← Aspasia

XIII. DIOPITHES EN HIPPARETE…

Part 4 of 7 · Hamerling, Robert · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64986, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (25)

Continue:

XIII. DIOPITHES EN HIPPARETE

Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van het vaste gevoel, dat zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs [289] uit de aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.

„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in Milete gesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij voer?”

„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen; slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de schoone vrijheid van alle knellende banden.”—

Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.

„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de hetaere van Milete.”—

Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek van den Athener als eene gevangenis?”

„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”

„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”

„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de echtgenoote van een Athener.”

Pericles was getroffen.

„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”

„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”

„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt te verwezenlijken?” vroeg Pericles.

„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”

„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te verwezenlijken?”

„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe aan de geliefde hebt gegund.”

„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk. Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”

„Boven alles het recht om tusschen mij en u geene andere wet te erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”

„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken kan?”

„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.

„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,” zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde zelve?”

„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te spreken.—

De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene triëre, om naar Chios te zeilen.

„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den dichter Ion op Chios leeft?”

Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.

Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip van Pericles terug te zien.

Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens geheim slechts aan weinige ingewijden bekend was.

Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen. Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed op zijn vaderland uit.

Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg zou staan.

Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.

Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld, zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.

Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun Chiïschen gastheer.

Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf, naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in zijne nabijheid te blijven.

De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te leeren kennen.

Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de koesterende zon.

Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden gegund werd.

Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hij hen zich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren bekers.

Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene trotsche, volle roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste, niet de schoonste der bloemen.

Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met ongeveinsde hartelijkheid.

Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.

Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.

„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn, als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft, weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs, die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot de soldaten heb hooren zeggen, dat, als het van hem afhing, zij eeuwig zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer, zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus, een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof, maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”

Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:

„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te betalen, omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden [290] der zee onthouden, dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een prachtigen paeän op Asclepius [291] gedicht, die op de geheele vloot gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”

Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend, elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone terras van Ion.

„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof, dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”

„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet vergeten.”—

„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.

„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”

„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles, „hoe opgeruimd en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek, overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en dergelijke akeligheden meer...”

„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles, „verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij, niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke gevoelens misdreven hebben.”

„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—

„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben opgelost.”

„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes, voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage meldt, dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen [292] vloed zich hebben neergestort.”—

Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der ondergaande zon zich afspiegelde.

Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en met kennelijke vreugde liet welgevallen.

„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.

„En welke is die?” vroeg Pericles.

„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere beschouwing overwaard zijn.”

De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:

„Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”

„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus [293]? Hoe bevallen u die purperwangen?”

„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt purper geverfd, leelijk zou zijn.”—

„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos [294] bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”

„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan wasschen.”

„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.

Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden. Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat Chrysilla’s blikken die van Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten. Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.

Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden. Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven werd hij door Sophocles krachtig geholpen.

Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.

Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:

„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”

Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen. Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:

„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond aangeroerd was.

Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”

„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner groote talenten laten zal.”

Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers op Chios.

Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden. Ieder wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen. Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen, ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te dienen, heerschte zij toch...

Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf verkoopen wilde.

„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen verklaar ik hem vrij!”—

Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.

Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het einde ernstig en nadenkend geworden.

„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen, „mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”

„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”

„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te vernederen.”

„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.

Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.

Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.

„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de Attische lucht noodig hebt.”

„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond van Sophocles gehoord heb:

„Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea, Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid, Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren, Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee, Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”

De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een zalig genot. Wat zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren, scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende lichamen in de golven te begraven.

Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren. Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden brug over de zee.

Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.

Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.

„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia: „Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische [295] dochters van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”

De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.

Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd, de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de dochters van Nereus op, rijdend op zeemonsters, en Tritons, die schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als een zeil boven zich heen golven.

Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus [296], die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had gevonden, door de Maenaden [297] in de zee geworpen en door den vloed verder gestuwd was over de Aegaeïsche zee en welker tonen de zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.

Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zee verlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware gekust door de stralen van den God, aan wien het geheiligd was. Niet zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.

Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen; eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het zilte sop te doorklieven.

De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.

Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de diepten der zee Attica’s gewijde kust.

Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige zuilen eene lichtende stip is voor den zeevaarder.

In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke, zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud. Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt. Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon, de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.

Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen, schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der ondergaande zon.

Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte, maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—

En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het Parthenon!”——

Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de hoogte van de Acropolis waren gericht, greep juist daar, in het eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon, eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.

Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos [298] ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve, in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs, onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te brengen.

Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig reeds aan den schoonen Alcibiades te verloven. Inderdaad was Hipparete het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en waardigs ten toon spreidde.

Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van het Erechtheüm.

Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide, dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.

„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.

De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt geworden. Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de omgeving van zijn tegenstander voorviel.

De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.

Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres in tegenwoordigheid van den Erechtheüs-priester, benevens diegenen, die gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst, in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg begaven, gaf de Erechtheüs-priester haar nauwkeurige aanwijzingen over hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen. Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht niet stipt verrichtten, hadden zij den toorn van den God te duchten. In elk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te wachten.

De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af, waarin vele trappen gehouwen waren. Angstig zag Lysiske om zich heen, Hipparete sprak haar moed in.

Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken verborgen mocht zijn.

„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”

„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.

„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor en droog is het op den bergtop.”

„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”

„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut en ons zegent op dezen tocht.”

De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die, vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam brandde.

Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had, legden de beide meisjes hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande, eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.

Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot; daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold liggen, met den kop half opgeheven.

Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen, zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.

„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”

Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd. Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine knoppen zijn gebroken.

„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij nooit gehoord van Alcmene en Semele, van Danaë?”

De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd van het meisje streelde.

„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”

Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte; maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.

Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:

„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel kleiner van gestalte...”

Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat daaronder de zegen aanbrengende God Erechtheüs zich verborg. Zij had die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere vreezen?

De God echter aan hare zijde ontstelde. De valsche Erechtheüs begon te sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij onder de hoede stond van den God Erechtheüs; de God zelf echter sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden aardworm...

Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De vloot van Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de Olympiër”.

Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.

Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.

Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de verschijning van den God.

En Diopithes?

Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—

Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel, was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden te zien en te begroeten.

Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op de golven kwamen aandrijven.

Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de vergulde Pallasbeelden en de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden getooid, met de sieradiën van vernielde vijandelijke schepen en andere tropaeën rijkelijk omhangen.

Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in ’t oor.

De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen overlaadden.

Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn, met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken gastronoom in den Piraeüs wachtte.

Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de stad gevoerd werd.

Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de zee, de kusten en de stad.

Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den Acropolis.

Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden. Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.

En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athene staat, doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XIV. DE PANATHENAEËN

Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert, wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen, dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt, waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen ontmoeten.

En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.

Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook hem eene heimelijk mokkende gade.

De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer vriendin had Telesippe het vernomen.

De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden echtgenoot te wreken, zooals Clytaemnestra [299] op den terugkeerenden Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed [300] hem in het verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan. Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar haat en kleingeestig ook haar wraak.

Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen? Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van Telesippe verdragen.

En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na zijn terugkeer ontmoette:

„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—

Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten, haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?

Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.

De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude worden, waren teruggekeerd.

De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit geheel Griekenland kwamen de gasten.

Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.

Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners, Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe, die den knaap haatte, omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.

Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar, terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in de hippische [301] kunst, staande op den met vurige rossen bespannen wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht te komen!

En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus denken en aan het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk, dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.

Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus [302], Prometheus en Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het volk tot spoed gedreven.

De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele vormen te toonen.

Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.

Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde, behoorde ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.

Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in het Erechtheüm gebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk der Ceramicus in orde geschaard.

De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echter een even levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag. Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen, aan beelden van kracht en welgemaaktheid.

Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen, bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen, sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen, die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen. Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers, offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen, deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.

Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen, in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk, droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden. Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig, bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde, ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.

Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans: prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde oogverblindend in de stralen der zon.

Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.

Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden steden en eilanden gebracht werden.

Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien van Erechtheüs en Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën, herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier [303]. Het aandeel door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten [304] genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel voorgesteld, die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.

Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens, met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone, eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten, donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen [305] aangevoerd, marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen [306] in schitterende wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden aan het hoofd; het volk naar gemeenten [307] ingedeeld, mannen en vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers de vreemdelingen, die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning, klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden neer laten.

Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid, overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste deel van de geheele feestviering uitmaakten.

Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.

Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door offers of door het aanheffen van een paeän.

Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben. Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met hunne moedige paarden toch in den trein bleven, terwijl zij zich zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als voor raderen, verminderd was.

Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de oostzijde van het Parthenon.

Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos, ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.

De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of heldere kleurenpracht.

Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten bevolkten, stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.

Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden. Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend leven in zinrijke vorm afgebeeld.

De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten heenspoedend met de blijde boodschap Nike [308] en Iris [309], haar tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land, bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende godheden: de onstuimige Poseidon, die zooeven met den drietand de heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen, die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen [310] het overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte, dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”

Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste overheidspersonen van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en de Archon Basileus.

Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan het volk der Atheners.

Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin. Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:

„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen, waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld, een Pallas Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen, losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren. Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude, heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen, zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven had opgericht.”

Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de stoet der jonkvrouwen de trappen en ging door de geopende poorten van het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden, onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij, die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.

Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken gericht.

Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren, door de Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der Godin hing het Aegispantser [311] met het versteenend Gorgonenhoofd. Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de strijd tegen de wilde Amazonen [312], op den binnenkant de trotsche Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal strijd tegen de woeste, donkere machten.

Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang. Eene groote, vierkante opening was er in het midden van het platte dak, dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en schaduw, nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.

Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias, Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel eene prachtig gevormde amphora [313] ten deel, waarop in schitterende kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de overige agonen; hun echter, die in de musische [314] wedstrijden de zege hadden behaald, werden gouden kransen toegekend.

Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het Atheensche volk.

Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde waren gekomen.

Onder hen ook een Spartaan.

Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem toeduwde:

„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”

Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om den Spartaan drong en de Atheensche jongeling de schampere woorden herhaalde, trok alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te verlaten.

Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde, onheilspellend in het zwerk...

Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch, dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester van Erechtheüs.

Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend. Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun priester met hen...

Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus, Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende Atheensche mannen, die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne banier hadden geschreven:

„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”

Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden, bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het voltooide werk in oogenschouw te nemen.

Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders; een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.

Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.

Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen bezielde.

Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars beschouwen.

Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de mannen, en hij sprak eindelijk met den hem eigen ernstigen glimlach, zich tot Aspasia wendend:

„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het, dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”

Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.

„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij, mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel, groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen, in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet den toorn der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort, het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros, hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”

„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te vervaardigen.”

„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene Promachos en van deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de „vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu overig dan de vrouw?”

„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”

„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,” vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid, en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk: „alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten veroveren!”

Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken, die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.

Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het werk van den peinzenden zoon van Sophroniscus, naar de groep der Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had vervaardigd.

Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en gestreng de andere, peinzend de derde.

Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:

„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen, integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het volkomen wezen der Charis uit te drukken...

„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het marmer bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter, o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken; want ik lees het in uw blik!”

„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.

„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het gemoed en het leven der Atheners!”

„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam, gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken, waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en scheppingskracht!

„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het, naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws en schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der schoonheid!—

„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort: „het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert. Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke leven. Hier, evenals daar, is de drijvende geest, gemoed en gedachte dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op gelijke wijze openbaren!”

Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven, greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:

„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging, die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal, naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”

Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.

Ook de Erechtheüs-priester vernam die woorden in het schemerlicht, achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in zijn oog en viel op de Milesische.

In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen en prezen de voornemens van het edele paar.

Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed, wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.

Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:

„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe zijner Chariten is gesloten?”

„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus, „dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XV. UILEN OP DE ACROPOLIS

Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der Euminiden [315] meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft plaats gehad, dan is het niet te verwonderen, dat bij het noemen van den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren tinnen van het Parthenon.

Doch er waren ook uilen op de Acropolis....

Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen naar Athene zenden” [316] de beteekenis kon krijgen van een overbodigen arbeid.

En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets zelfstandigs te zijn en meer dan het licht, dat uit hem geboren wordt, en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.

Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van het licht geworden zijn.

Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen, muizen en slangen.

Zij zijn daarom de lievelingsvogels van den Erechtheüs-priester Diopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich tevens eenigszins zonderling beweegt.

Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare stem uit.

En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getal der trappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:

„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”

„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.

„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben: wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel, zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt; opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”

Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle inlichtingen, die hij kon geven.

„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in vredestijd.”

„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.

„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder grootsch dan het Parthenon zelf—”

„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het heiligdom van Erechtheüs vervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van Phidias.”

„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners, zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne oppermacht zich staande houdt?”

„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien de Atheners den tijd laten hen zelven te gronde te richten.”

„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”

„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet. Ja, gij zijt een Lacedaemoniër en als gij zegt, dat gij den Atheners alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”

Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta den Erechtheüs-priester de hand.

„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm, onverzoende wraakgeesten zweven.”

Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan deze zich verhief.

„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene diepe, donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij, nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid, nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen, behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten, zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—

„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der volksheerschappij.”

„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij. Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over, dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”

Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den grond voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning met Lacedaemon ten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”

Zoo sprak de Erechtheüs-priester en verdween weldra met de man uit Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.

Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen geleid.

Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had durven hopen.

Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den Archon Basileus kunnen wezen!”

Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was, kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem opdeed.

„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die strengheid, van die deftige waardigheid, die een ernstig man, met het priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou vinden, wat zij in mijn huis miste.”

De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade binnen te leiden.

Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen huwen.

Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot huis verjaagd....

Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht! Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja, waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven, niet der moeder. Door den dwazen trots der vrouw heen voelde zij altijd door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.

En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed daarmede vergoten werd.

Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.

Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene menschelijke wijsheid ooit zal oplossen....

Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne rechten met elkander in strijd....

Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.

Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij verspreidde licht en glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.

De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden aanvoerder der Muzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo lang was geweigerd.

De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde, begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks, niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel. Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.

Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der schoonheid herscheppen.

Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare sieradiën, in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest? Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring, verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood, het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.

De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat, bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft, evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben, is benijdenswaard.

Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—

Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene [317], zoete sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde, waarmede men een kind liefheeft.

Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems, schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen, in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze bronnen weten te scheppen en te putten!

Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las, of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei telkens afwisselde...

De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.

Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.

Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.

Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen, waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide [318], gene met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares, weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.

Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende, dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men veel leeren kon.

Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook gelukt was de gade van een koning te worden.

Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf. Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles koesterde en jegens den jongen Alcibiades.

Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet van Paralus en Xanthippus hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.

Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?

Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van Pericles behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon, bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig karakter.

Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet. Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap, die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden. Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne spotternijen en overmoedige scherts.

Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om later dubbel gelukkig elkander weder te vinden.

Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche, onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het, dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht: hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder talrijk maakten....

Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.

Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.

Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier, om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.

Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:

„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij de schoone natuur ter schole wil gaan?”

„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”

„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen, om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen, naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”

„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel haar eigen meester is.”

„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar eigen meester is?” vroeg Pericles.

„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”

„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de blikken van een ander prijs te geven?”

„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”

„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is, moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen onteert.”

„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist. De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de eerbaarheid niet de voornaamste reden is en dat niet elke ontsluiering op zich zelve onzedig is.”

Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.

De beide mannen waren Protagoras en Socrates.

„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting, „dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis betreden?”

„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander van verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden, omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te zamen het huis binnen te treden.”

Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel het hunne konden bijdragen.

Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was, maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te zetten.

„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het dan ook in onze eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”

„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid, volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver mogelijk, overlevert.”

„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag bezitten?”

„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras. „Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de kunst, op een aard en wijze en onder omstandigheden plaats grijpen, die het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”

„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.

„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden, doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks, als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs geven...”

„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw, wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was, alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt, om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen. Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen [319]? Als ik mij goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet rustte, tot hij bezat wat hem zoozeer had verrukt.”—

„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte, als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen, heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—

„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”

„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus weder werd afgebroken.”—

„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede, „gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles in de wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het voor heden laten berusten.”

„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt, alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute waarheid.”

De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige uitdrukking aan en hij zeide:

„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”

„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—

„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst hebben begonnen?”

„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden beschouwing te willen vervangen.”

„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen het alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner toehoorders werken.”

„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest zal zoeken.”—

„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—

„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen ontzegd werd.”—

„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken, omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven is.”

„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op terugkomen.”—

„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer eener schoone liederlijkheid te geraken.”—

„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij zelven niet tot schoonheid en genot geroepen zijn.”—

„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras, schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”

„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”

Socrates zeide:

„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”

Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor van opgewondenheid in zijne trekken.

Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben gegeven.

„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”

Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone Milesische welgevallig zou zijn.

Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in Aspasia een toenemend gevoel van afkeer en bijna zonder zich er van bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte” altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan hem zelven te schande te maken.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVI. DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST [320]

„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden, voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel Athene.

Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.

Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm. De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.

Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest gediend hebben.

Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.

Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had, zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven waren Pericles en Phidias geweest.

De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.

In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.

Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.

Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten. Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.

Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was Aspasia, maar verheven tot eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste beeldhouwersziel.

Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke wijze:

„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone Aspasia.”

Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem opgewekt was geworden.

Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren. Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden. Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel te verwezenlijken.

De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen, dat hij zijn tijd tusschen die Pallas en haar levend model verdeelde. Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te ontmoeten.

Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende, zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in een labyrinth van straten, scheen hij een labyrinth van gevoelens te doorkruisen, waar hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats terugbracht.

Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras, zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.

En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was, des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.

Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid? Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling, welke Socrates met Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en Aspasia gehouden had.

Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd, vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.

Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was en niet het volk de onderwijzer van den dichter.

Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den toon, dien hij aansloeg, met haar over de vrouwen te spreken.

Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit, dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.

Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem naar zijne nieuwe gade.

„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig, „maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”

„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en beminnelijk is.”—

„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—

„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg Aspasia.

„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te staan en op straat te gluren.”

„Is dat alles?” vroeg Aspasia.

„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is vol veinzerij, zij is valsch, zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig, zij is dwaas, zij is sluw, zij is babbelziek, zij is jaloersch, zij is ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is zielloos...”

„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit alles afzonderlijk te bewijzen.”

„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.

„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”

„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juist het tegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit middel bestaat hierin, dat men haar verwaarloost. Wee den man, die zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder en verliefd, dan zou hij haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij veracht en in een jaar dood gekweld.”

Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken wrevelen ernst en nadruk:

„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden spint—zwarte of gouden.”

Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.

„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo afhankelijk is van de vrouw.”

„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld, eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”

„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia, „als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het grootsche verleent?”

„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven zwakheid.”

„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden triomfeeren!” zeide Aspasia.

„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar te gemoet. „De dag der wrake komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht, de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is niet goed...”

Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het en zeide:

„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”

„Tot Aspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar niet van Aspasia. Ik spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn geen Aspasia’s...”

Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’ gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen, dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.

En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:

„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk feit voor, dat ieder man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken, die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde, als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van haar wezen...” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen, maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet ontwikkelen! Hoevele zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone en het goede te maken!”

„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel berust!”

„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden, dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—

Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar een lesje te geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.

Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de gade van Pericles geworden was?

Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.

Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.

Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten; maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.

Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is, de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen, en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst door een verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf het geval zijn.

Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en plannen meer openlijk voor den dag gekomen.

Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van Pericles in een tal van partijen verdeeld.

Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.

Tot de onverzoenlijkste en nog steeds gevaarlijkste vijandinnen van Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin van Pericles en de zuster van Cimon.

Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen de gade van Pericles op te hitsen.

Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk der liefde en van den echt berustte.

Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen redeneertrant te beproeven.

„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”

„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.

„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,” vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”

„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.

„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”

De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag. Aspasia echter zei glimlachend:

„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van haar man de beste aller vrouwen te zijn. Velen vorderen van anderen de liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”

Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor onwankelbaar echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter beviel.

Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten, met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van vermakelijk genot verschafte.

Zoo drong zich op een goeden dag een zekere Clitagora met geveinsde bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.

Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?

„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd, alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar meesterstuk is de zachte en lichte sesamee [321], die zij uit sesamusmeel met honig en olie in de pan gereed maakt. Zij neemt gepelde gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om, besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die met de zoogenaamde Cappadocische [322] koeken dweepen. Men kneedt ze het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en moeten geheel heet op tafel komen.”

Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond, wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te bewijzen.

De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school, waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia, die tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot overwinning zou helpen voeren.

Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te bereiken.

Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare macht te brengen.

Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een, dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.

De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.

Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot aan den avond in den Thesmophoriën-tempel vergaderd. Demeter en Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.

Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.

Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.

Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en de feestzangen te babbelen op kuischlam in den Thesmophoriën-tempel. Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden elkander van toovermiddelen, om in het kraambed te gebruiken, of deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.

„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der meesten rondom haar uitkwam.

„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te behandelen, als Pericles Aspasia doet.”

„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in te richten als Pericles met Aspasia doet.”

„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige, kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”

„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen het meest verlept en geblanket waren.

„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en onze mannen dwingen het goed te vinden.”

„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster met een boosaardigen lach.

„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die vrouw plaatste, met hare handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik mijn man tot een hoorndrager maak?”

„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uwe leermeesteres Aspasia zal u dit wellicht nog leeren!”

Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar, die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden blik op haar.

„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich voortplantte. De geheele Thesmophoriën-tempel geraakte in oproer. „Wat is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man binnengeslopen?”

„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”

Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.

Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.

Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de vermetele vestigde.

Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden toe:

„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest dat weten! Ik ken u precies! Gij zijt Critylla, die door uw eersten man Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom die het altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—

Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:

„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht, hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”

„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij elkander aanzagen. „Critylla heeft zich vergrepen, door Pericles en Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als deze!”

„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”

„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijn cachet verzegeld.”

„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten Molosser-hond gekocht, die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne afwezigheid binnen moge sluipen.”

„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging Aspasia voort.

„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”

„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te koopen?” riep eene tweede.

„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar huis.”—

„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd krijgen te vragen, wat daar beslist is?”

„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan. „Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”

„En als gij niet zwijgt?”

„Dan is het nog erger!”

„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is stilzwijgen!”

„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!” klonk het in den kring.

„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”

De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder elkaar.

Aspasia echter ging voort:

„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult zijn; want dan alleen kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met zalfdoosjes en eenige cinnaber [323] dit doel te zullen bereiken. Maar alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden, vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten, eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat wij met alles wat in ons is, voor het recht van ons geslacht willen strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping behoort.”

Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken. ’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.

Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.

Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:

„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in den kring van geboren Atheensche vrouwen?”

Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.

Elpinice echter vervolgde:

„Hoe durft de Milesische het wagen ons de les te willen lezen? Wil zij zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid? Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen, wij zijn bij het Braurons feest [324] als bloeiende jonkvrouwen aan die zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen, door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster, misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”

Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:

„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe Adonis-feesten [325]. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”

„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger vertoornd uit, „waagt gij het onze tempel te betreden, onze heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”

Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene dreigende houding aan.

Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’ gade kozen.

Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te wakkeren.

Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.

„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche, wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—

„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare kinderen!”—

De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia blikte.

Elpinice echter ging voort:

„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas, voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen meten!”

Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.

Elpinice nam opnieuw het woord:

„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij, als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”

Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op; zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke minachting:

„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven! Bedaart wat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en te bijten?”

De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s partij maakten aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den Thesmophoriën-tempel.

Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den geest te bevrijden.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us