XX. DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS
“Mijnheer Dombey, mijnheer,” zeide majoor Bagstock, “Joey B. is doorgaans niet sentimenteel, want Jozef is taai. Maar Jo heeft zijn gevoel, mijnheer, en als dat wakker wordt—verd...d, mijnheer,” riep de majoor met plotselinge woestheid uit, “dit is eene zwakheid, en die wil ik niet van mij velen.”
Majoor Bagstock gebruikte deze uitdrukkingen, toen hij Dombey als zijn gast boven aan zijne eigen trap in Princess’s Place ontving. Dombey kwam, eer zij te zamen hun tocht aanvaardden, bij den majoor ontbijten; en de ongelukkige inboorling had reeds zooveel met de warme broodjes en de eieren uitgestaan, dat het leven hem een last was.
“Het past geen oud soldaat van dat ras als de Bagstock’s zijn,” hervatte de majoor, weder bedarende, “zich als een buit aan zijne eigene aandoeningen over te leveren; maar—verd...d, mijnheer,” riep hij met eene nieuwe vlaag van woestheid uit, “ik condoleer u!”
Het purperen gezicht des majoors werd nog donkerder van kleur, en zijne kreeftachtige oogen puilden nog verder uit, toen hij Dombey de hand drukte, en aan dat vreedzaam bedrijf iets zoo uitdagends gaf, als ware het eene inleiding om dadelijk om duizend pond en de waardigheid van kampioen van Engeland met Dombey te boksen. Met eene draaiende beweging van het hoofd, en snuivend als een verkouden paard, bracht de majoor zijn gast de kamer binnen, en nu, geheel bedaard, verwelkomde hij hem daar met de gulheid en rondborstigheid van een reismakker.
“Dombey,” zeide de majoor, “ik ben blij dat ik u zie. Ik ben trotsch, dat ik u zie. Er zijn niet veel menschen in Europa tegen wie J. Bagstock dat zou zeggen—want Josh is plomp, mijnheer, dat ligt in zijn karakter—maar Joey B. is toch trotsch, dat hij u ziet, Dombey.”—“Majoor,” antwoordde Dombey, “ge zijt zeer beleefd.”—“Neen, mijnheer,” zeide de majoor. “Geen drommel! Dat is mijn karakter niet. Als dat Jo’s karakter was geweest, had Josh wel luitenant generaal Sir Jozef Bagstock kunnen zijn en u in een geheel ander kwartier ontvangen. Gij kent den ouden Jo nog niet, zie ik. Maar deze gelegenheid, iets zoo bijzonders, maakt mij waarlijk trotsch. Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor op vasten toon, “ik ben er door vereerd.”
Dombey begreep, naar zijne schatting van zich zelven en zijn geld, dat dit de waarheid was en betwistte het punt dus niet. Maar de instinctmatige erkentenis van zulk eene waarheid door den majoor en zijne onbewimpelde belijdenis er van, waren hem zeer aangenaam. Dit was voor Dombey eene bevestiging—als hij die nog noodig had gehad—dat hij zich niet in den majoor had bedrogen. Het was eene verzekering voor hem, dat zijne macht zich buiten zijn onmiddellijken kring uitstrekte; en dat de majoor, als een officier en een gentleman, niet minder van die bewustheid was doordrongen dan de knecht van de beurs.
En indien het ooit een troost voor hem was, zoo iets te weten, was het toen een troost, nu het onvermogen van zijn wil, de onbestendigheid zijner hoop, de machteloosheid van zijn rijkdom, hem zoo geducht waren gebleken. Wat kon het geld doen, had zijn zoontje hem gevraagd. Somtijds aan die kinderlijke vraag denkende, kon hij zich nauwelijks onthouden ze bij zich zelven met een zucht te herhalen. Wat kon het doen? Wat had het gedaan?
Maar dit waren eenzame gedachten, die laat in den nacht, in de neerslachtigheid en somberheid zijner afzondering, bij hem opkwamen; en zijn trots liet zich gemakkelijk weder geruststellen door vele getuigenissen van de waarheid, even geldig als die van den majoor. Dombey was den majoor nu vriendelijk genegen. Men kon niet wel zeggen dat hij warm voor hem werd, maar hij ontdooide een weinigje. De majoor had eenig deel gehad—en niet te veel—in de dagen aan het strand. Hij was een man van de wereld en kende eenige groote lui. Hij praatte veel en wist anekdoten te vertellen; en Dombey was genegen om hem voor een bijzonder geestig man te houden, die vooral in gezelschappen schitterde, en daarbij niet het hatelijke gebrek van armoede had, dat zulke lieden veel eigen is. Zijn stand in de maatschappij kon niet betwijfeld worden. Over het geheel was de majoor een verkieslijk reisgenoot, met wien men zich met fatsoen kon laten zien, die aan gemakkelijk leven gewoon was, bekend met de plaatsen die zij zouden bezoeken, en iets ongegeneerds over zich had, dat zich zeer wel met zijn eigen ernstiger karakter verdroeg en geheel in geen wedstrijd daarmede kwam. Indien Dombey daarbij nog een flauw denkbeeld had, dat de majoor, als een man die in zijn beroep gewoon was om den spot te drijven met de geduchte hand, welke zijne hoop zoo kort geleden had verwoest, hem ongezocht wat nuttige philosophie zou mededeelen en zijne onmannelijke zwaarmoedigheid verdrijven, verborg hij dit voor zich zelven, en liet het onder zijne trots bedolven liggen, zonder er verder onderzoek naar te doen.
“Waar is mijn schobbejak!” zeide de majoor, gramstorig in de kamer rondziende.
De inboorling, die geen bijzonderen naam had, maar zich ieder scheldwoord als zoodanig toeëigende, kwam dadelijk in de deur, maar durfde zich niet dichterbij wagen.
“Gij schavuit!” zeide de opvliegende majoor, “waar is het ontbijt?”
De bruine knecht verdween om het te gaan halen, en spoedig hoorde men hem de trap weder opkomen, zoodanig bevende, dat de borden en schotels op het blad, dat hij droeg, den geheelen weg naar omhoog rinkelden.
“Dombey,” zeide de majoor, met een blik naar den inboorling, die de tafel schikte, en dien ongelukkige met zijne vuist dreigende, toen hij een lepel liet vallen, “hier is gebraden ham, een pasteitje, een schoteltje nieren en zoo wat meer. Ga zitten. Oude Joe kan u niets anders geven dan soldatenkost, ziet ge.”—“Uitmuntende kost, majoor,” antwoordde zijn gast, en dat niet uit enkele beleefdheid; want de majoor zorgde altijd zoo goed mogelijk voor zijne tafel, en at meer krachtige lekkernijen dan hem wel dienstig waren, zoodat zelfs de faculteit zijne keizerlijke kleur voornamelijk aan die omstandigheid toeschreef.—“Gij hebt naar den overkant gekeken, mijnheer,” merkte de majoor aan. “Hebt gij onze vriendin gezien?”—“Gij meent jufvrouw Tox,” antwoordde Dombey. “Neen.”—“Eene bekoorlijke dame, mijnheer,” zeide de majoor, met een vetten lach uit zijn korten hals, die hem bijna deed stikken.—“Jufvrouw Tox is een heel goed mensch, geloof ik,” antwoordde Dombey.
De trotsche koelheid van dit antwoord scheen den majoor zeer te streelen. Hij zwol geweldig op, en legde zelfs voor een oogenblik mes en vork neer, om in zijne handen te wrijven.
“Oude Jo, mijnheer,” zeide hij, “was eens zoo wat een gunsteling daar. Maar oude Jo heeft zijn tijd gehad. J. Bagstock is van de baan geknikkerd—afgedankt, mijnheer. Ik zal u eens wat zeggen, Dombey.” De majoor hield even op en keek geheimzinnig en verontwaardigd. “Die vrouw is verduiveld eerzuchtig, mijnheer.”—“Zoo!” zeide Dombey met koude onverschilligheid, misschien eenigszins gemengd met verachtelijk ongeloof dat jufvrouw Tox de verwaandheid kon hebben om zulk eene verhevene eigenschap te koesteren.—“Die vrouw, mijnheer,” zeide de majoor, “is op hare manier een Lucifer. Joey B. heeft zijn tijd gehad, mijnheer, maar zijne oogen nog gehouden. Hij kan nog zien, die Jo. Wijlen zijne Koninklijke Hoogheid de Hertog van York heeft eens op een lever van Joey aangemerkt, dat hij drommels goed zien kon.”
De majoor vergezelde dit met zulk een blik, en door het eten en drinken, met zijne geheimzinnigheid vereenigd, zwol zijn hoofd zoodanig op, dat zelfs Dombey eenige bezorgdheid voor hem liet blijken.
“Dat malle oude figuur, mijnheer,” vervolgde de majoor, “heeft nog hooge uitzichten, hemelhooge uitzichten, mijnheer—huwelijksplannen, Dombey.”—“Dat spijt mij voor haar,” zeide Dombey.—“Zeg dat niet, Dombey,” antwoordde de majoor op een waarschuwenden toon.—“Waarom zou ik niet, majoor?” zeide Dombey.
De majoor gaf geen antwoord dan door eene paardenkuch, en ging ijverig voort met eten.—“Zij heeft veel werk van uw huishouden gemaakt,” zeide de majoor wederom, ophoudende, “en is een tijd lang dikwijls bij u aan huis gekomen.”—“Ja,” antwoordde Dombey met groote deftigheid. “Jufvrouw Tox is, in den tijd toen mevrouw Dombey stierf, daar eens als vriendin van mijne zuster gekomen; en daar zij zeer welgemanierd was, en veel hart voor het arme kind toonde, werd haar vrijgelaten—ik mag wel zeggen, werd zij aangemoedigd—om meermalen met mijne zuster terug te komen, en langzamerhand eenigszins familiaar in huis te worden. Ik heb,” zeide Dombey, op den toon van iemand die eene gewichtige toestemming gaf, “ik heb achting voor jufvrouw Tox. Zij is zoo verplichtend geweest om in mijn huis een aantal kleine diensten te bewijzen; geringe en onbeduidende diensten misschien, majoor, maar die daarom niet veracht moeten worden; en ik hoop dat ik het geluk heb gehad van in staat te zijn geweest om die diensten te erkennen door zooveel oplettendheid en beleefdheid als ik haar heb kunnen toonen. Ik acht mij aan jufvrouw Tox verplicht, majoor,” voegde hij er bij, even met de hand wuivende, “voor het genoegen van uwe kennis.”—“Neen, Dombey,” zeide de majoor met warmte; “neen, mijnheer. Jozef Bagstock kan dat niet zonder tegenspreken laten doorgaan. Uwe kennis met den ouden Jo, mijnheer, zooals hij dan is, en zijne kennis met u, mijnheer, had haar oorsprong in een veelbelovend kind, mijnheer—een verbazend kind, Dombey!” zeide de majoor, met eene aandoening alsof hij zou stikken—niet moeielijk om te veinzen voor iemand, die zoo dikwijls op het punt van stikken was, “wij zijn met elkander in kennis gekomen door uw zoon.”
Dombey scheen door dit gezegde getroffen, en het is niet onwaarschijnlijk dat de majoor het daarop had toegelegd. Dombey keek voor zich en zuchtte; en de majoor kreeg weder eene vlaag van woestheid en zeide, op den gemoedstoestand doelende, waarin hij gevaar liep te vervallen, dat dit eene zwakheid was, en hij die niet van zich zelven wilde velen.
“Onze vriendin stond in eene zeer verwijderde betrekking met die gebeurtenis,” zeide de majoor, “en al de eer die haar toekomt, mijnheer, wil J. B. haar gaarne geven. Maar toch, mejufvrouw,” vervolgde hij, zijne oogen opslaande naar het venster aan den overkant, waar men jufvrouw Tox juist hare bloemen kon zien begieten, “zijt gij eene doortrapte feeks, mejufvrouw, en is uwe eerzucht een staaltje van monsterachtige onbeschaamdheid. Als zij alleen diende om u zelve belachelijk te maken, mejufvrouw,” vervolgde de majoor, zijn hoofd schuddende naar de van niets bewuste jufvrouw Tox, terwijl zijne oogen een sprong uit dat hoofd naar haar toe schenen te doen, “mocht gij er vrij uw hart aan ophalen, dat verzeker ik u, mejufvrouw, uit naam van majoor Bagstock.” Hier begon de majoor zoo schrikkelijk te lachen dat het zelfs aan zijne oorlapjes en de aderen op zijn voorhoofd te zien was. “Maar, mejufvrouw,” vervolgde hij, “als gij anderen compromitteert, menschen die geen erg hebben en geen kwaad denken, tot belooning van hunne goedheid, dan doet gij een ouden Jo het bloed koken.”—“Majoor,” zeide Dombey, rood wordende, “ik hoop dat gij niets zoo ongerijmds wilt aanduiden als dat jufvrouw Tox....”—“Ik wil niets aanduiden, Dombey,” zeide de majoor; “maar Joey B. heeft in de wereld verkeerd, mijnheer, en zijne oogen en ooren open gehad, en Jo zegt u, Dombey, dat daar aan den overkant eene verduiveld slimme feeks woont, die heel hooge uitzichten heeft.”
Dombey keek onwillekeurig naar den overkant en zond zelfs een gramstorigen blik in die richting.
“Dat is alles wat Jozef Bagstock daaromtrent over de lippen zal komen,” zeide de majoor op vasten toon. “Joe is geen kwaadspreker, maar er komt toch wel eens een tijd dat hij moet spreken, dat hij wil spreken!—met uwe verduivelde streken, mejufvrouw,” riep de majoor, wederom gramstorig zijne schoone geburin aansprekende—“als het zoo erg loopt dat hij niet langer zwijgen kan.”
Deze uitbarsting haalde den majoor een hoestbui op den hals die geruimen tijd aanhield. Toen hij weder bekwam, vervolgde hij:—“En nu, Dombey, daar gij den ouden Jo hebt geïnviteerd—den ouden Jo, die geene andere verdiensten heeft, dan dat hij taai en hartig is—om te Leamington uw gast en gids te wezen, beschik nu maar over hem naar uw believen. Ik weet niet, mijnheer,” zeide de majoor, schertsend zijne onderkin schuddende, “wat de menschen in Jo zien, waarom hij bij iedereen zoo gezocht is; maar dat weet ik wel, mijnheer, als hij niet tamelijk taai was en hardnekkig in het weigeren, zoudt gij hem met al uwe invitatiën gauw om een luchtje helpen.”
Dombey gaf met weinige woorden zijn gevoel te kennen van de voorkeur die hij verwierf, boven die andere uitstekende leden der maatschappij, welke zich het bezit van majoor Bagstock betwistten; maar de majoor viel hem in de rede, om hem te verstaan te geven, dat hij zijne eigene neigingen volgde, en dat zij allen als één man waren opgestaan en gezegd hadden: “J. B., Dombey is de man dien gij tot uw vriend moet kiezen.”
Daar de majoor zich nu zooveel mogelijk had volgepropt, en het bovendien tijd werd om te maken dat men op den spoortrein naar Birmingham kwam, trok de inboorling hem met groote moeite zijne jas aan, en knoopte die zoo dicht dat zijn starend, hijgend gezicht boven dat kleedingstuk uit kwam kijken, alsof hij in een vat was gepakt. Daarop gaf de inboorling hem een voor een en met voegzame tusschenpoozen zijne zeemen handschoenen, zijn dikken stok, en zijn hoed aan, welken laatsten de majoor zwierbolachtig schuins op het hoofd zette, om den indruk van zijn opmerkelijk gezicht eenigszins te verzachten. De inboorling had vooraf in alle mogelijke en onmogelijke hoeken van Dombey’s rijtuig, dat stond te wachten, een buitengewoon aantal van reiszakken en valiezen gepakt, niet minder volgepropt dan de majoor zelf; en toen hij nu zijne eigene zakken met Selzerwater, ouden Sherry, boterhammen, cache-nez, verrekijkers, kaarten en couranten had gevuld—de kleine bagage, die de majoor op reis ieder oogenblik kon noodig hebben—kondigde hij aan dat alles gereed was. Om de uitrusting van dezen ongelukkigen vreemdeling (van wien men zeide dat hij in zijn eigen land een prins was geweest) te voltooien, wierp de huisheer hem, toen hij naast Towlinson op het achterbankje zat, nog eene hoop overjassen en mantels van den majoor toe, die hem zoodanig overdekten, dat hij als in een levend graf naar het spoorwegstation reed.
Doch eer het rijtuig in beweging kwam, en terwijl de inboorling zoo begraven werd, verscheen jufvrouw Tox voor haar venster en wuifde met een sneeuwwitten zakdoek. Dombey ontving dezen afscheidsgroet zeer koel—zeer koel zelfs voor hem—vereerde haar slechts met het allergeringste hoofdknikje, en liet zich met een zeer misnoegd gezicht achteroverzakken. Dit in het oogloopend gedrag scheen den majoor (die jufvrouw Tox met alle beleefdheid groette) zoodanig te vermaken, dat hij nog lang naderhand zat te lonken, te grinniken en te kikhalzen, als een vetgemeste Mephistopheles.
Aan het station wandelden Dombey en de majoor, onder het gewoel voor het vertrek, naast elkander de gaanderij op en neer, de eerste stil en somber, de laatste zeer spraakzaam, hetzij om zijn reisgenoot of zich zelven den tijd te korten. Geen van beiden lette er op dat zij zoo wandelende de aandacht trokken van een werkman, die bij de locomotief stond, en telkens als zij voorbijkwamen aan zijne pet tikte; want Dombey was gewoon gemeene lieden over het hoofd te zien, en de majoor kon, als hij anekdoten van zich zelven vertelde, gelijk hij nu deed, aan niets anders denken. Eindelijk evenwel stapte die man hen in den weg, nam zijne pet af en dook met zijn hoofd voor Dombey.
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide hij, “maar ik hoop dat ge zoo tamelijk wel zijt.”
Hij was gekleed in een pak van grof linnen, overvloedig met kolenstof en olie besmeerd, en had asch in zijne bakkebaarden en over het geheel een vrij sterken reuk van gebluschte sintels. Hij zag er overigens niet gemeen uit, en kon ook eigenlijk niet smerig genoemd worden; kortom, het was baas Toodle, in het costuum van zijn beroep.
“Ik zal de eer hebben u te stoken, mijnheer,” zeide Toodle. “Neem mij niet kwalijk. Ik hoop, dat gij het nu zoo wat te boven komt?”
Tot dank voor zijn belangstellenden toon, zag Dombey hem aan, alsof het gezicht van zulk een man reeds genoeg was om zijne oogen vuil te maken.
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” begon Toodle nog eens, toen hij zag dat hij niet duidelijk herkend werd, “maar Polly, mijne vrouw, die bij u in huis Richards genoemd werd.”
Eene verandering in Dombey’s gezicht, die eene herkenning scheen aan te duiden, maar nog veel sterker een toornig gevoel van vernedering uitdrukte, deed Toodle zwijgen.
“Uwe vrouw zal geld noodig hebben, denk ik,” zeide Dombey, de hand in den zak stekende en op een trotschen toon—maar zoo sprak hij altijd.—“Neen, mijnheer, wel bedankt,” antwoordde Toodle; “dat juist niet.”
Dombey bleef nu op zijne beurt steken, en dat wel tamelijk verlegen, met de hand in den zak.
“Neen, mijnheer,” zeide Toodle, de lederen pet, die hij niet weder had opgezet, al om en om draaiende. “Het gaat ons vrij goed, mijnheer. Wij hebben geene reden om te klagen. Wij hebben er na dien tijd nog wel vier gekregen, mijnheer; maar wij slaan er ons toch door.”
Dombey had er zich wel door willen slaan naar zijn eigen rijtuig, al had hij zoo doende den stoker onder de wielen gesmeten; maar de pet, die de man al om en om bleef draaien, had iets dat zijne aandacht trok.
“Wij hebben een kleintje verloren,” merkte Toodle aan, “dat is niet tegen te spreken.”—“Binnen kort?” zeide Dombey, naar de pet ziende.—“Neen, mijnheer, al drie jaren geleden; maar al de anderen zijn gezond en frisch. En wat lezen betreft, mijnheer,” Toodle dook weder als om Dombey te herinneren wat er lang geleden daarover tusschen hen was omgegaan, “mijne jongens hebben mij dat, met hun allen, toch nog geleerd.”—“Kom, majoor,” zeide Dombey.—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” hervatte Toodle, nog eens voor hen stappende, maar zeer ootmoedig en met de pet in de hand. “Ik zou u met zoo iets niet hebben lastig gevallen, als het niet was om op mijn zoon Biler te komen—Robin gedoopt—dien gij zoo goed zijt geweest om een Liefdadigen Slijper van te maken.”—“Wel, man,” zeide Dombey op zijn strengsten toon, “wat van hem?”—“Wel, mijnheer,” antwoordde Toodle, zeer bedrukt zijn hoofd schuddende, “het spijt mij te moeten zeggen dat het daar slecht met hem is afgeloopen.”—“Slecht afgeloopen?” zeide Dombey met zekere barsche tevredenheid.—“Hij is onder slechte kameraden gekomen, ziet gij, heeren,” vervolgde de vader, beiden bedroefd aanziende en blijkbaar den majoor in het gesprek mengende, in de hoop om bij hem medelijden te vinden, “en op slechte wegen geraakt. God geve dat hij weer te recht mag komen, heeren, maar hij is nu op den verkeerden weg. Het kon haast niet anders of gij moest er wel eens van hooren, mijnheer,” zeide Toodle, nu weder Dombey persoonlijk aansprekende, “en het is beter, dat ik er zelf maar voor uitkom en zeg dat mijn jongen op een verkeerden weg is geraakt. Polly is er schrikkelijk benauwd over, heeren,” zeide Toodle, met hetzelfde bedrukte gezicht en zich nogmaals naar den majoor keerende.—“Een zoon van dien man, dien ik heb laten opvoeden, majoor,” zeide Dombey, hem zijn arm gevende. “De gewone dank!”—“Hoor eens naar den raad van den eenvoudigen ouden Jo, en laat nooit weer dat soort van volk opvoeden, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verd...d, mijnheer, het gaat nooit! Het mislukt altijd!”
De bedrukte vader wilde gaan zeggen, dat zijn zoon, de gewezen Slijper, geslagen en geschopt door een ruwen gemeenen kerel, (even weinig voor zijn post geschikt als een bulhond zou geweest zijn) om hem eene nuttelooze woordenkraam als een papegaai te leeren klappen, misschien in een of ander opzicht niet de rechte soort van opvoeding had gekregen, toen Dombey toornig herhaalde: “De gewone dank!” en met den majoor heenging. En daar de majoor zwaar was om in Dombey’s rijtuig, dat hoog op een wagen was gezet, te worden opgeheschen, en telkens als zijn voet van de trede glipte en hij den inboorling weder op het lijf viel, moest ophouden om te zweren dat hij dien ongelukkige al de beenderen in het lijf zou stuk slaan, of levend laten villen, of op eene andere manier doodmartelen, had hij, eer zij afreden, nog maar even tijd om met eene schorre stem te herhalen, dat het nooit ging, dat het altijd mislukte, en dat, als hij “zijn eigen vagebond” wilde laten opvoeden, de kerel zeker aan de galg zou komen.
Dombey stemde dit met bitterheid toe; maar er school nog iets meer achter die bitterheid, en achter de gemelijkheid waarmede hij zich in zijn rijtuig achterover liet zakken, en met een gefronst voorhoofd naar de voorbijvliegende voorwerpen keek, dan misnoegen over het mislukken van het heerlijke opvoedingsstelsel door het Slijpers Gilde in werking gebracht. Hij had om de gemeene pet van dien man eene nieuwe strook krip gezien, en zich uit zijn toon en zijne antwoorden verzekerd, dat hij dit rouwteeken voor zijn zoon droeg.
Zoo moest dan iedereen, hoog en laag, van Florence in zijn deftig huis, tot aan den gemeenen kerel, die het vuur stookte, waarvan hij den rook nu zag voorbijvliegen, eene of andere aanspraak op deelgenootschap in zijn dooden zoon maken, en zijne eigene rechten bestrijden! Kon hij ooit vergeten hoe die vrouw bij zijn bed had geschreid en hem haar kind genoemd; of hoe hij, telkens als hij wakker werd, naar haar had gevraagd, en in zijn bed overeind was gekomen en opgehelderd was toen zij binnenkwam!
Te denken dat die verwaande kerel, die den kost won met in steenkolen en asch te wroeten, daar met zijn rouwteeken voor hem uitreed! Te denken dat zelfs hij, door zulk eene gemeenschappelijke vertooning van rouw, zich durfde bemoeien met de teleurstelling en het geheime zielsverdriet van een trotschen gentleman! Te denken dat zijn verloren zoon, die zijne schatten, zijne plannen en zijne macht met hem had moeten deelen, en met wien hij vereenigd de geheele wereld als met eene dubbele deur van goud had moeten buitensluiten, zulk een troep had ingelaten om hem met hunne wetenschap van zijne verijdelde hoop en hunne aanspraak op medegevoel te beleedigen, zoo niet hem te hoonen door te snoeven dat zij zich in de plaats hadden gedrongen, waar hij alleen had willen heerschen!
Hij vond geen vermaak of verstrooiing in de reis. Door deze gedachten gepijnigd, nam hij de eentonigheid overal met zich mede, en vloog met spoorsnelheid niet door een welig afwisselend landschap, maar door eene woestijn van vernielde plannen en knagende jaloezie. De spoed waarmede de trein voortsnorde scheen zelfs den spot te drijven met den snellen loop van het jeugdige leven, dat zoo onverbiddelijk naar zijn voorbestemd einde was gevoerd. De kracht die op haar eigen ijzeren weg voortholde, zonder zich aan andere wegen en paden te storen, door alle hindernissen heen borende, en levende wezens van allerlei soort, ouderdom en stand medeslepende, was een zinnebeeld van het zegevierend monster, de dood.
Voort, al gillend, snuivend en kletterend, de stad uit, tusschen de huizen door, zoodat het er in de straten van gonsde, voor een oogenblik over het groene veld snorrende, zich in den vochtigen grond borende, bulderend voortstuivende door de duisternis en de dompig benauwde lucht, en weder uitbarstende in den zonnigen dag; voort, al gillend, snuivend en kletterend, door de velden, door de bosschen, door het koren, door het hooi, door het krijt, door de mulle aarde, door de klei, door de rots, tusschen voorwerpen zoo dichtbij dat men ze bijna met de hand kon grijpen, maar die telkens den reiziger ontsnappen, en een bedriegelijk verschiet dat altijd langzaam schijnt mee te gaan: evenals in het spoor van het genadelooze monster, de dood.
Door de vallei, over de hoogte, over de heide, langs den boomgaard, langs het park, langs den tuin, over het kanaal, over de rivier, waar de schapen grazen, waar de molen maalt, waar de schuit vaart, waar de dooden rusten, waar de fabriek staat te rooken, waar de stroom bruist, waar het dorpje zich verschuilt, waar de groote domkerk oprijst, waar het barre duinland zich uitstrekt, en de wilde wind naar zijn ongestadig believen het dorre kruid streelt of teistert; voort, al gillend, snuivend en kletterend, zonder eenig spoor na te laten dan stof en damp; evenals op de baan van het genadelooze monster, de dood.
Tegen den wind en het licht, de regenbui en den zonneschijn in, voort, altijd voort, rolt en buldert de trein, woest en snel, glad en zeker; en zware bruggen, die over de baan heen liggen, werpen een streepje schaduw er op, voor het oog van een duim breedte, en zijn verdwenen. Voort en altijd voort; een vluchtige blik op hutten, huizen, kasteelen, rijke landgoederen, op landbouw en nijverheid, op menschen, op oude wegen en paden, hetwelk alles klein en onbeduidend schijnt zoodra het achtergelaten is; en dat wordt het dan ook, en wat anders dan zulke vluchtige blikken heeft men op de baan van het ontembare monster, de dood!
Voort, al gillend, snuivend en kletterend, zich wederom onder den grond bedelvende, en met zulk eene woede van kracht en volharding voortzwoegende, dat in de duisternis en den tochtwind de beweging omgekeerd schijnt, en pijlsnel naar achteren schijnt te loopen, tot een lichtstraal op den vochtigen muur doet blijken dat zijne vlakte als een ijlende stroom voorbijvliegt. Voort, nog eens in het daglicht en door het daglicht, met een gegil van verrukking, brullende, snuivende en kletterende, alles met zijn zwarten adem aanblazende, somtijds voor een oogenblik stilhoudende, waar zich een drom van gezichten vertoont, die men over eene minuut niet meer ziet; somtijds gretig water slurpende, en eer de pijp, waaruit het vuurmonster drinkt, heeft opgehouden te lekken, alweder voortsnorrende in het blauwe verschiet.
Harder en harder nog gilt en brult de trein, wanneer hij met onweerstaanbare vaart op zijn doel komt aansnellen, en nu is zijn weg, gelijk die van den dood, dik met asch bestrooid. Alles in den omtrek is zwart. Ver in de diepte liggen donkere waterplassen, modderige paden en ellendige woningen. Dichtbij staan verzakte muren en vervallene huizen, en door de beschadigde daken en vensters ziet men in de ellendige kamers, waar gebrek en ziekte zich in vele ellendige gedaanten verbergen, terwijl rook, en opeengedrongene gevels en schoorsteenen, eene wanstaltigheid van kalk en steen, die eene wanstaltigheid van lichaam en ziel tot schuilplaats strekt, het dompig verschiet afsluiten. Terwijl Dombey uit het portier van zijn rijtuig ziet, komt het hem niet in de gedachten dat het monster, dat hem daar gebracht heeft, en het licht van den dag op deze dingen heeft doen schijnen, ze niet gemaakt of veroorzaakt heeft. Dit was het welgepaste einde van den tocht, en had het eind van alle dingen kunnen zijn, zoo woest en akelig was het.
Zoo had hij, zijne eentonige gedachtenreeks vasthoudende, altijd dat eene genadelooze monster voor zich. Alles zag zwart, en alles zag hem koud en doodelijk aan, en hij wederom. Hij vond overal iets dat hem aan zijne ramp herinnerde. Om zich heen zag hij eene onbarmhartige zegepraal, die, in welken vorm ook, zijn trots kwetste en zijne jaloezie prikkelde, maar vooral wanneer iemand of iets de liefde en de gedachtenis van zijn gestorven kind met hem deelde.
Er was een gezichtje—hij had het den vorigen avond aangezien, en het had hem ook aangezien, met oogen die in zijne ziel lazen, schoon zij door tranen beneveld werden en zich spoedig achter twee bevende handjes verborgen—dat op dezen tocht dikwijls voor zijne verbeelding oprees. Hij zag het, met de uitdrukking die het den vorigen avond had, schroomvallig smeekend naar hem opgeheven. Het was niet verwijtend, maar het had iets van twijfel, bijna van hopend ongeloof, dat, toen hij het wederom in de treurige zekerheid van zijn misnoegen zag verdwijnen, naar verwijt geleek. Het was eene kwelling voor hem aan dit gezichtje van Florence te denken.
Omdat hij eene nieuwere zachtere aandoening daarbij gevoelde? Neen, omdat het gevoel, dat het bij hem opwekte—waarvan hij in vroeger tijd slechts een voorgevoel had gehad—nu geheel duidelijk was geworden, hem al te zeer ontroerde en te sterk dreigde te worden om er bedaard bij te blijven. Omdat hij dit gezichtje ook herkende in dit algemeene, tergende beklag dat hem evenals de lucht scheen te omringen. Omdat het de schicht verscherpte van dien wreeden onmeedoogenden vijand, die zijne gedachte zoo bezig hield, en hem een tweesnijdend zwaard in de vuist gaf. Omdat hij, daar staande—het overgangstooneel, dat hij voor zich had, met zijne eigene naargeestigheid kleurende, en het zoo tot een tafereel van verval en verwoesting makende, in plaats tot eene betere dingen belovende verandering—omdat hij, daar staande, in zijn eigen hart wel wist, dat het leven evenveel schuld had aan zijn verdriet, als de dood. Een kind was gestorven, en een overgebleven. Waarom was het voorwerp zijner hoop weggenomen in plaats van haar?
De zachte, kalme, aanvallige verschijning, die hij niet uit zijne verbeelding kon verbannen, deed geene andere gedachte bij hem opkomen dan deze. Zij was hem van den eersten af onwelkom geweest; zij was nu eene verzwaring van zijn bitter verdriet. Als zijn zoon zijn eenig kind was geweest, en dezelfde slag hem getroffen had, zou die ook zwaar zijn geweest om te dragen, maar oneindig lichter dan thans, nu de slag op haar had kunnen vallen (die hij zonder eenig leed had kunnen verliezen, dacht hij) en dit niet had gedaan. Haar liefderijk onschuldig gezichtje, dat voor hem oprees, oefende geen verzachtenden of innemenden invloed uit. Hij wees den engel van zich, en nam den kwelduivel op, die zijn hart binnenkroop. Haar geduld, hare goedhartigheid, hare jeugd, hare trouw, hare liefde, waren als zooveel stofjes in de asch waarop hij zijn hiel zette. Hij zag haar beeld in de akeligheid om hem heen, de somberheid niet verhelderende maar verdonkerende. Meer dan eens op die reis, en thans weder, nu hij bij het eind van zijn tocht stond te peinzen, kwam de gedachte bij hem op, wat er toch was, dat hij tusschen zich zelven en de verschijning kon plaatsen.
De majoor, die den geheelen weg langs had zitten hijgen en blazen, alsof hij zelf eene stoommachine was, en wiens oog dikwijls van zijne courant was afgedwaald om naar het uitzicht te gluren, alsof in den rook van den trein eene geheele processie van te leur gestelde jufvrouwen Tox medevloog en over het veld zweefde om zich ergens in een schuilhoek te verbergen, wekte zijn vriend door hem te onderrichten, dat de postpaarden waren voorgespannen en het rijtuig wachtte.
“Dombey,” zeide de majoor, hem met zijn rotting op den arm tikkende, “gij moet niet nadenkend worden. Dat is een slecht aanwendsel. Oude Joe, mijnheer, zou niet zoo taai zijn als gij hem nu ziet, als hij zich ooit daaraan had overgegeven. Ge zijt een veel te groot man, Dombey, om nadenkend te wezen. In uwe positie, mijnheer, zijt ge ver boven zoo iets verheven.”
Daar de majoor, zelfs bij zijne vriendelijke berispingen, aldus de waardigheid van Dombey in acht nam, en toonde hoezeer hij daarvan doordrongen was, gevoelde Dombey zich meer dan ooit genegen om iemand, die zooveel verstand en beleefdheid bezat, genoegen te geven. Terwijl zij langs den straatweg voortreden, deed hij dus zijn best om naar de vertelseltjes des majoors te luisteren, en de majoor, die deze manier van reizen veel geschikter vond dan de vorige, om zijne spraakzaamheid te laten uitblinken, deed zijn best om hem te onderhouden.
In zulk een vroolijk en spraakzaam humeur—slechts enkele malen in zijne vertellingen gestoord door zijne gewone verschijnselen van volbloedigheid, en ze somtijds afbrekende om op den inboorling uit te varen, wien zijne Europeesche kleederen met eene uitheemsche onmogelijkheid van passen aan het lijf zaten (overal lang waar zij kort, en kort waar zij lang, spannend waar zij ruim en ruim waar zij spannend moesten zijn, zonder dat de kleermaker eenige schuld daaraan had) en waaraan hij een nieuwe sierlijkheid mededeelde door telkens, als de majoor op hem uitvoer, er in weg te kruipen en als het ware in te krimpen—in zulk een vroolijk en spraakzaam humeur bleef de majoor den geheelen dag, zoodat toen de avond viel en hen op den belommerden weg bij Leamington vond draven, en zijne stem, door al zijn praten, eten, hoesten of keelschrapen, uit den koffer onder den bok of uit een naburigen hooiberg scheen te komen. Niet helderder werd zij in het Royal Hotel, waar kamers en een diner waren besteld, en waar de majoor zijne spraakorganen door eten en drinken zoo zeer belemmerde, dat hij, toen hij naar bed ging, geheel geene stem meer had dan om mede te hoesten, en zich den bruinen knecht alleen verstaanbaar kon maken door leelijke gezichten tegen hem te trekken.
Den volgenden morgen bij het ontbijt toonde hij echter wederom de levenskracht en den eetlust van een reus. Onder dezen maaltijd werd eene schikking gemaakt hoe men voortaan den dag zou besteden. De majoor zou de verantwoordelijkheid voor het bestellen van eten en drinken op zich nemen, en zij zouden dagelijks te zamen ontbijten en dineeren. Dombey wilde op dien eersten dag van hun verblijf te Leamington liever op zijne kamer blijven of alleen naar buiten wandelen; maar den volgenden morgen zou hij den majoor gaarne naar de bronzaal en door de stad vergezellen. Zoo scheidden zij tot aan het diner. Dombey zonderde zich af om zich in zijne eigene heilzame gedachten te verdiepen. De majoor (vergezeld door den inboorling, die een vouwstoeltje, eene overjas en eene paraplu droeg) kuierde alle openbare plaatsen op en neer, keek alle inteekenlijsten na, om te zien wie er was, sprak oude dames aan, die zeer met hem ingenomen waren, vertelde dat J. B. taaier was dan ooit, en pochte overal op zijn rijken vriend Dombey. Er is nooit iemand geweest die trouwer vriend was dan de majoor, wanneer hij door op dezen te pochen op zich zelven kon pochen.
Het was verwonderlijk hoeveel nieuwe stof tot praten de majoor onder den maaltijd had, hoeveel reden hij Dombey gaf om zijne gezellige talenten te bewonderen. Den volgenden morgen bij het ontbijt wist hij den inhoud der pas ontvangene couranten, en sprak in verband daarmede van verscheidene zaken, waarover onlangs zijn gevoelen gevraagd was door personen van zooveel macht en aanzien, dat men slechts met bewimpelde uitdrukkingen van hen mocht spreken. Dombey, die zich zoolang in zich zelven had opgesloten, en maar zelden, zoo al ooit, den tooverkring had overschreden waarbinnen de operatiën van Dombey en Zoon plaats hadden, begon dit iets veel beters dan zijn eenzaam leven te vinden; en in plaats van den volgenden dag weder eene reden te zoeken om in huis te blijven, gelijk hij zich had voorgenomen toen hij alleen was, ging hij arm in arm met den majoor uit wandelen.
XXI. NIEUWE GEZICHTEN
Met nog blauwer gezicht en meer uitpuilende oogen—nog meer overrijp, als het ware—en telkens een paardenkuch uitstootende, niet zoozeer uit noodzakelijkheid als om zijn gevoel van eigenwaarde lucht te geven, wandelde de majoor met Dombey aan den arm den zonnigen kant der straat langs, met de wangen over zijne stijve stropdas heen gezwollen, de beenen wijd van elkander, en zijn groot hoofd heen en weder waggelende, alsof hij bij zich zelven beredeneerde welk een innemend personage hij toch was. Zij waren pas eenige voetstappen ver gekomen, toen de majoor iemand ontmoette dien hij kende, en niet vele voetstappen verder toen de majoor iemand anders ontmoette dien hij kende; maar hij groette hen slechts in het voorbijgaan door een wuiven met de hand, en leidde Dombey verder voort, terwijl hij de verschillende merkwaardige plaatsen, die zij voorbijkwamen, aanwees, en hem onderhield met de kwaadsprekende praatjes, welke deze plaatsen hem in het hoofd brachten.
Zoo kuierden de majoor en Dombey voort, zeer tot hun eigen genoegen, toen zij een stoel op wielen zagen naderen, een soort van wagentje, waarin eene dame gezeten was, die dit rijtuig met een soort van roer, voorop, bestuurde, terwijl het van achteren door eene onzichtbare kracht werd voortgestuwd. Hoewel de dame niet jong meer was, zag zij er blozend uit—wangen als rozen—en waren hare kleeding en houding zeer jeugdig. Naast dit wagentje eene vederlichte parasol dragende, met zulk eene mengeling van trotschheid en afmatting in haar gezicht, alsof zij spoedig van die inspanning zou moeten afzien en de parasol laten vallen, trippelde eene andere dame, veel jonger, zeer schoon, zeer fier, zeer eigenzinnig, die haar hoofd op zijde hield en hare oogleden liet zakken, alsof, als er iets in de geheele wereld waardig was om aan te zien, behalve een spiegel, dit zeker de aarde of de hemel niet was.
“Wel wat duivel, wie hebben wij hier, mijnheer!” riep de majoor uit, en bleef stilstaan toen deze kleine stoet naderde.—“Lieve Edith!” zeide de dame in het wagentje, temend langzaam. “Majoor Bagstock!”
Niet zoodra hoorde de majoor deze stem, of hij liet Dombey’s arm los, stoof vooruit, greep de hand van de dame in het wagentje en drukte die aan zijne lippen. Met niet minder galanterie, vouwde de majoor daarna zijne handschoenen op zijn hart en maakte eene diepe buiging voor de andere dame. En thans, nu het wagentje stilhield, werd de beweegkracht zichtbaar, in de gedaante van een jongen die daar achter duwde, een page, die al te sterk scheen gegroeid te zijn of geduwd te hebben, want nu hij overeindstond was hij spichtig lang, mager en bleek, en hij zag er nog des te ongelukkiger uit, daar hij zijn hoed had ingedeukt door zijn hoofd tegen het wagentje te zetten om het voort te duwen, gelijk in Oostersche landen somtijds door olifanten gedaan wordt.
“Joe Bagstock,” zeide de majoor tot beide de dames, “is nu een trotsch en gelukkig man voor de rest van zijn leven.”—“Gij valschaard,” zeide de oude dame op een laffen kwezeltoon. “Waar komt gij vandaan? Ik kan u niet uitstaan.”—“Laat oude Joe u dan zijn vriend mogen presenteeren, mevrouw,” antwoordde de majoor snel, “als eene reden om hem te dulden. Mijnheer Dombey, mevrouw Skewton.” De dame in het wagentje was vriendelijk. “Mijnheer Dombey, mevrouw Granger.” De dame met de parasol was er flauw van bewust dat Dombey zijn hoed afnam en eene diepe buiging maakte. “Ik ben verrukt, mijnheer,” zeide de majoor, “dat ik deze gelegenheid heb.”
De majoor scheen dit ernstig te meenen, want hij keek alle drie aan en lonkte op zijne leelijkste manier.
“Mevrouw Skewton, Dombey,” hervatte de majoor, “maakt het hart van den ouden Joe tot eene ruïne.”
Dombey gaf te kennen dat hij zich daarover niet verwonderde.
“Gij valsche booswicht,” zeide de dame in het wagentje, “schei toch uit! Hoelang zijt gij al hier, gij ondeugd?”—“Een dag,” antwoordde de majoor.—“En kunt gij een dag, of maar eene minuut,” hervatte de dame, hare valsche krullen en wenkbrauwen even met haar waaier gladstrijkende, en hare valsche tanden toonende, die door hare valsche kleur nog meer uitkwamen, “in den hof van—hoe heet dat ook weer—”—“Eden, zou ik denken, mama,” zeide de jongere dame met zekere minachting.—“Ik kan het niet helpen, lieve Edith,” hernam de andere. “Ik kan mij nooit op die ijselijke namen bezinnen. Kunt gij maar eene minuut in den hof van Eden zijn, zonder dat geheel uw aanzijn door het gezicht der natuur wordt bezield, door den geur van haar ongekunstelden adem, gij valschaard?” zeide mevrouw Skewton, een zakdoek zwaaiende, walgelijk met den reuk van parfumerieën doortrokken.
Deze tegenstrijdigheid tusschen mevrouw Skewton’s geestdrift in woorden en haar flauwen, temenden toon, was even opmerkelijk als die tusschen hare jaren, nagenoeg zeventig in getal, en hare kleeding, die voor zeven en twintig nog wat jeugdig zou zijn geweest. Hare houding in het wagentje (die zij nooit veranderde) was dezelfde waarin zij, ongeveer vijftig jaren geleden, in eene barouche gezeten, was afgeteekend, door een schilder, die toen in de mode was, en onder de plaat, naar die teekening vervaardigd, den naam van Cleopatra had gezet, dewijl de kunstkenners van dien tijd hadden ontdekt, dat zij volmaakt naar deze koningin geleek, gelijk zij aan boord van hare galei zat te rusten. Mevrouw Skewton was toen eene belle, en de jonge heeren wierpen te harer eer wijnglazen bij dozijnen over het hoofd. De schoonheid en de barouche waren beide verdwenen, maar nog bewaarde zij die houding, en opzettelijk daartoe hield zij den stoel op wielen en den duwenden page er op na; want niets hoegenaamd, behalve die houding, zou haar verhinderd hebben om te voet te gaan.
“Mijnheer Dombey is ongetwijfeld een aanbidder der natuur?” zeide mevrouw Skewton, hare diamanten speld wat vaster stekende. Terloops gezegd, zij leefde voornamelijk van het crediet dat hare diamanten en hare familieconnectiën haar gaven.—“Mijn vriend Dombey, mevrouw,” antwoordde de majoor, “mag in het geheim aanbidder zijn, maar een man die op den eersten rang staat in de grootste stad van het heelal...”—“Niemand kan onbekend zijn met mijnheer Dombey’s ontzaglijken invloed,” zeide mevrouw Skewton.
Toen Dombey voor dit compliment met eene buiging bedankte, zag de jongere dame hem even aan en ontmoetten hunne oogen elkander.
“Gij woont hier, mevrouw?” zeide Dombey, haar aansprekende.—“Neen, wij zijn overal heen geweest—naar Harrowgate, en Scarborough, en Devonshire. Wij hebben hier en daar gelogeerd. Mama is eene vriendin van verandering.”—“Edith natuurlijk niet,” zeide mevrouw Skewton met akelige schalkachtigheid.—“Ik vind niet dat zulke plaatsen verandering geven,” was het antwoord, met trotsche onverschilligheid uitgesproken.—“Men spreekt kwaad van mij. Er is maar ééne verandering, mijnheer Dombey,” zeide mevrouw Skewton met een gemaakt zuchtje, “waarnaar ik waarlijk verlang, en die, vrees ik, zal men mij nooit laten genieten. Men kan mij nergens missen. Maar eenzaamheid en stilte zijn mijn—hoe heet het ook weer—”—“Als gij het paradijs meent, mama, moest ge dat liever zeggen, om u te doen verstaan,” zeide de jongere dame.—“Liefste Edith,” antwoordde mevrouw Skewton, “gij weet wel dat ik mij voor die ijselijke namen geheel op u moet verlaten. Mijnheer Dombey, ik verzeker u, de natuur had mij voor eene Arcadische herderin bestemd, en ik ben in de stad niet op mijne plaats. Op koeien ben ik gecharmeerd. Waar ik altijd naar gehaakt heb is, naar eene Zwitsersche boerderij te gaan, en daar te leven geheel omringd door koeien en porselein.”
Deze zonderlinge verbinding, welke aan den vermaarden os deed denken, die bij abuis in een porseleinwinkel kwam, werd door Dombey met den grootsten ernst aangehoord, en hij gaf als zijne meening te kennen dat de natuur zonder twijfel eene zeer achtenswaardige inrichting was.
“Wat ik mis,” teemde mevrouw Skewton, zich in hare verschrompelde keel knijpende, “is een hart.” Dit was in zekeren zin maar al te waar, zoo al niet in dien zin waarin zij de spreekwijs gebruikte. “Wat ik mis, is openhartigheid, vertrouwelijkheid, minder gemaaktheid, en eene vrijere beweging der ziel. Wij zijn zoo schrikkelijk gekunsteld.”
Dat waren wij waarlijk.
“Kortom,” zeide mevrouw Skewton, “ik mis overal de natuur. Zij zou zoo charmant wezen.”—“De natuur roept ons juist nu, als ge klaar zijt, mama,” zeide de jongere dame, hare fraaie bovenlip optrekkende. Op dezen wenk verdween de page, die over den rug van den stoel had staan kijken, eensklaps daarachter alsof de grond hem verzwolgen had.—“Wacht een oogenblik,” zeide mevrouw Skewton, toen het wagentje zich begon te bewegen. Zij sprak tot haar page met dezelfde kwijnende statigheid, waarmede zij in vroeger tijd tot een koetsier met eene pruik, een ruiker als eene bloemkool, en zijden kousen had gesproken. “Waar logeert gij, booswicht?”
De majoor logeerde in het Royal Hotel, met zijn vriend Dombey.
“Gij moogt ons eens op een avond komen opzoeken als ge niet ondeugend zijt,” lispelde mevrouw Skewton. “Als mijnheer Dombey ons de eer wil bewijzen, zal het ons een genoegen zijn. Ga maar voort, Withers!”
De majoor drukte nogmaals de vingers, die met zorgvuldige onachtzaamheid (volgens het model van Cleopatra) op den rand van het wagentje lagen, aan zijn blauwe lippen; en Dombey boog. De oudste dame vereerde beiden met een zeer vriendelijk lachje en een argeloos kinderachtig kushandje; de jongere met de flauwste buiging van haar hoofd die de beleefdheid maar veroorloofde.
De laatste blik op het gerimpelde gezicht der moeder, met die geplekte kleur er op, welke het in den zonneschijn veel akeliger maakte dan het gebrek van kleur kon gedaan hebben, en de trotsche schoonheid der dochter, met hare sierlijke gestalte en stijve houding, wekte bij den majoor en Dombey zulk een onwillekeurig verlangen op om ze na te kijken, dat beiden zich op hetzelfde oogenblik omkeerden. De page, bijna even schuins overhellende als zijne eigene schaduw, zwoegde achter het wagentje tegen den heuvel op; de bol van Cleopatra’s hoed wiegelde op een duim af in denzelfden hoek als te voren, en de belle, die alleen een weinig vooruitkuierde, gaf in geheel hare sierlijke gestalte, van het hoofd tot de voeten, dezelfde trotsche minachting voor alles en iedereen te kennen.
“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, toen zij weder voortwandelden. “Als Joe Bagstock nog wat jonger was, is er geene vrouw in de wereld die hij liever tot mevrouw Bagstock zou maken dan die vrouw. Zij is prachtig, mijnheer!”—“Gij meent de dochter?” vroeg Dombey.—“Is Joey B. een knol, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat hij de moeder zou meenen?”—“Gij waart toch zeer galant voor de moeder,” zeide Dombey hierop.—“Eene oude liefste,” grinnikte majoor Bagstock. “Verduiveld oud. Ik badineer maar zoo wat met haar.”—“Zij komt mij toch zeer fatsoenlijk voor,” zeide Dombey.—“Fatsoenlijk, mijnheer,” zeide de majoor, en bleef stilstaan om zijn reisgenoot aan te staren. “Mevrouw Skewton, mijnheer, is eene eenige zuster van den vorigen Lord Feenix, en tante van den tegenwoordigen lord. De familie is niet rijk—eigenlijk arm—en zij leeft van een klein jaargeld; maar als men van afkomst spreekt, mijnheer!” De majoor gaf een zwaai met zijn stok en stapte weder voort, wanhopig om ooit te kunnen zeggen waar men van sprak, als men daarvan sprak.—“Gij hebt de dochter mevrouw Granger genoemd,” zeide Dombey, na eene korte poos van stilte.—“Edith Skewton, mijnheer,” antwoordde de majoor, wederom stilstaande en met zijn stok eene schrap in den grond gevende, om haar te representeeren, “trouwde (op haar achttiende jaar) met Granger van ons regiment,” wien de majoor door eene andere schrap aanduidde. “Granger, mijnheer,” zeide de majoor, naar dit laatste denkbeeldige portret wijzende, “was onze kolonel; een verrrduiveld knap man, mijnheer, van een en veertig. Hij stierf, mijnheer, in het tweede jaar van zijn huwelijk.” De majoor gaf een stoot met zijn stok, alsof hij het portret van den overledene een degen door het lijf reeg, en stapte weder voort met zijn stok op den schouder.—“Hoelang is dat geleden?” vroeg Dombey, op zijne beurt stilstaande.—“Edith Granger, mijnheer,” antwoordde de majoor, met het hoofd op zijde, zijn eene oog dichtknijpende en zijn stok in de linkerhand nemende, om met de rechter over zijn jabot te strijken, “is tegenwoordig nog geen dertig. En verd—md, mijnheer,” daarbij nam de majoor nogmaals zijn stok op schouder en stapte weder voort, “zij is eene vrouw zonder weerga.”—“Bleven er kinderen over?” vroeg Dombey weldra.—“Ja, mijnheer, een jongetje.”
Dombey’s oogen zochten den grond en zijn gezicht betrok.
“Dat verdronken is, mijnheer,” vervolgde de majoor, “toen het vier of vijf jaar oud was.”—“Inderdaad!” zeide Dombey het hoofd opheffende.—“Door het omslaan van een bootje, waar zijne oppasster hem niet had moeten laten ingaan,” zeide de majoor. “Dat is zijne geschiedenis. Edith Granger is nog Edith Granger; maar als de oude taaie Joey B. een beetje jonger en een beetje rijker was, zou de naam van dat puikjuweel Bagstock wezen.”
De majoor lachte zoodanig dat hij nog meer naar een vetgemesten Mephistopheles geleek dan anders.
“Mits de dame er niet tegen had, zou ik denken?” zeide Dombey koel.—“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor, “het geslacht van Bagstock is niet aan zulk eene soort van verhindering gewoon. Maar het is waar, Edith had al wel twintigmaal kunnen trouwen, als zij maar niet zoo trotsch was, mijnheer—trotsch is zij.”
Dombey scheen daarom niet te ongunstiger over haar te denken.
“Maar dat is toch eigenlijk eene groote eigenschap,” zeide de majoor. “Waarachtig, het is eene verhevene eigenschap. Dombey, gij zijt zelf trotsch, en uw vriend, de oude Joe, acht u daarom te hooger, mijnheer.”
Met deze hulde aan het karakter van zijn bondgenoot, die hem door de onweerstaanbare richting van het gesprek scheen te zijn afgedwongen, stapte de majoor van de zaak af, en ging over tot een algemeen verslag, hoe prachtige vrouwen en heerlijke wezens voorheen op hem verzot en verliefd waren geweest.
Een paar dagen later zagen Dombey en de majoor mevrouw Skewton en hare dochter in de bronzaal, en daags daaraan troffen zij de dames weder op dezelfde plaats waar zij elkander voor de eerste maal hadden ontmoet. Na haar zoo dikwijls te hebben wedergezien, werd het een punt van beleefdheid voor oud bekenden, dat de majoor eens op een avond daarheen ging. Dombey was eerst niet voornemens geweest bezoeken af te leggen, maar toen de majoor van zijn oogmerk sprak, zeide hij het genoegen te willen hebben om mede te gaan. Aldus zond de majoor voor den maaltijd den inboorling uit om met hunne complimenten de boodschap te brengen, dat mijnheer Dombey en hij dien avond de eer zouden hebben om de dames eene visite te komen maken, indien de dames dan alleen waren. Tot antwoord bracht de inboorling een sterk geparfumeerd briefje terug, door mevrouw Skewton aan majoor Bagstock geschreven, en van dezen inhoud: “Gij zijt een ijselijke beer, en ik kan u haast niet vergeven, maar als gij u heel goed houdt” dit was onderstreept, “moogt gij komen. Mijn compliment (waarbij Edith het hare voegt) aan mijnheer Dombey.”
Mevrouw Skewton en hare dochter, mevrouw Granger, woonden te Leamington, op gemeubileerde kamers, die fatsoenlijk en duur genoeg waren, maar wat ruimte en gemak betrof wel iets te wenschen overlieten, zoodat mevrouw Skewton, als zij in bed lag, haar hoofd tegen het venster en hare voeten in den schoorsteen had, en hare kamenier in een kabinetje, dat in het salon uitkwam, geborgen werd, zoo klein, dat zij er bijna niet geheel in kon. Withers, de bleeke page, sliep buitenshuis vlak onder de pannen bij een naburigen melkboer; en het wagentje, dat de steen van dien jeugdigen Sisyphus was, stond des nachts in eene schuur, aan denzelfden melkboer toebehoorende, waar ook diens kippen huisden, die zich op een gebroken ezelkarretje te slapen zetten, overtuigd naar het scheen, dat dit eene soort van boom was die daar groeide.
Dombey en de majoor vonden mevrouw Skewton à la Cleopatra tusschen de kussens eener sofa gezeten, zeer luchtig gekleed, maar toch zeker niet gelijkende naar Shakespeare’s Cleopatra, die de jaren niet konden doen verwelken. Onderweg naar boven hadden zij eene harp gehoord, maar dit geluid had opgehouden toen zij werden aangediend, en nu stond Edith bij dit instrument, schooner en trotscher dan ooit. Het was iets opmerkelijks van de schoonheid dezer dame dat zij zich zonder hare medehulp en tegen haar wil scheen te doen gelden. Zij wist dat zij schoon was; het was onmogelijk dat het anders kon zijn, maar met haar eigenaardigen hoogmoed scheen zij zelfs zich zelve te trotseeren.
Of zij de bekoorlijkheden gering schatte, welke slechts eene bewondering uitlokten, die geene waarde voor haar had, dan of zij ze daardoor voor bewonderaars nog kostbaarder wilde maken, werd door hen, voor wie zij kostbaar waren, zelden gevraagd.
“Ik hoop, mevrouw Granger,” zeide Dombey, een stap naar haar toekomende, “dat wij de oorzaak niet zijn dat gij ophoudt met spelen?”—“Gij?—O neen!”—“Waarom gaat gij dan niet voort, lieve Edith,” zeide Cleopatra.—“Ik hield op evenals ik begonnen was—omdat het mij zoo inviel.”
De buitengemeene, als het ware keurige onverschilligheid, waarmede zij dit zeide; eene onverschilligheid, die geheel iets anders dan botheid en gevoelloosheid was, want trotschheid straalde er duidelijk in door, strookte wel met de achteloosheid waarmede zij haar vinger nog eens over de snaren streek en toen naar eene andere plaats ging.
“Weet ge wel, mijnheer Dombey,” zeide hare kwijnende moeder, met een handschermpje spelende, “dat mijne lieve Edith en ik somtijds werkelijk verschil hebben...”—“Niet geheel somtijds, mama,” zeide Edith.—“O neen, nooit geheel, lieveling! O foei, dat zou mij het hart breken,” antwoordde hare moeder, met eene flauwe poging om haar een tikje met haar schermpje te geven, waarop Edith volstrekt niet scheen te letten. “Maar verschil, meen ik, over de koelheid en onverschilligheid, die de wellevendheid wil dat men in kleinigheden in acht neemt? Waarom zijn wij niet natuurlijker? O lieve hemel! Met al die smachtende verlangens en onwillekeurige opwellingen, die ons in de ziel zijn geplant, en die zoo verrukkelijk zijn—waarom zijn wij niet natuurlijker?”
Dombey zeide dat dit waar, zeer waar was.
“Wij konden wel natuurlijker zijn, zou ik denken, als wij het maar beproefden,” zeide mevrouw Skewton.
Dombey achtte dit wel mogelijk.
“Voor den drommel niet, mevrouw,” zeide de majoor. “Dat zou niet aangaan, of de wereld zou met J. B’s. bevolkt moeten zijn, mevrouw, met lompe en taaie Joe Bagstock’s, eenvoudige droge bokkingen, zooals de oude Joey, mijnheer.”—“Gij ongeloovige spotter,” zeide mevrouw Skewton, “verstom!”—“Cleopatra beveelt,” antwoordde de majoor, met een kushandje, “en Antonius Bagstock gehoorzaamt.”—“Die man heeft geen gevoel,” zeide mevrouw Skewton, wreed genoeg om het schermpje zoodanig op te houden dat de majoor haar niet kon zien. “Geene sympathie. En waarvoor leeft men, dan voor sympathie! Wat anders is zoo verrukkelijk! Zonder dat zweempje van zonneschijn op onze koude aarde,” zeide mevrouw Skewton, haar kanten halsdoekje verschikkende en daarbij met welgevallen haar mageren blooten arm beschouwende, van het polsgewricht naar omhoog, “hoe zouden wij het uithouden? Kortom, gij verstokte man!” daarbij keek zij om het schermpje heen naar den majoor, “ik zou mijne wereld heel en al hart willen hebben; en het geloof daaraan is zoo verrukkelijk, dat gij mij niet daarin moogt storen, hoort ge wel?”
De majoor antwoordde dat het hard was, dat Cleopatra de wereld heel en al hart wilde hebben en zich toch de harten dier geheele wereld toeëigende; hetgeen Cleopatra verplichtte hem te herinneren dat vleierij haar onuitstaanbaar was, en dat, als hij de stoutheid had om haar nog eens op die manier aan te spreken, zij hem stellig naar huis zou zenden.
Daar Withers, de bleeke, thans de thee rondgaf, sprak Dombey Edith wederom aan.
“Men heeft hier niet veel gezelligheid, naar het schijnt,” zeide hij, met zijne eigenaardige stijve deftigheid.—“Ik geloof van neen. Wij zien niemand.”—“Er zijn tegenwoordig juist geene menschen hier,” merkte mevrouw Skewton aan, “waarmede wij gaarne zouden willen verkeeren.”—“Zij zijn niet hartelijk genoeg,” zeide Edith, met een glimlach—de schemering van een glimlach: zoo zonderling waren licht en duisternis daarin gemengd.—“Gij ziet wel dat mijne lieve Edith met mij railleert,” zeide de moeder haar hoofd schuddende, dat somtijds van zelf schudde, alsof er tusschen de diamanten ook eene beroerte flikkerde. “Ondeugende!”—“Gij zijt meer hier geweest, als ik mij niet bedrieg?” zeide Dombey, wederom tot Edith.—“O ja, meermalen. Ik geloof dat wij overal zijn geweest.”—“Eene schoone landstreek.”—“Ik geloof van ja. Iedereen zegt zoo.”—“Uw neef Feenix dweept er mee, Edith,” viel hare moeder er op in.
De dochter draaide even het schoone hoofd om, trok hare wenkbrauwen eene haarbreedte op, alsof haar neef Feenix in geene de minste aanmerking bij haar kwam, en keerde zich weder naar Dombey.
“Ik hoop voor mijn smaak, dat ik de landstreek moe ben,” zeide zij.—“Gij hebt er bijna wel reden toe, mevrouw,” antwoordde hij, naar een aantal landschapjes omziende, waarin hij reeds gezichten in de nabijheid had herkend, en die rijkelijk door de kamer verspreid waren, “als die keurige teekeningen van uwe hand zijn.”
Zij gaf hem geen antwoord, maar zat daar in trotsche schoonheid, geducht om aan te zien.
“Hebben zij dat interessante?” zeide Dombey. “Zijn zij van u?”—“Ja.”—“En gij speelt ook, weet ik reeds.”—“Ja.”—“En zingt?”—“Ja.”
Zij beantwoordde deze vragen met een zonderlingen tegenzin—met dien opmerkelijken schijn van vijandigheid tegen zich zelve, waarvan reeds ten opzichte van hare schoonheid melding is gemaakt. Evenwel was zij niet verlegen, maar volkomen bedaard. Evenmin scheen zij te verlangen het gesprek te vermijden, want zij hield haar gezicht naar hem toegekeerd, en scheen hem zelfs—zoover zij dit kon—uit te lokken om te spreken; en zij bleef dit nog doen terwijl hij zweeg.
“Gij hebt ten minste een aantal hulpmiddelen tegen verveling,” zeide Dombey.—“Zooals zij dan zijn,” antwoordde zij, “kent gij ze nu allen. Ik heb er niet meer.”—“Mag ik hopen van allen een proefje te krijgen?” zeide Dombey, met statige galanterie, de teekening, die hij in de hand had, neerleggende en naar de harp wenkende.—“O zeker—als gij dat verlangt!”
Zoo sprekende stond zij op, en de sofa harer moeder voorbijstappende, welke zij een statigen blik toewierp, die, hoewel kort van duur, eene menigte van uitdrukkingen bevatte, waaronder die schemering van een glimlach, zonder den glimlach zelf, al de anderen overschaduwde, ging zij de kamer uit.
De majoor, die nu reeds volle vergiffenis had gekregen, had een tafeltje naar Cleopatra geschoven en zat met haar piket te spelen. Dombey, die dit spel niet kende, ging er tot zijne stichting naar zitten kijken tot Edith zou terugkomen.
“Wij zullen wat muziek hooren, mijnheer Dombey, hoop ik?” zeide Cleopatra.—“Mevrouw Granger is zoo goed geweest om mij dat te beloven,” zeide Dombey.—“Zoo! dat is een genot. Proponeert gij, majoor?”—“Neen, mevrouw,” antwoordde de majoor. “Onmogelijk.”—“O, ge zijt een barbaar,” zeide de dame. “En ik heb zulke slechte kaarten gekregen. Houdt ge veel van muziek, mijnheer Dombey?”—“Buitengemeen,” was het antwoord.—“Ja. Het is een genot,” zeide Cleopatra, naar hare kaarten kijkende. “Spreekt zoo tot het hart—zulke duistere herinneringen van een vroeger staat van aanzijn—en dat alles—dat zoo verrukkelijk is. Weet gij wel,” kwezelde Cleopatra, en keerde den schoppenboer om, dien zij ten onderste boven in de hand had gekregen, “dat, als er iets was dat mij kon verlokken om een eind aan mijn leven te maken, het de nieuwsgierigheid zou zijn om te ontdekken wat dat alles toch is en wat het beduidt; er zijn nog zooveel geheimen voor ons verborgen. Gij moet spelen, majoor!”
De majoor speelde. Dombey, die zat toe te kijken, zoo het heette om het spel te leeren, zou spoedig geheel in de war zijn geweest, maar hij lette volstrekt niet op het spel en zat zich slechts te verwonderen wanneer Edith zou terugkomen.
Eindelijk kwam zij en zette zich bij hare harp, en Dombey stond op en bleef bij haar staan luisteren. Hij had weinig smaak voor muziek en kende het stuk niet dat zij speelde; maar hij zag haar over de harp gebogen, en hoorde misschien in de trillende snaren eene muziek uit zijn eigen binnenste weergalmen, die het monster van den spoorweg temde en minder onverbiddelijk deed worden.
Cleopatra had scherpe oogen onder het piketten. Zij glinsterden als die van een vogel, en bleven niet op haar spel gevestigd, maar dwaalden flikkerend de geheele kamer door, naar de harp, de speelster, den luisteraar, naar alles.
Toen de trotsche schoone het stuk had uitgespeeld, stond zij op, ontving Dombey’s complimenten met hetzelfde uitzicht als te voren, ging, bijna zonder eenige tusschenpoos, naar de piano, en begon daar.
Edith Granger, ieder lied behalve dat! Edith Granger, gij zijt schoon, en uw pianospel is schitterend, en uwe stem is zoo welluidend en krachtig; maar niet het lied dat zijne verwaarloosde dochter voor zijn dooden zoon heeft gezongen!
Helaas, hij herkent het niet; en al deed hij dat, welk lied van haar zou hem doen ontroeren, hardvochtige man! Slaap, eenzame Florence, slaap! Vrede in uwe droomen, schoon de nacht donker is geworden, en de wolken zich samenpakken en eene hagelbui dreigen uit te storten!
XXII. CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN
Carker de chef zat voor zijn lessenaar, met een gezicht zoo effen en glad gestreken als gewoonlijk, las de brieven, die hij alleen mocht openen, schreef nu en dan de noodige aanteekeningen en aanwijzingen achterop, en legde ze op verscheidene hoopjes, om deze aan de verschillende afdeelingen van het kantoor te laten uitdeelen. De post had dien ochtend een groot aantal brieven medegebracht, en Carker de chef had dus veel te doen.
Het voorkomen van iemand die aldus bezig is—nu een hoopje papieren in zijne hand doorkijkende en een voor een uitdeelende, dan een ander hoopje opnemende en met een gefronst voorhoofd en dichtgeknepene lippen naziende—beurtelings afnemende, uitzoekende, ronddeelende en peinzende—zou licht aan zekere comische gelijkenis op een kaartspeler doen denken. Het gezicht van Carker den chef strookte zeer wel met zulk een inval. Het was het gezicht van iemand die zijn spel voorzichtig doordacht, die op alles lette wat hem voordeelig en nadeelig kon zijn, die alle voorkomende kaarten in zijn geheugen hield, en nauwkeurig wist wat zij golden, wat zij nog misten, en wat zij te zamen uitmaakten; die slim genoeg was om te ontdekken wat de andere spelers in de hand hadden, en nooit zijn eigen spel verried.
De brieven waren in verschillende talen, maar Carker de chef las ze allen. Als er op het kantoor van Dombey en Zoon iets was voorgekomen dat hij niet lezen kon, zou er eene kaart aan het spel ontbroken hebben. Hij las bijna met een enkelen blik, bracht al voortlezende den eenen brief met den anderen en de eene zaak met de andere in verband, en vergrootte aanhoudend de hoopjes—evenals een geoefend speler de kaarten met één blik kent, en ze nog onthoudt en in rekening brengt als zij gekeerd zijn. Eenigszins al te slim voor een partner, en veel te slim voor een tegenspeler, zat daar Carker de chef, in de stralen der zon, die hem door het lantarenvenster beschenen, en speelde zijn spel alleen.
En schoon het kaartspelen niet tot de instincten van het kattengeslacht (wild of getemd) behoort, was Carker de chef katachtig van het hoofd tot de voeten, terwijl hij zich daar in het streepje zomerlicht en zomerwarmte zat te koesteren, dat op zijne tafel en grond scheen. Met haar en bakkebaard altijd flauw van kleur, maar in dien zonneschijn nog flauwer dan anders, en meer naar de vacht van eene geelgrauwe kat gelijkende; met lange nagels, net geknipt en fijn gescherpt; met eene natuurlijke antipathie voor ieder spatje vuil, welke hem somtijds naar de vallende stofjes deed kijken en van zijne witte hand of keurig linnen wegvegen; zat daar Carker de chef, sluw van uitzicht, scherp van tand, zacht van voet, waakzaam van oog, glad van tong, wreed van hart, zindelijk uit gewoonte, met zeker oplettend zelfbehagen en voorzichtig geduld te werken, alsof hij voor een muizenhol zat te loeren.
Eindelijk waren de brieven afgehandeld, met uitzondering van een, dien hij voor eene afzonderlijke audiëntie bewaarde. Nadat hij de geheime correspondentie in eene lade had gesloten, trok hij aan de schel.
“Waarom komt gij binnen?” was de vraag waarmede hij zijn broeder ontving.—“De looper is uit, en ik ben de volgende,” was het onderdanig antwoord.—“Gij de volgende,” mompelde de chef. “Ja! Veel eer voor mij! Daar!”
Naar de hoopjes brieven wijzende, keerde hij zich in zijn leuningstoel verachtelijk om, en verbrak het cachet van den brief dien hij in de hand had.
“Het spijt mij dat ik u moet lastig vallen, James,” begon zijn broeder, de brieven opzamelende, “maar...”—“O! Gij hebt iets te zeggen. Dat wist ik wel. Nu?”
Carker de chef sloeg zijne oogen niet naar zijn broeder op, maar hield ze op den brief gevestigd, zonder dien evenwel te openen.
“Welnu?” herhaalde hij scherp.—“Ik ben ongerust over Harriët.”—“Welke Harriët? Ik ken niemand die zoo heet.”—“Zij is niet wel. Zij is sedert eenigen tijd veel veranderd.”—“Zij is veel veranderd, al vele jaren geleden,” antwoordde de chef, “en dat is al wat ik te zeggen heb.”—“Ik denk, als ge mij woudt aanhooren ...”—“Waarom zou ik u aanhooren, broeder John?” antwoordde Carker de chef, met een spottenden nadruk op deze twee woorden, en het hoofd oprichtende, maar zonder zijne oogen op te slaan. “Ik zeg u, Harriët Carker heeft voor vele jaren de keus gedaan tusschen hare twee broeders. Zij mag er nu berouw van hebben, maar zij moet er bij blijven.”—“Versta mij niet verkeerd. Ik zeg niet dat zij er berouw van heeft. Het zou eene groote ondankbaarheid van mij zijn, als ik zoo iets liet denken,” zeide de ander. “Maar geloof mij, James, ik ben even bedroefd over hare opoffering als gij.”—“Als ik?” riep de chef uit. “Als ik?”—“Even bedroefd over hare keus—over wat gij hare keus noemt—als gij er kwaad over zijt.”—“Kwaad?” herhaalde de ander, en liet al zijne tanden zien.—“Onvergenoegd. Welk woord u maar belieft. Gij weet wel wat ik meen. Ik wil niet beleedigend zijn.”—“Al wat gij doet is beleedigend,” antwoordde zijn broeder, hem eensklaps met een donkeren blik aanziende, die terstond plaats maakte voor een glimlach nog breeder dan de vorige. “Neem die papieren mee, als het u belieft. Ik heb bezigheden.”
Zijne beleefdheid was zooveel scherper dan zijne gramschap, dat de Junior naar de deur ging. Daar bleef hij echter staan, en zich omkeerende, zeide hij:—“Toen Harriët, bij uwe eerste billijke verontwaardiging en mijne eerste schande, vruchteloos voor mij bij u poogde te spreken, en toen zij u verliet, James, om mij in mijn ongeluk te volgen, en zich in hare blinde liefde aan haar gevallen broeder toe te wijden, omdat hij buiten haar niemand had, was zij nog jong en bevallig. Ik denk als gij haar nu kondt zien—als gij haar nu wildet gaan zien—zoudt gij u verwonderen en medelijden met haar hebben.”
De chef boog zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij, tot antwoord op een onverschillig praatje, zeggen: “Wel, wel! Zoo, zoo!” maar sprak geen woord.—“Wij dachten in die dagen, gij en ik beiden, dat zij jong zou trouwen en een gelukkig en onbezorgd leven hebben,” vervolgde de ander. “O, als gij wist hoe blijmoedig zij is voortgegaan op den weg dien zij toen nam, zonder eene enkele maal om te zien, dan zoudt gij nooit weder kunnen zeggen dat haar naam u vreemd was. Nooit!”
Wederom boog de chef zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij zeggen: “Wel opmerkelijk! Ik ben waarlijk verwonderd;” maar wederom sprak hij geen woord.—“Mag ik voortgaan?” zeide John Carker gedwee.—“Heengaan?” antwoordde zijn glimlachende broeder. “Als ge zoo goed wilt zijn.”
Met een zucht ging John Carker langzaam de deur uit, toen de stem van zijn broeder hem op den drempel deed stilstaan.
“Als zij blijmoedig haar weg gaat,” zeide hij, den nog ongeopenden brief op den lessenaar werpende, “kunt gij haar zeggen dat ik even blijmoedig den mijnen ga. Als zij nooit heeft omgezien, kunt gij haar zeggen dat ik dat wel eens heb gedaan, om mij te herinneren dat zij uwe partij heeft gekozen, en dat mijne besluiten niet minder duurzaam zijn,” hier glimlachte hij zeer vriendelijk, “dan marmer.”—“Ik zeg haar niets van u. Wij spreken nooit over u. Eenmaal ’s jaars, op uw verjaardag, zegt Harriët altijd: “Laten wij James gedachtig zijn en wenschen dat hij gelukkig zij;” maar meer zeggen wij niet.”—“Zeg het dan u zelven als het u belieft,” was het antwoord. “Gij kunt het niet te dikwijls herhalen, als eene les voor u om mij niet over de zaak te spreken. Ik ken geene Harriët Carker. Er is zoo iemand niet. Gij moogt eene zuster hebben; houd haar dan in waarde. Ik heb er geen.”
Hij nam den brief weder op en wuifde met een glimlach van spottende beleefdheid naar de deur. Toen zijn broeder heenging, zag hij dezen nog donker na, en zich toen weder in zijn leuningstoel omdraaiende begon hij den brief met aandacht te lezen.
Deze was van de hand van zijn grooten patroon, Dombey, en van Leamington gedateerd. Schoon hij een vlug lezer van alle andere brieven was, las Carker dezen langzaam: ieder woord wegende, en al zijne tanden als het ware er op scherpende. Toen hij het geschrift had doorgelezen, sloeg hij het blad nog eens om, en zocht deze plaatsen uit: “Ik vind dat de verandering mij heilzaam is, en ben nog niet gezind om een tijd voor mijne terugkomst te bepalen.”—“Ik wenschte, dat gij schikking wildet maken om eens in persoon over te komen, om mij te zeggen hoe de zaken gaan.” “Ik heb nagelaten u van den jongen Gay te spreken. Zoo nog niet met de Zoon en Erfgenaam vertrokken, of als de Zoon en Erfgenaam nog in de dokken ligt, benoem dan een ander jongmensch, en houd hem vooreerst aan het kantoor. Ik heb nog niet besloten.”—“Dat is nu wel ongelukkig!” zeide Carker, zijn mond uitrekkende alsof die van gom-elastiek was; “want hij is al ver weg.”
Evenwel trok deze plaats, die in een naschrift voorkwam, nogmaals zijne aandacht.
“Ik geloof,” zeide hij, “dat mijn goede vriend kapitein Cuttle er eens van sprak, dat hij wel in het zog van dien grooten dag zou worden meegesleept. Hoe jammer dat hij zoo ver weg is!”
Hij vouwde den brief weder op en zat er mede te spelen, keerde hem naar alle richtingen op de tafel om en om—misschien deed hij wel hetzelfde met den inhoud, toen Perch de boodschaplooper zachtjes aan de deur klopte, op de teenen binnenkwam, bij elken stap buigende alsof het buigen de lust van zijn leven was, en eenige papieren op de tafel legde.
“Zoudt ge misschien belet willen hebben, mijnheer?” vroeg Perch, zijne handen wrijvende en zijn hoofd ootmoedig op zijde houdende, als iemand die wel wist dat het zijne zaak niet was het voor zulk een persoon op te steken en het zooveel mogelijk uit den weg wilde houden.
“Wie vraagt er naar mij?”—“Och, mijnheer,” antwoordde Perch zeer zacht, “eigenlijk niemand om van te spreken. Mijnheer Gills, de scheepsinstrumentmaker, is gekomen om een betalinkje te doen, zegt hij; maar ik heb hem gezegd dat gij denkelijk belet hadt, voor nog lang—heel lang.”
Perch kuchte eens achter zijne hand en wachtte op verdere bevelen.
“Iemand anders?”—“Wel, mijnheer,” zeide Perch, “ik zou uit mij zelven niet zoo vrijpostig zijn om te zeggen, mijnheer, dat er nog iemand was; maar die zelfde jongen, mijnheer, die gisteren en verleden week al hier is geweest, slentert nu weer hier in het rond; en het staat zoo gemeen, mijnheer,” vervolgde Perch, even ophoudende om de deur dicht te doen, “als men hem daar tegen de musschen ziet staan fluiten tot zij hem antwoord geven.”—“Gij hebt gezegd dat hij iets te doen wilde hebben, niet waar, Perch?” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en den ander aanziende.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Perch, weder met een kuchje achter zijne hand, “hij zeide eens dat hij naar eene conditie zocht, en dat hij dacht dat men hem wel aan de dokken zou kunnen gebruiken, omdat hij aan het visschen met den hengel gewoon was; maar”—Perch schudde zeer twijfelachtig zijn hoofd.—“Wat zegt hij dan als hij hier komt?” vroeg Carker.—“Wel, mijnheer,” antwoordde Perch, nog eens achter zijne hand kuchende, hetgeen, als een blijk van nederigheid, altijd zijne toevlucht was als hem niet anders inviel, “hij zegt doorgaans dat hij nederig verzoekt om een van de heeren te spreken, en dat hij zijn brood wil verdienen. Maar gij begrijpt wel, mijnheer,” vervolgde Perch fluisterend, en zich omkeerende om de deur eene duw met hand en knie te geven, alsof hij ze daardoor nog dichter dan dicht zou kunnen sluiten, “het is haast niet te verdragen dat zulk een gemeene jongen hier komt malen en zeggen dat zijne moeder den jongen heer van ons kantoor gezoogd heeft, en dat hij daarom hoopt dat het kantoor hem een kansje zal geven. Ik verzeker u, mijnheer, dat hoewel mijne vrouw toen zulk een gezond meisje zoogde als wij ooit zoo vrij zijn geweest om onze familie mee te vergrooten, ik nooit zoo vrijpostig zou zijn geweest om er van te spreken dat zij ook wel min had kunnen wezen, al was het om nog zooveel geweest.”
Carker grijnsde hem aan als een haai, maar deed dit op eene verstrooide, peinzende manier.
“Of,” hervatte Perch, na eene poos van stilte en nog een kuchje, “het niet best zou zijn als ik hem zeide, dat ik hem zou laten arresteeren als hij weer hier kwam, en dat dan ook te doen. Ik zou gemakkelijk kunnen bezweren, mijnheer, dat ik voor gewelddadigheden van hem bang ben, zoo vreesachtig ben ik van aard, mijnheer, en zoo zenuwachtig maken mij de omstandigheden van mijne vrouw.”—“Laat mij dien knaap eens zien, Perch,” zeide Carker. “Breng hem eens hier.”—“Ja, mijnheer. Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Perch en bleef aarzelend bij de deur staan. “Maar hij ziet er heel ruw uit, mijnheer.”—“Dat komt er niet op aan. Als hij er nog is, breng hem dan hier. Ik zal mijnheer Gills dadelijk spreken. Vraag hem om te wachten!”
Perch boog; en de deur zoo zorgvuldig en nauwkeurig achter zich sluitende alsof hij in geene week terugkwam, ging hij tusschen de musschen zoeken. Terwijl hij weg was hernam Carker zijne geliefkoosde houding voor den schoorsteen en bleef naar de deur staan kijken. Met zijne opgetrokken bovenlip, die eene geheele rij tanden liet zien, had hij een bijzonder loerend en dreigend uitzicht.
Het duurde niet lang of Perch kwam terug, gevolgd door een paar zware laarzen, die als lompen door den gang klotsten. Met de onbeleefde woorden: “Kom aan, binnen!”—een zeer ongewone vorm van aandienen in zijn mond—liet Perch toen een forsch gebouwden knaap van vijftien jaren in, met een rond rood gezicht, een rond glad hoofd, ronde zwarte oogen, ronde leden en een rond lijf, die, om met de algemeene rondheid van zijn voorkomen te strooken, een ronden hoed in de hand had, zonder eenig spoor van rand er aan.
Op een wenk van Carker verdween Perch, zoodra hij dezen knaap voor hem had geplaatst. Zoodra zij alleen waren greep Carker, zonder een woord tot inleiding, den jongen bij de keel en schudde hem tot zijn hoofd geheel los op zijne schouders scheen te staan.
De jongen, die te midden van zijne verbazing over den heer met zooveel witte tanden, die hem scheen te willen verworgen, niet nalaten kon in de kamer rond te kijken, als had hij besloten dat, als hij dan geworgd moest worden, zijn laatste blik gevestigd zou zijn op die geheimen voor welker schennis hij zoo zwaar moest boeten, bracht eindelijk uit:
“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! Heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”
Biler jankte, och neen, och neen!—en wat had hij gedaan—en waarom worgde hij geen jongen die zoo groot was als hij zelf, en hem niet. Maar Biler werd door deze buitengewone ontvangst geheel overbluft; en toen zijn hoofd weder stilstond, en hij den onbekenden heer in het gezicht of liever in de dreigende tanden keek, vergat hij zijne manhaftigheid in zoo verre dat hij begon te huilen.
“Ik heb u niets gedaan, mijnheer,” zeide Biler, alias Robert, alias Grinder, oudste zoon van baas Toodle.—“Gij schobbejak!” antwoordde Carker, hem langzaam loslatende en een stap achterwaarts doende, om zijne geliefkoosde houding aan te nemen. “Wat meent gij daarmee dat gij hier durft komen?”—“Ik meende geen kwaad, mijnheer,” jankte Rob, met de eene hand zijne keel betastende en de knokkels der andere in zijne oogen duwende. “Ik zal nooit weerom komen, mijnheer. Ik wilde maar werk hebben.”—“Werk, gij jonge Kaïn!” zeide Carker, hem strak aanziende. “Zijt ge dan niet de luiste deugniet van de geheele stad?”
De beschuldiging, die Toodle junior ten diepste trof, was echter zoo wel gegrond, dat hij geen woord van ontkenning kon uitbrengen. Hij bleef den geduchten heer dus met een verschrikt, beschaamd en boetvaardig gezicht staan aankijken. Wat dit aankijken betreft, mag men zeggen dat Carker hem scheen te betooveren, en de knaap zijne ronde oogen geen oogenblik van hem kon afwenden.
“Zijt ge niet een dief?” zeide Carker, met zijne handen achter zich in zijne zakken.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verlegen.—“Dat zijt ge wel,” zeide Carker.—“Waarlijk niet, mijnheer,” jankte Rob. “Gij moogt mij gelooven, mijnheer, ik heb nooit iets gestolen. Ik weet wel dat ik ondeugend ben geworden, mijnheer, sedert ik mij met vogelvangen en hardloopen had opgehouden. Iemand zou wel denken,” zeide Rob, met eene uitbarsting van boetvaardigheid, “dat zangvogeltjes een onschuldig gezelschap waren, maar niemand weet hoeveel kwaad er in die beestjes steekt en waar zij iemand toe brengen.”
Zij schenen hem gebracht te hebben tot een zeer versleten trijpten buis en broek, een buitengemeen klein rood vestje, dat naar een enkelen kraag geleek, eene tusschenruimte van blauw bont en den bovengemelden hoed.
“Ik ben geen twintigmaal naar huis geweest sedert die vogeltjes mij den baas werden,” zeide Rob, “en dat is tien maanden. Hoe kan ik naar huis gaan, als iedereen verdrietig is dat hij mij ziet! Het verwondert mij,” zeide Rob, nu hardop snikkende en zijne oogen met zijne mouw besmerende, “dat ik mij niet al dikwijls en dikwijls heb gaan verdrinken.”
Dit alles, de betuiging van verwondering dat hij dit laatste feit niet verricht had, ingesloten, zeide de jongen, alsof Carker’s tanden het hem uit de keel haalden, en hij, zoolang deze hunne macht op hem uitoefenden, niet in staat was om iets te verbergen.
“Ge zijt een aardig jong heer!” zeide Carker, zijn hoofd schuddende. “Er is al hennepzaad voor u gezaaid, jongetje!”—“Waarachtig, mijnheer,” antwoordde de ongelukkige Biler al snikkende, “het zou mij niet kunnen schelen, al was het al gegroeid ook. Al mijn ongeluk is begonnen met spijbelen, mijnheer; maar wat kon ik anders doen?”—“Anders dan wat?” zeide Carker.—“Spijbelen, mijnheer. Spijbelen van school.”—“Meent gij, te doen alsof gij daarheen zoudt gaan en er niet heen gaan?” zeide Carker.—“Ja, mijnheer; dat is spijbelen, mijnheer,” antwoordde de gewezen Slijper, zeer aangedaan, “Ik werd op straat dood geplaagd, mijnheer, als ik er naar toe ging, en als ik er kwam kreeg ik nog slaag. Zoo liep ik spijbelen, en hield mij ergens schuil, en zoo begon het.”—“En wilt ge mij nu zeggen,” zeide Carker, nadat hij hem weder bij de keel had gepakt, op armslengte van zich afgehouden en eene poos zwijgend aangestaard, “dat gij naar eene plaats zoekt?”—“Ik zou dankbaar zijn als men mij eens probeerde, mijnheer,” antwoordde Toodle junior flauw.
Carker duwde hem achteruit in een hoek—de jongen onderwierp zich stil, durfde nauwelijks ademhalen, en keerde de oogen niet van zijn gezicht af—en schelde.
“Laat mijnheer Gills hier komen.”
Perch was te eerbiedig om te laten blijken, dat hij de gedaante in den hoek herkende of zich daarover verwonderde; en weldra verscheen oom Sam.
“Ga zitten, mijnheer Gills,” zeide Carker met een glimlach. “Hoe vaart gij? Nog altijd gezond, hoop ik?”—“Wel bedankt, mijnheer,” antwoordde oom Sam, zijn zakboekje uithalende en onder het spreken eenige papiertjes overgevende. “Naar het lichaam scheelt mij niets dan mijn ouderdom. Vijf en twintig, mijnheer.”—“Ge zijt zoo nauwkeurig, mijnheer Gills,” antwoordde de glimlachende chef, een papier uit een van zijne vele laden halende en iets op den achterkant aanteekenende, terwijl oom Sam er naar keek, “als een van uw eigen chronometers. In orde.”—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid, mijnheer, zie ik aan de lijst,” zeide oom Sam, met eene geringe vermeerdering der gewone beving in zijne stem.—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid,” antwoordde Carker. “Er schijnt stormachtig weer te zijn geweest, mijnheer Gills, en waarschijnlijk is het schip uit zijn koers gedreven.”—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” zeide de oude Sam.—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” herhaalde Carker op die stemlooze manier, die hij somtijds aannam, en die den oplettenden jongen Toodle wederom deed beven. “Mijnheer Gills,” vervolgde hij overluid, “gij moet uw neef wel erg missen.”
Oom Sam, die bij hem stond, schudde zijn hoofd en slaakte een zwaren zucht.
“Mijnheer Gills,” zeide Carker, met zijne zachte hand om zijn mond spelende, en den instrumentmaker aanziende, “het zou gezellig voor u zijn als ge tegenwoordig een jong maatje in uw winkel hadt, en het zou eene verplichting voor mij zijn als gij zulk een knaapje vooreerst huisvesting wildet geven. Ik weet wel,” vervolgde hij snel, om den ouden man voor te komen, “dat er niet veel in uw winkel omgaat; maar gij kunt hem dien laten schoonhouden, de instrumenten oppoetsen, kortom van alles laten doen. Daar staat de jongen, mijnheer Gills!”
Samuel Gills schoof zijn bril van zijn voorhoofd voor zijne oogen, en keek naar Toodle junior, die zoo stijf als een staak in zijn hoek stond;—wiens hoofd (gelijk altijd) een voorkomen had, alsof hij zoo pas uit een emmer koud water was gehaald, terwijl zijn vestje met het spel zijner aandoeningen rees en daalde,—en zijne oogen strak op Carker hield gevestigd, zonder op den meester, dien men hem wilde geven, te letten.
“Wilt gij hem bij u nemen, mijnheer Gills?” zeide Carker.
Zonder zeer met het voorstel te zijn ingenomen, antwoordde Samuel, dat hij blijde was met eene gelegenheid, hoe gering ook, om mijnheer Carker te verplichten, wiens verlangen in zulk een opzicht een bevel was; en dat de houten adelborst zich gelukkig zou achten een door mijnheer Carker gekozen gast te mogen ontvangen.
Carker liet tanden en tandvleesch zien—hetgeen den waakzamen Toodle junior al erger en erger deed beven—en dankte den instrumentmaker op zijne vriendelijkste manier voor zijne beleefdheid.
“Ik zal hem dan bij u zenden, mijnheer Gills,” zeide hij, opstaande en den ouden man de hand gevende, “tot ik het met mij zelven eens word wat verder met hem te doen, en wat hij verdient. Daar ik mij zelven verantwoordelijk voor hem acht, mijnheer Gills,” hierbij zag hij Robert aan met een glimlach, waarvoor de knaap sidderde, “zal het mij genoegen doen als gij scherp op hem let en mij bericht geeft hoe hij zich gedraagt. Ik zal zijne ouders—ordentelijke lieden—een paar vragen doen als ik vandaag naar huis rijd, ter bevestiging van het een en ander dat hij mij gezegd heeft; en dan zal ik hem morgen naar u toe zenden, mijnheer Gills. Goeden morgen!”
Zijn glimlach bij het afscheid was zoo vol tanden, dat de oude Sam er verlegen en onrustig van werd, zonder te weten waarom. Onderweg naar huis dacht hij aan kokende zeeën, zinkende schepen, drenkelingen, eene flesch oude madera die nooit weder voor het licht kwam, en andere akeligheden.
“Kom aan, jongen,” zeide Carker, zijne hand op Rob’s schouder leggende, en hem naar het midden van de kamer brengende. “Gij hebt mij gehoord?”—“Ja, mijnheer,” zeide Rob.—“Misschien begrijpt gij wel,” hervatte zijn patroon, “dat als ge mij ooit bedriegt of streken speelt, ge beter zoudt gedaan hebben als gij u maar voorgoed hadt verdronken, eer ge hier naar toe kwaamt?”
Er was in alle vakken van wetenschap niets dat Rob beter scheen te begrijpen dan dit.
“Als ge mij in iets belogen hebt,” zeide Carker, “kom mij dan nooit weer in den weg. Zoo niet, laat ik u dan dezen achtermiddag ergens bij uw moeders huis naar mij vinden wachten. Ik zal om vijf uur hier vandaan gaan en te paard daarheen rijden. Geef mij nu het adres.”
Rob zeide dit langzaam voor, terwijl Carker het opschreef. Rob spelde het zelfs nog eens, letter voor letter, over, alsof hij dacht dat het vergeten van een stipje of streepje zijn verderf zou berokkenen. Daarna duwde Carker hem de kamer uit, en Rob verdween nu vooreerst, maar hield tot het laatste toe zijne ronde oogen op zijn patroon gevestigd.
Carker de chef deed dien dag vele zaken af, en liet een groot aantal menschen zijne tanden zien. In het kantoor, op straat en op de beurs glinsterden zij geweldig en schrikkelijk. Toen het vijf uur werd en Carker’s paard voorkwam, stegen zij op en reden al glinsterend Cheapside af.
Daar iemand, al wilde hij haast maken, door het gewoel en gedrang in de City op dat uur niet gemakkelijk hard kon rijden, en Carker geen haast wilde maken, reed hij op zijn gemak voort, tusschen de karren en rijtuigen door, zooveel mogelijk de modderplassen vermijdende en zich oneindige moeite gevende om zich zelven en zijn paard schoon te houden. Terwijl hij zoo voorttrippelende naar de voorbijgangers keek, ontmoette hij eensklaps de ronde oogen van Rob, zoo strak op zijn gezicht gevestigd, alsof hij ze er nooit had afgewend, terwijl de knaap zelf, met een bonten zakdoek stijf om zijn middel geknoopt, zich blijkbaar gereed hield, om hem bij te houden, hoe hard hij ook verkoos te rijden.
Daar deze oplettendheid, hoe vleiend ook, van eenigszins buitengewonen aard was en de aandacht van andere voetgangers trok, nam Carker, op eene plek waar de weg ruimer en de straat schooner werd, de gelegenheid waar om het in een draf te zetten. Terstond deed Rob hetzelfde. Daarop beproefde Carker een handgalop, Rob hield hem bij. Toen een meer gestrekten galop; het was den knaap eveneens. Als Carker zijne oogen naar dien kant wendde, zag hij Toodle junior naast hem loopen, naar het scheen zonder moe te worden, en zich met de ellebogen voortwerkende, gelijk een hardlooper van beroep, die voor eene weddenschap loopt.
Zoo belachelijk als dit geleide was, was het toch een teeken van den invloed dien hij op den knaap had verworven, en Carker reed derhalve, alsof hij er niet eens op lette, voort, tot dicht bij de woonplaats van baas Toodle. Toen hij hier zachter begon te rijden, liep Rob vooruit om hem den weg te wijzen, en toen hij een man riep om zijn paard te houden, terwijl hij het buurtje dat Stagg’s Gardens had vervangen, inging, hield Rob gedienstig den stijgbeugel, terwijl zijn patroon afsteeg.
“Kom aan,” zeide Carker, hem bij den schouder vattende; “nu maar voort!”
De verloren zoon was blijkbaar beschroomd om de ouderlijke woning te bezoeken; maar dewijl Carker hem voortduwde, kon hij niet anders dan de rechte deur openen, en zich zoo in het midden van zijne broeders en zusters laten brengen, die om de huiselijke theetafel waren gezeten. Op het gezicht van den verlorene in de greep van een vreemdeling, hieven deze teedere bloedverwanten een algemeen gehuil aan, hetwelk het hart van den losbol zoodanig roerde dat hij, toen hij zijne moeder, met het kleinste kleintje op den arm, bleek en bevende zag opstaan, zijne eigene stem bij den koorzang voegde.
Nu niet twijfelende of de vreemdeling, zoo niet mijnheer Ketch in eigen persoon, was toch een van zijne ambtgenooten, schreeuwde de jeugdige familie des te harder, terwijl de jongste leden, buiten staat om de aandoenlijkheid van hun leeftijd te bedwingen, zich op den rug wierpen, evenals jonge vogeltjes als zij voor een havik bang worden, en geweldig in de lucht schopten. Eindelijk maakte de arme Polly zich toch hoorbaar, en zeide met bevende lippen: “O Rob, mijn arme jongen, wat hebt ge nu gedaan!”—“Niets, moeder,” riep Rob, op een jammerenden toon. “Vraag het dien heer maar!”—“Wees niet ongerust,” zeide Carker nu. “Ik wil hem goeddoen.”
Op dit bericht barstte Polly, die nog niet geschreid had, in tranen uit. De oudste Toodle’s, die op een ontzet schenen bedacht te zijn geweest, ontsloten nu hunne vuisten; de jongsten drongen zich om hun moeders japon en keken onder hunne ronde armpjes door naar hun losbandigen broeder en zijn onbekenden vriend. Iedereen zegende den heer met de mooie tanden, die goed wilde doen.
“Deze jongen,” zeide Carker tot Polly, Rob even schuddende, “is uw zoon, niet waar, jufvrouw?”—“Ja, mijnheer,” snikte Polly nijgende. “Ja, mijnheer.”—“Een slechte zoon, vrees ik?” zeide Carker.—“Nooit een slechte zoon voor mij, mijnheer,” antwoordde Polly.—“Voor wien dan?” vroeg Carker.—“Hij is een beetje wild geweest, mijnheer,” zeide Polly, haar kleinste vasthoudende, dat met armpjes en beentjes stuipachtige pogingen aanwendde om door de lucht heen op Biler toe te vliegen, “en heeft met slecht gezelschap verkeerd, mijnheer; maar ik hoop dat hij het ongelukkige daarvan heeft ingezien, mijnheer, en zich weer zal verbeteren.”
Carker zag naar Polly, en de zindelijke kamer, en de zindelijke kinderen, en het eenvoudige Toodle’s gezicht, uit dat van vader en moeder samengesteld, dat hem overal in de oogen viel, en scheen het wezenlijke oogmerk van zijn bezoek bereikt te hebben.
“Uw man is zeker niet thuis?” zeide hij.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Polly. “Hij is nu op het oogenblik op een trein.”
De losbandige Rob scheen ruimer adem te halen toen hij dit hoorde, schoon hij, nog geheel onder den invloed van zijn patroon, zijne oogen bijna niet van Carker’s gezicht afkeerde, dan om even een treurigen blik naar zijne moeder te werpen.—“Dan zal ik u zeggen,” hervatte Carker, “hoe ik aan dien jongen van u ben gekomen, en wie ik ben, en wat ik voor hem zal doen.”
Carker deed dit op zijne eigene manier, zeggende dat hij hem eerst geducht had willen straffen voor zijne vermetelheid om naar het kantoor van Dombey en Zoon te komen; dat hij zich door zijne jeugd, zijne betuigingen van berouw, en zijne betrekkingen had laten vermurwen, dat hij vreesde eene onvoorzichtigheid te zullen begaan door iets voor den jongen te doen, en dat bedachtzame lieden hem zouden laken; maar dat hij dit voor zijne rekening nam en het op de gevolgen waagde; dat hij dit alleen en geheel zelf deed; dat zijne moeders vroegere betrekking tot de familie Dombey er niets mede te maken had, en dat mijnheer Dombey zelf er niets mede te maken had, maar dat hij, Carker, hier alles in alles was. Na zich zelven voor zijne goedheid te hebben geprezen, en geen minderen lof van de geheele daar aanwezige familie te hebben ontvangen, gaf Carker zijdelings maar toch vrij duidelijk te kennen, dat Rob hem eeuwige dankbaarheid, trouw en verkleefdheid verschuldigd was, en deze de geringste hulde waren die hij kon aannemen. Van deze waarheid was Rob zelf zoodanig doordrongen dat, terwijl hij zijn patroon stond aan te staren, de tranen hem over de wangen rolden, en hij met zijn rond hoofd knikte, tot het bijna even los op zijne schouders scheen te worden, als het dien morgen onder de handen van dien zelfden patroon had gedaan.
Polly, die door haar losbandigen eerstgeborene de hemel weet hoeveel slapelooze nachten had doorgebracht, en hem in geene weken had gezien, had welhaast voor Carker den chef, als voor een goeden engel, willen knielen, in spijt van zijne tanden. Maar daar Carker nu opstond om heen te gaan, dankte zij hem slechts met hare moederlijke zegeningen en gebeden; een dank zoo rijk, als hij uit de munt van het hart wordt betaald, vooral voor zulk een dienst als Carker had bewezen, dat hij een grooten hoop klein geld had kunnen teruggeven, en toch nog te duur betaald blijven.
Toen deze heer door den troep kinderen heen naar de deur ging, vloog Rob naar zijne moeder toe en sloot haar en het kleintje in dezelfde boetvaardige omhelzing.
“Ik zal mijn best doen, lieve moeder. Bij mijne ziel, ik zal nu mijn best doen!”—“Och, doe dat, mijn lieve jongen! En dat zult gij zeker, voor ons en voor u zelven,” zeide Polly, hem een kus gevende. “Maar gij komt toch terug om mij nog eens te spreken, als gij mijnheer hebt weggebracht?”—“Dat weet ik niet, moeder.” Rob aarzelde en liet het hoofd hangen. “Vader—wanneer komt hij thuis?”—“Niet voor morgen om twee uur.”—“Dan zal ik terugkomen, moeder lief,” zeide Rob; en door zijne broertjes en zusjes heengaande, die deze belofte met een schellen kreet ontvingen, volgde hij Carker naar buiten.—“Wat!” zeide Carker, die dit gehoord had. “Hebt gij een slechten vader?”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verbaasd. “Er is geen beter en goediger vader dan de mijne is.”—“Waarom wilt gij hem dan niet zien?” vroeg zijn patroon.—“Er is zulk een verschil tusschen een vader en eene moeder, mijnheer,” zeide Rob, na een oogenblik haperens. “Hij zou nog moeielijk kunnen gelooven dat ik het beter zal maken—al weet ik dat hij het wel zou willen gelooven—maar eene moeder—zij gelooft altijd wat goed is, mijnheer; ten minste, ik weet dat mijne moeder dat doet; God zegen haar!”
Carker rekte zijn mond uit, maar sprak niet meer voordat hij op zijn paard was gestegen en den man die het vasthield had weggezonden. Toen van den zadel af den oplettenden knaap strak in de oogen ziende, zeide hij: “Gij moet morgenochtend bij mij komen, en dan zal u beduid worden waar die oude heer woont; die oude heer, die van morgen bij mij was en waar gij naar toe gaat, gelijk ge mij hebt hooren zeggen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde Rob.—“Ik stel het grootste belang in dien ouden heer, en als gij hem dient, doet ge mij ook dienst, jongen, verstaat gij wel? Goed,” zeide hij, Rob voorkomende, want hij zag bij deze woorden het ronde gezicht ophelderen, “ik zie dat gij het doet. Ik verlang alles van dien ouden heer te weten, en hoe hij het van dag tot dag maakt—want ik wenschte hem van allen mogelijken dienst te zijn—en vooral wie er bij hem komt. Verstaat ge wel?”
Rob knikte met een strak gezicht en zeide wederom: “Ja, mijnheer.”—“Ik zou gaarne hooren dat hij vrienden heeft, die hem niet vergeten—want hij is nu zooveel alleen, de arme man; maar dat zij van hem blijven houden, en van zijn neef, die het land uit is. Er is eene heel jonge dame, die misschien naar hem zal komen zien. Ik verlang vooral alles van haar te weten.”—“Daar zal ik wel voor zorgen, mijnheer,” zeide de jongen.—“En pas wel op,” hervatte zijn patroon, bukkende om zijn grijnzend gezicht dichter bij dat van den knaap te brengen, en hem met het achtereind zijner zweep op den schouder te tikken, “pas wel op dat ge tegen niemand behalve mij van mijne zaken spreekt.”—“Tegen niemand in de wereld, mijnheer,” antwoordde Rob, zijn hoofd schuddende.—“Daar ook niet,” zeide Carker, naar de plaats wijzende waar zij vandaan kwamen, “en nergens anders. Ik zal zien of gij trouw en dankbaar kunt zijn. Ik zal u op de proef stellen!” Dit gezegde, door het vertoonen zijner tanden en de beweging van zijn hoofd, evenzeer tot een dreigement als eene belofte makende, keerde hij zich voor Robin’s oogen om—die aan hem vastgenageld waren, alsof hij den jongen door tooverij met lichaam en ziel aan zich onderworpen had—en reed heen. Daar hij echter, na een eindje te hebben gedraafd, wederom bespeurde, dat zijn trouwe geleider, evenals te voren met een zakdoek omgord, hem nog, tot groot vermaak van verscheidene toeschouwers, op zijde bleef, hield hij op en beval hem naar huis te gaan. Om zich te verzekeren dat hij gehoorzaamd werd, keerde hij zich in den zadel om en keek hem na. Het was merkwaardig om te zien, dat Rob zelfs nu nog zijne oogen niet geheel van het gezicht zijns patroons kon afhouden, maar gedurig naar hem bleef omkijken, en daardoor telkens tegen andere voetgangers aanliep, zonder dat hij dit scheen te bemerken.
Carker de chef reed nu stapvoets voort, met het geruste gezicht van iemand die al zijne bezigheden van dien dag naar genoegen heeft afgedaan. Hij neuriede al voortrijdende zelfs zachtjes een wijsje. Hij scheen te spinnen, zoo vergenoegd was hij.
In zijne verbeelding lag hij zich ook voor een haard te koesteren. Voor zekere voeten ineengedoken, was hij gereed om op te springen en te bijten of te krabben, of ook om te streelen en te vleien, naarmate hij daartoe lust en gelegenheid kreeg. Was er ergens een vogeltje in eene kooi, dat in zijne aandacht deelde?
“Eene heel jonge dame,” dacht Carker, al neuriënde. “Ja: toen ik haar de laatste maal zag, was zij nog een klein kind. Met donkere oogen en haar, herinner ik mij, en een goedig gezichtje; een heel goedig gezichtje. Zij zal nu wel mooi zijn geworden.”
Nog genoeglijker en tevredener reed Carker verder en sloeg eindelijk de beschaduwde straat in, waar het huis van Dombey stond. Hij had het zoo druk gehad met netten om goedige gezichten te knoopen en ze met de mazen te verdonkeren, dat hij er niet aan dacht reeds zoo ver te zijn, tot hij, het koude verschiet der hooge huizen langs ziende, zijn paard, op eenige schreden afstands van de deur, inhield. Maar om te verklaren waarom Carker zijn paard eensklaps inhield, en wat hij met geene geringe verwondering aanzag, is eene kleine uitweiding noodig.
Toots, uit de slavernij bij doctor Blimber bevrijd, en in het genot van zeker gedeelte zijner aardsche bezittingen gekomen, “dat,” gelijk hij mijnheer Feeder, in het laatste halfjaar van zijn proeftijd, elken avond als eene nieuwe ontdekking had medegedeeld, “de executeuren hem niet konden onthouden,” had zich met grooten ijver op de wetenschap des levens toegelegd. Door eene edele eerzucht om uit te blinken aangevuurd, had hij eenige keurige apartementen gehuurd, en een zijner kamers tot een jachtsalon ingericht, versierd met de portretten van vermaarde renpaarden, waarin hij geen het minste belang stelde, en een rookdivan, die hij niet kon gebruiken zonder misselijk te worden. In dit verrukkelijk verblijf, wijdde hij zich aan de beoefening dier vriendelijke kunsten, welke het menschdom beschaven en veredelen, en waarin zijn voornaamste leermeester zeker belangwekkend persoon was, die de kemphaan werd genoemd, altijd in de tapperij De Zwarte Bunsing was te bevragen, in het warmste weder eene ruige witte jas droeg, en Toots driemaal in de week met vuisten kwam stompen, tegen het geringe honorarium van tien en een halven schelling voor ieder bezoek.
De kemphaan, die de Apollo van Toots’ Pantheon was, had hem met een markeur in kennis gebracht die hem leerde biljarten, met een gardist die hem leerde schermen, met een stalbonk die hem leerde paardrijden, met een heer uit Cornwall die meester was in alle athletische oefeningen, en met nog twee of drie andere vrienden, niet minder nauw aan de schoone kunsten verwant. Onder zulke meesters kon Toots bijna niet missen snelle vorderingen te maken, en onder hunne leiding ging hij dus aan het werk.
Doch hoe het wezen mocht, het was toch zoo, dat zelfs terwijl deze heeren het innemende van nieuwe bekenden hadden, Toots zich toch, hij wist niet waarom, onbehaaglijk en ongedurig gevoelde. Hij werd door vlagen van verdrietelijkheid en verveling geplaagd, die zelfs de kemphaan niet kon verdrijven. Niets scheen hem zooveel goed te doen, dan gedurig een kaartje bij Dombey aan huis te brengen. Geen belastinggaarder in het Britsche rijk—dat uitgebreide grondgebied, waar de zon nooit onder- en de belastinggaarder nooit naar bed gaat—kwam ooit trouwer en regelmatiger terug dan Toots.
Toots ging nooit naar boven en vervulde altijd dezelfde ceremoniën—met opzet zeer zwierig daartoe gekleed—aan de straatdeur.
“Zoo, goeden morgen!” was het eerste gezegde, als de knecht opendeed. “Voor mijnheer Dombey,” was zijn tweede gezegde, terwijl hij een kaartje overgaf. “Voor jufvrouw Dombey,” was zijn derde, terwijl hij nog een kaartje overgaf.
Dan keerde Toots zich om, alsof hij wilde heengaan; maar de knecht kende hem al, en wist dat hij nog niet ging.
“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots dan, alsof die gedachte hem eensklaps inviel. “Is dat meisje thuis?”
De knecht dacht het dan wel, maar wist het niet zeker. Dan trok hij aan eene schel, die boven hing, en keek de trap op, en zeide, ja, zij was thuis en kwam naar beneden. Dan verscheen Suze Nipper, en ging de knecht heen.
“O! Hoe maakt gij het?” zeide Toots dan, grinnikend en blozend.
Suze bedankte hem dan, en zeide dat zij heel wel was.
“Hoe maakt het Diogenes?” was dan Toots’ tweede vraag.
Ook heel wel. Jufvrouw Florence hield van dag tot dag meer van hem. Toots begroette dit bericht met eene uitbarsting van gegrinnek, alsof men eene flesch met een of ander bruisend vocht opentrok.
“Jufvrouw Florence is ook heel wel, mijnheer,” voegde Suze er dan bij.—“O, dit komt er niet op aan, dankje wel,” was daarop het onveranderlijk antwoord van Toots; en als hij dit gezegd had, ging hij altijd zeer snel heen.
Nu is het zeker dat Toots iets nevelachtigs voor den geest had, hetwelk hem deed besluiten dat hij, als hij eens naar de hand van Florence kon staan, gelukzalig zou wezen. Het is zeker dat Toots, met een grooten omweg, tot dit begrip gekomen was, en daarbij was blijven stilstaan. Zijn hart was gekwetst; hij was verliefd. Op zekeren avond had hij eene wanhopige poging gedaan (en hij was den geheelen nacht daarvoor opgebleven) om een naamvers op Florence te schrijven, en terwijl hij er over zat te denken, had zijne ontroering hem tranen doen storten. Maar op schrift kwam hij niet verder dan de woorden: “Frisch klopt mijn hart wanneer ik zie,” daar de vlucht van verbeelding, waarmede hij de beginletters der zeven andere regels had neergeschreven hem toen begaf.
Behalve tot het uitdenken van dien listigen maatregel om mijnheer Dombey dagelijks een kaartje te brengen, was het brein van Toots nog niet zeer werkzaam geweest over het onderwerp dat zijn gevoel zooveel te doen gaf. Maar na diep overleg kwam Toots tot de overtuiging, dat het een gewichtige stap zou zijn als hij de gunst van Suze Nipper kon winnen, eer hij deze iets van den staat van zijn gemoed openbaarde.
Deze jonge juffer met schertsende galanterie te behandelen, kwam hem voor het rechte middel te zijn om haar voor zijne belangen te winnen. Niet in staat om het hieromtrent met zich zelven eens te worden, raadpleegde hij den Kemphaan—zonder dien heer evenwel in zijn vertrouwen te nemen, en hem slechts onderrichtende dat een vriend uit Yorkshire hem (Toots) om zijn gevoelen over zulk een vraagpunt had geschreven. Toen de Kemphaan hierop antwoordde, dat zijn gevoelen altijd was: “Zet maar door,” en verder: “Als gij uw portuur voor u hebt, ga dan uw gang,” hield Toots dit voor eene figuurlijke manier om zijne eigene meening te bevestigen, en nam dus het heldhaftige besluit om Suze des anderen daags een kus te geven.
Des anderen daags versierde Toots zich derhalve met het fraaiste dat Burgess en Comp. hem hadden geleverd, en ging met dit voornemen naar het huis van Dombey. Maar toen hij de plek naderde, waar hij zijn moed zou toonen, ontzonk hem deze zoozeer, dat het, schoon hij tegen drie uur in den namiddag daar aankwam, zes uur was eer hij aan de deur klopte.
Alles ging volgens gewoonte, tot aan het punt waar Suze zeide dat hare jonge meesteres heel wel was, en Toots zeide dat dit hem niet kon schelen. Tot hare verbazing, bleef Toots, in plaats van na dat gezegde als een vuurpijl heen te stuiven, voor haar staan grinniken.
“Misschien wilt gij wel eens boven gaan, mijnheer?” zeide Suze.—“Ja, mij dunkt ik zal eens binnenkomen,” zeide Toots.
Maar in plaats van de trap op te gaan, toen de deur gesloten was, deed Toots half in den blinde een greep naar Suze, sloot haar in zijne armen en gaf haar een kus op de wang.
“Loop heen,” riep Suze, “of ik zal je de oogen uitplukken.”—“Nog een!” zeide Toots.—“Loop heen!” riep Suze, hem een duw gevende. “Zulk een hals als gij! Wie zal er nu nog beginnen! Loop heen, mijnheer!”
Suze was niet ernstig in het nauw, want zij kon haast niet spreken van het lachen; maar Diogenes, op de trap, die een geritsel tegen den muur en een gescharrel van voeten hoorde, en door de leuning heen zag dat er eene vechtpartij plaats had en er een vreemde indringer in huis was, dacht er anders over, stoof tot ontzet naar beneden en had Toots in een oogwenk bij een been.
Suze gilde, lachte, deed de straatdeur open, en liep weg; de stoutmoedige Toots stommelde de straat op, met Diogenes aan een pijp van zijne broek; Diogenes, afgeschud, rolde om en om in het stof, sprong weder op, rende om den duizeligen Toots heen, en beet naar hem; en al dat oproer zag Carker, die op eenigen afstand zijn paard ophield, tot zijn verbazing uit het deftige huis van Dombey komen.
Carker bleef naar den onthutsten Toots zitten kijken, tot Diogenes binnengeroepen en de deur gesloten was, en ook nog terwijl Toots, schuilplaats zoekende in een poortje dichtbij, zijne gescheurde broekspijp verbond met een fraaien zijden zakdoek, die een deel was geweest van zijne kostbare uitrusting voor de onderneming.
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Carker, met zijn vriendelijksten glimlach naar hem toerijdende, “ik hoop dat gij niet bezeerd zijt.”—“O neen, wel bedankt,” zeide Toots, zijn hoog gekleurd gezicht opheffende, “het is van geen beduiden.” Hij had wel willen doen gelooven, dat het hem zeer beviel.—“Als de hond zijne tanden in het vleesch heeft gezet, mijnheer,” begon Carker, naar zijn eigen been wijzende.—“Neen, wel bedankt,” zeide Toots. “Het is heel goed afgeloopen, ik voel er niets van. Wel bedankt.”—“Ik heb het genoegen van mijnheer Dombey te kennen,” merkte Carker aan.—“Hebt gij toch?” zeide de blozende Toots.—“En gij zult mij misschien wel willen vergunnen, dat ik in zijne afwezigheid voor zulk eene onaangenaamheid verschooning verzoek,” zeide Carker, zijn hoed afnemende, “en mij verwonder hoe zoo iets met mogelijkheid gebeurd kan zijn.”
Toots gevoelt zich door deze beleefdheid zoo zeer gestreeld, en is zoo blijde over de gelukkige kans om met een vriend van mijnheer Dombey kennis te maken, dat hij zijn kaartjestaschje uithaalt, hetwelk hij nooit verzuimt zooveel mogelijk te gebruiken, en Carker zijn naam en adres toereikt. Carker beantwoordt deze beleefdheid door hem zijn kaartje te geven, en daarmede scheiden zij.
Terwijl Carker zoo zachtjes het huis voorbijrijdt, en naar de vensters opziet, en het peinzende gezichtje poogt te onderscheiden dat achter het gordijn naar de kinderen aan den overkant kijkt, komt de ruige kop van Diogenes dicht daarbij geklauterd; en zonder naar verbod of liefkoozing te luisteren, bromt en blaft de hond, en schijnt van die hoogte naar hem te willen afspringen om hem van lid tot lid te verscheuren.
Wel gedaan, Diogenes, zoo dicht bij uwe meesteres! Nog eens, en nog eens, met den kop omhoog en vlammende oogen, grimmig den bek vertrekkende, dat gij hem niet kunt krijgen! Nog eens, terwijl hij, voorzichtig de schoonste plekjes zoekende, heenrijdt. Gij hebt een goeden reuk, Diogenes. Eene kat, jongen, eene kat!
XXIII. FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG
Florence leefde alleen in het groote, akelige huis, en de eene dag volgde den anderen, en nog leefde zij alleen; en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.
Geen tooverkasteel in een tooversprookje, in het hart van een dicht bosch verscholen, was voor de verbeelding ooit eenzamer en verlatener, dan haar vaderlijk huis in zijn stugge werkelijkheid was—des avonds, als er licht door de naburige vensters scheen, een zwarte vlek op die karige helderheid, over dag eene naargeestige uitzondering in eene lang niet vroolijke straat.
Er stonden geene twee draken op schildwacht aan de poort dezer woning, gelijk men in een tooversprookje doorgaans de onrechtvaardig gekerkerde onschuld vindt bewaken; maar behalve een verwrongen gezicht, dat uit de lijst boven de deur uitkeek, was daarboven nog een monsterachtig arabesk-werk van roestig ijzer, naar de versteening van een loofpriëel gelijkende, dat in scherpe punten en schroefsgewijze krullen uitliep, en aan elke zijde een grooten domper [3] droeg, die onheilspellend schenen te zeggen: “Wie hier binnentreedt, laat het licht achter!” Er waren geene tooverletters op den drempel gebeiteld, maar het huis zag er nu zoo verwaarloosd uit, dat de jongens het hek en de stoep met krijt bekrabbelden—vooral om den hoek waar de zijmuur was—en spoken op de staldeur teekenden; en daar Towlinson hen somtijds wegjoeg, maakten zij tot wraak portretten van hem, met ooren die zijdelings uit zijn hoed uitgroeiden. Binnen de schaduw van dat dak hield alle gerucht op. De troep horenblazers, die eens in de week des morgens de straat doorkwam, blies voor die vensters nooit een enkelen toon; al zulke lieden, tot zelfs de half simpele orgeldraaier, schuwden het als eene plaats waar niets te hopen was.
De tooverban, die er op rustte, was verderfelijker dan die, welke eens op een tijd een huis in een tooverslaap dompelde, maar het als het weder ontwaakte onbeschadigd liet. De stille, verterende werking der onbewoondheid openbaarde zich overal. De zwaar neerhangende gordijnen verloren hare oude plooien en vormen en begonnen naar opgehangen lijkkleeden te gelijken. Hecatomben van meubelen, opgestapeld en overdekt, slonken weg, evenals in gevangenis vergetene menschen, en ondergingen eene ongevoelige verandering. Spiegels besloegen als door den adem van jaren. De kleuren van tapijten verschoten en werden zoo verward en flauw als de geheugenissen dier jaren. Planken, schrikkende van een ongewonen voetstap, kraakten en trilden. Sleutels roestten in de sloten van deuren. De vochtigheid sloeg de muren uit, en naarmate de vlekken naar buiten kwamen, schenen de schilderijen naar binnen te kruipen en zich te verbergen. In de kasten begon zich schimmel te vestigen, en boomachtige paddestoelen groeiden in de hoeken van kelders. Het stof hoopte zich overal op, niemand wist hoe; spinnen en motten zag men elken dag opnieuw. Nu en dan vond men eene verdwaalde zwarte tor onbeweeglijk op de trap of op eene bovenkamer, als verwonderd hoe zij daar gekomen was. Ratten begonnen des nachts te piepen en te schermutselen in de donkere galerijen, die zij achter de paneelen uitgroeven.
De akelige pracht der staatsievertrekken, onduidelijk gezien in het schemerlicht dat door de geslotene luiken drong, zou wel genoeg met een tooverkasteel hebben gestrookt. Zoo, bij voorbeeld, de dof aangeslagene pooten van vergulde leeuwen, die tersluiks onder een overtrek te voorschijn kwamen; de marmeren gelaatstrekken van borstbeelden, die spookachtig door een sluier heenschemerden; de pendules, die nooit den tijd verkondigden, of, als zij bij toeval werden opgewonden, dit verkeerd deden en onaardsche uren sloegen, die niet op de wijzerplaat staan; het toevallig gerinkel in de glazen lichtkronen, meer schrik aanjagend dan eene alarmklok; de verzachte klanken en de trage lucht, die zich tusschen deze voorwerpen en eene menigte anderen, allen even spookachtig, heendrongen. Bovendien was er de groote trap, waarop de heer des huizes zoo zelden zijn voet zette, en waarlangs zijn kind omhoog naar den hemel was gegaan. Er waren nog andere trappen en gangen, waar weken achtereen niemand kwam; er waren twee gesloten kamers, met herinneringen aan doode leden der familie, waarvan fluisterend werd gesproken; en voor het geheele huis was Florence, de eenige bevallige gedaante, die door deze somberheid en eenzaamheid rondging, en ieder levenloos voorwerp iets menschelijks gaf, dat belangstelling en verwondering opwekte.
Florence leefde alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde den anderen en nog leefde zij alleen, en de koude muren zagen starende op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.
Het gras begon op het dak en in de spleten der keldergaten te groeien. Schubachtige, kruimelige plantjes sproten om de vensterbanken uit. Stukjes kalk raakten binnen in de schoorsteenen los en kwamen ratelend naar beneden. De twee boomen met berookte stammen verstierven omhoog, en de verdorde takken overheerschten de bladeren. Door het geheele gebouw was het wit in geel, het geel bijna in wit veranderd; en van den tijd af toen de ongelukkige dame stierf, was het langzamerhand eene donkere gaping in de straat geworden.
Maar Florence bloeide daar, gelijk de schoone koningsdochter in het sprookje. Hare boeken, hare muziek en hare dagelijksche meesters en meesteressen, waren haar eenig wezenlijk gezelschap, Suze Nipper en Diogenes uitgezonderd. De eerste begon, door het bijwonen der lessen van hare jonge meesteres zelve een wonder van geleerdheid te worden, terwijl de laatste, mogelijk door denzelfden invloed verzacht, zijn kop op de vensterbank legde en een geheelen zomermorgen lang vreedzaam tegen de straat knipoogde; somtijds zijn kop opstak om met grooten ernst naar een luidruchtig blaffenden hond voor eene kar te kijken, en somtijds, eensklaps en zonder eenige aanleiding om zijn ouden vijand in de buurt denkende, naar de deur stoof, een verdoovend geweld maakte, en dan met een eigenaardig zelfbehagen kwam terugwandelen en zijn kop weder op de vensterbank legde, met het gezicht van een hond die den staat een dienst had bewezen.
Zoo leefde Florence in hare woestijn van een huis, binnen den kring harer schuldelooze bezigheden en gedachten, en niets deed haar leed of hinder. Zij kon nu naar haar vaders kamer gaan en aan hem denken, en met haar liefderijk hart hem nederig naderen, zonder vrees van teruggestooten te worden. Zij kon hem kleine blijken van hare gehechtheid en dienstvaardigheid geven, door alles met eigene handen voor hem in orde te brengen, ruikertjes voor zijne tafel te maken, ze een voor een te verwisselen, als zij verwelkten zonder dat hij terugkwam, dagelijks het een of ander voor hem gereed te maken, en bij zijne gewone plaats een schroomvallig teeken van hare tegenwoordigheid te laten. Vandaag was het een geschilderd kastje voor zijn horloge; morgen werd zij bang om dat daar te laten, en zette zij eene andere kleinigheid van haar maaksel in de plaats, die niet zoo licht zijn oog zou trekken. In den nacht wakker wordende, beefde zij misschien bij de gedachte dat hij thuis zou komen en er zich boos over maken, en sloop dan haastig, met een kloppend hart, naar beneden om haar werk weder weg te nemen. Een andermaal legde zij slechts haar hoofdje op zijn lessenaar, en liet daar een kus en een traan.
Nog wist niemand daarvan. Als de dienstboden het niet ontdekten, wanneer zij er niet was—en allen waren bang voor Dombey’s kamer—was het een even diep geheim in het hart, als wat vroeger was gebeurd. In den schemeravond, des morgens vroeg, en somtijds als men beneden aan het eten was, sloop Florence naar die kamers; en hoewel ieder hoekje te helderder en vroolijker was door hare zorg, glipte zij zoo stil als een zonnestraal uit en in, behalve dat zij haar licht achterliet.
Schimachtig gezelschap vergezelde Florence op en neer door het galmende huis, en zat bij haar in de ontmeubelde kamers. Alsof haar leven een tooverdroom was, sproten er gedachten uit hare eenzaamheid, die de werkelijkheid geheel veranderden. Zij verbeeldde zich zoo dikwijls wat haar leven zou geweest zijn als haar vader haar had kunnen liefhebben en zij een begunstigd kind was geweest, dat zij somtijds voor een oogenblik bijna geloofde dat het zoo was, en zij, door die peinzende verbeelding medegevoerd, zich scheen te herinneren, hoe zij werkelijk beiden haar broeder in zijn graf hadden zien dalen; hoe zij nog dikwijls over hem gesproken hadden, en haar goede vader, haar teeder aanziende, haar over hunne gemeenschappelijke hoop en vertrouwen op God had onderhouden. Op een anderen tijd verbeeldde zij zich dat hare moeder nog leefde. En o, welk een geluk, haar om den hals te vallen en zich met al de vertrouwelijke liefde harer ziel aan hare borst te klemmen! En o, hoe akelig weder het eenzame huis, als de avond viel en er niemand was!
Doch er was ééne gedachte—die zich nog nauwelijks duidelijk kon maken en toch vurig en krachtig in haar binnenste was—welke Florence ondersteunde als zij haar jeugdig hart, zoo zwaar beproefd, met moed en goede voornemens poogde te vervullen. In haar gemoed, gelijk in dat van iedereen die met de groote ramp onzer sterfelijkheid heeft te kampen, was eene plechtige verwondering en hoop binnengeslopen, die haar uit de schemerachtige wereld voorbij het tegenwoordige leven iets, gelijk flauwe muziek, van eene herkenning tusschen haar broeder en hare moeder toefluisterde, van eene bewustheid van haar, die beiden nog bewaarden, van liefde en medelijden voor haar, van eene kennis hoe zij haar weg op aarde zou voortzetten. Het was een balsemende troost voor Florence, deze gedachten te koesteren tot zij eens—het was kort nadat zij haar vader, laat in den nacht, in zijne eigene kamer had gezien—op het denkbeeld kwam, dat zij, als zij schreide omdat zijn hart van haar vervreemd bleef, misschien de geesten der dooden tegen hem zou opwekken. Hoe zwak en kinderachtig het ook wezen mocht, zoo iets te denken en daarbij te beven, haar liefderijk hart kon toch niet anders; en van dat uur af deed Florence haar best om de wreede wond in hare borst aan zich zelve te ontveinzen, en niet dan met hoop te denken aan hem, wiens hand haar die had toegebracht.
Haar vader wist niet—daaraan hield zij zich vast, van dien tijd af—hoe lief zij hem had. Zij was nog heel jong, en had geene moeder, en had nooit geleerd, hetzij door hare schuld of door haar ongeluk, hoe zij moest toonen dat zij hem liefhad. Zij wilde geduld hebben, zij wilde beproeven door den tijd die kunst te leeren, en hem zijn eenig kind beter doen kennen.
Dit werd het doel van haar leven. De morgenzon bescheen het vervallene huis, en vond dat besluit frisch en krachtig in de borst der eenzame meesteres. Onder al hare werkzaamheden van den dag bezielde het haar, want Florence hoopte dat, hoe meer zij wist en hoe meer talenten zij zich verwierf, hij des te vergenoegder zou zijn als hij haar leerde kennen. Somtijds verwonderde zij zich, met een angstig hart en een opwellenden traan, of zij wel in iets genoeg gevorderd was om hem te verrassen als zij eens bij elkander kwamen. Somtijds poogde zij te bedenken, of er niet een vak van kennis was, dat zijne belangstelling lichter dan een ander zou opwekken. Altijd, bij hare boeken, aan hare muziek, aan haar werk, op hare ochtendwandeling, en onder haar nachtgebed, had zij dat één groot doel in het oog. Vreemde studie voor een kind, den weg naar het hart van een hardvochtigen vader te leeren.
Er waren vele wandelaren op de straat, als de zomeravond in den nacht overging, die van den overkant naar het sombere huis keken, en de jeugdige gedaante voor het venster,—zulk een contrast daarbij—naar de sterren zagen opzien, en slechter zouden geslapen hebben indien zij hadden geweten waarover zij zoo peinsde. De naam van het huis, als een spookhuis, zou bij eenige eenvoudige lieden, die door het naargeestige voorkomen daarvan getroffen waren, en het zoo genoemd hadden, niet beter zijn geworden, als zij de geschiedenis van dat gebouw op den gevel hadden kunnen lezen. Maar Florence vervolgde haar heilig doel, zonder dat iemand er iets van vermoedde of haar hielp: zij was er alleen op bedacht hoe zij haar vader zou doen begrijpen dat zij hem liefhad, en bracht zelfs met hare geheimste gedachten geene aanklacht tegen hem in.
Zoo leefde Florence alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde op den anderen, en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.
Suze Nipper stond op zekeren morgen bij hare meesteres, terwijl deze een briefje cacheteerde dat zij geschreven had, en toonde door haar uitzicht dat zij den inhoud wist en goedkeurde.
“Beter laat dan nooit, lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “en ik zeg dat het altijd een verzetje zal zijn eens uit logeeren te gaan, al is het maar bij die oude Skettles’sen.”—“Sir Barnet en Lady Skettles,” antwoordde Florence, met eene zachte berisping, daar de jonge juffer met zooveel gemeenzaamheid van de bedoelde familie sprak, “zijn wel goed dat zij hunne invitatie zoo vriendelijk herhalen.”
Suze, die misschien zoo partijzuchtig was als ooit iemand op de wereld, en in alle dingen, groot en klein, dadelijk eene partij koos, waarvoor zij tegen de geheele wereld wilde vechten, kneep hare lippen dicht en schudde haar hoofd, als een protest tegen de belangeloosheid der Skettles’sen, en om aan te duiden dat het gezelschap van Florence hen rijkelijk voor hunne vriendelijkheid zou beloonen.
“Zij weten wel wat zij doen,” prevelde Suze; “laat dat maar voor de Skettles’sen over.”—“Ik ben er niet zeer op gesteld om naar Fulham te gaan, moet ik bekennen, Suze,” zeide Florence nadenkend. “Maar het zal toch goed zijn dat ik ga. Het zal beter zijn, denk ik.”—“Veel beter,” zeide Suze met nadruk.—“En dus,” vervolgde Florence, “al had ik liever willen gaan als er niemand was, in plaats van onder die vacantie, nu het schijnt dat er eenige jongelieden logeeren, heb ik met dankbaarheid ja gezegd.”—“En ik zeg, dat ik blij toe ben,” antwoordde Suze. “A-ah!”
Deze laatste uitroep, waarmede Suze in dien tijd dikwijls een gezegde besloot, werd beneden gehouden voor iets dat in het algemeen op mijnheer Dombey doelde, en jufvrouw Nipper’s verlangen aanduidde om hem eens te zeggen wat zij wel van hem dacht; maar zij gaf er nooit eene verklaring van, en dus had dit “A-ah!” bij de grootst mogelijke scherpheid, nog het bekoorlijke der geheimzinnigheid.
“Hoelang duurt het toch eer wij tijding van Walter krijgen, Suze!” merkte Florence na een oogenblik zwijgens aan.—“Ja wel lang, jufvrouw Flore!” antwoordde hare kamenier. “En toen Perch daar straks om brieven kwam vragen, zeide hij—maar wat beduidt het wat hij zegt!” riep Suze rood wordend uit. “Hij weet er veel van!”
Florence sloeg snel hare oogen op, en een gloed overspreidde haar gezichtje.
“Als ik niet meer mannelijks had,” zeide Suze, blijkbaar tegen een verborgen angst worstelende en hare jonge meesteres strak aanziende, terwijl zij zich op den onschuldigen Perch poogde boos te maken, “dan die flauwe kerel, zou ik nooit weer grootsch op mijn haar zijn, maar het achter mijne ooren opsteken, en eene grove muts dragen, zonder een strookje kant, tot de dood mij van mijne onbeduidendheid verloste. Ik mag geene Amazone wezen, jufvrouw Flore, en ik zou mij ook niet te schande willen maken door mij zelve zoo te misvormen, maar ik ben toch geen opgeefster, hoop ik.”—“Opgeven? Wat?” riep Florence met ontzetting uit.—“Wel, niets, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Lieve hemel, niets! Het is maar die natte papillot van een man, die Perch, dien iemand haast met een vinger zou kunnen omgooien.”—“Geeft hij het schip op, Suze?” vroeg Florence, zeer bleek.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Suze; “ik zou wel eens willen zien dat hij dat in mijn gezicht durfde doen. Maar hij loopt malen over een pot gember dien mijnheer Walter voor jufvrouw Perch zou sturen, en schudt zijn miserabel hoofd, en zegt dat hij maar hoopt dat hij zal komen; want, zegt hij, al kan het nu niet meer bijtijds zijn voor de bedoelde gelegenheid, dan kan het toch voor de volgende wezen, en dat maakt,” zeide Suze, met diepe minachting, “dat ik mijn geduld met dien kerel verlies, want al kan ik veel dragen, ik ben toch geen kameel, en ook,” voegde zij er na een oogenblik bedenkens bij, “als ik mij zelve wel ken, geen dromedaris.”—“Wat zegt hij anders, Suze?” vroeg Florence met ernst. “Wilt ge mij dat niet vertellen?”—“Alsof ik u niet alles zou willen vertellen, jufvrouw Flore!” zeide Suze. “Wel, jufvrouw, hij zegt dat men algemeen over het schip begint te praten, en dat er nog nooit een schip half zoolang op de reis is uit geweest zonder dat men er van hoorde, en dat de vrouw van den kapitein gisteren aan het kantoor is geweest, en er een beetje ongerust over scheen te zijn; maar dat kon iedereen wel zeggen; dat wisten wij te voren al.”—“Ik moet Walter’s oom gaan bezoeken,” zeide Florence haastig, “eer ik van huis ga. ik wil van morgen nog naar hem toe. Laten wij dadelijk maar gaan, Suze.”
Daar Suze niets tegen dit voornemen had, maar het integendeel hartelijk goedkeurde, waren zij spoedig gereed, en weldra op straat en op weg naar den houten adelborst.
De gemoedstoestand, waarin de arme Walter naar kapitein Cuttle was gegaan, op dien dag toen Brogley de uitdrager beslag op den boedel kwam leggen, en zelfs de kerktorens met eene executie schenen te dreigen, had veel gelijkenis naar dien waarin Florence zich nu naar oom Sam begaf; met dit verschil, dat Florence bovendien nog het verdriet had van te denken, dat zij misschien de onschuldige oorzaak was geweest om Walter in gevaar en allen wien hij dierbaar was, haar zelve daarbij ingesloten, in een doodelijken angst te brengen. Voor het overige schenen gevaar en onzekerheid overal geschreven te zijn. De weerhanen op huizen en torens schenen geheimzinnig op stormen te doelen en als spookvingers naar gevaarlijke zeeën te wijzen, waar, misschien, wrakken ronddreven, en hulpelooze schipbreukelingen dobberden, in een slaap, even diep als het onpeilbare water. Toen Florence in de City kwam en heeren voorbijging, die met elkander praatten, vreesde zij hen over het schip te hooren spreken en de tijding te zullen opvangen, dat het vergaan was. Prenten van schepen tegen de rollende golven kampende vervulden haar met schrik. De wolken en de rook, hoewel langzaam voortdrijvende, dreven veel te snel voor haar angst, en deden haar vreezen dat het op dat oogenblik op zee een storm woei.
Misschien was Suze Nipper onder den invloed van dergelijke gewaarwordingen, misschien ook niet; maar daar zij het in eene eenigszins drukke straat altijd met de jongens te kwaad had—tusschen welke klasse der menschheid en haar eene natuurlijke vijandschap bestond, die bij elke gelegenheid uitbarstte—scheen zij onderweg niet veel tijd te hebben om zich met nadenken bezig te houden.
Toen zij eindelijk aan den overkant der straat op de hoogte van den houten adelborst waren gekomen, en naar eene gelegenheid wachtten om over te stappen, waren zij in het eerst verwonderd voor de deur des instrumentmakers een jongen te zien, wiens appelrond gezicht naar de lucht was gekeerd, en die juist, toen zij naar hem keken, twee vingers van elke hand in den mond stopte, en op deze kunstige manier met verbazende schelheid floot naar eenige duiven hoog in de lucht.
“Jufvrouw Richards’ oudste, jufvrouw!” zeide Suze, “en de plaag van haar leven!”
Daar Polly Florence van de verbeterde vooruitzichten van haar zoon en erfgenaam was komen vertellen, was Florence op deze ontmoeting voorbereid; en bij het eerste gunstige oogenblik stapten zij dus de straat over, zonder zich langer met de beschouwing van jufvrouw Richards’ oudste en plaaggeest op te houden. Deze liefhebber van vogels en visschen bleef met alle macht aan het fluiten, en schreeuwde tusschenbeide, als dol van verrukking: “Ho! hoep! Wegvliegers! Wegvliegers!” een geroep, dat het kwade geweten der duiven zoodanig scheen te treffen, dat zij, in plaats van recht naar eene of andere stad in het noorden van Engeland te vliegen, gelijk zij eerst voornemens schenen, onzeker in het rond begonnen te zwieren; waarop jufvrouw Richards’ eerstgeborene nog harder begon te fluiten en te schreeuwen, met eene stem die boven het straatrumoer uitklonk.
Uit deze verrukking werd hij op eens naar de aarde teruggeroepen door een stomp van Suze, die hem den winkel deed binnenstuiven.
“Is dat de manier om uw berouw te toonen, nu uwe moeder maanden lang om u heeft zitten huilen?” zeide Suze, ten vervolge op den stomp. “Waar is mijnheer Gills?”
Rob, die zijne opwellende wederspannigheid tegen Suze smoorde, toen hij Florence zag volgen, duwde, ter eere der laatste, zijne knokkels tegen zijn haar, en zeide tot de eerste dat mijnheer Gills uit was.
“Haal hem dan naar huis,” zeide Suze met gezag, “en zeg dat mijne jonge jufvrouw hier is.”—“Ik weet niet waar hij naar toe is,” zeide Rob.—“Is dat berouw?” riep Suze met bijtende scherpheid uit.—“Wel, hoe kan ik hem gaan halen, als ik niet weet waar ik naar toe moet?” jankte de gekwelde Rob. “Hoe kunt ge zoo onredelijk zijn?”—“Heeft mijnheer Gills ook gezegd wanneer hij weder thuis zou komen?” vroeg Florence.—“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob, nogmaals zijne knokkels tegen zijn haar duwende. “Hij zeide dat hij kort na den middag weerom zou zijn; nu over een paar uren, jufvrouw.”—“Is hij angstig over zijn neef,” vroeg Suze.—“Ja, jufvrouw,” zeide Rob, zich bij voorkeur tot Florence richtende en Suze voorbijziende, “dat zou ik wel zeggen—heel erg zelfs. Hij blijft geen kwartier binnenshuis, jufvrouw. Hij kan geen vijf minuten op dezelfde plek blijven zitten. Hij zwiert rond als—net als een duif, die niet hokvast meer is,” zeide Rob, bukkende om door het venster naar de duiven te zien, en zich bedwingende, met de vingers halverwege naar zijn mond, op het punt om nog eens te gaan fluiten.—“Kent gij ook een vriend van mijnheer Gills, die kapitein Cuttle heet?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens.—“Die met zijn haak, jufvrouw?” antwoordde Rob, met eene ophelderende beweging van zijne linkerhand. “Ja, jufvrouw. Hij is hier eergisteren nog geweest.”—“Is hij later niet meer hier geweest?” vroeg Suze.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Rob, wederom tot Florence het woord richtende.—“Misschien is Walter’s oom daarheen, Suze,” merkte Florence aan.—“Naar kapitein Cuttle, jufvrouw?” viel Rob er op in. “Neen, daar is hij niet; want hij heeft de boodschap gelaten dat ik, als kapitein Cuttle aankwam, zeggen moest, hoe verwonderd hij was dat hij hem gisteren niet gezien had, en hem moest laten wachten tot hij terugkwam.”—“Weet ge waar kapitein Cuttle woont?” vroeg Florence.
Rob antwoordde bevestigend, sloeg een in perkament gebonden boekje, dat in den winkel lag, op, en las het adres voor.
Florence keerde zich weder naar hare kamenier en nam fluisterend raad met haar, terwijl Rob, aan den last van zijn patroon gedachtig, keek en luisterde. Florence stelde voor dat zij bij kapitein Cuttle aan huis zouden gaan, om van hem te hooren wat hij er van dacht, dat er in zoolang geene tijding van de Zoon en Erfgenaam kwam, en hem zoo mogelijk mede te brengen om oom Sam te troosten. Suze maakte in het eerst eenig bezwaar, uit hoofde van den afstand; maar toen hare meesteres van eene huurkoets sprak, trok zij deze bedenking in en gaf hare toestemming. Het beraad duurde eenige minuten, eer zij tot dit besluit kwamen, en in dien tijd wijdde de starende Rob beurtelings zijne aandacht aan beide spreeksters, en keerde beide beurtelings zijn oor toe, alsof hij was aangesteld om het geschil te beslissen.
Eindelijk werd Rob om eene koets gezonden, terwijl de dames in den winkel bleven wachten; en toen hij er mede aankwam, stapten zij in, voor oom Sam de boodschap latende dat zij op den terugweg zeker nog eens zouden aankomen. Nadat Rob de koets had nagekeken, tot zij even onzichtbaar was als de duiven nu waren geworden, zette hij zich met alle vlijt aan den lessenaar, en om niets van het gebeurde te vergeten, maakte hij daarvan aanteekeningen op verscheidene brokjes papier, waarbij hij niet weinig inkt gebruikte. Er was geen gevaar dat deze documenten, als zij toevallig te zoek raakten, iets zouden verraden; want lang voor dat een woord droog was, werd het voor Rob zelven zulk een geheimzinnig raadsel, alsof hij geen het minste deel aan het schrijven had gehad.
Terwijl hij nog aan dezen arbeid zat, hield de huurkoets—na het ontmoeten van ongehoorde bezwaren, door draaibruggen, grondelooze wegen, onoverkomelijke vaarten, wagens met vaten, plantages van roode klimboomen en kleine waschhuisjes, en andere in dat gewest veelvuldige hindernissen veroorzaakt—aan den hoek van Brig Place stil. Hier afstappende, gingen Florence en Suze de straat langs en zochten naar de woning van kapitein Cuttle.
Het ongeluk wilde dat het juist een van jufvrouw MacStinger’s groote schoonmaakdagen was. Bij zulk eene gelegenheid, werd deze jufvrouw des morgens kwartier vóór drieën door den politieman opgeklopt, en bezweek zij zelden voor twaalf uur in den nacht onder haar arbeid. Het hoofdoogmerk dezer instelling scheen te zijn, dat jufvrouw MacStinger met het krieken van den dag al het huisraad in het tuintje bracht, den geheelen dag op klompen door het huis liep, en na den donker het huisraad weder binnenbracht. Onder deze ceremoniën hadden de jeugdige MacStinger’s nergens rust of veiligheid, werden overal vandaan gejaagd, en waren dientengevolge buitengewoon onrustig en lastig.
Op het oogenblik toen Florence en Suze aan de deur van jufvrouw MacStinger kwamen, was die brave maar geduchte vrouw juist bezig met Alexander MacStinger, oud twee jaar en drie maanden, door den gang te zeulen, om hem in eene zittende houding op de straatsteenen te zetten; want Alexander was blauw in zijn gezicht, dewijl hij na eene kastijding zijn adem wat lang had ingehouden, en in zulke gevallen waren de koele straatsteenen een beproefd middel om hem weder te doen bekomen.
Het gevoel van jufvrouw MacStinger, als vrouw en moeder, werd diep gekwetst door het medelijden met Alexander dat zij in Florence’s gezichtje opmerkte; en de edelste driften onzer natuur volgende, in plaats van kleingeestig hare nieuwsgierigheid te voldoen, schudde zij Alexander dus nog wat, en deed alsof zij de vreemdelingen niet bemerkte.
“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Florence, toen het kind zijn adem terug had en dien gebruikte. “Is dit kapitein Cuttle’s huis?”—“Neen,” antwoordde jufvrouw MacStinger.—“Niet nommer negen?” zeide Florence aarzelend.—“Wie heeft gezegd, dat het nommer negen niet was?” was het antwoord.
Dadelijk viel Suze er op in, en verzocht jufvrouw MacStinger te mogen vragen, wat zij daarmede meende en of zij wel wist met wie zij sprak.
De jufvrouw nam haar eens op van het hoofd tot de voeten: “Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”—“Stil toch, Suze,” zeide Florence. “Misschien kunt gij wel zoo goed zijn om ons te zeggen waar kapitein Cuttle woont, jufvrouw, daar hij hier niet woont.”—“Wie zegt dat hij hier niet woont?” hervatte de onverzoenlijke jufvrouw MacStinger. “Ik zeide dat het kapitein Cuttle’s huis niet was—en het is ook zijn huis niet—en ik hoop dat het nooit zijn huis zal worden—want kapitein Cuttle weet niet hoe men een huis moet schoonhouden—en hij verdient geen huis te hebben—het is mijn huis—en als ik de bovenkamers aan kapitein Cuttle verhuur, doe ik iets daar ik geen dank voor heb, en strooi ik paarlen voor de zwijnen!”
Jufvrouw MacStinger verhief hare stem, om de bovenvensters te bereiken, en schoot ieder gezegde afzonderlijk uit, als uit een geweer met een oneindig getal van loopen. Na het laatste schot, hoorde men de stem des kapiteins, flauw protesteerend, boven op zijne kamer zeggen: “Sta vast, beneden!”—“Als gij naar kapitein Cuttle vraagt, daar is hij,” zeide jufvrouw MacStinger, gramstorig met hare hand wuivende. Toen Florence daarop zonder verder spreken binnentrad en Suze volgde, hervatte de jufvrouw hare wandeling op klompen, vervolgde Alexander, (nog op de steenen gezeten) die opgehouden had met huilen om naar het gesprek te luisteren, zijn gejammer, zich onder dit misbaar, dat geheel werktuigelijk was, vermakende met in de verte naar de huurkoets te kijken.
De kapitein zat op zijne kamer, met de handen in de zakken en de beenen onder zijn stoel opgetrokken, op een eilandje in een oceaan van zeepsop. De glazen waren gewasschen, de wanden waren afgeboend, de kachel was schoongemaakt, en alles, de kachel uitgezonderd, glom van het zeepsop, waarvan de reuk ook de lucht vervulde. Te midden van dit akelige tooneel keek de kapitein, op zijn eiland gebannen, treurig rond, en scheen op eene vriendelijke bark te wachten om hem te komen afhalen.
Maar toen de kapitein, zijne benauwde oogen naar de deur richtende, Florence en hare kamenier zag, konden geene woorden zijne verbazing beschrijven. Daar jufvrouw MacStinger’s welsprekendheid alle andere geluiden had verdoofd, had hij geen merkwaardiger bezoek verwacht dan van den bierjongen of den melkboer; en toen Florence verscheen en de kust van zijn eiland naderde, en hem hare hand toestak, stond de kapitein met zooveel ontzetting op, alsof hij voor een oogenblik dacht dat zij een jeugdig lid van de familie van den Vliegenden Hollander was.
Terstond echter zijne tegenwoordigheid van geest hernemende, was des kapiteins eerste zorg haar op het droge te plaatsen, hetgeen hij gelukkig, met eene enkele beweging van zijn arm, volbracht. Zich toen op den waterplas wagende, nam de kapitein Suze om haar middel en droeg haar insgelijks naar het eiland. Daarna bracht hij met grooten eerbied Florence’s hand aan zijne lippen, en zag haar op eenigen afstand (want het eiland was groot genoeg voor drie) met zielvolle blikken uit het zeepsop aan, gelijk een nieuw soort van Triton.
“Gij zijt zeker wel verwonderd ons hier te zien,” zeide Florence met een glimlach.
De onuitsprekelijk gevleide kapitein kuste tot antwoord zijn haak en bromde: “Sta vast! Sta vast!” alsof deze woorden een uitgezocht compliment waren.
“Maar ik kon geene rust hebben,” vervolgde Florence, “zonder te komen vragen wat gij van dien lieven Walter denkt—die nu mijn broeder is—en of er iets te vreezen is, en of gij zijn armen oom niet alle dag wilt gaan troosten, tot wij tijding van hem hebben.”
Bij deze woorden bracht kapitein Cuttle, als ware het onwillekeurig, zijne hand naar zijn hoofd, waarop de blinkende hoed niet stond, en keek verslagen.
“Zijt gij bang voor Walter’s behoud?” zeide Florence, van wier gezichtje de kapitein (zoo verrukt was hij) zijne oogen niet kon afwenden; terwijl zij hem, op hare beurt, ernstig aanzag, om overtuigd te zijn van de oprechtheid van zijn antwoord.—“Neen, hartediefje,” antwoordde kapitein Cuttle, “ik ben niet bang. Walter is een jongen die veel slecht weer zal doorstaan. Walter is een jongen, die dat schip zooveel geluk zal aanbrengen als een jongen maar doen kan. Walter,” zeide de kapitein, met glinsterende oogen en zijn haak opheffende om eene fraaie aanhaling aan te kondigen, “is wat gij noemen moogt, een uitwendig zichtbaar teeken van eene innerlijke geestelijke werking, en als gij dat vindt, zet er een streepje bij.”
Florence, die dit niet recht begreep, schoon de kapitein het blijkbaar voor zeer krachtig en duidelijk hield, zag hem vriendelijk aan, alsof zij nog iets meer hoopte te hooren.
“Ik ben niet bang, mijn hartediefje,” hervatte de kapitein. “Er is ongemeen slecht weer in die breedten geweest, dat is niet tegen te spreken, en zij zijn misschien naar den anderen kant van de wereld afgedreven. Maar het schip is een goed schip, en de jongen is een goede jongen; en het is niet gemakkelijk, de Heer zij gedankt,” daarbij boog hij even, “gezond eikenhout te breken, hetzij van een schip of van een hart. Hier hebben wij allebei, en dus ben ik nog niet bang.”—“Nog niet?” herhaalde Florence.—“Geheel niet,” antwoordde de kapitein, zijne ijzeren hand kussende. “En eer ik begin bang te worden, mijn hartediefje, zal Walter al van het eiland of uit eene of andere haven naar huis hebben geschreven. En wat den ouden Sam Gills betreft,” hier werd de kapitein ernstig, “wien ik zal bijstaan en niet verlaten tot de dood ons scheidt, en als de stormen waaien, waaien—zie den katechismus maar na,” voegde de kapitein er tusschen, “en daar zult gij die woorden vinden—als het Sam Gills zou troosten om het gevoelen te hooren van een varensman, die nergens voor staat, en die in zijn leertijd het eene ongeluk op het andere heeft gehad, en die Bunsby heet, dan zal die man hem in zijn eigen achterkamertje dingen zeggen, waarvan hij versuft zal staan. Ja!” zeide de kapitein snoevend, “zoo goed alsof hij met zijn hoofd tegen eene deur was geloopen.”—“Laten wij met dezen heer naar hem toegaan, en hooren wat hij zegt,” riep Florence uit. “Wilt gij nu met ons meegaan? Wij hebben eene koets hier.”
Wederom bracht de kapitein de hand naar het hoofd, waarop de harde blinkende hoed niet stond, en keek verslagen. Maar op dit oogenblik had er een zeer opmerkelijk verschijnsel plaats. De deur ging, zonder dat men eenig gerucht had gehoord, open, en de harde blinkende hoed kwam als een vogel de kamer invliegen en viel met een zwaren bons voor des kapiteins voeten neer. Toen sloot zich de deur weder even geweldig als zij zich geopend had, zonder dat er iets volgde dat dit wonder kon verklaren.
Kapitein Cuttle raapte zijn hoed op, keerde hem met een blik van genoeglijke belangstelling om en om, en begon hem met zijne mouw op te wrijven. Zoo doende, keek de kapitein zijne bezoeksters aan en zeide met eene zachte stem:
“Ik zou gisteren en van morgen wel naar Sam Gills zijn gegaan, maar—zij had hem gekaapt en weggestopt.—Dat is het lange en het korte van de zaak.”—“Wie heeft dat gedaan, om alle goedheid?” vroeg Suze.—“De huisvrouw, liefje,” antwoordde de kapitein, met een grof gefluister en een wenk om voorzichtig te zijn. “Wij hadden woorden over het zwabberen van die planken, en zij—kortom,” zeide de kapitein, zich met eene zware uitademing verluchtende, “zij gaf mij arrest.”—“O, ik wou dat zij eens met mij te doen had,” zeide Suze, rood wordende door het vuur van dien wensch. “Ik zou haar wel wat doen bedaren!”—“Zoudt ge dat denken, liefje?” hervatte de kapitein, twijfelachtig zijn hoofd schuddende, maar den moed der schoone aspirante met blijkbare bewondering beschouwende. “Ik weet het niet. Het is een moeielijk vaarwater. Zij is lastig om mee om te gaan, liefje. Men kan nooit weten welken koers zij zal houden. Het eene oogenblik houdt zij af, en het andere komt zij vlak op u aan. En als zij op haar dreef is,” zeide de kapitein, terwijl het zweet hem op het voorhoofd uitbrak—Niets anders dan een gefluit was nadrukkelijk genoeg om den zin te besluiten, en de kapitein floot dus, maar bevende. Daarna schudde hij wederom zijn hoofd en opnieuw Suze’s dapperheid bewonderende, herhaalde hij beschroomd: “Zoudt ge dat denken, liefje?”
Suze antwoordde slechts met een spottenden glimlach, maar zoo uitdagend, dat men niet weten kan hoelang de kapitein verrukt van verwondering zou zijn gebleven, als Florence niet met angstig ongeduld had voorgesteld om terstond naar den wijzen Bunsby te gaan. Aldus aan zijn plicht herinnerd, zette de kapitein den blinkenden hoed vast op het hoofd, nam een nieuwen knoestigen stok, welke voor den aan Walter gegevenen in de plaats was gekomen, bood Florence zijn arm, en hield zich gereed om door den vijand heen te slaan.
Het bleek echter dat jufvrouw MacStinger, gelijk de kapitein het uitdrukte, reeds een anderen koers had genomen, want toen zij beneden kwamen, vonden zij die voorbeeldige vrouw op de stoep bezig met matten uitkloppen, terwijl Alexander, flauw zichtbaar door een nevel van stof, nog op de straatsteenen zat; en zoozeer was jufvrouw MacStinger in deze huiselijke bezigheid verdiept, dat zij, toen het gezelschap voorbijkwam, des te harder klopte en geene de minste bewustheid van iemands nabijheid toonde. De kapitein was zoo in zijn schik dat hij zoo gemakkelijk vrij kwam—hoewel het mattenstof de werking van snuif op hem had en hem deed niezen tot de tranen over zijn gezicht rolden—dat hij zijn geluk nauwelijks kon gelooven, maar tusschen de deur en de huurkoets meermalen over zijn schouder omkeek, blijkbaar bevreesd dat jufvrouw MacStinger nog jacht op hem zou maken.
Zij bereikten echter den hoek van Brig Place, zonder dat die geduchte kanonneerboot hen lastig viel; en de kapitein, op den bok geklommen—want zijne galanterie wilde hem niet veroorloven om bij de dames te gaan zitten, hoewel men hem daarom verzocht—loodste den koetsier op zijn koers naar kapitein Bunsby’s schip, dat de Voorzichtige Clara heette en dicht bij Ratcliffe lag.
Aan de werf gekomen, waarvoor het schip van dien zeevoogd tusschen nagenoeg vijfhonderd kameraden lag ingeklemd, welker verwarde tuigage naar reusachtige, half weggeveegde spinnewebben geleek, vertoonde kapitein Cuttle zich voor het portier en noodigde Florence en Suze uit om met hem aan boord te gaan; aanmerkende dat Bunsby uiterst galant voor dames was, en niets zoozeer zou strekken om zijn geweldig brein in een staat van harmonie te brengen dan dat zij zich aan hem lieten presenteeren.
Florence was terstond gewillig, en haar handje in zijne geduchte vuist nemende, leidde de kapitein haar met eene mengeling van vaderlijke, beschermende teederheid, trotschheid en deftigheid, die alleraardigst was om aan te zien, over verscheidene zwarte dekken, tot zij aan de Clara kwamen, welke voorzichtige bodem buiten de rij lag, met de loopplank weggenomen en zes voet rivierwater tusschen haar en haar naasten buurman. Het scheen, volgens kapitein Cuttle’s verklaring, dat de groote Bunsby, evenals hij zelf, door zijne huiswaardin zeer hard werd behandeld, en als hij die behandeling niet langer kon uithouden, als laatste toevlucht, aldus eene kloof tusschen hen plaatste.
“Clara, a-hoy!” riep de kapitein, met de hand naast den mond.—“A-hoy!” riep een jongen terug, die van beneden kwam opschieten.—“Bunsby aan boord?” riep de kapitein, met eene stem alsof de jongen eene halve mijl in plaats van twee voetstappen ver was.—“Ja, ja!” riep de jongen op denzelfden toon.
Daarop schoof de jongen kapitein Cuttle eene plank toe, welke deze zorgvuldig vastlegde, eer hij Florence er over hielp. Toen kwam hij voor Suze terug, en zoo stonden zij op het dek der Voorzichtige Clara, in welks staande touwen verschillende fladderende kleedingstukken hingen te drogen, in gezelschap met eenige tongen en makreelen.
Terstond daarop verscheen uit het luik van de kajuit een zeer groot menschelijk hoofd met een mahoniehouten gezicht, één vaststaand en één draaiend oog. Dit hoofd was versierd met ruige haren, naar uitgeplozen touw gelijkende, die geene heerschende richting naar eenige windstreek hadden, maar zich naar alle punten van het kompas uitspreidden. Dit hoofd werd gevolgd door een hemdsboord en halsdoek, en door eene ruige zeemansjas, en door eene ruige zeemansbroek, met zulk een breeden en hoogen band, dat zij ook in plaats van vest diende, zijnde op en nabij het borstbeen van den drager versierd met eenige houten knoopen, zoo groot en dik als damschijven. Toen de ondereinden van die broek boven waren gekomen, stond Bunsby daar, met de handen in zijne diepe zakken, en zijn blik gericht, niet naar den kapitein Cuttle of de dames, maar naar den top van den mast.
Het diepzinnig uitzicht van dezen philosoof, die grof en zwaar gebouwd was, en op wiens buitengemeen rood gezicht eene stilzwijgendheid ten troon zat, welke zijn roem in dit opzicht staafde, had zelfs voor kapitein Cuttle, die hem gemeenzaam kende, iets geduchts. Florence toefluisterende, dat Bunsby nog nooit in zijn leven verwonderd had gekeken, en, naar men dacht, niet eens wist wat verwondering was, bleef de kapitein staan wachten terwijl hij naar den top van den mast keek en zijn draaiend oog vervolgens langs den horizon dwaalde; en toen dit oog in zijne richting scheen te komen, zeide hij: “Bunsby, mijn jongen, hoe gaat het?”
Eene zware, grove, heesche stem, die niet van Bunsby scheen te komen, en waarbij zijn gezicht geen de minste verandering onderging, antwoordde: “Ja, ja, scheepskameraad, hoe gaat het!” Te gelijk kwam Bunsby’s rechterhand uit een zak, schudde die des kapiteins en werd weder in den zak gestopt.
“Bunsby,” zeide de kapitein, terstond ter zake komende, “daar staat gij, een man die verstand heeft, en een man die denkt. Hier is eene jonge juffer, die verlangt te weten wat gij wel denkt van mijn vriend Walter, en ook mijn anderen vriend, Sam Gills, iemand met wien ge wel mocht kennis maken, want hij is een man van wetenschap, en wetenschap breekt wet en is de moeder der uitvindingen. Bunsby, wilt gij, om mij pleizier te doen, met ons meegaan?”
De groote zeevoogd, die, naar de uitdrukking van zijn gezicht te oordeelen, altijd in de uiterste verte scheen te turen en niets te zien dat minder dan tien mijlen van hem af was, gaf geen antwoord hoegenaamd.
“Hier staat een man,” zeide de kapitein, zich tot zijne hoorderessen wendende en met zijn haak naar zijn vriend wijzende, “die meer vallen heeft gedaan, dan iemand op de wereld, en meer ongelukken heeft gehad dan het geheele zeemanshospitaal bij elkander; die, toen hij nog jong was, zooveel sparren, houten en bouten op zijn hoofd heeft gekregen, dat men er een pleizierjacht van zou kunnen bouwen, en die zoo een denker is geworden, wiens gelijke men op de wereld niet vindt.”
De zwijgende zeevoogd scheen door eene zeer geringe trilling zijner ellebogen eenige tevredenheid over deze lofspraak aan te duiden; maar zijn gezicht gaf geen het minste blijk van hetgeen er in zijne gedachten omging.
“Scheepskameraad,” zeide Bunsby op eens, bukkende om onder eene spar, die hem in den weg was, door te kijken, “wat zullen de dames drinken?”
Kapitein Cuttle, wiens kieschheid door zulk eene vraag met betrekking tot Florence geschokt werd, trok den wijze ter zijde, scheen hem aan zijn oor iets uit te leggen, en ging met hem naar beneden; waar, opdat hij zich niet boos zou maken, de kapitein zelf een borrel dronk, dien Florence en Suze, door het opene luik kijkende, den wijze voor zich zelven en zijn vriend zagen inschenken. Weldra kwamen zij weder op het dek, en leidde kapitein Cuttle, opgetogen over den goeden uitslag zijner onderneming, Florence naar de koets terug, terwijl Bunsby met Suze volgde, welke hij onderweg (tot groote verontwaardiging dier jonge juffer) in zijn ruigen arm gesloten hield, alsof hij een blauwe beer was.
De kapitein zette zijn orakel in de koets, en was er zoo trotsch op dat hij dit gedaan had gekregen, dat hij niet kon nalaten om dikwijls door het raampje achter den koetsier naar Florence te kijken en tegen zijn voorhoofd te tikken, als een wenk dat Bunsby’s brein reeds aan het werk was. Ondertusschen bewaarde Bunsby zijn ernstig stilzwijgen, wel op den duur zijn arm om Suze heen houdende (want zijn vriend had niet te veel van zijne galanterie gezegd), maar zonder anders eenige bewustheid van haar of iets anders te toonen.
Oom Sam, die thuis gekomen was, ontving hen aan de deur en bracht hen terstond naar het achterkamertje, dat door Walter’s afwezigheid een geheel ander voorkomen scheen te hebben gekregen. Op de tafel en hier en daar verspreid lagen de kaarten, waarop de instrumentmaker zoo dikwijls het vermiste schip had pogen na te sporen, en waarop hij zoo even, met een passer dien hij nog in de hand had, gemeten had hoe ver het wel had kunnen afdrijven, om zoo te betoogen, dat het nog lang moest duren eer men niet meer kon hopen.
“Of het kan verzeild wezen tot aan,” zeide de oude man, met een angstigen blik over de kaart; “maar neen, dat is bijna onmogelijk. Of dat het door slecht weder genoodzaakt kan zijn om—maar dat is ook niet te denken. Of dat er hoop is, dat het zoo ver uit den koers is geraakt dat—maar zelfs dat kan ik haast niet hopen.”
Met zulke afgebrokene gissingen zwierf de arme oude man over het groote blad, en kon geen plekje van hoop en waarschijnlijkheid vinden, groot genoeg om er de punt van zijn passer op te zetten.
Florence zag terstond—het zou moeielijk geweest zijn het niet te zien—dat er eene zonderlinge, onbeschrijfelijke verandering bij den ouden man had plaats gehad, en dat zijn voorkomen, schoon veel onrustiger dan gewoonlijk, toch eene daarmede strijdige vastberadenheid had, die haar geheel in de war bracht. Eens verbeeldde zij zich dat hij niet recht wist wat hij zeide; want toen zij sprak van hare spijt dat zij hem des morgens niet had gevonden, antwoordde hij eerst dat hij naar haar toe was geweest, en scheen terstond daarop dat antwoord te willen herroepen.
“Naar mij toe geweest?” zeide Florence. “Vandaag?”—“Ja, lieve jonge juffer,” antwoordde oom Sam, met zekere verlegenheid eerst haar aanziende en toen weder naar een anderen kant kijkende, “ik wenschte u nog eens met mijne eigene oogen te zien en met mijne eigene ooren te hooren, eer—” Daarbij bleef hij steken.
“Eer? Eer wat?” zeide Florence, hare hand op zijn arm leggende.—“Heb ik “eer,” gezegd?” antwoordde de oude man. “Dan moet ik gemeend hebben, eer wij tijding van mijn lieven Walter kregen.”—“Ge zijt niet wel,” zeide Florence met teedere bezorgdheid. “Ge zijt ook zoo ongerust geweest. Ge zijt zeker niet wel.”—“Ik ben zoo gezond,” antwoordde de oude man, zijne rechterhand sluitende en uitstekende, om ze haar te toonen, “zoo gezond en sterk als iemand op mijne jaren kan hopen te zijn. Zie maar! Zij is vast. Is haar meester niet in staat om zooveel kracht en moed te toonen als menig jonger man? Ik denk van ja. Wij zullen zien.”
Er was iets in zijn toon, meer dan in zijne woorden, schoon ook deze haar bijbleven, hetwelk zulk een indruk op Florence maakte, dat zij hare ongerustheid terstond aan kapitein Cuttle zou hebben te kennen gegeven, indien de kapitein niet juist dat oogenblik had waargenomen om den wijzen Bunsby de omstandigheden mede te deelen, waarover men zijne diep doordachte meening wenschte te vernemen.
Bunsby, wiens oog ergens halverwege tusschen Londen en Gravesend gevestigd bleef, stak twee- of driemaal zijn ruigen rechterarm uit, om dien om Suze’s ranke gestalte te slaan, als wilde hij zich daardoor inspireeren; maar daar Suze in ongenoegen naar den anderen kant van de tafel was gegaan, kon de wijze zeeman zijne galante neiging niet bevredigen. Na verscheidene zulke mislukkingen, sprak hij, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten, aldus; of liever de stem in zijn binnenste, zeide van zelf, alsof hij door een brommenden geest bezeten was: “Mijn naam is Jack Bunsby!”—“Hij is John gedoopt,” riep de opgetogen kapitein Cuttle uit. “Hoor maar!”—“En wat ik zeg,” vervolgde de stem, na eenig bedenken, “daar blijf ik bij.”
De kapitein, met Florence aan den arm, knikte tot het gehoor en scheen te zeggen: “Nu komt het! Dat heb ik gemeend, toen ik hem meebracht.”—“Waarom?” vervolgde de stem. “Waarom niet? Zoo ja, dat is hetzelfde. Kan iemand anders zeggen? Neen. Pak aan dan!”
Toen de redeneering zoover gekomen was, bleef de stem eene poos steken. Daarna vervolgde zij zeer langzaam aldus: “Of ik geloof dat de Zoon en Erfgenaam vergaan is, kameraads? Misschien. Zeg ik zoo? Hoe dan? Als een schipper het kanaal van Sint George uitvaart en koers houdt naar Duins, wat heeft hij dan vlak voor den boeg? De Goodwins. Hij behoeft het niet op de Goodwins te zetten, maar hij kan toch. Die observatie moet maar berekend en toegepast worden. Maar dat behoef ik niet te doen. Pak aan dan, houdt goede wacht, en—goede reis!”
Daarmede ging de stem het achterkamertje uit en de straat op, den kapitein der Voorzichtige Clara medenemende, en vergezelde hem met allen spoed weder naar boord, waar hij in de kooi kroop en zijn brein met een dutje verfrischte.
Zij die de uitspraak van den wijze hadden gehoord en zelven de toepassing zijner wijsheid moesten zoeken—volgens een regel, die de steunpilaar van Bunsby’s roem, en misschien ook van andere orakelsprekers is—zagen elkander eenigszins twijfelachtig aan; terwijl Rob de Slijper, die de vrijheid had genomen om door het lantarenraam in het dak te luisteren en te kijken, geheel versuft weder van het plat naar beneden kwam. Kapitein Cuttle, wiens achting voor Bunsby, zoo mogelijk, nog verhoogd was, door de luisterrijke manier waarop deze zijn roem had gehandhaafd, verklaarde echter dat Bunsby niets anders had gemeend dan dat men maar moest hopen en vertrouwen; dat Bunsby niet bang was; en dat zulk eene uitspraak van zulk een man het beste was dat men kon verlangen. Florence poogde te gelooven dat de kapitein gelijk had; maar Suze schudde, met stijf over elkander geslagene armen, haar hoofd, en vertrouwde Bunsby even weinig als zij Perch deed.
De philosoof scheen den goeden oom Sam nagenoeg gelaten te hebben waar hij hem gevonden had, want de oude man bleef nog met den passer in de hand over de waterwereld dwalen, en kon geen rustpunt daarvoor vinden. Het was na een gefluisterd verzoek van Florence, dat kapitein Cuttle zijne zware hand op zijn schouder legde.
“Hoe gaat het, Sam Gills?” zeide de kapitein hartelijk.—“Maar zoo, zoo, Ned,” antwoordde de instrumentmaker. “Ik heb er dezen geheelen middag aan gedacht, dat op den dag toen mijn jongen bij Dombey op het kantoor was gekomen, en laat thuis kwam om te eten, en daar zat waar gij nu staat, wij toen van stormen en schipbreuken praatten, en ik hem haast niet daarvan kon afbrengen.”
Maar toen hij de oogen van Florence ontmoette, die ernstig uitvorschend op hem gevestigd waren, zweeg de oude man met een glimlach stil.
“Sta vast, oude vriend!” riep de kapitein. “Ik zal u eens wat zeggen, Sam Gills. Als ik Hartediefje veilig heb thuis gebracht,” daarbij kuste hij zijn haak naar Florence, “zal ik terugkomen en u voor de rest van dezen dag op sleeptouw nemen. Gij moet hier of daar met mij gaan eten, Sam!”—“Neen, vandaag niet, Ned,” zeide de oude man snel, en scheen van dit voorstel op eene onverklaarbare wijs te schrikken. “Vandaag niet. Dat zou ik niet kunnen!”—“Waarom niet?” hernam de kapitein, hem met verbazing aanziende.—“Ik—ik heb zooveel te doen. Ik—ik meen te denken en te beschikken. Ik kan niet, Ned, waarlijk niet. Ik moet vandaag nog weer uitgaan, en alleen wezen, en voor allerlei dingen zorgen.”
De kapitein zag den instrumentmaker, en daarop Florence, en wederom den instrumentmaker aan. “Morgen dan,” zeide hij eindelijk.—“Ja, ja, morgen,” zeide de oude man. “Denk morgen maar om mij. Zeg morgen.”—“Dan zal ik vroeg hier komen, onthoud dat, Sam Gills,” bedong de kapitein.—“Ja, ja, morgenochtend heel vroeg,” zeide de instrumentmaker. “En nu goedendag, Ned Cuttle, en God zegen u.”
Dit zeggende drukte de oude man den kapitein met buitengewone warmte de hand, keerde zich toen naar Florence, vatte hare beide handjes, drukte ze aan zijne lippen, en bracht haar daarop met buitengewone haast naar de koets. Over het geheel maakte hij zulk een indruk op kapitein Cuttle, dat deze nog even draalde, om Rob te belasten dat hij tot morgenochtend bijzonder oplettend en gewillig voor zijn meester moest wezen, welk bevel hij aandrong met de betaling van een schelling op hand en de belofte van nog een halven des anderen daags. Deze vriendendienst verricht hebbende, klom de kapitein, die zich zelven als de natuurlijke en wettige lijfwacht van Florence beschouwde, weder op den bok, en bracht haar, met eene verhevene bewustheid van zijn post van vertrouwen, naar huis. Bij het afscheid verzekerde hij haar, dat hij Sam Gills trouw zou blijven bijstaan, en buiten staat om Suze’s dappere woorden ten aanzien van jufvrouw MacStinger te vergeten, vroeg hij deze jonge juffer nog eens: “Zoudt ge dat waarlijk denken, liefje?”
Toen de deur van het naargeestige huis zich achter die twee gesloten had, begon de kapitein weder aan den instrumentmaker te denken, en gevoelde hij zich ongerust. In plaats van dus naar huis te gaan, wandelde hij de straat verscheidene malen op en neer, en zoo tot aan den avond dralende, ging hij eindelijk eten in zeker tusschen andere huizen als eene wig ingeklemd herbergje in de City, dat veel door blinkende hoeden werd bezocht. Des kapiteins voornaamste doel was, na den donker nog eens bij Sam Gills voorbij te gaan en door het venster binnen te kijken; hetgeen hij ook deed. De deur van het achterkamertje stond open, en hij zag zijn ouden vriend stil maar ijverig aan zijne tafel zitten schrijven, terwijl de houten adelborst, reeds voor den nacht geborgen, hem van de toonbank waarnam; onder welke Rob de Slijper, eer hij den winkel sloot, zijn bed opmaakte. Gerustgesteld door de kalmte, die er in den omtrek van den houten adelborst heerschte, zette de kapitein koers naar Brig Place, met voornemen om den volgenden morgen vroeg wederom het anker te lichten.
XXIV. HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART
Sir Barnet en Lady Skettles, zeer goede menschen, woonden op een aardig buitentje bij Fulham, aan den oever van den Teems, dat allerliefst gelegen was om een wedstrijd van roeivaartuigen aan te zien, maar anders eenige kleine onaangenaamheden had, waaronder men rekenen kon dat de rivier somtijds in het salon verscheen, en dan gelijktijdig het grasperk en het heesterplantsoen verdwenen.
Sir Barnet Skettles duidde het gewicht van zijn persoon voornamelijk aan door eene antieke gouden snuifdoos, en een grooten zijden zakdoek, welken hij gewoon was met bijzondere statigheid uit zijn zak te halen, alsof het eene banier was, en met beide handen te gelijk te gebruiken. Sir Barnet’s levensdoel was den kring zijner bekenden bestendig uit te breiden. Evenals bij een steen, die in het water valt—zonder zulk een deftig man door zulk eene vergelijking te willen verkleinen—lag het in den aard der zaken, dat Sir Barnet een zich altijd vergrootenden kring om zich heen moest verbreiden, tot er geene plaats meer over was. Of, gelijk een klank in de lucht, waarvan de trilling, volgens de gedachten van een schrander natuurkundige, zich voor eeuwig door de eindelooze ruimte kan voortzetten, kon niets anders dan eene volslagene onmogelijkheid Sir Barnet Skettles stuiten in zijne ontdekkingsreis door het heelal der samenleving.
Sir Barnet was er trotsch op om andere menschen met andere menschen bekend te maken. Dit was reeds op zich zelf een vermaak voor hem, en het bevorderde ook zijn geliefkoosd doel. Bij voorbeeld, als Sir Barnet het geluk had om een onervaren jongmensch, of een landedelman machtig te worden en naar zijn buitentje te lokken, zeide hij gewoonlijk des morgens na zijne komst: “Wel, mijnheer, is er nu ook iemand met wien gij gaarne zoudt willen kennis maken? Wie is er dien gij gaarne eens zoudt willen zien? Interesseert gij u voor menschen, die schrijven, of schilderen, of op het tooneel zijn, of iets van dien aard?” Mogelijk antwoordde de patiënt van ja, en noemde iemand, dien Sir Barnet even weinig kende als Pompejus den Groote. Sir Barnet antwoordde evenwel, dat niets op de wereld gemakkelijker was, daar hij hem heel wel kende, ging terstond den genoemden een bezoek brengen, liet zijn kaartje, schreef een briefje:—“Waarde heer—last die uwe uitstekende positie medebrengt—bij mij gelogeerde vriend natuurlijk verlangend—Lady Skettles en ik zelf evenzeer—vertrouwende, dat het genie zich boven kleine bedenkelijkheden verheft, zult gij ons wel de uitnemende eer willen bewijzen om ons het genoegen te geven, enz., enz.,”—en sloeg aldus twee vliegen met één klap, mors dood.
Met de snuifdoos en de banier in volle kracht, stelde Sir Barnet Florence, op den eersten morgen van haar verblijf, zijne gewone vraag voor. Toen Florence hem bedankte en zeide dat er niemand was, wien zij bijzonder wenschte te zien, was het natuurlijk dat zij met harteleed aan den armen Walter dacht. Toen Sir Barnet, zijn vriendelijk voorstel aandringende, zeide: “Lieve jufvrouw Dombey, zijt gij wel zeker dat gij u niemand herinnert, dien uw goede papa—wien ik u verzoek de beleefdste complimenten van Lady Skettles en mij zelven te doen, als gij schrijft—zou wenschen dat gij mede bekend werdt?” was het misschien even natuurlijk dat haar hoofdje een weinig zakte en hare stem beefde, toen zij met eene zachte ontkenning antwoordde.
Skettles junior, met eene veel stijvere das dan voorheen, en lang zoo wild niet meer, was voor de vacantie thuis, en scheen zich zeer verongelijkt te achten door de bezorgdheid zijner uitnemende moeder, dat hij zich voor Florence beleefd en oplettend zou toonen. Een ander en grooter onrecht dat de ziel van den jongen Barnet kwelde, was het gezelschap van doctor Blimber en zijne gade, die onder het ouderlijke dak te logeeren waren gevraagd, en van welke de jonge heer dikwijls zeide te wenschen, dat zij liever in het peperland zaten.
“Is er ook iemand, dien gij u bedenken kunt, doctor Blimber?” zeide Sir Barnet, zich naar dien heer keerende.—“Ge zijt wel vriendelijk, Sir Barnet,” antwoordde de doctor. “Ik weet waarlijk niet, dat er iemand in het bijzonder is. Ik ken gaarne mijne medemenschen in het algemeen, Sir Barnet. Wat zegt Terentius? Iedereen, die vader en zoon is, is interessant voor mij.”—“Heeft mevrouw Blimber ook verlangen om een of ander merkwaardig persoon te zien?” vroeg Sir Barnet beleefd.
Mevrouw Blimber antwoordde met een vriendelijk lachje, en hare hemelsblauwe muts schuddende, dat, indien Sir Barnet haar met Cicero bekend had kunnen maken, zij hem wel lastig had willen vallen; maar daar zulk eene introductie ondoenlijk was, en zij reeds zijne vriendschap en die van zijne beminnelijke echtgenoot bezat, en met den doctor haar man hun gemeenschappelijk vertrouwen ten aanzien van hun dierbaren zoon genoot—hier zag men den jongen Barnet zijn neus ophalen—zij niets meer verlangde.
Sir Barnet moest zich dus wel vooreerst met het daar verzamelde gezelschap vergenoegen. Florence verheugde zich daarover; want zij had onder dit gezelschap iets te zoeken, dat haar te gewichtig was en te nauw aan het hart lag, om voor iets anders achter te staan.
Er waren eenige kinderen in huis gelogeerd—kinderen die met vader en moeder even gemeenzaam en vroolijk waren, als die met de blozende gezichtjes aan den overkant van haar huis—kinderen die hunne liefde geen bedwang oplegden, maar vrij vertoonden. Florence zocht hun geheim te leeren; zocht te ontdekken wat het was dat zij miste; welke eenvoudige kunst die kinderen kenden en zij niet kende; hoe zij van hen kon leeren haar vader te toonen dat zij hem liefhad, en zijne liefde terug te winnen.
Menigen dag sloeg Florence die kinderen nadenkend gade. Op menigen helderen morgen verliet zij haar bed zoodra de zon opging, en wandelde, eer zich in huis iemand begon te roeren, langs den overkant heen en weder, om naar de vensters hunner kamers op te zien, en aan hen te denken, die daar sliepen, zoo bemind en zoo liefderijk verzorgd. Florence gevoelde zich dan eenzamer, dan toen zij in het groote huis geheel alleen was, en dacht somtijds dat zij beter daar was dan hier, en dat zij vergenoegder was wanneer zij zich schuilhield, dan wanneer zij met anderen van hare jaren verkeerde en bevond hoezeer zij van hen allen verschilde. Maar met den vasten wil om dat geheim te bestudeeren, schoon ieder blad, dat zij in het moeielijke boek omsloeg, haar nieuw harteleed gaf, bleef Florence daar en poogde met geduldige hoop de kennis te verwerven, waarnaar zij smachtte.
O, hoe zou zij die verwerven! Hoe ontdekken waar men moest beginnen! Er waren daar dochters, die des morgens opstonden en des avonds het hoofd neerlegden, reeds in het volle bezit van het vaderlijke hart. Zij behoefden geen tegenzin te overwinnen, geene koelheid te vreezen, geen donker gezicht te doen ophelderen. Als het later in den ochtend werd, en de vensters een voor een geopend werden, en de dauw op het gras en de bloemen begon te drogen, en jeugdige voetjes over het grasperk huppelden, dacht Florence, in het rond, naar de vroolijke gezichtjes ziende, wat zij toch van die kinderen zou kunnen leeren. Het was te laat om van hen te leeren. Ieder kon onbevreesd haar vader naderen, hare lipjes opsteken om zijn kus te beantwoorden, en haar arm om zijn hals slaan, die zich boog om haar te liefkoozen. Zij kon niet beginnen met zoo stout te zijn. O, kon het wezen, dat er minder hoop was naarmate zij meer leerde?
Zij herinnerde zich, dat zelfs de oude vrouw, die haar gestolen had toen zij een klein kind was—wier beeld en wier huis, en al wat zij gezegd en gedaan had, in haar geheugen waren geprent, met de scherpheid en vastheid van een vreeselijken indruk in den vroegsten tijd van het leven—met teederheid van hare dochter had gesproken, en hoe schrikkelijk zij hare smart over hare hopelooze scheiding van haar kind had uitgeschreeuwd. Maar hare eigene moeder, dacht zij dan weder, als zij zich dit herinnerde, had haar ook liefgehad. En als hare gedachten dan snel naar de gapende kloof tusschen haar en haar vader terugkeerden, beefde Florence somtijds en rolden haar de tranen over de wangen, als zij zich verbeeldde hoe hare moeder in leven had kunnen blijven, en misschien ook een afkeer van haar krijgen, omdat het haar ontbrak aan dat onbekende talent, dat haar vaders hart had moeten winnen, maar van hare wieg af nooit gedaan had. Zij wist, dat deze inbeelding de nagedachtenis harer moeder onrecht deed en geheel ongegrond was; en toch was zij zoo verlangend om hem te rechtvaardigen, en al de schuld bij zich zelve te vinden, dat zij niet kon nalaten zich somtijds daaraan over te geven.
Onder de andere gasten kwam, kort na Florence, een bevallig meisje, twee of drie jaren jonger dan zij, dat ouderloos was, en door hare tante werd vergezeld, eene dame met grijs haar, die veel met Florence sprak, haar zeer gaarne (maar dit deden allen) des avonds hoorde zingen, en dan altijd met moederlijke belangstelling bij haar bleef zitten. Zij waren pas twee dagen daar in huis geweest, toen Florence op een warmen ochtend in een priëeltje in den tuin zat, door de takken heen peinzend naar een groepje op het grasperk ziende, en bezig met een bloemenkrans te vlechten voor een der kleintjes, dat het speelpopje en de lieveling der anderen was. Zoo gezeten, hoorde zij die dame en haar nichtje, welke dichtbij in een beschaduwd laantje op en neer wandelden, over haar zelve spreken.
“Is Florence eene wees evenals ik?” zeide het kind.—“Neen, liefje. Zij heeft geen moeder meer, maar haar vader leeft nog.”—“Is zij nu nog in den rouw over hare arme mama?” vroeg het kind snel.—“Neen, over haar eenigen broeder.”—“Heeft zij geen anderen broeder?”—“Neen.”—“En geene zuster?”—“Neen.”—“Dat spijt mij, dat spijt mij erg,” zeide het meisje.
Daar zij kort daarop bleven stilstaan om naar eenige bootjes te kijken en ondertusschen zwegen, ging Florence, die, toen zij haar naam hoorde, met hare bloemen was opgestaan, om de twee te gemoet te gaan en zich te vertoonen, weder zitten en vervolgde haar werk, daar zij nu niets meer dacht te zullen hooren; maar een oogenblik later werd het gesprek hervat.
“Florence is een gunsteling van iedereen hier, en verdient dat ook waarlijk wel te zijn,” zeide het kind ernstig. “Waar is haar papa?”
Na een oogenblik van stilte, antwoordde de tante, dat zij het niet wist. De klank harer stem boeide Florence, die wederom was opgestaan, en hield haar op de plek vastgeworteld, terwijl zij haar werk met beide handen tegen hare borst drukte, opdat het niet op den grond zou vallen.
“Hij is toch in Engeland, hoop ik, tante?” zeide het kind.—“Dat geloof ik wel. Ja, ik weet het, dat hij in het land is.”—“Is hij nooit hier geweest?”—“Dat geloof ik niet. Neen.”—“Komt hij dan niet hier om haar te zien?”—“Ik geloof van neen.”—“Is hij dan lam, of blind, of ziek, tante?” vroeg het kind.
De bloemen, die Florence tegen hare borst hield, begonnen te vallen, toen zij dit met zooveel verwondering hoorde vragen. Zij hield ze vaster, en liet haar gezichtje er op neerzinken.
“Kaatje,” zeide de dame, na nog een oogenblik van stilzwijgen, “ik zal u de geheele waarheid van Florence vertellen, zooals ik ze gehoord heb, en geloof dat zij is. Vertel het niemand anders, liefje, omdat het hier misschien weinig bekend zal zijn, en het haar verdriet zou veroorzaken als gij dat deedt.”—“Dat zal ik nooit,” riep het kind uit.—“Dat weet ik ook wel,” antwoordde de dame; “ik kan u zoo goed vertrouwen als mij zelve. Ik vrees dan, Kaatje, dat Florence’s vader weinig om haar geeft, haar zeer zelden ziet, nooit in haar leven vriendelijk voor haar is geweest, en haar nu zelfs vermijdt en schuwt. Zij zou hem hartelijk liefhebben, als hij haar dat wilde toelaten; maar dat wil hij niet—schoon zij er geene schuld aan heeft; en alle zachte harten, moeten haar liefhebben en beklagen.”
Nog meer van de bloemen, die Florence vasthield, vielen verstrooid over den grond; die zij nog overhield, waren nat, maar niet van den dauw; en haar gezichtje zonk geheel op hare beladene handen.
“Arme Florence! Lieve, goede Florence!” riep het kind uit.—“Weet ge wel waarom ik u dit verteld heb, Kaatje?” zeide de dame.—“Omdat ik heel vriendelijk voor haar zou zijn, en mijn best doen om haar te believen. Is dat de reden, tante?”—“Gedeeltelijk,” zeide de dame, “maar niet geheel. Hoewel wij haar zoo opgeruimd zien, met een vriendelijk lachje voor iedereen, gereed om ons te believen, en aan alle vermaken en spelletjes deel te nemen, kan zij zich toch bezwaarlijk heel gelukkig gevoelen; denkt ge dat ook niet, Kaatje?”—“Ik vrees van neen,” zeide het meisje.—“En gij kunt wel begrijpen,” vervolgde de dame, “waarom het gezicht van kinderen, die ouders hebben die veel van hen houden, en trotsch op hen zijn—gelijk er juist veel hier zijn—haar in het geheim moet bedroeven?”—“Ja, lieve tante,” zeide het kind. “Dat begrijp ik heel wel. Arme Florence!”
Nog meer bloemen werden over den grond gestrooid, en die zij nog vasthield beefden, alsof er een winterwind door ritselde.
“Mijn Kaatje,” zeide de dame, wier stem zeer ernstig was, maar kalm en liefelijk, en op Florence, van het eerste oogenblik dat zij die stem hoorde af, denzelfden indruk gemaakt had, “van al de jongelieden hier zijt gij hare natuurlijke vriendin, die haar geen leed kan doen; gij geeft haar de onschuldige reden niet, die gelukkiger kinderen haar geven.”—“Er zijn geen gelukkiger, tante!” riep het meisje, dat haar scheen te omhelzen.—“Die andere kinderen haar geven, lieve Kaatje, om zich haar ongeluk te herinneren. Daarom moet gij, als gij haar vriendinnetje wilt zijn, te meer uw best doen om dat te worden en denken dat het verlies, dat u getroffen heeft—den hemel zij dank, voordat gij de zwaarte daarvan kondt kennen—u bij de arme Florence een voorrecht geeft.”—“Maar ik gevoel geen gemis van ouderliefde, tante, en dat heb ik nooit gedaan,” zeide het meisje, “zoolang ik bij u ben.”—“Hoe dat wezen mag, liefje,” antwoordde de dame, “uw ongeluk is lichter dan dat van Florence; want geene wees op de wijde wereld kan zoo verlaten zijn als het kind dat uit de liefde van een levend vader is verbannen.”
De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.
Maar trouw van hart en moedig in haar goed voornemen, hield Florence zich daaraan vast gelijk hare stervende moeder zich aan haar had vastgehouden op den dag die Paul het leven gaf. Hij wist niet hoe lief zij hem had. Hoelang het ook duurde eer die tijd kwam, en hoe langzaam de tusschentijd mocht verloopen, zij moest eens haar vaders hart tot die kennis pogen te brengen. Ondertusschen moest zij zorgen om door geen onbedacht woord, of blik, of uitbarsting van gevoel, door eene toevallige omstandigheid veroorzaakt, tegen hem te klagen, of aanleiding te geven tot dit gefluister in zijn nadeel.
Zelfs in haar omgang met het weesje, dat haar sterk aantrok en waaraan zij zooveel reden had om zich te herinneren, was Florence aan hem gedachtig. Als zij haar (dacht Florence) al te duidelijk boven de anderen uitkoos, zou zij—in één gemoed zeker, en misschien in meer—het geloof bevestigen, dat hij wreed en onnatuurlijk was. Haar eigen genot woog niet daartegen op. Wat zij beluisterd had was eene reden, niet om haar eigen leed te willen verzachten, maar om hem te sparen; en dit deed Florence en waakte over haar eigen hart.
Dit deed zij altijd. Als er uit een boek werd voorgelezen, en er iets kwam dat op een hardvochtig vader doelde, smartte het haar dat dit op hem kon worden toegepast, niet dat het haar aan haar verdriet herinnerde. Zoo was het ook bij eene prent die vertoond, of een spelletje dat onder de kinderen gespeeld werd. De aanleidingen tot zulk eene teedere bezorgdheid voor hem waren zoo talrijk, dat zij dikwijls twijfelde of het niet beter zou zijn naar het oude huis terug te keeren en daar eenzaam, maar ongestoord, te leven. Hoe weinigen, die de lieftallige Florence in haar lentetijd zagen, als het bescheiden koninginnetje dier kinderlijke feesten, verbeeldden zich welk een last van heilige zorg haar hart bezwaarde! Hoe weinigen, die, in den kouden atmospheer van haar vader bevrozen, vermoedden welk een hoop van vurige kolen er op zijn hoofd gestapeld werd!
Florence bleef gestadig op haar doel bedacht, en daar het haar niet gelukte het geheim, dat zij zocht onder het jeugdige gezelschap in huis te vinden, ging zij dikwijls in den vroegen morgen alleen onder de kinderen der armen rondwandelen. Maar ook deze vond zij allen veel te ver gevorderd om van hen te kunnen leeren. Zij hadden hunne plaats in het ouderlijke huis reeds lang geleden gevonden, en stonden niet buiten, gelijk zij, met een slagboom voor de deur.
Er was een man, dien zij meestal zeer vroeg aan het werk zag, dikwijls met een meisje van omtrent hare eigene jaren bij zich. Hij scheen zeer arm te zijn en geen vast beroep te hebben, maar zwierf nu bij laag water langs den oever der rivier, om in den modder te zoeken naar alles wat van eenige waarde was, werkte dan weder op een weinig belovend plekje gronds bij zijn hutje, lapte somtijds eene ellendige boot die hem toebehoorde, of deed een karreweitje van dien aard voor een buurman. Waaraan de man ook werkte, het meisje was nooit met iets bezig, maar bleef, als zij bij hem was, ledig en lusteloos zitten druilen.
Florence had dikwijls verlangd om dien man aan te spreken, maar nog nooit den moed gehad om dit te doen, dewijl hij zelf geene aanleiding daartoe gaf. Maar op een ochtend toen zij onverwacht op hem aankwam, van een voetpad tusschen eenige knotwilgen, dat op eene afhellende plek gronds uitliep, die tusschen zijne woning en het water lag, en waar hij gebogen stond over een vuur, dat hij had aangemaakt om de oude boot te kalfaten, die met den bodem omhoog daarbij lag, keek hij op, toen hij haar voetstap hoorde, en zeide haar goedenmorgen.
“Goedenmorgen,” zeide Florence, nader komende. “Ge zijt al vroeg aan het werk.”—“Ik zou graag dikwijls nog vroeger aan het werk zijn, jufvrouw, als ik maar werk had.”—“Is dat dan zoo moeielijk te krijgen?” vroeg Florence.—“Dat ondervind ik,” antwoordde de man.
Florence keek om naar de plek waar het meisje zat ineengedoken, met de ellebogen op de knieën en de kin tusschen de handen, en zeide:
“Is dat uwe dochter?”
Hij hief snel het hoofd op, en met een verhelderd gezicht naar het meisje omziende, knikte hij tegen haar en zeide: “Ja.”
Florence groette haar vriendelijk; het meisje mompelde iets tot antwoord, norsch en stroef.
“Heeft zij ook gebrek aan werk?” zeide Florence.
De oude man schudde zijn hoofd. “Neen, jufvrouw,” zeide hij. “Ik werk voor allebei.”—“Zijt ge dan maar met u beiden?” vroeg Florence.—“Maar met ons beiden,” antwoordde de man. “Hare moeder is al tien jaren dood. Martha!” Hij hief weder het hoofd op en floot naar haar. “Spreekt ge niet eens tegen die lieve jonge dame?”
Het meisje maakte eene beweging van ongeduld met hare ronde schouders en draaide haar gezicht naar een anderen kant. Leelijk, mismaakt, wrevelig, stompzinnig, haveloos, morsig—maar bemind! O, ja! Florence had haar vaders blik naar haar gezien, en zij wist wel naar wiens blik deze niet geleek.
“Ik vrees dat zij van morgen weer erger is, mijne arme meid!” zeide de man, zijn werk stakende en zijn onbehaaglijk kind aanziende met een medelijden, dat wel ruw, maar daarom des te teerder was.
“Is zij dan ziek?” zeide Florence.
De man slaakte een zwaren zucht. “Ik geloof niet dat mijne Martha vijf korte dagen gezondheid gehad heeft,” antwoordde hij, nog naar haar ziende, “in even zooveel lange jaren.”—“Ja, en in nog langer tijd, John,” zeide een buurman, die hem aan de boot kwam helpen.—“Langer, zegt gij?” riep de ander uit, zijn versleten hoed achteroverduwende en met de hand over zijn voorhoofd strijkende. “Wel te denken. Het komt mij ook lang, heel lang voor.”—“En hoe langer het duurde,” vervolgde de buurman, “zooveel te meer hebt gij haar verwend en vertroeteld, John, tot zij een last voor zich zelve en ieder ander is geworden.”—“Voor mij niet,” zeide de vader, weder aan het werk gaande. “Voor mij niet.”
Florence kon gevoelen—wie beter?—met hoeveel waarheid hij dit zeide. Zij kwam dicht naar hem toe, en had gaarne zijne ruwe hand willen vatten en hem danken voor zijne goedheid voor het ellendige voorwerp, dat hij met zoo geheel andere oogen beschouwde dan ieder ander. “Wie zou mijn arm kind verwennen en vertroetelen—om het zoo te noemen—als ik het niet deed?” zeide de vader.—“Ja, ja,” zeide de buurman. “Met redelijkheid, John. Maar gij—gij besteelt u zelven om haar te geven. Gij bindt u zelven om haar met handen en voeten vast. Gij maakt uw leven ellendig om haar. En wat geeft zij er om! Ik geloof niet eens dat zij er van weet.”
De vader hief weder het hoofd op en floot naar haar. Martha maakte wederom dezelfde beweging van ongeduld met hare schouders, en hij was vergenoegd en blijde.
“Alleen om dat, jufvrouw,” zeide de buurman, met een glimlach, waarin meer geheime sympathie lag dan zijne woorden te kennen gaven, “alleen om dat te krijgen, laat hij haar nooit uit zijne oogen.”—“Omdat de dag komen zal, en al lang aan het komen is,” zeide de ander, laag over zijn werk bukkende, “dat ik om half zooveel van dat ongelukkige kind van mij te krijgen—om maar het trillen van een vinger, of het zwieren van een haar van haar te krijgen—de dooden zou moeten kunnen opwekken.”
Florence legde zacht eenig geld dicht bij zijne hand op de oude boot, en ging heen.
En nu begon Florence te denken of, indien zij ziek werd, indien zij ook verwelkte gelijk haar lieve broeder, hij dan zou begrijpen dat zij hem had liefgehad, of zij hem dan dierbaar zou worden; of hij dan aan haar bed zou komen, als zij zwak en flauw van gezicht was, en haar in zijne armen sluiten en al het verledene uitwisschen? Zou hij het haar dan vergeven, in dien veranderden toestand, dat zij niet in staat was geweest om haar kinderlijk hart voor hem open te leggen; zou het haar dan gemakkelijk worden hem te verhalen met welke aandoeningen zij dien nacht zijne kamer was uitgegaan, wat zij had willen zeggen, als zij er maar moed toe had gehad, en hoe zij naderhand gepoogd had te leeren wat zij in hare kindsheid nooit had geweten?
Ja, dacht zij, als zij stervende was, zou hij week worden. Zij dacht, als zij daar lag, kalm en niet onwillig om te verscheiden, op het bed waarom de herinneringen van zijn dierbaren zoon nog zweefden, zou het zijn hart treffen en zou hij zeggen: “Lieve Florence, leef voor mij, en wij zullen elkander liefhebben gelijk wij hadden kunnen doen, en zoo gelukkig zijn als wij deze vele jaren hadden kunnen zijn!” Zij dacht, als zij zulke woorden van hem hoorde, en hare armen om hem heen geslagen had, zou zij met een glimlach kunnen antwoorden: “Het is te laat voor alles behalve dit en ik zou nooit gelukkiger kunnen zijn, lieve vader!” en hem zoo verlaten met eene zegenbede op de lippen.
De gouden golfjes op den muur, die zij zich herinnerde, kwamen Florence, in het licht van zulke herinneringen, voor als een stroom die naar het gewest vloeide, waar de dierbaren, die haar vooruit waren gegaan, haar hand in hand stonden te wachten; en dikwijls wanneer zij naar de donkere rivier zag, die aan hare voeten kabbelde, dacht zij met plechtige verwondering, maar niet met schrik, aan de rivier, welke haar broeder zoo dikwijls had gezegd dat hem wegvoerde.
De vader en zijne zieke dochter stonden Florence nog versch voor den geest; dat voorval was zelfs nog geene week oud, toen Sir Barnet en zijne vrouw, die op een namiddag gingen wandelen, haar voorstelden om mede te gaan. Daar Florence gewillig toestemde, gelastte Lady Skettles, als iets dat van zelf sprak, den jongen Barnet om haar te geleiden; want niets was voor Lady Skettles zulk een genot, dan haar oudsten zoon met Florence aan den arm te zien.
Barnet, om de waarheid te zeggen, scheen geheel anders over de zaak te denken, en liet zich bij zulke gelegenheden dikwijls hoorbaar, schoon onbepaald, over een troep meiden uit. Daar het echter niet gemakkelijk was haar zacht humeur te bederven, verzoende Florence doorgaans den jongen heer na eenige weinige minuten met zijn lot, en wandelden zij dan vriendschappelijk met elkander voort, terwijl Lady Skettles en Sir Barnet, uiterst vergenoegd en tevreden, achteraankwamen.
Zoo ging het ook op den bedoelden namiddag, en het was Florence bijna gelukt Skettles Junior zijne grieven voor het oogenblik te doen vergeten, toen er een heer te paard voorbijreed, die hem ernstig aanzag, de teugels aanhield, omkeerde, en met den hoed in de hand kwam terugrijden.
Deze heer had inzonderheid naar Florence gezien, en toen het kleine gezelschap bleef stilstaan, boog hij voor haar, eer hij Sir Barnet en zijne dame groette. Florence herinnerde zich niet hem ooit gezien te hebben, maar toen hij haar nabij kwam, trad zij met onwillekeurigen schrik achteruit.
“Mijn paard is heel mak, durf ik u verzekeren,” zeide hij.
Dit was het niet, maar iets in dien heer zelven—zij had niet kunnen zeggen wat—dat Florence deed terugschrikken, alsof haar iets gestoken had.
“Ik heb de eer jufvrouw Dombey aan te spreken, geloof ik?” zeide hij, met een glimlach die innemend moest wezen. Toen Florence daarop antwoordde door haar hoofd te buigen, vervolgde hij: “Mijn naam is Carker. Ik kan niet wel hopen dat jufvrouw Dombey zich iets van mij zal herinneren, behalve mijn naam. Carker.”
Florence, die, schoon het een warme dag was, eene zonderlinge neiging gevoelde om te huiveren, presenteerde hem aan haar gastheer en gastvrouw, door welke hij zeer vriendelijk ontvangen werd.
“Ik verzoek duizendmaal verschooning,” zeide Carker. “Maar ik ga morgen naar mijnheer Dombey te Leamington, en als jufvrouw Dombey mij eene of andere commissie wil opdragen, behoef ik dan te zeggen hoe zeer vereerd ik zal zijn?”
Sir Barnet, dadelijk radende dat Florence een brief aan haar vader zou willen schrijven, stelde voor om terug te keeren, en verzocht Carker om mede naar huis te komen en zoo in zijn rijcostuum te blijven dineeren. Carker had het ongeluk van reeds zijn woord voor een diner te hebben gegeven, maar als jufvrouw Dombey verlangde te schrijven, zou niets hem meer streelen dan met hen terug te rijden en als haar trouwe slaaf te wachten zoolang het haar beliefde. Toen hij dit met zijn breedsten glimlach gezegd had, en dicht naar Florence bukte om zijn paard op den hals te kloppen, ontmoette zij zijn blik en zag hem—veeleer dan dat zij hoorde—zeggen: “Er is geene tijding van het schip!”
Verschrikt, verlegen, voor hem huiverende, en zelfs niet zeker dat hij deze woorden gezegd had, (want hij scheen ze haar op eene buitengewone manier in zijn glimlach te laten lezen, in plaats van ze te spreken), zeide Florence flauw dat zij hem wel verplicht was, maar niet zou schrijven: zij had niets te zeggen.
“Niets te zenden, jufvrouw Dombey?” zeide de man van tanden.—“Niets,” zeide Florence, “dan mijne—mijne hartelijke liefde—als het u belieft.”
Ontsteld als Florence was, sloeg zij hare oogen met een smeekenden blik vol uitdrukking naar hem op, die hem bad—indien hij wist, gelijk hij duidelijk deed, dat eene boodschap, maar deze vooral, iets ongewoons tusschen haar en haar vader was—om haar te sparen. Carker antwoordde met een glimlach en eene diepe buiging, en nadat hij met de vriendelijkste complimenten van Sir Barnet en Lady Skettles was belast, nam hij afscheid en reed heen, op dit waardige paar een zeer gunstigen indruk nalatende. Toen hij heenreed, werd Florence door zulk eene huivering bevangen, dat Sir Barnet, op het volksbijgeloof doelende, meende dat er iemand over haar graf ging. Carker, die juist een hoek omsloeg, keek om, hoog, en verdween, alsof hij recht naar het kerkhof reed, om dit te doen.
XXV. VERRASSEND NIEUWS VAN OOM SAM
Kapitein Cuttle, hoewel geen luilak, werd op den ochtend nadat hij Sam Gills door het winkelvenster had zien zitten schrijven, niet zoo vroeg wakker, of de klok sloeg zes, toen hij zich op zijn elleboog oprichtte en in zijn kamertje rondkeek. Des kapiteins oogen moeten een zwaren dienst hebben gehad, wanneer hij ze gewoonlijk bij zijn ontwaken zoo wijd opendeed als dien morgen, en kregen eene slechte belooning voor hunne waakzaamheid, als hij ze doorgaans maar half zoo hard wreef. De aanleiding was ook van geen gewonen aard, want zeker had nog nooit Rob de Slijper in de deur van des kapiteins slaapkamer gestaan, gelijk hij daar nu stond te hijgen en den kapitein zoo nuchter aankeek, alsof hij zelf zoo pas uit zijn bed kwam.
“Holla ho!” bulkte de kapitein. “Wat is er te doen?”
Maar eer de knaap een woord kon uitstotteren, sprong kapitein Cuttle in eens uit zijn bed en hield hem zijne hand voor den mond.
“Sta vast, jongen,” zeide de kapitein. “Spreek nog geen woord tegen mij.”
De kapitein keek zijn bezoeker, na dit gebod te hebben gegeven, zeer ontsteld aan, en duwde hem bij de schouders naar de andere kamer; toen verdween hij voor eene korte poos en kwam terug in het blauwe pak gekleed. Zijne hand omhoog houdende, ten teeken dat het verbod nog niet was opgeheven, ging kapitein Cuttle naar de kas en schonk zich een borrel, en den bode insgelijks een. Daarna plaatste de kapitein zich in een hoek tegen den muur, als om de mogelijkheid te voorkomen dat hij, door het bericht, dat hem gegeven zou worden, achterover gesmeten werd, en nadat hij zijn borrel had uitgedronken, met zijne oogen op den bode gevestigd, en een gezicht zoo bleek als zijn gezicht maar wezen kon, verzocht hij hem om maar “los te gooien.”—“Meent gij het u te vertellen, kapitein?” vroeg Rob, op wien deze voorbereidselen een diepen indruk hadden gemaakt.—“Ja!” zeide de kapitein.—“Wel, mijnheer,” zeide Rob, “ik heb niet veel te vertellen. Maar kijk hier!”
Rob haalde een bos sleutels uit. Dicht in zijn hoek blijvende, staarde de kapitein ze aan en den bode insgelijks.
“En kijk hier!” vervolgde Rob.
Hij haalde een verzegeld pakje uit, hetwelk de kapitein aanstaarde evenals hij de sleutels had gedaan.
“Toen ik van morgen wakker werd, kapitein,” zeide Rob, “dat zoowat kwartier over vijven was, vond ik die dingen op mijn kussen. De winkeldeur was open en mijnheer Gills weg.”—“Weg!” brulde de kapitein.—“Geblazen, mijnheer,” antwoordde Rob.
De stem des kapiteins klonk zoo geducht, en hij kwam met zulk eene vaart uit den hoek, dat Rob naar een anderen hoek terugweek, de sleutels en het pakje voor zich uit houdende, om niet omvergeloopen te worden.
“Voor kapitein Cuttle, mijnheer,” schreeuwde Rob, “staat er op de sleutels en op het pakje ook. Op mijn woord van eer, kapitein Cuttle, ik weet er niets meer van. Ik mag sterven als ik dat doe. Dat is een ding voor een jongen, die pas eene plaats heeft gekregen,” riep de ongelukkige Slijper, die zijn mouwopslag in zijn gezicht scheen te willen boren; “zijn meester is met zijne plaats voort en hij krijgt er de schuld van.”
Deze klachten doelden op kapitein Cuttle’s starenden blik, die vol onbepaalde verdenkingen, aanklachten en dreigementen was. Hem het aangeboden pakje uit de hand nemende, deed de kapitein het open, en las het volgende:
““Mijn beste Ned Cuttle. Hier ingesloten is mijn laatste wil”—de kapitein keerde het met een twijfelachtigen blik om en om—“en testament.”
“Waar is het testament?” zeide de kapitein, dadelijk den ongelukkigen Slijper beschuldigende. “Wat hebt ge daarmee gedaan, jongetje?”—“Ik heb het nooit gezien,” jankte Rob. “Verdenk toch geen onschuldigen jongen, kapitein. Ik heb het testament niet aangeraakt.”
Kapitein Cuttle schudde het hoofd om aan te duiden dat er toch iemand voor verantwoordelijk moest wezen, en vervolgde ernstig:
““Dat gij niet dan over een jaar zult openen, of wanneer gij stellig bericht hebt van mijn dierbaren Walter, die u ook dierbaar is, Ned, daarvan ben ik zeker.” De kapitein hield op en schudde aangedaan zijn hoofd; daarop, als ware het om in deze moeielijke omstandigheden zijne waarde te handhaven, zag hij Rob met buitengemeene barschheid aan. “Als gij nooit van mij hooren, of mij meer zien mocht, Ned, houd dan uw ouden vriend in gedachte, gelijk hij u in gedachte zal houden; en bewaar, ten minste tot de voormelde tijd is verloopen, voor Walter eene plaats in het oude huis, waar hij weder thuis kan komen. Er zijn geene schulden; de leening van het kantoor van Dombey is afbetaald, en ik zend u hierbij al mijne sleutels. Houd dit stil, en doe geene navraag naar mij; dit is nutteloos. Niets meer dus, waarde Ned, van uw trouwen vriend, Samuel Gills.” De kapitein haalde diep adem en las de onderaan geschrevene woorden. “Rob, de jongen, is door het kantoor van Dombey gerecommandeerd, gelijk ik u gezegd heb. Als al het andere onder den hamer mocht komen, pas dan, Ned, op den houten adelborst.””
Om de nakomelingschap een denkbeeld te geven van de manier waarop de kapitein, na dezen brief om en om gekeerd en wel twintigmaal herlezen te hebben, zich op zijn stoel zette, en in zijn eigen gemoed een krijgsraad over de zaak hield, zou het vereenigd genie van alle groote mannen noodig zijn, die, hunne eigene ongunstige dagen verachtende, het voornemen koesterden om de nakomelingschap te bereiken, en daar nooit gekomen zijn. In het eerst was de kapitein veel te bedroefd en ontsteld om aan iets anders dan aan den brief zelven te denken; en zelfs toen zijne gedachten zich met de bijomstandigheden begonnen bezig te houden, hadden zij evengoed bij haar vroeger onderwerp kunnen blijven, zoo weinig licht kreeg hij daardoor. In dezen gemoedstoestand vond kapitein Cuttle, die den Slijper en niemand anders voor zijne balie had, er eene groote verlichting in te beslissen dat hij over het algemeen een voorwerp van verdenking was, hetgeen hij met zijn gezicht zoo duidelijk te kennen gaf, dat Rob er tegen inbracht:
“Och, neen, kapitein! Doe dat niet. Ik weet niet hoe gij dat doen kunt. Wat heb ik gedaan om zoo aangekeken te worden?”—“Jongetje,” zeide kapitein Cuttle, “schreeuw maar niet eer gij geslagen wordt. En wat gij doet, verpraat u zelven niet.”—“Maar ik heb niets gedaan,” zeide Rob.—“Houd u dan ook maar stil,” antwoordde de kapitein met nadruk.
Met een diep gevoel van de verantwoording, die hem was opgelegd, en de noodzakelijkheid om deze geheimzinnige zaak geheel en al te doorgronden, besloot kapitein Cuttle op de plaats zelve onderzoek te gaan doen en den Slijper bij zich te houden. Dezen jongeling vooreerst als in arrest beschouwende, twijfelde de kapitein of het niet raadzaam zou zijn hem handboeien aan te doen, zijne voeten aan elkander te binden, of hem een blok aan het been te sluiten; maar dewijl hij niet zeker was van de wettigheid van zulke formaliteiten, besloot hij slechts hem den geheelen weg langs bij den schouder te houden, en hem, als hij tegenstribbelde, een slag te geven dat hij omrolde.
Rob bood echter geen tegenstand, en kwam dus aan het huis des instrumentmakers, zonder onder strenger bedwang geplaatst te zijn. Daar de luiken nog niet waren afgenomen, was des kapiteins eerste zorg, den winkel te laten openzetten; en toen het daglicht was ingelaten, begon hij met hulp daarvan zijne verdere nasporingen.
Vooreerst plaatste de kapitein zich in den winkel op een stoel, als president van de rechtbank, die in zijn binnenste zitting hield, en gelastte Rob om weder onder de toonbank in bed te gaan liggen, en nauwkeurig te wijzen, waar hij de sleutels en het pakje had ontdekt toen hij wakker werd, hoe hij de deur gevonden had toen hij daaraan kwam, hoe hij naar Brig Place was heen geloopen—welke nabootsing voorzichtigheidshalve niet verder dan den drempel mocht gaan—en zoo vervolgens. Toen dit alles verscheidene malen gedaan was, schudde de kapitein zijn hoofd en scheen te denken, dat de zaak zich slecht liet aanzien.
Vervolgens hield de kapitein, met een duister denkbeeld van ergens een lijk te zullen vinden, eene strenge nasporing door het geheele huis; tastte met eene kaars in den kelder om, stak zijn haak achter deuren, bracht zijn hoofd in geweldige botsing met balken, en bedekte zich met spinnewebben. Naar de slaapkamer des ouden mans opklimmende, bevonden zij dat deze den vorigen nacht niet in bed was geweest, maar slechts op het dek was gaan liggen, gelijk uit den nog overgebleven indruk bleek.
“En ik denk, kapitein,” zeide Rob, in de kamer rondziende, “dat, toen mijnheer Gills in de laatste dagen zoo dikwijls in- en uitging, hij stuk voor stuk zijn klein goed weghaalde, opdat er niet op gelet zou worden.”—“Zoo!” zeide de kapitein geheimzinnig. “Waarom, jongen?”—“Wel,” zeide Rob, in het rond kijkende, “ik zie zijn scheergereedschap niet—en zijne kleerborstels—en zijne hemden—en zijne schoenen ook niet.”
Naarmate deze voorwerpen werden opgenoemd, lette kapitein Cuttle bijzonder op verschillende lichaamsdeelen van den Slijper, om te zien of hij die dingen ook binnen kort gebruikt, of misschien nog in zijn bezit had. Doch Rob behoefde zich nog niet te scheren, had zich zeker niet geborsteld, en de kleeren, die hij aanhad, waren ontwijfelbaar dezelfde die hij sedert lang had gedragen.
“En wat zoudt gij zeggen,” zeide de kapitein, “zonder u te verpraten—van den tijd dat hij is heengegaan?”—“Wel, kapitein,” antwoordde Rob, “ik denk, dat hij dat moet gedaan hebben al kort nadat ik begon te snorken.”—“Hoe laat was dat?” zeide de kapitein, die op het punt van tijd zeer nauwlettend wilde zijn.—“Hoe kan ik dat zeggen, kapitein!” antwoordde Rob. “Ik weet alleen maar dat ik in het begin een zwaren slaap heb en tegen den ochtend een lichten; en als mijnheer Gills tegen het aanbreken van den dag den winkel was doorgekomen, al was het maar op zijne teenen, zou ik hem tamelijk zeker ten minste aan de deur hebben gehoord.”
Na rijpe overweging van deze getuigenis, begon kapitein Cuttle te denken dat de instrumentmaker vrijwillig was verdwenen; in welk logisch besluit hij werd versterkt door den aan hem zelven gerichten brief, die ontwijfelbaar van de hand des ouden mans was, en insgelijks scheen te bewijzen dat hij ongedwongen was heengegaan. Vervolgens moest de kapitein overleggen, waarheen en waarom; en daar hij geene mogelijkheid zag om de eerste vraag op te lossen, bepaalde hij zijne gepeinzen tot de tweede.
Zich de zonderlinge houding des ouden mans herinnerende, en het afscheid dat hij van hem genomen had, toen onverklaarbaar hartelijk, maar nu zeer wel te begrijpen, kwam bij den kapitein de geduchte vrees op, dat hij, door het gemis van Walter en door zijn angst over het lot van dien goeden jongen overweldigd, tot een zelfmoord was gekomen. Niet meer berekend voor hetgeen het dagelijksche leven van hem eischte—gelijk hij zelf dikwijls had gezegd—en zonder twijfel diep geschokt door de onrust die hij zoolang had verduurd, was zoo iets maar al te waarschijnlijk.
Wat anders dan zulk een staat van krankzinnigheid kon hem, nu hij vrij van schulden was, en niet meer voor zijne vrijheid of zijne goederen behoefde te vreezen, bewogen hebben om heimelijk en alleen de vlucht te nemen? Dat hij eenige kleederen had medegenomen, als hij dit werkelijk had gedaan—en daarvan was men niet eens zeker—kon hij wel gedaan hebben (zoo redeneerde de kapitein) om nasporingen te voorkomen, om de aandacht van zijn waarschijnlijk lot af te trekken, en juist dat gemoed, dat nu over deze mogelijkheden nadacht, gerust te stellen. Dit waren in duidelijke woorden en kort samengetrokken, de inhoud en de slotsom van des kapiteins overwegingen, waarmede hij zich een langen tijd bezig hield, en die, gelijk sommige meer openbare beraadslagingen, zeer wijdloopig en ongeregeld waren.
Ten uiterste ter neergeslagen, achtte de kapitein het billijk om Rob van zijn arrest te ontheffen en vrij te laten, maar toch nog onder een soort van toezicht te houden; en nadat hij van Brogley den uitdrager een knecht had gehuurd, om gedurende hunne afwezigheid op den winkel te passen, ging de kapitein, Rob medenemende, uit op de akelige taak om het sterfelijk overschot van Samuel Gills op te zoeken.
Geen politiebureau, of knekelhuis, of werkhuis in de hoofdstad ontkwam het bezoek van den harden blinkenden hoed. Op de werven, tusschen de schepen, langs den waterkant, de rivier op, de rivier af, hier en daar en overal blonk die hoed in het dichtste menschengewoel, gelijk de helm van den held in een heldendicht. Eene geheele week lang las de kapitein in alle nieuwsbladen en aanplakbiljetten van alle gevondenen en vermisten, en ging hij op alle uren van den dag op tochten uit om Samuel Gills te herkennen, in ongelukkige kleine scheepsjongens die over boord waren gevallen, en lange vreemdelingen met zwarte baarden, die vergift hadden ingenomen—“om zeker te zijn,” zeide kapitein Cuttle, “dat hij het niet was.” Dit is zeker dat hij het nooit was, en de kapitein geene andere voldoening had.
Eindelijk liet kapitein Cuttle die pogingen als hopeloos varen, en ging zitten overwegen wat nu verder te doen. Nadat hij den brief van zijn vriend nog eenige malen had doorgelezen, begreep hij dat “een thuis voor Walter te bewaren,” de voornaamste plicht was, die hem was opgelegd. Hij besloot dus om zelf in het huis van Samuel Gills te gaan wonen, den instrumentenwinkel te aanvaarden, en te zien wat er van kwam.
Maar daar deze stap met het verlaten zijner kamers bij jufvrouw MacStinger moest gepaard gaan, en hij wel wist dat deze vastberadene vrouw daarvan nooit zou willen hooren, nam de kapitein het wanhopig besluit om weg te loopen.
“Kijk nu eens hier, jongetje,” zeide de kapitein tot Rob, nadat dit fraaie plan tot rijpheid was gekomen, “morgen zal ik hier niet op de ree te zien zijn voor den avond, niet voor te middernacht misschien. Maar blijf op de wacht tot ge mij hoort aankloppen, en zoodra ik dat doe, doe dan vaardig de deur open.”—“Heel goed, kapitein,” zeide Rob.—“Gij zult hier op de monsterrol blijven,” vervolgde de kapitein goedertieren, “en misschien wel bevordering krijgen als wij goed met elkander te recht komen. Maar op het oogenblik dat gij mij morgenavond hoort aankloppen, hoe laat het ook wezen mag, spring dan op en doe als eene wip de deur open.”—“Dat zal ik zeker, kapitein,” zeide Rob.—“Omdat er, weet ge,” zeide de kapitein, om hem zijn last beter in te prenten, “zooveel ik weet, wel jacht op mij kan gemaakt worden; en ik zou gepakt kunnen worden terwijl ik stond te wachten, als ge niet vlug met de deur waart.”
Rob verzekerde den kapitein andermaal dat hij vlug met de deur zou zijn; en de kapitein ging, na deze voorzichtige schikking gemaakt te hebben, voor de laatste maal naar jufvrouw MacStinger’s huis.
De bewustheid die kapitein Cuttle mededroeg dat dit de laatste maal was, en dat er zulk een geducht voornemen onder zijn vest verscholen lag, boezemde hem zulk een angst voor jufvrouw MacStinger in, dat de voetstappen dier dame beneden den geheelen dag lang genoeg waren om hem eene rilling op het lijf te jagen. Het gebeurde juist, dat jufvrouw MacStinger in een allerliefst humeur was—zoo zachtzinnig als een huislammetje; en kapitein Cuttle’s geweten gaf hem geweldige knepen, toen zij boven kwam om te vragen of zij hem niets voor zijn middagmaal kon klaarmaken.
“Een lekker nierpoddinkje, bij voorbeeld, kapitein Cuttle,” zeide zij, “of een schapehart. De moeite voor mij moet gij maar niet rekenen.”—“Neen, wel bedankt, jufvrouw,” antwoordde de kapitein.—“Dan een gebraden hoentje,” zeide zij, “met wat kalfsvleesch gevuld en eiersaus. Kom aan, kapitein Cuttle, trakteer u zelven eens.”—“Neen, wel bedankt, jufvrouw,” antwoordde de kapitein zeer nederig.—“Ik ben zeker dat gij van uw streek zijt en wat versterkends noodig hebt,” hervatte jufvrouw MacStinger. “Waarom niet voor een enkelen keer eene flesch sherry?”—“Wel, jufvrouw,” antwoordde de kapitein, “als gij zoo goed wilt zijn om een glaasje mee te drinken, dunkt mij zal ik dat eens probeeren. En zoudt ge mij dan pleizier willen doen, jufvrouw,” zeide de kapitein, door zijn geweten aan stukken gescheurd, “om een vierendeel jaars huur vooruit van mij aan te nemen?”—“En waarom dat, kapitein Cuttle?” zeide jufvrouw MacStinger—met eene scherpheid, naar hij dacht.
De kapitein schrikte geweldig. “Als ge dat doen woudt, jufvrouw,” zeide hij met onderdanigheid, “zoudt ge mij zeer verplichten. Ik kan mijn geld niet goed bewaren. Het geeft zich zelf uit. Ik zou het heel vriendelijk van u vinden als gij het woudt aannemen.”—“Wel, kapitein Cuttle,” antwoordde de niets kwaads vermoedende jufvrouw MacStinger, in hare handen wrijvende, “gij kunt doen zooals het u belieft. Met mijn huishouden zou ik dat niet graag weigeren, evenmin als vragen.”—“En zoudt ge, jufvrouw,” zeide de kapitein, het blikken busje, waarin hij zijn geld bewaarde, van de bovenste kasplank krijgende, “zoudt ge zoo goed willen zijn om de kleine familie hoofd voor hoofd anderhalven schelling van mij te geven. Als het schikte dat de kinderen zoo meteen in een troepje bovenkwamen zou ik ze graag willen zien.”
De onschuldige MacStinger’tjes, die in een zwerm naar boven kwamen, waren zoovele dolken in de borst des kapiteins; hun onnoozel vertrouwen, dat hij zoo weinig verdiende, verscheurde hem het hart. Het oog van Alexander, die altijd zijn gunsteling was geweest, was hem ondragelijk; en de stem van Juliana, het evenbeeld harer moeder, maakte hem tot een lafaard.
Kapitein Cuttle bewaarde echter tamelijk wel den schijn, en liet zich een paar uren lang vrij hard door de kleine MacStinger’s sollen; die ook in hunne kinderlijke speelschheid den harden blinkenden hoed eenigszins beschadigden, door er met hun beiden, als in een nestje, in te gaan zitten en met de hielen van binnen tegen den bol te trommelen. Eindelijk zond de kapitein hen treurig heen, na van deze cherubijntjes afscheid te hebben genomen met de knagende wroeging van een misdadiger die ter dood ging.
In de stilte van den nacht pakte de kapitein zijne zwaarste bezittingen in eene kist, welke hij sloot, met voornemen om ze daar te laten staan, waarschijnlijk voor altijd, maar met de wanhopige kans om eens iemand te vinden, stoutmoedig en roekeloos genoeg om ze te gaan halen. Van zijne lichtere eigendommen maakte de kapitein een pakje, zijn zilver stak hij bij zich, en zoo was hij voor de vlucht gereed. Te middernacht, toen Brig Place in sluimer was gedompeld, en jufvrouw MacStinger, met hare kindertjes om haar heen, in zoete vergetelheid lag verzonken, sloop de booze kapitein, in het donker, op de teenen naar beneden, opende de deur, trok die zacht achter zich dicht, en ging aan den haal.
Vervolgd door het beeld van jufvrouw MacStinger, uit haar bed gesprongen om hem, zoo gekleed of ongekleed als zij was, na te zetten en terug te halen, en door de bewustheid van het gruwelijke zijner misdaad, liet kapitein Cuttle tusschen Brig Place en de deur des instrumentmakers geen gras onder zijne voeten groeien. De deur werd geopend zoodra hij aanklopte—want Rob stond op de wacht—en toen zij weder gesloten en gegrendeld was, gevoelde kapitein Cuttle zich betrekkelijk veilig.
“He!” zeide de kapitein rondkijkende, “dat is loopen!”—“Toch niets gebeurd, kapitein?” zeide de starende Rob.—“Neen, neen!” antwoordde de kapitein, na met eene verschietende kleur naar een voorbijgaanden voetstap op straat geluisterd te hebben. “Maar onthoud wel, jongen, als er ooit eene dame, behalve die twee die gij laatst gezien hebt, naar kapitein Cuttle komt vragen, zeg dan dat men hier niemand van dien naam kent of ooit van hem gehoord heeft. Onthoud dat, zult ge?”—“Ik zal er op passen, kapitein,” antwoordde Rob.—“Ge kondt wel zeggen—als ge woudt,” hernam de kapitein aarzelend, “dat gij in de courant hadt gelezen, dat er een kapitein van dien naam naar Australië was gegaan, met eene geheele bemanning aan boord, die gezworen had om nooit terug te komen.”
Rob knikte maar eens ten teeken dat hij dezen wenk begreep; en nadat kapitein Cuttle beloofd had hem tot een man te zullen maken als hij zijne orders in acht nam, zond hij hem geeuwende naar zijn bed onder de toonbank, en ging zelf naar boven naar het kamertje van Samuel Gills.
Wat de kapitein des anderen daags uitstond als er een vrouwenhoed voorbijkwam, of hoe dikwijls hij den winkel instoof om eene denkbeeldige jufvrouw MacStinger te ontvluchten en op de vliering veiligheid zocht, is niet te beschrijven. Om zich niet langer met dat gedurige wegloopen te vermoeien, hing de kapitein een gordijntje voor de glazendeur tusschen den winkel en het achterkamertje, zocht op de deur een sleutel aan den bos die hem gezonden was, en boorde een kijkgaatje in den muur. Het nut dezer verschansing is duidelijk. Zoodra zich een vrouwenhoed vertoonde, wipte de kapitein zijne vesting binnen, sloot zich op en bleef den vijand heimelijk waarnemen. Bleek het alarm valsch te zijn, dan wipte hij er weder uit. En zoo talrijk waren de vrouwenhoeden op straat, en zoo onfeilbaar was het alarm dat zij medebrachten, dat de kapitein den geheelen dag bijna zonder ophouden in- en uitwipte.
Onder dien vermoeienden garnizoensdienst vond kapitein Cuttle echter nog tijd om den winkelvoorraad na te zien, waaromtrent hij in het algemeen het denkbeeld koesterde dat alles niet te veel kon gewreven worden—hetgeen Rob veel werk gaf. Ook kwam hij op den inval om eenige voorwerpen, die er nog al uitlokkend uitzagen, op de gis af met prijsbriefjes te voorzien, van tien schellingen tot vijftig pond, en ze zoo voor het venster ten toon te zetten tot groote verbazing van het publiek.
Na deze verbeteringen tot stand te hebben gebracht, begon kapitein Cuttle, door zooveel instrumenten omringd, te gevoelen, dat hij een man van wetenschap was: en keek des avonds, als hij in het achterkamertje zijne pijp zat te rooken, door het lantarenvenster naar de sterren op, alsof hij een soort van eigendom in hen had gekregen. Als handelaar in de City begon hij ook belang te stellen in den Lord Mayor, de Sheriffs en de gilden, en achtte hij zich verplicht om dagelijks de prijsnoteering der fondsen te lezen, hoewel hij uit de stuurmanskunst niet kon opmaken wat die cijfers beteekenden, en de breuken zeer wel had kunnen missen. Zoodra hij den houten adelborst in bezit had genomen, wilde hij Florence gaan opzoeken, om haar die vreemde tijding van oom Sam mede te deelen, maar zij was van huis. Zoo gewende zich de kapitein langzamerhand aan zijne veranderde levenswijs, en zijne rekening van tijd tot tijd verliezende, gelijk meer gebeurt als iemand eene groote verandering overkomt, dacht hij mijmerend aan Walter en Samuel, ja zelfs aan jufvrouw MacStinger, als dingen lang geleden.