V. DE PAUWEN VAN PYRILAMPES
Ten tijde dat de hier verhaalde zaken voorvielen bevonden zich onder de rijke en aanzienlijke burgers van Athene twee mannen, die voor het eerst trachtten, niet slechts, zooals het gewoonte was, door de schitterende diensten aan den staat, maar ook door eene tot hiertoe ongewone huiselijke pracht en weelde elkander te overtreffen.
De een dezer mannen heette Hipponicus, in wiens gastvrije woning Aspasia zich ophield, een man van adellijk geslacht. De andere was Pyrilampes, een parvenu, een rijk geworden wisselaar uit den Piraeus.
Hipponicus leidde den oorsprong van zijn geslacht af van niemand minder dan van Triptolemus [137], den lieveling van Demeter, den stichter der Eleusinische mysteriën, den uitvinder van den ploeg, den beschermer van den akkerbouw en van iedere beschaving. Zonder twijfel had het geslacht van Hipponicus aan zijne afkomst te danken, dat het ambt van Daduchus [138] priester bij de mysteriën van Eulesis, er erfelijk in was.
Ook Hipponicus bekleedde deze waardigheid. Maar de man naar de wereld bekommerde zich daar niet veel om. Slechts eenmaal in den loop van het jaar, ten tijde der groote mysteriën, was hij verplicht zich voor korten tijd naar Eleusis te begeven.
Eene zonderlinge eigenaardigheid juist van dit geslacht was daarin gelegen, dat de stamhouders steeds beurtelings Callias en Hipponicus heetten. Ieder Callias noemde zijn eerstgeborene Hipponicus en ieder Hipponicus den zijne Callias [139].
De lotgevallen van al deze verschillende Calliassen en Hipponicussen waren veelal zeer merkwaardig; bijzonder de wijze, waarop zij aan hunne rijkdommen kwamen.
Aan Hipponicus, dien ten tijde van Solon [140] leefde, en een persoonlijk vriend van dezen wetgever was, werd verweten, dat hij den grond tot de welvaart van zijn geslacht, gelegd had, door misbruik te maken van eene vertrouwelijke mededeeling van dien beroemden man. Ten tijde van Pisistratus had een Hipponicus alleen den moed de goederen van den verdreven tyran op te koopen. Terwijl in de Perzische oorlogen velen verarmden, werd de familie der Calliassen en Hipponicussen steeds rijker. Aan een Hipponicus namelijk had zekere Eretriër [141], Diomnestus genaamd, zijne schatten in bewaring gegeven, welke hij bij den eersten inval der Aziaten op een vijandelijk veldheer buit had gemaakt. Bij den tweeden inval voerden de Perzen, zooals bekend is, alle Eretriërs en onder hen ook Diomnestus, gevankelijk weg, en zijne schatten bleven in het bezit van Hipponicus. Dan weder was het een Callias, dien een Pers bij Marathon, om zijn leven te redden, in ’t geheim naar een plaats voerde, waar zijne landgenooten veel goud hadden begraven. Callias nam de voorzorg, den Pers, nadat hij hem de plaats gewezen had, te dooden, om zoo zeker te zijn, dat hij niets van het geheim aan een ander zou verraden, voordat Callias den tijd had gevonden, den schat geheel weg te nemen en in veilige bewaring te brengen.
Zoo luidden de overleveringen, die getuigenis afleggen voor het in dat geslacht erfelijke talent, zich rijkdommen te verwerven. Zooals van zelf spreekt, geraakten de nakomelingen tot het grootste aanzien in den staat.
Menige Callias en Hipponicus diende zijnen medeburgers als gezant naar den Perzischen koning of anders in gezantschappen over vrede; voor sommigen hunner richtte men van staatswege eene eerezuil op.
Onze Hipponicus nu, de gastheer van Aspasia, deed zijne vaderen eer aan. Hij was goedhartig van karakter en bij het volk zeer bemind. Somwijlen offerde hij aan de Godin Pallas Athene eene volledige Hecatombe [142], onthaalde bij feestelijke gelegenheden het volk naar stammen en geslachten, en bij de groote Dionysia richtte hij voor allen, die komen wilden, in Ceramicus een drinkgelag aan in de open lucht en gaf hun met klimop omkransde zetels er bij, waarop de gasten plaats konden nemen. Toen hij eens naar Corinthe reisde om een vriend te bezoeken en onderweg vernam, dat de man op het punt stond om door zijne schuldeischers gegijzeld te worden, zond hij een bode met het noodige geld vooruit, om den schuldeischer tevreden te stellen, omdat het hem onaangenaam zou geweest zijn, bij zijne aankomst, zijn vriend in eene slechte luim aan te treffen. Zijn huis te Athene onderscheidde zich, zooals gezegd is, zeer van die toenmalige huizen der andere Atheners.
Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te evenaren. Deze had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als dat van Hipponicus. Hij zocht overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich een klein hondje van Melitaeïsche [143] ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid, aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes een nog kleiner van datzelfde ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner honden met een nieuwen Laconischen, Molossischen [144] of Cretensischen hond, die om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte Pyrilampes niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus had een reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich kon vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg, ’t geen veel opzien baarde. Hipponicus’ oudste zoontje, die, zooals vanzelf sprak, Callias heette, betoonde weinig lust om de vier en twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus de kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere personen uit de omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der letters aanduiden. Pyrilampes had eveneens een zoontje, Demus geheeten, en daar deze liever met jonge honden speelde, zoo schafte hij zich vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals, waarop de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was beroemd om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon overtreffen, zocht hij de paarden van Hipponicus door een aantal zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen. Hipponicus hield altijd veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten, een schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer bepaald echter had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van Siciliaansche duiven toegelegd, die te Athene zeer in den smaak vielen en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk te vinden waren als bij Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes den slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van Hipponicus overtrof. Daar kreeg hij uit Samos [145] een paar van die prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan Hera [146] waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren. Pyrilampes liet de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren pronkend over zijn groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot verwondering en genoegen der voorbijgangers.
Met deze Samische vogels sloeg Pyrilampes Hipponicus en zijne duiven uit het veld. In grooten getale stroomden de nieuwsgierige Atheners toe, om de pauwen van Pyrilampes te bekijken. Men sprak een tijdlang bijna over niets, dan over de pauwen van Pyrilampes.
De gelukkige mededinger van Hipponicus rustte niet, voordat Pericles hem beloofd had zijne pauwen te komen zien. Pericles ging naar hem toe, vergezeld van Aspasia, die zich ook nu weder als Milesische citherspeler had verkleed.
Wie in die dagen te Athene zijne schoone vriendin een bijzonder aangenaam geschenk wilde vereeren, kocht een van Pyrilampes’ jonge pauwen en schonk haar die.
Aspasia sprak met zoo onverholen ingenomenheid over de prachtige vogels en Pericles meende zoo duidelijk in hare oogen te lezen, welk een sieraad zij zulk een vogel in het peristilium harer woning achtte, dat hij niet nalaten kon Pyrilampes ter zijde te nemen en hem heimelijk last te geven een der jonge pauwen bij de Milesische Aspasia, die in een der zijvleugels van het huis van Hipponicus woonde, te doen bezorgen. Voor zijne vriendin echter hield hij de zaak geheim, om haar door het geschenk te verrassen.
Op den morgen, die op dit bezoek van Pericles en de verkleede Milesische volgde, trad Hipponicus onverwachts het vertrek zijner schoone gast binnen. Hipponicus was een vrij gezet man. Zijn gezicht was rood en eenigszins opgezwollen. Zijne oogen glinsterden goedaardig en om zijn tamelijk dikke lippen zweefde steeds een glimlach. Met dezen glimlach op de lippen, die echter ditmaal, voor zooverre zulks bij Hipponicus mogelijk was, iets spottends had, zeide hij tot Aspasia:
„Schoone vriendin, ik hoor dat het u zeer goed bevalt in de stad der Atheners”—
„Daarvan komt u de verdienste toe,” hernam Aspasia.
„Niet geheel en al,” antwoordde Hipponicus. „Gij hebt in den beginne reeds een aangenaam verkeer gehad met Phidias en zijne kunstenaars en later ook met mijn vriend, den grooten Pericles. Ik hoor, dat gij hem somstijds uit zedigheid onder de vermomming van een citherspeler vergezelt. En wanneer ik goed ingelicht ben, bevallen u de Siciliaansche duiven van Hipponicus niet bijzonder meer, maar gaat gij liever met Pericles naar den Piraeus, om de pauwen van Pyrilampes te bewonderen”—
„Die pauwen zijn prachtig,” zeide Aspasia onbeschroomd, „en gij moet ze zelf eens gaan zien.”
„Ik ben nog onlangs voorbij het huis van Pyrilampes gekomen,” hernam Hipponicus, „en ik heb die dieren hooren schreeuwen. Daar had ik genoeg aan. Nu, ieder zijn smaak; ieder moet zijn genoegen daar zoeken, waar hij het vindt. Een genot, dat men t’huis heeft, verveelt gauw. En, naar ik bemerk, wordt het meer gewaardeerd als men iemand aangenaam onderhoudt, dan dat men hem gastvrijheid verleent.”—
Hipponicus zag bij deze woorden Aspasia scherp aan en hoopte, dat zij iets zeggen zou.
Daar zij echter zweeg, vervolgde hij: „Gij weet, Aspasia, dat ik u te Megara uit onaangename verwikkelingen heb gered; ik heb u hierheen naar Athene gevoerd; ik heb u gastvrij ontvangen. Ik heb veel voor u gedaan. En nu zeg mij, welken dank oogst ik daarvoor in? Verstaat ge mij, Aspasia? Welken dank oogst ik daarvoor in?”
„Wie op zulk eene wijze om dank vraagt,” hernam Aspasia, „die wil betaling, geen dank. Ook gij verlangt betaald te worden, zooals ik zie, voor wat ge mij bewezen hebt. Uwe weldaden hebben, naar het schijnt, een bepaalden prijs. Maar gij hebt verzuimd, Hipponicus, dezen prijs uwer weldaden vooraf te bedingen, en nu maakt gij u driftig, als een vischwijf op de markt, omdat deze prijs den kooper te hoog is!”
„Verdraai de zaken niet, Aspasia,” hernam Hipponicus rood wordende, „gij weet het, ik was de kooper en uwe gunst was het, die ik, voor alles, wat ge begeert wilde koopen”—
„Zoo ben ik de koopwaar?” riep Aspasia uit; „het zij zoo, ik ben koopwaar, als ge wilt en heb een bepaalden prijs”—
„En deze prijs—?” vroeg Hipponicus.
„Zult gij met al uwe schatten nooit kunnen betalen!” wierp Aspasia hem snel tegen.
Hipponicus draaide zich onrustig op zijn stoel.
„Geen praatjes! zeide hij toen en zijne trekken namen weder een goedhartige uitdrukking aan. „Gij zijt niet meer te krijgen! Dat is alles.—Een ander heeft u gekocht. Voor welken prijs—dat is zijne zaak. Daar het de groote Pericles is, ben ik noch op hem noch op u boos. Ik houd van Pericles en gun hem alles goeds; hij heeft mij eens een grooten dienst bewezen, dien ik nooit in mijn leven vergeten zal. Hij heeft mij van eene lastige vrouw, de toen nog schoone, maar twistzieke Telesippe afgeholpen. Mogen de Goden hem er voor beloonen!”
Met dit gezegde, dat hij steeds uitte, wanneer men over Pericles kwam te spreken, stond Hipponicus op en ging heen.
Nadat hij zich verwijderd had, was Aspasia’s eerste gedachte, dat het haar nu niet langer paste de gastvrijheid van Hipponicus te blijven genieten.
Zij riep hare slavin, liet een paar muildieren met hare bezittingen beladen, om die naar een Milesische vriendin te brengen, eene eerwaardige dame, die sedert jaren te Athene woonde. Met Aspasia’s moeder was deze van kindsbeen af bevriend geweest en koesterde zelve eene bijna moederlijke liefde voor hare schoone, jeugdige landgenoote.
Nadat Aspasia Hipponicus haar dank had doen betuigen voor de bewezen gastvrijheid en haar besluit, zijn huis te verlaten, had laten mededeelen, verkleedde zij zich naar hare gewoonte als citherspeler en ging op weg, begeleid door een slaaf, ten einde Pericles in zijn woning op te zoeken.
Tot op dezen dag had zij dien stap nog niet gewaagd, zelfs niet in hare verkleeding. Maar heden brandde zij van ongeduld om onverwijld gelegenheid te zoeken haar vriend te spreken en met hem te overleggen, wat zij nu na hare verwijdering uit het huis van Hipponicus verder zou aanvangen.
Kort nadat Aspasia vertrokken was, werd Hipponicus door een bediende gemeld, dat er een slaaf van Pyrilampes geweest was, die een jongen pauw had gebracht voor de Milesische, die in het bijgebouw woonde.
Hipponicus haatte niets zoo zeer in de wereld als de pauwen van Pyrilampes, en had hij de eerste opwelling van zijn hart gevolgd, dan zou hij den vogel onmiddellijk den hals hebben doen omdraaien, echter stelde hij zich tevreden met gefronste wenkbrauwen te zeggen:
„De Milesische is weg en ik weet niet waarheen zij gegaan is. Breng den pauw naar het huis van Pericles. Deze heeft hem zonder twijfel gekocht.”—
Inmiddels was Aspasia op haar weg naar Pericles op de Agora gekomen.
Terwijl zij met een zekeren haast zich door het gedrang der onbekende menschen spoedde, ontmoette haar plotseling Alcamenes.
De beeldhouwer bleef voor haar staan, zag haar met zijne heldere oogen aan en zeide toen met een spottend lachje: „Waarheen gaat ge, schoone citherspeler? Zeker naar Pericles?—Mogen uwe nieuwe vrienden met hunne aanspraak op u en uwe gunst gelukkiger zijn dan de oude!”
„Wien gaf ik ooit eenig recht op mij?” vroeg Aspasia.
„Onder anderen ook aan mij,” hernam Alcamenes.
„Aan u?” zeide Aspasia. „Ik gaf u wat ge noodig hadt, wat den beeldhouwer onmisbaar was. Niets meer en niets minder.”
„Eene vrouw moet niets of alles geven,” hernam Alcamenes.
„Vergeet dan, dat ik u ooit iets heb gegeven,” riep Aspasia en verdween in het gedrang.
Snel waren deze weinige woorden gewisseld. Alcamenes lachte bitter en sarcastisch. Aspasia vervolgde haar weg met spoed.
In het huis van Pericles was Telesippe dien morgen met een vrome plechtigheid bezig.
Zij hoopte schadeloosstelling voor de nalatigheid, die Pericles, naar zij meende, in het beheer zijner huishouding aan den dag legde, van de gunst van Zeus Ktesios [147] den beschermer van de huiselijke have, die door alle vrome Atheners door huiselijken eeredienst pleegde vereerd te worden. Niemand was beter vertrouwd met de heilige oudvaderlijke gebruiken dan Telesippe. Zij omwond haar voorhoofd en haar rechter schouder met wollen draden, nam toen een nog ongebruikten aarden pot, van deksel voorzien, omwoelde het hengsel met witte wol, deed in den pot een mengsel van allerlei vruchten, met helder water en olie en plaatste dit offer ter eere van den God in de voorraadkamer.
Juist was zij gereed met haar vroom werk, toen zij bemerkte dat de portier een slaaf binnen liet, die een grooten vreemden vogel met langen, prachtigen staart, de pooten samengebonden, op zijn armen droeg.
De slaaf zeide, dat deze vogel voor Pericles was, legde hem neder en ging zijns weegs.
Telesippe verwonderde zich en wist niet recht wat de zaak beteekende.
Zou Pericles dien vogel op de markt gekocht hebben en moest die voor den maaltijd geplukt en gebraden worden?
Maar Pericles placht zich anders zeer weinig met huiselijke aangelegenheden te bemoeien.
Zij besloot de terugkomst van haar echtgenoot af te wachten. Voorloopig liet ze den vogel in den kleinen hoenderhof voor het huis brengen.
Juist trad eene vrouwengestalte, door eene slavin begeleid, de buitendeur binnen, en toen Telesippe haar te gemoet ging, stak uit het himation het welbekende hoofd van hare vriendin Elpinice.
De trekken van Elpinice vertoonden ditmaal een buitengewonen ernst. Zij was opgewonden, hare bewegingen haastig en gejaagd, hare oogen rolden heen en weder en hare lippen trilden als van ongeduld om iets te zeggen, om zich van een gewichtig geheim te ontlasten.
„Telesippe,” zeide zij, „verwijder alle getuigen of begeef u met mij in een uwer binnenvertrekken.”
De gade van Pericles was het niet vreemd hare vriendin in zulk een opgewonden toestand bij zich te zien binnenstuiven. Zij had toch veel verkeering en vormde, om zoo te zeggen, het middelpunt van de vrouwenpraatjes in de stad. Ze wist veel en hare nieuwtjes brachten groote opschudding in menig vrouwenvertrek. Toen zij beiden in een binnenvertrek alleen waren, zonder gestoord te kunnen worden, begon de zuster van Cimon op een plechtigen toon:
„Telesippe, wat denkt ge van de trouw van uw echtgenoot?”
Telesippe wist op ’t oogenblik niet wat zij zeggen zou.
„Wat denkt ge van de genegenheid van uw man voor ons geslacht in het algemeen?” vervolgde Elpinice.
„Ach,” antwoordde zij: „zijn hoofd is zoo overvol van staatszaken...”
„Dat hij aan vrouwen in het geheel niet meer denkt, meent ge?” viel de zuster van Cimon in en vertrok haar mond tot een medelijdend, spottenden glimlach. „Natuurlijk!” ging zij vorschend voort, „gij moet het vóór allen weten, als zijne echte gade en wettige bedgenoote.”
„Ja zeker,” hernam de vrouw van Pericles argeloos.
Elpinice greep hare hand, glimlachte nog eens medelijdend en zeide toen:
„Telesippe, is het gedrag en karakter van uw man u dan onbekend? Denk toch eens even na. Herinner u de schoone Chrysilla—de geliefde van den treurspeldichter Ion, aan wie uw man, zooals iedereen weet, een geruimen tijd het hof heeft gemaakt.”
„Maar dat is nu al lang geleden,” antwoordde Telesippe.
„Wel mogelijk, maar is in den laatsten tijd nooit een vermoeden bij u opgekomen? Heeft niets in het gedrag van uw man u bijzonder getroffen? Niets uwe ziel met booze voorgevoelens vervuld?”
Zij bezon zich een oogenblik en schudde ontkennend het hoofd.
„Arme vriendin!” riep Elpinice uit. „Zoo treft u de slag dan onvoorbereid en verneemt ge alles op eens.”
„Spreek,” zeide de vrouw van Pericles.
„Is de naam van Aspasia nog niet tot uwe ooren doorgedrongen?” vroeg Elpinice.
„Die naam is mij niet bekend,” antwoordde zij.
„Nu, hoor dan,” zeide de zuster van Cimon. „Aspasia is de naam van eene jonge Milesische vrouw, die, de Goden mogen weten na welke zwerftochten en avonturen, te Megara aangeland en van daar door uw voormaligen echtgenoot Hipponicus naar Athene is gebracht. Ik denk, dat het u niet ten eenenmale onbekend is van welk soort en van welke waarde zij zijn, die Milesische vrouwen, de Ionische over ’t algemeen, die vrouwen van de overzeesche kusten? Het zijn Bacchanten [148], die zich over Griekenland verspreiden en met brandende fakkels de harten der mannen in vuur en vlam zetten. Aspasia is van al deze Bacchanten de gevaarlijkste, de doortraptste, de sluwste, de vermetelste! ... In de strikken van deze vrouw is uw man gevallen!”
„Wat zegt ge?” riep de vrouw van Pericles getroffen uit. „Waar ontmoet hij die vreemde vrouw dan?”
„In het huis van Hipponicus,” hernam Elpinice. „Want zij woont in het huis van Hipponicus. Daar hebben die hetaeren hare samenkomsten. Daar worden orgiën [149] gevierd, orgiën, Telesippe—het is verschrikkelijk wat er gefluisterd wordt van de orgiën in het huis van Hipponicus! En uw echtgenoot te midden daarvan!—Maar dat is nog niet het ergste. Let wel, hij verkwist zijn bezittingen met die Milesische boeleerster! Hij vereert haar slaven, huisraad, tapijten, duiven, sprekende spreeuwen en alles wat ge maar denken kunt! Sedert gisteren is dat alles in de geheele stad bekend! Tot heden geschiedde alles zoo geheim mogelijk. Nu verbreidt het zich in de stad als een loopend vuurtje, want gisteren heeft Pericles de kroon op zijn schandelijk werk gezet. Gisteren heeft hij bij Pyrilampes een vreemden vogel, een pauw, gekocht voor de Milesische Aspasia! De geheele wereld spreekt heden van dien pauw. En van morgen is de vogel door een slaaf van Pyrilampes naar het huis van Hipponicus gebracht. Ik zelf heb onder weg menschen gesproken, die den slaaf den pauw op de armen hadden zien dragen. Maar denk eens! Diezelfde lieden vertelden mij, dat Hipponicus den pauw niet heeft aangenomen, omdat de Milesische niet meer bij hem woont! Vat ge, hoe dat samenhangt? Zij is van Hipponicus weggegaan naar een ander huis. En wie heeft dat andere huis voor haar gekocht of gehuurd? Uw man Pericles!—Wat staart ge me zoo peinzend aan?”
„Ik denk na,” zeide Telesippe, „over dien vreemden vogel, waarvan ge mij vertelt. Weinige oogenblikken, voordat gij kwaamt, is een vreemde vogel door een slaaf hier aan huis gebracht, met de boodschap, dat Pericles hem gekocht had.”
„Waar is de vogel?” riep Elpinice. Telesippe bracht hare vriendin naar den hoenderhof, waar de jonge pauw jammerlijk op den grond lag te spartelen; want men had hem de pooten nog niet losgemaakt.
„Dat is de pauw!” zeide Elpinice; „juist zoo heb ik de pauwen van Pyrilampes hooren beschrijven. De zaak is zonneklaar. De pauw is ten huize van Hipponicus niet aangenomen geworden; de slaaf wilde of konde de Milesische zelve niet verder zoeken en bracht den vogel gemakshalve naar den kooper. Dat is eene beschikking der Goden, Telesippe. Breng toch Hera een offer, de beschermgodin en wreekster van den huwelijksband!”
„Rampzalige vogel!” riep Telesippe en wierp een toornigen blik op het dier, „ge zult niet te vergeefs in mijne handen gevallen zijn!”
„Slacht hem!” riep de zuster van Cimon, „slacht hem en braad hem op het vuur en bereid uw trouweloozen echtgenoot daarmede een Thyestes-maal [150]!”
„Dat zal ik,” hernam Telesippe, „en Pericles kan er mij geen verwijt van maken. Om een vogel als deze vrij rond te laten loopen, daar is onze hoenderhof veel te klein voor. Wanneer hij hem dus gekocht heeft, zoo mag ik vooronderstellen dat hij geplukt en gebraden en opgegeten moet worden. Pericles moet daar het zwijgen toe doen. Hij kan tegen deze verontschuldiging niets inbrengen. Hij moet zwijgen en in stilte bersten van spijt, wanneer ik hem den gebraden vogel voorzet. En eerst als hij de vervloekte spijs mokkend genuttigd heeft, zal ik mijn mond open doen, om hem zijne openbare schande geducht voor de voeten te werpen.”
„Daar doet ge wel aan,” zeide Elpinice en wreef zich lachend de handen. „Ziet ge nu wel,” ging zij voort, „van welken aard de staatsbezigheden zijn, die uw gemaal van zijne rechtmatige, wettige bedgenoote vervreemden?”
„Zijne vrienden zijn het, die hem in het verderf hebben gestort,” zeide Telesippe. „Zijn hart is toch licht ontvlambaar en open voor iederen indruk. De omgang met godloochenaars heeft hem goddeloos gemaakt. Ja, hij is goddeloos geworden, den huiselijken eeredienst verricht hij met een lauw gemoed en doet of duldt vele van deze dingen om mijnentwil. Gij herinnert u, hoe hij kort geleden aan de koorts ziek lag. Gij riedt mij een amulet om zijn hals te hangen, een ring met ingesneden magische teekens of een stuk perkament met wonderkrachtige spreuken beschreven, in leer genaaid. Ik zorgde voor zulk een amulet en hing het den zieke om den hals. Hij lag in een lichten sluimer en lette er niet op. Weldra echter kwam een zijner vrienden hem een bezoek brengen. Toen deze het amulet op de borst van Pericles zag, nam hij het weg en wierp het ter zijde. Pericles ontwaakte uit zijn sluimer; toen zeide zijn vriend tot hem, zooals mij een slaaf verhaalde, die juist in het vertrek was: „De vrouwen hebben u een amulet om den hals gehangen; ik ben een verlicht man en heb het ding weggenomen!”—„Het is goed,” hernam Pericles, „maar ik zou u voor een nog verlichter man gehouden hebben, wanneer gij het hadt laten hangen.”
„Dat was zeker een van die nieuwerwetsche beeldhouwers,” zeide Elpinice. „Ik heb nooit veel van Pericles gehouden—hoe had ik ook met den tegenstander van mijn voortreffelijken en onvergelijkelijken broeder op kunnen hebben? Maar hij is mij bijna gehaat geworden, sedert hij geheel en al een speel- en werktuig in de handen van Phidias, Ictinus, Callicrates en al die menschen geworden is, die nu met hun eerzuchtig streven zoo veel alarm maken en die iedere ware verdienste op den achtergrond dringen. Weet ge wel, dat, terwijl al deze mannen met beitel en troffel zich op de Acropolis zoo druk maken, de edele Polygnotus, de voortreffelijke meester, dien mijn broeder Cimon zoo hoog schatte, ledig moet loopen?”
Elpinice gaf nog eenigen tijd lucht aan hare klachten, doch stond ten laatste op, om te gaan. Telesippe deed haar uitgeleide tot aan het Peristylium. Daar onderhielden de beide vrouwen, naar de gewoonte dier kunne, die bij het afscheid nemen moeilijk het laatste woord kan vinden, zich nog een geruimen tijd bij de deur over het groote nieuws van den dag.
Plotseling ging de voordeur open en een jongeling trad het huis binnen.
De jonkman was van eene in ’t oog loopende schoonheid.
De beide vrouwen hadden zich bij het gezicht van een vreemden man, volgens de strenge Attische zeden, moeten verwijderen. Maar zij waren als aan den grond genageld.
En was het dan wel een man, was het niet een baardelooze jongeling, dien zij zagen?
Ook had deze, vóór Telesippe goed kon nadenken, zich even bescheiden als innemend tot haar gewend met de vraag, of Pericles thuis was en het hem gelegen kwam het bezoek van een vreemdeling te ontvangen.
„Mijn man is uit,” antwoordde Telesippe.
„Heb ik het genoegen zijne echtgenoote, de vrouw des huizes, te mogen zien?” zeide de jongeling. „Ik ben,” vervolgde hij, de harde namen met opzet nog scherper uitsprekende, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit—,” hij durfde niet zeggen, uit Milete, want een enkele oogopslag op de beide vrouwen, in wier handen hij gevallen was, deed hem gevoelen, dat hij met het noemen van het lichtzinnige Milete hier geen bijzonder gunstigen indruk zou maken. Den minsten argwaan wekte hij zeker, wanneer hij voorgaf uit het strenge, zedige Sparta te komen.
„Ik ben,” zeide hij derhalve, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit Sparta. Mijn grootvader Astramphychus was met den vader van Pericles door banden van gastvriendschap verbonden.
Toen Elpinice, de vriendin der Spartanen, hoorde dat de jongeling uit Sparta kwam, was zij in de wolken.
„Welkom, vreemdeling,” zeide ze, „wanneer gij uit het land, der goede, oude zeden komt. Wie is toch uwe moeder geweest, dat gij, een telg van het ruwe Sparta, zoo schoon gelokt en van eene zoo ranke en slanke gestalte zijt?”
„Ik sloeg uit den aard,” hernam de jongeling. „Men heeft mij ginds te Sparta steeds voor eene vrouw gehouden. En toch heb ik nooit voor iemand gebeefd, die met mij wilde vechten. Ik heb menigeen voor mij in het stof doen bijten. Maar dat hielp niet. Zij hielden mij toch steeds voor eene vrouw. Daar kreeg ik genoeg van, en, om de spotters te ontwijken, besloot ik in den vreemde te gaan en niet eerder naar het ruwe Sparta terug te keeren, voordat ik een baard en een knevel zou gekregen hebben. Vooreerst denk ik mij hier te Athene aan de schoone kunsten, die hier bloeien, te wijden.”
„Ik zal u bij den voortreffelijken meester Polygnotus aanbevelen,” zeide Elpinice. „Ik hoop toch, dat gij een schilder zijt en niet een van die steenhouwers, welke hier te lande zoo talrijk en overmoedig zijn.”
„Zeker heb ik nooit geleerd steenen te houwen,” hernam de jongeling; „maar van het kleurenmengen geloof ik iets te verstaan, zoo goed als iemand van ons geslacht; hoewel ik die kunst niet behoef uit te oefenen, om mijn kost te winnen, want ik leef, den Goden zij dank, van mijne eigen middelen—”
„En hoe bevalt u Athene?” ging Elpinice voort, „en hoe bevallen u zijne bewoners?”
„Zij zouden mij best bevallen,” zeide de jongeling, „wanneer zij allen zoo eerwaardig en beminnelijk waren, als die, welke de goden mij zoo spoedig na mijne aankomst in dit huis deden ontmoeten.”
„Jongeling!” riep Elpinice verrukt uit, „gij doet uw land eer aan! Ach, dat onze Atheensche jeugd ook zoo wellevend en bescheiden was! O, gelukkig Sparta! Gelukkige Spartaansche moeders en vrouwen en maagden!”
„Is het waar,” vroeg nu Telesippe, „dat de Spartaansche vrouwen de schoonste van geheel Hellas zijn? Dat heb ik dikwijls hooren verzekeren.”
De jonge man scheen door deze vraag onaangenaam gestemd te worden. Zijne neusvleugels bewogen zich licht, en zijne lippen trilden een weinig, toen hij minachtend zeide:
„Wanneer forsche gestalte hetzelfde is als vrouwelijke schoonheid, dan zijn de Spartaansche vrouwen de schoonste.—Maar wanneer fijnheid en adel van vormen beslist,” voegde hij er na eene kleine pauze bij, terwijl hij met een innemend lachje zijn blik over de gestalte en het gelaat van Elpinice liet weiden, „dan is het billijk den prijs der schoonheid aan de Atheensche vrouwen toe te kennen.”
„Jongeling uit Sparta,” zeide Elpinice, „gij spreekt als de meester Polygnotus sprak, toen hij met mijn broeder Cimon van Thasos hierheen kwam; en mij verzocht of hij voor de schoonste dochter van Priamus op de schilderij, waarmede hij de bonte galerij wilde versieren, mijne trekken mocht bezigen. Ik zat vijftien dagen voor hem in de bonte galerij, en hij schilderde mij trek voor trek.”
„Zijt gij Elpinice, de zuster van Cimon?” riep de jonge man uit met levendige gebaren van verbazing. „Wees gegroet! Van u en uw broeder Cimon, den vriend der Laconiërs, vertelde mij telkens mijn grootvader Astramphychus te Sparta, toen ik nog als een knaap op zijne knie speelde. En juist, zooals hij u schilderde, staat gij nu voor mij! En thans herinner ik mij de schoonste van Priamus’ dochteren op de schilderij van Polygnotus. Gisteren heb ik ze gezien, toen ik door de bonte galerij ging, en ik weet niet of ik meer de schilderij van Polygnotus moet geluk wenschen, dat zij zoo op u gelijkt, dan u, dat gij zoo gelijkt op de afbeelding van Priamus’ dochter!”
De zuster van Cimon stond daar, met opgerichten hoofde, in al hare waardigheid. Doch een traan welde op in haar oog en zij moest hem wegpinken. Haar hart was ontroerd. Zooals deze jonge Spartaan tot haar sprak, had in geen dertig jaren een jongeling uit haar eigen vaderland tot haar gesproken. Zij had geheel Sparta, zij had alle Spartanen willen omhelzen en zij mocht niet eens dezen eenen, die voor haar stond, naar den drang haars harten, in de armen sluiten! Maar zij beloonde hem met een teederen blik.
„Amycle,” zeide de echtgenoote van Pericles, tot eene vrouw, die om eenige huiselijke bezigheid in het peristylium kwam, „hier kunt ge een landsman begroeten: deze jonge man komt uit Sparta.”
Daarop wendde zij zich tot den jongeling met deze woorden: „Deze vrouw was de min van den kleinen Alcibiades, dien mijn echtgenoot als bloedverwant en vaderloozen zoon van Clinias, in huis heeft genomen. De gezonde en krachtige Laconische vrouwen zijn als voedsters overal gezocht. Wij hebben Amycle lief gekregen en thans dient zij bij ons als huishoudster.”
De jonge man beantwoordde den korten groet, waarmede de ruwe, roodwangige vrouw in den breeden tongval van haar land hem begroette, met een spottend lachje, terwijl de min van haar kant met blikken van twijfel en argwaan de fijne weekelijke, ja, bijna weelderige vormen van haar zoogenaamden landsman beschouwde.
„Zulke forsche, krachtige gestalten,” zeide Telesippe, de huishoudster, die zich verwijderde, nastarende, „worden uwe Laconische vrouwen.”
„Hadden zij niet den vollen boezem,” zeide de jongeling, „dan zou men ze voor zakkendragers houden. Nu kunt ge, in zooverre het geoorloofd is van de minnen op de jonge meisjes te besluiten, de Spartaansche meisjes u voorstellen, die loopen, worstelen, springen, zich in het werpen met den discus [151] en de speer oefenen en met de jongelingen zich in den wedloop meten. Zij zijn forsch en stout en dragen haar rokje kort, ter nauwernood tot aan de knie en dan nog met een split.”
Zonder door de vrouwen bemerkt te worden, was Alcibiades het Peristylium binnen geslopen, had den vreemden, schoonen jongeling nauwkeurig aangekeken en zijne laatste woorden opgevangen.
„Maar hoe worden de Spartaansche jongens opvoed?” vroeg hij; terwijl hij plotseling achter eene zuil te voorschijn kwam en met zijne prachtige donkere oogen den vreemdeling strak aankeek.
Deze was verrast door de plotselinge verschijning van den schoonen knaap.
„Dat is nu de kleine Alcibiades, de zoon van Clinias,” zeide Telesippe.
„Alcibiades,” vervolgde zij, zich tot den knaap wendende, „doe uw opvoeder geen schande aan door onbescheiden te zijn. Het is een Spartaansch jongeling die daar voor u staat.”
De vreemde boog zich neer naar den knaap, om hem een kus op het voorhoofd te geven.
„Zonder schoenen,” zeide hij daarop tot hem, „loopen de jongens in Sparta, zij slapen op stroo of riet, mogen nooit volop eten, worden jaarlijks voor het altaar van Artimis [152] tot op het bloed toe gegeeseld, om gehard te worden tegen pijn, krijgen onderricht in alle soort van gymnastiek, in het gebruik der wapenen, in krijgsdansen en in de kunst van te stelen, zonder betrapt te worden; van den anderen kant behoeven zij de letters niet te leeren en het is hun uitdrukkelijk verboden, zich meer dan eens of twee maal in ’t jaar te baden en te zalven.”
„Bah,” riep de kleine Alcibiades.
„Overigens,” vervolgde de vreemdeling, „zijn zij in klassen verdeeld en de jongeren hebben ouderen tot vrienden, van wie zij allerlei goeds zoeken te leeren, wier goedkeuring zij trachten te verwerven en die zij met hart en ziel zijn toegedaan.”
„Als ik een Spartaansche jongen was en zulk een vriend moest kiezen,” sprak de knaap met fonkelende oogen, „dan zou ik u kiezen.”
De jongeling lachte en boog zich andermaal naar den knaap, om hem een zoen te geven.
Op dat oogenblik vertoonde zich in de trekken van Elpinice, die tot dusverre kalm, dicht nevens den jongen man had gestaan, plotseling eene geweldige ontroering. ’t Was alsof eene huivering hare leden doortrilde. Haastig trok zij Telesippe ter zijde en fluisterde haar zacht in het oor:
„Telesippe, deze jonge man—”
„Welnu?” vroeg zij even zacht.
„O Zeus en Apollo!” zuchtte de zuster van Cimon met gesmoorde stem.
„Wat is er dan toch?” vroeg Telesippe in spanning.
Wederom boog zich Elpinice naar het oor harer vriendin.
„Telesippe,” fluisterde zij, „ik zag straks—”
„Wat zaagt gij?” vroeg Pericles’ vrouw beangst.
„Toen de vreemdeling zich naar den knaap vooroverboog en de boord van den chiton aan zijn borst een weinig openging, toen zag ik”—en weder stokte hare stem van ontroering in de keel.
„Wat hebt ge gezien?” vroeg nogmaals Telesippe.
„Eene vrouw!” bracht Elpinice er met moeite uit.
„Eene vrouw?”
„Ja, eene vrouw!—Het is de Milesische. Zend den jongen weg en laat het overige aan mij over.”
Telesippe beval den knaap naar zijne makkers terug te keeren. Hij wilde echter niet; hij wilde liever bij zijn „vriend” blijven. Telesippe moest Amycle roepen om den weerbarstigen jongen weg te brengen.
Toen dit geschied was, wierp Elpinice haar vriendin een veel beteekenenden blik toe, richtte zich fier en streng op, trad op den vreemdeling toe en keek hem een tijdlang met doordringend oog aan.
De vreemdeling trachtte in het begin den blik van Cimon’s zuster uit te houden.
Maar die blik was haar te doordringend, evenals die van den gerechtsdienaar welke met doorborenden blik den betrapten misdadiger aanstaart. Onwillekeurig poogde zij, harer schuld zich bewust, zich aan dien vreeselijken oogopslag te onttrekken.—Thans eerst nu Elpinice haar met hare oogen had overwonnen, verbrak zij het noodlottig zwijgen en zeide op snijdenden toon:
„Spartaansche jongeling, eet gij gaarne gebraden pauwen? Pericles zal er heden een op zijne tafel hebben. Zoudt gij zijn gast niet willen zijn?”
„Ja,” sprak nu Telesippe en op haar gelaat stond, zoo mogelijk, nog meer verachting en hoon te lezen dan op dat van Elpinice; „Ja, het is een pauw van Pyrilampes! Een pauw, dien Pericles gisteren gekocht heeft. Hij wilde hem aan eene Ionische boeleerster ten geschenke geven, doch nu vindt hij het beter hem gebraden te eten”.
„Knaap,” riep Elpinice van den anderen kant, „is het waar dat uwe landgenooten aan den Eurotas beweren dat gij eene vrouw zijt? Bedenk, dat ook te Athene menschen zijn, die beweren, dat gij geen man zijt, maar—eene hetaere van Milete!”
„Ellendige!” riep nu weder Telesippe, ziedende van toorn, en zich zelve niet meer meester, „is het u niet genoeg, dat gij de mannen buitenshuis in uwe netten lokt? Moet ge zelfs tot in het heiligdom van den huiselijken haard binnendringen? Hebt ge geen ontzag voor de godenbeelden van dit huis, die met gramstorige blikken neerzien op haar, die den heiligen, huiselijken haard verstoort en ontwijdt?—Ga gezalfd en opgesierd voor de deur van uw eigen huis staan en trek de voorbijgangers bij hun gewaad naar binnen!—Hoe? Waagt ge het nog mij aan te zien? Gaat ge nog niet weg?”
„Roep Amycle hier,” zeide Cimon’s zuster tot hare opstuivende vriendin, „om met hare echte Laconische vuisten dezen onechten landgenoot, deze wellustige Milesische hetaere de deur uit te werpen.”
„Vooraf,” riep Telesippe, die, nadat haar kalm karakter eens opgewekt was, al heftiger en heftiger werd, „vooraf zal ik met deze vingers haar de oogen uit het gezicht krabben—en haar dat geleende, valsche gewaad van het lichaam scheuren.”
Op deze wijze tierden en raasden de beide vrouwen, deze links en gene rechts van de verkleede en ontmaskerde Milesische en hare woede ging alle perken te buiten.
Deze echter liet den eersten en heftigsten vloed van smaadwoorden uitvloeden, totdat de razende vrouwen, verbluft over de rustige kalmte van de zwaar beleedigde, een oogenblik verstomden.
Toen echter nam zij het woord en sprak:
„Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik heb dien dichten hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten gaan, want ik had mij nu eenmaal in het gevaar begeven, ik waagde mij in de nabijheid van die toornige huisgoden en ik heb, ofschoon ge mij ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks in mij, om mij in ’t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en dulden, dat ik op zooveel smaadwoorden, zij ’t ook op een toon, die niets gemeen heeft met den uwen, iets zal antwoorden.—Wat is het dan Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles, waarom gij mij zoo harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat heb ik u ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den roep uwer deugden? Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts eene kleinigheid kan ik schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst van alles was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit waarachtig hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om het te verwerven en te behouden: de liefde van uw man! En wanneer het nu eens werkelijk zoo was, wanneer uw echtgenoot mij lief had en niet u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou de uwe zijn. Ben ik naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief te hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche vrouwen te leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen bemind te worden. Gij Atheensche vrouwen, kinderbarende slavinnen, verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen en gij wordt boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te verstaan. Wat beteekent het bemind te worden? Het beteekent behagen. Wilt ge bemind worden, weet te behagen. Daar baat geen echtband, geen dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke rechten, daar geldt alleen deze wet: weet te behagen!—En wanneer behaagt de vrouw? Boven alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met alles wat behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij alleen de zinnen streelt, niet lang wanneer zij slechts de verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort of het gemoed roert—dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet beminnelijk zijn.—Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te maken en te zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen liefde met meer zorg trachten te verbergen dan te openbaren. Verkoelend werkt te groote gloed der vrouw op den vurigen man, afstootend op den onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken en eindigt met hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of knorren, schertsen of vloeken mag de man, om ’t even, alleen geeuwen, geeuwen mag hij nooit.—Gij, o Telesippe, deedt te weinig en te veel: te weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe trouw; te veel, want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord! De vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis, noch eene slavin, zelfs niet de „echtgenoote,” zooals men het noemt, want Hymen [153] is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op nieuw moet zij hare gunst doen verwerven en de zeldzame kunst verstaan, des avonds als bruid zijn leger te beklimmen en ’s morgens als maagd weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg die op, als ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten in te oogsten!”
Zoo sprak Aspasia.
Trotsch echter zag de vrouw van Pericles op haar neer en vertrok haar mond in een verachtelijken plooi.
„Behoud de wijsheid uwer boeleerkunst voor u zelve,” zeide zij, „gij zult ze noodig hebben. Gij behoeft mij niet te leeren, hoe men de liefde en hoogachting van een man moet zoeken te winnen, mij, die de Archon Basileus tot vrouw wilde hebben. Wat meent gij toch met uwe kunsten te zullen bereiken, gij de vreemdelinge, de boeleerster? Gij kunt mijn echtgenoot door uwe aanloksels verleiden, maar zijn huis, zijn haard blijft gij vreemd. En zelfs, wanneer hij mij verstiet, kunt ge toch zijne wettige gade nooit worden, gij kunt hem geen wettigen erfgenaam baren, want gij zijt eene vreemdelinge, gij zijt geen Atheensche burgeres! Of mijn man naar mij, door vurige liefde gedreven smacht of niet, om ’t even, ik heersch hier aan zijn huiselijken haard; ik ben de meesteres des huizes. Ik zeg u: „ga!” en gij moet gehoorzamen.”
„Ik gehoorzaam en ga,” hernam Aspasia—„Wij hebben eerlijk gedeeld,” voegde zij er scherp bij. „U zijn huis en haard, mij zijn hart!—Laat ieder het hare behouden!—Vaarwel, Telesippe.”
Met deze woorden verwijderde zich Aspasia.
Telesippe en Elpinice waren weder alleen. Elpinice billijkte de fierheid harer vriendin en prees het antwoord, dat zij de vreemdelinge had gegeven.
Na een lang gesprek ging ook Elpinice heen, terwijl de vrouw van Pericles aan hare huiselijke bezigheden ging.
De kleine Alcibiades sprak den heelen dag veel over zijn „Spartaanschen vriend”, tot ergernis van de eerlijke Amycle, die het hoofd schudde en zeide:
„Die knaap heeft nooit door den Eurotas gezwommen.”
Telesippe verbood beiden een woord van dien vreemdeling te reppen in tegenwoordigheid van Pericles.
De dag ging voorbij, het etensuur was gekomen.
Pericles was in huis teruggekeerd en zette zich met de zijnen aan tafel.
Hij at van de spijzen, die opgedragen werden, beantwoordde de vragen van den kleinen Alcibiades en der beide andere jongens en sprak soms ook een woord tot Telesippe, die echter in een half somber, half hoonend stilzwijgen verzonken bleef.
Pericles zag de menschen om zich heen gaarne opgeruimd.
Het strakke, norsche gelaat zijner vrouw maakte hem ongerust.
Nu werd een nieuw gerecht opgedragen. Het was de gebraden pauw.
„Wat is dat?” vroeg hij.
„Dat is de pauw,” antwoordde Telesippe, „die hedenmorgen op uw last hier is gebracht.”
Pericles zweeg stil. Na eenige oogenblikken, waarin hij zich den samenloop der omstandigheden zocht helder te maken, vroeg hij op een toon, die voor den heldhaftigen man vrij benauwd klonk:
„Wie zeide u, dat ik den vogel gebraden wilde hebben?”
„Wat anders?” hernam Telesippe. „Om een zoo groot dier te houden en vrij te laten rondloopen, is onze hoenderhof veel te klein. Ik dacht dus, dat gij den pauw op de markt gekocht hadt, om hem vandaag op tafel te hebben. En waarom niet? Hij is smakelijk en lekker gebraden. Proef maar eens!”
Daarop leide ze een mooi, bruin gebraden stuk op het bord van haar echtgenoot.
Pericles, dien men den Olympiër noemde, Pericles, de met zege gekroonde veldheer, de machtige redenaar, de bestuurder van Athene’s lot, die met waardige standvastigheid de opgeruide schare der Atheners, evenals de legerbenden der aanrukkende vijanden op het slagveld onder de oogen durfde zien—hij sloeg de oogen neer voor het stukje pauw, dat zijn wettige echtgenoote op zijn bord legde.
Maar weldra wist hij zichzelven te beheerschen. Hij stond op met de verontschuldiging, dat hij verzadigd was en zich in zijne vertrekken wilde begeven.
Op dit oogenblik vroeg de kleine Alcibiades:
„Hebben de zwanen in den Eurotas ook zulke prachtige veeren als deze pauw?”
En zonder het antwoord af te wachten, vervolgde hij:
„Amycle is eene oude zottin, wanneer zij beweert, dat mijn Spartaansche vriend nooit door den Eurotas heeft gezwommen.”
Toen Pericles van een Spartaanschen vriend hoorde spreken, zag hij eerst den knaap en vervolgens Telesippe met een vragenden blik aan.
„Van welken Spartaanschen vriend spreekt ge?” vroeg hij eindelijk.
Noch de knaap, noch Telesippe gaf hem antwoord.
Pericles verliet de eetzaal. Telesippe volgde hem.
Op den drempel der binnenvertrekken zeide zij zacht, doch op scherpen toon tot haar man:
„Verbied uwe Milesische boeleerster u hier in uw huis op te zoeken, opdat zij ook niet de knapen moge verleiden. Geef haar uw hart, aan die boeleerster, o Pericles, als gij wilt; maar uw huis, uw haard zal zij niet ontwijden. Volg haar, waarheen gij wilt; hier echter in dit huis, aan dezen haard, handhaaf ik mijn recht. Hier ben ik meesteres, ik alleen.”
Diep werd Pericles getroffen door den toon dezer woorden. Het was niet de stem van een gekrenkt vrouwenhart, het was de beleedigde koele trots van de meesteres van het huis, de wettige gade.
Koel beantwoordde hij den koelen blik van den spreekster en zeide kalm:
„Het zij zooals gij zegt, Telesippe!”
Denzelfden dag nog kwam er een vreemde slaaf tot Pericles met eene schriftelijke boodschap.
Pericles opende het briefje en las de volgende regels van Aspasia’s hand:
„Ik heb het huis van Hipponicus verlaten. Veel heb ik u te vertellen. Bezoek mij, als ge kunt, in het huis van de Milesische Agariste.”
Pericles antwoordde als volgt:
„Kom morgen op het buitengoed van den dichter Sophocles aan den Cephissus-oever. Daar zult gij mij vinden. Kom verkleed of laat u in uw gewone gewaad in een draagstoel daarheen brengen.”
VI. IN HET CEPHISSUS-DAL
Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie [154] zijn weg vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde Cephissus-dal.
Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men niets dan een groen tapijt zag.
Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in de rozen- en laurierboschjes zich verschuilend.
Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel Colonos.
Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem eene bekoorlijke landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende, maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden, waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend, en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.
In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar het andere voerende, omzoomden dezen tuin.
Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.
Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen, maar talloos bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen verfrischt door den reinsten hemeldauw.
Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade [155] uit de wateren van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden [156] hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.
Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen den eeuwigen slaap.
Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze hem niet ten volle bevredigde.
Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.
„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”
Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den ingang van den tuin.
Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”
„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en vliegende manen naar buiten naar de weide rent...” [157]
„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends. „Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend in de morgenkoelte op mij werkten.”
„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?” zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”
„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk als eene Laconische,” hernam Pericles.
„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.
„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze dan van eene Charis heeft.”
„Wellicht is zij voor u eene Parce [158],” zeide Sophocles, „zij kan u goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”
„Waarom ook niet Lamia [159] en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe [160] te rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—
„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte, „ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—
„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt, om te beminnen. Op den heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf niets anders doen dan beminnen.”
„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—
„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde overstelpen u met dichterlijke gedachten.”
„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken en te scheppen gedreven worden, weten dat.”
Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei hunner jaren.
Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.
Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.
Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de lommerrijke, geurige boschjes.
Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke randen, het krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel, die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.
Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren van haag en bloemen verre overtrof.
Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke lanen en zeide:
„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners, gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder opschik schoon is.”
„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen. Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten met den lusthof der Hesperiden [161] of met den tuin van Phoebus aan de uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der Phaeken op het eiland Scheria.”
„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd, in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes, dezer myrthen- en rozenpriëelen.”
„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere licht der wereld en des levens treden?”
„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen, totdat men ontdekt, dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen hangen onder de schaduw der dichtste bladeren. En al mocht gij in twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij mede.”
Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden, tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep de oever niet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden wandelen.
De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de vogels het liefelijkst, daar speelden als dartele geesten schaduw en licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten. Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.
Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom uitliep. Bonte, schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.
„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”
„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het, uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn, wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden, maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”
„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.
„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage meldt, zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide, dien zij als een nieuwen Argus [162] beschouwde, haar door haar geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”
Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.
„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—
„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook, evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik, zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik werd door deze beide Harpyen [163] uitgescholden, met smaadwoorden overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge, eene boeleerster, ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw, die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te vallen?”
„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis...”
„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten... Hoe zonderling! Gij maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot slaven van die slavinnen.”
„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.
„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—
„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles; „echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de wet.”—
„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—
„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar tegen.
„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt niets.”
„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”
„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige Aspasia het beste en heerlijkste deel van den mensch, de rede, zou kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moeten aangorden, voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat wij...”—
„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor, Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”
„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had, „valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten, vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne Aspasia dreigend met een brandhout te gemoet...”
„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend, „en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de aangelegenheden van minnenden te mengen. Ik word nu bespot en bijna met verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus [164] beluister...”
„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.
„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”
„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.
„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.
Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds aangeroerd hadden.
Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden hunne ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de geurige lucht der weiden in met volle teugen, plukten hier en daar een bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode, sappige vrucht van den boom.
Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt. Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te leiden.
Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen, beiden trachtten toch telkens op een ernstig gesprek terug te komen. Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen de verwijten zijner vrienden had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wist of hij haar dit mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.
Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder aanligbed een afzonderlijke.
Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen, noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden [165].
„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen braden.”
„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,” smeekte Sophocles.
„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”
„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de laatste.”
„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik de Haemon, de zoon van koning Creon [166] vrijwillig in den Hades [167] doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen...”
„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene menschelijke ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij...”
„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen. Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede besturend in den raad der hoogste machten.”
„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!” herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”
„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hier niet gaan, vóór ik den hymne opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”
„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.
„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij, hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”
„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen toehoorders meer hebt.”—
„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”
Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.
Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den vuursteen.
En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha [168] en daaronder ook iets nieuws van eigen vinding.
Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:
„Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik? Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenot Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming: Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”
Bezield antwoordde Aspasia:
„Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt ons Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde! Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt dan Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het morgen!”
Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:
„Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang! Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten In der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”
Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:
„Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de heupen Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd. Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig, Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”
„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.
„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de schoone Philaenion zingen.”
„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk oord hebben verjaagd.”
„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”
En hij zong:
„Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker Is de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds. Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij; Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach. Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”
„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met de woorden:
„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.
„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een loflied op de schoonste:
„Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen Lentebloesem daarbij en Calliope’s stem, Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’ Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.” [169]
„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”
Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische [170] en Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in verbazing ten laatste uitriep:
„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”
„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”
„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”
„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het genoegen ze te hooren met een ander moest deelen, ze niet half zoo lang zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag, waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van hem ten deel viel.”
Met deze woorden verwijderde zich de dichter.
Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.
Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen alleen aan zich zelven overgelaten.
Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen, in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—
De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden. Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep op de takken hooren.
In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit, zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder ritselende boomen, de levensgeesten niet weten of het eene zoete afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning hunner veerkracht.
De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.
Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.
Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar haar verhaal.
Eindelijk kwam zij aan het woord:
„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden. Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het levenslicht heeft aanschouwd.
„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik ooit weder met een man in zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.
„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen. Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.
„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten, lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld der poëzie, der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en bezield, toen hij ze nog eens met het kind genoot. Hij zeide, dat hij tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.
„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel. Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.
„En toch was ik niet gelukkig.
„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.
„Ik miste iets.
„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst, ik verachtte hen.
„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren in de wijde wereld.
„Toen zag mij een Perzisch satraap [171] en aanstonds vatte hij het plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis [172] te voeren, naar den grooten koning [173]. Mijne dwaze meisjesziel werd ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis [174], die den koning van Aegypte, aan mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te Persepolis aangekomen, werd ik rijkelijk opgesierd en toen naar den koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen. Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen. De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.
„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen. Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken, waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd. Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu, terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die, losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich van hen meester maakt; want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en vriendelijkheid is uitgespreid.
„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.
„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde, toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte, achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden, opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij bij de armen en het gewaad.
„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man, door slaven gevolgd.
„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”
„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”
„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”
„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan Hipponicus?”
„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.
„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is van de verzoening en de harmonie der uitersten.”
„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—
„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen, waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen Alcamenes...”
„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nog ontbrak mij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou aarzelen toe te vertrouwen. Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”
„En waar was dat?” vroeg Pericles.
„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden blik aan de borst van den geliefden man.
Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna sprak hij:
„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar nooit tegen had gedrukt!”—
Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.
De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren, lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus [175] spreidde zijn glans uit aan den hemel.
Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk versierde tuinhuis.
„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”
Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit Philaenion lachend te voorschijn trad.
Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar van een betooverende, evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste haar in krullende lokken.
Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn [176] onder opgeruimden, geestigen kout en gelach.
Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”
In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—
Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang met de bekoorlijkste, innemendste dansen.
Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?
Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.
Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde, om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in de duisternis.
En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan in dien nacht.
„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:
„God der liefde, nooit bedwongen, Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, Waar uw pijl is ingedrongen, Voor uw almagt buigen doet; Die uw zetel hebt gekozen Op het liefelijk gelaat Van de teedre maagd, wier bloozen Wat haar harte wenscht verraadt!” [177]
Zij zingen allen:
„Alle wezens kunt gij dwingen, Land en zee is uw gebied; ’t Broos geslacht der stervelingen, De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet. Ach, met onbegrensd vermogen Heerscht de teedre, zwakke maagd, Als de gloed der schitterende oogen Zoete drift in ’t harte jaagt, Onverwinbaar neemt de min Spelend aller zielen in.”— —
VII. DE DISCUS-WORP
Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale uitvoeringen was bestemd, met een wedstrijd van toonkunstenaars ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners onophoudelijk naar den zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw, met zijn kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen vervaardigd, te bewonderen.
Maar weldra volgde op de voltooiing van het Odeon die van het Lyceüm [178] en evenals vroeger naar het eerste, zoo vloeide de schare der Atheners ook oostwaarts naar den Ilissus, om de nieuwe prachtige worstelschool, die haar wedergade niet had, te bezichtigen.
Ofschoon nog nieuw, zijn de wanden en zuilen toch reeds hier en daar met vleiende opschriften bekrast, die den lof van den een of anderen knaap verkondigen. Want niet de scheppende beeldhouwers alleen, voor wie de welgemaakte gestalte der jongelingen, die bij de vele lichaamsoefeningen zich hier onbedekt vertoonde, eene onmisbare school is voor het natuurlijke en schoone in hunne scheppingen, ook de kunstliefhebbers komen hier, om aan het gezicht van zuiver ontwikkelde jeugdige kracht hun hart op te halen. Met hun vurigen kennersblik wedijvert het oog van liefhebbende en eerzuchtige vader, die met fieren trots de oefeningen en wedstrijden hunner zonen volgen en hunne krachtsinspanning en ijver met levendige gebaren, met luide kreten aansporen. Overigens zijn er nog dweepende liefhebbers der gymnastische kunsten, voor wie zoo’n schouwspel eene verkwikking is en die, met hunne stramme ledematen, als verjongd door het vuur, de bewegingen en oefeningen der jeugd in hun geest de vertoonde toeren medemaken. Ja zelfs tot op zulk eene hoogte stijgt bij deze hartstochtelijke liefhebbers hun ingeschapen lust, dat zij zich niet tevreden stellen met als ledige toeschouwers dagen lang in het Lyceüm en de Palaestren [179] zich op te houden, maar onmiddellijk, wanneer de geest hen drijft, zich onder de jongelingen begeven, om aan hunne oefeningen deel te nemen of een hunner tijdgenooten tot een kleinen worstelstrijd in het gymnasium uit te dagen. „Hei daar Charisius,” luidt het, „willen wij het eens tegen elkaar opnemen, zooals we zoo dikwijls in onzen gelukkigen ephebentijd [180] plachten te doen? Wat jonge Herculessen waren wij toch in vergelijking met de hedendaagsche jongens!” Zoo klinkt het, en de beide mannen herinneren zich de dagen hunner bloeiende jeugd en vatten elkaar aan en worstelen naar de nog niet verleerde regels der kunst ten aanschouwe van een menigte, die hen aanmoedigt.
Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is eene reusachtige gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval, dat alle eigenlijke worstelperken op de zuidzijde van het Peristylium achter de dubbele zuilenrij zich bevinden, terwijl de drie overige gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool grenzen, uitsluitend aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen. Men kan zich hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in die zuilengangen op de woelige Agora. Wat de nakomelingschap met geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat vloeit hier in levende taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog niet talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen, kan zich een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige dagen pas heeft de zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds kunt gij den stouten vleugelslag van den Helleenschen geest daarin hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne heldere oogen, herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras.
Van hem heeft reeds menig Athener geleerd de wetten der natuur op te sporen en met terzijdestelling van het bijgeloof aan de Olympische Goden de eeuwige wetten van het natuurlijk ontstaan der dingen na te vorschen. Maar velen zijn er nog, die in hem een godloochenaar en Magiër [181] meenen te zien.
„Is dit niet de wijze van Clazomenae?” vroeg een Athener, zich wendend tot een der leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer omstuwt, „is hij niet dezelfde, van wien men vertelt, dat hij eens bij de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats nam, terwijl de zon helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide dat vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, ’t geen dan ook werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte toch dien man kennis van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke dingen en de mantiek verstaat?”
„Vraag het hem zelf!” antwoordde de leerling.
De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras. „Zijt gij,” zoo spreekt hij, „de man, die te Olympia in een dikken mantel gehuld, plaats naamt en een onweder voorspeldet bij helderen hemel en zonneschijn?”
„Wel zeker,” antwoordde Anaxagoras lachend. „En ook gij zoudt hetzelfde hebben kunnen doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u, evenals mij, een Arcadisch herder inlichtingen had gegeven over de huif van den Erymanthus.”
„Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?” vroeg de Athener.
„De Erymanthus,” hernam Anaxagoras „staat daar als een hooge berg op de grenzen van Arcadië, Achaje en Elis [182]. Ziet men nu van Olympia uit eene zekere kruin van dien berg bij groote hitte en Noordoostenwind met een dichten wolkensluier bedekt, dan ontlast zich binnen een uur een onweder, dat frissche koelte brengt en geweldige regenbuien uitgiet over de Pisatische [183] velden.”
En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het ontstaan en de oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend dat de bliksem ontstond, door eene zekere wrijving der wolken tegen elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen over en draagt geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert hij bij voorbeeld, dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan de Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen.
Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders rondwandelt en elders levendige groepen zich om den staatkundige en nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen hoek van de verst gelegene, zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren bank een paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt te onderhouden.
Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man, wiens gelaatstrekken een scherp contrast opleveren met die van zijn makker.
Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef staan of in het voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het oog loopende schoonheid van den jongeling nauwkeurig gade te slaan.
Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden den jongen man in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de gymnastische oefeningen—want met dit doel was hij toch zeker gekomen—zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne blikken zou toonen.
Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de betooverde jongeling was de schoone vriendin van Pericles, die besloten had heden nogmaals van de verkleeding gebruik te maken, om een der lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te bezichtigen. Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot leidsman genomen. Openlijk durfde zij zich toch niet in dit gewaad met Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler reeds door al te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen, wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren.
Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de worstelschool geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en jongelingen een aanvang hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver zijn plicht, terwijl hij Aspasia in het gymnasium rondleidde en door de ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen omsloten, waarachter zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet, noch de jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de wandelaars aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den Ilissus-oever.
Den „waarheidszoeker,” den „wijsheidsvriend,” den peinzer uit Phidias’ werkplaats tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van zijne onophoudelijke vragen was onmogelijk. Zoo had hij dan ook vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig Pericles het Odeon met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles’ meening was, dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten blijven en dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en ziel konden tot standbrengen en dat de Grieken niet alleen in ijzer en steen het schoone wilden zien en genieten, maar in hun eigen wezen, geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich gedreven gevoelden, dat te verwezenlijken.
En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds te boeien, door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen. Hij zette zich met haar neder op een sierlijk marmeren bank in eene der minst bezochte gaanderijen en weldra was hij op zijn lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op het tapijt te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht onderhouden. Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne inspanning, om van haar de lang gewenschte verklaring over het begrip en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia’s antwoorden zoo uit, dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen:
„Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor anderen—dat is immers alles slechts liefde voor zich zelve.”
Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men bij voorbeeld zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint Pericles.
Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven, Socrates draaide en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit Aspasia’s woorden, zij mocht zeggen wat zij wilde, altijd weder de verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in den grond toch alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den geest, die werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En handelende op zijne eigenaardige wijze, hield hij zich alsof hij in de verklaringen van Aspasia niet het geringste spoor van eene zoodanige liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme—een egoïsme onder twee.
De waarheidszoeker en de schoone hadden reeds geruimen tijd over dit onderwerp gesproken, toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige volgelingen langzaam de gaanderij zagen op wandelen.
„De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,” zeide Socrates, „om ons uit de verlegenheid te redden.”
„Meent gij niet,” hernam Aspasia lachende, „dat de jeugd zich moest schamen, wanneer zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen vraagt?”
Anaxagoras was, terwijl hij langzaam de gaanderij opwandelde en soms een oogenblik stil bleef staan, juist bezig zijnen toehoorders uiteen te zetten, dat het begin van alle dingen kleine, onderling geheel gelijke, deeltjes waren; want evenals het goud uit goudstof bestond, zoo bestond het heelal uit de kleinst mogelijke stofdeeltjes, die door de overal heerschende rede den eersten stoot tot vorm en harmonie erlangden. Deze rede die hij den „nous” [184], dat is den geest noemde, was niet alleen in den bewusten mensch aanwezig, maar ook in de schijnbaar donkerste diepte der natuur doorgedrongen en alles was vol zielen.
Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was, waar Socrates zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf, zonder een groet van den jongen man af te wachten, met een vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen. Socrates stond op en zeide:
„Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen dag vergezellen, en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron kunnen laven. Wij anderen die u slechts zelden ontmoeten, dragen de twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die weggenomen te zien en kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene uitkomst opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en wil van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken. Maar hij houdt, naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich zelven en geeft mij met ondeugende plagerij slechts zulke antwoorden, waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan straks. Heb gij medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?”
„In den beginne,” hernam de wijsgeer, die de vraag uit een verkeerd oogpunt opvatte en het onderwerp van bovennatuurlijke zijde beschouwde, „in den beginne waren de grondstoffen en zaden der dingen in blinde wanorde dooreen gemengd. Toen was alles chaos [185], nacht en „erebos” [186]. Noch hemel, noch aarde, noch licht was er tot de duistere nacht, door den wind bevrucht, het moederei voortbracht, waaruit de liefde ter wereld kwam of de gevleugelde Eros, zooals de dichters zeggen, door wiens alles beheerschende macht de inwendige strijd en tweedracht der dingen werd te niet gedaan en het een met het ander in liefde samensmolt, tot water, en aarde, en hemel, en menschen, en Goden, in afzonderlijke gestalten en vormen uit den schoot der alles bevruchtende natuur, als kinderen der liefde, te voorschijn traden...”
„Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,” zeide Socrates, den wijsgeer, die naar het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald, voor een oogenblik volgend, „maar ik heb door u, Anaxagoras, ook den Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen. Zouden Nous en Eros, de overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde dan hetzelfde zijn?”
„Wel mogelijk,” hernam Anaxagoras, „dat zij in den innigsten grond een zijn, en dat zij naar hetzelfde doel jagen—de een met bewustzijn, de andere blind...”
„Dan zou het in eens verklaard zijn,” riep Socrates uit, „wat het zeggen wil, als men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte oogen van Eros spreekt. Wanneer ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan is Eros niets anders dan de geblinddoekte Nous—”
„Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,” hernam Anaxagoras lachende.
„Maar zie nu eens Anaxagoras,” vervolgde Socrates, „hoe gij mij en dezen jongeling, den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk onderwerp hebt afgebracht, terwijl gij ons in de hoogste sferen uwer wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden bij ons gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij ons in uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei zooeven gewezen hebt. Wij vroegen namelijk—en ook dit is onze aandacht wel waard—wat toch de eigenlijke natuur, het wezen en het doel van die gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch den anderen, maar vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te hebben?”
„Een verlangen van deze soort,” hernam Anaxagoras „waardoor de man tot eene vrouw, en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene bepaalde vrouw en wederom niet tot den man in het algemeen, maar tot een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen liefde zich getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene hartstochtelijke neiging van dien aard stort niet alleen dengene, wiens verlangen door het voorwerp zijner liefde onbevredigd blijft, in de meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende, maar zij brengt, ook wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die hij reeds aanstonds als zijner onwaardig en als smadelijk moet erkennen, maar ook daarom moet de wijze haar geheel en al vermijden, omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid zijner ziel te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag vasthechten. Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte doen boeien kan ons weder ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke, hartstochtelijke liefde verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige angst en ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den besten onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een verkwister. Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders heftigste vijanden en brengt jammer en ellende over gansche volkeren en steden, zooals dan ook om der wille van ééne vrouw Illium verwoest is en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren en rampen hebben doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.”
Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een vriend al sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras met Socrates redeneeren. Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding aan de zijde van Socrates en wierp haar verwonderd een vragenden blik toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde.
Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had opgevangen, vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp zij zooeven met gespannen aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd.
„Laat dit, Pericles,” zeide Socrates met schalkschen lach, „deze jonge man hier, de zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch is de schuld, dat Anaxagoras gedwongen is zich op deze plaats op te houden en het een en ander over een der moeilijkste vraagpunten van het menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.”
„Het betoog van den wijzen Clazomeniër,” zeide Aspasia, „was een uitvloeisel van de vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de liefde.”
„En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?” vroeg Pericles.
„Hij zeide,” hernam Aspasia, „wanneer ik ten minste zijn gedachtengang en niet alleen zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe vurig zij ook wezen moge, steeds toch eene zaak van het vroolijke levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke, sombere dweeperij mag ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht...”
„Hij zeide,” viel Socrates met een veelbeteekenend lachje in, „dat wanneer iemand den jongeling, die hem dierbaar is, of de schoone, die hij bemint, aan de zijde van een anderen, schoonen of leelijken man mocht zien zitten, hij het daarom volstrekt niet voor noodig moet houden de Olympische [187] wenkbrauwen te fronsen of eene Grieksche vloot in Aulis [188] te verzamelen, om in woesten wraakdorst volkeren te verdelgen en steden te verwoesten...”
Pericles glimlachte. Hij vond de Silenus-gestalte [189] van den waarheidszoeker bijna koddig naast de overweldigende bekoorlijkheid van de verkleede Aspasia, die aan zijne zijde zat. Het had hem voorzeker in het eerst bevreemd Aspasia hier te vinden en zijne Olympische wenkbrauwen hadden zich werkelijk een weinig gefronst; maar nu schaamde hij zich bijna over deze eerste opwelling. Hij twijfelde niet aan de bedoeling zijner schoone vriendin, zich, zooals het aan hare kunne voegde, vóór den aanvang der lichaamsoefeningen, uit de worstelschool te verwijderen. Hij hield het echter voor raadzaam haar door eene zijdelingsche vermaning er aan te herinneren, dat die tijd naderde en dat zij er aan denken moest zich gereed te maken tot vertrekken. Hij liet zich ontvallen, dat de oefeningen weldra zouden beginnen. Hij voegde er bij, dat het voor heden voor hem eene noodzakelijkheid was, hier aanwezig te zijn, daar zijne beide zonen Xantippus en Paralus, benevens zijn pleegzoon Alcibiades, nadat zij eerst de gymnastische voorbereiding in de palaestra hadden doorloopen, voor het eerst aan de openbare oefeningen in de worstelschool zouden deelnemen. De kleine Alcibiades was niet langer te houden geweest: hij wilde niets meer van de kinderachtige palaestra hooren en brandde van begeerte zich op het open veld van eer, in het Lyceüm, met zijne tijdgenooten te meten.
Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige belangstelling en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van den wedstrijd van den kleinen Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong hij ook was, reeds begonnen te spreken.
Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en verzocht stil den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen wegbrengen.
Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias’ werkplaats wandelde, nadat hij met de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als droomende naast haar en zonder het te willen of te weten, voerde hij haar in plaats van uit de worstelschool, naar de verst afgelegen en juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen en knapen wedijverden.
Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die Anaxagoras over den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van den wijze was tot in het diepst zijner ziel doorgedrongen.
Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend zwijgen.
In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom ontwakende, begon hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich naast hem op eene marmeren bank in de zedige zuilengang neder te zetten, als volgt:
„Weet gij, Aspasia, wanneer voor ’t eerst in mijn leven mijn daemon zijne stem in mij heeft doen hooren?”
„Wat noemt gij uw daemon?” vroeg Aspasia.
„Mijn daemon,” hernam hij, „is een tusschenwezen, half van eene goddelijke, half van een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld, geene hersenschim; want ik hoor soms heel duidelijk, zoo duidelijk als men iets hooren kan, zijne stem in mijn binnenste. Maar hij verwaardigt zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid heimelijk te openbaren. Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer te zijn dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en zonder eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik doen of wat ik laten moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik die stem, toen ik u, Aspasia, voor het eerst ontmoette.”
Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker zoo ernstig over zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke persoon en de natuurlijkste zaak van de wereld was.
„En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?” vroeg zij lachende.
„Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u naar het wezen der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar duidelijk in mijne ziel; „doe dat niet!” Maar ik dacht: wat wil toch die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?—Ik luisterde niet naar hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar nu ben ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij mij gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend geworden, dat hij de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn volkomen vertrouwen verdient.”
„Gij zijt een dweeper, mijn vriend,” zeide Aspasia, „hoewel gij voorgeeft naar het heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is te veel in zich zelven gekeerd, o zoon van Sophroniscus. Zie rondom u en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende schoonheid u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan de Chariten en vergeet niet, dat gij een Griek zijt.”
„Een Griek?” hernam Socrates lachende. „Ben ik niet te leelijk om een Griek te zijn? Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling met de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek een levensideaal, dat bestaanbaar is met leelijkheid.”—
Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van verbaasdheid en medelijden.
Die arme zoon van Sophroniscus! Hij wandelde onder de opgeruimde en tevreden stervelingen als de eenige ontevredene. Men begon hem reeds onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven aldus hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne medemenschen als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de belichaamde behoefte aan eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe gedachte, aan een nieuwen tijd? ...
Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen niet geheel en al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine gedachte. Hij jaagde „heldere begrippen” na. Maar niets grenst nader aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten dan zijn schijnbaar contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn „daemon”.
Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en open naar buiten te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij dacht na, hij ontdekte het inwendige en schrikte daarvoor zoozeer, dat het hem als eene daemonische macht toescheen. Die noemde hij zijn daemon.
Veel werd over zijn „ironie” gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de onwetendheid van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts een zwakke nagalm van die ironie, welker scherpte hij zich zelven, tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend worstelen in eigen boezem richtte.—
Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de verklaring gaf: „dit weet ik, dat ik niets weet.”—
En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de toekomst.
Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had gezegd, een levensideaal, dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar was.——
Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener ideaal tegenover dat van het „alverwinnende schoone”, ’t welk over zijne tijdgenooten eene schitterende aureool verspreidde...
Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch—hij was een Griek. Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij toch ook aangeblazen door de liefelijkheid en bevalligheid van den Griekschen geest. Een somber dweeper was hij niet en kon hij nooit worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen gegaan; nooit kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook tot de blijmoedigheid van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker drinkt, als zijne ure is gekomen...
Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven schier onbewuste jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de grijsaard, van wien de boeken der Ouden gewagen—nog was hij de steenhouwer uit Phidias’ werkplaats...
Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia.
Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht van een Sileen en dat zij hem nooit kon beminnen.
Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de macht van het vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde.
„Ik weet het, Aspasia,” zeide hij, „ik schijn u toe, als eene rups op den bloesem van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan heimelijk te knagen en hem met het sceptisch venijn der gedachte te bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan weg te knippen met de toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch liever schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te zijn?”
„Wees altijd blijde en opgeruimd,” hernam Aspasia, „en tracht aan de Chariten te offeren.”
„Bestraal mij met den glans uwer oogen!” riep de anders zoo kalme waarheidszoeker uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. „Dan zal ik steeds,” voegde hij er bij, „blijde en opgeruimd zijn.”
Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het hoofd nader tot Aspasia’s gelaat, alsof hij den schitterenden straal uit haar oog wilde opvangen.
Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij het bekoorlijke gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den bevalligen, rozenrooden mond der schoone bijna beroerden.
„Offer aan de Chariten!” riep Aspasia, sprong op en snelde weg...
Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den zuilengang instuiven, snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en verborg in zijn mantel zijne naakte leden.
De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige Aspasia, dan wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene schuilplaats zocht.
Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op hetzelfde oogenblik eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen...
De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem aan en smeekte dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou verbergen en beschermen.
„Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?” vroeg Socrates den knaap.
„Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet Alcibiades,” antwoordde hij.
Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van Clinias gedwongen was zijne naakte leden sidderend in den mantel van Socrates te verbergen.
Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het gesprek verdiepte, waren de oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde ruimten van het Lyceüm begonnen.
Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de worstelplaats der knapen.
Het was een schoon gezicht, vol bekoorlijkheid, deze flinke, knappe, teedere en toch reeds door de oefeningen der palaestra krachtige, bloeiende gestalten, na zich ontdaan te hebben van de chlamys [190], in het zand der worstelschool te zien wedijveren.
Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten, was hij toch reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets overmoedigs in zijn gezicht. Maar dit fiere en overmoedige werd getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers drongen naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende spieren, die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch harmonische vormen te bewonderen.
Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne beide kameraden, de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de kleine Callias, de zoon van den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades reeds vriendschap had gesloten; en ook het zoontje van den rijken Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig.
De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks afwachten.
Met den wedloop begon nu onder leiding der paedotriben [191] de kampstrijd.
De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun adem en hunne krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste ledematen gelijkmatig moesten bewegen, hoe zij met opgelichten haast zwevenden voet met groote passen voort moesten snellen, om met het kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; ook leerden zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen bevorderden.
Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij meende, dat de beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde, leelijk waren en geraakte met de paedotriben daaromtrent in hevigen strijd.
Een der opzichters, die de oefeningen leidde, mengde zich bemiddelend in het geschil, streek den knaap over de wangen en prees zijne begeerte om de bevallige schoonheid in beweging en houding steeds in acht te nemen, maar wees hem, om de doelmatigheid dier bewegingen aan te toonen, op het voorbeeld der Mauretanische [192] struisvogels, die door het slaan met hunne kleine vleugels, die zij als zeilen gebruiken, hun vluggen loop versnelden.
De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider werd, naarmate zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen werd de wedloop herhaald—steeds was de jonge Alcibiades het eerst bij den eindpaal.
Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen in de hoogte, in de breedte en in de diepte.
De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die zoo te gebruiken, dat zij verre van de vlugheid in het springen te belemmeren, integendeel de vaart des lichaams bevorderden. Ook deze gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades en het scheelde weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen moesten waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden verweet, naar het hoofd geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van Pericles meester, toen hij onder zoovele vrienden en toeschouwers getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar zijn toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten der toeschouwers de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers overtrof.
Thans werden de knapen door de alipten [193] met olie ingesmeerd voor den worstelkamp. Dat liet de kleine Alcibiades zich nog doen, maar toen men hem het lichaam met stof wilde bestrooien, om de glibberigheid der gladde leden te verminderen, verzette hij zich met kracht tegen die bezoedeling. Maar hier schikte men zich niet, als in de palaestra, naar de grillen van den knaap: hier gold de strenge wet van het gymnasium, het zoontje van Clinias moest zich daarnaar voegen.
Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een zachte buiging der knie den rechtervoet een weinig naar voren te brengen, den arm tot den aanval zoowel als tot verdediging uit te strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf in te trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders beweging vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging steeds naar de regelen der kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen de paedotriben aan de knapen.
Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op den grond moest werpen, den gevallene met handen en voeten zoo omslingeren, dat hij bewegingloos op den grond moest blijven liggen en alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd benevens andere kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op de schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en opzichters der oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en vlugheid alleen doelden de regels, die zij gaven, maar ook op het ten toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor de Atheners zich van de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden.
De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp hem door een kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken had, maar in het beslissende oogenblik zelf had uitgedacht, in het zand.
Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof van de ledematen af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder van hen een discus en eene kleine stang in plaats van eene speer, beide voor de oefeningen in het werpen. De discus van de knapen was niet, als anders, van metaal, maar van eene soort van hard hout gesneden. De discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels der kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan te nemen, voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een beter houvast te verschaffen, de beste ligging in de hand te geven, dan de hand in eene draaiende beweging te brengen, om als ’t ware de kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht, den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden, eindelijk de schijf in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de laagte zoover mogelijk te werpen—dat alles werd Alcibiades, evenals den anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al die regels in den wind en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden om den discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond door een teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen hij aan de beurt kwam, zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog zijne schijf verre die der anderen voorbij.
Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus eene bijzondere handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij den discus en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar bleef ook niet daarachter. Zijne schijf en die van Alcibiades lagen evenver van die der anderen.
Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning met een ander moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp hij toornige blikken op zijn mededinger. Deze echter durfde beweren, dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd, nog iets verder lag dan die van Alcibiades.
Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke woede aangegrepen, hief de rechterhand op en slingerde met alle macht den discus, die hij in de hand had, naar het hoofd zijns tegenstanders. Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en bloedend zonk de knaap ter aarde.
Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest weggedragen worden. Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades een oogenblik; toen echter de verwanten en vrienden van zijn gewonden tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem aandrongen, herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid.
Thans echter zag hij Pericles, hevig vertoornd, met den eerwaardigen gymnasiarch [194] naderen en daar hij begreep, dat men hem wilde aangrijpen, wegvoeren, wellicht op eene smadelijke wijze kastijden, keerde hij zich eensklaps om, brak door den kring der omstanders heen, waar die het minst dicht was en ontvluchtte met die snelheid, waardoor hij straks bij den wedloop de zegepraal had verworven.
Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen zijner achtervolgers verdwenen.
In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en was, zooals reeds verhaald is, op hem toegesneld en had hulp smeekend zich in zijn mantel verscholen.
„Dus zijt gij de zoon van Clinias?” zeide Socrates op zachten en kalmen toon, nadat de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht had verteld. „Vraagt gij in uw doen en laten niet naar lof of berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen en den wil van de voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan wie gij door geboorte verwant zijt?”
„Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,” zeide de knaap fier. „Ik wil doen, wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.”—
„Gij hebt groot gelijk,” hernam Socrates, steeds kalm, „de mensch moet kunnen doen, wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt gij toch gewild en wat hadt gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?”
„De eerste te zijn in alles!” riep de kleine Alcibiades levendig uit. „De eerste te zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen weg te dragen! Dat had ik mij voorgenomen.”
„Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen had. Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het Lyceüm verlaten en inderdaad zijt gij met smaad en schande bedekt weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als gij aan de uwen wordt teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt ge toch niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken, die u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen, om uw makker een gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om roem en eer te behalen. Uw fout was, dat gij een oogenblik geheel en al vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet en u met bijzaken hebt afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met roem overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.”
Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener doelmatige orde niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van buiten hem voorkwam, maar als eene macht in hem zelven, die met zijn eigen wezen innig verbonden was.
Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij gesproken werden iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den man ernstig en zwijgend in het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke, bruine oogen en zijn vertrouwen ging in dat zelfde oogenblik bijna onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu toe nog voor geen mensch gevoeld had.
Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles en den gymnasiarch.
Opnieuw begon de knaap te sidderen.
„Vrees niets,” zeide Socrates, „ik zal met de hulp der Goden trachten u met al deze grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen.
De aankomenden herkenden Socrates en aan zijn boezem, in zijn himation gewikkeld, den knaap, dien zij zochten. Het was als zag men Achilles [195], in tegenwoordigheid van zijn leermeester en opvoeder, den goedigen Centaur.
Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht op Socrates toetraden, zeide deze:
„Ik weet wien gij zoekt, gij mannen; maar hij, dien gij zoekt is mijn smeekeling, zooals gij ziet en ik zal hem niet uitleveren, maar volgens mijn plicht, naar mijne beste krachten verdedigen. Hij is, gelijk hij mij zegt, in het Lyceüm gekomen om zich te onderscheiden, wat hem daarom niet ten volle gelukt is omdat hij onbedachtzaam zich met bijzaken inliet, daar hij namelijk den discus een zijner makkers naar het hoofd wierp wat hem schande aanbracht, in plaats van de eer, die hij eigenlijk gezocht had. Wat de wonde van dien knaap betreft, bedenkt, gij mannen, dat een dergelijk ongeluk of vergrijp, zooals gij het noemen wilt, ook door Goden en heroën is gepleegd; want, zooals gij weet, heeft Apollo zelf zijn lieveling Hyacinthus [196] en de held Perseus zijn grootvader Acrisius [197] met een discus-worp gedood. Het is waarschijnlijk, dat deze donkergelokte knaap, met zijne vurige oogen, ook in andere opzichten aan Goden en heroën gelijk kan worden.
De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden knaap, op wiens gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte tot zijn beschermer eenige vriendelijke woorden, die tevens den knaap, welke nog steeds eene tuchtiging vreesde, konden geruststellen en beval daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit het Lyceüm naar huis te brengen.
Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen spraken nog eene poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en gevaarlijke eigenschappen, die in het karakter van het zoontje van Clinias zich vertoonden.
Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet eerder, voor hij met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen van zijn beschermer en pleitbezorger had afscheid genomen.
Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen Socrates, dien zij den leelijke noemden, en den schoonste van alle Hellenen-zonen, den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den „waarheids-zoeker” eene duif uit de hand vloog en op hetzelfde oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats kwam zoeken...
VIII. HET OFFER AAN DE CHARITEN
Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen, zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.
Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de klare spiegel van zijn geest.
Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken, te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking toevertrouwd. Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een geheel te worden.
En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.
Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in zijn geheugen en deelde het later weder mede.
Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.
„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig, de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius, is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij soms ook tot die beeldhouwers, wier Heracles [198] alleen aan de knots kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”
Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die steigerende rossen optoomden.
„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou zelfs Argeladas [199] niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.
Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.
Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.
Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche ontwerpen?
Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan ooit te voren.
Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde. Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke bezoekers.
Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was, als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.
Onverholen sprak zij haar meening uit.
„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen, dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het goddelijke voor te stellen en te belichamen.”
„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling; datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk aandoet en verkwikt, moet dus een weinig aan deze zijde van dien hoogsten trap, niet daarop liggen.”
„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij langzaam zijt, maar de weg is lang.”
„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”
„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok, dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’ woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven. En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen, dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal slaan, deze les gedachtig te zijn, in ’t bijzonder als ik de hand leg aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te dragen.”
„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”
„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus, ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder, rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”
„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.
„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien hebt, als heden daarvan te zien is.”
Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien, wat gereed was. Phidias echter zeide:
„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien, want zooeven werd het kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in goud en ivoor.”
Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte, zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model uit te maken.
Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken van den doorgezaagden Colossus.
Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde...
Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.
„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van haar vader Zeus.”
„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas, die uit het hoofd haars vaders voortgekomen is, anders dan de bezielde en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd, ’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel onderhevig, dat Phidias de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het hoofd is van de Godin Pallas Athene...”
De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:
„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—
„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.
„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den denker aanziende.
„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle, en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden, ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de menschen rondgegaan.”—
„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest, dan hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit. Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug. Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel, mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen noemt?”
„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel, en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—
„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop, als ik mij uit de werkplaats verwijder?”
„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—
Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:
„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de geestvervoering der dichters of de verrukking der Delphische priesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk, ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats van Phidias.”
„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia. „De liefde is een gevoel, en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen, maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en bekoorlijkst aandoet.”
Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:
„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid. Aphrodite is wel is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken. Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het „eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”
„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”
„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes, haar welsprekendste lofredenaar en vriend?”
„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking, kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot dit genot openstellen.”
Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’ vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene andere vrouw.
De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes van Corinthe naar Athene overgekomen.
De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.
Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia, waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld, in de plaats te stellen.
Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou hem gegeven worden.
Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den Corinthiër het volgende terug:
„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”
De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres Theodota, te Athene bij Alcamenes.
Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken Corinthiër.
Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.
Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van Hellas.
Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.
Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare gedachten geregeld en haar besluit genomen.
Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan waren, was ook deze geweest, welken indruk wel de door Alcamenes gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke plagerijen gaf.
Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische schoone te zien.
Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.
Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:
„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”
„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia, zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates, hebt gesproken.”
Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,” zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande strekken.”
„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en naar zijn Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone Theodota te voeren.”
„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning van Theodota niet ver—laat ons gaan!”
Het huis van Theodota was weldra bereikt.
Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam. Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.
Hij voerde hen in de binnenvertrekken van Theodota. Deze waren met overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen. Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid. Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen, zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon versierde hetaere zelve opstond, om haar gasten welkom te heeten.
Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig. De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen. Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen, flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had zij een met paarlen bezaaiden metalen band.
„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld, waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”
„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend, „dat hij zoo opeens zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”
„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man, Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van uwe beroemde kunst te overtuigen.”
„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid overtreft, moet ik het wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel van zulke rechters onderwerpen?”
„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”
„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het eerst.”—
„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen, gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen. Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze echter antwoordde:
„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig, Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”
„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen [200] om den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”
„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen den herder op den Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—
Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:
„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft, ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea [201] over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons, behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—
Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te dansen.
Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en vervolgens die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk gebaar en iederen trek.
Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.
Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich van hare taak gekweten had.
„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes, „was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het noodig is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”
„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke lenige en teedere ledematen uit te drukken.”
„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe gedachten verzonken.
„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene wijsheid der handen en voeten is.”
De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewone ironie sprak. Doch Socrates ging voort:
„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”
„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een bekoorlijk lachje bij, „hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste, en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”
„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is verliefden of minnenden te noemen.”
„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet. Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te zwaarmoedig geworden was.”
„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der liefde, maar een dochter der vreugde!”
„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota, welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche [202] fierheid, de toorn van Eros, den wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”
Zoo sprak Socrates.
Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.
„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.
„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.
„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.
Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan, menig veel beteekenend woord tot hem te richten.
Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover vrouwen eigen was.
Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde. Bovendien wist zij, dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar scheidde.
Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming. Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden. Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.
Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was onuitputtelijk.
Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische bleef niet zonder gevolg.
Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:
„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”
„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd, wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat. Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg hebt geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”