Opening
ASPASIA
DOOR ROBERT HAMERLING
VOLLEDIGE VERTALING DOOR W. F. P. ENKLAAR
VIERDE GEAUTORISEERDE UITGAVE
MET ILLUSTRATIE’S VAN A. POUSSIN
Uitgave van Gebroeders E. & M. COHEN, AMSTERDAM Heerengracht 326
VOORREDE.
Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?
Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid? Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende geleerdheid maken. Inderdaad, wie dit werk slechts vluchtig doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman.
En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst, bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting, als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel, levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.
Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in zijne noodzakelijkheid, in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.
Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen. Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine, onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de vlammen overgeeft.
R. H.
Gräz, November 1875.
ASPASIA
I. DE SCHAT VAN DELOS [1]
Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke, jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.
Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.
Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die van een Faun [3], wederom anderen drukten een soort van eerbied uit, alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen, bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten, waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de gemoederen.
De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare dansen uitvoeren.
Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen. Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger, bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast Agamemnon, den gebieder der volken.
De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.
Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen, stoffigen weg, die naar den Piraeus [4] voerde.
Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip, dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip in snelle vaart doen naderen.
Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was, daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.
Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare gebouwen, als met een beschuttenden arm.
Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker wendend:
„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het eindelijk der voltooiing nabij.”
„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste, terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.
„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker muur af naar Phaleron [5]. Eene groote uitgestrektheid van het strand der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad Pallas Athene [6], schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken, zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.”
De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de Alcmaeönide [7] Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis [8] wijd schitterde in het Attische land en in de verte der zee, waar de naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van het „met violen omkranste Athenen.”
Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de haven.
Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf overwaaiend, ritselde.
Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus [9] van het hoofd en liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de galei gericht, die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de haven naderde.
Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt. Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt, bevredigd rond. Zijn werk is het grootendeels, wat zich daar aan ’t oog voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken van dien tijd: breede, statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met zuilenrijen omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus, van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde, over het woud van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den versterkten heuvel Munichia, de rijen der huizen en op den top van den heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis [10]. Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar ver de zuilenrijen uit; hier de prachtige Stoa [11] van Pericles, daar de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop of tot verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de haven, de handelsbeurs, het „Deigma” [12] waar schippers en handelaars hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen.
Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het algemeen welvaren, ook zijn eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij uit de handen van den bevrienden zeegod den vollen hoorn aller gaven van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van den Pontus [13], van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim vaneenspatten.
Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen. Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als personen in het treurspel.
Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte, heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken.
De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen. Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio [14], menige Simo, menige Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus, en gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem contracten. Hij geeft twee talenten [15], zonder van gelaat te veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer men die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze gedeponeerd heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt op de eerlijkheid van Pasio en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als niet het voordeel eener oneerlijkheid opweegt tegen den in gevaar gebrachten naam zijner eerlijkheid.
Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der zeepoorten bewaken twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde den ingang. In tijden van gevaar kan eene ijzeren, reusachtige ketting ter versperring van den eenen toren naar den anderen gespannen worden. In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel bedekt met de hooge triëren [16] der Atheensche vloot, naar de gewoonte der Grieken, op het vaste land getrokken, ieder in hare bijzondere omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige zeedraken, met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich verheffende staarten; en op de andere zijde van het Piraeische schiereiland bevinden zich nog veel meer van deze prachtige zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en daarachter strekken zich de zeearsenalen uit, waar het „want” der onttakelde schepen bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal gelost en onverpoosd nieuwe kielen gebouwd worden.
Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het Atheensche staatsschip „Amphitrite.”
Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen.
„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen! Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.”
De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere, vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.
De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van kettingen, een heen- en wederloopen aan boord; het anker wordt uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van den oever naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor aan het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en spreekt eenige woorden. De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs, iets wondervols. Die hem nog niet herkend hebben, herkennen hem nu. Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken in de volksvergadering op de Pnyx [17]. Maar allen hoorden, allen kennen zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven zich nu over de trappen aan boord van het schip.
Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een span muildieren voor den zwaren last gereed staat. De Triërarch [18] komt aan land en spreekt met Pericles.
Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos, de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst genomen als cijnsen der steden en eilanden.
Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit deze Aeölusharp zullen waaien?
„Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas [19] kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles omgaven.
„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht de Triërarch.
„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.
„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste standbeelden oprichten,” dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde van Pericles.
En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen, waren alle deze gedachten vereenigd....
Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.
Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit vijandige oogen toe.
Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige, juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar den grond.
„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne gewoonte.”
Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.
Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te voorschijn traden, rees de Acropolis van de stad voor hen op en men zag het reusachtige metalen beeld van „Athene Promachos” [20], in den glans der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de opgestoken lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte. Ook fonkelde van de helling van den berg, oogverblindend, een gouden Gorgonenhoofd [21], dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had geplaatst.
Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige zuilengaanderijen, welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat: dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen wilde vragen.
„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg, of woont zij ook bij andere menschen?”
„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.”
„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder.
„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde. Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, en plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.”
Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden:
„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus op den burg te plaatsen?”
„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken op de Acropolis der Atheners!”
„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus weder op!”
Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in Syracuse leefde.
„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven mij heftig aan te vallen.”
„Hoe zoo?” vroeg Cephalus.
„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren, de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal, wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden.
„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend, voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe gehelmde, lansslingerende Promachos?”
„Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene des vredes; door eene Pallas, die niet meer kampt met kletterend metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar blinkend Gorgonenschild [22] de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu mijn blik op de hoogte van de Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en dat ik een heerlijk, schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en den fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van verre schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de feestelijke optocht der Panathenaeën [23] henen trekt. Maar vrees niet, dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des Vredes, en marmer voor dat heiligdom van u zal afsmeeken—neen—ik bouw en versier zoo maar in gedachten—maak u niet ongerust!”
„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles, bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen moet gebaseerd zijn en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand, die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.”
Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?”
„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende. „Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen der schoone Chrysilla....”
„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen toon:
„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten minste gelenigd is geworden.”
De vrienden waren thans door de poort de stad binnen getreden. Hier schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond.
Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.”
„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles.
„Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze onderwerping, een Perzisch zegeteeken, uit Perzisch marmer gehouwen, in Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen waren, op het slagveld van Marathon [24] in onze handen viel. Na menige omzwerving kwam het kostbare blok in mijne werkplaats terecht, en, zooals u bekend is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een beeld van de Cyprische Godin [25] gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te versieren. Geen mijner leerlingen hield ik er beter voor geschikt, dat Agoracritus van Paros [26], om door de voltooiing van zulk een beeld zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde ik hem, op zijn verlangen, het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk vervaardigd heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige Alcamenes, benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en waagde het, in wedijver met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem noemt, een marmeren beeld van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het beeld van beide jongelingen voltooid en een groot aantal kunstlievende mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer gij u bij hen wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt en ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de ziel van beide jonge mannen heeft afgespiegeld!”
Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.
Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de bij het volk geliefde aanhanger en medehelper van Pericles, de bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus [27], een bouwmeester van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend van Phidias.
Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet, bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.
Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren, daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias, het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die daar vóór bijeen stonden.
De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige verscheidenheid der beelden hen getroffen had.
Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte van verhevene schoonheid en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde in breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der beide borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng: niets vrouwelijks was er in de trekken, niets weelderigs in de ledematen, niets bevalligs in de houding. En toch was het schoon. Het was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid. Het was Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de later geboren Chariten [28] en boschnymfen van den Ida [29] de Goden omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen glimlach plooide nog hare lippen.
Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet in den geest der Grieken gerijpt.
Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen.
Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren, was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet, of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het vorige daarnaast thans minder voldeed.
Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van Agoracritus, en van dit naar het andere dwaalde, des te langer bleef hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling, van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.
Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen, welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles.
„Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het standbeeld van Pygmalion [30]; het schijnt bezield te zijn en juist op het punt, om van het strakke marmer in een levend wezen, met warm bloed in de aderen, te verkeeren.”
„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.”
„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien? Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit een beeld heeft vermocht?”
Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den invloed dier gedachte te bestudeeren.
„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te tooien. Hoe langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben gezien.”
„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld; het is de Milesische.”
„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning.
„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.”
„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen? Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar als gast in zijn huis gehuisvest.”
„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias.
„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles.
„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den mond eener vrouw vernomen heb.”
„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles.
„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen zwerm gevaren.”
„Hoe dat?” vorschte Pericles.
„Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog veel droomeriger geworden, en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot diegenen, die ik het meest boven op het platte dak van het huis aantrof, vanwaar men in het peristylium [31] van het aangrenzende huis neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu eens onder voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen, het bloed zoo geweldig naar het hoofd steeg—inderdaad echter, om het snarenspel der Milesische te kunnen hooren.”
„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?”
„Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een vertrouwelijken voet met haar te staan. Deze zonderlinge knaap toch heeft zich voorgenomen een Eros [32] te beitelen en houdt het voor dit doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het wezen van dezen God en zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal zijne manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun begrip, naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij hem ook altijd den vriend der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans streeft hij naar het zuivere begrip van liefde en wil zich daarin door zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen.
„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook Alcamenes, van het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.”
„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!”
„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!”
Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen.
„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te leggen.”
Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.
Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:
„Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat ieder leeren waar en op welke wijze hij kan en laat niemand zijn naaste het schoone benijden, dat hem door de gunst der Muzen [33] of der Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.”
„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had; „maar ook van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken, dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende, de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.”
Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de Milesische.
„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst dezer vrouw heeft hare grenzen.... Vraagt het maar eens aan dien droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.”
Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en zijn geheele uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren, keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.
„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het, dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes eene schoone vrouw gebeiteld heeft.
„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen, omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening daaromtrent te zeggen.”
„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den mensch goddelijk?”
„Wat Homerus en Hesiodus [34] betreft, en de andere dichters,” zeide de droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle mogelijke dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen, wanneer de menschelijke natuur ook niet met hare zenuwen, spieren en aderen goddelijk was. Pindarus [35] schijnt mij zelfs nog verder te gaan, wanneer hij zingt: „Eén is van den beginne af het geslacht der Goden en der stervelingen!” En ik herinner mij dat ik eens den wijsgeer Anaxagoras [36] kort en bondig heb hooren zeggen, dat al wat is, levend is en wat leeft goddelijk is. Wilt gij echter naar deze Ouden niet hooren, zoo vraagt het aan de schoone Milesische.”
„Ik geloof,” hernam Pericles, „dat wij allen niet ongezind zouden zijn dezen raad te volgen, wanneer wij slechts wisten hoe wij gedaan konden krijgen, om de Milesische tot beslechting dezer zaak hier te doen komen. Kan soms Phidias ons dezen dienst bewijzen, of wil Alcamenes ons het geheim openbaren, hoe men deze schoone raadpleegt, of zullen wij tot den droomer ons wenden?”
„Ja, tot den droomer!” riep Alcamenes levendig. „Ik wed, dat deze, als hij wil, ons de Milesische nog heden uit het huis van Hipponicus, als eene slang uit hare schuilplaats door tooverzangen en bezweringen, hierheen zal lokken!”
„Wanneer Alcamenes zelf ons naar hem verwijst,” zeide Pericles, „zoo is hij wel de rechte man en niemand anders, die ons in deze zaak kan helpen. Maar wat kunnen we den man beloven, opdat hij medelijden met ons moge hebben en heenga, om de Milesische tot ons te lokken?”
„Het zal zoo heel veel moeite niet kosten,” hernam de droomer, „iemand te bewegen hier binnen te treden, die reeds als ’t ware wachtende, achter de deur staat.”
„Is de Milesische derhalve in onze nabijheid?” vroeg Pericles.
„Toen ik straks,” vervolgde de droomer, „van mijne wandeling naar den Piraeus terugkeerde, en, door de achterdeur dit huis binnen willende treden, vlak langs de heining van den tuin van Hipponicus kwam, zag ik de Milesische tusschen de bloembedden en de bloeiende struiken staan, terwijl zij een tak van een laurierboom afplukte. Ik vroeg haar welken held of wijze of kunstenaar zij met dezen tak dacht te versieren? Zij zeide, dat hij bestemd was voor dengene der beide voortreffelijkste leerlingen van Phidias, die heden, naar de uitspraak van kunstrechters, als overwinnaar uit den wedstrijd zou te voorschijn treden. „Gij wilt derhalve het geluk van den overwinnaar oneindig vergrooten?” zei ik, „zoek toch den overwonnene ook eenigszins te troosten!”—„Goed,” hervatte de Milesische, „men moet ook medelijden hebben met den overwonnene; ik zal voor hem eene roos plukken.”—„Eene roos,” hernam ik, „is dat niet wat te veel? Zijt gij zeker, dat dan de overwinnaar den overwonnene niet benijdt?”—„Zoo moge de overwinnaar kiezen,” riep zij; „daar, neem den lauriertak en de roos en reik ze hem over.”—„Zoudt gij ze hem niet liever zelve overhandigen?” vroeg ik. „Meent ge dat waarlijk,” hernam zij. „Voorzeker,” zei ik. „Nu welaan dan,” hervatte zij; „zend den overwinnaar en den overwonnene hier naar mij toe aan de tuindeur, zoodra de kunstrechters het vonnis uitgesproken en zich verwijderd hebben.”—„Weet derhalve,” zoo besloot de droomer zijn verhaal, „dat de Milesische met den lauwertak en de roos achter de tuinheining van Hipponicus staat.”
„Goed,” zeide Pericles, „ga en haal ze hier heen.”
„Hoe kan ik dat?” hernam de andere. „Hoe zal ik haar overhalen, dat zij hier kome in tegenwoordigheid van zulk een aantal mannen?”
„Mij om ’t even, hoe gij het beproeft,” zeide Phidias; „dat behoort tot uw geheime koppelaarskunsten; die behoeft gij ons niet te verklappen. Ga ze maar halen, omdat Pericles het zoozeer verlangt.”
De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met eene vrouw terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijke weelderigheid van vormen op eene wonderlijke wijze vereenigd waren. Pericles herkende aanstonds in haar de schoone, die hij vluchtig had gezien, toen hij met Phidias zich van de markt naar de haven wilde begeven. Zij was slank; toch waren de ledematen van de bekoorlijkste volheid en weelderigheid. Haar gang was fier en tegelijk bekoorlijk. Haar gekruld, zacht haar had een donkerrossen glans, haar gelaat was van eene onvergelijkelijke schoonheid. Het betooverendste echter aan haar was een vochtige glans, een zachte onweêrstaanbare gloed in de heerlijke oogen, aan welks betoovering niemand, die slechts even haar aanzag, wederstand kon bieden. Haar gewaad uit geel, zacht byssus [37], sloot nauw om de fijne, fraai geronde heupen tot aan de enkels. Bovenaan was het voorste stuk van het gewaad ter hoogte van de schouders met fraaie gespen aan het achtergedeelte bevestigd. Daarover viel van de schouders eene soort van oppergewaad in schoone plooien af tot aan het midden van het lichaam. Het kleed zonder mouwen liet de edelgevormde armen ontbloot en verborg niet geheel den omtrek van den jonkvrouwelijken, teederen en toch krachtig ontwikkelden boezem. Het was de gewone chiton [38] der Grieksche vrouwen, dien de vreemde droeg, maar rijk en veelkleurig, zooals men dien zag bij de Ionische en Lydische vrouwen der Aziatische kusten. De kleur van het gewaad was glanzend geel, de zoomen waren met bont borduursel rijkelijk versierd.
Het donkerrosse glanzende haar golfde in krullen langs den hals; een purperen band, die op de plaats, waar hij op het voorhoofd rustte, met een metalen ingesneden plaat versierd was, hield de weelderige lokken bijeen.
Toen deze bekoorlijke vrouw onder begeleiding van den droomer binnentrad en eene zoo groote schare van aanzienlijke mannen zag en onder hen zelfs den machtigen Pericles, aarzelde zij een weinig. Doch Alcamenes trad haar te gemoet, vatte haar bij de hand en sprak:
„Pericles, de Olympiër, wenscht de schoone en schrandere Milesische te zien.”
„Hoe groot en rechtmatig ook de begeerte moge geweest zijn, eene zoo gevierde vrouw te zien,” zeide Pericles, „verzwijgt gij toch ten onrechte, Alcamenes, dat wij eigenlijk door de verlegenheid, waarin de beslechting van den wedstrijd tusschen u en Agoracritus ons plaatste, op raad van den waarheidzoeker besloten, de wijsheid van de schoone Milesische in te roepen. De vraag namelijk is onder ons gerezen, of het geoorloofd is, eene Godin onder de vormen van eene schoone Grieksche vrouw voor te stellen. Bij de Atheners, vroom en aan de Goden nauw verknocht, als zij zijn, begint het geweten zijne stem te doen hooren, of zij soms de stervelingen overmoedig en de Goden op hen afgunstig maken, wanneer zij het goddelijke al te menschelijk voorstellen en of hunne beeldende kunst in het algemeen den Goden welgevallig of gehaat is?”
„De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,” begon de Milesische met eene stem, wier veren klank niet minder betooverend was, als de glans van haar oog, „wordt overal geroemd en de lichaamsgestalte der Grieken door de barbaren [39] zelven, als het meest op de Goden gelijkende erkend. De Goden van Hellas zullen zich niet op den Athener vertoornen, wanneer hij hun tempels bouwt, zoo schitterend en verheven als de aether zelf, die zich boven hen welft, en wanneer hij beelden voor hen opricht, wier schoone gestalte niet verre beneden de gestalte blijft van hen, welke aan deze beelden offers brengen. Zooals het land is, zoo is de tempel, zooals de mensch, zoo zijne Goden! Trouwens, bewijzen dan ook niet de Olympiërs [40] zelf, dat het hun lust en wil is, zich af te spiegelen in de ziel der Atheners? Hebben zij hun niet boven allen den scheppenden geest verleend, en hebben zij niet den Attischen grond de beste klei, het onvergelijkelijkst marmer tot bouwkunde en beeldende kunst gegeven?”
„Inderdaad,” viel hier de opgewonden Alcamenes levendig in, „alles bezitten wij; alleen nog niet het rechte, onbeperkte veld, waarop wij arbeiden kunnen!—Waarachtig, mij en ons allen jeuken reeds de vingers, en de beitel in onze handen wordt gloeiend van ongeduld.”
Een goedkeurend gemompel doorliep bij deze plotselinge wending van het gesprek de geheele werkplaats van Phidias.
„Troost u, Alcamenes,” zeide de Milesische, den nadruk op ieder woord leggende; „Athene is rijk geworden, schatrijk, en wel niet te vergeefs is de gouden schat van Delos over de zee tot u overgezwommen.”
De schoone vrouw wierp bij deze woorden een betooverenden blik op Pericles. Deze had, terwijl zij sprak, zijne oogen op haar golvende, bruine, zachte lokken onafgebroken gevestigd, en zeide nu onhoorbaar tot zich zelven: „Bij de Goden, het blonde haar dezer vrouw zelf is een schitterende gouden schat van Delos en voor dat gemunte goud zou dit ongemunte niet te duur betaald zijn....”
Toen liet hij een geruimen tijd het hoofd peinzend op zijne borst zinken, terwijl aller oogen op hem waren gevestigd. Eindelijk begon hij:
„Te recht verwacht gij, beoefenaars en vrienden der schoone beeldende kunst, dat de schat van Delos niet te vergeefs naar Attica’s strand is overgekomen. En, wanneer ik slechts naar de inspraak van mijn hart, niet naar de eischen van het algemeen belang had te vragen, waarlijk, ik zou dien schat het liefst onmiddellijk naar de werkplaats van Phidias doen brengen. Maar hoort, hoe de stand van zaken is voor hem, aan wien de zorg voor het algemeen welzijn is toevertrouwd. Toen de Pers, met zijne drommen het land overheerschend, tot ons was gekomen en het gemeenschappelijk gevaar alle Hellenen vereenigd had, toen hij echter verslagen afgetrokken en de groote les, die de strijd ons had gegeven, weder vergeten was en de bijzondere belangen overal weder de eerste plaats innamen, toen hoopte ik nog dat het mogelijk was, ’t geen wij, door den nood des oorlogs gedrongen, hadden begonnen, langs vreedzamen weg voort te zetten. Op mijn raad noodigde het Atheensche volk allen Hellenen, hunne vertegenwoordigers naar Athene te zenden, om over de gemeenschappelijke belangen van Griekenland te onderhandelen. Ik wilde bewerken, dat op gemeene kosten alle door de Perzen verbrande tempels en heiligdommen weder zouden worden hersteld. Voorts zouden de Hellenen, van toen af aan vrij en veilig op alle Grieksche zeeën, op alle Grieksche kusten kunnen verkeeren; er zouden borgen worden gesteld, dat onder de bescherming van een ongestoorden vrede de gemeenschappelijke welvaart aller Hellenen onbelemmerd zou bloeien. Twintig mannen kozen wij uit het volk, mannen, die zelven medegekampt hadden in de groote slagen tegen de Perzen. En welke antwoorden brachten deze boden terug? Van den een ontwijkende, onverholen afwijzende van den ander. Boven alles echter zocht Sparta de zaden van het wantrouwen tegen Athene en zijn stamgenooten met kwistige hand uit te strooien. Zóó werd de poging ijdel, en Athene verkreeg de ervaring, dat het niet op de eendracht der Hellenen mocht rekenen, dat de afgunst zijner mededingers niet sluimerde. Was mijn welgemeend plan gelukt, dan had zich Athene en geheel Hellas zonder voorbehoud aan de kunsten des vredes kunnen wijden en zijn edelsten bloei onmiddellijk kunnen ontplooien. Nu echter is het onze eerste plicht, naar steeds grootere macht, naar steeds grooteren invloed in Griekenland te streven, en steeds zooals nu onaantastbaar uitgerust gereed te staan. Deze eerste noodzakelijkheid gebiedt ons rekenschap te houden met onze middelen, hoe schitterend ze voor het oogenblik ook mogen zijn. Oordeelt nu zelven, gij mannen, of wij de verplichtingen, welke de handhaving van onzen voorrang in Griekenland ons oplegt, uit het oog verliezen en de gouden gaven van het geluk nu reeds aan het schoone en liefelijke mogen offeren.”
Zoo sprak Pericles, en daar de mannen zijne rede zwijgend, maar toch, naar hij meende op te merken, niet zonder verborgen weerzin, aanhoorden, ging hij voort: „overdenkt de zaak, of geeft ze den droomer hier, den waarheidsvriend, of, wanneer men vrouwen ook in politieke zaken mag hooren, aan deze schoone uit Milete ter overweging.”
„Wanneer ik de woorden van Pericles goed begrepen heb,” begon de droomer op zijne omslachtige wijze, daar alle aanwezenden bleven zwijgen, „zoo heeft de groote staatsman het als eene vaststaande zaak vooropgesteld, dat Athene trachten moet den voorrang onder de Grieksche staten te handhaven. Op welke wijze echter deze voorrang verzekerd kan worden, dat heeft hij ons ter overweging gegeven. Wel is waar, is hij ook de tot nu toe algemeen heerschende meening, dat de voorrang van een staat boven den anderen alleen op eene overweldigende krijgsmacht moet steunen, zelf toegedaan. Maar verstandig als hij is, onderscheidt hij zich van alle vroegere staatslieden daardoor, dat hij ook nog andere middelen mogelijk schijnt te achten; want, als hij die niet mogelijk achtte, hoe zou hij ons dan aangezocht hebben daarnaar onderzoek te doen?”
„Kunt gij ons,” zeide Pericles, „zulke andere middelen aanwijzen, zoo spreek!”
„Men moet,” hernam de droomer, „om deze middelen te weten, zulken lieden vragen, die bewezen hebben te verstaan, om anderen den voorrang af te winnen, en de menschen, zonder gebruik te maken van geweld, het schoonst en het best kunnen onderwerpen en beheerschen. Men moest dan juist weder de schoone Milesische hier om raad vragen.”
De vreemde wierp glimlachende een blik op den droomer, en deze ging op zijn gewonen trant zich tot haar wendende voort:
„Gij hebt gehoord, dat wij overwegen, of een staat boven alles door krijgsmacht en schatten zich den voorrang verzekert, of ook nog door iets anders in de wereld, bij voorbeeld door beoefening van het schoone en goede en geestelijke voortreffelijkheid. Gij behoort nu tot diegenen, die er zich op verstaan, anderen den voorrang af te winnen en de menschen, als van zelven, het schoonst en het best te beheerschen. Wilt gij ons niet zeggen, hoe gij dat ten uitvoer brengt?”
„Wat ons vrouwen betreft,” hernam de Milesische glimlachende, „zoo kan ik slechts zeggen, dat het voor een zeker gedeelte op de schoone gestalte aankomt, en op de kunst zich sierlijk te kleeden en bekoorlijk te dansen of betooverend de cither te bespelen en wat men verder verleidelijke kunsten moge noemen.”
„Wat de vrouwen aangaat, zou de vraag dus opgelost zijn?” zeide Pericles. „Maar hoe? Zullen ook wij Atheners, de Spartanen en alle eilandbewoners en Aziaten het schoonst en best aan ons trachten te onderwerpen en beheerschen door schitterend gewaad en schoone gestalte, door bekoorlijke dansen en citherspel?”
„Ja, zeker,” hernam de Milesische. Dit stout geuite woord verbaasde de mannen. De bekoorlijke vrouw echter ging voort:
„Die staat zal boven allen het meest tot macht en aanzien geraken, waar men het bekoorlijkst weet te dansen, het schoonst de cither te bespelen, het best te bouwen, te beitelen en te schilderen en waar de voortreffelijkste dichters gevonden worden!”
„Gij schertst!” riepen eenige der mannen.
„Volstrekt niet!” hernam de schoone glimlachende.
„Wanneer men het nader beschouwd,” zeide Hippodamus, „dan schijnt de schoone Milesische met hare stoute bewering, die ons in het eerste oogenblik deed glimlachen, nog zoo geheel geen ongelijk te hebben. Inderdaad! Wanneer de schoonheid slechts eenmaal de zegevierende macht in de wereld is, waarom zou dan ook een volk niet, door de bekoorlijkheid van het schoone, het andere den voorrang afwinnen, roem, bewondering, liefde, onberekenbaren invloed verwerven, even goed als eene schoone vrouw?”
„Zoo maar niet de onbeperkte beoefening van het schoone,” hernam Pericles, „de gemoederen weekelijk en verwijfd maakte!”
„Week en verwijfd?” riep de Milesische; „gij Atheners zijt het maar al te weinig. Zijn er niet velen onder u, die uw staat geheel naar de sombere en ruwe wijze der Spartanen zouden willen inrichten? Het is onbillijk te zeggen, dat het schoone den mensch bederft. Het schoone maakt de burgers opgeruimd, tevreden, handelbaar, opofferend, vol gloed en bezieling. Wat zou er benijdenswaardiger zijn, dan een gelukkig volk, naar welks feesten van heinde en verre de menschen toestroomen? Laat de sombere, ruwe Spartanen zich gehaat maken; Athene zal, naar balsem riekende, en met bloemen bekranst, als eene bruid, zich de harten veroveren!”
„Gij meent dus,” zeide Pericles, „dat nu reeds de tijd is gekomen, waarop wij het zwaard uit de hand kunnen leggen, om ons aan het schoone en aan alle kunsten des vredes te wijden?”
„Veroorlooft gij mij, het uit te spreken, o Pericles,” vroeg de vreemde, „wanneer het naar mijne meening de tijd is, het schoone te scheppen?”
„Spreek het uit!” hernam de staatsman.
„De tijd, om het grootsche en schoone te scheppen,” zeide de Milesische, „is dan gekomen, naar ik meen, wanneer de mannen aanwezig zijn, die geroepen zijn, het te scheppen!—Nu hebt gij uw Phidias en de andere meesters: wilt gij met de volvoering uwer gedachten talmen, tot zij oud en stram zijn geworden? Gemakkelijk vindt gij het goud, om het schoone te betalen, maar niet altijd de mannen om het uit te voeren!”
Luide en algemeene bijvalskreten weerklonken bij deze woorden.
Er zijn blikken, er zijn woorden, die, als de zengende bliksem, eene menschenziel doen trillen. De ziel van Pericles was door zulk een blik en zulk een woord te gelijk getroffen geworden.
De bliksemende gloed was uit het betooverendst oog, het bliksemend woord van de betooverendste lippen gekomen. De macht van het woord was Pericles zich bewust; de overweldigende kracht van den blik drong tot in zijn binnenste door; hun vlam en gloed grepen hem meer dan hij wist in het hart.
Zijn oog begon vurig te schitteren en in zich zelven herhaalde hij de woorden der vreemde:
„De tijd om het schoone te scheppen is dan gekomen, wanneer de mannen aanwezig zijn, welke in staat zijn het te scheppen.—Ik moet bekennen,” ging hij voort, „dit woord is een der treffendste en gelukkigste, die er kunnen gezegd worden. Het ia bijna zoo duidelijk, alsof men zeide: „de tijd om lief te hebben is dan gekomen, wanneer de schoonheid daar is, die in staat is de liefde te ontvlammen.” Een beteren verdediger kon datgene, wat ons allen ter harte gaat, niet vinden. Ik geloof, dat gij mij en allen, die hier zijn, hebt overtuigd. Inmiddels zou het u niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, schoone vreemdelinge, wanneer datgene, wat gij zegt, niet reeds in de schuilhoeken onzer harten gesluimerd had. Doch wilt ge het mij toestaan, dat ik mij nog niet geheel en al overwonnen geef? Wilt gij in der minne met mij een vergelijk treffen? Ik meen, dat wij moeten trachten ons Athene strijdvaardig en machtig te houden, zooals het is; doch gij hebt gelijk, dat wij niet langer uit beangste bedenkingen mogen talmen, dat te doen, waarvoor de tijd nu is gekomen, omdat, zooals gij ons herinnerd heb, er nu mannen zijn, die, als ze heengegaan zijn, nimmer zullen terugkeeren!—Dank het aan deze schoone, Phidias, wanneer mijn bedenkingen verdwenen zijn, en ik u en den uwen, wien, zooals Alcamenes zeide, de beitel in de hand van ongeduld gloeit, beloof, de hinderpalen uit den weg te helpen ruimen, opdat gij, evenals een strijdlustig leger, uit moogt trekken, om het vernielde weder te herstellen en uwe schoone en heerlijke idealen der verwezenlijking nader te brengen.
„Ziet, er is niet weinig gedaan, om ons Athene sterker te maken. De havenstad is nieuw gebouwd, de middelmuur bijna voltooid. Reeds lang was het mijn voornemen eene ruime worstelschool voor de Atheensche jongelingschap op te richten; ook aan de kunsten der Muzen, de toon- en dichtkunst, wil ik eene waardige plaats toewijden. Met schitterende tempels echter en met heerlijke standbeelden willen wij op passende wijze het werk der vernieuwing bekronen, dat beneden in den Piraeus begonnen is geworden.”
Blijde bijvalsbetuigingen gingen er bij deze woorden van Pericles op, uit de rijen der beeldhouwers en overige aanwezige mannen.
„Vermanend verheffen zich de reusachtige zuilen des tempels,” vervolgde Pericles, „die Pisistratus [41] begonnen is voor den Olympischen Zeus te bouwen en waaraan sedert den val van den geweldigen man niemand weder de handen heeft geslagen. Zou het niet billijk zijn, dezen eerst te voltooien?”
„Neen!” riep levendig de volksvriend Ephialtes. „Dat zou zijn den roem van den vijand der volksvrijheid vereeuwigen. Laat een tyran [42] voltooien, wat een tyran begonnen heeft! Het vrije volk der Atheners laat het gedenkteeken van Pisistratus in zijne puinhoopen liggen, tot een teeken, dat de zegen der Goden niet rust op het werk van despoten!”
„Gij hebt den volksvriend Ephialtes gehoord,” zeide Pericles, „en wanneer gij Ephialtes gehoord hebt, zoo hebt gij het geheele volk der Atheners gehoord. Bovenop de Acropolis staat het overoude, eerwaardige heiligdom van Erechtheüs [43] en de stedegodin Athene, half vernield en slechts gebrekkig na den Perzischen krijg weder voor den dienst der Goden hersteld.”
„Daar huizen de uilen;” riep de vrijzinnige Callicrates. „Oud en somber zijn daar de tempels, oud en somber de priesters en zelfs de Goden zijn door de sombere atmosfeer vermolmd.”
„Dan zullen wij den tempel licht en vroolijk weder opbouwen,” zeide Pericles.
„Dan zou Phidias tot ledigheid gedoemd zijn,” hernam Callicrates; „gij weet, nooit mag het overoude, heilige van den hemel gevallen houten schild van Athene Polias [44] in den tempel van Erechtheüs door een ander vervangen worden—nooit mag het in zijne leelijkheid veranderd, maar steeds met een of ander voorwerp omhangen worden!”
„Dan laten wij de oude priesters met hunne oude Goden in de oude tempels huizen,” hernam Pericles, „en we beraadslagen met Phidias: laat hij ons vertellen, wat hij wakende droomt, wanneer hij zijn blik op de Acropolis vestigt!”
Phidias stond in gedachten verzonken.
Pericles trad naar hem toe en zeide, terwijl hij de hand op zijn schouder legde: „houd op met mijmeren—schud de grootsche gedachten, welke gij in uw hoofd koestert, wakker, want haar tijd is gekomen!”
Phidias glimlachte; daarop sprak hij met schitterende oogen:
„Laat Ictinus hier u vertellen, hoe dikwijls ik de oppervlakte van de burghoogte en hare rotsterrassen met hem heb afgemeten—hoe wij cijferden en rekenden en geheime plannen smeedden, niet wetende, wanneer de ure zou komen om ze te verwezenlijken.”
„En welke plannen waren dat?” vroegen de mannen. Phidias deelde mede, wat in stilte reeds lang in zijn gemoed tot rijpheid was gekomen. Vol geestdrift luisterden zij naar hem.
„En zal niet,” vroeg een der mannen, „een zoodanig werk, evenals reeds eens is geschied, verijdeld worden door de afgunst der priesters van Erechtheüs op den burg?”
„Wij zullen over die afgunst zegevieren!” riep Ephialtes uit.
„De schat van Delos,” zeide Pericles, „zal nedergelegd worden aan de voeten der Godin—in het achterste gedeelte van den tempel zal hij geborgen worden: en zoo zal op de schitterende hoogte van de burgrots dezelfde tempel de onderpanden van Athene’s macht en grootheid vereenigen!”
Met geestdrift juichten de aanwezigen de laatste woorden van Pericles toe. Hij echter ging voort, alsof hij zich plotseling bezon, met een blik op den lauwertak en de roos in de handen van de schoone vrouw:
„Veel is hier beslist geworden; evenwel niet de wedstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus. Aan wien van deze twee Aphrodite’s geeft wel de schoone en schrandere vreemdelinge de voorkeur?”
„Is dezen hier ook eene Aphrodite?” vroeg de Milesische, op het beeld van Agoracritus het oog vestigende; „Ik heb haar voor eene strengere Godin gehouden, voor eene Nemesis [45] bijvoorbeeld.”—
Agoracritus, die den geheelen tijd door met donkeren blik en mokkend ter zijde op een steenblok had gezeten, lachte bitter en bijna honend, toen hij dit woord hoorde.
„Eene Nemesis?” herhaalde Pericles, „inderdaad, die beteekenis is treffend. Is Nemesis niet de strenge Godin der maat, wier overschrijding steeds gewroken wordt? Nu, in dit werk van Agoracritus schijnt inderdaad de ernstige, gestrenge wet en maat van ’t geheele wezen levend belichaamd te zijn. De schoonheid der Godin is bijna dreigend, bijna schrik aanjagend. Voor ’t overige, zijn Cypris, de Godin van de liefelijke maat, en Nemesis, de wreekster van de overschreden maat, niet van den oorsprong af eenigszins verwant? Wanneer nu dit het geval is, dat de Atheners eene Aphrodite in de omheining der Tuinen willen plaatsen, en slechts Alcamenes eene Aphrodite gebeiteld heeft, dan kunnen wij ook alleen deze in de Tuinen eene plaats geven. Het werk van Agoracritus echter, ’t welk eene heerlijke Nemesis voorstelt, zullen wij met zijne toestemming, naar ik meen, in den tempel dezer Godin te Rhamnus opstellen. Wellicht kan de kunstenaar haar nog eenige uiterlijke kenteekenen en symbolen toevoegen.”
„Dat zal ik!” riep de toornige Agoracritus, met een donkeren blik. „Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.”
„Wien derhalve, schoone vreemdelinge,” zeide Pericles, „zult gij nu den lauwertak en wien de roos overreiken?”
„Beide aan u!” hervatte de Milesische. „Van deze beiden is geen overwinnaar of overwonnene. En op dit oogenblik betaamt het, alle kransen in de hand van den man te leggen, aan wien dezen het te danken hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers te dingen!”
Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De schitterende oogen van beiden ontmoetten elkander een oogenblik en bleven vol beteekenis een korten tijd op elkander gericht.
„Ik zal,” zeide Pericles, „den lauwertak tusschen de beide jongelingen verdeelen, de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij zelven.”
Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de beide jongelingen. Toen zeide hij, rondom zich ziende: „Ik geloof, dat ik nu niemand hier meer ontevreden laat. Alleen de droomer daar schijnt mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige gelaatstrekken voor zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?”
„Ik vroeg straks,” hernam de aangesprokene, „uit uw naam, de schoone Milesische, of alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de beoefening van het schoone, van het goede en voortreffelijke, een staat een anderen voorrang zou kunnen afwinnen. Wat het schoone betreft, heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel voortreffelijk geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de innerlijke voortreffelijkheid.”
„Naar mijn oordeel,” sprak de Milesische, „is het goede één met het schoone; wanneer dat echter niet het geval en integendeel daarmede in strijd is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.”
„Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?” vroeg de droomer.
„Bewijzen?” hernam de Milesische glimlachend; „ik weet niet of daarvoor bewijzen bestaan. Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.”
„Juist!” viel Pericles in; „wij willen deze zaak tot eene volgende gelegenheid uitstellen.”
De zonderling haalde de schouders op en ging heen.
„Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel tevreden gesteld,” merkte Pericles op.
„Neen,” hernam Alcamenes; „ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat hij hoogst bescheiden is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de leiding van het gesprek ontneemt, en wanneer de quaestie niet haarfijn tot dat doel geleidt, ’t welk hij heimelijk beoogd heeft. Doch zijne ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel, licht tot verzoening geneigd.”
„Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?” vroeg Pericles.
„Socrates [46], de zoon van Sophroniscus!” hernam Alcamenes.
„En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben; hoe heet zij?” vervolgde Pericles.
„Aspasia!” zeide Alcamenes.
„Aspasia?” riep Pericles. „Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op de lippen als een kus.”
II. TELESIPPE
Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en peinzend de nachten doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds bezig, waarmede een nieuwe tijd voor de macht en de heerlijkheid der Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het huis van Phidias gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij, om aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan verscheen hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld der Milesische, en de vochtige, aphroditische glans harer betooverende oogen drong door tot in het diepst zijner ziel.
Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles’ gemoed. Vluchtige gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en besluiten kwamen er uit voort, evenals de rozen, des nachts rijpende knoppen schieten.
Op een morgen zat hij peinzend in zijn vertrek, toen zijn vriend Anaxagoras hem kwam bezoeken. Van zijn vroegste jeugd af, met den wijzen Clazomeniër [47] door vriendschap verbonden, was Pericles nog steeds menigen morgen bezig, om de nieuwe onderzoekingen, welke Anaxagoras’ heldere, vurige geest ingesteld had, te overwegen. Nieuwe meeningen waren het, welke die stoute denkers—en Anaxagoras nam onder hen eene eerste plaats in—verheven boven de kinderlijke beschouwingen der vaderen, uit de diepte van hun nadenkenden geest, begonnen te verbreiden.
Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het binnentreden, dat gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend bezig hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman opgewonden, terwijl zijn oog van dat matte vuur gloeide, ’t welk een in gedachten doorwaakten nacht te kennen geeft.
„Is het volk heden tot eene vergadering van gewichtigen aard op den heuvel de Pnyx [48] samen geroepen?” vroeg de grijsaard, den Olympiër in ’t gelaat ziende; „ik herinner mij dat ik u slechts bij zulke gelegenheden zoo peinzend heb aangetroffen.”
„Inderdaad verzamelt het volk zich heden,” hernam Pericles, „en het zijn gewichtige zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees of ik het zal kunnen doorzetten....”
„Gij zijt strateeg” [49] hernam Anaxagoras, „gij zijt bestuurder der openbare inkomsten, gij regelt de openbare feesten, gij zijt—de Goden mogen het weten, hoe al de ambten en waardigheden, welke de Atheners u met gewone en buitengewone volmacht opnieuw hebben opgedragen, mogen heeten; om ’t even: gij zijt wat het gewichtigste is en de hoofdzaak in een vrijen staat—gij zijt de grootste redenaar, die men den „Olympiër” noemt, omdat met den donder uwer woorden eene soort van heerschersmacht is verbonden, evenals met den donder van Zeus. En gij zijt beangst?”
„Ja, dat ben ik!” hernam Pericles, „en ik verzeker u, dat ik nooit den steen op de Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat geen onbedacht woord mijn mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik vergete, dat het Atheners zijn tot wie ik spreek. Gij weet hoe ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het telkens weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten langen muur en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu heeft mij Phidias bepraat, mij nieuwe groote plannen voor den geest gespiegeld. Zijne brandende begeerte en die der zijnen moet niet langer weerstaan worden; ons Athene moet met de lang overdachte werken van deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe met behoedzaamheid aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met vurigen moed ten uitvoer brengen. En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben ik in stilte wellicht vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.”
„Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en kunstlievend?” zeide Anaxagoras. „En is niet de rijke schat van Delos overgekomen?”
„Ik vrees het wantrouwen,” hernam Pericles, „’t welk geheime en openbare tegenstanders uitzaaien. De oligarchische partij is niet geheel overweldigd. Ook weet gij, dat er vrienden der Laconiërs zijn en dezulken, die het licht en het reine en het schoone haten. Hebt gij het zelf niet ondervonden, sedert gij in de zuilengaanderijen der Agora zijt opgetreden, om ons Atheners de boodschap der reine, vrije en uit den geest geborene waarheid te verkondigen. Intusschen zal ik heden eene troef uitspelen, die voorloopig de menigte ten volle op mijne hand zal brengen. Er zijn arme burgers, die van de hand op den tand leven en die morgen honger moeten lijden, wanneer zij heden hun arbeid staken en, om hun burgerplicht niet te verzuimen, naar de volksvergadering gaan. Waarom zouden zij niet door een paar obolen [50] uit de staatskas schadeloos gesteld worden? Ook heb ik te doen met die arme drommels, die zoo gaarne de openbare schouwspelen zouden willen bijwonen, maar het entreé-geld niet kunnen betalen. Zij zullen er van staatswege heen mogen gaan, om ongemerkt door de werken hunner dichters zich te doen vormen en veredelen, terwijl zij meenen alleen hun genoegen na te jagen. En die goede zielen, welke bij duizenden uit het volk door het lot worden gekozen om aan de vele gerechtshoven als assessoren te worden toegevoegd, zij moeten voortaan niet meer zonder schadeloosstelling den geheelen dag verliezen, om de tallooze processen hunner medeburgers in het zweet huns aanschijns te beslechten.
„Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich van de landen der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo is in kas. Ik heb mijzelven afgevraagd: moet dat als reserve voor de toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen tijd ten goede komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner zegepralen en roem plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon, benijdenswaardig bestaan, zooals den mensch past, moet in ons door de Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.”
„Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift gezien,” merkte Anaxagoras op, „maar uwe bezieling van heden schijnt mij sterker te zijn, dan iedere geestdrift te voren.”
„Ik dank den Goden,” hernam Pericles, „dat zij mij, bij beradenheid in het overleg, de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van uitvoering hebben gegeven. Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u toe mijne plannen te ver te drijven of te weinig rekening te houden met het altijd overijlde en soms ondankbare volk?”
„Laat mij het openlijk bekennen,” hernam de grijsaard, „ik bemoei mij niet met staatkunde. Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer. Mijn vaderland is het onmetelijk heelal.”
„Maar gij zijt wijs,” zeide Pericles, „en kunt de daden der staatslieden beoordeelen, of het ten goede dan ten kwade zal uitloopen.”
„Daarvoor zal ik mij in acht nemen!” riep Anaxagoras. „Niet alleen de dichters, maar ook de staatslieden volgen onwetend een goddelijken wenk, zijn door een daemon [51] bezeten, die hen bezielt, en hen schier onbewust tot datgene drijft, wat voor het oogenblik waarlijk noodzakelijk en nuttig is. Het gewone menschenverstand zal te ras oordeelen en dwalen, wanneer het den arbeid geldt van door eene Godheid bezielde mannen. Ik heb mij in de verborgen geheimen der natuur verdiept en overal daarin een besturende Geest gevonden; de geest echter is onfeilbaarder en machtiger in het voortbrengen en werken dan in het oordeelen...”
Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van Pericles. Op dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de echtgenoote van Pericles, Telesippe, gezonden.
Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de meesteres des huizes kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen van het landgoed gekomen, en had een jongen ram meegebracht, die op genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met twee was ter wereld gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en angst, aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds naar den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu noodigde zij haar echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge dier te zien en met haar de uitspraak van den waarzegger te vernemen.
Pericles hoorde het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot zijn vriend:
„Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te beschouwen.”
Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig.
Zij begaven zich naar het peristylium [52] van het huis.
Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker versierd, dan dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin.
Het was eenvoudig, evenals de levenswijze van den eigenaar. In eene republiek moet de invloedrijkste man eenvoudig leven, wanneer hij zich tegen het wantrouwen zijner medeburgers wil vrijwaren. Maar ook zonder berekening en bedoeling zal een man, die zich rusteloos aan het welzijn van den staat wijdt, zijne eigene huishouding steeds een weinig verwaarloozen. Eenvoudig en onopgesmukt was ook het peristylium in Pericles’ huis. Maar er ontbrak niet die prettige bekoorlijkheid, die met dat eigenaardige en liefelijkste deel van het huis, met dezen door zuilen omgevene opene plaats, op de wijze van eene zaal gebouwd, overal gepaard gaat. Men bevond zich toch hier in het binnenste der woning en tevens onder den vrijen hemel. Men was daar afgesloten van alle gedruisch der buitenwereld, en toch in onmiddellijke aanraking met frissche lucht van den hemel, die van boven er in waaide, met de zon, maan en sterren, die onbelemmerd hare gouden stralen uit de hoogte op de marmeren zuilen wierpen. De zwaluwen vlogen vertrouwelijk tjilpend uit en in, en bouwden hare nesten aan de kapiteelen en lijsten. Niet aanlokkelijk naar buiten als de tempels, maar naar binnen keerde het woonhuis, als ’t ware afwerende, zijn zuilenpraal, om ruimte te verschaffen aan den vrijen, en toch vertrouwelijken, bekoorlijken familiekring. Hier zat men, hier wachtte men ook wel bezoekers af. Hier nuttigde men soms ook den maaltijd. Hier bracht men ook de huisoffers ter eere der Goden; hier stond de eigenlijke haard van het huis, het altaar van den haard-beschermenden Zeus [53].
Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf, strekten zich de woonvertrekken van Pericles’ gezin uit. De deuren der kamers kwamen daar op uit. Smaakvolle versierselen bedekten de posten en kroonlijsten der deuren; de openingen waren gedeeltelijk slechts met bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren grensde het vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang, die door het voorhuis liep, recht naar het peristylium. Aan de zijde van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die tegenover den ingang lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend, eene naar het peristylium opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene voorzaal, vormde.
In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door eenige slaven en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van het landgoed gekomen was, met den eenhoornigen jongen ram op de armen.
Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat ruwe trekken. Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar uiterlijk was niet meer bloeiend. De wangen hingen slap, slap de boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het gewaad langs hare ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in een grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen niet geblanket. Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles, was vroeger met den rijken Hipponicus gehuwd geweest. Deze scheidde van haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij er nog jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen minder ongunstig uitkomen.
Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene zaal staande, haren echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag naderen, maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier dagen, in het vrouwenvertrek terug te trekken.
Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het grijze hoofd van den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had, en, naar zij meende, met reden, weinig met dezen grijzen vriend en raadsman van haar echtgenoot op.
Met een soort van angst keek zij naar den ram. „Ik heb den ziener Lampon ontboden,” zeide zij, „ik ben voor een slecht voorteeken beducht.”
Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener binnen, die aanstonds door den langen gang naderde.
De ziener Lampon was priester van een kleinen tempel aan Dionysus [54] gewijd, welke niet veel opbracht. Hij legde zich daarom op de mantiek [55] toe en niet zonder geluk. Hij had bij de vromen een goeden naam. Hij droeg, om uiterlijk zijn beroep te doen kennen, het priesterlint om het voorhoofd, en daarover den Apollonischen lauwerkrans [56] op het hoofd. Overigens zocht hij, naar de gewoonte van mannen van zijn slag, door een achteloos gewaad, ongekamden baard, wild fladderend haar en een schuwen, zwervenden blik te kennen te geven, dat zijne ziel, aan de aarde ontrukt, met goddelijke zaken vervuld was.
„Dit wonderdier,” zeide Telesippe tot Lampon, „is op ons landgoed geboren en dezen morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste waarzeggers, verklaar ons dit teeken, of wij het als een gunstig dan als een noodlottig moeten beschouwen.”
Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen.
Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit het voorhoofd van den ram en wierp het op de glimmende kool.
„Het teeken is gunstig,” zeide hij; „want het haar is verbrand zonder hevig knetteren.”
Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne wichelkunst ten opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts van den ram. „Het teeken is gunstig voor Pericles!” zeide de ziener met een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig een gebruik der mantiek, een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot van het kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige bezieling te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te vinden.
De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige trekkingen te verdraaien. Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde, zoodat de hoorn op ’t midden van zijn voorhoofd in eene rechte lijn naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren.
„Heil u, Alcmaeönide,” riep Lampon; „heil u, zoon van Xantippus, overwinnaar der Perzen bij Mycale [57], edele spruit uit het geslacht der Buzygen, de heilige Palladium-bewakers [58]! Heil u, overwinnaars van Thracië [59], van Phocis [60], van Euboea! Vroeger bezat de ram Athene twee horens: den aanvoerder der oligarchen Thucydides, en Pericles, den leider der volkspartij. Voortaan echter zal de ram Athene slechts een enkelen hoorn op het voorhoofd hebben; de partij der oligarchen is voor altijd vernietigd en Pericles alleen bestuurt met wijsheid en fierheid de lotgevallen der Atheners!”
Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak zacht tot hem: „De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers te worden opgenomen, die mij van staatswege op mijn volgenden veldtocht zullen vergezellen.”
„Maar wat moet er met den ram geschieden?” vroeg Telesippe.
„Deze ram,” hervatte Lampon, „moet zoo vet mogelijk gemest en daarna aan Dionysus geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een geschikt offer, wegens de schade, die zij aan de wijnstokken toebrengen; eigenlijk de geitebokken—maar een bok is een bok, en bij gebrek aan een geitebok is ook een „schapebok,” als deze, den God niet ongevallig.”
Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in ontvangst als zienersloon, boog het hoofd, waarlangs de lokken achteloos golfden en vertrok.
„Waarde Telesippe,” zeide Anaxagoras, „hoe duur betaalt men toch tegenwoordig de wijsheid! Drie obolen geeft men voor het orakel aangaande een bok, die met een enkelen hoorn geboren is, om ons datgene te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene in hunne holen krassen!”
Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze met de opgeruimde kalmte van den wijze opnam.
Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen volgen. Daar vernam men een geklop aan de buitendeur. De portier opende de deur en eene vrouw trad binnen, vergezeld door eene slavin, die aan de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had de roode kleur, maar ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen ineengeschrompeld is. Eenige dunne, korte, donkere haren overschaduwden de bovenlip.
„Elpinice, de zuster van Cimon!” [61] fluisterde Pericles Anaxagoras in het oor. „Laten wij naar de Agora gaan; want tegen deze beide vrouwen te zamen kunnen wij het hier in huis niet uithouden.”
Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij en ging met hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den drempel van het huis de straat op.
Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de dochter van den gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder beroemden veldheer Cimon, en de vriendin van een der voortreffelijkste schilders dier dagen Polygnotus. Zij was eenmaal schoon en bekoorlijk geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen schilder te verrukken. Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de liefde voor haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen verlangen naar het echtelijk geluk; zij wenschte slechts haar geheele leven lang in de nabijheid van haar broeder te mogen verkeeren. Het gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades in een uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare Atheners aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten veroordeeld, en daar hij weldra stierf, zonder die som betaald te hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig de harde bepaling der wet, op zijn zoon Cimon over. Zoolang deze de vijftig talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos. Uit liefde voor haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker Callias de schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en Elpinice zocht zonder dralen het huis van haar broeder weder op.
Na de belegering en onderwerping van het eiland Thasos [62] bracht Cimon den schilder Polygnotus, een geboren Thasiër, met zich naar Athene. Cimon had de bekwaamheid van den jongeling opgemerkt, had hem lief gekregen en wenschte aan zijne kunst een uitgebreider en waardiger veld te openen. Hij bewerkte, dat aan Polygnotus door de Atheners opgedragen werd om den tempel van Theseus [63] met schilderijen te versieren; ook schilderde hij op Agora in de groote galerij, die juist naar deze pracht van kleuren de „bonte” of de „beschilderde” [64] genoemd werd, tooneelen uit de verovering van Troje [65]. Daar het huis van zijn vriend en beschermer altijd voor hem open stond, ontbrandde de jongeling in vurige liefde voor Elpinice, en toen de uitspraak der Grieksche helden over de gewelddadige behandeling, door Aiax Cassandra [66] aangedaan, in de galerij geschilderd werd, had Laodice, de schoonste van Priamus’ dochters, onder de Trojaansche gevangenen, de trekken van Cimon’s zuster. Zij weigerde den kunstenaar hart en hand; doch zij schonk hem hare vriendschap. Sedert waren ettelijke jaren vervlogen, maar de vriendschapsband dezer beiden duurde nog steeds voort, nadat Cimon gestorven en Elpinice, evenals Polygnotus, oud was geworden.
Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een korten tijd van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar geheele verdere leven aan de onvruchtbare dweeperij van eene zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe, toch in haar geheele wezen dat zonderlinge gekregen, ’t welk ongehuwde oude dames kenmerkt. Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten, als mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den weg, dien zij reeds afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar onverwachts nadert. Zij gevoelen zich inwendig nog eeuwig jong. Deze vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen ouderdom drukt haar voor de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den stempel van het belachelijke op het wezen.
Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te bemerken. De hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de hulde, welke de schilder haar bracht, en al het andere van dezen aard had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid. Zij bleef nog ijdel, toen datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was. Zij waande, dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de schoonste van Priamus’ dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen echtgenoot, die haar zeide; „gij zijt oud!”—De zachte, rustige, eerwaardige Polygnotus wilde en kon haar dit ook niet zeggen. Hij was een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat stijve, doch welgemeende hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van zijn nog onveranderd hart.
Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners verbannen geworden. Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn terugkeer bij het volk te bewerken. Zij vreesden echter den invloed van Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor wien de verwijdering van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn.
Toen kwam in Elpinice’s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds stoute plannen had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal beslissend voor het heil van haar broeder op te treden. Zij blankette zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste zich in prachtgewaad en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem vertoonen in eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die Callias eens had ontvlamd, Polygnotus had verrukt. Zij ging naar Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen donder zijner welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken, wanneer het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd.
Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende vrouw vóór zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het gelaat, bemerkte hij, dat het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart gemunt was. Hij wist dat hij den naam had voor zulk een indruk vatbaar te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde hem, dat zulk een naam bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu kwam daar die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen hare schoonheid in hare netten te willen verstrikken!
Pericles was zachtzinnig van nature. Maar dat eene grillig opgedirkte vrouw met een knevel op de lip, het voor eene zoo gemakkelijke zaak rekende, hem, den vriend van het schoone te betooveren, dat maakte, naar Cronion’s [67] raadsbesluit, dezen zachten man voor een oogenblik tot een wreedaard.
Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos nauwlettend gade, vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm tot haar:
„Elpinice, gij zijt oud geworden!”
Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij boosaardig. Zij zijn de eenige boosheid, die de overlevering ons van Pericles, den Olympiër, meldt.
Eene onmerkbare huivering doorliep hem zelven, toen hij dat noodlottige woord had gesproken. Hij had een voorgevoel, dat het een van die woorden was, wier gevolgen Clio’s [68] stift moest opteekenen. Het woord: „Elpinice, gij zijt oud geworden!” kon het begin zijn van eene lotwisseling voor Pericles, voor Athene, ja voor geheel Griekenland... burgeroorlog, een inval der Perzen, bloed, jammer, tranen, onheil van elken aard; de ondergang van het Helleensche volk kon uit dit woord voortspruiten. Want, wat vermag niet eene vrouw, tot wie men gezegd heeft: gij zijt oud?
En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden gesproken!
Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging weg.
Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette Elpinice zoo onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door zijne eigene ontsteltenis over het vinnige woord, dat hem ontvallen was, doch waarover hij berouw gevoelde en dat hij op de Pnyx zocht goed te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel tot terugroeping van Cimon aan de orde kwam, en iedereen naar Pericles zag, verwachtende, dat hij er zich heftig tegen zou verzetten, zag hij integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet ter harte ging, zoodat Cimon’s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de Atheners en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog knippende: „Zie toch eens die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek heeft goed toegehapt—toegehapt in den rotten appel!”
„Arme Pericles!”
Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook zonder Cimon haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den nieuwen tijd nog meer.
Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: „mijn broeder Cimon placht te zeggen” of „mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,” of „mijn broeder Cimon zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.”
Was reeds Cimon een vriend der Laconiërs geweest, een man, die zijne sympathieën voor Sparta zoo weinig verborg, dat hij een zijner zonen den naam „Lacedaemonius” [69] gaf, en die in zijn geheele wezen meer van een Spartaanschen houwdegen, dan van een beschaafd opgevoed en levendig Athener in zich had, zoo kon het niemand verwonderen, dat zijne onvrouwelijke zuster de liefde voor de Laconiërs tot in het belachelijke overdreef. Zij was de partij toegedaan, die van elke vrije en opgeruimde levensopvatting der Atheners afkeerig was, en bevorderde die door den ijver, waarmede zij het huiselijke leven van hare tegenstanders bespiedde. Zij was juist het vertrouwelijkst met die vrouwen, wier mannen zij haatte; vandaar hare vriendschap voor Telesippe, Pericles’ gade.
Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd, deze oude vrijster en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in alle opzichten onaangenaam en terugstootend. Zij was te gelijk boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig, belachelijk en eerwaardig.
Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend, den wijsgeer Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen zij hare vriendin Telesippe een bezoek kwam brengen.
Telesippe hielp de magere vrouw zich ontdoen van het himation [70] waarmede Elpinice, als eene kuische Atheensche jonkvrouw, wanneer zij over straat ging, niet slechts het bovenlijf, maar ook haar hoofd, tot op mond en oogen, placht te bedekken. Vervolgens plaatste Telesippe eene stoel voor haar en verzocht haar te gaan zitten. Elpinice was zeer netjes en met een zekeren voorvaderlijken eenvoud gekleed. Met niet minder zorg was ook het haar opgemaakt. De haartooi strookte volkomen met haar wezen. De haarvlecht was aan het achterhoofd door een omgeslagen en bevallig dichtgeknoopten doek, den zoogenaamden „saccus” [71] omsloten, terwijl het voorhoofd met de Stephane [72] versierd was, dat is, de reeds genoemde metalen plaat, die bijna als een diadeem het voorhoofd omgaf. Groote, ronde ouderwetsche oorbellen bengelden aan de beide kanten van het gezicht der eerwaardige Elpinice.
„Telesippe,” riep de bezoekster uit, „gij zijt vandaag bleeker dan gewoonlijk. Hoe komt dat?”
„Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,” hernam Telesippe; „wij hebben toch van daag een wonder in huis gehad.”
„Wat zegt gij?” riep Elpinice. „Is olie of wijn bij het plengen gestort? Of hebben de balken zonder bekende oorzaak gekraakt? Of is er een zwarte hond [73] in huis geloopen?”
„Een ram,” hernam Telesippe, „met één hoorn, en dat wel midden op het voorhoofd, is op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de opzichter hem in de stad.”
„Een ram met één hoorn?” riep Elpinice uit. „Bij Artemis [74]! het verwondert mij niet, dat teekenen en wonderen geschieden. Op den Brilessus [75] moet den laatsten nacht een groote meteoorsteen uit de lucht zijn gevallen. Sommigen willen ook eene staartster in den vorm van een brandenden balk gezien hebben. Verscheidene godenbeelden moeten onlangs begonnen zijn te zweeten en te bloeden. Nog kort geleden moet zelfs een raaf zich op het vergulden Pallas-beeld te Delphi [76] hebben neêrgezet, die de vruchten van den ijzeren palm waarop hij stond, met zijn snavel heeft losgewerkt. Maar wat het mooiste is van alles—verbeeld u: de priesteres der Eumeniden [77] te Orchomenus [78] moet een langen, zwarten baard gekregen hebben!—Gij hebt toch een waarzegger laten roepen?”
„Ja, Lampon,” hervatte Telesippe.
„Lampon is goed!” hernam Elpinice met een goedkeurenden hoofdknik. „Hij is de beste van allen. Ieder kan een dier slachten en uit de ingewanden voorspellen, maar men moet Lampon zien en hooren, wanneer hij een ei boven het vuur houdt en uit de barsten zijne waarzeggingen put, of wanneer hij uit graankorrels, die hij op den grond legt, geheele woorden en letters opmaakt, dan er hoenders bijzet en er op let, wat zij oppikken en wat niet. Ook uit de hand, uit helder water uit wat men wil, kan hij voorspellen als niemand anders. Lampon is een knap man, op wien men zich kan verlaten. Wat Lampon zegt, daaraan kunt ge gelooven, alsof het de priesteres [79] op den drievoet te Delphi gezegd had.—Maar gij vertelt mij niet, hoe hij u het wonderteeken heeft uitgelegd!”
„Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de heerschappij van Pericles over Athene,” zeide Telesippe. Elpinice trok den neus op. Zij zei niets meer tot lof van Lampon.
„Mijn broeder Cimon,” zeide ze, „gaf, zoo goed als iemand, acht op de goddelijke teekenen, en liet eens twaalf dagen achtereen een ram slachten, totdat de ingewanden gunstig waren. Toen eerst greep hij den vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar, die hem van staatswege vergezelde, te zeggen: „Wichelaar doe wat uw ambt u voorschrijft, maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om mij te behagen!” De tegenwoordige staatslieden daarentegen zijn daar niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de waarheid wèl en wie ze niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien, zich in een gunstigen afloop verheugen,—de ware zegen der Godin is toch nooit het deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.”
„Meent gij,” hervatte Telesippe, „dat Pericles Lampon bijzonder dankbaar was voor zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn vriend, die oude, door de Goden verlaten Anaxagoras, veroorloofde zich zelfs spottende aanmerkingen.”
„Sedert den dood van mijn broeder Cimon,” riep Elpinice uit, „hebben we de Sophisten [80] in het land gekregen, die Godenverachters!”
„En deze lieden,” zeide Telesippe, „ondermijnen niet alleen de godsvrucht en de oude zeden in den staat, zij verstoren ook het huiselijk geluk en de huiselijke welvaart. Ik ben de vrouw geweest van den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon Basileus [81] kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in den staat bekleedt, omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige priesterbedieningen van haar man deel neemt. Maar ik liet mij eerst door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door het waardig en tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu beleven, ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een huishouden ben ik uit dat van Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt zich zelven en zijn huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik waag het nauwelijks meer ’s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst mij inderdaad de deur! „Lieve Telesippe,” zegt hij dan, „kwel mij ’s morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet, dan nadat ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk mijne ooren en mijne oogen.”—Ik ben de vrouw geweest van den rijken Hipponicus en hij overlaadde mij met pracht en weelde; maar nooit heeft hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier integendeel, waar mij, in plaats van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid omringt, hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen naderen, als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer heb ik mij verzet, toen hij op den inval kwam, zijne bezitting eenvoudig te verpachten en al ’t geld aan zijn vertrouwden slaaf Euangelus over te geven. Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld het geld uit de handen van een slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die mooie manier van huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens die ellendige dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae verliet, om naar Athene te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat hij zijne gronden, welke hij van zijne vaderen geërfd had, niet bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: „Doet het zelven, als gij daar genoegen in hebt!” Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden aan de Clazomeniërs, zeggende: „jaagt de geiten van de gemeente in mijne akkers en weilanden.”—van dat allooi zijn de vrienden en raadslieden van Pericles!”
Telesippe’s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare bevelen in een huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere slaven en slavinnen kwamen van de markt terug, na levensmiddelen voor den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht. Telesippe rook of proefde het een of ander stuk, vroeg Elpinice’s oordeel over de frischheid van een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf zij aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te naaien, ’t geen haar dagelijksche arbeid was.
Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek voort te zetten.
„Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,” vervolgde zij. „Vroeger was het hier een eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds Pericles zijn bloedverwant, den jongen Alcibiades [82], den zoon van Clinias, die zijn vader verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid in zijn huis opgenomen en hem met zijne eigene kinderen heeft opgevoed. Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij zich alleen goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens Xanthippus en Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in behoorlijke tucht zijn gehouden. Den geheelen dag zaten zij rustig in een hoek en de paedagoog [83] viel bij hen in slaap zoo weinig moeite veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen steeds „suffers” en bekeef hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad echter zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon wenschen. Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden niets, dan wat hun bevolen was. Zij zaten of liepen, wanneer men het wilde hebben. Als men zei: „Paralus, bijt niet altijd op je nagels!” of „Xanthippus, peuter niet met je vingers in den neus!” dan beet Paralus niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers van den neus. En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: „de Mormo [84] komt” of daar is de „Empusa” [85] of de „Acco” [86] of „de wolf”, of „het paard bijt”, dan werden zij bleek als een doek en gedwee als lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel van een Alcibiades in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en allerlei onordelijkheid in de kinderkamer gekomen. Hij begon al dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus en Paralus bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden en wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede onder een verschrikkelijk geschreeuw en geraas door het Peristylium rond, alsof hij in de renbaan te Olympia [87] was. Weldra had hij genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus, ja eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn „Olympische zegekar”, zooals hij het noemde. Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium, kortte hare vleugels of liet ze aan een lang touw vliegen.
„In het begin zagen de beide knapen de woestheid van hun nieuwen kameraad met eene soort van angstige verbazing aan. Langzamerhand echter werden zij er aan gewoon, sloten zich bij hem aan, als hij weer ’t een of ander kattekwaad uitvoerde, en zagen met alle aandacht toe. Later hielpen zij hem daarbij en eindelijk begonnen zij zelfs, al wat de wildzang deed, dapper na te apen. Maar hun ingeboren betere aard openbaarde zich toch altijd, doordat zij nooit zelven kwâjongensstreken bedachten. Zij deden alleen getrouw alles wat Alcibiades hen beval. Toen ik nu van de Mormo, de Empusa, de Acco, den wolf of het bijtende paard begon te spreken, lachte Alcibiades. Toen Xanthippus en Paralus Alcibiades zagen lachen, zonder dat dit invloed had op de Mormo, de Empusa, den wolf of het paard, lachten zij eveneens. Zoo verloor ik mijne macht over de jongens en luisteren zij niet meer naar mij. De paedagoog is een oud man, een slaaf in den dienst van ons huis vergrijst, die uit een olijfboom viel en zijn been brak en dien Pericles derhalve weder uit goedhartigheid in huis nam, om toezicht over de knapen te houden, omdat hij voor vermoeiender arbeid niet meer deugde. Nu is zelfs het vuur op den haard voor de jongens niet zeker; zij vernielen en breken alles, wat vernield of gebroken kan worden, zij klouteren op, waar zij maar kunnen, en vallen er af, dat het mij verwondert dat het altijd zoo goed afloopt. De slavinnen in huis worden geplaagd en geknepen, de slaven uitgelachen en afgeranseld. Kom ik dan eens ernstig tusschenbeide en dreig hen met mijne sandaal [88] dan kruipen Xanthippus en Paralus in een wip onder de tafels en bedden, en Alcibiades kloutert, als een eekhorentje, tegen de zuilen van het peristylium op tot aan de kroonlijst. En Pericles? Wanneer ik hem mijn nood klaag, dan lacht hij en neemt den belhamer Alcibiades in bescherming tegen de „suffers.”....
Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die schreiend binnen kwam stuiven.
De beide andere knapen volgden hem op den voet.
„Wij speelden den razenden Aiax,” zei Alcibiades, „den razenden Aiax, die zoovele runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen voor Achaeërs hield en die stamvader van ons huis is, zooals mijn vader Clinias mij verteld heeft. Ik stelde Aiax voor, Paralus en Xanthippus de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.”
„Ellendige jongen!” riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte Paralus en Xanthippus aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te troosten.
Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen Alcibiades.
„’t Is toch een prachtig mooie jongen!” zeide ze. „Die donkere, vurige oogen—dat sneeuwwitte voorhoofd—die prachtige golvende lokken”—
„Een onhandelbare bengel is hij!” riep Telesippe, geprikkeld door de bewondering, die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben. Toen riep zij den paedagoog. Hinkend kwam de oude man aanstrompelen. „Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades de beide knapen afranselde?” snauwde zij hem toe.
„Hij deed zelf in ons spel meê,” viel Alcibiades in; „hij stond reeds klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen wilde trekken.”
Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan.
„Gebiedster Telesippe,” hernam deze, „het is niet de eerste maal, dat ik gedwongen ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug te leenen.—Gisteren heeft hij mij in de hand gebeten, als een jonge hond”—
„Bah, zeg liever als een jonge leeuw!” riep de kleine Alcibiades beleedigd uit.
„O Zeus en Apollo,” bracht Elpinice uit met levendige gebaren. Daarna den jongen tot zich trekkende, ging zij vleiend voort: „Gij zijt zeker een moedige knaap en zoo ge onder den grooten Cimon, mijn broeder, geleefd had, zoudt ge zonder twijfel geholpen hebben om de Perzen te verslaan. In dien tijd echter, mijn jongen, waren de knapen heel anders dan tegenwoordig. Zij waren niet brutaal en neuswijs en aanmatigend. En zij gebruikten geen zalven en warme baden. Aan tafel zaten zij netjes, zonder de beenen te kruizen en zonder een blaadje groente zelf te nemen. In de worstelschool strekten zij, wanneer zij op het zand zaten, de beenen zoo uit, dat de eerbaarheid er niet door beleedigd werd, en stonden zij op, dan wischten zij aanstonds de sporen van hunne jeugdige ledematen in het zand uit. ’s Morgens zag men hen dun en licht gekleed, ook wanneer het stormde en regende, naar den muziekmeester gaan en zij leerde daar oude, degelijke stukken, zooals „Pallas, de Stedebedwingster” of een gezang van Simonides [89], niet zulke weekelijke liederen, als thans in de mode zijn, met draaien en krullen, waarvoor men zulk een ondeugenden bengel met de roede moest geven. Bedenk, zoon van Clinias, weldra zult gij ook met uwe makkers naar de school gezonden worden, gij zult de spraakkunst leeren en gymnastiek en de lier bespelen en op de fluit blazen.”
„Neen!” riep de kleine Alcibiades, „op de fluit blazen wil ik niet—dat staat leelijk—de wangen worden er zoo door opgezet—zóó.” En daarbij blies hij zijne wangen op, zooveel hij kon.
„O, hoe ijdel!” riep Elpinice, en wilde den knaap kussen.
Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies Elpinice, om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht uit zijn bolle wangen in het gezicht en sprong spottend lachend weg.
Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich oogenblikkelijk te verwijderen. Zij nam haar himation weder op, sloeg den eenen tip van den langen mantel over den linker schouder naar voren en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan. Daarop trok zij het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het gezicht, bedekte. Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over den linker schouder terug, zoodat een slip over haar rug afhing.
„Gij ziet,” zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield, „gij ziet, welk een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien ellendigen jongen aan den hals, met een echtgenoot, die er zich niet om bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht, ik, die eens de vrouw had kunnen zijn van Archon Basileus—ik, die deel had kunnen nemen aan de heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!”
„Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,” hernam Elpinice: „Nieuwe tijden, booze tijden!—De wereld gaat haar gang en zij bevordert het eerzuchtig pogen der mannen maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er aan, Telesippe, en laat u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer wij vrouwen ons aaneengesloten houden en ons vastklemmen aan de raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit het oude spoor lichten!”
III. DE MARSKRAMER VAN HALIMUS
Toen de staatsman Pericles en zijn vriend, de wijze Anaxagoras, het huis van Pericles hadden verlaten, daalden zij de straat, die van den grooten schouwburg van Dionysus naar den voet der zuidelijke helling van de Acropolis voerde, af, en toen noordwaarts de straat in, die tusschen de westelijke helling van de Acropolis en den heuvel van den Areopagus [90] tot aan de Agora doorliep.
Nu hadden zij hun doel bereikt. Zij stonden op de Agora. Dit middelpunt van het Atheensche leven en verkeer ligt in den Ceramicus [91]. Het ligt als geborgen onder de hoede der gezamenlijke heuvelen van Athene: naar het zuiden heeft het de steile rots van den Areopagus, aan de westzijde den Nymphen-heuvel, waaraan in zuidelijke richting de beroemde hoogte van de Pnyx zich aansluit, naar het noorden ligt eene middelmatige hoogte, die den tempel van Theseus draagt en in het noordwesten ruischen de boschjes van het doorluchte Coloneüs [92].
Zoo zien al de door sagen beroemde en geheiligde hoogten van Athene op de Agora neder.
Op het midden daarvan verheft zich het altaar der twaalf groote Olympische Goden. Hier prijken voorts de koperen standbeelden der tien door sagen verheerlijkte stamheroën van het Attische volk en land. In de nabijheid van deze standbeelden der stamhelden is aan ieder der negen archonten, de eerwaardigste overheid van Athene, zijne openbare werkzaamheid in de Agora toegedeeld. Hier staat ook het meerendeel der gerechtshoven; hier de raadszaal van den raad der Vijfhonderden: het „bouleuterion” en het ronde, met een koepel bedekte gebouw van den Tholus [93].
Dichter opeen gepakt dan gewoonlijk stormt heden de volkshoop naar deze verzamelplaatsen; men ziet de Prytanen zich met spoed naar den Tholus begeven, die mannen, welke behooren tot de afdeeling van den Raad, welke juist in functie is. Ook vele andere overheidspersonen ziet men over de marktplaats gaan. Men merkt hen nauwelijks op. Nu echter komt Pericles, de strateeg. Op hem zijn aanstonds aller oogen gevestigd. Hij neemt afscheid van zijn geleider Anaxagoras en begeeft zich in den Tholus bij de Prytanen. Hij heeft met deze mannen, die de onderwerpen, welke in de volksvergadering zullen behandeld worden, vooraf bespreken en zelven de leiding hebben, nog iets voor den dag van heden te overleggen.
Ook statige tempels verheffen zich op de schitterende, ruime Agora der Atheners en fraaie zuilengaanderijen door de kunst versierd, strekken zich daar uit.
Verkwikkend voor het oog is, te midden van dezen ruimen kring van tinnen en zuilengaanderijen, die in de stralen der zon schitteren, het groen der platanen, welke, van Cimon afkomstig, steeds in dankbare herinnering zijn, daar zij de zwoele zomerhitte op de Agora temperen en weldadig het druk gewoel beschaduwen.
Onder gevlochten huiven, die tegen regen en zon bedekken, ligt in tallooze winkels de bonte, welriekende en veelvuldige rijkdom der Atheensche markt uitgestald.
Uien en latuwe, komijn en sterkers, thym en honig, rundvleesch en visch, gevogelte en wild—verdienen zij onze vluchtige beschouwing, omdat ze zich op de markt van het oude Athene aan ons oog vertoonen? Waarom niet? Wat onder Attica’s hemel is gerijpt, is edeler dan andere streken voortbrengen, en de Grieksche zon heeft het met fijnere sappen gekruid.
Ook de naburen brengen hun beste producten te Athene ter markt. Deze zachte, sappige groenten heeft Megara [94] gezonden. Deze ganzen, die heerlijke watersnippen en strandloopers komen uit het vette Boeötische land.
Het grootste gewoel heerscht er op de markt, ginds om de schubbige bewoners der zee. Van den goedkoopsten zoutevisch, die er bestaat, die toch met olie besmeerd, in gekruide bladeren gewikkeld en in heete asch gebraden, heerlijk smaakt, tot op de meest geprezen en duurste lekkernijen van deze soort, de Boeötische aal, is hier alles uitgestald, wat er in de honderd golven der diep inspringende Grieksche kusten heerlijks wemelt. Deze sardijnen daar uit de naburige baai van Phaleron zijn zoo malsch, dat ze, om zoo te zeggen, het vuur maar behoeven te zien om gebraden te zijn.
Wie geen lust heeft, de bestanddeelen van zijn maaltijd naar huis te dragen, kan op de plaats zelve zijne begeerte bevredigen. Naar den geur te oordeelen, is zelfs het sappige ezelsgebraad daar niet te versmaden; de verkooper ten minste roemt het lendestuk als eene lekkernij. Zijn buurman wel is waar spreidt niet luid klinkende stem al zijne welsprekendheid ten toon, om te bewijzen dat zijn geitevleesch de voorkeur verdient en dat dit het voedzaamste van alle vleeschsoorten is, een ware „athletenkost.”
Wilt gij u aan de vleesch- en bloedlucht onttrekken—evenwel de Olympiërs zelven hebben een welgevallen daarin en versmaden geenszins de offers—en begeert ge aan fijnere en edeler geuren u te vergasten, begeef u dan ginds naar dien kant, waar de schalksche blikken van een meisje, dat kransen vlecht, of een blonde knaap u wenken. De Athener houdt ongeloofelijk veel van kransen. Zij vergezellen hem van de wieg tot aan het graf. Met kransen tooit zich te Athene niet alleen de roem, de liefde, de dood, de vreugde en iedere soort van feestelijkheid, niet slechts de drinker omwindt zijn voorhoofd, ja zijn geheele lichaam met kransen bij het symposion [95], ook de magistraat zet zich den krans op ’t hoofd, wanneer hij zijne betrekking waarneemt, en eveneens de redenaar, wanneer hij zich gereed maakt, op de Pnyx tot het vergaderde volk te spreken. Uit myrthe vlecht Athene zijne kransen en uit rozen; den klimop en zelfs het loof der zilverpopulieren versmaadt het niet; hyacinthen woelt het gaarne door het groen der myrthen; maar bij voorkeur schijnt het toch het teedere viooltje lief te hebben, want zijne dichters spreken van „het met violen omkranste Athene.” Nu echter bevinden we ons op de pottebakkersmarkt, den trots van den Atheenschen kunstwerker. Naar de potten toch wordt sedert overoude tijden deze geheele stadswijk geheeten en op de koopvaardijschepen gaan van daar de voortbrengselen van de Attische kleiaarde, door de Goden zoo rijk gezegend, naar alle wereldstreken. De Athener vormt deze klei van zijn geboortegrond, evenals zijn Attisch marmer, met den fijnen kunstenaarszin, dien de Goden, naar hun wijs bestek, hem bij zijne voortreffelijke klei en marmer verleende.
Zie toch van de kleine, platte phiale [96] zonder hengsels en voeten, tot aan den reusachtigen pithos [97], die honderd amphoren wijns bevat, en toch slechts pottebakkerswerk is, heeft alles eene zekere netheid en sierlijkheid. Deze amphoren, met wijde buiken, met dubbele hengsels, deze hydriën [98], deze reukfleschjes, met nauwen hals, waaruit de vloeistof slechts droppelsgewijze en met klokkend geluid vloeit, deze ontzaggelijke mengvaten, deze schepvaten, deze bekers, van allerlei vorm, zij zijn alle schoon.
Geen enkel stuk is er onder, dat leelijk is, omdat het alleen voor het gebruik moest dienen, Ook het vaatwerk voor dagelijksch gebruik, ja zelfs het vat, waarin de Griek zijn wijn, zijn honig, zijn olie voor de spijzen, zijn olie, om zich te zalven, bewaart, is schoon. Het mist noch de bevallige evenredigheid en bekoorlijkheid, noch de goedberekende omtrekken.
Wanneer men hier wandelt, gelooft men niet, dat men op eene markt en te midden van waren wandelt; want het schoone behoort niet alleen hem, die het betaalt, het doet ieder, die voorbijgaat, aangenaam aan, en wanneer de omgeving van den mensch den hartverheffenden stempel der schoonheid draagt, daar hebben allen aan alles deel en daar is in den besten zin het ideaal van goederengemeenschap verwezenlijkt.
Wij zouden ook nog de zalfmarkt kunnen doorwandelen, en de kleerenmarkt, waar, met de inheemsche dracht modes van het buitenland, als mantels uit Megara, Thessalische hoeden, schoenen uit Amyclea [99], en Sicyon [100] liefhebbers en koopers vinden. Het liefst wel zouden we de boekenrollen beschouwen, die daar meest in cylindervormige kasten ten toon staan. Gaarne zouden we de breede bladen van beschreven papyros ontvouwen, die, om staven gewikkeld welke aan beide uiteinden met elpenbeenen of metalen knoppen versierd zijn, door ronde of gele perkamentbanden worden samengehouden. Maar het geschreeuw der roepers, het gedruisch van de markt is te groot, dan dat we ons zouden kunnen verdiepen in de boekenwijsheid der Atheners.
Een kolenbrander uit Acharnae [101] en een marskramer uit Halimus prijzen om het hardst al rond loopende hunne waren aan. Bij hen sluit zich een derde aan, die de Atheners opwekt, zijne voortreffelijke lampenkousen te koopen. Weldra echter klinkt het van alle kanten: „koopt olie!” „koopt azijn!” en daartusschen maken stadsomroepers bekend, dat deze en gene waren gelost zijn, of kondigen den prijs aan, die er is uitgeloofd voor de ontdekking van een diefstal of het terugbrengen van een weggeloopen slaaf. Wat men echter in het marktgewoel mist, zijn de vrouwen. Geen Athener zendt zijne vrouw of dochter naar de markt. Hij stuurt zijn slaaf of hij gaat zelf in eigen persoon om inkoopen te doen voor het familiemaal.
Maar woelt daar niet, bij den tempel van Aphrodite Pandemus [102] een tal van eigenaardig opgeschikte vrouwen? Zij behooren niet tot koopsters op de markt, maar tot de verkoopsters. Zij zijn verkoopsters en koopwaren tegelijk. Daaronder zijn fluitspeelsters en danseressen, die zich laten huren voor de symposiën der rijken, om vroolijke gasten te bekooren. Op de Agora staan ook wisseltafels, even goed als in den Piraeus, en de Athener deponeert zijn baar geld bij deze wisselaars en bankiers, om het naar behoefte in kleine sommen weder terug te nemen.
De Athener heeft tallooze redenen om dagelijks minstens eenmaal de Agora te bezoeken, en wanneer hem ook eene oorzaak mocht ontbreken, dan gaat hij er toch heen. Hij is door en door een gezellig wezen. Aanhoudende omgang met zijns gelijken is hem eene behoefte. Overal heerscht deze gezelligheid en spraakzaamheid: in de winkels, in de gaanderijen, in de baden, in de barbierswinkels, zelfs in de werkplaatsen der arbeidslieden, alleen niet in kroegen: deze kent de Athener ternauwernood, of laat ze over aan de heffe des volks.
Wat beteekent die groote, gewapende troep lieden, die daar juist in het midden der bijna onafzienbare Agora zich geposteerd heeft? Dat zijn de duizend Scythische boogschutters, die als huurlingen de markt der Atheners, naar oud gebruik, bewaken, eene soort van stads- en politiewacht, in dienst van den Raad van Vijfhonderd. Deze zonen uit het verre Scythenland vermaken de Atheners door hun barbaarsch koeterwaalsch, zooals ze het Grieksch radbraken en door—den onlesbaren dorst hunner kelen.
Zij hebben stompe neuzen, en gezichten zonder uitdrukking, die ongunstig afsteken bij de prachtig gesneden gezichten en de trekken, vol uitdrukking, der inboorlingen. Die buitenlanders zijn plomp en onbehouwen; deze inboorlingen daarentegen zijn fijn gebouwd en alles is vuur en spier in hen.
De bewegingen van genen schijnen hier traag en lomp, zelfs leelijk, als zij zich haasten; in de bewegingen van dezen is iets bevalligs, iets edels. Zelfs die kolenbrander uit Acharnae houdt zich recht en die marskramer uit Halimus, die zijn armoedig, linnen gewaad met moeite voor de volksvergadering van heden met wat krijt eenigen nieuwen glans heeft gegeven, ziet, terwijl hij zijne waren rondvent, met eene soort van trots om zich heen. Hij slaat, terwijl hij over de markt loopt, zijne armen heen en weer; doch zijn bovenlijf blijft in waardige rust. In de oogen van al deze mannen staat de spreekwoordelijk geworden „Attische blik” te lezen. Wat deze blik beduidt? Het is moeilijk te zeggen. De „Attische blik” is, als het geheele wezen der Atheners, een spiegel van zeer verscheidene, beminnelijke en onbeminnelijke eigenschappen. Ieder oogenblik is deze Attische blik gereed in Attisch gekruid, bijtend, schertsend woord over te gaan. De Athener schijnt ernstig, maar uit zijn ernst springt onverwachts een sarkastisch gezegde, als de vonk uit den vuursteen. Hij heeft een aangeboren geestigheid en weet die te gebruiken.
Midden door de drukte der Agora beweegt zich sedert eenigen tijd een man, wiens gewaad en statig uitzicht zekere welgesteldheid verraden, terwijl hij echter met de oogen van een onbekende rondom zich ziet. Hier en daar heeft hij zich naar een winkel begeven, heeft naar den prijs van deze en gene waren gevraagd, steeds echter scheen hij bezwaren te hebben, zooals dat met een vreemdeling pleegt te gebeuren.
Juist gaat de marskramer van Halimus hem langzaam voorbij.
„Ik kan niet wijs worden,” zegt de vreemdeling tot den bandkramer, misschien aangemoedigd door den blik van nieuwsgierigheid of deelneming, welke deze op hem sloeg, „ik kan niet wijs worden uit de bedoelingen van deze handelaars. Ik geloof dat men mij wil afzetten...”
„Zijt gij dan een vreemdeling?” vroeg de bandkramer.
„Ja zeker,” hernam deze. „Ik ben met mijne familie uit Sicyon gekomen en dat wel vóór pas weinige dagen. Ik denk mij hier te vestigen. Ik wil in ’t vervolg liever een vreemde te Athene zijn, dan burger te Sicyon, waar ik het van mijne vijanden hard te verduren gehad heb.”
Toen de bandkramer van Halimus hoorde, dat deze man geen Atheensch burger, maar een vreemdeling was—hij had hem voor een raadsheer aangezien—hief hij ’t hoofd nog meer op en zeide met eene soort van welwillendheid:
„Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren onbekend zijn, moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als ’t mogelijk is, van een eerlijk man.—Zie hier,” ging hij voort, terwijl hij een zeer klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de vlakke hand lei, „zie hier, dat is Attisch zilver, zooals wij het daarboven uit Laurion [103] delven. In de geheele wereld vindt ge zulk fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit muntstukje evenwel is ons kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u een gemeene kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan krijgt ge een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier obolen kunt ge een lekkeren zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene drachme, dan kunt ge daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de eene en den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen. Voor zoo’n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels; voor twee zulke drachmen een heel schepel gerstemeel, voor drie een schepel weit of eene Copaïsche aal en voor tien zulke drachmen kunt ge u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof moet zijn. Hebt ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer klein huisje, wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig zestig minen besteden en dat maakt een talent uit.—Ziet ge, op deze wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en prachtige zaken te Athene voor weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige ontbreekt, dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige, inlandsche knoflook kauwen.”
Op dit oogenblik werd de spreker gestoord door den toon van eene geweldige stem, die over de markt klonk. Het was de stem van den heraut, die nu mondeling de schriftelijke oproeping aan de Atheners, welke voor het bouleuterion aangeplakt was, herhaalde, om zich op de Pnyx te verzamelen, er bijvoegende dat over een uur de vergadering zou geopend worden.
Tegelijk werd er op de hoogte van de Pnyx eene groote vlag geheschen, welke als teeken der ophanden zijnde volksvergadering boven de stad wapperde, heinde en verre zichtbaar.
Overal drong het volk om den heraut en er ontstond eene soort van gisting onder de menigte.
Reeds van den vroegen morgen af waren de Atheners op de been en overal, waar zich menschen plachten te verzamelen, hoorde men een levendig gesprek, dat niet zelden zeer hoog liep. De stem van den heraut wakkerde het vuur van het politieke gesprek tot een nieuwen en helderder gloed aan.
„Achttienhonderd talenten moet de schat bedragen, die met het staatsschip van Delos is overgebracht!” riep er een uit het midden van eene groep burgers.
„Drieduizend talenten zijn het!” riep een tweede.
„Zesduizend!” viel levendig een derde in. „Zesduizend talenten zeg ik u, zijn van Delos overgekomen—zesduizend talenten, baar geld.”
„Hoezee!” riep een vierde en sprong op van blijdschap. „Waar geld is, zegt het spreekwoord, daar blaast de wind lustig in de zeilen!”
„Wat de nieuwe gebouwen betreft,” sprak een vijfde uit de groep met een bedenkelijk gezicht, „vooral het nieuwe heiligdom van Pallas op den burg, daar heb ik vrede mee; maar wat het rechterloon betreft en vooral de gelden voor den schouwburg—”
„Wat? Gunt gij die dan het volk niet?” klonk eene stem uit de groep der arme burgers den spreker tegen.
„Ja wel!” hernam gene. „Ik denk alleen, dat het voorstel niet door zal gaan. De oligarchen zullen het wel verhinderen. Tooneelgelden voor het volk? Dat zullen de vele Laconer vrienden niet toestaan. Neen stellig niet!”
„Ik geloof integendeel,” meende een ander, „dat de schouwburggelden gemakkelijk zullen doorgedreven worden, want de menigte volks is immers op Pnyx tegenover de oligarchen in de meerderheid. Maar wat betreft de bouwwerken en vooral den nieuwen tempel van Pallas Athene...”
„Hoe?” vielen verscheidenen den spreker in de rede, „wilt ge dat we niet bouwen zullen?”
„Dat niet,” hernam gene. „Ik meen slechts...”
„Kom, wacht toch!” viel hem iemand in de rede, „laten we eerst Pericles hooren!”
„Ja, bravo, laten we eerst Pericles hooren!” klonk het in den kring. Alleen de worsthandelaar Pamphilus trok den neus op en zeide:
„Pericles en eeuwig Pericles! Moeten we dan altijd naar hem hooren?”
„Waarom niet?” gaf men hem ten antwoord, „Pericles is verstandig—Pericles meent het goed met ons—Pericles is de man, aan wien de Atheners het vet op de soep te danken hebben—Pericles is hier de eenige in Athene, van wien zijne medeburgers niets kwaads weten te zeggen.”
„Wat?” riep de dwarsdrijver; „niets kwaads? zeggen dat niet alle ouderen van jaren dat hij in zijne trekken eene zekere gelijkenis heeft met Pisistratus, den tyran?”
„Dat is waar,” hernam Phamphilus. „Ook heeft hij, wat niet allen bekend is, een zoogenaamden uienkop.”
„Wat? Een uienkop?” riepen de toehoorders.
„Wel zeker, een uienkop!” hervatte de ander. „Weet toch,” vervolgde hij geheimzinnig, „dat de schoone, statige Pericles op zijn kruin een knobbeltje heeft, zoodat zijn hoofd eenigermate spits toeloopt, niet ongelijk aan een ui.”
„Malligheid!” riepen de anderen. „Heeft een uwer dezen uienkop van Pericles ooit gezien?”
„Niemand!” vervolgde de andere levendig. „Niemand heeft hem gezien! Dat is zeker. Maar hoe zou men ook den uienkop van Pericles kunnen zien? In het veld draagt Pericles zijn strategenhelm en ook in vredestijd bedekt hij, zooveel mogelijk, het hoofd daarmede. En waar het niet voegt, nu daar behelpt hij zich op eene andere wijze. Op het redenaarsgestoelte b.v. draagt hij den gebruikelijken myrthenkrans om het hoofd; en gewoonlijk heeft hij op straat den breedgeranden Thessalischen hoed op. En zoo is het volkomen waar, dat niemand nauwkeurig het hoofd van Pericles heeft gezien; maar juist omdat niemand het gezien heeft, ligt het vermoeden voor de hand, dat zijn hoofd een uienkop is; want wanneer het niet zoo ware, welke reden zou Pericles dan hebben, het zoo zorgvuldig te verbergen?”—„Ja zeker, natuurlijk,” zeiden vele toehoorders, met goedkeurend gebaar; „het lijdt geen twijfel, dat Pericles’ hoofd een uienkop is.”
„Wanneer dat zoo is,” merkte lachend een van de oligarchische partij op, die zich in de groep bevond, met een spottenden, zijdelingschen blik op eenige armoedig gekleede mannen, die ook naar het gesprek luisterden: „wanneer de volksvriend Pericles een uienkop heeft, dan mag hij dien wel goed bewaren, tegen de liefde van zijne beste vrienden en aanhangers, de uien- en knoflookkauwers.” Sommigen lachten om de geestigheid van den oligarch. Maar onder de mannen, die de spottende, zijdelingsche blik getroffen had, bevond zich ook de marskramer uit Halimus. Het scheen dat er een bliksemstraal uit zijn donker oog schoot, hij balde de vuist en was op het punt den oligarch een scherp woord naar het hoofd te slingeren.
Op dit oogenblik naderde hem een man, die ’t geen hij op de markt gekocht had, in de plooien van zijn gewaad droeg.
„Hei daar, Phidippides!” riep een van hen hem toe, „hebt ge weer een half uur staan pingelen, oude schacheraar?”
„Ja zeker!” hernam Phidippides: „voor deze beide nietige vischjes vroeg het wijf twee obolen!”
„En ge kreegt ze ten laatste—?”
„Voor één,” hernam Phidippides met een grijnslach, doch voegde er aanstonds bij: „ongetwijfeld deugt het goed niet, anders had het wijf het mij niet zoo goedkoop gelaten. Men wordt altijd bedot.”
De toehoorders lachten. „Phidippides,” vervolgde de man van zoo straks, „gij zijt een kerel en weet van huishouden. Wat zegt gij van de verkwisting van Pericles, die nu hebben wil, dat wij den bondsschat, die hierheen gekomen is, voor allerlei loon- en tooneelgelden en voor een groot, prachtig heiligdom van Pallas op de Acropolis zullen besteden? Hebt gij daar niets tegen in te brengen, Phidippides?”
„Pallas Athene beware mij daarvoor!” riep deze uit. „Moge de zegen van alle Goden komen over het hoofd van onzen grooten en wijzen Pericles! Ik heb daar niets, niemendal tegen in te brengen, integendeel, ik zeg: wij moeten bouwen: het prachtige heiligdom van Athene op den burg moeten wij hebben, ook wanneer het al de bondsgelden te zamen zou verslinden.”
„Wat? Gij zijt spaarzaam in uw eigen huis, gij ziet op een kruimel, en met de staatsgelden zijt gij zoo mild?” vroegen eenigen.
„Ja zie,” hernam Phidippides, „in huis, daar loont het de moeite niet vrijgevig te zijn of op een weelderigen voet zich in te richten. Wanneer toch zijn we thuis? Wanneer veroorlooven de bezigheden het den Atheenschen burger thuis te zijn? Nu eens moet hij naar de markt, dan weer naar de volksvergadering, straks naar de vergadering zijner wijk of broederschap, dan weer eens naar het eene of andere gerechtshof of eene club, of naar den Piraeus of naar zijn land om naar de schapen te gaan zien—wanneer dan, vraag ik, is de Atheensche burger thuis? De Atheensche burger behoort aan den staat en de staat behoort aan hem; daarom is het altijd mijne leus: zuinig aan den huiselijken haard, maar royaal en mild voor den staat, voor het algemeen! Wanneer ik mijn eigen huis verfraai, dan heb ik maar een korten tijd er plezier van en misschien brengt mijn zoon en erfgenaam het er weer door. Maar wat ik daarboven op de Acropolis help bouwen, dat blijft en dat laat ik na aan mijne verste nazaten!”
„Phidippides heeft gelijk!” zeiden de mannen, terwijl ze elkander met een goedkeurenden knik aanzagen.
Maar de man van de oligarchische partij, die straks die aardigheid, ten koste van het volk veroorloofd had, verhief nu zijne stem opnieuw.
„Alles met mate,” zeide hij. „Men moet met de hand en niet met den zak zaaien. Als we geen maat houden, dan gaat de staat achteruit en het trotsche gebouw der Atheensche macht en grootheid komt smadelijk ten val!”
„Moge het u op den neus vallen!” riep de nog altijd verstoorde marskramer van Halimus, terwijl hij den oligarch met de vuist dreigde.
De omstanders lachten. Phidippides begon nu weer: „Ziet toch eens de rijkste mannen van Athene. Zij weten wel, waarmede zij den grootsten roem kunnen behalen: niet door prachtige huizen voor zich te bouwen, maar door schepen voor den staat uit te rusten, door koren uit de openbare schouwspelen op hunne eigen kosten op te voeren en andere dergelijke dingen te doen, waartoe de wet hen wel verplicht, maar waarin zij onder elkander een roemrijken wedijver aan den dag leggen, door meer te doen, dan wat van hen gevorderd wordt. Is er iets, waarvoor zij hun rijkdommen liever besteden, dan hiervoor, hoewel zij er slechts den glans van den staat door opluisteren, terwijl zij zich zelven bijna tot armoede brengen?”
„Inderdaad,” viel de oligarch in, „zoo handelen de rijken. Ongelukkig echter komt het thans bij die diensten meer op uiterlijken praal aan, dan op het degelijke en waarlijk belangrijke. De Triërarchen gaan dikwijls aan boord, zonder zich voor hunne manschappen van iets anders dan van meel, uien en kaas te hebben voorzien. Zij echter, die een koor voor een treurspel op hunne kosten inrichten en opvoeren, kweeken deze choreuten [104] tot ontwikkeling en behoud hunner stem een geruimen tijd op met allerlei zoetigheden en lekkernijen, en moeten het bovendien nog verdragen, wanneer hun koor in een wedstrijd overwonnen wordt, dat ze uitgelachen en beschimpt worden. Deze gewoonten zullen ons verwijfd maken. We moesten toch een weinig meer acht geven op het voorbeeld der mannelijke, krijgshaftige Spartanen.”
„Hij is een vriend der Laconiërs!” riepen sommigen uit den kring op spottenden toon.
„Ja, zeker een vriend der Laconiërs!” zeide de oligarch. „Ik herhaal het, wij moeten het voorbeeld der Spartanen navolgen, anders zal onze heerlijkheid niet lang duren, vooral als wij voortgaan met de teugels van den staat hoe langer zoo meer in de handen van onbemiddelde, hongerige, omkoopbare lieden uit het volk te laten glijden.”
De marskramer van Halimus, die uit de verte toehoorde, balde bij deze woorden van den oligarch op nieuw de vuist. Met moeite bracht hem een zijner kameraden tot bedaren.
„Ik heb verleden nacht een wonderlijken droom gehad,” ving thans een uit den kring der mannen aan, „en ik zou wel willen weten, wat die beteekende. Ik zag eerst een groote duisternis rondom mij uitgebreid. Toen zag ik een man komen—hij had de trekken van Pericles—en eene fakkel ontsteken, die steeds grooter werd, totdat zij ten laatste als eene gloeiende zon van den hemel glansde. Toen schitterde alles rondom in een helder daglicht. Maar die reusachtige fakkel begon juist door hare heete stralen weer dampen uit de aarde tot zich te trekken—deze werden al dichter en somberder en pakten zich samen tot wolken, en ten laatste verdween de fakkel geheel en al achter deze en werd het weer even donker als te voren. Het was eene zeldzame afwisseling van licht en duisternis. Zou deze droom ook een onheil beteekenen?”
„Niet alle droomen zijn door de Goden gezonden,” hernam een der toehoorders.
„Gij dwaalt,” zei de oligarch. „Droomen hebben steeds eene beteekenis. Ik zelf ben eens gered door een waarschuwenden droom, toen ik mij op een schip wilde begeven, dat later met man en muis in de golven verdween. De Goden hebben niet gewild, dat ik op zulk eene wijze zou omkomen.”
„Misschien wilden zij, dat gij gehangen werd!” schreeuwde de kramer van Halimus, die zijn lang ingehouden toorn niet meer kon bedwingen.
De oligarch wierp een donkeren blik op den man, die zóó gesproken had. Het scheen, dat hij den vermetelen spotter het duur betaald wilde zetten.
Maar toen hij in den kring rondzag, las hij op de gezichten, dat men het met den spotter eens was, en daar deze zoo strijdlustig op hem toetrad, alsof hij hem met zijne krachtige vuisten te lijf wilde, achtte hij het wijzer in het gedrang van het volk te verdwijnen. Het volk zette zich in beweging om den weg naar den heuvel der Pnyx in te slaan, want het uur van de volksvergadering was gekomen.
Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds gloeiend van toorn tegen den oligarch. De Sicyoniër liep in zijne nabijheid. „Hebt ge gehoord,” sprak hij, zich tot hem wendende, „wat zoo’n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het gemeene volk te verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm is—alsof wij daarom minder Atheensche burgers waren! ’t Is waar, ik ben slechts een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood een paar maal als min moeten verhuren. Maar de wet verbiedt uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger, wanneer hij uit armoede een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En bij Pallas, ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht van Phaleron. Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug zijn kost te zoeken, dan zooals zij leven, die liever verhongeren willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne waardigheid achten, als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken of rond te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan eene van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen aanklagen en van de geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne bepaalde portie af te strijken. Houden zij het voor eene eer als parasiet [105] of sycophant [106] te leven, wel bekome het hun. Ik echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij den spot wil drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe wat brood en uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag op de Pnyx ten dienste van mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op den vroegen morgen van Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der morgenzon mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te wenken en te zeggen: „Ook gij zijt een mijner zonen!” dan gaat mijn hart open en in stilte breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons, kinderen van het Attische land, allen, onverschillig of wij in de stad of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot één staat heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch toegeven, dat evenals steden van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene zich van alle overige Grieksche steden onderscheidt. Wij Atheners zijn nu eenmaal autochthonen [107] en hebben onbetwist het zuiverste, meest onvermengde Hellenenbloed in de aderen. Gij begrijpt echter tevens, dat het niet weinig beteekent, een staat als deze, als burger mede te helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel wat hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen van den strateeg Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig, zeer verstandig en ik ben zeer ingenomen met het overbrengen van de bondskas van Delos naar Athene: eveneens met het besteden der gelden ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene op den burg. Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles toegeven, alsof het zoo zijn moest—wij moeten altijd laten merken, dat wij de baas zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat wij eene volksregeering hier in Athene hebben....”
Zoo sprak de marskramer van Halimus, in het bewustzijn dat hij een Atheensch burger was, tot zijn nieuwen makker uit Sicyon. Toen ging hij naar den winkel van zijn vriend, den barbier Sporgilus, liet zich door hem kin en wang glad scheren, om er onder zijne medeburgers in de volksvergadering netjes uit te zien; tevens gaf hij Sporgilus zijne mars, om die te bewaren, tot hij van de volksvergadering zou zijn teruggekomen.
Inmiddels was door eene troep Scythische boogschutters, aangevoerd door een der zoogenaamde Lexiarchen, om de Agora een touw gespannen, zoo, dat alleen die straat vrij bleef, welke naar den heuvel der Pnyx leidde—een oud gebruik, waarvan de strekking was, om de Atheners, die gaarne op de markt pratende den tijd vergaten, aan den weg te herinneren, dien zij moesten inslaan. En daar het touw met menie bestreken was, om hen, die er over heen sprongen rood te verven, zoo liep de achterblijver groote kans zich aan gelach der spottende menigte bloot te stellen.
De marskramer sloeg met de menigte zijner medeburgers den weg naar de Pnyx in. De kameraad bleef aan zijne zijde, begeerig nog een en ander van hem te zullen hooren. Tot aan de afsluiting van de plaats der volksvergadering mocht hij hem slechts vergezellen.
De heuvel der Pnyx is de middelste van de drie, die aan de westzijde van de stad zich uitstrekken. In het noordwesten scheidt hem eene kloof van van den zoogenoemden Nymphen-heuvel, ten zuiden eene nog diepere kloof, waardoor een in de rotsen gehouwen rijweg loopt, van den Museum-heuvel, die het hoogst zich verheft in de groep van steile hoogten. Ten noorden en zuiden loopt de heuvel vrij glooiend naar de vlakte af, op de oostelijke helling echter, in de richting van de Acropolis, omgeeft een steil muurterras, in een halven cirkel, den grond, verbreedt de oppervlakte van den heuvel en maakt zijne oneffenheden glad. Trappen in de rotsen uitgehouwen, en door kunst gebaande wegen voeren tot deze deels door de natuur, deels door menschenhanden gemaakte hoogvlakte heen, die in overoude tijden het in rotsen uitgehouwen altaar van den oppersten God droeg.
De bandkramer van Halimus en zijn vriend uit Sicyon hadden de hoogte bereikt. De slagboomen waren geopend, doch aan den ingang stonden de Lexiarchen, ten getale van zes, ambtenaren met de lijsten der Atheensche burgers in de handen, om te zorgen dat geen onbevoegde in de vergadering van burgers binnensloop. Dertig helpers stonden hun ter zijde.
Het volk stroomde het wijde, omheinde perk binnen, waarover alleen de blauwe hemel zich welfde. De marskramer hield echter den vreemdeling, die voor de omheining moest blijven, nog een oogenblik gezelschap. Met nieuwsgierige blikken keek de Sicyoniër over de heining heen naar de ruimte, die zich met de dichte massa’s van het aandringende volk vulde. Hij zag den achtergrond van den heuvel door een rotswand afgesloten, waaruit een hooge steen zich verhief, in den vorm van een dobbelsteen. Deze vierkante steen was het spreekgestoelte, van waar de redenaars tot het volk spraken. Van beide zijden voerde een smalle trap daarheen. In oude tijden was deze plaats een heiligdom, deze dobbelsteen het altaar van den oppersten Zeus geweest. Tegenover het spreekgestoelte strekten zich achter elkaar een aantal steenen banken uit, waarop een deel der vergaderden plaats konden nemen.
Nadat de vreemdeling deze dingen had beschouwd, keerde hij zich om en liet zijn blik van de hoogte van den ruimen heuvel over de stad wijden. Hij zag vóór zich de geheele stad der Atheners, in een kring om den heiligen berg der Acropolis gelegen, die op geringen afstand juist tegenover de Pnyx zich verhief. De aderen der op elkaar gestapelde rotsbrokken fonkelden in de stralen der zon. Ter linkerzijde van den berg der Acropolis verhief zich, wel veel onaanzienlijker maar als een reusachtig gehouwen rotsblok opdoemend, de Aresheuvel, de gewijde plaats van den Areopagus, met het oude, huiveringwekkende heiligdom der Eumeniden [108].
Steeds sterker werd het gedrang des volks ter plaatse, waar de Lexiarchen stonden, bij den ingang. Levendig vertoonde zich ook hier, evenals op de Agora, de aard der Atheners. Ieder oogenblik weerklonken de kreten van den Lexiarch: „Vooruit, Eubulides! praat niet zoo lang bij den slagboom!” „Bedaard, Charondas! blijf niet staan in het gedrang. Maak plaats voor de volgenden!”
De marskramer van Halimus drong ter zijde, om zonder dat de strenge ambtenaars het bemerkten, zijn nieuwsgierigen vriend uit Sicyon in het gedrang der toestroomenden enkele personen te wijzen, die hem tot de eene of andere aanmerking aanleiding gaven.
„Ziet ge,” zeide hij, „daar ginds de beide mannen, met hun lange ongekamde baarden en hunne sombere gezichten, met die korte en grove mantels en een dikken stok in de hand? Hunne ooren staan plat tegen het hoofd gedrukt, alsof ze iederen dag elkander met hunne ijzeren vuisten om het hoofd sloegen. Zij zien er uit als athleten, die minstens eenmaal reeds in Olympia hebben gezegevierd. Dat zijn die menschen, welke wij Laconisten plegen te noemen, weet ge, die met Sparta dweepen en hier gaarne alles zoo zouden willen zien, als het daar is...”
Weder stootte de kramer zijn kameraad aan: „die daar is Phidias—Phidias, de beeldhouwer, die de groote Athene Promachos op den burg heeft gemaakt—de schaar, die hem omstuwt, zijn zijne jongeren, zijne leerlingen en helpers—die stemmen allen voor Pericles.”
Nu naderden de prytanen. De marskramer wees ze zijn makker. Maar weldra stootte hij hem harder aan: „Zie daar, dat is Pericles! De strateeg Pericles!”
„En die hem vergezellen?” vroeg de Sicyoniër.
„Dat zijn ook strategen,” hernam de marskramer.
„Hoe heeten zij?” vroeg hij.
„Dat mogen de Goden weten!” antwoordde de kramer. „Ik geloof, dat er tien strategen te Athene zijn, maar wij kennen alleen Pericles.”
„En de eerwaarde mannen, die daar met zoo deftige stap naderen?” vervolgde de Sicyoniër.
„Dat zijn de negen Archonten!” zeide de marskramer.
„Zijn deze niet,” hernam de Sicyoniër, „van alle overheidspersonen bij u het meest in aanzien?”
„Ja wel in aanzien,” hernam de marskramer, „maar toch wij stellen de strategen hooger.”
„Hoe zoo?” vroeg hij.
„Omdat wij daartoe onze beste koppen kiezen,” antwoordde de kramer met een beteekenend gezicht. „Bij de Archonten zien wij op ouderdom, onbesmetten naam en een eerwaardig uiterlijk. Groote eer geniet zulk een Archont, zeer groote eer, dat valt niet te ontkennen; zijn persoon wordt bijna voor heilig geacht. Daarom echter ziet het er erg voor hem uit, als zijn ambtsjaar om is en wij niet heel te vreden met hem geweest zijn. Wij veroordeelen hem—raad eens waartoe? Om een levensgroot standbeeld uit zuiver goud den God te Delphi te wijden.”
„Een levensgroot standbeeld uit zuiver goud?” riep de Sicyoniër verbaasd uit, „dat kan immers niemand betalen.”
„Juist daarom!” hernam de marskramer. „Een schuldenaar van den staat, die niet betalen kan, wordt volgens onze wet burgerlijk met eerloosheid gestraft. Zulk een Archont blijft derhalve zijn geheele leven lang eerloos. En te recht. Heeft hij vroeger groote eer genoten, zoo moet hij nu ook groote schande daarvoor dragen.”
„Wie is toch die lamme, kreupele, met lompen bedekte man, met den bedelzak op den schouder, die daar met allerlei dolle gebaren bij den ingang de volksvergadering tracht binnen te dringen?”
„Dien kwaadaardig grijnzenden bedelaar, meent ge?” sprak de bandkramer. „Dat overal bekende menschenkind is als slaaf in een proces van zijn heer gefolterd geworden en van dien tijd af kreupel gebleven; hij heeft er ook zijn verstand half bij verloren en begaat nu, als bedelaar rondzwervende, de dwaasheid, zich overal in te dringen, waar Atheensche burgers verzameld zijn, op de markt, op de Pnyx en waar niet al. Steeds wordt hij hier door de Lexiarchen geweerd; dan antwoordt hij hen met smaadredenen en scheldt op het geheele Atheensche volk, waarvoor hij dikwijls slaag heeft gekregen of zelfs met steenen is geworpen, wanneer de jonge beeldhouwer Socrates hem niet in bescherming neemt, die zich gaarne over den „dollen Meno”—zoo noemt men hem—ontfermt en dien gij ook nu weder in zijne nabijheid ziet.”
Thans werd de vlag ingehaald, die van de hoogte der Pnyx den Atheners de ophanden zijnde volksvergadering had aangekondigd. Dat inhalen was een teeken, dat de vergadering geopend was. Nu haastte zich ook de kramer van Halimus de omheining binnen te gaan, terwijl hij met een mengeling van trots en medelijden van den Sicyoniër afscheid nam, die voor den slagboom moest achterblijven. Als het getjilp van een vol vogelnest klonken de verschillende stemmen der Atheners, die zich de groote ruimte binnen drongen.
Thans gebood de heraut stilte; zijn krachtige stem klonk heinde en ver over de heuvels. En het werd stil.
De Sicyoniër was blijven staan, waar hij straks het gesprek met den kramer uit Halimus had gevoerd, en nam, zoo goed dit uit de verte mogelijk was, waar, hetgeen daarbinnen die wijd uitgestrekte ruimte, door eene dicht opeengedrongen menschenmassa gevuld, geschiedde. Zijne standplaats was iets hooger, zoodat hij over de hoofden der menigte kon heenzien.
Hij zag, hoe thans, nadat de stilte was hersteld, een varken, als reinigingsoffer geslacht, onder begeleiding van een priester werd rondgedragen, en dat met het bloed daarvan de grond en de banken werden besprenkeld. Vervolgens zag hij, hoe een helder vuur werd ontstoken en dat het eigenlijke brandoffer werd gebracht. En opnieuw vernam hij de stem van den heraut, die de Goden plechtig aanriep. Hij zag, hoe uit het midden der Prytanen er een opstond, hoe de Atheners naar het voorlezen van een geschrift luisterden, dat ongetwijfeld de aan het volk gedane voorstellen van den strateeg Pericles en de toelichtingen van den Raad bevatte, hoe toen wederom de heraut zich verhief, om te vragen, wie over dit voorstel het woord verlangde; hij zag, hoe nu de redenaars het spreekgestoelte beklommen en hoe zij, naar oud gebruik, zich den myrthenkrans op het hoofd zetten, als zij tot het volk spraken; hij zag hoe het volk zijne goed- of afkeuring te kennen gaf, nu eens met ingehouden adem luisterde, dan onrustig werd, eerst zacht, als een korenveld; dat door een lichten wind gebogen wordt, dan weder onstuimig opbruisend, daverend en trillend, als een bergwoud, dat door den storm wordt gezweept, zoodat de heraut op den wenk van den eersten der Prytanen stilte moest gebieden; hij zag hoe soms de strijd der meeningen in de volksmassa tot een handenstrijd dreigde te ontaarden, hoe hier een man uit het volk dreigend de vuist tegen een oligarch balde, daar een vriend der Laconiërs den knoestigen stok onder luide verwenschingen tegen de volksmannen ophief; hij zag nu de groote volksmassa, als een eenig man, jubelend hare goedkeuring betuigen, terwijl de oligarchen morden of verstoord zwegen; dan zag hij weder dezen, door gelaatstrekken, gebaren en uitroepen hunne tevredenheid aan den dag leggen, genen daarentegen in kreten luide hunne afkeuring lucht geven.
Zoo gingen onder eene stormachtige beweging van meeningen en gemoedsstemmingen eenige uren voorbij.
Thans zag de Sicyoniër den strateeg Pericles, die reeds vroeger enkele woorden tot het volk had gesproken, opnieuw het redenaarsgestoelte beklimmen. Wederom heerschte er eene volkomene stilte onder de schare der Atheners.
Rustig en waardig verhief zich de gestalte van den man, dien zij den Olympiër noemden, te midden van het volk. Hij maakte geene levendige gebaren; zijne hand hield hij rustig in zijn opperkleed. Maar zijne stem klonk op doordringenden, overweldigenden toon over de hoofden heen der luisterende schare. ’t Geluid dier stem drong door tot den Sicyoniër, die zonder zelfs de woorden te verstaan, als door eene betoovering bevangen naar de klanken luisterde, die zoet en liefelijk waren als het suizen van den westenwind en toch krachtig, als de rollende donder in de lucht.
Plotseling zag de Sicyoniër Pericles de rechterhand uit zijn oppergewaad te voorschijn halen en ze recht vóór zich uitstrekken, heenwijzende naar de naburige, zich tegenover hem verheffende hoogte van de Acropolis.
Bij deze beweging van Pericles wendden al de duizenden Atheners hunne hoofden en blikken in de richting der uitgestrekte hand van den redenaar, naar de heilige hoogte van de Acropolis, die schitterde in de stralen der zon. De Sicyoniër deed eveneens. Het was alsof die heilige hoogte steeds schitterender straalde, alsof zij door een nieuwen, geheimzinnigen glans was omgeven. De geheimzinnige glans echter, die van de Acropolis afstraalde, scheen zich in de oogen der onafgewend starende Atheners af te spiegelen. Het was als zagen zij daar bij den klank van Pericles’ stem voor de oogen van hun geest iets opstijgen, wat voor hunne zinnelijke oogen nog niet zichtbaar was. Het scheen alsof de berg zich met een tooverkrans sierde, die vele heerscherskronen zou overleven en vele menschengeslachten voorbij zou zien gaan en in heerlijken luister rustig zou blijven schitteren tot aan het einde der dagen.
De luisterende Sicyoniër hoorde de donderende woorden van den Olympiër wegsterven; hij zag hoe de redenaar den krans van het hoofd nam, hoe hij van het spreekgestoelte afsteeg onder de jubelende kreten der Atheners, hoe de voorzittende Prytaan het volk tot stemmen uitnoodigde, hoe dit door het opsteken der handen die uitnoodiging beantwoordde, hoe de uitslag bekend werd gemaakt en hoe ten laatste op een wenk van den Prytaan door den heraut het einde der vergadering werd aangekondigd.
Het volk stroomde terug door de geopende slagboomen. In eene opgewekte stemming daalde het de helling van de Pnyx af. Met belangstelling ijlde de Sicyoniër zijn vriend Halimus te gemoet en riep hem reeds uit de verte toe:
„Hoe is het afgeloopen, kameraad?”
„Wij hebben alles toegestaan!” riep de man uit Halimus met fonkelende oogen.
„Wij hebben eerst de oligarchen en Laconer-vrienden overstemd,” ging hij voort, „en de krijgssoldij, het rechterloon en de tooneelgelden toegestaan. Stel u de blijdschap van het arme volk voor, toen wij, ten spijt der oligarchen, voor ons zelven al deze schoone zaken hebben weten te verkrijgen! En wat het nieuwe, prachtige heiligdom van Pallas op den burg betreft, benevens het achterhuis voor den staatsschat en met het groote beeld van Pallas en de drie dubbele prachtige gaanderijen, door welke de feestelijke optocht der Panathenaeën voortaan de Acropolis zal betreden, waarvan het plan reeds door Phidias ontworpen is, zoo is er niet één Atheensch burger onder allen, die daar thans in de vergadering zijn geweest, die niet de helft zijner bezitting zou willen geven, wanneer nu reeds de prachtige tempel voltooid op de hoogte stond, zooals Pericles dien ons geschilderd en, ik zou haast zeggen, met den vinger getoond heeft. Slechts eenigen van die mannen met lange baarden en dikke Laconische knuppels—gij kent ze wel—maakten zwarigheden: er was al zoo veel gebouwd; met de nieuwe worstelschool en het Odeon [109] was men ook al reeds begonnen; men kon met den grooten marmeren tempel op den burg nog best wat wachten; het bouwen zou ontzettende sommen verslinden. Toen echter trad Pericles op.
„Wanneer gij Atheners,” sprak hij, „dit heerlijk werk naar het plan van Phidias en Ictinus niet volvoeren wilt op staatskosten, dan hebben reeds Hippias en Hipponicus en Dionysodorus en Pyrilampes en vele andere der rijkste mannen uit Athene de gelofte gedaan, den bouw op eigen kosten te volbrengen en dan zullen deze mannen, niet het Atheensche volk, den roem daarvoor inoogsten tot in de verste tijden!” Dit was genoeg. Gij kunt u voorstellen, hoe wij ons haastten onder luide kreten de handen op te steken en toe te staan, wat Pericles en Phidias wilden. En verbeeld u, terwijl wij juist met den grootsten ijver onze bijvalsbetuigingen doen hooren, treedt Phidias op, door Pericles geroepen, om ons de kosten van den bouw en het beeldwerk uiteen te zetten, en zegt: „Uit ivoor en goud zal mijne Pallas Athene zoo en zooveel kosten; uit marmer of brons echter slechts zooveel.”—Toen klonk het van alle kanten; „uit goud en ivoor! Geen karigheid, Phidias; ga dadelijk aan den arbeid!”
Zoo vertelde de Athener uit het volk onder levendige gebaren aan zijn nieuwen vriend uit Sicyon.
Geheel Athene was in eene soort van opgewondenheid, die de van de Pnyx komenden overal verspreidden.
Fier als een koning, droomende van tooneelgelden, openbare spelen, prachtige tempels, schatkamers, gouden en ivoren beelden en zich over dit alles verheugende, als stond het reeds voltooid daar en als ware het eene versiering van zijn eigen huis, ging de marskramer van Halimus door de Zuiderpoort naar zijne woning. Hij vertelde aan allen, die hij ontmoette, wat op de Pnyx was behandeld, en begroette, toen hij in zijn vlek gekomen was, zelfs zijne bruine vrouw, die hem op den drempel van zijn huis met haar kind op den arm te gemoet trad, plechtig met de woorden: „Wij hebben alles toegestaan!”
IV. DE PANSGROT
Hoog en breed, in ongestoorde helderheid, welfde zich de hemel des vredes over de stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht scheen geen mededinger meer te durven trotseeren. Gedreven door een onwederstaanbaren aandrang en met eene haast, als vreesden zij het rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland stroomden geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er waren vele beeldhouwers noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het fijne werk te maken. Voor de gevels van den tempel van Pallas moest een niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd worden, voor de metopen [110] en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen gebeiteld worden. Bovendien wedijverden de rijke Atheners bij de beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die zij, gelijktijdig met de opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis wenschten te plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen datzelfde tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk te leveren. Tallooze werk- en timmerlieden waren met den bouw der groote worstelschool en het Odeon bezig; een nog grooter aantal bij de werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon ontwaakte thans een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met muildieren en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van den rotsachtigen berg der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de kreten der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige marmerblokken op de hoogte van den berg te brengen. En evenals naar het marmer op den Pentelikon, groeven de Atheners nu vlijtiger dan ooit naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun kooplieden aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en allerlei metalen en verfstoffen, en uit het verre Oosten het ivoor. De steenen en boomen moesten bewerkt worden, de metalen gesmolten; het ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst wisten gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen vol werks, om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te vervaardigen; de touwslagers moesten den bouw -en timmerlieden en wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers moesten wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles werd in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor den zwaarsten handenarbeid bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen scheen de stille, ernstige, taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden in zijn eigen land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip ééne groote kunstenaarswerkplaats.
Als de eigenlijke haard echter, waaruit de offervlammen van dit den Goden welgevallig streven het krachtigste opstegen, stond de doorluchte hoogte van de Acropolis daar, als een oud heiligdom en een sterke burg der Atheners te gelijker tijd, om wier voet de woningen in den omtrek zich samengegroept en tot eene stad vereenigd hadden. Tot een „burg” maakten deze hoogte alleen hare natuurlijke rotsen en de geweldige muren, die haar ten noorden en zuiden beschutten.
Nog is het geen verheffende aanblik, wat zich aan het oog vertoont, en ons op dit oogenblik de hoogte te zien geeft. Wild en woest doet zich de breede hoogvlakte aan ons voor. Overoud puin ligt er verspreid, overblijfselen van vernielde werken, waaruit het nog bruikbare is uitgezocht. Naar de zuidelijke helling is de grond gedeeltelijk uitgegraven en uit de diepte ziet men reeds een hecht steenen fondament, grootendeels op oude overblijfsels rustend, tot aan de oppervlakte van den grond en daarboven verrijzen. De overige vlakte is bijna geheel met marmerblokken bedekt, welke pas gehouwen werden. Aardhoopen, puin en zand zijn in menigte aanwezig, werkplaatsen van allerlei aard vertoonen zich op den achtergrond. Overal wordt het kloppen van hamers gehoord en het knarsen der touwen en het doffe dreunen van steenen en balken en het roepen der opzichters, die het heir van arbeiders leiden en aansporen.
Maar midden in die woelige en rustelooze drukte van hetgeen tot stand gebracht werd op de Acropolis, staat nog een hecht eerwaardig gedenkteeken van den ouden tijd, evenals een grauwe, half vervallen toren aan het strand der zee, waartegen de bruisende golven aanrollen, als om hem met hare branding te ondermijnen en met zich voort te stuwen. Dit gedenkteeken was de zetel van den oudsten eeredienst der Atheners; het geheimzinnige, sombere heiligdom van den „slangvoetigen” Erechtheüs, den Attischen Stamheros,—tevens de vereering van den zeegod Poseidon [111], van de dochter van Cecrops, Pandrosus, en van Athene Polias in zijne gewelven omvattende,—half verwoest in den Perzischen oorlog en verloopig slechts in der haast hersteld.
Zonderling klonken de sagen van Erechtheüs uit de overoude tijden van het Attische land en volk: hoe in eene hechte kist Pallas Athene aan de dochters van koning Cecrops, die heerschte op de Acropolis, het pas geboren „slangvoetige” kind van onzekere afkomst had overgegeven, met het ernstige verbod om de kist te openen; hoe echter Cecrop’s dochters—zij heetten Pandrosus, Aglaurus en Herse—door nieuwsgierigheid gedreven, de kist openden en het knaapje vonden, door eene vreeselijke slang omkronkeld, hoe daarop de jonkvrouwen, waanzinnig geworden van ontzetting over dien aanblik, zich van den hoogen rotswand van de Acropolis nederstortten. De jonge Erechtheüs echter groeide op onder de hoede van koning Cecrops en werd de machtige beschermer der Atheners. Deze tempel nu bevat zijn graf en de gewijde groeve van den halfgod wordt nog steeds als eene bescherming en steun van het land beschouwd.
De ziel echter van den ouden stamheld leeft volgens het geloof der Atheners voort in eene slang die altijd in het heiligdom wordt verpleegd. Dit dier wordt als de geheimzinnige beschermster des tempels geacht en iedere maand brengt men hem honigkoeken ten offer.
Eene heilige bron ontspringt op het gebied des tempels; haar water is zout, alsof het eene onderaardsche gemeenschap heeft met de zee en bij het waaien van den zuidenwind, zeggen de Atheners, bemerkt men daarin het zachte bruischen der zeegolven. En geen wonder; want, naar de bewering der Atheners, deed de zeegod Poseidon, met een slag van zijn geweldigen drietand, uit de rots der Acropolis deze bron ontspringen, toen hij met Pallas Athene streed om het bezit van het Attische land. Nog zijn in den rotsachtigen grond de sporen van den drietand des Gods aanwezig en ieder kan ze met eigen oogen aanschouwen. Pallas Athene echter liet tegenover de bron een olijfboom opgroeien, den olijfboom, waarvan alle andere olijfboomen in Attica, die trots en grootste zegen van het Attische land, afstammen. Door dien olijfboom echter behaalde de wijze Pallas Athene in den wedstrijd der zegeningen, de overwinning op den machtigen drietandzwaaier. Ook dezen overouden heiligen olijfboom houdt nog het tempelgebied omsloten. De Pers had hem verbrand, den volgenden morgen evenwel was hij door de gunst der Goden weder herrezen en stond daar in volle schoonheid. Het heiligste monument echter in het gebied van het Erechtheüm is het overoude beeld van Athene Polias van olijvenhout, niet door een menschenhand gesneden, maar uit den hemel gevallen. Erechtheüs zelf had het opgericht en onveranderd—zoo leert het priestergeslacht dat in het heiligdom van Erechtheüs den dienst verricht—moet het op die plaats bewaard blijven, tot in de verste tijden. Eene eeuwige lamp brandt voor dat beeld in de donkere ruimte des tempels. Ook merkwaardige wijgeschenken zijn daar te vinden: een houten Hermesbeeld [112], voortdurend, sedert den tijd van Cecrops, met levende, groene, myrthentakken, zonder wortels, omkranst, een eigenaardig gevormde zetel, dien de kunstenaar Daedalus [113] in overoude tijden had gemaakt; alsmede zegeteekenen uit de Perzische oorlogen: buitgemaakte wapenrustingen en zwaarden van overwonnen Perzische aanvoerders.
Vóór den tempel echter onder den open hemel staat een altaar van Zeus.
Geen levend wezen mag daarop geofferd; zelfs geen wijn er op geplengd worden; alleen offerkoeken worden hier den Oppergod gebracht.
Aldus is het gelegen met het in de zangen van Homerus reeds vermelde „huis van Erechtheüs,” hetwelk verscheiden tempelzalen voor de vereering der bovengemelde godheden bevat en aan de noordelijke helling van den berg op den oneffenen bodem zich verheft. Vlak daartegenover zal men het nieuwe prachtige heiligdom van Pallas Athene oprichten.
Eene heilige plechtigheid wordt juist vóór den ingang van den tempel verricht.
Van tijd tot tijd wordt het oude houten beeld van Athene Polias gereinigd en op nieuw bekleed; die reiniging pleegt op een plechtige wijze te geschieden. Het is een godsdienstig feest als een ander, en dit feest vond nu juist plaats. Men heeft het beeld zijne sieradiën en gewaad afgenomen en er een doek over heen gespreid terwijl daartoe aangewezene personen bezig zijn het gewaad te wasschen. En opdat niemand ongeroepen dezen tempel zou binnentreden is er een koord voor gespannen, zoolang de heilige plechtigheid duurt.
De reiniging is nu volbracht, de Godin wordt weder gekleed, het haar—want haar hoofd is met golvende lokken voorzien—wordt zorgvuldig gekamd en opgemaakt, haar lichaam op nieuw getooid met kransen, diademen, halskettingen en oorbellen.
De personen, die aan den heiligen dienst deel hebben genomen, verwijderen zich. Weldra ziet men nog maar twee mannen op de trappen vóór den ingang van den tempel staan en zich samen onderhouden. De een van hen is de priester van den Erechtheüs-tempel, Diopithes. Zijn gelaat is somber en hij werpt toornige blikken van den drempel des tempels naar de schare van arbeiders, wier geraas en drukte hem als eene snoode verstoring van de heilige plechtigheid voorkomt.
Het geslacht der Eteobutaden, waaruit sedert overoude tijden de priester van Erechtheüs en de hem ter zijde staande priesteres van Athene Polias stamden, was het oudste en geruimen tijd het aanzienlijkste priestergeslacht in geheel Attica. Maar in latere tijden hadden de verwante Eumolpiden, het priestergeslacht van Demeter [114] te Eleusis [115], met wier eeredienst de groote mysteriën verbonden waren, als Hiërophanten of opperpriesters van deze geheimzinnige feesten van Eleusis tot een nog hoogeren rang in de Attische hiërarchie [116] zich weten te verheffen. Niet zonder geheimen wrok verdroegen de Eteobutaden deze vernedering. Maar deze wrok alleen was het niet, die het gemoed van Diopithes, den tegenwoordigen priester in het heiligdom van Erechtheüs op den burg, verduisterde.
Opnieuw een ontevreden blik op den arbeid van het Parthenon slaande, begon hij tot den man, die met het onderworpen gelaat van een vertrouwde en helper naast hem stond en die niemand anders was dan Lampon, de ziener, die vroeger ten huize van Pericles was geroepen om het wonderteeken van den eenhoornigen ram te verklaren.
„De vrede,” zei hij, „is van deze gewijde hoogte geweken, sedert op haar de woelige schare van Phidias en Callicrates huishoudt, en het zou mij niet verwonderen, wanneer de Goden zelve weldra van het gedruisch van die dwaze en goddelooze menschen zich terugtrekken. Want dwaas en goddeloos is het, wat zij doen, en nimmer kan het den Goden behagen. In plaats van vooreerst het overoude heiligdom van Erechtheüs in heerlijken glans te herstellen, dat slechts voorloopig door den nood der tijden, toen de Pers zijne godschennende hand daaraan had geslagen, is hersteld geworden, beginnen thans die Pericles en Phidias een geheel nieuwen, onnutten prachttempel vlak tegenover dat oude, eerwaarde heiligdom te bouwen. Liet ik mijn blik tot nu toe ongehinderd van deze plaats tot in het verst verschiet weiden, zoo ligt nu weldra deze prachttempel als een wal voor mijne oogen. O, ik weet wat zij willen, die heimelijke godloochenaars. Zij willen dezen ouden eerwaardigen tempel en zijne Goden verdringen, den ouden, gestrengen eeredienst willen zij verdelgen en met hem de echte vroomheid; zij willen op de plaats der oude tempels en der oude godenbeelden zulke oprichten, die door hun ijdelen pronk en glans alleen het oog verblinden, maar geen gevoel voor ware godsvrucht in het hart opwekken. Wat zal het worden, dit „huis der jonkvrouw”, die Parthenon? Een tempel zonder priesters, zonder eeredienst, een praalgebouw, een doel- en middelpunt alleen voor de schitterende feesten der Panathenaeën, en daarnevens—doch neen, niet daarnevens maar in zijn eigen zalen, o schande! eene schatkamer, eene bewaarplaats voor het goud der Atheners, dat zij op eerlijke of oneerlijke wijze aan zich hebben gebracht! Slechts als beschermster van dit goud plaatsen zij in hun tempel de Godin! En welke Godin? wat beteekent dat pronkbeeld uit goud en ivoor? Een maaksel zal het zijn van menschenhanden. Het oude houten beeld, hetwelk deze onaanzienlijke tempel bevat, is door geen roemzucht eens stervelings vervaardigd—goddelijk is zijn oorsprong en door goddelijke genade is het den Atheners ten deel gevallen!”
Zoo sprak Diopithes.
„Het is een booze tijd,” zeide Lampon met goedkeurenden knik. „Het eenvoudige, het oude, het eerwaardige, het heilige is op verre na niet meer geacht en weldra zal het menschelijke in laatdunkenden trots zich boven het goddelijke willen verheffen.”
Zachter en met een geheimzinnig gelaat ving nu Diopithes weder aan:
„Die Pericles en die Phidias, die de Atheners tot den nieuwen bouw hebben overreed, weten toch één ding niet, wat wij Erechtheüs-priesters weten, en dat wij, die hier boven op den burgt wonen, boven alle andere menschen kunnen weten: dat juist die plek daar ginds, waar zij den prachtigen gevel en den hoofdingang van hun nieuwen tempel willen oprichten, tot die plaatsen behoort, die men de „onderaardsche” noemt, tot die plaatsen, waar nooit een vogel uit de lucht neerstrijkt, of hij, die het doet, valt dood neder, als door een giftigen adem getroffen. Laat ze maar bouwen, de Atheners, op die ongeluksplaats; zij zullen geen zegen, zij zullen slechts vloek daarmede op zich laden! Het is het erfdeel der Atheners, onberaden te handelen. Weinigen weten, van waar dat komt. Wij Eteobutaden weten het. Poseidon, overwonnen in den kampstrijd met Pallas Athene, verstoord om zijne nederlaag, doemde de Atheners voor alle tijden tot onverstandigen raad!”
„Onverstandig zijn zij,” hernam Lampon, „en onverstandig zijn hunne leidslieden, omdat zij naar de leer luisteren van hen, die zich wereldwijzen en waarheidsvrienden noemen. Naar Pericles hooren de Atheners; Pericles zelf luistert naar Anaxagoras, den Clazomeniër, die de natuur bespiedt en die, omdat hij alles tot natuurlijke oorzaken wil terug brengen, daarom het bestaan der Goden ontkent. Onlangs nog werd ik in het huis van Pericles geroepen, om een wonderteeken te verklaren, dat zich daar had vertoond. Er was namelijk op Pericles’ landgoed een ram met één hoorn midden op het voorhoofd geboren. Ik deed wat men verlangde, naar de regelen mijner kunst, en Pericles kon over mijne prophetie tevreden zijn. Maar ik werd met ondank beloond, want Pericles zweeg geheel stil en Anaxagoras, die juist bij hem was, glimlachte, alsof mijn werk ijdel en mijne uitspraak dwaas was!”
„Ik ken hem,” hervatte Diopithes en een donker vuur bliksemde in zijne oogen, „ik ken hem wel, den Clazomeniër; ik had onlangs op den weg naar den Piraeus een gesprek met hem over Goden en goddelijke zaken en ik zag dat zijne wijsheid eene verderfelijke is. Zulke mannen mogen in onzen staat niet geduld worden. Of is het zoover met ons gekomen, dat de wetten te Athene niet meer van kracht zijn tegen godloochenaars? Neen, nog doortrilt den meesten Atheners een kille huivering bij dezen naam!”
Zoo sprak Diopithes. Terwijl hij nu naar den rechterkant een scherpen blik sloeg, wees hij naar eenige mannen, welke in een levendig gesprek gewikkeld, den eenigen weg, die naar den heuvel der Acropolis voerde, over de westelijke helling opgingen.
„Mij dunkt,” zeide Diopithes, „ik zie daar den onverstandigen raadsman van het Atheensche volk, den vriend en beschermer van Anaxagoras juist aankomen. Aan zijne zijde gaat, wanneer mijn oog mij niet bedriegt, een van die nieuwerwetsche tooneeldichters, die den eerwaarden Aeschylus [117] meenen overtroffen te hebben. Maar wie is echter die derde, die fijne, slanke jongelingsgestalte, die aan de andere zijde van Pericles gaat?”
„Dat is zeker,” antwoordde Lampon, „die jonge citherspeler uit Milete, dien Pericles, naar ik hoor, lief heeft en die thans overal met hem gezien wordt.”
„Een jong citherspeler uit Milete?” vroeg Diopithes, de goedgebouwde gestalte van den Milesischen jongeling nauwlettend beschouwende, „ik heb tot dusverre slechts geweten, dat Pericles een kenner en bewonderaar is van de bekoorlijkheden der schoone kunne, nu zie ik dat hij het schoone overal weet te waardeeren; want deze jongeling, bij de Goden, is waardig, niet slechts Pericles, den zoogenaamden Olympiër, maar den beheerscher zelven van den Olympus, den oppersten Zeus, als schenker te dienen. Het verwondert mij echter, dat deze zoogenaamde Olympiër, de zoo geroemde Pericles, vermetel genoeg is om zich openlijk voor de oogen der Atheners met zijn lieveling te vertoonen.”
Terwijl de Erechtheüs-priester zoo den jongeling, die met Pericles was, te gelijk met afgunstige en wellustige blikken beschouwde, waren de drie mannen genaderd.
Bekoorlijk schoon en teeder was de jeugdige gestalte, welke Lampon aan Diopithes als een citherspeler uit Milete had doen kennen. De treurspeldichter, die zich eveneens in gezelschap van Pericles bevond, wierp soms een vurigen blik op den bekoorlijken jongeling, en richtte bij voorkeur het woord tot den Milesiër. De dichter zelf was schoon en van een statig voorkomen. Zijn helder voorhoofd scheen als door een vroolijken, hemelschen glans omstraald.
Thans trad uit de schare der bouwlieden Callicrates den aangekomenen te gemoet, de wakkere meester, wien de uitvoering was opgedragen van datgene wat Phidias en Ictinus in de eenzaamheid hadden overpeinsd en ontworpen. Men kon het den man wel aanzien, dat het zijn werk was onophoudelijk heen en weer te loopen in de hitte der zon tusschen de steenblokken en de zwoegende en slavende arbeiders op de hoogte van de Acropolis. Zijn gelaat was verbrand en zijne kleur stak nauwelijks af bij den donkeren baard, die het omgaf. Het niet minder donker, doordringend en bliksemend oog scheen geheel vervuld van den gloed der zon. Zijne geheele gespierde gestalte scheen als geblakerd. Zijn gewaad onderscheidde zich zeer weinig van de kleeding der werklieden. Achteloos hing de lap, waarvan de kleur niet meer te onderkennen was, dien hij zijn chiton noemde, om zijne gebruinde ledematen. En evenals hij nu onder de schare der werklieden arbeidde, zoo had hij reeds menig jaar bij den langen muur daar beneden, die zijn werk was en die hij onlangs tot vreugde van Pericles had voltooid, zijne beste krachten aan het nut zijner medeburgers gewijd.
Pericles deed Callicrates verscheidene vragen, aangaande de vorderingen der werken. Met voldoening wees Callicrates hem op de nu gelegde grondvesten, die samengevoegd waren uit reusachtige, vierkantige steenen.
„Gij ziet,” zeide hij, „dat het fundament gereed is, benevens de drie groote marmeren trappen, die het omgeven. Zie eens hoe het zich bijna over den geheelen zuidelijken kant van den heuvel uitstrekt! Reeds zijn ook de tusschenruimten der zuilen afgestoken en eveneens de omtrekken der binnenmuren; zoo ook die van het vertrek voor het beeld der Godin, en van het achterhuis voor den schat, ook aan de voetstukken der zuilen wordt gewerkt en aan het taflement; natuurlijk wordt alles nog maar in het ruwe bearbeid; want het fijnere werk volgt eerst, wanneer het geheel in algemeene trekken samengevoegd daarstaat, en gij moogt voorloopig geen oordeel vellen, naar hetgeen er thans verrezen is. Gij zult wat geduld moeten oefenen; want Ictinus is een talmer en Phidias eveneens...”
„Ik kan mij best voorstellen,” hernam Pericles, „dat de nauwgezette Ictinus nooit over zich zelven te vreden is.”
„En Phidias evenzoo,” herhaalde Callicrates, bijna verdrietig. „Dagen lang zitten zij samen te fluisteren, met hun beschreven tafels en bladen vóór zich, en rekenen en passen, peinzende over de juiste tusschenruimten, de dikte en helling der kroonlijsten en kapiteelen; dan weer gaan ze naar den Theseus-tempel en meten daar de omtrekken van zuilen en taflement en voelen zich dan ook niet te vreden als zij de balken wat te zwaar of de tusschenruimten der zuilen iets te groot bevinden en wenschen dat het hier beter zal worden. En dan rekenen en meten zij weer en zijn het onderling niet eens en nemen proeven om te zien, hoeveel sterker de hoekzuilen moeten zijn dan de andere, en hoeveel dichter de hoekzuilen bij de naastbij zijnde moeten staan, dan de afstand der andere onderling, hoe de schacht zich naar boven en onder moet verdunnen, hoeveel hier van den Dorischen, daar van den Ionischen stijl [118] moet ontleend worden, en hoeveel strepen de uitwijking van dien balk of van die kroonlijst of van dat kapiteel of fries sterker of zwakker mag gemaakt worden, opdat er eene tot nu toe onbereikte harmonie in het geheele werk moge verkregen worden.”
„Wie zou een Ictinus niet om zijn fijn ontwikkelden kenners- en kunstenaarsblik benijden!” riep Pericles.
„Hij heeft het oog van een valk,” hernam Callicrates. „Gij kunt u niet voorstellen, hoe verwonderlijk sterk het waarnemingsvermogen van dien man is. Hij heeft den duimstok altijd in de hand, maar hij gebruikt hem zelden, want zien is hem even zeker als meten en uitrekenen. Het aangeboren vermogen om met zijn oog te meten, is zoo verbazend, dat hij kleine verschillen opmerkt, waarvan de leek nauwelijks een flauw begrip heeft. Hij ziet, om zoo te zeggen, met een oog dat tast en voelt, en hij tast en voelt met een vinger, die ziet. En met Phidias is het evenzoo. Deze pleegt te zeggen en gij hebt het zeker wel uit zijn mond gehoord: „geef mij een leeuwenklauw en ik zal u daarnaar den heelen leeuw vormen!”—Zoo scherp en geoefend is het oog van Phidias en zijn kunstgevoel voor alles, wat men vorm, wezen en harmonie noemt.”
„Waarom zou het oog der Hellenen ook niet even fijn gevoelig kunnen worden, als hun oor?” zeide de dichter. „Wij dichters en toonkunstenaars” en hij wierp bij deze woorden een blik op den jongen citherspeler—„wij voelen de kleinste fijnheden en afwisselingen in den rhythmus [119] en hooren tusschentonen daarin, die voor het oor van den leek niet merkbaar zijn.”
„Het is zeer loffelijk van Ictinus en Phidias,” vervolgde Callicrates glimlachend, „dat zij alles zoo haarfijn bedenken en met lijnen en teekens op het papier brengen. Maar begrijp wel, dat al dat fijn gedachte, wat deze mannen overpeinzen en ontwerpen op het papier, ook uitgevoerd moet worden—uitgevoerd in massieve, wederstrevende stof. Zie hier het ontwerp, waarin Ictinus de maat en berekeningen heeft opgegeven, zooals hij het verlangt te hebben—die moet ik nu in harden steen ten uitvoer leggen op eene reusachtige schaal, en toch zoo nauwkeurig, in al de fijnheden van het ontwerp, alsof ik het met een fijn mesje uit ebbenhout moet snijden.”
„Het is gemakkelijk te begrijpen,” zeide de dichter, „dat het moeite moet kosten die fijne evenredigheden en rechte lijnen in het reuzenschrift der marmerblokken, bij de verschillende vormen, overal in acht te nemen.”
„Rechte lijnen zegt ge!” riep Callicrates met een bijna spottenden glimlach uit. „Rechte lijnen? Dat gaven de Goden! Met rechte lijnen kan een stumper ook wel klaar komen. Maar zulke komen er niet voor in de ontwerpen van Ictinus en Phidias. Weet ge, wat Ictinus zegt? „Om recht te schijnen mag de lijn in groote afmetingen het nooit in de werkelijkheid zijn.”—Zie maar eens hier naar die fundamenten en de trappen, die naar de oppervlakte voeren. Gij zult wel denken, dat deze oppervlakte werkelijk zoo recht loopt, als ze zich aan uw oog voordoet? Gij vergist u: de lijn van deze oppervlakte verheft zich naar het midden in eene zachte, voor het oog nauw merkbare en toch voor het gezicht berekende kromming. En diezelfde zachte, onmerkbare kromming zult ge later ook bij het groote werk, schoon in geringere mate, terug vinden; ja, overal in deze gansche architectuur van den tempel wil Ictinus ze zien aangebracht; en evenals van de kroonlijst tot aan de fundamenten er werkelijk niets waterpas te vinden zal zijn, zoo wil hij evenmin iets volkomen loodrechts dulden, maar de naar boven krom oploopende lijnen moeten even zacht weder naar beneden afloopen. Zonder deze zachte krommingen, op de wetten der optiek en lichtbreking gebaseerd, zegt Ictinus, zou het geheel zonder zwier schijnen en zou het, in plaats van vrij en fier naar boven te stijgen, er uitzien alsof het in den grond weg wilde zinken. Gij moogt nu, wat ge wilt, gelooven van deze en dergelijke kunstgeheimen der beide meesters, maar bedenk eens, hoe ik, om maar van één ding te spreken, het moet aanleggen, om in weerwil van die zachte krommingen naar boven en onmerkbare afdalingen naar beneden, de blokken, de steenmassa’s, de zuilbrokken, naar die fijne berekeningen, toch haarfijn en vast en stevig in elkaar te voegen?”
„Gij zult het tot stand kunnen brengen, wakkere Callicrates,” viel Pericles levendig in: „ik ken u. Laten wij voor het overige Ictinus en Phidias maar laten meten en berekenen; het is toch in den grond der zaak een innerlijke, door de Goden ingeschapen aandrang, welken die mannen volgen. Hun is het door de Goden in de ziel gelegd, langs welken weg en door welke middelen zij ons in uiterlijken tooi datgene zuiver kunnen doen genieten wat zij reeds in hun geest hebben aanschouwd.”
„Zoo lang hier een steen op den ander blijft,” zeide de dichter goedkeurend, „zal wel datgene, wat door Goden bezielde mannen, als deze beiden, eerst in hunne ziel hebben aanschouwd, en dan in getallen en berekeningen hebben uitgedrukt, hart en ziel der toeschouwers met overweldigende kracht aangrijpen.”
„Doch niet toeschouwers, als die luistervink daarboven,” viel Callicrates lachend in, nadat hij een poos met scherpen blik den Erechtheüs-priester en zijn vertrouwde had aangezien, die beiden loerend en luisterend nog steeds aan den ingang van het Erechtheüm stonden.
„Met blikken van verbeten woede,” vervolgde Callicrates, „ziet die Erechtheüs-priester steeds naar onzen arbeid, maar ik durf gerust zijn blik beantwoorden. Wij plagen elkander en tusschen mijne lieden en zijne tempeldienaars bestaat eene openlijke veete.”
„Het kan ons ook niet verwonderen,” zeide Pericles, „dat de Erechtheüs-priester vertoornd is. Wij bouwen toch, in plaats van zijn oud heiligdom te herstellen, vlak voor zijne oogen een nieuwen tempel op. Want wie toch zou het wagen de schennende hand aan de eerwaardige geheimen van dit sombere heiligdom te slaan?”
„Ja, waarlijk,” hernam Callicrates, „het is veel beter de uilen daar te laten nestelen. Die zitten dag en nacht onder het oude tempeldak. Die mannen daarginds willen niets weten van de nieuwe godenbeelden van Phidias. Zij willen geen nieuwe Goden; zij wasschen en kammen de oude en behangen ze uitwendig met nieuw gewaad, en gelooven, dat ze zoo eeuwig kunnen duren. Deze lieden zouden Pallas Athene het liefst nog met een uilenkop afgebeeld zien.”
„Daar naderen Phidias en Ictinus,” zeide de dichter, naar den anderen kant heenziende, „wij zullen nu hen zelven hooren.”
„Gij zult niet veel hooren,” hernam Callicrates. „Phidias is stil, zooals ge weet, en Ictinus wordt boos op ieder, die hem wil noodzaken over zijn vak te spreken. Beide mannen zijn slechts onder elkander, met niemand anders, spraakzaam.”
Intusschen waren Phidias en Ictinus nader gekomen. Ictinus was een onaanzienlijk gebogen mannetje. Zijne trekken waren niet scherp, zijne gelaatskleur vaal, zijne oogen mat, alsof hij veel had gewaakt en gepeinsd. In zijn gang echter had hij iets haastigs, iets onrustigs, dat aan prikkelbaarheid en opvliegendheid deed denken.
Phidias beantwoordde den handdruk van Pericles en dien van den dichter die bij hem was. Op den schoonen citherspeler met zijne jeugdige en teedere vormen sloeg hij een zonderlingen blik. Hij scheen hem te kennen en toch niet te willen kennen. Ictinus had het voorkomen van iemand, die weinig er mede op had menschen te ontmoeten, en hij scheen voornemens zijn weg zonder Phidias te willen vervolgen.
Maar de dichter wilde onderzoeken, of het waar was, wat Callicrates had gezegd, en wendde zich tot het haastige mannetje met de vraag: „Meester Ictinus, wilt ge niet als een deskundige de vraag beslissen, die Pericles en mij en den jongen citherspeler straks een geruimen tijd heeft bezig gehouden? Wij spraken over de redenen, die u, bouwmeesters, konden bewegen, den architraaf niet onmiddellijk op de zuilenschacht te doen rusten, maar een ietwat breed gelid, ’t zij in den vorm van het Dorische kapiteel of van den Ionischen stijl, daartusschen te schuiven. Sommigen beweren, dat dit geschiedt, om het te doen voorkomen alsof de last van het taflement de zuilen uiteen houdt—en den top als ’t ware naar beneden drukt—”
Ictinus lachte bij zich zelven. „Zuilen dus van leem, van deeg of boter?” antwoordde hij op sarkastischen toon. „Mooie zuilen voorzeker—zuilen van leem, die zich plat laten drukken—ha, ha, ha—mooie zuilen.”
„Gij lacht dus om deze verklaring?” riep de dichter: „zeg dan zelf, waarom doet gij het?”
„Omdat het tegendeel leelijk en afschuwelijk en onverdragelijk zou zijn!”
Deze woorden bromde Ictinus haastig, sloeg op den vrager een vluchtigen blik uit zijne grijze oogen en ijlde weg.
De mannen lachten.
„Ik zie,” vervolgde Pericles zich tot Phidias wendend, „dat de werken goed vorderen. Dat verheugt mij. Wij moeten snel en ijverig voortwerken. Wij moeten gebruik maken van de gunstige omstandigheden, die wellicht nimmer terug zullen keeren. Een groote oorlog zou alles stuiten en weldra zouden ons de middelen ontbreken om het ondernomene te voltooien.”
„Wij zijn daarom aan de ontwerpen en kleimodellen der ontzachelijke gevelgroepen en van de friezen en metopen-velden in de werkplaatsen ijverig bezig,” hernam Phidias.
„Denkt ge er niet aan,” vroeg Pericles, „Polygnotus te ontbieden, opdat ook hier, evenals daar beneden in den Theseus-tempel beitel en penseel in de uitvoering van de metopen-velden het werk konden verdeelen? Doch, ik herinner het mij, gij koestert geene hooge gedachten van de zusterkunst, het schilderen, die, ik moet het bekennen, nog een weinig onbeholpen in het niet verzinkt, bij de reusachtige vorderingen van den beitel.”
„Ik heb zelf als jongeling het penseel ter hand genomen,” hernam Phidias; „maar het voldeed mij niet. Vol en rond en zuiver wilde ik datgene wat ik in mijn geest zag, voorstellen, en dat kon ik alleen met den beitel.”
„Welaan,” zeide Pericles, „dan moge aan het nieuwe heiligdom van Pallas alleen de rijpste kunst hare krachten wijden, opdat het een gedenkteeken worde van het beste, wat wij vermogen. Wij zullen Polygnotus bij eene andere gelegenheid zoeken schadeloos te stellen. Wij willen later ook eens overleggen of er niet iets te doen is voor het oude heiligdom van dien toornigen priester en ook voor gindsch onvoltooid tempeltje, dat zich zoo fier op de rotsen verheft ter eere van de ongevleugelde zegegodin. Mocht toch, als ik eens van het wereldtooneel aftreed, geen Atheensch burger iets meer te wenschen overblijven! Dat er nog zoovelen zijn, die ontevreden zijn, is mij eene pijnlijke gedachte. Gij glimlacht? Waarlijk, misschien wil de ernstige, gestrenge Phidias alleen zich zelven voldoen.”
„Dat is juist het moeilijkste,” hernam Phidias.
„Vreest ge niet de tegenstanders?” vervolgde Pericles. „Geef acht, wij hebben overvloed van dezulken. Ook gij wordt benijd, en wat gij werkt, is niet allen welgevallig.”
„Pallas Athene verbiedt mij te vreezen!” [120] hernam Phidias met de woorden van Homerus, en wees met de hand naar het ijzeren reusachtige beeld zijner Athene Promachos, dat te midden van deze mengeling van het oude en het nieuwe op de Acropolis zoo verheven, rustig in den reinen aether zich verhief.
Toen verwijderde Phidias zich om Ictinus weder op te zoeken.
Pericles, de treurspeldichter en de jongeling uit Milete zetten hunne wandeling over de hoogte van de Acropolis voort.
De treurspeldichter verdiepte zich in een aangenaam gesprek met den jongen citherspeler. Hij zelf toch was ook een voortreffelijk beoefenaar van het snarenspel. Zoo fijn en scherpzinnig wist de jongeling zich uit te drukken, dat gene ten laatste verwonderd zeide:
„Ik wist wel dat de Milesiërs zeer beminnelijk waren, maar ik wist nog niet, dat zij zoo wijs tevens zijn.”
„En ik,” hervatte de jongeling, „heb de treurspeldichters der Atheners altijd voor zeer wijs gehouden, maar ik dacht niet, dat ze ook zoo beminnelijk konden zijn. Ik beoordeelde namelijk onberaden uit de dichtwerken zelven de dichters. Hoe komt het, dat uwe tragische dichtkunst tot nu toe zoo weinig rekenschap hield met de zachtere aandoeningen van het menschelijk hart? Grootsch is daar alles, verheven, niet zelden huiveringwekkend, maar aan den zachtsten en toch tevens den machtigsten hartstocht, de liefde, gunt men de plaats niet, die haar toekomt. Anacreon [121] toch en Sappho [122] weten, de een op vroolijken, de andere op weemoedigen toon zooveel van haar te zingen; waarom versmaadde het tot dusverre slechts de treurspeldichter, alleen het grootsche en bovenmenschelijke nastrevend, tonen van die teedere, echt menschelijke aandoening aan te slaan?”
„Jonge vriend,” zeide de dichter glimlachend, „geen waardiger verdediger had de teedere, met pijlen gewapende God [123] kunnen vinden. Weinige dagen geleden is bij mij de gedachte aan een treurspel opgekomen, waarin degeen, wiens verdediger gij heden zijt, wel eene plaats zal worden ingeruimd. Ik weet niet, of die vluchtige gedachte tot ernst zou zijn geworden; maar het treft heel goed, dat ik er door u aan herinnerd word. Ik ben voornemens dat treurspel nu werkelijk te schrijven, daar uwe woorden en nog meer uwe heerlijke oogen mij ten gunste der zaak, die gij voorstaat, hebben ontvlamd en bezield.”
„Voortreffelijk,” hernam de jongeling; „ik zal den geurigsten krans voor den dag uwer zegepraal voor u vlechten”—
„Een krans van roode rozen,” riep de dichter, „daar ik toch in mijn gedicht den alles overwinnenden Eros denk te verheerlijken.”
„Voorzeker,” hernam de jongeling, „en ziedaar, de dankbare, gevleugelde God schijnt te willen, dat ik de rozen voor dien krans aanstonds pluk.” De teedere slanke jongelingsgestalte ijlde tegelijkertijd op een vooruitstekende rots, waar in de spleten een wellicht eeuwen-oude heester stond, die geheel met bloeiende rozen bedekt was.
„Wees voorzichtig, jonge vriend,” zeide de dichter, „gij weet niet op welk eene noodlottige plaats gij staat. Van den top dier rots heeft een koning der Atheners [124] zich in de zee neergestort, omdat zijn beroemde zoon, van de bestrijding van den Minotaurus [125] terugkeerende, verzuimd had, toen hij Athene naderde, als een teeken zijner overwinning het witte zeil te hijschen. Buitendien de voet kan op deze gewijde hoogte geene plaats betreden, waar niet vonken uit het verleden uit den grond opspatten en overoude sagen den wandelaar omruischen.”
„En toch,” hernam Pericles, „terwijl de voet in het stof van het verleden ronddoolt, zwerven de oogen van deze hoogte vrij in het verschiet en baden zich in de volle schoonheid en frischheid van het heden. Zijt gij moedig en behendig, Milesische vriend, volg ons dan over de rots naar de hooge bergvlakte, waar de machtige schutsmuur der Acropolis op uitloopt.”
Lachend snelde de jongeling vooruit en weldra stonden de drie mannen op de verheven sterkte.
„Hoor nu eens,” zeide Pericles, „wat u dit schoone, bochtige Attische strand zegt, deze schitterende golven, deze eilanden die hunne bergtoppen uit het schoonste zeegroen in het schoonste hemelsblauw verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen zeeboezem Aegina [126] op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven verborgen zich de wilde „Miermenschen” van den voortijd. Thans echter verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen [127] Zeus, welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts, korter nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der helden. Behoeft wel de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken held te blozen, die van daar tegen Ilium [128] optrok? Werd niet juist daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam begroet, door ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar de Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor Attica verheffen, den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand reikende, daar verhalen overoude sagen van leeuwen, die in de woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen geworgd, hunne harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en leeuwenkracht hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die geërfde leeuwenmoed, waardoor, vlak achter die hoogten, op het slagveld van Marathon, de schitterendste aller overwinningen behaald zijn geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig delven wij op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke Pentelisch marmer en verzamelen den honig van de beroemde Hymettus bijen. Daar achter de Acrocorinthus [129] verheft zich het geweldige Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste nevelsluier in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe [130] uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen groet niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige Peloponnesus toezendt. Ziet ge die bochtige kusten met de steile hoogten van Argolis en daarachter Arcadië’s bergen? Zoo dikwijls ik over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen roem naar gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo zonderling te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet leggen—het is, alsof zich achter die bergen het sombere Lacedaemon verhief en dreigend daarover heen blikte.”
„Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het verschiet zweeft,” viel de dichter in. „Is het niet beter, in plaats van het oog te slaan op gindsche bergen van de Peloponnesus, volop te genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben? Jongeling, laat u niet verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen. Verlustig u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land daar beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u toelachen, de bezitting van den nooit vermoeiden Athener, die zoo mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne vruchtboomen en zaadvelden zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen oppassen en zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen tusschen de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der Goden en steenen monumenten naar alle zijden heen. Hier naar den Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het schoonst en heerlijkst echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad der mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren populieren en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad zelve daar uitgestrekt tusschen den Ilissus en den Cephissus, de kristalheldere maar kortlevende stroompjes; op de bergen nabij de stad ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee, maar zijn tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te bevochtigen, of borrelend in duizende bronnen hun jong leven te verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke oase in het zonnige land van Attica zijn de dalen, waar onder het heldere groen der olijven de schoone beekjes van den Cephissus klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne geboorteplaats, de heuvel van Colonos [131]. Uw krijgszuchtige vriend Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de schoonste rossen geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft uitgevonden. Maar ik zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe winden blazen, dat daar de wijnstok en de vijg bloeien, dat daar, bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren en de viooltjes en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop...”
De trekken des dichters gloeiden van geestdrift, toen hij in de heldere oogen van den jongeling blikkende, de bekoorlijkheid van zijn geboorteland prees. Eindelijk vatte hij zijn hand en zeide: „Kom toch zelf eens in mijne schoone landstreek, of nog liever, ga terstond met mij en breng den dag door in mijne landelijke woning aan den Cephissus-oever; ik zal u mijne cithers en lyren laten zien en we zullen, als gij er lust in hebt, op de wijze van Arcadische herders, een kleinen wedstrijd houden in zang en snarenspel.”
De citherspeler glimlachte. Pericles zeide na eene pause: „Ik zelf zal weldra den jongen Aspasius als gids naar uwe landelijke woning geleiden; gij hebt ook voor uw wedstrijd in gezang en snarenspel wel een kamprechter noodig”—
„Dus heet de jongeling Aspasius?” riep de dichter uit; „die naam herinnerd mij aan een schoone Milesische, van wie ik in den laatsten tijd veel heb hooren spreken”—
De citherspeler bloosde.
Die blos trof den dichter. Hij hield nog steeds de tot afscheid gereikte hand van den jongen Milesiër in de zijne. En zie, op dit oogenblik werd een gevoel in hem levend, dat hij ongetwijfeld vroeger reeds ondervonden had, maar zonder zich daarvan bewust te zijn.
Hij voelde namelijk op eens duidelijk, dat de hand van den jongen Milesiër zeer fijn, zeer warm en zeer zacht was. Een oogenblik later was hij overtuigd, dat de hand te fijn, te warm en te zacht was, om aan een mannelijken arm, al was die ook nog zoo jong en teer, toe te behooren. De eene helft van het schoone geheim las hij in de purperen kleur op de wangen van den citherspeler, de andere helft had hij, om zoo te zeggen, in zijne hand....
De dichter vergiste zich niet. De hand, die hij in de zijne hield, was niet die van een jongeling. Het was de hand van de schoone Aspasia.
Pericles en de Milesische hadden elkander in den loop der maand, na die eerste ontmoeting ten huize van Phidias, het eerst bij Hipponicus, den goedhartigen gastronoom, die met Pericles bevriend was, wedergezien. Zij ontmoetten elkander dikwijls en ten laatste zouden zij het liefst niet meer van elkaar gescheiden zijn. Aspasia kleedde zich in mansgewaad en vergezelde haar vriend soms onder de vermomming van den „citherspeler van Milete.” Zoo was zij ook heden met hem naar de Acropolis gegaan. Onder weg had zich de treurspeldichter bij hen aangesloten. En zijne ontvankelijke en gevoelige ziel was zonderling getroffen geworden. Door eene betoovering was de dichter in dit gezelschap aangegrepen, die hem zelven onverklaarbaar was. Nu zag hij dit raadsel opgelost. In verwarring liet hij de fijne, zachte hand glippen. Weldra echter greep hij ze weder en zeide met een veel beteekenenden glimlach tot zijn vriend Pericles: „ik bemerk dat Apollo, de God der zieners en dichters, mij nog steeds gunstig is. Hij heeft mij den verren weg naar Delphi bespaard en zelfs mijne nachtelijke sluimering heeft hij niet afgewacht, om mij met openbaringen in den droom te verschijnen; maar plotseling heeft hij mij de gave verleend, onbedriegelijk uit de hand des menschen te voorspellen, en vooral daaruit het geslacht op te maken, ook dan wanneer men het nog zoozeer wil verbergen”—
„Gij zijt van oudsher een lieveling der Goden,” zeide Pericles, „en voor u hebben de Olympiërs geene geheimen”—
„Daar doen ze wèl aan,” hernam de dichter. „Ik reken onder hen ook den Olympiër Pericles”—
„Wat uwe chiromantiek [132] u ook over het geslacht van den Milesischen citherspeler moge verraden hebben,” zeide Pericles, „zeker is het, dat hij recht heeft in mansgewaad te gaan en een mannennaam aan te nemen. De aard der vrouwen is doorgaans ontvankelijk en lijdelijk. Deze daarentegen is van eene steeds werkzame en vruchtbare natuur, en gij kunt hem niet naderen, zonder dat hij invloed op u oefent en een zaadkorrel in uw ziel achterlaat.”
„Ik kan u verklaren,” zeide de dichter, „ook in mij heeft hij zooeven eene dichterlijke vonk, door een paar los daarheen geworpen woorden tot eene heldere vlam aangeblazen. Het is zonderling, welk eene kracht wijze gedachten, door een schoone mond geuit, op ons hebben!—Hoe verleidelijk is het, zich aan zoo’n gewenschte macht nog langer over te geven! Maar de zon neigt achter de hoogten van de Acrocorinthus ten ondergang. In dat boschje slaat een nachtegaal, die, naar ik geloof, uit het vlek Colonos over is gevlogen, om mij te vermanen naar huis terug te keeren. Van den hoogsten top der Acropolis tot gindsche hoeve, die gij daar op de helling van den kleinen heuvel, door de wateren van den Cephissus omspoeld, uit het groen der olijven ziet uitsteken, is een tamelijk lange weg af te leggen. Ik neem derhalve afscheid van u en niettegenstaande de veranderingen, die inmiddels hebben plaats gegrepen, en welke bekoorlijker zijn, dan alle die de mythen ons verhalen, herhaal ik mijne woorden: Kom over naar de streek van Colonos; vlucht daarheen, wanneer u de nabijheid der menschen te drukkend wordt, en breng daar een dag door in de eenzaamheid.”
„We zullen uwe woorden niet vergeten!” zeide Pericles. „Doch laat uwe Muze u volgen in uwe eenzaamheid. In den wedstrijd van alle kunsten moet ook de tragische naar den hoogsten trap streven. Gij hebt ze van de stroeve strengheid van uw voorganger [133] tot zachtheid en reiner menschelijkheid gebracht. Laat uwe nieuwe tragedie den schepper der „Electra” waardig zijn, opdat wij het weldra als de liefelijkste en rijpste vrucht van Sophocles’ Muze moge prijzen en genieten.”
„Mocht slechts,” hernam de dichter, „de geest van dezen citherspeler, van wien ik nog geen citherklank heb gehoord en die mij toch reeds betooverd heeft, mij omzweven. Het schijnt, dat hij de harten der staatsmannen en dichters zich heeft uitgekozen. om zijne melodieën daarop te spelen...”
Zoo sprak de man met het heldere voorhoofd en de klare, bezielde, vriendelijke oogen; hij drukte zijn vriend de hand, boog voor de verkleede Milesische en verwijderde zich langzaam, evenwel niet zonder nog eens om te zien; hij daalde de Acropolis af.
„Verontrust u niet, omdat hij in ons geheim ingewijd is,” zeide Pericles tot Aspasia.
„Ik wilde juist hetzelfde aan u zeggen”, hernam Aspasia glimlachende.
„Hebt gij dan zoo spoedig die edele, dichterlijke ziel doorgrond?” vroeg Pericles.
„Zij is zoo klaar en spiegelhelder tot op den bodem, als de wateren van den Cephissus,” antwoordde Aspasia. „Maar laat ons nu ook de helling afdalen, want ik gevoel mij door den zwoelen zomeravond vermoeid en mijne lippen smachten naar een verfrisschenden dronk”—
„Welaan dan,” zei Pericles, „we gaan slechts eenige schreden rechtsaf buiten dien muur, en we hebben de Pansgrot met hare beroemde wateren vlak voor ons, die onmiddellijk uwe lippen de gewenschte lafenis zal bieden.”
Pericles en Aspasia daalden een aantal trappen, die in de rotsen gehouwen waren, af. Toen bereikten zij de grot en de bron die daarvóór uit den grond ontsprong. Het was de bron Clepsydra, wier wateren soms in den grond verdwenen en dan weer plotseling opborrelden.
Aspasia schepte water met hare holle hand en dronk.
Toen schepte zij andermaal en bood de handvol helder, verfrisschend water met dartele vriendelijkheid Pericles aan. Deze dronk het water glimlachend uit hare holle hand.
„Geen koning der Perzen,” zeide hij, „heeft ooit uit eene zoo kostbare schaal gedronken! Ze is echter zoo klein, dat ik haast vreezen moet, haar met den dronk in te slikken.”
Aspasia lachte en wilde de scherts beantwoorden, doch op hetzelfde oogenblik verschrok ze, want ze bemerkte plotseling een gelaat, dat uit den achtergrond der schemerdonkere grot met een soort van goedaardigen, boerschen glimlach op haar neerzag. Naderbij tredende, bevond zij, dat het een vrij ruw bewerkt beeld van den God Pan [134] was, aan wien de grot was gewijd.
„Vrees niets,” zeide Pericles, „de herdersgod is goedaardig van karakter.”
„Soms ook van een boozen aard,” hernam Aspasia; „de verhalen der herders omtrent hem loopen uiteen.”
„Voor ons Atheners ten minste,” hervatte Pericles, „heeft hij zich bovenmate goed betoond. Den hardlooper Phidippides, die naar Sparta ijlde, om de Spartanen ten spoedigste tot hulp tegen de Perzen op te roepen [135], verscheen de God in het gebergte op de grenzen tusschen Argolis [136] en Arcadië[136], waar hij inheemsch is; het beviel hem, dat de kerel uit vaderlandsliefde zoo ademloos over de Argolische bergen liep en hij kreeg een goeden dunk van de Atheners, over wie hij zich vroeger niet erg had bekommerd. Hij kwam zelf om ons te helpen naar Marathon en wij overwonnen, zooals bekend is, en de dankbare Atheners verzuimden niet, hem na de overwinning dit kleine heiligdom in de grot op de Acropolis op te richten.”
„Pan mag zoo goed zijn als hij wil,” zeide Aspasia, „deze grot is echter te bekoorlijk voor den boeren- en herdersgod.”
„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles, „en nog meer dan gij zelve denkt: wanneer het namelijk waar is, wat de oude sage bericht, dat juist deze grot de plaats is geweest van de belangrijkste bruiloft, die er ooit in de Grieksche wereld gevierd is geworden—dat hier in de vertrouwelijke schemering der grot, de God des lichts Apollo, in liefde ontstoken voor de rozenvingerige dochter van Erechtheüs Creüsa, zich met haar verbond en dat de vrucht hunner liefde Ion de vader werd van onzen Ioninischen stam!”
„Hoe?” riep Aspasia geroerd uit, half schertsend, half ernstig, „is dit hier de bakermat van den edelsten stam der Grieken, die ginds bloeit in de landouwen van Attica en op de kusten van mijn geboorteland? En de Atheensche jonkvrouwen tooien de wanden dezer grot niet dag aan dag met kransen van rozen en leliën? En in plaats van den schitterenden God Apollo staat hier grijnzend met zijn breed gezicht de plompe Arcadiër, een vreemdeling uit die vijandige, sombere bergen van de Poloponnesus?”
„Waarom,” antwoordde haar Pericles glimlachende, „waarom vaart gij zoo heftig uit tegen den God der berg- en woudstilte? Ik ken er geen, onder wiens bescherming een verliefd paar vertrouwelijker kan keuvelen, dan onder dien van den God van den idyllischen vrede en der vreugde”—
„Nu,” riep Aspasia, „voor één ding althans, voor de schaduwrijke koelte, die hij hier in de grot mij schenkt, ben ik hem dankbaar.”
Met deze woorden nam zij den Thessalischen hoed van het hoofd en zette dien op het hoofd van den herdersgod. De goudgele, heerlijke lokken golfden van hare schouders af.
„Och, mocht ik toch weldra,” vervolgde zij glimlachend, „het geheele gewaad van den citherspeler aan den eerlijken Pan wijden, evenals dit hoofddeksel! Waarlijk, het wordt mij lastig. Hoe lang moet ik nog onder dezen dwang gebukt gaan? O gij Atheners, wanneer zult gij het der vrouw vergunnen vrouw te zijn! Ge moet toestemmen, Pericles, gij Atheners zijt niet de waardigste zonen van Ion, die in deze grot geboren werd. Gij hebt te veel van het Dorische karakter in u opgenomen. Gij moet het hoofd buigen voor de nazaten der landverhuizers van uw eigen stam, die op de kusten van Azië zich reiner, vrijer en vuriger hebben ontwikkeld”—
„En doen wij dat niet?” zeide Pericles met een veel beteekenenden glimlach zich tot Aspasia buigend, die op een breed, uitstekend, met mos begroeid rotsblok zich had neergezet. „Doen wij dat niet?” herhaalde hij en drukte haar geurig gelokt hoofd tegen zijne borst.
„Pan is luimig,” riep Aspasia. „Hij beloofde mij verkwikking in zijne grot, maar hij schijnt met zijn adem heimelijk de zwoele avondlucht nog drukkender te maken”—
„In der daad,” zeide Pericles, „bijna bedwelmd omgeeft ons de lucht, zwanger van den geur van de thym en wilde rozen.”
Terwijl Pericles en Aspasia zoo praatten, was het blauw des hemels in een gloeiend rood veranderd. De lange Hymettus-keten was geheel gedoopt in den rozenkleurigen gloed. Langzaam was de zon achter Arcadië’s bergen ter kimme gedaald. Over de bergtoppen van den Brilessus flikkerde van tijd tot tijd uit het zwangere zwerk door de zwoele lucht een matte bliksemstraal.
„Aspasia,” riep Pericles, „de boodschap, die gij als Grieksche uit het vroolijke Ionië den Grieken overbrengt, zij weerkaatst, als het weerlicht in die zwangere wolk, zwoel en rijk aan zegen, in mijne ziel en in alle geesten van Attica! Zij zal werkelijkheid worden, deze boodschap: in den engsten kring tusschen u en mij, in den ruimsten van geheel het Atheensche volk! Wij gevoelen allen eene nieuwe kracht, een nieuw vuur in ons en wij zien dat het Helleensche volk streeft naar zijne hoogste ontwikkeling!”
Zoo sprak Pericles en drukte een gloeienden kus op de lippen van Aspasia. Het was dezelfde gloed, het was dezelfde kracht, het was de kiem van dezelfde levensvolheid en levensschoonheid, welke de vuist van den strijder bij Marathon, den beitel van Phidias, de stift van Sophocles, den redenaarsdonder van Pericles op de Pnyx en zijn brandenden kus op de lippen der schoonste Grieksche vrouw bezielde....
Wanneer een vertrouwelijk paar als dit, waarin het menschelijke wezen tot den reinsten, weelderigsten en edelsten bloei is ontwikkeld, in een kus elkander beroeren, dan is dit de hoogste zaligheid van het leven en eene huivering van vreugde doortrilt heimelijk het hart der wereld van de eene pool tot de andere; ook die kus is te vergelijken met dien bliksem van den zwoelen zomeravond boven de toppen van den Brilessus.
Zielen ontmoeten elkander als van vonken zwangere wolken.
Maar de wolken ontlasten zich—de menschelijke ziel voedt den gloed. Dronken was de ziel van Pericles, toen hij met Aspasia de helling van den berg bij het schitterend licht der fonkelende avondster afdaalde. Hij drukte de schoone zacht aan zijne borst, en zeide, met het oog op het door de maan beschenen reusachtige beeld der Godin van Phidias:
„O Pallas Athene, leg den metalen helm af, en vergun den nachtegalen der Cephissus-valleien daarin te nestelen!”