The opening of I
Een militair rapport.—Vier deserteurs.—Baba Poetjieng.—Een brief.—Een medelijdende dokter.—Zijne overpeinzingen.— Luchtkasteelen.—66000 gulden ekonomiën.—Klara, du warst das Warten müde.
„Luitenant, er mankeeren vier man op ’t avondappel.”
„Zoo, wie zijn dat?”
„Schlickeisen, Wienersdorf, La Cueille en Johannes.”
„Twee Zwitsers, een Belg en een Inlandsch kind (Sienjo)”, mompelde de luitenant bij zich zelven; vervolgens hardop:
„En is men in den militairen kampong gaan zien, of zij zich daar soms verlaat hebben?”
„Dat kon niet luitenant, te zes uur wordt de poort gesloten en mag die zonder uw verlof niet geopend worden.”
„Laat dan dadelijk een patrouille van een korporaal met drie man het noodige onderzoek doen. Middelerwijl bezet de wacht de poort, die na het vertrek der patrouille weer gesloten wordt, evenwel zóó, dat onmiddellijk ondersteuning naar buiten kan verleend worden.”