← Aspasia

XXIII. HET DIONYSUS-FEEST…

Part 7 of 7 · Hamerling, Robert · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64986, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (25)

Continue:

XXIII. HET DIONYSUS-FEEST

Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van den Hymettus, den Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente. Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen getooid.

De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los, richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen en hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.

Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.

Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste, verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en uitgelatenste feest der Atheners.

He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke, dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende, overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende aapjes.

Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den Ilissus.

Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche fluitspelers, die anders blazend de landelijke streken plegen te doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken, waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.

Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen, die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de maat geslagen wordt bij het gezang.

Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen: hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus, ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten, Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe [399] bedwelmt, Pitho [400] vleit, Apate [401] lokt, Hybris [402] is dolzinnig en zelfs schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.

Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.

Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als een plicht jegens den God in deze dagen en nachten beschouwd.

En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den „Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd. Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten, dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde doodskop verborgen is.

De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.

Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig rumoer.

Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het Lenaeüm [403] naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God, dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude, houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude, eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den Dionysus-schouwburg. Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.

Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers te plengen of offerdieren te slachten.

De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de straten.

De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd van zijn gezelschap.

„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook reeds razen en tieren, op het Dionysus-feest verplicht zijn, dubbel te razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien van de stad der Atheners!”

Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.

Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.

Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en dwingt haar zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne Ariadne [404] en zich zelven haar Dionysus.

Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.

Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in overdreven taal begon te roemen.

Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten. Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië naar Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische, hoofdige kind afstand doen.

Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig voorkomen.

„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen? Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het! Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”

Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden. Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig, trouweloos, misdadig, meedoogenloos.

„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve ouder geworden zijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert. Ook ik moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude, kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”

Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.

„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”

Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te zullen voldoen.

„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—

„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.

„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der hartstocht gedreven, veel op Io [405] die door eene door Hera gezonden paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”

Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.

Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’ dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en over alle landen werd voortgedreven.

In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.

Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen, toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.

Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen bedekten zich met een licht schuim.

Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.

Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus meende zij den honderdoogigen Argus te zien, en plotseling het oog strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht; verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het meisje storten.—

Theodota was krankzinnig geworden.—

Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in onsamenhangende, onzinnige taal.

Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op, waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in haar maalstroom voortsleurde.

Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd, waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.

Dit geschiedde juist nu weder.

Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk gezicht opleverden.

Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.

Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen droegen.

Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige, bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die den vroolijken Dithyrambus [406], voorstelde.

Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.

Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom versierd met tragische en comische maskers, genen ernstig en waardig, dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.

Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop of struikwinde [407] bekranst.

Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den wijnstroom in bekers opvingen.

Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld, gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten lachend bij deze fonteinen, duiven omfladderden de grot, vlogen uit en in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich trachten te redden.

Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst van Dionysus gewijd.

Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den feeststoet potsierlijk nabootsten.

Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar der twaalf Olympische Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus, waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar bewoog.

Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de aandacht tot zich trok.

In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele, die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars, apostels van Sabazius [408], een God, oorspronkelijk met Dionysus overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden, alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te verkondigen.

De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld, door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.

De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig van zulke dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel te schieten.

Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige Hellas over te planten, dan Aspasia, en met alle middelen, die haar ten dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades, wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was, stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en kwakzalvers ter zijde.

Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de zoogenaamde Sicinnis [409]. Daarbij geeselden en verwondden zij zich tot bloedens toe.

Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de zelfverminking.

Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.

„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der Bacchische feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”

Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige jongelingen viel op den Metragyrt aan, sleurde hem voort en, gedachtig aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem in den naburigen afgrond, het Barathron.—

Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de leerlingen van Aspasia.

Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?

Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede voortgetrokken door de onbeteugelde reien.

De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.

Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot vermetelheid.

Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.

Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.

Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het meisje aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende schemering met geweld weg te voeren.

Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers verdwenen.

Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het huis van Aspasia bereikt had.

Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.

Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten bestormd werd, niet beantwoorden.

„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen; mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af! Wie weet welk een grijnzenden kop wij dan zullen zien!”

Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne krachtige armen baande hij zich een weg door het gewoel en ijlde naar huis terug.

Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich neder en verzonk in diepe gepeinzen.

Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen indruk, zich van zijne ziel meester maakte.

Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich. Eensklaps stond Aspasia voor hem.

Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem aldus minzaam aan:

„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te genieten?”

Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.

„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia. „Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere menschen willen leven? Zijt gij misschien heimelijk op Pericles verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”

Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een dergelijke veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.

Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te onderzoeken.

Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.

De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs over zich.

Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.

Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden! Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en waren deze pogingen niet altijd mislukt?—

Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed lachen.—

Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden aangegrepen.

Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.

Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar neergezet, haar Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis teruggekeerd, het peristylium doorging.

Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.

Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie zij was uitgegaan.

Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de afgeplukte bladeren der bloemen.

Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het bijna den lachlust opwekte.

Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:

„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”

Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende, scheen te liggen.

„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind, en ik zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora? Spreek!”

Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.

„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.

„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.

Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.

„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem. Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun bestaan verheugen?

„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en gelukkig zijn?”

Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op aarzelenden toon:

„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”

„Zonderling kind!” riep Pericles.

Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.

En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele karakters kon wekken.

Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind had.

Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan de machtige hoede der goden.

Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.

Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterras geëindigd had, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen jongeling.

En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.

„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof dat zij niet minder dan Manes behoefte heeft aan vriendelijke toespraak!”

Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.

Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende ranken was aangebracht.

Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar het zijne met het Arcadische meisje.

Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:

„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”

„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?” vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij, ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”

„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.

„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”

„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.

„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia: „liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin. Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten zijn!”

„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het mij onwederlegbaar voorgekomen. Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te verwinnen?”

„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”

„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,” vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst verdooft?”

„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”

„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet huiveren”——

„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker, waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der natuur”—

Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich gereed zich in huis te begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk onderhoud gewikkeld.

Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.

Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden bemerkt hebben.

Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het gezelschap van den ander gezocht had.

’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een gesprek met elkander.

Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.

Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig, Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak, volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds noordelijk moet gaan, en dikwijls droom ik ook, dat ik naar het Noorden trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen leven en met hen jagen op de wilde dieren?”

„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan, omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht zelfs een koninkrijk.”—

„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar ’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”

Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:

„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En ’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—

Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze begon hij weder:

„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen! Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik overal, waarheen ik u voer, mijn vaderland terugvind, ja zelfs een koninkrijk.”—

Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven. Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de Bacchante!—

„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden willen brengen.”

„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen, hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”

„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der natuur onderworpen is.”

„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort van smartelijke, hartstochtelijke liefde is voor de menschen even erg, als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde groeven!”

Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.

Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.

Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.

Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.

Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam, met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds vergaderde gasten.

Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t huis.

Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen. Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte. Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te vergeefs.

„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de geheele school van Aspasia ziet ernstig en fronst de wenkbrauwen, als de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige, bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”

„Doe dat gerust!” zei Simaetha.

„Dat zal ik!” riep Alcibiades. „Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen te doen dansen!”

„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias; „hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”

Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”

„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk, „al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij geven.”

„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.

„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij wilt!”

„Top!” riepen Callias en Demus.

Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.

„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades, „daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten en besten vriend verloor? Hij heeft zijne trouw jegens mij verbroken en eene vrouw genomen.”

„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.

„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.

„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.

„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”

„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van gehoord.”

„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend, dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten. Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den nymphagoog [410]. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende; de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”

„En de bruid?” vroegen velen.

„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk erfdeel bezit. Socrates getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen! En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren, dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk, Aspasia?”

„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het sombere zijn wij bondgenooten.”

Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.

Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes, de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne stille legerstede opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte den slapende uit zijne rust opgedreven.

Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden, door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den spookachtigen wandelaar.

Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te volgen.

„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld deel doen nemen aan ons feest!”—

Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het dakterras.

Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.

Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak, langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend in de diepte zou neerstorten.

Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes in slaap wandelde, toegesneld.

Ook Pericles verscheen.

Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”

Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.

Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat door de loshangende lokken omgolfd, staarde Cora naar den slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak, deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem onder zich voelde.

Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester en bezwijmd zonk zij ineen.

Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de kaken henen vlood.

De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen. Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke, opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.

Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.

„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen getuige geweest is van dit tooneel!”

„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.

„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat ware liefde is.”—

Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen zeide zij: „en gij?”

Pericles antwoordde:

„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe plaats aan ons in!”

Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat. Toen sprak zij:

„Gij zijt geen Griek meer!”

Weinig in getal waren de woorden, die hier gewisseld werden, maar zij waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.

Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.

Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.

Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche, schoone en heerlijke gebouw ineen.—

Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van Pericles afgewend.

Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek, Aspasia terug naar hare gasten.

Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.

Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was; hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.

En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates dit tooneel niet had bijgewoond.

„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene soort van slaapwandelaar, iemand die door de maanziekte der wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had, „ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te trouwen, Sabazius-dienaars in de straten, maanzieken op de daken, de Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de pest—”

„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in het huis van Hipponicus.”—

„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.

„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—

„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”

„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias. „Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en vreugde; niet achteruit, zooals gij meent. En welke donkere, dreigende wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”

„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken, tegen elkaar.

„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school, die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder, Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus! Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen, waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een poos laten wachten!”

Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met Alcibiades te verzoenen.

Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen, opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid onderga.”

„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades. „Wij willen Simaetha tot koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—

„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”

In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.

Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes omslingerd.

Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.

„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha, behoort de toekomst!”—

De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de schitterende koningin der vreugde geledigd.

„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—

„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het Parthenon!”

Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde, vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het gesloten verbond met een kus bezegelen.

Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar gezicht verspreidde.

Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een plotselinge, geweldige hoofdpijn.

Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis te snakken.

Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend ijzer vielen.

Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.

De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te klagen.

Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.

Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.

Men had Pericles geroepen.

Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.

„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.

Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.

„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij. „Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”

„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.

„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.

„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.

Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in de vergadering.

Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.

De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.

Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in stilte te verwijderen.

Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste van allen.

„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”

Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.

Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij, lustige Ithyphallers?”

„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere machten zegevieren”— —

„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende. „Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXIV. DE SATYR EN DE BACCHANTE

In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend, onheilspellend gekras deed hooren.

Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den uil op den gevel van het Parthenon.

Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen der Acropolis af, als eene doodstijding.

En waarlijk zoo was het.

Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.

In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de hoogte der Acropolis.

De Erechtheüs-priester ontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor: „Op, uw tijd is gekomen!”

En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op Hellas!”

Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en de Pest.

De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der Bacchanten weergalmende stad der Atheners.

Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke, jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.

Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van een daemon.

Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te worden.

Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan voor geheel Hellas.

Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie [411], het meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij voegden zich de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.

De Helleensche „kalokagathia” [412] moest verbroken worden—niet meer moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich het Helleensche leven had mogen beroemen.—

Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst, voor verlammende bezorgdheid.

Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen [413].

Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend, een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw, met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier, evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden geesel der volken.

Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood bij holle oogen, spitsen neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten, handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner vrienden herinnerden.

Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben, dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden, zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.

Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.

Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof. Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen, bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver betracht.

In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.

Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld [414] in den mond gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en bekranst met klimop, op een leger in het peristylium van het huis tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels. Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste, vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—

In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten spoedigste van bevrijd te zijn.

Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd werden.

Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen, totdat het vuur door de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de smeulende brandstapels.

Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls met de honden.

De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open, omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal en onbeschaamde plundering.

Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.

De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hare afschuwelijkste vormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef, vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t ware der Koningin Pest een feestdronk wijdden en lachend hare verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden. Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden ontheffen.

Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op, zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.

Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.

Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de genotzucht tot eene ziekelijke hoogte opdreef, gold echter ook hier de algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit. Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.

Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden, en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen werden.

Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken: ’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep: „De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat de wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den Phrygischen God [415] beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een behoedmiddel tegen de ziekte.

Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!

Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde: vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen, waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere wolken zou ondergaan.

Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude, maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde, bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.

De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad: andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij op de kusten van de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand, Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie uit.

Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.

Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het gevaar geringer scheen.

Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne voeten in schuim spatten.

Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide. Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken, aan niets zijn hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht over zijn gemoed te verleenen.

Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.

De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.

Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest, hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten, zonder vrees van de woeste Ithyphallers en het gapende Barathron.

De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten, slaags raakten, terwijl deze zelven echter òf altijd weifelden òf van partij veranderde? Het opperbevel van één enkele was niet meer mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.

Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug. Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.

De Erechtheüs-priester was door de pest aangetast geweest, doch weder genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het doodsgevaar.

’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.

De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.

Op dit oogenblik kwam de Erechtheüs-priester daarlangs, vergezeld door eene menigte zijner aanhangers en vrienden.

Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.

Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon toen tot het volk te spreken.

„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd, hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer, konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne asch naar alle windstreken verstrooid!”

Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld. Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en verdediger van Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid te helpen.

„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een plaatsje zijn voor hem!”

Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den ongelukkige voort te sleepen.

Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het buleuterium [416] te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de oorzaak daarvan.

Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.

Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.

En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een tweegevecht tegenover elkander.

„Terug, Alcmaeönide!” riep de Erechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet, waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot en ijdelen glans heeft gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft naar de woorden der godloochenaars!”

„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon, „waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft afgewend!”

„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen, hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw bloed afgewend te worden!”—

„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”

Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.

„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb aangeboden in de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij, Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken, maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”

Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd ongeduldig.

Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des vijands wilde achterlaten.”

„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”

„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle overheden te Athene geen recht kon krijgen.”

„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.

„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw gedragen!” klonk het [417].

Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig vast.

„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche menigte op:

„Laat Pericles los, Pamphilus!”—

Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken zich niet vergrijpen.

„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel voortwoedt over ons!”—

Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles, Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der vreeselijke ziekte.

Met innig welgevallen wees de Erechtheüs-priester op den thans duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het geslacht der Alcmaeöniden geheel wilden verdelgen.

Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer, en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den man hadden gebracht.

Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.

Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.

In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden, beslissenden slag te slaan, was gekomen.

In eene weinig bezochte volksvergadering werd door lage boosheid voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het voorstel aan.

Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?

Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles heeft ontwrongen!

Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden, zijne bekwaamheden op te vijzelen.

Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint tot het volk met vuur te spreken.

„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten. In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik, dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij vogelmelk te koop hebben...”

„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”

„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene. „Ik ben een Atheensch burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de huizen naar de brandstapels sleepen.”

Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.

De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan volstrekt niet, maar vervolgde:

„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”

„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk man?”

„Pas op, Pamphilus!” riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”

„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been oplichtende, om zijn tegenstander een trap in de lendenen te geven.

„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren en uw ingewanden dooreen klutsen!”

Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van pestlijken.

„Terug!” riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling! Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—

„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen! Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten, opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die eene knots [418] draagt, is daarom een held.”—

Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden logica.

Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.

Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden Pericles in al zijne ambten en waardigheden.

Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.

Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe besluit des volks bracht.

„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem gelukwenschende.

„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij zelven!—

„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—

„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles. „Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten bloei ontwikkeld te zien.”

„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”

Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—

Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.

Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht, waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische land van de kloven en hoogten van den Pindus. Dof sloegen in den Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde. In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.

In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.

Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde zich daaraan; nu en dan nam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër, die hij uit een door de pest ontvolkt huis weggenomen had, welks voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.

Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.

En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij eene bron, die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.

Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk vermengd is met de walmen des doods?”—

Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos zweefde...

Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond. Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.

Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!

Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder bewaker.

Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte, die hem omgaf.

Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber flikkerende lichten.

Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.

Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met groenende klimopranken.

Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos als een steenen beeld.

Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan, zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.

Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.

Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en met welks verval hij zelf ook het leven verliet.

Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen...

Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?

Aan haar geest ging eene schitterende reeks van schoone, grootsche, heerlijke herinneringen voorbij.

Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de schoonheid hem in banden sloeg.

Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche plannen en verwachtingen.

In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.

Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den geest en den zin der schoone vrouw, met wie hij het schitterend vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.

Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het bleeke gezicht der vrouw.

In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de lijkbaar van den edelste zijner zonen...

Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens zoo levenslustige Hellas!

Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates wisselden.

Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten lagen.

Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden gewisseld.

Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—

Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen gemoed.

Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden. Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden slechts enkele verflauwende sterren.

Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen, vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.

Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende Agoracritus.

„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker in Phidias’ werkplaats aan den denker.

„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen, wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en op het ziekbed heeft geworpen.”

Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide zacht:

„Hij is dood.”

Agoracritus zweeg getroffen.

Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.

„Dood?” vroeg toen Agoracritus.

„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.

Wederom zwegen beiden een tijd lang.

Eindelijk begon Agoracritus:

„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten deel gevallen Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield had.

„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden, voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem wenkte, te vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten adem uit.

„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met onbenevelden geest heenging.

„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.

„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel, die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en besten heen zijn gegaan!”

Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.

Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken zag Socrates ook den dollen Meno liggen.

De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den brandstapel geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep huilend om den brandenden hoop.

Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.

Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!” sprak hij.

„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich zelven bij—

Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen der Atheners met de open dreven afwisselden.

Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door de lucht scherende.

Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.

’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene geboorte, een ontwakend leven...

Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij betrad het huis van den hem bevrienden man.

Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn, hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.

Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om ’t hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt zij weder weg.

Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:

„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!” [419]

Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens ontsluieren.

De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt, zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.

Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:

Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel, zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—

En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden; zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van een Galilaeër de wereld veroveren—

Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der zelfkastijding en zelfverloochening—

Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.

Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk naar dit vaartuig.

Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.

Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.

Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos, voor het laatst de stad der Atheners.

Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel, die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.

Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.

Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.

Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide Propylaeën op uit de verte.

Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin van den berg.

Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.

En het scheen te zeggen:

„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde. Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de eeuwige glans der wateren in zijne golven!”

Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.

Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het Schoone.

EINDE.

AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.

DEEL I, PAGINA 24.

Men spreke uit: Ictinus, zoo ook Hipponicus, Cratinus, daarentegen Prómachos, Pápyrus, Pháleron, Agorácritus.

DEEL I, PAGINA 149.

De klemtoon worde op de volgende namen aldus gelegd: Pasicòmpsus, Execéstides, Astrámpsychus, Mnesárchus, waardoor het eigenaardige van die harde, ruw klinkende woorden, in het oog valt. De lezer bederve dat niet door eene verkeerde uitspraak.

DEEL I, PAGINA 320.

De bijzonderheden van deze schildering aan den zeeslag bij Tragia zijn geheel verdicht, alleen overeenkomstig met de behoefte van den roman, om het karakter van Pericles in zijne kracht en heldenmoed uit te doen komen.

DEEL II, PAGINA 349 EN 350.

Het in het vorige jaar verschenen dichterlijk album „Egeria” (Eger 1875), alsmede de epische dichtbundel „Orient und Occident” van K. B. v. Hansgirg bevatten een gedicht „Phidias” getiteld, waarin, evenals hier, Pallas Athene den stervenden beeldhouwer verschijnt. Hansgirg geeft zelf in het laatste boek, pag. 79, het jaar 1874 op, als het jaar, waarin dit gedicht werd opgesteld. Mijn verhaal daarentegen van Phidias’ dood werd reeds in 1873 geschreven en daar deze geheele roman in de eerste maanden van 1874 in het bureel van de Weener „Neuen freien Presse” aanwezig was, kan ik mij ook nog op het getuigenis van hen, die het werk daar in handen gehad hebben, beroepen, dat, hoeveel ook sedert in het handschrift van „Aspasia” veranderd is geworden, toch juist dit tooneel reeds toen woordelijk zoo geschreven was, als het thans in druk verschijnt, zoodat derhalve aan plagiaat niet kan gedacht worden.

AANTEEKENINGEN

[1] Zie Noot 3 op pag. 24.

[2] Een Grieksch woord, dat eigenlijk verzameling en en verzamelplaats beteekent, van daar de markt.

[3] Faunus eig. een oude mythische koning van Latium, later als landgod geëerd, werd dikwijls met den Griekschen herdersgod Pan verwisseld, evenals zijne kinderen de Fauni met de Satyrs, die tot het gevolg van Pan behooren.

[4] De voornaamste der drie havens van Athene, waartoe Pericles in 482 v. C. reeds de grondslagen gelegd had. De twee oudere havens waren Zen en Munichia.

[5] Een zeeboezem, vroeger als haven gebruikt.

[6] Athene stond onder de bijzondere bescherming van de Godin Pallas Athene, dochter van Zeus, v.d. ook Athene Polias (beschermster der stad) geheeten.

[7] Pericles behoorde van vaders kant tot het geslacht der Buzygen, van de zijde zijner moeder (Argariste) totdat der Alcmaeöniden.

[8] De burg van Athenen.

[9] Een hoed met breeden rand, vooral een reishoed, zooals doorgaans de jonge mannen (Epheben), droegen.

[10] De Godin der jacht, dochter van Zeus en Leto (Latona), overeenkomende met de Romeinsche Diana.

[11] Eig. eene zuil, voor de zuilengaanderij te Athene, gebruikt tot opteekening en bekendmaking van wetten; beroemd is de poikile (de bonte) met muurschilderijen van Polygnotus.

[12] Eig. een proefstuk, ook in de havens te Athene en Rhodus de plaats, waar de kooplieden hunne waar ten toon stelden.

[13] Pontus (Euxinus) is de Zwarte zee.

[14] Namen van slaven in de Grieksche comedies veel voorkomende. Phormio komt voor als de naam van een berucht tafelschuimer.

[15] Hiermede wordt doorgaans het Attische talent bedoeld, dat 60 minen bevatte, plus minus ƒ 2640, later (in de 4e en 3e eeuw) slechts ƒ 2497. Het Euboeiscbe talent was ongeveer ƒ 3675, het Aeginetische en Babylonische ƒ 4400, later slechts ƒ 3937.

[16] Een licht, snelvarend oorlogsschip, met drie rijen roeibanken boven elkander.

[17] De plaats, waar de volksvergaderingen te Athene gehouden werden, bij den heuvel Lycabettus, tegenover de Acropolis en de Areopagus.

[18] Bevelhebber over eene triëre of galei; ook degeen te Athene, die alleen of met andere burgers eene triëre voor den staatsdienst moest uitrusten, over welke hij òf in persoon òf door een plaatsbekleeder het bevel had.

[19] Griekenland. Eigenlijk heette Hellas alleen Midden-Griekenland, doch dikwijls wordt dezen naam aan het geheel gegeven. Men vergelijke ons Holland; naam der provincie en tevens vaak als die van ons geheele land gebezigd.

[20] Promachos beteekent in de voorste rijen strijdend, ook als subst. Kampvechtster.

[21] De drie dochters van den zeegod Phorcys en de slang Echidna werden Gorgonen genoemd, vooral Medusa, die, met slangen omgord en met adders gelokt, allen die haar aanzagen in steen veranderde. Zij werd door Perseus overweldigd.

[22] Zie noot 2 op pag. 19.

[23] De Panathenaeën waren, zooals de naam aanduidt, een algemeen volksfeest, verdeeld in de groote en kleine Panathenaeën; de groote werden om de vier jaren, in het derde jaar van iedere Olympiade, de kleine jaarlijks gevierd.

[24] De beroemde slag van Marathon, een vlek in Attica, werd door 9000 Atheners en 1000 Plataeërs, onder aanvoering van Miltiades tegen eene tienmaal sterkere macht der Perzen onder Datis en Artaphernes in 490 v. C. glorierijk gestreden.

[25] Aphrodite (Venus) was, naar de mythe, nabij het eiland Cyprus uit de zee opgestegen; haar naam wordt dan ook verklaard door „de uit het schuim der zee opgestegene.” Vandaar haar bijnaam Cypris en Cypria. Op Cyprus werd zij hoog vereerd; een prachtige tempel, haar gewijd, bevond zich daar.

[26] Een belangrijk eiland in de Aegaeïsche zee, behoorende tot de groep der Cycladen, bekend om zijn schitterend wit marmer. Tot de Cycladen behoort ook Delos, beroemd als geboorteplaats van Apollo en Artemis, kinderen van Zeus en Leto.

[27] Ictinus, Callicrates en Mnesicles waren de beroemdste bouwmeesters dier dagen. De beide eersten wijdden hunne krachten vooral aan het Pharthenon, aan Athene gewijd, de laatste aan de Propylaeën, het voorhof van den burg te Athene.

[28] De Godinnen, die aan het leven liefelijkheid en bevalligheid bijzetten: Aglaia, Euphrosyne en Thalia. De Romeinen noemden ze Gratiae, Gratiën (eig. bevalligheden, wat ook het Grieksche woord uitdrukt).

[29] Een beroemd gebergte op de kust van Azië in Phrygië, Mysië en Troas ten zuiden van den Hellespont (tegenw. zee der Dardanellen) gelegen. Aan den voet daarvan lag het beroemde Ilium (Troje). Een gebergte van dienzelfden naam bevond zich op Creta.

[30] Pygmalion, een „koning” van Cyprus, vatte voor het ivoren beeld van een jonkvrouw, ’t welk hij zelf vervaardigd had, zulk eene hartstocht op, dat hij Aphrodite smeekte, het te bezielen. Toen dit geschied was, nam hij haar tot echtgenoot, bij wie hij Paphos verwekte. Vgl. het drama van Rousseau, aan deze mythe ontleend en Brockhaus, Conversationslexicon, in voce.

[31] Peristylium of Peristylum is eene met zuilen omgeven plaats, evenwel geene zuilengaanderij om een tempel; dit heet in de antieke bouwkunst: Pteroma.

[32] De God der liefde, overeenkomende met de Romeinsche Cupido.

[33] De Muzen waren de godinnen van het gezang, de dichtkunst en de muziek. Vroeger was haar aantal slechts drie: Mneme, Aoide en Melete dochters van Zeus en Mnemosyme. Later worden er negen vermeld, te weten: Calliope, Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore, Erato, Polyhymnia en Urania, welke ieder eene bijzondere kunst beoefenden en elk hare attributen had. De Grieksche namen zelven verklaren, welke kunst aan iedere Muze was toegewezen. Haar dienst kwam uit het Thracisch landschap Piërië naar Griekenland over. V.d. de Piëriden = de Muzen. Vgl. verder Brockhaus, in voce.

[34] Hesiodus was een Grieksch ditactisch dichter in Ascra in Boeötië geboren in de 9e eeuw v. C. Behalve eenige gedichten als „Werken en Dagen” schreef hij ook eene Theogenie, behelzende de mythen en sagen omtrent de Goden. Homerus werd beschouwd als de beroemdste dichter van Griekenland, de schepper van de Ilias en Odyssee, doch tegenwoordig meent men dat hij werkelijk niet heeft bestaan en zijne gedichten eene samenvoeging zijn der werken van tal van dichters.

[35] Pindarus was de beroemdste der Grieksche lyrische dichters, ongeveer in 521 te Cynocephalae geboren, gestorven circa 433 v. C. Hij schreef hymnen van allerlei soort, zegeliederen, e. a., vooral ter eere der overwinnaars in de groote nationale spelen. Door kunstkenners als Horatius wordt zijne poëzie hoog gewaardeerd.

[36] Anaxagoras was een der beroemdste Ionische wijsgeeren, omstreeks 500 v. C. te Clazomenae geboren. Hij had grondige studie van de natuurwetenschappen gemaakt. Tot zijn beroemdste leerlingen behooren Pericles, de geschiedschrijver Thucydidus, de natuurkundige Archelaüs en de treurspeldichter Euripides. Anaxagoras was van oordeel, dat de stof zelve onbewegelijk was, maar door een eeuwig verstandig wezen, in beweging gebracht en dat door scheiding van het ongelijke en vereeniging van het gelijke de wereld ontstaan was. Hij werd van ketterij beschuldigd, verliet Athene en stierf te Lampsacus in 428 v. C.

[37] Onder byssus verstaat men eene soort boomwol, die in de vroegste tijden uit Aegypte en later uit Indië werd aangevoerd. Daaruit vervaardigde kleederen noemt men sindones; andere namen voor byssus zijn gossypium en chylon.

[38] De chiton is eigenlijk een wollen onderkleed, door mannen en vrouwen gedragen, waarover men een wijden mantel, chlaena of pharos genaamd, wierp, overeenkomende met de Romeinsche tunica. Verder duidt het algemeen een kleed, of gewaad aan. Zie Guhl und Koner, Das Leben der Griechen und Römer S. 179.

[39] Alle niet-Grieken werden door hen barbaren geheeten; zóó deden later ook de Romeinen wat hen zelven betrof.

[40] Onder Olympiërs verstaat men de Goden, die, naar de mythe, hun zetel hadden opgeslagen op de toppen van den Olympus, een berg in Thessalië.

[41] Pisistratus maakte zich met geweld van den heerschappij over Athene meester in 560 v. C. Hij stierf in 527 v. C. Zijne zonen Hippias, Hipparchus en Thessalus, gemeenlijk de Pisistratiden geheeten, werden van de tyrannie (alleenheerschappij) beroofd en verdreven. (510 v. C.) Hipparchus werd door Harmodius en Aristogiton vermoord.

[42] Men wachte zich het woord tyran in onze beteekenis op te vatten. Het wordt hier gebezigd in den Griekschen zin en geeft enkel een alleenheerscher, die zich in een vrijen staat gewelddadig van de heerschappij heeft meester gemaakt, te kennen.

[43] Erechtheüs (ook Erichthonius) was een Attische heros, wiens mythe nauw in verband staat met den oorsprong van Athene en de beschaving van Attica. Ook komt hij in onmiddellijke betrekking voor met den eeredienst. Van hem of Theseus leidt men het ontstaan der Panathenaeën af.

[44] Een Grieksch woord, beteekenende: (de stad beschermende). Dat schild heette Palladium. In een latere noot wordt dit nader toegelicht.

[45] Nemesis is de Godin van het zedelijk rechtsgevoel, ook van de wraak. Zij heet ook wel Adrastea en Rhamnusia, welken laatsten naam zij ontleent aan het vlek Rhamnus in Attica, waar zij een tempel en een standbeeld had, ’t welk men beweert dat Agoracritus uit het op de Perzen veroverd marmer gebeiteld had.

[46] Socrates, een der beroemdste Grieksche wijsgeeren, was te Athene ongeveer 470 v. C. geboren. Zijn moeder heette Phaenarete. Zijn hoogste streven was zelfkennis. Bekend is zijne methode, om de menschen te ondervragen. Van ketterij beschuldigd, moest hij den giftbeker drinken, ongeveer 400 v. C.

[47] Vergelijk noot 2 pag. 33.

[48] Zie noot 1 pag. 16.

[49] Eigenlijk beteekent strateeg veldheer; te Athene waren zij aanvoerders van het voetvolk en vormden tevens een rechterlijk college.

[50] Een obool is eene munt, het zesde deel van eene drachme bedragende, ongev. ƒ 0.075. De obool had weder 6 chalkoi; 100 drachmen maken eene minae uit, 10 zilveren minae een gouden, 60 minae een talent. Eene minae is dus ongev. ƒ 44. Vergelijk noot 2 pag. 14.

[51] Het Grieksche „daemon” beteekent in de eerste plaats: eene Godheid, ook eene wrekende; vervolgens een wezen tusschen Goden en menschen in. In het Nieuwe Testament ook de duivel, de booze geest. Vergelijk daemonisch, eig. door een daemon of Godheid bezeten, en enthousiast of door eene Godheid bezield (Theos, God).

[52] Zie noot 1 pag. 29.

[53] De Grieken kenden den Goden vele hoedanigheden toe; de een beschermde dit, de andere dat. Zeus was de beschermer der smeekelingen, die bij den haard, bij het altaar zittende, niet gekrenkt mochten worden. Als beschermer van den huiselijken haard noemen zij hem Zeus Ephestios.

[54] Dionysus was de God van de vruchtbaarheid, inzonderheid van die des wijnstoks, ter wiens eere de landelijke Dionysiën in Attica werden gevierd. Hij stemt grootendeels overeen met den Romeinschen Bacchus, ook Iacchus en Liber geheeten.

[55] De kunst van het voorspellen; het Grieksche woord wijst op eene geestvervoering.

[56] De laurier was aan Phoebus Apollo gewijd. De Grieken schreven aan zekere planten een reinigende kracht toe, als aan den myrth, den rozemarijn, maar vooral aan den Apollonischen lauriertak. Vgl. Guhl und Koner, p. 381, in het reeds aangehaalde werk.

[57] Xantippes had de Perzen in 479 v. C. bij Mycale eene geweldige nederlaag toegebracht. Mycale is een gebergte in Ionië (waar ook eene stad van dien naam lag;) tegenover Samos, zich uitstrekkende van den Maeander bij Magnesia tot aan de kust.

[58] Onder Palladium verstaat men het door Pallas (Athene = Minerva) van den hemel naar Troje geworpen schild van welks behoud Troje’s lot afhing. Later beweerden verscheidene steden, als Athene, Argos, en Rome het te bezitten. Te Rome meende men dat het in den tempel van Vesta heilig werd bewaard, zoodat zelfs de opperpriester (Pontifex Maximus) het niet mocht zien. Er waren ook nog andere houten Palladia.

[59] Een landschap tusschen Macedonië, den Donau, den Bosporus (straat van Constantinopel), de Propontis, den Hellespont en de Aegaeïsche zee gelegen.

[60] Een landschap van Midden-Griekenland (Hellas).

[61] Cimon, een der beroemdste Grieksche veldheeren, was de zoon van Miltiades en Hegesipyle. Zijn vader, Paros niet kunnende vermeesteren, werd tot eene zware geldboete veroordeeld, die hij niet kon betalen. Die schuld ging op Cimon over, die tevens met „atimie”, d.i. verlies aller burgerrechten gestraft werd. Callias, een rijk Athener, huwde echter Elpinice, de halfzuster van Cimon, met wie deze, volgens de zeden dier dagen, reeds getrouwd was, en betaalde de boete. Vervolgens nam hij een roemrijk aandeel in de Perzische oorlogen, veroverde verscheidene eilanden, als Scyros en Thasos (463 v. C.), voerde oorlogen tegen Sparta, doch werd eindelijk door het Ostracisme of schervengerecht verbannen. Na eene vijfjarige ballingschap werd hij door Pericles in 451 teruggeroepen, sloot met de Spartanen een vijfjarigen wapenstilstand, voerde een Atheensche vloot tegen de Perzen naar Cyprus, doch vond bij de belegering der stad Citium den dood. Plutarchus, een Grieksch geschiedschrijver, en de Romein Cornelius Nepos hebben zijn leven beschreven.

[62] Thasos, een aanzienlijk eiland in het Noorden van de Aegaeïsche zee, tegenwoordig Tháschos, aan Turkije behoorende, met ongeveer 10,000 bewoners.

[63] Theseus, de zoon van Aegeus, was een beroemde, nationale Atheensche held, die tal van monsters en schelmen doodde, als den Minotaurus op Creta, Sciron, Procrustes e. a. Aegeus meenende dat zijn zoon op Creta omgekomen was, stortte zich in de zee, naar hem de Aegaeïsche zee genaamd. Hij aanvaardde de heerschappij over Attica en verrichtte tal van beroemde feiten. Hij nam deel aan den Argonautentocht e. a. Bij zijne vrouw, de Amazone Antiope, verwekte hij Hyppolytus, die later door zijne stiefmoeder Phaedra den dood vond. Dit gaf Racine stof tot zijn meesterstuk „Phédre”.—Theseus vond bij Scyros door koning Lycomedes den dood. Te Athene werd hij als held (heros) vereerd en verkreeg door Cimon een tempel (Theseion). Op dezen tempel, door Polygnotus versierd, doelt Hamerling ongetwijfeld.

[64] Deze galerij heet in ’t Grieksch de „poikile”.

[65] De belegering en val van Troje behoort tot het mythologisch tijdvak; men stelt de verovering dier stad, waarvan Priamus koning was, ongev. 1184 v. C.

[66] Cassandra, ook Alexandrea genaamd, was de dochter van Priamus en Hecuba, en had van Apollo de gave der profetie ontvangen; evenwel met den vloek, dat niemand haar zou gelooven. Zoo voorspelde zij te vergeefs den ondergang van hare vaderstad Troje. Toen nu na den val van Troje zij en andere jonge maagden naar den tempel van Athene vluchtten sleurde Aiax, de Locriër, Cassandra van het altaar weg en onteerde haar, terwijl zij later Agamemnon ten deel viel, die haar naar Mycene voerde. Agamemnon zou zij de tweelingen Teledamus en Pelops gebaard hebben.

[67] Cronion beteekent Cronos’ zoon, d.i. Zeus (Jupiter). Cronos is geïdentificeerd met den Romeinschen Saturnus, zoon van Uranus en Gaea, die volgens de mythe, zijne eigene kinderen verslond, omdat hem voorspeld was, dat zij hem van den troon zouden stooten. Alleen Zeus ontkwam dit lot en stortte zijn vader in den Tartarus (de onderwereld).

[68] Aan Clio, de „verkondigende”, de Muze der geschiedenis, werden schrijftafeltje en stift, als attributen toegekend. Zie voorts noot 1 pag. 30.

[69] Sparta werd ook „Lacedaemon” geheeten; „Lacedaemonius” beteekent dus de „Lacedaemoniër” of de „Spartaan”.

[70] Een kleed, vooral een mantel, die omgeslagen werd en in vele plooien neerviel. Men wikkelde zich er echter geheel in. Het himation werd door mannen en vrouwen beide gedragen.

[71] Vergelijk ons woord „zak”. Eig. eene grove stof van gevlochten haar, ook een mantel.

[72] Eigenlijk eene bekransing, krans; vandaar ook een hoofdsieraad der vrouwen.

[73] De hond stond bij de Grieken weinig in eere; hij was het toonbeeld van onbeschaamdheid. Het woord kuoon, dat hond beteekent, wordt ook gebezigd voor den ongelukkigsten worp in het dobbelspel.

[74] Artemis (Diana) was de Godin der jacht.

[75] De Brilessus of Brilettus was een bergketen ten N. O. van Athene, ongev. 1110 meter hoog, beroemd om zijn marmergroeven. Meer bekend is het onder den naam (Pentelicon), thans Menteli.

[76] Beroemde stad in Phocis, (een landschap van Midden-Griekenland), beroemd door den Apollo-tempel, het orakel en de bekende Pythische spelen.

[77] De Godinnen van het geweten, de wroeging, die den misdadiger vervolgen. Zij worden ook Erinyen genaamd.

[78] Eene stad in Boeötië (Midden Griekenland), eene der tien steden van het Boeötisch verbond.

[79] De zoogenaamde Pythia, die te Delphi orakels gaf.

[80] Dit woord wordt in tweeërlei zin gebruikt. In den kwaden zin beteekent het iemand, die de verderfelijkste leer verkondigt, zooals Hippias. In den goeden zin van het woord waren het zedepredikers, die slechts het geluk van hun volk bedoelden, zooals Protagoras, Gorgias en Socrates.

[81] Na den dood van Koning Codrus (1068 v. C.) werden er Argonten (bestuurders) te Athene gekozen, eerst levenslang, daarna voor 10 jaren. Later waren er drie; de eerste heette Archon (ook Eponymus geheeten, omdat men naar hem het jaar noemde), de tweede Archon Basileus (koning) voor godsdienstige zaken, de derde Archon Polemarchus, wien de leiding in krijgszaken was opgedragen.

[82] Alcibiades, later beroemd staatsman en veldheer, verloor zijn vader in den slag bij Coronea (477 v. C.) Zijne moeder heette Dinomache. Hij was in 451 v. C. te Athene geboren. Hij huwde met Hipparete, de dochter van Hipponicus. Na vele lotgevallen en beroemde daden viel hij in een ongenade en werd in 404 v. C. door Pharnabazus vermoord. Hij was een der talentvolste Atheners, een leerling van Socrates.

[83] Opvoeder; de opvoeding was doorgaans aan de slaven toevertrouwd.

[84] Een vrouwelijke geest of spook, om de kinderen schrik aan te jagen.

[85] Het Grieksche woord beteekent spook.

[86] Eigenlijk de naam van eene ijdele vrouw, voor synoniem met „mormo” een spook.

[87] Te Olympia in Elis werden de zeer beroemde Olympische spelen om de vier jaren gevierd. Zelfs werd daarnaar eene tijdrekening ingesteld. Een tijdvak van vier jaren noemde men eene Olympiade.

[88] De sandaal (sandalon) was vooral een vrouwenschoeisel. Zij bestond uit eene houten of rundleeren zool, die door riemen aan den voet bevestigd werd. Men vertaalt het wel, hoewel niet geheel juist, door pantoffel.

[89] In Griekenland zijn twee dichters van dien naam. De oudste is Simonides van Amorgos of Samos, naar anderen willen, p. m. 600 v. C. Hij schreef Iambische gedichten. De tweede, Simonides van Ceos, is beroemder. Hij werd ongev. 557 v. C. geboren. Hij was een dichter van elegieën. Zijne epigrammen zijn zeer bekend, b.v. op de overwinnaars bij Marathon en op de bij de Thermopylae gevallen Spartanen. Simonides stond in hoog aanzien te Sparta en Athene. Op uitnoodiging van Hiëro begaf hij zich in 447 naar Syracuse, waar hij in 466 stierf. Toen bevonden zich daar ook Pindarus en Bacchylides.

[90] Eig. de „Aresheuvel” de plaats, waar het hoogste gerechtshof van Athene zitting had.

[91] Een kwartier van Athene, ook de straat, die naar de Acropolis voerde. „Kerameikos”, zooals het Grieksch luidt, beteekent eigenlijk pottebakkersmarkt.

[92] Een vlek in Attica, beroemd door de prachtige tragedie van Sophocles: Oedipus Coloneüs.

[93] Tholus beteekent een rond gebouw, ook dat gebouw, waarin te Athene de Prytanen (d. z. vijftig raadsleden van den raad der Vijfhonderd, die afwisselend voorzaten) spijzigden.

[94] Megara was de hoofdstad van het landschap Megaris in Midden-Griekenland, eene goed bevolkte, sterke stad, niet verre van de zee, door twee lange muren aan zijne zeehaven Nisaëa verbonden.

[95] Maaltijd, drinkgelag.

[96] Eene schaal, vooral eene drinkschaal.

[97] Een groote kruik of aarden vat, waarin de wijn bewaard werd, wijd van opening, waaruit de wijn geschept werd.

[98] Een wateremmer of kruik.

[99] Eene stad in Laconië (Peloponnesus), aan den oever van den Eurotas, twintig stadiën zuidoostelijk van Sparta gelegen.

[100] Sicyon (ook Secyon geheeten) eene zeer oude stad op de noordkust van de Peloponnesus.

[101] Een wijk, vooral door kolenbranders bewoond. Aristophanes, de bekende Grieksche blijspeldichter, schreef eene comedie tot titel hebbende „de Acharners”.

[102] Men onderscheidt de Aphrodite Pandemus, d.i. de zinnelijke liefde, en de Aphrodite Urania d.i. de hemelsche, de geestelijke liefde.

[103] Laurion, een zuidelijke tak van den Hymettus, Z. O. van Athene, tot het voorgebergte Sunion zich uitstrekkend, was beroemd om zijne zilvermijnen, welker opbrengst onder de burgers placht verdeeld te worden, totdat ze, op voorstel van Themistocles, tot het bouwen van oorlogsschepen werden gebezigd.

[104] Choreuten zijn de koordansers. Choros was een der twee deelen van het oudste theater; het beteekent de dansplaats. ’t Werd ook orchestra geheeten.

[105] Eigenlijk beteekent het „medespijzend”, iemand die met den priester mede eet van het offermeel, v.d. een tafelschuimer.

[106] Eigenlijk hij, die zelfs om het stelen van eene vijg iemand aanklaagt, die het geringste zelf aanbrengt, v.d. een valsche aanklager, eene verachtelijke klasse van menschen, doch in Athene zeer talrijk in den tijd, waarin dit verhaal voorvalt.

[107] Onder Autochthonen verstaat men de oorspronkelijke bewoners van een land die niet van elders overgekomen zijn, de inboorlingen.

[108] Eumeniden beteekent eigenlijk de welwillenden, de genadigden; zij komen overeen met de Erinyen (Furiën), de zusters der Godinnen van het noodlot, de dienaressen van de gerechtigheid en de wreeksters van iedere misdaad.

[109] Odeon (Odeion) is eigenlijk eene plaats om te zingen; te Athene een openbaar gebouw, tot muzikale uitvoeringen bestemd, dat tevens echter voor volksvergaderingen en gerechtshof werd gebezigd.

[110] Metopon beteekent eigenlijk het voorhoofd, v.d. het front.

[111] Poseidon is met den Romeinschen Neptunes geïdentificeerd. Zijn attribuut was de geweldige drietand.

[112] Hermes, overeenkomende met den Romeinschen Mercurius, de zoon van Zeus en Maia, was de beschermgod van den handel, ook van de dieven en reizigers. Ook is hij de bode der Goden.

[113] Daedalus is een der beroemdste kunstenaars der oudheid. Hij maakte o.a. voor zijn zoon Icarus en zich zelven, toen zij te Creta gevangen gehouden werden, vleugels met was bevestigd. Icarus, die de zon te dicht naderde, viel in zee, daar de was smolt. Die zee is naar hem de „Icarussche” genoemd. Daedalus was ook de bouwmeester van het vermaarde Labyrinth op Creta.

[114] Demeter, de Romeinsche Ceres, was o.a. de Godin van het graan.

[115] Eleusis, eene stad in Attica, lag aan de baai van dien naam, tegenover het eiland Salamis.

[116] Priesterheerschappij.

[117] Aeschylus was de eigenlijke stichter van het Grieksche treurspel. Hij werd in 525 (volgens sommigen in 521) geboren, zijn vader heette Euphorion, uit een oud-Attische familie gesproten, behoorende tot de gemeente Eleusis. Op vijfentwintigjarigen leeftijd trad hij als tooneeldichter op. In 484 behaalde hij den eersten prijs. In 490 onderscheidde hij zich dapper in den slag bij Marathon, waar hij talrijke wonden ontving. Voorts nam hij deel aan de roemrijke slagen bij Artemisium, Salamis en Plataea (480 en 479). In 475 werd hij door Hiëro, tyran van Syracuse, aan het hof genoodigd. Na in vele dichterlijke wedstrijden, naar Athene teruggekeerd, te hebben overwonnen, werd hij aangeklaagd; hoewel vrijgesproken verliet hij de stad en begaf zich naar Gela op Sicilië; waar hij op 69-jarigen ouderdom stierf. Een grafteeken en standbeeld werd door de Atheners voor hem opgericht. Van zijne talrijke tragediën op 93 of 70 begroot, hebben we er zeven over. Haar titel luidt: „de geketende Prometheus”, „de zeven tegen Thebe”, „de Perzen”, de „Oresteia”, eene trilogie bestaande uit den „Agamemnon”, de „Choëphorae of offerplengsters”, en „de Eumeniden”, ten laatste de „Hiketiden of smeekelingen”.

[118] Het is hier niet de plaats het nauwkeurig onderscheid uiteen te zetten tusschen den Dorischen, en den Ionischen stijl. Uitvoerig kan de lezer dat vinden in Guhl en Koner, pag. 10, 11 en volgende. In het algemeen slechts merken we op, dat die bouworden op dezelfde wijze verschillen, als de volken, Doriërs en Ioniërs, waaraan ze ontleend zijn. In den Dorischen stijl heeft zich het ernstige karakter van de Doriërs afgespiegeld; lichter en slanker, bevalliger en sierlijker is de Ionische bouworde.

[119] Rhythmus is eigenlijk iedere beweging, afgeleid van een werkwoord, dat „stroomen”, „in beweging zijn” beteekent; v.d. de maat, versmaat. Men herinnert zich dat de verzen der Ouden zich niet door het rijm, maar door de maat van het proza onderscheiden.

[120] Dit zijn de woorden, welke Diomedes tot zijn wagenmenner Sthenelus spreekt, toen deze hem aanried te vluchten voor Aeneas en Pandarus. Iliad. Boek V, vs. 256.

[121] Anacreon was een der grootste en tevens liefelijkste lyrische dichters van Griekenland. Al wat zacht en welluidend was vond in hem zijn tolk. De liefde en den wijn bezong hij bij voorkeur. Van de 68 gedichten, die op zijn naam overgeleverd zijn, erkent de critiek er zeer weinige voor echt. Hij was te Teos in Ionië geboren, werd te Abdera opgevoed, circa 530 v. C. Polycrates, tyran van Samos, noodigde hem aan zijn hof. In 521, na den dood van zijn beschermheer, keerde hij terug naar Athene, waar hij door Hipparchus met ingenomenheid werd ontvangen. Na den val van dezen begaf hij zich weder naar Teos. Tijdens den opstand van Ionië tegen Darius vluchtte hij naar Abdera, waar hij op 85-jarigen ouderdom stierf. Simonides maakte op hem een grafschrift. Naar de sage luidt, is hij aan het doorslikken van een druivepit gestorven.

[122] Sappho, dochter van Scamandronymus en Cleïs, geboren te Eresus op Lesbos in 612 v. C. was de beroemdste dichteres der Oudheid. Te Mitylene verzamelde zij eene schare jongeren om zich heen. Voor een dezer, den schoonen Phaon zou zij eene zoo hevige liefde hebben opgevat, dat ze zich van de Leucadische rotsen in zee stortte, omdat die liefde onbeantwoord werd. Men wil, dat ze een dochter Cleïs naliet. Zij koesterde groote vriendschap voor den dichter Alcaeus. De grondtoon harer poëzie is hartstocht en liefde. Naar haar is de Sapphische strophe genoemd.

[123] Eros, de God der liefde, de Romeinsche Cupido.

[124] Hier wordt Aegeus bedoeld; vergelijk noot 2 pag. 60.

[125] De Minotaurus was, naar de sage, half stier half mensch, welken Minos in het labyrinth te Creta met knapen en meisjes voedde, die Athene als cijns moest opbrengen. Theseus doodde hem met behulp van Ariadne.

[126] Aegina, een eiland ongeveer anderhalve vierk. mijl groot, met gelijknamige hoofdstad, ligt in den Saronischen zeeboezem (golf van Aegina). Beroemd is de Aeginetische kunst en gymnastische geoefendheid.

[127] Panhellenisch beteekent alle Grieken omvattend.

[128] Troje, op de kust van Klein-Azië gelegen.

[129] Acrocorinthus is de acropolis van Corinthe, de hoogste top en sterke vesting.

[130] Corinthe was de aanzienlijkste handelplaats van Griekenland, op den Isthmus (zeeëngte) gelegen met voortreffelijke havens. Cicero noemt het, in zijne redevoering de imperio Cn. Pompeii c. V: „totius Graeciae lumen”, het licht van geheel Griekenland.

[131] Men bemerkt hieruit dat de spreker Sophocles is, de groote Atheensche treurspeldichter.

Sophocles, de zoon van Sophillus, een wapensmid, is geboren in 495 v. C. te Colonos in Attica. In 480 zong hij in het koor ter eere van de overwinning bij Salamis. Lampros was zijn leermeester in de muziek. Achttien malen behaalde hij de zege in een tragischen wedstrijd, waarin hij dikwijls zelfs Aeschylus overtrof. Na de opvoering zijner Antigone werd hij tot strateeg gekozen (441). Tegelijk met Pericles voerde hij het bevel in den eersten oorlog tegen Samos. Vier jaar later zou hij Hellanotamias geweest zijn, waardoor hij het bestuur verkreeg over de bondskas. Bij de hetaere Theoris zou hij een zoon Aristo verwekt hebben, die weder een zoon, Sophocles geheeten, naliet, die eveneens drama’s schreef. Uit een wettigen echt had Sophocles een zoon Iophen, die weinig talent en een slecht karakter bezat, zoodat hij zelfs zijn hoogbejaarden vader van krankzinnigheid aanklaagde, om het beheer over diens goederen te verkrijgen. Men wil dat de grijze dichter zijn schoone zang uit den Oedipus Coloneüs ter eere van Colonos zou hebben voorgedragen, teneinde zijne onverzwakte geestkracht te bewijzen. Hij werd daarop onmiddellijk vrijgesproken; Sophocles stierf in 406, bijna 90 jaar oud. Men wil dat hij aan het doorslikken van eene druivepit zou gestorven zijn. Hij was van een beminnelijk en vroolijk karakter. Den blijspeldichters strekte hij dikwijls tot mikpunt hunner spotternijen.

Van zijne talrijke treurspelen, door de Alexandrijnen op 130 begroot, hebben we er zeven over. Voorts schreef hij vele lierzangen, elegieën en andere stukken. Bij Sophocles komt het liefelijke en zachte meer op den voorgrond dan bij Aeschylus die geweldiger en gespierder is.

De zeven treurspelen, ons bewaard, zijn: „de Antigone”, een der schoonste stukken van den dichter, ten onzent o.a. door A. J. ten Brink en Opzoomer vertaald. De „Oedipus koning”, door Vondel en Bilderdijk vertolkt. De „Oedipus te Colonos (Coloneüs)”, door Bilderdijk overgezet, „de Electra”, in 1638 door Vondel vertaald, „de Ajax” en de „Trachiniae”, welk laatste door Vondel is overgezet. Overigens bestaan van al deze tragedies vertalingen in het Duitsch, Fransch en Engelsch. Sophocles wordt door bevoegde kunstrechters voor den grootsten der oudere en nieuwere treurspeldichters gehouden.

[132] Dit Grieksche woord beteekent: waarzegging uit de handen.

[133] „Aeschylus”; zie noot 1 pag. 111.

[134] Pan is de God der herders en kudden uit Arcadië afkomstig, bevriend met de nymfen, met wie hij reidansen uitvoert. Hij wordt afgebeeld met bokspooten, baard en horens op het hoofd (Panische schrik). Dikwijls komt hij voor in verbinding met Dionysus (Bacchus).

[135] Dit feit greep plaats vóór den slag bij Marathon. De Spartanen echter mochten om godsdienstige bezwaren niet vóór de volle maan strijden. De Atheners vochten toen bijna alleen. Zie noot 1 pag. 24. De Spartanen kwamen later op het slagveld en prezen den moed der Atheners. Het feit waarvan boven melding gemaakt wordt, wordt uitvoerig verhaald door Herodotus, Boek VI. § 105.

[136] Beide landstreken in de Peloponnesus.

[137] Triptolemus wordt voor den zoon gehouden van koning Celeüs van Eleusis en Metanira of van Oceanus en Gaea. Door Demeter werd hem een met draken bespannen wagen geschonken, waarmede hij de aarde zou rondrijden om de graankorrels uit te strooien. Later werd hij koning van Eleusis en voerde daar den eeredienst der Godin in. De kunst stelt hem voor als een krachtig man, op een met draken bespannen wagen en korenaren en scepter in de hand.

[138] Daduchus, een Grieksch woord (daidouchos), beteekent: die de fakkel vasthoudt en voordraagt, v.d. de priesters in de Eleusinische spelen.

[139] Waarom Hamerling hierin eene bijzonderheid ziet, is mij niet duidelijk, daar doorgaans bij de Grieken een zoon naar zijn grootvader genoemd werd. Zie b.v. noot 1 pag. 125.

[140] Solon, de groote Atheensche wetgever, een zoon van Execestides uit het oude geslacht der Crodiden, werd ongev. 639 v. C. geboren. In 594 werd hij eerste Archont en gaf zijne beroemde wetgeving. Daarbij verdeelde hij de burgers in klassen naar hun vermogen. Daarna werden ook de politieke rechten en plichten geregeld. Solon stierf hoog bejaard in 559. We bezitten eene levensbeschrijving van hem door Plutarchus.

[141] Eretria, de hoofdstad van het eiland Euboea waarschijnlijk eene kolonie der Atheners, bloeide eertijds door handel en nijverheid. Om den afval van de Perzen werd het door Datis en Artaphernes verwoest en de bewoners als slaven naar Susa gevoerd. Later werd de stad herbouwd, die in 198 v. C. weder door de Romeinen is vernietigd. Eretria heet thans Palaeo-Castro. Vgl. noot 2 pag. 60.

[142] Hecatombe beteekent eigenlijk een offer van honderd (hekaton) runderen. Dikwijls wordt het alleen voor een zeer groot offer gebezigd.

[143] Melitaeïsch beteekent van Melite, een eilandje in de Middellandsche zee bij Dalmatië; niet te verwarren met Melite wat ook de Grieksche benaming is van Malta, door de Ouden Ogygia genoemd. Doch het Latijnsche adjectivum van dit Melite luidt: Melitensis of Melitesius, dus: Melitensisch of Melitesisch.

[144] Epirus, een bergachtig landschap van Noord-Griekenland bestond vooral uit drie stammen; de Chaoniërs, die in het Noord-oostelijk deel woonden; de Thesprotriërs in het zuiden en de Molossiërs in het Noord-oosten.

[145] Samos, een eiland nabij de Westkust van Klein-Azië, niet ver van het voorgebergte Mycale, thans Samo, door de Turken echter Susam Adassi geheeten. Op Samos bevond zich een tempel van Hera (Heraion).

[146] Hera is vereenzelvigd met de Romeinsche Juno, de echtgenoote van Zeus (Jupiter). Vergelijk over het boven medegedeelde de bekende fabel van Phaedrus, getiteld: Juno en de pauw (Boek III, 18). Hera was ook de Godin van den echt.

[147] Het Grieksche woord Ktesios beteekent: tot het bezit behoorende; Zeus Ktesios is dus Zeus, die het eigendom beschermt.

[148] Eigenlijk dienaressen van Bacchus, die zijne nachtelijke feesten vieren. Van daar elke opgewonden, slechte vrouw.

[149] Buitengewoon groote feesten, waar het lustig toeging.

[150] Thyestes, de zoon van Pelops en Hippodamia, doodde met zijn broeder Atreus hun stiefbroeder Chrysippus en beide vluchtten naar Eurystheus. Thyestes verwekte hier bij de echtgenoote van zijn broeder, Aerope, twee zonen, waarom hij door Atreus werd verdreven. Uit wraak ontvoerde hem Thyestes een zijner zonen, voedde dien op en kweekte in hem een onverzoenlijken haat tegen zijn vader. Later zond hij den zoon van Atreus om dezen te vermoorden. De aanslag mislukte en Atreus liet zijn eigen zoon ter dood brengen. Later vernam hij de toedracht der zaak en ontstak in groote woede. In schijn richtte hij voor zijn broeder een verzoeningsmaaltijd aan. Daar zette hij Thyestes diens eigen zonen voor en toonde hem later hunne hoofden. Thyestes ontvlood die rampzalige plaats; later verwekte hij bij Pelopia Aegistheus, die Atreus doodde en zijn vader op den troon van Mycenae plaatste.

Een Thyestes-maal beteekent dus: een allernoodlottigs en afschuwelijk maal.

[151] De Discus is eene steenen of metalen (later ook houten) ronde schijf, van het midden, waaraan gewoonlijk een leeren handvatsel bevestigd is, dunner afloopend, dien de Grieken en later de Romeinen bij hunne gymnastieke oefeningen gebruikten. De wedstrijd in het loopen, springen, worstelen, het vuistgevecht en het werpen met den discus en speer vormde het zoogenaamde „Pentathlon” (d.i. vijfderlei wedstrijd).

[152] De Romeinsche Diana, dochter van Zeus en Leto (Latona), zuster van Apollo, de Godin der jacht.

[153] De God des huwelijks.

[154] De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.

[155] Eene bronnimf.

[156] Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.

[157] Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan lezen.

[158] De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.

[159] Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen bekoorde en verleidde.

[160] Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen veranderde.

[161] De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der aarde.

[162] Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.

[163] Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.

[164] Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.

[165] Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.

[166] Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.

[167] Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.

[168] Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee korte.

[169] Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zie noot 1 pag. 30. Wat Themis aangaat, vergelijk noot 1 pag. 46.

[170] Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.

[171] Landvoogd.

[172] Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.

[173] Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.

[174] Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte vertaald.

[175] De avondster.

[176] Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van de Aegaeïsche zee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.

[177] Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.

[178] Lyceüm (Lukeion) is oorspronkelijk eene plaats nabij Athene aan Apollo, Lykeios d.i. den wolvendooder gewijd. Later werd het gymnasium aldaar beroemd, doordat Aristoteles en na hem de Peripatetische wijsgeeren er hunne lessen gaven. Vandaar dat in nieuweren tijd gymnasiën en hoogere scholen dikwijls Lyceën worden genoemd.

[179] Palaestra beteekent: worstelschool, oefenperk.

[180] Ephebos wordt hij genoemd, die den leeftijd van achttien jaren heeft bereikt: ephebentijd is dus de tijd, wanneer men nog een jong en krachtig man is.

[181] Magiërs heetten bij de Meden en Perzen de leden eener priesterkaste, veel overeenkomende met de Leviten in Israël. Zij bezaten kennis der godzaken, naar men meende; vandaar dat het woord wel eens synoniem gebruikt wordt met toovenaar, zooals te dezer plaatse.

[182] Alle drie landschappen in de Peloponnesus.

[183] Pisates is eene landstreek ten zuiden van Elis, en daarvan onafhankelijk, met de stad Pisa aan de rivier de Alpheus.

[184] Het Grieksche woord „nous” beteekent: verstand, overleg, geest; bij Anaxagoras voor: de wereldgeest, die de stof ordent. Wat de uitspraak van „nous” betreft, herinnere zich de lezer, dat het Grieksche „ou”, evenals in het Fransch wordt uitgesproken.

[185] Het Grieksche „chaos” beteekent vooreerst de ledige, onmetelijke ruimte; voorts bij de wijsgeeren de verwarde massa, waaruit het heelal geschapen is „de bajert”.

[186] Duisternis.

[187] Zinspeling op Iliad. I. vs. 528 v.v., waar gezegd wordt, dat bij het fronsen der wenkbrauwen van Zeus de Olympus daverde in zijne gevesten.

[188] Aulis is eene kleine stad in Boeötië, tegenover het eiland Euboea gelegen, waar de Grieksche vloot bijeen kwam, om het leger naar Troje te voeren.

[189] Silenus, nu eens de zoon van Hermes, dan weder van Pan genaamd, is een der satyrs, volgelingen van Dionysus; hij wordt als een afschuwelijk leelijk wezen voorgesteld, met een stompen neus, geitenooren, een dikken buik en kaal hoofd. Vandaar zegt men wel eene Silenus-gestalte van een leelijk mensch.

[190] De chlamys was een wijde, ruime mantel, die de Epheben droegen. Zij werd over den linker schouder geworpen, terwijl men de einden met een gesp bevestigde. Gewichten trokken het gewaad naar beneden. Zij was de eigenlijke reis- en krijgsmantel, vooral die der ruiters.

[191] Onderwijzers der knapen in het worstelen.

[192] Mauritanië was een landschap in het noorden van Afrika gelegen, ongeveer waar thans Marocco ligt; ’t was verdeeld in Tingitana en Caesariensis.

[193] Het Grieksche woord „aleiptes” beteekent „zalver”, vandaar de slaaf die den badende met olie insmeert, ook de onderwijzer in het worstelen, de leeraar, benevens hij, die de knapen voor den worstelkamp met olie zalft, om de ledematen lenig te maken.

[194] De opzichter over de gymnastische oefeningen en het worstelperk.

[195] Achilles, de zoon van Peleus en de zeegodin Thetis, is de beroemde held, die in de Ilias eene hoofdrol speelt. Een kort maar roemrijk leven had hij zich gekozen. Na tal van roemrijke wapenfeiten, o.a. het verslaan van den Trojaanschen held Hector, wordt hij door Apollo, in de gestalte van Paris, door eene pijl in de hiel getroffen, zijn eenige kwetsbare plaats. Benevens Phoenix had Achilles tot leermeester in den wapenhandel en artsenijkunde den Centaur Chiron. Op dezen laatsten wordt hier door den schrijver gezinspeeld.

[196] Hyacinthus, zoon van den Spartaanschen koning Amyclas en Diomede was een buitengemeen schoon jongeling en werd door Apollo en Zephyrus bemind. Zephyrus, om zich op zijn mededinger te wreken, deed den discus, terwijl Apollo Hyacinthus in het werpen daarmede onderwees, het hoofd van Hyacinthus doodelijk treffen. Uit het bloed van den jongeling deed Apollo de hyacinth, d.i. misschien de zwaardlelie (althans niet onze hyacinth) ontspruiten. Door den Romeinschen dichter Ovidius is deze legende dichterlijk behandeld (Metamorph. X, 155 v.v.).

[197] Acrisius, koning van Argos, verwekte bij Eurydice eene dochter Danaë, die, volgens het orakel, een zoon zou baren; welke zijn grootvader zou dooden. Niettegenstaande alle voorzorgen van Acrisius bracht Zeus bij Danaë, Perseus voort. Bij de lijkspelen ter eere van den koning van Larissa in Thessalië, die Acrisius mede vierde, werd deze door Perseus onwillens, door een discus getroffen en gedood.

[198] Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.

[199] Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.

[200] De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”; Aphrodite, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.

[201] De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.

Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus voedde.

[202] Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden. V.d. beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.

[203] Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.

[204] Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.

[205] Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne stad.

[206] Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid en sarcasme.

[207] Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.

[208] Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.

[209] De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.

[210] Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.

[211] De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.

[212] In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de vrouwenhater.”

[213] Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.

Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn „Philoctetes.”

[214] Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.

[215] Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles geheeten is.

[216] Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” geheeten.

[217] Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.

[218] Soph. Aiax vs. 794 en v.v.

[219] De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.

[220] Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.

[221] Dionysus (Bacchus).

[222] Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.

Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.

[223] Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.

[224] Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.

[225] Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.

[226] Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.

[227] Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.

[228] Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”

Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.

[229] Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. Protagoras, van atheïsme (asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.

Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.

[230] Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend wiskundige.

[231] Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat „Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen uitdrukkende.

[232] Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.

[233] Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.

[234] Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).

[235] Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.

[236] Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.

[237] Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel; we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.

[238] Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zie noot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”

[239] Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.

[240] De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.

[241] Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.

[242] Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.

[243] Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.

[244] De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot half November.

[245] Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het schimmenrijk”.

[246] Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer f9,—.

[247] Skoliën (eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.

[248] Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de „Rhetra” vervat.

[249] Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.

[250] Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.

[251] Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.

[252] Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor de gedachte aanwezig zijn.

[253] Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.

[254] Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten bestaat hij uit drie voeten.

Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat „trimeters” hier gelijk met „verzen”.

[255] Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.

[256] Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.

[257] Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.

[258] Slagorde.

[259] Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige richting.

[260] Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk schip geslingerd werd.

[261] Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons „enterhaken”.

[262] Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.

[263] De Godin der gezondheid (Hygieia).

[264] Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.

[265] De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.

[266] De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel voor den dappere en onversaagde.

[267] Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.

[268] Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijk noot 1 pag. 145.

[269] Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.

[270] Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging is.

[271] Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.

[272] Vergelijk noot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.

[273] Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.

[274] Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar lieveling de jongeling Attis.

[275] De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.

[276] Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.

[277] Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.

[278] Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)

[279] De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.

[280] Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.

[281] Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.

[282] Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.

[283] Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.

[284] Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.

[285] Zie noot 2 pag. 259.

[286] Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.

[287] Metalen bekkens.

[288] Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.

[289] Antaeüs was een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.

[290] De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.

[291] Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.

[292] In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).

[293] Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de „Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte (zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens Aristophanes leefde.

[294] „De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.

[295] Goddelijke, onsterfelijke.

[296] Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.

[297] Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, de Bacchanten.

[298] Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.

[299] Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia, vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” behandeld.

[300] Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veerman Nessus opgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.

[301] Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).

[302] Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.

[303] Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.

[304] De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen van Gaea (de Aarde) en Ouranos (den hemel.)

[305] Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.

[306] De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.

[307] Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen, districten, gesplitst.

[308] De Godin der overwinning.

[309] Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.

[310] Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.

[311] Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild van Zeus.

[312] De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.

[313] Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.

[314] Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.

[315] Aeschylus, zie Deel I noot 1 pag. 111 en noot 2 pag. 94.

[316] Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.

[317] De maan.

[318] Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten. Zie Deel I, noot 1 pag. 63.

[319] Bedoeld worden hier de Lydische koning Candaulus, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote van Candaulus en de heerschappij.

[320] De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.

[321] De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of sesamis.

[322] Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.

[323] Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari geheeten.

[324] Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.

[325] Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig opgevat.

[326] Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.

[327] De Peloponnesus.

[328] De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.

[329] De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.

[330] Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.

[331] De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices wordt als zevende genoemd. Aeschylus heeft die stof dichterlijk behandeld.

[332] Bij Homerus alzoo genoemd.

[333] De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs van Sparta.

[334] In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs, op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.

[335] „Pan”.

[336] Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.

[337] Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.

[338] De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of Pans-fluit.

[339] Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.

[340] Atalante was de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan den Argonautentocht en de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.

[341] Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.

[342] Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.

[343] Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.

[344] Eene stad in Boeötië in Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.

[345] Een plaatsje in Arcadië; in Boeötië lag ook een Orchomenus, N. W. van het meer Copaïs.

[346] Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.

[347] Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de Olympische spelen.

[348] Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.

[349] Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.

[350] Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)

[351] Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan den Maeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.

[352] Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.

[353] Bewoners der steden Demetria, Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.

[354] Alle Grieken.

[355] De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.

[356] Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.

[357] Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel II, noot 1 pag. 8.

[358] Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer van den eed.

[359] Zie Deel I, noot 1 pag. 204.

[360] Zie Deel I, noot 1 pag. 63.

[361] Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven, heetten epopten, opzieners.

[362] Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.

[363] Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.

[364] Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.

[365] Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.

[366] Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende noot.

[367] Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon gedood.

[368] Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.

[369] De affodil of slaaplelie werd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter en scherp; de wortel saprijk.

[370] Stinkende, verpestende.

[371] De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.

[372] Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.

[373] De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.

[374] Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.

[375] Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.

[376] Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.

[377] Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld.

[378] De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.

[379] Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.

[380] De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.

[381] Zie Deel I noot 2 pag. 259.

[382] Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd vereerd.

[383] Demeter en hare dochter Persephone. Zie noot 1 pag. 171.

[384] Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:

„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouwe Grieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen. Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”

[385] In het Grieksch: Simaitha.

[386] Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.

[387] Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is bovengenoemd adjectief gevormd.

[388] Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons Acilius).

De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.

[389] Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.

[390] Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.

[391] Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.

[392] De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.

[393] Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.

[394] Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.

[395] Alleenheerschappij.

[396] Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.

[397] Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op die plaats ontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den Ondergoden gewijd.

[398] Iliad. Boek X. vs. 470–515.

[399] De dronkenschap, roes.

[400] Zie Deel I noot 1 pag. 182.

[401] De verleiding, begoocheling.

[402] De overmoed, uitgelatenheid.

[403] Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.

[404] Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt is deze, dat Theseus na de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en rijdende op een panther.

[405] Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.

[406] Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van andere Goden).

[407] De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.

[408] Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.

[409] Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.

[410] Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom voert.

[411] De volksregeering.

[412] Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” drukt het nog niet voldoende uit.

[413] De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.

[414] Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.

[415] Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.

[416] Het raadhuis (bouleuterion).

[417] Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde ontleend is.

[418] Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.

[419] Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us