XX. DE SCHOOL VAN ASPASIA
Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.
De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan de nakomelingen achter te laten, de wetten door het volk gegeven te gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af te schaffen.
Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.
De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge Demus, de om zijn schoonheid beroemde zoon van Pyrilampes, die insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.
Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat, den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.
Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men begon van dit oogenblik af hem met een zekeren afschuw te aanschouwen, als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.
Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken, toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”. Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs, wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef altijd geliefd.
’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem bijna met de teederheid van een vader.
Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel. Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt gezonden.”—Hipponicus lachte dat zijn buik schudde, en roemde bij de heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—
De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door haar vader reeds geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de stad der Atheners gedurig toenam.
Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.
Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot. Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen hoe langer hoe wijder uitbreidde.
Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—
Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling wil schilderen.
Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De ongelukkige! Zoo zeker als het ’t meest benijdenswaardig geluk scheen, door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk hem te beminnen!—
De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van het huis, waarin hij opgevoed was.
Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in ’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist, dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte, tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen. Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was. Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest was te zoeken.
Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.
Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de naburige Dorische stad zouden uitbreken.
Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin Aspasia.
„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.
„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus nogmaals een klein zeetochtje voor eenige dagen te ondernemen. Wij hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danste lustig op de golven.
„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep, waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal, zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht omver wierpen of vernielden.
„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk. De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en zeilen getooid, de met purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.
„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht, dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en verdween uit onze oogen.
„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte. Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblaf voortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze verschrikt uit elkander vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden. Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.
„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen, toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan. Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed, verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken. De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners, antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend, waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige voldoening de plaats te verlaten.
„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.
„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid. Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt, aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.
„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van de Megarische kusten.”
„En het meisje?” vroeg Aspasia.
„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha [385] is haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet der Helleensche vrouwen, maar toch zeker de bekoorlijkste der Helleensche jonkvrouwen!”
Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den koenen jongeling aangehoord.
Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar de eigenschappen van het meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.
Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te loor gaan.
De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet zoo goed als eene dochter.
Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den edelen grijsaard van Milete, den bekenden Philammon, dien Aspasia in het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug te keeren.
Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot Alcibiades:
„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil, om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele, bloeiende meisjes, ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus, veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha, zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt, ter bewaring; beleg om zoo te zeggen, uwe bezitting op renten: gij zult ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug ontvangen.”
Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.
„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone kind in uw huis te komen bezoeken.”
„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare vorderingen.”
Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld hebben, dan thans geschiedde.
Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor dien naam.
Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit Megara gevoegd.
Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust. Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.
Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.
De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere, schrandere Milesische. Hare leerlingen konden, evenals hare meesteres, machtige en uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.
Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige, bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens; zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na, maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof, zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.
Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd [386]. Zij verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven, waaraan zij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon beproeven.
Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als ’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de muziek, een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.
Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen en vrij te maken.
Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid, kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt als de hoogste wet der schoonheid en des levens.
Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.
„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen, verzachten. Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden. Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eene moeilijke kunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”
Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na, evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid, naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.
Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”
Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel meer bekoort dan plompe weelderigheid.
Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen van Sappho bij de luit zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.
Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt. Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof in helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.
En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven. Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zij verraste, door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.
Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten, bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer school ook buiten hare woning uit te breiden.
Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen. Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.
Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden. Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring, Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering, die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.
Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van zijne overmoedige makkers zou mede nemen.
Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan, en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen. Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich niemand op het schip.
Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche [387] heuvels.
Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te onderzoeken, terwijl de visschen daarentegen uit de blauwe zee somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug daaruit in te zwelgen.
Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen. Alleen Cora zag, als zij in den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.
De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde zich in Cora.
De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees. Want zij begon ten laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die verre over de zee klonk.
Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het bemerkte.
Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen donkere blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van Alcibiades, bijna dreigend als haviken op eene vlucht duiven. Daar echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem. Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.
In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd. Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.
Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen, schoten op tusschen de klippen.
Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het ruischen van de in gelijkmatigen rhythmus aan- en terugklotsende golven bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die zweefde over de klippen.
„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de nabijheid de verliefde Cycloop Polyphemus moest zitten, starend op de zee, waar het beeld van Galateä [388], zich spiegelt in den vloed, terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf zoodat hij druipstaartend terugloopt.”
Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.
Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de bergen van de Peloponnesus.
„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”
„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische bergen.
„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.
Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van dezen zetel op zijne vloot nederzag.
Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.
Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.
Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt, toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp omkneld werd.
Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.
De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen, had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel, dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met zijn vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten halve, die wraakgedachten.
Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht zijner levendige phantasie.
„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”
Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.
„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil. Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden. Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”
„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren, wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”
„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus, „dat ik nu reeds sinds jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”
„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden, wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met schranderen geest volkomen weder te geven.”
Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.
Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen, smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen. Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene breedgebladerde acanthus [389] had met zijn prachtig loof niet alleen den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.
Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de aanwezigheid van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”
Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen, hernam Callimachus:
„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument heeft meegedeeld.
„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede, bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn vaderstad Athene.
„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld, zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt, ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het meisje bukt zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee, omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten, haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden toe. Hij heeft slechts een lijk gered.
„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje. Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen. De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn heerlijk loof schier bedekt.”—
Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige paar.
Aspasia sprak na eene korte pauze:
„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt, kan ik toch den machtigen indruk niet weren, dien deze eenvoudige steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan verzinnen?”
Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een bliksemstraal door zijne ziel.
Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak hij, zich tot de Milesische wendende:
„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”
„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—
In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen zijne ziel vervulde.
Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd verbonden blijft [390], verstrooiden zich de meisjes om bloemen te plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden tooien.
Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden Triton vervulde.
Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.
Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van Aspasia’s school!
Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon gestoord worden.—
En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte vijandige, loerende oogen gericht.
Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.
Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd en haastig tot zijne makkers:
„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte Simaetha!”
„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen toorn ontstoken, „hoe? is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit verheugt?”
„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren, zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons, wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid zich thans aanbiedt.
„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven, alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”
Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit uit de verte.
„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen kunnen, ja misschien zonder dat zij het bemerken. Want als wij van een oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is, vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter geweld gebruiken, dan ware het te vreezen, dat die jongelingen misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”
Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.
Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen. Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina, naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip, waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.
De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha te vangen.
Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen, vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina, die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.
Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het schip bevonden, hoorden de angstkreten der meisjes en snelden ijlings ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich met de roeispanen hadden gewapend.
Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.
Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te vervolgen.
Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven, daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren, om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.
Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt; maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden; bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te nemen. Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten haastig koers naar Athene.
„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe klippen.
„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde rotsen van de Atheensche Acropolis!”—
XXI. DE MUILEZEL VAN CALLICRATES
Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen. Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene: Megara moet getuchtigd worden.
De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha, die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven. Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan, waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was de lieveling van Aspasia geworden.
De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara. Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven, dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde voldoening zouden hebben gegeven.
Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche markt de Megarensers, en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.
Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen, en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en door den afval der Attische kolonie Potidaeä [391] eene zekere onrust zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien. Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder de Hellenen geworpen.
Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal, als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.
De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen tegen den „nieuwen Pisistratus.”
Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman Lysicles en dien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles aan te randen.
Niet onverschillig beschouwde Pericles de moeilijkheden, die menige daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar. De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.
„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend. „Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot, dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige, armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O zeker, Pericles, het ontbreekt mij niet aan begeerte naar dappere daden.”
„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard gaan.”
„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen? en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”
„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—
„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide Alcibiades.
„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het niet te verspillen, maar het te behouden!”
Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.
Deze echter ging van Pericles naar zijne vriendin Theodota en herhaalde glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:
„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene. Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch zijn!”—
Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en de Erechtheüs-priester Diopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had gesmeed.
Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes voorbijgegaan. Reeds te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren, wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met de plechtigheid van een Godsgezant was de Erechtheüs-priester voor de menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.
Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht; doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles aan.
De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken, zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou worden vergoed.
Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen na zich.
Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven. Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden, die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd. Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest vreeselijke wraak gezworen.
Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en onbewaakte deur van het heiligdom van Erechtheüs en Athene Polias binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid had.
Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.
Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de trappen van het Parthenon.
Een der werklieden van Callicrates had uit de verte gezien, dat de Erechtheüs-priester het muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was gevallen.
Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van Callicrates.
Thans was de beker van toorn vol in den boezem van den Erechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang beraamde plan der wraak.
’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud te zamen.
Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen Callicrates.
De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare schreden aansluipen.
Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid en minachting.
Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij, door Heracles in ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.
Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.
„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”
Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach den Erechtheüs-priester toe.
„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon aan!”
„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak de Erechtheüs-priester, „om den twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken vijand.”
„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een man, die nog erger is dan zij?”
„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”
Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op ’t eerste oogenblik der ontmoeting.
Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden, waarbij grootendeels de sluwe Erechtheüs-priester het woord had gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander toch de hand gaven.
Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde, alleen voor de eer der Goden des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester, wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.
Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht, persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden, moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en bondgenooten noodig.
Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort. Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden; voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk zoo geliefden man.
Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.
Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon. Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte zich tot een bondgenoot van Cratinus, een Hermippus en andere blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles, door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.
Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de beide vrienden van Pericles.
Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een godloochenaar was.
Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen. Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.
Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de Tripodenstraat in de richting van den Illissus.
Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn weg tot aan de Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.
Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen gelaten had.
Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.
Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was Pericles.
Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten waande.
„Niet met eene blijde boodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng, moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”
„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard, „die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder terughouding, wat u op het hart ligt.”—
„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door den Erechtheüs-priester heimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—
„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf voor een oud man!”
„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles, „wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet in staat ben te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”
„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”
„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal de wet worden, die de sluwe Erechtheüs-priester bij het opgewonden volk heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten. Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen: „Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar Cephalus u wacht.”
„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den Hellespont, niet verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund. Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”
De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede, liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.
Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.
Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.
Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de onstuimige baren.
„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en zelven op het veilige vaste land achter te blijven. Inderdaad echter ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken. Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”
„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles, „verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt, maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen, somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—
Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun gemoed voor elkander uit.
Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en omarmden en kusten elkander.
Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:
„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk. Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben gevoerd!”—
Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het vaartuig.
Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.
Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.
Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende schip langen tijd na.
Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden morgen.
Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen, eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke zuilengalerij verdrong.
De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van beschuldiging.
Zij luidde als volgt:
„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en stellingen der godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan te zetten. Eisch: de dood.”
Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——
„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’ huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”
„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de blijspeldichter!”
„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora openen.”—
Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de Heliasten [392] openlijk zou behandeld worden.
Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën krachtig bevorderen.
Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling Agoracritus. De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek te vervolgen. Het viel den Erechtheüs-priester niet moeilijk hun geheele gesprek af te luisteren.
„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om het Trojaansche paard in metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”
„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas! verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”
„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus. „En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van weelderigheid en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn, en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—
„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander bij dit werk gehad hebben, dan den sluwen Erechtheüs-priester!”
„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?” vroeg Agoracritus.
„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van den Erechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb, dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe, nietswaardige, wraakgierige Erechtheüs-priesters!”
„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht Priapussen moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”
„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!” sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist tusschen de zuilen in de zon lag.
De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.
Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.
„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide Phidias.
Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den beeldhouwer.
„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen uitkrabben!”
Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder het woord van Homerus:
„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”
„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas, ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte, oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”
Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk, nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er afvloog.
Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar en van den Erechtheüs-priester ontmoetten elkander.
Zij kenden elkander.
Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood, eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp het ontvangen geld in het Barathon [393] en verkoos als bedelaar werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in ’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare plaatsen te zien; ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche rol kon spelen.
Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik af, dat hij bemerkte hoe de Erechtheüs-priester Diopithes en de bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van den Erechtheüs-priester en de werklieden van Callicrates tegen elkander in ’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.
Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.
Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen bedelaar en den priester tot bondgenooten.
„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.
„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel! Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—
„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—
„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te kruipen—zag hem zijn ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal en het ivoor en het blinkend goud.”—
„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—
Bij dit woord begonnen de oogen van den Erechtheüs-priester zeldzaam te flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.
„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de Acropolis te maken?”—
„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”
„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno? Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven van hen, die daarmede omgingen?”—
Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan. Een daemonische glans lag op zijn gelaat.
„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen, die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—
En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon, als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.
Na eene kleine pauze naderde de priester hem nog dichter en fluisterde hem in ’t oor:
„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”
„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—
Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen zijner werkplaats gekomen was...
Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig werkenden meester van het Parthenon.
De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van de Agora zou behandeld worden.
Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.
Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.
Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen zweefde een verachtelijke glimlach.
Pericles trad tot haar.
Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken. Stilzwijgend sloeg hij een blik naar den somberen hemel boven zich. De lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den Noordelijken Strymon [394] naar Attica en hun gekras scheen een voorbode van regen te zijn.
Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden uitgesproken.
„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de lippen houden.”—
„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op. „’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te zoeken en er onder te leven.”—
Aspasia sprak niet één enkel woord.
„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar insgelijks in zijne geestdrift, in zijn fijnen smaak om te zien, te hooren en te genieten.”
„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van barbaarschheid, in zich bevat.”
„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten. Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den grooten hoop pleegt te noemen.”
„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”
„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie, „genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die, welke ik u zooeven opnoemde?”
Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.
„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”
„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de straten van Eleusis.”
Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers, verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de aangeklaagden.
Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen, wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.
„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”
„Maar zou men het daarom niet kunnen?” schreeuwde een verschrompeld mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig aangewend!”
Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal, wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”
„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een geheimzinnig gezicht, „die Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”
„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie [395] te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”
Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en tweedracht.
In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren hem omringden.
De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.
Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te hooren, wat gesproken zou worden.
Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht, waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden worden.
Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig ronddwaalde.
Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw, maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.
Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.
Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware, verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.
Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den staat.
Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te temperen.
Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en stipte nauwgezetheid afgelegd.
Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht, daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift voorlezen.
Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en uitvoerig toe te lichten.
Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht tegen Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de jeugd bedervend, in andere Helleensche steden rondzwierf: hoe zij verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen te verbinden.
Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene bekendheid dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige Dorische stad.
Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid. Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan, dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden, aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van godloochening.
De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een gemompel:
„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische moet vallen.”
Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten, verhief zich Pericles.
Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor luisterde in gespannen aandacht naar den eersten klank uit den mond van Aspasia’s gemaal.
Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet, zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag, zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.
Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een edel streven nooit misdadig kan zijn.
Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot, zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—
Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit het hart voortkwam en tot het hart sprak.
Hij zeide:
„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land niet verkleind, maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij, door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete, niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en sleept haar voor zijne oogen ter dood!”
Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.
Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den hemel.
Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt, zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.
Zij fluisterden elkander toe:
Pericles heeft geweend!
Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:
Pericles heeft geweend!
Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:
Pericles heeft geweend!
Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota, waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs [396] tegen de Corinthiërs met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den traan van Pericles.
Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een einde.
Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die veroordeelde.
Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen, houten bak.
De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den aangeklaagde geëischt werd.
Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den Archon.
Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere loten, die ten leven beslisten, namen in groote getale toe en zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—
De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.
Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.
Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles. Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door de menigte gingen.
Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden aangeheven vreugdekreten der Atheners.
In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en overal werd herhaald:
„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”
Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem voorbij ging, een scheldwoord na.
Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast Pericles en Aspasia.
„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe vrienden!”
„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”
„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.
„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia weder.
„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”
„En welke waren die?”
„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”
„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg, Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat, Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”
„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.
„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates en verdween onder de menigte.
Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe te voegen!—
„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij weet, hij meent het goed met ons.”—
Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van haar echtgenoot daarheen ging.—
Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken; een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met elkander fluisterden.
Het waren Diopithes en de oligarch Thucydides.
„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.
„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde voor hem de schuldigen vrijspreekt!”
„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd treffen!”
XXII. STRIJD EN ZEGEPRAAL
Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en werwaarts hij voornemens was te trekken.
„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen overgeven.”
„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg Pericles.
„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk. „Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze! Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne holen te vervolgen en uit te roeien... Lacht ge er om, plaagzieke Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”
„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert. En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere Narcissus [397], zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo. Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en kikvorschen....”
„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens onpartijdig in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga voorloopig naar Salamis.”
„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles. „Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”
„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”
„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,” hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel schoonere, waarachtig goddelijke rust en opgeruimdheid, den Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”
„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides, „en gij denkt niet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden, om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te leven.”
„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken, den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen, of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den voorrang verdient?”—
Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.
Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en alles toog derwaarts.
Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde richting te volgen:
„Ook heden, waarde zoon van Sophroniscus, zullen wij uwe lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender zaken beslissen.”...
Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—
„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook besluiten mogen, ik heb een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd geworden.”—
„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af, dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”
„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch gedreun zich heeft doen hooren.”
„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat in Hellas!”
Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.
„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem, steenigt hem!”
Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.
Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren, was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden, uitgescholden of mishandeld geworden.
Tot woede echter was de verbittering bij de Atheners tegen de Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.
De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.
„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet! Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”
Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk weg te doen voeren.
Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering, fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn...
Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren gekomen om voldoening te eischen voor het hun verwante en met hen verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.
Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:
„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”
„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden...”
Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene groepen.
„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het, toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen hetzelfde deden!”
„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw, Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.
„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een vroolijk zeetochtje?”
„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en bitters!”
„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook, lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”
Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”
Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde plaats bleef.
„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.
Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.
Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een blijspel zou optreden.
„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit de menigte den ouden brasser toe.
„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken, lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen, mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”
„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”
„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld? Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van den mantel plukken...”
Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het bijtend, onbeteugeld gespuis der comedie-schrijvers trachtte te muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”
„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke! Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten waarschuwen.”
Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl Cratinus voortging:
„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar gezuiverd wordt.”
„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt, dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—
„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle „met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”
Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil neergehurkt zitten.
„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”
De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden en riep: „Lompe honden! Met viooltjes bekranste honden!”
Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers aan.
Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde en hem met zich uit het gedrang voerde.
De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.
Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering. Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in handen hebt.”
Pericles zweeg.
„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus, „ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te leggen!”
Pericles antwoordde niets.
„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!” schreeuwde Pamphilus.
Pericles bleef zwijgen.
„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—
Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter zich.
De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog altijd.
„Breng dezen man met uwe fakkel terug door de straten; want het is zeer donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne woning binnen.—
Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder, raadselachtiger, steeds meer als orakels.
Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van den Erechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij, „zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas aanschouwen.”
„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk? Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden, maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard was, en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust; ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden; want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond. Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt, van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige, voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”
„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en getuige van eene vreemde liefde geworden?”—
„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates, „sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”
Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten eenenmale was uitgedoofd.
De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem opnieuw te deemoedigen en te beschamen.
Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:
„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren; gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt, wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene voldoening schuldig was.”
„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”
„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—
Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven. Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.
Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.
Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.
Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd, fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar „kir, kir” te hebben doen hooren.
„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik noemen.”
„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”
„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.
„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia; „nu eens zijn zij ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”
„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”
„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”
Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.
Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward, dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.
Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende waarheidszoeker in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal van het Lyceüm gezeten had.
Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm, berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—
Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?
Rustig en kalm stond hij op en zeide:
„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw achterlaat.
„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den aan Aphrodite gewijden vogel.”
„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks mede.”
„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—
„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates. „Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te bestrijden?”
„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt zelf een Doriër geworden!”
„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende Pallas Athene te zijn.”
„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”
„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen, versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster geworden”...
Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon, welke ondeugende Eros stak in dien vogel.
Zij raakte thans met de klauwen verward op de plaats, waar eene gesp de beide smalle einden van den chiton samenhield.
Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de schitterende witte schouders omhulde.
„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.
De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.
Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar durfde trotseeren?
Eene zachte huivering voer haar door de leden.
De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch, dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te mogen plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.
Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der Atheners voedsel kon verschaffen.
Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen, die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen bogen.
Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals Socrates, van „zijn Daemon” sprak.
Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde, zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.
Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder toerustingen, die stof tot spreken gaven. Hij liet zich wapenen van eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de bliksemschicht van Zeus.
Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den gevleugelden knaap...
Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde, naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.
Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot, eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der liefde, alleen die van het genot.
Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte. Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota, welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering ook weder den roep van haar naam.
Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever, dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare bekoorlijkheid waren de kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne makkers.
Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering met hare vrijheid zou moeten betalen.
Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.
Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens, hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.
Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.
Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.
In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf, wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij hem lastig viel.
Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder eenige waarde, ja zelfs lastig.
Alcibiades zeide tot Theodota:
„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen, Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”
Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans. Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw, overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet zich door den overmoedigen jongeling mishandelen...
Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken jongeling liggen.
Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige „zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde haar weg.
Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij dezen voor de arme vrouw te doen. Doch hij was zoo in gedachten verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij uitging zijn vriend aan den drempel vond.
„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.
„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,” antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben, dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men noch vertrapt noch zich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is mij dit weder twijfelachtig geworden...”
Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.
Na eenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het volgende aan Aspasia:
„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest. Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen gedrongen.
„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden, die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke wapenmakkers maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is. Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten, die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen. Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.
„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij tegenover eene betooverende vrouw stond.
„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein nachtelijk avontuur te bestaan. Ons speelde het Homerisch gezang [398] van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates juist weder te vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen. Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.
„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten; bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend zijn, als eene wereld zonder liefde.
„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met mijn vriend Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.
„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het zonder Alcibiades maakt.”—
Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger, gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.
Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen. Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard. Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen, zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en hare onmiddellijke omgeving te bewaken.
Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht en overwogen. De Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over den Isthmus.
Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.
Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken. Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige afrekening met de gehate stad.
Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom hooggewenscht.
De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun sluimer en sloegen de vleugels uit.
Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten uitvoer te brengen.
Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het verduisteren van het goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft, ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij, had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te eigenen.
Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed voorbereiden akker.
De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.
De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide, het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.
Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte, waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed onder het volk uit te breiden.
Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren. Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders stroomden het drukst naar de volksvergadering; want daar kregen zij immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.
Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur te kunnen heerschen.
Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.
Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!” riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en nog heden zal hij in Athene zijn!”
Pamphilus werd bleek van gramschap.
„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”
Ook op de overige samenzweerders maakte het bericht een zeer ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest uitstellen.
Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard! Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen! Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”
„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—
Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen van Pamphilus en ijlde weg.
„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil water over hunne hoofden uitgestort!”
Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner verbittering.
Hij klaagde hem zijn nood.
„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”