XVII. HET MEISJE UIT ARCADIË [326]
Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden, maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.
Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte, maar zalige, eenzaamheid aan het Ionische strand had gesmaakt. Soms maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene, waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen, die als het gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.
Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar Aspasia scheen de tocht al te moeilijk door het bergland van Argos en Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide ter sprake gebracht werd.
In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen. De uitgelatene blijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch zij verborg ook een scherpen angel.
Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.
Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van Aspasia toegeschreven.
„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”
En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.
Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend, bijna vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de voeten der Milesische...
Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het Pelops-schiereiland [327] te betreden, dan op den brandenden bodem van Athene te vertoeven.
Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.
Snel werden de voorbereidingsmaatregelen voor de reis genomen, en weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen echter waren er ook, die het in stilte benijdden....
Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus [328]. Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om vandaar in de reis over de moeilijke wegen van de Peloponnesus behulpzaam te zijn.
Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware vluchtend, het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel bespoedigden...
Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.
Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome, menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het niet.
„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia. „Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed gezorgd.”
Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit te storten, eene spreuk of een vers gesneden, soms ook een wijgeschenk aan de takken opgehangen.
Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:
„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat het misdeed!”
Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met de hoogste eerbewijzen ontving.
Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke, genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee, tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen, zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen was.
Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië. Zij zagen tusschen de tallooze bergen en dalen de blinkende zeeboezems en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.
In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied in de zuilengangen en priëelen omzwierven.
„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles, „gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin, de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn, zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de liefde voor de aangenaamheden des levens gepaard gaat.”
Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles, zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten glimlach, zich tot Aspasia richtend:
„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft? Dat tegenover die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles en Perseus hun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den prijs? Stroomen niet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt deze Peloponnesus, en de wateren van den Styx [329] besproeien niet te vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken in die ruwere lucht.”
„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend! Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het zegevierende licht van Pallas Athene!”—
Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.
Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn zou springen. Dan glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het gebergte had medegenomen:
„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis [330], de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen Thebe” [331], op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”
Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het „paardenvoedende Argos” [332] schitterde de blauwe zeeboezem van Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt, hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.
Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester. Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven, muren en gewelven van den voortijd.
Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen. Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en schier uitgestorven heerscherstad der Atriden [333] nog woonden. Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn onsterfelijk heldenlied. Het licht der volle maan, dat rondom op Argos’ bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken. Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts gekeerden heerscher der volkeren...
Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de grafkelder tevens der Pelopiden was.
Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden, verschikte hen de gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben, op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte, nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe, zilte nat zijn leden had geteisterd.
De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen, tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.
Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.
„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze hulde te bewijzen.”
Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het diep in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.
Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt. Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde kringen den beschouwer tegen.
Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen was.
Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.
„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”
Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.
Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.
Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in het huiveringwekkend, geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.
„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien de onzichtbare atomen van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren zullen inademen!”—
„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen, maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”
„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen afwisseling is leven.”
„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze verliefde paren opnieuw gevoeld?”
„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen, maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus een weinig ingekrompen zijn.”
„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon gebeiteld!”
„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend, met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van onsterfelijke bouwvallen?”
„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.
„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich hernieuwt?”
„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.
„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”
„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden glimlach in de rede.
„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit van de schoonste Helleensche vrouw!”—
De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich te vreden te stellen met het geluk van Paris.—
Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—
Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met zijn verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar ’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in de blauwe lucht.
Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.
„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”
„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden; integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van Odysseus’ vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den droom gezien.”
Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.
Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de Arcadische aan te vangen.
Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.
Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op bevel van Pericles een der boekrollen, die de zangen van Homerus bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien, begrepen zij den dichter eerst ten volle.
Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees, terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.
„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast. Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt, menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen, helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”
Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.
„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk, vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles [334] bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”
„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.
„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”
Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen gewapend, te gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels, spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad. Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in de zon zich koesterden.
Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden, onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te gemoet.—
Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht gehulde gebergte.
„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die huiverde.
„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”
Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles zich op een gouden wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel. Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten, dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden, beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.
„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!” zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”
„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”
Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden God [335] zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed schuimde uit de harige borst van den ram.
Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.
Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde, lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.
Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de takken.
„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch gehoord te hebben, dat Pelagos [336] genoemd wordt, wegens het sterke ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit woud waar wij thans doortrekken.”
De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen, verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De Arcadiërs voorspelden een naderenden storm. De reizigers verhaastten hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte weerklonk het gehuil van den wolf.
Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen van alle kanten woedde.
Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder uit de knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij zich, hunne gidsen volgend.
Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met zich sleepend.
Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud in allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden strijd der elementen.
Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld. Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder. Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige honden liepen blaffend aan zijne zijde.
Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en heette de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.
Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.
De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.
Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei der runderen uit de dampende stallen....
„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”
Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag. Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte van het water spiegelde.
Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen: vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld. Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan loopenden geitebok vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”
De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht, waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in deze, haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van kinderlijke verbazing rond te staren.
De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op. Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand van het meisje.
Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter was, zijn eenig kind, en dat zij Cora [337] heette. Hij zette hun nu verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.
Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den laatsten tocht zeer vermoeid waren.
Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw en zeide met geheimzinnig gebaar:
„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe, zooals die toch menigmaal bij arme herders hun intrek hebben genomen. Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”
„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”
„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”
Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond, toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend witte tanden, prees hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de stervelingen vereischten.
Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden, ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in. In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen, glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de verwijderde bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld, die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx [338], alsmede gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide, dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis, door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne gemalin het rechtersambt te vervullen.
Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.
Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen, een slanken knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist voor te stellen.
„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?” vroeg Aspasia den knaap.
„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.
„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge van Cora? Cora wil niets van u weten!”
De knaap zuchtte en sloop weg.
Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone, heldere en schrandere oogen aankeek.
„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote, ronde, kinderlijke oogen en zeide:
„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen. Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich verbergt. Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets geheimzinnigs in zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”
Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een brandend hout verjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin geslagen en is voor altijd verloren.
De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk beangstigde oogen open.
„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles [339] ze had geveld. Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”
Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen, dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx, dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar zijner bespringers.
Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het herdersmeisje sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders ruimte scheen overgelaten.
„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet ongaarne deel zoudt willen nemen.”
„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen, overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde bespringen, met een brandend hout verjaagd.”
„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het Arcadische land, Atalante [340] die, door haar vader als kind te vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben, door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen zachtere aandoening iets weten wilde.”
„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”
„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende, ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo statig door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het witte maanlicht omschenen.”
Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere aandoeningen.”
Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:
„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten, dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”
„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.
Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op de open weiden in het woud en in de houtspleten stonden hoog opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten. Van cicaden [341] wemelde het hout onder de brandende zon.
Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken; het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.
„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering. Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”
„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt, zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds welriekender, dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”
„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel, tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”
„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te begeven en kudden te weiden [342]. Blijf hier! Gij kunt dan als eene cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij naar Athene zal vergezellen.”
Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u te nemen?”
„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”
Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”
„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”
’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken, zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.
De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag de gast van den herder te blijven.
Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, vertelde herdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge, kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:
Het beekje komt van ’t rotsgebergt’ En stort zich in het woud; Er grazen reeën in het dal, Het lachend ze aanschouwt.
’t Besprenkelt bloem en blad met dauw En lescht der dieren dorst, En komt de barre winter aan, Wordt het met ijs omkorst.
Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis [343], die van zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en teekenen van afkeuring...
Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.
Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener spin verward had.
Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar opnieuw van Athene begon te vertellen.
Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten verzonken.
Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter daar een gelukkig lot zou verbeiden.
„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd dit ééne:
„Dat mogen de Goden geven!”
Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten gaan.
Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare ontsteltenis.
„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met u naar Athene zou gaan.”
„Hoe dan?” vroegen beiden.
„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht, totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”
„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg Aspasia.
„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.
„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.
„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia glimlachend.
De ouders van Cora kwamen nader.
„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen, maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.
De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon dan het meisje, de woorden:
„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—
Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en kusten het.
„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken van haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”
„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar beneden is gevallen.”
Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart, voegde het zich in den wil van den God.
Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het landelijk erf ronddoolde.
Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.
XVIII. DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT
Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen, niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten, niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen. Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.
Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven; geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad, bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was, ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het talrijke geleide.
Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover den ingang van het woud, bevond zich eene groote beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord, het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt, onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.
Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.
In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.
Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone zijne mededingers kon overvleugelen...
Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen kunstbroeder had aangeknoopt.
Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne school zonder eenige hartstochtelijke bitterheid naar den eerepalm dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom deze zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene, ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.
„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan. Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea [344] hem heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep, zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te arbeiden.”
„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet gemakkelijk kunnen volgen.”
„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over zijn Olympischen beheerscher der Goden.”
Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:
„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne gade, de schoone Milesische Aspasia.”
„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel vreemd.”
„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet haten, zonder haar te beminnen.”
Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.
„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien, maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne begeleiden.”
„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas voltooiden tempel van Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven, in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”
„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien. Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”
„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het heilige woud u toeblinken.”
Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide der beide groote kunstenaars aan.
Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije ruimte, die zich uitstrekte tusschen den schaduwrijken oever van den Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en marmeren beelden.
Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.
Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides uit Orchomenus [345], gene van den rijken Pauson van Eretria. De bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten. Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich bij de bonte tentenrij aan.
De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de vrij harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige, vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen. Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.
Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en hunne overwinningen.
Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat hij met lang haar [346] en een purperen kleed te Olympia gekomen was. Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen! Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de Hellanodiken.” [347]
Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden [348], of om een man, die, op een spreekgestoelte staande, aan het luisterend Helleensche volk de door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.
Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.
„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde, „toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met iets pronken, ieder opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”
„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone, bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken. Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te brengen...”
Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.
Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen [349] en de Leontiërs [350] deelen plechtig allen Hellenen mede, dat zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs [351] geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs [352] en Demetriërs [353] een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging hebben aangegaan.”
Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs[353] betuigen ten aanschouwe van het geheele Helleensche volk den Phliasiërs[353] hun dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs[353].”—
„Dat was wel de moeite waard!” riep een Kenchraeër met een spottenden glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren doen!”
„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”
„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van alle Lechaeërs aan te spietsen!”
„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief hij dreigend de vuist op.
Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met rust, of gij hebt met mij te doen!”—
„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne vriendelijkheden op uitloopt!”—
„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”
„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te breiden?”
„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers reeds vooruit gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de werkplaats van Phidias wijzend.
De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.
Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.
„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners? Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen; hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der Panhellenen [354]. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen! Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden van alle oorden elkander herkennen!”—
De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte: „Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de harten der bewegelijke, licht ontvlambare Hellenen. Kreten van toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.
Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen, tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar den strijd der Lapithen [355] en Centauren voorgesteld en daarin zijne voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.
Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.
Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion [356] uit. Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden wijgeschenken bewaarden.
Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op Olympia. Zij zagen onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen ter linker zijde het stadion en den hippodromos [357], de plaatsen voor de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios [358], de wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige feestterrein van Olympia lag.
Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen, die haar kwelden.
„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei van den Alpheüs hebben gekozen?”
„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes lachend.
„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven, Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”
Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij de standbeelden van Polycletus.
Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het overoude beroemde aschaltaar van Zeus.
De verrichtingen van deze heilige plechtigheden duurden tot diep in den nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het begin der spelen af te wachten.
Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den Cronos-heuvel.
Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende hitte ten toon werd gespreid.
„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende menigte dwalen?” vroeg Pericles.
„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk, zoo groot geworden in vele dingen, die waarachtig schoon en heerlijk zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”
„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”
„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering en ruwheid terug zal voeren.”
„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.
De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.
Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag, vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd. De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders hen onder gekregen hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden verduren.
„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit, met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een lantaarnpaal.”
„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een in olie gedoopten doek had omwonden.
„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik, een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen, waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”
„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch is, de rug echter het teerste!”
„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in de maag met zich te dragen.”
„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Een athletenmaag moet ook tanden kunnen verduwen.”
„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.
„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht beven—blijf ik nog staan!”
Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond, ging er op staan en vervolgde:
„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”
Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten, zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne stelling.
Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de pink van de overige vingers los te trekken!”—
Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere vingers gesmeed te zijn.
„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand in de spaken te grijpen!”
„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”
„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”
„Hoe?” riep de Spartaan Anactor, „de Thessalische hardlooper zal tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”
„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten hier uit het zand bijeen rapen!”
„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals de kok den inktvisch!”
„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u bij kruimels kunnen wegdragen!”
„Gij vecht met woorden,” riep de Boeötiër Cnemon daar tusschen in. „Dat is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden bewijzen.”
„Dat willen wij doen!” riepen beiden.
„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein bevinden?”
„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.
„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort bleef?—maar toch een grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerst den dienst weigert, die moet zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”
„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel halen en hem aan het spit braden.”
Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.
Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische wedstrijden aan te zien!”—
Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen met Aspasia den weg naar huis in.
„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes, „schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken? Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”
„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in zoo verre, dat daardoor het Helleensche volk ten levendigste er aan herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf daartoe wordt aangespoord.”
Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars, gebeiteld door de hand van Polycletus.
Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:
„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij, dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft, die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze heeft nagebootst.”
Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak op Polycletus.
„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden, schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te vervaardigen.”
Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet lang daarna onder het een of ander voorwendsel.
„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus van Olympia waardig zij.”
„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom ontsluit ook het leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”
De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.
„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel liet.”
„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”
Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia in het hart van Alcamenes.
Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.
Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes, Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden, achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone levendigheid voortzette.
Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger zijne blikken.
Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk tegenover de gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had, hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?
Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van gekrenkten trots.
De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de vormen van haar vroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men bijzonder vertrouwd is.
Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.
Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron was voor zijn kennis op het gebied der kunst.
Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder onuitputtelijk was in dit opzicht, door hare bekoorlijkheden.
„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.
„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”
„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u heb misdreven! Wat gij mijn haat noemt, het was de wraak der liefde!”
„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”
„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes hebt geprezen!”
Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.
De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot bezinning bracht.
Op dat oogenblik trad Pericles binnen.
Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.
Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.
Pericles was bleek.
„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de trekken van Alcamenes gelezen.”—
„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft, zooals men eene vrouw doet, die men...”
„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.
„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon. Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar de uwe beoordeelen. Gij kent het niet onedel maar hartstochtelijk karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”
„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten bondgenoot!” zei Aspasia.
Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het vertrek van Aspasia.
Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.
„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij onheil aan.”
Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt. Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de verkoeling.
Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde alles wat zij vergeeft?—
Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar. Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het grootste werk zijner handen zou onthullen.
De met spanning verwachte ure was genaderd.
Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd. Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel trilde door de toppen der boomen.
Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten. Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.
Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge, schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet daveren [359].
Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel; met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van den Olympiër een olijfkrans gedrukt. In de linkerhand hield hij den uit verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter. Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans van het goud en het ivoor te beter uitkomen.
Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel, zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion [360]. Op de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.
Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite, uit het schuim der zee.
Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was de uitdrukking der hoogste majesteit.
Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles. Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende, overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer onder het goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.
Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem doorvlijmde...
Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld: spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God met het vertrouwen van een kind.
Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men hoorde uit de verte den rollenden donder.
Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.
Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.
Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.
Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.
Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische Goden en reliëf waren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en gebarsten...
Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had verbrijzeld...
Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit, zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem slechts als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.
„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige...”
Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend verzoek.
Zij zochten Phidias op.
Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.
Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te onttrekken.
Hij bleef voor hen verborgen.
Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen, verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.
Niet alzoo Pericles.
Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn voorhoofd had verdreven.
Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne ontroerde ziel de overhand.
Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen bliksem.
Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had gestooten.
Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.
Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte...
XIX. HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS
Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen. Hier werd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden, in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een grauwen, eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen. Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig bezegeld.
Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens, die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk, en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend. Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende; Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis, wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust en de alverwinnende kracht van het schoone.
Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?
Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken toovergeur te verspreiden.
Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende, Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.
In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering, die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing. Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan, waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.
Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.
Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—
In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het bereiken van hun doel wachtte.
Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had gebeiteld, was zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de Attische mysteriënstad Eleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote mysteriën.
Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren, bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij stonden.
Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te Eleusis zou vertoeven.
De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten, door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën ingericht, vele onderaardsche vertrekken en labyrinthische gangen van ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden veroorloofd was te aanschouwen.
De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht strevenden geest der Hellenen.
Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken geest in ’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”
„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia. „De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen vast aan het schoone, vroolijke heden!”—
Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot hen, die de inwijding der mysten [361] voltrokken.
Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,” zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt, dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige Hipponicus,” voegde Aspasia er bij, „schijnt mij tot deze laatste soort te behooren.”
Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat overigens er mede gepaard ging en wat ze van hem eischte, daartoe gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.
Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel aan gelegen te laten liggen.
Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht. De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca. [362]
Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot Aspasia.
„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des „erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”
Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen: terwijl daarentegen den niet ingewijden beschoren is ten eeuwigen tijde in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.
„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij ’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden, en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit heil deelachtig te doen worden.”
„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle andere u mede te deelen.”—
„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding deelachtig te worden?”
„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan, gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te aanschouwen.”
„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen? Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de grootere ontvang?”
„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.
„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.
„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige gebruik,” antwoordde de daduchus.
„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in het midden.
„De hiërophantes [363] is een van die strenge en ernstige mannen, zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn van dien opperpriester op den hals willen halen?”
Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen en moeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield van vrede en behagelijke rust.
Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis. Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van Telesippe.
Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche priesters en overheidspersonen; Telesippe stapte als Basilissa [364] en deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met fier opgericht hoofd aan zijne zijde.
Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van stilzwijgendheid afnam.
Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—
„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe! Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”
Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals zij, op Pericles alsmede op de Milesische in ’t voorbijgaan scherpe en loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd in de drie gekrenkte gemoederen op.
In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem de feestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts. Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels. Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.
Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften, gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.
Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden ingewijd.
Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe, en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.
Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen: en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover de gade van Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd. Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten einde het met te grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar vurig verlangen zou inwilligen.
En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog [365] voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den „tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor eeuwig zou in acht nemen.
Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.
Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden zich Pericles en Aspasia.
Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar, geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards, eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de hand.
En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch, dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen, alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.
En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den mond van den Hiërophantes uitgelegd.
En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke tonen van fluit- en snarenspel.
Nu echter werd de schare van mysten langs trappen naar onderaardsche gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol, doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen zwerftocht.
Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het voorhoofd.
Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende Echidnen [366], vreeselijke Chimaeren [367], die de gestalten van een leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met hondenkoppen, blaffende Scylla’s [368] en het huiveringwekkende beeld van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen. Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods, zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd omkranst met affodil [369], met eene omlaag gehouden fakkel in de hand, naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke afstanden aflegt.
Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het weeke vleesch.
Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke, uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke, hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.
Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker en haar gelaat marmerwit...
Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische [370] dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een driekoppigen hond [371].
Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden, zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en omgeven door somber vlietende stroomen.
Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone [372] waar in het vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk met treurig neerhangende twijgen.
Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels wiegelden.
Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar, zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend offerbloed.
Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld. Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus [373], de vuurstroom Pyriphlegeton [374] en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.
Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders vóór hen opensprong.
Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren in den dieperen jammervollen afgrond van den Hades.
Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn [375]—door eeuwig dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde begeerte de handen uit te strekken [376]—met eeuwig vergeefsche krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te wentelen [377]—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende inspanning in een bodemloos vat te scheppen [378]—de steeds aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier [379] en de ledematen aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.
Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk worstelen en streven.—
Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel was met angst en siddering vervuld.
Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.
Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al luider het geween en gesteun der boetelingen.
De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten; maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren, scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—
Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste duisternis:
Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen: liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de heerlijke velden.
Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige zaken.
Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen, waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—
Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans, verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche, niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium [380] zich verheffend naar den haar verwanten, goddelijken aether.—
Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de eigen kracht zijner oogen, in luisterrijken glans: het volle, heilige licht van Eleusis.—
Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinische geheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde, eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn en ander nachtgebroedsel, wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en verwante element wel bevinden en niet in de donkere afgronden van den nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht voor, en wat zich het heilige licht van Eleusis noemde, scheen haar geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille, spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht, dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen, scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht. Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende phantastische kunsten der Eleusinische priesters.
Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.
’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners, wemelende Eleusis geen geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.
Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.
Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een onaangenaam geval van gansch anderen aard.
Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt. Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren, terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen ernst der mysteriën te velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens en der vreugde plaatste.
Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.
Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar verwijtingen toe te voegen.
„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht? Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje! Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”
Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:
„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer wilt gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—
Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar echtgenoot Pericles te gemoet.
Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.
Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was aangekomen.
Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het verderf zouden kunnen storten.
Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij, was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij aangeklaagd en veroordeeld was.
„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden, hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak, als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende bedreiging boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig, zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluwe Erechtheüs-priester tot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van Hipponicus.
De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.
Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had binnengeleid.
Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.
„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij wilt, zij verdient het!”—
Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van plan waren hem in staat van beschuldiging te stellen, bereid waren zich in het geheim met hem te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen. Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het onderhoud vastgesteld.
Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in verlegenheid en verwarring bracht.
De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk. Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was. Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte, over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs verbittering in de gemoederen.
Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te verschaffen.
’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.
„Wat is er voor nieuws in Athene?”—
„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen verwijfd zijn.”—
„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door eene vrouw bestuurd wordt.”—
„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—
„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—
„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—
„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in Klein-Azië heeft rondgezworven?”—
„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar den onderrok van de heldenbedwingende Omphale [381], welke rok, zooals men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—
„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag zacht.”
„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder zullen aanstaan.”—
„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—
„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s [382] nest, die van hunne jeugd af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam, geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—
Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen, met opzet gesproken, in het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.
Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom haar.
Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar omringend en haar aangapend volk:
„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd rustig en kalm mijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt. Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere tweetal Godinnen [383] van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige beschermvrouw van het Attische land en volk wier beeld stralenden, vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw burg!”—
Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de mannen elkander aan, zeggende:
„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter wille daarvan moet men haar veel vergeven!” [384]—
Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg kon vervolgen.—
Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden, waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar den Erechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.
Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus genoodigd had, was gekomen.
Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders van Pericles, waren bij den priester verzameld.
De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.
Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven, als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.
Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat. Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.
De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen. Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.
„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten wij heimelijk naar een vast plan te werk gaan, om ’t verderf dier schuldigen voor te bereiden.”
Zoo sprak de Erechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.
Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd; alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar den daduchus.
Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.
Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.
Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde zijn ouden vriend in ’t oor:
„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen verscheuren, den Erechtheüs-priester en zijne geheelen aanhang!”