IX. ANTIGONE [203]
Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion [204] van het vierde jaar der vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het huis voorkomende, tot op de straat doordrong.
Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus, de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.
De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides [205], de rijke Midas voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van Cratinus [206] en wederom anderen voor andere stukken. Naar de gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen [207] ontstaan en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia en Pytho [208].
Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne blikken in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis zoekt.
Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei tot den slaaf:
„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van Hipponicus.”
Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur kloppen.
Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van Hipponicus.
Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad, boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof hij reeds den cothurnus [209] aanhad, met volle stem de woorden:
„Zoo mijn geest niet dwaalt, En ’t voorgevoel mij niet bedriegt, En heldere blik mij niet ontbreekt,”—
dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den treurspeldichter Sophocles.”
Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk schudde.
„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en klinkende munt bovendien?”
„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier en daar eer bewezen, waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar steeds toch weerklonk het in mijn hart:
„Daar wild’ ik heen. Waar dicht begroeid ’t gebergt’ Tot aan de baren reikt, waar Sunions vlakke grond gelegen is. Om Pallas’ heilge stad Met blijden mond te groeten.”—
En toen mij nu te Halicarnassus [210] de boodschap gewerd van uw Archont, die mij voor de Lenaeën [211] naar Athene riep en mij elk loon beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht, snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend en grooten meester Sophocles.”
Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.
„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.
„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”
De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus verwelkomde Polus met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.
„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”
„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware, zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den vrouwenhater [212] Euripides de overwinning zoekt te bereiken. Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk geld geboden, om de koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees, liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”
„Getroost, getroost, mijn waarde!”
declameerde Polus met hoog pathos.
„Nog leeft hij in den hemel, „Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht. Vertrouw hem toe uw bittre smart, En haat noch vergeet in uw toorn, Hen die u leed berokkenen!”
„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als Philoctetes [213] toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog naar Ilium wilde voeren:
„Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd, Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem Mij met zijn gloed mocht verteren!”—
„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus, „dat een man als gij, zoo getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen, fluiten en sissen de Atheners.”
„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus, die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun ongenoegen te kennen te geven.”
Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.
„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de „Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”
„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen. Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist” [214]. Deze, evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf sprak.
Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:
„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”
Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken, mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan. Ik had met haar een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den schouwburg.”
Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit, „toen ik als Electra [215] optrad en aanhief:
O heilig licht, O aether, die de aard omgeeft!”—
heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede masker voortkwam, de vrouw gemist?”
„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.
„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders [216] hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:
„Dierbaarst overschot, mij blijvend, Van den liefsten aller menschen.”—
„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan de uwe!”
„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u, denk ik, mijn Aiax [217] nog wel:
„Ha, wee mij dat ik hen liet glippen, Die snoodaards, die verwenschte schurken, En in hun plaats, door waanzin aangegrepen Onschuldige schapen en gehoornde stieren Deed sneven door het flikkerend staal, Hun donker bloed vergietend.”—
De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de toehoorders in verrukking uit.
„Hoe? en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—
En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”
„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:
„Welaan, het uur van scheiden is gekomen. Weest mij gegroet gij lachende dreven, Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”
„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”
„Gij bedoelt,” viel Polus hem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak [218]:
„Het moordend zwaard staat in den grond geplant, Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—
„Juist,” riep Hipponicus uit, „en toen gij eerst Zeus aanriept en dan de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.” [219]—
„O Helios,” viel Polus in,
„O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt, Houd dan uw goudgetooiden teugel in, En breng de mare van mijn droeven dood.”—
„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u gold en Sophocles en den Salaminischen held!”
„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles, „prijst gij Polus, maar vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland; ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene [220]. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”
„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen, als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder het masker kan men elke rol vervullen.”
„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar van Antigone,” zeide Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is geleid.”
„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.
„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken, uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op dergelijke wijs opgetreden.”
De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was er recht blijde om.
„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der tragedie ten tooneele.”
„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.
„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de Eurydice te spelen.”
De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij weigerde nadere inlichting te geven.
Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand, gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.
Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.
Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den plechtigen danspas, ter eere van den God [221] omdat de beteekenisvolle dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend van geestdrift gaf de didaskalos [222] de maat aan met de handen en voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor, om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.
Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig om den Dionysischen zegeprijs te behalen.
De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne verwante familiën betrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag in handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en Pyrilampes.
Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en Anaxagoras.
„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend; „koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult eene schoone vrouw uw hoofd?”
„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te kunnen wijden!”
„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van te voren van alles afstand te doen.
Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was geworden.
„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe, toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer van haar?”
„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze. Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze vrouw is altijd weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte, dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:
„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken? Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren? In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt. Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk voor de kinderen nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—
„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,” merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”
„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——
Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en walm zou hebben uitgedoofd.
Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.
Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor Pericles hielden.
Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een oogenblik stil. Overwegen zij soms of de begeleider den drempel zou overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:
„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—
„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even raadselachtige wijze beantwoordende.—
Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.
Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.
Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.
Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.
„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon Lampon.
„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.
„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër sluipt.”—
„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is die andere?”
„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het vlek Colonos.”
„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien? Wie zal het op zijn woord getuigen?”
„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”
„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.
„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—
„’t Beste zou Theodota dat kunnen,” meent Diopithes. „Deze vrouw heeft sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst verdringen en hare plaats innemen.”
„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de deur wordt gezet.”
„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”
„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice. „Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het. Hij is reeds eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—
„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.
„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd, vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om het plan te volvoeren?”—
Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:
„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische te brengen.”—
Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.
Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus, Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.
In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden God Erechtheüs op den burg.——
De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.
Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie van Cratinus onder de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden versierden zetel in de orchestra [223] zat, voelde een regendroppel op zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn Attisch vernuft afschoot.
„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”
„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.
Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles lachte mede.
Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen Olympischen Zeus, de Milesische Omphale [224] en den Atheenschen Heracles...
Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende pijl had Aspasia getroffen...
Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich, om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De gegoeden lieten zich door hunne slaven wijn, ooft en koeken tot verkwikking brengen.
Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde, marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote geleerdheid over Sophocles en Ion en Euripides en keken eens met turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.
Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld; het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater. Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.
In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.
Onophoudelijk waren de agonotheten [225] en mastigophoren [226] in de weer; telkens vlogen zij de trappen, die dwars door de zitplaatsen liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot rust te brengen.
De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne handelingen na te denken.
„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het verdichte?”——
De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te beantwoorden.
Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut zich hooren:
„Het koor van Ion trede op!”
Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht, geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor, snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich lucht in de kunstige rhythmen.
Toen trad het koor van Euripides op.
Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien. Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker van de overwinning.
In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf den zetel van Pericles en reikte hem een toegevouwen blad papier.
Pericles opende het en las deze woorden:
„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”
Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—
Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van den heraut, die zich wederom deed hooren:
„Het koor van Sophocles trede op!”
En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—
Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge gestalte van Oedipus’ dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten, zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.
Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:
„Straal der zonne, wees gegroet.”
Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt, geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:
„Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”
En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der Labdaciden [227]; Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:
„Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”
klinkt het harde antwoord:
„Ook andere velden nog beloven vrucht.”
Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:
„God der liefde, nooit bedwongen, Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, Waar uw pijl is ingedrongen, Voor uw almacht buigen doet!”
Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:
„Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zon Ontrukt, in ’t koperen gewelf gesloten, Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—
Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus, aan:
„Lievling der Thebaansche maagd Zoon van Zeus, wiens donderslagen Raatlend door het luchtruim jagen; Kom, terwijl we in blijden zin ’t Feestlied door uw stad doen schallen, Zegenbrengend Theben in!”
Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.
En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt haar moederhart.
Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.
Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven slotaccoord.
Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó menschelijk was het verhevene, zóó verheven was het menschelijke door niemand ooit uitgesproken.
Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke gezangen, zoo rijk en beteekenisvol over de toehoorders uitgestort; zoo harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.
Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen. Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den zegekrans te ontvangen.
Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen, onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.
Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd. Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.
Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.
De inhoud was als volgt:
„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”
Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.
Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner vrienden en snelde hem te gemoet.
Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar eveneens van harte geluk.
„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij, maar als kunstrechter.”
Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde, van zich zettende, sprak Pericles:
„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven? Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”
Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:
„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen weergeven?”
„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de eerste maal, sedert Thespis [228] zijn kar in beweging bracht, heeft heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken. Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor alle volgende tijden bewaard blijven.”
„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede oude zeden te trotseeren?”
„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.
Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte. Daarop sprak hij:
„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van haar geslacht?”
Pericles was getroffen.
„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en Pericles stond tegenover Aspasia.
Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.
Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging, las Aspasia duidelijk op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren blik zijner oogen.
En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid beantwoordende, sprak zij:
„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid begaan.”
„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede, „want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”
„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia, „en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit uw gemoed, o Pericles!”
Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de zijnen te vieren.
De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.
Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.
Maar ook voor hem zelve niet.
„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is misschien niet goed een langen tijd onafgebroken zich aan één vrouw over te geven.”
De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.
Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte. Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?
Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.
Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf, dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen. Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame schreden en vervolgde zijn weg.—
De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den heerlijken reizang uit de Antigone:
„God der liefde, nooit bedwongen, Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, Waar uw pijl is ingedrongen, Voor uw almacht buigen doet!”
Pericles in ’t oor.
Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte avondkoelte.
Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.
Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van den Dionysus-schouwburg zich verhieven in de diepte, aan den anderen de rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.
Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven scheen er te zweven over zijn hoofd.
X. DE KONINGIN VAN HET FEEST
Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen, dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet ontbreken.
Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te zullen komen.
Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den Atheenschen roem vereenigd.
Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien. Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame vogels, zijne hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel te vereenigen.”
Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp zijner hulde was.
Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb hem een paar maal in de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog tijd genoeg, om daarover te spreken.”
Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes, broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een met bloemen bekranst altaar, waarop eene vlam brandde, die de welriekendste geuren verspreidde.
Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne doeken afgedroogd.
De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras [229] naast den geneesheer Hippocrates [230].
De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland van dag tot dag. Hij was een geboren Abderiet [231] derhalve een Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen, om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning, ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner welsprekendheid.
Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.
Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen. Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem gelijk, het liefst de hoogst uitstekende punten trof. Hij had immers in zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.
Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elk aanligbed eene kleine tafel geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en het maal begon.
Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.
„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid, zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen, dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen. Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen gebracht hebben, in de kunst van goed te eten staan wij nog zeer ten achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te vinden.
„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er een uit Sicilië heb moeten ontbieden.
„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles der kookkunst noemen.
„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever, de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het uithalen van tonijnen [232], alen, muraenen [233] en speenvarkentjes en ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig toebereid en met allerlei vruchten gevuld.
„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen. Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in zich zelven een begrip, in plaats van den patrijs, dien hij op zijn bord heeft.”
Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.
Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger kon ten toon spreiden.
„Aan den goeden Geest gewijd!” [234] sprak hij en goot eenige droppels ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan. Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.
Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd [235].
Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten hunne hoofden omwonden, werd de Paëan [236] ter eere van Dionysus aangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.
„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch [237] kiezen of wel hem door het lot benoemen?”
Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen, naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.
„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten Pericles.”
Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates. Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook geen symposion kunnen besturen?”
Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, de moeilijke taak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet, wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch eene symposiarche.”
Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft, doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.
„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”
„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers gevuld?”
„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus, „Thasische wijn van de beste soort, zooals hij geplengd wordt in het Prytaneüm [238] te Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”
„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den gelauwerden dichter der Antigone!”
Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers, die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.
„Thrax” [239], riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen. Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”
„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming en de harmonie aangeven.”
Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:
„Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus, Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid, Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden, Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”
Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.
Deze echter zeide:
„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij inderdaad eene Sphinx [240] toe, met een afgrond naast zich, waarin zij ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen onderwijzen.”
Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen gevende, riepen allen:
„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den lust des levens te onderrichten.”
„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van alle dingen bij dit symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.
„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch even vroom en den Goden even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus Herkeios [241] heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje [242], en de kegelvormige zuil van Apollo Agyieus [243] den God der straten en daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene Pyanepsiën-feest [244] tot het andere de olijftak, symbool der overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der aarde. Want in den Tartarus [245] zijn er velen, die om verschillende overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet, dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische gouden dariken [246] zouden kunnen ontrooven.”
Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:
„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—
„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden hebt.”
Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en zijne rede.
Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den gastronoom:
„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens goed leven? En van het pootje, dat, zooals ik helaas bij ondervinding weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”
„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over te beslissen of het pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men noemt „het vette der aarde genieten.”
„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt. Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te vinden.”
Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.
„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten volle gerust gesteld. Nu is het mij helder: hoe had ik, dien zij een vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den grooten Hippocrates!”
„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk wijden ter eere van Hippocrates!”
Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:
„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode vernomen hebt:
„Des menschen leven past het nooit te roemen, Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen. Want die het meest door rampen werd bezocht, Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op, En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof. Geen ziener die des stervelings einde kent. Doch alles is voorbij. Want als de vreugd Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer, Als een bezielde doode doolt hij rond. Al is zijn huis met schatten opgevuld, Al praalt hij in een vorstelijk gewaad. Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit alles Niet hooger dan de schaduw van den rook!”
„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens, die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te worden, zij der Hellenen trots!”
„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.
„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—
„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.
„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”
„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal bouwen?”
„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.
„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene, wat ik als triërarch zal uitrusten.”
„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest. Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”
„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat. Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”
De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras. Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen, wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne woorden kracht en gloed te geven.
„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit Clazomenae te dezer plaatse, waar zooeven nog onder den klank van vroolijke skoliën [247] het feestelijk genot om het met bloemen bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der zelfverloochening niet ontbreken. Hij zal de vreugde tot zijne slavin maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns, handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen. Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon [248] en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:
Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”
Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden, aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen geest te kunnen regelen.
„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”
„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”
„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van nemen...”
„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten, wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’ plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner laatste tegenwerping ten dienste staan.”
„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”
Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater [249] gemengd en den gasten in andere, grootere bekers geschonken.
„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok. Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog aangenamer.”
„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote Sappho,” riep Protagoras, even met zijne lippen het vocht in de beker proevende.
De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.
„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze echter niet.”
Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen, allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.
Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen, toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende in eene bevallige kromming naar achteren de voeten over den rug en het hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’ gasten in eene soort van zwijmel bracht.
Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen, kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:
„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet, Socrates, is derhalve genomen—”
„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch, zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”
Glimlachend zei Aspasia:
„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de engte drijft: doch het is mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus, overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene geheele verandering in de plaatsen brengen.”
„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”
„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates? Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast Socrates zal zetten.”
Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het aanligbed, waarop Socrates aanlag.
Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide Socrates zijne gezellin.
Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.
„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch, ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het, Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—
Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij ieder harer bewegingen, antwoordde:
„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen, zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”
Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo smadelijk de wapens strekte.
„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”
„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”
„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”
Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen rondschenken.
De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap, die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.
Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.
Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.
Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.
Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.
Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.
„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”
„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden nederleggen en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid begraven.”
De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het hoofd van den wijze onder bloemen begraven.
Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te kunnen fluisteren.
De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit en zei tot zijn buurman Sophocles:
„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening, „Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En als uw pleegzoon Alcibiades grooter is... mijn dochtertje Hipparete... de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen...
„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.
Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wien Bacchus zijne macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had, maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel zacht. Hij sprak met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door het aanheffen van een paeän op Dionysus, die toen door allen in koor gezongen werd.
Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd door de bloem van den Helleenschen geest.
Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost in:
„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard, dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede wij verkoelend ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden, ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”
Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van Oud-Hellas fonkelden!—
En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.
„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen bevond.
„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet, dat ik wat minder liefheb?”
„Waarom?” vroeg Aspasia.
„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt gij dan over voor Pericles?”
„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.
Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de volheid van haar geluk.
„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in idyllische rust doorleven.”
„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”
De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar waande en onschendbaar in hare heerschappij aan den huiselijken haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor eeuwig zou planten.
XI. SAMOS
„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht, toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx geloopen—”
„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.
„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,” hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt, veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de Milesiërs Priëne [250] bezitten?”
„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het bond hunne geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de Samiërs ontstoken.”
„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.
„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan. Leve Sophocles!”
„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven had gedreven. „Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”
„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera verhandeld heeft.”
„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus, „als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia, de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van de Milesische binnen. Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”
„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw ambt.”
In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek verdiept.
„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde, dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de liefde voor de schoone Aspasia...”
„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden, die mij omstrengelden.”
„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt, slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”
„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der eerzucht, dat rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”
„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de dichter na eene kleine pauze.
„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en sloeg een scherpen blik op zijn vriend.
Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg moest verkozen worden—”
„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen, welke de gewichtigste is?”—
„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos nemen?” vroeg de dichter.
Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen, een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te denken. Samos [251] is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal; Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische [252] school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen, den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust woont.”
„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone Chrysilla zijt geweest.”
„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den tragischen wedstrijd geweest zijt.”
„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de schoone Chrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap houdt.”
„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.
De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.
Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen, welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest als triërarchen hunne schepen te leveren en ze uit te rusten.
Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groen Cephissus-dal zag hij zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en Munichia, in het rumoer van den Piraeüs, waar de vreeselijke zeedraken der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om te onderzoeken, welk schip het beste en snelste zeilde.
Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen, vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers zette naar Samos.—
Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.
De brief luidde als volgt:
„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij voelde. Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren? Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende, aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.
„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.
„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid. Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.
„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen, die zeker te Athene op aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op dit oogenblik van het vuur van Ares [253]. Ik heb hem naar Chios en Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere versterkingen zijn in aantocht.
„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”
Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische beantwoordde dien in dier voege:
„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen, dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees, dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe langer ze duurt en ten laatste, evenals Agamemnon vóór Troje, in steeds toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.
„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd, daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.
„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop, dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet gij weten, dat hij juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”
„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.
„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”
„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.
„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen voor een vrouwenhater houdt?”
„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.
„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”
„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”
„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.
„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand, die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”
„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en welks stilte alleen door de welluidende trimeters [254] van haar dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.
„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:
„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote Themistocles [255] mij gaarne hoorde vertellen.”
„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten, weggejaagd had.
„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek gedoopte vuurpijlen van den Areopagus naar de Acropolis slingerden, tot alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde priester van den Erechtheüs-tempel op den burg, die verkondigde, dat er een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op zee, op de schepen der vloot van Themistocles.
„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte vluchtelingen niet konden dragen.
„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters, zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip tot schip den geheelen nacht door het geroep der zeelieden, zoodat zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden [256] van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der fakkels en de geheele Euripus [257] wemelde en de groote vloot der Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron aanzeilen.
„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen, die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.
„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen, kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had kunnen wezen.
„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte, pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met het kind naar de zee en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.
„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd. Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak vernam zei hij:
„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het vaderland gevallen zijn!”
„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”
„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het hier voor u neergeschreven heb.”—
Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was, kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:
„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den aanval.
„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen: maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons beiden gehaat zijn.
„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.
„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond, die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste heeft toen geboren te zijn geworden.
„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal kosten.”
Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:
„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den Atheners reden gegeven tot groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde; alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord. Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.
„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates pleegt te zeggen, goed bouwen.
„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad, dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had, heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in beweging gebracht.
„Zegepralend wijst de onverzoenlijke Erechtheüs-priester op zijne vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst; hetgeen de Goden mogen verhoeden!
„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen opdwarrelen, die den priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van zijn tempel de wijk te nemen.
„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven, steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een, dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt, daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.
„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia. Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te snellen, als gij het wilt.”—
Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:
„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving van het zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.
„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische vloot te verbreken.
„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.
„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het daarachter staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte rijen naderde.
„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx [258] onze voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.
„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen [259] slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen [260] lange balken met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast verpletterden of het verdek verbrijzelden en als met ijzeren klauwen het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden, voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning met bijlen zijne riemen vernielde.
„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de Atheensche over te brengen.
„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?
„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken, dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten, doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.
„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke schepen in den grond te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden. Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben, benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen” [261] voortreffelijke diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig als dorre takken deed breken.
„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd, wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om het overschot der weerbarstige Samische vloot te verbranden, toen plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel. Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde. Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander vaartuig, de „Pharthenos” [262], en terwijl het Samische admiraalschip mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als krijgsgevangene, naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër, zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.
Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber, Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen, dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was, maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en het waarachtig eeuwige, één en oneindig, alles in zich omvatte; want als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den geest.—
„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen, die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield, te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen strijd aangenomen.
„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”
„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog van den Samiër.
„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en hen goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”
„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik waardeerde het.
„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen, die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid. Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte, waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven, licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige eenheid van het Zijn.
„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert. Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder mij daarvoor te schamen.
„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia [263] een altaar op de Acropolis op te richten.
„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich daarvan toeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”
Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem, die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te gemoet was getrokken.
Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:
„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het leger juist bezig aan Zeus, den Redder [264] een offer te brengen. In den kring, die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden, moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was, dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren, af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil [265] in te branden.
„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde met stormrammen en werpgeschut.
„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den jongen Alcibiades”—
Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:
„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte, zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn woorden en hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van Sappho bij de klank der snaren zing.
„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring, elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef het hen: want ook zij arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.
„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven, komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit de held van den dag is.
„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon [266] en afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar dragen, het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.” [267]
„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en houden mij voor eene lichte en zekere prooi.
„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber, knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van den treurspeldichter het trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe. Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt, voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk een mannelijk besluit van den dichter?”—
Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:
„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne hardnekkigheid doen boeten.
„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht nog bij ons Atheensch volk te doen valt.
„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat, of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren te brengen.
„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”
Zóó schreef Pericles.
Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad hardnekkigen weerstand en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar Aspasia gezonden.
Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische vriendin:
„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de muren.
„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren. Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te regelen zijn.
„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken elkander wederzien.
„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen, van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd, na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.
„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”
Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos na.
Daarop nam zij een stout besluit.
Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.
XII. UREN VAN ZALIGHEID
Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar Milete gemaakt.
De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus. Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.
Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.
De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.
Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door orgiastische [268] woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus, die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken haardos door eene lydische mitra [269] getooid, in veelkleurig, wijd gewaad, als Klein-Azië’s echte zoon zich betoonde.
En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke, prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers en Corinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke, weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van Syrische zalven.
Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger, Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte, bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.
In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten. Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis rijkelijk versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.
„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,” zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”
Pericles glimlachte.
„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen, Thales [270], Herodotus [271] en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen, ook den grooten Homerus [272] hebben geschonken.”
„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”
„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterender ontwikkelt, dan juist daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”
Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed harer donkere oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.
Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden, Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan, om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.
De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als Hebe’s [273] en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de Cybele-feesten [274] gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de zinnen meester maakten.
Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen [275] op rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd met de Tritons [276] hare zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van gedaante wisselende grijsaard Proteus [277] ontbrak daar niet, die allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem en wenschte een orakel van hem te vernemen.
„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”
Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de volgende orakelspreuk mede:
„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk! Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij doet! Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”
Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen en papegaaien zaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch, kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort. Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand vernam. Tegelijk drong een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen, tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen. En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld, verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.
Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.
Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd, de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en dichter met rozenkransen te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween. Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor, dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.
Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide, terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.
Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den vreemdeling, om haar te bevrijden.
Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende oogen van Aspasia schitterden hem tegen...
Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.
Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide met hare zacht betooverende, zilveren stem:
„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat ik nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben overgeleverd.”
„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”
„Is er wel een geluk denkbaar zonder verrassingen?” vroeg Aspasia.
Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.
Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen die zij gevlochten hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.
„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat, weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven. Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke Corinthische met hare vurige oogen!”
Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid, vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën [278] voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween. De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen de nachtegalen en geurden de rozen.
En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt had bij de Corinthische met hare vurige oogen.
Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding, na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder ongehinderd opwaarts.
Toen op den morgen na dien nacht Pericles en Aspasia hand in hand uit het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden, geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten verkoeld.
Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest harer bewoners.
„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd, toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus [279]. Deze tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen voor het machtige, bloeiende Athene.”
„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht gebroken, maar de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze kusten houdt uitgestrekt.”
„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”
Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:
„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”
„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats, die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche [280]?”
„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese” onder deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten mag.”
„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn. Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen, dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”
Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet omzoomd en door gele halcyonen [281] bevolkt. Zij voeren langs de schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.
Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd verstoord.
Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was niet alleen de begeerte om Pericles eer te bewijzen, maar ook de overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te kruiden.
En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.
Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich omdroegen. Over datgene, wat zij bezielden, schiepen, volbrachten, mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te verwezenlijken, scheen in die Halcyonische [282] dagen van Milete beiden zelven als het beste deel hunner bestemming...
Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, door de toppen van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen, die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden, en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven, vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen, hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.
Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking, gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne [283], en op verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon had gespreid.
Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk beloofden en hem aanrieden:
„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans mij doet! „Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”
„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.
„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de Milesische.
„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.
„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?” vroeg Aspasia.
„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.
„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in uw huis pleegt te noemen.”
„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze, „zijn wellicht alleen Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”
De Milesische antwoordde met een glimlach.
Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in de ziel van Pericles overdacht te worden.
Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s afwezigheid, over haar sprak.
„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug. Den vromen Aeneas wist de minnende Dido [284] te veroveren, zelfs den sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale [285] een tijdlang aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”
„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen, waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren, waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is in weerwil van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen: die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid, vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet, hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”
„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te vullen.”
„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene op, wat aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”
De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn innerlijk geluk had kunnen wijden.
De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.
Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:
„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij, Grieken van deze kust, nabij de vurige Phoeniciërs woont, die het eerst de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden, van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot. Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs, zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der Corybanten had gadegeslagen.”
Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.
„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb, verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden waren.”
Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:
„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te verlangen. Welnu, luister:
„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag er uit, alsof hij door een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling, ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling voor elk gevaar beveiligd zijn.
„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou bestijgen.
„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.
„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn van haar dolle waanzin.
„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea, moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij, maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.
„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen zagen wij met slangen, die zij opgeraapt hadden, in de handen en speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.
„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de razenden opmerkte, onbewust na te doen.
„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren, strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil, doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.
„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven [286], als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken en cymbalen [287] en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld voor hunne oogen werd ten toon gesteld.
„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de wildste onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning. Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo verzwolg hem de dolle schaar.
„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.
„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.
„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig verstaanbaars tot mijn oor doordrong.
„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.
„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het tympanon [288] klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder, die in de verte ratelt.
„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden verloren zoon mocht kunnen terugvinden.
„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.
„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles voortbrengende Godin...”
Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.
De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.
Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond, zeide hij:
„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken, niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”