XXXII. DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW
De brave kapitein Cuttle verzuimde, toen de weken in zijne versterkte schuilplaats voor hem voorbijvlogen, zonder dat zijne vijandin verscheen, geenszins zijne voorzichtige voorzorgen tegen eene verrassing. De kapitein beredeneerde dat zijne tegenwoordige veiligheid al te verwonderlijk was om veel langer te kunnen duren; hij wist dat, als de wind in een gunstigen hoek stond, de windvaan daar zelden vastgespijkerd bleef, en hij was al te wel bekend met het onverschrokken en doorzettend karakter van jufvrouw MacStinger, om er aan te twijfelen of deze heldhaftige vrouw had zich terstond toegewijd aan de taak om hem op te zoeken en weder gevangen te nemen. Bevende onder het gewicht dezer redenen, leidde kapitein Cuttle een zeer stil en afgezonderd leven. Zelden waagde hij zich buiten de deur dan na den donker, en dan zelfs alleen in de donkerste straten; op zondag ging hij geheel niet uit, en zoowel binnen als buiten de muren zijner schuilplaats vermeed hij vrouwenhoeden, alsof deze door woedende leeuwen werden gedragen.
Het kwam den kapitein nooit in het hoofd, dat het, als jufvrouw MacStinger hem eens op eene wandeling aangreep, hem mogelijk zou zijn om tegenstand te bieden. Hij gevoelde wel dat dit niet aanging. Hij zag zich zelven, in zijne verbeelding, gedwee in eene huurkoets zetten en naar zijne oude woning terugbrengen. Hij voorzag dat hij, eens daar gekerkerd, een verloren man was—zonder hoed, met jufvrouw MacStinger nacht en dag op de wacht, met verwijten overladen ten aanhoore der kleine familie, het schuldige voorwerp van wantrouwen en achterdocht, in de oogen der kinderen een wildeman, en in die hunner moeder een betrapte verrader.
Altijd kreeg de kapitein eene geweldige uitwaseming en eene diepe neerslachtigheid, als dit somber tafereel voor zijne verbeelding oprees. Doorgaans deed het dit voordat hij des avonds de deur uitsloop om wat lucht en beweging te hebben. Bewust van het gevaar waaraan hij zich blootstelde, nam de kapitein alsdan afscheid van Rob, met den plechtigen ernst van een man die misschien nooit zou terugkomen; en vermaande hem, in geval hij (de kapitein) eene poos onzichtbaar werd, om het pad der deugd te blijven bewandelen, en de koperen instrumenten blinkend gepoetst te houden.
Maar om niets te verzuimen en zich in geval van het ergste, een middel te verzekeren om met de buitenwereld gemeenschap te houden, kwam kapitein Cuttle weldra op het gelukkige denkbeeld om Rob den Slijper een geheim teeken te leeren, waardoor hij zijne aanwezigheid en trouw, in het uur van tegenspoed, aan zijn kommandant zou kunnen te kennen geven. Na veel overwegens deed de kapitein de keus om hem het zeemansliedje “Vroolijk, vroolijk!” te leeren fluiten; en toen Rob de Slijper het daarin zoo nabij de volmaaktheid had gebracht als een landsman kon hopen, drukte de kapitein hem deze geheimzinnige onderrichtingen op het hart:
“Sta vast nu, mijn jongen. Als ik ooit gepakt word...”—“Gepakt, kapitein!” viel Rob er op in, met zijne ronde oogen wijd open.—“Dat wil zeggen,” hernam kapitein Cuttle somber, “als ik ooit heenga, met gedachte om voor het avondeten terug te komen, en mij niet weer laat praaien, ga dan vier en twintig uren na mijn verlies naar Brig Place en fluit dat deuntje dicht bij mijne oude ankerplaats—niet alsof ge dat zoo met opzet kwaamt doen, verstaat ge wel, maar alsof ge daar zoo bij geval naartoe waart gedreven. Als ik met datzelfde deuntje antwoord, mijn jongen, loop dan heen en kom vier en twintig uren later terug; en als ik met een ander deuntje antwoord, houd dan af en aan, en wacht tot ik verdere seinen geef. Hebt ge dat goed begrepen?”—“Wat moet ik af- en aanhouden, kapitein?” vroeg Rob. “Het deuntje?”—“Dat is een knappe jongen!” zeide de kapitein, hem barsch aanziende, “die zijn a b c nog niet kent. Kuier een eindje voort, en kom dan weer terug, en zoo beurt om beurt—verstaat ge dat?”—“Ja, kapitein,” zeide Rob.—“Heel goed, mijn jongen,” zeide de kapitein, al weder vriendelijk. “Doe het dan zoo!”
Opdat hij het te beter zou doen, hield kapitein Cuttle somtijds des avonds, als de winkel gesloten was, repetitie van het tooneel. Hij ging tot dat einde in het achterkamertje, als het vooronderstelde huis van jufvrouw MacStinger, en lette zorgvuldig op het gedrag van zijn bondgenoot, door het kijkgaatje dat hij in den muur had gemaakt. Rob de Slijper kweet zich, als hij aldus op de proef werd gesteld, met zooveel nauwkeurigheid en schranderheid van zijne taak, dat de kapitein hem van tijd tot tijd, ten blijke zijner tevredenheid, zeven halve schellingen vereerde, en langzamerhand de berusting van een man begon te gevoelen, die zich op het ergste heeft gewapend en alle redelijke voorzorgen tegen een onverzoenlijk noodlot heeft genomen.
Evenwel tartte de kapitein het ongeluk niet door een stipje meer te wagen dan te voren. Hoewel hij het, als vriend van de familie, een punt van beleefdheid achtte de trouwplechtigheid bij te wonen (waarvan hij door Perch gehoord had) en Dombey van de galerij een vroolijk en goedkeurend gelaat te toonen, had hij zich in eene huurkoets met opgehaalde blindjes naar de kerk begeven; en zou hij misschien, in zijne angst voor jufvrouw MacStinger, zelfs dit niet gewaagd hebben, indien de trouw, waarmede deze dame de vermaningen van den eerwaarden Melchizedek bijwoonde, het niet zeer onwaarschijnlijk had gemaakt dat men haar ooit in eenige gemeenschap met de gevestigde kerk zou vinden.
De kapitein kwam veilig weder thuis, en viel wederom in den gewonen sleur van zijn nieuw leven, zonder meer door de gedachte aan zijne vijandin ontrust te worden, dan bij het dagelijksch gezicht van vrouwenhoeden op straat onvermijdelijk was. Maar andere dingen begonnen den kapitein zwaar op het hart te wegen. Men had nog niets van Walter’s schip gehoord. Er kwam geene tijding van den ouden Sam Gills. Florence wist niet eens dat de oude man verdwenen was, en kapitein Cuttle had het hart niet om het haar te zeggen. Naarmate de kapitein zijne hoop voor den knappen, edelaardigen jonkman, dien hij, op zijne ruwe manier, van een kind af had liefgehad, voelde verdwijnen, werd hij ook huiveriger om een woord met Florence te wisselen. Als hij haar goed nieuws had kunnen brengen, zou de goede kapitein het nieuw opgemaakte huis en de prachtige meubelen hebben gebraveerd—hoewel deze, in verband met de dame die hij in de kerk gezien had, hem zeer geducht voorkwamen—en Florence hebben gaan opzoeken. Maar toen de gezichteinder hunner gemeenschappelijke hoop betrok en met ieder uur donkerder werd, was het den kapitein te moede, alsof hij maar een nieuw ongeluk voor haar zou zijn, en was hij nauwelijks minder bevreesd voor een bezoek van Florence, dan voor een van jufvrouw MacStinger.
Het was een kille, donkere najaarsavond, en kapitein Cuttle had vuur in het achterkamertje laten aanleggen, dat nu meer dan ooit naar de kajuit van een schip geleek. Het regende hard en het waaide hard; en langs het stormachtige slaapkamertje van zijn vriend naar het plat op het dak gaande om het weder waar te nemen, gevoelde de kapitein zich het hart wegzinken, toen hij zag hoe woest en bar het was. Niet dat hij het weder van dien tijd met het lot van den armen Walter in verband bracht, of er aan twijfelde dat, indien de Voorzienigheid hem had veroordeeld om schipbreuk te lijden en te vergaan, alles reeds lang voorbij was; maar die uitwendige invloed, geheel onderscheiden van het onderwerp zijner gedachten, drukte den kapitein toch nog meer ter neer en deed zijne hoop nog dieper wegzinken, gelijk dikwijls wijzer mannen dan hem gebeurd is en nog dikwijls gebeuren zal.
Met zijn gezicht naar den scherpen wind en den schuins voortgejaagden regen gekeerd, zag kapitein Cuttle naar de donkere wolken op, die over de woestijn van daken heenvlogen, en zocht vruchteloos naar iets vervroolijkends. Het uitzicht dichtbij was niet beter. In eenige oude theekisten en andere ruwe hokken aan zijne voeten, zaten de duiven van Rob den Slijper zwaarmoedig te kirren. Eene wrakke windvaan, die het fatsoen van een adelborst had en eens van de straat zichtbaar was geweest, maar lang door hooger opgetrokken muren was omsingeld, piepte en knarste op hare roestige spil, terwijl de rukwinden haar spelend lieten draaien. Op het grove, blauwe vest des kapiteins lagen de regendruppels als stalen kralen, en hij kon zich nauwelijks schuins vooroverhellende tegen den stijven noordwester inzetten, die hem over de borstwering heen beneden op de straatsteenen scheen te willen smijten. Als er dien avond nog hoop leefde, dacht de kapitein, terwijl hij zijn hoed vasthield, bleef zij zeker in huis en was dus in de vrije lucht niet te vinden. Zwaarmoedig zijn hoofd schuddende, ging de kapitein naar binnen, om haar te zoeken.
Langzaam naar het achterkamertje afgedaald en op zijn gewonen stoel gezeten, zocht kapitein Cuttle naar de hoop in het vuur; maar daar was zij niet, hoewel het helder brandde. Hij kreeg zijne tabaksdoos en zijne pijp, ging zitten rooken, en zocht de hoop in den rooden gloed van den kop, en de krullende rookwolkjes die zijne lippen uitbliezen; maar geen der beiden bevatte een greintje van den roest van het anker der hoop. Hij beproefde een glas grog; maar zwaarmoedige waarheid school op den bodem van dien put, en hij kon het glas niet uitdrinken. Hij ging den winkel een paar maal op en neer en zocht onder de instrumenten; maar zij werkten, in spijt van al wat hij daartegen doen kon, voor het vermiste schip eene rekening uit, die op den bodem der diepe zee eindigde.
Terwijl de wind nog loeide en de regen nog tegen de luiken kletterde, bleef de kapitein voor den houten adelborst op de toonbank staan, en dacht, terwijl hij de uniform van het officiertje met zijne mouw afdroogde, hoevele jaren die adelborst had beleefd zonder dat hij bijna eenige veranderingen onder de bemanning van zijn schip had gezien—hoe die veranderingen als het ware allen op één dag waren gekomen, en hoe weinig er van het oude was overgebleven. Het kleine gezelschap in het achterkamertje was opgebroken en wijd en zijd verstrooid. Er waren geene toehoorders meer voor mooie Peggy, al was er iemand geweest om die ballade te zingen, en dat was zoo niet; want kapitein Cuttle was evenzeer overtuigd dat niemand behalve hij ze zingen kon, als dat hij onder deze omstandigheden geen lust had om het te beproeven. Er was geen helder gezicht van Walter meer in huis—hier liet de kapitein zijne mouw voor een oogenblik van de houten uniform naar zijne eigene wang dwalen—de pruik en de knoopen van Sam Gills waren een droombeeld uit het verledene; Richard Whittington was doodgeslagen; alle plannen en uitzichten, die met den adelborst in verband stonden, lagen zonder mast of roer op de waterwoestijn te drijven.
Terwijl de kapitein, met een treurig gezicht, zoo stond te peinzen en den adelborst op te wrijven, gedeeltelijk uit teederheid voor dien ouden bekende, gedeeltelijk uit verstrooiing, gaf een kloppen aan de voordeur een schok van schrik aan Rob den Slijper, die, op de toonbank geklommen, den kapitein met groote oogen zat aan te staren, en voor de vijfhonderdste maal bij zich zelven had overlegd, of de kapitein ook een moord kon begaan hebben, dat hij zulk een kwaad geweten had en telkens wegliep.
“Wat is dat?” zeide kapitein Cuttle zachtjes.—“Iemand die aan de deur klopt, kapitein,” antwoordde Rob.
Met een verslagen en schuldbewust gezicht, sloop de kapitein op de teenen naar het achterkamertje en sloot zich daarin op. Rob deed de deur open, en zou op den drempel eene onderhandeling met den vreemdeling hebben geopend, indien deze eene vrouwelijke gedaante had gehad; maar de gedaante had een mannelijk voorkomen, en daar Rob alleen ten aanzien van vrouwen voorzichtigheid was aanbevolen, hield hij de deur open en liet den onbekende binnentreden, hetgeen deze ook zeer spoedig deed, blijde om uit den regen te komen.
“Een karweitje voor Burgess en Comp. in alle gevallen,” zeide de onbekende, met medelijden naar zijne beenen kijkende, die erg nat en met modder bespat waren. “O—hoe vaart ge, mijnheer Gills?”
Deze begroeting was tot den kapitein gericht, die nu het achterkamertje uitkwam met eene ellendig mislukte poging om zich te houden alsof hij dit geheel toevallig deed.
“Wel bedankt,” vervolgde de onbekende in denzelfden adem; “ik ben ook heel wel, zeer verplicht. Mijn naam is Toots—meneer Toots.”
De kapitein herinnerde zich dezen jongen heer bij de trouwplechtigheid gezien te hebben, en maakte eene buiging voor hem. Toots antwoordde met een gegrinnik; en daar hij, gelijk doorgaans, verlegen was, haalde hij zwaar adem, schudde den kapitein een langen tijd de hand, en keerde zich toen naar Rob den Slijper, dien hij, geene andere uitkomst meer wetende, insgelijks op de hartelijkste manier de hand schudde.
“Zeg! ik zou gaarne eens een woordje met u spreken, mijnheer Gills, als het u belieft,” zeide Toots eindelijk, met verwonderlijke tegenwoordigheid van geest. “Zeg! jufvrouw D. O. M., weet ge wel!”
Even ernstig en geheimzinnig, wuifde de kapitein met zijn haak naar het achterkamertje, waarheen Toots hem dan ook volgde.
“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots, naar den kapitein opkijkende, zoodra hij op een stoel zat, dien de kapitein voor hem bij het vuur had geschoven. “Gij kent bij geval den Kemphaan niet al? Doet ge, mijnheer Gills?”—“Den Kemphaan?” zeide de kapitein.—“Ja, mijn vriend den Kemphaan.”
Daar de kapitein zijn hoofd schudde, legde Toots hem uit, dat de bedoelde vriend een vermaard publiek persoon was, die zich zelven en zijn vaderland met roem had bedekt in zijn kampgevecht met Nobby van Shropshire; maar dit bericht scheen den kapitein niet veel opheldering te geven.
“Omdat hij buiten staat, anders niet,” zeide Toots. “Maar het is van geen beduiden; hij zal misschien niet heel nat worden.”—“Ik kan dadelijk order geven om hem binnen te laten,” zeide de kapitein.—“Wel, als ge zoo goed zoudt willen zijn om hem zoolang bij uw knechtje in den winkel te laten,” grinnikte Toots, “zou het mij pleizier doen, omdat hij, weet ge, licht iets kwalijk neemt, en de vochtigheid ook niet goed voor zijne gewrichten is. Ik zal hem wel binnenroepen, mijnheer Gills.”
Daarmede ging Toots naar de voordeur en liet een eigenaardig gefluit hooren, hetwelk weldra een stoïcijnsch heerschap deed verschijnen, met eene ruige witte jas, een breedgeranden hoed, zeer kort haar, een platgedrukten neus, en vrij groote kale plekken achter de ooren.
“Ga maar zitten, Kemphaan,” zeide Toots.
De Kemphaan deed zulks, spuwde eenig stroo uit, waarop hij zich vergastte, en stak eenig nieuw in zijn mond, uit een voorraad dien hij in de hand had.
“Er is geen dropje van iets of wat kort bij de hand?” zeide de Kemphaan in het algemeen. “Zulk een regenachtige avond deugt niet veel voor iemand die van zijne spieren moet leven.”
Kapitein Cuttle bood hem een glas rum aan, hetwelk de Kemphaan, zijn hoofd achteroverhoudende, in zijne keel goot, alsof het in eene ton was, nadat hij de korte spreuk had geuit: “Op onze!” Daarop keerden Toots en de kapitein naar het achterkamertje terug; en toen zij bij het vuur zaten, begon Toots:
“Mijnheer Gills...”—“Houdaar!” zeide de kapitein. “Mijn naam is Cuttle.”
Toots keek zeer verslagen; terwijl de kapitein zeer ernstig vervolgde:
“Kapitein Cuttle is mijn naam, en Engeland mijne natie, en tegenwoordig woon ik hier, gezegend zij de gratie—Job,” zeide de kapitein, als om aan te duiden waar hij deze spreuk vandaan had gehaald.—“Zoo! Ik zou mijnheer Gills niet kunnen zien, zou ik?” hervatte Toots. “Omdat...”—“Als gij Sam Gills kondt zien, jonge heer,” zeide de kapitein met nadruk, en legde zijne zware hand op Toots’ knie, “oude Sam, verstaat ge wel—met uwe eigene oogen—zooals ge daar zit—zoudt ge mij liever wezen dan een frissche wind van achteren voor een schip, dat acht dagen lang windstilte heeft gehad. Maar gij kunt Sam Gills niet zien. En waarom kunt gij dat niet?” zeide de kapitein, door het gezicht van Toots verwittigd, dat hij een diepen indruk op des jonkmans gemoed maakte. “Omdat hij onzichtbaar is.”
Toots wilde in zijne ontroering antwoorden dat dit van geheel geen beduiden was; maar hij bedacht zich nog en zeide: “God zegen me!”
“Die man,” zeide de kapitein, “heeft mij hier in bewaring over zijn goed gelaten, door eene geschrevene aanstelling, maar hoewel hij zoo goed als mijn gezworen broeder was, weet ik evenmin waar hij naar toe is, of waarom hij is heengegaan—of het moest wezen om zijn neef op te zoeken, of misschien omdat hij niet recht bij zijne zinnen was—dan gij het weet. Op een ochtend vroeg,” zeide de kapitein, “ging hij over boord, zonder plof en zonder een rimpeltje in het water. Ik heb overal naar dien man gezocht, maar van dat uur af nooit weder iets van hem gehoord of gezien.”—“Maar, mijn goede hemel, jufvrouw Dombey weet niet,” begon Toots.—“Wel, ik vraag u als een jong mensch met een gevoelig hart,” zeide de kapitein, zijne stem latende dalen, “waarom zou zij het weten? Waarom zou men het haar zeggen, of het moest wezen dat het niet anders kon? Zij had zich aan den ouden Sam Gills gehecht met eene hartelijkheid, met een—wat behoeft het gezegd te worden? Gij kent haar toch.”—“Dat zou ik hopen,” giggelde Toots, terwijl een blos van verlegenheid geheel zijn gezicht overspreidde.—“En komt gij van haar af hier naar toe?” zeide de kapitein.—“Dat zou ik denken,” giggelde Toots.—“Dan heb ik alleen maar te zeggen,” hervatte de kapitein, “dat gij eene engelin kent en door eene engelin gestuurd wordt.”
Toots vatte den kapitein dadelijk bij de hand en verzocht om de gunst van zijne vriendschap.
“Op mijn woord van eer,” zeide Toots met ernst, “ik zou u zeer verplicht wezen als gij kennis met mij woudt houden. Ik zou u heel gaarne nader willen leeren kennen, kapitein. Ik heb waarlijk gebrek aan een vriend. Bij Blimber was kleine Dombey mijn vriend, en dat zou hij nog wezen, als hij was blijven leven. De Kemphaan,” zeide Toots, neerslachtig fluisterend, “is heel wel—bewonderenswaardig op zijne manier—misschien de slimste kerel van de wereld; er is geen streek dien hij niet weet, zegt iedereen—maar ik weet het niet—hij is toch alles niet. Gij vindt haar dus eene engelin, kapitein. Ja, als er ergens eene engelin is, dan is het jufvrouw Dombey. Dat heb ik altijd gezegd. Maar waarlijk, weet ge,” zeide Toots, “ge zoudt mij zeer verplichten als ge kennis met mij woudt houden.”
Kapitein Cuttle ontving dit voorstel op eene beleefde manier, maar toch zonder zich tot het aannemen daarvan te verbinden, alleen zeggende: “Ja, ja, mijn jongen. Wij zullen zien, wij zullen zien;” en herinnerde Toots daarop aan het oogmerk zijner zending, door te vragen waaraan hij de eer van dit bezoek te danken had.
“Wel, om de waarheid te zeggen,” antwoordde Toots, “kom ik van het meisje. Niet van jufvrouw Dombey—van Suze, weet ge.”
De kapitein knikte eens, met een zeer ernstig gezicht, ten teeken, dat hij deze jonge juffer eene ware hoogachting toedroeg.
“En ik zal u zeggen hoe dat zoo komt,” vervolgde Toots. “Gij weet, ik ga tusschenbeide wel eens bij jufvrouw Dombey aan. Ik ga daar niet met opzet naar toe, maar ik kom toevallig heel dikwijls in de buurt, en als ik daar kom—dan ga ik er eens aan.”—“Natuurlijk,” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Toots. “Zoo kwam ik daar van middag. Op mijn woord van eer, ik geloof niet dat het mogelijk is zich te verbeelden welk een engel jufvrouw Dombey van middag was.”
De kapitein antwoordde, door zijn hoofd met een schok in den nek te werpen, waardoor hij aanduidde, dat dit voor sommige menschen niet gemakkelijk mocht wezen, maar voor hem heel gemakkelijk was.
“Toen ik weder heenging,” zeide Toots, “bracht Suze mij heel onverwacht in de provisiekamer.”
De kapitein scheen dit niet goed te keuren, liet zich in zijn stoel achteroverzakken en zag Toots aan, met een wantrouwig, zoo niet dreigend gezicht.
“En daar liet zij mij deze courant zien,” zeide Toots. “Zij zeide mij, dat zij die den geheelen dag voor jufvrouw Dombey had weggehouden om iets dat er in stond over iemand, dien zij placht te kennen; en toen las zij het mij voor. Ja, goed. En toen zeide zij—wacht eens even—wat zeide zij ook weer?”
Terwijl Toots al zijne geestvermogens op deze vraag poogde te richten, zag hij toevallig den kapitein in de oogen en ontstelde zoodanig van hunne barsche uitdrukking, dat hij daardoor nog minder den verloren draad zijner rede kon terugvinden.
“O,” zeide Toots, na lang bedenken. “O ja! Zij zeide te hopen dat het nog mogelijk was, dat het niet waar zou zijn, en omdat zij niet wel zelve kon uitgaan, zonder dat jufvrouw Dombey er zich over zou verwonderen, of ik eens naar mijnheer Samuel Gills den instrumentmaker, hier in de straat, wilde gaan, en vragen of hij geloofde dat het waar was, of er in de City iets anders van had gehoord. Zij zeide, als hij mij niet kon spreken, zou kapitein Cuttle dat zeker wel kunnen. A propos!” zeide Toots, toen deze ontdekking hem eensklaps inviel, “dat waart gij.”
De kapitein keek naar de courant, die Toots in de hand had, en begon kort en snel adem te halen.
“Wel,” vervolgde Toots, “de reden dat ik wat laat kom is, dat ik eerst heel naar Finchley ben gegaan om wat buitengemeen mooi muurkruid, dat daar groeit, voor jufvrouw Dombey’s vogeltje te halen. Maar toen ben ik dadelijk hier naar toe gekomen. Gij zult de courant wel gezien hebben, denk ik?”
De kapitein, die bang was om couranten te lezen, uit vrees van eene advertentie te vinden waarbij jufvrouw MacStinger eene premie voor hem uitloofde, schudde zijn hoofd.
“Wil ik het u dan eens voorlezen?” vroeg Toots.
Op een toestemmend teeken van den kapitein, las Toots het volgende uit de scheepstijdingen:
“Southampton. Het barkschip de Speculatie, kapitein Henry James, heden in deze haven aangekomen, met eene lading suiker, koffie en rum, bericht, dat het op den zesden dag van de Jamaica, op—dat is de breedte, weet gij wel,” zeide Toots na eene poging om de cijfers uit te spreken, en er over gestruikeld te zijn.
“Ja wel,” zeide de kapitein, met zijne gebalde vuist op de tafel slaande. “Gang maar!”
“Breedte dus,” hervatte Toots, eventjes verschrikt naar den kapitein opkijkende, “en lengte zooveel, windstilte heeft gehad, en de wacht toen, een half uur vóór zonsondergang, eenige stukken van een wrak heeft gezien, die op ongeveer een mijl afstands drijvende waren. Daar het weder helder was en de bark niet vorderde, werd er eene boot uitgezet om die voorwerpen nader op te nemen, en toen bevond men dat zij bestonden uit eenige groote rondhouten en een gedeelte der tuigage van eene Engelsche brik van omtrent vijfhonderd tonnen last, benevens een gedeelte van den achtersteven, waarop de woorden en letters “Zoon en E” nog duidelijk leesbaar waren. Geen lijk was op of tusschen de wrakken te zien. Het journaal van de Speculatie vermeldt verder, dat in den nacht de wind opstak, en het wrak dus niet meer gezien werd. Alle twijfelingen aangaande het lot van het vermiste schip, de Zoon en Erfgenaam, uit de haven van Londen naar Barbados uitgezeild, zijn daarmede opgelost. Het is nu zeker dat het in den laatsten orkaan is verbrijzeld, en allen die aan boord waren zijn omgekomen.”
Gelijk het allen menschen gaat, wist kapitein Cuttle weinig hoeveel hoop er te midden van zijne hopeloosheid was blijven leven, tot hij haar den doodsteek voelde geven. Onder het lezen van dit bericht en nog een paar minuten later bleef hij den zedigen Toots als versteend zitten aanstaren. Toen stond hij eensklaps op, zette den blinkenden hoed op, dien hij ter eer van het bezoek op de tafel had gelegd, keerde zijn gast den rug toe en liet zijn hoofd op den schoorsteenmantel zakken.
“Op mijn woord van eer,” zeide Toots, wiens teeder hart door de onverwachte droefheid des kapiteins getroffen was, “die wereld is toch een allerellendigst ding! Altijd sterft er iemand in, of wordt er iets onpleizierigs gedaan. Ik zou waarlijk nooit zoo verlangd hebben om aan mijn eigendom te komen, als ik dat geweten had. Ik heb nooit zulk eene wereld gezien. Het is nog veel erger dan bij Blimber.”
Zonder van houding te veranderen, gaf de kapitein Toots een teeken om zich maar niet aan hem te storen, en weldra keerde hij zich om, met den blinkenden hoed op de ooren geduwd, en streek met zijne hand zijn bruin gezicht effen.
“Walter, mijn lieve beste jongen,” zeide de kapitein, “vaarwel! Walter, als kind, als jongen en als man heb ik u liefgehad. Hij was mijn vleesch en bloed niet,” zeide de kapitein, naar het vuur kijkende,—“dat heb ik niet—maar iets van wat een vader gevoelt als hij een zoon verliest, gevoel ik nu ik Walter verlies. En waarom?” zeide de kapitein. “Omdat het niet één verlies is, maar wel een dozijn verliezen. Waar is dat aardige schoolknaapje met zijn blozend gezichtje en krullende haren, dat hier zoo vroolijk placht te wezen als een stukje dansmuziek? Met Walter verdronken. Waar is de frissche jongen, die nooit moe kon worden, en die zoo rood werd als wij hem met hartediefje plaagden, dat het een lust was om hem aan te zien? Met Walter verdronken. Waar is die jonkman vol geest en vuur, die den ouden man geen oogenblik neerslachtig kon zien, maar om zich zelven niet het minste gaf? Met Walter verdronken. Het is niet één Walter. Er waren wel een dozijn Walter’s die ik kende en liefhad, die hem allen om den hals hielden toen hij naar beneden zonk, en die mij nu om den hals houden!”
Toots bleef stil zitten, en vouwde de courant op zijne knie zoo klein mogelijk op.
“En Sam Gills,” zeide de kapitein, in het vuur starende, “arme oude Sam Gills, die nu geen neef meer heeft, waar zijt gij naar toe? Hij had u aan mij toevertrouwd; zijne laatste woorden waren: “Pas op mijn oom.” Wat is u overkomen, Sam Gills, dat ge van Ned Cuttle zijt weggeloopen, en wat zal ik hem van u verantwoorden? Sam Gills, Sam Gills,” zeide de kapitein, langzaam zijn hoofd schuddende, “als gij die courant onder de oogen krijgt, ver van huis, en met niemand, die Walter gekend heeft, om u een woordje toe te spreken, dan zult gij er niet tegen bestand zijn!”
Een zwaren zucht slakende, keerde de kapitein zich naar Toots, alsof hij nu eerst bedacht dat deze tegenwoordig was.
“Mijn jongen,” zeide de kapitein, “gij moet dat meisje eerlijk zeggen dat die ongelukkige tijding maar al te waar is. Zij schrijven geene romannetjes van zulke dingen, ziet ge. Het staat in het scheepsjournaal, en dat is het waarste boek dat iemand kan schrijven. Morgenochtend zal ik eens uitgaan en navraag doen; maar er zal niets goeds van komen. Dat kan het niet. Als gij later op den dag eens bij mij wilt komen, zult gij vernemen wat ik gehoord heb. Maar zeg het meisje uit naam van kapitein Cuttle, dat alles voorbij is. Voorbij!”
De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, haalde zijn zakdoek uit den bol, wreef er wanhopig zijn grijzend hoofd mede, en smeet hem weder in den hoed, met de onverschilligheid der diepste neerslachtigheid.
“O, ik verzeker u,” zeide Toots, “dat het mij vreeselijk spijt. Op mijn woord, dat doet het, schoon ik den persoon niet gekend heb. Denkt gij dat jufvrouw Dombey erg aangedaan zal zijn, kapitein Gills—ik wil zeggen, mijnheer Cuttle?”,—“Wel, mijn hemel,” antwoordde de kapitein, met zeker medelijden met Toots’ onnoozelheid. “Toen zij nog niet grooter was dan zóó, waren zij al zoo teer voor elkander als twee jonge duifjes.”—“Zoo, waarlijk,” zeide Toots, wiens gezicht aanmerkelijk langer werd.—“Zij waren voor elkander geschapen,” zeide de kapitein droevig. “Maar wat beduidt dat nu?”—“Op mijn woord van eer,” riep Toots, zijne woorden tusschen eene zonderlinge mengeling van gegiggel en halve snikken uitstootende, “er heeft mij nooit iets zoo gespeten. Gij moet weten, kapitein Gills, ik—ik aanbid jufvrouw Dombey—ik—ik ben geheel van mijne streek van liefde voor haar.” De heftigheid waarmede deze bekentenis zich den ongelukkigen Toots afdwong, bewees het ernstige van zijn gevoel. “Maar wat zou het baten dat ik haar liefhad, als ik niet waarlijk spijt had van haar verdriet, wat er ook de reden van mocht wezen. Mijne genegenheid is niet zelfzuchtig, moet ge weten,” zeide Toots, wiens vertrouwen door de teerhartigheid des kapiteins, waarvan hij getuige was geweest, werd uitgelokt. “Het is bij mij zoo iets, kapitein Gills, dat als ik mij kon laten overrijden—of laten vertrappen—of van eene groote hoogte afsmijten—of iets van dien aard—ten genoegen van jufvrouw Dombey, het waarlijk het verrukkelijkste zou zijn dat mij kon gebeuren.”
Dit alles zeide Toots met eene gesmoorde stem, opdat het de ijverzuchtige ooren van den Kemphaan niet zou bereiken, die alle zachte aandoeningen afkeurde; en dit bedwang, met de kracht van zijn gevoel vereenigd, deed hem rood worden tot aan de lapjes van zijne ooren, en maakte hem in de oogen van kapitein Cuttle tot zulk een aandoenlijk schouwspel van onbaatzuchtige liefde, dat de goede kapitein hem troostend op den rug klopte en vermaande om zich maar wat op te beuren.
“Dankje wel, kapitein Gills,” zeide Toots, “het is wel vriendelijk van u, onder al uw eigen verdriet, dat ge dat zegt. Gelijk ik al vroeger gezegd heb, ik heb waarlijk gebrek aan een vriend, en ik zou blij zijn als gij kennis met mij woudt houden. Schoon ik er heel goed in zit,” zeide Toots met vuur, “kunt gij u toch niet verbeelden welk een ellendeling ik ben. De wufte menigte, weet gij, als zij mij met den Kemphaan en andere personen van onderscheiding ziet, houdt mij voor gelukkig, maar ik ben rampzalig. Ik martel mij zelven met jufvrouw Dombey, kapitein Gills. Ik kan haast niet eten. Ik heb geen pleizier in mijn kleermaker. Ik huil dikwijls als ik alleen ben. Ik verzeker u, het zal een genoegen voor mij zijn als ik morgen en nog vijftigmaal terug mag komen.”
Met deze woorden drukte Toots den kapitein de hand, en zijn best doende om de sporen zijner aandoening voor den scherpen blik van den Kemphaan te verbergen, ging hij dezen uitstekenden persoon in den winkel opzoeken. De Kemphaan, die licht jaloersch werd, zag den kapitein met alles behalve gunstige oogen aan, maar volgde zijn patroon zonder eenig ander blijk van misnoegen te geven; en liet den kapitein diep ter neer geslagen, en Rob den Slijper opgetogen van blijdschap omdat hij de eer had gehad van een halfuur lang den overwinnaar van Nobby van Shropshire aan te staren.
Lang na dat Rob in zijn bed onder de toonbank gerust was ingeslapen, zat de kapitein nog in het vuur te kijken, en lang na dat er geen vuur meer was om naar te kijken, zat de kapitein nog naar de roestige traliën te turen, terwijl nuttelooze gedachten aan Walter en den ouden Sam hem het hoofd verwarden. Toen hij zich naar het stormachtige kamertje boven in huis begaf, kon hij daar ook niet rusten, en des morgens stond hij onverkwikt en treurig op.
Zoodra de kantoren in de stad open waren, ging de kapitein uit om zich naar dat van Dombey en Zoon te begeven. Maar de vensters van den houten adelborst werden dien ochtend niet geopend. Op last van den kapitein liet Rob de Slijper de luiken voor, zoodat het huis een sterfhuis geleek.
Bij toeval ging Carker de chef juist het kantoor in, toen de kapitein aan de deur kwam. Carker’s groet met ernstig stilzwijgen aannemende, was de kapitein zoo vrij om met hem naar de kamer te gaan.
“Wel, kapitein Cuttle,” zeide Carker, zich in zijne gewone houding voor den haard plaatsende en zijn hoed ophoudende, “dat is een leelijk geval.”—“Gij hebt dus de tijding gekregen, die gisteren in de courant stond, mijnheer?” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Carker, “wij hebben ze ontvangen. Het is maar zoo. De assuradeurs lijden een aanmerkelijk verlies. Het spijt ons zeer, maar er is niet aan te doen. Zoo gaat het in de wereld!”
Carker sneed zijne nagels voorzichtig met een pennemes, en glimlachte tegen den kapitein, die hem bij de deur stond aan te zien.
“Het spijt mij zeer van den armen Gay,” zeide Carker, “en van het scheepsvolk. Ik hoor dat er sommige van onze knapste lui onder waren. Dat gaat altijd zoo. Velen met huishoudens ook. Een troost dat Gay geen huishouden had, kapitein Cuttle!”
De kapitein wreef zijne kin en bleef Carker staan aanzien. Carker keek nu eens naar de ongeopende brieven op zijn lessenaar en nam de courant op.
“Is er iets dat ik voor u doen kan, kapitein Cuttle?” vroeg hij, van de courant opkijkende, met een glimlach en een veelbeduidenden blik naar de deur.—“Ik wenschte dat ge mij goed kondt geruststellen, mijnheer, over iets waar ik ongerust over ben,” antwoordde de kapitein.—“Zoo!” zeide Carker. “Wat is dat dan? Kom aan, kapitein Cuttle, ik moet u verzoeken om u wat te haasten. Ik heb veel te doen.”—“Ziet ge, mijnheer,” zeide de kapitein, een stap nader komende, “eer mijn vriend Walter op die heillooze reis uitging...”—“Kom, kom, kapitein Cuttle,” viel de glimlachende Carker er op in, “spreek zoo niet van heillooze reizen. Daar weten wij hier niet van. Gij moet vandaag al vroeg aan uw rantsoen zijn begonnen, als gij niet bedenkt dat alle reizen, ter zee of te land, hare gevaren hebben. Gij maakt u toch niet ongerust over de gedachte dat de jonge—hoe heet hij ook weer—vergaan zou zijn in slecht weer, dat aan dit kantoor tegen hem werd afgezonden—doet ge? Foei, kapitein! Uitslapen en sodawater zijn de beste middelen tegen zulke ongerustheid.”—“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein langzaam—“ge zijt haast nog een jongen bij mij, en dus vraag ik geen excuus dat dit woord mij ontvalt—als gij pleizier hebt in die aardigheid, zijt ge de man niet waar ik u voor hield. En als gij de man niet zijt waar ik u voor hield, heb ik misschien wel reden om ongerust te zijn. De zaak is zóó gelegen, mijnheer Carker.—Eer die arme jongen heenging, zooals hem gelast was, zeide hij mij dat hij niet tot zijn bestwil of voor zijne bevordering heenging, dat wist hij wel. Ik dacht toen dat hij dit verkeerd had, en zeide hem dat; en toen kwam ik hier, daar uw patroon er niet was, om u op eene beleefde manier een paar vragen te doen, tot mijne eigene geruststelling. Die vragen hebt gij beantwoord—vrijwillig. Nu zal het mij wederom geruststellen—nu alles voorbij is, en wat men niet verhelpen kan moet men maar dragen; gij, als een geleerde, kunt het boek wel nazien waar dat in staat, en zet er dan een streepje bij als gij het vindt—kortom, om nog eens te hooren dat ik mijn plicht niet heb verzuimd toen ik den ouden man niet zeide wat Walter mij gezegd had; en dat hij waarlijk den wind in het zeil had toen hij naar Barbados uitliep. Mijnheer Carker,” zeide de kapitein, in zijne goedhartigheid, “toen ik laatst hier was, waren wij heel pleizierig met elkander. Als ik van morgen niet zoo heel pleizierig ben, om reden van dien armen jongen, en mij driftig gemaakt heb over een zeggen van u dat ik goed had moeten opnemen, mijn naam is Edward Cuttle, en ik vraag u excuus.”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Carker, met alle mogelijke beleefdheid, “ik moet u om eene gunst verzoeken.”—“En wat is dat, mijnheer?” vroeg de kapitein.—“Dat gij zoo goed zijt om u weg te pakken, als het u belieft,” antwoordde Carker, zijn arm uitstekende, “en met uwe borrelpraatjes ergens anders heen te gaan.”
Elke knobbel van des kapiteins gezicht verbleekte van verbazing en verontwaardiging; zelfs de roode streep op zijn voorhoofd verdween, gelijk een regenboog tusschen samengepakte wolken.
“Ik zal u eens wat zeggen, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker, zijn vinger tegen hem schuddende en hem al zijne tanden toonende, maar nog vriendelijk glimlachend. “Ik heb veel te veel verschooning voor u gehad toen gij de vorige maal hier waart. Gij behoort tot een doortrapt en onbeschaamd slag van menschen. Uit verlangen om dien jongen—hoe heet hij ook weer—er voor te bewaren dat hij ridderlijk hier vandaan geschopt werd, mijn goede kapitein, heb ik geduld met u gehad, doch maar voor eens en niet meer. Ga nu heen, mijn vriend!”
De kapitein stond aan den grond vastgeworteld en sprakeloos.
“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben. Als mijnheer Dombey hier was, kapitein, zoudt ge misschien op eene schandelijker manier hier vandaan komen. Ik zeg maar, ga heen.”
De kapitein legde zijne zware hand op zijne borst om zich zelven te helpen om diep adem te halen, nam Carker van het hoofd tot de voeten op en keek toen in het kamertje rond, alsof hij niet duidelijk begreep waar hij was of in welk gezelschap.
“Gij zijt slim, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker met de luchtige rondborstigheid van een man naar de wereld, die de wereld te wel kende om zich uit zijn humeur te laten brengen door de ontdekking van een wanbedrijf dat hem niet onmiddellijk aanging; “maar gij zijt toch niet geheel ondoorgrondelijk—en uw afwezige vriend ook niet, kapitein. Wat hebt ge met uw afwezigen vriend gedaan, zeg?”
Wederom legde de kapitein de hand op de borst. Na nog eens diep adem te hebben gehaald, bezwoer hij zich zelven met een “sta vast!” maar fluisterend.
“Gij smeedt aardige komplotjes, en maakt aardige afspraakjes, en krijgt ook aardige visites, niet waar, kapitein?” zeide Carker, zijne wenkbrauwen samentrekkende, zonder daarom minder zijne tanden te toonen; “maar het is wat al te stout om naderhand nog hier te komen. Dat gelijkt niet naar uwe gewone voorzichtigheid. Gij komplottenmakers, wegschuilers en wegloopers, moest beter weten. Wilt ge nu zoo goed zijn om heen te gaan?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met eene gesmoorde en bevende stem, en eene zonderlinge beweging in zijne zware vuist, “er zijn vele woorden, die ik u zou willen zeggen, maar ik weet ze op het oogenblik niet recht te vinden. Mijn jonge vriend, Walter, is pas gisteravond verdronken, volgens mijne rekening, en dat brengt mij van mijne streek, ziet ge. Maar gij en ik zullen elkander wel eens weder voor den boeg komen, mijn jongen,” zeide de kapitein, zijn haak ophoudende, “als wij het beleven.”—“Het zal alles behalve slim van u zijn, mijn goede man, als wij dat doen,” antwoordde Carker, met dezelfde rondborstigheid, “want gij kunt er op aan, ik waarschuw u vooruit, dat ik u zal ontmaskeren en ten toon stellen. Ik wil niet zeggen dat ik beter ben dan anderen, mijn goede kapitein, maar ik zal het vertrouwen van dit kantoor, of een lid van dit kantoor, toch niet laten misbruiken en ondermijnen, zoolang ik ooren en oogen heb. Goedendag!” zeide Carker knikkende.
Hem strak aanziende (Carker zag hem even strak aan) ging de kapitein de kamer uit, en liet hem wijdbeens voor het vuur staan, zoo kalm en zoo genoeglijk, alsof er niet meer vlekken op zijne ziel waren dan op zijn sneeuwwit linnen of zijne gladde huid.
Toen de kapitein het groote kantoor doorkwam, keek hij even naar den lessenaar, waaraan hij wist dat de arme Walter placht te zitten, en waaraan nu een andere jonge knaap zat, met een gezicht bijna even frisch als het zijne, toen zij in het achterkamertje die kostbare flesch ouden madera (de laatste op een na) met elkander ledigden. De aldus opgewekte herinneringen deden den kapitein veel goed; op het toppunt zijner gramschap verteederden zij hem en deden hem de tranen in de oogen komen.
Wederom bij den houten adelborst in een hoekje van den donkeren winkel gezeten, kon des kapiteins verontwaardiging, hoe sterk zij ook was, het niet tegen zijne droefheid uithouden. Zijne hartstochtelijkheid scheen niet alleen de nagedachtenis van den doode te beleedigen, maar ook bij de gedachte daaraan van zelf weg te kwijnen. Al de levende schelmen en logenaars van de wereld waren niets bij de oprechtheid en trouw van den eenen dooden vriend.
Het eenige dat de brave kapitein in dezen gemoedstoestand duidelijk kon zien, behalve het verlies van Walter, was, dat met hem bijna de geheele wereld van kapitein Cuttle verdronken was. Als hij het zich somtijds scherp verweet dat hij tot Walter’s onschuldig bedrog had medegeholpen, dacht hij ten minste even dikwijls aan den vorigen mijnheer Carker, dien geene zee ooit kon teruggeven; en den mijnheer Dombey, die hij nu begon te begrijpen, dat ver boven alle menschelijk bereik was; en het harteliefje waarmede hij nooit weder een woord zou spreken; en de mooie Peggy, die heerlijke ballade, nu eene reeks van rijmen zonder kracht of beteekenis. De kapitein zat in den donkeren winkel aan deze dingen te denken, zoodat hij de beleediging, die hij zelf ondergaan had, geheel vergat, en keek met zulke droevige oogen naar den grond, alsof hij de wrakken van al het verlorene daar werkelijk voorbij zag drijven.
Maar de kapitein vergat toch niet om de nagedachtenis van den armen Walter zooveel eer te bewijzen als in zijn vermogen was. Zich zelven wakker schuddende, en ook Rob den Slijper wakker schuddende, (die in de onnatuurlijke schemering gerust zat te slapen) ging de kapitein, met dezen trawant op de hielen en den huissleutel in zijn zak, uit, en begaf zich naar een van die geriefelijke oude kleerenwinkels, waarvan men in het oosten van Londen keus genoeg heeft. Daar kocht hij twee rouwpakken—een voor Rob den Slijper, dat veel te klein, en een voor zich zelven dat veel te groot was. Hij voorzag Rob insgelijks van een hoed, die met geen bekend fatsoen was te vergelijken, maar het meest van een zuidwester had, en dus in een winkel van instrumenten eene gelukkige nieuwigheid was. In deze gewaden gedost, welke de verkooper verklaarde zoo wonderbaar te passen, dat dit alleen door een zeldzamen samenloop van gelukkige omstandigheden mogelijk was, stapten de kapitein en de Slijper weder naar huis, een schouwspel aanbiedende, dat ieder, die het zag, moest verbazen.
In deze veranderde gedaante ontving de kapitein het volgende bezoek van Toots. “Ik ben op dit oogenblik wat van mijne streek, mijn jongen,” zeide de kapitein, “en zal maar alleen die slechte tijding bevestigen. Zeg dat meisje dat zij ze de jonge juffer voorzichtig moet zeggen, en dat zij ook geen van beiden meer om mij moeten denken—in het bijzonder, meen ik, begrijpt gij wel—schoon ik wel om ze denken zal, als des nachts de winden razen en de zeeën bergen hoog rollen—zie doctor Watts daar maar eens voor na, broeder, en als gij het vindt, zet er dan een streepje bij.”
De kapitein stelde het tot gelegener tijd uit om Toots’ aanbod van vriendschap in overweging te nemen, en liet hem zoo gaan. De kapitein was zelf zoo neerslachtig, dat hij dien dag half en half besloot om geene voorzorgen tegen eene verrassing van jufvrouw MacStinger meer te nemen, maar zich roekeloos aan het toeval over te geven en onverschillig te zijn voor wat er gebeuren mocht. Toen het echter avond werd, kwam hij in eene betere stemming, en sprak veel van Walter tot Rob den Slijper, wien hij insgelijks prees voor zijne oplettendheid en trouw. Rob bloosde hierover niet, maar zat den kapitein aan te staren en hield zich alsof hij van aandoening griende, maar onthield (die jonge spion) met veelbelovende valschheid ieder woord dat hij sprak.
Toen Rob naar bed en in slaap was, snoot de kapitein de kaars, zette zijn bril op—hij had het, toen hij den instrumentenwinkel aanvaardde, voegzaam geacht zich een bril aan te schaffen, hoewel hij oogen had als een valk—en opende het gebedenboek bij het begrafenisformulier. Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.
XXXIII. CONTRASTEN
Vestigen wij de oogen eens op twee huizen, niet naast elkander, maar ver van elkander af, schoon beide op geringen afstand van de groote stad en gemakkelijk uit de City te bereiken.
Het eerste staat in eene groene, boomrijke streek bij Norwood. Het is geen deftig gebouw, en niet zeer groot; maar de geheele aanleg is zeer smaakvol en alles is uitmuntend in orde gehouden. Het zacht afhellende grasperk, de bloemtuin, de boomgroepen, waarin de sierlijke vormen van esschen en treurwilgen niet ontbreken, de oranjerie, de rustieke veranda, waar geurige slingerplanten tegen de pilaren opgroeien, het eenvoudige huis, de welingerichte bijgebouwen, schoon allen zoo klein als op zulk een buitentje behoort, dat den naam van hutje (cottage) draagt; alles belooft ook van binnen zooveel smaak en gemak als voor een paleis zouden kunnen volstaan. Deze belofte blijft niet onvervuld, want het inwendige van het huis draagt evenveel blijken van weelde als van fijne beschaving. Overal ontmoet het oog fraaie kleuren, op het schoonst aan elkander gepaard, zoowel aan de meubelen, die uitmuntend bij de fatsoenen en afmetingen der kleine vertrekken passen, als op de wanden en de vloeren, zelfs in het licht dat gekleurd en gematigd door de vensters en glazendeuren schijnt. Er zijn ook eenige uitgezochte schilderijen en prenten; in fraaie kasten, hier en daar in een verloren hoek gezet, ontbreekt het niet aan boeken; benoodigdheden voor spelen van kunst of kans staan gereed—schaakstukken, dobbelsteenen, een triktrakbord, kaarten en een biljart.
En toch, bij dien overvloed van weelde en gemak, heeft het algemeene voorkomen iets dat niet deugt. Is het dat de tapijten en kussens al te zacht zijn en het geluid te veel dooven, zoodat zij, die er over gaan of er op rusten, dit tersluiks schijnen te doen? Is het omdat de prenten en schilderijen geene groote daden of gedachten vertegenwoordigen, of de poëzie der natuur in landschappen, prachtgebouwen of hutten teruggeven, maar allen van dezelfde weelderige soort zijn—een pronken met vormen en kleuren, anders niet? Is het omdat de boeken al hun goud van buiten hebben, en de titels der meesten ze reeds met de schilderijen en prenten op dezelfde lijn plaatsen? Is het omdat de schoonheid en de volledigheid van het geheel hier en daar belogen wordt door eene vertooning van nederigheid in een of ander onbelangrijk en onkostbaar opzicht; eene vertooning, even valsch als het gezicht van het maar al te goed getroffen portret dat daar hangt, of als het origineel dat daaronder in zijn leuningstoel zit te ontbijten? Of is het omdat dit origineel, dat hier van alles meester is, met zijn dagelijkschen adem een gedeelte van zich zelven heeft gewasemd, hetgeen alles om hem heen een onbestemden zweem van zijn eigen karakter heeft gegeven?
Het is Carker de chef die daar in den leuningstoel zit. Een bonte papegaai, in eene als goud blinkende kooi op de tafel, plukt met zijn bek aan de traliën, en klautert ten onderste boven er langs, en schudt geheel zijn huis en schreeuwt. Maar Carker let niet op den vogel, en ziet met een peinzenden glimlach naar een portret aan den wand tegenover hem.
“Zeker eene buitengemeen toevallige gelijkenis,” zegt hij.
Misschien is het eene Juno, misschien eene Potiphar’s vrouw, misschien eene preutsche nimf—naarmate de kunstkoopers den smaak der markt vonden, toen zij het stuk een naam gaven. Het is het afbeeldsel eener schoone vrouw, die zich omkeert, maar haar gezicht naar den toeschouwer gericht houdt en hem een vurigen en trotschen blik toewerpt.
Het gelijkt naar Edith.
Met eene vlugge beweging zijner hand naar de schilderij—wat! een dreigement? Neen; en toch iets dat er naar gelijkt. Een zegevierend wuiven? Neen; maar toch meer daarnaar gelijkend. Een beleedigend vrijpostige groet van zijne lippen toegeworpen? Neen; maar toch ook daarnaar gelijkende—gaat hij weder aan zijn ontbijt en roept den ongeduldigen en gekerkerden vogel, die naar een vergulden hoepel in zijne kooi klautert, gelijk een groote trouwring, en daarin voor zijn vermaak gaat zitten zwaaien.
Het tweede huis staat aan den anderen kant van Londen, daar waar de groote weg naar het noorden loopt, die voorheen zoo druk was en nu bijna geheel verlaten is, behalve door reizigers die te voet voortzwoegen. Het is een klein, armoedig huis, schraal gemeubileerd, maar net en zindelijk gehouden; en er zijn zelfs pogingen gedaan om het te versieren, gelijk uit de gemeene bloemen blijkt die tegen den muur en in het smalle tuintje groeien. De buurt, waarin het staat, heeft even weinig van het land als van de stad om haar aan te bevelen. Zij behoort ook noch tot de stad noch tot het land. De eerste, gelijk de reus met zijne reislaarzen, heeft een stap gedaan, is haar daarmede voorbijgekomen en heeft zijn hiel van kalk en steen veel verder vooruitgezet; maar de ruimte tusschen de voeten van den reus is nog maar bedorven land, en heeft nog niets van de stad; en hier, tusschen eenige hooge schoorsteenen, die nacht en dag rook uitbraken, en tusschen steenbakkerijen, en velden waar de graszoden zijn weggestoken, en de schuttingen omvallen en bestofte brandnetels groeien, en waar men nog eenige overblijfselen van heggen kan zien en waar de vogelvanger nog somtijds komt, hoewel hij telkens zweert dat hij niet weer zal komen—is dit tweede huis te vinden.
Zij, die het bewoont, is zij die het eerste uit gehechtheid aan een gevallen broeder verlaten heeft. Daarmede vertrok uit dat huis alles wat het waarlijk goeds en schoons had, en uit de borst van den meester zijn eenige engel; maar hoewel zijne genegenheid voor haar is verdwenen, sedert die ondankbare minachting, gelijk hij het begrijpt, en hij haar tot straf daarvoor verzaakt, kan hij het oude denkbeeld van haar toch niet geheel vergeten. Laat haar bloemtuin, waarin hij nooit een voet zet, maar die, onder al zijne kostbare veranderingen, toch nog eveneens wordt onderhouden alsof zij dien pas gisteren had verlaten, daarvan getuigen!
Harriët Carker is sedert veranderd, en op hare schoonheid ligt eene zwaardere schaduw, dan de Tijd alleen, zoo alvermogend als hij is, kan werpen—de schaduw van kommer en zorg, en de dagelijksche worsteling van een armoedig leven. Maar het is toch nog schoonheid, en nog eene zachte, stille, zedige schoonheid, die opgezocht moet worden, daar zij niet kan pralen, en als zij dit doen kon, niet meer zijn zou wat zij is.
Ja, die kleine, tengere gedaante, met dat geduldige gezichtje, net gekleed in geringe stoffen, en welke men niets aanziet dan die stille huiselijke deugden, die zoo weinig gemeen hebben met het aangenomene denkbeeld van heldhaftigheid en grootheid, of een straal daarvan moet door het leven van de grooten der aarde schijnen, en dan ziet men terstond dat dit licht van den hemel komt—die kleine tengere gedaante, leunende op dien man, nog jong, maar afgeleefd en grijs, zij is zijne zuster, die, alleen in de geheele wereld, tot hem overtrad in zijne schande, en hare hand in de zijne legde, en met lieftallige bedaardheid en beradenheid hem voortleidde op zijn barren weg.
“Het is nog vroeg, John,” zeide zij. “Waarom gaat gij zoo vroeg?”—“Niet veel vroeger dan gewoonlijk, Harriët. Als ik tijd over heb zou ik gaarne, denk ik—het is eene gril van mij—het huis nog eens voorbijgaan waar ik afscheid van hem heb genomen.”—“Ik wenschte dat ik hem gezien of gekend had, John.”—“Beter zóó, lieve, om zijn lot denkende.”—“Maar dat zou mij niet erger kunnen spijten, al had ik hem gekend. Is uw leed niet het mijne? En als ik hem gekend had, zou ik misschien beter gezelschap voor u zijn als gij van hem spreekt, dan ik nu wel schijn.”—“Lieve zuster, is er iets, zoover blijdschap of droefheid kunnen gaan, waarvan ik niet zeker ben dat gij het met mij gevoelt en deelt?”—“Ik hoop dat gij van neen denkt, John, want er is waarlijk niets.”—“Hoe zoudt gij beter voor mij kunnen zijn, of mij nader wezen, dan gij hierin of in iets anders zijt?” zeide haar broeder. “Ik gevoel dat gij hem gekend hebt, Harriët, en mijn gevoel voor hem hebt gedeeld.”
Zij sloeg de hand, die op zijn schouder had gelegen, om zijn hals, en zeide eenigszins aarzelend:
“Neen, niet geheel.”—“Dat is waar,” zeide hij, “gij dacht dat ik hem geen kwaad zou hebben gedaan, al had ik mij zelven toegelaten om nader kennis met hem te maken.”—“Dacht! Ik wist het zeker.”—“Met opzet, weet de hemel, zou ik het niet gedaan hebben,” antwoordde hij, treurig zijn hoofd schuddende, “maar zijn goede naam was te kostbaar om door zulk een omgang in de waagschaal te stellen. Hetzij gij dat toegeeft of niet, lieve—”—“Dat doe ik niet,” zeide zij kalm.—“Het is toch de waarheid, Harriët, en mijn hart is nu lichter, als ik aan hem denk, juist door datgene wat het toen zooveel te zwaarder maakte.” Hij dwong zich om zijn zwaarmoedigen toon af te leggen, en zag haar glimlachend aan toen hij zeide: “Goedendag nu!”—“Goedendag, beste John. Van avond zal ik u op den gewonen tijd te gemoet komen. Goedendag!”
Het hartelijke gezichtje, dat zij naar hem ophief om te laten kussen, was zijn leven, zijn alles, en toch was het een gedeelte van zijne straf en zijn leed; want in de wolk die hij daarop zag—schoon zoo helder als eenig stralend wolkje bij ondergaande zon—en in de standvastige trouw van haar leven, en in de opoffering van genot, gemak en hoop, die zij gebracht had, zag hij de bittere vruchten zijner oude misdaad altijd versch en rijp voor zich.
Zij stond hem aan de deur na te zien, met de handen los over elkander, terwijl hij over de ongelijke, modderige plek gronds stapte, die voor hun huis lag. De plek was voorheen (niet lang geleden) eene groene weide geweest, maar was nu eene wildernis, waar de beginselen van geringe huisjes uit den grond begonnen op te schieten alsof eene ongeregelde hand ze gezaaid had. Wanneer hij omkeek, gelijk hij een paar malen deed, straalde haar hartelijk gezichtje als een licht in zijn hart; maar wanneer hij voortstapte en haar niet zag, stonden er tranen in hare oogen zoolang zij hem nakeek.
Zij bleef niet lang ledig aan de deur staan peinzen. Er waren dagelijksche plichten te vervullen, er was dagelijksch werk te doen—want zulke alledaagsche wezens, die niet heldhaftig zijn, werken dikwijls zwaar met hunne handen—en Harriët was weldra druk aan hare huiselijke bezigheden. Toen deze waren afgedaan en het armoedige huisje net in orde was, telde zij met een bekommerd gezichtje haar geringen voorraad van geld, en ging nadenkend uit om eenige benoodigdheden voor hunne tafel te koopen, onderweg verzinnende hoe zij daarop iets zou kunnen bezuinigen. Zoo gemeen is het leven van zulke lage wezens, die niet slechts niet heldhaftig zijn voor hunne kamerdienaren en kameniers, maar zelfs geene kamerdienaren of kameniers hebben om heldhaftig te wezen!
Terwijl zij afwezig en er niemand in huis was, naderde er van een anderen kant dan haar broeder was opgegaan, een heer, die misschien reeds eenigszins over het best van zijn leven was, maar eene gezonde, blozende kleur, eene rechte houding en een helder uitzicht had, dat goedhartigheid en welwillendheid aanduidde. Zijne wenkbrauwen waren nog zwart, en het meeste van zijn haar was dit ook nog; het daar tusschen gesprenkelde grijs stond hem zelfs goed, daar het zijne zwarte wenkbrauwen, zijn open voorhoofd en zijne heldere oogen beter deed uitkomen.
Toen hij eens aan de deur had geklopt en geen antwoord gekregen, zette deze heer zich op eene bank onder het afdak om te wachten. Zekere vlugge beweging van zijne vingers, terwijl hij eenige regels neuriede en op de bank naast hem de maat sloeg, scheen den muzikant aan te duiden, en het buitengemeene genoegen waarmede hij iets neuriede, dat zeer langzaam en lang was en waarin men geene wijs kon herkennen, scheen te toonen dat hij een geleerde in de muziek was.
Deze heer neuriede nog een thema, dat al rond en rond scheen te draaien, en zich in zich zelf in te winden, gelijk een kurketrekker, dien men op de tafel laat tollen, zonder dichter bij iets te komen, toen Harriët weder in de verte aankwam. Hij stond op toen zij naderde, en bleef blootshoofds wachten.
“Gij zijt teruggekomen, mijnheer!” zeide zij haperend.—“Ik neem nog eens die vrijheid,” antwoordde hij. “Mag ik u vijf minuten verzoeken, als gij tijd hebt?”
Na een oogenblik aarzelens opende zij de deur en liet hem in het voorkamertje. Hij zette zich neer, schoof zijn stoel bij de tafel tegen haar over, en zeide, met eene stem die volkomen met zijn voorkomen strookte, en met eene eenvoudigheid die waarlijk innemend was:
“Jufvrouw Harriët, gij kunt toch niet trotsch wezen. Gij hebt mij, toen ik laatst hier was, gezegd dat gij dat waart. Neem mij niet kwalijk, als ik zeg dat ik u in uw gezicht keek onder het spreken, en dat dit u tegensprak. Nu zie ik u nog eens in het gezicht,” daarbij legde hij even zijne hand op haar arm, “en het spreekt u meer en meer tegen.”
Zij was eenigszins verlegen en ontroerd, en had niet dadelijk een antwoord gereed.
“Het is een spiegel van oprechtheid en zachtaardigheid,” zeide hij. “Verschooning dat ik daarop vertrouw en nog eens terugkom.”
De manier, waarop hij dit zeide, ontdeed zijne gezegden geheel en al van den aard van complimenten. Hij sprak zoo eenvoudig, ernstig, ongemaakt en oprecht, dat zij haar hoofd boog, als ware het om hem te bedanken en zijne oprechtheid te erkennen.
“Het verschil tusschen onze jaren,” zeide hij, “en de duidelijkheid van mijn oogmerk, geven mij, tot mijn genoegen, vrijheid om mijn gevoelen te zeggen. Dat is nu mijn gevoelen, en dus ziet ge mij nog eens hier.”—“Er is een soort van trots, mijnheer,” antwoordde zij, na een oogenblik stilzwijgens, “of wat men voor trots kan houden, die enkel plicht is. Ik hoop dat ik geene andere trotschheid heb.”—“Voor u zelve,” zeide hij.—“Voor mij zelve.”—“Maar—neem mij niet kwalijk—voor uw broeder John?”—“Ik ben trotsch op zijne liefde,” zeide Harriët, haar bezoeker aanziende en geheel van toon veranderende—niet dat zij minder kalm en zacht bleef, maar zij sprak met een vurigen ernst, welke zelfs de beving in hare stem tot een deel van hare standvastigheid maakte, “en trotsch op hem zelven. Gij, mijnheer, die zoo zonderling de geschiedenis van zijn leven kent, en mij die hebt laten hooren, toen gij de vorige maal hier waart...”—“Alleen om uw vertrouwen te winnen,” viel hij er op in. “Om ’s hemels wil, denk niet...”—“Ik ben overtuigd,” zeide zij, “dat ge mij die met een goed en welwillend oogmerk hebt laten hooren. Daarvan ben ik volkomen overtuigd.”—“Ik dank u,” zeide haar bezoeker, haar haastig de hand drukkende, “ik ben u zeer verplicht. Gij laat mij recht wedervaren, dat verzeker ik u. Gij wildet zeggen, dat ik, die de geschiedenis van John Carker’s leven weet....”—“Het voor trots van mij kunt houden,” vervolgde zij, “als ik zeg dat ik trotsch op hem ben. Maar dat ben ik toch. Gij weet dat er eens een tijd bestond, toen ik dat niet was—toen ik dat niet kon wezen—maar die is voorbij. De nederigheid van vele jaren, de bereidwillige boete, het oprechte berouw, de vreeselijke spijt, de smart die ik weet dat zelfs mijne genegenheid hem veroorzaakt, die hij denkt dat mij duur te staan komt, schoon de hemel weet dat ik gelukkig ben, volkomen gelukkig zou zijn, als hij niet ongelukkig was!—o mijnheer, laat ik, na hetgeen ik gezien heb, u bezweren, als gij eenig gezag of invloed hebt en ooit verongelijkt wordt, leg nooit voor eenig kwaad eene straf op die niet herroepen kan worden, terwijl er een God boven ons is, die veranderingen kan bewerken in een hart dat zijn maaksel is!”—“Uw broeder is een veranderd mensch,” antwoordde hij medelijdend. “Ik verzeker u dat ik daaraan niet twijfel.”—“Hij was een veranderd mensch toen hij kwaad deed,” zeide Harriët. “Hij is weder een veranderd mensch, en hij is nu in zijn waar karakter, geloof mij, mijnheer.”—“Maar wij,” zeide de vreemdeling, verstrooid zijn voorhoofd wrijvende, en toen peinzend op de tafel trommelende, “leven van dag tot dag in onzen ouden sleur voort, en kunnen die veranderingen niet waarnemen of volgen. Zij zijn boven ons begrip. Wij—wij hebben er geen tijd voor. Wij—wij hebben er den moed niet toe. Het wordt ons op school niet geleerd, en wij weten niet hoe het aan te vangen. Kortom, wij zijn zoo verduiveld koopmanachtig,” zeide hij, ging naar het venster, kwam terug en ging weder zitten, zeer ontstemd en ontevreden. “Ik ben zeker,” zeide hij, wederom zijn voorhoofd wrijvende en op de tafel trommelende, “ik heb goede reden om te gelooven dat een eentonig leven, hetzelfde van dag tot dag, iemand met alles zou kunnen verzoenen. Men ziet niets, men hoort, men weet niets; en zoo gaat het. Wij nemen alles zoo maar aan, en zoo gaan wij voort, tot wij al wat wij doen, goed, kwaad en onverschillig, alleen maar uit gewoonte doen. Gewoonte is al wat ik zal hebben in te brengen, als ik op mijn sterfbed voor mijn geweten zal moeten pleiten. “Gewoonte,” zeg ik dan. “Ik was doof, stom, blind en lam voor een millioen dingen, uit gewoonte.” “Heel koopmanachtig, mijnheer,” zegt het geweten, “maar dat geldt hier niet!””
Hij stond op en ging weder naar het venster en terug, ernstig ongerust, hoewel hij zijne ongerustheid op zulk eene eigenaardige en zonderlinge manier te kennen gaf.
“Jufvrouw Harriët,” zeide hij, zich weder zettende, “ik wenschte dat gij mij u woudt laten dienst doen. Zie mij aan! ik behoor er nu oprecht uit te zien, want ik weet dat ik het ben. Doe ik het?”—“Ja,” antwoordde zij met een glimlach.—“Ik geloof ieder woord dat gij gezegd hebt,” hervatte hij. “Ik ben vol zelfverwijt dat ik dit had kunnen weten en zien, en u had kunnen kennen en zien, wanneer ik maar wilde, deze tien jaren, en dat ik het nooit heb gedaan. Ik weet haast niet hoe ik ooit hier gekomen ben—slaaf als ik ben, niet alleen van mijne eigene gewoonten, maar ook van die van anderen! Maar nu ik hier gekomen ben, laat mij nu ook iets doen. Ik vraag het met alle achting en eerbied. Ik gevoel beide voor u in de hoogste mate. Laat mij iets doen.”—“Wij zijn tevreden, mijnheer.”—“Neen, neen, niet geheel en al,” hernam hij. “Niet geheel en al, denk ik. Er zijn nog wel eenige kleine gemakken en genoegens die uw leven konden veraangenamen, en het zijne. En het zijne,” herhaalde hij, zich verbeeldende dat hij eenigen indruk op haar gemaakt had. “Ik ben gewoon geweest te denken dat er niets voor hem behoefde gedaan te worden, dat alles was gelijk het wezen moest, kortom, om er geheel niet over te denken. Ik ben nu veranderd. Laat mij iets voor hem doen. Gij ook,” zeide hij met kiesche schroomvalligheid, “moet om zijnentwil voor uwe gezondheid zorgen, en ik vrees dat die begint te verzwakken.”—“Wie gij ook wezen moogt, mijnheer,” antwoordde Harriët, hare oogen naar hem opslaande, “ik ben u innig dankbaar. Ik ben overtuigd, dat gij met al wat gij zegt geen ander oogmerk hebt dan welwillendheid voor ons. Maar jaren zijn verloopen sedert wij dit leven begonnen; en mijn broeder iets te ontnemen van datgene wat hem mij zoo dierbaar heeft gemaakt en zijn vast besluit tot verbetering heeft bewezen—het minste van de verdienste zijner stille, vergetene boete—zou zijn den troost te verminderen die het voor ons wezen zal, wanneer voor ons beiden de tijd komt, waarvan gij gesproken hebt. Ik dank u beter met deze tranen dan met woorden. Geloof dat, bid ik u.”
Hij was ontroerd, en bracht de hand, die zij hem toereikte, aan zijne lippen, omtrent gelijk een vader de hand van eene goede dochter zou kussen, maar met eerbied.
“Als ooit de dag mocht komen,” zeide Harriët “dat hij, maar gedeeltelijk, hersteld wordt in de positie die hij verloren heeft...”—“Hersteld!” riep de vreemdeling snel uit. “Hoe kan men dat hopen? Wie heeft de macht tot zulk eene herstelling in handen? Ik vergis mij zeker niet als ik denk dat de onwaardeerbare zegening die hij hier heeft medegenomen, eene voorname reden is van de haatdragendheid, die zijn broeder hem toont.”—“Gij spreekt daar van iets dat door ons nooit wordt aangeroerd; zelfs tusschen ons niet,” zeide Harriët.—“Ik verzoek u verschooning,” zeide hij. “Dat had ik moeten weten. Vergeef mij dat ik het onbedacht gedaan heb. En nu, daar ik niet meer durf dringen—en daar ik niet zeker ben of mij dat wel vrijstaat—schoon de Hemel weet, ook dat twijfelen kan wel eene gewoonte zijn,” zeide hij, even verdrietig als te voren zijn hoofd wrijvende, “laat ik, schoon een vreemdeling, en toch geen vreemdeling, u om twee gunsten mogen vragen.”—“Wat zijn die?” vroeg zij.—“De eerste, dat gij, als gij reden mocht zien om van besluit te veranderen, mij zult toelaten om zoo goed als uwe rechterhand te zijn. Mijn naam zal dan tot uw dienst wezen; hij is nu nutteloos en altijd onbeduidend.”—“Onze keus van vrienden,” antwoordde zij met een flauw glimlachje, “is zoo groot niet, dat ik tijd voor beraad noodig heb. Dit kan ik wel beloven.”—“De tweede, dat gij mij wilt vergunnen om somtijds, zeg elken maandagochtend om negen uur—wederom gewoonte—ik moet altijd de regelmatigheid van een koopman hebben,” zeide hij, met eene luimige neiging om dit zich zelven kwalijk te nemen, “u, als ik voorbijwandel, aan de deur of voor het venster te zien. Ik vraag niet om binnen te komen, daar uw broeder op dat uur uit zal zijn. Ik vraag niet om u te spreken. Ik vraag alleen om u te zien, tot mijne eigene geruststelling dat gij wel vaart, en om u, zonder indringendheid, door mijn gezicht te herinneren dat gij een vriend hebt—een bejaard vriend, die al grijze haren heeft en spoedig geheel grijs zal worden—over wien gij altijd kunt beschikken.”
Het hartelijk gezichtje zag naar het zijne op, vertrouwde en beloofde.
“Ik begrijp, gelijk te voren,” zeide de vreemdeling, opstaande, “dat gij niet voornemens zijt om mijn bezoek aan John Carker mede te deelen, opdat mijne bekendheid met zijne geschiedenis hem geene onaangenaamheid zou veroorzaken. Ik ben blijde daarom, want het is buiten den gewonen regel—al weder gewoonte!” zeide hij zich zelven ongeduldig in de rede vallende; “alsof men niet beter kon doen dan den gewonen regel volgen!”
Daarmede keerde hij zich om, ging blootshoofds tot buiten de voordeur, en nam afscheid van haar met zulk eene gelukkige mengeling van ongedwongen eerbied en ongeveinsde belangstelling, als geene kunstmatige beschaving had kunnen leeren, geen ander dan een rein en oprecht hart had kunnen uitdrukken, en die dan ook door geen oprecht hart kon gewantrouwd worden.
Vele half vergetene aandoeningen werden door dit bezoek in het gemoed der zuster opgewekt. Het was zoolang geleden dat er een ander bezoek over hun drempel was gekomen; het was zoolang geleden dat eene stem van sympathie hare ooren eene weemoedige muziek had laten hooren; dat de gedaante des vreemdelings nog uren lang voor haar bleef, terwijl zij met haar naaiwerk voor het venster zat, en zijne woorden nogmaals en nogmaals opnieuw schenen gesproken te worden. Hij had de springveder aangeraakt, die geheel haar leven opende, en als zij hem eene korte poos vergat, was het alleen onder de vele vormen der ééne groote herinnering waaruit dat leven bestond.
Beurtelings peinzende en werkende; zich nu dwingende om een langen tijd achtereen stipt aan het naaien te blijven, dan haar werk op haar schoot latende zinken, terwijl hare gedachten dwaalden waarheen zij wilden, bevond Harriët Carker dat de uren onopgemerkt voorbijvlogen. Later op den dag werd de lucht, die helder geweest was, betrokken; er stak een scherpe wind op, het begon te regenen, en een donkere mist verborg de afgelegene stad voor het gezicht.
Dikwijls zag zij op zulk een tijd met medelijden naar de arme vermoeide voetreizigers, die langs den grooten weg dichtbij naar Londen trokken, en vreesachtig naar de reusachtige stad, die voor hen lag, uitkeken, als met een voorgevoel dat hunne ellende daar slechts gelijk een droppel water in de zee, of gelijk eene zandkorrel op het zeestrand zou zijn, en dan huiverend voortstapten, voor het gure weder in elkander duikende, terwijl het scheen alsof zelfs de elementen hun vijandig waren. Dag aan dag kropen er zulke reizigers voorbij, maar altijd, naar zij dacht, in ééne richting—altijd naar de stad. Verzwolgen in hare onmetelijkheid, waarheen zij door de toovermacht der wanhoop schenen te worden voortgestuwd, kwamen zij nooit terug. Voedsel voor de hospitalen, de kerkhoven, de gevangenissen, de rivier, voor koorts, razernij, ondeugd en dood—werden zij aangetrokken door het monster, dat in de verte brulde, en waren verloren.
De gure wind huilde, de regen kletterde, de lucht was donker betrokken, toen Harriët, hare oogen van haar werk opslaande, waarop zij weder langen tijd standvastig had zitten turen, een dezer reizigers zag aankomen.
Eene vrouw. Eene eenzame vrouw van ongeveer dertig jaren, rijzig, welgevormd, met fraaie trekken, ellendig gekleed. De grond van velerlei landwegen bij afwisselend weder—stof, kalk, klei en zand—kleefde aan haar druipenden mantel. Geen hoed op het hoofd; niets om hare welige zwarte haren voor den regen te beschermen, dan een gescheurden zakdoek, met welks fladderende slippen en met hare eigene haren de wind haar zoodanig verblindde, dat zij dikwijls moest stilstaan om ze weg te strijken en uit te zien welken weg zij ging.
Zij deed dit juist weder, toen Harriët haar opmerkte. Toen hare handen, op haar door de zon gebruind voorhoofd samengevoegd, over haar gezicht streken, en de belemmeringen, die het half bedekten, wegveegden, vertoonde het eene roekeloos trotsche, achtelooze schoonheid; eene onverschrokkene, woeste onverschilligheid voor meer dan het weder; eene minachting voor alles wat hemel of aarde op haar hoofd mocht werpen; en dit, met hare ellende en eenzaamheid, trof het vrouwelijk hart van Harriët. Zij dacht aan alles wat in haar binnenste, evenzeer als in haar uiterlijk, bedorven en verbasterd moest wezen; aan de zachte sieraden van het gemoed, verhard en verstaald gelijk die lichamelijke bekoorlijkheden; aan de vele gaven van den Schepper, in den wind geslingerd gelijk dat woeste haar; aan de geheele schoone ruïne, die door den storm geteisterd werd en waarover de nacht nederdaalde.
Hieraan denkende, keerde zij zich niet met kiesche verontwaardiging af—gelijk menigeen van hare teedere, gevoelvolle sekse maar al te dikwijls doet—maar kreeg medelijden met haar.
Hare gevallene zuster kwam nader. Zij keek ver voor zich uit, alsof zij met hare oogen door den nevel poogde te dringen, die de stad bedekte, en wierp nu en dan een blik links en rechts met het twijfelachtige, verbijsterde gezicht eener vreemde. Hoewel haar tred nog fier was, was zij toch vermoeid, en na een oogenblik van besluiteloosheid, zette zij zich op een hoop steenen neer, zonder eene schuilplaats voor den regen te zoeken.
Zij was nu vlak tegenover het huis. Haar hoofd opheffende, nadat zij het eene korte poos in hare handen had laten rusten, ontmoetten hare oogen die van Harriët.
In een oogenblik was Harriët aan de deur. Op haar wenken stond de andere op en kwam naar haar toe, maar met geen gezicht alsof zij haar voor zich wilde innemen.
“Waarom gaat gij in den regen zitten rusten?” zeide Harriët vriendelijk.—“Omdat ik geene andere plaats heb,” was het antwoord.—“Maar er zijn hier toch plaatsen genoeg om te schuilen. Dit,” de schuilplaats onder het afdakje bedoelende, “is beter dan waar gij waart gaan zitten. Gij moogt hier vrij zitten uitrusten.”
De zwervelinge zag haar aan, met twijfel en verwondering, maar zonder eenige dankbaarheid te laten blijken, zette zich neer, trok een van hare versletene schoenen uit, om er het zand en steengruis uit te slaan dat er in was, en liet zoo zien dat haar voet gekwetst was en bloedde.
Harriët kon dit niet zien zonder eene uitroeping van medelijden. De zwervelinge zag met een verachtelijken en ongeloovigen glimlach naar haar op.
“Wel, wat is een kapotte voet voor iemand als ik?” zeide zij. “En wat is een kapotte voet van iemand als ik, voor iemand als gij?”—“Kom binnen om hem af te wasschen,” zeide Harriët zachtzinnig, “en laat ik u iets geven om hem te verbinden.”
De vrouw vatte haar arm, en dien voor hare eigene oogen houdende, om ze te verbergen, barstte zij in tranen uit. Zij schreide niet gelijk eene vrouw, maar gelijk een hardvochtig man, die zich door zulk eene zwakheid laat verrassen; met een geweldig zwoegen van hare borst en een worstelen om zich te bedwingen, waaruit bleek hoe ongewoon zulk eene aandoening bij haar was.
Zij liet zich in huis brengen, en blijkbaar meer uit dankbaarheid dan omdat zij iets om zich zelve gaf, wiesch en verbond zij de gewonde plek. Daarop zette Harriët haar het overschot van haar eigen karig middagmaal voor, en toen de vrouw daarvan gegeten had (maar spaarzaam), verzocht zij haar om, eer zij haar weg voortzette (hetgeen zij terstond wilde doen) hare kleeren voor het vuur te drogen. Wederom meer uit dankbaarheid dan omdat zij zich eenigszins om zich zelve bekommerde, zette zij zich voor den haard, en den doek om haar hoofd losmakende, liet zij hare dikke natte haren tot beneden haar middel afvallen, droogde ze met hare handpalmen af, en zat in de vlam te staren.
“Gij zult zeker wel denken,” zeide zij, eensklaps haar hoofd opheffende, “dat ik eens mooi moet zijn geweest. Dat geloof ik ook—ik weet het. Zie hier!”
Zij hield hare haren ruw met beide handen omhoog, ze aanvattende alsof zij ze wilde uitrukken, en smeet ze weder naar achteren alsof het een hoop kronkelende slangen was.
“Zijt gij hier vreemd?” zeide Harriët.—“Vreemd!” antwoordde zij, tusschen ieder kort gezegde ophoudende, en naar het vuur kijkende. “Ja. Tien of twaalf jaren lang vreemd. Ik heb geen almanak gehad waar ik geweest ben. Tien of twaalf jaren. Ik ken deze streek niet meer. Zij is veel veranderd sedert ik heenging.”—“Zijt ge ver geweest?”—“Heel ver. Maanden aan maanden over zee, en toen nog heel ver. Ik ben geweest waar gecondemneerden heengaan,” voegde zij er bij, hare gastvrouw strak aanziende. “Ik ben er zelf een geweest.”—“De hemel helpe u en vergeve u!” was het zachte antwoord.—“Ja! de hemel mag mij wel helpen en vergeven!” antwoordde zij, met haar hoofd naar het vuur knikkende. “Als de menschen sommigen van ons wat meer wilden helpen, zou God ons allen misschien des te eerder vergeven.”
Zij liet zich echter verzachten door het hartelijke gezichtje, dat haar zoo vriendelijk en vrij van alle veroordeeling aanzag, en zeide met minder hardvochtigheid:
“Wij zullen misschien haast even oud zijn, gij en ik. Of als ik ouder ben is het niet meer dan een jaar of twee. O, denk daar eens aan!”
Zij sloeg hare armen open als moest hare uitwendige gedaante toonen hoe ellendig diep verzonken zij ook in het zedelijke was, liet ze toen weder neervallen en te gelijk haar hoofd op de borst zinken.
“Er is niets dat men niet mag hopen te herstellen; het is nooit te laat om zich te verbeteren,” zeide Harriët. “Gij zijt boetvaardig...”—“Neen,” antwoordde zij. “Dat ben ik niet. Dat kan ik niet zijn. Dat ben ik geheel niet. Waarom zou ik boetvaardig wezen, en alle anderen vrijloopen. Zij praten mij van boetvaardigheid en berouw. Wie heeft er berouw over het kwaad dat mij gedaan is!”
Zij stond op, bond den doek om haar hoofd en wilde gaan.
“Waar gaat gij naar toe?” zeide Harriët.—“Daar naar toe,” antwoordde zij, met hare hand wijzende. “Naar Londen.”—“Hebt gij daar een thuis, waar gij naar toe kunt gaan?”—“Ik geloof dat ik eene moeder heb. Zij is evenveel eene moeder als hare woning een thuis is,” antwoordde zij met een bitteren lach.—“Neem dit nog,” zeide Harriët, haar eenig geld in de hand stoppende. “Doe uw best. Het is heel weinig, maar een dag lang kan het u toch wel voor kwaad bewaren.”—“Zijt gij getrouwd?” zeide de vrouw flauw, terwijl zij het geld aannam.—“Neen. Ik woon hier met mijn broeder. Wij hebben niet veel te missen, of ik zou u meer geven.”—“Wilt gij mij u een kus laten geven?”
Geene verachting of tegenzin op haar gezichtje lezende, boog het voorwerp harer liefdadigheid zich over haar heen en drukte hare lippen op hare wang. Nogmaals vatte zij haar arm en bedekte hare oogen daarmede, en toen was zij verdwenen.
Verdwenen in de toenemende duisternis, in den loeienden wind en den kletterenden regen; verder op haar weg naar de in nevel gehulde stad, waar de schemerende lichten schenen; met hare zwarte haren en slordig hoofddeksel, dat om haar roekeloos stoutmoedig gezicht fladderde.
XXXIV. NOG EENE MOEDER EN DOCHTER
In eene leelijke donkere kamer zat eene oude vrouw, even leelijk en donker, over een karig vuurtje gedoken, naar den wind en den regen te luisteren. Zij veranderde niet van houding, behalve als er een verdwaalde regendroppel sissend op de smeulende kolen viel en haar het hoofd deed oplichten, om met meer oplettendheid naar het gieren en kletteren daar buiten te luisteren. Maar langzamerhand liet zij het weder zakken en zonk zelve in een droomerig gepeins, waarbij het gerucht van het weder even onduidelijk werd als het eentonige rollen der zee wordt, wanneer men op het strand zit te mijmeren.
Er was geen licht in de kamer behalve van het vuur. Nu en dan opflikkerende, gelijk de oogen van een half ingeslapen wild dier, vertoonde het geene voorwerpen, die naar duidelijker verlichting behoefden te verlangen. Een hoop vodden, een hoop beenderen, een ellendig bed, twee of drie verminkte stoelen, de zwarte wanden en nog zwarter zoldering—dit was alles wat de flikkerende gloed bescheen. Terwijl de oude vrouw, met eene mismaakte reusachtige afbeelding van zich zelve half op den muur achter en half tegen de zoldering boven haar, daar gedoken zat over de weinige losse klinkers, waarbinnen het vuur op de vochtige plaat onder den schoorsteen lag te smeulen—want er was geen haard—zag zij er uit alsof zij bij een heksenaltaar naar een gunstig teeken wachtte, en indien de beweging harer mommelende onderkaak niet te snel was geweest voor de trage flikkering van het vuur, zou men die voor eene begoocheling hebben gehouden, door het schijnsel veroorzaakt op een gezicht even roerloos als het geheele lichaam.
Indien Florence daar had kunnen komen en het origineel zien van de schaduw, die op den muur en de zoldering viel, zou een enkele blik genoeg zijn geweest om haar de Goede Vrouw Brown voor den geest te roepen; hoewel hare kinderlijke herinnering van dat schrikkelijke oude wijf misschien eene even grotesk overdreven afbeelding der waarheid was als de schaduw op den muur. Doch Florence kwam daar niet, en de Goede Vrouw bleef onherkend naar het vuur zitten staren.
Opgewekt door een harder sissen en spatten dan gewoonlijk, daar de regen nu met een straal door den schoorsteen kwam, hief de oude vrouw ongeduldig haar hoofd op, om opnieuw te luisteren. Ditmaal liet zij het niet weder zinken, want er was eene hand aan de deur en een voetstap in de kamer.
“Wie is daar?” zeide zij, over haar schouder omkijkende.—“Iemand die u nieuws brengt,” was het antwoord eener vrouwenstem.—“Nieuws? Waar vandaan?”—“Van buitenslands.”—“Van over zee?” riep de oude vrouw, driftig opstaande.—“Ja, van over zee.”
De oude vrouw rakelde haastig het vuur bij elkander, ging dicht naar de vreemdelinge, die binnengekomen was en nu midden in de kamer stond, vatte den druipenden mantel aan, en keerde de gedaante, die geen tegenstand bood, zoodanig om, dat zij in het volle licht van het vuur kwam. Zij vond niet wat zij verwacht had, wat dit ook wezen mocht, want zij liet met een wreveligen kreet van teleurstelling den mantel weder los.
“Wat scheelt er aan?” zeide de vreemde.
De oude vrouw antwoordde slechts met een akelig jammergehuil.
“Wat scheelt er aan?” vroeg de vreemde nog eens.—“Het is mijn kind niet!” riep de oude vrouw, met hare armen zwaaiende en hare handen boven haar hoofd samenslaande. “Waar is mijne Alice? Waar is mijne mooie dochter? Zij hebben haar toch dood gemaakt!”—“Zij hebben haar nog niet dood gemaakt, als gij ten minste Marwood heet,” zeide de vreemde.—“Hebt gij mijne dochter dan gezien?” riep de oude vrouw. “Heeft zij mij geschreven?”—“Zij zeide dat ge toch niet lezen kondt,” was het antwoord.—“Dat kan ik ook niet,” riep de oude vrouw, hare handen wringende.—“Hebt ge geen licht hier?” zeide de andere, in de kamer rondkijkende.
Haar hoofd schuddende en over hare mooie dochter mompelende, kreeg de oude vrouw eene kaars uit eene kast in den hoek, duwde die met eene bevende hand in het vuur en stak ze met eenige moeite aan. De in het vet smorende pit brandde eerst duister, en toen de flauwe oogen der oude vrouw iets bij dit licht begonnen te onderscheiden, was de vreemde met over elkander geslagen armen gaan zitten, en lag de zakdoek, dien zij om het hoofd had gehad, naast haar op de tafel.
“Zij heeft mij dan eene boodschap gestuurd, mijne dochter Alice?” mompelde de oude vrouw na eene poos wachtens. “Wat heeft zij gezegd?”—“Zie,” was het antwoord.
De oude vrouw herhaalde dit woord op een toon van twijfel; en de hand boven de oogen houdende keek zij naar de spreekster, en in de kamer rond, en wederom naar de spreekster.
“Alice heeft gezegd, zie nog eens, moeder!” En de spreekster zag haar strak aan.
Nogmaals keek de oude vrouw in de kamer rond, en naar de spreekster, en wederom de kamer rond. Haastig de kaars opnemende, kwam zij naar de spreekster toe, hield haar die voor het gezicht, gaf een schreeuw, zette het licht neer en viel haar om den hals.
“Het is mijn kind! Het is mijne Alice! Het is mijne mooie dochter, die levend terugkomt!” gilde de oude vrouw, de gestalte in hare armen wiegende, die koel hare omhelzing toeliet. “Het is mijn kind! Het is mijne Alice! Het is mijne mooie dochter, die levend terugkomt!” gilde zij alweder, viel op den grond voor haar neer, omklemde hare knieën, legde haar hoofd daarop, wiegde zich zoo heen en weder, met alle blijken van uitgelatenheid waartoe zij in staat was.—“Ja, moeder,” antwoordde Alice, even bukkende om haar een kus te geven, maar te gelijk eene poging doende om zich los te maken. “Hier ben ik eindelijk. Laat los, moeder, laat los. Sta op en ga op uw stoel zitten. Waartoe dient het dat gij dat doet?”—“Zij is nog verharder teruggekomen dan zij is heengegaan!” riep de moeder, naar haar opziende en nog hare knieën vasthoudende. “Zij geeft niet om mij, na al die jaren, en na het ellendige leven dat ik gehad heb.”—“Wel, moeder,” zeide Alice, haar gescheurden rok schuddende, om zich van de oude vrouw los te maken. “Daar zijn twee kanten aan. Er zijn jaren voor mij verloopen, zoowel als voor u, en ik heb ellende gehad, zoowel als gij. Sta op, sta op!”
Hare moeder stond op, schreide, wrong hare handen en bleef haar op eenigen afstand aanstaren. Toen de kaars weer opnemende en om haar heengaande, bekeek zij haar van het hoofd tot de voeten, onder een aanhoudend dof gekerm. Daarop zette zij de kaars weder neer, liet zich op haar stoel zinken, sloeg hare handen samen, als ware het op de maat eener eentonige wijs, aanhoudend heen en weder wiegelende, en bij zich zelve stenende en jammerende.
Alice stond op en legde haar natten mantel af. Daarna zette zij zich weder neer, en bleef met over elkander geslagen armen, in het vuur starende oogen en een gezicht vol minachting, stil naar de onverstaanbare klachten harer moeder zitten luisteren.
“Hadt ge verwacht mij even jeugdig terug te zien als ik heenging, moeder?” zeide zij eindelijk, naar de oude vrouw omziende. “Hadt gij gedacht dat zulk een leven in vreemde landen als het mijne er goed voor was om mooi te blijven? Men zou dat haast gelooven, als men u hoort.”—“Dat is het niet!” antwoordde de moeder. “Dat weet zij ook wel!”—“Wat is het dan?” hervatte de dochter. “Het moest liefst iets wezen dat niet lang duurt, moeder, of ik zal nog gemakkelijker hier uit komen dan ik er in gekomen ben.”—“Hoor eens aan!” riep de moeder uit. “Na al die jaren dreigt zij mij weer te verlaten op het oogenblik dat zij pas terug is!”—“Ik zeg u, moeder, voor de tweede maal, er zijn jaren voor mij verloopen, zoowel als voor u,” zeide Alice. “Verharder teruggekomen? Natuurlijk ben ik verharder teruggekomen. Wat hadt gij anders verwacht?”—“Maar verharder voor mij, hare eigene lieve moeder!” riep de oude vrouw uit.—“Ik weet niet wie begonnen is met mij te verharden, als mijne eigene lieve moeder het niet gedaan heeft,” antwoordde zij, daar zittende, met hare over elkander geslagen armen, gefronste wenkbrauwen en dichtgeknepene lippen, alsof zij met geweld alle zachter gevoel uit hare borst wilde buiten sluiten. “Luister eens, moeder, naar een woord of twee. Als wij elkander nu verstaan, zullen wij misschien geene ruzie krijgen. Ik ben als een meisje heengegaan en ben als eene vrouw teruggekomen. Toen ik heenging was ik niet heel kinderlijk voor u, en nu ik terugkom ben ik niet beter, daar kunt gij op zweren. Maar zijt gij wel heel moederlijk voor mij geweest? Als gij van mijn plicht wilt spreken, hebt gij uw plicht aan mij gedaan?”—“Ik!” riep de oude vrouw uit. “Aan mijn eigen kind! Eene moeder plichten hebben aan hare eigene dochter!”—“Het klinkt vreemd, niet waar?” antwoordde de dochter, haar minachtend aanziende met haar koel, onverschillig, onbeschaamd en toch nog schoon gelaat; “maar in mijne eenzame jaren heb ik er zoo dikwijls over gedacht dat ik er aan gewoon ben geworden. Ik heb wel van plicht hooren praten, maar het was altijd van mijn plicht aan anderen. Ik heb mij nu en dan verwonderd—om den tijd om te brengen—of iemand ooit een plicht aan mij schuldig was.”
Hare moeder zat te mommelen en haar hoofd te schudden; of het gramstorig, of berouwvol, of tot ontkenning, of alleen uit lichamelijke zwakheid was, bleek niet.
“Er was eens een kind dat Alice Marwood heette,” zeide de dochter, met een lach vol akeligen spot op zich zelve neerziende, “in armoede en verwaarloozing geboren en opgevoed. Niemand leerde haar iets, niemand schoot toe om haar te helpen, niemand zorgde voor haar.”—“Niemand!” herhaalde de moeder, naar zich zelve wijzende en op hare borst slaande.—“De eenige zorg die zij kende,” antwoordde de dochter, “was dat zij geslagen en gescholden en altijd kortgehouden werd; en die zorg had zij wel kunnen missen. Zij leefde in huizen gelijk dit, en op straat, met een troep kleine ellendelingen gelijk zij, en toch bracht zij uit die kindsheid een mooi gezichtje mede. Zooveel te erger voor haar. Het was beter voor haar, dat zij om hare leelijkheid was doodgeplaagd.”—“Ga maar voort! Ga maar voort!” riep de moeder.—“Ik ga voort,” antwoordde de dochter. “Er was eens een meisje dat Alice Marwood heette. Zij was mooi. Zij werd te laat onderwezen, en wat men haar leerde was kwaad. Zij werd al te goed verzorgd, al te goed afgericht, al te goed voortgeholpen, al te veel nagekeken. Gij hieldt veel van haar—gij waart er toen beter aan toe. Wat dat meisje overkwam, overkomt duizenden ieder jaar. Zij werd maar in haar verderf gestort, en daarvoor was zij geboren.”—“Na al die jaren,” kermde de oude vrouw, “begint mijn kind daarmee.”—“Zij zal gauw gedaan hebben,” zeide de dochter. “Er was eene misdadigster die Alice Marwood heette—een meisje nog, maar verlaten en verschopt. En zij werd terechtgesteld en gevonnist. En Heere, hoe babbelden de heeren in het hof er over! En hoe deftig sprak de rechter over haar plicht en dat zij de gaven der natuur misbruikt had—alsof hij niet wist, beter dan iemand anders daar, dat zij haar tot een vloek waren gemaakt! En hoe preekte hij over den sterken arm der wet—zoo bijzonder sterk om haar te redden, toen zij een onschuldig en hulpeloos ellendelingetje was!—en hoe plechtig en stichtelijk was dat alles! Ik heb daarover gedacht, dikwijls naderhand—dat heb ik!”
Zij sloeg hare armen stijf over hare borst, en lachte op een toon die het gehuil der oude vrouw welluidend deed worden.
“Zoo werd Alice Marwood gebannen, moeder,” vervolgde zij, “en weggezonden om haar plicht te leeren, waar twintigmaal minder plicht, en meer goddeloosheid, onrecht en schandelijkheid was dan hier. En Alice Marwood is als eene vrouw teruggekomen. Zulk eene vrouw als zij na dat alles wezen moest. Door den tijd zullen wij denkelijk nog meer plechtigheid, en nog meer mooi praten, en nog meer van den sterken arm hebben, en dan zal er een eind met haar gemaakt worden; maar de heeren behoeven toch niet bang te zijn dat zij geen werk meer zullen hebben. Er zijn nog troepen kleine ellendelingen, jongens en meisjes, die in elke straat waar zij wonen opgroeien, en hen aan het werk zullen houden tot zij hun fortuin gemaakt hebben.”
De oude vrouw leunde met hare ellebogen op de tafel, verborg haar gezicht in hare handen en hield zich zeer bedroefd of was het misschien werkelijk.
“Daar, nu heb ik gedaan, moeder,” zeide de dochter, met eene beweging van haar hoofd, alsof zij de zaak van zich afzette. “Ik heb genoeg gezegd. Laten wij, wat wij doen, elkander niet van zorg of plicht spreken. Uwe kindsheid was aan de mijne gelijk, zou ik denken. Zooveel te erger voor ons beiden. Ik wil u geene verwijten doen, of mij zelve verdedigen; waarom zou ik? Dat is alles lang voorbij. Maar ik ben nu eene vrouw—geen meisje meer—en gij en ik behoeven geene praatjes over onze geschiedenis te maken, zooals de heeren in het Hof. Wij weten er alles van, goed genoeg.”
Hoe verlaagd en verbasterd zij ook was, bezat zij toch nog eene schoonheid van gelaat en gestalte, die zelfs, wanneer hare woestheid haar ontsierde, niet missen kon, door ieder die haar met eenige oplettendheid aanzag, erkend te worden. Toen zij stilzweeg, en haar gezicht, dat door hare drift ontsteld was geweest, weder effen werd, terwijl het wilde vuur harer donkere oogen door iets dat naar weemoedigheid geleek werd verzacht, blonk door al de ellende harer armoede heen een straal die den glans van den gevallen engel kenteekende.
Nadat hare moeder haar eene poos zonder spreken had gadegeslagen, waagde zij het hare dorre hand over de tafel heen wat dichter naar haar toe te schuiven, en toen zij zag dat zij dat toeliet, haar gezicht aan te raken en hare haren glad te strijken. Gevoelende, naar het scheen, dat dit bewijs van belangstelling bij de oude vrouw oprecht was, maakte Alice geene beweging om haar te verhinderen. Aldus langzamerhand verder gaande, bond de moeder hare dochter opnieuw het haar op, trok hare natte schoenen uit, welke nauwelijks dien naam verdienden, hing haar iets droogs over de schouders, en bleef toen nederig om haar heen dwalen, bij zich zelve mompelende, terwijl zij de oude trekken en uitdrukking meer en meer herkende.
“Gij zijt heel arm, zie ik, moeder,” zeide Alice, nadat zij eene poos zoo gezeten had, om zich heen ziende.—“Bitter arm, lieve,” antwoordde de oude vrouw.
Zij bewonderde hare dochter en was bang voor haar. Misschien was hare bewondering reeds lang geleden ontstaan, toen zij voor het eerst iets schoons in het vuile, verwaarloosde meisje begon te zien; en misschien was hare bangheid eenigermate toe te schrijven aan de optelling van herinneringen, die zij zoo pas gehoord had. Hoe dit zijn mocht, zij bleef met jammerlijke onderdanigheid voor haar kind staan, en boog haar hoofd als wilde zij bidden om haar van verdere verwijten te verschoonen.
“Hoe hebt gij geleefd?”—“Van het bedelen, mijn liefje.”—“En van het kapen, moeder?”—“Somtijds, Ally—kleinigheden maar. Ik ben oud en vreesachtig. Ik heb nu en dan wel een kind eene beuzeling afgenomen, maar niet dikwijls. Ik heb het geheele land doorgedwaald, mijn liefje, en ik weet wat ik weet. Ik heb gespionneerd.”—“Gespionneerd?” herhaalde hare dochter, haar aanziende.—“Ik heb eene familie in het oog gehouden, liefje,” zeide de moeder nog nederiger dan te voren.—“Welke familie?”—“Stil kindlief. Maak u niet boos op mij. Ik heb het voor u gedaan. Omdat ik zooveel hield van mijne arme dochter over zee, en altijd aan haar dacht.” Zij stak, dit zeggende, hare hand uit, als wilde zij biddend iets afweren, en legde ze daarna op hare lippen.—“Jaren geleden, mijn liefje,” vervolgde zij, vreesachtig naar het oplettende, stuursche gezicht tegenover haar ziende, “kwam mij toevallig een klein kind van hem in den weg.”—“Van wien?”—“Niet van hem, Alice-lief. Zie mij zoo niet aan! Niet van hem. Hoe zou het van hem kunnen wezen! Gij weet wel dat hij geen kinderen heeft.”—“Van wien dan?” hernam de dochter. “Gij zegt van hem.”—“Zachtjes toch, Ally. Gij maakt mij bang, liefje. Van mijnheer Dombey—van mijnheer Dombey maar. Na dien tijd heb ik ze dikwijls gezien. En hem heb ik ook gezien.”
Bij dit laatste gezegde deinsde de oude vrouw bevend achteruit, alsof zij vreesde dat hare dochter haar een slag zou geven. Maar hoewel Alice haar strak aanzag, met een gezicht vol hartstochtelijke gramschap, bleef zij nog roerloos, behalve dat zij hare armen nog vaster over hare borst knelde, als wilde zij hen daardoor beletten om, in de blinde woede die haar eensklaps vervulde, zich zelve of iemand anders leed te doen.
“Weinig dacht hij wie ik was!” zeide de oude vrouw en schudde hare vuist.—“En weinig kon het hem schelen,” prevelde hare dochter tusschen hare tanden.—“Maar daar stonden wij,” zeide de oude vrouw, “vlak voor elkander. Ik sprak tegen hem, en hij sprak tegen mij. Ik zat hem na te kijken terwijl hij eene lange laan afging en bij elken stap vervloekte ik hem met ziel en lichaam.”—“En toch zal het hem goed gaan,” antwoordde de dochter met minachting.—“Ja, het gaat hem goed,” zeide de moeder.
Zij zweeg; want het gezicht tegenover haar was geheel mismaakt van woede. De geheele gedaante schokte, de borst scheen te zullen barsten van de aandoeningen die daarin worstelden. De inspanning die ze in bedwang en opgesloten hield was niet minder geducht dan de woede zelve, en bewees het heftige en gevaarlijke karakter der vrouw die daartoe in staat was. Na eene poos van stilte was zij bedaard, en vroeg: “Is hij getrouwd?”—“Neen, liefje.”—“Gaat hij trouwen?”—“Niet dat ik weet, liefje. Maar zijn meester en vriend is getrouwd. O, wij mogen hem wel feliciteeren!” riep de oude vrouw, zich in hare opgetogenheid met over elkander geslagene armen schurkende. “Wij zullen nog pleizier van dat huwelijk hebben. Onthoud wat ik zeg!”
Hare dochter zag haar aan alsof zij opheldering verlangde.
“Maar gij zijt nat en moe, en hebt honger en dorst,” zeide de oude vrouw, naar de kast strompelende. “En er is weinig hier, en weinig,” daarmede tastte zij in haar zak en wierp eenige stukken kopergeld op de tafel, “weinig hier. Hebt gij geld, liefje?”
Het scherpe, begeerige gezicht waarmede zij deze vraag deed en toekeek terwijl hare dochter de kleine gift, die zij pas ontvangen had, uit hare borst haalde, zeide omtrent evenveel van deze moeder en dochter als de dochter zelve met woorden had gezegd.
“Is dat alles?” zeide de moeder.—“Ik heb niet meer. Ik zou dit niet eens hebben, als het mij niet uit liefdadigheid gegeven was.”—“Ei, uit liefdadigheid, liefje?” zeide de oude vrouw, zich gretig over de tafel heenbuigende om naar het geld te zien. Zij scheen het te wantrouwen dat hare dochter het nog in de hand hield en er naar bleef turen. “Hm! Zes en zes is twaalf en zes is achttien—zoo—daar moeten wij het maar mee doen. Ik zal wat gaan koopen om te eten en te drinken.”
Met grooter vlugheid dan men van iemand van haar voorkomen had kunnen verwachten—want ouderdom en gebreken schenen haar even zwak als leelijk te hebben gemaakt—zette zij met hare bevende handen een ouden hoed op en sloeg een gescheurden doek om, nog even begeerig naar het geld in de hand harer dochter kijkende.
“Welk pleizier zullen wij van dat huwelijk hebben, moeder?” vroeg Alice. “Dat hebt ge mij nog niet gezegd.”—“Het pleizier, mijn liefje,” antwoordde zij, haar hoed vaststrikkende, “dat er geen liefde van zal komen, maar veel haat. Het pleizier van twist en tweedracht tusschen hen, en van opspraak, zoo trotsch als zij zijn—en van gevaar—gevaar, Alice!”—“Welk gevaar?”—“Ik heb gezien wat ik gezien heb, en ik weet wat ik weet,” grinnikte de moeder. “Laat iemand maar oppassen. Mijne dochter kan nog goed gezelschap krijgen.”
Toen ziende, dat hare dochter, in hare verwondering over deze gezegden, onwillekeurig de hand met het geld had gesloten, werd de oude vrouw des te gretiger daarnaar en vervolgde haastig: “Maar ik zal wat gaan koopen; ik zal wat gaan koopen.”
Toen zij met uitgestokene hand voor hare dochter stond, zag deze nog eens naar het geld, en bracht het aan hare lippen eer zij het overgaf.
“Wat, Ally! Zoent gij het?” giggelde de oude vrouw. “Dat is evenals ik. Dat doe ik dikwijls. O, het is zoo goed voor ons!” daarmede drukte zij hare eigene smerige koperstukken tegen hare dorre borst, “zoo goed in alles, behalve dat het niet bij hoopen komt!”—“Ik kus het nu, moeder,” zeide de dochter,—“ik weet niet dat ik het ooit meer gedaan heb—om haar die het mij gegeven heeft.”—“Zoo, zoo!” hernam de oude vrouw, wier flauwe oogen flikkerden toen zij het aannam. “Als het om die geefster maar wat verder strekte! Ik zal het nu maar gaan uitgeven. Ik kom dadelijk terug.”—“Gij schijnt veel te weten, moeder,” zeide de dochter, haar met hare oogen naar de deur volgende. “Ge zijt al heel wijs geworden sedert wij afscheid namen.”—“Weten!” krijschte de oude vrouw, een paar stappen terugkomende. “Ik weet meer dan gij denkt. Ik weet meer dan hij denkt, liefje, zooals ik u wel eens zal vertellen. Ik weet alles van hem.”
De dochter glimlachte ongeloovig.
“Ik weet van zijn broeder, Alice,” zeide de oude vrouw met een uitgerekten hals en eene boosaardige grijns; “die had kunnen wezen waar gij geweest zijt—hij had geld gestolen—en die met zijne zuster daar ginder woont, even buiten de stad, aan den weg naar het noorden.”—“Waar?”—“Even buiten de stad, aan den weg naar het noorden, liefje. Ik zal u het huis laten zien, als ge wilt. Het is niet veel bijzonders, al is het zijne zoo mooi. Neen, neen,” riep de oude vrouw, lachend haar hoofd schuddende, want hare dochter was driftig opgestaan, “nu niet, het is al te ver; het is bij den mijlpaal waar die hoopen steenen liggen;—morgen, liefje als het mooi weer is, en gij er lust in hebt. Maar ik ga nu...”—“Blijf!” en de dochter hield haar tegen, bevende van hartstochtelijke aandoening. “De zuster is eene huichelachtige duivelin, met bruin haar en een fijn gezichtje?”
De verbaasde en verschrikte oude vrouw deed niet anders dan knikken.
“Ik zie een zweem van hem in haar gezicht! Het is een rood huis, dat op zich zelf staat. Voor de deur is een groen afdakje.”
De oude vrouw knikte wederom.
“Daar heb ik vandaag gezeten! Geef mij het geld terug!”—“Alice! Liefje!”—“Geef mij het geld terug, of het zal u berouwen.”
Zij wrong het zoo sprekende de oude vrouw uit de hand, schoot, zonder naar klagen of smeeken te luisteren, hare afgelegen kleederen weder aan en vloog de deur uit.
De moeder volgde haar strompelend zoo goed zij kon, en riep en smeekte, zonder meer indruk op haar te maken dan op den wind, den regen en de duisternis, die beiden omgaven. Met woeste hardnekkigheid bij haar voornemen blijvende en voor alle andere dingen onverschillig, ontzag de dochter noch het weder noch den afstand, en stapte, alsof zij nooit vermoeienis had gekend, den weg op naar het huis waar zij bijstand had gevonden. Na een kwartier lang zoo te hebben doorgestapt was de oude vrouw geheel buiten adem en waagde het zich aan den rok harer dochter vast te houden; maar meer waagde zij niet, en zoo gingen zij door den regen en de duisternis verder. Indien de moeder nu en dan een klaagwoord uitte, smoorde zij het toch, uit vrees dat hare dochter zich zou losrukken en haar achterlaten; en de dochter was stom.
Het was omtrent een uur voor middernacht, toen zij de geregelde straten achter zich lieten, en de nog donkerder duisternis intraden van den onzijdigen grond waarop het huis stond. De stad lag in de verte, onder een dof rooden gloed; de gure wind loeide over de opene ruimte; alles in het rond was zwart, woest en eenzaam.
“Dit is eene goede plaats voor mij!” zeide de dochter stilstaande om achterom te zien. “Dat dacht ik al toen ik vandaag hier was.”—“Alice, mijn liefje,” riep de moeder, haar zacht bij haar rok trekkende. “Alice!”—“Wat nu, moeder?”—“Geef het geld niet terug, lieveling; och, doe dat niet. Wij kunnen het niet missen. Wij hebben nog eten noodig, liefje. Geld is geld, wie het ook geeft. Zeg wat gij wilt, maar houd het geld.”—“Ziedaar,” was al wat de dochter antwoordde. “Dat is het huis dat ik meen. Is het dat?”
De oude vrouw knikte, en met nog eenige stappen waren zij voor de deur. Men zag het schijnsel van licht en vuur in de kamer, waar Alice hare kleeren had zitten drogen; en toen zij aanklopte, kwam John Carker uit die kamer naar voren.
Hij was verwonderd op zulk een uur zulk bezoek te zien en vroeg wat men wilde.
“Ik moet uwe zuster hebben,” zeide Alice, “die mij vandaag geld heeft gegeven.”
Op het geluid harer schelle stem kwam Harriët naar de deur.
“Zoo, zijt ge daar!” zeide Alice. “Kent ge mij nog?”—“Ja wel,” antwoordde Harriët verwonderd.
Het gezicht, dat zich zoo voor haar vernederd had, zag haar nu vol haat en uitdagende gramschap aan, en de hand, die zoo zacht haar arm had aangeraakt, was zoo boosaardig dichtgeklemd, dat Harriët dicht bij haar broeder schoof, alsof zij bescherming zocht.
“Dat ik met u spreken kon, en u niet kennen! Dat ik zoo dicht bij u kon komen, en niet gevoelen wat voor bloed er door uwe aderen liep, aan het tintelen van het mijne!” zeide Alice met een dreigend gebaar.—“Wat meent gij? Wat heb ik gedaan?”—“Gedaan?” was het antwoord. “Gij hebt mij voor uw vuur gezet; gij hebt mij eten en geld gegeven; gij hebt mij uw medelijden bewezen. Gij, op wier naam ik spuw!”
De oude vrouw schudde, met eene kwaadaardigheid, die hare leelijkheid waarlijk ontzettend maakte, hare dorre vuist tegen broeder en zuster, als om de woorden harer dochter te bevestigen, maar trok deze niettemin bij haar rok en bad haar om het geld te houden.
“Als ik een traan op uwe hand heb laten vallen, mag die ze doen verdorren! Als ik een zacht woord tegen u gesproken heb, mag het u doof doen worden! Als ik u met mijne lippen heb aangeraakt, mag die aanraking vergif voor u zijn! Vloek over dit dak, dat mij schuilplaats gaf! Ongeluk en schande over uw hoofd! Verderf over al wat u toebehoort!”
Met deze woorden wierp zij het geld op den grond en zette er verachtelijk haar voet op.
“Ik trap het in het slijk; ik zou het niet willen aannemen, al kon ik er den hemel mee koopen! Ik wilde dat de bloedende voet waarmee ik vandaag hier gekomen ben, was afgerot eer hij mij naar uw huis bracht!”
Harriët, bleek en bevende, hield haar broeder terug en liet haar ongehinderd voortgaan.
“Het was wat fraais dat ik door u, of iemand van uw naam, beklaagd en vergeven moest worden, in het eerste uur dat ik terugkwam! Het was wat fraais dat gij de goede weldadige dame bij mij moest spelen! Ik zal u danken als ik sterf! Ik zal voor u bidden en voor geheel uw geslacht, daar kunt gij zeker van zijn!”
Met eene woeste beweging van hare hand, alsof zij haat over den grond sprenkelde en daarmede hen, die daar stonden, aan het verderf wijdde, zag zij eene enkele maal naar de zwarte lucht op en stapte toen heen in den onstuimigen nacht.
De moeder, die haar dikwijls vruchteloos bij haar rok had getrokken, en het geld, dat op den grond lag met zulke begeerige oogen aangezien alsof zij aan niets anders kon denken, had wel willen blijven rondloeren, tot het huis donker was, en dan in den modder grabbelen om het weder op te zoeken. Maar hare dochter trok haar mede, en zij gingen recht door weder naar hare woning. De oude vrouw jammerde onder weg over haar verlies, en bromde, zoo openlijk als zij durfde, over het liefdelooze gedrag van hare mooie dochter, die haar op den eersten avond harer hereeniging van haar avondeten beroofde.
Zij ging dus naar bed zonder avondeten dan eenige grove broodkorsten, die zij, lang nadat hare liefdelooze dochter lag te slapen, bij het overschot van haar vuur zat te mommelen.
Waren die rampzalige moeder en die rampzalige dochter slechts tot den laagsten trap vernederde voorbeelden van zekere ondeugden, die somtijds ook hoogerop heerschen? Doet men in deze ronde wereld, die kringen binnen kringen bevat, slechts eene vermoeiende reis van den hoogsten trap tot den laagsten, om eindelijk te bevinden dat beide dicht bij elkander liggen, dat de twee uitersten elkander aanraken, en dat het einde van onzen tocht maar ons punt van uitgang is? Was, afgezien van het groote verschil van stof en fijnheid, het patroon van dit weefsel ook in den beschaafden stand terug te vinden?
Zeg, Edith Dombey! En Cleopatra, beste der moeders, laten wij uwe getuigenis hebben!
XXXV. HET GELUKKIGE PAAR
De donkere plek in de straat is verdwenen. Indien het huis van Dombey nog eene gaping tusschen de andere huizen maakt, is het alleen omdat zij er in pracht niet mede kunnen wedijveren en het hen trotsch van zich afstoot. Thuis is thuis, zegt men, al is het huis nog zoo nederig. Indien het omgekeerde waar blijft, en thuis ook thuis is, al is het nog zoo statig, welk een altaar voor de huisgoden is hier dan opgericht!
Lichten schitteren dezen avond voor de vensters, en de roode gloed van het vuur schijnt helder en warm op de behangsels en zachte tapijten, en het diner wacht om te worden opgezet, en de tafel is keurig gedekt, hoewel maar voor vier personen, en het buffet is zwaar met zilver beladen. Het is de eerste maal sedert de jongste verandering dat het huis betrokken zal worden, en ieder oogenblik verwacht men het gelukkige paar.
De belangstelling en verwachting welke deze thuiskomstavond bij de dienstboden opwekt, behoeven alleen voor die op den ochtend der huwelijksplechtigheid achter te staan. Jufvrouw Perch zit in de keuken thee te drinken. Zij is het geheele huis door geweest, heeft de zijden en damasten stoffen bij de el gewaardeerd, en alle uitdrukkingen van verwondering en opgetogenheid uitgeput, die het woordenboek bevat. De meesterknecht van den behanger, die zijn hoed, met een zakdoek daarin, (welke beide een vernisreuk hebben), onder een stoel in het voorhuis heeft gelaten, dwaalt nog door het huis rond, kijkt omhoog naar de kroonlijsten en omlaag naar de tapijten, en haalt nu en dan in stille verrukking een duimstok uit zijn zak, en neemt, met onuitsprekelijk gevoel, in de lucht schermend, de maat van de kostbaarste voorwerpen. De keukenmeid is bijzonder vroolijk en zegt, geef haar maar een dienst waar veel partijen plaats hebben (gelijk zij nu wel wil wedden dat gebeuren zal), want zij is altijd levendig van aard geweest, van een kind af, en het kan haar niet schelen wie het weet; welk gezegde door jufvrouw Perch met een gemurmel van goedkeuring en overeenstemming wordt aangehoord. Al wat de werkmeid hoopt is, dat zij gelukkig zullen zijn—maar het huwelijk is eene loterij, en hoe meer zij er over denkt, des te meer gevoelt zij hoe onafhankelijk en veilig het ongetrouwde leven is. Towlinson is knorrig en bits, en zegt dat hij ook van die meening is, en geef hem dan maar oorlog, en dood aan de Franschen—want deze jonkman verkeerde in den waan, dat ieder buitenlander een Franschman was en volgens de wetten der natuur moest wezen.
Bij ieder nieuw gerucht van wielen zwijgen allen—wat men ook op het oogenblik mag zeggen—en luisteren; en meer dan eens heeft er een algemeen opspringen plaats met den kreet: “Daar zijn zij!” Maar zij zijn er nog niet, en de keukenmeid begint over het diner te treuren, dat al tweemaal is uitgesteld, en de meesterknecht van den behanger dwaalt nog in de kamers rond, ongestoord in zijn zalig gemijmer.
Florence is gereed om haar vader en hare nieuwe mama te ontvangen. Of de ontroering, die haar hart zoo doet kloppen, uit blijdschap of droefheid ontstaat, weet zij bijna niet. Maar dat onstuimig kloppende hart doet haar eene verhoogde kleur op de wangen en glans in de oogen komen; en zij zeggen beneden, de hoofden bijeenstekende—want zij spreken altijd zacht als zij van haar spreken—hoe heerlijk jufvrouw Florence er van avond uitziet, en welk eene lieve jonge dame zij geworden is—arme wees! Er volgt eene poos van stilte; en de keukenmeid, die gevoelt dat men, als presidente, iets van haar verwacht, verwondert zich—en blijft daarbij steken. De werkmeid verwondert zich insgelijks, en zoomede jufvrouw Perch, die een gelukkig gezellig talent bezit om zich altijd te verwonderen als anderen dit doen, zonder te vragen waarover zij zich verwondert. Towlinson, die eene gelegenheid ziet om de dames even naargeestig te doen worden als hij zelf is, zegt: wacht maar en zie, hij wenschte dat sommige menschen er al goed doorheen waren. Dan geeft de keukenmeid het voorbeeld van een zucht en een geprevel van “Ja, het is eene vreemde wereld—dat is het wel!” en wanneer dit de tafel is rondgegaan, voegt zij er overredend bij: “Maar, jufvrouw Florence kan toch met geene verandering verliezen, Tom?” Towlinson’s antwoord, dat schrikkelijk vol beteekenis is, luidt: “Zoo, kan zij niet!” en begrijpende dat een gewoon mensch zich niet wel grooter profeet kan toonen, of dit nog overtreffen, zwijgt hij stil.
Mevrouw Skewton, voornemens om hare lieve dochter en haar waarden schoonzoon met opene armen te begroeten, is tot dat einde gedost in een zeer jeugdig costuum met korte mouwen. Thans echter bloeien hare rijpe bekoorlijkheden nog in de schaduw harer eigene kamer, waaruit zij niet te voorschijn is gekomen, sedert zij er eenige uren geleden bezit van heeft genomen, en waar zij zich nu wrevelig zit te maken over het uitstellen van het diner. De kamenier, die een geraamte behoorde te zijn, maar inderdaad eene mollige deern is, is integendeel uitmuntend in haar schik, daar zij haar vierendeeljaars inkomen thans voor veel zekerder houdt dan voorheen, en eene groote verbetering van tafel en bed te gemoet ziet.
Waar is het gelukkige paar, hetwelk zulk eene heerlijke woning verwacht? Verminderen wind en getij, stoom en paarden allen hun spoed, om zulk een geluk nog wat langer te kunnen aanzien? Vertraagt de zwerm van minnegoodjes en gratiën, die om hen heen zweven, hun tocht door hun aantal? Groeien er zoovele bloemen op hun gelukkig pad, dat zij nauwelijks voort kunnen, telkens verward in rozen zonder doornen?
Daar zijn zij eindelijk! Men hoort het geratel van wielen; dit wordt luider, en een rijtuig houdt voor de deur stil. Een donderend geklop van den hatelijken vreemdeling voorkomt nog den spoed van Towlinson en zijn gezelschap om de deur te openen; en Dombey en zijne jonge vrouw stappen af en gaan arm in arm binnen.
“Mijne allerliefste Edith!” roept eene aangedane stem op de trap. “Mijn allerwaardste Dombey!” en de korte mouwen strengelen zich beurtelings om het gelukkige paar.
Florence was ook naar het voorhuis gekomen, maar durfde niet naderen. Zij bewaarde haar schroomvalligen welkomstgroet, tot de verrukking van haar, die nader en dierbaarder was, zou bedaren. Edith’s oogen zochten haar evenwel reeds op den drempel; en hare teedere moeder met een vluchtigen kus op de wangen afschepende, haastte zij zich naar Florence en omhelsde haar.
“Hoe maakt gij het, Florence?” zeide haar vader, zijne hand uitstekende.
Toen Florence deze bevend aan hare lippen bracht, ontmoette zij zijn blik. Die blik was koud genoeg; maar het bracht toch geheel haar hart in beweging dat zij daarin wat meer belangstelling ontdekte, dan hij haar ooit voorheen had getoond. Hij drukte zelfs eene flauwe verrassing, en dat wel geene onaangename verrassing, uit, door haar gezicht veroorzaakt. Zij durfde hare oogen niet meer opslaan; maar zij gevoelde dat hij haar nog eens, en niet minder gunstig, aanzag. O, welk eene blijdschap doortintelde haar, bij deze hersenschimmige bevestiging harer hoop, dat zij door hare nieuwe schoone mama zijne liefde zou leeren winnen!
“Gij zult u niet lang ophouden met verkleeden, mevrouw Dombey?” zeide hij.—“Ik zal terstond gereed zijn.”—“Laten zij dan over een kwartier het diner opbrengen.”
Daarmede stapte Dombey naar zijne eigene kleedkamer en mevrouw ging naar boven naar de hare. Mevrouw Skewton en Florence begaven zich naar het salon, waar die uitmuntende moeder zich verplicht achtte eenige onbedwingbare tranen te storten, die men begrijpen moest dat het geluk harer dochter haar afperste, en die zij nog bezig was af te drogen, zeer voorzichtig, met een puntje van haar geborduurden zakdoek, toen haar schoonzoon binnentrad.
“En hoe heeft mijn waarde Dombey die verrukkelijkste van alle steden, dat heerlijke Parijs gevonden?” vroeg zij, hare aandoening bedwingende.—“Het was er koud,” antwoordde Dombey.—“En zoo vroolijk als altijd, natuurlijk,” zeide mevrouw Skewton.—“Niet bijzonder. Ik vond het er vervelend,” antwoordde Dombey.—“Wel foei, mijn beste Dombey,” riep zij schalkachtig uit. “Vervelend!”—“Dat was de indruk, dien het op mij maakte, mevrouw,” zeide Dombey, met beleefden ernst. “Ik geloof dat mevrouw Dombey het er ook vervelend vond. Zij heeft eens of tweemaal aangemerkt dat zij zoo dacht.”—“O gij ondeugend kind,” riep mevrouw Skewton hare beminde dochter, die nu binnentrad, schertsend te gemoet, “welke schrikkelijke ketterijen hebt gij van Parijs verteld?”
Edith trok met een voorkomen van verveling en afmatting hare wenkbrauwen op, en de dubbele deur doorgaande, die opengezet was om de fraaie suite met het nieuwe kostbare ameublement te laten zien, waarnaar zij in het voorbijgaan slechts even omkeek, zette zij zich bij Florence neer.
“Mijn waarde Dombey,” zeide mevrouw Skewton, “hoe allerliefst hebben die menschen ieder denkbeeld verwezenlijkt, waarvan wij maar een wenk hadden gegeven. Zij hebben uw huis waarlijk tot een paleis gemaakt.”—“Het is mooi,” zeide Dombey, in het rond ziende. “Ik had last gegeven om geene kosten te ontzien, en al wat geld kon doen, is ook gedaan, geloof ik.”—“En wat kan het niet doen, mijn waarde Dombey?” merkte Cleopatra aan.—“Het is machtig, mevrouw,” zeide Dombey.
Hij keek op zijne plechtige manier naar zijne vrouw, maar zij sprak geen woord.
“Ik hoop, mevrouw Dombey,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, met bijzondere duidelijkheid, “dat deze veranderingen uwe goedkeuring wegdragen?”—“Het is alles zoo fraai als het wezen kan,” antwoordde zij met trotsche onverschilligheid. “Zoo moest het natuurlijk zijn; en het zal ook wel zoo wezen, denk ik.”
Eene uitdrukking van hoonende minachting was op haar trotsch gelaat iets gewoons, en scheen daarvan onafscheidbaar te wezen; maar de verachting waarmede zij elke aanspraak op bewondering, eerbied of achting op grond van zijn rijkdom beantwoordde, was iets geheel anders, iets nieuws, waarbij elke andere uitdrukking, waarvoor haar gelaat vatbaar was, in kracht wegzonk. Hetzij Dombey, in zijne eigene grootheid geharnast, dit ontwaarde of niet, het had reeds aan geene gelegenheden ontbroken om hem in dit opzicht de oogen te openen, en op dit oogenblik had dit kunnen geschieden door den enkelen blik van het donkere oog, dat op hem bleef rusten, na met eene haastige minachting te zijn heengegleden over datgene waarop hij zich verhoovaardigde. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat niets wat zijn geld kon doen, al ware hij tien duizendmaal rijker, hem één zachten blik had kunnen verwerven van de stugge vrouw, die aan hem was geboeid, maar wier geheele ziel tegen hem in opstand was. Hij had in dat oog kunnen lezen, dat zij dit geld, juist om den verlagenden invloed, dien het op haar had uitgeoefend, haatte en verachtte, terwijl zij, al wat het maar verschaffen kon, opeischte, als een recht dat zij gekocht had—als het gemeene en geringe loon, waarvoor zij zijne vrouw was geworden. Hij had daarin kunnen lezen, dat, daar haar eigen hoofd steeds voor den bliksem harer eigene trotsche verachting ontbloot was, de onschuldigste toespeling op de macht van zijn geld haar opnieuw vernederde, haar in hare eigene schatting nog dieper deed zinken, en de ledigheid en barheid in haar binnenste nog volkomener deed worden.
Maar het diner was gereed, en Dombey leidde Cleopatra naar beneden. Edith en zijne dochter volgden. De uitstalling van goud en zilver op het buffet voorbijstrijkende alsof het hoopen slijk waren, en zonder al het fraaie om haar heen met een enkelen blik te verwaardigen, nam zij voor de eerste maal hare plaats aan zijne tafel, en zat daar gelijk een steenen beeld.
Dombey, die zelf tamelijk steenenbeeldachtig was, mishaagde het niet zijne schoone vrouw zoo stijf, trotsch en koud te zien. Daar zij toch altijd elegant was, was dit haar algemeen gedrag hem veeleer aangenaam. Hij bewaarde dus zijne gewone deftigheid, en vervulde, zonder zijne vrouw door eenige van hem afstralende warmte of vroolijkheid te berispen, met koele zelfvoldoening zijn aandeel aan de honneurs; en dit eerste diner, hoewel beneden voor geen zeer veelbelovend begin gehouden, liep boven beleefd en complimenteus genoeg af.
Mevrouw Skewton, die zich geheel afgemat veinsde door de blijde aandoeningen, welke uit hare bespiegeling van het geluk harer lieve dochter, die met den man van haar hart vereenigd was, ontsproten, maar die waarschijnlijk dezen familiekring wat vervelend begon te vinden, nadat zij een uur achter haar waaier had zitten geeuwen, ging kort na de thee naar bed. Edith ging insgelijks stilzwijgend heen en kwam niet terug. Zoo gebeurde het dat Florence, die naar boven was geweest om met Diogenes te praten, toen zij met haar werkmandje naar het salon terugkwam, daar niemand vond dan haar vader, die in eenzame grootheid heen en weder wandelde.
“O, neem mij niet kwalijk. Zal ik weer heengaan, papa?” zeide Florence flauw en bleef aarzelend bij de deur staan.—“Neen,” antwoordde Dombey, over zijn schouder omziende, “gij kunt hier komen en gaan zooals het u belieft, Florence; dit is mijne particuliere kamer niet.”
Florence kwam binnen, en zette zich met haar werk aan een tafeltje in den versten hoek; en zoo bevond zij zich voor de eerste maal van haar leven—voor de eerste maal zoolang haar heugde—met haar vader alleen in gezelschap. Zij, zijne natuurlijke gezellin, zijn eenig kind; zij, die in haar eenzaam leven had geleerd wat hartzeer was; die, in hare versmade liefde, des avonds nooit zijn naam tot God had gefluisterd, dan met tranen en zegeningen, die hem zwaarder drukten dan een vloek; die gebeden had om jong te sterven, als zij maar in zijne armen sterven mocht; die altijd de marteling zijner koele verwaarloozing en afkeerigheid met geduldige liefde had vergolden, hem had verontschuldigd en voor hem gepleit, als zijn goede engel!
Zij beefde, en hare oogen waren beneveld. Zijne gedaante scheen, terwijl hij door het vertrek op en neer stapte, hooger en breeder te worden. Nu was zij schemerachtig en onduidelijk, dan weder helder en scherp begrensd; en nu scheen zij te denken dat dit juist eveneens, een aantal jaren geleden, gebeurd was. Zij smachtte naar hem en huiverde toch als hij haar naderde. Onnatuurlijke aandoening bij een kind, dat zich van geen kwaad bewust was! Onnatuurlijk de hand, die den scherpen ploeg had bestuurd, welke haar zacht gemoed had omgewoeld om zulk een zaad te zaaien!
Daar zij hem niet wilde bedroeven of door hare droefheid verstoren, bedwong Florence zich en bleef stil zitten werken. Nadat hij nog eenige malen de kamer op en neer had gestapt, staakte hij dit wandelen, begaf zich naar een duisteren hoek, op eenigen afstand, waar een leuningstoel stond, hing zich een zakdoek over zijn hoofd en zette zich om te slapen.
Het was genoeg voor Florence dat zij daar mocht zitten en hem gadeslaan, nu en dan hare oogen naar zijn stoel richten, hem met gedachten bespieden, terwijl haar gezichtje over haar werk gebogen was, en zich weemoedig verheugen in de gedachte dat hij kon slapen terwijl zij daar zat, en door hare vreemde, lang verbodene tegenwoordigheid niet onrustig werd gemaakt.
Welke gedachten zou zij niet gehad hebben, als zij geweten had dat hij strak naar haar zag; dat de doek over zijn gezicht, hetzij bij toeval of met opzet, zoodanig was gehangen dat zijne oogen genoegzaam vrij bleven, en dat die geene seconde van haar gezichtje werden afgewend. Dat, wanneer zij naar hem opkeek, hare sprekende oogen, krachtiger en aandoenlijker in hunne stemmelooze taal dan alle redenaren der wereld, de zijne ontmoetten, zonder dat zij dit wist. Dat hij, als zij haar hoofdje weder over haar werk boog, ruimer ademhaalde, maar even oplettend naar haar bleef turen—naar haar blank voorhoofd, en hare hangende lokken, en hare bezige handjes; dat hij, eens daardoor aangetrokken, het vermogen niet scheen te hebben om zijne oogen af te wenden!
En wat waren zijne gedachten ondertusschen? Met welke aandoeningen staarde hij zoo tersluiks zijne onbekende dochter aan? Was er iets verwijtends voor hem in die stille gedaante en die zachte oogen? Begon hij eenigszins te gevoelen dat zij aanspraken op hem had, die hij in den wind had geslagen, en dat hij haar daardoor een wreedaardig onrecht had aangedaan?
Er zijn weekhartige oogenblikken in het leven der hardvochtigste menschen, schoon zulke menschen meestal hun geheim wel bewaren. Het zien van haar in hare schoonheid, bijna in een volwassen meisje veranderd zonder dat hij het wist, mag wel, zelfs in zijn leven van trots, eenige zulke oogenblikken veroorzaakt hebben. Eene vluchtige gedachte dat hij een gelukkig huiselijk leven binnen zijn bereik had gehad—dat een weldadige huisgeest zich voor zijne voeten had gebogen—dat hij dien in zijne hardnekkige stugheid en verwaandheid over het hoofd had gezien, en weggedwaald en verdwaald was, mag die oogenblikken hebben voortgebracht. Eene eenvoudig welsprekende toespraak, duidelijk gehoord, hoewel hare oogen alleen de tolken er van waren, onbewust dat hij er in las, zooals “bij de sterfbedden, die ik heb bijgewoond, bij de kindsheid die ik heb doorgestaan, bij onze ontmoeting te middernacht in dit akelige huis, bij den kreet dien het harteleed mij afperste, o vader, keer u tot mij en zoek eene toevlucht in mijne liefde eer het te laat is!” mag ze hebben vastgehouden. Gedachten van lager aard, zooals, dat voor zijn dooden zoon nu toch nieuwe banden in de plaats kwamen, en hij het dus wel vergeten kon dat zij uit zijne genegenheid verdrongen was, mogen er aanleiding toe gegeven hebben. De enkele gedachte dat zij ook een sieraad was, dat bij al de pracht om hem heen voegde en behoorde, mag voldoende zijn geweest. Maar terwijl hij zoo tuurde, werd hij al weeker en weeker voor haar. Terwijl hij zoo tuurde, werd zij gemengeld met het kind dat hij lief had gehad, en kon hij de twee bijna niet meer van elkander afscheiden. Terwijl hij zoo tuurde, zag hij haar voor een oogenblik in een helder en duidelijker licht, niet als zijne mededingster, over de peluw van dat kind gebogen—gedrochtelijke gedachte—maar als de goede geest van zijn huis, en die hem zelven niet minder dienstbaar was toen hij met het gebogene hoofd in de hand bij dat bedje zat. Hij gevoelde eene neiging om haar aan te spreken en tot zich te roepen. De woorden “Florence, kom hier!” kwamen hem reeds op de lippen—maar langzaam en met moeite, zoo vreemd waren zij—toen zij gesmoord werden door een voetstap op de trap.
Het was die van zijne vrouw. Zij had het kleed, dat zij bij het diner had aangehad, met een loshangend gewaad verwisseld, en hare haren losgemaakt, die nu vrij om haar hals zwierden. Maar dit was de verandering niet die hem bevreemdde.
“Florence, lieve,” zeide zij, “ik heb overal naar u gezocht.”
Toen zij zich bij Florence neerzette, bukte zij en kuste haar de hand. Hij herkende zijne vrouw bijna niet—zoo was zij veranderd. Het was niet alleen dat haar glimlach nieuw voor hem was—hoewel hij ook dien nog nooit had gezien; maar hare houding, de klank harer stem, de glans harer oogen, de belangstelling, het vertrouwen, het innemende verlangen om te behagen, in dat alles uitgedrukt—dit was Edith niet.
“Zachtjes, lieve mama. Papa slaapt.”
Nu was het Edith. Zij zag naar den hoek waar hij zat, en hij kende haar gezicht en hare houding zeer wel.
“Ik dacht niet dat gij hier kondt zijn, Florence.”
Wederom, hoe veranderd en verzacht, in een oogenblik!
“Ik ben opzettelijk vroeg heengegaan,” vervolgde Edith, “om boven bij u te zitten en met u te praten. Maar toen ik naar uwe kamer ging, vond ik mijn vogeltje gevlogen, en ik heb daar aldoor zitten wachten, in de gedachte dat het zou terugkomen.”
Indien het waarlijk een vogeltje was geweest, had zij het niet teerder en zachter aan hare borst kunnen drukken dan zij Florence deed.
“Kom, liefje!”—“Papa zal toch niet verwachten mij nog hier te vinden, als hij wakker wordt, denk ik?” zeide Florence aarzelend.—“Denkt gij dat wel?” antwoordde Edith, haar strak aanziende.
Florence liet haar hoofdje zinken en stond op. Edith nam haar arm onder den haren, en zij gingen de kamer uit als zusters. Zelfs haar stap was anders en nieuw voor hem, dacht Dombey, toen zijne oogen haar naar de deur volgden.
Hij bleef zoolang in zijn donkeren hoek zitten, dat de klokken nog driemaal het uur sloegen eer hij zich bewoog. Al dien tijd bleven zijne oogen strak op de plek gericht waar Florence gezeten had. De kamer werd donkerder en donkerder naarmate de kaarsen afbrandden en uitgingen; maar er pakte zich in zijne trekken eene duisternis samen, donkerder dan de nacht kon werpen, en die duisternis verdween niet weder.
Florence en Edith, voor het vuur gezeten, in de afgelegene kamer waar Paul gestorven was, bleven daar nog lang praten. Diogenes had eerst bezwaren tegen de toelating van Edith gemaakt, en haar, zelfs uit inschikkelijkheid voor zijne meesteres, slechts onder een brommend protest geduld. Maar langzamerhand uit de voorkamer komende, waar hij zich misnoegd had afgezonderd, scheen hij te begrijpen dat hij met de beste meening een van die vergissingen had begaan, waaraan de beste hond nu en dan onderhevig is; en als eene vriendelijke verontschuldiging plantte hij zich recht overeind tusschen de twee, op een zeer heet plaatsje vlak voor het vuur, en bleef zoo, hijgende, met de tong uit den bek en met een allerdomst gezicht, naar het gesprek luisteren.
Dit liep in het eerst over Florence’s boeken en bezigheden, en de manier waarop zij zich sedert den dag der huwelijksplechtigheid den tijd had gekort. Dit onderwerp deed haar aan iets denken dat haar zeer nauw aan het harte lag, en terwijl haar de tranen in de oogen kwamen, zeide zij:
“O, mama, ik heb in dien tijd zulk een groot verdriet gehad.”—“Gij een groot verdriet, Florence?”—“Ja, de arme Walter is verdronken.”
Zij hield hare handen voor hare oogen en schreide met al haar hart. Hoeveel geheime tranen Walter’s lot haar ook reeds had gekost, zij vloeiden nog altijd wanneer zij van hem sprak of aan hem dacht.
“Maar zeg mij, liefje,” zeide Edith op een troostenden toon. “Wie was Walter? Wat was hij voor u?”—“Hij was mijn broeder, mama. Toen Paul gestorven was, zeiden wij dat wij broeder en zuster wilden zijn. Ik had hem lang gekend—van een klein kind af. Hij kende Paul ook, die veel van hem hield. Paul zeide, bijna met zijne laatste woorden: “Zorg toch voor Walter, lieve papa. Ik heb veel van hem gehouden!” Walter was binnengeroepen om hem te zien, en hij was daar toen—hier in de kamer.”—“En heeft hij voor Walter gezorgd?” vroeg Edith op stroeven toon.—“Papa? Hij benoemde hem om buitenslands te gaan. Hij verdronk op reis door eene schipbreuk,” zeide Florence snikkende.—“Weet hij dat hij dood is?” vroeg Edith.—“Dat kan ik niet zeggen, mama. Ik heb geen middel om dat te weten te komen. Lieve mama!” riep Florence, zich aan haar vastklemmende, alsof zij hulp verlangde, en haar gezichtje aan hare borst verbergende, “ik weet, gij hebt wel gezien...”—“Stil! Wacht eens, Florence.” Edith was zoo bleek geworden en sprak zoo ernstig, dat zij Florence niet eens de hand op den mond had behoeven te leggen. “Zeg mij eerst alles van Walter. Laat ik zijne geheele geschiedenis wel begrijpen.”
Florence verhaalde die met al wat er toe behoorde: zelfs met de vriendschap van Toots, van wien zij zelfs in hare droefheid niet spreken kon zonder een betraanden glimlach, hoewel zij hem innig dankbaar was. Toen haar verhaal ten einde was, waarnaar Edith, hare hand vasthoudende, met ernstige aandacht luisterde, zeide deze:
“Wat weet gij dat ik wel gezien heb, Florence?”—“Dat ik,” antwoordde Florence met dezelfde angstige beweging als te voren en wederom haar gezicht verbergende, “geen bemind kind ben, mama. Dat ben ik nooit geweest. Ik heb nooit geweten hoe ik het worden moest. Ik ben van den weg afgeraakt, en had niemand om hem mij te wijzen. O, laat ik van u leeren hoe ik papa dierbaarder kan worden. Leer mij, gij die dat zoo goed kunt!” En zich nog vaster klemmende, met eenige afgebrokene woorden van liefkoozing en dankbaarheid, bleef Florence, van haar treurig geheim ontlast, nog lang schreien, maar niet zoo smartelijk als voorheen, in de armen harer nieuwe moeder.
Bleek, tot hare lippen toe, en met een gezicht dat zich tot kalmte dwong, tot de trotsche schoonheid daarvan zoo strak was als de dood, zag Edith op het schreiende meisje neer. Eens gaf zij haar een kus. Zich toen langzamerhand losmakende en Florence van zich afschuivende, zeide zij, statig en stil, als een marmeren beeld, en met eene stem die doffer werd naarmate zij sprak, maar geen ander blijk van aandoening gaf:
“Florence, gij kent mij niet! De hemel verhoede dat gij van mij zoudt leeren!”—“Niet van u leeren?” zeide Florence, verwonderd.—“Dat ik u leeren zou hoe gij moet liefhebben of bemind kunt worden, verhoede de hemel!” zeide Edith. “Als gij mij leeren kondt, dat zou beter zijn; maar het is te laat. Gij zijt mij dierbaar, Florence. Ik had niet gedacht dat iets mij ooit zoo dierbaar kon zijn, als gij mij in dien korten tijd zijt geworden.”
Zij zag dat Florence hier wilde spreken, wenkte haar daarom met de hand om stil te zwijgen, en vervolgde:
“Ik zal altijd uwe ware vriendin zijn. Ik zal u liefhebben zooveel als iemand in deze wereld zou kunnen doen. Gij kunt mij vertrouwen—ik weet het en ik zeg het, lieve—met het gansche vertrouwen zelfs van uw zuiver hart. Er zijn menigten van vrouwen, die hij had kunnen trouwen, beter en trouwer in alle opzichten dan ik ben, Florence; maar geene had als zijne vrouw hier kunnen komen, wier hart met meer oprechtheid voor u klopte dan het mijne doet.”—“Dat weet ik, lieve mama!” riep Florence uit. “Van dien eersten allergelukkigsten dag af heb ik dat geweten.”—“Allergelukkigste dag!” Edith scheen deze woorden onwillekeurig te herhalen, en vervolgde toen: “Schoon ik geene verdienste heb, want ik dacht weinig aan u eer ik u zag, laat mij in uwe liefde en vertrouwen mijne onverdiende belooning vinden. En hierin, Florence, hierin—op den eersten avond dat ik hier mijn intrek neem, krijg ik juist aanleiding, gelijk ook wel goed is, om het voor de eerste en laatste maal te zeggen.”
Florence werd, zonder te weten waarom, bijna bang om haar te hooren voortgaan, en hield hare oogen strak op het schoone gelaat gericht, dat haar zoo vast aanzag.
“Zoek nooit in mij te vinden,” zeide Edith, hare hand op hare borst leggende, “wat hier niet is. En als gij anders kunt, Florence, verzaak mij dan nooit omdat het hier niet is. Langzamerhand zult gij mij beter leeren kennen, en er zal een tijd komen dat gij mij kennen zult gelijk ik mij zelve ken. Wees dan zoo zacht voor mij als gij kunt, en laat de eenige zoete herinnering, die ik hebben zal, niet in bitterheid veranderen.”
De tranen in de oogen, die zij strak op Florence gevestigd hield, toonden dat het kalme gelaat slechts een schoon masker was; maar zij behield dit toch en vervolgde:
“Ik heb gezien wat gij zegt, en weet hoe waar het is. Maar geloof mij—dat zult gij spoedig, als gij het nu niet kunt—er is niemand op aarde minder geschikt om dit te recht te brengen of u te helpen dan ik. Vraag mij nooit waarom, en spreek mij nooit weer daarover of over uw papa. In zooverre moet er eene verwijdering tusschen ons zijn, eene stilte gelijk die van het graf zelf.”
Zij bleef een tijd lang zwijgend zitten. Florence durfde ondertusschen nauwelijks ademhalen, terwijl flauwe schaduwen van de waarheid en de gevolgen, welk deze dagelijks moest medebrengen, elkander in hare ontstelde, en toch nog ongeloovige, verbeelding verdrongen. Bijna zoodra zij had opgehouden te spreken, begon Edith’s gelaat van deszelfs strakke bedaardheid tot dat zachter en rustiger uitzicht over te gaan, dat het doorgaans had als zij en Florence met elkander alleen waren. Na die verandering hield zij hare handen er voor; en toen zij opstond en Florence met eene teedere omhelzing goedennacht wenschte, ging zij snel en zonder om te zien heen.
Maar toen Florence in bed en hare kamer donker was, behalve dat de gloed van het vuur nog een schijnsel gaf, kwam Edith terug, zeide dat zij niet slapen kon en het haar in hare kamer te eenzaam was, schoof een stoel bij den haard, en bleef in de wegstervende vonken zitten turen. Florence tuurde insgelijks daarnaar totdat zij en de statige gedaante met hare golvende haren onduidelijk werden en eindelijk, in haar sluimer, verdwenen.
In haar slaap kon Florence evenwel den indruk van wat er zoo kort geleden was voorgevallen, niet te boven komen. Het bleef het onderwerp harer droomen, nu in de eene dan in de andere gedaante, maar altijd benauwend en vreesverwekkend. Zij droomde dat zij in eene woestijn naar haar vader zocht, en zijn spoor volgde over vreeselijke hoogten en in diepe grotten; dat zij iets had of wist waardoor zij hem van een folterend lijden kon ontheffen—zij wist niet wat of waarom—en hem toch nooit kon bereiken en bevrijden. Dan zag zij hem dood, op dat zelfde bed, in dezelfde kamer, en wist dat hij haar tot het laatste toe nooit had liefgehad, en viel, hartstochtelijk schreiende, op zijne koude borst. Dan opende zich een verschiet en stroomde er eene rivier, en riep eene klagende stem die zij kende: “Zij loopt maar voort, Flore. Zij houdt nooit op. Gij drijft er ook mee voort!” En zij zag hem in de verte zijne armen naar haar uitstrekken, terwijl eene gedaante, gelijk Walter placht te zijn, bij hem stond, zoo kalm en helder van uitzicht dat zij daardoor iets geduchts had. In ieder droomgezicht verscheen en verdween Edith, somtijds tot hare blijdschap, somtijds tot hare smart, totdat zij alleen stonden aan den rand van een donker graf, en Edith naar beneden wees en zij bukte en zag—wat!—eene andere Edith die op den bodem lag.
De schrik van dezen droom deed haar gillen en ontwaken, dacht zij. Eene zachte stem scheen haar in het oor te fluisteren: “Florence, lieve Florence, het is maar een droom!” en hare armen uitstrekkende, beantwoordde zij de liefkoozing harer nieuwe mama, die vervolgens in het flauwe licht van den dageraad de deur uitging. In een oogenblik zat Florence overeind, zich verwonderende of dit werkelijk had plaats gehad; maar zij zag niets anders dan dat werkelijk de dag aanbrak, en dat de zwartachtige asch van het vuur onder den haard lag, en dat zij alleen was.
Zoo verliep de eerste nacht nadat het gelukkige paar thuis was gekomen.
XXXVI. HET INWIJDINGSFEEST
Vele dagen achtereen verliepen op dezelfde wijze, behalve dat er vele visites ontvangen en gedaan werden, en dat mevrouw Skewton kleine levées in hare apartementen hield, die veelal door den majoor Bagstock werden bijgewoond, en dat Florence geen tweeden blik van haar vader ontmoette, hoewel zij hem nu dagelijks zag. Ook wisselde zij niet vele woorden met hare nieuwe mama, die voor het geheele huishouden heerschzuchtig en trotsch was, behalve voor haar—Florence kon niet nalaten dit op te merken—en die, schoon zij haar altijd liet roepen of naar haar toe kwam als zij van hare visites terugkeerde, en haar altijd in hare kamer kwam opzoeken eer zij zich ter rust begaf, hoe laat het ook wezen mocht, en nooit eene gelegenheid verzuimde om bij haar te zijn, toch dikwijls zeer lang achtereen stil en peinzend bij haar bleef zitten.
Florence, die zooveel van dit huwelijk had gehoopt, kon somtijds niet nalaten, het heldere prachtige huis te vergelijken met de sombere stille woning waaruit het ontstaan was, en zich te verwonderen wanneer het, in eene of andere gedaante, een thuis zou beginnen te worden; want dat het geen thuis voor haar of iemand anders was, hoewel er alles even rijk en goed geregeld was, bleef zij altijd heimelijk vreezen. Menig uur van treurig nadenken bij dag en bij nacht, en menigen traan van droevige teleurstelling wijdde Florence aan de verzekering, die hare nieuwe mama haar zoo nadrukkelijk gegeven had, dat niemand op aarde minder geschikt was om haar te leeren haar vaders hart te winnen. En weldra begon Florence te denken—poogde zij te denken, zou meer naar waarheid zijn uitgedrukt—dat niemand zoo goed wist hoe hopeloos het was haar vaders koelheid voor haar te overwinnen, en het dus alleen uit medelijden met haar was dat zij haar die waarschuwing had gegeven en verboden er meer van te spreken. Onbaatzuchtig, gelijk in al wat zij dacht en deed, wilde Florence liever dit nieuwe leed verdragen, dan het vermoeden van eene waarheid, die een ongeluk voor haar vader moest wezen, voedsel geven; teerhartig voor hem, zelfs in hare dwalende gedachten. Wat zijn huis betrof, zij hoopte dat het een beter thuis voor hem zou worden, als het nieuwe en vreemde er van voorbij waren; om zich zelve dacht zij weinig en treurde zij niet.
Al was eigenlijk niemand voor zich zelf in het nieuwe huis thuis, men begreep toch dat mevrouw Dombey daar zonder uitstel voor het publiek thuis moest wezen. Er werd dus, voornamelijk door Dombey en mevrouw Skewton, eene reeks van festiviteiten beraamd, zoowel om het huwelijk te vieren, als om aan de eischen der gezellige samenleving te voldoen; en men besloot dat deze feesten daarmede zouden beginnen, dat mevrouw Dombey op zekeren avond voor alle bekenden thuis zou zijn, en dat mijnheer en mevrouw Dombey denzelfden dag een groot aantal van allerhande menschen te zamen op een diner zouden verzoeken.
Dombey schreef derhalve eene lijst van oostelijke magnaten, die op dit feest moesten genoodigd worden; waartegen mevrouw Skewton, uit naam van hare beminde dochter, die voor de geheele zaak eene trotsche onverschilligheid toonde, eene westelijke lijst voorstelde, waarop neef Feenix, die nog niet naar Baden-Baden teruggekeerd was (tot groot nadeel van zijn bekrompen inkomen) bovenaan stond, gevolgd door eene verscheidenheid van vlinders van allerlei ouderdom en rang, die van tijd tot tijd om het licht harer schoone dochter, of om haar zelve, hadden rondgefladderd, zonder hunne vlerken erg te beschadigen. Florence werd ook op de lijst voor het diner gezet—op bevel van Edith, toen mevrouw Skewton voor een oogenblik scheen te twijfelen; en met zekere pijnlijke verwondering en eene instinctmatige bewustheid van alles wat haar vaders gevoel, zelfs in het minste, onaangenaam aandeed, nam het meisje stilzwijgend deel aan de feestelijkheden van den dag.
Deze feestelijkheden begonnen daarmede dat Dombey, met een das van buitengewone hoogte en stijfheid, rusteloos in het salon op en neer stapte tot aan het voor het diner bepaalde uur. Met klokslag daarvan kwam er een schatrijk directeur der Oost-Indische Compagnie, met een vest dat door een timmerman van vurenhout scheen te zijn samengesteld, maar werkelijk door een kleermaker uit nanking was vervaardigd, en werd door Dombey alleen ontvangen. De volgende gebeurtenis was dat Dombey zijn compliment aan mevrouw Dombey zond en haar liet weten hoe laat het was, en de volgende dat de directeur in het gesprek bleef steken, en Dombey, die de man niet was om het weder op te vatten, naar het vuur bleef staren, tot mevrouw Skewton kwam, welke de directeur, om den avond gelukkig te beginnen, voor mevrouw Dombey hield en met geestvervoering begroette.
De volgende gast was een directeur van de Bank, van wien men zeide dat hij in staat was om alles op te koopen—het geheele menschdom zelfs, als hij meende daardoor de geldmarkt te kunnen dwingen—maar die met verbazende bescheidenheid sprak, zoo zelfs dat de bescheidenheid naar pochen geleek, en op dien toon melding maakte van zijn “buitentje” bij Kingston, waar hij Dombey een bed en eene karbonade kon geven, maar veel meer ook niet, als hij hem eens wou komen opzoeken. Dames, zeide hij, durfde iemand die zoo leefde als hij geene invitatiën geven—maar als mevrouw Skewton en hare dochter, mevrouw Dombey, eens dien weg uitkwamen en hem de eer wilden doen om eens naar het heesterplantsoentje te komen kijken, dat zij daar zouden vinden, en een paar bloembedjes, en een ananaskasje, en nog eenige kleinigheden van dien aard, waarop hij zich niets kon laten voorstaan, zouden zij hem zeer verplichten. Om geheel in zijne rol te blijven, was deze heer zeer eenvoudig gekleed, met een strookje kamerdoek voor eene das, groote lompe schoenen, een rok die hem te wijd en eene broek die hem te nauw was; en toen mevrouw Skewton van de opera melding maakte, zeide hij dat hij daar zeer zelden ging, want dat kon niet lijden. Hij scheen zich met dit gezegde zeer te vervroolijken, en keek daarna met de handen in de zakken en van zelfvoldoening stralende oogen in het rond.
Nu verscheen mevrouw Dombey, schoon en trotsch, en zoo vol uitdagende minachting voor iedereen, als ware de bruidskrans op haar hoofd een krans van stalen punten geweest, haar opgezet om haar tot vernedering te dwingen, terwijl zij liever wilde sterven dan zwichten. Florence was bij haar. Toen zij binnentraden verdonkerde de schaduw van den avond der terugkomst wederom Dombey’s gelaat; maar onopgemerkt, want Florence durfde hare oogen niet opslaan, en Edith’s onverschilligheid was te fier om in het minste op hem te letten.
Spoedig waren er meer gasten. Nog meer directeuren, presidenten van dit en van dat, bejaarde dames met vrachten van kapsels op het hoofd, neef Feenix, majoor Bagstock, vriendinnen van mevrouw Skewton, met dezelfde fraaie kleur op de wangen en kostbare kettingen om dorre halzen. Onder deze was eene jonge dame van vijf en zestig, ongemeen koel gekleed wat rug en schouders betrof, die zeer innemend lispelde en hare oogleden niet zonder veel moeite kon openhouden, en wier manieren al dat onbeschrijfelijk bekoorlijke hadden, dat de dartelheid der jeugd eigen is. Daar de meesten van Dombey’s lijst tot stilzwijgendheid, en de meesten van mevrouw Dombey’s lijst tot spraakzaamheid genegen waren, en zij niets met elkander gemeen hadden, trad mevrouw Dombey’s lijst door zekere magnetische overeenstemming, in een vijandig verbond tegen de lijst van haar echtgenoot, welker ongelukkige leden, neerslachtig door de kamers dwalende of in een hoek schuilplaats zoekende, door pas binnenkomende gasten tegen het lijf werden geloopen, achter sofa’s gebarricadeerd raakten, deuren die wat driftig werden opengedaan, onzacht tegen het hoofd kregen, en allerlei wederwaardigheden ondervonden.
Toen het diner werd aangekondigd, leidde Dombey eene oude dame naar de tafel, die naar een rood fluweelen kussen geleek met banknoten opgestopt; neef Feenix leidde mevrouw Dombey, en majoor Bagstock mevrouw Skewton. Hare jeugdige vriendin met de schouders werd, tot zijne vervroolijking, aan den directeur met het nankingsche vest toebedeeld; en de overige dames werden door de overige heeren in het salon op beziens gelaten, tot eenige vrijwilligers moed genoeg kregen om ze naar beneden te willen brengen, waarna deze dapperen met de buitgemaakte schoonen de deur der eetzaal verstopten en zeven bedeesde heeren in het steenige voorhuis buitensloten. Toen al de anderen binnen en gezeten waren, bleek een dezer bedeesde heeren nog geheel onverzorgd te zijn, en deed, door den bottelier begeleid, in glimlachende verlegenheid, tweemaal de ronde van de tafel, eer zijn stoel te vinden was, die eindelijk aan mevrouw Dombey’s linkerhand bleek te staan; waarna de bedeesde heer zijn hoofd niet meer durfde oprichten.
Nu had men die ruime eetzaal, met het gezelschap om de glinsterende tafel gezeten, bezig met de glinsterende lepels, messen en vorken, wel voor eene nabootsing van het land kunnen houden waar men goud en zilver maar voor het rapen heeft; en het lange plateau van kostbaar koud metaal, dat Dombey van zijne vrouw afscheidde, met de koude Cupido’s, die beiden reukelooze bloemen aanboden, had men voor eene allegorie kunnen aanzien.
Neef Feenix vertoonde zich in al zijne kracht en zag er verbazend jong uit. Maar zijne luimigheid was wel eens wat onbedachtzaam—zijn geheugen speelde hem somtijds parten, evenals zijne beenen deden—en eens deed hij het geheele gezelschap schrikken. Dit gebeurde aldus. De jonge dame met de schouders, die een zwak voor neef Feenix had, wist den directeur, haar geleider, te verleiden om haar naar een stoel naast hem te brengen, en tot dank voor dezen dienst, liet zij den directeur dadelijk varen. Deze, die aan den anderen kant door een somberen zwart fluweelen hoed werd beschaduwd, welke een beenig en sprakeloos vrouwelijk wezen met een waaier bekroonde, gaf zich aan neerslachtigheid over en kroop geheel in zich zelven weg. Neef Feenix en de jonge dame waren zeer levendig, en de jonge dame lachte zoo hartelijk om iets dat neef Feenix haar vertelde, dat majoor Bagstock ten behoeve van mevrouw Skewton verzocht te mogen weten (zij zaten aan den overkant, wat verder af) of die vertelling niet als publiek eigendom mocht beschouwd worden.
“Och, er steekt niets in,” zeide neef Feenix; “het is waarlijk niet waard het nog eens te vertellen; het is eigenlijk maar eene anekdote van Jack Adams. Ik denk dat mijn vriend Dombey,” want de algemeene aandacht was nu op neef Feenix gevestigd, “zich Jack Adams wel zal herinneren—Jack Adams, niet Joe—dat was zijn broeder. Jack—kleine Jack—die scheel zag en eene belemmering in zijne spraak had—en voor iemands borough in het Parlement zat. Wij plachten hem in mijn tijd P. W. H. Adams te noemen, dat Plaats-Warmhouder wilde zeggen, omdat hij de plaats warm hield voor een jong mensch, die nog niet meerderjarig was. Misschien zal mijn vriend Dombey hem wel gekend hebben?”
Dombey, die met evenveel waarschijnlijkheid Guy Fawkes kon gekend hebben, antwoordde ontkennend. Maar een der zeven bedeesde heeren maakte zich eensklaps tot een persoon van aanzien, door te zeggen dat hij hem gekend had, en er bij te voegen: “hij droeg altijd laarzen met kwastjes!”—“Juist!” zeide neef Feenix, zich overbuigende om den bedeesden heer te zien, en hem over de tafel heen aanmoedigend toe te lachen. “Dat was Jack. Joe droeg...”—“Kaplaarzen!” riep de bedeesde heer, met ieder oogenblik in de algemeene schatting rijzende.—“Gij moet hen natuurlijk van nabij gekend hebben?” zeide neef Feenix.—“Ik heb hen allebei gekend,” zeide de bedeesde heer, en Dombey trok dadelijk een lijntje met hem.—“Een allerbeste kerel, Jack?” zeide neef Feenix, zich nogmaals glimlachend overbuigende.—“Dat zou ik denken,” antwoordde de bedeesde man, door zijn geluk stout wordende; “een van de beste kerels die ik ooit gekend heb.”—“Gij hebt het historietje zeker wel gehoord?” zeide neef Feenix.—“Dat zal ik pas weten,” antwoordde de stoutmoedige bedeesde man, “als ik het uwe Lordschap heb hooren vertellen.” Daarmede liet hij zich achterover in zijn stoel zakken en keek glimlachend naar den zolder, alsof hij het van buiten kende en er zich reeds mede vermaakte.—“Eigenlijk heeft het historietje niets te beduiden,” zeide neef Feenix, met een vroolijk gezicht de geheele tafel aansprekende, “en is het geen voorafspraak waard. Maar het is een staaltje hoe netjes Jack iets te pas kon brengen. De zaak is, dat Jack eens op eene bruiloft werd gevraagd, die, als ik wel heb, in Berkshire werd gegeven?”—“Shropshire,” zeide de stoute bedeesde man, die zag dat dit laatste tot hem gericht was.—“Was het? Wel! Wat de zaak betreft zou het ook evengoed ergens anders kunnen geweest zijn,” zeide neef Feenix. “Mijn vriend is dus ergens hier of daar op eene bruiloft gevraagd, en hij gaat. Evenals wij, of sommigen van ons, toen wij de eer hadden van gevraagd te worden om de trouwplechtigheid van mijne bekoorlijke en begaafde nicht met mijn vriend Dombey bij te wonen, niet tweemaal behoefden gevraagd te worden, maar drommels blij waren dat wij bij zulk eene interessante gelegenheid tegenwoordig mochten zijn. Nu was dat huwelijk eigenlijk een huwelijk van een buitengemeen mooi meisje met een man, die haar niet het minste kon schelen, en dien zij maar om zijn geld nam, want hij was schatrijk. Toen Jack na de bruiloft weder thuis was, zegt een kennis, die hem in de voorzaal van het Huis der Gemeenten tegenkomt: “Wel, Jack, hoe gaat het met dat ongelijke paar?”—“Ongelijk!” zegt Jack. “Geheel niet. Zij staan volkomen met elkander gelijk. Zij is als eerlijk gekocht, en gij kunt er op zweren dat hij ook eerlijk verkocht is.””
In het volle genot der aardigheid van zijne vertelling, verwonderde zich neef Feenix over den schrik, die als een electrische schok de tafel was omgevlogen, en hij bleef steken. Geen glimlach op eenig gezicht verried het eenige algemeene onderwerp van gesprek op dien dag. Er volgde eene diepe stilte, en de rampzalige bedeesde heer, die vooraf even weinig van het historietje had geweten als een ongeboren kind, moest in alle oogen lezen dat hij voor den eersten aanlegger van deze kwaadaardigheid werd gehouden.
Dombey’s gezicht veranderde niet licht, en daar het dien dag in zijne staatsieplooien was gezet, toonde het niet, of bijna niet, dat hij anders over het vertelseltje dacht dan hij te kennen gaf, toen hij te midden der stilte deftig zeide: “Heel aardig.” Edith wierp snel een blik naar Florence, maar anders bleef zij uitwendig zoo ongevoelig alsof zij niets gehoord had.
Langzamerhand kwam het diner verder en kwamen de gasten door alles heen—door de kostbare spijzen en wijnen, altijd in goud en zilver, lekkernijen van aarde, lucht, vuur en water, opgestapelde vruchten, en die noodelooze stof op een feest van Dombey—ijs. In het laatste tijdperk hoorde men een aanhoudend kloppen, dat de komst der avondgasten aankondigde, wier deel aan den maaltijd tot den reuk daarvan beperkt was. Toen mevrouw Dombey opstond was het iets merkwaardigs haar gemaal, met stijven hals en opgericht hoofd, de deur te zien openhouden, om dames uit te laten; en hoe zij hem voorbijstreek met zijne dochter aan den arm.
Dombey was een deftig schouwspel in zijne staatsie achter de karaffen; de directeur met het gele vest was een jammerlijk schouwspel, in zijne eenzaamheid bij het ledige eind van de tafel; de majoor was een militair schouwspel, terwijl hij anekdoten van den Hertog van York vertelde aan zes van de zeven bedeesde heeren (de te voren zoo stoute hield zich achteraf); de directeur van de Bank was een nederig schouwspel, gelijk hij eene groep van bewonderaars zat te beduiden hoe hij zijn ananaskasje had laten inrichten en met dessertmessen een plan daarvan maakte; en neef Feenix was een schouwspel van peinzend nadenken, gelijk hij zijne breede mouwboorden gladstreek en tersluiks zijne pruik rechtzette. Maar dit geheele schouwspel was kort van duur, daar men weldra afbrak om koffie te drinken en naar boven te gaan.
Daar boven in de staatsievertrekken heerschte een gewoel, dat met ieder oogenblik toenam; maar nog scheen Dombey’s lijst van gasten eene aangeborene onmogelijkheid te hebben, om zich met die van mevrouw Dombey te vermengen, en niemand had kunnen twijfelen tot welke lijst iemand behoorde. De eenige uitzondering op dezen regel was misschien Carker, die onder het gezelschap zijn glimlach vertoonde, en terwijl hij in den kring stond, die zich om mevrouw Dombey verzameld had—oplettend op haar, op zijn patroon, op Cleopatra en den majoor, op Florence en alles in het rond—met beide soorten van gasten op zijn gemak scheen te zijn, zonder een kenteeken te hebben dat hij uitsluitend tot een van die soorten behoorde.
Florence had een angst voor hem, die zijne tegenwoordigheid bijna onuitstaanbaar voor haar maakte. Zij kon die echter niet vergeten, want telkens werden hare oogen door een onweerstaanbaar gevoel van wantrouwen en tegenzin naar hem toegetrokken. Evenwel waren hare gedachten met andere dingen bezig, want terwijl zij daar stil zat—niet omdat zij niet bewonderd of opgezocht werd, maar in de zachtheid van haar stillen geest—gevoelde zij wel hoe weinig deel haar vader had aan alles wat er omging, en zag zij met smart hoe slecht hij op zijn gemak scheen te zijn, hoe weinig acht men op hem gaf terwijl hij bij de deur stond te wachten naar die gasten, welke hij met bijzondere beleefdheid wenschte te onderscheiden, en die hij dan naar zijne vrouw bracht en presenteerde, welke hen met trotsche koelheid ontving, zonder eenige belangstelling of zucht om te behagen te toonen, en na de kale ceremonie der receptie, geen woord meer sprak om hem genoegen te geven of zijne vrienden te verwelkomen. Het was voor Florence niet te minder bevreemdend en smartelijk, dat zij, die zoo handelde, haar zoo vriendelijk behandelde, dat het aan haar kant ondankbaar scheen thans op te merken wat er voor hare oogen plaats had.
Gelukkig zou het voor Florence geweest zijn als zij haar vader had mogen opbeuren, al was het maar met een blik; en gelukkig was zij waarlijk dat zij de voornaamste reden van zijn ongenoegen weinig vermoedde. Zij durfde echter niet laten blijken, dat zij wist dat hem iets hinderde, uit vrees dat hij dit kwalijk zou nemen; en zoo verdeeld tusschen hare neiging voor hem en hare dankbare genegenheid voor Edith, durfde zij hare oogen bijna niet naar een van beiden opslaan. Bekommerd en ongerust voor beiden, kwam de gedachte bij haar op, dat het misschien goed voor hem zou geweest zijn als dat gerucht van tongen en gescharrel van voeten daar nooit gekomen was—als de oude dofheid en somberheid nooit door pracht en glans waren vervangen—als het verwaarloosde kind nooit in Edith eene vriendin had gevonden, maar vergeten en onbeklaagd haar eenzaam leven had voortgezet.
Mevrouw Chick dacht ook eenigszins zoo, maar bleef daarbij niet zoo kalm. De goede vrouw was vooreerst beleedigd, dat zij geene uitnoodiging voor het diner had ontvangen. Toen zij dit gedeeltelijk te boven was gekomen, had zij groote onkosten gemaakt om zich met zulk eene pracht voor mevrouw Dombey te vertoonen, dat zij deze dame geheel moest verblinden, en mevrouw Skewton, bergen hoog, met schaamte beladen.
“Maar men telt mij even weinig als Florence,” zeide mevrouw Chick tot haar echtgenoot. “Wie neemt er de minste notitie van mij? Niemand!”—“Niemand, lieve,” zeide Chick, tevreden toestemmend. Hij had zich naast zijne vrouw tegen de deur gezet, en was zelfs daar in staat zich te troosten met zachtjes te fluiten.—“Schijnt het wel dat men mij hier noodig had?” riep mevrouw Chick met vlammende oogen uit.—“Neen, lieve, dat schijnt het zeker niet,” antwoordde haar echtgenoot.—“Paul is gek!” zeide mevrouw Chick.
Mijnheer Chick floot.
“Als gij geen monster zijt, dat ik somtijds waarlijk geloof,” hervatte mevrouw Chick met openhartigheid, “zit dan daar geen deuntjes te neuriën. Hoe iemand, die maar eenigszins het gevoel van een man heeft, die schoonmoeder van Paul kan zien, zoo gekleed als zij is, en zooals zij zich aanstelt met dien majoor Bagstock, dien wij, met andere kostbaarheden, ook al aan uwe Lucretia Tox te danken hebben....”—“Mijne Lucretia Tox, lieve vrouw!” zeide Chick met verbazing.—“Ja,” antwoordde mevrouw Chick, zeer barsch en streng, “uwe Lucretia Tox—ik zeg, hoe iemand die schoonmoeder van Paul kan zien, en die hoogmoedige vrouw van Paul, en die indecente, leelijke oude wijven met hare ruggen en schouders, kortom, dat alles hier, en zitten neuriën,” op welk woord zij een smadelijken nadruk legde, die haar man deed schrikken, “is, den hemel zij dank, een raadsel voor mij.”
Chick zette zijn mond in eene plooi dat hij onmogelijk fluiten of neuriën kon, en keek zeer ernstig.
“Maar ik hoop te weten wat ik mij zelve verschuldigd ben,” zeide mevrouw Chick, van verontwaardiging zwellende, “hoewel Paul vergeten heeft wat hij mij verplicht is. Ik zal hier niet blijven zitten, een lid van zijne familie, zonder dat er notitie van mij wordt genomen. Ik ben nog geen slijk onder mevrouw Dombey’s voeten—nog niet,” zeide mevrouw Chick, alsof zij dat tegen overmorgen dacht te worden. “En ik ga heen. Ik zal niet zeggen (wat ik ook denken mag) dat die geheele partij is aangelegd alleen om mij te vernederen en te beleedigen. Maar ik ga heen. Ik zal niet gemist worden.”
Mevrouw Chick stond met deze woorden stokstijf op, en nam den arm van haar man, die haar de kamer uitleidde, nadat zij daar een half uur in de schaduw hadden gezeten. Om hare schranderheid recht te doen moet het worden aangemerkt, dat zij inderdaad geheel niet gemist werd.
Zij was niet de eenige ontevredene onder de gasten; want Dombey’s lijst (steeds in wederwaardigheden) was en corps misnoegd op de lijst van mevrouw Dombey, omdat de leden daarvan door lorgnetten naar hen keken en zich hoorbaar verwonderden wie al die menschen waren, terwijl de lijst van mevrouw Dombey over verveling klaagde, en het jonge dingetje met de schouders, van de oplettendheden van den vroolijken jonkman neef Feenix beroofd (want deze was van tafel naar huis gegaan) aan dertig of veertig vrienden en vriendinnen in vertrouwen mededeelde, dat zij zich nog dood zou geeuwen. Al de oude dames met vrachten op het hoofd hadden meer of minder reden van klagen over mevrouw Dombey; en de directeuren en presidenten stemden overeen in de gedachte dat, als Dombey trouwen moest, hij beter zou gedaan hebben als hij eene vrouw had getrouwd die meer zijne gelijke in jaren was, niet zoo mooi was, en er wat beter in zat. Het algemeene gevoelen onder deze klasse van heeren was, dat het eene dwaasheid van Dombey was, en het hem nog eens zou berouwen. Bijna niemand, behalve de bedeesde heeren, was er, die bleef of heenging zonder zich door Dombey of mevrouw Dombey veronachtzaamd of beleedigd te achten; en het sprakelooze vrouwelijke wezen met den zwart fluweelen hoed was, gelijk men naderhand bevond, zoo stom geworden omdat de dame in het rood fluweel vóór haar naar de tafel was geleid. Zelfs de zachtzinnigheid der bedeesde heeren werd verzuurd, hetzij door te veel limonade of door het besmettelijke van den algemeenen geest, en zij maakten in afgelegene hoekjes spottende grappen met elkander, en fluisterden elkander op de trap hunne minachtende afkeuring toe. De algemeene onbehaaglijkheid en onvergenoegdheid verspreidden zich zoozeer, dat de verzamelde lakeien in het voorhuis er evengoed mede bekend waren als het gezelschap boven. Zelfs de fakkeldragers buiten kregen er weet van, en vergeleken de partij bij een begrafenistrein buiten den rouw, waarvan ieder wist dat hij niet in het testament stond.
Eindelijk waren de gasten allen verdwenen en de fakkeldragers ook; de straat, zoolang met koetsen verstopt, was weder vrij, en de afgebrande kaarsen in de kamer beschenen niemand dan Dombey en Carker, die afzonderlijk met elkander spraken, en mevrouw Dombey en hare moeder; de eerste op eene ottomane gezeten, de laatste in hare Cleopatra-houding neergevleid en naar hare kamenier wachtende. Toen Dombey met Carker had gesproken, kwam de laatste onderdanig nader om afscheid te nemen.
“Ik vertrouw,” zeide hij, “dat de vermoeienis van dezen verrukkelijken avond mevrouw Dombey morgen niet zal hinderen.”—“Mevrouw Dombey,” zeide Dombey, voorwaarts komende, “heeft zich zelve van avond vermoeienis genoeg bespaard om u van alle bekommering van dien aard te ontheffen. Het spijt mij te moeten zeggen, mevrouw Dombey, dat ik wel gewenscht had dat gij u bij deze gelegenheid wat meer hadt vermoeid.”
Zij zag hem even aan met een blik van trotsche minachting. Het scheen haar niet de moeite waard te zijn dien blik te verlengen, en zij wendde zonder te spreken hare oogen af.
“Het spijt mij, mevrouw,” zeide Dombey, “dat gij het niet uw plicht hebt geacht...”
Zij zag hem nogmaals aan.
“Uw plicht hebt geacht, mevrouw,” herhaalde Dombey, “om mijne vrienden met wat meer beleefdheid te ontvangen. Sommige van hen, die gij goed gevonden hebt dezen avond op eene zeer in het oog loopende manier te veronachtzamen, mevrouw Dombey, bewijzen u eene onderscheiding, moet ik u zeggen, door u een bezoek te brengen.”—“Weet gij wel dat er iemand hier is?” antwoordde zij, hem nu strak aanziende.—“Neen, Carker! Ik verzoek u dat gij blijft. Ik dring er op aan dat gij blijft,” zeide Dombey, toen zijn dienaar stil wilde heengaan. “Mijnheer Carker, gelijk gij weet mevrouw, bezit mijn vertrouwen. Hij is met de zaak waarover ik spreek evenzeer bekend als ik. Ik verzoek u, tot uwe informatie, te mogen zeggen, mevrouw Dombey, dat ik het er voor houd dat die rijke en aanzienlijke personen mij eene onderscheiding bewijzen.” Daarbij richtte Dombey zich stijf op, als had hij hen thans tot den hoogsten rang verheven.—“Ik moet verzoeken,” zeide Carker, voorwaarts komende, “ik moet bidden en smeeken. Hoe gering en onbeduidend dit verschil ook is...”
Mevrouw Skewton, die het gezicht harer dochter had bespied, viel er hier op in.
“Mijne allerliefste Edith en mijn dierbaarste Dombey, onze uitmuntende vriend, mijnheer Carker, want zoo mag ik hem waarlijk wel noemen...”—“Al te veel eer,” prevelde Carker.—“Heeft juist de woorden gebruikt die ik in mijne gedachten had, en die ik al, ik weet niet hoelang, had willen zeggen, als ik er maar gelegenheid toe had gehad. Gering en onbeduidend! Mijne allerliefste Edith en mijn dierbaarste Dombey, wisten wij niet dat alle verschil tusschen u beiden—neen, Flowers, nog niet.”
Flowers was de kamenier, die, toen zij heeren aanwezig zag, haastig weder heenging.
“Dat alle verschil tusschen u beiden,” hervatte mevrouw Skewton, “met de hartelijkheid die gij gemeenschappelijk bezit en den schoonen band van gevoel die tusschen u bestaat, altijd gering en onbeduidend moet wezen? Welke woorden zouden die waarheid beter kunnen uitdrukken? Er zijn er geen. Het verheugt mij daarom deze beuzelachtige gelegenheid te kunnen waarnemen—deze kinderachtige gelegenheid, die zoo vol natuurlijkheid is en uwe karakters zoo aardig doet uitkomen—zoo wel berekend om eene moeder de tranen in de oogen te brengen—om te zeggen dat ik er volstrekt niet het minste gewicht aan hecht, behalve als kleine blijken van die kleine eigenaardigheden die ik bedoel, en dat ik, geheel het tegendeel van de meeste schoonmama’s—dat leelijke woord, mijn beste Dombey—gelijk men mij gezegd heeft dat zij in deze, vrees ik, al te onnatuurlijke wereld bestaan, nooit zal beproeven om bij zulk eene gelegenheid tusschen u in te komen, en zelfs niet veel spijt kan hebben als die kleine god—hoe heet hij ook weer—ik meen niet Cupido, maar dien anderen—zulke kuurtjes met zijne toorts speelt.”
De blik, dien de goede moeder onder het spreken op hare kinderen gevestigd hield, had eene scherpheid, die misschien aanduidde dat er een bepaald en wel begrepen oogmerk onder deze verwarde gezegden school. Dit oogmerk was, zich bij voorraad doof te verklaren voor alle gerammel van hunne keten, dat aanstaande was; zich voor alle gevolgen daarvan te vrijwaren door de fictie van haar onschuldig geloof aan hunne wederzijdsche genegenheid en hunne volmaakte geschiktheid voor elkander.
“Ik heb mevrouw Dombey,” zeide Dombey op zijn deftigsten toon, “zoo vroeg in ons huwelijksleven iets in haar gedrag aangewezen, dat ik afkeur, en dus verzoek dat verbeterd mag worden. Carker,” met een knikje om hem weg te zenden, “ik wensch u goedennacht.”
Carker boog voor de trotsche gestalte der jonge vrouw, wier schitterend oog op haar echtgenoot was gevestigd; bleef in het heengaan even voor Cleopatra staan, en hief de hand, die zij hem gunstig toereikte, met nederige hulde naar zijne lippen op.
Indien zijne schoone vrouw, nu zij alleen waren, (want Cleopatra had zich met allen spoed verwijderd) hem verwijten had gedaan, of maar haar gezicht had vertrokken, of het stilzwijgen, dat zij bleef bewaren, met een enkel woord afgebroken, zou Dombey wel in staat zijn geweest om haar te beduiden dat hij gelijk had. Maar de diepe, onuitsprekelijke verachting, waarmede zij, na hem te hebben aangezien, hare oogen neersloeg, alsof hij haar te onverschillig en te weinig waardig was om een enkel woord met hem te wisselen—de smadelijke trotschheid waarmede zij daar voor hem zat—de koele, onbuigzame vastheid waarmede elke trek van haar gelaat scheen aan te duiden dat zij hem geheel ter zijde zette—daartegen wist hij geen raad; en hij ging heen, terwijl zij nog al hare fiere schoonheid aanwendde om hem eene verpletterende minachting te toonen.
Was hij laf genoeg om haar een uur later te bespieden op de oude trap, die hij Florence eens met Paul had zien opzwoegen? Of was hij daar toevallig in het donker, toen hij, omhoogziende, haar met licht uit de kamer zag komen waar Florence sliep, en dat gezicht, dat hij niet kon doen bewegen, zoo veranderd zag?
Maar het kon nooit zoo veranderen als zijn eigen deed. Het kende, zelfs op het toppunt van trots en hartstochtelijkheid, nooit de schaduw, welke, in dien donkeren hoek, op den avond zijner terugkomst en nog dikwijls naderhand, op het zijne was gevallen, en nu nog donkerder werd, terwijl hij naar boven keek.
XXXVII. WAARSCHUWINGEN
Florence, Edith en mevrouw Skewton waren des anderen daags bij elkander; en het rijtuig stond voor de deur te wachten, waarmede zij een toertje zouden doen. Want Cleopatra had nu weder hare galei, en Withers, niet bleek meer, stond, met een gewatteerd dicht toegeknoopt buisje en eene militaire broek, bij den maaltijd achter haar stoel zonder wielen en behoefde niet meer te duwen. Zijn haar blonk van pommade in die donzen dagen, en hij droeg cabretleeren handschoenen en rook naar eau de cologne.
Zij waren in Cleopatra’s kamer bijeen. Deze Slang van den ouden Nijl (het zij zonder oneerbiedigheid gezegd) rustte op hare sofa en slurpte hare ochtendchocolade (tegen drie uur in den namiddag) en Flowers de kamenier maakte hare jeugdige kraagjes en kantjes vast en kroonde haar met een hoedje van perzikkleurig fluweel, waarop de kunstrozen buitengemeen fraai wuifden, wanneer hare beverigheid, als een suizelend windje, er mede speelde.
“Ik geloof dat ik van morgen een beetje zenuwachtig ben, Flowers,” zeide mevrouw Skewton. “Mijne hand beeft.”—“Gij waart gisteren de ziel van de partij, mevrouw, dat weet ge,” antwoordde Flowers, “en gij moet er vandaag voor boeten, dat ziet ge.”
Edith, die Florence naar het venster had gewenkt en naar buiten keek, met haar rug naar het toilet harer hooggeachte moeder gekeerd, deinsde eensklaps van het raam terug, alsof het gebliksemd had.
“Mijn allerliefst kind,” zeide Cleopatra kwijnend, “gij zijt immers niet zenuwachtig? Zeg mij toch niet, lieve Edith, dat gij, die zoo benijdenswaardig bedaard zijt, ook al eene martelares begint te worden, evenals uwe moeder met haar ongelukkig gestel. Withers, is er iemand aan de deur?”—“Kaartje, mevrouw,” zeide Withers, het naar mevrouw Dombey brengende.—“Ik ga uit,” zeide zij, zonder er naar te zien.—“Maar liefje,” zeide mevrouw Skewton, “hoe wonderlijk zulk eene boodschap te geven zonder naar den naam te zien. Geef het hier, Withers! Heere, mijn liefje—en dat wel mijnheer Carker! Die alleraardigste man!”—“Ik ga uit,” herhaalde Edith, op zulk een gebiedenden toon, dat Withers, naar de deur gaande, den knecht, die daar stond te wachten, even gebiedend overbracht: “Mevrouw Dombey gaat uit. Pak je weg,” en hem de deur voor den neus dicht deed.
Maar kort daarop kwam de knecht terug en fluisterde met Withers, die daarop, niet zeer gewillig, nog eens naar mevrouw Dombey ging.
“Als het u belieft, mevrouw, mijnheer Carker laat wel zijn compliment doen, en verzoekt u een oogenblikje te mogen spreken, als gij eenigszins kunt—over zaken, als het u belieft.”—“Waarlijk, liefje,” zeide mevrouw Skewton op haar zachtsten toon, want het gezicht harer dochter stond dreigend, “als gij mij een woordje woudt laten spreken, zou ik aanraden...”—“Laat hem hier komen,” zeide Edith. Toen Withers verdwenen was, vervolgde zij, zich met een donker gelaat naar hare moeder omkeerende: “Daar hij op uwe recommandatie komt, laat hij dan ook in uwe kamer komen.”—“Mag ik—zal ik niet heengaan?” zeide Florence haastig.
Edith knikte van ja, maar toen Florence naar de deur ging kwam haar de onwelkome bezoeker reeds tegen. Met dezelfde onaangename mengeling van gemeenzaamheid en verschooning, waarmede hij haar het eerst had aangesproken, deed hij dit nu op zijn zachtsten toon—hoopte dat zij heel wel was—behoefde dit niet te vragen met zulk een uitzicht, dat het antwoord voorkwam—had gisteravond bijna de eer niet van haar te kennen, zoo was zij veranderd—en hield de deur voor haar open om heen te gaan, met eene geheime bewustheid van zijn vermogen om haar voor hem te doen beven, hetwelk hij met al de onderdanigheid en beleefdheid zijner manieren niet geheel kon verbergen.
Toen boog hij zich voor een oogenblik over mevrouw Skewton’s goedgunstige hand, en maakte eindelijk eene buiging voor Edith. Zij beantwoordde koeltjes zijn groet zonder hem aan te zien; en zonder zich neer te zetten of hem te verzoeken dit te doen, wachtte zij af dat hij zou spreken.
Hoewel zij zich in haar trots had verschanst en al de onverzettelijkheid van haar geest in de wapens geroepen, werd zij toch verzwakt en belemmerd door hare oude overtuiging, dat deze man haar en hare moeder van hunne eerste kennismaking af had doorgrond en van hare slechtste zijde gekend; dat elke vernedering, die zij in hare eigene oogen had geleden, hem even duidelijk zichtbaar was als haar zelve; dat hij haar leven las alsof het een schandelijk boek was, en de bladeren daarvan voor haar liet fladderen door eenige wijzigingen van toon en blik, die niemand anders kon ontdekken. Hoe fier zij ook daar voor hem stond, met haar gebiedend voorkomen zijne nederigheid eischende, hem met smadelijk opgetrokken lip terugstootende, innerlijk vergramd over zijn indringen, en stuursch met de donkere wimpers den glans harer oogen omsluierend, opdat geen straal van hun licht hem beschijnen mocht—en zoo onderdanig als hij daar stond, met eene houding die een smeekend beklag over onverdiende mishandeling, maar te gelijk eene volkomene onderwerping aan haar wil uitdrukte—wist zij, in het binnenste harer ziel, dat de verhouding omgekeerd was, dat de overmacht en de zegepraal aan zijn kant bleven, en dat hij dit ook wel wist.
“Ik ben zoo vrij geweest,” zeide Carker, “om een onderhoud te verzoeken, en te laten weten dat ik over zaken kwam spreken, omdat...”—“Misschien zijt gij door mijnheer Dombey met eene boodschap belast om mij te berispen,” zeide Edith. “Gij bezit mijnheer Dombey’s vertrouwen in zulk een buitengewonen trap, mijnheer, dat het mij niet zou verwonderen als dit het geval was.”—“Ik heb geheel geen boodschap aan de dame die zijn naam tot luister strekt,” antwoordde Carker. “Maar ik wilde die dame voor mij zelven bidden, om billijk te zijn voor iemand die zich allernederigst op hare billijkheid beroept—een volstrekte afhangeling van mijnheer Dombey—dat eene nederige positie is: en te denken hoe geheel onschuldig ik gisteravond was, en hoe onmogelijk het mij was het aandeel te vermijden dat mij in een zeer pijnlijk tooneel werd opgedwongen.”—“Lieve Edith,” zeide Cleopatra zacht, terwijl zij haar lorgnet op zijde hield, “inderdaad charmant van mijnheer—hoe heet hij ook weer? En zoo hartelijk!”—“Want ik ben zoo vrij,” zeide Carker, met een blik van dankbare onderdanigheid naar mevrouw Skewton omziende, “het een pijnlijk tooneel te noemen, schoon alleen omdat het dat voor mij was, die het ongeluk had van er tegenwoordig te zijn. Zulk een gering verschil als tusschen de hoofdpersonen van dat tooneel—personen die elkander met belangelooze genegenheid beminnen, en alles voor elkander zouden opofferen—is niets. Gelijk mevrouw Skewton gisteravond met zooveel waarheid en gevoel gezegd heeft—het is niets.”
Edith kon hem niet aanzien, maar zeide na eenige oogenblikken:
“En uwe zaak nu, mijnheer...”—“Edith, mijn liefje,” viel mevrouw Skewton er op in. “Al dien tijd blijft mijnheer Carker staan! Mijn lieve mijnheer Carker, ga toch zitten, verzoek ik u.”
Hij gaf de moeder geen antwoord, maar vestigde zijne oogen op de trotsche dochter, alsof hij alleen door haar wilde bevolen worden, en zich ook voorgenomen had dat zij dit zou doen. Haars ondanks zette Edith zich neer, en wees hem, door eene geringe beweging harer hand, om ook te gaan zitten. Geene beweging kon trotscher, koeler, ja zelfs door het opzettelijk minachtende daarvan beleedigender zijn; maar zelfs tegen deze inschikkelijkheid had zij vruchteloos geworsteld, en zij was haar afgeperst. Dit was genoeg. Carker zette zich neer.
“Mag het mij vergund wezen, mevrouw,” zeide Carker, zijne witte tanden naar mevrouw Skewton keerende, alsof zij een licht waren—“eene dame van uw voortreffelijk verstand en fijn gevoel zal mij zeker wel goede redenen daarvoor willen toeschrijven—om datgene, wat ik te zeggen heb, tot mevrouw Dombey alleen te richten, en het haar over te laten om het aan u mede te deelen, die haar het naaste en dierbaarste zijt—na mijnheer Dombey?”
Mevrouw Skewton had willen heengaan, maar Edith hield haar tegen. Edith zou ook hem gestuit hebben en met verontwaardiging gelast om openlijk te spreken of in het geheel niet, als hij niet zeer zacht had gezegd: “Jufvrouw Florence—de jonge dame die zoo even de kamer is uitgegaan...”
Edith liet hem voortspreken. Zij zag hem nu aan. Toen hij zich vooroverboog om dichter bij haar te wezen, maar met allen schijn van kieschheid en eerbied, en zijne witte tanden liet blinken, met een overredend glimlachje, alsof hij zich met zijne nederigheid wilde verontschuldigen, was het haar te moede alsof zij hem had kunnen doodslaan.
“Jufvrouw Florence’s positie,” begon hij, “is zeer ongelukkig geweest. Ik gevoel het moeielijke om er u van te spreken, daar uwe gehechtheid aan haar vader u natuurlijk scherp doet letten op ieder woord dat op hem wordt toegepast.”
Altijd duidelijk en zacht in zijn spreken, zou geene taal zijne duidelijkheid en zachtheid kunnen beschrijven, toen hij dit gezegde uitte, of als hij aan andere dergelijke kwam.
“Maar als iemand, die insgelijks, hoewel op eene verschillende wijs, aan mijnheer Dombey is verkleefd, en wiens leven in bewondering van mijnheer Dombey’s karakter wordt gesleten, mag ik, zonder uwe teederheid als vrouw te kwetsen, toch wel zeggen, dat jufvrouw Florence ongelukkig verwaarloosd is geworden. Mag ik zeggen door haar vader zelf?”—“Dat weet ik,” zeide Edith.—“Gij weet het!” zeide Carker, met eene in het oog loopende vertooning alsof hij zich zeer verlicht gevoelde. “Dat neemt mij een berg van het hart. Mag ik hopen dat gij ook weet waaruit die verwaarloozing ontstaan is—uit welken beminnelijken trek van mijnheer Dombey’s hoogmoed—karakter, wil ik zeggen?”—“Dat kunt gij wel overslaan, mijnheer,” antwoordde zij, “om des te eerder aan het eind te komen van wat gij te zeggen hebt.”—“Ik ben waarlijk bewust, mevrouw,” hervatte Carker, “geloof mij, ik ben diep bewust, dat mijnheer Dombey bij u in geenerlei opzicht eenige rechtvaardiging noodig heeft. Maar wees zoo goed om naar uw eigen hart over het mijne te oordeelen, en gij zult mijne belangstelling in hem wel vergeven, als zij somtijds door overmaat eenigszins op een dwaalspoor geraakt.”
Welk eene marteling voor haar trotsch gemoed, daar tegenover hem te zitten en te moeten dulden, dat hij haar nogmaals haar valschen eed aan het altaar voor de oogen hield, en haar opdrong, als een droesem van een walgelijken beker, waarvoor zij haar afkeer niet kon bekennen en het hoofd niet kon omdraaien. Hoe woelden schaamte, wroeging en gramschap in hare borst, terwijl zij, trotsch opgericht in hare statige schoonheid voor hem gezeten, toch wist dat zij in haar geest voor zijne voeten lag!
“Jufvrouw Florence,” zeide Carker, “aan de zorg—als men het zorg mag noemen—van dienstboden en huurlingen overgelaten, die in alle opzichten beneden haar waren, had in hare jongere jaren een gids noodig gehad, en is natuurlijk uit gebrek daaraan wel eens onvoorzichtig geweest, zoodat zij somtijds haar stand vergat. Zoo is er eene gekheid geweest met zekeren Walter, een gemeenen jongen, die nu gelukkig dood is, en daardoor kwam zij in zeer bedenkelijke betrekkingen, moet ik met leedwezen zeggen, tot zekere zeelieden, van alles behalve goeden naam, en een weggeloopen ouden bankroetier.”—“Ik heb die omstandigheden gehoord, mijnheer,” zeide Edith hem een vlammenden blik vol verontwaardiging toewerpende, “en ik weet dat gij ze verdraait. Misschien weet gij dat zelf niet. Ik hoop zoo.”—“Verschooning,” zeide Carker. “Ik geloof dat niemand ze zoo goed kent als ik. Uw edelmoedig en vurig karakter, mevrouw—hetzelfde karakter dat zich zoo edel laat gelden ter handhaving der eer van een beminden en vereerden echtgenoot, en dat hem zoo gelukkig heeft gemaakt als zelfs zijne verdiensten waardig zijn—moet ik eerbiedigen en er mij voor buigen. Maar wat die omstandigheden betreft, die eigenlijk de zaak zijn waarop ik de vrijheid wilde nemen uwe aandacht te vestigen, daaraan kan ik geen twijfel koesteren, omdat ik die juist, ter vervulling van eene taak, die mij als mijnheer Dombey’s vertrouwden vriend—vermeet ik mij te zeggen—was opgedragen, grondig heb onderzocht. Ter vervulling van die taak en uit die vurige belangstelling voor alles wat met hem in betrekking staat, welke gij zoozeer in staat zijt om te begrijpen, aangespoord, als gij zoo wilt (want ik vrees dat ik onder uw ongenoegen ben geraakt) door de lagere beweegreden om mijn ijver te toonen en mij daardoor aangenamer te maken, heb ik, zoowel zelf als door vertrouwde personen, die omstandigheden langen tijd nagegaan en ontelbare, tot in de kleinste bijzonderheden afdalende bewijzen daarvan.”
Zij hief hare oogen niet hooger op dan tot aan zijn mond, maar zij zag in elken tand hoe hij zich beroemde op de middelen om kwaad te stichten.
“Verschooning, mevrouw,” vervolgde hij, “als ik, in mijne verlegenheid, mij vermeet met u te komen raadplegen en naar uw goedvinden te vernemen. Ik meen te hebben opgemerkt, dat gij een buitengemeen belang in jufvrouw Florence stelt?”
Wat was er in haar dat hij niet had opgemerkt en niet wist? Vernederd en te gelijk gemarteld door die gedachte, telkens wanneer haar die, hoe bewimpeld ook, werd voorgehouden, drukte zij hare tanden in hare bevende lip om die te dwingen stil te blijven, en boog tot antwoord koel en stijf haar hoofd.
“Die belangstelling, mevrouw—zulk een treffend bewijs, dat alles, wat met mijnheer Dombey in eenige betrekking staat, u dierbaar is—noopt mij om mij wel te bedenken, eer ik hem met die omstandigheden bekend maak, waarvan hij tot nog toe niet verwittigd is. Zij doet mij, als ik dat mag bekennen, in zooverre wankelen in mijne hem verschuldigde trouw, dat ik, indien door u het minste verlangen in dit opzicht werd uitgedrukt, ze hem zou blijven verzwijgen.”
Edith hief snel haar hoofd op en vestigde een donkeren blik op hem. Hij beantwoordde dien met zijn zoetsappigsten en nederigsten glimlach en vervolgde:
“Gij zegt dat zij, gelijk ik ze beschreven heb, verdraaid zijn. Ik vrees van neen—ik vrees van neen; maar laten wij aannemen dat zij dit zijn. De ongerustheid, die ik sedert eenigen tijd over de zaak heb gekoesterd, ontstaat hieruit: dat reeds de enkele omstandigheid van zulk eene, dikwijls herhaalde, gemeenschap van den kant van jufvrouw Florence, hoe onschuldig ook, mijnheer Dombey, reeds tegen haar ingenomen, wel zou kunnen doen besluiten tot den maatregel—waaraan ik weet dat hij nu en dan gedacht heeft—om haar uit zijn huis te verwijderen. Heb geduld met mij, mevrouw, en denk aan mijn omgang met mijnheer Dombey en mijne ondergeschiktheid aan hem, bijna van mijne kindsheid af, als ik zeg dat, als hij een gebrek heeft, het eene fiere onbuigzaamheid is, in dien edelen trots en dat gevoel van macht geworteld, die hem eigen zijn en waarvoor wij allen moeten zwichten, eene onbuigzaamheid die niet, gelijk de hardnekkigheid van andere karakters, op eene of andere wijs aantastbaar is, en die van dag tot dag en van jaar tot jaar toeneemt.”
Nog hield zij haar blik op hem gevestigd; maar hoe strak zij dien ook wilde houden, trok zij hare neusgaten en bovenlip toch eenigszins op, en haalde zij eenigszins dieper adem, toen hij dien trek in het karakter van zijn patroon beschreef, waarvoor iedereen zich moest nederbuigen. Hij zag dit; en hoewel de uitdrukking van zijn gezicht niet veranderde, wist zij wel dat hij het zag.
“Zelfs zulk een gering voorval als dat van gisteravond,” zeide hij, “als ik nog eens daarop mag terugkomen, kan tot een voorbeeld dienen van hetgeen ik meen, beter dan iets van grooter belang. Dombey en Zoon kennen tijd noch plaats, en ontzien niets van dien aard. Maar ik verheug mij dat het is voorgevallen, daar het mij gelegenheid heeft verschaft om mevrouw Dombey vandaag over die zaak te spreken, zelfs al heeft het mij de straf van haar voorbijgaand ongenoegen berokkend. Mevrouw, in het midden van mijne ongerustheid en verlegenheid met die zaak, werd ik door mijnheer Dombey naar Leamington geroepen. Daar zag ik u. Daar kon ik niet nalaten te begrijpen welke betrekking gij eerlang ten zijnen aanzien zoudt bekleeden—tot zijn duurzaam geluk en het uwe. Daar besloot ik den tijd af te wachten dat gij hier thuis gevestigd zoudt zijn, en te doen wat ik nu gedaan heb. Ik ben in mijn hart niet bevreesd, dat ik in mijn plicht jegens mijnheer Dombey zal te kort schieten, als ik datgene, wat ik weet, in mijne borst begraaf; want waar bij twee personen maar één hart en éene ziel bestaat—gelijk in zulk een huwelijk—vertegenwoordigt de een bijna den ander. Ik kan dus mijn geweten bijna evenzeer geruststellen, door mij, over zulk een onderwerp, aan u te vertrouwen als aan hem. Om de door mij gemelde redenen zou ik u verkiezen. Mag ik op de onderscheiding hopen van te mogen gelooven dat mijn vertrouwen wordt aangenomen en ik van mijne verantwoording ben ontslagen?”
Lang onthield hij den blik dien zij hem gaf—wie kon dien zien en vergeten?—en den strijd in haar binnenste die daarop volgde. Eindelijk zeide zij:
“Ik neem het aan, mijnheer. Gij zult wel believen te begrijpen dat deze zaak hiermede is afgedaan en dat zij niet verder gaat.”
Hij boog zeer laag en stond op. Zij stond insgelijks op, en hij nam met alle nederigheid afscheid. Maar Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach; en toen hij op zijn paard met witte pooten heenreed, hielden de menschen hem voor een tandmeester, zulk eene vertooning maakte hij met zijn fraai gebit. De menschen hielden haar, toen zij weldra uitreed, voor eene groote dame, zoo gelukkig als zij rijk en schoon was. Maar zij hadden haar niet even te voren in hare kamer gezien toen er niemand bij haar was, en niet gehoord hoe zij de drie woorden uitsprak: “O Florence, Florence!”
Mevrouw Skewton, die op hare sofa rustte en hare chocolade slurpte, had niets gehoord dan het gemeene woord zaken, waarvan zij zulk een doodelijken afkeer had dat zij er nooit aan wilde denken, hetgeen ten gevolge had gehad, dat zij, met hare bekoorlijke maniertjes en hartelijkheid, verscheidene modemaaksters en andere winkeliers bijna had geruïneerd. Mevrouw Skewton vroeg dus niets en toonde geene nieuwsgierigheid. Buitenshuis gaf haar fluweelen hoedje haar genoeg te doen; want daar het achter op haar hoofd zat en het eenigszins winderig was, wilde het met alle geweld haar gezelschap ontvlieden; en toen het rijtuig gesloten en de wind gebannen was, speelde hare beverigheid weder met de gemaakte rozen, gelijk een armhuis-vol stokoude zephirs. Zoo had mevrouw Skewton genoeg met zich zelve te doen, en kon zij daar niet eens best mede voort.
Tegen den avond ging het niet beter; want toen mevrouw Dombey in hare kamer reeds geheel gekleed was en een half uur naar haar had gewacht, en Dombey zoo lang in het salon op en neer had gewandeld dat hij even wrevelig als deftig was geworden (zij zouden alle drie uit dineeren gaan) verscheen Flowers, de kamenier, met een bleek gezicht voor mevrouw Dombey, en zeide:
“Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar ik kan niets met mevrouw beginnen!”—“Wat meent gij?” vroeg Edith.—“Och, mevrouw,” antwoordde de verschrikte kamenier, “dat weet ik haast zelf niet. Zij trekt zulke gezichten.”
Edith haastte zich met haar naar haar moeders kamer. Cleopatra was geheel gekleed, met diamanten, korte mouwen, rouge, krullen, tanden en hare andere jeugdigheid geheel compleet; maar de beroerte die in aantocht was had zich niet laten bedriegen, had haar wel herkend als het doel harer zending, had haar voor haar spiegel getroffen; en daar lag zij nu als eene afschuwelijke, neergetuimelde pop.
Zij kleedden haar uit, van schaamte, en legden het weinigje, dat er van haar overbleef, in een bed. Dokters werden geroepen en kwamen spoedig aan. Krachtige middelen werden aangewend en de geneeskundigen waren van oordeel dat zij dezen stoot wel zou te boven komen, maar een tweeden niet overleven. Daar lag zij dagen lang sprakeloos naar den zolder te staren, somtijds een onverstaanbaar geluid ten antwoord gevende op de vraag of zij wist wie er bij haar waren, en dergelijke, somtijds door geene beweging of teeken, zelfs niet door hare strakke, nooit knippende oogen, aanduidende dat zij iets hoorde.
Eindelijk begon zij hare bewustheid te herkrijgen en ook eenigermate het vermogen om zich te bewegen, schoon nog niet om te spreken. Op zekeren dag kreeg zij het gebruik van hare rechterhand terug. Zij wees dit hare kamenier, die bij haar was, en zeer onrustig schijnende, maakte zij teekenen dat zij een potlood en papier verlangde. De kamenier verschafte haar dit oogenblikkelijk, denkende dat zij een testament wilde maken of een laatst verzoek opschrijven; en daar mevrouw Dombey van huis was, wachtte de kamenier met plechtige aandoening af wat hierop zou volgen.
Na veel moeielijk krabbelen en uitschrappen, en het zetten van verkeerde letters, die van zelf uit het potlood schenen te vallen, bracht de oude vrouw dit geschrift tot stand:
“Rosé gordijnen.”
Daar de kamenier, niet zonder reden, verbaasd bleef staan kijken, verbeterde Cleopatra haar opstel door er nog drie woorden bij te voegen, waarna men las:
“Rosé gordijnen voor de dokters.”
De kamenier begreep nu ten halve dat zij deze dingen verlangde om in de oogen der faculteit eene fraaiere kleur te hebben; en daar diegenen in huis, die haar best kenden, niet aan de gegrondheid dezer meening twijfelden, welke de zieke ook weldra zelve kon bevestigen, werden er rosé gordijnen om haar bed gehangen; en van dit uur nam zij met snelheid in beterschap toe. Weldra was zij in staat om op te zitten, met valsche krullen, een kanten mutsje, en een kunstblosje op de holle wangen.
Het was een akelig gezicht die oude vrouw zoo opgeschikt met den dood te zien koketteeren, en hare jeugdige kuurtjes voor hem spelen als ware hij de majoor geweest; maar eene verandering in haar geest, welke op die beroerte volgde, gaf evenveel stof tot nadenken en was even akelig.
Hetzij de verzwakking van verstand haar nog listiger en valscher deed worden, of haar in de war bracht tusschen datgene wat zij geveinsd had te zijn en wat zij werkelijk was geweest, dan of daardoor een flauw gevoel van wroeging bij haar was ontstaan, hetwelk niet krachtig genoeg was om zich duidelijk te vertoonen, maar zich ook niet geheel liet smoren, of wel dat bij den schok harer geestvermogens dat alles verward ondereengemengd was, hetgeen wel het waarschijnlijkst is, het gevolg was:—zij begon van Edith te vergen dat deze haar steeds de grootste liefde, dankbaarheid en oplettendheid zou bewijzen, zich zelve gedurig als eene allervoortreffelijkste moeder te prijzen, en zeer jaloersch te worden op elke mededingster in de genegenheid harer dochter. Verder, in plaats van zich de geslotene overeenkomst te herinneren om voortaan dat onderwerp te vermijden, sprak zij gedurig van haar dochters huwelijk als een bewijs dat zij eene allervoortreffelijkste moeder was, en dat alles met de wreveligheid, sufheid en verwardheid, die aan zulk een toestand eigen waren, en eene bittere beschimping van hare gemaakte levendigheid en jeugdigheid schenen te zijn.
“Waar is mevrouw Dombey?” zeide zij zoo tot hare kamenier.—“Uitgegaan, mevrouw.”—“Uitgegaan! Zou zij uitgaan om hare mama te mijden, Flowers?”—“Wel heere neen, mevrouw. Mevrouw Dombey is maar uitgegaan om met jufvrouw Florence een toertje te doen.”—“Jufvrouw Florence! Wie is jufvrouw Florence? Praat mij niet van jufvrouw Florence. Wat is jufvrouw Florence voor haar, bij mij vergeleken?”
Het uitstallen harer diamanten of het vertoonen van haar nieuw fluweelen hoedje (zij zat met dat hoedje op om bezoek te ontvangen, weken voor dat zij de deur uit kon komen) of het aanpassen van een of ander sieraad, stuitte gewoonlijk de tranen die dan begonnen te vloeien; en zij bleef weltevreden tot Edith naar haar kwam zien, wanneer een blik op dat trotsche gelaat haar weder mismoedig deed worden.
“Wel, heb ik toch ooit, Edith!” zeide zij dan, en schudde haar hoofd.—“Wat scheelt er aan, moeder?”—“Schelen! Ik weet zelf haast niet recht waar het aan scheelt. De wereld is zoo onnatuurlijk en ondankbaar geworden, dat ik begin te denken dat er geheel geene hartelijkheid meer in is. Withers is meer een kind voor mij dan gij zijt. Hij let veel meer op mij dan mijne eigene dochter. Ik wenschte haast dat ik er zoo jeugdig niet uitzag, dan zou ik misschien meer geacht worden.”—“Wat zoudt ge dan willen hebben, moeder?”—“Och, heel veel, Edith!” ongeduldig.—“Hebt gij iets noodig dat gij niet hebt? Zoo ja, dan is het uwe eigene schuld.”—“Mijne eigene schuld!” op een huilenden toon. “Zulk eene moeder als ik voor u geweest ben, Edith—u van uw wiegje af tot mijne vriendin gemaakt! En nu gij mij verwaarloost, en niet meer natuurlijke liefde voor mij hebt dan alsof ik eene vreemde was—niet de twintigste part van de genegenheid die gij voor Florence hebt—maar ik ben maar uwe moeder en zou haar in één dag bederven!—verwijt ge mij dat het mijne eigene schuld is.”—“Moeder, moeder, ik verwijt u niets. Waarom wilt gij altijd daarop terugkomen?”—“Is het niet natuurlijk dat ik er op terugkom, daar ik geheel gevoel en teerhartigheid ben, en altijd op de wreedste manier word gekwetst, als gij mij maar aanziet?”—“Ik heb geen opzet om u te kwetsen, moeder. Weet gij niet meer wat er tusschen ons is afgesproken? Laat het verledene rusten.”—“Ja rusten! En laat dankbaarheid voor mij ook rusten; en laat liefde voor mij ook rusten; en laat mij ook maar rusten in mijne uit den weg geschoven kamer zonder gezelschap of afleiding, terwijl gij nieuwe betrekkingen hebt om werk van te maken, die toch niet de minste aanspraak op u hebben! Wel goede hemel, Edith, weet gij wel van welk eene rijke huishouding gij nu het hoofd zijt?”—“Ja. Stil toch!”—“En die allerfatsoenlijkste man, Dombey! Weet gij wel dat gij met hem getrouwd zijt, en dat gij eene positie, een rijtuig en een vast inkomen hebt, en ik weet niet wat al meer?”—“Ja zeker, moeder; dat weet ik waarlijk wel.”—“Zooals gij ook zoudt gehad hebben met dien allerbesten man—hoe heette hij ook weer?—Granger—als hij niet gestorven was. En aan wie hebt gij dat te danken, Edith?”—“Aan u, moeder; aan u.”—“Sla dan uwe armen om mijn hals en geef mij een kus; en toon mij, Edith, dat gij wel weet dat er nooit beter mama is geweest dan ik voor u ben. En laat mij niet een schrik van leelijkheid worden door mij over uwe ondankbaarheid te kwellen, of als ik weder in gezelschap kom, zal geen mensch mij meer kennen, zelfs niet die hatelijke majoor.”
Maar somtijds wanneer Edith dichter bij haar kwam, en haar statig hoofd buigende, hare koude wang tegen die harer moeder drukte, week deze terug alsof zij bang voor haar was, en begon te beven en te roepen dat zij niet recht meer wist wat zij deed. En somtijds bad zij haar nederig om op een stoel naast haar bed te komen zitten, en staarde zij haar dan aan met een gezicht dat zelfs de rosé gordijnen niet anders dan angstig en woest konden maken.
De rosé gordijnen bloosden, na verloop van tijd, over Cleopatra’s lichamelijk herstel, en over haar toilet—jeugdiger dan ooit, om de verwoesting te herstellen welke hare ziekte had aangericht—en over het rouge, en de tanden, en de krullen, en diamanten, en de korte mouwen, en de geheele garderobe der pop, die voor den spiegel was neergetuimeld. Zij bloosden ook nu en dan over eene onduidelijkheid in hare spraak, die zij met een meisjesachtig gegiggel poogde te verbergen, en over eene onvastheid van haar geheugen, dat even grillig en wonderlijk scheen te zijn als zij zelve was.
Maar nooit bloosden zij over eene verandering in de nieuwe manier waarop zij nu over hare dochter dacht en met haar sprak. En schoon de dochter dikwijls genoeg nabij hen kwam, bloosden zij nooit over een glimlach van kinderlijke liefde, die hare trotsche schoonheid verzachtte.
XXXVIII. JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP
De verlatene jufvrouw Tox, door hare vriendin Louisa Chick verzaakt, en geheel van Dombey’s gunst beroofd—want geen paar keurige kaartjes van huwelijkscommunicatie, met een zilveren draadje vereenigd, versierde den schoorsteenspiegel op Princess’s Place, of de piano, of een ander dier plaatsen van tentoonstelling, waar Lucretia met zulke schatten pronkte—gaf zich een tijd lang aan zwaarmoedigheid over. Zoolang werd de piano niet gehoord, werden de bloemen verwaarloosd en verzamelde zich het stof op het miniatuurtje van haar voorvader met het gepoeierde hoofd en het staartje.
Jufvrouw Tox was echter niet van een leeftijd of een karakter om zich lang aan nuttelooze droefheid over te geven. Slechts twee snaren der piano waren gesprongen toen de Vogelwals weder door het scheve voorkamertje klonk; slechts ééne geranium werd het slachtoffer van haar verzuim, eer zij weder geregeld elken morgen tusschen hare potten aan het tuinieren ging; de gepoeierde voorvader had niet langer dan zes weken onder een nevel van stof gescholen, toen jufvrouw Tox zijn vriendelijk aangezicht beademde en hem met een lapje zeem af boende.
Evenwel was jufvrouw Tox eenzaam en met zich zelve verlegen. Hare aandoeningen, op welke belachelijke manier zij die ook toonde, waren echt en krachtig, en zij was gelijk zij het uitdrukte, diep gekwetst door de onverdiende bejegening, die zij van Louisa had ontmoet. Haatdragendheid was echter iets dat in haar karakter geene plaats kon vinden. Indien zij op hare fleemerige manier door het leven was getrippeld zonder eenige bepaalde begrippen te vormen, was zij ook ten minste zoover gekomen zonder eenige bittere hartstochten te koesteren. Het enkele gezicht van Louisa Chick op straat, op een aanmerkelijken afstand, overweldigde hare weekhartigheid eens zoodanig, dat zij terstond bij een pasteibakker de wijk moest nemen, en daar, in een dompig achterkamertje, gewoonlijk aan het verorberen van soep gewijd, en waar eene vette etenslucht heerscht, haar gemoed verlichtte door onbedwongen uit te schreien.
Over Dombey gevoelde jufvrouw Tox dat zij bijna geene reden van klagen had. Zij koesterde voor de grootheid van dezen heer zulk een diepen eerbied, dat het haar, eens weder van hem verwijderd, te moede was alsof haar afstand altijd onmetelijk was geweest, en het eene uitstekende goedheid van hem geweest was, dat hij haar ooit had willen dulden. Geene vrouw kon, volgens hare meening, voor hem te schoon of te statig zijn. Het was zeer natuurlijk dat hij, als hij eene vrouw zocht, in de hoogste kringen zocht. Met tranen in de oogen drong jufvrouw Tox zich twintigmaal daags deze stelling op. Nooit herinnerde zij zich de stijve trotschheid, waarmede Dombey haar aan zijn gerief en zijne grillen dienstbaar had gemaakt, en haar goedgunstig had veroorloofd eene der oppassters van zijn zoontje te zijn. Zij bedacht alleen, met hare eigene woorden, “dat zij zeer vele gelukkige uren in dat huis had doorgebracht, waaraan zij altijd met streelend genoegen zou moeten denken, en dat zij nooit kon nalaten mijnheer Dombey voor een der waardigste en deftigste mannen te houden.”
Evenwel, afgesneden van de onverzoenlijke Louisa, en schuw voor den majoor (dien zij thans eenigszins begon te wantrouwen), vond jufvrouw Tox het zeer onaangenaam niets te weten van hetgeen er in Dombey’s huishouden omging; en daar zij werkelijk de gewoonte had aangenomen om Dombey en Zoon te beschouwen als de spil waarop de geheele wereld draaide, besloot zij, liever dan onkundig te blijven van dingen waarin zij zooveel belang stelde, hare oude kennis jufvrouw Richards weder op te zoeken, van welke zij, sedert hare laatste gedenkwaardige verschijning voor Dombey, wist, dat zij somtijds nog gemeenschap met zijne dienstboden hield. Misschien had jufvrouw Tox, toen zij de familie Toodle ging opzoeken, in hare borst ook het teedere verlangen verborgen, om iemand te hebben met welke zij over mijnheer Dombey kon praten, hoe nederig van stand die persoon dan ook mocht wezen.
Hoe dit zij, op zekeren avond richtte jufvrouw Tox hare schreden naar de woning der Toodle’s, juist op een tijd toen Toodle, gezwart en met asch bedekt, zich in den schoot van zijn gezin met theedrinken verkwikte. Toodle had slechts drie trappen van aanzijn. Hij zat zich òf in den zoo even gemelden schoot te verkwikken, òf hij vloog met eene vaart van vijf en twintig tot vijftig mijlen in het uur het land door, òf hij lag zijne vermoeienis uit te slapen. Hij was altijd in een wervelwind of in eene kalmte, en in beide toestanden was hij een vergenoegd, goedhartig en zachtzinnig man, die al zijn recht op blazen en bruisen aan de machines, welke hij stookte, scheen te hebben overgedaan, welke dan ook hijgden, snoven en proestten en hare krachten versleten, terwijl Toodle een vreedzaam, gelijkmatig leven leidde.
“Polly, meidlief,” zeide Toodle, met een jongen Toodle op elke knie, twee die voor hem thee schonken en nog een aantal in het rond—Toodle had nooit gebrek aan kinderen, maar hield er altijd genoeg bij de hand—“gij hebt Biler binnen kort niet gezien, hebt ge wel?”—“Neen,” antwoordde Polly. “Maar ik ben zoo goed als zeker dat hij van avond zal aankomen. Het is juist zijn dag vandaag en hij komt heel geregeld.”—“Ik denk,” zeide Toodle, met nog meer smaak voortkauwende, “dat onze Biler het tegenwoordig haast zoo goed maakt als een jongen het maken kan, niet waar, Polly?”—“O, hij maakt het heerlijk,” was het antwoord.—“En hij is niet achterhoudend geworden—is hij wel, Polly?” vroeg Toodle wederom.—“Neen!” antwoordde zijne vrouw stoutweg.—“Ik ben blij dat hij niet achterhoudend wordt,” zeide Toodle langzaam en bedenkelijk, terwijl hij brokken boterham met een knipmes naar binnen duwde, alsof hij zich zelven stookte; “want dat staat nooit goed—doet het wel, Polly?”—“Wel zeker niet, vader. Hoe kunt gij dat vragen?”—“Ziet ge wel, jongens en meisjes,” zeide Toodle, in het rond kijkende, “wat gij op eene eerlijke manier moogt beginnen of doen, ik ben van gedachten dat gij nooit beter dan rondborstig kunt zijn. Als gij ooit in doorsnijdingen of tunnels komt, speelt dan nooit schuilhoekje. Laat uwe fluit hooren en iedereen weten waar ge zijt.”
De opwassende Toodle’s lieten een schel gemurmel hooren, om aan te duiden dat zij den vaderlijken raad ter harte zouden nemen.
“Maar wat doet u dat zoo van Rob zeggen, vader?” vroeg zijne vrouw bekommerd.—“Polly, oudje,” antwoordde hij, “ik weet niet dat ik dat zoo bijzonder van Rob zeide. Het komt mij maar bij Rob in het hoofd. Als ik aan een zijtak kom, dan kijk ik den weg op, wat ik daar zie, en dan krijg ik daardoor een aantal gedachten in het hoofd eer ik weet waar zij vandaan komen. Iemands gedachten zijn net als een draaischijf; zij loopen naar alle kanten.”
Deze diepzinnige gedachte spoelde Toodle met eene kom thee door en bevestigde ze vervolgens met nog eene dikke boterham, ondertusschen zijne dochters gelastende om den trekpot vol te houden, daar hij ongemeen droog was en vrij wat kommetjes zou noodig hebben eer zijn dorst was gelescht.
Terwijl hij zijn eigen trek verzadigde, vergat Toodle echter de jeugdige spruiten om hem heen niet, die, hoewel zij hun avondeten reeds op hadden, nog naar afvalletjes stonden uit te kijken, die altijd nog beter smaakten. Deze deelde hij dan ook van tijd tot tijd rond, in de gedaante van groote hompen brood, die hij in het rond liet afbijten, terwijl hij ieder op zijne beurt met een lepel van zijne thee liet proeven; welke versnaperingen de jeugdige Toodle’s zoo bijzonder smaakten, dat zij telkens na het rondgaan der uitdeeling een vreugdedans uitvoerden, op een been hinkten, haasje-over sprongen, en zich aan andere springende vreugdeblijken overgaven. Nadat zij aldus hunne opgewondenheid hadden lucht gegeven, sloten zij langzamerhand weder een kring om den vader en bleven hem strak staan aankijken, hoewel zij veinsden niets meer van de boterhammen of de thee te verwachten, maar over geheel andere dingen vertrouwelijk onder elkander te fluisteren.
Terwijl Toodle zijne kinderen aldus een geducht voorbeeld van eetlust gaf, en tevens de twee jeugdige Toodle’s op zijne knieën met een expressen trein naar Birmingham bracht, trad Rob de Slijper met zijn flaphoed en zijn rouwpak binnen, en dadelijk stoven al zijne broertjes en zusjes naar hem toe.
“Wel, moeder, hoe gaat het?” zeide Rob, haar een kus gevende.—“Daar is mijn jongen!” zeide Polly, hem op den rug kloppende. “Achterhoudend! Wel Heere neen, vader, hij niet!”
Dit was voor baas Toodle in het bijzonder bestemd, maar Rob de Slijper, wiens geweten niet zuiver was, ving de woorden op.
“Wat, heeft vader alweer wat van mij gezegd?” riep de gekrenkte onnoozelheid uit. “Och, wat is het toch hard als een jongen eens een beetje los is geweest, dat zijn vader dat dan altijd achter zijn rug in zijn gezicht moet smijten. Het is genoeg,” zeide Rob, in zijne zielesmart tot zijne mouw de toevlucht nemende, “om te maken dat hij van spijt weer op hol gaat.”—“Mijn arme jongen!” zeide Polly. “Vader heeft er niets mee gemeend.”—“Als vader niets meende,” snikte de arme Slijper, “wat behoefde hij dan iets te zeggen, moeder? Niemand denkt half zoo slecht over mij als mijn eigen vader doet. Hoe onnatuurlijk! Ik wenschte dat iemand mij maar den kop afhakte. Vader zou dat niet kunnen schelen, geloof ik; en ik had veel liever dat hij dat deed dan dat andere.”
Op deze wanhopige woorden begonnen al de jeugdige Toodle’s te gillen; een aandoenlijk tooneel, waarvan de Slijper den indruk nog vergrootte door hen ironisch te bezweren om niet om hem te huilen, want dat zij een hekel aan hem moesten hebben als zij zoete kinderen waren, hetgeen de jongste Toodle op een na zoodanig trof, dat de adem hem begaf en hij zoo blauw in zijn gezicht werd, dat de oude Toodle hem van ontsteltenis naar de waterton droeg, en hem onder de kraan zou hebben gehouden, indien het gezicht van dit geneesmiddel hem niet had doen bekomen.
Toen het zoo erg liep, gaf baas Toodle eene opheldering, die zijn zoon tot kalmte bracht, waarna men elkander de hand gaf en de harmonie hersteld was.
“Wilt gij met mij mee doen, Biler, mijn jongen?” zeide zijn vader, met vernieuwde krachten aan zijn maaltijd gaande.—“Neen, vader, bedankt. Meester en ik hebben al samen thee gehad.”—“En hoe maakt het meester, Rob?” zeide Polly.—“Wel, ik weet het niet moeder; niet veel om op te roemen. Er gaat niets in den winkel om, ziet ge. Hij schijnt er ook niets van te weten, de kapitein. Er kwam nog vandaag een man in den winkel en zeide: “Ik heb een ge weet wel noodig,” een lang en wonderlijk woord was het. “Een wat?” zeide de kapitein. “Een zoo en zoo,” zeide de man. “Broertje,” zeide de kapitein toen, “wilt gij eens observatie doen in het rond?” “Wel,” zeide de man, “dat heb ik gedaan.” “En ziet gij niet wat gij noodig hebt?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Maar kent gij zulk een ding wel als gij het ziet?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Wel, dan zal ik u eerst wat zeggen, mijn jongen,” zeide de kapitein, “ga dan liever weerom en vraag hoe zulk een ding er uitziet, want ik weet het ook niet.””—“Dat is toch de manier niet om geld te verdienen, is het wel?” zeide Polly.—“Geld verdienen, moeder? Dat zal hij nooit. Hij is zoo wonderlijk als ik nooit iemand gezien heb. Als meester is hij evenwel zoo kwaad niet, dat moet ik van hem zeggen. Maar dat kan mij niet veel schelen, want ik denk niet dat ik lang bij hem zal blijven.”—“Niet in uwe betrekking blijven, Rob!” riep zijne moeder uit, terwijl baas Toodle zijne oogen wijd opendeed.—“Niet in die betrekking blijven, misschien,” zeide de Slijper knipoogende. “Het zou mij niet verwonderen—vrienden aan het hof, weet ge wel—maar vraag nu maar niet meer, moeder; ik weet wat ik weet, anders niet.”
Het onloochenbare bewijs, hetwelk deze geheimzinnige wenken gaven, dat Rob niet onderhevig was aan het gebrek dat zijn vader hem bewimpeld had toegeschreven, had misschien tot eene vernieuwing dier grievende beschuldiging en tot nieuwe opschudding kunnen leiden, als er niet, tot Polly’s groote verwondering, een ander bezoek was gekomen. Het was jufvrouw Tox, die in de deur bleef staan en met een minzaam glimlachje rondkeek.
Het goedige gezicht van jufvrouw Richards bood haar eene gulle welkomst; jufvrouw Tox nam den aangeboden stoel, op weg daarheen baas Toodle een vriendelijk knikje van herkenning schenkende, strikte haar hoed los, en zeide dat zij eerst de lieve kinderen moest verzoeken om haar van den eersten tot den laatsten een kus te komen geven.
De beklagenswaardige jongste Toodle op een na, die, naar de menigte zijner kinderlijke rampen te oordeelen, onder eene ongelukkige planeet geboren scheen, werd daardoor verhinderd in deze ceremonie zijne rol te spelen, dat hij Rob’s flaphoed (waarmede hij had gespeeld) juist zoo diep ten achterste voren had opgezet, dat hij hem niet weder kon afnemen; welk onheil zijne verschrikte verbeelding het akelige vooruitzicht voorhield om het overige van zijn leven in gestadige duisternis en hopelooze afzondering van zijne vrienden en familie te moeten slijten, en hem dus, onder het uiten van gesmoorde kreten, geweldig deed spartelen. Toen hij verlost was, ontdekte men een gloeiend rood en erg behuild gezicht, en nam jufvrouw Tox hem op haar schoot.
“Gij zijt mij haast vergeten, mijnheer, durf ik wel zeggen,” zeide jufvrouw Tox tot baas Toodle.—“Wel neen, jufvrouw; wel neen,” was het antwoord. “Maar wij zijn sedert allemaal een beetje ouder geworden.”—“En hoe gaat het u tegenwoordig?” vroeg jufvrouw Tox zoetsappig.—“Frisch en wel, jufvrouw, dankje,” antwoordde Toodle. “En hoe gaat het u, jufvrouw? Blijft de rheumatiek nog al weg, jufvrouw? Die moeten we toch wachten allemaal te krijgen, als wij op jaren komen.”—“Wel bedankt,” zeide jufvrouw Tox. “Ik heb nog geen ongemak van die kwaal gevoeld.”—“Dan zijt ge wel gelukkig, jufvrouw,” hervatte Toodle. “Vele menschen op uwe jaren zijn martelaren daaraan. Daar was mijne moeder....” Maar een wenk van zijne vrouw opvangende, was Toodle verstandig genoeg om het overige in nog eene kom thee te verdrinken.—“Gij wilt toch niet zeggen, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, Rob aanziende, “dat dit uw....”—“Mijn oudste is, jufvrouw!” zeide Polly. “Ja, dat is hij, jufvrouw. Dat kleine kereltje, dat de onschuldige oorzaak van zooveel is geweest.”—“Dit hier, jufvrouw,” zeide Toodle, “is hij met de korte beentjes, en zij waren,” vervolgde hij, met zekere aandoening in zijn toon, “buitengemeen kort voor eene korte leeren broek—toen mijnheer Dombey een Slijper van hem maakte.”
Deze herinnering overweldigde jufvrouw Tox bijna, en het onderwerp daarvan kreeg terstond iets bijzonder belangwekkends voor haar. Zij verzocht hem de hand te mogen geven, en maakte zijne moeder een compliment over zijn vrijmoedig, openhartig uitzicht. Rob, dit hoorende, poogde een gezicht te zetten dat deze lofspraak rechtvaardigde, maar het was eigenlijk het rechte gezicht niet.
“En nu, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en gij ook, mijnheer,” zich naar Toodle keerende, “zal ik u eens ronduit zeggen waarom ik hier ben gekomen. Gij zult wel weten, jufvrouw Richards—en gij zult mogelijk ook wel weten, mijnheer—dat er eene kleine verwijdering is ontstaan tusschen mij en eenige vrienden, waar ik veel aan huis placht te komen, en nu niet meer aan huis kom.”
Polly, die dit met vrouwelijke tact dadelijk begreep, gaf zulks met een blik te kennen. Toodle, die geen het minste denkbeeld had waar jufvrouw Tox van sprak, drukte dit insgelijks door zijn staren uit.
“Het is natuurlijk van geen belang, en er behoeft dus niet van gesproken te worden,” hervatte jufvrouw Tox, “hoe de kleine verkoeling is ontstaan. Het zal genoeg zijn als ik zeg, dat ik nog de grootste achting voor mijnheer Dombey heb,” hier haperde hare stem, “en het grootste belang stel in al wat hem aangaat.”
Toodle, nu ingelicht, schudde zijn hoofd en zeide, dat hij wel had hooren zeggen, en wat hem betrof ook zelf wel dacht, dat mijnheer Dombey een ongemakkelijk heerschap was.
“O, zeg dat niet, mijnheer, als het u belieft,” antwoordde jufvrouw Tox daarop. “Laat ik u mogen bidden om zoo niet te spreken, mijnheer, hetzij nu of later. Zulke aanmerkingen kunnen mij niet anders dan zeer smartelijk zijn, en kunnen ook een gentleman, die het hart zoo geplaatst heeft als ik overtuigd ben dat het uwe is, geene duurzame zelfvoldoening geven!”
Toodle, die er niet het minste aan had getwijfeld of zijn gezegde zou met eene toestemming worden beantwoord, was geheel verslagen.
“Al wat ik te zeggen heb, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en ik richt mij ook tot u, mijnheer—is dit. Dat alle berichten van de omstandigheden der familie, van het welzijn der familie, van de gezondheid der familie, die u ter oore komen, mij zeer welkom zullen zijn. Dat het mij altijd verheugen zal eens met jufvrouw Richards over de familie en den ouden tijd te keuvelen. En daar jufvrouw Richards en ik nooit het minste verschil hebben gehad (schoon ik nu wel wenschte dat wij elkander beter hadden gekend—maar ik heb daar geen schuld aan) hoop ik dat zij er niet tegen zal hebben dat wij nu heele goede vrienden worden, en dat ik nu en dan hier eens aankom zonder voor eene vreemde te worden gehouden. Ik hoop waarlijk, jufvrouw Richards, dat ge dit zult opvatten zooals ik het meen, als een goedhartig schepsel, gelijk gij altijd zijt geweest.”
Polly was hierdoor gevleid en liet dit ook blijken. Toodle wist niet of hij gevleid was of niet, en bewaarde zijne botte kalmte.
“Gij ziet wel, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox verder—“en ik hoop gij ziet het ook, mijnheer—er zijn vele manieren waarop ik u in kleinigheden van dienst kan zijn, en dat ook gaarne doen zal, als gij mij maar niet voor eene vreemde wilt houden. Bij voorbeeld, ik kan uwe kinderen wat leeren. Ik zal eenige boekjes meebrengen, als gij er niet tegen hebt, en wat werk, en dan zullen zij nu en dan op een avond leeren—o Heere, zij zullen heel veel leeren, vertrouw ik, en hunne meesteres eer aandoen.”
Toodle, die een grooten eerbied voor geleerdheid had, knikte zijne vrouw goedkeurend toe en wreef vergenoegd in zijne handen.
“Als ik dan voor geene vreemde word gehouden, zal ik niemand in den weg zijn,” vervolgde jufvrouw Tox, “en zal alles net zoo voortgaan alsof ik er niet was. Jufvrouw Richards zal naaien, of strijken, of haar kleintje helpen, of wat het ook wezen mag, zonder zich aan mij te storen; en gij zult ook eene pijp rooken, als gij er trek in hebt niet waar, mijnheer?”—“Bedankt, jufvrouw,” zeide Toodle. “Ja, ik zal tusschenbeiden eens opsteken.”—“Heel goed van u, dat zoo te zeggen, mijnheer,” antwoordde jufvrouw Tox, “en ik mag u nu oprecht verzekeren, dat het mij een groot genoegen zal zijn, en dat wat ik ook voor de kinderen zal mogen doen, gij er mij meer dan voor betalen zult, als gij goed willig en eenvoudig deze afspraak aanneemt, zonder er een woord meer over te zeggen.”
Het verdrag werd dadelijk bekrachtigd; en jufvrouw Tox gevoelde zich reeds zoo thuis, dat zij zonder uitstel een voorloopig examen van de kinderen hield—waarbij Toodle bewonderend toeluisterde—en hunne namen, jaren en kundigheden op een stukje papier aanteekende. Door deze ceremonie en het daaropvolgende gekeuvel werd de tijd gerekt tot na het gewone uur van naar bed gaan, en bleef jufvrouw Tox bij den haard der Toodle’s zitten, tot het te laat voor haar was om alleen naar huis te gaan. Daar echter de welgemanierde Slijper er nog was, bood hij beleefdelijk aan om haar te begeleiden; en daar het voor jufvrouw Tox wel iets van belang was naar huis gebracht te worden door een jongeling, die door mijnheer Dombey het eerst in dat mannelijke kleedingstuk was gestoken, waarvan zij zelden den naam uitsprak, nam zij dit voorstel gereedelijk aan.
Na Polly en Toodle de hand gegeven en al de kinderen gekust te hebben, verliet jufvrouw Tox, een uitmuntenden indruk nalatende, het huis met zulk een licht hart, dat mevrouw Chick er zich misschien over geërgerd zou hebben, als die goede vrouw het had kunnen wegen.
Rob de Slijper had uit bescheidenheid achter haar willen blijven, maar jufvrouw Tox verlangde dat hij naast haar zou gaan om met elkander te kunnen praten, en “hoorde hem onderweg eens wat uit,” gelijk zij naderhand tot zijne moeder zeide.
Bij dit uithooren kwam er zooveel moois voor den dag, dat jufvrouw Tox zeer met hem was ingenomen. Er was nooit beter en meer belovend, nooit hartelijker, degelijker, voorzichtiger, eerlijker, nuchterder, zachtzinniger en oprechter jonkman geweest, dan toen Rob zich op dien avond liet uithooren.
“Het doet mij waarlijk veel genoegen dat ik u ken,” zeide jufvrouw Tox, toen zij aan hare eigene deur gekomen was. “Ik hoop dat ge mij als uwe vriendin zult beschouwen en mij zoo dikwijls komen opzoeken als gij wilt. Hebt ge ook een spaarpot?”
“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob; “ik bewaar mijn geld, tegen dat ik genoeg heb om het in de bank te zetten, jufvrouw.”—“Zeer prijselijk,” zeide jufvrouw Tox. “Het doet mij genoegen dat te hooren. Steek er dan die halve kroon ook in, als het u belieft.”—“O, wel bedankt, jufvrouw,” antwoordde Rob, “maar ik kan er waarlijk niet aan denken om er u mee te ontrieven.”—“Ik prijs uwe zucht voor onafhankelijkheid,” zeide jufvrouw Tox; “maar gij ontrieft mij niet, dat verzeker ik u. Ik zal er boos om worden als gij ze niet aanneemt, als een bewijs van mijn goeden wil. Goedennacht, Robin.”—“Goedennacht, jufvrouw,” zeide Rob, “en wel bedankt.”
Hij liep grinnikend heen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. Maar in de Slijpersschool leerde men ook geen eergevoel; het daar heerschende stelsel was bijzonder geschikt om huichelarij aan te kweeken; zoozeer dat vele betrekkingen en meesters van gewezen Slijpers zeiden: “Als het dat is wat er van de opvoeding van den gemeenen man komt, laten wij er dan liever geheel geen hebben.” Sommige, die meer doordachten, zeiden: “laten wij eene betere hebben.” Maar het bestuur van het Slijpers Gild was voor hen altijd klaar, door eenige jongens uit te zoeken die, in weerwil van het stelsel, goed waren uitgevallen, en stoutweg te beweren, dat zij alleen ten gevolge van het stelsel zoo uitgevallen waren. Dit maakte dan die vitters beschaamd, en bevestigde den roem van het Slijpers Gild.