The opening of I. BIJ MOEARA TJATJING
Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*.
De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust, joeg, tierde, gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in allerijl voortstuivende zwarte zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij deed de verbolgen wateren der Java-zee in huizenhooge baren opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en woest te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig bleek phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare onmiddellijke omgeving verlichtten, dadelijk daarop in een fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene duisternis achter te laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte.
Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen Java-wal. Zij braken in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met haar zwak lichtend schuim langs de flauwe helling op, om achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten.