eene goedheid van u is dat gij het prijst, ben ik u niet minder dankbaar. Wilt gij binnengaan?”
Toen Dombey het huis binnenging, lette hij, gelijk hij wel doen mocht, op de keurige inrichting der kamers, en de talrijke kleine zorgen voor gemak en sieraad. Carker nam, met zijne pralende nederigheid, deze complimenten met een benepen glimlach aan, en zeide dat hij de kieschheid daarvan begreep en waardeerde, maar dat het buitentje voor hem goed genoeg was—beter, misschien, hoe gering het ook was, dan iemand als hij moest bewonen.
“Maar misschien vertoont het zich voor u, die zoover daarboven zijt, beter dan het werkelijk is,” zeide hij, met zijn valschen mond zoo breed mogelijk uitgerekt. “Evenals een vorst zich iets bekoorlijks in het leven van een bedelaar voorstelt.”
Dit zeggende vestigde hij een scherpen blik op Dombey, en een nog scherper, met een scherpen glimlach gepaard, toen Dombey, zich voor het vuur plantende, in de houding, die door zijn eersten dienaar zoo dikwijls werd nagebootst, naar de schilderijen aan den wand rondkeek. Terwijl zijne koude oogen vluchtig daarover heengleden, ging Carker’s scherpe blik mede, en lette hij nauwkeurig op, waar die oogen bleven en wat zij zagen. Toen zij vooral op eene schilderij bleven rusten, scheen Carker nauwelijks adem te halen, zoo katachtig waakzaam was zijn zijdelings loeren; maar de oogen van den grooten man gleden er over heen, gelijk over de andere schilderijen en schenen er even weinig een indruk van te behouden.
Carker zag er naar—het was de schilderij die naar Edith geleek alsof zij leefde; en er verscheen een stille, boosaardige lach op zijn gezicht, die gedeeltelijk op de schilderij scheen te doelen, hoewel hij eigenlijk den grooten man bespotte die zoo onergdenkend naast hem stond. Weldra stond het ontbijt op de tafel; en Dombey een stoel aanbiedende, welke met den rug naar die schilderij stond, zette hij zich volgens gewoonte er vlak tegenover.
Dombey was ernstiger dan gewoonlijk, en zeer stil. De papegaai, in den vergulden hoepel in zijne prachtige kooi schommelende, poogde vruchteloos aandacht te trekken; want Carker lette te zeer op zijn gast, om aan den papegaai te denken; en de gast, in verstrooid gepeins, keek strak, om niet te zeggen stuursch, over zijne stijve das, zonder zijne oogen van het tafellaken op te slaan. Wat Rob, die bleef bedienen, betrof, al zijne zinnen en vermogens werden zoozeer door zijn meester geboeid, dat hij nauwelijks een oogenblik durfde geven aan de gedachte, dat die gast de groote heer was, voor wien hij eens in zijne kindsheid als getuige van den gezondheidstoestand zijner familie was verschenen, en aan wien hij zijn lederen broekje had te danken gehad.
“Mag ik zoo vrij zijn om te vragen hoe mevrouw Dombey vaart?” zeide Carker eensklaps.
Bij deze vraag leunde hij dienstvaardig voorover, met de kin op de hand steunende, en te gelijk sloeg hij zijne oogen naar de schilderij op, als wilde hij zeggen: “Zie nu, hoe ik hem bij den neus zal leiden.”
Dombey werd rood terwijl hij antwoordde:
“Mevrouw Dombey vaart zeer wel. Gij herinnert mij, Carker, aan iets waarover ik met u wilde spreken.”—“Robin, gij kunt heengaan,” zeide zijn meester, wiens zachte stem Robin deed schrikken en verdwijnen, met de oogen tot het laatste toe op zijn patroon gevestigd. “Gij herinnert u dien jongen natuurlijk nog wel?” vervolgde hij, toen de onderdanige Slijper verdwenen was.—“Neen,” zeide Dombey, met verhevene onverschilligheid.—“Niet waarschijnlijk dat een man als gij dat doen zou. Bijna niet mogelijk,” prevelde Carker. “Maar hij is uit het huishouden waaruit gij eens eene min hebt genomen. Misschien kunt gij u herinneren, dat gij u grootmoedig met zijne opvoeding hebt belast?”—“Is dat die jongen?” zeide Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Hij doet zijne opvoeding weinig eer aan, geloof ik.”—“Ja, hij is een deugniet, vrees ik,” antwoordde Carker, de schouders ophalende. “Daar heeft hij ten minste den naam van. Maar om de waarheid te zeggen, ik heb hem in dienst genomen, omdat hij, toen hij buiten betrekking was, zich verbeeldde (men zal hem dat zeker thuis geleerd hebben) dat hij eene soort van aanspraak op u had, en gedurig beproefde u met zijn verzoek na te loopen. En hoewel mijne bepaalde en erkende betrekking met uwe aangelegenheden alleen tot het kantoor beperkt is, heb ik toch zooveel onwillekeurige belangstelling voor alles wat u aangaat, dat...”
Hij zweeg weder, als ware het om te ontdekken of hij Dombey al ver genoeg had gebracht. En wederom wierp hij, met de kin op de hand, een loerenden blik naar de schilderij.
“Carker,” zeide Dombey, “ik weet wel, gij beperkt uwe...”—“Dienstvaardigheid,” gaf zijn glimlachende gastheer hem in bedenking.—“Neen, ik zeg liever toegenegenheid,” zeide Dombey, zeer wel gevoelende dat hij, door zoo te zeggen, een vleiend compliment maakte, “uwe toegenegenheid niet tot onze betrekking door kantoorzaken. Dat gij in de geringe bijzonderheid, waarvan gij zoo even gesproken hebt, mijn gevoel—mijne hoop en mijne teleurstelling—zoo ontziet, is een bewijs daarvan. Ik ben u verplicht, Carker.”
Carker boog zeer langzaam zijn hoofd, en wreef zeer zacht zijne handen, als vreesde hij door eenige beweging Dombey’s vertrouwelijkheid in haar loop te storen.
“Dat gij daarvan spreekt komt juist van pas,” hervatte Dombey, na eene geringe aarzeling, “want het is eene voorbereiding voor datgene wat ik u begonnen was te zeggen, en herinnert mij dat daardoor eigenlijk geene geheel nieuwe betrekkingen tusschen ons zullen ontstaan, hoewel er misschien van mijn kant een grooter persoonlijk vertrouwen bij zal plaats hebben, dan ik tot nog toe ...”—“Dan waarmee gij mij tot nog toe vereerd hebt,” viel Carker er op in, wederom zijn hoofd buigende. “Ik wil niet zeggen hoe vereerd ik daarmede ben; want een man als gij weet wel hoeveel eer hij in zijne macht heeft naar believen te bewijzen.”—“Mevrouw Dombey en ik,” het compliment met statige zelfverloochening ter zijde latende, “komen in sommige punten niet geheel overeen. Wij schijnen elkander nog niet te verstaan. Mevrouw Dombey heeft nog iets te leeren.”—“Mevrouw Dombey onderscheidt zich door vele zeldzame bekoorlijkheden, en is zonder twijfel aan veel vleierij gewoon,” zeide de slimme waarnemer van elken blik en toon. “Maar waar genegenheid, achting en ontzag bestaan, worden kleine vergissingen, uit zulke oorzaken ontsproten, gemakkelijk te recht gebracht.”
Onwillekeurig vlogen Dombey’s gedachten terug naar het gezicht dat hem in de kamer zijner vrouw had aangezien, toen eene gebiedende hand naar de deur werd uitgestrekt; en zich herinnerende hoeveel genegenheid, achting en ontzag dit uitdrukte, voelde hij het bloed naar zijn eigen gezicht stijgen, even duidelijk als de waakzame oogen, die hem waarnamen, het zagen.
“Mevrouw Dombey en ik,” zeide hij, “hadden, voor mevrouw Skewton’s dood, eene woordenwisseling over de redenen van mijn ongenoegen, waarvan gij u wel een algemeen begrip zult kunnen vormen, daar gij getuige zijt geweest van hetgeen er tusschen mevrouw Dombey en mij is voorgevallen op dien avond toen gij bij ons—bij mij aan huis waart.”—“Toen het mij speet dat ik tegenwoordig was,” zeide de glimlachende Carker. “Hoe trotsch een man in mijne positie natuurlijk wezen moest op uw gemeenzamen omgang—schoon ik dat bij u niet mag rekenen, want gij kunt alles doen wat gij wilt, zonder uw rang te verliezen—en zoo vereerd als ik was door zoo vroeg aan mevrouw Dombey gepresenteerd te worden, eer zij nog zoo hoog verhoogd werd door het verkrijgen van uw naam, speet het mij dien avond toch bijna, verzeker ik u, dat ik zulk een buitengewoon geluk had gehad.”
Dat het iemand onder eenige mogelijke omstandigheden kon spijten door zijne minzaamheid en goedheid onderscheiden te worden, was een moreel verschijnsel, dat Dombey niet kon begrijpen. Hij antwoordde dus, en werd daarbij nog vrij wat statiger dan anders: “Inderdaad. En waarom, Carker?”—“Ik vrees,” antwoordde zijn vertrouwde, “dat mevrouw Dombey, nooit zeer gezind om mij met gunstige belangstelling te beschouwen—iemand in mijne positie kon dat niet verwachten van eene dame die trotsch van karakter is, en wie hare trotschheid zoo goed staat—mij niet licht mijn onschuldig aandeel aan dat gesprek zal vergeven. Uw ongenoegen is geene beuzeling, moet gij bedenken; en dat in het bijzijn van een derden te moeten ondervinden...”—“Carker,” zeide Dombey laatdunkend, “mij dunkt dat ik het eerst in aanmerking behoor te komen?”—“O, kan daaraan getwijfeld worden?” zeide de ander, met het ongeduld van iemand die eene algemeen bekende, onbetwistbare waarheid toestemt.—“Mevrouw Dombey komt eerst naderhand in aanmerking, als het om ons beiden te doen is, verbeeld ik mij,” zeide Dombey. “Is dat zoo niet?”—“Zeker is het zoo,” antwoordde Carker. “Gij weet beter dan iemand, dat gij zoo iets niet behoeft te vragen.”—“Dan hoop ik, Carker,” zeide Dombey, “dat uw spijt over het beloopen van mevrouw Dombey’s ongenoegen bijna zal worden opgewogen door uw genoegen over het behouden van mijn vertrouwen en mijne goede meening.”—“Ik heb dus het ongeluk, naar ik vind, van mij dat ongenoegen berokkend te hebben,” hervatte Carker. “Mevrouw Dombey heeft u dat gezegd?”—“Mevrouw Dombey heeft verschillende meeningen te kennen gegeven,” antwoordde Dombey, met statige koelheid en onverschilligheid, “waarin ik niet deel, en van welke ik niet genegen ben te spreken of mij te herinneren. Ik heb mevrouw Dombey eenigen tijd geleden bekend gemaakt, gelijk ik reeds gezegd heb, met zekere punten van huiselijke beleefdheid en ondergeschiktheid, waarop ik het noodig achtte aan te dringen. Het is mij niet gelukt mevrouw Dombey te overtuigen van het raadzame om haar gedrag, met het oog op haar eigen genoegen en welzijn en op mijne waardigheid, in die opzichten terstond te veranderen, en ik heb mevrouw Dombey onderricht dat ik, indien ik het noodig mocht achten haar wederom waarschuwingen of vermaningen te geven, haar mijne meening door u, mijn vertrouwden gelastigde, zou doen te kennen geven.”
Gemengd met den blik, dien Carker op hem vestigde, was een duivelachtige blik naar de schilderij boven zijn hoofd, die als een bliksemstraal daarheen vloog.
“Nu, Carker,” zeide Dombey, “maak ik geen bezwaar om u te zeggen, dat ik mijn wil wil doorzetten. Ik wil niet met mij laten beuzelen. Mevrouw Dombey moet begrijpen dat mijn wil wet is en dat ik op den regel van geheel mijn leven geene uitzondering kan veroorloven. Gij zult de goedheid hebben om dezen last op u te nemen, die, daar zij van mij komt, u niet onaangenaam zal zijn, hoop ik, hoeveel spijt gij ook uit beleefdheid moogt betuigen—waarvoor ik u voor mevrouw Dombey verplicht ben; en gij zult wel de goedheid hebben, ben ik overtuigd, om u daarvan te kwijten, evenals van iedere andere commissie.”—“Gij weet,” antwoordde Carker, “dat ge mij maar te bevelen hebt.”—“Ik weet,” zeide Dombey, majestueus toestemmende, “dat ik u maar te bevelen heb. Het is noodig dat ik hiermede voortga. Mevrouw Dombey is eene dame, in vele opzichten ten hoogste geschikt, zonder twijfel, om...”—“Om zelfs uwe keus tot eer te strekken,” gaf Carker in bedenking, vleiend al zijne tanden toonende.—“Ja; als het u belieft dien vorm van uitdrukking te bezigen,” zeide Dombey, op zijn staatsie-toon; “en voor het tegenwoordige meen ik niet, dat mevrouw Dombey die keus zoozeer tot eer strekt als wel zou behooren. Mevrouw Dombey heeft een geest van oppositie, die uitgeroeid moet worden, die gefnuikt moet worden. Mevrouw Dombey schijnt niet te begrijpen,” zeide Dombey met nadruk, “dat het denkbeeld van oppositie tegen mij iets gedrochtelijks en ongerijmds is.”—“Wij in de City kennen u beter,” zeide Carker met een glimlach van oor tot oor.—“Gij kent mij beter,” zeide Dombey. “Dat hoop ik. Schoon ik verplicht ben mevrouw Dombey zooveel recht te doen om te zeggen, dat, hoe onbestaanbaar dit ook schijnen mag met haar volgend gedrag (dat onveranderd blijft), toen ik haar eenigszins gestreng mijne afkeuring en mijn voornemen te kennen gaf, bij die gelegenheid waarvan ik gesproken heb, mijne vermaning een zeer krachtigen indruk scheen te maken.” Dombey sprak deze woorden met allergeduchtste statigheid uit. “Ik wenschte dus dat gij de goedheid hadt, Carker, om mevrouw Dombey van mij te onderrichten, dat ik haar ons vroeger gesprek in het geheugen moet roepen, met eenige verwondering dat het nog geen gevolg heeft gehad. Dat ik er op moet aandringen, dat zij haar gedrag richte naar den regel, dien ik haar in dat gesprek heb voorgeschreven. Dat ik niet met haar gedrag tevreden ben. Dat ik er ten hoogste misnoegd over ben. En dat ik mij in de zeer onaangename noodzakelijkheid zal bevinden om u tot brenger van nog meer onwelkome en omstandige mededeelingen te maken, als zij geen gezond verstand en gevoel van welvoegelijkheid genoeg heeft om zich aan mijne wenschen te onderschikken, gelijk de eerste mevrouw Dombey deed, en ik geloof er te mogen bijvoegen, gelijk elke andere dame in hare plaats zou doen.”—“De eerste mevrouw Dombey leefde zeer gelukkig,” zeide Carker.—“De eerste mevrouw Dombey had veel gezond verstand,” zeide Dombey, met fatsoenlijke verschooning voor eene doode, “en gevoel van welvoegelijkheid.”—“Gelijkt jonge jufvrouw Dombey naar hare moeder, denkt gij?” zeide Carker.
Snel betrok Dombey’s gezicht. Zijn vertrouwde zag hem scherp waarnemend aan.
“Ik heb een pijnlijk onderwerp aangeroerd,” zeide hij, op een zachten meewarigen toon, onvereenigbaar met zijne gretige oogen. “Ik bid u, vergeef het mij. Mijne belangstelling doet mij het verband van die herinneringen vergeten. Ik bid u, vergeef het mij.”
Maar hoewel hij zoo sprak, bleven zijne gretige oogen Dombey’s neergeslagen gezicht waarnemen, en daarna schoten zij een vreemden, zegevierenden blik naar de schilderij, als riepen zij deze tot getuige hoe hij hem bij den neus leidde en wat er nu komen zou.
“Carker,” zeide Dombey, hier en daar op de tafel ziende, en haastiger met eene eenigszins veranderde stem sprekende, terwijl zijne lippen ook bleeker schenen. “Gij behoeft u niet te verontschuldigen. Gij vergist u. Ik denk aan de zaak die wij voor ons hebben, en aan geene herinneringen, gelijk gij meent. Ik ben niet tevreden met mevrouw Dombey’s gedrag ten opzichte van mijne dochter.”—“Verschooning,” zeide Carker. “Ik begrijp u niet recht.”—“Gij moet dan begrijpen,” antwoordde Dombey, “dat gij daarover uit mijn naam ronduit met mevrouw Dombey kunt spreken—zult spreken, als het u belieft. Gij zult zoo goed zijn om haar te zeggen, dat hare vertooning van bijzondere genegenheid voor mijne dochter mij onaangenaam is. Dit is geschikt om aandacht te trekken. Het is geschikt om de menschen tot vergelijking te brengen tusschen mevrouw Dombey in hare verhouding tot mijne dochter, en mevrouw Dombey in hare verhouding tot mij. Gij zult zoo goed zijn om mevrouw Dombey duidelijk te doen verstaan, dat ik dit afkeur, en dat ik verwacht dat zij dadelijk aan mijne bezwaren in dat opzicht zal gehoor geven. Het mag mevrouw Dombey ernst wezen, of het mag maar eene gril van haar zijn, of het mag haar oogmerk zijn mij daarmede te dwarsboomen, in allen gevalle keur ik het af. Als mevrouw Dombey het ernstig meent moet zij zooveel te minder onwillig zijn om het na te laten; want zij zal mijne dochter door zulk eene vertooning geen dienst doen. Als mijne vrouw zachtaardigheid en vriendelijkheid te veel heeft, boven en behalve hare behoorlijke onderworpenheid aan mij, mag zij die, misschien, toonen aan wie zij wil; maar ik wil eerst onderworpenheid hebben.—Carker” zeide Dombey, de buitengewone aandoening smorende, waarmede hij gesproken had, en een toon aannemende meer gelijk aan dien waarmede hij gewoon was zijne grootheid te doen gelden, “gij zult wel zoo goed zijn om dit punt niet over te slaan of in de schaduw te houden, maar het is als een zeer gewichtig gedeelte van uwe instructie te beschouwen.”
Carker boog zijn hoofd en stond van de tafel op. Peinzend voor het vuur staande, met de hand aan zijne gladde kin, keek hij op Dombey neer met de boosaardige slimheid van een middeleeuwsch beeldsnijwerk, half mensch half dier, of een grijnzend gezicht aan eene ouderwetsche gootpijp. Dombey, langzamerhand zijne bedaardheid herkrijgende, of zijne aandoening smorende met de gedachte dat hij nu eene verhevene positie had genomen, zat trapsgewijze weder op te stijven, en keek naar den papegaai, die in zijn grooten trouwring hing te slingeren.
“Neem mij niet kwalijk,” zeide Carker, na eene poos van stilte, zich eensklaps weder op zijn stoel zettende, en dien tegenover Dombey schuivende, “maar laat ik u wel begrijpen. Mevrouw Dombey draagt kennis van de waarschijnlijkheid dat ik het orgaan van uw ongenoegen zal zijn?”—“Ja,” antwoordde Dombey “dat weet zij.”—“Ja wel,” hervatte Carker. “Maar waarom weet zij dat?”—“Waarom?” herhaalde Dombey, niet zonder aarzeling. “Omdat ik het haar gezegd heb.”—“Ja wel,” zeide Carker wederom. “Maar waarom hebt gij haar dat gezegd? Gij ziet wel,” vervolgde hij, met een glimlach, en zijne fluweelen hand op Dombey’s arm leggende, gelijk eene kat hare ingetrokken klauwen had kunnen doen, “als ik volkomen begrijp wat gij bedoelt, is het des te waarschijnlijker dat ik nuttig zal kunnen zijn en het geluk hebben om u wezenlijk dienst te doen. Ik geloof dat ik u begrijp. Ik heb de eer niet dat mevrouw Dombey eene goede meening van mij heeft. In mijne positie heb ik wel geene reden om dat te verwachten; maar ik houd het er nu maar zoo voor, dat zij geene goede meening van mij heeft.”—“Misschien wel niet,” zeide Dombey.—“Bij gevolg,” hervatte Carker, “zal het deze dame bijzonder ongevallig zijn, dat gij haar door mij deze boodschap zendt?”—“Het komt mij voor,” zeide Dombey, met trotsche stijfheid, maar toch met zekere verlegenheid, “dat mevrouw Dombey’s gedachten van de zaak tusschen u en mij eigenlijk niet in aanmerking behoefden te komen, Carker. Maar het kan toch wel zoo zijn.”—“En—neem mij niet kwalijk—begrijp ik u verkeerd,” zeide Carker, “als ik denk dat gij daarin een geschikt middel vindt om mevrouw Dombey’s trots te vernederen—ik gebruik het woord trots om eene hoedanigheid aan te duiden, die, in behoorlijke perken gehouden, eene dame, zoo uitstekend door schoonheid en talenten, tot eer en sieraad strekt—en, ik wil niet zeggen haar te straffen, maar om haar tot die onderworpenheid te brengen, die gij zoo natuurlijk en billijk van haar vordert?”—“Ik ben niet gewoon, Carker, gelijk gij wel weet,” zeide Dombey, “om zulke omstandige redenen te geven voor iets dat ik voegzaam acht te doen; maar ik wil toch niets daarvan tegenspreken. Indien gij een daarop gegrond bezwaar hebt, zoo is dat geheel iets anders, en het enkele zeggen dat gij zulk een bezwaar hebt zal voldoende zijn. Maar ik heb niet gedacht, moet ik bekennen, dat een vertrouwelijke last, dien ik u opdroeg, u zou kunnen vernederen...”—“O, ik vernederd!” riep Carker uit. “In uw dienst!”—“Of u in eene valsche positie zou kunnen plaatsen,” vervolgde Dombey.—“Ik in eene valsche positie!” riep Carker wederom uit. “Ik zal er trotsch op zijn—verrukt over zijn—als ik aan uw vertrouwen mag beantwoorden. Ik had wel kunnen wenschen, moet ik bekennen, dat ik de dame, aan wier voeten ik mijne nederige hulde zou willen neerleggen—want is zij uwe vrouw niet!—geene nieuwe reden van ongenoegen behoefde te geven; maar een wensch van u gaat natuurlijk alle andere bedenkingen te boven. Buitendien, wanneer mevrouw Dombey van die kleine dwalingen in haar oordeel is teruggekomen, die, als ik zoo zeggen durf, bijna onvermijdelijk met het nieuwe van hare omstandigheden gepaard moeten gaan, hoop ik dat zij in het geringe deel, dat ik aan de zaak genomen heb, slechts een greintje—mijn ver verwijderde kring geeft weinig gelegenheid voor meer—van mijn eerbied voor u en mijne opoffering van alle andere bedenkingen voor u, zal opmerken, waarvan het haar voorrecht en genoegen zal zijn, dagelijks een schat van blijken te geven.”
Dombey scheen haar op dat oogenblik wederom te zien, met hare uitgestrekte hand naar de deur wijzende, en in de zoetvoerige taal van zijn vertrouweling een weergalm van hare woorden te hooren: “Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn!” Maar hij zeide: “Zekerlijk; zonder twijfel.”—“Er is niets meer?” zeide Carker, zijn stoel weder naar zijne oude plaats schuivende—want zij hadden nog maar weinig van het ontbijt gebruikt—en op een antwoord wachtende eer hij weder ging zitten.—“Niets behalve dit,” zeide Dombey. “Gij zult wel zoo goed zijn om op te merken, Carker, dat geene boodschap, waarmede gij aan mevrouw Dombey belast zijt, eenig antwoord toelaat. Gij zult wel zoo goed zijn om mij geen antwoord te brengen. Mevrouw Dombey is onderricht dat het mij niet voegt, met haar te temporiseeren of te onderhandelen over iets, waarover wij het niet eens mochten zijn, en dat, wat ik zeg, beslissend is.”
Carker gaf nog eens te kennen dat hij zijne taak begreep en aanvaardde, en zij gingen nog eens aan het ontbijt met zooveel trek als zij hadden. De Slijper, die weldra verscheen, hield ook wederom zijne oogen met eerbiedigen angst op zijn meester gevestigd. Na het ontbijt werd Dombey’s paard weder voorgebracht, Carker besteeg insgelijks het zijne, en zij reden te zamen naar de stad.
Carker was zeer vroolijk en praatte veel. Dombey hoorde hem aan met het vorstelijke voorkomen van iemand, die recht had om zich te laten onderhouden, en verwaardigde zich nu en dan eenige weinige woorden te spreken om het gesprek voort te zetten. Zoo reden zij eigenaardig genoeg met elkander voort. Maar Dombey reed in zijne deftigheid met zeer lange stijgbeugels en een zeer lossen teugel, en verwaardigde zich zeer zelden om te zien waar zijn paard de pooten zette. Ten gevolge daarvan gebeurde het dat Dombey’s paard, terwijl het vrij hard draafde, over eenige losse steenen struikelde, hem afsmeet, over hem heen rolde, en met de ijzeren hoeven in het rond spartelende om weder op te komen, hem een schop gaf.
Carker, vlug van oog, vast van hand en een goed ruiter, was dadelijk op den grond en trok het spartelende paard in een oogenblik bij de teugels overeind. Anders zou de vertrouwelijke mededeeling van dien morgen wel de laatste voor Dombey zijn geweest. Maar terwijl de drift van deze beweging zijne wangen nog kleurde, boog hij zich over zijn op den grond liggenden gebieder, en mompelde zoo bukkende: “Nu heb ik mevrouw Dombey goede reden gegeven om kwaad op mij te zijn, als zij het wist.”
Daar Dombey bewusteloos was en aan het hoofd en het gezicht bloedde, werd hij, op aanwijzing van Carker, door eenige werklieden naar de naaste herberg gebracht, die niet veraf was; en daar werd hij spoedig door verscheidene chirurgijns bezocht, die van alle kanten aankwamen en door een geheimzinnig instinct schenen gelokt te worden, evenals men zegt dat de gieren zich om een kameel verzamelen, die in de woestijn sterft. Na hem met eenige moeite weder tot bewustheid gebracht te hebben, onderzochten deze heeren zijne kwetsuren. Een chirurgijn, die dichtbij woonde, was sterk voor eene samengestelde beenbreuk, van welk gevoelen de kastelein insgelijks was; maar twee chirurgijns, die veraf woonden, en slechts toevallig in de nabijheid waren, bestreden deze meening met zooveel belangeloosheid, dat men eindelijk besliste, dat de patiënt, hoewel erg geschaafd en gekneusd, geene beenderen gebroken had behalve eene korte rib of zoo, en wel voorzichtig naar huis kon gebracht worden. Toen hij verbonden was, waarmede men lang werk had, en eindelijk lag te rusten, steeg Carker wederom te paard en reed heen om thuis bericht te brengen.
Listig en boosaardig als zijn gezicht zelfs op den besten tijd was, hoewel het, wat vorm en regelmatigheid van trekken betrof, een welgemaakt gezicht mocht heeten, stond het listiger en boosaardiger dan ooit; bezield door zijne booze gedachten—veeleer gedachten aan verwijderde mogelijkheden dan plannen of raadslagen—reed hij alsof hij op eene menschenjacht was. Eindelijk de teugels aanhoudende, toen hij een meer bezochten weg bereikte, dwong hij zijn paard met witte pooten om, volgens gewoonte, zachtjes voort te trippelen, en verborg hij zich zelven zoo goed hij kon onder zijne kruiperige vriendelijkheid en zijn ivoren glimlach.
Hij reed recht naar Dombey’s huis, stapte voor de deur af, en verzocht mevrouw Dombey over eene zaak van gewicht te mogen spreken. De knecht, die hem in Dombey’s eigene kamer had gelaten, kwam spoedig terug om te zeggen dat het mevrouw Dombey’s uur niet was om bezoek te ontvangen, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen dat hij dit niet dadelijk had gezegd.
Carker, die zich wel op eene koele ontvangst had voorbereid, schreef op een kaartje dat hij de vrijheid moest nemen om op een onderhoud aan te dringen, en niet zoo stout zou zijn om dit voor de tweede maal (dit onderstreepte hij) te doen, als hij niet zeker wist dat de aanleiding voldoende was om hem te rechtvaardigen. Na eene korte poos wachtens, kwam mevrouw Dombey’s kamenier en bracht hem naar eene kamer boven, waar Edith en Florence bij elkander zaten.
Hij had Edith nooit voorheen half zoo schoon gevonden. Hoezeer hij ook de bekoorlijkheden van haar gelaat en hare gestalte bewonderde, en die nog versch in zijne zinnelijke herinnering lagen, had hij haar nog nooit half zoo schoon gevonden.
Haar blik was trotsch naar de deur gericht toen hij binnenkwam; maar hij zag naar Florence—hoewel slechts even, terwijl hij voor haar boog—en onwillekeurig duidde hij daarbij het gevoel der nieuwe macht aan, die hij bezat; en hij had het genoegen van te zien, dat Edith’s blik voor den zijnen zwichtte, en dat zij half opstond om hem te ontvangen.
Het speet hem zeer; hij kon niet zeggen hoe ongaarne hij kwam om haar op de tijding van een gering ongeluk voor te bereiden. Hij bad mevrouw Dombey om bedaard te blijven. Op zijn heilig woord van eer, er was geene reden om zich ongerust te maken. Maar mijnheer Dombey...
Florence gaf plotseling een gil. Hij zag niet naar haar, maar naar Edith. Edith stelde haar gerust. Zij gaf geen kreet van droefheid en schrik. Neen, zeker niet.
Dombey had bij het rijden een ongeluk gekregen. Zijn paard was uitgegleden en had hem afgeworpen.
Florence riep met woesten angst, dat hij zeker zwaar gekwetst, dat hij dood was!
Neen. Op zijne eer, mijnheer Dombey, hoewel eerst bedwelmd, was spoedig bijgekomen, en hoewel inderdaad gekwetst, was in geen gevaar. Als dit de waarheid niet was, zou hij, de bedroefde indringer, nooit den moed gehad hebben om zich voor mevrouw Dombey te vertoonen. Het was inderdaad de waarheid, verzekerde hij haar plechtig.
Dit alles zeide hij alsof hij Edith en niet Florence antwoordde, en met zijne oogen en zijn glimlach op Edith gevestigd.
Daarna verhaalde hij haar waar Dombey lag, en verzocht dat er een rijtuig tot zijne beschikking mocht gesteld worden om hem naar huis te brengen.
“Mama,” stamelde Florence schreiend, “als ik durfde gaan!”
Carker, die, terwijl hij deze woorden hoorde, zijne oogen op Edith had, gaf haar een geheimen blik en schudde even zijn hoofd. Hij zag hoe zij met zich zelve streed, eer zij hem met hare schoone oogen antwoordde; maar hij ontwrong haar toch dat antwoord—hij toonde haar dat hij het wilde hebben; of dat hij hardop zou spreken en Florence het hart doorgrieven—en zij gaf het hem. Evenals hij des morgens de schilderij had aangezien, zoo zag hij naderhand haar aan, toen zij hare oogen afwendde.
“Ik moet verzoeken,” zeide hij, “dat de nieuwe huishoudster—mevrouw Pipchin heet zij, geloof ik...”
Niets ontging hem. Hij zag terstond dat het eene andere beleediging was die Dombey zijne vrouw had aangedaan.
“Onderricht mag worden, dat mijnheer Dombey verlangt dat er een bed voor hem gereedgemaakt worde in zijne eigene kamer beneden, daar hij dat apartement boven alle andere verkiest. Ik zal bijna onmiddellijk naar mijnheer Dombey terugkeeren. Dat er alle mogelijke zorg voor hem is en wordt gedragen, mevrouw, behoef ik u niet te verzekeren. Laat ik nog eens mogen zeggen, er is geene reden voor de minste bekommering. Zelfs gij moogt volkomen gerust wezen, geloof mij.”
Hij ging buigend heen, met de grootst mogelijke vertooning van eerbied en vriendelijkheid; en toen hij nog eens naar Dombey’s kamer was geweest, en daar had afgesproken dat hem eene koets naar de City zou worden nagezonden, steeg hij weder te paard en reed langzaam daarheen. Hij was zeer nadenkend onder het rijden, en zeer nadenkend terwijl hij in de City wachtte, en zeer nadenkend in de koets onderweg naar de plaats waar hij Dombey gelaten had. Het was eerst toen hij bij de legerstede van dien heer zat, dat hij weder naar zich zelven begon te gelijken en toonde dat hij tanden had.
Tegen schemeravond werd Dombey, zeer stijf en vol pijn, in de koets geholpen, en met mantels en kussens gesteund op de eene bank gezet, terwijl zijn vertrouwde gelastigde hem op de andere bank gezelschap hield. Daar hij niet geschokt mocht worden, reed men weinig harder dan stapvoets, en zoo was het geheel donker eer hij thuis werd gebracht. Mevrouw Pipchin, stuursch en spijtig en nooit de mijnen van Peru kunnende vergeten, gelijk het huishouden maar al te wel wist, ontving hem aan de deur en verfrischte de dienstboden met een gesprenkel van woorden-azijn, terwijl zij hem naar zijne kamer hielpen dragen. Carker bleef bij hem tot hij veilig in bed lag, en daar de zieke geen ander vrouwelijk bezoek wilde ontvangen dan dat zijner huishoudster, begaf hij zich nog eens naar mevrouw Dombey, om haar bericht van den toestand des lijders te brengen.
Wederom vond hij Edith met Florence alleen, en wederom richtte hij zijne geheele troostende aanspraak tot Edith, alsof zij door den teedersten angst werd gemarteld. Zoo ernstig was zijn eerbiedig medelijden, dat hij bij het afscheidnemen waagde—met nog een blik naar Florence op het oogenblik—hare hand te vatten en die met zijne lippen aan te raken.
Edith trok hare hand niet terug, en gaf er hem geen slag mede in het effene gezicht, ondanks den gloed op hare wangen en het flikkerende licht in hare oogen. Maar toen zij alleen op hare kamer was, sloeg zij die hand tegen den marmeren schoorsteenmantel, zoodat zij van dien eenen slag gekneusd werd en bloedde, en hield ze van haar af, naar het vuur, als had zij ze wel daarin willen steken en verbranden.
Tot laat in den nacht zat zij bij het uitgebrande vuur, in donkere, dreigende schoonheid, naar de zwarte schaduwen op den muur ziende, alsof hare gedachten tastbare lichamen waren, en die schaduwen daar wierpen. Welke vormen van beleediging en smaad, en van dingen die mogelijk konden gebeuren, ook onduidelijk en reusachtig voor haar flikkerden, het was ééne hatelijke gedaante die ze tegen haar in de wapens bracht. En die gedaante was haar echtgenoot.
XLIII. DE NACHTWAKEN
Florence, sedert lang uit haar droom ontwaakt, sloeg treurig de vervreemding tusschen haar vader en Edith gade, zag die al grooter en grooter worden, en wist dat er met elken dag meer bitterheid tusschen hen kwam. Elke dag van meerdere kennis verdonkerde de schaduw over hare liefde en hoop, wekte de oude smart weder op, die eene poos had gesluimerd, en maakte die zelfs nog zwaarder om te dragen dan te voren.
Het was hard geweest—moge niemand anders dan Florence ooit weten hoe hard—dat de natuurlijke genegenheid van een vurig en oprecht gemoed in de zielsangst moest verkeerd worden, en minachting of barsche terugstooting voor teedere bescherming en zorg in de plaats moest treden. Het was hard geweest eenzaam te moeten gevoelen wat zij gevoeld had; maar nog veel harder was het of aan haar vader of aan Edith te moeten twijfelen, die haar beide zoo dierbaar waren, en aan hare liefde voor beiden te gelijk beurtelings met vrees, wantrouwen en verwondering te moeten denken.
Evenwel begon Florence dit nu te doen; en dit was eene taak welke haar door hare reinheid van ziel werd opgelegd, als iets waaraan zij zich niet kon onttrekken. Zij zag haar vader koel en stroef voor Edith, evenals voor haar; onverzettelijk en onbuigzaam. Kon het zijn, vroeg zij zich met opwellende tranen, dat hare eigene lieve moeder door zulk eene behandeling ongelukkig was geworden, en daarom weggekwijnd en gestorven was? Dan bedacht zij weder hoe trotsch en statelijk Edith voor iedereen was, behalve voor haar, met welk eene minachting zij hem behandelde, hoe ver zij zich van hem verwijderd hield, en wat zij zeide op den avond toen zij thuis kwam; en dan kwam het Florence plotseling bijna als eene misdaad voor, dat zij iemand lief had, die zich vijandig tegenover haar vader plaatste, en dat haar vader dit wist, en in zijne eenzame kamer aan haar denken moest als het onnatuurlijke kind, dat dit misdrijf nog voegde bij hare oude zoozeer beschreide schuld, dat zij van hare geboorte af nooit zijne vaderlijke genegenheid had gewonnen. Het eerste vriendelijke woord, de eerste vriendelijke blik van Edith deed deze gedachten wederom wankelen en naar zwarte ondankbaarheid gelijken; want wie dan zij had het verslagen hart van Florence opgebeurd, toen het zoo eenzaam en diep gekwetst was, en wie was hare beste troosteres geweest? Zoo had Florence, terwijl haar teeder hart naar beiden smachtte, beider ellende beklaagde, en twijfelde of zij jegens beiden wel haar plicht vervulde, meer te lijden dan toen zij haar onverdeeld geheim in het akelige stille huis bewaarde, en hare nieuwe schoone mama haar nog nooit voor de oogen was gekomen.
Voor een uitstekend ongeluk, dat dit alles nog ver zou hebben overtroffen, bleef Florence bewaard. Zij had nooit het geringste vermoeden dat Edith, door hare teederheid voor haar, haar vader nog meer van zich verwijderde en hem nieuwe reden tot ongenoegen gaf. Indien Florence het mogelijk had geacht dat zulk eene oorzaak zulk eene werking zou voortbrengen, hoe groot zou dan hare smart zijn geweest, welke opofferingen zou het liefdevolle meisje niet gepoogd hebben te brengen, hoe snel en zeker zou misschien daaronder haar overgang zijn geweest tot dien hooger Vader, die de liefde zijner kinderen niet verwerpt, en hun zwaar beproefd en gebroken hart niet veracht! Maar het was anders, en dit was een geluk.
Geen woord werd thans ooit tusschen Florence en Edith over deze onderwerpen gewisseld. Edith had gezegd dat er in dat opzicht eene stilte als die van het graf tusschen haar behoorde te zijn, en Florence gevoelde dat zij gelijk had.
In dezen staat van zaken werd haar vader, lijdend en hulpbehoevend, thuis gebracht, en bleef hij in sombere afzondering in zijne kamers, waar hij door dienstboden werd opgepast, zonder dat Edith hem nabijkwam, en met geen ander vriend of gezelschap dan Carker, die tegen middernacht heenging.
“En een mooi gezelschap is hij, jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper. “O, hij is een lievertje! Als hij ooit getuigen noodig heeft, laat hij dan maar bij mij komen, dat is al wat ik zeg.”—“Stil toch, lieve Suze!” zeide Florence dringend.—“O, men kan heel goed “stil toch” zeggen, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, zeer verstoord, “maar wezenlijk, neem mij niet kwalijk, het loopt zóó erg dat al het bloed in iemands lijf in spelden en naalden verandert, met de punten naar alle kanten. Versta mij niet verkeerd, jufvrouw Flore, ik meen niets tegen uwe stiefmama, die mij altijd behandeld heeft gelijk eene dame behoort, schoon ze wel een beetje uit de hoogte is, moet ik zeggen. Niet dat ik recht heb om daarop iets aan te merken, maar als wij aan zulke mevrouwen Pipchin komen, en dat die boven ons gezet worden, en de wacht houden bij uw papa’s deur als krokodillen (wij mogen maar dankbaar zijn dat zij geen eieren leggen), dan is het om razend te worden!”
“Papa heeft goede gedachten van mevrouw Pipchin,” zeide Florence, “en het staat hem immers vrij eene huishoudster te kiezen. Houd u dus maar stil.”—“Wel, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, “ik wil dan alleen maar zeggen dat die mevrouw Pipchin mij smaakt als onrijpe aalbessen zouden doen, anders niet.”
Suze was op dien avond, den avond waarop Dombey thuis werd gebracht, zoo buitengemeen misnoegd, omdat zij, door Florence naar beneden gezonden om naar hem te vragen, hare boodschap aan hare doodvijandin, mevrouw Pipchin, had moeten doen; die, zonder daarmede naar Dombey te gaan, zich onderstaan had om op hare eigene verantwoording een snibbig antwoord te geven. Dit verkoos Suze voor eene groote aanmatiging en eene onvergeeflijke beleediging van hare jonge jufvrouw te houden, en in zooverre had hare gemoedsstemming van dien avond iets bijzonders. Doch zij was reeds sedert het huwelijk veel wantrouwiger en achterdochtiger geworden; want gelijk de meeste menschen van haar karakter, die eene sterke en oprechte gehechtheid opvatten voor iemand van den verschillenden stand, dien Florence bekleedde, was Suze zeer jaloersch, en keerde hare jaloezie zich natuurlijk tegen Edith, die tusschen haar en hare meesteres kwam. Hoe trotsch en verheugd Suze Nipper ook werkelijk was, dat die jeugdige meesteres tot de haar voegende plaats werd bevorderd, in het huis waar zij zoolang verwaarloosd was geworden, en de mooie vrouw van haar vader tot gezellin en beschermster kreeg, kon zij toch geen gedeelte harer oude heerschappij afstaan, zonder eene wreveligheid te gevoelen, waarvoor zij niet miste eene rechtvaardiging te vinden in haar vlug begrip van het trotsche en hartstochtelijke dier dame. Van den achtergrond, waarheen zij sedert het huwelijk noodwendig eenigszins was gedrongen, nam Suze den loop der huiselijke zaken waar, met eene vaste overtuiging dat er van mevrouw Dombey weinig goeds zou komen, maar toch zeer zorgvuldig, om bij alle mogelijke gelegenheden te betuigen, dat zij niets op haar te zeggen had.
“Suze,” zeide Florence, die peinzend bij de tafel zat, “het is al heel laat. Ik zal van avond niets meer noodig hebben.”—“Och, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, “hoe wenschte ik dat het nog de oude tijd was toen ik uren later dan het nu is bij u opzat, en van vermoeidheid in slaap viel, terwijl gij nog klaar wakker waart; maar gij hebt nu eene stiefmama om bij u te komen zitten, jufvrouw Flore, en daar ben ik waarlijk dankbaar voor. Ik heb daar geen woord op te zeggen.”—“Ik zal nooit vergeten, wie mijn gezelschap was, toen ik geen ander had, Suze,” zeide Florence vriendelijk, “nooit!” En opziende, sloeg zij haar arm om den hals harer nederige vriendin, gaf haar een kus en wenschte haar goedennacht, hetgeen Suze’s hart zoo week maakte, dat zij aan het snikken ging.—“Lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “laat ik nu nog eens naar beneden gaan en zien hoe het met uw papa is. Ik weet dat gij angstig over hem zijt; laat ik maar eens naar beneden gaan en zelf aan zijne deur kloppen.”—“Neen,” zeide Florence, “ga maar naar bed. Wij zullen morgen wel meer hooren. Ik zal morgenochtend zelve gaan vragen. Mama zal zeker wel beneden zijn geweest;” Florence bloosde, want zij durfde dit niet hopen; “of is daar nu misschien. Goedennacht.”
Suze was te weekhartig geworden, om hare bijzondere meening te kennen te geven over de waarschijnlijkheid dat mevrouw Dombey zich bij haar echtgenoot zou bevinden, en ging stil heen. Florence, alleen gelaten, verborg haar gezichtje in hare handen, gelijk zij in andere dagen zoo dikwijls had gedaan, en liet de tranen vrij over hare wangen rollen. Het jammerlijke van dit huiselijk ongenoegen; de geringe hoop, die zij nu koesterde, als het nog hoop genoemd kon worden, om ooit aan haar vaders hart te worden gesloten; haar twijfel en hare vrees tusschen die twee; het smachten van haar onschuldig hart naar beiden; de bittere teleurstelling van zulk een afloop, bij datgene vergeleken, dat haar zooveel goeds had schijnen te beloven—dat alles overkropte haar gemoed en deed hare tranen stroomen. Hare moeder en haar broeder dood, haar vader haar altijd even vreemd, Edith vijandig tegenover hem, maar vol liefde voor haar en door haar bemind, zoo scheen het alsof hare genegenheid, waar zij die ook vestigde, nooit zegen kon hebben. Dit dwaze denkbeeld werd spoedig gesmoord; maar de gedachten, waaruit het ontstaan was, waren al te gegrond om te gelijk verwijderd te worden en deden haar een droevigen nacht slijten.
Onder dat gepeins rees, gelijk het den geheelen dag had gedaan, het beeld van haar vader voor haar op, gewond en in pijn, alleen in zijne kamer, zonder oppassing van diegenen, die hem het naast hadden moeten zijn, en de slepende uren in eenzaam lijden slijtende. Eene schrikbarende gedachte, die haar de handen deed samenslaan—hoewel zij niet nieuw voor haar was—dat hij sterven kon, zonder haar te zien of haar naam uit te spreken, deed haar sidderen. In hare gemoedsbeweging dacht zij er aan, en beefde bij die gedachte, om nog eens naar beneden te sluipen en zich bij zijne deur te wagen.
Zij luisterde aan hare kamerdeur. Het was stil in huis, en alle lichten schenen uit. Het was lang, lang geleden, dacht zij, sedert zij nachtelijke bedevaarten naar zijne deur placht te doen! Het was lang geleden, poogde zij te denken, sedert zij te middernacht in zijne kamer was gekomen, en hij haar naar de trap had teruggebracht!
Met hetzelfde kinderlijke hart in de borst, zelfs met dezelfde lieve bedeesde oogen en krullende lokken van een kind, sloop Florence, haar vader even vreemd in haar maagdelijken bloei, als toen zij nog de kinderkamer bewoonde, de trap af naar zijne kamer. Zij luisterde onderweg, maar niemand bewoog zich in huis. De deur stond half open, om lucht in te laten; en in de kamer was het zoo stil, dat zij het branden van het vuur kon hooren, en het tikken der pendule tellen, die op den schoorsteenmantel stond.
Zij keek binnen. In de eerste kamer zat de huishoudster, in eene deken gewikkeld, op een leuningstoel voor het vuur te slapen. De deuren tusschen deze kamer en de volgende, waren half toe en er stond een scherm voor; maar daarachter was licht, en dit bescheen den hemel van zijn ledikant. Alles was zoo stil, dat zij aan zijne ademhaling kon hooren dat hij sliep. Dit gaf haar moed om om het scherm heen te gaan en in zijne kamer te kijken.
Toen zij zijn slapend gezicht zag, schrikte zij zoodanig, alsof zij niet verwacht had het te zien. Florence bleef als vastgeworteld staan, en als hij toen was wakker geworden, had zij zoo moeten blijven staan.
Er was een zwachtel over zijn voorhoofd, en men had zijne haren natgemaakt, die verward over zijn kussen lagen. Een van zijne armen, die buiten het bed lag, was verbonden, en hij zag zeer bleek. Maar dit was het niet, dat, na den eersten snellen blik, die haar verzekerde dat hij gerust lag te slapen, Florence aan de plek hield vastgeworteld. Het was iets geheel anders, dat hem in hare oogen zulk een plechtig voorkomen gaf.
Zij had nog nooit in haar leven zijn gelaat gezien, of het had—of zij verbeeldde het zich—zekere onrustige bewustheid van haar getoond. Zij had nooit in haar leven zijn gelaat gezien, of de hoop was in haar hart bezweken, en haar beschroomde blik was voor zijne stugge, terugstootende koelheid neergeslagen. Toen zij het nu aanschouwde, zag zij het voor de eerste maal vrij van de wolk, die hare kindsheid had verdonkerd. In plaats daarvan heerschte er een kalme, vreedzame nacht. Zij zag niet anders, of hij kon wel haar zegenende in slaap zijn gevallen.
Ontwaak, onnatuurlijke vader! Ontwaak nu, hardvochtige man! De tijd vliegt voorbij; het uur nadert met toornigen tred. Ontwaak!
Er kwam geene verandering op zijn gelaat, en terwijl zij het met angst beschouwde, herinnerde haar de roerlooze rust daarvan aan de gezichten, die zij niet meer kon wederzien. Zoo zagen zij er uit, zoo zou hij ook doen; zoo zou ook zij, zijn schreiend kind, wie kon zeggen wanneer!—zoo zou de geheele wereld van liefde, haat en onverschilligheid om hen heen! Wanneer die tijd zou komen, zou die niet zwaarder voor hem worden, door hetgeen zij wilde doen; en voor haar zou hij misschien eenigszins lichter zijn.
Zij sloop dicht bij het bed, hield haar adem in, bukte, drukte hem zacht een kus op de wang, legde haar hoofd voor een kort oogenblik naast het zijne, en sloeg den arm, waarmede zij hem niet durfde aanraken, om hem heen over het kussen.
Ontwaak, rampzalige man, terwijl zij nabij u is! De tijd vliegt voorbij; het uur nadert met toornigen tred; het heeft zijn voet reeds in huis. Ontwaak!
In haar gemoed bad zij God om haar vader te zegenen, en hem voor haar te verzachten, als het zoo zijn mocht; en zoo niet, om hem te vergeven, als hij niet wel deed, en haar haar gebed te vergeven, dat bijna eene goddeloosheid scheen te zijn. En zoodoende, en met schemerende oogen naar hem omziende, en angstig heensluipende, ging zij die kamer uit en de andere door, en was weg.
Nu mag hij slapen—slapen, terwijl hij nog slapen kan. Maar als hij ontwaakt, laat hij dan zoeken naar die tengere gedaante, en haar nabij hem vinden wanneer het uur komt!
Droevig was Florence’s hart terwijl zij langzaam weder naar boven ging. Het stille huis was, sedert zij naar beneden kwam, veel akeliger geworden. De slaap, die zij in het holle van den nacht had aanschouwd, had voor haar het plechtige van dood en leven te gelijk. Het heimelijke en stille van haar bedrijf maakte den nacht geheimzinnig, stil en drukkend. Zij was ongezind, bijna buiten staat om weder naar hare eigene kamer te gaan, en de receptiezalen ingaande, waar de bewolkte maan tusschen de gordijnen doorscheen, zag zij naar buiten in de ledige straten.
De wind huilde akelig. De gasvlammen schenen bleek en beefden alsof zij koud waren. Er was in de verte eene schemering van iets, dat bijna geen licht mocht heeten, in de lucht; de nacht, vol voorgevoel, was rusteloos, huiverig, gelijk stervenden die een rustig einde hebben. Florence herinnerde zich hoe zij wel meer, als waakster bij een ziekbed, op dien naargeestigen tijd had gelet, en den invloed daarvan gevoeld, alsof zij er eene verborgene natuurlijke antipathie tegen had; en nu was het zeer, zeer somber.
Hare mama was dien avond niet bij haar in de kamer gekomen, hetgeen een van de redenen was waarom zij zoolang was opgebleven. In hare onbestemde ongerustheid, niet minder dan uit verlangen om iemand te hebben met wien zij kon spreken, om zoo die tooverkracht van duisternis en stilte te verbreken, richtte Florence hare schreden naar de kamer waar zij sliep.
De deur was van binnen niet gesloten, en week gemakkelijk voor de schroomvallige hand. Zij was verwonderd nog licht te vinden branden; nog meer verwonderd toen zij zag, dat hare mama, slechts gedeeltelijk ontkleed, bij de asch van een uitgebrand vuur zat. Hare oogen staarden strak in de lucht, en in hun glans, in hare trekken en in de kracht waarmede zij de armleuningen van haar stoel greep, alsof zij zoo wilde opspringen, zag Florence zulk eene woeste gemoedsbeweging dat zij er van schrikte.
“Mama!” riep zij. “Wat scheelt u?”
Edith zag ontsteld naar haar om, en zag haar aan met zulk een vreemden angst op het gelaat, dat Florence nog meer schrikte dan te voren.
“Mama!” zeide zij, haastig naderkomende. “Lieve mama, wat scheelt er aan?”—“Ik ben niet wel geweest,” zeide Edith, huiverende en haar nog even vreemd aanziende. “Ik heb slechte droomen gehad, liefje.”—“En toch nog niet naar bed geweest, mama?”—“Neen,” was het antwoord. “Half wakende droomen.”
Hare trekken ontspanden zich langzamerhand, en zij liet Florence toe om haar in hare armen te sluiten. “Maar wat doet mijn liefje hier!” zeide zij eindelijk.—“Ik ben ongerust geweest, mama, omdat ik u van avond niet zag, en niet wist hoe het met papa was; en ik...”
Hier bleef Florence steken en sprak niet verder.
“Is het laat?” zeide Edith, teeder de krullen wegstrijkende, die zich met hare eigene zwarte lokken vermengden.—“Al heel laat. Haast weer dag.”—“Haast dag!” herhaalde zij verwonderd.—“Lieve mama, wat hebt gij met uwe hand gedaan?” zeide Florence.
Edith trok die eensklaps weg, en zag haar voor een oogenblik aan met denzelfden vreemden angst, alsof zij op het punt was om de vlucht voor haar te nemen; maar weldra zeide zij: “Niets, niets. Gestooten.” En toen zeide zij: “Mijne Florence!” en begon hare borst te zwoegen en schreide zij heftig.
“Mama!” zeide Florence. “O mama, wat kan ik doen, wat moet ik doen om te maken dat wij gelukkiger worden. Is er iets?”—“Niets,” antwoordde zij.—“Weet gij dat zeker? Kan het nooit wezen? Als ik nu spreek van wat ik in mijne gedachten heb, hoewel wij anders hebben afgesproken, zult gij het mij toch niet kwalijk nemen, niet waar?” zeide Florence.—“Het is nutteloos,” antwoordde zij, “nutteloos. Ik heb u gezegd, liefje, dat ik slechte droomen heb gehad. Niets kan ze veranderen, of verhinderen dat zij terugkomen.”—“Ik begrijp u niet,” zeide Florence, haar ontroerd gezicht aanziende, dat hoe langer hoe donkerder scheen te worden.—“Ik heb gedroomd,” zeide Edith met eene doffe stem, “van een trots, die tot alle goed machteloos, tot alle kwaad machtig is; van een trots, die door vele jaren van schande heen gekwetst en gestoken is geworden, en zelf nooit iemand heeft gedeerd behalve zich zelven; van een trots die zijne eigenares heeft vernederd door de bewustheid van diepe beschaming, en haar nooit heeft geholpen om zich stoutmoedig daartegen te verzetten of ze te vermijden, of om te zeggen: “Dat zal zoo niet zijn!” een trots die, behoorlijk bestuurd, misschien tot betere dingen had kunnen leiden, maar die, zoo slecht bestuurd en misbruikt, gelijk al het andere wat zijne bezitster toekwam, slechts tot zelfverachting, verharding en verderf heeft gevoerd.”
Zij zag Florence nu niet meer aan en sprak ook niet tot haar, maar vervolgde alsof zij alleen was.
“Ik heb gedroomd,” zeide zij, “van zulk eene onverschilligheid en verhardheid, uit deze zelfverachting geboren—uit dien ellendigen, machteloozen, rampzaligen trots—dat hij zelfs met roekelooze schreden naar het altaar is gegaan, gehoorzaam aan den ouden, bekenden, wenkenden vinger—o moeder, moeder—hoewel hij dien wenk verachtte, omdat hij liever zich zelven voor eens en altijd hatelijk wilde worden, dan dagelijks door iets nieuws gekwetst worden. Laag, ellendig wezen!”
En nu had haar gelaat dezelfde hartstochtelijke uitdrukking als toen Florence binnenkwam.
“Ik heb gedroomd,” zeide zij, “dat die trots, kort geleden, bij eene poging om een doel te bereiken, door een verachtelijken voet vertrapt is, maar tegen dien voet opstaat. Ik heb gedroomd dat hij door honden gejaagd en vervolgd wordt, maar dat hij stand houdt en niet zwichten wil—neen, dat hij niet kan al wilde hij—maar genoodzaakt is, om hem te haten, zich tegen hem om te keeren en hem te tarten!”
Hare handen klemden zich om den bevenden arm, dien zij gevat had, en toen zij op het verschrikte en verwonderde gezichtje neerzag, werd het hare kalmer. “O Florence,” zeide zij, “ik geloof dat ik van avond bijna razend ben geweest!” en toen liet zij het trotsche hoofd aan haar hals zinken en schreide wederom.
“Verlaat mij niet! Blijf bij mij! Ik heb geen hoop dan in u!” Deze woorden herhaalde zij wel twintigmaal.
Weldra werd zij kalmer, en kreeg medelijden met Florence’s tranen, en beklaagde haar dat zij op zulk een ontijdig uur nog op was. En daar de dag nu aanbrak, sloot Edith haar in hare armen, en legde haar op haar bed, en bleef, zonder zelve te gaan liggen, bij haar zitten, en drong haar dat zij zou beproeven om wat te slapen.
“Want ge zijt moe, liefje, bedroefd en ongelukkig, en moet rust hebben.”—“Zeker ben ik bedroefd van nacht, lieve mama, en ongelukkig,” zeide Florence, “maar gij zijt ook moe en ongelukkig.”—“Niet als gij zoo dicht bij mij ligt te slapen, lieve.”
Zij kusten elkander, en Florence, afgemat, viel langzamerhand in eene zachte sluimering; maar toen zij hare oogen sloot voor het gezicht naast haar, was het zoo treurig aan het gezicht beneden te denken, dat zij hare hand dichter naar Edith schoof als om troost te zoeken; maar zoodoende, aarzelde zij weder, uit vrees dat zij hem daardoor zou verlaten. Zoo poogde zij in haar slaap die twee te verzoenen en te toonen dat zij hen beiden liefhad; maar dit kon zij niet doen, en hare wakende smart was een deel van hare droomen.
Edith, die bij haar zat, zag naar de donkere wimpers, die vochtig op de gloeiende wangen lagen, en bleef met teeder medelijden turen, want zij wist de waarheid. Maar geen slaap bezwaarde hare eigene oogen. Toen de dag aankwam, zat zij nog te waken met dat zachte handje in de hare, en somtijds fluisterde zij, dat stille gezichtje aanziende: “Blijf bij mij, Florence. Ik heb geen hoop dan in u!”
XLIV. EENE SCHEIDING
Met den dag, hoewel niet zoo vroeg als de zon, stond Suze Nipper op. Er hing een nevel voor de buitengemeen scherpe zwarte oogen dezer jonge maagd, die het schitteren daarvan eenigszins verflauwde, en aan de mogelijkheid deed denken—hetgeen anders hunne uitdrukking niet was—dat zij somtijds gesloten werden. Zij hadden ook iets gezwollens, alsof zij in den nacht geschreid had. Maar wel verre van terneergeslagen te zijn, was Suze buitengewoon frisch en levendig en scheen zij al hare vermogens bijeengezameld en ingespannen te hebben om iets gewichtigs en moeielijks te doen. Dit was zelfs aan hare kleeding te zien, die nog netter zat en strakker spande dan gewoonlijk, en aan de manier waarop zij nu en dan haar hoofd schudde, terwijl zij door het huis ging, en waarmede zij eene buitengemeene vastberadenheid uitdrukte.
Kortom, zij had een besluit genomen, en wel een stout besluit, daar het niets minder was dan—om in Dombey’s kamer door te dringen en dien heer eens alleen te spreken. “Ik heb dikwijls gezegd dat ik zou,” zeide zij dien morgen dreigend bij zich zelve, “en nu wil ik!”
Zich zelve met eigenaardige scherpheid aansporende ter uitvoering dezer wanhopige onderneming, bleef Suze den geheelen voormiddag in het voorhuis en op de trap dwalen, zonder eene gunstige gelegenheid te vinden om storm te loopen. Geenszins ontmoedigd door deze teleurstelling, die haar integendeel nog meer aanprikkelde, liet zij hare waakzaamheid niet verflauwen: en zoo ontdekte zij eindelijk tegen den avond, dat hare gezworen vijandin, mevrouw Pipchin, onder voorwendsel van den geheelen nacht te hebben opgezeten, in haar eigen kamer een dutje was gaan doen, en dat Dombey geheel alleen op zijne sofa lag.
Haar hoofd niet alleen, maar bijna zich zelve geheel en al in den nek werpende, ging Suze op de teenen naar de deur van Dombey’s kamer en klopte. “Binnen!” zeide Dombey. Zich zelve met nog eene stuipachtige beweging van haar hoofd aanmoedigende, trad Suze binnen.
Dombey, die naar het vuur lag te turen, keek verwonderd om en hief zich eenigszins op zijn elleboog op. Suze neeg.
“Wat moet gij hier?” zeide Dombey.—“Als ’t u belieft, mijnheer, ik wenschte u eens te spreken,” antwoordde Suze.
Dombey bewoog zijne lippen alsof hij deze woorden herhaalde, maar scheen zoodanig verbaasd over de stoutmoedigheid van het meisje, dat hij ze niet kon uitspreken.
“Ik ben nu twaalf jaar in uw dienst geweest, mijnheer,” zeide Suze, met hare gewone radheid van tong, “om jufvrouw Flore, mijne lieve jonge jufvrouw, te bedienen, die nog niet duidelijk spreken kon toen ik pas kwam, en ik was al oud in huis toen jufvrouw Richards er nog nieuw in was, ik mag dus geen Methusalem zijn, maar ik ben toch geen bakerkindje.”
Dombey, die haar op zijn arm leunende aanzag, scheen deze voorloopige uiteenzetting van feiten niet te kunnen tegenspreken.
“Er is nooit liever of engelachtiger jonge jufvrouw geweest, mijnheer, dan mijne jonge jufvrouw is,” zeide Suze, “en dat moet ik veel beter weten dan sommige anderen, want ik heb haar in droefheid gezien, en ik heb haar in blijdschap gezien (daarvan heeft zij niet veel gehad), en ik heb haar met haar broertje gezien, en ik heb haar in hare eenzaamheid gezien, en sommige anderen hebben haar nooit gezien, en ik zeg die sommigen en iedereen—dat doe ik,” hier schudde de zwartoogige haar hoofd en stampte zij even met haar voet, “dat zij de beste en liefste engel is, jufvrouw Flore, die ooit op de wereld heeft ademgehaald, en hoe meer ik in stukken gescheurd werd, mijnheer, zooveel te meer zou ik dat zeggen, al mag ik geen martelares uit het martelaarsboek wezen.”
Dombey werd van verontwaardiging en verbazing nog bleeker dan zijn val hem had doen worden, en hield zijne oogen op de spreekster gevestigd alsof hij ze beschuldigde, en zijne ooren insgelijks, van hem te bedriegen.
“Niemand zou anders dan trouw aan jufvrouw Flore kunnen zijn, mijnheer,” vervolgde Suze, “en ik stel geene verdienste in mijn dienst van twaalf jaren, want ik heb haar lief—ja, dat zeg ik tegen sommigen en iedereen, dat doe ik”—hier schudde de zwartoogige wederom haar hoofd, en stampte weder even met haar voet, en smoorde een snik, “maar trouwe dienst geeft mij recht om te spreken, hoop ik, en ik moet en zal nu spreken, recht of niet.”—“Wat meent gij, meid?” zeide Dombey, haar woedend aanziende. “Hoe durft gij?”—“Wat ik meen, mijnheer, is ordentelijk en fatsoenlijk tegen u te spreken, maar ronduit, en hoe ik durf weet ik niet, maar ik doe het toch,” zeide Suze. “O, gij kent mijne jonge jufvrouw niet, mijnheer, dat doet gij waarlijk niet; als gij dat deedt zoudt gij haar niet zoo weinig zien.”
Dombey stak woedend zijne hand uit naar de schel, maar er was geen schelkoord aan dien kant van den schoorsteen; en hij kon niet zonder hulp opstaan en naar den anderen kant gaan. Het vlugge oog van Suze zag dadelijk hoe weerloos hij was, en toen gevoelde zij, gelijk zij naderhand zeide, dat zij hem beethad.
“Jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “is de liefderijkste, en de geduldigste, en de gehoorzaamste, en de mooiste van alle dochters, mijnheer, er is geen gentleman, neen mijnheer, al is hij zoo groot en rijk als al de grootheid en rijkdom van Engeland bij elkander, of hij zou en moest trotsch op haar wezen. Als hij hare waarde wel kende, zou hij zijne grootheid en rijkdom liever stuk voor stuk willen verliezen en in vodden langs de deuren loopen bedelen, dat zeg ik sommigen en iedereen, dat zou hij,” riep Suze, in tranen uitbarstende, “dan dat teere hartje zooveel verdriet geven als ik het in dit huis heb zien lijden!”—“Meid,” riep Dombey, “ga de kamer uit!”—“Neem mij niet kwalijk, dat doe ik niet, al moest ik den dienst uit, mijnheer,” antwoordde de standvastige Suze, “waarin ik zooveel jaren geweest ben en zooveel gezien heb—schoon ik hoop dat gij nooit het hart zult hebben om mij om zulk eene reden van jufvrouw Flore weg te zenden. Ik zal niet gaan voor ik heb uitgesproken. Ik mag geene Indiaansche weduwe zijn, en dat ben ik niet en zou ik ook niet willen worden, maar als ik mij eens had voorgenomen om mij zelve levend te verbranden, dan zou ik het ook doen. En ik heb mij nu voorgenomen om alles te zeggen.”
Suze’s gezicht maakte dit niet minder duidelijk dan hare woorden.
“Er is niemand hier in dienst, mijnheer,” vervolgde zij, “die altijd banger voor u geweest is dan ik, en gij kunt denken hoe waar dat is, als ik zoo vrij ben om u te zeggen dat ik er honderden malen aan gedacht heb om u aan te spreken, en er nooit toe heb kunnen besluiten voor gisteravond; maar gisteravond heeft mij tot een besluit gebracht.”
Dombey greep, in eene vlaag van woede, nog eens naar de schelkoord die daar niet hing, en ze niet vindende, trok hij aan zijne haren, liever dan aan niets te trekken.
“Ik heb jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “toen zij nog maar een kind was, zooveel zien doen, en zoo lief en geduldig wezen, dat de beste vrouw van haar had mogen leeren; ik heb haar nachten achtereen den halven nacht zien opzitten om haar zwakkelijk broertje aan zijn leeren te helpen; ik heb haar hem op een ander tijd zien helpen en oppassen—sommigen weten wel wanneer;—ik heb haar, zonder hulp of aanmoediging, eene volwassene dame zien worden, God dank, die het sieraad en de roem van ieder gezelschap is waarin zij komt, en ik heb haar altijd grievend verwaarloosd gezien, en haar dat diep zien gevoelen—ik zeg sommigen en iedereen, dat heb ik—en nooit een woord gesproken; maar om zich nederig en eerbiedig voor zijne meerderen te gedragen, behoeft men toch geen aanbidster van gesneden beelden te zijn, en nu wil en moet ik spreken.”—“Is daar niemand?” riep Dombey. “Waar zijn de knechts! Waar zijn de meiden! Is daar niemand?”—“Ik heb mijne lieve jonge jufvrouw verleden nacht buiten haar bed gelaten,” zeide Suze, hierdoor niet gestuit, “en ik wist wel waarom zij daaruit bleef, want gij waart ziek, mijnheer, en zij wist niet hoe ziek, en dat was genoeg om haar zoo ongerust te maken als ik gezien heb dat zij was—ik mag geen valk wezen, maar ik heb toch oogen—en toen bleef ik in mijn kamertje nog wat opzitten, denkende dat ze mij misschien kon noodig hebben, en toen zag ik haar naar beneden sluipen en naar deze deur gaan, alsof het een misdrijf was naar haar eigen papa te gaan zien, en toen weer wegsluipen en naar de ledige staatsiekamers gaan, zoo schreiende, dat ik het haast niet kon aanhooren. En ik kan het niet aanhooren,” zeide Suze, hare zwarte oogen afvegende en ze onverschrokken op Dombey’s toornig gezicht vestigende. “Het is de eerste maal niet dat ik het gehoord heb, op verre na niet; en gij kent uwe eigene dochter niet, mijnheer, en gij weet niet wat gij doet, mijnheer, en ik zeg sommigen en iedereen,” riep Suze, met eene laatste uitbarsting, “dat het zonde en schande is!”—“Wel, heb ik ooit van mijn leven!” riep de stem van mevrouw Pipchin, terwijl dat slachtoffer der mijnen van Peru de kamer inkwam. “Wie is dat hier?”
Suze begunstigde mevrouw Pipchin met een blik, dien zij opzettelijk voor haar had uitgevonden, toen zij pas met elkander in kennis kwamen, en liet het antwoord aan Dombey over.
“Wat dat is?” herhaalde Dombey, bijna schuimbekkend. “Wat dat is, mevrouw? Gij, die aan het hoofd van dit huishouden staat en verplicht zijt het in orde te houden, moogt wel zoo vragen. Kent gij die meid?”—“Ik weet heel weinig goeds van haar, mijnheer,” krijschte mevrouw Pipchin. “Hoe durft gij hier komen, gij onbeschaamde prij? Maak dat gij wegkomt!”
Maar de onverschrokkene Suze vereerde mevrouw Pipchin slechts met nog een blik en bleef staan.
“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken! Een gentleman—in zijn eigen huis—in zijne eigene kamer—met de impertinentie van meiden lastig gevallen!”—“Wel, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met wraak in hare harde grijze oogen, “het spijt mij zeer; niets kan ongeregelder wezen; niets kan meer alle perken te buiten gaan; maar het spijt mij te moeten zeggen, mijnheer, dat dit meisje geheel niet te regeeren is. Zij is door jonge jufvrouw Dombey bedorven, en geeft om niemand. Gij weet wel dat gij dat niet doet,” zeide mevrouw Pipchin scherp en schudde haar hoofd tegen Suze. “Gij moest u doodschamen. Maak nu dat gij wegkomt!”—“Als gij menschen bij mij in dienst vindt, die niet te regeeren zijn, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich weder naar het vuur keerende, “weet gij wel hoe met hen te handelen, vermeen ik. Gij weet wel waarvoor gij hier zijt? Laat zij heengaan.”—“Ik weet wel wat ik doen moet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en het spreekt van zelf dat ik dat ook doen zal. Suze Nipper,” bijzonder kort afgebeten, “over eene maand, van dit uur af, is u de huur opgezegd.”—“Zoo waarlijk!” zeide Suze fier.—“Ja,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en lach niet tegen mij, gij caronje, of gij zult mij moeten zeggen waarom. Maak nu dadelijk dat gij wegkomt.”—“Ik denk dadelijk heen te gaan, daar kunt gij op aan,” zeide Suze. “Ik heb hier in huis twaalf jaren lang mijne jonge juffer bediend, en ik zal er geen uur lang in blijven, als iemand, die zulk een naam draagt als Pipchin, mij op den schopstoel kan zetten, mevrouw P.”—“Hoe eer hoe beter, als wij u maar kwijt zijn,” zeide de toornige oude dame. “Maak dat gij wegkomt, of ik zal u laten wegbrengen.”—“Mijn troost is,” zeide Suze, weder naar Dombey omziende, “dat ik u vandaag eenige waarheden heb gezegd, die gij al lang hadt moeten hooren, en dat geene Pipchins’en, al waren er nog zooveel—maar ik hoop dat er niet veel zijn, (hier beet mevrouw Pipchin haar een scherp “maak dat ge wegkomt” toe en gaf Suze haar nog een blik) ongezegd kunnen maken, wat ik gezegd heb, al zeiden zij mij honderd duizendmaal de huur op en al stierven zij dan van vermoeidheid, dat een geluk zou zijn om in de kerk voor te laten danken.”
Met deze woorden ging Suze hare vijandin vooruit de kamer uit; en nadat zij in groote staatsie, zoodat mevrouw Pipchin bijna van kwaadheid stikte, naar hare kamer was gegaan, zette zij zich op een koffer en ging aan het schreien.
Uit deze weemoedige stemming werd zij weldra zeer verfrisschend en krachtdadig opgewekt, door de stem van mevrouw Pipchin buiten de deur.
“Is die onbeschaamde slet,” zeide de vergramde matrone, “voornemens om op haar tijd te vertrekken of niet?”
Suze antwoordde van binnen, dat de beschreven persoon niet in dat gedeelte van het huis woonde, maar dat zij Pipchin heette en in de huishoudsterskamer te vinden was.
“Gij impertinente caronje,” antwoordde mevrouw Pipchin, aan de kruk van de deur rammelende. “Maak dadelijk dat gij wegkomt. Pak oogenblikkelijk uw goed! Hoe durft gij zoo spreken tegen eene vrouw van fatsoen, die betere dagen gezien heeft?”
Suze antwoordde daarop uit haar kasteel, dat zij de betere dagen beklaagde, die mevrouw Pipchin gezien had, en dat naar hare gedachten de slechtste dagen van het jaar die dame best zouden voegen, behalve dat zij nog veel te goed voor haar waren.
“Maar gij behoeft u de moeite niet te geven om leven aan mijne deur te maken, of het sleutelgat met uw oog te bevuilen,” zeide Suze, “en ik ben al aan het oppakken en ik ga heen, daar kunt gij op aan.”
De douairière gaf haar levendig genoegen over dit bericht te kennen, en ging met nog eenige schimpschoten heen, om Suze’s geld af te passen. Daarop ging Suze aan het werk om hare koffers te pakken, ten einde dadelijk en deftig te kunnen vertrekken, daaronder gedurig snikkende, als zij aan Florence dacht.
Het duurde niet lang of de oorzaak harer tranen kwam naar haar toe; want spoedig verspreidde zich het nieuws door het huis, dat Suze Nipper ongenoegen met mevrouw Pipchin had gehad, dat beiden zich op mijnheer Dombey hadden beroepen, dat het in mijnheer Dombey’s kamer ongehoord was toegegaan, en dat Suze vertrok. Het laatste gedeelte van dit verwarde gerucht vond Florence zoo overeenkomstig met de waarheid, dat Suze reeds haar laatsten koffer had gesloten, en met haar hoed op daarop was gaan zitten, toen zij in hare kamer kwam.
“Suze!” riep Florence. “Mij gaan verlaten! Gij!”—“O, wat ik u bidden mag, jufvrouw Flore,” zeide Suze, “spreek toch geen woord tegen mij, of ik kan mij niet goedhouden voor die Pipchin; ik wou voor de geheele wereld niet dat zij mij zag huilen.”—“Suze!” zeide Florence. “Mijne lieve meid, mijne oude vriendin! Wat zal ik zonder u doen! Hebt gij het hart om zoo heen te gaan!”—“Nee—een, mijne lieve jufvrouw Flore, dat heb ik waarlijk niet,” snikte Suze. “Maar het is niet anders. Ik heb mijn plicht gedaan, jufvrouw, dat heb ik waarlijk. Het is mijne schuld niet. Ik be—ru—u—st er in. Ik kan mijne maand niet uitblijven, of dan zou ik u nooit kunnen verlaten; en ik moest dan toch eindelijk gaan, evengoed als nu. Spreek niet tegen mij, lieve jufvrouw Flore, want al ben ik tamelijk hard, ik ben toch geen marmeren deurpost.”—“Wat is het toch? Waar is het om? Wilt ge mij dat niet zeggen?” zeide Florence, want Suze schudde haar hoofd.—“Neen, lieveling,” antwoordde Suze. “Vraag het mij niet, want ik moet het niet zeggen; en wat gij doet, spreek geen woord voor mij om mij te laten blijven, want het kon toch niet zijn, en ge zoudt u zelve maar kwaaddoen, en zoo, God zegene u, mijne kostbare meesteres, en vergeef alle kwaad, dat ik u gedaan mocht hebben, en al het humeur, dat ik u al die jaren lang getoond heb.”
En met deze, zeer hartelijk ontboezemde smeekbede, sloot Suze hare meesteres in hare armen.
“Lieve jufvrouw, menigeen kan u komen dienen, en blij zijn om u te dienen, en zal u goed en trouw dienen,” zeide Suze, “maar er kan niemand komen, die u zoo hartelijk zal dienen als ik, of half zooveel van u houden, dat is mijn troost. Goedendag, lieve jufvrouw Flore!”—“Waar zult gij naar toe gaan, Suze?” vroeg hare schreiende meesteres.—“Ik heb een broer, die in Essex woont, jufvrouw; een pachter,” zeide de zielsbedroefde Suze, “die ik weet niet hoeveel koe—oe—oeien en varkens houdt, en daar zal ik met de diligence naar toe gaan, en wat bij hem blij—ij—ijven. Wees maar niet ongerust over mij, lieve jufvrouw, want ik heb geld in de spaarbank, en behoef niet dadelijk in een anderen dienst te gaan, dat ik ook niet zou kunnen doen, mijne allerliefste meesteres!” Suze besloot met eene uitbarsting van droefheid, die gelukkig werd gestuit door de stem van mevrouw Pipchin, welke zich beneden liet hooren. Daarop veegde Suze hare rood gezwollen oogen af en wendde eene jammerlijke poging aan, om een luchtigen toon aan te nemen, toen zij Towlinson riep om eene vigilante te halen en hare koffers naar beneden te brengen.
Florence, bleek en bevende, maar van eene nuttelooze voorspraak teruggehouden door den angst om nieuwe verdeeldheid te veroorzaken tusschen haar vader en zijne vrouw (wier strak gezicht haar eene korte poos vroeger eene waarschuwing was geweest) en door hare vrees dat zij, zonder het te weten, reeds in dit wegzenden van hare oude dienares en vriendin was betrokken, volgde schreiend naar Edith’s kleedkamer, waarheen Suze zich begaf om haar afscheidscompliment te maken.
“Kom aan, daar is de vigilante, en daar zijn de koffers; maak nu maar dat ge wegkomt!” zeide mevrouw Pipchin, zich op hetzelfde oogenblik vertoonende. “Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar mijnheer Dombey’s orders gaan boven alles.”
Edith, die onder de handen van hare kamenier zat,—zij zou naar een diner gaan—behield haar trotsch uitzicht en scheen op niets te letten.
“Daar is uw geld,” zeide mevrouw Pipchin, “en hoe eer dit huis uw rug ziet des te beter.”
Suze had geen hart meer, zelfs voor den blik dien mevrouw Pipchin van rechtswege toekwam. Zij neeg dus maar voor mevrouw Dombey (die zonder een woord te spreken haar hoofd boog, en wier oogen iedereen vermeden, behalve Florence), sloot hare jonge meesteres nog eens in de armen en ontving een kus tot afscheid. Het gezicht der arme Suze in dit tijdsgewricht, bij de onstuimigheid harer aandoeningen en de kracht waarmede zij hare snikken smoorde, opdat niet een daarvan hoorbaar zou worden en een triomf voor mevrouw Pipchin zijn, bood eene reeks der zonderlingste physionomische verschijnselen aan, waarvan ooit iemand getuige is geweest.
“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Towlinson, die met de koffers buiten de deur stond, zich tot Florence richtende, “maar mijnheer Toots is in de eetzaal, en laat zijn compliment doen, en verzoekt te mogen weten hoe Diogenes en mijnheer varen.”
Florence snelde naar beneden, waar Toots, allerprachtigst gekleed, in twijfel en ongerust of zij zou komen of niet, zeer zwaar stond te ademen.
“O, hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide Toots. “God zegen ons!”
Deze laatste uitroeping werd veroorzaakt door zijn schrik over de droefheid, welke hij op Florence’s gezichtje zag, en die hem niet alleen in een gegiggel stuitte, maar ook in eens een toonbeeld van wanhoop deed worden.
“Beste mijnheer Toots,” zeide Florence, “gij zijt zoo vriendelijk voor mij en meent het zoo goed, dat ik u zeker wel om eene gunst mag verzoeken.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest,” voegde hij er niet zonder aandoening bij.—“Suze, die eene oude vriendin van mij is, de oudste vriendin, die ik heb,” zeide Florence, “moet op eens vertrekken, en dat geheel alleen, het arme meisje. Zij gaat naar huis, een eind buiten de stad. Mag ik u verzoeken om voor haar te zorgen, tot zij op de diligence is?”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “gij bewijst mij waarlijk eene eer en eene goedheid. Dit bewijs van uw vertrouwen, nadat ik mij te Brighton op zulk eene brutale manier heb gedragen...”—“Ja,” zeide Florence haastig—“neen—denk daar maar niet meer om—Gij zoudt dus de goedheid willen hebben om—heen te gaan, en haar op te wachten als zij buitenkomt? Dank u duizendmaal. Gij stelt mijn gemoed zoo gerust. Gij kunt u niet verbeelden hoe dankbaar ik u ben, of welk een goed vriend gij waarlijk voor mij zijt.” En in hare hartelijkheid dankte Florence hem nogmaals en nogmaals; en in zijne hartelijkheid ging Toots haastig heen—maar achteruit, om geen blik van haar te verliezen.
Florence had den moed niet om buiten te gaan, toen zij Suze in het voorhuis zag, waar mevrouw Pipchin haar nog voortdreef, en Diogenes om haar heen sprong, en mevrouw Pipchin den grootsten angst aanjoeg door naar haar bombazijnen rok te happen en van akeligheid te huilen als hij hare stem hoorde—want van niemand had hij zulk een afkeer als van haar. Maar zij zag Suze al de dienstboden in het rond de hand geven, en nog eens naar het huis omkijken, en Diogenes de vigilante navliegen, buiten staat om zich te overtuigen dat hij met haar, die er in zat, niets meer te maken had; en toen werd de deur gesloten, en was het afscheid voorbij, en vloeiden hare tranen over het verlies van eene oude vriendin, welke niemand kon vervangen. Niemand. Niemand.
Toots, als een brave jongen, hield de vigilante tegen en zeide Suze welke taak hem was opgedragen, waarop zij nog harder begon te schreien dan te voren.
“Bij mijne ziel, ik heb gevoel voor u,” zeide Toots, zich naast haar zettende. “Op mijn woord van eer, ik denk dat gij uw eigen gevoel haast niet beter kunt kennen dan ik het mij kan verbeelden. Ik kan mij niets vreeselijkers voorstellen dan dat iemand jufvrouw Dombey moet verlaten.”
Suze gaf zich nu geheel aan hare smart over, en het was waarlijk aandoenlijk haar te zien.
“Ik zeg,” zeide Toots, “doe dit nu nog niet. Ik meen, doe dat eerst, weet ge.”—“Wat, mijnheer Toots?” zeide Suze.—“Wel, bij mij aan huis komen en wat eten eer gij heenrijdt,” zeide Toots. “Mijne keukenmeid is eene heel ordentelijke vrouw—zulk eene moederlijke vrouw als gij ooit gezien hebt—en zal u gaarne wat troosten. Haar zoon,” zeide Toots, tot meerdere aanbeveling, “was in de blauwrokschool opgevoed, en is met een kruidmolen in de lucht gevlogen.”
Daar Suze dit vriendelijk aanbod aannam, bracht Toots haar naar zijne eigene woning, waar zij door de bedoelde moederlijke keukenmeid werden ontvangen, die zich haar naam waardig toonde, en door den Kemphaan, die, toen hij eene dame in het rijtuig zag, zich eerst verbeeldde dat mijnheer Dombey, volgens zijn ouden raad, dubbel toegeslagen, en jonge jufvrouw Dombey geschaakt was. Deze heer verbaasde Suze eenigszins, want daar hij in zijn wedstrijd de nederlaag had geleden, was zijn gezicht zoodanig gehavend, dat het waarlijk niet toonbaar mocht heeten. De Kemphaan wilde dit ongeluk aan een bijzonder toeval toeschrijven; maar uit de openbare berichten van den strijd bleek, dat zijn tegenstander hem van den eersten af te sterk was geweest, en hem zoo geducht had geklopt als hij zelf maar wilde.
Na een goeden maaltijd en veel gulheid, reed Suze met eene andere vigilante naar het diligencekantoor, met Toots, gelijk te voren, naast haar, en den Kemphaan op den bok, hoewel die heer het gezelschap, zoo al tot eer door zijn heldhaftigen naam, toch bezwaarlijk tot sieraad kon strekken, uit hoofde van zijne talrijke pleisters. Maar de Kemphaan had heimelijk een eed gedaan dat hij Toots nooit zou verlaten (die heimelijk smachtte om maar van hem af te komen), of het moest wezen om als kastelein in eene herberg gezet te worden; en daar hij verlangde om zich als zoodanig zoo spoedig mogelijk dood te drinken, begreep hij dat het zijne zaak was zijn gezelschap zoo onaangenaam te maken als maar mogelijk was.
De nachtdiligence, waarmede Suze zou vertrekken, was op het punt om af te rijden. Toen Toots haar er in had geholpen, bleef hij nog besluiteloos bij het portier staan, tot de voerman reeds op den bok zat; toen stapte hij op de trede, stak een gezicht binnen, dat bij het licht der lantaren zeer angstig en verward stond, en zeide:
“Zeg eens, Suze, jufvrouw Dombey, weet ge wel......”—“Ja, mijnheer.”—“Denkt gij dat zij eens—gij weet wel—zeg?”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Toots,” zeide Suze, “maar ik versta u niet.”—“Denkt gij dat zij er toe zou kunnen gebracht worden, weet ge—niet zoo dadelijk, maar door den tijd—over langen tijd—om mij lief te krijgen, weet ge? Daar nu!” zeide de arme Toots.—“O Heere neen!” antwoordde Suze, haar hoofd schuddende. “Ik zou zeggen, nooit. Nooit!”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Het is van geen belang. Goeden avond. Het is van geen belang, wel bedankt.”
XLV. DE VERTROUWELING
Edith ging dien dag alleen uit en kwam vroeg weder thuis. Het was maar weinige minuten over tienen, toen hare koets de straat, waar zij woonde, inreed.
Haar gelaat vertoonde dezelfde gedwongene kalmte als toen zij zich liet kleeden; en de krans op hare lokken omgaf hetzelfde strakke voorhoofd. Maar het zou beter geweest zijn dat de bloemen en bladeren door hare hartstochtelijke hand in stukken waren gescheurd, of platgedrukt door het woelen van het hoofd, dat voor het verbijsterde brein eene rustplaats zocht, dan dat zij zulk eene kalmte versierden. Zoo ongenaakbaar, zoo onverbiddelijk, zoo onbuigzaam scheen die vrouw, alsof niets haar gemoed kon verzachten en alles in haar leven had bijgedragen om het te verharden.
Zij wilde juist voor hare deur afstappen, toen iemand, die stil het voorhuis uitkwam, blootshoofds bij het portier bleef staan, en haar zijn arm bood. Daar de knecht was weggeduwd, kon zij niet anders dan dien arm aanraken, en zij wist wiens arm het was.
“Hoe is uw patiënt, mijnheer?” zeide zij met opkrullende lip.—“Hij is beter,” antwoordde Carker. “Het gaat heel goed met hem. Ik heb hem voor van nacht verlaten.”
Zij boog haar hoofd en ging hem voorbij de trap op, toen hij haar volgde en onder aan de trap zeide:
“Mevrouw, mag ik u een oogenblik gehoor verzoeken?”
Zij bleef staan en zag om. “Het is een ongelegen tijd, mijnheer, en ik ben vermoeid. Is de zaak dringend?”
“Zeer dringend,” antwoordde Carker. “Daar ik u zoo gelukkig heb ontmoet, hoop ik dus zoo vrij te mogen zijn om er op aan te houden.”
Zij zag omlaag naar zijn glinsterenden mond; en hij zag naar haar op, die boven hem stond, in hare statige kleeding, en dacht wederom, hoe schoon zij toch was.
“Waar is jufvrouw Dombey?” vroeg zij den knecht hardop.—“In de ontbijtkamer, mevrouw.”—“Doe die dan open!” Wederom naar den oplettenden heer onder aan de trap omziende, en hem door eene kleine beweging van haar hoofd aanduidende dat het hem vrijstond haar te volgen, ging zij verder.—“Neem mij niet kwalijk! Mevrouw! Mevrouw Dombey!” zeide de zachtbespraakte en vlugge Carker, in een oogenblik naast haar. “Mag ik zoo vrij zijn te verzoeken dat jufvrouw Dombey er niet bij is?”
Zij zag hem nog eens aan met een snellen blik, maar met dezelfde strakke bedaardheid.
“Ik wilde jufvrouw Dombey de kennis besparen,” zeide Carker zeer zacht, “van hetgeen ik te zeggen heb. Ten minste, mevrouw, wilde ik het aan u overlaten om te beslissen of zij er van weten moet of niet. Dat ben ik u verplicht. Na ons vroeger onderhoud zou het onverschoonlijk van mij zijn als ik anders handelde.”
Zij wendde langzaam hare oogen van hem af, en zich naar den knecht keerende, zeide zij: “Eene andere kamer.”
Hij ging vooruit naar een der salons, waar hij spoedig licht aanstak, en liet hen daar. Zoolang hij er was, werd er geen woord gesproken. Edith plaatste zich op eene sofa bij den haard als op een troon; Carker bleef, met den hoed in de hand en zijne oogen op het tapijt gevestigd, op eenigen afstand van haar staan.
“Eer ik u hoor, mijnheer,” zeide Edith, toen de deur gesloten was, “wensch ik dat gij mij hoort.”—“Door mevrouw Dombey te worden aangesproken,” antwoordde hij, “zelfs met woorden van onverdiend verwijt, is eene eer die ik zoo hoog schat, dat ik, al was ik niet in alle dingen haar dienaar, mij toch gereedelijk aan zulk een wensch zou onderschikken.”—“Als gij door den man, dien gij zoo even verlaten hebt, met eene boodschap aan mij zijt belast,” Carker sloeg zijne oogen op alsof hij verwondering wilde veinzen, maar haar blik sloot hem den mond, “doe dan maar geene moeite om ze over te brengen, want ik wil ze niet aannemen. Ik behoef u haast niet te vragen of gij met zulk eene boodschap komt. Ik heb u al eenigen tijd verwacht.”—“Het is mijn ongeluk,” antwoordde hij, “geheel tegen mijn wil met zulk een oogmerk hier te komen. Vergun mij te mogen zeggen dat ik met twee oogmerken hier kom. Dat is het eene.”—“Dat eene, mijnheer, is afgedaan,” zeide zij. “Of als gij er op terugkomt....”—“Kan mevrouw Dombey gelooven,” zeide Carker, haar naderende, “dat ik er tegen haar verbod op zou terugkomen? Is het mogelijk, dat mevrouw Dombey, zonder op mijne ongelukkige positie te letten, mij volstrekt het groote onrecht wil aandoen om mij als onafscheidbaar van mijn lastgever te beschouwen?”—“Mijnheer,” antwoordde Edith, haar donkeren blik strak op hem vestigende, en met eene hartstochtelijkheid sprekende, die het witte dons in beweging bracht, hetwelk de schouders bedekte, die met de sneeuwkleur daarvan konden wedijveren. “Waarom komt gij voor mij, gelijk gij gedaan hebt, en spreekt mij van liefde en plicht voor mijn man, en veinst gij te denken dat ik hem hoogacht? Hoe durft gij mij zoo beleedigen, terwijl gij weet—ik weet dat gij beter weet, mijnheer; ik heb dat in elken blik van u gezien, en in ieder woord van u gehoord—dat er in plaats van genegenheid, afkeer en minachting tusschen ons is, en dat ik hem nauwelijks minder veracht dan ik mij zelve veracht omdat ik de zijne ben. Onrecht! Als ik recht had gedaan aan de pijn, die gij mij hebt doen voelen, en aan mijn gevoel van de beleediging die gij mij hebt aangedaan, had ik u kunnen vermoorden!”
Zij vroeg hem waarom hij dat gedaan had. Als zij niet door haar trots en gramschap, zoowel als door het gevoel van zelfvernedering, verblind was geweest, zou zij het antwoord op zijn gezicht hebben gelezen. Juist om haar tot deze verklaring te brengen.
Zij zag dit niet en bekommerde er zich ook niet om hoe het was. Zij zag alleen de vernederingen, die zij ondergaan had en nog onderging, en kromp daaronder van pijn. Haar strakke blik was veeleer daarop dan op hem gevestigd, terwijl zij de vederen uit de wiek van een prachtigen vogel, die aan een gouden koordje aan haar arm hing, om haar tot waaier te dienen, uitplukte en op den grond liet regenen.
Hij deinsde niet terug voor haar blik, maar bleef staan tot de teekenen van ongenoegen, die zij zich had laten ontsnappen, verdwenen waren, als een man die een voldoenend antwoord gereed had, en dit weldra zou uitspreken. En toen sprak hij, terwijl hij haar recht in de schitterende oogen zag.
“Mevrouw,” zeide hij, “ik weet, en wist reeds vroeger, dat ik geene gunst bij u gevonden had, en ik wist ook wel waarom niet. Ja, ik wist wel waarom niet. Gij hebt zoo openlijk tot mij gesproken; en ik gevoel mij zoo verlicht door het bezit van uw vertrouwen....”—“Vertrouwen!” herhaalde zij met smaad.
Hij lette niet daarop.
“...dat ik niet veinzen wil iets te verbloemen. Ik heb van den eersten af gezien, dat er aan uwe zijde geene genegenheid voor mijnheer Dombey bestond—hoe kon zoo iets ook tusschen twee zoo geheel verschillende wezens bestaan!—en ik heb sedert gezien, dat er een krachtiger gevoel dan onverschilligheid in uwe borst is ontstaan—hoe kon dat ook met mogelijkheid anders wezen, in de omstandigheden waarin gij verkeert! Maar voegde het mij, mij te vermeten om u die wetenschap met zoovele woorden te bekennen?”—“Voegde het u, mijnheer,” antwoordde zij, “die andere meening te veinzen, en mij die dag aan dag vermetel op te dringen?”—“Dat deed het, mevrouw,” antwoordde hij snel. “Als ik minder had gedaan, als ik iets anders had gedaan, zou ik niet zoo tot u spreken; en ik voorzag—wie kon dat beter voorzien, want wie kende mijnheer Dombey beter dan ik?—dat indien uw karakter niet even gedwee bleek te zijn als dat zijner eerste onderdanige vrouw, hetgeen ik niet geloofde—”
Een trotsche glimlach deed hem opmerken dat hij dit wel mocht herhalen.
“Ik zeg, hetgeen ik niet geloofde—er waarschijnlijk een tijd zou komen, waarin zulk eene verstandhouding als waarin wij nu geraakt zijn nuttig zou wezen.”—“Voor wien nuttig, mijnheer?” vroeg zij met minachting.—“Voor u. Ik wil er niet bijvoegen voor mij zelven, als eene waarschuwing om mij te onthouden zelfs van dien beperkten lof van mijnheer Dombey, dien ik hem oprecht zou kunnen geven, om het ongeluk niet te hebben van iets te zeggen, onaangenaam voor iemand wier afkeer en minachting,” met grooten nadruk, “zoo geducht zijn.”—“Is het oprecht van u, mijnheer,” zeide Edith, “zelfs van hem op dien toon van geringschatting te spreken, terwijl gij zijn voornaamste raadgever en vleier zijt!”—“Raadgever—ja,” zeide Carker; “vleier—neen. Eene kleine geveinsdheid vrees ik te moeten belijden. Maar belang en gemak noodzaken de meeste menschen tot betuigingen van dingen die men niet kan gevoelen. Men heeft compagnieschappen van belang en gemak, vriendschappen van belang en gemak, huwelijken van belang en gemak, alle dagen.”
Zij beet op hare lippen, maar bleef hem toch even scherp en strak waarnemen.
“Mevrouw,” zeide Carker, zich bij haar op een stoel zettende, maar met eene vertooning van den schroomvalligsten eerbied, “waarom zou ik schromen, daar ik geheel aan uw dienst ben gewijd, om duidelijk te spreken! Het was natuurlijk, dat eene dame zoo rijk begaafd als gij, het mogelijk zou achten om het karakter van haar man in sommige opzichten te veranderen en er iets beters van te maken.”—“Dat was voor mij niet natuurlijk, mijnheer,” antwoordde zij. “Ik had nooit eenige hoop of eenig voornemen van dien aard.”
Het trotsche gelaat toonde hem dat het geen masker, dat hij aanbood, wilde dragen, maar zich zelf roekeloos ten toon stellen, onverschillig hoe het zich aan iemand als hij mocht voordoen.
“Ten minste was het natuurlijk,” hervatte hij, “dat gij het mogelijk zoudt achten met mijnheer Dombey als zijne vrouw te leven, te gelijk zonder u aan hem te onderwerpen en zonder in zulk eene geweldige botsing met hem te komen. Maar, mevrouw, gij kendet mijnheer Dombey niet (gelijk gij sedert hebt ondervonden) toen gij dat dacht. Gij wist niet hoe aanmatigend en trotsch hij is—hoe hij als het ware de slaaf van zijne eigene grootheid is, en als een lastdier voor zijn eigen triomfwagen is gespannen, zonder om iets op de wereld te denken dan dat hij dien triomfwagen achter zich heeft, en dat hij dien over en door alles heen moet voorttrekken.”
Zijne tanden glinsterden van boosaardig vermaak in die geestige vergelijking, terwijl hij voortsprak:
“Mijnheer Dombey is even weinig in staat om u te ontzien, mevrouw, als om mij te ontzien. De vergelijking is stout—dat wilde ik ook—maar volkomen juist. Mijnheer Dombey vroeg mij, in de volheid zijner macht—ik hoorde het gisterochtend uit zijn eigen mond—om zijn boodschapper bij u te zijn, vooreerst omdat hij weet dat ik u niet aangenaam ben, en wil dat dit eene straf voor uwe wederspannigheid zal zijn; en bovendien omdat hij werkelijk denkt dat ik, zijn betaalde dienaar, een afgezant ben niet beneden de waardigheid—niet van de dame, tot wie ik het geluk heb van te spreken; zij heeft in zijne gedachten geen bestaan—maar van zijne vrouw, een deel van hem zelven. Gij kunt u verbeelden hoe blind hij is voor de mogelijkheid, dat ik eenig persoonlijk gevoel of meening zou hebben, als hij mij openlijk zegt dat hij mij daartoe gebruikt. Gij weet hoe volmaakt onverschillig voor uw gevoel hij is, als hij u met zulk een bode dreigt—gelijk gij natuurlijk niet hebt vergeten dat hij gedaan heeft.”
Zij nam hem nog oplettend waar; maar hij nam haar ook waar, en hij zag dat zijne wetenschap van iets, dat tusschen haar en haar man was voorgevallen, haar als een vergiftige pijl in de trotsche borst bleef zitten.
“Ik herinner u dit alles niet om de verwijdering tusschen u en mijnheer Dombey te vergrooten, mevrouw—de hemel verhoede dat!—Wat voordeel zou het mij zijn?—maar als een voorbeeld hoe hopeloos het is mijnheer Dombey te willen leeren om iemand te ontzien, als het om hem en zijn wil te doen is. Wij, die hem omgeven, hebben, moet ik zeggen, in onze verschillende positiën het onze gedaan om hem in die denkwijs te versterken; maar als wij het niet hadden gedaan, zouden anderen het gedaan hebben—of zij zouden niet in zijne omgeving zijn gebleven; en zoo is hij geheel van die gezindheid doordrongen. Mijnheer Dombey heeft, kortom, alleen met onderdanige afhangelingen te maken, die de knie en den hals voor hem buigen. Hij heeft nooit geweten wat het is fierheid en gramschap in volle kracht tegen zich over te hebben.”—“Maar dat zal hij nu leeren!” scheen zij te zeggen, schoon hare lippen zich niet bewogen en haar blik even trotsch bleef. Hij zag het zachte dons wederom trillen, en hij zag haar de pluimen van den prachtigen vogel voor een oogenblik tegen hare borst drukken; en hij ontrolde nog een ring van de kronkels, waarin hij zich had samengewonden.—“Mijnheer Dombey, hoewel een man van eer,” zeide hij, “is zoo genegen, wanneer men hem eenigszins tegenstreeft, zelfs daadzaken naar zijne inzichten en zijne bijzondere denkwijs te verdraaien, dat hij, b.v.—en ik kan er geen beter voorbeeld van geven—oprecht gelooft (gij zult de zotheid van hetgeen ik zeggen wil wel verontschuldigen, daar ze niet van mij komt) dat de strenge uitdrukking van zijn gevoelen, bij zekere gelegenheid, die gij u misschien herinneren zult, voor den betreurden dood van mevrouw Skewton, een verpletterenden indruk op zijne vrouw heeft gemaakt, en haar voor dat oogenblik geheel deed zwichten.”
Edith lachte. Hoe wanluidend behoeft niet gezegd te worden. Maar hem streelde het haar zoo te hooren lachen.
“Mevrouw,” hervatte hij, “ik heb hiermede gedaan. Uwe eigene gevoelens zijn zoo krachtig en, ik ben overtuigd, zoo onveranderlijk,” hij sprak deze woorden zeer langzaam en met grooten nadruk uit, “dat ik bijna vrees mij opnieuw uw ongenoegen te berokkenen, als ik zeg dat ik, in spijt van deze gebreken en mijne volledige kennis daarvan, aan mijnheer Dombey gewend ben geworden en hem achting toedraag. Maar als ik dit zeg is het niet, geloof mij, om enkel met een gevoel te pralen dat zoozeer van het uwe verschilt, en waarmede gij niet kunt sympatheeren,”—o, hoe duidelijk en nadrukkelijk was dit alles!—“maar om u eene verzekering te geven van den ijver, waarmede ik in deze ongelukkige zaak de uwe ben, en de verontwaardiging waarmede de rol, die men mij beveelt te spelen, mij vervult.”
Zij zat alsof zij bevreesd was om hare oogen van zijn gezicht af te wenden.
En om nu nog den laatsten ring zijner kronkels te ontwikkelen!
“Het wordt laat,” zeide Carker, na eene poos van stilte, “en gij zijt vermoeid, gelijk gij zegt, mevrouw. Maar het tweede oogmerk van dit onderhoud moet ik toch niet vergeten. Ik moet u aanbevelen, ik moet u zoo ernstig mogelijk smeeken, om voldoende redenen, die ik daarvoor heb, om voorzichtig te zijn met uwe blijken van welwillendheid voor jufvrouw Dombey.”—“Voorzichtig! Wat meent gij?”—“Om op te passen dat gij niet al te veel genegenheid voor die jonge dame laat blijken.”—“Al te veel genegenheid, mijnheer!” zeide Edith, haar voorhoofd fronsende en opstaande. “Wie beoordeelt mijne genegenheid of neemt de maat daarvan? Gij?”—“Ik ben het niet die dat doet.” Hij werd verlegen of veinsde dit.—“Wie dan?”—“Kunt gij niet raden, wie dan?”—“Ik verkies niet te raden,” antwoordde zij.—“Mevrouw,” zeide hij, na eene poos aarzelens, waaronder zij elkander nog evenals te voren bleven aanzien, “ik ben hier in eene moeielijkheid. Gij hebt mij gezegd dat gij geene boodschap wilt aannemen, en gij hebt mij verboden op die zaak terug te komen; maar die twee onderwerpen zijn zoo nauw vereenigd, dat ik, als gij deze onbepaalde waarschuwing niet wilt aannemen van iemand, die nu de eer heeft van uw vertrouwen te bezitten, het gebod, dat gij mij gegeven hebt, moet overtreden.”—“Gij weet dat het u vrijstaat dat te doen, mijnheer,” zeide Edith. “Doe het.”
Zoo bleek, zoo bevende, zoo hartstochtelijk! Hij had zich dus niet in den indruk misrekend.
“Zijn last was,” zeide hij zacht, “dat ik u zou onderrichten dat uw gedrag ten aanzien van jufvrouw Dombey hem niet aangenaam is. Dat het vergelijkingen met hem zelven uitlokt, die hem niet gunstig zijn. Dat hij verlangt dat het geheel en al veranderd worde; en dat, als gij het ernstig daarmede meent, hij vertrouwt dat dit gebeuren zal; want dat uwe voortdurende vertooning van genegenheid het voorwerp daarvan niet voordeelig zal zijn.”—“Dat is een dreigement,” zeide zij.—“Dat is een dreigement,” antwoordde hij met zijne stemmelooze manier van toestemmen; en overluid voegde hij er bij: “maar niet tegen u gericht.”
Trotsch en statig gelijk zij daar tegen hem over stond en hem door en door zag met hare vlammende oogen, en met den glimlach vol hoon en bitterheid, zonk zij ineen alsof de grond onder haar bezweek, en zou zij op den vloer zijn gevallen, als hij haar niet in zijne armen had gevangen. Even oogenblikkelijk stiet zij hem van zich af, zoodra hij haar aanraakte, en terugtredende bleef zij weder, met uitgestrekte hand, tegenover hem staan.
“Wees zoo goed om mij te verlaten. Zeg niets meer van avond.”—“Ik gevoel het dringende hiervan,” zeide Carker, “omdat het onmogelijk is te zeggen welke onvoorziene gevolgen er uit kunnen ontstaan, of hoe spoedig, dat gij met zijne gemoedsstemming onbekend zijt. Ik hoor dat jufvrouw Dombey nu juist bedroefd is over het wegzenden eener oude dienstbode, hetgeen waarschijnlijk op zich zelf een der geringere gevolgen is. Gij laakt mij niet omdat ik verzocht heb dat jufvrouw Dombey er niet bij zou zijn. Mag ik dat hopen?”—“Ik laak u niet. Wees zoo goed om mij alleen te laten.”—“Ik wist dat uwe genegenheid voor de jonge dame, die ik wel weet dat oprecht en groot is, het voor een groot verdriet voor u zou maken, te moeten denken dat gij hare positie hadt benadeeld en hare hoop voor de toekomst verwoest,” zeide Carker, haastig maar nadrukkelijk.—“Niet meer van avond. Verlaat mij, als ’t u belieft.”—“Ik zal, om hem op te passen en over zaken te spreken, gedurig hier komen. Gij zult mij wel vergunnen u weder te zien, u te raadplegen over hetgeen er gedaan moet worden en naar uwe wenschen te vernemen?”
Zij wees hem naar de deur.
“Ik kan zelfs niet besluiten of ik hem zal zeggen dat ik u al gesproken heb; of hem laten denken, dat ik dit uit gebrek aan gelegenheid of om eene andere reden heb uitgesteld. Het zal noodig zijn dat gij mij gelegenheid geeft u binnen kort daarover te raadplegen.”—“Wanneer gij maar wilt, behalve nu.”—“Gij zult wel begrijpen, als ik u wensch te spreken, dat jufvrouw Dombey er niet bij moet wezen; en dat ik dan een onderhoud zoek als iemand die het geluk heeft van uw vertrouwen te bezitten, en die u alle hulp in zijn vermogen komt bewijzen, en misschien bij vele gelegenheden kwaad van haar afwenden.”
Hem nog aanziende met denzelfden schijn van vrees om hem voor een oogenblik van den invloed van haar strakken blik te bevrijden, antwoordde zij: “Ja!” en beval hem nog eens om heen te gaan.
Hij boog als om te gehoorzamen, maar terugkeerende toen hij bijna de deur bereikt had, zeide hij:
“Ik ben vergeven, en heb mijn misdrijf opgehelderd. Mag ik—ter wille van jufvrouw Dombey en mij zelven—uwe hand vatten eer ik heenga?”
Zij gaf hem de gehandschoende hand, die zij den vorigen avond had gekwetst. Hij nam ze, kuste ze en ging. En toen hij de deur had gesloten, wuifde hij de hand waarmede hij de hare had gevat, en stak ze in zijne borst.