The opening of I. DE SCHAT VAN DELOS [1]
Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke, jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.
Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.