XLVI. HERKENNINGEN EN BESPIEGELINGEN
Onder de verschillende kleine veranderingen in Carker’s leven en gewoonten, die in dezen tijd begonnen plaats te grijpen, was geene meer opmerkelijk dan de buitengewone vlijt waarmede hij zich op de zaken toelegde, en de stiptheid waarmede hij de aangelegenheden van het kantoor, die voor hem openlagen, in alle bijzonderheden onderzocht. Altijd vlug en knap in dit opzicht, schenen zijne oplettendheid en waakzaamheid thans twintigmaal verdubbeld. Niet alleen besteedde hij die aan ieder nieuw punt, dat elke dag hem weder in eene nieuwe gedaante voorkwam, maar te midden dezer drukke bezigheden, vond hij—dat is, maakte hij—tijd om de vroegere operatiën der firma en zijn aandeel daarin gedurende eene lange reeks van jaren na te gaan. Dikwijls wanneer de klerken allen naar huis, de kantoorvertrekken donker en ledig, en alle dergelijke plaatsen gesloten waren, deed Carker, met den geheelen inhoud van het ijzeren kamertje open voor zich, onderzoek in de geheimen van boeken en papieren, met het taaie geduld van iemand die geene moeite wil ontzien om zich met iets van het uiterste belang door en door bekend te maken. Perch de kantoorlooper, die bij zulke gelegenheden doorgaans bleef wachten, om zich bij het licht van ééne kaars met het doorlezen van prijscouranten te onderhouden, of bij het vuur in het groote kantoor te zitten dutten, met groot gevaar om ieder oogenblik met zijn hoofd in den kolenemmer te duiken, kon dezen ijver de schatting zijner bewondering niet onthouden, ofschoon zijne huiselijke genoegens daardoor zeer benadeeld werden, en weidde meer dan eens ten aanhoore zijner vrouw (die thans tweelingen zoogde) over de vlijt en knapheid van hun eersten boekhouder uit.
Dezelfde ijver en steeds klimmende aandacht, die Carker aan de zaken van het kantoor wijdde, besteedde hij ook aan zijne eigene bijzondere zaken. Hoewel geen deelgenoot in de firma—eene eer tot nog toe uitsluitend voor de erfgenamen van den grooten naam van Dombey bewaard—ontving hij toch zekere percenten van de winsten; en daar hij door het kantoor ruimschoots gelegenheid had om zijn geld voordeelig te beleggen, werd hij door de kleine hanzen onder de groote hanzen van het Oosten voor een rijk man gehouden. Men begon onder deze scherpzinnige opmerkers te zeggen dat Jem Carker, van Dombey, zijne rekening opmaakte om te zien hoeveel hij wel had, dat hij als een schrandere knaap zijn geld juist op een goeden tijd inhaalde, en men wilde er op de effectenbeurs zelfs op wedden, dat Jem met eene rijke weduwe ging trouwen.
Evenwel maakten deze zorgen geene de minste inbreuk op Carker’s oplettendheid voor zijn patroon, of op de zindelijkheid, netheid, gladheid of eenige andere katachtige eigenschap, die hij bezat. Het was niet zoozeer dat er in een van zijne gewoonten eene verandering plaats had, als wel dat de geheele mensch zich scheen te vergrooten en te verdubbelen. Alles wat men voorheen bij hem had waargenomen, was ook nu waar te nemen, maar veel zichtbaarder en krachtiger. Hij deed alles alsof hij nooit iets anders deed—een tamelijk zeker teeken, bij iemand van zooveel geestkracht en bekwaamheid, dat hij iets doet dat al zijne vermogens scherpt en opwekt.
De eenige bepaalde verandering bij hem was, dat hij, als hij te paard door de straten reed, dikwijls in een mijmerend gepeins verzonk, gelijk toen hij op den dag van Dombey’s ongeluk van dezen naar huis reed. Als dit gebeurde ontweek hij werktuiglijk de belemmeringen op zijn weg, en scheen hij niets te zien of te hooren, tot hij zijne bestemming bereikte, of iets onverwachts hem uit zijne mijmering opwekte.
Aldus op zekeren dag stapvoets naar het kantoor rijdende, bespeurde hij even weinig van twee paren vrouwelijke oogen, die hem waarnamen, als van de starende oogen van Rob den Slijper, die hem, om zijne stiptheid te toonen, reeds eene straat ver van de bepaalde plaats had opgewacht, en nu vruchteloos tegen zijn hoed tikte om zijne aandacht te trekken, terwijl hij te voet naast zijn meester mededraafde, gereed om zijn stijgbeugel te houden als hij moest afstappen.
“Zie, daar is hij!” riep een van deze twee vrouwen, een oud wijf, dat haar verschrompelden arm uitstak om hem aan hare gezellin te wijzen, eene jonge vrouw, die naast haar stond, evenals zij zelf in eene poort verscholen.
Op deze waarschuwing harer moeder, keek de dochter van Vrouw Brown uit, en wraakzucht straalde haar uit de oogen.
“Ik had nooit gedacht hem weer te zien,” zeide zij met eene doffe stem; “maar het is misschien goed zoo. Ik zie! Ik zie!”—“Niet veranderd!” zeide de oude vrouw met een blik vol kwaadaardigheid.—“Hij veranderd?” antwoordde hare dochter. “Waarom? Wat heeft hij geleden? Er is verandering genoeg voor twintig bij mij. Is dat niet genoeg?”—“Zie hem daar rijden!” mompelde de oude vrouw, hare roode oogen op hare dochter vestigende, “zoo op zijn gemak, zoo mooi gekleed, te paard, en wij in het slijk!”—“En uit het slijk,” zeide de dochter ongeduldig. “Wij zijn slijk onder de hoeven van zijn paard. Wat zouden wij anders zijn?”
In de drift, waarmede zij hem weder nakeek, maakte zij een haastig gebaar met hare hand toen de oude vrouw weder wilde spreken, alsof haar gezicht door een enkel geluid kon worden belemmerd. Hare moeder, die op haar, niet op hem lette, zweeg stil, tot de gloeiende blik harer dochter doffer werd, en zij diep ademhaalde, alsof het eene verlichting voor haar was dat zij hem niet meer zag.
“Liefje!” zeide het oude wijf toen. “Alice! Mooie meid! Ally!” zij trok haar zacht bij de mouw, om haar te doen hooren. “Wilt gij hem zoo laten rijden, terwijl gij hem geld kunt afknijpen? Wel, dat is waarlijk zonde.”—“Heb ik u niet gezegd, dat ik geen geld van hem wil hebben?” antwoordde de dochter. “En gelooft ge mij nog niet? Heb ik zijn zusters geld aangenomen? Zou ik een stuiver aanraken, met mijn weten, die door zijne witte handen was gegaan—of het moest wezen dat ik het stuk koper kon vergiftigen en hem terugzenden? Houd u stil, moeder, en kom mee!”—“En hij zoo rijk?” mompelde de oude vrouw, “en wij zoo arm?”—“Arm, omdat wij hem het kwaad niet kunnen betalen dat wij hem schuldig zijn,” antwoordde de dochter. “Laat hij mij die soort van rijkdom geven, en ik zal ze aannemen en gebruiken. Kom voort. Het helpt niet of wij naar zijn paard staan te kijken. Kom voort, moeder.”
Maar de oude vrouw, voor wie het schouwspel van Rob den Slijper, die met het ledige paard de straat weder afkwam, iets bijzonder belangrijks scheen te hebben, bleef met den grootsten ernst naar dien jongeling turen, en daar de twijfelingen, die zij nu mocht koesteren, bij zijne nadering schenen te worden opgelost, zag zij hare dochter met verhelderde oogen aan, legde een vinger op hare lippen, trad, toen hij voorbijkwam, de poort uit, en tikte hem op den schouder.
“Wel, waar is de vroolijke Rob al dien tijd geweest?” zeide zij, toen hij omkeek.
De vroolijke Rob, wiens vroolijkheid door deze begroeting zeer verminderd werd, keek zeer ontsteld, en zeide, terwijl het water hem in de oogen kwam:
“Och, waarom kunt gij een armen jongen niet met vrede laten, Vrouw Brown, nu hij een eerlijk bestaan heeft en zich ordelijk gedraagt? Wat behoeft gij iemand van zijn goeden naam te berooven, door hem op straat aan te spreken, als hij zijn meesters paard naar een eerlijken stal brengt,—een paard dat gij voor honden en kattenkost zoudt verkoopen als ge maar kondt. Wel, ik dacht,” zeide de Slijper, alsof dit laatste het toppunt van zijn leed was, “dat gij al lang dood waart!”—“Dat is de manier,” zeide het oude wijf, zich naar hare dochter omkeerende, “waarop hij met mij spreekt, die hem weken en maanden achtereen gekend heb, liefje, en hem zoo dikwijls heb bijgestaan, onder de duivenmelkers en vogelvangers.”—“Zwijg van de vogels, Vrouw Brown!” antwoordde Rob, op een toon van bitter verdriet. “Ik geloof dat iemand zich liever met leeuwen moest ophouden, dan met die beestjes, want zij vliegen u altijd weer in het gezicht, als gij er het minst om denkt.—Wel, hoe vaart gij, en wat moet gij hebben?” Deze beleefde vragen werden door Rob als het ware onder protest en met groote scherpheid uitgesproken.—“Hoor eens hoe hij tegen eene oude vriendin spreekt, liefje!” zeide Vrouw Brown, zich weder op hare dochter beroepende. “Maar er zijn sommige oude vrienden van hem, die zooveel geduld niet hebben als ik. Als ik sommigen, die hij wel kent, en met wie hij op het een en ander uit is geweest, zeide waar zij hem konden vinden...”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” viel de ongelukkige Slijper er op in, snel in het rond kijkende, alsof hij dacht zijn meesters tanden achter hem te zien glinsteren. “Waarom hebt gij pleizier om iemand te ruïneeren? en dat op uwe jaren, als gij aan allerlei dingen moest denken!”—“Wat een mooi paard,” zeide de oude vrouw, het dier op den hals kloppende.—“Blijf van hem af, Vrouw Brown!” riep Rob, hare hand wegduwende. “Wel, gij zijt in staat om een boetvaardigen jongen razend te maken.”—“Wel, wat doe ik hem voor kwaad, kind?” antwoordde de oude vrouw.—“Kwaad?” zeide Rob. “Hij heeft een meester, die het merken zou, als hij met een strootje werd aangeraakt.” En hij blies op de plek waar de hand der oude vrouw voor een oogenblik had gerust, en streek ze zachtjes met zijn vinger glad, alsof hij ernstig geloofde wat hij zeide.
De oude vrouw, naar hare dochter omkijkende en mommelende, bleef Rob, die met het paard aan den teugel voortstapte, dicht achterop en vervolgde het gesprek,
“Eene goede plaats, Rob, he?” zeide zij. “Gij hebt fortuin, mijn jongen.”—“Och, praat niet van fortuin, Vrouw Brown,” antwoordde de rampzalige Rob, omkijkende en stilstaande. “Als gij nooit gekomen waart, of nu maar heen woudt gaan, dan zou iemand denken, dat hij fortuin had. Kunt gij dan niet heengaan en mij niet naloopen, Vrouw Brown!” zeide Rob, eensklaps huilende, en toch van wanhoop stout wordende. “Als die jonge vrouw eene vriendin van u is, waarom brengt zij u dan niet weg, in plaats van u zoo schandelijk te laten aanstellen!”—“Wat,” krijschte de oude vrouw, haar gezicht met een kwaadaardigen grijns vlak voor het zijne duwende. “Wilt gij uwe oude vriendin niet meer kennen! Hebt ge niet vijftigmaal in mijn huis gescholen, en gerust in een hoekje geslapen, als gij anders geen ander bed zoudt gehad hebben dan de straatsteenen, en praat ge nu zoo tegen mij! Heb ik niet met u gekwanseld en u met mijne negotie voortgeholpen, toen ge nog een schooljongen waart, en later toen gij van allerlei waart, en wilt gij mij nu zoo maar afschepen? Zou ik niet tegen morgenochtend een troep kennissen kunnen roepen, die u zouden volgen als uwe eigene schaduw, en wilt ge nu brutaal tegen mij zijn? Ik ga al heen. Kom, Alice!”—“Wacht toch wat, Vrouw Brown!” riep de angstige Rob. “Wat gaat ge doen! Maak u maar niet kwaad! Laat haar toch niet gaan! Ik heb het niet kwaad gemeend. Ik heb immers eerst gezegd: “Hoe vaart ge?” Deed ik dat niet? Maar gij woudt niet antwoorden: “Hoe vaart gij?” Buitendien,” zeide Rob jammerend, “kijk eens hier, hoe kan een jongen op straat blijven staan praten met zijn meesters paard, dat afgepoetst moet worden, en een meester die alles weet wat er gebeurt!”
De oude vrouw veinsde eenigszins bevredigd te zijn, maar schudde toch haar hoofd en mompelde nog.
“Kom mee naar den stal en neem een glas van wat u zal goeddoen, Vrouw Brown,” zeide Rob, “in plaats van zoo aan te gaan, dat u niet goeddoet en niemand anders. Kom met haar mee, als ge zoo goed wilt zijn,” vervolgde hij. “Het zou mij waarlijk pleizier doen haar te zien, als het niet om het paard was.”
Met deze verontschuldiging keerde Rob zich om (een jammerlijk beeld der wanhoop) en ging met het paard eene zijstraat in. De oude vrouw, tegen hare dochter mompelende, volgde hem dicht achterop. De dochter volgde haar.
Op een stil pleintje gekomen, waaraan zich een kerktoren en eenige pakhuizen verhieven, gaf Rob het paard aan den knecht uit een stal in den hoek; en Vrouw Brown en hare dochter uitnoodigende om zich op eene steenen bank naast de deur neer te zetten, kwam hij spoedig uit eene naburige herberg terug, met een tinnen maatje en een glas.
“Dat is op uw meester—mijnheer Carker, kind!” zeide de oude vrouw langzaam eer zij dronk. “Zegen hem.”—“Wel, ik heb u immers nog niet gezegd wie het was!” zeide Rob, met starende oogen.—“Wij kennen hem van aanzien,” zeide Vrouw Brown. “Wij zagen hem van morgen voorbijrijden, eer hij van zijn paard stapte, toen gij bij de hand waart om het over te nemen.”—“Zoo, zoo?” zeide Rob, en scheen wel te wenschen, dat hij dien ochtend niet zoo bij de hand was geweest. “Wat scheelt haar? Wil zij niet drinken?”
Deze vraag betrof Alice, die, in haar mantel gewikkeld, stil bleef zitten en deed alsof zij het aanbod van het weder gevulde glas niet opmerkte.
De oude vrouw schudde haar hoofd. “Laat haar maar blijven,” zeide zij, “zij is een zonderling schepsel, Rob. Maar mijnheer Carker....”
“St!” zeide Rob, angstig naar de pakhuizen opziende, alsof zijn meester daar wel uit het venster kon kijken. “Zachtjes!”—“Wel, hij is immers niet hier,” zeide Vrouw Brown.—“Dat weet ik nog niet,” antwoordde Rob, wiens oogen ook naar den kerktoren dwaalden, alsof hij wel daar omhoog kon zitten, met een bovennatuurlijk gehoor begaafd.—“Goede meester?” vroeg Vrouw Brown.
Rob knikte, en voegde er zacht bij: “Verduiveld bij de hand.”
“Woont buiten de stad, niet waar?” zeide de oude vrouw.—“Als hij thuis is,” antwoordde Rob; “maar wij wonen nu niet thuis.”—“Waar dan?” zeide de vrouw.—“Op kamers, daar dicht bij mijnheer Dombey,” antwoordde Rob.
De jonge vrouw zag hem eensklaps zoo scherp uitvorschend aan, dat Rob er van ontstelde en haar nog eens het glas aanbood, maar even nutteloos als te voren.
“Mijnheer Dombey,” hervatte Rob, zich weder naar Vrouw Brown keerende. “Wij hebben wel meer van hem gesproken. Gij placht dikwijls naar hem te vragen.”
De oude vrouw knikte.
“Wel, mijnheer Dombey heeft een val van zijn paard gedaan,” zeide Rob, “en mijn meester moet daar nu meer wezen dan gewoonlijk, bij hem, of bij mevrouw Dombey, of bij anderen, en zoo zijn wij naar de stad gekomen.”—“Zijn zij goede vrienden?” vroeg de oude vrouw.—“Wie?” zeide Rob.—“Hij en zij?”—“Wat, mijnheer en mevrouw Dombey?” zeide Rob. “Hoe zou ik dat weten.”—“Die niet—uw meester en mevrouw Dombey, lievert,” zeide de oude vrouw fleemend.—“Dat weet ik niet,” antwoordde Rob, weder rondkijkende. “Ik denk wel van ja. Wat zijt ge nieuwsgierig, Vrouw Brown! Die niet veel zegt heeft niet veel te verantwoorden.”—“Wel, daar steekt geen kwaad in,” zeide de oude vrouw met een lach, in hare handen klappende. “Mijn vroolijke Rob is tam geworden sedert hij het zoo goed heeft. Daar steekt geen kwaad in.”—“Neen, daar steekt geen kwaad in, dat weet ik wel,” zeide Rob, met denzelfden wantrouwigen blik naar de pakhuizen en de kerk, “maar babbelen gaat niet bij mijn meester. Iemand zou zich maar beter verdrinken. Dat zegt hij zelf. Ik zou u niet eens gezegd hebben, hoe hij heette, als gij het niet geweten hadt. Praat over iemand anders.”
Terwijl Rob nog eens angstig in het rond keek, gaf de oude vrouw hare dochter een geheimen wenk. Deze wendde daarop hare oogen van den jongen af en bleef stil zitten luisteren.
“Rob, lievert!” zeide de oude vrouw, hem wenkende om op het andere einde van de bank te komen zitten. “Ge zijt altijd een gunsteling en lieveling van mij geweest. Weet ge dat niet meer? Dat weet gij immers wel?”—“Ja wel, Vrouw Brown,” antwoordde Rob zeer stroef.—“En gij kondt mij verlaten!” zeide de oude vrouw, hare armen om zijn hals slaande, “en zoo lang wegblijven, dat ge mij haast ontgroeid waart, zonder mij te komen zeggen, hoeveel fortuin gij hadt, trotsche jongen. Oho, oho!”—“Is het niet een ijselijk geval voor een jongen, die zulk een meester heeft,” riep de ongelukkige Slijper uit, “om zoo behuild te worden!”—“Zult ge mij niet eens komen opzoeken, Robby?” riep Vrouw Brown. “Oho, zult ge mij niet eens komen opzoeken?”—“Ja, zeg ik u. Ja, dat zal ik,” antwoordde Rob.—“Nu herken ik mijn Rob weer! dat is mijn lievert weer!” zeide Vrouw Brown, de tranen van haar gerimpeld gezicht vegende en hem een teederen druk gevende. “Aan het oude huis, Rob?”—“Ja,” antwoordde hij.—“Gauw, Roblief?” zeide Vrouw Brown, “en dikwijls?”—“Ja, ja, ja,” antwoordde Rob. “Dat zal ik waarlijk, bij mijne ziel en bij mijn lichaam.”—“En dan,” zeide Vrouw Brown, hare armen opstekende en haar in den nek geworpen hoofd schuddende, “als hij zijn woord houdt, zal ik nooit naar hem toekomen, al weet ik waar hij is, en zal ik nooit een woord van hem spreken. Nooit!”
Deze uitroeping scheen een droppel troost voor den ongelukkigen Slijper te zijn, die Vrouw Brown de hand daarop gaf en met tranen in de oogen bad, om hem nu te verlaten en zijne vooruitzichten niet te bederven. Met nog eene teedere omhelzing bewilligde Vrouw Brown hierin; maar juist toen zij hare dochter zou volgen, keerde zij zich weder om, en tersluiks haar vinger opstekende, vroeg zij schor fluisterende om geld.
“Een schelling, lievert!” zeide zij, met haar begeerig gezicht, “of maar een halve! Van oudekenniswege! Ik ben zoo arm; en mijne mooie dochter,” over haar schouder omziende,—“zij is mijne dochter, Rob,—laat mij half honger lijden.”
Maar toen Rob haar schoorvoetend een stuk geld gaf, kwam hare dochter stil terug, greep hare hand en ontwrong het haar.
“Wat, moeder!” zeide zij. “Altijd geld! Geld van het eerste tot het laatste! Onthoudt ge zoo weinig wat ik zoo even gezegd heb? Daar! Neem aan!”
De oude vrouw slaakte een kermenden zucht toen het geld teruggegeven werd, maar verzette zich verder niet daartegen, en strompelde naast hare dochter het pleintje over en de straat in. Rob, die de twee angstig nakeek, zag dat zij weldra bleven stilstaan en een ernstig gesprek begonnen, en meer dan eens lette hij op eene dreigende beweging van de hand der jonge vrouw (blijkbaar doelende op iemand van wien zij sprak) en eene flauwe nabootsing daarvan door Vrouw Brown, welke hem ernstig deden hopen, dat hij niet het onderwerp van haar gesprek mocht wezen.
Met den voorloopigen troost, dat zij nu weg waren, en met den verderen troost in het vooruitzicht dat Vrouw Brown niet altijd leven kon en waarschijnlijk niet lang meer leven zou, gaf Rob, zonder meer leedwezen over zijne wanbedrijven dan dat zij zulke onaangename toevalligheden ten gevolge hadden, zijne ontstelde trekken eene kalmere uitdrukking, door te denken aan de knapheid waarmede hij zich van kapitein Cuttle had afgemaakt (eene bedenking die zelden miste hem op te vroolijken) en ging naar het kantoor om naar de bevelen van zijn meester te vernemen.
Zijn meester, zoo scherp en wakker van oog, dat Rob voor hem sidderde en meer dan half verwachtte dadelijk iets van Vrouw Brown te hooren, gaf hem de gewone doos met papieren voor mijnheer Dombey en een briefje voor mevrouw, met niets anders dan een hoofdknik daarbij, als vermaning om wel op te passen en zich te haasten—eene geheimzinnige waarschuwing, die voor Rob’s verbeelding de akeligste dreigementen deed oprijzen, en meer indruk op hem maakte, dan de woorden konden doen.
Weder alleen in zijne kamer, ging Carker aan het werk en werkte den geheelen dag. Hij kreeg veel bezoek, zag een aantal documenten na, ging in en uit en heen en weder naar verschillende plaatsen van handel, en gaf zich aan geene verstrooiing meer over, voordat de bezigheden van den dag waren afgeloopen. Maar toen eindelijk de papieren op zijne tafel volgens gewoonte waren weggeruimd, verzonk hij nog eens in een mijmerend gepeins.
Hij stond in zijne gewone houding op zijne gewone plaats, met zijne oogen strak op den grond gevestigd, toen zijn broeder binnenkwam om nog eenige brieven te brengen. Hij legde ze stil op de tafel en wilde terstond weder heengaan, toen Carker, de chef, wiens oogen bij zijn binnenkomen op hem waren blijven rusten, alsof zij hem al dien tijd tot het voorwerp van beschouwing hadden gehad, in plaats van den vloer, zeide:
“Wel, John Carker, wat brengt u hier?”
Zijn broeder wees naar de brieven en wilde wederom heengaan.
“Het verwondert mij,” zeide de ander, “dat gij zoo kunt komen en gaan, zonder te vragen hoe het met onzen meester is.”—“Wij hebben van morgen in het kantoor de boodschap gekregen, dat het met mijnheer Dombey heel wel ging,” zeide zijn broeder.—“Gij zijt zoo zoetsappig,” zeide de chef met een glimlach—“maar dat zijt gij natuurlijk met de jaren geworden—dat het u spijten zou als het slecht met hem afliep, durf ik wel zweren.”—“Waarlijk zou mij dat spijten, James,” was het antwoord.—“Het zou hem spijten!” zeide de chef, naar hem wijzende, alsof er nog iemand anders in de kamer was tot wien hij sprak. “Het zou hem waarlijk spijten. Dien broeder van mij! Dien jongsten van het kantoor; dat verschoven meubelstuk, met zijn gezicht naar den muur gestopt, als eene vermolmde schilderij, en zoo gelaten, de hemel weet hoeveel jaren lang. Hij is geheel dankbaarheid, en eerbied, en trouw ook, zou hij mij willen doen gelooven!”—“Ik wil u niets doen gelooven, James,” zeide de ander. “Wees zoo billijk voor mij, als gij voor ieder ander zoudt zijn die beneden u is. Gij hebt eene vraag gedaan, en ik heb antwoord gegeven.”—“Hebt gij dan in niets over hem te klagen, gij lafaard?” zeide de chef met buitengewone opvliegendheid. “Geene trotsche behandeling, geene onbeschoftheid, geen pronken met zijne grootheid! geene kwellingen van allerlei soort om hem betaald te zetten! Wat duivel, zijt gij een man of eene muis?”—“Het zou vreemd wezen, als menschen zooveel jaren bij elkander konden zijn, inzonderheid als meerdere en ondergeschikte, zonder dat beiden over iets bij elkander te klagen hadden—ten minste meenden dat te hebben,” antwoordde John Carker. “Maar buiten mijne geschiedenis hier...”—“Zijne geschiedenis hier!” riep de chef uit. “Ja, daar zit het. Juist de omstandigheid die hem in het eene tot eene uitzondering maakt, maakt hem dat in alles. Wel!”—“Buiten die omstandigheid, die mij, gelijk ge mij doet gevoelen, eene reden tot dankbaarheid geeft, zooals ik (gelukkig voor al de anderen) alleen maar heb, is er zeker niemand op het kantoor die niet ten minste evenveel zou zeggen en gevoelen. Gij denkt toch niet, dat er iemand hier is, wien het onverschillig zou zijn, als het hoofd van het kantoor een ongeluk overkwam, of wien dat niet waarlijk zou spijten?”—“Gij hebt goede reden om aan hem verknocht te zijn,” zeide de chef met minachting. “Wel, gelooft gij dan niet dat gij hier gehouden wordt als eene goedkoope waarschuwing, en als een uitstekend voorbeeld der genadigheid van Dombey en Zoon, hetwelk dat doorluchtige huis tot eer moet strekken?”—“Neen,” antwoordde zijn broeder zachtmoedig, “ik heb lang geloofd, dat ik om meer welwillende en belangelooze redenen hier word gehouden.”—“Maar gij woudt eene Christelijke spreuk te pas brengen, heb ik opgemerkt,” zeide de chef, thans meer met den grijns van een tijger dan van eene kat.—“Neen, James” zeide de ander, “hoewel de broederband tusschen ons lang gebroken is...”—“Wie heeft dien gebroken, mijn goede heer?” zeide de chef.—“Ik, door mijn wangedrag. Ik wijt het u niet.”
De chef antwoordde door de sprakelooze beweging van zijn uitgerekten mond: “Zoo, gij wijt dat mij niet?” en beval hem voort te gaan.
“Ik zeg, hoewel er geen band tusschen ons bestaat, bid ik u, doe mij toch geene noodelooze vernederingen aan, en leg datgene, wat ik zeg of zeggen wilde, niet verkeerd uit. Ik wilde u maar onder het oog brengen, dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij, die boven anderen bevorderd en onderscheiden zijt (in het begin, dat weet ik, om uwe bekwaamheden en uw gedrag uitgekozen) en die vrijer dan iemand anders met mijnheer Dombey omgaat, en men mag zeggen op gelijken voet met hem staat, en door hem begunstigd en verrijkt zijt—dat gij u vergissen zoudt met te denken, dat gij de eenige zijt die bezorgd is voor zijn welzijn en zijne eer. Er is niemand op het kantoor, van u zelven af tot den laagsten, geloof ik oprecht, die niet in dat gevoel deelt.”—“Gij liegt!” zeide de chef, plotseling rood van gramschap. “Gij zijt een huichelaar, John Carker, en gij liegt!”—“James!” riep de ander uit, op zijne beurt rood wordende. “Wat meent gij met zulke beleedigende woorden? Hoe kunt gij zoo laag zijn om ze mij ongetergd toe te voegen?”—“Ik zeg u,” antwoordde de chef, “dat ik uwe huichelarij en zoetsappigheid—en al de huichelarij en zoetsappigheid hier—niet zooveel tel,” daarbij knipte hij met duim en vinger, “en dat ik er mij niet door laat blinddoeken. Er is niemand hier, tusschen mij en den laagsten (van wien gij met reden zoo uitdrukkelijk spreekt, want hij is niet veraf) die in zijn hart niet verheugd zou zijn, als hij zijn meester vernederd zag, die hem niet heimelijk haat, die hem niet veeleer kwaad dan goed wenscht, die zich niet tegen hem zou keeren, als hij maar macht en moed genoeg had. Hoe dichter bij zijne gunst, des te dichter bij zijne insolentie, hoe dichter bij hem, des te verder van hem af. Zoo denkt men hier!”—“Ik weet niet,” zeide zijn broeder, wiens opgewekte drift spoedig voor verwondering had plaats gemaakt, “wie u zulke gedachten mag hebben ingefluisterd, of waarom gij mij gekozen hebt om op de proef te stellen, liever dan een ander. Maar dat gij mij op de proef stelt en mij wilt uitlokken, zie ik nu duidelijk. Uw toon en uitzicht zijn geheel anders, dan ik ooit van u heb gezien. Ik zal u alleen nog maar zeggen, dat gij bedrogen wordt.”—“Dat weet ik wel,” zeide de chef. “Dat heb ik u zelf al gezegd.”—“Niet door mij,” antwoordde zijn broeder. “Door uw berichtgever, als gij er een hebt; zoo niet, door uwe eigene gedachten en vermoedens.”—“Ik heb geene vermoedens,” zeide de chef. “Mijne vermoedens zijn zekerheden. Gij laffe, kruipende honden, die allen dezelfde vertooning maakt, allen dezelfde betuigingen uitjankt, allen hetzelfde doorzichtige geheim wilt verbergen.”
Zijn broeder ging heen zonder iets meer te zeggen, en sloot bij de laatste woorden de deur. Carker de chef schoof een stoel dicht bij het vuur, en ging met den pook zachtjes op de kolen zitten tikken.
“De flauwhartige, fleemerige pluimstrijkers!” prevelde hij, zijne beide rijen blinkende tanden toonende. “Er is er geen een onder, die zich niet houden zou alsof hij ontsteld en geërgerd was—Bah! er is er geen een onder, die, als hij de macht maar had, en verstand en moed om ze te gebruiken, Dombey’s trots niet met zoo weinig verschooning zou vernederen en vergruizen, als ik deze asch uitrakel.”
Terwijl hij ze onder den rooster strooide, keek hij met een peinzenden glimlach naar zijn misdrijf. “En dat zonder dat zulk eene koningin hem wenkte!” voegde hij er weldra bij. “En, daar is ook trots—niet te vergeten—getuige onze eigene kennisgeving!” Daarmede zonk hij in nog dieper gepeins, en bleef zoo mijmerend voor het uitgebrande vuur zitten, tot hij opstond evenals iemand die zich in een boek had verdiept; hij keek rond, nam zijn hoed en zijne handschoenen, ging naar de plaats waar zijn paard hem wachtte, steeg op en reed voort door de verlichte straten—want het was nu avond.
Hij reed naar Dombey’s huis, liet, toen hij dit naderde, zijn paard stappen, en keek naar de vensters op. Het venster, waarvoor hij eens Florence met haar hond had gezien, trok het eerst zijne aandacht, hoewel het niet verlicht was; maar hij glimlachte terwijl hij zijne oogen langs den hoogen gevel liet gaan, en scheen dat voorwerp met minachting achter te laten.
“Er was een tijd,” zeide hij, “toen het goed was zelfs op uwe kleine opkomende ster te letten, en te weten in welken hoek er wolken waren, om u, zoo noodig schaduw te geven. Maar er is een planeet opgekomen, en gij zijt in haar licht verloren.”
Hij wendde zijn paard den hoek van de zijstraat om, en zocht naar een verlicht venster aan den achterkant van het huis. Dit deed hem denken aan zekere statige gedaante, en aan eene gehandschoende hand; en zich herinneren hoe de vederen uit de vlerk van een schitterenden vogel op den grond gestrooid waren, en hoe het witte dons om zekeren hals zich bewogen had alsof er in de verte een stormwind opkwam. Dit waren de dingen die hij medenam, toen hij weder omkeerde en snel door de donkere en verlatene parken reed.
De noodlottige waarheid was dat hij dacht aan eene vrouw, eene trotsche vrouw, die hem haatte, maar die er door zijne list en haar trots met langzame maar zekere schreden toe gebracht was om zijn gezelschap te verduren, en hem te ontvangen als iemand, die het voorrecht had om haar van haar uitdagenden wrok tegen haar eigen man en van hare onverschilligheid voor hare eigene achting te spreken. Hij dacht aan eene vrouw, die hem gloeiend haatte, en die hem kende, en die hem wantrouwde, omdat zij hem kende, en omdat hij haar kende; maar die haar woesten wrok voedsel gaf door hem dagelijks nader en nader te laten komen, in spijt van den haat dien zij tegen hem koesterde. In spijt daarvan! Juist uit hoofde van dien haat, omdat in eene diepte, waarin zelfs haar dreigend oog nog niet kon doordringen, hoewel zij flauw onderscheidde wat er in lag, eene gruwelijke wraak school, waarvan de minste gedachte hare ziel reeds genoeg zou bevlekt hebben, al had zij zich ook huiverend daarvan afgewend.
Zweefde de schim van zulk eene vrouw met hem mede op zijn rit? Geleek die schim naar hetgeen zij werkelijk was, en was zij voor hem zichtbaar?
Ja. Hij zag haar in zijn geest, juist gelijk zij was. Zij vergezelde hem met haar trots, haar wrok, haar haat, even duidelijk zichtbaar voor hem als hare schoonheid—niets was voor hem duidelijker dan dat zij hem haatte. Hij zag haar somtijds trotsch en fier afwijzend voor hem staan, en somtijds voor de hoeven van zijn paard gevallen en in het stof. Maar hij zag haar altijd gelijk zij was, zonder vermomming, en sloeg haar gade op den gevaarlijken weg dien zij ging.
En toen hij zich na zijn rit had verkleed, en met gebogen hoofd, zachte stem en vriendelijken glimlach hare helder verlichte kamer binnentrad, zag hij haar nog even duidelijk. Hij vermoedde zelfs het geheim der gehandschoende hand, en hield die, om dat vermoeden, des te langer in de zijne. Hij bleef haar nog bij op den gevaarlijken weg dien zij ging; en geen voetstap teekende zij daarop, of hij zette daar onmiddellijk zijn eigen voet.
XLVII. DE DONDERSLAG
De scheidsmuur tusschen Dombey en zijne vrouw werd door den tijd niet verzwakt. Voor dat slecht gepaarde paar, ongelukkig in zich zelf en in elkander, door geen band vereenigd dan door de kluister, die hunne geboeide handen samenvoegde, en zoodanig knelde, dat zij, als zij huiverend voor elkander terugweken, tot op het been toe doordrong, kon de tijd, die trooster van droefheid en verzachter van gramschap, niets doen. Hun trots, hoewel verschillend in soort en voorwerp, was gelijk in trap; de steenharde botsing daarvan sloeg een vuur tusschen hen, dat naar omstandigheden mocht smeulen of vlammen, maar alles wat in hun wederzijdsch bereik was verteerde en hun huwelijksweg met asch bestrooide.
Laten wij billijk voor hem zijn. In zijne gedrochtelijke zelfmisleiding en verdwaasdheid, die met ieder uur van zijn leven grooter en erger werd, dreef hij haar voort—hij dacht weinig waarheen; maar zijn gevoel voor haar, zooals het dan was, bleef toch van het begin af hetzelfde. Zij had het groote gebrek om zich op eene onverklaarbare manier tegen de erkentenis van zijn alles te boven gaand gezag te willen verzetten, en niet te willen zien dat zij zich daaraan volkomen behoorde te onderwerpen, en in zooverre was het noodig haar te straffen en te vernederen; maar anders beschouwde hij haar nog, op zijne koele manier, als eene dame die in staat was, indien zij wilde, om zijne keus en zijn naam eer aan te doen, en hem als haar eigenaar nog meer te verhoogen.
Zij daarentegen vestigde, met al de kracht van een hartstochtelijken en trotschen wrok—van dien nacht in hare eigene kamer af, toen zij naar de schaduwen op den muur zat te staren in den donkerder nacht die spoedig zou dalen—haar dreigenden blik van dag tot dag op eene gedaante, en deze gedaante was nog altijd die van haar man.
Was Dombey’s hoofdgebrek, dat hem zoo onverbiddelijk beheerschte, een onnatuurlijke karaktertrek? Het zou somtijds de moeite waard zijn te vragen wat de natuur is, en hoe de menschen haar kunnen bederven, en of het, wanneer haar zoodanig geweld wordt aangedaan, niet natuurlijk wordt onnatuurlijk te zijn. Sluit een zoon of dochter onzer groote moeder in eene enge ruimte op, boei hem aan een denkbeeld vast, kweek en voed dat denkbeeld door de slaafsche hulde van eenige vreesachtige of arglistige menschen, die hem omgeven, en wat is natuurlijk voor den gewilligen gevangene, die zich nooit op de vleugelen van een vrijen geest heeft verheven—vleugelen, die spoedig geheel krachteloos en onbruikbaar worden—om de natuur in hare uitgebreide waarheid te zien!
Helaas, zijn er zoo weinige dingen in de wereld om ons heen, die alleronnatuurlijkst en toch als zoodanig zeer natuurlijk zijn? Hoor den rechter de onnatuurlijke uitvaagsels der maatschappij vermanen, onnatuurlijk in hunne dierlijke levenswijs, onnatuurlijk in hun gebrek aan schaamte, onnatuurlijk daarin dat zij alle onderscheid van goed en kwaad vergeten en verwarren; onnatuurlijk in onkunde, in ondeugd, in roekeloosheid, in weerspannigheid, in gemoed, in uitzicht, in alles. Maar volg den braven geestelijke of geneesheer, die, terwijl hij bij elken ademtocht zijn leven in gevaar stelt, in hunne holen afdaalt, binnen gehoor van de wielen onzer rijtuigen en van onze voetstappen op de straatsteenen. Zie rond in eene wereld van afschuwelijkheden—millioenen van onsterfelijke wezens hebben op aarde geene andere wereld—op welker vermelding alleen de menschheid ijst en de kiesche dame, die in de naaste straat woont, de ooren dichthoudt en lispelt: “Ik geloof het niet!” Adem die besmette lucht, beladen met elke onreinheid, die leven en gezondheid kan vernielen, en laat ieder zintuig, aan ons geslacht tot genot en geluk gegeven, beleedigen en tot eene poort voor ziekte en dood maken. Poog vruchteloos aan eene onschuldige plant, of bloem, of heilzaam kruid te denken, die in dezen rotten grond gezet, haar natuurlijken groei zou kunnen ontwikkelen, en hare blaadjes in den zonneschijn uitspreiden, gelijk God haar bestemd had te doen. En roep dan een akelig kind, misvormd van lichaam en met een gezichtje vol ondeugd, en weid uit over de onnatuurlijke zondigheid van dat kind, en jammer dat het, zoo vroeg, zoo ver van den hemel verwijderd is—maar bedenk dan dat het in de hel ontvangen, geboren en opgevoed werd!
Zij, die de natuurkundige wetenschappen bestudeeren en op de gezondheid des menschen toepassen, zeggen ons dat, indien de schadelijke deeltjes, die uit eene bedorven lucht oprijzen, voor het oog zichtbaar waren, wij ze boven zulke verblijven als eene dichte zwarte wolk zouden zien zweven en langzaam voortrollen om de betere gedeelten der stad te besmetten. Maar indien de zedelijke pest, die te gelijk daarmede oprijst, en volgens de eeuwige wetten der geschondene natuur, onafscheidbaar daarvan is, insgelijks zichtbaar kon worden, welk een geducht schouwspel zou dat zijn! Dan zouden wij zedebederf, goddeloosheid, dronkenschap, diefstal, moord en een langen sleep van namelooze zonden tegen de natuurlijke neigingen der menschheid, boven die heillooze plekken zien zweven en voortsluipen, om de besmetting in nog reine plekken te verspreiden. Dan zouden wij zien hoe dezelfde vergiftige bronnen, die onze hospitalen en pesthuizen vullen, dit ook de gevangenissen en transportschepen van veroordeelden doen, en over zeeën heen nog uitgestrekte werelddeelen met misdaad overstroomen. Dan zouden wij versteld staan, als wij zagen dat, waar wij ziekten telen om onze kinderen neer te vellen en zich op nog ongeborene geslachten voort te planten, wij ook te gelijk eene kindsheid kweeken, die geene onschuld kent, eene jeugd zonder zedigheid of schaamte, een rijpen leeftijd van schuld en smart, een ouderdom zoo ellendig en afzichtelijk, dat hij een smaad is voor de gedaante, die wij dragen. Die natuurlijke menschheid! Wanneer wij druiven van doornen en vijgen van distelen zullen plukken, wanneer koren zal spruiten uit den afval in de achterstraten onzer steden, en rozen zullen bloeien op de vette kerkhoven die zij bevatten; dan zullen wij naar eene natuurlijke menschheid mogen zoeken en haar uit zulk een zaad vinden groeien.
O, kwam er een goede geest, die de daken der huizen afnam, met machtiger en welwillender hand dan de kreupele duivel uit het verhaal, en een christelijk volk toonde, welk eene donkere gedaante er tusschen hunne woningen oprijst om den stoet des verdelgenden engels, die onder hen uitgaat, te vergrooten! Dat men slechts één nacht de bleeke schimmen kon zien, die uit de tooneelen van ons al te lang verzuim oprijzen, en uit de dikke lucht, waarin misdrijven en ziekten zich vermenigvuldigen, een regen van straffen op de maatschappij doen nederdalen! Gezegend en helder zou de morgen zijn, die op zulk een nacht volgde; want de menschen, niet langer vertraagd door struikelblokken van hun eigen maaksel, die slechts spatjes stof zijn op den weg tusschen hen en de eeuwigheid, zouden dan, als wezens van gemeenschappelijken oorsprong, op wie dezelfde plicht jegens den vader des huisgezins rust, zich beijveren om de wereld tot eene betere woonplaats te maken!
Niet te minder gezegend en schoon zou die dag wezen, wanneer hij sommigen deed ontwaken, die nog nooit naar de menschheid en het leven om hen heen hebben rondgezien, om hunne eigene betrekking daarmede op te merken, en te begrijpen hoe onnatuurlijk hunne bekrompene begrippen en gevoelens zijn, die evenwel, wanneer zij zich eens hebben gevestigd, zich zoo natuurlijk ontwikkelen, als ooit de verbastering der natuur gedaan heeft.
Geen zoodanige dag daagde ooit voor Dombey en zijne vrouw, en beide vervolgden hun weg.
Gedurende zes maanden, die na zijn ongeluk verliepen, bleven zij in dezelfde betrekking tot elkander. Geene marmeren rots had hem onverzettelijker in den weg kunnen staan dan zij deed; en geene bevrozene bron, voor elken lichtstraal verborgen in de diepte eener sombere grot gelegen, kon donkerder en kouder zijn dan hij.
De hoop, die in haar ontwaakt was toen haar nieuw thuis haar een nieuw leven scheen te beloven, was geheel uit Florence’s hart verdwenen. Dat thuis was bijna twee jaren oud, en zelfs haar geduldig vertrouwen kon de dagelijksche teleurstelling van zulk eene ondervinding niet overleven. Indien er nog een zweem van hoop bij haar bestond, dat Edith en haar vader eens gelukkiger met elkander zouden zijn, zij had toch nu geene de minste hoop dat haar vader haar ooit zou liefhebben. De korte tusschenpoos, waarin zij zich verbeeld had dat zij hem eenigszins zag verzachten, was nu vergeten in de lange herinnering van zijne koelheid vroeger en later, of werd alleen nog maar als een zelfbedrog herdacht.
Florence had hem nog lief, maar was er langzamerhand toe gekomen om hem veeleer lief te hebben als een dierbaar wezen, dat eens had bestaan of kunnen bestaan, dan als de harde werkelijkheid voor hare oogen. Iets van de zachte treurigheid, waarmede zij de nagedachtenis van den kleinen Paul of van hare moeder liefhad, scheen zich nu met hare gedachten aan hem te vereenigen en deze als het ware tot eene dierbare herinnering te maken. Of het zoo was omdat hij voor haar dood was, en gedeeltelijk om deze reden, gedeeltelijk om zijne betrekking tot de oude voorwerpen harer genegenheid en de teedere hoop, die zij zoolang had gekoesterd, had zij niet kunnen zeggen; maar de vader, dien zij liefhad, begon een onbestemd en droomerig denkbeeld voor haar te worden, dat bijna even weinig met haar werkelijk leven in zelfstandig verband stond als het beeld dat zij somtijds van haar broeder opriep, alsof hij nog leefde en tot een man opgroeide, die haar zou beschermen en liefhebben.
Deze verandering, als het verandering mag genoemd worden, had haar even langzaam bekropen als de overgang uit de kindsheid in den vrouwelijken leeftijd, en was daarmede gepaard gegaan. Florence was bijna zeventien jaren, toen zij zich onder haar eenzaam gepeins van deze gedachten bewust werd.
Zij was nu dikwijls alleen, want de vroegere omgang tusschen haar en hare mama was zeer verminderd. Ten tijde van haar vaders ongeval, toen hij beneden in zijne kamer lag, had Florence het eerst opgemerkt dat Edith haar vermeed. Gegriefd en bedroefd, en toch buiten staat om dit vermijden overeen te brengen met hare hartelijkheid als zij elkander zagen, ging zij haar nog eens des avonds in hare kamer opzoeken.
“Mama,” zeide Florence, zachtjes naast haar komende, “heb ik u boos gemaakt?”
Edith antwoordde: “Neen.”—“Ik moet toch iets gedaan hebben,” zeide Florence. “Zeg mij wat het is. Gij zijt geheel voor mij veranderd, lieve mama. Ik kan niet zeggen hoe gauw ik de minste verandering gevoel; want ik heb u lief met geheel mijn hart.”—“Evenals ik u,” zeide Edith. “Ach, Florence, geloof mij, nooit liever dan nu.”—“Waarom gaat gij dan zoo dikwijls van mij af en blijft van mij weg?” zeide Florence. “En waarom ziet ge mij somtijds zoo vreemd aan, mama? Gij doet toch immers zoo, niet waar?”
Edith gaf met hare donkere oogen hare toestemming te kennen.
“Waarom?” hervatte Florence smeekend. “Zeg mij toch waarom, dat ik weten mag hoe ik het u beter naar den zin zal maken; en zeg mij dat het niet meer zoo zal wezen.”—“Mijne Florence,” zeide Edith, de hand vattende, die om haar hals was geslagen, en in de oogen ziende die zoo liefdevol in de hare zagen, terwijl Florence voor haar op den grond knielde, “waarom het is kan ik u niet zeggen. Het voegt mij niet het u te zeggen, en u niet het te hooren; maar dat het zoo is, en zoo wezen moet, weet ik. Zou ik het doen, als ik dat niet wist?”—“Moeten wij dan vervreemd worden, mama?” zeide Florence, haar aanstarende alsof zij verschrikt was.
Edith’s zwijgende lippen vormden een “ja.”
Florence zag haar met toenemende vrees en verwondering aan, tot zij haar niet meer kon zien door de tranen, die over hare wangen rolden.
“Florence! Mijn liefste leven!” zeide Edith. “Luister naar mij! Ik kan die droefheid niet aanzien. Bedaar! Gij ziet dat ik bedaard ben, en zou het mij onverschillig wezen?”
Zij hernam haar vasten toon toen zij deze laatste woorden uitsprak, en vervolgde weldra:
“Niet geheel vervreemd. Gedeeltelijk, en dat maar in schijn, Florence; want in mijn hart ben ik nog dezelfde voor u, en zal dat altijd wezen. Maar wat ik doe, doe ik niet voor mij zelve.”—“Is het dan voor mij, mama?” zeide Florence.—“Het is genoeg te weten dat het zoo is,” antwoordde Edith, na eene poos zwijgens; “waarom komt er weinig op aan. Lieve Florence, het is beter—het is noodig—het moet zoo zijn—dat onze omgang minder druk zal worden. De vertrouwelijkheid, die tusschen ons bestaan heeft, moet worden afgebroken.”—“Wanneer?” riep Florence uit. “O, mama, wanneer?”—“Nu,” zeide Edith.—“Voor altijd?” zeide Florence.—“Dat zeg ik niet,” antwoordde Edith. “Dat weet ik niet. Ik wil ook niet zeggen, dat de gemeenschap tusschen ons, ten beste genomen, eene onvoegzame en onheilige vereeniging is, waarvan ik wel had kunnen weten dat geen goed kon komen. Mijn weg hier heeft langs paden geloopen, die gij nooit zult betreden, en mijn weg voortaan ligt misschien—God weet het—ik zie het niet.”
Hare stem stierf weg; en zij bleef Florence zitten aanzien met denzelfden vreemden angst, dien het meisje nog eens had opgemerkt. Daarop volgde dezelfde uitbarsting van woesten trots, die over hare trekken vloog gelijk een toornig wanluidend accoord over de snaren eener harp. Maar geene weemoedigheid of nederigheid volgde daarop. Zij liet haar hoofd nu niet schreiend zinken, en zeide niet dat zij geene hoop had dan in Florence. Zij hield het op, alsof zij eene schoone Medusa was en hem aanstaarde om hem dood te doen neervallen. Ja, dat zou zij gedaan hebben als zij die tooverkracht had bezeten.
“Mama,” zeide Florence angstig, “er is eene verandering bij u, in meer dan gij mij nu zegt, die mij ongerust maakt. Laat mij nog wat bij u blijven.”—“Neen,” antwoordde Edith, “neen, liefje. Ik ben nu best alleen gelaten, en ik doe best mij nu vooral van u verwijderd te houden. Vraag mij niets; maar geloof mij: als ik u wispelturig of grillig voorkom, ben ik dat niet uit eigene beweging of voor mij zelve. Geloof, al zijn wij vreemder voor elkander dan voorheen, dat ik innerlijk onveranderd voor u ben. Vergeef mij dat ik uwe donkere woning ooit verdonkerd heb—ik ben eene schaduw daarop, dat weet ik wel—en laten wij nooit weer hierover spreken.”—“Mama,” snikte Florence, “wij moeten toch niet scheiden?”—“Wij doen dit om niet te moeten scheiden,” zeide Edith. “Vraag niet meer. Ga nu heen, Florence. Mijne liefde en mijn berouw gaan met u mede.”
Zij omhelsde haar nog en zond haar weg; en toen Florence de kamer uitging, zag Edith haar na, alsof haar Engel haar in die gedaante begaf, en haar overliet aan de woeste hartstochten, die haar nu opeischten en hun zegel op haar voorhoofd drukten.
Van dat uur af waren Florence en zij niet meer wat zij vroeger waren geweest. Dagen lang zagen zij elkander zeer zelden, behalve aan tafel en wanneer Dombey er bij was. Dan hield Edith zich stijf en stil en zag haar niet aan. Wanneer Carker bij het gezelschap was—gelijk gedurende Dombey’s herstel en later dikwijls gebeurde, hield Edith zich nog meer van haar af dan anders. Evenwel ontmoetten zij en Florence elkander nooit zonder getuigen, of zij omhelsde haar even hartelijk als ooit, hoewel hare trotsche trekken zich daarbij niet gelijk vroeger ontspanden; en dikwijls, wanneer zij laat was uitgebleven, sloop zij, gelijk zij placht te doen, in het donker naar Florence’s kamer en fluisterde: “Goeden nacht!” bij hare peluw. Wanneer Florence in haar sluimer onbewust bleef van zulk een bezoek, ontwaakte zij somtijds als uit een droom van deze woorden, zacht gesproken, en scheen dan de aanraking van lippen op hare wang te voelen. Maar dit gebeurde al minder en minder naarmate de maanden verliepen.
En nu begon de ledigheid in Florence’s hart waarlijk eene eenzaamheid om haar heen te veroorzaken. Gelijk het beeld van den vader, dien zij liefhad, langzamerhand eene hersenschim voor haar was geworden, zoo volgde Edith het noodlot van allen, aan welke haar hart zich had gehecht, en werd dagelijks meer eene in de verte verdwijnende schim. Langzamerhand verwijderde zij zich meer van Florence; langzamerhand scheen de kloof tusschen haar breeder en dieper te worden; langzamerhand verdween al die teederheid, die zij getoond had, in de trotsche, toornige verhardheid waarmede zij, ongezien door Florence, op den rand van een diepen afgrond had gestaan, waarin zij niet durfde nederzien.
Er was maar ééne overweging welke zij tegen het zware verlies van Edith kon overplaatsen, en schoon deze haar geprangd hart maar weinig troost gaf, poogde zij toch te denken dat zij verademing daarin vond. Niet langer verdeeld tusschen hare liefde en haar gevoel van plicht jegens de twee, kon Florence beiden liefhebben zonder een van beiden onrecht te doen. Als hersenschimmen harer teedere verbeelding, kon zij beiden eene gelijke plaats in haar hart geven, zonder hen door twijfelingen te beleedigen.
Zoo poogde zij te doen. Somtijds drongen zich ook wel verwonderde gissingen naar de oorzaak dezer verandering bij Edith aan haar op, en beangstigden haar; maar in de kalmte harer eenzaamheid, weder aan hare stille smart overgelaten, was zij niet nieuwsgierig. Florence kon niet anders doen dan zich herinneren dat hare ster van hoop door de somberheid, die het geheele huis overdekte, beneveld was, en dan schreien en berusten.
Zoo levende, in een droom, waarin de overstroomende liefde van haar jeugdig hart aan hersenschimmige gedaanten werd verspild, en in eene werkelijkheid waarin zij weinig anders ondervond, dan dat hare liefde overal werd teruggewezen, werd Florence zeventien jaren. Hoewel haar eenzaam leven haar schuw en vreesachtig had doen worden, had het haar zacht humeur niet bedorven en haar gemoed niet verbitterd. Een kind in argelooze eenvoudigheid, eene vrouw in bescheiden zelfvertrouwen en in haar innig en vurig gevoel, scheen zoowel het kind als de vrouw zich uit te drukken in haar bevallig gezichtje en hare tengere gestalte, en schenen beide zich daarin op het bekoorlijkst te paren;—alsof de lente onwillig was om te vertrekken toen de zomer kwam, en de vroegste schoonheid van den bloemknop zich met de volle ontwikkeling der bloem poogde te vereenigen. Maar in hare trillende stem, in hare kalme oogen, somtijds in een vreemd bovenaardsch licht, dat om haar hoofd scheen te zweven, en altijd in iets peinzends, dat hare schoonheid vergezelde, lag iets dat zoodanig aan het doode kind herinnerde, dat de raad in de bediendenkamer er over fluisterde en het hoofd schudde, en des te meer at en dronk, in een nauwer verbond van goede kameraadschap.
Dit alles opmerkende verbond had veel te zeggen over mijnheer en mevrouw Dombey en over mijnheer Carker, die onderhandelaar tusschen deze twee scheen te zijn en gedurig kwam en ging, alsof hij zijn best deed om vrede te stichten, zonder dit ooit te kunnen doen. Allen betreurden den gespannen toestand, en allen waren het eens dat mevrouw Pipchin (wier impopulariteit onovertreffelijk was) er op eene of andere manier de hand in had; maar over het geheel was het toch aangenaam zulk een rijk onderwerp tot vereenigingspunt te hebben, en men onderhield er zich uitstekend mede.
De bekenden, die aan huis kwamen en bij wie mijnheer en mevrouw Dombey aan huis kwamen, vonden hen, in allen gevalle, wat trotschheid betrof, zeer wel gepaard, en dachten er niet verder over. De jonge dame met den rug kwam zich na mevrouw Skewton’s dood een tijd lang niet vertoonen, en verklaarde hare bijzondere vriendinnen, met haar gewoon innemend gilletje, dat zij de familie niet kon zien zonder aan grafzerken en dergelijke akeligheden te denken; maar toen zij kwam zag zij niets dat zij niet goedvond, behalve dat Dombey een tros gouden cachetten aan zijn horloge droeg, hetgeen haar ergerde als iets dat ouderwetsch was. Deze jeugdige hartenroofster vond ook eene stiefdochter op zich zelf een bezwaar; anders had zij niets tegen Florence, behalve dat zij niet elegant genoeg was—hetgeen misschien moest beduiden dat zij haar rug niet genoeg liet zien. Velen, die slechts bij plechtige gelegenheden in huis kwamen, wisten nauwelijks wie Florence was, en zeiden als zij naar huis gingen: “Zoo, was dat jufvrouw Dombey, in dien hoek? Heel aardig, maar een beetje teer en betrokken van uitzicht!”
Niet minder teer en betrokken, zekerlijk, door haar leven in de laatste zes maanden, nam Florence plaats aan de tafel, op den dag voor den tweeden verjaardag van haar vaders huwelijk met Edith (toen de eerste verjaardag kwam had mevrouw Skewton aan eene beroerte gelegen) met eene innerlijke onrust, die bijna tot angst klom. Zij had daarvoor geene andere reden, dan de herinnering van den dag, de uitdrukking van haar vaders gezicht, toen zij een haastigen blik daarop wierp, en de tegenwoordigheid van Carker, die haar altijd onaangenaam was, maar thans onaangenamer dan ooit te voren.
Edith was kostbaar gekleed, want zij en Dombey zouden des avonds naar eene groote assemblée gaan en men dineerde dien dag laat. Zij verscheen niet voordat men aan tafel zat, als wanneer Carker opstond en haar naar haar stoel bracht. Schoon en luisterrijk als zij was, had zij echter iets in gelaat en houding dat haar voortaan hopeloos van Florence en ieder ander scheen af te zonderen. En toch zag Florence voor een oogenblik een straal van welwillendheid in hare oogen, toen deze op haar gevestigd werden, die den afstand, waarop zij zich teruggetrokken had, tot eene grootere reden van spijt en droefheid maakte dan ooit.
Er werd onder het diner zeer weinig gesproken. Florence hoorde haar vader somtijds tot Carker over handelszaken spreken, en dezen zacht antwoord geven; maar zij lette weinig op hetgeen er gezegd werd en wenschte maar, dat het diner ten einde was. Toen het dessert was opgezet, en er geen bediende meer in de kamer was, zeide Dombey, nadat hij eenige malen, op eene manier die niets goeds voorspelde, zijne keel had geschraapt:
“Mevrouw Dombey, gij weet, naar ik meen, dat ik de huishoudster heb onderricht, dat er morgen eenige gasten zullen komen dineeren.”—“Ik dineer niet thuis,” antwoordde zij.—“Geen groot gezelschap,” vervolgde Dombey, zich willende houden alsof hij haar niet gehoord had, hetgeen hem echter niet best gelukte; “maar twaalf of veertien personen. Mijne zuster, majoor Bagstock en eenige anderen die gij maar even kent.”—“Ik dineer niet thuis,” herhaalde zij.—“Hoewel het twijfelachtig mag zijn, mevrouw Dombey,” zeide hij, nog deftig voortgaande, alsof zij niet gesproken had, “of ik reden heb om de gelegenheid tegenwoordig juist in zeer genoeglijk aandenken te houden, is er in zulke dingen een schijn, die voor de wereld moet bewaard worden. Als gij geene achting voor u zelve hebt, mevrouw Dombey...”—“Dat heb ik niet,” zeide zij.—“Mevrouw,” viel Dombey uit, met zijne hand op de tafel slaande, “hoor mij aan als het u belieft. Ik zeg, als gij geene achting voor u zelve hebt...”—“En ik zeg, dat heb ik niet,” antwoordde zij.
Hij zag haar aan; maar het gezicht dat zij hem vertoonde zou niet veranderd zijn, al had de dood zelf haar aangezien.
“Carker,” zeide Dombey, zich met meer bedaardheid naar dezen heer keerende, “daar gij bij vorige gelegenheden mijn middel van gemeenschap met mevrouw Dombey zijt geweest, en ik, zoover mij persoonlijk betreft, de welvoeglijkheid verkies in acht te nemen, zal ik u verzoeken de goedheid te hebben om mevrouw Dombey te onderrichten, dat, indien zij geene achting voor zich zelve heeft, ik nog achting voor mij zelven heb, en daarom aandring op mijne schikkingen voor morgen.”—“Zeg uw souvereinen meester, mijnheer,” zeide Edith, “dat ik verlof wilde verzoeken om hem straks daarover te spreken, en dat ik hem alleen wilde spreken.”—“Daar mijnheer Carker, mevrouw,” zeide haar echtgenoot, “bewust is van de reden, die mij verplicht om u dat voorrecht te weigeren, zal hij van het overbrengen van zulk eene boodschap ontheven zijn.”
Hij zag terwijl hij sprak hare oogen bewegen, en volgde ze met de zijne.
“Uwe dochter is nog hier, mijnheer,” zeide Edith.—“Mijne dochter zal hier blijven,” antwoordde Dombey.
Florence, die was opgestaan, zette zich weder, en verborg bevende haar gezicht met hare handen.
“Mijne dochter, mevrouw,” begon Dombey.
Maar Edith stuitte hem met eene stem, die hoewel in het minst niet luider dan anders, zoo helder, nadrukkelijk en duidelijk was, dat men ze in eene stormvlaag had kunnen hooren.
“Ik zeg u, dat ik u alleen wilde spreken,” zeide zij. “Als gij niet razend zijt, geef dan acht op wat ik zeg.”—“Ik heb het recht en de macht, mevrouw,” antwoordde haar echtgenoot, “om te spreken waar en wanneer het mij belieft; en het belieft mij nu en hier...”
Zij stond op, als om de kamer te verlaten; maar zij zette zich weder neder, en hem met uitwendige kalmte aanziende, zeide zij met dezelfde stem:
“Dat zult gij dan.”—“Ik moet u eerst zeggen, mevrouw,” zeide Dombey, “dat er iets dreigends in uw voorkomen is, dat u niet past.”
Zij lachte. De diamanten in haar kapsel trilden er van. Er zijn fabelen van edele steenen, die bleek en dof werden, wanneer die ze droeg, in gevaar verkeerde. Indien deze diamanten zulke steenen waren geweest, zouden de daarin gevangene lichtstralen op dat oogenblik de vlucht genomen, en zouden zij zoo dof als lood zijn geworden.
Carker luisterde met neergeslagene oogen.
“Wat mijne dochter aangaat mevrouw,” zeide Dombey, den draad zijner rede weder opvattende, “is het geenszins onbestaanbaar met haar plicht jegens mij, dat zij wete welk gedrag zij behoort te vermijden. Voor het tegenwoordige zijt gij een zeer krachtig voorbeeld van dien aard, en ik hoop dat zij daaruit nut zal trekken.”—“Ik zou u nu niet willen stuiten,” antwoordde zijne vrouw, onveranderlijk in blik, stem en houding, “ik zou niet willen opstaan en heengaan, om u het uiten van een enkel woord te besparen, al stond de kamer in brand.”
Dombey bewoog even zijn hoofd, als ware het om spottend voor die oplettendheid te danken, en sprak voort, maar niet met zooveel bedaardheid als te voren; want Edith’s gevoeligheid voor hetgeen Florence betrof, en hare onverschilligheid voor hem en zijn ongenoegen, staken en prikkelden hem, gelijk eene onverbonden verstijvende wond.
“Mevrouw Dombey,” zeide hij, “het zal misschien voor mijne dochter niet nutteloos zijn te vernemen, hoe beklagenswaardig en hoe strafbaar eene stugheid van gemoedsaard is, vooral wanneer deze wordt ingevolgd—met ondankbaarheid ingevolgd, wil ik er bijvoegen,—nadat eerzucht en belangzucht bevredigd zijn; welke beide, geloof ik, er eenig deel aan hadden om u te bewegen, om uwe tegenwoordige plaats aan deze tafel in te nemen.”—“Neen,” herhaalde zij, op volmaakt denzelfden toon als te voren; “ik zou niet willen opstaan en heengaan, om u het uiten van een enkel woord te besparen, al stond de kamer in brand.”—“Het mag niet onnatuurlijk wezen, mevrouw,” vervolgde hij, “dat gij slecht op uw gemak zijt in het bijzijn van toehoorders van zulke onaangename waarheden, schoon ik niet begrijp hoe—” hij kon hier zijn waar gevoel niet verbergen, en zich niet weerhouden van een somberen blik naar Florence te werpen,—“hoe iemand daaraan meer kracht en nadruk kan geven dan ik zelf, wien zij zoo nabij betreffen. Het mag natuurlijk genoeg wezen, dat gij er tegen hebt om in iemands bijzijn te hooren, dat er een beginsel van weerspannigheid in u is, dat gij niet te spoedig kunt bedwingen; dat gij moet leeren bedwingen, mevrouw Dombey; en dat ik met leedwezen moet zeggen, dat ik reeds met twijfel en ongenoegen—vóór ons huwelijk bij meer dan eene gelegenheid tegen uwe overledene moeder heb zien uitblinken. Maar gij hebt het middel daartegen in uwe macht. Ik vergat geenszins, toen ik begon, dat mijne dochter aanwezig was, mevrouw Dombey. Ik verzoek dat gij morgen niet zult vergeten, dat er verscheidene personen aanwezig zijn, en dat gij, met zekere achting voor den schijn, uw gezelschap op eene behoorlijke manier zult ontvangen.”—“Dus is het niet genoeg,” zeide Edith, “dat gij weet, wat er tusschen u en mij is voorgevallen; het is niet genoeg, dat gij hierheen kunt zien”—naar Carker wijzende, die nog met neergeslagen oogen zat te luisteren—“en u herinneren, welke vernederingen gij mij hebt gedaan; het is niet genoeg dat gij hierheen kunt zien,” naar Florence wijzende, met eene hand, die voor de eerste en eenige maal eenigszins beefde, “en denken aan hetgeen gij gedaan hebt, en aan het welberekende zieleleed, dat gij mij daardoor elken dag en ieder uur hebt doen gevoelen; het is niet genoeg dat deze dag, boven alle andere in het jaar, voor mij gedenkwaardig is door een zielestrijd (wel verdiend, maar voor iemand als gij niet te begrijpen) waarin ik wenschte dat ik gestorven was. Gij voegt bij dat alles nog de laatste alles bekronende laagheid, om haar tot getuige te maken van de diepte waartoe ik gevallen ben; terwijl gij weet, dat gij mij aan hare rust het eenige zachte gevoel, de eenige reine belangstelling van geheel mijn leven hebt doen opofferen; terwijl gij weet, dat ik om harentwil nu nog als ik kon—maar ik kan niet, mijne ziel heeft al te veel afschuw voor u—mij geheel aan uw wil zou willen onderwerpen, en de ootmoedigste van uwe slaven zijn.”
Dit was de manier niet om Dombey’s grootheid te huldigen. Door hetgeen zij zeide werd het oude gevoel weder bij hem opgewekt, krachtiger en woester dan ooit. Wederom werd, in dit pijnlijke tijdsgewricht van zijn leven, zijn verwaarloosd kind, zelfs door deze weerspannige vrouw, voor hem geplaatst, als machtig waar hij machteloos was, als alles waar hij niets was!
Hij keerde zich naar Florence, alsof zij het was, die gesproken had, en beval haar de kamer te verlaten. Florence ging, bevende en schreiende en met de handen voor de oogen.
“Ik begrijp, mevrouw,” zeide Dombey met eene hoogere kleur van gramschap, maar vol zegepralenden trots, “den geest van oppositie wel, die uwe neigingen deze richting heeft doen nemen; maar men heeft dat gezien, mevrouw, en gestuit.”—“Des te erger voor u,” antwoordde zij, nog met onveranderde stem en houding. “Ja!” want hij keerde zich scherp naar haar om toen zij dit zeide; “want wat voor mij des te erger is, is twintig millioen malen des te erger voor u. Geef acht daarop, al geeft gij op niets anders acht.”
De boog van diamanten, die hare donkere lokken overspande, flikkerde en schitterde als eene brug van sterren. Zij hadden geen waarschuwend vermogen, of zij zouden zoo dof zijn geworden als geschondene eer. Carker bleef nog met neergeslagen oogen zitten luisteren.
“Mevrouw Dombey,” zeide Dombey, zooveel hij kon van zijne laatdunkende bedaardheid hernemende, “gij zult mij door zulk een gedrag niet bevredigen of van eenig voornemen doen afzien.”—“Het is de eenige ware, al is het eene flauwe uitdrukking van wat er in mijn binnenste is,” antwoordde zij. “Maar als ik dacht dat het u zou bevredigen, zou ik het bedwingen, als het door menschelijke kracht te bedwingen was. Ik wil niets doen dat gij vraagt.”—“Ik ben niet gewoon om te vragen, mevrouw Dombey,” merkte hij aan. “Ik beveel.”—“Ik zal morgen, of wanneer ooit zulk een dag als morgen terugkomt, geene plaats in uw huis bekleeden. Ik wil aan niemand vertoond worden als de weerspannige slavin, die gij op zulk een dag gekocht hebt. Als ik mijn trouwdag gedachtig was, zou het zijn als een dag van schaamte en schande. Achting voor mij zelve! schijn voor de wereld! Wat zijn zulke dingen voor mij? Gij hebt alles gedaan wat gij kondt om ze niets voor mij te doen worden, en zij zijn niets.”—“Carker,” zeide Dombey, na een oogenblik bedenkens, met saamgetrokkene wenkbrauwen, “mevrouw Dombey vergeet zich zelve en mij zoozeer, en plaatst mij in eene positie, die mijn karakter zoo weinig voegt, dat ik aan dien staat van zaken een eind moet maken.”—“Laat mij dan vrij,” zeide Edith, onveranderlijk van stem, uitzicht en houding, gelijk zij aldoor geweest was, “van de keten die mij bindt. Laat mij gaan.”—“Mevrouw?” riep Dombey uit.—“Laat mij los. Stel mij weder in vrijheid!”—“Mevrouw?” herhaalde hij. “Mevrouw Dombey?”—“Zeg hem,” zeide Edith, haar trotsch gelaat naar Carker omkeerende, “dat ik eene echtscheiding verlang. Dat het beter zou zijn als die plaats had. Dat ik hem dit aanraad. Zeg hem, dat zij op zijne eigene conditiën kan plaats hebben—zijn geld is niets voor mij—maar dat het niet te spoedig kan zijn.”—“Goede hemel, mevrouw Dombey!” zeide haar echtgenoot, met statige verbazing, “verbeeldt gij u de mogelijkheid, dat ik ooit naar zulk een voorstel zou kunnen luisteren? Weet ge wel wie ik ben, mevrouw? Weet gij wel wat ik representeer? Hebt gij wel ooit van Dombey en Zoon gehoord? De menschen zeggen, dat mijnheer Dombey—mijnheer Dombey—van zijn vrouw gescheiden was! Gemeene lieden over mijnheer Dombey en zijne huiselijke omstandigheden praten! Denkt gij in ernst, mevrouw, dat ik zou dulden, dat mijn naam zoo in opspraak kwam? Foei, mevrouw, foei, schaam u! Gij wordt ongerijmd.” Dombey lachte werkelijk.
Maar niet gelijk zij lachte. Zij zou beter dood zijn geweest, dan zoo te lachen als zij nu deed, met haar strakken blik op hem gevestigd. Hij zou beter dood zijn geweest, dan dat hij haar zoo statig zat aan te hooren.
“Neen, mevrouw Dombey,” hervatte hij. “Neen, mevrouw. Er is geene scheiding tusschen u en mij mogelijk, en daarom raad ik u des te meer de oogen te openen voor het besef van uw plicht. En, Carker, gelijk ik u wilde zeggen...”
Carker, die al dien tijd had zitten luisteren, sloeg nu zijne oogen op, waarin een buitengewone glans flikkerde.
“Gelijk ik u wilde zeggen,” hervatte Dombey, “moet ik u verzoeken, nu de zaak zoover gekomen is, om mevrouw Dombey te onderrichten, dat het geen regel van mijn leven is, mij door iemand te laten dwarsboomen—of te dulden, dat er door hen, die mij gehoorzaamheid schuldig zijn, met iemand gepronkt wordt als eene sterkere reden tot gehoorzaamheid dan ik zelf ben. De melding die van mijne dochter gemaakt wordt, en het gebruik dat er van mijne dochter, in oppositie tegen mij, gemaakt wordt, zijn iets onnatuurlijks. Of mijne dochter werkelijk in verbond met mevrouw Dombey is, weet ik niet en kan mij niet schelen; maar na hetgeen mevrouw Dombey vandaag gezegd heeft, en mijne dochter vandaag gehoord heeft, verzoek ik u mevrouw Dombey te doen weten, dat ik, als zij voortgaat met dit huis tot een tooneel van oneenigheid te maken, mijne dochter, volgens de eigene bekentenis dier dame, eenigermate verantwoordelijk daarvoor zal achten, en haar mijn gestreng ongenoegen zal laten ondervinden. Mevrouw Dombey heeft gevraagd of het niet genoeg was, dat zij dit en dat had gedaan. Gij zult zoo goed zijn haar te antwoorden—neen, het is niet genoeg.”—“Een oogenblikje,” viel Carker er op in. “Neem mij niet kwalijk. Zoo pijnlijk als mijne positie, ten beste genomen, is, buitengewoon pijnlijk, daar ik moet schijnen in gevoelen van u te verschillen,” dit was tot Dombey gericht, “moet ik u toch vragen, zoudt ge niet beter doen met nog eens over dat punt van eene scheiding te denken? Ik weet wel hoe onvereenigbaar zoo iets met uwe hooge openbare positie moet schijnen, en ik weet wel hoe ernstig gij het meent als gij mevrouw Dombey te verstaan geeft”—zijn blik viel op haar, terwijl hij die woorden een voor een uitsprak, zoo duidelijk van elkander afgezonderd als zoovele klokslagen—“dat niets dan de dood u ooit kan scheiden. Niets anders. Maar als gij bedenkt dat mevrouw Dombey, door in dit huis te blijven wonen, en het, gelijk gij zegt, tot een tooneel van oneenigheid te maken, niet alleen voor zich zelve handelt, maar ook dagelijks jufvrouw Dombey compromitteert (want ik weet hoe ernstig gij zoo iets meent), wilt gij haar dan niet ontheffen van zulk eene gedurige kwelling als het gevoel van iemand anders te benadeelen voor haar wezen moet? Schijnt dit niet eenigszins—ik zeg niet dat het zoo is—alsof gij mevrouw Dombey aan het behoud van uwe uitstekende en onaantastbare positie opoffert?”
Wederom viel zijn blik op haar, terwijl zij haar man met een zonderlingen, dreigenden glimlach aanzag.
“Carker,” antwoordde Dombey met statig misnoegen, en op een toon, die beduiden moest dat hij daarmede aan alles een eind maakte, “gij vergist u in uwe positie door mij op zulk een punt raad te willen geven, en gij vergist u (tot mijne verwondering) in mij, wat den aard van uw raad betreft. Ik heb niet meer te zeggen.”—“Misschien,” zeide Carker, met iets hoonends in zijn toon, dat wel zonderling maar moeielijk bepaald aan te duiden was, “hebt gij u in mijne positie vergist, door mij te vereeren met de onderhandelingen waarin ik hier betrokken ben geweest.” Hij wuifde met de hand naar mevrouw Dombey.—“Volstrekt niet, mijnheer, volstrekt niet,” antwoordde de ander trotsch. “Gij werdt gebruikt...”—“Als een ondergeschikte, om mevrouw Dombey des te meer te vernederen. Dat vergat ik. O ja, dat was uitdrukkelijk bepaald,” zeide Carker. “Ik verzoek u wel verschooning.”
Terwijl hij voor Dombey zijn hoofd boog, met eene onderdanigheid die slecht met zijne woorden strookte, hoewel zijn toon ook zeer nederig was, keerde hij het naar den kant van Edith om en hield hij zijne waakzame oogen op haar gevestigd.
Beter dat zij afschuwelijk leelijk was geworden en dood was neergevallen, dan dat zij opstond met zulk een glimlach op haar gelaat en met de schoonheid en den hoonenden trots van een gevallen engel. Zij bracht hare hand naar den diadeem van juweelen, die op haar hoofd schitterde, en rukte hem af met een geweld, dat hare welige zwarte lokken deed losraken en over hare schouders vallen. Toen wierp zij de juweelen op den grond. Zij rukte van elken arm eene diamanten bracelet los, smeet ze neer en trapte op den flikkerenden hoop. Zonder een woord te spreken, zonder dat het vuur in hare oogen eenigszins verflauwde, zonder dat haar geduchte glimlach eenigszins veranderde, bleef zij, terwijl zij naar de deur ging, Dombey tot het laatste toe aanzien; en zoo verliet zij hem.
Florence had, eer zij de kamer uitging, genoeg gehoord, om te weten, dat Edith haar nog liefhad, dat zij om harentwil had geleden, en dat zij hare opoffering had stilgehouden, uit vrees van hare rust te storen. Zij wilde haar niet daarover spreken—zij kon dit niet doen, daar zij bedacht tegen wien Edith in opstand was—maar zij wenschte haar door eene stille, hartelijke omhelzing te verzekeren, dat zij dat alles gevoelde en haar dankbaar was.
Haar vader ging dien avond alleen uit, en Florence, kort daarna uit hare kamer komende, liep het huis door om Edith te zoeken, maar vruchteloos. Zij was in hare eigene vertrekken, waarin Florence sedert lang niet geweest was, en nu niet durfde komen, uit vrees van aanleiding tot nog meer ongenoegen te geven. Florence hoopte haar echter nog te ontmoeten eer zij naar bed ging, en dwaalde van kamer tot kamer door het zoo prachtige en akelige huis, zonder zich ergens lang op te houden.
Zij ging een kleinen gang langs, die een weinig verder op de trap uitkwam, en alleen bij groote gelegenheden verlicht werd, toen zij aan het einde een man de trap zag afkomen. Thans bevreesd voor haar vader, dien zij dacht dat het was, bleef zij in het donker staan en keek uit op de verlichte trap. Maar het was Carker, die alleen naar beneden kwam en over de leuning naar het voorhuis keek. Er werd niet gescheld om zijn heengaan aan te kondigen, en geen bediende liet hem uit. Hij ging stil naar beneden, opende zelf de deur en trok die zachtjes achter zich dicht.
Haar onoverwinnelijke afkeer van dezen man, en misschien het gevoel dat zij iemand bespiedde, hetwelk zelfs onder zulke omstandigheden altijd iets benauwends en beschamends heeft, deden Florence van het hoofd tot de voeten beven. Zij huiverde. Zoodra zij kon—want in het eerst durfde zij zich niet bewegen—ging zij snel naar hare eigene kamer en sloot de deur; maar zelfs toen, met haar hond bij haar opgesloten, gevoelde zij een killen angst, alsof ergens in hare nabijheid gevaar dreigde.
Dit gevoel bleef haar zelfs in hare droomen bij en hield haar den geheelen nacht in onrust. Des morgens onverkwikt en met eene benauwende herinnering van het huiselijk ongenoegen van den vorigen dag opstaande, zocht zij Edith wederom in al de kamers, en dit deed zij van tijd tot tijd den geheelen ochtend. Maar Edith bleef in hare eigene kamer, en Florence zag haar niet. Toen zij echter vernam dat het voorgenomen diner thuis was uitgesteld, achtte Florence het waarschijnlijk dat Edith des avonds, volgens haar vroeger besluit, zou uitgaan, en nam zij zich voor dan te beproeven om haar op de trap te ontmoeten.
Toen de avond gevallen was hoorde zij in de kamer, waarin zij met voordacht was gaan zitten, een voetstap op de trap, dien zij voor Edith’s voetstap hield. De deur uitsnellende en naar boven gaande kwam Florence haar terstond te gemoet. Edith kwam alleen naar beneden.
Maar hoe schrikte Florence, toen Edith, zoodra zij haar zag, met haar betraand gezichtje en hare uitgestrekte armen, terugdeinsde en gilde.
“Kom mij niet nabij!” riep zij. “Blijf weg! Laat mij voorbij!”—“Mama!” zeide Florence.—“Noem mij niet bij dien naam! Spreek niet tegen mij! Zie mij niet aan!—Florence!” nog verder terugdeinzende, toen Florence een stap naar haar toekwam, “raak mij niet aan!”
Toen Florence als versteend voor haar strak gezicht en starende oogen staan bleef, zag zij, als in een droom, dat Edith hare handen uitgespreid daarvoor hield, aan al hare leden bevende en laag bukkende, haar langs den muur, als ware zij een angstig dier, voorbijkroop, toen overeindsprong en heensnelde.
Florence viel op de trap in zwijm, en werd daar, dacht zij, door mevrouw Pipchin gevonden. Zij wist van niets meer, eer zij vond dat zij op haar bed lag, met mevrouw Pipchin en eenige dienstboden om haar heen.
“Waar is mama?” was hare eerste vraag.—“Naar een diner,” zeide mevrouw Pipchin—“En papa?”—“Mijnheer Dombey is in zijne kamer, jufvrouw,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en het beste dat gij doen kunt is, dat gij u uitkleedt en dadelijk naar bed gaat.” Dit was haar welbedacht geneesmiddel voor alle kwalen, inzonderheid voor neerslachtigheid en slapeloosheid; voor welke misdrijven menig jeugdig slachtoffer in de dagen van hare heerschappij te Brighton ’s morgens om tien uur naar bed was gezonden.
Zonder gehoorzaamheid te beloven, maar zeggende dat zij naar stilte verlangde, ontsloeg Florence zich zoo spoedig mogelijk van mevrouw Pipchin’s dienstbewijzen. Alleen gebleven, dacht zij na over het gebeurde op de trap, eerst twijfelende aan de werkelijkheid daarvan, toen met tranen, toen met een onbeschrijfelijken angst, naar dien gelijkende dien zij den avond te voren had gevoeld.
Zij besloot niet naar bed te gaan eer Edith terug was, en indien zij haar niet kon spreken, zich ten minste te verzekeren dat zij veilig thuis was gekomen. Welke onduidelijke, schaduwachtige vrees Florence tot dit besluit noopte, wist zij zelve niet; zij durfde er niet eens aan denken. Zij wist alleen dat, eer Edith thuis kwam, haar gloeiend hoofd en beklemd hart geene rust zouden hebben.
De avond ging in den nacht over; het werd middernacht; Edith kwam niet.
Florence kon niet lezen of zich een oogenblik stilhouden. Zij stapte door hare kamer op en neer, deed de deur open, ging op den bovengang heen en weder, keek het venster uit in de duisternis, luisterde naar het loeien van den wind en het kletteren van den regen, ging zitten en tuurde naar de gedrochtelijke gezichten in het vuur, stond weder op en staarde naar de maan, die gelijk een door stormen voortgejaagd schip door eene zee van wolken vloog.
Het geheele huis was naar bed, met uitzondering van twee dienstboden, die beneden op de terugkomst hunner meesteres zaten te wachten.
Eén uur. De rijtuigen, die in de verte aankwamen, verwijderden zich weder, en hielden op een afstand stil, of reden voorbij; de stilte werd langzamerhand dieper, en werd al zeldzamer afgebroken, behalve door eene windvlaag of eene regenbui. Twee uur. Nog kwam Edith niet.
Florence, nog angstiger, stapte in hare kamer en op den bovengang heen en weder, keek uit in den nacht, waar de voorwerpen nog verward werden door de regendroppelen op het glas en de tranen in hare oogen, en zag op naar de onstuimige lucht, zoo verschillend van de rustige stilte beneden, en toch zoo stil en rustig. Drie uur. Ieder uitgebrand kooltje, dat door den haardrooster viel, deed haar schrikken. Nog was Edith er niet.
Al angstiger en angstiger stapte Florence in hare kamer en op den bovengang heen en weder, en zag op naar de maan, nu met de nieuwe verbeelding dat zij naar eene bleeke vluchteling geleek, die heensnelde om haar schuldig gelaat te verbergen. Het sloeg vier—vijf. Nog was Edith er niet.
Maar thans ontstond er eene voorzichtige beweging in huis; en Florence begreep dat mevrouw Pipchin door een van hen, die waren opgebleven, was geroepen, en toen was opgestaan en naar haar vaders kamer gegaan. De trap afsluipende om waar te nemen wat er gebeurde, zag zij haar vader in zijne ochtendjas buitenkomen en schrikken toen men hem zeide dat zijne vrouw niet thuis was gekomen. Hij zond iemand naar den stal, om te vragen of de koetsier daar was; en terwijl die knecht uit was, kleedde hij zich haastig aan.
De knecht kwam in groote haast terug, en bracht den koetsier mede, die zeide dat hij al van tien uur af thuis en in bed was geweest. Hij had zijne meesteres naar hare vroegere woning in Brook-Street gebracht, waar mijnheer Carker haar had opgewacht.
Florence stond op dezelfde plek waar zij hem naar beneden had zien komen. Wederom deed de schrik, die dat gezicht haar had aangejaagd, haar huiveren, en zij had nauwelijks besef genoeg om te hooren en te begrijpen wat er nu volgde.
Mijnheer Carker had hem gezegd, vervolgde de koetsier, dat zijne meesteres de koets niet meer zou noodig hebben om naar huis te komen, en hem weggezonden.
Zij zag haar vader doodsbleek worden, en hoorde hem driftig en met bevende stem naar mevrouw Dombey’s kamenier vragen. Het geheele huis was reeds op, want zij was daar in een oogenblik, ook zeer bleek en zeer onthutst.
Zij zeide dat zij hare meesteres vroeg had gekleed—wel twee uren eer zij uitging—en dat zij haar gezegd had, gelijk dikwijls gebeurde, dat zij haar des avonds niet zou noodig hebben. Zij kwam zoo uit de kamers harer meesteres, maar—
“Maar wat! Wat was er?” hoorde Florence haar vader vragen op een toon alsof hij razend was.—“De kleedkamer was gesloten en de sleutel weg.”
Haar vader nam eene kaars op, die op den grond stond te branden—iemand had ze daar neergezet en vergeten—en kwam met zulk eene woede de trap opstuiven, dat Florence nauwelijks tijd had om voor hem te vluchten. Zij hoorde hem tegen de deur bonzen, terwijl zij, met woest uitgestokene handen en vliegende haren, verbijsterd van angst, naar hare kamer liep.
Toen de deur zwichtte en hij binnenstoof, wat zag hij toen? Niemand vernam dat ooit. Maar daar op den grond op een hoop gesmeten lagen de sieraden, die zij gekregen had sedert zij zijne vrouw was geworden, al de kleederen die zij gedragen had, al wat in dien tijd haar eigendom was geworden. Dit was de kamer waarin hij, in dien spiegel, het trotsche gelaat hem had zien versmaden. Dit was de kamer waarin hij den zonderlingen inval had gehad, hoe dat alles er zou uitzien als hij het wederzag!
Terwijl hij alles met woedende haast weder in de laden stopte en deze sloot, zag hij eenige papieren op de tafel liggen. Het huwelijkscontract en een brief. Hij las dat zij weg was. Hij las dat hij onteerd was. Hij las dat zij, op haar schandelijken bruiloftsdag, de vlucht had genomen met den man, dien hij had uitgekozen om haar te vernederen, en hij vloog de kamer en het huis uit, met de dolle gedachte om haar nog te achterhalen, en met zijne bloote hand alle sporen van schoonheid uit haar tergend gezicht te slaan.
Zonder te weten wat zij deed, zette Florence een hoed op en sloeg een doek om, met het verwarde droomachtige denkbeeld om door de straten te loopen tot zij Edith vond, haar dan in hare armen te sluiten, te redden en terug te brengen. Maar toen zij op de trap kwam, en de verschrikte dienstboden met licht op en neer zag loopen, en met elkander fluisteren, en voor haar vader terugdeinzen toen hij naar beneden kwam, ontwaakte zij tot het gevoel harer machteloosheid, en zich in een der groote zalen verbergende die daarvoor zoo prachtig waren opgesierd, was het haar alsof haar hart van droefheid zou barsten.
Medelijden met haar vader was het eerste duidelijke gevoel, dat zich ontworstelde aan den vloed van smart die haar overstelpte. Haar trouw gemoed wendde zich tot hem in zijn leed, met evenveel vuur en liefde, als had hij in zijn voorspoed dat denkbeeld verwezenlijkt, dat langzamerhand zoo flauw en duister was geworden. Hoewel zij niet dan door de ingevingen van een onduidelijken angst de volle mate van zijn ongeluk kende, stond hij toch voor haar beleedigd en verlaten, en dreef haar hare smachtende liefde om hem ter zijde te staan.
Hij bleef niet lang uit; want Florence zat nog in de groote zaal te schreien toen zij hem hoorde terugkomen. Hij beval de dienstboden om aan hunne gewone bezigheden te gaan, en ging zelf naar zijne kamer, waar hij zoo zwaar op en neer stapte, dat zij hem van het eene einde tot het andere kon volgen.
Eensklaps zwichtende voor den drang harer liefde, anders altijd zoo schroomvallig, maar nu in zijn rampspoed stout door hare oprechtheid, en niet afgeschrikt door vroegere terugstooting, haastte Florence zich, zoo gekleed als zij was, naar beneden. Juist toen zij haar voet in het voorhuis zette, kwam hij zijne kamer uit. Zij snelde met uitgestrekte armen naar hem toe, en riep: “O lieve papa!” alsof zij hem om den hals wilde vallen.
En dat zou zij ook gedaan hebben. Maar in zijne razernij lichtte hij zijn arm op en gaf haar een stomp, dat zij er van waggelde; en te gelijk zeide hij haar wat Edith was, en dat zij met haar mocht medegaan, daar zij toch altijd hadden samengespannen.
Zij zonk niet voor zijne voeten neer; zij verborg hem niet met hare bevende handen voor haar gezicht; zij schreide niet; zij uitte geen woord van verwijt. Maar zij zag hem aan, en een kreet van wanhoop ontwrong zich aan haar hart. Want toen zij hem aanzag, zag zij hem dat teedere denkbeeld vernietigen, dat zij zijns ondanks nog altijd van hem had gekoesterd. Zij zag zijne wreedheid, zijne verwaarloozing, zijn haat dat denkbeeld vertrappen en verdelgen. Zij zag, dat zij op aarde geen vader had, en als eene wees ontvluchtte zij zijn huis.
Zij ontvluchtte zijn huis. Een oogenblik en hare hand was aan de deur geslagen, die kreet was nog op hare lippen, zijn gezicht was daar nog, bleeker door het gele licht der kaarsen, die daar vergeten stonden te branden en af te loopen, en door het daglicht dat boven de deur binnenkwam. Nog een oogenblik, en de duisternis van het gesloten huis (vergeten open te zetten, schoon het reeds lang dag was) maakte plaats voor den onverwachten glans van den morgen, en met gebogen hoofd, om hare tranen te verbergen, stond Florence op straat.
XLVIII. FLORENCE’S VLUCHT
Verbijsterd door smart, schaamte en schrik, snelde het wanhopige meisje door den zonneschijn van den helderen morgen, als ware het de duisternis van een winternacht. Hare handen wringende en bitter weenende, gevoelloos voor alles behalve de diepe wond in hare borst, bedwelmd door het verlies van alles wat zij liefhad, verlaten gelijk de eenig overgeblevene schipbreukeling op eene eenzame kust, vlood zij, zonder gedachten, zonder hoop, zonder doel, dan om maar te vluchten, ergens heen.
Het vroolijke verschiet der lange straat, door het morgenlicht verguld, het gezicht van den blauwen hemel en de luchtige wolkjes, de frischheid van den dag, als het ware pralende met zijne zege op den nacht, deed in hare zoo gewonde borst geen overeenstemmend gevoel ontwaken. Ergens, waar dan ook, haar hoofd te bergen! Ergens, waar dan ook, schuilplaats te zoeken! Het huis, dat zij ontvlood, nooit weder te zien! Dit was hare eenige gedachte.
Maar er gingen menschen af en aan; er werden winkels opengezet, er kwamen dienstboden buiten; het gewoel van den dag begon. Florence zag verwondering en nieuwsgierigheid op de gezichten, die haar voorbijzweefden, zag lange schaduwen terugkomen; hoorde vreemde stemmen haar vragen waar zij heenging en wat haar scheelde; en hoewel deze haar in het eerst nog meer beangstigden en sneller deden voorthaasten, bewezen zij haar toch den dienst van haar eenigermate tot bezinning te brengen, en te herinneren, dat het noodig was meer bedaardheid te toonen.
Waarheen zou zij gaan? Ergens, waar ook heen, verder, verder! Maar toch waarheen? Zij dacht aan dien anderen tijd, toen zij, verdwaald, in de wildernissen van Londen alleen was geweest—schoon niet zoo alleen als nu—en ging dien weg op. Naar het huis van Walter’s oom.
Haar snikken smorende en hare gezwollene oogen afvegende, en hare ontroering bedwingende, om zoo geene aandacht te trekken, met voornemen om zoolang zij kon in de stilste straten te blijven, ging Florence bedaarder voort, toen eene bekende schaduw haar op de zonnige steenen van het voetpad voorbijschoot, omkeerde, terugkwam, weder wegvloog, om haar heen zwierde, en Diogenes, naar adem hijgende, hoewel hij toch de straat door zijn vroolijk geblaf deed weergalmen, voor hare voeten kroop.
“O, Di! O, lieve, trouwe Di, hoe zijt gij hier gekomen! Hoe kon ik u verlaten, Di, die mij nooit verlaten zoudt!”
Florence bukte en legde zijn ruigen kop tegen hare borst, en daarna stonden zij te zamen op en gingen gezamenlijk verder; Di meer door de lucht dan over den grond, zijn best doende om zijne meesteres in een sprong te kussen, dan over zijn kop tuimelende en zonder zich eenigszins daaraan te storen weder opvliegende, op groote honden toeschietende om hen schertsend uit te dagen, werkmeiden, die eene stoep dweilden, verschrikkende door ze zijn neus in het gezicht te duwen, en te midden van duizend buitensporigheden telkens ophoudende om naar Florence om te zien en te blaffen, tot alle honden in het rond hem antwoord gaven en buitenkwamen om hem verwonderd aan te kijken.
Met dezen laatsten vriend, haastte zich Florence, door den steeds warmer wordenden zonneschijn, de City in. Weldra werd het straatrumoer luider, werden de voetgangers talrijker, de winkels levendiger, tot zij door een levenden stroom werd medegevoerd, die onverschillig voorbij markten en paleizen, gevangenissen en kerken, rijkdom en armoede, goed en kwaad voortvloeide, evenals de breede rivier, die hij ter zijde bleef, troebel en donker door biezen en wilgen, tusschen de werken en de zorgen der menschen, naar de diepe zee vloeit.
Eindelijk kreeg men de straat van den houten adelborst in het gezicht. Nog nader gekomen, zag men den houten adelborst zelven, gelijk altijd, op zijn post en aan zijne observatiën. Nog nader, en de deur stond open, en noodigde haar om binnen te treden. Florence, die op het einde van haar tocht hare schreden had versneld, stapte de straat over (dicht op de hielen door Diogenes gevolgd, wien het gewoel eenigszins verbijsterd had) trad haastig binnen, en zonk op den drempel van het welbekende achterkamertje neer.
De kapitein stond, met zijn blinkenden hoed op, bij het vuur, zijne ochtendcacao te koken, met zijn horloge voor zich op den schoorsteenmantel, om het onder het koken gemakkelijk te kunnen raadplegen. Toen hij een voetstap en het ritselen van een kleedje hoorde, keerde hij zich om, met schrik aan jufvrouw MacStinger denkende, juist op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.
Even bleek als Florence, nam de kapitein haar op, als ware zij een klein kind geweest, en legde haar op dezelfde sofa, waarop zij zoo lang geleden had gesluimerd.
“Het is hartediefje!” zeide de kapitein, haar oplettend aanziende. “Het is dat lieve kind, nu een volwassen meisje geworden!”
Kapitein Cuttle had, nu hij een volwassen meisje in haar zag, zooveel eerbied voor haar, dat hij haar, terwijl zij bewusteloos was, voor geen duizend pond in zijne armen had durven houden.
“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein, zich op een afstand houdende, terwijl angst en medelijden op zijn gelaat stonden geteekend; “als ge Ned Cuttle maar met een vinger kunt praaien, doe het dan!”
Maar Florence bewoog zich niet.
“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein. “Om Walter’s wil, die in het zoute diep verdronken is, draai toch bij en hijsch eene vlag, als ge kunt!”
Daar zij ook aan deze nadrukkelijke bezwering geen gehoor gaf, nam kapitein Cuttle eene kom koud water van de tafel en sprenkelde haar daarvan iets in het gezicht. Voor het dringende van het geval zwichtende, ontlastte de kapitein haar daarop van haar hoed, bevochtigde hare slapen en haar voorhoofd, streek hare haren weg, bedekte hare voeten met zijne jas, die hij daartoe uittrok, en klopte haar in de hand—zoo klein in de zijne, dat hij er zich over verwonderde; en toen hij zag dat hare oogen begonnen te trillen en hare lippen zich even bewogen, bleef hij met meer moed zijne middelen aanwenden, waarbij hij zijne geduchte hand met verbazende zachtheid gebruikte.
“Frisch op maar, frisch op maar!” zeide de kapitein. “Sta vast, mijn liefje. Daar! Nu wordt het al beter. Sta vast maar! Drink een droppeltje van dit. Daar zijt gij er al. Hoe gaat het nu, mijn hartje?”
In dit tijdperk van haar herstel nam de kapitein, met het schemerachtige denkbeeld, dat er bij eene doctorale behandeling een horloge noodig was, het zijne van den schoorsteenmantel, hing het aan zijn haak, nam toen Florence’s hand in de zijne en keek gedurig van de eene naar het andere, alsof hij verwachtte, dat de wijzers iets zouden doen.
“Hoe gaat het nu, hartje?” zeide de kapitein. “Gij hebt haar al wat goed gedaan,” mompelde hij met een blik van tevredenheid naar zijn horloge. “Als gij elken ochtend maar een half uur achteruit wordt gezet, en elken avond nog een kwartier, kan geen horloge beter zijn. Hoe gaat het, mijn dametje?”—“Kapitein Cuttle! Zijt gij het?” riep Florence uit, en richtte zich een weinig op.—“Ja, ja, mijn dametje,” zeide de kapitein, door eene haastige redeneering tot het besluit komende, dat dit de hoffelijkste toespraak was, die hij bedenken kon.—“Is Walter’s oom hier?” vroeg Florence.—“Hier, liefje!” antwoordde de kapitein. “Hij is in langen tijd niet hier geweest. Men heeft niets van hem gehoord, sedert hij den armen Walter is gaan nazeilen.”—“Woont gij nu hier?” vroeg Florence.—“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“O, kapitein Cuttle,” riep Florence nu met woestheid uit, en vouwde smeekend hare handen. “Red mij! Laat niemand weten waar ik ben! Ik zal u straks vertellen wat er gebeurd is, als ik kan. Ik heb niemand in de wereld om naar toe te gaan. Zend mij toch niet weg!”—“U wegzenden, mijn dametje!” riep de kapitein uit. “U, mijn hartediefje! Wacht eens eventjes! Wij zullen dat luik voorzetten en den sleutel omdraaien.”
Zoo sprekende nam de kapitein, zijne eene hand en zijn haak met groote behendigheid gebruikende, het deurluik op, zette het in, en draaide de deur op het nachtslot.
Toen hij weder bij Florence kwam, vatte zij zijne hand en kuste ze. Het roerend smeekende van dit bedrijf, het vertrouwen dat het te kennen gaf, de onuitsprekelijke droefheid in hare oogen, de zielesmart die zij maar al te duidelijk geleden had en nog leed, zijne kennis van hare vroegere geschiedenis, hare tegenwoordige hulpelooze verlatenheid; alles overstelpte den goeden kapitein zoodanig, dat hij letterlijk van medelijden en teederheid overliep.
“Mijn dametje!” zeide hij, nadat hij zijn neus met zijne mouw had gewreven tot hij blonk als gebruineerd koper, “zeg maar geen woord aan Edward Cuttle, voordat gij vindt dat gij gerust voor anker ligt, dat vandaag of morgen niet wezen zal. En u over te geven, of rapport te doen waar gij zijt, ja waarlijk en met Gods hulp, zoo wil ik niet, gelijk in den catechismus staat.”
De kapitein zeide dit alles in één adem, maar zeer plechtig; bij het “ja waarlijk” nam hij zijn hoed af en zette dien eerst weder op, toen hij gedaan had.
Florence kon nog maar één ding meer doen om hem te danken en te toonen hoezeer zij hem vertrouwde; en dit deed zij ook. Zich aan den ruwen zeeman vastklemmende, als de laatste toevlucht van haar bloedend hart, liet zij haar hoofd op zijn schouder zinken en sloeg hare armen om zijn hals; zij zou ook voor hem zijn neergeknield om hem te zegenen, als hij haar voornemen niet had geraden en haar als een braaf man opgehouden.
“Zachtjes, zachtjes!” zeide de kapitein. “Ge zijt nog te zwak om te staan, mijn liefje, ziet ge wel, en moet nog maar wat gaan liggen. Daar, daar!”
Te zien hoe de kapitein haar weder op de sofa tilde en met zijne jas toedekte, zou het gezicht van honderd kroningsfeesten waard zijn geweest.
“En nu moet gij ontbijten, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en de hond zal ook wat krijgen. En dan moet gij naar boven gaan, naar Sam Gills’ kamertje, en daar slapen als een engel.”
Kapitein Cuttle streelde Diogenes toen hij van hem sprak, en Diogenes nam deze gemeenzaamheid zeer vriendelijk op. Terwijl Florence flauw lag en de kapitein haar poogde bij te helpen, was Diogenes het blijkbaar met zich zelven oneens geweest of hij hem zou aanvliegen of zijne vriendschap aanbieden, en had hij dezen innerlijken tweestrijd aangeduid door beurtelings te kwispelstaarten en brommend zijne tanden te laten zien. Thans was al zijn twijfel opgeheven. Het was duidelijk dat hij den kapitein voor een allerbest man hield, en een man met wien het een hond zich tot eer moest rekenen kennis te houden.
Ten blijke van deze overtuiging liep Diogenes overal met den kapitein mede, terwijl deze thee en geroosterd brood gereedmaakte, en toonde hij de levendigste belangstelling in zijne manier van huishouden. Maar het was vruchteloos, dat de goede kapitein deze hartsterking aanbood. Zij deed wel haar best om er iets van te gebruiken, maar het was haar onmogelijk; zij kon niets anders doen dan schreien.
“Wel, wel, mijn hartediefje,” zeide de medelijdende kapitein; “als gij eens geslapen hebt, zult ge beter koers kunnen houden. Nu zal ik u rantsoen geven, mijn jongen,” vervolgde hij tot Diogenes; “en gij moet boven bij uwe meesteres de wacht houden.”
Maar hoewel Diogenes watertandende en met flikkerende oogen naar het voor hem bestemde ontbijt had staan kijken, stak hij, in plaats van er gulzig op aan te vallen toen het hem werd voorgezet, zijne ooren op, vloog naar de straatdeur, en blafte daar geweldig, met zijn kop tegen den dorpel duwende, alsof hij zich onder de deur wilde doorgraven.
“Kan daar iemand wezen?” vroeg Florence onrustig.—“Neen, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Wie zou daar blijven staan zonder zich te laten hooren? Blijf maar bedaard, liefje. Het zijn maar voorbijgangers.”
Diogenes bleef echter aan het blaffen en duwen; en wanneer hij even ophield om te luisteren, scheen zijn gemoed met nieuwe overtuiging vervuld te worden, want dan begon hij weder even hard, wel twaalfmaal achtereen. Zelfs toen hij zich had laten overhalen, om aan zijn ontbijt te gaan, liep hij weder met een zeer achterdochtig gezicht naar de deur, en ging, eer hij nog een brok had geproefd, alweder aan het blaffen.
“Als er eens iemand stond te luisteren,” fluisterde Florence. “Iemand die mij hier heeft zien ingaan—misschien is nageloopen.”—“Het kan toch dat meisje van u niet wezen, mijn dametje?” zeide de kapitein, zeer ingenomen met dit denkbeeld.—“Suze?” zeide Florence, haar hoofd schuddende. “O neen! Suze is lang van mij vandaan.”—“Niet gedeserteerd, hoop ik?” zeide de kapitein. “Zeg toch niet, dat dat meisje is weggeloopen, mijn liefje.”—“O neen neen!” riep Florence uit. “Zij is het trouwste hart van de wereld.”
Dit antwoord was eene groote verademing voor den kapitein, en hij gaf zijn genoegen te kennen door zijn blinkenden hoed af te nemen en zijn hoofd met zijn tot een bal opgerolden zakdoek te wrijven, terwijl hij onderscheidene malen, met buitengewone zelfvoldoening, aanmerkte, dat hij het wel geweten had.
“Zijt ge nu gerust, broertje?” zeide de kapitein tot Diogenes. “Er was toch niemand, ziet ge wel, mijn dametje?”
Diogenes was daarvan nog zoo zeker niet. Tusschenbeide scheen de deur hem nog aan te trekken, en liep hij brommend en snuffelend daarnaar toe, alsof hij de zaak niet kon vergeten. Dit voorval, met Florence’s zichtbare afgematheid vereenigd, deed den kapitein besluiten om het kamertje van Sam Gills terstond voor haar gereed te maken. Hij ging dus dadelijk naar boven en maakte de beschikkingen, die zijne verbeelding en zijne middelen hem aan de hand gaven.
Het was er reeds zeer zindelijk, en daar de kapitein van orde en netheid hield, veranderde hij het eenvoudige bed in eene soort van sofa, door er eene witte draperie over heen te hangen. Op eene dergelijke manier veranderde hij het waschtafeltje in een soort van altaar, waarop hij twee zilveren theelepeltjes, een bloempot, een verrekijker, zijn vermaard horloge, een zakkammetje en een liederboekje uitstalde, als eene verzameling van rariteiten om het oog aangenaam bezig te houden. Nadat hij het venster had verdonkerd en de lapjes tapijt op den grond te recht gelegd, overzag de kapitein deze toebereidselen nog eens met innig welbehagen, en ging toen weder naar het achterkamertje om Florence naar haar slaapsalet te brengen.
Niets kon den kapitein doen gelooven, dat het Florence mogelijk was zelve naar boven te gaan; en al had hij dat denkbeeld in het hoofd kunnen krijgen, dan zou hij het toch voor eene gruwelijke schennis der gastvrijheid hebben gehouden, als hij haar dit had laten doen. Florence was te zwak om zich daartegen te verzetten, en zoo droeg de kapitein haar naar boven, legde haar daar neer en dekte haar met eene duffelsche jas toe.
“Mijn dametje,” zeide de kapitein, “ge zijt hier zoo veilig, alsof gij op den top van de St.-Paulskerk waart, met de ladder weggenomen. Slaap is wat gij vóór alle dingen noodig hebt, en als gij dien balsem voor de ziel hebt gebruikt, zult gij er weer frisch uitzien. Als gij iets noodig hebt, mijn hartediefje, dat dit nederige huis of de stad kan aanbieden, zeg het maar aan Edward Cuttle, die telkens hier buiten voor de deur zal komen, en de man zal beven van blijdschap.” De kapitein besloot door met de galanterie van een ouden dolenden ridder de hand te kussen, die Florence hem toereikte, en ging op de teenen de kamer uit.
Wederom in het achterkamertje gekomen, besloot kapitein Cuttle, na haastig met zich zelven te rade te zijn gegaan, de straatdeur even te openen en zich te verzekeren, dat daar nu in allen gevalle niemand stond te dralen. Hij deed dus de deur open, stapte op de stoep en keek door zijn bril de geheele straat langs.
“Hoe vaart ge, kapitein Gills?” zeide eene stem naast hem. En toen hij omkeek, zag de kapitein dat hij, terwijl hij naar den gezichteinder tuurde, door Toots aan boord was geklampt.—“Hoe maakt gij het, mijn jongen?” zeide de kapitein.—“Tamelijk wel, dank je, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij weet wel dat ik nooit ben wat ik wel wenschen zou, en dat ook nooit weer denk te worden.”
In gesprek met kapitein Cuttle kwam Toots, uit hoofde van het verdrag tusschen hen, nooit nader bij het onderwerp dat zijne gedachten altijd vervulde.
“Kapitein Gills,” hervatte Toots, “als ik het pleizier kon hebben om een woordje met u te spreken—het is over iets bijzonders.”—“Wel, ziet ge, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, vooruit naar het achterkamertje gaande, “ik ben eigenlijk niet geheel vrij van morgen, en als ge dus wat zeil kondt bijzetten, zou ik het voor lief nemen.”—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots, die zelden eenig begrip van des kapiteins meening had. “Ik wil niets liever dan zeil bijzetten. Natuurlijk.”—“Goed zoo, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Doe het dan maar.”
De kapitein ging zoo gedrukt onder zijn geducht geheim—dat jufvrouw Dombey op dat oogenblik onder zijn dak was, terwijl de onschuldige en onnoozele Toots daar voor hem zat—dat het zweet hem op het voorhoofd parelde, en het hem, terwijl hij dat, met den blinkenden hoed in de hand, langzaam afveegde, onmogelijk was zijne oogen van Toots’ gezicht af te houden. Toots, die zelf geheime redenen scheen te hebben om zenuwachtig te zijn, werd door dit staren des kapiteins zoo geweldig verlegen, dat hij, na hem eene poos bedeesd te hebben aangekeken, onder een onrustig heen en weer schuiven op zijn stoel, eindelijk zeide:
“Neem mij niet kwalijk, kapitein Gills, maar gij ziet toch niets bijzonders aan mij, doet ge?”—“Neen, mijn jongen, neen!” antwoordde de kapitein.—“Omdat, weet ge,” zeide Toots grinnikend, “ik weet wel dat ik verval. Gij behoeft niet bang te zijn om daarvan te spreken—ik mocht het wel gaarne. Burgess en Comp. hebben mij opnieuw de maat moeten nemen, zoo ben ik vermagerd. Maar dat streelt mij. Ik—ik ben er blij om. Ik—ik zou gaarne eene tering krijgen, als ik maar kon. Ik ben maar een redeloos dier, weet ge, grazende op het vlak des aardrijks, kapitein Gills.”
Hoe langer Toots zoo voortsprak, des te meer gevoelde de kapitein den druk van zijn geheim, en des te strakker staarde hij. Door deze ongerustheid en door zijn verlangen om Toots maar spoedig kwijt te raken, kwam de kapitein zoodanig van zijne streek, dat hij zich bezwaarlijk meer onthutst had kunnen toonen, al was hij met een spook in gesprek geweest.
“Maar ik wil zeggen, kapitein Gills,” hervatte Toots, “ik ben van morgen toevallig dezen weg uitgekomen—om u de waarheid te zeggen, ik wilde bij u komen ontbijten. Wat slapen betreft, weet ge, ik slaap tegenwoordig nooit meer. Ik zou wel een nachtwacht kunnen wezen, behalve dat hij betaald wordt en niets op het gemoed heeft.”—“Zeilmaken, mijn jongen,” zeide de kapitein vermanend.—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij hebt groot gelijk. Toen ik dus van morgen toevallig dezen weg uitkwam (een uur of zoo geleden) en de deur gesloten vond—”—“Wat! Stondt gij daar te wachten, broertje?” zeide de kapitein.—“Geheel niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik bleef geen oogenblik staan. Ik dacht dat gij uit waart. Maar die persoon zeide—a propos, gij houdt toch geen hond, doet ge wel, kapitein Gills?”
De kapitein schudde zijn hoofd.
“Wel zeker,” hervatte Toots. “Dat zeide ik ook. Dat wist ik wel. Er is een hond, kapitein Gills—maar neem mij niet kwalijk, dat is verboden grond.”
De kapitein staarde Toots aan tot hem de oogen uit het hoofd schenen te puilen, en het zweet brak hem wederom uit, toen hij dacht dat Diogenes het wel in zijn kop kon krijgen om naar beneden te komen.
“Die persoon zeide,” hervatte Toots, “dat hij in den winkel een hond had hooren blaffen. Ik wist wel dat het niet wezen kon, en zeide hem dat ook. Maar hij bleef er zoo vast bij, alsof hij den hond gezien had.”—“Welke persoon, mijn jongen?” vroeg de kapitein.—“Wel, ziet ge, kapitein, daar zit het juist,” antwoordde Toots, wiens zenuwachtigheid zichtbaar erger werd. “Het voegt mij niet te zeggen wat er heeft kunnen gebeuren of niet heeft kunnen gebeuren. Dat weet ik waarlijk niet. Ik raak met allerlei dingen gemoeid, waar ik niets van begrijp, en ik denk haast dat ik—kortom een beetje zwak van hoofd moet wezen.”
De kapitein knikte toestemmend.
“Maar de persoon zeide, toen wij heengingen,” vervolgde Toots, “dat gij wel wist, wat er onder de bestaande omstandigheden kon gebeuren—hij zeide “kon” heel sterk—en dat als men u vroeg om u daarvoor klaar te houden, gij u ook zeker wel klaar zoudt houden.”—“Een persoon, mijn jongen!” zeide de kapitein.—“Ik weet niet wat voor persoon, waarlijk niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik heb er geheel geen denkbeeld van. Maar toen ik aan de deur kwam, vond ik hem daar wachten; en hij vroeg of ik terugkwam, en ik zeide ja; en hij vroeg of ik u kende, en ik zeide ja; ik had het pleizier van kennis met u te mogen houden—gij hadt u met een beetje moeite daartoe laten overhalen, en hij zeide, als dat zoo was, of ik u dan wilde zeggen wat ik gezegd heb, over bestaande omstandigheden en u klaarhouden; en zoodra ik u zag, of ik u dan vragen wilde om eens om den hoek te gaan, al was het maar voor een oogenblik, om eene gewichtige reden, bij mijnheer Brogley den uitdrager. En laat ik u zeggen, kapitein Gills, wat het ook wezen mag, ik geloof dat het heel gewichtig is, en als gij nu dadelijk wilt gaan, zal ik hier blijven wachten tot gij terugkomt.”
De kapitein, weifelend tusschen zijne vrees om Florence misschien aan eenig gevaar bloot te stellen als hij niet ging, en zijn angst om Toots in huis te laten en misschien kans te geven om het geheim te ontdekken, was zoo verlegen en onrustig, dat zelfs Toots niet blind kon zijn voor den toestand van zijn gemoed. Deze jonge heer begreep dat zijn vriend zich slechts klaarmaakte op het aanstaande onderhoud, en was daarover zoo tevreden, dat hij van genoegen over de slimheid, waarmede hij de zaak behandeld had, zat te grinniken.
Eindelijk koos de kapitein naar zijne meening het kleinste kwaad, en besloot eens even naar Brogley den uitdrager te loopen, nadat hij eerst de deur van de trap had gesloten en den sleutel in zijn zak gestoken. “Als ge mij dat ten minste niet kwalijk neemt, broertje?” zeide de kapitein tot Toots, met niet weinig aarzeling en schaamte.—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “al wat gij doet is mij volmaakt wel.”
De kapitein dankte hem hartelijk, en met belofte om binnen de vijf minuten terug te zijn, ging hij heen om den persoon op te zoeken, die Toots zulk eene geheimzinnige boodschap had opgedragen. De arme Toots, aan zich zelven overgelaten, ging op de sofa liggen, weinig denkende wie het laatst daarop gelegen had, en naar het lantaarnraam starende, terwijl hij zich aan een gemijmer over jufvrouw Dombey overgaf, verloor hij alle bewustheid van tijd en plaats.
Het was goed dat hij zoo deed; want hoewel de kapitein niet lang uitbleef, duurde zijn uitblijven toch veel langer dan hij zich had voorgesteld. Toen hij terugkwam was hij zeer bleek en zeer ontroerd; hij zag er zelfs uit alsof hij tranen had gestort. Hij scheen zijn spraakvermogen verloren te hebben, tot hij naar de kast was geweest en een slokje rum uit de flesch had genomen. Toen haalde hij eens diep adem en zette zich op een stoel met de hand voor zijn gezicht.
“Kapitein Gills,” zeide Toots vriendelijk, “ik hoop en vertrouw dat er niets kwaads is?”—“Dankje, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Geheel niet. Integendeel.”—“Gij schijnt heel aangedaan te zijn, kapitein Gills,” hervatte Toots.—“Wel, mijn jongen, ik ben wat over stuur,” zeide de kapitein; “dat ben ik.”—“Is er iets dat ik doen kan, kapitein Gills?” zeide Toots weder. “Zoo ja, beschik dan maar over mij.”
De kapitein nam zijne hand van zijn gezicht, zag hem aan met eene zeer bijzondere uitdrukking van teeder medelijden in zijn blik, vatte zijne hand en schudde die heftig.
“Neen, wel bedankt,” zeide de kapitein. “Niets. Behalve dat ik het voor eene vriendschap zal houden als gij mij nu alleen laat. Ik geloof, broertje,” hem nog eens de hand drukkende, “dat gij, na Walter en op eene andere manier, zulk een goede jongen zijt als er ooit op twee beenen heeft geloopen.”—“Op mijn woord van eer, kapitein Gills,” antwoordde Toots, den kapitein in de hand slaande, eer hij die hand nog eens schudde, “ik ben er over opgetogen, dat ge zulk eene goede meening van mij hebt. Wel bedankt.”—“Houd u maar goed en wees vroolijk,” zeide de kapitein, hem op den rug kloppende. “Er zijn toch meer lieve meisjes dan een in de wereld.”—“Voor mij niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots ernstig. “Voor mij niet, dat verzeker ik u. De toestand van mijn gevoel met betrekking tot jufvrouw Dombey is van dien onbeschrijfelijken aard, dat mijn hart een woest eiland is en zij alleen daarop woont. Ik word er alle dag meer aan gewoon, en ik ben er trotsch op dat ik zoo ben. Als ge mijne beenen kondt zien, als ik mijne laarzen uittrek, zoudt gij er een denkbeeld van krijgen, wat onbeantwoorde liefde is. Men heeft mij kina voorgeschreven, maar die gebruik ik niet, want ik wil geen sterk gestel meer hebben—liever niet. Maar dit is verboden grond. Goedendag, kapitein Gills.”
Kapitein Cuttle beantwoordde zijn vaarwel met evenveel hartelijkheid, sloot de deur achter hem, met dezelfde zeer bijzondere uitdrukking van medelijden, en ging toen zien of Florence hem noodig had.
Toen de kapitein naar boven ging had zijn gezicht eene volkomene verandering ondergaan. Hij veegde zijne oogen af met zijn zakdoek, en wreef zijn neus met zijne mouw, gelijk hij dien morgen reeds gedaan had, maar zijn gezicht was toch geheel veranderd. Nu had men hem voor zeer vergenoegd, dan voor treurig kunnen houden; maar de soort van ernst, die zijne trekken nu kenmerkte, was geheel iets nieuws daarin, en waarlijk eene groote verbetering.
Hij klopte een paar malen zachtjes met zijn haak aan Florence’s deur. Geen antwoord krijgende, waagde hij het eerst binnen te kijken en toen binnen te treden, tot het laatste misschien aangemoedigd door de vriendelijkheid van Diogenes, die, naast haar bed op den grond liggende, tegen den kapitein kwispelstaartte en met zijne oogen knipte, zonder zich de moeite te geven om op te staan.
Zij sliep zwaar en kermde in haar slaap; met eerbiedig ontzag voor hare jeugd, hare schoonheid en haar leed, beurde kapitein Cuttle haar hoofd op, verschikte de overjas, die haar dekte en eenigszins was afgezakt, verdonkerde het venster nog wat meer, opdat zij gerust zou doorslapen, sloop weder heen, en betrok zijn wachtpost op de trap. Dat alles met eene hand en een stap, even licht als die van Florence zelve.
Lang moge het in deze gemengde wereld een niet gemakkelijk te beslissen vraagpunt blijven, wat een schooner blijk van de goedheid des Almachtigen is—de fijne vingers, die gevormd zijn voor zachtheid en medelijdende teerheid van aanraking, om droefheid en pijn te kunnen lenigen, of de ruwe harde hand van een kapitein Cuttle, die, door het hart bestuurd, in een oogenblik verzacht en op liefdediensten afgericht kan worden.
Florence sliep, vergetende dat zij eene huislooze wees was, en kapitein Cuttle stond op de trap de wacht te houden. Een luider snik of zucht dan gewoonlijk deed hem somtijds naar hare deur komen; maar langzamerhand sliep zij geruster en bleef de kapitein ongestoord op zijne wacht.
XLIX. DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING
Het duurde lang eer Florence ontwaakte. Het werd middag en de avond naderde, en nog bleef zij, afgemat naar ziel en lichaam, voortslapen, zonder iets te weten van het vreemde bed, van het gewoel en gerucht op straat en van het licht dat door de gordijnen voor het venster van haar werd afgeweerd. Geheele onbewustheid van hetgeen er was voorgevallen in het huis, dat geen thuis meer voor haar was, kon zelfs de zware slaap der afgematheid niet voortbrengen. Eene onbestemde, droevige herinnering daarvan, onrustig sluimerend maar nooit geheel inslapend, bleef haar bij. Eene doffe zielesmart, gelijk een half verstompt gevoel van pijn, verliet haar geen oogenblik; en hare bleeke wang werd meermalen met tranen bevochtigd, dan de goede kapitein, die nu en dan zijn hoofd door de half opene deur stak, wel had willen zien.
De zon daalde in het westen, en drong, in een rooden nevel gehuld, met hare stralen door het opene loofwerk der torenspitsen, alsof zij er gouden pijlen doorheen schoot—en ver weg over de rivier en hare vlakke oevers liet zij het schitteren als een pad van vuur—en op zee verlichtte zij de zeilen van schepen—en van stille kerkhoven op de heuveltoppen van het binnenland gezien, dompelde zij het verschiet in een purperen damp, waarin hemel en aarde zich gloeiend schenen te vermengen—toen Florence, hare bezwaarde oogen openende, eerst eenigen tijd zonder belangstelling of bewustheid naar de onbekende muren lag te staren, en even onverschillig naar het straatrumoer te luisteren. Maar weldra kwam zij met schrik overeind, zag met verbaasde oogen rond, en herinnerde zich alles.
“Mijn liefje,” zeide de kapitein, aan de deur kloppende, “hoe gaat het?”—“Mijn beste vriend,” riep Florence, naar hem toesnellende. “Zijt gij daar!”
De kapitein gevoelde zich zoo trotsch op dien naam, en zoo gestreeld door den glans van blijdschap, die zich op haar gezichtje vertoonde toen zij hem zag, dat hij, sprakeloos van vergenoegde aandoening, bij wijze van antwoord zijn haak kuste.
“Hoe gaat het, mijn diamantje?” zeide de kapitein.—“Ik heb zeker heel lang geslapen,” antwoordde Florence. “Wanneer ben ik hier gekomen? Gisteren?”—“Dezen zelfden gezegenden dag, mijn dametje,” zeide de kapitein.—“Is het dan geen nacht geweest? Is het nog dag?” vroeg Florence.—“Het begint nu avond te worden, mijn liefje,” zeide de kapitein, het gordijn openschuivende. “Zie maar.”
Florence, met haar handje op des kapiteins arm, zoo treurig en vreesachtig, en de kapitein met zijn ruw gezicht en zijne forsche gestalte, zoo manhaftig beschermend, stonden in het roodachtige licht van den helderen avondhemel, zonder een woord te spreken. Hoe vreemd de spraakwending ook mocht geweest zijn, als hij zijn gevoel had uitgedrukt, gevoelde de kapitein toch zoo diep als de welsprekendste man had kunnen doen, dat die stille avondstond en de zachte schoonheid daarvan iets hadden, dat het gewonde hart van Florence moest doen overstroomen, en dat het best was dat zulke tranen hun vrijen loop hadden. Kapitein Cuttle sprak dus geen woord. Maar toen hij zijn arm vaster voelde omklemmen, en dat het eenzame hoofd nader daarbij kwam, en zich tegen zijne ruige blauwe mouw vleide, legde hij zacht zijne harde hand daarop, en begreep en werd begrepen.
“Beter nu, mijn liefje?” zeide de kapitein. “Opgebeurd maar, opgebeurd. Ik zal naar beneden gaan en wat eten klaarmaken. Wilt gij naderhand alleen naar beneden komen, mijn hartje, of zal Edward Cuttle u komen halen?”
Daar Florence hem verzekerde, dat zij zeer wel in staat was om de trap af te gaan, liet de kapitein haar vrijheid om dit te doen, hoewel hij er blijkbaar aan twijfelde of de gastvrijheid dit wel veroorloofde, en ging voor het vuur in het achterkamertje een hoentje braden. Om dit te beter te kunnen doen, trok hij zijne jas uit, sloeg zijne mouwboorden op en zette zijn blinkenden hoed op, zonder welk hoofddeksel hij nooit iets moeielijks ondernam.
Na haar kloppend hoofd en gloeiend gezicht verkoeld te hebben met het frissche water, dat de zorg des kapiteins, terwijl zij sliep, voor haar gereed gezet had, ging Florence naar het spiegeltje, om hare in wanorde geraakte haren op te binden. Toen zag zij—een oogenblik, want zij bedekte het terstond weder—dat hare borst het donkere spoor eener toornige hand droeg.
Dit gezicht deed hare tranen opnieuw uitbarsten: het vervulde haar met angst en schaamte, maar bewoog haar niet tot gramschap tegen hem. Zonder huis en zonder vader, vergaf zij hem alles; zij wist nauwelijks, dat zij hem iets te vergeven had, of dat zij dit deed; maar zij ontvlood het denkbeeld van hem gelijk zij hem zelven ontvlucht was, en hij was geheel voor haar verloren en verdwenen. Er was geen zoodanig wezen in de wereld.
Wat zij zou doen of waar zij zou blijven, kon Florence—arm, onervaren meisje—niet overwegen. Zij had onduidelijke droomen om ver weg eenige kleine zusters te vinden om te onderwijzen, die haar vriendelijk zouden behandelen, en aan welke zij zich onder een aangenomen naam, kon hechten, en die in haar gelukkig huis zouden opgroeien en trouwen, en goed zouden zijn voor hare oude gouvernante, en haar misschien door den tijd de opvoeding harer eigene dochters toevertrouwen; en zij dacht hoe vreemd en treurig het zou zijn, zoo eene oude vrouw met grijze haren te worden, en haar geheim in het graf mede te nemen, wanneer Florence Dombey vergeten was. Maar dit alles was nevelachtig en bewolkt voor haar. Zij wist alleen, dat zij op aarde geen vader meer had, en dit zeide zij dikwijls, met het smeekende hoofdje verborgen voor iedereen behalve voor haar vader in den hemel.
Haar kleine voorraad van geld bedroeg slechts eenige guinjes. Met een gedeelte daarvan zou het noodig zijn eenige kleederen te koopen, want zij had geene andere, dan die zij aanhad. Zij was te bedroefd om er aan te denken, hoe spoedig haar geld op zou zijn—te zeer een kind in wereldsche zaken om zich daarover zeer te verontrusten, al hadden andere dingen haar minder ontrust. Zij beproefde hare gedachten tot kalmte te brengen en hare tranen te stuiten, de verwarring in haar kloppend hoofd tot rust te brengen, en het zich duidelijk te maken, dat het gebeurde nog maar weinige uren geleden was, in plaats van weken of maanden, gelijk het haar voorkwam; en ging naar beneden naar haar vriendelijken beschermer.
De kapitein had met groote zorg de tafel gedekt, en was nu bezig met eiersaus gereed te maken, terwijl hij tusschenbeide het hoentje bedroop, dat aan een touwtje voor het vuur hing te draaien. Nadat hij Florence tusschen kussens op de sofa had geplaatst, die reeds in een warm hoekje voor haar geschoven was, zette de kapitein met buitengemeene handigheid zijn keukenwerk voort, plaatste behalve zijn pannetje met eiersaus nog een met jus op het vuur, benevens een handvol aardappelen in een potje, en deed elke minuut de ronde met bedruipen en roeren, met een lepel, die tot alles te gelijk diende. Bovendien moest hij nog op eene kleine koekenpan letten, waarin eenige saucijsjes welluidend lagen te sissen en te spatten; en nooit verrichtte kok of keukenmeid hun gewichtig werk met meer ijver en genoegen, dan de kapitein het zijne; het was onmogelijk te zeggen wat meer blonk, zijn gezicht of zijn glimmende hoed.
Toen de maaltijd eindelijk geheel gereed was, zette de kapitein dien op, met niet minder handigheid dan hij alles had gekookt en gebraden. Daarna kleedde hij zich voor het diner door zijne jas aan te trekken en zijn hoed af te zetten. Dit gedaan zijnde, schoof hij de tafel dicht bij Florence, die op de sofa moest blijven zitten, deed het gebed, schroefde zijn haak af en zijne vork daarvoor in de plaats, en nam de honneurs van de tafel waar.
“Beur u wat op, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en probeer om wat te eten. Zie eens hier, liefje. Dat is een boutje—en dat is saus—en dat is een saucijsje—en dat is een aardappel!” De kapitein plaatste dit alles symmetrisch op een bord, goot een lepel jus er over heen, en zette het zijne geëerde gast voor.
“De geheele rij luiken is voor opgezet, mijn dametje,” merkte de kapitein bemoedigend aan, “en alles is bezorgd. Probeer dus eens een beetje te peuzelen, mijn liefje. Als Walter hier was—”—“Ach, als ik hem nu voor mijn broeder had!” riep Florence uit.—“Maak u zoo aangedaan niet, mijn liefje,” zeide de kapitein. “Houd u goed, om mij pleizier te doen. Hij was immers uw natuurlijk geboren vriend, niet waar, liefje?”
Florence kon geene woorden vinden. Zij zeide slechts: “O lieve, lieve Paul! O Walter!”—“De plank waarover zij ging,” zeide de kapitein, naar haar hangend hoofdje ziende, “was Walter zoo dierbaar als de waterbeken voor een hart, dat zich nooit verheugt! Ik zie hem nog voor mij, op dien dag toen hij op de monsterrol van het kantoor werd gezet, en hij van haar sprak met zijn gezicht blinkende van den dauw—ten minste van zijne bescheidenheid en teerhartigheid—als eene pas ontloken roos, onder den eten. Wel, wel! Als onze arme Walter hier was, mijn dametje—of als hij er zijn kon—want hij is verdronken, niet waar?”
Florence schudde haar hoofd.
“Ja, ja, verdronken,” zeide de kapitein als het ware troostend. “Zooals ik zeide, als hij hier kon zijn en u bidden en smeeken, mijn schatje, om een beetje te peuzelen, uit zorg voor uwe kostbare gezondheid. Pas op u zelve, mijn dametje, alsof het om Walter’s wil was, en houd maar recht voor den wind.”
Om den kapitein genoegen te geven, beproefde Florence iets te eten. Ondertusschen legde de kapitein, die zijn eigen eten geheel scheen te vergeten, mes en vork neer en schoof zijn stoel dichter bij de sofa.
“Walter was een knappe jongen, niet waar, mijn hartje?” zeide de kapitein, nadat hij, haar strak aanziende, eene poos zijne kin had zitten wrijven; “en een brave jongen, en een goede jongen.”
Florence stemde dit met tranen toe.
“En hij is verdronken, juweeltje, niet waar?” zeide de kapitein, op een toon van medelijden.
Florence kon niet anders dan dit wederom toestemmen.
“Hij was ouder dan gij, mijn dametje,” vervolgde de kapitein; “maar gij waart toch als twee kinderen samen, in het eerst, waart ge niet?”
Florence antwoordde: “Ja!”
“En Walter is verdronken,” zeide de kapitein. “Niet waar?”
Het herhalen van deze vraag was wel eene zonderlinge bron van troost, maar scheen dit toch werkelijk voor den kapitein te zijn, want hij kwam er telkens op terug. Florence schoof eindelijk haar bijna ongeproefden maaltijd van zich af, liet zich op de sofa neerzinken, en reikte hem haar handje toe, met spijt gevoelende, dat zij hem had te leur gesteld, hoewel zij hem gaarne voor al zijne moeite eenig genoegen had willen geven; hij hield echter dat handje vast, zonder, naar het scheen, om den maaltijd of haar gebrek aan eetlust te denken, en bleef maar bij tusschenpoozen, op een peinzend medelijdenden toon, brommen: “Arme Walter. Ja, ja, verdronken. Niet waar?” En telkens wachtte hij op haar antwoord, waarom het hem bij deze zonderlinge bespiegelingen vooral scheen te doen te zijn.
Het hoentje en de saucijzen waren koud geworden, en de saus was gestold, eer de kapitein zich herinnerde, dat alles nog op tafel stond; maar toen viel hij er ook met behulp van Diogenes op aan, en hunne vereenigde pogingen deden den voorraad spoedig verdwijnen. Des kapiteins verwondering en genoegen over Florence’s stille handigheid, toen zij hem hielp om de tafel af te nemen, het kamertje op te ruimen, en den haard aan te vegen—alleen geëvenredigd door het ijverige van zijn protest toen zij hem begon te helpen—werden eindelijk zoo groot, dat hij zelf niets meer kon doen, maar naar haar bleef staan kijken, alsof zij eene Fee was, die met bovennatuurlijke vlugheid deze diensten voor hem verrichtte; de roode streep op zijn voorhoofd gloeide van opgetogenheid.
Maar toen Florence zijne pijp van den schoorsteenmantel nam en hem toereikte, met dringend verzoek om te gaan rooken, werd de goede kapitein zoo verlegen met hare beleefdheid, dat hij met zijne pijp bleef staan, alsof hij nog nooit in zijn leven eene pijp in de hand had gehad. Toen Florence in de kast ging zoeken, de flesch er uitnam, ongevraagd een onverbeterlijk glas grog voor hem gereedmaakte en dit voor hem zette, werd zijn roode neus bleek, zoo gestreeld en vereerd gevoelde hij zich. Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan—daar de kapitein haar dit niet kon of wilde beletten—en toen hare plaats op de oude sofa hernemende, bleef zij hem zitten aanzien met een lachje zoo dankbaar en liefdevol, een lachje, dat zoo duidelijk toonde hoe haar eenzaam hart zich aan hem hechtte, dat de kapitein den rook van zijne pijp in de keel en in de oogen kreeg, zoodat hij moest hoesten en de tranen hem over de wangen rolden.
De manier, waarop de kapitein het wilde doen voorkomen alsof de oorzaak dier verschijnselen in de pijp zelve verborgen lag, en in den kop daarnaar keek, en toen hij ze daar niet vond, ze uit den steel wilde blazen, was alleraardigst. Daar de pijp spoedig in beteren staat kwam, nam de kapitein weldra weder de rustige kalmte aan die den goeden rooker past; maar hij bleef toch strak naar Florence zitten staren, en blies nu en dan, met eene innige vergenoegdheid, waarvan geene woorden een denkbeeld kunnen geven, eene rookwolk uit, alsof het een uit zijn mond komend lint was, waarop de woorden te lezen waren: “Arme Walter. Ja, ja. Verdronken. Niet waar?”
Hoeveel zij ook naar het uitwendige van elkander verschilden—en er kon bijna geen grooter contrast bestaan, dan tusschen Florence, in hare teedere jeugd en schoonheid, en kapitein Cuttle, met zijn knobbelig gezicht, zijne forsche gestalte en zijne grove stem—in eenvoudigheid, onschuld en onkunde van de wereld met hare behoeften en gevaren, stonden zij bijna met elkander gelijk. Geen kind had kapitein Cuttle kunnen overtreffen in onervarenheid in alles behalve wind en weder, in eenvoudigheid, lichtgeloovigheid en edelmoedig vertrouwen. Geloof, hoop en liefde vervulden geheel zijn gemoed. Eene zonderlinge neiging tot het romaneske, waarbij hij zijne verbeelding geheel vrij spel liet, en aan geene werkelijkheid of mogelijkheid dacht, was het eenig nog bijkomend inmengsel van zijn karakter. Terwijl hij daar zat te rooken en Florence aan te staren, mag de hemel weten welke onmogelijke tafereelen, waarin zij de hoofdpersoon was, hem voor den geest kwamen. Even nevelachtig en onbestemd, hoewel niet zoo vol hoop, waren hare eigene gedachten van het leven, dat voor haar lag; en evenals hare tranen prismatische kleuren veroorzaakten in het licht waarnaar zij tuurde, zoo zag zij door haar nieuw en drukkend leed reeds een flauwen regenboog veraf in de lucht pralen. Eene verdwaalde prinses en een goedaardig monster in een sprookje hadden eveneens bij den haard kunnen zitten, en evenzoo denken en spreken als kapitein Cuttle en de arme Florence deden.
De kapitein werd niet ontrust door het flauwste denkbeeld van eenig bezwaar om Florence bij zich te houden, of van eenige verantwoordelijkheid, die hij daardoor op zich laadde. Toen hij de luiken voorgezet en de deur gesloten had, was hij in dit opzicht volkomen gerust. Al was zij eene pupil van de Kanselarij geweest, dit zou voor kapitein Cuttle geheel geen verschil gemaakt hebben. Hij was de allerlaatste mensch op de wereld om zich door zulke bezwaren te laten kwellen.
Zoo bleef de kapitein gerust zijne pijp zitten rooken, en mijmerden Florence en hij op hunne eigene manier voort. Toen de pijp uit was, werd er thee gedronken, en daarna verzocht Florence hem om haar naar een winkel in de buurt te brengen, waar zij eenige dingen kon koopen, die zij terstond noodig had. Daar het geheel donker was, bewilligde de kapitein hierin; maar hij keek toch eerst voorzichtig uit, gelijk hij gewoon was te doen in den tijd toen hij zich voor jufvrouw MacStinger schuilhield, en wapende zich met zijn dikken stok, voor het geval, dat onverwachte omstandigheden een beroep op de wapenen noodzakelijk maakten.
De hoogmoed dien kapitein Cuttle gevoelde, toen hij Florence zijn arm gaf en haar twee- of driehonderd voetstappen ver geleidde, waarbij hij door zijne groote waakzaamheid en voorzichtigheid de aandacht van alle voorbijgangers trok, was buitengemeen. Aan den winkel gekomen, begreep de kapitein, dat de kieschheid hem gebood zich te verwijderen, terwijl het benoodigde gekocht werd, dewijl dit uit voorwerpen van kleeding bestond; maar vooraf zette hij zijn blikken busje op de toonbank, en het winkeljuffertje onderricht hebbende, dat het veertien pond en twee schellingen bevatte, verzocht hij haar om, in geval die som niet toereikend genoeg was om de uitrusting van zijn nichtje te bestrijden—bij het woord “nichtje” wierp hij Florence een veelbeteekenenden blik toe, vergezeld met eene pantomime, die schranderheid en stilzwijgendheid moest uitdrukken,—dan maar zoo goed te zijn om hem te praaien, en hij zou het tekort uit zijn zak er bij leggen. Terloops zijn reusachtig horloge raadplegende, als een middel om groote gedachten van zijn vermogen te doen opvatten, groette de kapitein zijn nichtje door zijn haak te kussen, en ging buiten de deur, waar het aardig was zijn breed gezicht nu en dan door het venster tusschen de uitgestalde zijden en linten te zien binnenkijken, blijkbaar angstig, dat Florence door eene achterdeur was ontvoerd.
“Lieve kapitein Cuttle,” zeide Florence, toen zij naar buiten kwam met een pakje, waarvan de grootte den kapitein zeer te leur stelde, daar hij verwacht had haar door een kruier met eene geheele baal goederen te zien volgen, “ik heb dit geld waarlijk niet noodig. Ik heb er niets van uitgegeven. Ik heb zelf geld.”
“Mijn dametje,” antwoordde de teleurgestelde kapitein, recht voor zich de straat opkijkende. “Bewaar het dan voor mij, als ge zoo goed wilt zijn, tot ik er u naar vraag.”—“Mag ik het weer op zijne gewone plaats bergen,” zeide Florence, “en het daar bewaren?”
De kapitein was lang niet blijde met dit voorstel, maar hij antwoordde toch: “Ja, ja, plaats het waar gij wilt, mijn dametje, als gij maar weet waar gij het kunt vinden. Voor mij is het van geen nut,” zeide de kapitein. “Ik ben verwonderd, dat ik het al niet lang heb weggegooid.”
De kapitein was voor een oogenblik geheel verslagen, maar de eerste aanraking van Florence’s arm deed hem weder herleven, en zij keerden terug met dezelfde voorzorgen waarmede zij gekomen waren. Op de stoep gekomen, deed de kapitein de deur open en schoot er toen binnen, met eene vaart en behendigheid, die alleen groote oefening hem kon geleerd hebben. Terwijl Florence des morgens lag te sluimeren, had hij de dochter van eene oude vrouw, die gewoonlijk op de Leadenhall-Markt onder eene blauwe paraplu met gevogelte te koop zat, aangenomen om hare kamer te komen in orde brengen en haar de noodige kleine diensten te bewijzen; en daar dit meisje nu verscheen, vond Florence alles om haar heen even goed in orde en geriefelijk, schoon niet zoo prachtig, als in het akelige spookkasteel, waar zij eens thuis heette te zijn.
Toen zij weder alleen waren, drong de kapitein haar om een sneedje brood te eten en een glaasje kruidenwijn te drinken (dien hij heerlijk wist gereed te maken); en haar vervolgens bemoedigende met alle vriendelijke woorden en wonderlijke aanhalingen, die hij maar bedenken kon, bracht hij haar naar boven. Maar hij had toen nog iets op het gemoed en was blijkbaar niet rustig.
“Goeden nacht, lief hartje,” zeide kapitein Cuttle aan hare kamerdeur.
Florence hief haar hoofdje op en gaf hem een kus.
Op een anderen tijd zou de kapitein door zulk een blijk van hare genegenheid en dankbaarheid geheel over staag zijn gesmeten; maar nu, hoewel hij zeer gevoelig er voor was, zag hij haar aan met zelfs nog meer onrust dan hij te voren had laten blijken, en scheen ongezind om haar te verlaten.
“Arme Walter!” zeide de kapitein.—“Arme, arme Walter!” zuchtte Florence.—“Verdronken, niet waar?” zeide de kapitein.
Florence schudde haar hoofd en zuchtte.
“Goeden nacht, mijn dametje,” zeide de kapitein, zijne hand toestekende.—“God zegen u, goede, lieve vriend!”
Maar de kapitein bleef nog dralen.
“Scheelt er iets aan, beste kapitein Cuttle?” zeide Florence, die zich licht ongerust maakte. “Hebt gij mij iets te zeggen?”—“U iets te zeggen, mijn dametje!” antwoordde de kapitein, haar zeer verlegen in de oogen ziende. “Neen, wat zou ik u te zeggen hebben, liefje? Gij denkt toch niet, dat ik iets goeds te zeggen heb, niet waar?”—“Neen,” zeide Florence en schudde haar hoofd.—“Arme Walter!” zeide de kapitein. “Mijn Walter, zooals ik hem placht te noemen! Oude Sam zijn neef! welkom voor ieder, die u kende, gelijk de bloemen in Mei! Waar zijt ge nu, brave jongen? Verdronken, niet waar?”
Zijne alleenspraak met deze plotselinge vraag aan Florence besluitende, wenschte de kapitein haar goedennacht en ging de trap af, terwijl zij met de kaars bovenaan bleef staan om hem te lichten. Hij verdween in de duisternis, en naar het geluid zijner voetstappen te rekenen zou hij juist het achterkamertje binnengaan, toen zijn hoofd en schouders eensklaps weder zichtbaar werden, alsof zij uit de diepte opdoken, maar het scheen met geen ander doel dan om nog eens te herhalen: “Verdronken, niet waar, liefje?” Want toen hij dit op een toon van teeder medelijden gezegd had, verdween hij voor goed.
Het speet Florence zeer, dat zij onwillekeurig, hoewel natuurlijk, deze herinnering bij haar beschermer had doen ontwaken; en zich bij het tafeltje zettende, waarop de kapitein den verrekijker, het liederboekje en die andere rariteiten had neergelegd, bleef zij aan Walter en alles wat er met hem in verband stond denken, tot zij bijna had kunnen wenschen zich maar te bed te leggen om te kunnen sterven. Maar onder haar eenzaam smachten naar de dooden, die zij had liefgehad, kwam geene gedachte aan haar vaderlijk huis—geene mogelijkheid om daarheen terug te keeren—geen denkbeeld, dat het nog bestond en dat daar haar vader woonde—in haar gemoed op. Zij had hem zien vermoorden. In de laatste natuurlijke gedaante, waarmede zij hem door zooveel heen was blijven liefhebben, was hij uit haar hart gerukt en vermoord. De gedachte was haar zoo ontzettend, dat zij hare oogen bedekte en bevend terugdeinsde bij de minste herinnering aan de daad of aan de hand, die ze bedreven had. Als haar teeder hart daarna nog zijn beeld had kunnen bewaren, had het moeten breken; maar dat kon het niet doen, en de ledige plaats was aangevuld door een woesten angst voor een enkelen blik op de verminkte brokken van dat beeld—een angst, die alleen uit de diepte van zulk eene liefde, zoo mishandeld, kon oprijzen.
Zij durfde niet in den spiegel zien; want het gezicht der wankleurige plek op hare borst deed haar voor zich zelve schamen, alsof zij een teeken van goddeloosheid met zich omdroeg. Zij bedekte het met eene haastige, bevende hand, in het donker, en legde haar vermoeid hoofd neder en schreide.
De kapitein ging nog in langen tijd niet naar bed. Hij bleef nog een vol uur in den winkel en het achterkamertje op en neer wandelen, en toen hij door die lichaamsbeweging tot bedaren scheen te zijn gekomen, ging hij met een ernstig peinzend gezicht zitten en las in het gebedenboek de gebeden, bestemd ten gebruike op zee. Dit ging niet gemakkelijk, want de kapitein was een langzaam en stroef lezer, en hield bij een moeielijk woord dikwijls op om zich zelven aan te moedigen met een: “Komaan, jongen, frisch aangepakt!” of “Sta vast, Edward Cuttle, sta vast!” hetgeen veel scheen te baten om hem over een bezwaar heen te helpen. Bovendien hinderde zijn bril hem zeer in het zien. Maar, in spijt van deze belemmeringen, las de kapitein, daar hij het ernstig meende, de formulieren tot den laatsten regel toe, en dat met waar gevoel. Toen zeer voldaan over het gelezene, begaf hij zich onder de toonbank te rust (maar niet voordat hij nog eens naar boven was gegaan en aan Florence’s deur had geluisterd) en viel met een verruimd hart en een genoeglijk gezicht in slaap.
In den loop van den nacht stond de kapitein verscheidene malen op om zich te verzekeren of Florence gerust sliep; en eens, toen de dag aanbrak, bevond hij, dat zij wakker was, want toen zij zijn voetstap hoorde, riep zij om te weten of hij het was.
“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein met een brommend gefluister. “Zijt gij geheel en al wel, mijn dametje?”
Florence bedankte hem en antwoordde van ja.
Nu kon de kapitein de gunstige gelegenheid niet verzuimen om zijn mond voor het sleutelgat te houden en daardoor heen, alsof er een schorre wind door woei, te roepen: “Arme Walter! Verdronken, niet waar?” Waarna hij weder naar bed ging en tot zeven uur bleef slapen.
Ook den geheelen dag was hij niet vrij van die zonderlinge gejaagdheid en verlegenheid; hoewel Florence, die in het achterkamertje zat te naaien, kalmer en rustiger was dan den vorigen dag. Bijna telkens wanneer zij hare oogen van haar werk opsloeg, bemerkte zij, dat de kapitein haar aanzag en peinzend zijne kin wreef; en zoo dikwijls schoof hij met zijn leuningstoel naar haar toe, alsof hij iets zeer vertrouwelijks wilde zeggen, en schoof hij dan ook weder achteruit, als wist hij niet daaraan te beginnen, dat hij in den loop van den dag het geheele kamertje aldus doorkruiste, en meer dan eens tegen het beschot of de kastdeur op het strand raakte.
Het was niet voor schemeravond, dat kapitein Cuttle voor goed zijn anker liet vallen, en eindelijk, dicht naast Florence gezeten, geregeld begon te praten. Maar op dien tijd, toen het vuur de muren en de zoldering verlichtte en haar kalm gezichtje bescheen, dat naar de vlam was gekeerd, en in de tranen flikkerde, die hare oogen vulden, verbrak de kapitein aldus zijn langdurig stilzwijgen:
“Gij zijt wel nooit op zee geweest, mijn hartje?”—“Neen,” antwoordde Florence.—“Ja,” hernam de kapitein met eerbied, “het is een almachtig element. Er zijn wonderen in de diepte, mijn liefje. Denk eens aan, als de winden loeien en de golven bulderen. Denk eens aan, als het in stormige nachten zoo pikdonker is,” zeide de kapitein, plechtig zijn haak ophoudende, “dat men geen hand voor oogen zien kan, behalve als een bliksemstraal ze zichtbaar maakt; en als gij daar door storm en duisternis voortdrijft, alsof gij zoo zoudt blijven voortdrijven van eeuwigheid tot eeuwigheid, amen, en als gij dat vindt, zet er dan een streepje bij. Dat is een tijd, mijn dametje, dat iemand tegen zijn kameraad mag zeggen: “Een stijve noordwester, Bill; luister, hoort ge hem niet loeien! Och, Heere, hoe beklaag ik alle ongelukkigen, die nu aan land zitten!”” Welke aanhaling, als bijzonder toepasselijk op de verschrikkingen der zee, de kapitein met een nadrukkelijk “Sta vast!” besloot.—“Zijt gij ooit in zulk een vreeselijken storm geweest?” vroeg Florence.—“Wel ja, mijn dametje, ik heb ook mijn deel van slecht weer gehad,” antwoordde de kapitein, met eene bevende hand zijn hoofd afvegende, “ik ben ook genoeg rondgeslingerd. Maar—maar het is niet van mij zelven, dat ik wenschte te spreken. Onze beste jongen,” dichter bij haar schuivende, “Walter, liefje, die verdronken is.”
De kapitein sprak met zulk eene bevende stem, en zag Florence met zulk een bleek en ontroerd gezicht aan, dat zij verschrikt zijne hand vatte.
“Uw gezicht is in een oogenblik zoo veranderd,” riep zij uit. “Wat is er? Lieve kapitein Cuttle, ik word er koud van, dat ik u zoo zie!”—“Word maar niet bang, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Neen, neen. Alles is wel, alles is wel, mijn liefje. Zooals ik zeide—Walter—hij is—hij is verdronken. Is hij niet?”
Florence zag hem strak aan, werd beurtelings rood en bleek en legde hare hand op hare borst.
“Er zijn gevaren op de diepte, mijn hartje,” zeide de kapitein, “en over menig goed schip en menig moedig hart hebben de golven zich gesloten, en er nooit een woord van gezegd. Maar er zijn ook uitkomsten op de diepte, en somtijds wordt één man van de twintig—ja, misschien één van de honderd, mijn liefje—door Gods genade gered, en komt hij nog thuis, als men hem al lang voor dood heeft gehouden en verteld dat allen verdronken waren. Ik—ik weet eene historie, hartediefje,” stotterde de kapitein, “eene historie van die soort, die mij eens verteld is; en nu ik daaraan denk, en zoo alleen met u bij het vuur zit, zoudt ge ze misschien wel eens willen hooren. Zoudt ge, liefje?”
Florence, bevende van eene ontroering, die zij niet begreep of kon bedwingen, volgde onwillekeurig zijne oogen, die achter haar om naar den winkel dwaalden, waar eene lamp brandde. Zoodra zij haar hoofd omdraaide, sprong de kapitein van zijn stoel op en hield zijne hand voor haar.
“Daar is niets, mijn juweeltje,” zeide de kapitein. “Kijk daar niet!”—“Waarom niet?” vroeg Florence.
De kapitein mompelde iets dat het daar somber en het vuur vroolijk was. Hij stiet de deur, die tot nog toe had opengestaan, half toe, en zette zich weder. Florence volgde hem met hare oogen en zag hem strak aan.
“De historie was van een schip, mijn dametje,” begon de kapitein, “dat met goeden wind en mooi weer de haven van Londen was uitgezeild, bestemd—ontstel maar niet, mijn dametje—het was maar naar ik weet niet waar bestemd.”
De uitdrukking van Florence’s gezichtje ontrustte den kapitein, die zelf zeer rood en heet was, en weinig minder ontroering liet blijken dan zij.
“Zal ik voortgaan, liefje?” zeide de kapitein.—“Ja, ja, bid ik u!” riep Florence uit.
De kapitein scheen iets, dat hem in de keel stak, met geweld door te zwelgen, en vervolgde zeer zenuwachtig:
“Dat ongelukkige schip kreeg op zee zulk een slecht weer, mijn liefje, als men in twintig jaar niet beleeft. Er woei aan land een orkaan, die bosschen uitroeide en steden verwoestte, en op zee had men op die breedte een storm, waarin het sterkste schip het niet kon uithouden. Dag aan dag hield dat ongelukkige schip zich evenwel goed, heeft men mij verteld, maar op eens werd bijna de geheele verschansing weggeslagen, en gingen de masten overboord en brak het roer af, en werden de beste matrozen overboord gespoeld, en zoo was het aan de genade van den storm overgelaten, die geene genade had, maar al harder en harder opstak, en telkens als de golven er op kwamen neerdonderen, kraakten zij het goede schip als een notedop. Ieder zwart plekje in elken waterberg, die wegrolde, was een stuk van het schip of een levend mensch, en zoo ging het geheel aan stukken, liefje, en geen gras zal er ooit groeien op de graven van hen die het bevoeren.”—“Zij verongelukten toch niet allen!” riep Florence. “Sommigen werden toch gered! Werd er iemand gered?”—“Aan boord van dat ongelukkige schip,” zeide de kapitein, van zijn stoel opstaande en zijne vuist met verbazende kracht dichtklemmende, “was een knaap, een moedige knaap—zooals ik heb hooren vertellen—die, toen hij nog een kleine jongen was, altijd gaarne van moedige daden bij schipbreuken had gelezen en gepraat—ik heb hem gehoord, zelf gehoord!—en hij dacht weder daarom in het uur van nood; want toen de stoutste harten en oudste handen slap werden, bleef hij standvastig en onverschrokken. Het was niet uit gebrek aan menschen om lief te hebben aan land, dat hij zooveel moed had, het was zijn natuurlijk karakter zoo. Ik heb het in zijn gezicht gezien, toen hij nog niet meer dan een kind was—ja, dikwijls!—en toen ik dacht dat het niets anders was dan zijn gezond uitzicht, zegen hem!”—“En werd hij gered?” riep Florence uit. “Werd hij gered?”—“Die brave jongen,” zeide de kapitein. “Zie mij aan, liefje. Kijk niet om—”
Florence had nauwelijks de kracht om nog eens te vragen: “Waarom niet?”—“Omdat daar niets te zien is, hartje,” zeide de kapitein, “Maak u niet angstig, liefje! Doe dat niet—om Walter’s wil, van wien wij allen zooveel hielden! Die knaap,” vervolgde de kapitein, “nadat hij met de besten had gewerkt, en de flauwhartigen had bijgestaan, en geen teeken van vrees gegeven, en bij al de anderen een ijver had wakker gehouden, die hem zooveel eer aandeed alsof hij een admiraal was geweest—die knaap en de tweede stuurman en een matroos waren de eenigen die overbleven van al de kloppende harten, die op dat schip geweest waren. Zij hadden zich op een stuk van het wrak vastgebonden en dreven zoo op de stormige zee”—“Werden zij gered!” riep Florence.—“Dagen en nachten dreven zij op het eindelooze water,” zeide de kapitein, “tot eindelijk—neen, kijk niet naar dien kant, liefje!—een zeil op hen aankwam, en zij door Gods genade aan boord werden genomen—twee levend, en een dood.”—“Wie van hen was dood?” riep Florence.—“Niet de knaap, waarvan ik spreek,” zeide de kapitein.—“Goddank! O, Goddank!”—“Amen!” zeide de kapitein haastig. “Maak u niet benauwd. Nog eene minuut, mijn dametje—moed gehouden! Aan boord van dat schip deden zij eene lange reis dwars over de kaart (want zij deden geene haven aan) en op die reis stierf de matroos, die met hem was opgenomen. Maar hij bleef bewaard, en—”
Zonder te weten wat hij deed, had de kapitein eene snee brood gesneden en aan zijn haak gestoken (zijne gewone vork om brood aan te roosteren), die hij nu, terwijl hij met een gezicht vol ontroering achter Florence omkeek, zoo dicht voor het vuur hield, dat het brood tot kool brandde.
“Bleef bewaard,” herhaalde Florence, “en?”—“En kwam met dat schip thuis,” zeide de kapitein, nog in dezelfde richting kijkende, “en—schrik niet, liefje!—aan land; en op een ochtend kwam hij voorzichtig voor zijne eigene deur om observatie te doen, wel wetende dat zijne vrienden hem voor verdronken zouden houden, toen hij zich verwonderde over het onverwachte—”—“Over het onverwachte blaffen van een hond?” riep Florence haastig.—“Ja!” barstte de kapitein uit. “Sta vast liefje! Moed gehouden! Kijk nog niet om. Zie daar—op den muur!”
Op den muur dicht bij haar viel de schaduw van een man. Zij sprong op, keerde zich om en gaf een schellen gil toen zij Walter Gay achter haar zag staan.
Zij dacht niet anders aan hem dan als een broeder, een broeder uit het graf gered, een broeder in eene schipbreuk bewaard gebleven, voor dood gehouden en weder bij haar gekomen, en vloog in zijne armen. In de geheele wereld scheen hij hare hoop, haar troost, hare toevlucht, haar natuurlijke beschermer te zijn. “Draag zorg voor Walter. Ik heb veel van Walter gehouden!” De dierbare herinnering der klagende stem, die dit gezegd had, streelde hare ziel gelijk muziek in den nacht. “O, welkom thuis, lieve Walter! Welkom aan deze gewonde borst!” Zij gevoelde deze woorden, hoewel zij ze niet kon uiten, en hield hem in hare reine omhelzing gesloten.
Kapitein Cuttle beproefde in eene vlaag van ijlhoofdigheid zijn hoofd af te vegen met het zwart gebrande brood aan zijn haak, en toen hij het daarvoor ondienstig vond, stopte hij het in zijn blinkenden hoed, zette toen dien hoed met eenige moeite op, beproefde het begin van Mooie Peggy te zingen, bleef bij het eerste woord steken, en nam de wijk naar den winkel, waaruit hij weldra haastig terugkwam, met een zeer rood en begroezeld gezicht, en al de stijfsel uit zijne boordjes weggeweekt, om de woorden te zeggen:
“Walter, mijn jongen, hier is een klein kapitaaltje, dat ik u zou wenschen over te maken, gansch en gaar.”
Snel haalde hij het groote horloge, de theelepeltjes, de suikertang en het blikken busje voor den dag, legde alles bij elkander op de tafel en streek het met zijne groote hand in Walter’s hoed; maar toen hij deze zonderlinge cassette aan Walter wilde toereiken, werd hij wederom zoodanig door zijne ontroering overmeesterd, dat hij nogmaals naar den winkel moest vluchten en ditmaal langer wegbleef dan de vorige maal.
Maar Walter ging hem opzoeken en bracht hem terug, en toen was des kapiteins grootste vrees, dat Florence nadeel zou hebben van dezen nieuwen schok. Hij was zoo ernstig beducht daarvoor, dat hij op eens bedaard en verstandig werd, en alle verdere toespeling op Walter’s avonturen voor eenige dagen verbood. Hij ontlastte zich nu ook van het stuk gebraden brood in zijn hoed, en zette zich op zijn gemak aan de tafel; maar toen Walter aan den eenen kant zijne hand op zijn schouder legde, en Florence hem aan den anderen hare weemoedige betuigingen van blijdschap in het oor fluisterde, nam de goede kapitein plotseling nogmaals de wijk, en bleef toen eene goede tien minuten weg.
Maar nooit in geheel zijn leven had des kapiteins gezicht zulk een glans gehad, als toen hij eindelijk voor vast aan de theetafel zat, en van Walter naar Florence en van Florence naar Walter keek; en deze glans was geenszins voortgebracht door het geweldig wrijven met zijne mouw, dat zijn gezicht in het laatste half uur had moeten verduren, maar geheel en al een gevolg van zijne innerlijke gemoedsbewegingen. In zijn binnenste heerschten eene opgetogenheid en blijdschap, die zich over geheel zijn gezicht verspreidden en daar als het ware eene illuminatie aanstaken.
De trotschheid, waarmede de kapitein de gebruinde wangen en moedige oogen van zijn wedergevonden Walter beschouwde, waarmede hij het edele vuur zijner jeugd en al zijne innemende en veelbelovende eigenschappen weder zag schitteren in zijne rondborstige manieren en op zijn mannelijk gezicht, moest op zijn eigen gezicht iets van dat licht ontsteken. De bewondering en teederheid, waarmede hij zijne oogen op Florence vestigde, wier schoonheid, bevalligheid en onschuld geen trouwer en ijveriger kampvechter hadden kunnen verwerven dan hem, moesten denzelfden invloed op hem uitoefenen. Maar de volheid van den gloed, dien hij om zich heen verspreidde, kon alleen worden voortgebracht door zijne beschouwing van die twee bij elkander, en door al de gedachten welke die vereeniging moest opwekken, en die hem als een huppelende dans van vroolijke beelden door het hoofd vlogen.
Hoe zij over oom Sam praatten, en zij uitweidden over al de omstandigheden van zijn verdwijnen; hoe hunne vreugde door de afwezigheid des ouden mans en de rampen van Florence werd getemperd; hoe zij Diogenes verlosten, dien de kapitein eenigen tijd vooraf naar boven had gelokt, opdat hij niet weder zou blaffen, begreep de kapitein zeer wel, ofschoon hij op den duur nog eenigszins ontroerd bleef, en meermalen nog eens voor eene korte poos naar den winkel ging. Maar hij droomde evenmin dat Walter Florence thans op eene geheele andere plaats dan voorheen en ver van zich verwijderd zag, en dat, terwijl zijne oogen dikwijls haar bekoorlijk gezichtje zochten, zij toch zelden haar openhartigen blik van zusterlijke genegenheid beantwoordden, maar zich dan van de hare afwendden, als hij geloofde dat het Walter’s geest was, die daar naast hem zat. Hij zag hen daar bij elkander in hunne jeugd en schoonheid, en hij kende de geschiedenis hunner kindsche dagen, en hij had onder zijn groot blauw vest geen duim breedte plaats voor iets anders dan bewondering voor zulk een paar en dankbaarheid dat het weder vereenigd was.
Zoo zaten zij tot het laat werd. De kapitein had wel eene week lang zoo willen blijven zitten. Maar Walter stond eindelijk op om afscheid te nemen.
“Gaat gij heen, Walter?” zeide Florence. “Waar naar toe?”—“Hij heeft vooreerst een logies om den hoek bij Brogley, mijn dametje,” zeide de kapitein. “Hij is binnen beroep, mijn hartediefje.”—“Ik ben de oorzaak, dat gij heengaat, Walter,” zeide Florence. “Er is eene zuster, die geen ander thuis heeft, in uwe plaats gekomen.”—“Lieve jufvrouw Dombey,” antwoordde Walter haperend—“als het niet te vermetel is u zoo te noemen—”—“Walter!” riep zij verwonderd uit.—“Als iets voor mij het geluk kon vergrooten van u te mogen zien en spreken, zou het dan niet de ontdekking zijn, dat ik eenig middel had, om u een oogenblik dienst te bewijzen? Waar zou ik niet naar toe gaan, wat zou ik niet doen, om uwentwil?”
Zij glimlachte en noemde hem broeder.
“Gij zijt zoo veranderd,” zeide Walter.—“Ik veranderd!” viel zij er op in.—“Voor mij,” zeide Walter zacht, alsof hij overluid dacht, “voor mij veranderd. Ik heb u zulk een kind gelaten, en vind u—o, iets geheel anders.”—“Maar toch uwe zuster. Gij hebt immers niet vergeten, wat wij elkander beloofden, toen wij scheidden?”—“Vergeten?” Maar hij zeide niets meer.—“En al hadt gij dat gedaan—al hadden leed en gevaren het u uit de gedachten verdreven—dat zoo niet is—dan zoudt gij het u nu wel herinneren, Walter, nu gij mij arm en verlaten vindt, zonder ergens een thuis te hebben behalve hier, en zonder vrienden behalve de twee, die mij nu hooren spreken.”—“Dat zou ik! De hemel weet, dat zou ik!” zeide Walter.—“O Walter, lieve broeder,” riep Florence door hare snikken en tranen uit. “Wijs mij toch een weg om door de wereld te komen—een nederig pad, waar ik alleen kan wandelen en werkzaam zijn, en somtijds aan u denken als aan iemand, die mij als eene zuster beschermen en liefhebben zal. O, help mij toch, Walter, want ik heb zooveel hulp noodig!”—“Jufvrouw Dombey! Florence! Ik zou willen sterven om u te helpen. Maar uwe betrekkingen zijn grootsch en rijk. Uw vader—”—“Neen, neen, Walter!” gilde zij en stak hare handen op met een schrik, die hem deed verstommen. “Zeg dat woord niet!”
Nooit vergat hij de stem en den blik, waarmede zij hem bij dat woord stuitte. Hij gevoelde, dat hij ze nooit zou kunnen vergeten, al werd hij honderd jaren oud.
Ergens heen—waar dan ook—maar nooit weder naar huis! Alles voorbij, alles weg, alles verloren, alles verwoest! De geheele geschiedenis van het leed en de verwaarloozing, die zij altijd had verzwegen, lag in dien kreet en dien blik; hij gevoelde, dat hij ze nooit kon vergeten, en deed dit ook nooit.
Zij liet haar lief gezichtje op des kapiteins schouder zinken, en verhaalde hoe en waarom zij gevlucht was. Als elke traan, dien zij onder dat verhaal schreide, een vloek geweest was op het hoofd van hem, dien zij nooit noemde of laakte, zou het beter voor hem zijn geweest, dacht Walter met ontzetting, dan uit zulk eene kracht en macht van liefde verstooten te worden.
“Daar nu, mijn juweeltje!” zeide de kapitein, toen zij ophield; en met diepe aandacht had hij naar haar geluisterd, met zijn hoed geheel op zijde en zijn mond wijd open. “Sta vast, sta vast, mijne oogen! Walter, beste jongen, pak u nu voor van avond weg, en laat het liefje maar aan mij over.”
Walter vatte hare hand en bracht ze aan zijne lippen. Hij wist nu, dat zij waarlijk eene zwervende vluchtelinge was; maar voor hem rijker zóó, dan in den glans en de weelde van haar rechtmatigen staat, scheen zij nog verder van hem af te zijn, dan zelfs op de hoogte, die hem in zijne jeugdige droomen had doen duizelen.
Kapitein Cuttle, door geene zoodanige bedenkingen verontrust, bracht Florence naar hare kamer, en kwam van tijd tot tijd de wacht houden op den betooverden grond voor hare deur—want voor hem was die grond waarlijk betooverd—tot hij zich gerust genoeg over haar gevoelde, om onder de toonbank te gaan slapen. Toen hij daartoe zijn post verliet, kon hij niet nalaten nog eens—maar nu met verrukking—door het sleutelgat te roepen; “Verdronken! Niet waar, liefje?” en onder aan de trap nog eens het lied van Mooie Peggy te beproeven. Dit bleef hem, hoe dan ook, weder in de keel steken. Hij ging dus naar bed en droomde dat de oude Sam Gills met jufvrouw MacStinger was getrouwd, en door die dame in eene geheime kamer op kort rantsoen gevangen werd gehouden.
L. WALTER EN TOOTS
Er was in het huis, dat den houten adelborst herbergde, een ledig kamertje, dat in vroeger tijd Walter’s slaapkamer was geweest. Walter, die den kapitein des morgens vroeg kwam oproepen, stelde voor, dat zij de beste meubelen uit het achterkamertje daarheen zouden brengen, zoodat Florence, zoodra zij opstond, dit vertrekje in bezit kon nemen. Daar niets kapitein Cuttle aangenamer kon zijn, dan zich voor zoo iets buiten adem te werken, ging hij (gelijk hij zelf zeide) met lust aan den gang, en in een paar uren was dit hokje in eene soort van landkajuit herschapen, versierd met de beste meubelen uit de achterkamer, daaronder zelfs het fregat de Tartaar begrepen, hetwelk de kapitein boven den schoorsteenmantel hing en zoozeer bewonderde, dat hij een half uur lang niets anders doen kon dan het al achteruitstappende te bekijken.
Door geene overreding van Walter liet de kapitein zich bewegen om het groote horloge op te winden of het blikken busje terug te nemen, of de suikertang of de theelepeltjes aan te raken. “Neen, neen, mijn jongen,” was zijn onveranderlijk antwoord op zulk een aanzoek; “ik heb u dat kapitaaltje overgemaakt, gansch en gaar.” Deze woorden sprak hij met groote deftigheid uit, blijkbaar geloovende, dat zij de kracht eener parlementsakte hadden, en dat, als hij zich maar niet compromitteerde door eene nieuwe bekentenis van eigenaarschap, zulk een vorm van overdracht onherroepelijk was.
Het was een voordeel der nieuwe schikking, dat behalve dat Florence meer vrijheid en stilte kreeg, de houten adelborst nu weder op zijn gewonen observatiepost kon geplaatst en de luiken van den winkel afgenomen konden worden; want op den vorigen dag had het gesloten blijven zulk eene bevreemding in de buurt veroorzaakt, dat het huis des instrumentmakers door het publiek met eene buitengemeene mate van aandacht was verwaardigd, en den geheelen dag lang troepen van nieuwsgierige kijkers aan den overkant der straat waren blijven staan. Vooral hadden de straatjongens belang gesteld in het lot des kapiteins, en hadden zij gedurig in den modder liggen kruipen om door de keldertraliën onder het winkelvenster te kijken, hunne verbeelding streelende met den waan, dat zij een stukje van zijne jas konden zien, gelijk hij zich in een hoek had opgehangen; hoewel deze soort van uiteinde door eene andere partij ten sterkste werd tegengesproken, die van gevoelen was, dat hij vermoord (met een hamer doodgeslagen) op de trap lag. Het was dus niet zonder eenig ongenoegen, dat men hem, die het onderwerp dezer geruchten was, des morgens vroeg weder aan zijne deur zag staan, even gezond en frisch alsof er niets gebeurd was; en de Beadle van de wijk, een man van een eerzuchtig karakter, die gedacht had de onderscheiding te zullen hebben om bij het openbreken van de deur te assisteeren, en in volle uniform getuigenis voor den coroner te geven, ging zelfs zoo ver, dat hij tot een overbuurman zeide, dat die kerel met zijn blinkenden hoed het maar niet moest probeeren—zonder nader aan te duiden wat—en verder dat hij, de Beadle, hem in het oog zou houden.
“Kapitein Cuttle,” zeide Walter peinzende, toen zij aan de winkeldeur van hun arbeid stonden uit te rusten, en hij de nog welbekende straat opkeek, “geheel niets van oom Sam in al dien tijd?”—“Niets, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende.—“Mij te gaan opzoeken, die lieve, goede, oude man,” zeide Walter, “en u toch nooit te schrijven! Maar waarom niet? Hij zegt wel in den brief, dien gij mij gegeven hebt,” het pakje uit zijne borst halende, dat in tegenwoordigheid van den helderdenkenden Bunsby was geopend, “dat als gij niet van hem hoort, eer gij dien opent, gij hem voor dood kunt houden. Dat verhoede God! Maar gij zoudt toch van hem gehoord hebben, al was hij dood. De een of ander zou u toch op zijn verlangen geschreven hebben, als hij dat niet kon doen; en gezegd hebben: “dan en dan overleed ten mijnen huize, of onder mijne zorg, mijnheer Samuel Gills, van Londen, die dit laatste verzoek voor u heeft nagelaten.””
De kapitein, die nog nooit op zulk eene heldere hoogte van waarschijnlijkheid was geklommen, was verwonderd over het ruime uitzicht, dat zich daar opende, en antwoordde, nadenkend zijn hoofd schuddende: “Wel gezegd, mijn jongen. Heel wel gezegd.”
“Ik heb daarover gedacht, of ten minste,” zeide Walter blozende, “ik heb over allerlei dingen gedacht, terwijl ik van nacht niet slapen kon, en ik kan niet anders denken, kapitein Cuttle, of mijn oom Sam (God zegen hem!) is nog in leven en zal wel terugkomen. Het verwondert mij niet zoozeer, dat hij is heengegaan, omdat, zonder nog te spreken van die zucht voor het avontuurlijke, waarvan hij altijd iets in zijn karakter had, en van zijne gehechtheid aan mij, waarvoor alle andere dingen bij hem achterstonden, gelijk niemand zoo goed weet als ik, die den besten van alle vaders aan hem had—” Walter’s stem werd hier schor, en hij keek naar den anderen kant de straat op—“zonder daarvan te spreken, zeg ik, heb ik dikwijls gehoord en gelezen van menschen, die, als een dierbaar bloedverwant van hen voor op zee verongelukt werd gehouden, ergens aan de kust gingen wonen, waar men tijding van het vermiste schip kon verwachten, al was het maar een paar uren vroeger dan ergens anders, of er zelfs naar gingen zoeken, op de plaats waarheen het bestemd was, alsof hunne reis iets kon toebrengen om bericht te verschaffen. Ik denk dat ik zelf wel in staat zou zijn om zoo iets te doen. Maar waarom mijn oom u niet schreef, daar hij dit toch zoo duidelijk voornemens was, of dat hij buitenslands zou kunnen sterven, zonder dat gij het door iemand anders te weten zoudt komen, dat is iets dat ik niet begrijp.”
Kapitein Cuttle merkte aan, dat Jack Bunsby zelf het niet begrepen had, en dat hij toch een man was, die degelijk zijn gevoelen wist te zeggen.
“Als mijn oom een loszinnig jongmensch was geweest, die licht door vroolijk gezelschap naar een of ander huis kon gelokt worden, waar men hem om het geld, dat hij bij zich had, van kant wilde helpen,” zeide Walter, “of een woeste matroos, die met twee of drie maanden gage in zijn zak aan land ging, kon ik het begrijpen, dat hij verdween zonder spoor na te laten. Maar van zoo iemand als hij was—en is, hoop ik—kan ik dat niet gelooven.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, hem bekommerd aanziende, “wat denkt gij er dan van?”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, “ik weet niet wat ik er van denken moet,—als het zoo is, dat hij nooit heeft geschreven. Daar is immers geen twijfel aan?”—“Als Sam Gills heeft geschreven, mijn jongen,” zeide de kapitein redeneerend, “waar is dan de brief?”—“Hij kan wel aan iemand zijn medegegeven,” zeide Walter, “en vergeten, of achteloos weggegooid, of verloren zijn. Zelfs dat komt mij waarschijnlijker voor dan de andere mogelijkheid. Kortom, ik kan en wil niet aan die andere mogelijkheid denken, kapitein Cuttle.”—“Hoop, ziet ge wel, Walter,” merkte de kapitein diepzinnig aan. “Hoop. Dat is het wat u doet leven. Hoop is een anker, dat kunt gij in het groote liederboek nazien, mijn jongen. Maar wat baat het mij of ik een anker heb, als ik geen grond kan vinden om het in te laten zakken.”
Kapitein Cuttle zeide dit veeleer in zijn karakter van gezeten burger en voorzichtig winkelier, verplicht om een onervaren jonkman een kruimpje uit zijn schat van wijsheid mede te deelen, dan in zijn eigen persoon. Uit zijne oogen straalde te gelijk de nieuwe hoop, die hij van Walter had opgevangen; en hij besloot zeer gepast met hem op den rug te kloppen en in vervoering uit te roepen: “Hoera, mijn jongen. Ik ben het met u eens.”
Walter beantwoordde dit compliment met een vroolijken lach, en zeide:
“Nu nog maar één woord over mijn oom vooreerst, kapitein Cuttle. Het zal wel voor onmogelijk moeten gehouden worden, dat hij op de gewone manier kan geschreven hebben—met postpakket of schip, verstaat ge—”—“Ja, ja, mijn jongen,” zeide de kapitein goedkeurend.—“En dat die brief niet bij u te recht gekomen is?”—“Wel, Walter,” zeide de kapitein, hem aanziende met eene flauwe poging om barsch te kijken; “ben ik niet dag en nacht op den uitkijk geweest naar dien man van wetenschap, Sam Gills, uw oom, zoolang als ik hem verloren heb? Is mijn hart niet altijd zwaar geweest over hem en u? Ben ik niet slapend en wakend op mijn post gebleven, en zou ik mij niet geschaamd hebben om er van af te loopen zoolang deze adelborst boven water bleef?”—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, hem bij de hand vattende, “dat weet ik wel, en ik weet wel hoe trouw en ernstig alles is, dat gij zegt en doet. Daar ben ik zeker van. Gij twijfelt niet, of ik ben daar zoo zeker van, als dat ik mijn voet weder op dezen drempel heb, of dat ik deze trouwe hand weder vasthoud. Daar twijfelt gij immers niet aan?”—“Neen, neen, Walter,” zeide de kapitein met een geheel opgehelderd gezicht.—“Ik zal geene gissingen meer wagen,” hervatte Walter, de harde hand des kapiteins schuddende. “Al wat ik er nog wil bijvoegen is, de hemel verhoede, dat ik het eigendom van mijn oom zou aanraken, kapitein Cuttle. Al wat hij hier gelaten heeft, zal hier blijven in bewaring van den trouwsten rentmeester en den braafsten man—en als zijn naam niet Cuttle is, heeft hij geen naam. En nu, beste vriend, over—jufvrouw Dombey.”
Er was eene verandering in Walter’s uitzicht en toon, toen hij aan deze twee woorden kwam; en toen hij ze had uitgesproken, schenen alle zelfvertrouwen en blijmoedigheid hem verlaten te hebben.
“Ik dacht eerst,” zeide Walter, “dat wij maar één harden plicht konden hebben, namelijk, haar te overreden, om hare betrekkingen kennis te geven waar zij was, en weder naar huis te gaan.”
De kapitein mompelde een flauw “sta vast!” of “hou vast!” of iets dat evenzeer te pas kwam; maar door de verslagenheid, waarmede dit bericht hem vervulde, klonk het zoo flauw, dat men er naar moest raden wat hij zeide.
“Maar,” zeide Walter, “dat is afgedaan. Ik denk nu zoo niet meer. Ik zou liever weder op dat stuk hout gezet worden, waarop ik na mijne redding zoo dikwijls in mijne droomen heb gedreven, en daarmee blijven rondzwalken tot ik stierf.”—“Hoera! mijn jongen,” riep de kapitein, met eene uitbarsting van onbedwingbare blijdschap. “Hoera! Hoera! Hoera!”—“Te denken dat zij, zoo jong, zoo goed, zoo schoon,” zeide Walter, “zoo teeder opgebracht en tot zulk een geheel ander lot geboren, met de ruwe wereld zou moeten worstelen! Maar wij hebben den afgrond gezien, die haar van alles afsnijdt wat achter haar is, schoon niemand dan zij zelve alleen kan weten hoe diep die is; en zij kan niet terug.”
Kapitein Cuttle, zonder dit geheel te begrijpen, keurde het toch ten hoogste goed, en merkte met nadruk aan, dat de wind vlak van achteren was.
“Maar zij behoort hier niet alleen te blijven; moet zij wel, kapitein Cuttle?” zeide Walter bekommerd.—“Wel, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, na zich eens te hebben bedacht, “dat weet ik niet. Daar gij hier zijt om haar gezelschap te houden, en gij te zamen—”—“Beste kapitein Cuttle,” bracht Walter hiertegen in, “juist omdat ik hier ben. Jufvrouw Dombey houdt mij in haar onschuldig hart voor haar aangenomen broeder; maar hoe listig en slecht zou mijn hart wezen, als ik veinsde te gelooven eenig recht te hebben om onder dien naam gemeenzaam met haar om te gaan—als ik veinsde te vergeten, dat ik als man van eer verplicht ben dat niet te doen.”—“Walter, mijn jongen,” begon de kapitein, eenigszins van zijne verslagenheid bekomende, “is er dan geen andere naam, waar—”—“O!” viel Walter er op in, “zoudt gij mij hare achting willen doen verbeuren en mij voor altijd uit hare oogen verbannen, door eene poging om er voordeel uit te trekken, dat zij hier zoo vertrouwelijk eene schuilplaats heeft gezocht, eene poging om misbruik van hare omstandigheden te maken, en van een broeder een minnaar te worden! Wat zeg ik? Er is niemand in de wereld, die mij dit eerder zou willen beletten dan gij, als ik tot zoo iets in staat was.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, wederom in zijne neerslachtigheid verzinkende, “als er wettige redenen van verhindering zijn waarom twee personen niet zouden worden samengevoegd in de banden van den echtelijken staat, zooals gij dat kunt nalezen en aanteekenen, dan hoop ik, dat ik er rond voor uit zou komen, zooals in de geboden wordt beloofd en gezworen. Dus is er geen andere naam, mijn jongen?”
Walter wuifde ontkennend met zijne hand.
“Wel, mijn jongen,” bromde de kapitein zeer langzaam, “ik wil niet ontkennen of dat valt mij geweldig tegen, en ik weet er niets meer op. Maar wat ons dametje betreft, Walter, moet gij wel weten, zooveel achting en eerbied als iemand haar verplicht is, reken ik mij ook aan haar verplicht, en daarom zal ik denzelfden koers houden als gij, en twijfel ik niet of gij doet er wel aan. En er is dus geen andere naam?” zeide de kapitein, met een zeer betrokken gezicht over de ruïne van zijn ingestort luchtkasteel mijmerend.—“Neen, kapitein Cuttle,” zeide Walter; met een vroolijker gezicht tot een ander onderwerp overgaande, om den kapitein op te beuren, hetgeen hem echter toch niet gelukte, “mij dunkt, wij moesten moeite doen om iemand te vinden, die jufvrouw Dombey gezelschap kan houden en bedienen zoolang zij hier blijft, en die wij kunnen vertrouwen. Dat kunnen wij niemand van hare familie. Het is duidelijk dat jufvrouw Dombey gelooft, dat zij allen haar vader naar de oogen zien. Waar is Suze gebleven?”—“Dat meisje?” antwoordde de kapitein. “Ik geloof dat zij zeer tegen den zin van hartediefje is weggestuurd. Ik heb eens naar haar gevischt toen ons dametje pas hier kwam, en zij prees haar tot aan de wolken en zeide dat zij al langen tijd van haar af was.”—“Vraag jufvrouw Dombey dan waar zij naar toe is,” zeide Walter, “en wij zullen ons best doen om haar te vinden. Het wordt al wat laat, en jufvrouw Dombey zal welhaast opstaan. Gij zijt haar beste vriend. Wacht boven naar haar, en laat mij voor alles beneden zorgen.”
De kapitein herhaalde den zucht, waarmede Walter dit zeide, en gehoorzaamde. Florence was verheugd over hare nieuwe kamer, verlangend om Walter te zien, en opgetogen over het vooruitzicht om hare oude vriendin Suze weder bij zich te krijgen. Maar zij kon niet zeggen waar Suze naar toe was gegaan, behalve dat het ergens in Essex moest wezen, en dat niemand het zeggen kon, of het moest, bedacht zij zich, mijnheer Toots wezen.
Met dit bericht kwam de zwaarmoedige kapitein naar Walter terug, en onderrichtte hem, dat Toots de jonkman was, dien hij op de stoep had ontmoet, en dat hij een vriend van hem was, en een jong heer van vermogen was, en dat hij jufvrouw Dombey hopeloos aanbad. De kapitein verhaalde ook, hoe de tijding van Walter’s vermeend lot hem het eerst met Toots in kennis had gebracht, en hoe er een plechtig verbond en verdrag tusschen hen was gesloten, dat Toots op het onderwerp zijner liefde stom zou blijven.
Nu was de vraag, of Florence mijnheer Toots kon vertrouwen; en toen Florence met een glimlach antwoordde: “O ja, met al mijn hart!” werd het van gewicht te ontdekken waar Toots woonde. Florence wist dit niet, en de kapitein had het vergeten, en vertelde Walter in het achterkamertje juist dat Toots wel gauw eens zou aankomen, toen deze heer werkelijk kwam.
“Kapitein Gills,” zeide Toots, zonder eenige omstandigheden binnenstuivende, “ik ben op het punt om razend te worden!”
Toots had deze woorden als uit een mortier geschoten, eer hij Walter opmerkte, dien hij nu herkende met een geluid, dat een gegrinnik van rampzaligheid zou mogen genoemd worden.
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Toots, zijn voorhoofd vasthoudende, “maar ik ben tegenwoordig in een toestand dat mijn verstand mij begeeft, als het al niet weg is, en complimenten van iemand in zulk een toestand zouden holle klanken zijn. Kapitein Gills, ik verzoek u om de gunst van een afzonderlijk gesprek.”—“Wel, broeder,” antwoordde de kapitein, hem bij de hand vattende, “gij zijt juist de man, naar wien wij op den uitkijk waren.”—“O kapitein Gills,” zeide Toots, “wat een uitkijk moet dat zijn, waarvan ik het onderwerp ben! Ik heb mij niet durven scheren zoo disperaat ben ik. Ik heb mijne kleeren niet laten borstelen. Mijn haar zit in elkander geward. Ik heb den Kemphaan gezegd, dat ik mij aan hem zou vergrijpen, als hij mijne laarzen wilde gaan poetsen.”
Al deze blijken van geestverbijstering werden door zijn voorkomen bevestigd, dat inderdaad zeer wild en woest was.
“Zie hier, broeder,” zeide de kapitein. “Dit is Walter, de neef van den ouden Sam Gills—hij, wien men voor op zee verongelukt hield.”
Toots nam zijne hand van zijn voorhoofd en staarde Walter aan.
“Goede hemel!” stamelde Toots. “Welk eene opeenstapeling van ellende! Hoe vaart ge? Ik—ik—ik vrees dat ge heel nat moet zijn geworden. Kapitein Gills, mag ik in den winkel een woordje met u spreken?”
Hij pakte den kapitein bij zijne jas, en met hem naar buiten gaande, fluisterde hij:
“Dat is dus de persoon van wien gij gesproken hebt, kapitein Gills, toen ge zoo goed waart mij te zeggen dat hij en jufvrouw Dombey voor elkander geschapen waren?”—“Wel—ja, mijn jongen,” antwoordde de neerslachtige kapitein. “Eens dacht ik er zoo over.”
En nu riep Toots uit, met zijne hand weder voor zijn voorhoofd: “Moest hij dat zijn!—een gehate medeminnaar! Maar ten minste is hij geen gehate medeminnaar,” zeide Toots, zich bedenkende en zijne hand weder wegnemende. “Waarom zou ik hem haten? Neen. Als mijne liefde waarlijk belangeloos is geweest, kapitein Gills, laat ik dat dan nu bewijzen!”
Eensklaps vloog Toots weder naar het achterkamertje, en Walter bij de hand grijpende, zeide hij:
“Hoe vaart ge? Ik hoop dat ge geen kou hebt gevat. Ik—ik zal heel blij zijn als ge mij het pleizier doet om kennis met u te mogen houden. Ik wensch u nog vele jaren na dezen. Op mijn woord van eer,” zeide Toots, warmer wordende, toen hij beter op Walter’s uitzicht en houding lette, “ik ben heel blij, dat ik u zie.”—“Ik dank u hartelijk,” antwoordde Walter. “Ik zou geen vriendelijker welkomst kunnen verlangen.”—“Zoudt ge waarlijk niet?” zeide Toots, hem nogmaals de hand schuddende. “Dat is wel goed van u. Ik ben u zeer verplicht. Hoe vaart ge? Ik hoop, dat gij alles wel hebt gelaten daar aan—dat is daarop—ik meen waar ge laatst vandaan zijt gekomen, weet ge.”
Op al deze goede wenschen en nog betere meening gaf Walter hartelijk antwoord.
“Kapitein Gills,” zeide Toots, “ik wil stiptelijk mijn woord houden; maar ik geloof, dat ik nu wel iets zou mogen zeggen van zeker onderwerp—”—“Ja, ja, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Spreek maar ronduit.”—“Dan, kapitein Gills en luitenant Walters,” zeide Toots, “weet gij wel, dat bij mijnheer Dombey aan huis de schrikkelijkste omstandigheden zijn voorgevallen, en dat jufvrouw Dombey zelve haar vader verlaten heeft, die naar mijne gedachten,” zeide Toots met groote opgewondenheid, “zulk een beest is, dat het nog vleierij zou zijn hem een houten blok of een roofvogel te noemen, en dat zij nergens te vinden is, en niemand weet, waar zij naar toe is?”—“Mag ik vragen, hoe gij dat gehoord hebt?” zeide Walter.—“Luitenant Walters,” zeide Toots, die er op eene geheel eigenaardige manier toe kwam, om hem deze benaming toe te leggen; waarschijnlijk door zijn doopnaam met de zee in verband te brengen, en eene betrekking tusschen hem en den kapitein te vooronderstellen, die zich dus ook natuurlijk tot hunne titels moest uitstrekken; “luitenant Walters, ik kan geen bezwaar hebben om u een rondborstig antwoord te geven. De zaak is, dat ik een buitengemeen belang stel in alles, wat jufvrouw Dombey maar eenigszins aangaat—niet met zelfzuchtige oogmerken, luitenant Walters, want ik weet maar al te wel dat ik ten genoege van alle belanghebbenden niet beter kan doen dan een eind aan mijn leven te maken, dat voor niets anders dan een overlast kan gehouden worden; maar ik wilde zeggen, omdat ik zooveel belang stel in alles wat jufvrouw Dombey aangaat, ben ik gewoon om nu en dan eene kleine vereering te geven aan een knecht, een heel fatsoenlijk jonkman, die Towlinson heet, en eenigen tijd daar in huis gewoond heeft; en Towlinson heeft mij gisteren gezegd, dat het zoo met de zaken gesteld was. En van dat oogenblik af, kapitein Gills en luitenant Walters, ben ik zoo goed als razend geweest; en ik heb den geheelen nacht op de sofa gelegen in den rampzaligen staat waarin gij mij nu ziet.”—“Mijnheer Toots,” zeide Walter, “het doet mij genoegen u eenigszins te kunnen geruststellen. Ik bid u, word bedaard. Jufvrouw Dombey is gezond en wel.”—“Mijnheer,” riep Toots uit, van zijn stoel opspringende om hem opnieuw de hand te geven, “die uitkomst is zoo groot, zoo onuitsprekelijk, dat al zoudt ge mij nu zeggen, dat jufvrouw Dombey getrouwd was, ik er om zou kunnen lachen. Ja, kapitein Gills,” zeide Toots, zich naar dezen omkeerende, “bij mijne ziel en mijn lichaam, ik denk waarlijk, wat ik mij zelven ook naderhand misschien zou doen, dat ik er nu om zou kunnen lachen, zoo gevoel ik mij verplicht.”—“Het zal zeker nog grooter verplichting en blijdschap voor zulk een edelmoedig hart als het uwe zijn,” antwoordde Walter, “als gij verneemt, dat gij jufvrouw Dombey een dienst kunt bewijzen. Kapitein Cuttle, wilt gij zoo goed zijn om mijnheer Toots naar boven te brengen?”
De kapitein wenkte Toots, die hem met een verwonderd gezicht volgde, en bracht hem, zonder een enkel woord van voorbereiding, naar Florence’s nieuw verblijf.
Toots’ verbazing en blijdschap bij haar gezicht waren zoo groot, dat zij zich niet anders dan in buitensporigheden lucht konden geven. Hij vloog naar haar toe, vatte hare hand, kuste die, liet ze weder los, vatte ze opnieuw, viel op eene knie, schreide, grinnikte, en bleef geheel onbewust van het gevaar, om door Diogenes te worden beetgepakt, die, in de meening, dat deze bewegingen van vijandigen aard waren, om hem heen draaide, alsof hij nog maar niet wist waar hem te bijten, maar vast voornemens was, om hem geducht zijne tanden te laten voelen.
“O Di, stoute hond, hoe kunt ge zoo vergeten! Beste mijnheer Toots, ik ben zoo blij dat ik u zie.”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Ik ben tamelijk wel; zeer verplicht, jufvrouw Dombey. Ik hoop dat de geheele familie ook nog wel is.”
Toots zeide dit zonder zelf te weten wat hij zeide, en zette zich op een stoel, waar hij Florence bleef zitten aanstaren met zulk een levendigen strijd van blijdschap en wanhoop op zijn gezicht, als een gezicht maar kon vertoonen.
“Kapitein Gills en luitenant Walters hebben mij gezegd, jufvrouw Dombey,” bracht hij hijgend uit, “dat ik u een dienst kan bewijzen. Als ik daardoor de herinnering kon uitwisschen van dien dag te Brighton, toen ik mij gedroeg alsof—veelmeer alsof ik een vadermoorder was, dan een fatsoenlijk jongmensch,” zeide Toots met strenge zelfveroordeeling, “zou ik met een glans van blijdschap in het stille graf zinken.”—“O, mijnheer Toots,” zeide Florence, “wensch niet dat ik ooit iets zal vergeten van al wat er tusschen ons is omgegaan. Dat kan ik nooit, geloof mij. Gij zijt altijd veel te goed en vriendelijk voor mij geweest.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “uwe verschoonende toegeeflijkheid voor mijn gevoel is een trek van uw engelachtig karakter. Ik dank u duizendmaal. Het is van geheel geen beduiden.”—“Wat wij van u dachten te vragen,” zeide Florence, “is, of gij u nog herinnert waar Suze, die gij zoo goed waart naar de diligence te brengen, toen zij mij verlaten moest, nu te vinden zou zijn.”—“Ik kan mij niet precies meer herinneren, jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, na zich eene poos te hebben bedacht, “welke naam er op de diligence stond, en ik herinner mij ook, dat zij mij zeide, dat zij daar niet bleef, maar nog verder moest. Maar als het uw oogmerk is haar te vinden en hier te hebben, jufvrouw Dombey, zullen ik en de Kemphaan haar opzoeken en hier brengen, met zooveel spoed als met den grootsten ijver van mijn kant en de buitengemeene schranderheid van den Kemphaan maar mogelijk is.”
Toots werd zoo zichtbaar opgebeurd door het vooruitzicht van zich nuttig te kunnen maken, en de belangelooze oprechtheid van zijn ijver was zoo ontwijfelbaar, dat het eene wreedheid zou zijn geweest hem af te wijzen. Uit kieschheid maakte Florence zelfs geen melding van het minste bezwaar, hoewel zij niet naliet hem met dankbetuigingen te overstelpen en Toots nam de taak met trotschheid op zich.
“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, hare aangebodene hand aanrakende, terwijl hem zichtbaar een pijnlijke steek van hopelooze liefde door het hart ging. “Vaarwel! Laat ik de vrijheid mogen nemen om te zeggen, dat uwe rampen mij diep ellendig maken, en dat gij mij kunt vertrouwen, naast kapitein Gills zelf. Ik ben wel bekend, jufvrouw Dombey, met alles wat mij ontbreekt—het is van geen beduiden, wel bedankt—maar ik ben volkomen te vertrouwen, dat verzeker ik u, jufvrouw Dombey.” Daarmede ging Toots de kamer uit, vergezeld door den kapitein, die met den hoed onder den arm op eenigen afstand was blijven staan, geen onverschillig getuige van hetgeen er omging. Toen de deur achter hen was dicht gedaan, was het licht van Toots’ leven weder verdonkerd.—“Kapiteins Gills,” zeide hij, zich onder aan de trap omkeerende, “om u de waarheid te zeggen, ik ben in het oogenblik niet in eene gemoedsstemming om luitenant Walters te zien met dat geheel vriendschappelijke gevoel, dat ik in mijne borst voor hem zou willen koesteren. Men kan zijn gevoel niet altijd beheerschen, kapitein Gills, en ik zou het voor eene bijzondere gunst houden als ge mij de zijdeur woudt uitlaten.”—“Broeder,” antwoordde de kapitein, “gij kunt zelf uw koers bepalen; want de koers, dien gij neemt, zal altijd recht door zee wezen, daarvan ben ik zeker.”—“Gij zijt wel vriendelijk, kapitein Gills,” zeide Toots; “en uwe goede meening is een troost voor mij. Er is nog iets,” zeide hij, in den gang blijvende staan, achter de half geopende deur, “dat ik hoop dat gij onthouden zult, kapitein Gills, en dat ik ook wensch dat luitenant Walters gezegd zal worden. Ik ben nu geheel in het bezit van mijn vermogen gekomen, en ik weet niet wat er mee te doen. Als ik in een financieel opzicht eenigszins van dienst kon zijn, zou ik met rust en genoegen in het stille graf neerdalen.”
Toots zeide niets meer, glipte stil de deur uit en trok die achter zich toe, om den kapitein alle antwoord te beletten.
Nog lang na dat de goede jongen was heengegaan, zat Florence met eene mengeling van smart en genoegen aan hem te denken. Hij was zoo welwillend en goedhartig, dat het een troost en eene blijdschap voor haar was, hem weder te zien en van zijne trouwe genegenheid verzekerd te worden; maar juist om die reden was het haar zoo aandoenlijk te denken, dat zij hem een oogenblik verdriet veroorzaakte, of den schuldeloos effen loop van zijn leven stoorde, dat hare oogen zich met tranen vulden en haar hart van medelijden overvloeide. Kapitein Cuttle dacht op zijne manier ook veel aan Toots, en Walter insgelijks; en toen het avond werd, en zij alle drie in Florence’s nieuwe kamer bij elkander zaten, prees Walter hem met opgetogenheid, en vertelde Florence, wat hij bij het heengaan had gezegd.
Toots kwam in verscheidene dagen niet terug; en ondertusschen bleef Florence zonder eenige nieuwe onrust, gelijk een mak vogeltje in een kooitje, in het huis van den instrumentmaker wonen. Maar toen de dagen verliepen, begon zij te kwijnen en al meer en meer haar hoofdje te laten hangen; en de uitdrukking, die men op het gezichtje van het doode kind had gezien, werd nu dikwijls uit haar venster naar den hemel gewend, alsof zij daar naar zijn engel zocht.
Florence was sedert lang zwak en teer geweest, en de ontroering, die zij had doorgestaan, bleef niet zonder invloed op hare gezondheid. Het was echter geene lichamelijke ziekte, die haar nu ondermijnde. Haar gemoed was onrustig; en de oorzaak van die onrust was Walter.
Terwijl hij belang in haar stelde, bezorgd voor haar was, trotsch en verheugd was als hij haar van dienst kon zijn, en dit alles met al het vuur van zijn karakter liet blijken, zag Florence toch, dat hij haar vermeed. Den geheelen dag lang naderde hij zelden hare kamer. Als zij naar hem vroeg kwam hij, voor het oogenblik even rondborstig en opgeruimd als zij hem gezien had toen zij als kind op straat verdwaalde; maar spoedig werd hij onrustig, stijf en verlegen—hare genegenheid was te waakzaam om dit niet te zien—en weldra ging hij weder heen. Ongevraagd kwam hij over dag nooit. Als de avond viel was hij er altijd, en dat was haar gelukkigste tijd, want dan geloofde zij bijna dat de oude Walter harer kindsheid niet veranderd was. Maar zelfs dan bewees haar nu en dan een gering woord, blik of omstandigheid, dat er eene scheidslinie tusschen hen bestond, die niet over te komen was.
Zij kon ook niet nalaten te zien, dat deze blijken eener groote verandering bij Walter zich vertoonden in weerwil van zijne uiterste pogingen om ze te verbergen. Zij zag zeer wel dat hij, uit verlangen om haar alle leed te besparen, ontelbare kleine kunstgrepen te baat nam, en uitvluchten verzon; maar des te meer gevoelde Florence die verandering bij hem, en des te meermalen schreide zij over de vervreemding van haar broeder.
De goede kapitein—haar altijd even onvermoeide en teedere vriend—zag dit ook wel, dacht Florence, en het deed hem verdriet. Hij was niet zoo opgeruimd en vol hoop als in het eerst, en somtijds, als zij des avonds bij elkander zaten, zag hij haar en Walter tersluiks aan met een gezicht, dat waarlijk treurig stond.
Florence besloot eindelijk Walter aan te spreken. Zij meende nu te weten wat de oorzaak dier vervreemding was, en dacht dat het eene verlichting voor haar overkropt hart zou zijn, en ook hem meer op zijn gemak zou brengen, als zij hem zeide, dat zij die ontdekt had, en er zich geheel aan onderwierp en hem niets verweet.
Het was op zekeren zondagnamiddag dat Florence dit besluit nam. De trouwe kapitein zat, met verbazende boordjes om en een bril op, bij haar te lezen, en zij vroeg hem waar Walter was.
“Ik denk dat hij beneden is, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“Ik zou hem gaarne spreken,” zeide Florence, haastig opstaande, alsof zij naar beneden wilde gaan,—“Ik zal hem in een oogenblik hier halen, liefje,” zeide de kapitein.
Daarop nam de kapitein zijn boek onder den arm—want hij maakte er een regel van des zondags niet anders dan in een heel groot boek te lezen, dewijl dit ernstiger stond, en had jaren geleden een deel van verbazende dikte aan een stalletje gekocht, waarvan vijf regels hem altijd zoodanig versuften, dat hij tot nog toe niet had kunnen ontdekken over welk onderwerp het handelde—en ging heen. Walter verscheen weldra.
“Kapitein Cuttle zegt mij, jufvrouw Dombey,” begon hij driftig, maar bleef steken toen hij haar gezichtje zag. “Gij zijt niet wel vandaag. Gij ziet zoo bedroefd. Gij hebt geschreid.”
Hij sprak zoo vriendelijk en met zulk eene beving in zijne stem, dat de tranen haar weder in de oogen kwamen.
“Walter,” zeide zij zacht, “ik ben niet heel wel, en ik heb ook geschreid. Ik wilde u eens spreken.”
Hij zette zich tegenover haar en zag haar in het onschuldig gezichtje. Zijn eigen gezicht verbleekte en zijne lippen beefden.
“Op den avond toen ik hoorde dat gij gered waart—en o lieve Walter, wat gevoelde ik dien avond en wat hoopte ik—hebt gij gezegd—”
Hij legde zijne bevende hand op de tafel tusschen hen in, en bleef haar aanzien.
“Op dien avond hebt gij gezegd, dat ik veranderd was. Ik was verwonderd u dat te hooren zeggen, maar nu begrijp ik wel dat ik het ben. Wees niet boos op mij, Walter. Ik was toen al te verblijd om er aan te denken.”
Zij kwam hem weder als een kind voor. Het was het openhartige, vertrouwelijke, liefdevolle kind, dat hij hoorde—niet het dierbare meisje, aan welks voeten hij de schatten der aarde had willen leggen.
“Gij herinnert u de laatste maal wel dat ik u zag, Walter, voor uw vertrek?”
Hij stak zijne hand in zijne borst en haalde een beursje uit.
“Ik heb het altijd om mijn hals gedragen! Als ik verdronken was, zou het met mij naar den bodem der zee zijn gezonken.”—“En gij zult het nog blijven dragen, Walter, om wat ik vroeger voor u was?”—“Tot ik sterf.”
Zij legde hare hand op de zijne, zoo eenvoudig en onbeschroomd, alsof er geen dag verloopen was sedert zij hem die kleine gedachtenis had gegeven.
“Daar ben ik blij om. Daar zal ik altijd met blijdschap aan denken, Walter. Herinnert gij u nog wel, dat er op dien zelfden avond bij ons beiden te gelijk eene gedachte aan die verandering scheen op te komen, toen wij met elkander spraken?”—“Neen,” antwoordde hij op een toon van verwondering.—“Ja toch, Walter. Ik was toen al reeds het middel geweest om uwe hoop en uwe vooruitzichten te bederven. Ik was toen bang om er aan te denken, maar nu weet ik het wel. Als gij toen, door uwe edelmoedigheid, in staat waart om het mij te verbergen, dat gij ook zoo dacht, kunt gij dat nu toch niet doen, al beproeft gij dat met evenveel edelmoedigheid als voorheen. Dat doet gij waarlijk. Ik dank u daarvoor, Walter, en hartelijk; maar het kan u niet gelukken. Gij hebt door uwe eigene rampen en die van uw dierbaarsten bloedverwant te veel geleden, om de onschuldige oorzaak van al de gevaren en onheilen, die u overkomen zijn, geheel voorbij te zien. Gij kunt niet geheel vergeten, dat ik dat ben, en wij kunnen niet langer broeder en zuster zijn. Maar, lieve Walter, denk niet dat ik mij daarom over u beklaag. Ik had het wel kunnen weten—ik had het moeten weten—maar in mijne blijdschap had ik het vergeten. Al wat ik hoop is, dat gij met minder tegenzin aan mij zult denken, als gij dat gevoel niet meer behoeft geheim te houden; en al wat ik vraag, Walter, in den naam van het arme kind, dat eens uwe zuster was, is dat gij, nu ik toch alles weet, niet met u zelven wilt kampen en u, om mijnentwil, nog meer verdriet geven.”
Walter had haar, terwijl zij sprak, aangezien, met een gezicht zoo vol verbazing, dat het niets anders kon uitdrukken. Nu vatte hij de hand, die zoo smeekend op de zijne was gelegd, en hield ze vast.
“O, jufvrouw Dombey,” zeide hij, “is het mogelijk dat ik, terwijl ik zelf zooveel geleden heb door te kampen met het gevoel van wat ik u verschuldigd ben, en u bewezen moet worden, u heb doen lijden wat gij daar zegt? Nooit, nooit, bij den hemel, heb ik u mij anders voorgesteld dan als die schoone, reine, gezegende herinnering uit mijne kinderjaren en mijne jeugd. Nooit heb ik uw aandeel aan mijn leven anders beschouwd, nooit zal ik het anders beschouwen, dan als iets heiligs en onvergetelijks. Nog eens zulk een blik van u te zien, u nog eens zoo te hooren spreken, als op den avond toen wij scheidden, is een geluk voor mij dat geene woorden kunnen uitdrukken, en als een broeder door u bemind en vertrouwd te worden, is daarna de grootste gaaf, die ik kan ontvangen en waardeeren.”
“Walter,” zeide Florence, hem ernstig aanziende, maar met eene verandering in haar gezichtje, “wat is het dat mij verschuldigd is en mij bewezen moet worden, met opoffering van dat alles?”—“Ontzag en eerbied,” antwoordde Walter zacht.
Er kwam een blosje op hare wangen, en zij trok zacht hare hand terug, maar bleef hem toch even ernstig aanzien.
“Ik heb geen recht als broeder,” zeide Walter. “Het staat mij niet vrij als een broeder met u om te gaan. Ik heb een kind hier gelaten. Nu vind ik een volwassen meisje.”
Haar blos werd hooger. Zij maakte eene beweging als wilde zij hem bidden om niets meer te zeggen, en liet haar hoofd in hare handen zinken.
Beide zwegen eene poos; zij schreide.
“Aan een hart zoo vertrouwelijk, zoo rein en zoo goed,” zeide Walter, “ben ik verschuldigd er mij van af te rukken, al verscheur ik daardoor mijn eigen hart. Hoe durf ik het voor het hart van eene zuster houden?”
Zij bleef nog schreien.
“Als gij gelukkig waart geweest, omringd, gelijk gij hadt moeten zijn, door betrekkingen die u bewonderden en liefhadden, en door alles, wat den stand, waarin gij geboren zijt, benijdenswaardig maakt,” zeide Walter, “en als gij mij dan, uit vriendelijke herinnering van het verledene, broeder hadt genoemd, had ik van mijne ver verwijderde plaats dien naam kunnen beantwoorden, zonder te denken dat ik daardoor misbruik maakte van uw vertrouwen. Maar hier—en nu!”—“O, ik dank u, ik dank u, Walter! Vergeef mij dat ik u zoo verongelijkt heb. Ik had niemand om mij raad te geven. Ik ben geheel alleen.”—“Florence!” zeide Walter hartstochtelijk. “Ik laat mij nu vervoeren om te zeggen, wat ik kort geleden dacht dat niets mij ooit had kunnen afpersen. Als ik voorspoed had gehad; als ik middel of zelfs maar hoop had om u eens in een stand te plaatsen, die eenigszins met uw eigen stand overeenkwam, dan zou ik u gezegd hebben, dat er een naam was, dien gij mij kondt schenken—een recht, boven alle ander recht, om u lief te hebben en te beschermen—dat ik uwer door niets anders waardig was dan door de liefde en vereering, die ik voor u koesterde, en daardoor, dat geheel mijn hart u toebehoorde. Ik zou dan gezegd hebben, dat dit de eenige aanspraak was om u te verdedigen en te beschermen, die gij mij kondt geven en die ik durfde aannemen en handhaven; maar dat ik ook, als ik dat recht had, het voor zoo iets kostbaars en heiligs zou houden, dat de onverdeelde toewijding van geheel mijn leven nog maar eene geringe erkentenis zou zijn van de waarde, die het voor mij had.”
Het hoofdje bleef nog gebogen, de tranen vloeiden nog, de borst zwoegde van het snikken.
“Lieve Florence! Dierbaarste Florence, die ik in mijne gedachten zoo heb genoemd, eer ik kon begrijpen hoe vermetel dat was. Laat ik u nog eene laatste maal bij uw eigen dierbaren naam noemen, en die lieve hand aanraken als een bewijs van uwe zusterlijke vergetelheid van hetgeen ik daar gezegd heb.”
Zij hief haar hoofd op en sprak hem aan, met zulk eene plechtige teederheid in haar blik; met zulk een kalmen, helderen, vreedzamen glimlach, door hare tranen heen; met zulk eene zachte beving in hare stem, dat de fijnste snaren van zijn hart er van trilden, en zijne oogen begonnen te schemeren terwijl hij luisterde.
“Neen, Walter, ik kan het niet vergeten. Ik zou het niet willen vergeten—voor de geheele wereld niet. Zijt ge—heel arm?”—“Ik ben maar een zwerveling,” zeide Walter. “Om te kunnen leven moet ik over zee heen en weer reizen. Dat is nu mijn beroep.”—“Moet ge spoedig weder heen, Walter?”—“Zeer spoedig.”
Zij zat hem een oogenblik aan te zien; toen stak zij schroomvallig hare bevende hand in de zijne.
“Als ge mij tot vrouw wilt nemen, Walter, zal ik u innig liefhebben. Als ge mij met u wilt laten medegaan, Walter, zal ik medegaan tot aan het eind van de wereld, zonder vreezen. Ik kan niets voor u opofferen—ik heb niets en niemand te verzaken; maar al mijne liefde en geheel mijn leven zullen u toegewijd zijn, en met mijn laatsten adem zal ik uw naam tot God fluisteren, als ik dan nog bewustheid en geheugen heb.”
Hij drukte haar aan zijn hart en legde hare wang tegen de zijne, en nu niet meer teruggestooten, niet meer verlaten, schreide zij vrij uit aan de borst van haar dierbaren minnaar.
Gezegende zondagklokken, wier gelui zoo zacht in hunne verrukte ooren galmt! Gezegende zondagrust en stilte, die met de kalmte hunner zielen overeenstemt en de lucht om hen heen schijnt te heiligen. Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden!
O last van liefde en trouw, die daar lichtjes ligt! Ja, zie vrij neer op die geslotene oogen, Walter, met een blik vol trots en teederheid; want in de geheele wijde wereld zoeken zij nu alleen naar u.
De kapitein bleef in het achterkamertje tot het geheel donker was geworden. Hij nam den stoel, waarop Walter had gezeten, en keek naar het lantaarnvenster op, tot de dag langzamerhand verdween en de sterren door de ruiten kwamen heenkijken. Hij stak eene kaars, en daarna eene pijp aan, en rookte die uit, en verwonderde zich wat in de wereld er toch boven omging, en waarom men hem niet riep voor de thee.
Toen hij ten toppunt van verwondering was, kwam Florence naast hem.
“Zoo, mijn dametje!” zeide de kapitein. “Wel, gij en Walter hebt lang met elkaar te praten gehad, liefje!”
Florence klemde haar handje om een der groote knoopen van zijne jas, en zeide, bukkende om hem in het gezicht te zien:
“Lieve kapitein, ik wilde u iets zeggen, als het u belieft.”
De kapitein hief tamelijk driftig zijn hoofd op, om te hooren wat het was. Toen hij Florence daardoor duidelijker zag, schoof hij zijn stoel en zich zelven zoover mogelijk achteruit.
“Wat! hartediefje!” riep de kapitein met plotselinge opgewondenheid. “Is het dat?”—“Ja,” antwoordde Florence snel.—“Walter! Uw man! Dat?” riep de kapitein, zijn hoed tot aan de ruiten opgooiende.—“Ja,” zeide Florence lachend en schreiend te gelijk.
De kapitein sloot haar oogenblikkelijk in zijne armen; en nadat hij toen zijn hoed opgeraapt en opgezet had, nam hij haar onder den arm en bracht haar weder naar boven, waar hij nu de grootste grap van zijn leven wilde hebben.
“Wat, Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, de deur inkijkende. “Dus is er geen andere naam, niet waar?”
Hij liep wel eenig gevaar om zich aan deze grap te doen stikken, welke hij onder de thee ten minste vijftigmaal herhaalde; terwijl hij in de tusschenpoozen zijn blinkend gezicht met zijne mouw of zijn hoofd met zijn zakdoek wreef. Het ontbrak hem evenwel ook niet aan ernstiger bronnen van genot, wanneer hij daarnaar verlangde, want verscheidene malen hoorde men hem, terwijl hij Walter en Florence met onuitsprekelijk genoegen aanzag, bij zich zelven mompelen:
“Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers gezeild, dan toen gij er aan dacht om dat kapitaaltje over te maken.”
LI. MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD
Wat doet die trotsche man, terwijl de dagen voorbijsnellen? Denkt hij ooit aan zijne dochter en verwondert hij zich waar zij gebleven is? Of verbeeldt hij zich, dat zij thuis is gekomen en in die akelige woning wederom het oude leven leidt? Niemand kan die vraag beantwoorden. Hij heeft sedert haar naam niet weder genoemd. Zijne huisgenooten zijn te bevreesd voor hem om een onderwerp aan te roeren, waarover hij hardnekkig stom blijft; en de eenige, die hem durft vragen, legt hij dadelijk het zwijgen op.
“Mijn beste Paul,” prevelt zijne zuster, die op den dag van Florence’s vlucht zijne kamer komt binnenschuiven. “Uwe vrouw, die gij van niet tot iets hebt gebracht! Is het mogelijk, dat het waar is, wat ik verward heb gehoord, en dat dit haar dank is voor uwe voorbeeldelooze goedheid voor haar, die immers zoover ging om uwe eigene familiebetrekkingen aan hare grillen en hare trotschheid op te offeren! Mijn arme broeder!”
Onder deze aanspraak, waarin de gevoelige herinnering doorblinkt, dat zij op den dag der eerste partij niet op het diner is gevraagd, maakt mevrouw Chick ruimschoots gebruik van haar zakdoek, en bij het einde valt zij Dombey om den hals. Maar Dombey tilt haar ijskoud op en brengt haar naar een stoel.
“Ik dank u, Louise,” zegt hij, “voor dit bewijs van genegenheid; maar verlang, dat ons gesprek tot andere onderwerpen moge beperkt blijven. Wanneer ik mijn lot beklaag, Louise, of te kennen geef, dat ik behoefte aan troost heb, kunt gij mij dien aanbieden, als ge dan zoo goed wilt zijn.”—“Mijn beste Paul,” antwoordt zijne zuster, met haar zakdoek voor haar gezicht en haar hoofd schuddende, “ik ken uw grooten geest en wil niets meer zeggen over een zoo smartelijk en stuitend onderwerp;” op de hoofden dier twee bijvoeglijke woorden stort mevrouw Chick eene kokend heete verontwaardiging uit; “maar laat ik u mogen vragen—schoon ik vrees iets te hooren, dat mij zal ontzetten en bedroeven—dat ongelukkige kind, Florence—”—“Louise,” zegt haar broeder barsch, “zwijg! Geen woord daarvan!”
Mevrouw Chick kan niets anders doen dan haar hoofd schudden en haar zakdoek te baat nemen en kermen over de verbasterde Dombey’s, die geene Dombey’s meer zijn. Maar of Florence medeplichtig is aan de vlucht van Edith, of dat zij deze is gevolgd, of dat zij te veel heeft gedaan of te weinig, of iets of niets, daarvan heeft zij geen het minste denkbeeld.
Hij blijft zijne gedachten en aandoeningen in zijne borst bewaren en deelt ze niemand mede. Hij laat niet naar zijne dochter zoeken. Hij mag denken, dat zij bij zijne zuster is, of onder zijn eigen dak. Hij mag bestendig aan haar denken, of in het geheel niet. Uit geen teeken is dit op te maken.
Maar dat is zeker: hij denkt niet, dat hij haar verloren heeft. Hij heeft geen vermoeden van de waarheid. Hij heeft al te lang in het kasteel zijner ontoegankelijke meerderheid opgesloten gezeten en haar in het pad daar beneden gezien, om daarvoor eenige vrees te hebben. Geschokt als hij is door zijne schande, is hij nog niet tot den vlakken grond vernederd. De wortels van zijn trots zijn breed en diep en hebben zich in den loop van jaren uitgebreid en uit alles in het rond voedsel getrokken. De boom is getroffen, maar niet geveld.
Hoewel hij de wereld in zijn binnenste voor de wereld daarbuiten verbergt—die hij gelooft, dat op het oogenblik maar een enkel doel heeft, namelijk om hem overal te bespieden—kan hij die weerspannige teekenen daarvan niet verbergen, die hem door zijne holle oogen en wangen, zijn betrokken voorhoofd en zijn somber peinzend voorkomen verraden. Even ondoordringbaar als te voren, is hij toch veranderd; even trotsch als ooit, is hij toch vernederd, of men zou die teekenen niet zien.
De wereld. Wat de wereld van hem denkt, hoe zij hem beschouwt, wat zij in hem ziet, en wat zij zegt—deze gedachte is zijn kwelduivel, die hem overal vervolgt, overal is waar hij is, en nog erger, overal is waar hij niet is. Die kwelduivel komt met hem onder zijne bedienden, en toch laat hij hem fluisterend achter; hij ziet zich op straat door hem nawijzen; hij staat naar hem te wachten in zijn kantoor; hij gluurt over den schouder van rijke heeren onder de kooplieden; hij loopt onder de menigte wenken en babbelen; hij is hem overal en altijd voor, en heeft het altijd het drukst, dat weet hij, als hij weg is. Als hij des avonds in zijne kamer zit opgesloten, is hij in huis, en toch daarbuiten, hoorbaar in de voetstappen op straat, zichtbaar in de papieren op zijne tafel, stoomt heen en weder op de spoorwegen en stoombooten, is overal rusteloos bezig met niets anders dan hem.
Dit is geene begoocheling zijner verbeelding. Het werkt evenzeer bij anderen als bij hem. Getuige daarvan neef Feenix, die opzettelijk van Baden-Baden komt, om met hem te spreken. Getuige majoor Bagstock, die neef Feenix bij die vriendelijke terugkomst vergezelt.
Dombey ontvangt hen met zijne gewone deftigheid en staat met zijne gewone stijfheid voor het vuur. Hij gevoelt, dat de wereld hem uit hunne oogen aanziet. Dat zij hem uit de oogen aanstaart. Dat het borstbeeld van Pitt op de boekenkast haar vertegenwoordigt. Dat er oogen zijn in de landkaart, die aan den muur hangt.
“Een buitengewoon koud voorjaar,” zegt Dombey—om de wereld te misleiden.—“Verd...d, mijnheer,” zegt de majoor met de warmte der vriendschap, “Jozef Bagstock heeft er geen slag van om te veinzen. Als gij uwe vrienden van u af wilt houden, Dombey, is J. B. de man niet, om zich dat te laten doen. Joe is ruw en taai, mijnheer; plomp, mijnheer, plomp is hij. Zijne koninklijke hoogheid wijlen de hertog van York heeft mij de eer bewezen om te zeggen, verdiend of onverdiend—dat doet er niet toe—“Als er één man in den dienst is, op wien ik rekenen kan dat hij recht door zee gaat, is die man Joe Bagstock.””
Dombey geeft te kennen, dat hij dit toestemt.
“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “ik ben een man van de wereld. Onze vriend Feenix—als ik zoo vrij mag wezen—”—“Veel eer voor mij,” zegt neef Feenix.—“Is,” zegt de majoor, schalkachtig zijn hoofd schuddende, “ook een man van de wereld. Nu, als drie mannen van de wereld—Dombey, gij zijt een man van de wereld—bij elkander komen en vrienden zijn—zooals ik geloof,” zich weder naar Feenix keerende.—“Wel zeker—heel vriendelijk,” zegt neef Feenix.—“En vrienden zijn,” hervat de majoor, “dan is oude Joe van gevoelen (misschien heeft J. het ook wel mis) dat het gevoelen van de wereld over eene of andere zaak zeer gemakkelijk te vernemen is.”—“Zonder twijfel,” zegt neef Feenix. “Eigenlijk is het iets, dat bijna van zelf spreekt. Ik ben er zeer op uit, majoor, dat mijn vriend Dombey mij hoort zeggen hoe buitengemeen het mij verwondert en spijt, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht, die alle vereischten bezat om een man gelukkig te maken, zoover heeft kunnen vergeten, wat zij—wat zij, om kort te gaan, de wereld verschuldigd was—om zich op zulk eene buitengewone manier ten toon te stellen. Ik ben sedert geweldig neerslachtig geweest; en gisteravond zeide ik nog tegen den langen Saxby—een man van zes voet tien duim, dien mijn vriend Dombey waarschijnlijk wel zal kennen—dat het mij verduiveld zenuwachtig en galachtig heeft gemaakt. Het doet iemand bedenken, zulk een noodlottige catastrophe,” zegt neef Feenix, “dat de Voorzienigheid toch alles ten beste bestuurt; want als mijne tante nu nog geleefd had, denk ik dat de schok voor zulk eene drommels levendige vrouw zoo erg zou geweest zijn, dat zij er—kortom het slachtoffer van zou zijn geworden.”—“Nu, Dombey,” zegt de majoor, met grooten nadruk zijne rede hervattende.—“Neem mij niet kwalijk,” valt neef Feenix er op in. “Laat ik nog een woordje mogen zeggen. Mijn vriend Dombey zal mij wel vergunnen er nog bij te voegen, dat, als iets bij zulk eene gelegenheid mijn verdriet had kunnen vergrooten, het de natuurlijke verbazing der wereld moest wezen, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht (gelijk ik verzoeken moet haar nog te mogen noemen) vermeend wordt zich zoover te hebben ingelaten met een persoon—die man met zijne witte tanden, kortom—ver beneden den stand van haar wettigen echtgenoot. Maar terwijl ik mijn vriend Dombey, zelfs eenigszins dringend, moet verzoeken om mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet te veroordeelen voordat hare schuld ten volle gebleken is, verzoek ik mijn vriend Dombey te mogen verzekeren, dat de familie, die ik representeer en die nu bijna uitgestorven is (eene drommels zwaarmoedige gedachte voor iemand), hem geene belemmeringen in den weg zal leggen, en gaarne zal toestemmen in alle gepaste maatregelen voor de toekomst, die hij mocht willen nemen. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich wel overtuigd zal willen houden van de welwillende gezindheden, waardoor ik in deze allertreurigste zaak gedreven word, en dat—om kort te gaan, ik weet niet, dat ik mijn vriend Dombey met eenige verdere opmerkingen behoef lastig te vallen.”
Dombey buigt, zonder zijne oogen op te slaan, en zwijgt.
“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “daar onze vriend Feenix nu, met eene welsprekendheid, die oude Joe B. nooit heeft hooren overtreffen—neen, waarachtig nooit, mijnheer—” zegt de majoor, zeer rood wordende en zijn stok in het midden vattende “de zaak van den kant der dame heeft voorgedragen, zal ik mij op onze vriendschap laten voorstaan, Dombey, om een woordje daarover te zeggen uit een ander oogpunt beschouwd. Mijnheer,” zegt de majoor, met zijne paardenkuch, “de wereld heeft in zulke zaken gevoelens, die ontzien moeten worden.”—“Dat weet ik;” zegt Dombey.—“Natuurlijk, weet gij dat,” zegt de majoor. “Verd...d, mijnheer, ik weet, dat gij dat weet. Een man van uw kaliber zal daarvan niet waarschijnlijk onkundig zijn.”—“Ik hoop van neen,” antwoordt Dombey.—“Dombey,” zegt de majoor, “gij zult het overige wel raden. Ik spreek ronduit—misschien wat te vroeg—omdat de Bagstock’s altijd ronduit hebben gesproken. Weinig hebben zij ooit daarmee gewonnen; maar het zit in het bloed, mijnheer. Er moeten kogels met dien man gewisseld worden. Gij hebt J. B. bij u. Hij maakt aanspraak op den naam van uw vriend. God zegen u.”—“Majoor,” zegt Dombey, “ik ben u verplicht. Ik zal mij in uwe handen stellen als het daartoe tijd wordt. Daar de tijd nog niet gekomen was, heb ik nagelaten er u over te spreken.”—“Waar is de kerel, Dombey?” zegt de majoor, na hem een oogenblik hijgende te hebben aangestaard.—“Dat weet ik niet.”—“Ook bericht van hem?”—“Ja.”—“Dombey, het verheugt mij dat te hooren,” zegt de majoor. “Ik feliciteer u.”—“Gij zult mij wel verschoonen—zelfs gij, majoor,” hervat Dombey, “om voor alsnog in verdere bijzonderheden te treden. Het bericht is van een zonderlingen aard en op eene zonderlinge manier bekomen. Het zal misschien blijken valsch te zijn; maar het kan ook waar zijn. Dat kan ik voor alsnog niet zeggen. Mijne opheldering moet zich vooreerst hiertoe bepalen.”
Hoewel dit een tamelijk droog antwoord is op des majoors purperen geestdrift, neemt de majoor het zeer vriendelijk op en verheugt zich, dat de wereld zoo goede kans heeft om te krijgen wat haar verschuldigd is. Daarop ontvangt neef Feenix een gepast compliment van den echtgenoot zijner bekoorlijke en talentrijke nicht, en neef Feenix en majoor Bagstock vertrekken en laten dien echtgenoot alleen om te peinzen over hetgeen zij hem van de gevoelens der wereld ten opzichte van zijne aangelegenheden, en van hare billijke en redelijke verwachtingen hebben gezegd.
Maar wie zit er in de huishoudsterskamer schreiende en met opgehevene handen zachtjes met mevrouw Pipchin te praten? Het is eene dame, wier gezicht in een zeer diepen, zwarten hoed verscholen zit, die haar niet schijnt toe te komen. Het is jufvrouw Tox, die deze vermomming van hare meid heeft geleend; en zoo van Princess’s Place is gekomen, om hare oude kennis met mevrouw Pipchin te vernieuwen en aldus zekere berichten van den toestand van Dombey te bekomen.
“En hoe houdt hij er zich onder, lieve vrouw?” vraagt jufvrouw Tox.—“Och,” antwoordt mevrouw Pipchin op hare snibbige manier, “hij is zoo wat als gewoonlijk.”—“Uitwendig,” zegt jufvrouw Tox. “Maar wat hij van binnen gevoelt!”
Mevrouw Pipchin’s grijze oogen duiden zekeren twijfel aan, terwijl zij met drie afzonderlijke stooten uitbrengt: “Ja!—Misschien—wel te denken.”—“Om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia,” zegt mevrouw Pipchin: zij blijft jufvrouw Tox nog Lucretia noemen, dewijl deze hare eerste ondervinding van de opvoedingstalenten dier dame heeft opgedaan, toen zij een ongelukkig mager kind van nog teedere jaren was; “om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia; ik ben blij dat wij haar kwijt zijn. Ik voor mij heb zulk een onbeschaamd gezicht hier niet noodig.”—“Wel moogt gij onbeschaamd zeggen, mevrouw Pipchin,” antwoordt jufvrouw Tox. “Hem te verlaten. Een man van zulk een edel uitzicht!” En hier noodzaakt hare aandoening haar om te zwijgen.—“Van edel uitzicht weet ik niet af,” merkt mevrouw Pipchin aan, vinnig haar neus wrijvende. “Maar dit weet ik—als iemand rampen krijgt, moet hij ze dragen. Och kom! Ik zelf heb in mijn tijd genoeg te dragen gehad! Wat eene beweging daarover. Zij is weg, en goed dat wij haar kwijt zijn. Niemand verlangt haar weerom, zou ik denken.”
Deze toespeling op de mijnen van Peru doet jufvrouw Tox opstaan om heen te gaan; en mevrouw Pipchin schelt Towlinson om haar uit te laten. Daar Towlinson jufvrouw Tox in geen honderd jaar gezien heeft, grijnst hij en hoopt dat zij nog wel vaart; aanmerkende, dat hij haar eerst niet kende met dien hoed.
“Tamelijk wel, Towlinson; wel bedankt,” zegt jufvrouw Tox. “Ik hoop, als ge mij somtijds hier ziet, dat ge zoo goed zult zijn om er niet van te spreken. Ik kom alleen om mevrouw Pipchin te bezoeken.”—“Heel goed, jufvrouw,” zegt Towlinson.—“IJselijke omstandigheden, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox.—“Ja, jufvrouw, wel ijselijk,” antwoordt Towlinson.—“Ik hoop, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox, die zich door haar onderwijzenden omgang met de familie Toodle een vermanenden toon heeft eigen gemaakt, en van voorvallende gelegenheden heeft leeren gebruik maken om nuttige lessen te geven, “dat, wat hier gebeurd is, eene waarschuwing voor u zal zijn, Towlinson.”—“Wel bedankt, jufvrouw, waarlijk,” zegt Towlinson.
Hij schijnt er over te willen gaan peinzen op welke manier het geval voor hem in het bijzonder eene waarschuwing moet zijn, toen de vinnige mevrouw Pipchin hem stoort met een: “Staat gij te suffen? Waarom laat ge de jufvrouw niet uit?” Hij doet zulks nu; en als jufvrouw Tox de kamer van Dombey voorbijgaat, kruipt zij weg in de diepste diepte van haar zwarten hoed, en stapt zij zelfs op hare teenen; en in de geheele wereld, die hem zoo kwelt, is geen ander stofdeeltje dat zooveel smart en kommer voor hem gevoelt, als jufvrouw Tox onder den zwarten hoed medeneemt.
Maar jufvrouw Tox behoort niet tot Dombey’s wereld. Zij komt elken avond tegen de schemering terug, voegt, als het regent, nog overschoenen en eene paraplu bij den zwarten hoed, en verdraagt het gegrijns van Towlinson en het snauwen en grauwen van mevrouw Pipchin, alleen om te vragen hoe hij vaart en hoe hij zich onder zijn ongeluk houdt; maar zij heeft toch niets met Dombey’s wereld te maken. Deze loopt, even onverdraagzaam en plaagziek als ooit, zonder haar voort; en zij, geenszins voor iemand eene heldere ster, beweegt zich in hare bekrompene baan in een hoekje van een ander stelsel, en weet dit zeer wel, en komt, en schreit, en gaat weder heen, en is tevreden. Waarlijk, jufvrouw Tox is gemakkelijker te voldoen dan de wereld, die het Dombey zoo lastig maakt.
Aan het kantoor beschouwen de klerken de groote gebeurtenis in allerlei lichten en schaduwen, maar verwonderen zich vooral wie Carker’s plaats zal krijgen. Algemeen zijn zij van gevoelen, dat de emolumenten daarvan besnoeid zullen worden, en nieuw bedachte voorzorgen en bepalingen ze onaangenaam genoeg zullen maken; en zij, die volstrekt geene hoop hebben om ze te bekomen, zijn overtuigd dat zij ze liever niet wilden hebben, en hem, voor wien ze zal blijken bewaard te zijn, lang niet benijden. Geene dergelijke beweging heeft op het kantoor geheerscht sedert Dombey’s zoontje stierf; maar alle bewegingen daar nemen eene gezellige, om niet te zeggen joviale richting, en zijn dienstbaar ter bevordering van goede kameraadschap. Bij deze gelegenheid heeft er eene verzoening plaats tusschen den erkenden grappenmaker van het kantoor en een eerzuchtig mededinger, met wien hij maanden lang geslagen vijanden was geweest, en wordt er, om het gelukkige herstel der vriendschap te vieren, in eene naburige herberg een dinertje gehouden, waarbij de grappenmaker president en de mededinger vice-president is. De aanspraken, nadat de tafel is afgenomen, worden door den president geopend. Hij kan het, zegt hij, niet verbloemen, mijne heeren, dat het geen tijd voor onderlinge geschillen is. Gebeurtenissen, waarvan hij niet duidelijker behoeft te spreken, maar die in de zondagbladen niet geheel onopgemerkt zijn gebleven, zoowel als in een dagblad, waarvan hij den naam niet behoeft te noemen (hier mompelen alle aanwezigen hoorbaar dien naam), hebben hem tot nadenken gebracht; en hij gevoelt dat, indien hij en Robinson thans nog persoonlijke verschillen wilden hebben, zij voor altijd dat esprit de corps zouden verloochenen, hetwelk hij reden heeft te denken en te hopen dat de heeren van het kantoor van Dombey altijd heeft onderscheiden. Robinson beantwoordt dit op een mannelijken en broederlijken toon; en een heer, die drie jaren op het kantoor is geweest, in gedurig gevaar om voor rekenfouten te worden weggezonden, vertoont zich eensklaps in een geheel nieuw licht, door als het ware uit te barsten met eene treffende redevoering, waarin hij zegt: “Moge hun geëerbiedigde chef nooit weder de verwoesting kennen, die zijn huiselijken haard getroffen heeft;” en laat daar nog een aantal zulke dingen op volgen, allen beginnende met “moge hij nooit,” die met eene daverende toejuiching worden beantwoord. Kortom, men slijt een allergenoegelijksten avond, alleen gestoord door een geschil tusschen twee van de jongste klerken, die ruzie krijgen over het waarschijnlijke bedrag van Carker’s jaarlijksch inkomen, elkander met de karaffen uitdagen, en zeer opgewonden naar buiten worden gebracht. Sodawater wordt des anderen daags op het kantoor algemeen gedronken, en de meesten van het gezelschap houden de rekening voor afzetterij.
Wat Perch, den kantoorlooper, betreft, hij is op weg om voor al zijn leven geruïneerd te worden. Hij staat weder gedurig in herbergen voor de toonbank, laat zich trakteeren, en liegt vreeselijk. Het blijkt dat hij ieder die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. De bewustheid van deze gruwelijke logens, of de nawerking van het gedronken vocht, doet hem doorgaans in eene buitengemeene neerslachtigheid verzinken tegen dat uur van den avond, wanneer hij gewoonlijk in het gezelschap van jufvrouw Perch zijn troost gaat zoeken; en jufvrouw Perch maakt zich zeer verdrietig, daar zij vreest dat zijn vertrouwen op vrouwelijke deugd nu geschokt is, en hij half en half verwacht, als hij eens des avonds thuis komt, te zullen vinden dat zij met een lord is voortgegaan.
Dombey’s dienstboden worden te gelijker tijd zeer losbandig en ongeschikt voor een anderen dienst. Zij hebben elken avond een warm soupertje, en “bepraten het” dan met dampende glazen op de tafel. Towlinson is na half tien altijd slijmerig, en verzoekt dikwijls, te mogen weten of hij niet gezegd heeft, dat er geen goed zou komen van het wonen in een hoekhuis. Zij fluisteren over jufvrouw Florence, en verwonderen zich waar zij is; maar zijn het te zamen eens dat, als mijnheer Dombey het niet weet, mevrouw Dombey het wel zal weten. Dit brengt hen op de laatste, van welke de keukenmeid zegt: “Zij had wel deftige manieren, niet waar? Maar zij was toch al te trotsch!” Allen stemmen toe dat zij al te trotsch was; en Towlinson’s oude liefste, de werkmeid (die zeer deugdzaam is), verzoekt dat men haar nooit weer zal spreken van menschen, die het hoofd zoo hoog opsteken, alsof de grond niet goed genoeg voor hen was.
Alles wat over de zaak gezegd en gedaan wordt, behalve door Dombey, wordt op eene gezellige manier gedaan. Dombey en de wereld zijn te zamen alleen.