XIX
Discussie.—Wienersdorf onbillijk.—Een pleidooi voor een Dajaksch huwelijk.—Wienersdorf laat zich overreden Hamadoe te trouwen.—Een afgezant met een brief.—De kunst om officieele stukken voor te lezen.—Antwoord aan den afgezant.—Onverdiend verwijt.—Het pakje aan zijn adres.
Toen Johannes zijn makkers weer opgezocht had, kreeg hij het dadelijk te kwaad met Wienersdorf, die van een Dajaksch huwelijk niets weten wilde.
„Ik heb je voor een oogenblik voor krankzinnig aangezien;” beet de Zwitser hem toe, „mij te willen laten trouwen, zou gelijk staan met mij in dit mooie land te willen houden.”
„Laten we van het land geen kwaad spreken,” hernam de toegesprokene, die altijd ietwat korzelig werd, wanneer hij een verdachte loftuiting op Indië of op een der onderdeden daarvan vernam. „Maar wat ben je nog onnoozel, je spreekt alsof de echtscheiding uiterst moeielijk bij de Dajaks zou zijn. Het scheiden gaat nog makkelijker dan het trouwen, althans de formaliteiten zijn oneindig minder. Ieder gaat zijns weegs en daarmee uit.”
„En daarmee uit! ha, ha!” grinnikte de Zwitser bitter. „En dan zoo’n ongelukkige verstooten, ’t is zeer gemakkelijk, niet waar? Maar ’t is fraai, dat moet ik zeggen. Ik heb nimmer gedacht, dat jij zoo’n gewetenlooze knaap waart.”
„Nu nog mooier!” barstte Johannes hevig verontwaardigd los. „Ik span alle krachten in, om ons aller gebeente ongeschonden en kompleet ter gewilder plaatse te brengen; ik beijver mij om alle gepleegde domheden goed te maken, om alle noodlottige gevolgen weg te nemen van een dwaze en ziekelijke philanthropie—dwaas en ziekelijk althans in de gegeven omstandigheden.—Mijnheer wordt als bij tooverslag een engel van een meisje in de armen geworpen, en..... omdat ik dat lieftallig wezen voor hem aangenomen heb, niet—hij weet zulks zeer goed—om mijnheers verliefde grillen te dienen, maar om een bloedbad te voorkomen en de sporen van vroegere domme streken uit te wisschen, weet zijn dankbaarheid niets beters te verzinnen dan mij voor een gewetenloozen knaap uit te schelden. Laat het je van een Sienjo gezegd zijn,” zoo ging hij met klimmenden hartstocht voort, „jullie Europeanen van het tegenwoordige geslacht zijt in het algemeen niet alleen de ondankbaarste honden, maar ook door je zoo hoog opgevijzelde beginselen de meest onpraktische tweevoeters, die op aarde loopen. Ik ben overtuigd, dat de Schepper zich soms over het getob, gewriemel, gezanik en gezeur van dat blanke ras hartelijk schaamt.”
Johannes was verrukkelijk schoon in zijn verontwaardiging. Zijn oogen schitterden van onbedwongen vuur, zijn neusvleugels trilden, de aderen lagen strak en gezwollen op zijn voorhoofd.
Schlickeisen trad bemiddelend op.
„Je neemt het woord, straks onzen makker ontvallen, te hoog op. Hij heeft dat zóó niet gemeend. Is dat niet zoo?”
„Voorzeker is mij dat woord ontvallen,” beaamde Wienersdorf ernstig, „en gaarne neem ik het terug. Ik heb mij driftig gemaakt, toen ik onzen vriend zoo kalm over trouwen en scheiden hoorde redeneeren, alsof hij het over de wufste zaak der wereld had.”
„’k Heb je slechts te woord gestaan, toen je in dat huwelijk alleen een gedwongen verblijf op dit eiland zaagt. Ik heb dat antwoord niet gegeven, om met ernstige onderwerpen te gekscheren; maar wel om je aan te duiden, dat we ons te voegen hebben naar de omstandigheden, die we onmachtig zijn te beheerschen. Dat niet meegaan met de meening van anderen, dat verachten van anderer zeden en gebruiken moest jullie Europeanen wat achterwege laten; ’t zou je wat beminnelijker, althans minder onbillijk in je oordeelvellingen maken. Bevind ik mij te midden van blanken, dan zal ik hun denkbeelden, in het onderwerpelijk geval over huwelijk en echtscheiding stipt eerbiedigen, maar ben ik tusschen Javanen of andere volkstammen in dezen archipel, dan huldig ik hun gebruiken en wacht me wel aanstoot te geven, door het air aan te nemen die gebruiken te minachten.”
„Maar, met je verlof, dat doe ik ook. Ik eerbiedig ten volle den Dajakschen adat en nimmer zal iemand van deze streken een woord uit mijn mond vernemen, dat hem den aanstoot kan geven, waarop gij doelt. De bevolking hier en elders kan trouwen en scheiden onder elkander, zooveel zij slechts verlangen; ik zal er nimmer iets tegen in te brengen hebben. Maar men moet mij buiten het spel laten. Men wil mij uithuwelijken, en hoe schoon ook het meisje is, dat men mij toedenkt, daartegen moet ik opkomen.”
„Aux innocents les mains pleines,” bromde La Cueille in zijn baard, „’k Wou dat ik in de plaats van dien Zwitser was.”
„En toch zal je aan de gedachte van dat huwelijk moeten gewend raken,” antwoordde Johannes, zonder op het gemompel van den Waal te letten.
„Nimmer!” sprak Wienersdorf met beslissende stem.
„Redeneer nu verstandig.”
„Daar komt geen redeneeren bij te pas. ’k Wil geen vrouw trouwen met de stellige wetenschap haar binnen kort te moeten verstooten.”
„Maar luister dan toch! Zooals de zaken staan, is dat huwelijk niet te vermijden. Je hebt reeds bij het verzoeningsfeest het Poenanhoofd wreed gekrenkt; toen reeds waren de mandauw’s half uit de scheeden. Wacht je nu wel de aangeboden hand zijner zuster te weigeren; want dat zou bloedig gewroken worden. En.... ik herhaal, wat ik bij een vroegere gelegenheid in het midden bracht, hecht jij geen waarde aan het leven, bedenk dan toch, dat ons aller bestaan er mede gemoeid is niet alleen, maar dat bij den strijd, die ontstaan zal, nog velen zullen vallen. Moet ik je nogmaals aan het verstand brengen, dat we ons niet als vreesachtige vrouwen zullen laten afmaken? Is het nu geen ziekelijke weekhartigheid, om der lieve Hamadoe alleen het wreede eener te voorziene scheiding te besparen, twintig wellicht dertig menschenlevens te offeren?”
„Is dat geen overdreven voorstelling? Zal de Poenan die weigering zoo ernstig opnemen?” sprak Wienersdorf weifelend.
„Kunt ge daaraan nog twijfelen? Heb je dan niet opgemerkt, dat je houding bij het slachten van die pandelinge hem reeds tot het vermoeden bracht, dat je geen prijs op zijn vriendschap steldet? Hoe zal hij nu het versmaden van de hand zijner zuster, die hij u zoo hartelijk aangeboden heeft, opnemen? Maar kom, ik zal zoo op mijn stuk niet blijven staan. Veronderstel maar eens, dat ik een overdreven voorstelling gaf, en dat Harimaoung Boekit die weigering niet zoo hoog op zal nemen. Dan zal zij toch in ieder geval een verkoeling te weeg brengen, die van vijandschap niet veel zal verschillen. De Poenan zal bij de eerste de beste gelegenheid zich met zijn volgelingen terugtrekken en ons aan ons lot overlaten.”
„En wel, wat zou dat?” vroeg Wienersdorf uittartend.
„Wat dat zou?” was de verbaasde wedervraag.
„Ja zeker, wat zou dat?”
„Wat dat zou? Je bent erg onbevattelijk. Wat dat zou? Eenvoudig dat we dan ook niet meer op de hulp van de bewoners van kotta Djankang hebben te rekenen. Je schijnt vergeten te hebben, dat het Harimaoung Boekit is, die ons dit toevluchtsoord ten geschikten tijd geopend heeft. Gaat de Poenan heen, dan blijft een verzoening tusschen de bezetting van kotta Djankang met hare stamgenooten, die ons thans belegeren, niet uit; en artikel één van de voorwaarde tot die verzoening zal de luitenant wel stellen en zal luiden: „de deserteurs moeten in mijn handen overgeleverd worden.” Zie, dat is het lot wat ons bij weigering van dat huwelijk in het gunstigste geval beschoren zal zijn.”
„’t Is om tot wanhoop te vervallen,” zuchtte de Zwitser.
„O! ik ben er nog niet,” ging Johannes onverbiddelijk voort. „Een ander geval kan zich voordoen, namelijk, dat men tengevolge van die weigering ontdekt, dat we blanken zijn. De wetenschap zal dan niet lang uitblijven, dat we van de Hollanders weggeloopen zijn. Houd dan je kop maar klaar; die is hier in deze streken den eenen broeder den anderen 4000 gulden waard. Spoedig zullen we dan gesneld zijn en zullen wellicht onze grijnzende bekkeneelen als hulde van den een of anderen dapperen aan de voeten dierzelfde lieve Hamadoe rollen, die ons nu redden kan.”
„Nom d’un chien!” zuchtte de Waal, terwijl hij zijn hoofd met beide handen vasthield, alsof hij bang was, het reeds te zien rollen.
„Schei uit!” riep Wienersdorf, „je maakt me radeloos, tot wat een uiterste ben ik gekomen?!”
„Tot het uiterste om een allerliefste mooie meid te moeten trouwen, gelukkige vent!” grinnikte de Waal.
„Luister verder,” ging Johannes vastberaden als het noodlot voort. „Luister verder. Overweeg tegenover die drie gevallen, waarvan één zeker moet geschieden, wanneer je bij je weigering blijft volharden, wat de gevolgen van een ongestoorde voltrekking van dat huwelijk zullen zijn. De toegenegenheid, die Harimaoung Boekit jegens zijn redder koestert, zal nog toenemen. Je zult tot zijn maagschap behooren en we zullen in hem een vertrouwden bondgenoot hebben. Op een gegeven oogenblik zal de luitenant het beleg van kotta Djankang opbreken, omdat hij zal inzien, dat de sterkte met de middelen, die hem ten dienste staan, niet te bedwingen is. Dan zullen we met het Poenanhoofd naar het landschap Miri trekken. Daar zullen we veilig zijn, want het Nederlandsch-Indisch bestuur zal er tegen opzien om ten wille van ons de stammen in de binnenlanden in beroering te brengen. Een krijgstocht naar de soengei Miri met het doel zich van den zwager van Harimaoung Boekit, het gevreesde opperhoofd der Poenans, meester te maken, zou zeer groote gevolgen na zich sleepen en de Hollanders tot een langdurigen, moeielijken en kostbaren oorlog noodzaken, die daarenboven voor het te bereiken doel te vergeefs zoude gevoerd worden, daar we gelegenheid te over zouden hebben om weg te komen.”
„Alles waar, maar bedenk dan toch, dat ik door dat huwelijk voor mijn geheele leven een blok aan het been zal hebben.”
„Als je me nu niet andermaal voor gewetenloos uitscheldt, zal ik je nog eens onder het oog brengen, dat het Dajaksche huwelijk niet onverbreekbaar, dat de scheiding gemakkelijker dan de samenknooping is. Wees gerust; na je huwelijk trekken we naar het landschap Miri, je leeft daar als in Abraham’s schoot, je geniet ten volle je wittebroodsweken en voor dat die nog ten volle voorbij zijn, hebben we alle toebereidselen voor de verdere reis gemaakt. Op een gegeven oogenblik neem je afscheid, je drukt je vrouw nog eens aan je borst en gijlieden gaat van elkander als een paar goede vrienden, die geen wolkje hun huwelijkshemel hebben zien verduisteren, die elkander niets te verwijten hebben, maar die door het noodlot gescheiden worden.”
„Maar.... als die Hamadoe van ziel zoo edel is als zij zich bekoorlijk van lichaam voordoet, dan zal de liefde in het spel komen en....”
„A ha! wringt dààr de schoen? Wel dan nog beter!” was het luchthartige antwoord van Johannes, „dan gaat ze met je mee naar Zwitserland.”
„De vrouw zal hare magen verlaten, om haren man te volgen,” prevelde de pseudo-Sjech zeer vroom.
„Naar Zwitserland!” stoof Wienersdorf op, „daar zou ik niet met haar durven aankomen.”
„Met dat juweeltje niet? Kom laat naar je kijken. Als dat lieve kind behoorlijk volgens Europeesche mode gekleed is, dan zijn er in geheel Zwitserland geen vijftig dames, die met haar in het strijdperk kunnen treden.”
„Je spreekt of je er geweest waart,” lachte Schlickeisen.
„Ik ben er niet geweest, dat is waar,” gaf Johannes ten antwoord, „maar zooveel heb ik er toch wel over gelezen en door uwe landslieden hooren vertellen, dat ik weet, dat het grootste gedeelte van het schoone geslacht daar zijn naam minder verdient. Logge, dikke kreaturen met stroogeel haar, met wangen als twee enden gemeniede rolpens, waartusschen een kort, dik neusje in den vorm van een kaarsendompertje zich als verloren acht, met een....”
„Hooo!! stop!! niet verder!” gierde het Schlickeisen uit, „Je maakt er wat moois van. En uit jou mond klinkt die schildering vooral komiek. Alsof in jou vaderland de meisjes allemaal engelengestalten en engelenbakkesjes hebben. Het lijkt er niet naar, hoor!”
„Volmaakt toegegeven. ’k Blijf evenwel beweren, dat er, op welke plek ook ter wereld, niet veel meisjes bij elkander gevonden zullen worden, die de mededinging naar den palm der schoonheid met Hamadoe kunnen ondernemen. Mocht dus de verbintenis, die onze Wienersdorf in het belang van ons allen zal aangaan, vooral door de inborst van de aanstaande tot een duurzame aangroeien, wat ik hem van harte toewensch, dan zal hij zich zijn wederhelft niet hebben te schamen.”
„Och, je slaat door,” viel Wienersdorf in. „’k Doelde volstrekt niet op haar uiterlijk, dat—ik erken het—zeer aangenaam is. ’k Doelde meer op hare maatschappelijke ontwikkeling. Welke figuur zal Hamadoe, die van de wereld niets anders gezien heeft dan hare bosschen en hare wilde stamgenooten te midden der Europeesche maatschappij maken? Zal zij daar kunnen aarden, zal zij zich daar gelukkig gevoelen?”
„De vrouw gevoelt zich steeds gelukkig in de nabijheid van den man, die hare liefde heeft weten te verwerven!” deklameerde Schlickeisen.
„En wat het figuur maken betreft te midden der Europeesche maatschappij,” viel Johannes in, „dat zal je eigen werk wezen. De vrouw is in den regel wat de man van haar maakt.”
„Jullie zijt vervelend machtspreukig.”
„Daarenboven,” ging de laatste spreker voort, zonder zich aan die uitspraak te storen, „bereiken we ons doel, dat wil zeggen, zijn we gelukkig genoeg om dit eiland te kunnen verlaten, dan komen we zeer waarschijnlijk te Singapore aan. Bij eenig verblijf aldaar, te midden dier gemengde maatschappij zal een intelligente vrouw gauw op de hoogte der westersche vormen komen, zoodat Hamadoe bij aankomst in Zwitserland je geen schande zal aandoen.”
„Een verblijf te Singapore! je spreekt er van of we suikerlords zijn, die een pleizierreisje maken. Onze middelen zijn helaas! zeer beperkt en een verblijf in de leeuwenstad [88] vooral met een vrouw, die van een wilde tot een Europeesche moet gevormd worden, zal uiterst kostbaar zijn.”
„Kerels als wij zijn, vinden overal hun brood en in een stad als Singapore ook nog wel een stukje kaas er bij. Laat je dat geen muizenissen baren. ’k Heb buitendien nog een plan; wanneer dat tot uitvoering komt, zullen we niet met ledige handen in de Engelsche bezitting aanlanden.”
„Welk plan?” vroeg La Cueille nieuwsgierig.
„Ja, zoo leert men de boeren de kunst af,” antwoordde Johannes lachende. „Dat plan is en blijft nog voorloopig mijn geheim.”
„Je zult zien,” verzekerde de Waal, „dat hij van ons allemaal koppensnellers zal maken om ons later op de kermis te Singapore met de bloedige koppen in de hand te laten zien.”
„Wel mogelijk. En bij dien troep koppensnellers zou ik een Waalschen Sjech met een klein bamboemesje in de hand kunnen voegen, wiens aanblik opgeld zou doen.”
Allen lachten. La Cueille mompelde een Waalschen vloek in zijn baard.
„Maar om op ons onderwerp terug te komen,” ging Johannes voort. „Hebben nu mijne redeneeringen ingang gevonden en is het u allen nu helder, dat dit huwelijk onvermijdelijk is? Komaan, heeft iemand nog een tegenwerping te maken?”
Allen zwegen. Wienersdorf zuchtte diep. Een oogenblik stond hij besluiteloos met zwoegende borst. Eindelijk stak hij zijn makkers de hand toe en sprak met tranen in de oogen:
„Vrienden, ik geef toe; ik zal mij dat huwelijk laten welgevallen.”
„Hij geeft toe!” gilde La Cueille vol aandoening. „Mijnheer zal zich dat huwelijk met een allerliefst meisje laten welgevallen. Allah zij gezegend!”
Terwijl onze deserteurs zich nog zoo onderhielden, kwamen Amai Kotong en Harimaoung Boekit hen verwittigen, dat een Dajak van Kwala Kapoeas zich voor de poort der kotta aangemeld had, die als overbrenger van een brief van den Toean Kommandant toegang verzocht. De beide hoofden wenschten dienaangaande den raad der vrienden in te winnen. Zij voor zich waren van oordeel dien man af te wijzen, omdat toch niemand der bevolking dien brief zou kunnen lezen en zijn toelating slechts spionneering ten doel kon hebben. Johannes verzocht Dalim hem te volgen en beiden begaven zich buiten de poort, om te vernemen, wat die zendeling mede te deelen kon hebben. Deze was een eenvoudige Dajak, een volgeling van Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara en had in opdracht, den brief, waarvan hij de drager was, aan Amai Kotong in persoon te overhandigen. Hij weigerde dan ook aanvankelijk dat document af te staan. Toen hem evenwel door Dalim medegedeeld werd, dat hij dan maar weer daar heen kon terug keeren van waar hij gekomen was, dat hij het kottahoofd niet te zien zou krijgen, veranderde hij van meening en gaf het geschrift aan Johannes over. Nadat deze het ingezien had, verzocht hij den zendeling buiten te blijven wachten, antwoord zou hem worden ter hand gesteld.
De brief bevatte eenvoudig het verzoek van den luitenant om alleen met de Tomonggongs Djaja Nagara en Patti Singa Djaja geheel ongewapend binnen de kotta tot het houden van een mondgesprek met Amai Kotong toegelaten te worden. Johannes glimlachte toen hij dat verzoek las. Maar binnen de versterking gekomen, riep hij de mannelijke bezetting op het binnenplein bij elkander, klom daar op de tadjahan en las met luide, doordringende stem, terwijl hij ernstig op het papier keek, dat de Kommandant van Kwala Kapoeas uit naam van den Toean Resident te Bandjermasin gelastte Harimaoung Boekit met zijne Poenans wegens het gebeurde te kotta Baroe uit te leveren om als onverbeterlijke koppensnellers en moordenaars door ophanging aan een galg gestraft te worden.
Een gehuil van woede ging bij het vernemen van die woorden onder de verzamelde mannen op. Het Poenanhoofd klom op de tadjahan om over den schouder van den voorlezer, de vreeselijke woorden, die hem betroffen, met groote oogen aan te staren. Johannes liet de hartstochten zich een oogenblik vrijelijk uiten; daarna gaf hij een teeken met de hand, om stilte te verzoeken, daar hij nog wat mede te deelen had.
„Ik heb alles niet gelezen,” riep hij met luide stem, „hier staat nog wat. Luistert, broeders! „Wanneer voor het invallen van den nacht, de Poenans, die afschuwelijke moordenaars, niet overgeleverd zijn, dan zullen de bewoners van kotta Djankang den bestraffenden arm van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement op zich voelen neerkomen. De kotta zal genomen en met den grond gelijk gemaakt worden. Die grond zal omgespit worden en de Balians (priesteressen) zullen zout in de voren zaaien, om aan te duiden, dat de plek door Mahatara en de Sangiangs voor altijd door alle tijden heen gevloekt zal zijn.””
Het gehuil der menigte ging in gebrul over.
Toen na veelvuldige uitingen die storm weer wat bedaard was, en Johannes kans zag zich andermaal te doen hooren, krijschte hij:
„Luistert: „De mannen zullen allen gedood worden, als dieren zullen zij aan de galg bengelen; de oude vrouwen en de kinderen zullen als slaven verkocht en de maagden en jonge vrouwen onder de aanvallers verdeeld worden!””
Nu kende de volkswoede geen grenzen meer. Ware Johannes niet spoedig van zijn hooge stellage naar beneden gesprongen, om zich met behulp zijner makkers voor de poort der kotta te plaatsen, dan ware de woeste hoop naar buiten gesneld, om den afgevaardigde, die dien gruwelijken brief overbracht, den smadelijksten dood te doen ondergaan. Nu kostte het veel moeite, den opgewonden hoop aan het verstand te brengen, dat die man onkundig en derhalve onschuldig was aan hetgeen die heillooze brief bevatte.
„Neen, mannen!” riep Johannes, „we moeten die bedreiging met geen moord beantwoorden. Het zal echter goed zijn, wanneer we toonen, dat we niet bang zijn.”
„Ik zal naar den Toeankommandant gaan!” riep Amai Kotong, „en hem uitleggen, dat ik onmogelijk een familielid kan uitleveren; dat zoo iets geheel tegen onze gebruiken strijdt.”
„Jèh mangilak mandajoeng oejak akan poelau Djawa” (hij wil zout naar het eiland Java roeien) [89], antwoordde Harimaoung Boekit bitter.
„Neen,” sprak Johannes. „Ge zoudt tegen de honigzoete tong van een blanke niet bestand zijn. En geeft ge niet toe, dan zou men u gevangen houden.”
„Maar wat dan?”
„Ziet hier!”
En meteen scheurde hij den brief in twee, in vier, in acht, in zestien, in meer, in ontelbare stukken, frommelde die papiersnippers in een pisangblad tot een pakje te zamen en bond er een touwtje omheen.
„Ziet, zóó zullen we dien kommandant zijn brief terug zenden!” riep hij zegevierend uit.
Hij kreeg een gehuil van tevredenheid tot antwoord. Wie er mee weet om te gaan, kan met de volksmenigte doen wat hij wil.
Weinige oogenblikken later stopte hij den zendeling het pakje papiersnippers in de hand, met opdracht dat aan den Toean-kommandant te geven; maar maande hem tevens aan, onder het opzetten van een paar vervaarlijke oogen, met zulke boodschappen niet meer aan de kotta terug te komen, daar hij anders tot fijne stukjes gehakt zoude worden. De zendeling greep verschrikt het pakje en maakte beenen om uit die gevaarlijke buurt te komen.
Middelerwijl zaten de beide Dajaksche hoofden Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara en Tomonggong Patti Singa Djaja met den luitenant op een omgevallen boomstam onder een afdak, van wat takken en bladeren vervaardigd, de terugkomst van hun zendeling af te wachten. De laatste vooral scheen zeer ongeduldig. Hij trappelde met de voeten, trommelde met de vingertoppen op zijn sabelscheede en gaf in een woord het bewijs, dat hij zich de Oostersche terughoudendheid, die zoozeer op koelbloedigheid gelijkt, en waardoor zijn metgezellen in hunne deftigheid zich zoozeer onderscheidden, nog niet had eigen gemaakt. Eindelijk met een vreeselijk lang gerekten geeuw:
„Het duurt lang, vindt ge niet?” sprak hij tot de beide hoofden.
„Het is wel niet ver,” antwoordde Tomonggong Nikodemus na een poos bedenkens, „maar Heer, ge moet niet vergeten, dat onze zendeling eenige voorzorgen te nemen heeft. Hij kan maar zoo niet op de kotta toeloopen; deed hij dat, dan zou hij veel kans hebben een kogel te ontvangen. Verder, bij aankomst zal hij nog maar zoo dadelijk niet binnen de versterking toegelaten worden. Bij hunne beraadslagingen zijn de Dajaks der bovenlanden vooral niet voortvarend, dat weet gij. Alles gaat daarbij even afgemeten als kalm en bedaard. Wij hebben nog den tijd. De zendeling kan nog niet terug zijn.”
„Maar is het werkelijk uw meening, dat die brief tot de uitkomst zal leiden, die gij er van voorspeld hebt?”
„Ja, Heer! In het toestaan van het voorstel, om ons drieën ongewapend in de versterking toe te laten, zullen de bewoners geen gevaar zien. En zijn we eenmaal binnen, dan zullen we Amai Kotong wel overreden om ons de Europeesche deserteurs uit te leveren. Dat hoofd kan onmogelijk zijn goed en bloed, het leven zijner geheele maagschap op het spel zetten, om die vier wegloopers te beschermen.”
„Die wegloopers moeten toch een zekeren invloed hebben, dat men ons zoo met kanon- en geweervuur ontvangen heeft,” was de bitter geuite bedenking van den officier.
„Veel raadselachtigs is daarin gelegen, dat beken ik. Maar wie weet wat die sluwe blanken die domme bovenlanders hebben op de mouw gespeld. Vergeet ook niet, Heer, dat de bevolking in deze buurt nog al strijdlustig is. Er is weinig noodig om haar aan het vechten te krijgen. Nogmaals, wanneer we maar met Amai Kotong kunnen praten, dan zal alles zich wel ophelderen en dan zitten die wegloopers in de fuik zoo mooi als het maar kan.”
„Maar zal Amai Kotong den brief kunnen lezen?”
„Neen, Heer, hij kan niet lezen; maar er zal wel iemand in de kotta aangetroffen worden, die dat geschrift ontcijferen kan. Ik heb daarenboven den overbrenger opgedragen vertrouwelijk met het hoofd te spreken, hem mede te deelen, dat ik en Tomonggong Patti Singa Djaja in uw gevolg zijn, en hem in te lichten, dat wij hoegenaamd geen vijandelijke bedoelingen jegens hem en zijn onderhoorigen hebben en de Heer kommandant slechts de uitlevering der weggeloopen soldaten vraagt.”
„Opperbest! God geve dat het lukt.”
„Het zal lukken, Heer!”
„Maar wist gijlieden, dat kotta Djankang zoo zwaar bewapend is?”
„Zoo zwaar bewapend?” vroegen de Tomonggongs verwonderd.
„Ja; straks heb ik de versterking met mijn kijker zorgvuldig opgenomen en heb toen zes kanonstukjes geteld, die in batterij staan. Verleden jaar ben ik hier met het stoomschip Boni geweest; ge waart er toen ook bij, Tomonggong Nikodemus; maar toen was er van kanonstukken geen spoor, dat weet ge toch wel.”
„Zeker weet ik dat; maar Mijnheer vergeet de stukjes van Kwala Hiang; het schijnt dat de deserteurs die medegenomen hebben.”
„’t Is zeker dat ze dat gedaan hebben,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja, „in de asch der verbrande benting zijn die stukjes niet teruggevonden, en gesmolten kunnen ze niet zijn.”
„Ja, maar te Kwala Hiang waren er maar twee en hier heb ik er minstens zes geteld.”
„Dan weet ik het niet,” antwoordde Nikodemus met een zucht. „Toch geloof ik niet, dat kotta Djankang met kwade bedoelingen tegen het Nederlandsche Gouvernement bewapend is; want dan ware er zeker tijding van ingekomen. Zoo iets kan in de Dajaklanden niet geheim blijven. Is dat ook niet uw meening, Tomonggong Patti Singa Djaja?”
„Dat ben ik met Tomonggong Djaja Nagara geheel eens. Als daar iets gebroed had, zou ik er te Kwala Hiang wel van onderricht zijn. Bijna dagelijks kwamen daar prauwen uit de bovenlanden aan; maar nimmer heb ik een woord vernomen, dat ook maar een vermoeden daaromtrent zou kunnen doen rijzen. Als de Heer kommandant goed gezien heeft met zijn kijker, dan zijn die kanonstukken naar kotta Djankang getooverd.”
„Als ik goed gezien heb? Twijfelt ge daaraan?” hernam de officier eenigszins driftig, „zeker heb ik goed gezien. Ik heb zelfs nog meer waargenomen dan die kanonnen. De voornaamste toegangen tot de kotta zijn met randjoe’s beplant en door wolfskuilen ontoegankelijk gemaakt. Onder die omstandigheden zal een bestorming hoogst moeielijk zijn. Ik kan me niet uit het hoofd stellen, dat daar sedert lang gewerkt en nog langer op verzet gepeinsd is. En, is dat zoo......” vervolgde hij na eenige aarzeling en met licht trillende stem, terwijl hij de beide hoofden strak aankeek: „dan heb ik geene redenen om tevreden te zijn over „andingkoe isoet” (eenige mijner jongere broeders) [90]. Op zijn zachtst uitgedrukt, zijn zij voor hun ouderen broeder terughoudend geweest.”
Een oogenblik zaten de beide Tomonggongs sprakeloos, als vernietigd onder die harde woorden. Beider gemoedsstemming was echter naar hun geaardheid op hunne trekken te lezen. Het gelaat van den ouden Nikodemus teekende droefheid en diep gevoelde smart. Bij den anderen verwrong toorn het anders goedhartige gezicht, zijne oogen rolden woest in hunne kassen en verrieden den geweldigen hartstocht, die in hem bruischte en ziedde.
„Tararajap haliai!!” (dat is groote onwaarheid) gilde hij uit, terwijl hij opsprong, alsof hij door een zweepslag getroffen was.
Maar Nikodemus greep hem bij de hand en dwong hem weer te gaan zitten, terwijl hij hem door het gezag zijner grijze haren het zwijgen oplegde. Eenigszins verbaasd had de luitenant dat tooneel, hetwelk slechts weinige seconden duurde, aangestaard. Hij gevoelde, dat hij in zijn toespraak te ver was gegaan. Een pijnlijk stilzwijgen, een stilzwegen dat bij Oostersche volken welsprekender is dan de vurigste ontboezeming, heerschte gedurende een paar minuten tusschen die drie mannen. Eindelijk vatte Tomonggong Nikodemus het woord:
„Deze woorden van straks deden pijn,” sprak hij met diep bewogen stem, „maar zij zijn niet uit het hart voortgekomen; daarvan ben ik overtuigd. Mijnheer is nog jong en heeft zich nog niet gewend zijn gedachten te overdenken, alvorens ze van zijn mond te laten ontglippen. Hij vergeve een oud man, dat hij hem dat zegt. Die woorden waren ondoordacht, want zelfs die randjoe’s, die wolfskuilen zijn nog geen bewijzen voor het geuite vermoeden. Ik heb ze ook waargenomen, niet door een kijker, maar met mijn oude oogen. Door het hooge gras en achter struiken verborgen, ben ik voortgeslopen en heb bevonden, dat de bamboe der randjoe’s nog groen, de omgewerkte grond nog vochtig en het gras, dat de kuilen nog slechts gedeeltelijk overdekt, onverlept is. Die randjoe’s zijn gisteren of hoogstens voorgisteren geplant en de wolfskuilen zijn niet vroeger gestoken. Dat alles is het werk van de laatste vier en twintig uren.”
„Ge verliest geheel de geaardheid uwer landslieden uit het oog, Tomonggong,” sprak de luitenant eenigszins heftig, hoewel hij de weerlegging met blijkbaar welgevallen aangehoord had. „Zoudt ge mij willen doen gelooven, dat de lieden van kotta Djankang zooveel geestkracht en arbeidzaamheid aan den dag gelegd zouden hebben, om in betrekkelijk weinige uren hunne versterking zoo in staat van verdediging te stellen?”
„Ik heb in mijn leven sterker stukken gezien. Als de nood aan den man is, dan kunnen mijn stamgenooten veel; dat weet Mijnheer.”
„Maar waar is die nood?”
„Weet ik het? Heer.”
„Onmogelijk konden de menschen van kotta Djankang weten, dat wij komen zouden. Ge weet het, Tomonggong Nikodemus, hoe spoedig die reis is opgekomen.”
„Neen, daarvan konden ze niets weten. Maar Mijnheer vergeet de deserteurs. Dat die te kotta Djankang een toevlucht gevonden hebben, is voor mij boven allen twijfel verheven. Hoe zij zich daar ingenesteld en de bevolking naar hun hand gezet hebben, is mij een raadsel, dat beken ik. Maar onder hun invloed is alles tot stand gekomen, wat thans Mijnheer’s verwondering wekt. Zij hebben dien arbeid geleid.”
De luitenant dacht een oogenblik na:
„Ja, ’t zijn stoutmoedige kerels,” mompelde hij onhoorbaar, „die tot alles in staat zijn. O, ik heb ze nog niet.”
En zich tot de beide hoofden wendende, sprak hij, terwijl hij hun gul en vertrouwvol de hand toestak:
„Andingkoe! (mijn jongere broeders) ge kunt gelijk hebben. Vergeeft mij mijn woorden van straks; maar mijn hart was bitter; ik dacht toen aan de arme kampongbewoners, die ik tegen die versterking zal moeten aanvoeren; ik dacht aan het bloed, dat reeds gevloeid heeft, en nog vloeien zal, tengevolge van die verwikkeling met kotta Djankang.”
Beide Tomonggongs bogen het hoofd en drukten de aangeboden hand met warmte. De Dajak is niet haatdragend. Hij vergeeft en vergeet zeer spoedig, wanneer men hem slechts één schrede te gemoet komt.
Het drietal zat daar nog te beraadslagen, te wikken en te wegen, toen eindelijk, eindelijk de afgezant voor hen trad. Alle drie sprongen op. Op aller gelaat was de grootste spanning te lezen. De bode reikte eerbiedig het pakje, in het pisangblad gewikkeld en waarvan hij drager was, aan den luitenant over, met de woorden:
„Djetoh Toean” (dat is voor Mijnheer).
De officier greep driftig dat pakje, ontknoopte zenuwachtig het touwtje, ontwikkelde het pisangblad en verbleekte, toen daaruit de papiersnippers, die hij heel goed herkende, ontsnapten en vroolijk in den wind dwarrelden.
„En welke boodschap brengt ge mede?” vroeg hij hijgend.
„Geen andere dan deze: wanneer ik weer zoo’n brief durf te brengen, ik in kleine stukjes gehakt zal worden. Toen ik dat hoorde, ben ik gauw weggeloopen.”
„Wie sprak zoo tegen u?”
„Een groote lange Dajak, dien ik niet ken.”
„Hebt ge blanken gezien?”
„Neen, Heer.”
„Hebt ge Amai Kotong gesproken?” vroeg Tomonggong Nikodemus.
„Neen, men heeft me niet in de kotta toegelaten.”
„Aan wien hebt ge dan den brief afgegeven?”
„Aan Dalim, die met dien langen Dajak naar buiten kwam, om te vernemen, wat ik wilde.”
De Tomonggongs en de luitenant wisselden een langen blik.
„Zoo, hebt ge Dalim gezien?” vroeg de officier.
„Ja, heer.”
„Ook gesproken?”
„Ja heer.”
„Waarom hebt ge dien brief aan hem afgegeven,” vroeg Nikodemus, „ik had u zoo aanbevolen dat geschrift aan niemand anders dan aan Amai Kotong te overhandigen?”
„Ik wilde ook eerst niet anders, dan de Tomonggong mij bevolen had; maar toen zei Dalim, dat ik weer kon gaan van waar ik gekomen was, dat ik niet in de kotta zou toegelaten worden en dat ik Amai Kotong niet te zien zou krijgen. Toen eerst heb ik den brief overhandigd in de hoop, dat, wanneer het kottahoofd bekend zou wezen met den inhoud, hij tot mij zou komen. In plaats van Amai is die leelijke lange slungel gekomen en heeft mij zeer bang gemaakt.”
„Dus, ge hebt niets gezien?”
„Neen, Heer, niets; maar, nadat ik den brief had afgegeven, heb ik iemand iets als uit een boek hooren voorlezen, daarop is een vreeselijk geschreeuw in de kotta losgebarsten. Ook bedreigingen werden uitgegild tegen Mijnheer, tegen den Heer Resident, tegen het Gouvernement, ook tegen mij en wel zoo, dat ik bijna van angst ben weggeloopen. Toen dat geschreeuw wat bedaarde, kwam die lange mij dat pakje overhandigen, om het aan Mijnheer te geven.”
Blikken van teleurstelling werden tusschen den officier en de Tomonggongs gewisseld. Op een wenk van zijn hoofd verwijderde zich de afgezant.
„De zaak is er niet beter op geworden,” sprak de luitenant. „Is dat ook niet uw gevoelen?”
Beide Tomonggongs knikten zwijgend.
„Kan Dalim lezen?”
„Neen Heer,” antwoordde Nikodemus.
„’t Is duidelijk dat de inhoud van den brief aan Amai Kotong niet is bekend gemaakt, dat men hem en de overige bezetting der kotta wat anders heeft voorgelezen. Hoe het nu ook zij, er mag niet langer gedraald worden. Met ieder oogenblik wordt de toestand neteliger. Zijt ge dat ook niet van oordeel?”
„Ja, Heer,” bevestigden beide Tomonggongs.
„Dan ben ik van plan, nog heden nacht een poging te wagen om de kotta te overrompelen. Laat me nu een oogenblik alleen, dat ik over de uitvoering kan nadenken. Straks zal ik u mededeelen, waartoe ik besloten heb.”
„Dat Mijnheer me nog een wijl aanhoore!” sprak Tomonggong Nikodemus zacht. „Na het gevecht van heden namiddag valt er niet aan te denken onze Dajaks tegen de kotta aan te voeren. Er zullen verscheidene dagen noodig zijn om den indruk daarvan uit te wisschen. Ik smeek mijnheer dan ook om van een overrompeling voorloopig af te zien. Bij het heldere maanlicht zal die daarenboven al heel weinig kans van slagen hebben, daarentegen noodeloos veel bloed doen vergieten.”
„Maar wat dan, Tomonggong?” vroeg de luitenant niet zonder opgewondenheid.
De oude Nikodemus antwoordde niet dadelijk. Hij dacht na, zuchtte en legde eindelijk zijn hand op den schouder van den officier.
„Luister,” sprak hij.
XX
Beraadslaging.—Het „blako ontong.”—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Een conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans.
„Morgen met het krieken van den dag ga ik naar de kotta, om den Amai te spreken.”
„Maar Tomonggong!” stoof de luitenant op, „na ’t geen gebeurd is, is ieder nader aanzoek van onze zijde onmogelijk geworden. Daarenboven uw leven zal niet veilig zijn.”
„Mijnheer zal een onwetend volk niet te euvel duiden, dat zij tegen de gebruiken der blanken gezondigd hebben, daartoe ken ik hem te goed. En wat mij betreft, mij zal geen haar gedeerd worden. Ik ben een bloedbroeder van Amai Kotong; we hebben meermalen elkanders bloed gedronken en elkander alle hulp en bijstand gezworen. Ik ben bekend bij al de bewoners der kotta, tot bij de kinderen toe. Ik ben aller vriend. Wie zou mij, oud man, kwaad doen? Ik houd mij verzekerd, dat, wanneer iemand van de bevolking van kotta Djankang mij morgen ochtend ontwaren zal, een luide vreugdekreet zal opgaan en de poort terstond geopend zal worden. En krijg ik Amai Kotong maar te spreken, dan is spoedig alle misverstand uit den weg geruimd en zal aan het bloedvergieten een einde zijn.”
Het grijze hoofd sprak zoo overtuigend, dat zijn kalmte en rustig inzicht in den staat van zaken aanstekelijk werkten. De officier, ofschoon reeds half gewonnen, meende toch nog iets in het midden te moeten brengen.
„Dat is allemaal mogelijk, Tomonggong, als alles toegaat, zooals ge het wenscht, maar wat en hoe, als een der deserteurs op schildwacht staat en u het eerste ziet? Die zendt u eenvoudig een kogel toe.”
„Die kans is te loopen, ofschoon ik nog niet toegeef, dat die blanken, die ik evenmin iets misdaan heb, het maar zoo dadelijk op mijn leven zullen toeleggen. Maar laat het, dan nog tel ik die kans zeer gering, daar ik met het krieken van den dag naar de kotta zal gaan en de Europeanen dan nog wel slapen zullen. Uw landslieden, Heer, zijn zoo vroegtijdig in den regel niet ter been.”
„Dat Hatallah u geleide en bescherme, Tomonggong!” sprak de luitenant na een poos bedenkens. „Ik geloof dat uw voorstel nog het beste is, wat in de bestaande omstandigheden te doen is.”
De avond was intusschen gevallen en zoo was de eerste dag van het beleg ten einde gespoed. Van weerszijden werden schildwachten geplaatst en maatregelen getroffen om zich zooveel mogelijk tegen een overrompeling te beveiligen. Uit den aard der zaak was die taak voor de belegerden gemakkelijker dan voor de belegeraars, daar genen achter hunne hooge palissaden, die zoo maar niet onbemerkt te beklimmen waren, vrij veilig zaten en de anderen daarentegen schier zonder beschutting onder den blooten hemel moesten bivouakeeren, hetgeen hen wel blootstelde aan onverwachte aanslagen van den kant hunner tegenpartij.
De nacht ging evenwel ongestoord voorbij, althans noch belegeraars noch belegerden waagden zich aan het plegen van een vijandelijke daad.
In de versterking evenwel had, nadat de schildwachten uitgesteld waren, een plechtigheid plaats, die bij het kinderlijke en onnadenkende van het Dajaksche karakter in den bestaanden toestand toch met alle weidschheid opgevoerd werd en dan ook tot een echt Dajaksch feest aanleiding gaf. Dat was het „blako ontong”, dat gevierd moest worden om van den Radja balawang boelau [91] geluk af te smeeken over het aanstaande huwelijk van de schoone Hamadoe met Dohong, alias Wienersdorf. Bij zulke gelegenheden vervangt het „blako ontong” het Europeesche verlovingsfeest en Harimaoung Boekit, die zijn jongste zuster innig lief had, stelde zich tot taak de herinnering aan die verloving in het geheugen van de bewoners van kotta Djankang te doen levendig blijven.
Zoodra de zon onder den horizon verdwenen was en de maan, die bijna vol was, hare heerschappij aanvaard had en haar liefelijk zacht licht over het aardrijk goot, werd de bruid van hare woning afgehaald door een eerewacht van zeven jonge meisjes, die evenals zij slechts met de „saloi” (korte sarong) gekleed waren en dus het bovenlijf geheel ontbloot vertoonden. Van den anderen kant waren zeven Poenans, geheel in oorlogskostuum, met de muts van kattenvel op het hoofd, het baaitje van boomschors aan, den mandauw om de lendenen gegord, de lans in de rechter en de „talawang” (schild) in de linkerhand, naar het vertrek van Wienersdorf gegaan om dien af te halen. De verloofden werden vervolgens in een groote loods binnengeleid, evenwel zoo, dat beiden gelijktijdig, maar langs een tegenovergestelden kant binnentraden. Zoodra zij onder het afdak verschenen, begonnen de aanwezige Balians op hare katambong’s (trommel) te kloppen en een lofzang op de beide feestvierenden aan te heffen. Intusschen werden de verloofden voortgeleid, tot zij in het midden van de loods elkander ontmoetten. Daar bood Hamadoe met een liefelijk gebaar haren aanstaande een mandauw aan als zinnebeeld, dat zij alle bescherming van zijne dapperheid verwachtte. Beiden gingen toen zitten, ieder op een fraai gebloemde rottanmat; het meisje te midden van de vrouwelijke bewoonsters der kotta, die allen present waren; de bruidegom te midden der Poenans; beiden evenwel zoo, dat in het midden der zeer ruime loods een zekere ruimte vrij bleef, alwaar zeven Balians post vatten en hare bezweringsgezangen begonnen.
De twee eerste dier gezangen hadden ten doel alle ongeluk uit te drijven en te verjagen. Toen die geëindigd waren, greep ieder der aanwezenden, tot de bruid toe, een stok, een stuk hout of eenig ander voorwerp om daarmede, voorgegaan door de priesteressen, op de stijlen, de omwanding en het dak van de loods met alle geweld te kloppen. Daarna toog men naar buiten om op de overige woningen en gebouwen in de kotta, tot zelfs op de palissaden der borstwering, te kloppen en te slaan, ten einde ieder ongeluk en alle booze geesten te verdrijven. Het was een leven als een oordeel.
Komiek was het te zien, hoe onze Waal La Cueille, de pseudo-Arabier Sjech Mohammed Al Mansoer, zich bij dat spektakel van zijn taak kweet. Hij had een boomtak gegrepen en sloeg daarmede als een bezetene op alles wat hem voorkwam. Hij alleen maakte meer leven dan vijf en twintig anderen te zamen. De Dajaks hadden pret den heiligen man zoo in de weer te zien; een opmerkzaam toeschouwer zou evenwel spoedig bespeurd hebben, dat La Cueille zich steeds in de nabijheid van een jonge flinke deern van de lijfwacht der bruid hield en dat hij, al kloppende met zijn tak, den galant speelde en de aandacht zocht te winnen van de uitverkorene zijns harten. Hij was daarmee nog druk bezig en wie weet of hij de genegenheid der schoone toen niet reeds zoude verworven hebben, toen plotseling al de kanonnen der kotta als van zelf losbrandden. Onze Sjech buitelde over zijn hoofd van schrik, vloog weer overeind, als ware hij door een sterke veer opgewipt en spoedde zich, onder het onmatig gelach der Dajaks, die zich over zijn val zeer vroolijk maakten, naar de geschutstellingen, alwaar hij meende als eerste artillerist der vesting present te moeten zijn. Wat daar gebeurd was, zag hij spoedig in.
Zoodra de jacht op de booze geesten begonnen was, had zich Dalim met nog een paar Dajaks onbemerkt naar de bastions begeven. Daar hadden zij, na de projectielen er uit gehaald te hebben, de stukken omgekeerd met de monding naar het midden der kotta en, toen het helsche geklop op de gebouwen en de palissaden begon, losgebrand, om zoo tot de verdrijving krachtdadig mede te werken. Want volgens het heerschende bijgeloof kan een geest niet veel spektakel verdragen, en is in ’t geheel niet tegen buskruitwalm bestand. Zoodra hij dien in den neus krijgt, zoekt hij een goed heenkomen.
Het gelach duurde nog, ja sommigen der jongsten bootsten de geziene buiteling na, toen de Sjech terugkwam in de loods, alwaar de verloofden hun oude plaatsen te midden hunner eerewachten hadden ingenomen. Zijn heiligheid was op het punt een vromen vloek over de lachers uit te spreken, toen hij zijn vriendinnetje weer even leuk, maar toch lief, naast de bruid zag zitten en zij hem ondeugend toelachte. Het speet hem toen, dat hij door dat onverwachte kanongebulder haar geen handje had kunnen drukken.
De Balians spreidden nu in het midden der loods op een mat de offergaven uit, die den Radja balawang boelan zouden aangeboden worden, namelijk: zeven volwassen witte kippen, een ei, zeven pakjes van pisangbladeren vervaardigd, met gekookte rijst en zeven bamboegeledingen met rauwe rijst gevuld, zeven stukken suikerriet van een vadem lang, wijders gebak, confituren en vruchten. De priesteressen ontstaken verder twee vuren van groen hout, die veel, zeer veel rook verspreidden. Toen zij daarmede behoorlijk gereed waren, galmden zij hunne bezweringsgezangen uit om den „Drahen tato antang” [92] te noodzaken de „gana” [93] (zielen) van die offeranden bij den Radja ontong te brengen.
Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld, zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren) [94] vergiftigde pijltjes in de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten kring om een paal—in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een rauwen gil weer opsprongen.
Toen die nationale dans, „bigal” genaamd, waaraan evenwel de verloofden en hun eerewachten geen deel genomen hadden, zoo wat een uur geduurd had, werd de buffel op de meest wreedaardige wijze met lanssteken doodgemarteld. Daarna werd het nog lillend vleesch door eenige oude vrouwen afgescheurd, in allerijl gekookt, gebraden en gepoft, waarna het aan de nedergehurkte feestvierenden werd rondgedeeld, die het zoo maar uit het vuistje verorberden.
Met het bloed van den buffel werden de verloofden op het voorhoofd, de borst en de handen bestreken. Vervolgens legden de Balians voor ieder der beide huwelijkskandidaten een stuk rottan ter lengte van ongeveer twee dM. neder, dat bedekt was met een laag deeg van rijstenbrij vervaardigd, met stofgoud vermengd. Daarna brachten de priesteressen een klapperdop met toeak gevuld aan de lippen, namen ieder een goede teug en gaven hem aan de verloofden over, waarvan de een den ander liet drinken en die eindelijk den klapperdop aan de omstanders overreikten.
De Dajaks, zoowel vrouwen als mannen, zijn aartsliefhebbers van sterken drank. Menige hartige teug werd genomen, gul en onbekrompen werd het lekkere vocht rondgediend; de feestvreugde klom weldra ten top. Johannes, Schlickeisen, Amai Kotong en Dalim zorgden evenwel met het oog op de omstandigheden, dat allen binnen de perken eener gepaste vroolijkheid bleven. Zij zelven hadden de verloofden van harte toegedronken, maar onthielden zich wijders het verleidelijke vocht nog aan te raken.
Sjech Mohammed Al Mansoer alleen zat op een matje met gekruiste beenen dat vroolijke tooneel met een droefgeestig gelaat aan te staren. De geur van dien toeak streelde zijn reukorganen ongemeen en deed hem het water in den mond komen. Met een soort van afgunst beschouwde hij het gejoel rondom hem. Maar ofschoon zijn Walennatuur in opstand kwam, hield hij zich goed; hij had de belofte afgelegd, zijn kleed van nakomeling des Profeets niet te bezoedelen; hij zou die gelofte gestand doen. Zijn makkers zouden zien, dat ook hij, als het er op aankwam, zich zou weten op te offeren voor het algemeen belang. Hij zat daar nog zoo zich moed en standvastigheid in te praten, toen eensklaps een allerliefst hoofdje over zijn schouder heenboog en hem een klapperdop met toeak gevuld onder den neus liet passeeren.
Hij vloog op en trachtte de verleidster te grijpen, maar vlug als een hinde, was zij in een oogwenk op een afstand.
„Olo salam pali mihop toeak!” (Den mohammedaan is het niet geoorloofd toeak te drinken) riep zij hem uit de verte schalksch toe.
„A bas la sequelle!” riep de Waal, terwijl hij zich den tulband afsleurde van het hoofd en dezen door de loods wierp.
Daarop sprong hij op het schoone kind toe. Was hij haar nu te vlug af geweest, of had zijn daad het hart van de heidensche maagd getroffen? Wie zal dat uitmaken? In het volgende oogenblik hield hij haar in zijn linkerarm tegen zijn borst geklemd en greep hij, na haar een hartelijken kus op de lippen gedrukt te hebben, den klapperdop, dien hij in een teug ledigde.
Een daverend hoera beantwoordde dien dronk, en toen de onttulbande Arabier verlegen rondkeek, zag hij zich door de feestvierenden omringd, die hem met vroolijk lachende gezichten als met zijn keus geluk wenschten.
„Het is wat moois zijn geloof te verzaken,” mompelde Johannes den Waal in het oor. „Maar het meisje is het waard, dat beken ik. Je zult nu Wienersdorf niets meer te benijden hebben. We zullen nu twee huwelijken hebben in plaats van een.”
Onthutst keek de Waal zijn makker aan en liet het meisje los.
„Twee huwelijken?” vroeg hij onnoozel. „Hoe zoo?”
„Denk jij de meisjes zoo maar te kunnen zoenen in de Dajaklanden? Dat zullen ze je wel anders leeren. Trouwen zul je!”
La Cueille dacht een poosje na. Maar de bekoorlijke Moendoet gekleed of eigenlijk niet gekleed in den bijna afwezigen tooi van Dajaksch bruidmeisje stond voor hem.
„Eh bien, vogue la galère!” brulde de Waal in vervoering, terwijl hij andermaal het lieve kind in de armen sloot en het verbond met een kus bezegelde.
Onder al die feestelijkheden en bedrijvigheden was het middernacht geworden. Toen de maan in het zenith stond, grepen de Balians de stukken rottan, die zij voor Dohong en Hamadoe hadden neergelegd, ontdeden ze van het omhulsel van deeg, maten ze, waarna de verklaring werd afgelegd, dat beide stukken iets langer geworden waren. Dat was een gunstig teeken. Het gebezigde deeg werd nu behandeld. Het stofgoud moest er uitgewasschen worden. Bij naweging werd ook dat bevonden vermeerderd te zijn en nu kwam aan de vreugde geen eind; want het bewijs was geleverd, dat de invocatie der priesteressen krachtdadig was geweest. De machtige Radja balawang boelau had toch zijn hulp toegezegd en konden de verloofden in hun toekomstigen huwelijken staat op veel heil en voorspoed rekenen. Ieder hunner moest dat stukje rottan, waardoor de bovenaardsche gunst zich geopenbaard had, bij zich steken en steeds bewaren. Harimaoung Boekit nam op zich, van het gebruikte stofgoud, waarin zich ook de hemelsche scheppingskracht zoo wonderbaarlijk getoond had, natuurlijk onder toevoeging van het ontbrekende metaal, twee ringen te laten vervaardigen, die beide partijen steeds dragen zouden. Het Poenanhoofd betaalde daarenboven de Balians vorstelijk voor haar priesterlijke tusschenkomst en daarmede was de plechtigheid van het blako ontong ten einde.
Maar daarom de feestvreugde niet. Toeak met gebak werd ook na de godsdienstige plechtigheid in overvloed aangeboden en de gulste vrijgevigheid heerschte den geheelen nacht. Allen zonder onderscheid dronken een gezonde teug zonder tot onmatigheid over te slaan. Men was en bleef slechts vroolijk en men onderhield die vroolijkheid op gepaste wijze. Zelfs de Waal, die, nadat hij met zijn tulband ook den Profeet met zijn geheele leer naar den drommel gezonden had, zich van allen geestelijken dwang ontslagen achtte, hield onder het toezicht van Schlickeisen de matigheid in het oog en nam niet dan met diens toestemming een lekkere teug uit de poezele hand zijner uitverkorene aan.
De dageraad begon in het Oosten te gloren, toen de lofzangen der Balians nog weerklonken. Eerst hadden zij loftuitingen op bruid en bruidegom geïmproviseerd, daarna op haar bloedverwanten en zijn vrienden, waarbij de ex-Sjech en de lieve Moendoet niet vergeten werden en eindelijk ook op het Poenanhoofd en het kottahoofd. Wie weet met wiens lof zij geëindigd zouden zijn; zij werden evenwel door een paar geweerschoten gestoord, die aan het feest een einde maakten en de mannelijke bevolking naar de borstwering deden spoeden.
Ziehier wat aanleiding tot die schoten gegeven had.
Johannes en Schlickeisen hadden zich gedurende het feest meermalen naar de geschutstellingen begeven om de waakzaamheid der schildwachten gaande en zelf het oog te houden op hetgeen buiten voorviel. Het begon eventjes te dagen, toen zij, andermaal op den uitkijk staande, aan den rand van het woud eenige beweging ontwaarden, die hun verdacht voorkwam. Zij zagen namelijk eenige mannen, waaronder zij bij den schemer aan zijn uniform den luitenant meenden te herkennen, elkander de hand drukken, waarna een hunner op de kotta afkwam en de anderen zich in den boschrand terugtrokken. Om geen noodeloos alarm te maken, sprong Johannes van het banket af en ging Harimaoung Boekit halen, om met hen uit te kijken. Zij zouden zich dan niet vergissen kunnen of het vriend of vijand was, die daar naderde. Nauwelijks was dan ook het Poenanhoofd op het banket der borstwering of hij deed zijnen medeschildwachten opmerken, dat het de Tomonggong van Kwala Kapoeas was.
„Ge moet hem geen leed doen,” sprak hij, „hij is een oud vriend van mij.”
„Neen,” antwoordde Johannes, „hem zal geen leed geschieden; hij is een te braaf oud man. Maar hij mag niet in de kotta toegelaten worden. Spreek gij hem toe, Amai; maar denk aan de galg, die de blanken u toegezegd hebben.”
De Poenan lachte verachtelijk.
De oude Nikodemus naderde intusschen geheel onbezorgd. Hij hield in de rechterhand een kleine Hollandsche vlag aan een kort stokje, in de linker een fraaien wandelstok van rottan met zwaren gouden knop, waarop het Nederlandsche wapen prijkte. Toen hij tot omstreeks honderd pas van de versterking genaderd was, zag hij plotseling een hoofd boven de borstwering verschijnen en hoorde hij een stem zich toeroepen:
„Sabèh Amai Tomonggong! Narei gawim ikau kantoh?” (Zijt gegroet, vader Tomonggong! wat komt gij hier doen?).
Verschrikt van die stem, die hij zich meende te herinneren meer gehoord te hebben, keek hij scherp toe en ontzetting teekende zich op zijn wezenstrekken, toen hij het lachende gelaat van Harimaoung Boekit herkende. Het gevreesde Poenanhoofd te kotta Djankang! Wat kwam die daar doen? Dat ging het begrip van den ouden man te boven. Zou dan toch de luitenant gelijk hebben, dat in de bovenlanden de een of andere aanslag gebroed had? Hij was zoo verbijsterd, dat hij vergat antwoord te geven op de hem gedane vraag. Hij stond daar aan een standbeeld gelijk. Plotseling knalden twee geweerschoten, die, met onberispelijke kunstvaardigheid afgegeven, hem de vlag uit de eene en zijn waardigheidsstok uit de andere hand sloegen. Zoowel Johannes als Schlickeisen hadden bewijzen van hun schutterskunst gegeven; zij hadden den ouden man niet willen deren, maar slechts schrik willen aanjagen. Dat was hun meesterlijk gelukt. De ontstelde Dajak, meenende dat het op zijn leven gemunt was, sloeg bijkans achterover van schrik. Een oogenblik stond hij als wezenloos; hij zocht met de oogen naar de stukken van zijn verbrijzelden stok, die hem dierbaar was, omdat hij dien als tevredenheidsbetuiging van het Nederlandsche bestuur erlangd had, Maar toen hem de stem van Harimaoung Boekit in de ooren krijschte:
„Amai, oendoer goeloengoeloeng!” (vader, maak dat je weg komt), toen maakte hij beenen. De beide Europeanen gaven hem nog een paar schoten met los kruit achterna en bespoedigden zoo zijn vlucht.
„Daar heb je ’t gedonder in de glazen!” vloog de luitenant op, toen hij de eerste schoten vernam, „een paar van die rakkers zullen op post gestaan hebben en met hun zeker schot hebben ze voorzeker dien armen Tomonggong geveld. Had ik hem toch maar niet laten gaan!”
De laatste verzuchting was ter nauwernood geslaakt en Tomonggong Patti Singa Djaja had nog geen tijd gehad ook zijn meening te uiten, toen de reeds dood gewaande verscheen. Hevig ontsteld en ademloos van het loopen, liet het oude hoofd zich op een boomstronk neervallen en was in de eerste oogenblikken in volslagen onmogelijkheid een enkel woord uit te brengen. Een teug brandewijn met water uit des luitenants veldflesch bracht het kloppende hart eenigszins tot bedaren. Eindelijk na veel zuchten en hijgen ontsnapte hem als in wanhoop:
„Jèi! Amai olo Poenan hetèh!” (O wee! het opperhoofd der Poenans is er.)
Bij het vernemen dier woorden teekenden angst en schrik zich op het gelaat van den Tomonggong van Kwala Hiang, terwijl de officier van dien uitroep weinig of niets begreep. Het kostte nog al moeite en geduld om Nikodemus verder tot bedaren te brengen en tot het verhalen zijner wederwaardigheden te bewegen. Toen hij eindelijk aan het verlangen zijner toehoorders voldaan had, sprak hij als zijn oordeel uit:
„Onze toestand, Heer! is nu uiterst zorgelijk geworden.”
„Hoe dat zoo, Tomonggong?”
„De Poenans zijn zeer ondernemende kerels en het verwondert mij uitermate, dat de nacht ongestoord is voorbijgegaan. Voor het uitvoeren van nachtelijke overvallen hebben zij huns gelijken niet.”
„Och Tomonggong! dat zal zoo’n vaart niet loopen,” was de meening van den luitenant, „ik maak mij daaromtrent niet ongerust.”
„Ik wel Heer”, was het ernstige antwoord. „Dat we niet reeds een grootere ramp te betreuren hebben, wijt ik alleen, eensdeels aan het heldere maanlicht, waarvan de Poenans bij hun overvallen niet houden, maar nog meer aan de feestelijkheden, die heden nacht in de kotta gevierd zijn. We hebben toch tegen negen uur dat gebulder van de kanonnen en gedurende den geheelen nacht door het gegil der Balians gehoord.”
„Nu, Tomonggong,” viel de luitenant lachende in, „uw landslieden zijn feestvierders van professie, daar kunnen alle studenten van welke universiteit ook een puntje aan zuigen. Ze zijn nu eenmaal bij elkander, en zullen gedurende den volgenden nacht ook wel aan het fuiven gaan. En me dunkt, dat dan de gelegenheid schoon zal zijn om een ernstigen aanslag op de kotta te wagen.”
De oude Nikodemus schudde weemoedig het hoofd.
„Als ze ons maar niet voor zullen zijn!” riep hij uit. „Ik vrees dat ze zoo ongestoord geen tweeden nacht voorbij zullen laten gaan. Maar.... maar Heer, al zou het zoo zijn als ge denkt, dat ze weer feest zullen vieren, dan moogt ge toch niet aannemen, dat ze den omtrek onbespied zullen laten. Mijn landslieden zijn wel onbezonnen en handelen wel eens ondoordacht, maar zulke groote kinderen zijn het niet. Het zal in den aanstaanden nacht volle maan en derhalve bijna zoo licht als overdag zijn. Er zal niet aan gedacht kunnen worden, de kotta ongemerkt binnen te dringen.”
„We kunnen het in ieder geval beproeven. Wie weet hoe het geluk ons dient. Heden avond kan een onweersbui opkomen; in dit seizoen zou dat niet onmogelijk zijn en juist is het gedurende deze laatste dagen buitengewoon warm geweest. ’t Zou me niet verwonderen, als we heden avond betrokken lucht hadden. En... zeg eens Andingkoe! zou dan de kans niet schoon zijn om het Nederlandsche Gouvernement nieuwe redenen tot dankbaarheid te geven?”
Voor een oogenblik vloog een glimlach met veel bitterheid doortrokken, over het gelaat van den braven Nikodemus; maar ook slechts voor een oogenblik, want terstond daarna vertoonde hij zich weer hoogst ernstig en verviel hij in nog grootere droefgeestige stemming.
Wat ging er om in dat oogenblik in de ziel van dien grijsaard? O! het was onhandig van den officier, dien man aan de dankbaarheid van het Nederlandsche Gouvernement te herinneren. Zou dien eenvoudigen Dajak zijn afgelegde levensloopbaan, geheel aan den dienst van dat Gouvernement gewijd, voor den geest gezweefd hebben? Zou hij zich herinnerd hebben, dat hij altijd, maar vooral gedurende de laatste jaren, die jaren van den meest hardnekkigen oorlog, die Borneo ooit beroerde, de stiptste trouw aan dat Gouvernement had betracht? Klonken hem de verleidelijke aanbiedingen nog niet in de ooren, door Pangerang Antassari in persoon, door de Pembekels Djalil en Soelil namens den Rijksbestierder Pangerang Hidajat Oellah gedaan, indien hij tot de partij des opstands zou willen toetreden? Stelde hij tegenover die vorstelijke aanbiedingen de povere dertig gulden, die hem zonder meer door dat Gouvernement maandelijks werden toegeteld om in de behoeften van zijn talrijk huisgezin uitsluitend te voorzien, daar hem het uitoefenen van handel of nijverheid door zijn benoeming tot districtshoofd verboden was? Of dacht de onnoozele Dajak dat alles zoo niet in bijzonderheden na en zweefde het hem maar onbestemd bij het hooren van dat woord dankbaarheid voor den geest?
Met een blik op het hoogst ernstige gelaat zag de luitenant in, welke teedere snaar hij aangeroerd had. Hij, meer dan iemand anders, kon beseffen hoe verregaand ondankbaar dat trouwe hoofd behandeld was. Hij wist, en wel degelijk, omdat alles van hem uitgegaan was, hoeveel schrijvens, welke beroepen op mildheid het gekost had, hoe vaak hij had moeten herinneren, dat vele levens van Europeanen verloren zouden zijn gegaan, wanneer Nikodemus tot de zaak der onafhankelijkheid zijns volks ware toegetreden, om den trouwen dienaar die luttele twaalf rijksdaalders te bezorgen, die zijn ganschen rijkdom uitmaakten. Hij herinnerde zich de vele beslommeringen, die hij zich had moeten getroosten om den braven Tomonggong een ander blijk van de Hooge Regeering te bezorgen, toen het gouden uurwerk, dat hij zich voor zijne trouwe diensten en zijn onbezweken geestkracht bij de wetenschappelijke reis van Dr. Schwaner, dien hij dwars door geheel Borneo vergezelde, verworven had, bij het zinken van het stoomschip Tjipannas, bij Poeloe Naning [95] verloren was gegaan. De officier herinnerde zich nog den bitteren glimlach, die zijn eigene lippen verachtelijk deed krullen, toen hem eindelijk dat blijk in handen kwam en dit niets anders was dan een sabel, wel is waar met zwaar verguld gevest en scheede, maar in het oog van den inlander, vooral voor den bewoner van het goudland, juist door zijn verguldsel, dat als armzalige nabootsing van het edele metaal veracht wordt, geheel zonder waarde was. Eenmaal op dien weg der herinneringen kon de officier niet uit het hoofd bannen, dat hij zich, op verzoek van den ouden man, alle moeite gegeven had diens zoon, Radhen Karsa Nagara, naar Java gezonden te krijgen, ten einde daar bij een der hoofden in het binnenland het landelijk stelsel en de werking van het inlandsch bestuur van nabij te beschouwen; dat die jongeling eindelijk na veel geschrijf, bij den Regent van Samarang, een der rijkste Javaansche hoofden, geplaatst werd, maar dat hem een zoo schamel traktement toegelegd werd, dat hij na weinige maanden genoodzaakt was, door gebrek en armoede vernederd en verbitterd naar Borneo terug te keeren.
Nogmaals, het was onhandig geweest aan die dankbaarheid te herinneren.
Lang liet de oude Tomonggong op zijn antwoord wachten en de luitenant miste den moed het stilzwijgen te verbreken. Eindelijk hernam het hoofd met een zucht:
„Het zal niet gaan, Heer! Onze wil moge goed zijn, het zou niets dan noodeloos bloedvergieten veroorzaken.”
„Laten we geen overhaast besluit nemen, Tomonggong; wie weet wat het toeval ons nog aan de hand doet. We moeten onze menschen steeds bij de hand hebben om terstond de omstandigheden, die zich voor mochten doen, te kunnen benutten.”
„Als onze menschen vernemen, dat Harimaoung Boekit met zijn Poenans in de kotta is, dan zullen ze niet te bewegen zijn haar aan te vallen. Ik vrees zelfs dat zij dan wegloopen zullen.”
„Ik ook,” bevestigde Tomonggong Patti Singa Djaja.
„Maar wat doet dat Poenanhoofd te kotta Djankang?” vroeg de luitenant.
„Ik weet het niet, Heer; mijn verstand staat er stil voor. Kon ik Amai Kotong maar te spreken krijgen.”
„Maar bij uw tocht naar de kotta, hebt ge toen geen Europeanen gezien?”
„Neen Heer, ik heb alleen het lachende gezicht van Harimaoung Boekit ontwaard.”
„Wie heeft er op u geschoten?”
„Dat weet ik niet; zij die schoten stonden achter de palissaden, hunne geweren staken door schietgaten. Er is slecht geschoten, want anders had men mij op dien korten afstand wel getroffen.”
De luitenant glimlachte.
„Er is prachtig geschoten, Tomonggong, geloof me,” verzekerde hij. „’t Zijn voorzeker de twee Zwitsers geweest, die vuur gaven. Ze hebben u niet willen dooden.”
„Dat Hatallah hen dan zegene!”
„Amen,” lachte de officier.
Er werd verder besloten de aanwezigheid van den geduchten koppensneller in de kotta stipt geheim te houden en de versterking zoo dicht in te sluiten als maar mogelijk was. Wellicht was de proviand daar binnen niet ruim; gebrek zoude de bezetting tot onderhandelen kunnen nopen en zoo tot het doel voeren, waar open strijd ongeraden scheen.
Na die poging van Tomonggong Nikodemus gingen een tweetal dagen en nachten in ongestoorde rust voorbij. Des luitenants verwachtingen, dat de lucht betrekken zoude en zoo uitzicht geven op de mogelijkheid eener overrompeling, werden niet verwezenlijkt. De maan steeg iederen avond helder boven den boschrand op en overgoot alles met haar zacht maar helder wit licht. Niets kon binnen een kring van tweehonderd meter straal rondom de versterking gebeuren, zonder dat zulks door de belegerden ontwaard werd. Het ware volslagen zinneloosheid geweest onder zulke omstandigheden een aanval te beproeven. Maar van den anderen kant beveiligde datzelfde maanlicht ook de belegeraars voor de aanslagen der Poenans en niet onduidelijk gaf Harimaoung Boekit te kennen, dat hij naar een nachtelijke onweersbui haakte, om eens afrekening te houden met hen, die hij nog steeds vermeende er op uit te zijn hem te vangen.
Kort na het intreden van den derden nacht—het was toen vrij donker, daar de maan eerst tegen half acht uur boven den gezichteinder zoude verschijnen—kwam een der schildwachten Johannes waarschuwen, die met Amai Kotong, Dalim en Harimaoung Boekit zat te kouten, dat bovenstrooms op de rivier een groot vormloos ding zichtbaar werd, dat langzaam voor den stroom afzakte. Allen sprongen in allerijl op, grepen hun wapenen en spoedden zich naar den rivierkant om te zien wat er gaande was. En werkelijk, op ongeveer een driehonderd meter afstands, kon men een voorwerp ontwaren, dat langzaam naderde. Het was veel te groot voor een prauw; het was geen vlot, daartoe was het te onregelmatig van vorm. Het geleek meer een drijvend eiland en, ware men in de benedenstreken, waar die eilanden, uit lange grassoorten, rietgewassen en schilf bestaande, in den vollen regentijd niet zeldzaam heeten, dan zou er de aandacht nauwelijks op gevestigd zijn. Hier evenwel baarde het argwaan. Allen werden zachtkens onder de wapens geroepen, het was raadzaam op alles voorbereid te zijn. In de Dajaklanden is de oorlog in den regel niets anders dan een afwisseling van hinderlagen, die de partijen elkander leggen.
Terwijl men nog tuurde en beraadslaagde, weerklonk op eens aan de achterzijde der Kotta een akelig alarmgeschreeuw, al zeer spoedig gevolgd door een aantal geweerschoten. Van de duisternis gebruik makende, had de luitenant zijn Dajaks tot bij de palissadeering weten te voeren. Daar de geheele aandacht der bezetting op de rivier gevestigd was, zou werkelijk een beklimming gelukt zijn; maar een der vrouwen zag onverwachts een gedaante van boven de borstwering naar beneden springen. Zij had een hakmes in de hand, waarmede zij bezig was hout te kloven. Nog vóór dat de indringer van zijn verdooving, door den hoogen sprong veroorzaakt, bekomen was en zich verweren kon, had zij hem eenige hakken over hoofd en armen toegediend, zoodanig dat hij weldra weerloos in zijn bloed lag te wentelen. Op het geschreeuw der vrouw schoten eenigen der bezetting toe. Een tweede, een derde, een vierde aanvaller, die boven de palissadeering verschenen, maakten kennis met de mandauws der Poenans en tuimelden zwaar gekwetst naar beneden in de scherpe randjoe’s, die aan den voet der borstwering geplant waren. De twee Zwitsers en La Cueille, met hun geweren in de hand, waren nagenoeg gelijktijdig met de Poenans op het banket verschenen en openden dadelijk een hevig vuur, hoewel zij in het donker weinig bespeurden.
Na dat vuur een poos onderhouden te hebben, begrepen zij uit het gegil en geschreeuw, hetwelk heel in de verte vernomen werd, dat het onmiddellijk gevaar geweken was, en staakten zij het schieten. Bij onderzoek vond men een lijk binnen de versterking en vier zwaar gekwetsten daar buiten. Het was onmogelijk de Poenans in hun eerste opwelling van toorn te weerhouden die ongelukkigen te snellen. Trouwens in het donker en bij de niet geringe verwarring en ontsteltenis, die vooral bij de vrouwen nog steeds heerschten, dacht daar ook niemand aan. Het duurde dan ook niet lang, of de drie Europeanen zagen de Poenans een houtvuur op het binnenplein der kotta ontsteken en toen de vlammen hoog opflikkerden, dansten die wilden er om heen met de gesnelde koppen in de hand en zwaaiden daarmede, dat het nog gutsende bloed allerwege rondspatte. Vooral was Harimaoung Boekit uitgelaten; hij was de eerste naar buiten gestormd om de kermende gekwetsten af te maken. Nu sprong hij als een bezetene, gilde tusschenbeide zijn: lēēēēh lèlèlèlè ouiit! wierp van tijd tot tijd zijn hoofd in den nek en liet het nog warme bloed van den kop, dien hij in de hand hield, in den mond loopen.
„Zij hebben den koppensneller nog niet!” krijschte hij met juichende stem.
Weldra was bijna de geheele bezetting van kotta Djankang in den echten duivelendans opgenomen en gingen de koppen van hand tot hand, opdat ieder een teugje van het lekkere roode vocht zoude kunnen opslurpen. Toen het bloed ophield te stroomen, zogen de onverlaten aan de halstronken, zoo lekker was het.
Ontzet wendden de drie Europeanen zich van dat walglijke tooneel af en zochten Johannes op. Waar zat die inmiddels? vroegen zij zich af. Zoodra deze dat gillen vernomen en de daarop gevolgde schoten had hooren knallen, was hij naar dien kant heen gevlogen; maar toen hij zag, dat ieder op zijn post was, de geheele mannelijke bevolking zich gewapend had, ja, de vrouwen den mandauw gegrepen en zijn makkers de leiding der verdediging op zich genomen hadden, spoedde hij zich met Dalim weer naar den rivierkant. Want hij wantrouwde in hooge mate dat drijvende eiland, vooral omdat het verschijnen daarvan zoo zonderling samenviel met den aanval op de achterzijde der kotta. Hij verzamelde fluks eenige strijders om zich en begaf zich daarmede buiten de versterking om op het riviertalud post te vatten. Het vormlooze geraamte kwam al nader en nader, wel niet zoo snel als bij den sterken stroom verwacht kon worden, want nu eens dreef het tegen den kant en haakte aan takken van boomen en struiken vast, dan weer geraakte het bij de eene of andere bocht in een tegenstroom of in een draaikolk, waardoor het of op zijn schreden scheen terug te keeren of als een monstertol ronddraaide.
Het geduld van Johannes werd wel op de proef gesteld. De maan begon boven den boschrand tegenover de versterking te verschijnen, en alles in haar zacht licht te hullen. Eindelijk kwam het eiland weer in het bed der rivier terecht en dreef nu recht voor den stroom af.
Hoe dichter het kwam, hoe duidelijker het werd, dat de massa uit versch gekapte takken, met lang gras in een gestrengeld, gevormd was. Hoewel de stroom naar de overzijde zette, wendde het eiland blijkbaar naar den kant der kotta toe, alsof het door een menschenhand bestuurd werd. Nog was de drijvende massa den kring, door de versterking beheerscht, niet binnengetreden en dus nog altijd onder het lommer des wouds, toen van uit de struiken ettelijke schoten er op gelost werden. Het waren de luitenant en de beide Tomonggong’s, die op hun beurt het drijvende gevaarte met wantrouwen gadesloegen en bij het voorbij varen er eenige kogels doorjoegen. Doch niets verroerde zich, het eiland bleef stil voor den stroom afdrijven.
Toen het den kring binnen trad, door het schoonkappen van het woud rondom de versterking gevormd, kwam het in het volle maanlicht. Johannes meende toen eenige beweging te zien achter die vlottende massa; hij bracht reeds zijn geweer aan den schouder, toen een stem over de watervlakte weerklonk.
XXI
Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht.—Het bad.—Badjai hai.—Een vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart.
„Ohoi! Amai Kotong!”
„Wie roept daar?” schreeuwde Dalim met luider stem.
„Olo soengei Mawat” (iemand van soengei Mawat). „Ik breng tijding van de bevolking van daar.”
Inmiddels was het eiland tot voor de kotta gedreven. Een smalle strook water scheidde het nog van den vasten wal. Johannes en de zijnen lagen op het talud uitgestrekt met de wapenen in de vuist, op iedere mogelijkheid voorbereid. Een gedaante verhief zich op het eiland en begaf zich te water, om naar den wal te zwemmen. Maar daar knalde een schot; de zwemmer gaf een gil en ware Dalim niet in de rivier gesprongen om den boodschapper te hulp te snellen, dan ware deze voorzeker verdronken. De luitenant had het drijvende eiland blijven gadeslaan, hij had die gedaante zien te water gaan en had daarop zijn kogel afgezonden. Voordat hij zijn vuurwapen herladen had, was Dalim met den gekwetste aan wal en binnen de versterking in veiligheid.
Helaas! de arme bode was doodelijk in de borst getroffen. Hij kon nog slechts stamelen, dat de strijders van soengei Mawat, ten getale van ongeveer vijftig man, waren aangekomen. Zij hadden zich noordwaarts van de kotta in het bosch opgesteld en waren voornemens den volgenden avond, wanneer het donker zoude zijn, de belegeraars aan te tasten.
Nauwelijks had de stervende zich van zijn last gekweten of hij blies den laatsten adem uit.
Als echte natuurkinderen wijdden de Dajaks van kotta Djankang hun eerste zorgen aan den overledene. Zoodra de overtuiging bestond, dat de ziel aan haar omhulsel ontvloden was, werd het lijk een spiksplinternieuw stel kleederen aangetrokken en daarna op den vloer van een der woningen in de kotta op een fraai gebloemd matje uitgestrekt. Toen werd aan het hoofdeneinde van den verslagene een lampje ontstoken, dat met de fijnste harssoorten gevoed werd, en werden de lijken van de vier gevallen vijanden, met de afgehouwen hoofden op de maagstreek geplaatst, rondom hem geschaard. Allen hadden den „talawang” (schild) in de eene en den mandauw in de andere hand. De Dajaks waren overtuigd, dat door een zoodanig vertoon de zielen der onthoofde vijanden genoodzaakt zouden worden den ongeschonden Mawatter in de Dajaksche velden als hun heer te erkennen en zijn slaven te worden. Toen begon de titih te weerklinken en duurde dat weemoedig geluid den geheelen nacht door.
Daar het te voorzien was, dat het lijk den volgenden dag door de lieden van soengei Mawat zoude worden afgehaald en de adat vergde, dat het volkomen toebereid afgeleverd zoude worden, ging men bij het aanbreken van den dag tot het „toending” over, hetwelk daarin bestond, dat de nagels van den overledene aan handen en voeten verguld en op zijn voorhoofd zeven stippen met roode verf geschilderd werden. Daarna werd het lijk in de raoeng (voorloopige doodkist) gelegd en, daar de doode als strijder gevallen was en ook als een man van beproefde dapperheid bekend stond, werden hem zijn wapens in de kist medegegeven.
Gedurende den nacht hadden de belegerden verscheiden geruchten bij de belegeraars waargenomen, waaronder uitroepen die, hoewel maar half verstaan, op een naderend vertrek duidden. Ook hadden zij roeislagen gehoord en waren zij wel nieuwsgierig te vernemen wat er gaande was. Toen de dag aangebroken was, keken de schildwachten uit, maar ontwaarden van de tegenpartij niets. Zelfs geen rookwolkje krulde omhoog om aan te duiden, dat menschen bezig waren hun ontbijt te bereiden. Een paar mannen der bezetting slopen naar buiten, doorkruisten den omtrek, maar brachten eindelijk het bericht, dat de vijand afgetrokken was. Een luid hoera beantwoordde die goede tijding en vooral de Europeanen drukten elkander met warmte de hand en riepen elkander de hartelijkste gelukwenschen toe. Onmiddellijk werd een bode uitgezonden om de strijders van soengei Mawat op te zoeken en hun het heuglijke nieuws mede te deelen. Daar dat aftrekken der belegeraars wel een list kon zijn, werd bij al de vreugde de voorzichtigheid niet uit het oog verloren en weer een uitkijk op den hoek beneden de kotta geplaatst.
Hoe was men bij de belegeraars er toe gekomen het strijdperk te verlaten?
Na het gevecht was men in dat kamp wel ietwat verslagen. Bij de beklimming der palissadeering had de luitenant zich mee aan het klouteren gewaagd. Gelukkig evenwel dat hij het in die kunst der apen nog niet ver gebracht had en dat hij door eenigen van zijn volk voorbijgestreefd werd. Nu viel een der zwaar gekwetsten op hem en deed hem ook tuimelen. Zijn kleeding, maar vooral zijn schoeisel beveiligde hem tegen de punten der randjoe’s, zoodat hij slechts een betrekkelijk geringe verwonding aan den arm bekwam. Maar gelukkiger nog dat na zijn val de beide Tomonggongs hem onmiddellijk overeind trokken en met zich voortsleepten; weinige seconden later toch zoude de mandauw van Harimaoung Boekit zijn kop niet gespaard hebben.
Onmiddellijk na die teleurstelling zagen de aanvoerders zich door dat drijvende eiland verontrust. Nu zaten zij bij elkander op een boomstam en was bedruktheid op het gelaat van alle drie te lezen. Het onderwerp, waarover zij het hadden, was niet van den vroolijksten aard. De beide Tomonggongs wilden weg; want zij verheelden het niet, zij zagen den toestand zeer donker in. Wat hun niet weinig angst aanjoeg, was, dat blijkbaar een boodschapper met dat drijvende eiland in de kotta aangeland was. Wie die was en van waar hij kwam, konden zij ternauwernood gissen, maar iets goeds beloofde dat zeker niet.
De akelige tonen der titih bovendien, die zich in de versterking lieten hooren, stemden hen ook niet tot opgeruimdheid.
De luitenant gaf als zijn meening te kennen, dat de versterking nog nauwer moest ingesloten worden. Hij zou dan met allen spoed naar Kwala Kapoeas terugkeeren, de reis naar Bandjermasin vervolgen, daar aan den Toean Besar van het gebeurde verslag doen en met soldaten, aan boord van een of meer stoombooten, met flink geschut bewapend, terugkomen om die weerspannige kotta voorbeeldeloos te tuchtigen.
Met sprakelooze ontsteltenis hadden de beide Dajaksche hoofden hem aangehoord. Dat de officier zou kunnen aftrekken en hen daar achterlaten, ging hun begrip te boven, zoodat zij vooreerst geen woord konden uiten. Na een lange poos bedenkens vatte ten laatste Tomonggong Nikodemus het woord:
„Hoe lang rekent mijnheer weg te blijven?” vroeg hij met haperende stem.
„Voor den stroom af reken ik in 2½ dag te Kwala Kapoeas te zijn. Daar heb ik een paar uur noodig om mijn rapport op te maken. Bandjermasin kan ik 24 uren later bereikt hebben. Rekent er op, dat ik een halven dag later onder stoom zal zijn en dat de reis naar kotta Djankang met het noodzakelijke ankeren des nachts in de bovenrivier ongeveer 4½ dag zal duren, dan kunt ge mij over negen, hoogstens tien dagen terug verwachten.”
„Daar valt niet aan te denken, Heer!” was het stemmige antwoord van Nikodemus, „wanneer u terug komt, zoudt u ons allen vermoord vinden.”
„Maar, Tomonggong?”
„Het is zoo, Heer! Zoodra de lange donkere nachten daar zullen zijn, zal de dans ongetwijfeld beginnen. Geen nacht zal er voorbijgaan, dat we niet verontrust zullen worden, dat we geen verliezen te tellen zullen hebben. En eindelijk, als we uitgeput van het dagelijksch schermutselen en het nachtelijk waken zullen zijn, dan zal de groote slag geslagen worden, die het grootste gedeelte onzer zal dooden en de overblijvenden zal verstrooien.”
„Ge zijt ruim drie tegen één, Tomonggong!” beet de officier hem grimmig toe.
„Dat beteekent niet veel tegen een goed verschansten vijand. Maar die meerderheid zal niet lang duren, Heer! Ik vrees een opkomst van de stammen der bovenlanden.”
„Maar over tien dagen ben ik weer hier met een voldoende macht om al de stammen van Borneo het hoofd te kunnen bieden.”
„Dat zal te laat zijn, Heer!”
„Maar wat dan, Tomonggong!” riep de officier ongeduldig.
„Er valt niets anders te doen dan met u heen te gaan, om, als het moet, weer met u terug te komen.”
„In dien tusschentijd ontsnappen de deserteurs,” was het bittere antwoord.
„Zeer waarschijnlijk, Heer! maar wees verzekerd, dat zij ook ontsnappen zullen, wanneer u heengaat en wij blijven.”
„Maar ze zitten als in een muizenval.”
„Ja Heer! wanneer we wacht genoeg hadden of behoorlijk bewapend waren. Maar nu zijn we onmachtig de muis uit de val te halen, en de muis heeft het in haar macht de val te verlaten, wanneer zij wil.”
De luitenant knarsetandde. Wat de Tomonggong zeide, was maar al te waar. Toch kon hij niet toegeven. Een oogenblik dacht hij er aan zelf te blijven en een der hoofden naar Bandjermasin te zenden. Hij begreep echter, dat bij het besluitelooze en het bedachtzame van het inlandsche karakter dan veel meer tijd zoude gevorderd worden; ook dat hij ter hoofdplaats onmisbare inlichtingen te geven zoude hebben; zoodat hij van dat denkbeeld afstapte. Andermaal wilde hij beproeven de Tomonggongs over te halen met hun volk te blijven, toen een der volgelingen van het hoofd van Kwala Kapoeas met onverholen spoed naderde en den ouden man iets in het oor fluisterde.
„Daar hebben we ’t al!” riep deze uit. „De Kwala Kapoeassers hebben bij het gevecht van straks Harimaoung Boekit en zijn Poenans herkend. Ze zijn in grooten angst en willen weg. De meesten hunner zijn reeds bezig de prauwen gereed te maken. Ik ga zien wat dat te beduiden heeft.”
„We gaan met u mede!” riepen de luitenant en Tomonggong Patti Singa Djaja.
Toen de drie mannen in het kamp kwamen, vonden zij de meesten hunner lieden in de grootste opgewondenheid. Verschrikkelijke verhalen omtrent de woestheid en wreedheid der Poenans waren in omloop. De angst was in aller harten. De officier vernam, dat de menschen van kotta Baroe reeds voor het meerendeel vertrokken waren en zag, dat de overigen bezig waren hun prauwen te bestijgen. Hij poogde zich tegen dien aftocht te verzetten. Hij praatte, overreedde en eindigde met te bevelen. Alles te vergeefs; het troepje was niet te houden, het was een ware paniek. In de volgende oogenblikken zag hij zich met de beide Tomonggongs alleen staan en de eene prauw voor en de andere na achter den eersten „tandjoeng” (hoek) verdwijnen. De beide Dajaksche hoofden wisselden een blik, prevelden eenige woorden, waarna zij den luitenant ieder bij een arm namen en niettegenstaande zijn tegenstribbeling in hun prauw brachten, die ook tot vertrek gereed lag en waarvan de roeiers niet weinig ongeduld lieten blijken. Zoodra de luitenant er in was, schoot de prauw met kracht vooruit. Het was een ware vlucht; maar er viel niets anders te doen. De omstandigheden noodzaakten er toe.
Toen de prauw den hoek omvoer, die de kotta aan het gezicht zoude onttrekken, wierp de officier nog een blik op die versterking, die zich daar in het maanlicht somber en zwijgend aan den oever der rivier verhief; hij balde de vuist en prevelde binnensmonds:
„O! ik zal terug komen en mij wreken, daar kunt ge staat op maken.”
Of hij het tegen de deserteurs of wel tegen de bevolking van kotta Djankang had, bleef in het onzekere.
Het beleg had slechts vier etmalen geduurd.
De bewoners van de kotta waren als kleine kinderen, die een tijd opgesloten zijn geweest, zoo uitgelaten. Allen stortten zich naar buiten om van het ontbeerde vrije te genieten en het kostte wel moeite om, bedacht als men er op wezen moest, dat die aftocht een list des vijands kon zijn, de noodige veiligheidsmaatregelen te doen betrachten. Maar van de zijde van den vooruitgeschoven post aan den zuidkant bleef alles rustig; de vijanden waren dus voor goed afgetrokken, want van dat punt was de rivier over een zeer groote uitgestrektheid stroomafwaarts te overzien.
De eerste behoefte waaraan ieder der bewoners van kotta Djankang meende te moeten voldoen, was het nemen van een bad. Het was wezenlijk of op eens al de menschelijke wezens van de kotta in amphibiën gemetamorphoseerd waren. Onder bescherming van een saloi of een tapih plaste en dartelde de geheele bevolking, mannen, vrouwen en kinderen, in het heldere water der rivier, die daar ter plaatse reeds den naam van bergstroom begint te verdienen en werd daar menig kunststuk in het zwemmen vertoond. Wie weet hoe lang dat genot zou gerekt zijn, maar plotseling deed zich het angstgeroep hooren:
„Badjai! badjai hai!” (een krokodil, een groote krokodil).
En werkelijk bovenstrooms zag men iets komen aandrijven, hetgeen voor den onervarene veel op een boomstam geleek, maar wat de inboorlingen niet kon misleiden. Alle badenden vlogen naar den wal; maar welke spoed ook gemaakt werd, het monster had een wisse prooi bemerkt en schoot, terwijl het onderdook, pijlsnel vooruit, en niet alle vluchtenden hadden den tijd om den oever te bereiken. Dicht bij den wal dook het ondier op, greep een vrouw bij een been en trachtte haar onder water te sleepen. Het ongelukkige slachtoffer schreeuwde hartverscheurend, greep in haar doodsangst een tak van een struik en klemde zich daaraan wanhopig vast. Nu begon voor de toegeijlde toeschouwers een ijzingwekkende en ontzettende worsteling. De kaaiman had de vrouw bij het dikke van het bovenbeen gegrepen en daar zijn lange en scherpe tanden te midden der spierbundels diep ingeslagen. Hij trok, schudde, scheurde, terwijl hij een geluid liet hooren alsof een varken snorkte, en spande alle krachten in om zijn slachtoffer te noodzaken los te laten. De arme vrouw gilde en steunde erbarmelijk en wrong zich akelig onder dat schudden, hetwelk haar de lappen vleesch aan flarden van het been scheurde. Zij hield zich evenwel krampachtig aan den reddenden tak vast, die, hoewel hij kraakte en krampachtig bewogen werd, toch sterk bleek te zijn en niet toegaf.
Dat alles was in een ommezien gebeurd; toch duurde die worsteling voor de arme lijderes een halve eeuwigheid. Gefolterd door de hevigste pijnen, verzwakt door bloedverlies uit de belangrijke verwondingen, die zij ontvangen had, zou zij hebben moeten loslaten, toen eensklaps hulp opdaagde.
Dalim, die reeds de rivier verlaten en zich gekleed had, toen het eerste geroep van badjai! weerklonk, spoedde zich langs het riviertalud naar boven en zocht aan den voet der borstwering een ijzerhouten randjoe onder de daar geplante, dat aan beide einden goed aangepunt, toch stevig van schacht en ongeveer anderhalve voet lang was. Hij vond wat hij zocht, trok het uit den grond, omvatte het stevig met de linkerhand en omwikkelde die hand en den geheelen arm tot boven den elleboog met zijn natten saloi, zoodanig dat arm en hand behoorlijk beschermd waren, de beide punten evenwel van het randjoe vrij bleven. De rechterhand hield hij vrij, maar in zijn gordel stak hij een „badeh” of dolk.
Zoo toegerust stortte hij zich in het water, op het oogenblik, dat de arme vrouw op het punt was te bezwijmen. Als voortreffelijk zwemmer schoot Dalim den kaaiman op zijde, trok zijn dolk en poogde hem onder den linkervoorpoot, waar de schubbenhuid van het monster minder dik is, te treffen. Door de bewegingen echter bij de worsteling, trof het wapen minder juist, gleed af en bracht slechts een onbeduidende verwonding te weeg; evenwel pijnlijk genoeg om de aandacht van het ondier op Dalim over te brengen. Oogenblikkelijk liet dit dan ook de arme vrouw los, om zich op zijn aanvaller te werpen. Zorgvuldig trachtte Dalim buiten het bereik van den staart te blijven, waarmede de krokodil de oppervlakte van het water woedend tot schuim geeselde. Behendig duikende, bleef de Dajak den kaaiman op zijde, en toen deze zijn vervaarlijke groote kaken opensperde, om zijn stoutmoedigen bespringer met zijn tanden kennis te laten maken, stak deze bliksemsnel den beschermden arm daarin, draaide de vuist om, zoodanig dat, toen het beest den muil met kracht wilde sluiten, om dien arm tusschen zijn machtige tanden te verbrijzelen, het zich de zachte deelen van het verhemelte en van de onderkaak in de punten van het randjoe sloeg en onmachtig was de kaken bij elkander te brengen.
Nu begon een voorbeeldelooze strijd.
De kaaiman zich zoo pijnlijk getroffen voelende, schoot vooruit om het ruime sop te bereiken, maar Dalim, na zijn tegenstander nog een wond met zijn badeh toegebracht te hebben, had dat wapen losgelaten en met de rechterhand denzelfden tak gegrepen, waaraan de vrouw zich straks geklemd had. Met de linkerhand het randjoe met kracht omvat houdende, strekte hij den arm als een onwrikbare ijzeren staaf uit om zich het dier van het lijf te houden, dat hem anders met zijn scherpe nagels vreeselijk toegetakeld zoude hebben. Wanhopig waren de pogingen van den krokodil om zich los te rukken. Met zijn staart zweepte hij het water dat het wijd en zijd opspatte; nu schoot hij eens onder alsof hij heil in den afgrond ging zoeken, dan weer sprong hij ten halven lijve boven de oppervlakte uit, even of hij den hemel genade wilde vragen. Soms wentelde hij zich rond, als wilde hij den arm, die hem vasthield, bij den schouder afdraaien; en ware de tak, waaraan Dalim zich vastgeklemd hield, niet uiterst buigzaam en veerkrachtig als een rottan geweest, dan had de Dajak onmogelijk die beweging hebben kunnen volhouden. Nu draaide hij slechts mede als een tol, maar hield zich uitmuntend. Wel proestte hij, wel riep hij om hulp, wanneer hij in den hevigen worstelstrijd eens boven water geslingerd werd, maar los liet hij niet.
Lang kon het evenwel niet meer duren; zijn krachten zouden hem begeven hebben. Maar daar naderde La Cueille, die in den looppas zijn geweer was gaan halen, en zich tusschen den kring toeschouwers door wrong, die ontzet en radeloos dat gevecht stonden aan te kijken. Hij legde aan, de tromp zijns geweers raakte bijna de strijdenden, maar dadelijk schieten kon hij niet, daar door de ordelooze en wanhopige bewegingen de Dajak even goed kon getroffen worden als het ondier. Beklemmend was het wachten en iedere seconde scheen ieder der aanwezenden wel een uur toe. Eindelijk, van een ondeelbaar oogenblik gebruik makende, dat de strijders stil en hijgende aan de oppervlakte des waters lagen, drukte hij los, en.... de kaaiman, midden op de hersenpan getroffen, deed een wanhopigen sprong, waarbij zijn geheele lichaam zich wel vijf of zes voet boven water verhief. Tegen dien schok waren de krachten van Dalim niet bestand, zijn armen werden als uit het lid gerukt en was hij verplicht los te laten. Maar was het overmoed of wel verbouwereerdheid? In stede van het randjoe los te laten, liet hij den tak varen en werd hij door het ondier naar de diepte der rivier gesleept.
Gelukkig was het einde nabij!
In zijn doodstrijd sprong en wentelde zich het ondier dan eens in de lucht, met zijn vijand steeds aan zijn kaken hangende, dan weer in de diepte bedolven, terwijl het water hoog en wild opklotste en met wit schuim bedekt den oever kwam lekken. Eindelijk waren de krachten van het stervende ondier uitgeput; langzamerhand bedaarden zijn ontembare bewegingen en weldra lag het bewegingloos en drijvende aan de oppervlakte der rivier.
Maar ook Dalim was uitgeput en dreef bewusteloos naast het lijk zijns vijands, hoewel hij zich nog steeds aan het randjoe in den vervaarlijken muil vastklemde. In een oogwenk was een djoekoeng ter redding toegeschoten, was de onmachtige weldra daarin getild en het kreng van den krokodil achter het vaartuig vastgehecht.
Aan den wal werd Dalim door Wienersdorf met wat jenever ingewreven, waardoor hij spoedig bijkwam. Zijn bewusteloosheid was slechts veroorzaakt door de geweldige inspanning en de hevige gemoedsaandoeningen, want behalve eenige kleine en onbeduidende krabben, was hij geheel ongedeerd gebleven.
Toen La Cueille de lucht van den jenever in den neus kreeg, beweerde hij door het aanschouwen van dat ontzettende gevecht ook een onmacht nabij te zijn. Wienersdorf, in de vreugde zijns harten over de redding van hun lotgenoot, reikte den Waal lachende een goede teug toe, hem toewenschende, dat het hem wel mocht bekomen.
Bij nader onderzoek bleek het, dat La Cueille’s kogel de hersenpan van den kaaiman verbrijzeld had, dat daarin een gat, waarin een mansvuist kon gestoken worden, geslagen was, hetgeen niet anders kon verklaard worden dan dat het projectiel het doel onder een zeer stompen hoek getroffen en het verbrijzeld had zonder er in door te dringen. En werkelijk werd de kogel niet teruggevonden.
De twee Zwitsers verwonderden zich over den spitsen kop van het ondier, die zoozeer verschilde met dien der krokodillen in de benedenlanden. Van de Dajaks vernamen zij, dat in die streken drie soorten van krokodillen voorkomen: de „badjai bawoi”, „badjai sapit” en „badjai badjanka” [96] of de stompkoppige, de spitskoppige en de leguaanachtige. De eerste soort wordt alleen langs die zeeoevers en in die rivieren en meren aangetroffen, welker beddingen uit zacht slib bestaan; de tweede soort op zandige oevers of in die gedeelten der rivieren, waar zand en rolsteenen gevonden worden; en eindelijk de derde soort nimmer in zee, maar slechts in de bergstroomen, waar die watervallen vormen en over zware steenen heenbruisen. Deze laatste soort, veel kleiner dan de twee andere soorten, is toch zeer vraatzuchtig en ondernemend en dus niet minder gevaarlijk voor den mensch.
Alhoewel de Dajaks de krokodillen als gezanten van Djata [97] en dus als wezens van goddelijken oorsprong vereeren, en zij zich verbeelden, dat die dieren in de bovenwereld een geheel andere gedaante hebben en slechts als badjai op de aarde verschijnen om de bevelen van hun Heer ten uitvoer te brengen, zoo wordt hun wrevel toch gaande gemaakt, wanneer een kaaiman een mensch aanvalt. In dat geval is weerwraak niet alleen ten volle geoorloofd, maar zelfs een niet te ontduiken plicht. Allen wierpen zich dan ook op het kreng en kapten en kerfden om hun gemoed te koelen. Toen het ondier geopend was, vond men in zijn maag verscheiden afgeronde keien, ja zelfs een paar stukken steenkool ter dikte van een vuist; ook werd daarin een fraaie witte koraaltak ter lengte van een vinger aangetroffen. Dit laatste deed Schlickeisen de veronderstelling uitspreken, dat het dier uit de Javazee naar de bovenlanden gezwommen was en dat het die reis in zeer korten tijd moest afgelegd hebben, daar die koraaltak nog niet door het maagzuur aangetast was. Johannes weersprak dat gevoelen en bracht in herinnering, dat in de binnenlanden van Borneo op vele plaatsen koraalbrecciën langs de rivieren en ook elders aangetroffen worden, als om het onomstootelijk bewijs te leveren, dat de Oceaan daar eenmaal zijn blauwe baren gerold heeft. De Dajaks bevestigden die meening, en verhaalden, dat bij hen een volksgeloof bestaat, volgens hetwelk deze soort van krokodil, bij het ondernemen van verre tochten, overal bij iedere negorij, waar hij voorbijzwemt, een steen, een koraaltak enz. tot herinnering aan die plaats inzwelgt. Vandaar dat zijn maag soms een waar magazijn van mineralen te noemen is.
De kop van het ondier werd behoorlijk van de vleeschdeelen ontdaan en zou, wanneer de arme vrouw, die door die vreeselijke tanden zoo toegetakeld was, kwam te sterven, op haar graf prijken. Helaas, dienzelfden dag nog overleed zij aan bloedverlies. Wel had men gepoogd, het bloed met Pengawar Djambie [98] te stelpen; maar vele aderen waren verscheurd, waaronder slagaderen; en hoe uitstekend die stof bij eenvoudige verwondingen als bloedstelpend middel ook werkt, bij zulke verbloedingen was zij volkomen machteloos. De titih was nog niet verstomd voor den gesneuvelden Mawatter, toen zij voor dit andere slachtoffer andermaal moest weerklinken.
Toen dat rivierdrama afgespeeld was, verzamelden de voornaamste ingezetenen der kotta zich, om te beraadslagen wat hun nu verder te doen stond. Het was waarachtig een uiterst kritiek geval. Het was onmogelijk te ontkennen, men had de bevelen van de Nederlanders getrotseerd; men had zich tegen hen gewapenderhand verdedigd en bij den strijd waren ettelijke van de Hollandsche onderhoorigen omgekomen. Hoe zou dat alles opgenomen worden? Niet malsch, daarvan kon men zich verzekerd houden. Dat er représailles genomen zouden worden, dat was voor het inlandsche karakter zonder twijfel. Maar.... zouden die niet te ontgaan zijn? Wel zeker. De geheele bevolking van kotta Djankang zou opbreken en zich naar de binnenlanden begeven, ver boven de „kihams” (watervallen), waar de blanken niet of slechts hoogst moeielijk zouden kunnen komen. Dit voorstel vond, ofschoon het door de meerderheid toegejuicht werd, geen onverdeelden bijval. Het is waar, zij waren afstammelingen van de „Badjankang’s” [99], een zeer uitgebreiden Dajakschen stam, die in de nabijheid van Kaap Datoe het Kemai-, het Semadjoe- en het Kariembanggebergte bewoont. Hunne voorouders waren herwaarts verhuisd, omdat zij geen vrede konden hebben met de Serawak- en Batang Loepar-Dajaks en het koppensnellen aan de orde van den dag was. Maar zij hadden zich hier door huwelijken vermaagschapt met de naburige stammen en waren daarin als het ware opgegaan. Zij waren geene Badjankang’s meer, zij waren Ot Danom’s. Hier stonden de graven hunner ouders; hier hadden zij het eerste levenslicht aanschouwd en waren hun kinderen geboren. Hier lagen hun velden en stonden hun huizen. Hun „hampatong’s” [100] verhieven zich allerwege. Voorzeker, een volksverhuizing zou velen smartelijk vallen; ja, er waren er, die in wanhoop uitriepen, dat het lafhartig was uit vrees voor de Hollanders de plaats te ruimen, want dat men zich zeer goed verdedigen kon.
Toen de discussie dien toon bereikt had en zij dreigde tot tweedracht te voeren, stond Johannes op en beklom, na eenige ruggespraak met Amai Kotong, het kottahoofd, en met Harimaoung Boekit, het Poenanhoofd, de tadjahan en voerde den verzamelden toe:
„Amaingkoe! Kakangkoe! Andingkoe!” (mijn vaders, mijn oudere en jongere broeders).
„Het is onnoodig te twisten over iets, waarvan de oplossing zoo eenvoudig mogelijk is. Een partij wil heentrekken en de andere wil blijven, vandaar het verschil van gevoelen. Gelooft mij, zij die wenschen te blijven hebben gelijk. Wat is toch de zaak met de Hollanders? Uw hoofd Amai Kotong heeft Harimaoung Boekit, zijn gast en den zoon zijns ouderen broeders niet willen uitleveren. Op zijn bevel hebt gij uw kotta verdedigd en de wetten der gastvrijheid ongeschonden bewaard. Hij, hij alleen is dus de schuldige; hij is de eenige, wien iets ten laste kan gelegd worden. De Hollanders, die er zoo’n hoogen prijs op stellen, dat de bevolkingen hun overheden gehoorzamen, zullen niemand anders lastig vallen dan hem, die de bevelen tot verzet gaf. Zij zullen, wanneer zij terugkomen, alleen de uitlevering vorderen, in de eerste plaats van Harimaoung Boekit, de hoofdoorzaak van de oneenigheid, en dan die van uw hoofd, die hun bevelen durfde te weerstreven.”
Een gehuil beantwoordde die woorden. Het was als een storm van verontwaardiging, die losbarstte.
„Houdt gij ons voor den gek? dat nooit!! dat nooit!!!”
„Neen, dat nooit! dat weet ik wel,” voer Johannes voort.
„Maar als je dat weet, wat wil je dan?” vroeg een stem uit den hoop barsch. „Je schijnt wel een verrader.”
„Als je die woorden nog eens spreekt, dan smijt ik je met mijn mandauw naar het hoofd!” was het driftige antwoord van den speacher.
„Je kunt toch niet veronderstellen, dat we ons hoofd en onzen gast in handen van de blanken zullen stellen?”
„Stil, je laat me niet uitspreken. Ik herhaal, de Hollanders zullen alleen de uitlevering van Harimaoung Boekit en Amai Kotong eischen en....”
„Maar dat willen we juist niet!” brulde de troep.
„Ik herhaal het, dat weet ik wel, ik weet dat een Dajak niet in staat is de wetten der gastvrijheid te schenden of zijn hoofd uit te leveren. Niettegenstaande de groote geldsommen, die voor zulk een schanddaad uitgeloofd werden door de Hollanders, heeft nog geen Dajak dat bloedgeld trachten te verdienen. Geen uwer zal ook zijn leven daarmee willen koopen.”
„Neen! neen!!” was het geestdriftvol geschreeuw.
„Goed zoo! zoo hoor ik het gaarne. Die uitlevering zal ook niet noodig zijn. Harimaoung Boekit zal wel maken, dat hij met zijn Poenans weg zal zijn, voor dat de Hollanders terug komen en Amai Kotong zal met hem mede gaan; want hij heeft mij verzekerd dat, om alle oorzaak van onheil weg te nemen, hij voornemens is naar het landschap Miri, van waar hij geboortig is, terug te keeren.”
Sprakeloos hoorde de menigte die verklaring aan. Aller oogen wendden zich naar het kottahoofd als om de bevestiging van het gehoorde te erlangen. Deze knikte met het hoofd:
„Ik trek met mijn gansche familie af!” riep hij uit.
„Bij die beslissing wordt de oplossing van de gerezen moeielijkheid gemakkelijk,” voer Johannes voort. „Gij kiest een nieuw hoofd en de nieuw gekozene zendt een deputatie naar Bandjermasin om aan den Grooten Heer der Hollanders zijn leedwezen over het gebeurde te kennen te geven en zijn onderwerping en die van de bewoners van kotta Djankang aan te bieden. De afgezanten vertellen dan met veel omhaal, dat, na het vertrek der Kwala Kapoeassers, de bevolking van kotta Djankang met behulp van de mannen van soengei Mawat, haar hoofd Amai Kotong vervallen verklaard heeft en dat deze zich met Harimaoung Boekit uit vrees voor erger, door de vlucht gered heeft.”
„Maar dat zal toch een onwaarheid zijn!” riep de stem van straks.
„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen, dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt, het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte Johannes sarrend; „maar....” liet hij er meer ernstig op volgen: „bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen, dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon [101] ze door de „kiham apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren, zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te spreken.”
Spottend en snijdend sprak Johannes. Maar hij had nog zeer lang kunnen praten, zonder dat iemand hem in de rede gevallen zoude zijn. De vergaderden verdrongen zich om Amai Kotong en toen deze de verklaring had afgelegd, dat het reeds lang zijn wensch was geweest om het laatste gedeelte zijns levens te gaan doorbrengen in het land zijner vaderen, in het land waar hij geboren was; en dat hij nu de gelegenheid aangreep, om zijn heengaan tot heil van de bewoners van kotta Djankang te doen strekken.
Allen drukten hem met innigheid de hand en betuigden hun instemming met een beslissing, die de moeielijkheid volkomen oploste.
Een paar uur later, toen de Mawatters binnen de versterking waren aangekomen, werd, nadat die op de hoogte der omstandigheden gebracht waren, onmiddellijk tot de verkiezing van een nieuw hoofd overgegaan. De volkskeus vestigde zich op een jeugdig man met name Njawong, die zich, hoewel tegenspartelende, den titel en de betrekking van Amai liet welgevallen. Onder den aandrang van Johannes benoemde het nieuwe hoofd een gezantschap, bestaande uit twee voorname Djankangers en twee voorname Mawatters, om de onderwerping van kotta Djankang aan den Toean Besar te gaan aanbieden. Johannes met Amai Kotong en Amai Njawong drongen er op aan, dat de gezanten onmiddellijk zouden vertrekken, om door hun verschijning en onderwerping het nemen van maatregelen en het volvoeren van krijgstoerustingen overbodig te maken. Zij mochten evenwel de afgetrokken aanvallers van kotta Djankang niet inhalen, maar moesten hen op een eerbiedigen afstand volgen om geen oorzaak te zijn, dat de kommandant van Kwala Kapoeas door die preliminairen verlokt, het voornemen zoude kunnen opvatten, ontijdig naar kotta Djankang terug te keeren. Ook moesten zij trachten goed op de hoogte te blijven en dadelijk bericht zenden, wanneer zij hetzij ter hoofdplaats, hetzij te Kwala Kapoeas, iets van krijgstoerustingen tegen kotta Djankang zouden vernemen.
Johannes als degelijk aanvoerder dacht aan alles.
De zon was de westerkim nog niet genaderd, toen de afgezanten de reis reeds aanvaardden.
Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en rangschikken. Daarin was de raoeng van den gesneuvelde, nadat het deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met „katipei” [102], op de „menggatil raoeng”, een stellage van zwaar en kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala” [103] vervaardigd en behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en veertig [104] roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee andere vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s” overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten; en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden. Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.
In de derde versierde prauw zaten een aantal van een en twintig Balians, die de lucht van hare gezangen deden weergalmen en die formulieren op de maat met hare katambong’s begeleidden. Achter de prauw der priesteressen kwamen de overige vaartuigen der Mawatters, die zich volgens de voornaamheid harer eigenaars in een lange rij achter elkander schaarden.
Toen de stoet van wal stak, brandden al de kanonnen der kotta los en verhief zich een oorverdoovend en langgerekt: lēēēēēēh lèlèlèlèlèlelele ooouiiiit! als om den gevallene voor het laatst te groeten en eer te bewijzen.
„Nihau jèh,” klonk daartusschen het weemoedige gezang der priesteressen: „Nihau jèh lonok batipas, ohate baringen, jèh belongkan boekit.
„Tingang jèh teseke lajang harimaoung marantong batoe, benang jèh tariop bitie ingampoh tandjoeng ambon.
„Boelau mantap tasalèh indoe tangalong enon.”
„Verloren is hij als de Lonokboom [105], wiens wortels geknakt zijn, als een Wariengien, die omgevallen is op den berg.
„Als een Tingang [106] is hij bij den terugkeer verdwaald, als een tijger afgestort van de rots, als een stuk linnen weggewaaid op den voortijlenden alles bedekkenden nevel.
„Als een stuk goud is hij weggesprongen onder de hand des goudsmids, weggesprongen om den dauw te vergulden.”
De prauwen schoten den hoek om, de soengei Mawat in en waren nu voor het oog verdwenen. De nastarenden konden het getrommel der Balians nog hooren en den gecadenceerden rythmus van het eentonige gezang nog eenigen tijd waarnemen, maar verstaan wat er gezongen werd, dat was niemand meer mogelijk.
De bewoners van kotta Djankang, zoo eensklaps uit hun gewone doen en laten gerukt, keerden na vrij rustelooze dagen doorgebracht te hebben, tot hun normalen toestand terug. Na het verdwijnen van die prauwen bleef ter herinnering aan het doorgestane beleg niets anders over dan het lijk van de arme vrouw, die het slachtoffer van den kaaiman was. Alles was nu stil en als verlaten; kalmte en ingetogenheid heerschten, waar in de vorige dagen slechts gejoel en gegil werden vernomen en alleen het weemoedige gelui der titih liet zich, zoolang het lijk in de kotta was, van tijd tot tijd hooren.
XXII
Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.
Na die bedrijvigheid gingen een paar dagen in ongestoorde rust voorbij. Vooral de Europeanen luierden letterlijk uit van de vroeger ten toon gespreide arbeidzaamheid. Maar toen die om waren, werd het tijd aan de voorbereidingen tot het vertrek te denken.
Die voorbereidingen waren waarachtig niet onbeduidend. Het waren thans geen vier mannen slechts, die de reis zouden aanvaarden; het was een geheele kolonie, die de binnenlanden ging intrekken om zich daar metterwoon te vestigen. Het huisgezin van Amai Kotong was zeer talrijk; hij zelf had een twaalftal kinderen, waarvan de grootste helft gehuwd en op haar beurt reeds ruim gezegend was of in staat van zegening verkeerde, of de hoop op zulk een zegening koesterde. Hij bezat daarenboven een tachtigtal pandelingen van beiderlei kunne en een twintigtal kinderen van die pandelingen. Het was bijgevolg een geheele volksverhuizing, die te regelen viel. Bij die verhuizing zouden zich aansluiten Hamadoe, de zuster van Harimaoung Boekit, met een paar vriendinnetjes, onder welke laatsten de lieve Moendoet, de aanstaande mevrouw La Cueille, gerekend moest worden; verder het Poenanhoofd met zijn stamgenooten, welke laatsten wel een gewenschte toevoeging aan den tocht zouden uitmaken. Die fiere zonen der wildernis waren fiksche pootige kerels, ieder als een Hercules gebouwd, met spieren als van staal en gewoon om bij hun tochten door de bosschen de grootste hinderpalen te overwinnen en om ontberingen te lachen. Zij zouden de eigenlijke kracht van de reizende kolonie uitmaken; ja, zonder hen ware de verhuizing, althans op die schaal, wellicht onmogelijk geweest; want het waren bijna honderd vijftig menschelijke wezens, allen bewoners van kotta Djankang, waaronder vele vrouwen en kinderen, die het koppensnellersland zouden intrekken.
De afstand, die afgelegd moest worden, was niet zoo bijzonder groot. In rechte lijn bedraagt die van kotta Djankang tot kotta Rangan Hanoengoh, verblijfplaats van Harimaoung Boekit aan de soengei Miri, nog niet volle 140 kilometer. Maar in een terrein als de boven-Dajaklanden is de rechte lijn niet denkbeeldig als bij ons, doch geheel en al onbekend; en de kronkelingen van den te volgen weg moesten zoodanig in rekening gebracht worden, dat die 140 KM. onoverdreven tot het dubbele getal uitdijden en dat langs gemeenschapswegen, die dien naam ternauwernood mochten dragen.
Johannes drong tot spoed aan. Hij bracht de wat langzame Dajaks aan het verstand, dat in de bestaande omstandigheden, tijd veel meer dan goud waard was, iets wat hun begrip geheel en al te boven ging. Men was in het land, waar het goud maar voor het rapen was; maar als men het geraapt had, och! dan had tijd hoegenaamd geen waarde meer.
„Wat de menschen toch dwaze dingen vertellen kunnen,” redeneerden de kotta Djankangers en de Poenans, „vooral wanneer zij met die inhalige blanken in aanraking zijn geweest.”
Maar zonder zijn wenkbrauwen te fronsen, maakte Johannes hun duidelijk, dat, wanneer de leden van het gezantschap niet in hun zending slaagden en de Hollanders het er op zetten naar de Boven-Kapoeas terug te komen, men ze spoediger zou zien verschijnen, dan wel gedacht werd. De beschikkingen, die voor de voorgenomen verhuizing te nemen waren, konden veelvuldig genoemd worden en de tijd was kort.
Eindelijk behaalde de redeneerkunst van den vermomden blanke de overwinning op de traagheid der inboorlingen en nu dit eenmaal het geval was, nu waren de belanghebbenden weldra in volle beslommering om zich tot het vertrek gereed te maken.
Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling [107]—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen; maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft omslaan tot natuurlijk gevolg.
Rangkans en djoekoengs waren in voldoende hoeveelheid te kotta Djankang voorhanden en bevonden zich goed bewaard onder de op palen gebouwde woonhuizen en magazijnen binnen de versterking. Men kon, zoo men wilde, dadelijk beginnen met die te water te brengen en haar op doelmatige wijze te beladen. Dewijl zij van wege de kihams nog al eens ontscheept zouden moeten worden, zorgde men, dat zooveel mogelijk alle mede te voeren voorwerpen tot een- of tweemans vrachten verpakt werden, waarbij niet uit het oog mocht verloren worden, dat de Dajaks zeer ongeneigd zijn, lasten op hun schouders te torschen en dat ook niet kunnen in die mate, als dat door de Javanen verricht wordt. Daarom werden dan ook de levensmiddelen en alle andere zaken, die zich daartoe eigenden, in mandjes verpakt, die van de noodige rottanlussen voorzien, als een ransel op den rug bevestigd en alzoo met gemak en behendigheid gedragen konden worden. Die mandjes in de Dajaklanden zijn van gevlochten rottan vervaardigd, hebben den vorm van een afgeknotten kegel van ongeveer 75 cM. hoog, met een bovenwijdte van ± 40 en een benedenwijdte van 25 cM., zijn van binnen met waterdichten boombast gevoerd en hebben een flink en hermetisch sluitend deksel.
De kanonstukjes werden nog in batterij gelaten, om bij een eventueelen terugkeer des vijands niet ongewapend overvallen te worden; evenwel werden er stevige rottanstrikken zoodanig omgelegd, dat men slechts de noodige draagstokken door de gevormde lussen te steken had om de vracht dadelijk te kunnen optillen en weg te voeren. De deserteurs belastten zich voornamelijk met het vervoer van de artillerie en munitie, waarvoor hun stevige schouders ten volle berekend waren. Wel had men er een oogenblik aan gedacht, een paar dier stukjes ter bewapening van kotta Djankang achter te laten. Maar de zeer gegronde opmerking, dat de Hollanders ze toch als hun eigendom zouden terugnemen en het ook beter was, dat de kotta bij de nieuwe phase, die haar bewoners intraden, een zeer vreedzaam uitzicht had, deed daarvan afzien. Dezelfde beweegreden gold ook ten opzichte van de buitgemaakte geweren te Kwala Hiang, die allen medegenomen werden. Van een andere zijde had ook Harimaoung Boekit zich zeer begeerig getoond die stukjes te bezitten. Wat zou hij trotsch zijn, wanneer hij zijn kotta in soengei Miri daarmede bewapend zoude zien.
Voedingsmiddelen waren in overvloed voorhanden, dat wil zeggen, men had rijst in voldoende hoeveelheid; ook had men een goede provisie „koedjang” [108], lombok en andere toespijzen. Alleen in vleeschspijzen was men niet ruim gesorteerd. Het gezouten vleesch en spek, door de deserteurs aangevoerd, waren nog slechts voor een klein gedeelte aanwezig, dewijl de Dajaks zich daaraan als aan een délicatesse hadden te goed gedaan. Amai Kotong en Harimaoung Boekit verzekerden evenwel, dat op hun reis geen dierlijk voedsel zou ontbreken; de vrienden zouden meer dan eens in de gelegenheid komen om met hun juist schot een hert neer te leggen.
Maar om toch geen teleurstelling deswege te ondervinden, werd besloten een „manobah”, dat is een vischvangst op groote schaal te doen plaats vinden, om zulk een ruime proviand op te doen. De gasten te kotta Djankang werden uitgenoodigd, die vischpartij bij te wonen. Onze reizigers zouden ervaren, dat zulk een partij een waar nationaal feest voor de Dajaks is, hetwelk voor hen uiterst belangwekkend zoude zijn.
Tot de voorbereidingen tot die vischvangst behoorde de inzameling van een aanzienlijke hoeveelheid wortels van den „tobah”-struik [109]. Daar er nog al moerasachtige plekken tusschen de omringende heuvels van kotta Djankang aangetroffen worden, baarde die inzameling niet veel moeite en was zij al zeer spoedig geschied. De ingezamelde wortels werden toen in verscheidene djoekoengs met overvloedig water geweekt en daarna met platte stukken hout zoolang geklopt, totdat het water in de djoekoengs een melkwitte kleur verkregen had. De uitgeweekte wortelvezels werden toen verwijderd en het vocht behoorlijk afgeschuimd, waarna wat levende kalk en een vrij sterk aftreksel van tabak daarin gemengd werd. Men had toen zoo wat een zestal djoekoengs met tobahwater gevuld.
Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag voeren een overgroot aantal zeer lichte vaartuigen, waaronder ook die met het mengsel gevuld, de soengei Mawat in, waarna dat riviertje met een „salambouw”, groot vierkant net met middelmatig groote mazen, zoodanig afgesloten werd, dat de onderrand van het net, op de bedding der soengei met steenen verankerd en de bovenrand zoo wat een handbreedte boven het watervlak uitstekende, geen enkele visch het riviertje kon verlaten. Twee djoekoengs, ieder met drie opvarenden bemand, vatten post bij het net om te waken dat het niet, hetzij door opkomende prauwen, hetzij door den zwaren stroom beschadigd of opgetild werd.
Toen men daarmede klaar was, verdeelde het mannelijk gedeelte der expeditie zich zoodanig over de aanwezige djoekoengs, dat in ieder der vaartuigen zich drie man bevonden. De dameswereld—want vele der schoonen van kotta Djankang waren mede uitgetogen om van de pret getuigen te zijn—had zich bij elkander in twee groote prauwen geschaard, terwijl een derde prauw een aantal Balians bevatte, die bij geen feestelijkheid, dus ook bij deze niet, mochten ontbreken.
Nu werd de soengei in alle stilte, maar toch krachtig en vlug, opgeroeid. Dat oproeien duurde zoo omstreeks vier uur en onderwijl werden de mondingen van een paar onaanzienlijke spruitjes, die zich in de Mawat ontlastten, ook met netten afgesloten.
Op de gewenschte plaats aangekomen, werd het tobahwater op verschillende punten tegelijk met klapperdoppen in de rivier geworpen. Terwijl de vaartuigen zachtjes en in alle stilte zich voor den stroom lieten afdrijven, was men gedurende een klein half uur nagenoeg werkeloos, om het vergiftigde water tijd te geven, zich met het rivierwater te vermengen. Intusschen maakten de visschers zich gereed den buit te kunnen bemachtigen. Van de drie opvarenden, die iedere djoekoeng bemanden, bleef hij, die aan den achtersteven gezeten was, de pagaai in handen houden om het vaartuig te besturen; de twee anderen met een harpoen of een schepnet gewapend, de een voor op de spits, de ander in het midden der djoekoeng post vatten, gereed om toe te tasten.
Men had Schlickeisen en Johannes bij elkander in een en Wienersdorf met La Cueille in een andere djoekoeng geplaatst. De Waal had bij al die voorbereidingen al schuchter uitgekeken en aan Johannes in het voorbijvaren al eens gevraagd, of hij geen verzen uit den Koran te prevelen had.
„Loop heen,” had deze geantwoord, „je bent immers geen Sjech meer; handel nu maar, zooals je je vrienden, de Dajaks, ziet doen.”
„Ik wou, dat ik aan den wal was,” prevelde de Belg, wien dat geheele spel niets beviel.
„Misschien bij moeders pappot thuis, niet waar?” lachte Johannes.
Na ongeveer een half uur begon zich de werking van het bedwelmende vocht te openbaren. Eerst kwamen de kleinste visschen aan de oppervlakte, staken de koppen boven water, zwommen in steeds kleiner en kleiner wordende kringen rond en trachtten in hun doodsbenauwdheid uit het vergiftigde vocht te springen. Met deze werd niet veel omhaal gemaakt; zij werden eenvoudig met het schepnet of met mandjes opgehaald en in de vaartuigen geworpen.
Maar later werden de visschen, die de watervlakte in beweging brachten, al grooter en grooter en ook talrijker. Nu werd naar den „salahawo” (harpoen) gegrepen; want het was totaal ondoenlijk, visschen van een à twee M. lengte met het schepnet op te halen. Nu begon een leven, een bedrijvigheid, die onze Europeanen verrukten en waaraan zij van nu af met hart en ziel deel namen. Al de aanwezige vaartuigen—wel een vijftig in getal—schoten over een oppervlakte van slechts zeer geringe uitgestrektheid als door elkander. Met de uiterste behendigheid stuurden de roergangers op de wenken en aanwijzingen der harpoeniers hun vaartuigjes. In het water beschreven de visschen groot en klein allerwege kringen, plasten en sprongen, om eindelijk aan den harpoen geregen te worden. De menigte joelde door elkander; de befaamde visschers spreidden met een soort van trots hun behendigheid ten toon. De jongere poogden die kunststukken na te doen en werden daarin aangemoedigd door de lieve toeschouwsters, die een vreugdekreet niet konden weerhouden, wanneer het een der jongelingen gelukte, een aanzienlijke vangst te doen. De Balians gilden haar gezangen, roffelden op haar trommen en wisselden haar invocatiën met de Sangiangs om den visschers een overvloedige vangst te verleenen, af met loftuitingen op hen, die zich door behendigheid en kracht onderscheidden.
Van die loftuitingen kregen onze Europeanen maar een zeer sober deel en dat deel kon nog slechts meer als een beleefdheidsvorm van de dartele priesteressen, dan als verdiend beschouwd worden. Wel hadden de nieuwbakken Dajaks de behendigste prauwvoerders te hunner beschikking, maar dat hielp hen niet veel; want dat het harpoeneeren niet ieders werk is en een voorafgaande oefening vereischt, bleek hun al ras. Ontelbare malen staken zij toe, zooals zij dat de mannen hunner omgeving zagen doen, wanneer het water in de nabijheid hunner djoekoengs in een borrelende beweging geraakte en dan te midden der gevormde kringen een gapende kop aan de oppervlakte verscheen; maar telkens te vergeefs. Dan eens gleed de harpoen voor of achter het doel, dan weer eens rechts of links van den visch zonder hem te raken, of werd hij al eens geraakt, dan nog was de stoot zoo onvast, zoo onbehendig aangebracht, dat de harpoen op de glibberige huid van den visch afstuitte en er niet doordrong. En het was of de waterbewoners begrepen, dat daar dichtbij die twee djoekoengs het gevaar het minst was. In die nabijheid borrelde het water het allermeest en was het soms of het kookte; allerwege kwamen gapende koppen te voorschijn.
Bij de eerste stooten zetten de Djankangers en de Poenans verwonderde gezichten; zij konden niet begrijpen, dat iemand zoo onhandig kon zijn. Hoofdschuddend schreven zij dat aan den omgang hunner gasten met de Hollanders toe: „die verwijfde bleekgezichten waren niet eens in staat een ellendig vischje voor hun maaltijd te bemachtigen.” Geen dier natuurkinderen miste ooit een stoot en, terwijl zij de kleine zooi veronachtzaamden, werden niet zelden met veel gejuich of een „dahoeman”, een paling van soms twee M. lang, of een „kaloi”, of een „djampol”, witvisschen van geen mindere lengte, boven water gehaald. Maar toen die misstooten aanhielden en onze vrienden nog geen enkel vischje, groot of klein, bemachtigd hadden, begon een luid gelach hun telkens vergeefsche pogingen te begroeten en weldra regende het kwinkslagen van alle kanten.
„Inedjep halit! inedjep halit!” (doorstoken, maar toch geheeld) [110] klonk het grinnikend, en het waren voornamelijk de vrouwen, die zich met die onhandigheid vermaakten. Dat werkte eenigermate op het gevoel der onbedreven harpoeniers. O! hadden hun stooten aan hun verlangen beantwoord, dan hadden zij zegevierend den salahawo gedrild en hun omgeving een lesje gegeven. Maar, helaas! hun pogen beantwoordde niet aan hun begeerte om uit te blinken. Wel trachtten zij onder de spottende oogen der schoonen telkenmale bewijzen van vooruitgaande behendigheid te geven. Zij werden al meer en meer opgewonden en driftig onder den angel der kwinkslagen en stootten eindelijk toe met een kracht, alsof zij de visschen aan den bodem der soengei wilden vaststeken. Voornamelijk staken Wienersdorf en La Cueille grimmig toe; zij voelden zich als vernederd, zoo onder de oogen hunner aangebedenen uitgelachen te worden. In het vuur van den strijd bracht de Zwitser op eens zijn harpoen met zoo’n kracht vooruit, dat de djoekoeng kantelde, hij het evenwicht verloor en kopje onder in het water verdween. Een uitbundig gelach en een gillend hoera begroetten dien val. Blazend en proestend greep de drenkeling, toen hij weer aan de oppervlakte verscheen, een hem toegestoken pagaai en trachtte zijn plaats in de djoekoeng te nemen, daarin geholpen door een aantal armen, die zich hulpvaardig, maar toch spotziek, naar hem uitstrekten en het hunne er toe bijbrachten, om hem meer water te doen innemen, dan wel bij minder luchthartige hulp het geval zoude geweest zijn.
De lieve Hamadoe had innig medelijden met het ongeval van haar galant, maar kon toch niet nalaten hartelijk mede te lachen.
Maar La Cueille, die aan zijn lachlust ook botgevierd had, bracht het er niet beter af. Bij een zijner veelvuldige pogingen gelukte het hem eindelijk zijn harpoen in het lichaam van een kolossalen visch vast te steken. Met inspanning van alle krachten trachtte hij zijn vangst binnen boord te halen, maar dat was zoo gemakkelijk niet. Wanhopig spartelde het gewonde dier tegen en ontwikkelde daarbij een spierkracht, die onzen Waal in zijn schommelend vaartuig veel werk gaf. Eindelijk na veel getob en na vele inspanningen kwam hij er toe, den kop van den visch op den rand van de djoekoeng te brengen; maar toen....
„Sainte Vierge de Jupille, ayez pitié de moi!” schreeuwde hij, terwijl hij den steel van den harpoen plotseling losliet, waardoor het evenwicht verloren ging, het vaartuig onder de zwaarte van den visch overhelde en ook hij over het monster heen in het water terecht kwam. Was het gelach straks uitbundig geweest, thans barstte een ware storm los. Het was of het waanzin was, die al de aanwezenden in een aanstekelijke lachbui had gebracht. Nimmer had het volkje van kotta Djankang zoo’n pret gehad.
De Waal kroop beschaamd en beteuterd aan boord. De lachlust verminderde niet, toen hij druipnat en met sluik hangende haren en baard zorglijk rondkeek waar toch zijn harpoen gebleven was. Een der Dajaks had dien gegrepen en met weinig moeite den visch bemachtigd. Het was een „intoh” van ruim zes voet lang, die met zijn krokodilachtigen muil en ontzagwekkende tanden den Waal zoo’n schrik had aangejaagd en zijn bede om hulp had afgeperst. Toen het dier bij La Cueille in de djoekoeng geworpen werd, scheelde het al zeer weinig of deze was andermaal te water gegaan; hij vermande zich echter, maar zorgde toch op een eerbiedvollen afstand van de tanden van het zieltogende dier te blijven.
Langzamerhand verminderde het aantal visschen, dat zich aan de oppervlakte des waters vertoonde, en weldra kon de vangst als geëindigd beschouwd worden. Men was ook zoo zachtjes, al harpoeneerende, al lachende, schreeuwende en gillende de soengei Mawat afgezakt en de vaartuigen bevonden zich eindelijk in haar monding. Nadat de salambouw was opgehaald, stevende men de Kapoeas in en werd de visschersvloot feestelijk en onder het gedonder van het onmisbare kanonvuur te kotta Djankang ontvangen.
Een tiental djoekoengs waren boordevol met de opbrengst van het manobah gevuld. Onder de gevangen visschen waren de reeds genoemde soorten: kaloi, djampol en dahoeman, ruimschoots vertegenwoordigd. Het meest was echter de „handiroeng” gevangen, een intertropische forelsoort van ongeveer 12 dM. bij volkomen wasdom, die zeer lekker is en dan ook volkomen gewaardeerd wordt. Van deze soort bevonden zich een groot duizendtal in de djoekoengs.
Het grootste gedeelte dezer vangst werd onder de bevolking verdeeld. De visschen, door het tobahvergif gedood, kunnen genuttigd worden en zijn volkomen onschadelijk. Zij kunnen evenwel niet gedroogd of gezouten worden, daar zij te spoedig tot bederf overgaan. Een groot aantal forellen werden tot „kalampies” toebereid, dat wil zeggen, zij werden in mooten gesneden en daarna in bladeren gewikkeld, om met wat zout en fijngewreven lombokh gepoft te worden. Zoo geconserveerd, kon die visch een onbepaalden tijd bewaard worden en waren die kalampies voor de reizigers een zeer welkome proviandeering, daar zij hen van iedere bezorgdheid omtrent dierlijk voedsel op de reis onthief en hen dienaangaande van alle eventualiteiten onafhankelijk maakte.
Daags na die vischvangst zouden onze deserteurs van een plechtigheid van anderen aard getuigen zijn. Waarlijk, het scheen alsof het lot het er op gesteld had, hen het geheele innerlijk leven van de volkstammen, in wier midden zij zich bevonden, te laten aanschouwen.
In de Dajaklanden wordt overal op een vastgestelden dag van de week recht gesproken. Het kottahoofd omringt zich dan door drie tot zeven oudsten, naarmate van de belangrijkheid van de te voeren gedingen, en beslecht de geschillen, die in de afgeloopen week zijn ontstaan en omtrent welker beëindiging zijn bemiddeling is ingeroepen. Dat is in den regel voor de bevolking geen gewone dag. De Dajaks toch zijn het meest gedingzuchtige volk der geheele aarde. Zij gevoelen zich niet gelukkig, wanneer zij niet een „basara” (proces) hebben. Blijft hun die karaktertrek in de toekomst bij, dan zullen zij, wanneer zij eenmaal in den maalstroom der beschaving medegesleept worden, het land van belofte voor de advocaten vertegenwoordigen. Zoo’n basara-dag is dan ook een halve feestelijkheid voor de bewoners eener kotta, daar het bijwonen van de zitting van den „rantèp” (landraad) [111] voor velen een onweerstaanbare aantrekkelijkheid heeft. Voor kotta Djankang was de eerstvolgende „rantèpan” buitendien van buitengewone beteekenis, daar het nieuw benoemde hoofd Amai Njawong, de vervanger van Amai Kotong, voor de eerste maal als voorzitter zoude optreden.
Er waren eenige voorafgaande kleine geschillen uit te maken, waarbij de Europeanen de bedrijvigheid en de behendigheid der „kamanangan’s” (advocaten) [112] konden gadeslaan. Met uiterst veel belangstelling zagen zij, dat die pleitbezorgers bij ieder hunner overtuigende redeneeringen of afdoende tegenwerpingen, en ook bij ieder geleverd bewijs, een rottanpoppetje, „hampatong oewei” genaamd, waarvan zij ambtshalve voorzien waren, voor zich in den grond staken of een dergelijk, door de tegenpartij reeds geplant, wegnamen. Deze poppetjes verzinnelijkten het aantal geleverde deugdelijke bewijzen. Na afloop der pleitredenen werden zij aan weerszijden geteld en de basara ten voordeele van hem uitgewezen, wiens advocaat het grootste aantal poppetjes had kunnen planten en behouden. Dat daarbij niet weinig goochelarij aan den dag gelegd werd, ontsnapte onzen avonturiers niet. Het gebeurde zelfs, dat twist onder de kamanangan’s over het aantal hampatong oewei ontstond en de eene partij de andere beschuldigde van met dubbel krijt te hebben geschreven, hetgeen natuurlijk tot een nieuw proces aanleiding gaf en met de noodige getuigen de volgende week zoude dienen.
Tot de meer belangrijke gedingen behoorde de beschuldiging, die een meisje tegen een der meest welgestelde jongelingen der kotta inbracht, namelijk haar verleid te hebben, van welke daad de gevolgen niet uitgebleven waren. Toen zij haar beschuldiging met heldere stem, zonder blikken of blozen, uitgesproken had, moest tot het „manjapa” (beëediging) overgegaan worden. Een der rechters bracht een zwarte kip te voorschijn en reikte de schoone een ontblooten mandauw over, terwijl hij in weinige woorden opmerkte, dat met dat wapen menschenbloed vergoten was. Zij nam het zwaard met vaste hand aan, zwaaide het, terwijl een glimlach haar lippen krulde, bevallig boven haar hoofd en richtte de bede tot Mahatara, te willen toestaan, dat zij onthoofd zoude worden, zooals dat der kip ging geschieden, bijaldien zij onwaarheid had gesproken. En den arm bliksemsnel en met kracht omlaag brengende, hieuw zij de kip den kop af. Het wapen toen overreikende, ving zij wat bloed van het dier op en besmeerde zich daarmede den fraaien boezem en de bovenarmen onder het uitspreken van de schrikverwekkendste verwenschingen.
Op de vraag, of zij getuigen kon bijbrengen, wees zij een harer vriendinnen aan, die bij afvraging verklaarde, slechts gezien te hebben, dat de beschuldigde aan de klaagster een zoen had gegeven, zonder meer.
De rechters glimlachten even in hun deftigheid.
De beschuldigde jongeling werd nu voorgebracht, maar hij ontkende iedere schuld. Die betuiging bezwoer hij met de duurste eeden en kapte ook in het volle vertrouwen op zijn onschuld een zwarte kip den kop af en besmeerde zich insgelijks borst en armen met het bloed van het vermoorde slachtoffer. Hij antwoordde met een eenvoudig hoofdschudden op de vraag, of hij eenige getuigenis kon bijbrengen; maar met een verwonderlijke radheid van tong wees hij er op, dat het geven van een zoen—daad, die hij volstrekt niet ontkende—onmogelijk het hier gevorderde bewijs van schuld kon daarstellen; want—voegde hij er glimlachend bij—ware dat wel het geval, dan zouden, volgens zijn overtuiging, al zijn rechters meermalen gedwongen in het huwelijk hebben moeten treden, daar het hem bekend was, zij van een zoen volstrekt niet afkeerig waren, en zij zelfs zeer zoenlustig konden genoemd worden. De geheele vergadering barstte op die verklaring in een onmatig lachen uit en niet het minst de rechters zelve, die alleen bij de gedachte aan de hun toegeschreven zoenlustigheid, de tong verlangend over de bovenlip lieten glijden. De Dajak is een ware lachebek; bij iedere gelegenheid voldoet hij met graagte aan die vroolijke geneigdheid.
Nadat de lachbui wat over was, werd het meisje gevraagd, of zij geen andere aanwijzingen bij te brengen had om haar beschuldiging te staven. Zij antwoordde ontkennend, doch hield haar aanklacht vol, er evenwel bijvoegende, dat het toch wel zijn kon, dat de beklaagde onschuldig was, daar zij terzelfder tijd een teedere betrekking met een ander jongeling uit de kotta, alsook met een pandeling haars vaders aangeknoopt had. De rechters fronsten de wenkbrauwen, maar konden toch niet anders doen dan de nieuwe beschuldigden voor zich te roepen. Maar ook deze betuigden luid hun onschuld. De pandeling zelfs wilde er niets van weten, dat hij van tijd tot tijd een zoen aan de dochter zijns meesters zou ontstolen hebben. Beiden aarzelden geen oogenblik, hun betuigingen met de duurste eeden te bevestigen.
Dat was een moeielijk geval, waarbij de wijsheid van het zoo hoog geroemde nieuwe Nederlandsche strafwetboek te kort zoude geschoten hebben, maar waarin de Dajaksche adat toch voorzien heeft. Na eenige ruggespraak bevalen de rechters, dat drie kommen, met gesmolten njating (hars) gevuld, voorgebracht zouden worden. Een houtvuur werd toen ontstoken, waarop de kippen, bij de beëediging onthoofd, met veeren en al werden verbrand, hetgeen een ondragelijken stank in de gerechtsloods deed ontstaan en bij ieder der aanwezigen een akelig gekuch uit de longen perste. Middelerwijl hadden de drie beschuldigden zich rondom de kommen geschaard tot het volvoeren van het „hasoedi.” Op een teeken van den voorzitter des rantèp’s moesten zij onder het uitspreken der woorden: „blako ontong Sangiang Assei” (help mij Sangiang Assei) den wijsvinger van de rechterhand in de gesmolten hars steken en dien vinger daarin een paar malen op en neer halen. Op het gegeven teeken daalden de vingers in de kommen, waarbij de pandeling een smartelijken gil slaakte, evenwel den moed had de hevige pijn te doorstaan en de vereischte beweging te maken. De beschuldigster stond er dicht bij; zij wijdde een blik aan den inhoud der drie kommen en keek toen de rechters met een gebaar van verachting aan. Overigens verstoorde zij de eerbiedige stilte niet. De drie vingers werden daarna zorgvuldig ieder in een lapje gewikkeld, dat eerst den volgenden morgen daaraf genomen zoude worden. Hij, wiens vinger alsdan ontveld of anderszins beschadigd zoude blijken, zoude voor schuldig gehouden en dientengevolge veroordeeld worden de klaagster te huwen.
Met aandacht hadden de Europeanen die rechtspleging gade geslagen en de wijsheid daarvan bewonderd. Zij zouden in de gelegenheid komen, zich nog meer te verbazen.
De laatste basara, die uitgemaakt moest worden, betrof een beschuldiging van poging tot vergiftiging. Dat was een heel oude zaak, die reeds tot veelvuldig en langdurig onderzoek had aanleiding gegeven. Een geruimen tijd geleden was een oud man overleden en wel onder omstandigheden, die een gedachte aan vergiftiging niet geheel verwerpelijk maakte. De zoon van den overledene had een beschuldiging tegen een man ingebracht, die zich vóór het overlijden uitgelaten had, zich te zullen wreken over een vonnis betreffende een diefstal van visch, waarbij de doode een valsche getuigenis zoude afgelegd hebben. Bij dat vergiftigingsproces evenwel konden geene afdoende bewijzen bijgebracht worden; hoe dikwijls ook de zaak voor den rantèp behandeld was, hoe de kamanangan’s van weerszijden zich ook beijverd en geweerd hadden, hoe vele getuigen ook gehoord waren, steeds was het aantal hampatong oewei van de eene aan dat van de andere partij gelijk geweest, de bewijzen staakten dus, zoodat niet uit te maken was, wie ongelijk had.
Zoo was de stand van het proces. Heden zou tot het „hagalangang” overgegaan worden, om tot de ontdekking van de schuld te geraken. De aanklager en de beschuldigde werden op het binnenplein van de kotta ieder in een enge kooi, van stevige bamboelatten zoodanig opgesloten, dat het benedenlijf van de maagstreek af geheel bedekt en beschermd was, terwijl de borst, de armen en het hoofd geheel ontbloot bleven. De kooi was daarenboven zoo eng, dat zij den opgeslotene nauwkeurig omsloot en hij daarin niet wegduiken kon. Op een afstand van ongeveer dertig pas van en front naar elkander geplaatst, werd aan ieder der partijen een scherp aangepunte bamboe van ongeveer een meter lang, die wel een werpspies kon genoemd worden, ter hand gesteld. Op een teeken moesten zij die spies te gelijker tijd naar elkander toeslingeren; hij die het eerste gekwetst werd, het zij licht, het zij gevaarlijk, zou gerekend worden door de Sangiangs veroordeeld te zijn. Viel dit den beschuldiger ten deel, dan verviel de aanklacht en zou hij aan den beschuldigde een boete van 1000 rear [113] als „harear kahawen” (schaamtegeld) betalen en hem daarenboven nog een mandauw ten geschenke geven moeten, als een teeken, dat hij de uitspraak aannam en hem als voorheen achtte. Werd echter de beschuldigde gekwetst, dan volgde zijn schuldig verklaring aan het hem ten laste gelegde. Hij werd dan ter dood veroordeeld en overgegeven aan de nabestaanden, in dit geval aan den zoon van den overledene, die het recht daarbij zoude verkrijgen, om hem onder de meest onmenschelijke martelingen ter dood te folteren. [114] Het was een waar Godsgericht, waar om heen zich de geheele bevolking der kotta hoogst belangstellend schaarde.
Toen de rechters plaats genomen hadden en een paar jongelingen benoemd waren, om de werpspiesen op te rapen en aan de strijders weer aan te reiken, gaf Amai Njawong het afgesproken teeken. Met kracht werden de gevaarlijke staken geslingerd, maar de kampvechters, door dien engen korf omsloten, hadden veel van hun lenigheid verloren. Die eerste worp werkte niets uit en week zoo ver van het doel af, dat een minachtend gemompel vernomen werd. Ook de tweede was nog mis, ofschoon de spiesen de kampvechters rakelings voorbij snorden. Maar de derde worp had noodlottige gevolgen. In de volle borst door de werpspies, die daarin trillend steken bleef, getroffen, was de beklaagde terstond een lijk, terwijl de beschuldiger, die het hem toegeslingerde wapen iets schuins recht onder de kin in de keel ontving, waarbij de slagader doorsneden werd, nog ettelijke minuten in doodsbenauwdheid rochelde en eindelijk aan bloedverlies bezweek.
Bij die noodlottige uitkomst, verklaarde de voorzitter van den rantèp, dat de Sangiangs klaarblijkelijk de uitspraak wilden beletten en de zaak in het duister houden. Hij beval dat de lijken aan de familieleden zouden worden overgegeven, om daarmede volgens de gebruikelijke plechtigheden na een overlijden te kunnen handelen. Heel kort daarop liet zich de titih van twee kanten in de kotta hooren.
Diep ontzet hadden de vier Europeanen dat vreeselijk drama bijgewoond. Na afloop der gerechtszitting hadden zij zich naar hun woonvertrek begeven; lang zaten zij evenwel bij elkander, voor dat een hunner de stilte verbrak en den somberen gedachtenstroom, die hen bestormde, verstoorde. Eindelijk ontrukte zich La Cueille met een beweging, alsof hij aan de nachtmerrie poogde te ontkomen.
„Nom d’un chien!” riep hij met een diepen zucht, „we zijn toch te midden van een raar volkje verdwaald.”
Dat alledaagsch gezegde verbrak toch de betoovering, die de anderen omkluisterd hield. Het was of een dichte nevel plotseling scheurde en opgerold werd.
„Dat zijn we. We zitten op den eersten rang en kunnen naar hartelust genieten,” lachte Johannes, „’t zal evenwel zaak zijn te trachten, ons buiten alle bemoeiing te houden.”
„Donders, ja!” meende Schlickeisen, „verbeeldt je, dat een onzer uitgenoodigd werd om in zulk een kooi plaats te nemen.”
„Of zijn vinger in gloeiende hars te steken.”
„Ja, laat de verliefden maar oppassen,” voegde Johannes er waarschuwend bij, „laat ze ’t niet in hun hoofd krijgen hun schoonen af te schepen. ’s Lands wijs ’s lands eer. Noch Moendoet, noch Hamadoe zouden er voor terugdeinzen, een verleidingsbasara op touw te zetten.”
„En dan vooruit met je vinger,” lachte Schlickeisen.
De Waal bekeek zijn index met een bezorgdheid, alsof hij de brandende pijn reeds voelde.
„Duivels!” bromde hij, „dat ’s lastig. Een mensch kan toch wel eens van gedachte veranderen.”
„Jawel, maar pas op je vinger. Zoo’n kommetje hars is net zoo lekker als de fijt.”
„Panaris, mon ami, te voilà dans de jolis draps!” prevelde de Waal binnensmonds en meer hardop:
„Dank je voor den raad; ik zal op mijn vinger passen. Maar.... er is toch iets wat mijn nieuwsgierigheid ten hoogste prikkelt.”
„En wat is dat?” vroeg Johannes.
„Men heeft drie vingers in de hars gedoopt, niet waar?”
„Wel zeker, dat hebben we allen gezien.”
„Maar wat nu, wanneer morgen twee vingers of alle drie blijken gebrand te zijn?”
„O heilige eenvoud!” gilde Johannes uit. „Nu die is goed! Alle drie! ha, ha, ha! dat zou de wijsheid van koning Salomo zelven op een harde proef gesteld zijn. Ha ha ha!” en Johannes lachte, dat hij schudde.
„Nu wat valt er toch te lachen?” vroeg de Waal gebelgd. „Ik begrijp er niets van. Drie menschen hebben den vinger in gesmolten hars gestoken; wat is natuurlijker, dan dat ze zich alle drie deerlijk gebrand hebben? Het tegendeel zou stof tot lachen geven.”
„Nu, dan zul jij morgen lachen kunnen, laat je dat gezegd zijn. Alle drie! ha ha ha!” ging Johannes in zijn lachbui voort. „Maar och! schei nu uit, ik krijg pijn in de zij van al dat gelach.”
„Dat je lacht, daar heb ik vrede mede; maar vertel waarover je lacht. Misschien lachen wij mede.”
„Je bent een uilskuiken.”
„Die prijs is meer voor me geboden; dat begrijp ik. Maar lach je daarom?”
„Maar er konden geen drie zich den vinger branden.”
„Dat begrijp ik weer niet.”
„Je bent een „bodokh” (domkop). Je hebt nummer drie der aanbidders van de schoone dien kreet wel hooren slaken?”
„Ja zeker, ik ben Goddank niet doof.”
„Dat ’s een geluk voor je. Nu, die alleen heeft zich den vinger gebrand.”
„Maar we hebben de twee anderen toch ook den vinger in den njating zien steken.”
„Luister. De twee eersten waren welgestelde jongelingen, die slechts een blik met de rechters te wisselen hadden, om voor de gepersonifieerde onschuld gehouden te worden. Misschien hadden de rechters hun loon reeds beet, zoo niet, dan zal het hun niet ontgaan. De derde was een arme drommel, van wien volstrekt niets te halen was. Die had geen blikken te wisselen.”
„Dat alles zou ik begrijpen, wanneer ik niet met mijn eigene oogen, „hisce meis propriis oculis,” zou de pastoor van Jupille zeggen, de drie vingers in het gesmolten hars had zien op en neer gaan. Ik heb goed gekeken.”
„Zoo, heb jij goed gekeken? Wel vertel dan, wat je meer gezien hebt.”
„Wat zou ik meer moeten gezien hebben?”
„Dat beweert goed gekeken te hebben!” sprak Johannes met ietwat kleinachting in zijn stem. „Heb je niet gezien, dat de kleur van het hars in de drie kommen niet gelijk was?”
„Wat zou dat? hars is hars.”
„Neen, domoor! hars is geen hars of liever het eene hars is het andere niet. Luister nog een oogenblik. De edelste soorten als de „njating mata koetjing,” de „njating bapoeti” en de „njating linoh”, [115] als van zeer zuivere compositie smelten op zeer lagen warmtegraad; daarentegen hebben de njatings: „kroeën, toelang en anlei” [116] als zeer aardachtig en poreus van samenstel, een veel hoogere temperatuur noodig om vloeibaar te worden.”
„O!... zoo!”
„Begin je te begrijpen? dat ’s waarachtig gelukkig. Laten je nu de rechters den vinger in een kommetje met mata koetjing-hars steken, dat maar eventjes genoegzaam verwarmd is om vloeibaar te worden en aanmerkelijk kan afkoelen, alvorens weer vast te worden, dan kun je het daarin zoo lang uithouden als je verkiest, zonder anderen hinder, dan een eenigszins branderig gevoel. Maar laten ze je, je index in njating kroeën steken, dan zou je net doen als de pandeling van straks, dan zou je schreeuwen en dan zou je den volgenden morgen met een ontvelden vinger voor den dag komen.”
„En dan nog trouwen op den koop toe! verd.... dat ’s gemeen!”
„Ja, dat is gemeen, en te gemeener, wanneer de gedwongen huwelijkskandidaat zich hoegenaamd geen schuld bewust is.”
„Hoe dat zoo?”
„Denk je, dat dat meisje van straks dien armen pandeling zelfs maar een oogopslag heeft waardig gekeurd? Bij lange niet. Wie weet of vóór den dag van heden zij ooit aan hem of hij ooit aan haar heeft gedacht. Maar de looze feeks begreep al ras bij de wending, die het proces nam, dat de rechters niet genegen waren haar in haar matrimoniale wenschen behulpzaam te zijn. Toch wilde zij haar misstap onder een huwelijksmantel bergen.”
„Dat zal een verbintenis zijn, die in den hemel gesloten is,” grijnsde Schlickeisen, die als zoon van een theologant wel eens vroom kon zijn.
„Och, zij zal daarom niet minder gelukkig of ongelukkig zijn,” antwoordde Johannes. „Die pandeling herkrijgt op den trouwdag zijn vrijheid, dat ’s al een uitkomst voor hem, daarbij bekomt hij een aardige vrouw, geheel in den smaak der Dajaks [117]; en..... wat zal ik er meer van zeggen? In Europa worden toch ook wel zulke huwelijken gesloten, niet waar?”
„Jawel, maar toch zonder gebranden vinger.”
„Daarover wil ik niet twisten,” schaterde Johannes; „want dan krijg ik van de drie „totoks” [118] tegelijk er van langs.”
XXIII
De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijn aanstaande.—Hamadoe een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij kotta Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijn cokes.—De steenkolen aan boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok-boelau” vertoornd.—Johannes over de koorts beschikkende.—De goudsoorten in de Dajaklanden.
Het geschiedde zooals Johannes voorspeld had. Den volgenden morgen werden de drie vingers der beschuldigden ontbloot en twee daarvan ongeschonden bevonden. Alleen die van den pandeling was deerlijk toegetakeld; het geheele vel bleef aan het windsel hangen. Er viel niet aan te twijfelen, de Sangiangs hadden gesproken. Van een hevigen uitbrander vergezeld, kreeg de schuldige het bevel om binnen den kortst mogelijken tijd het verleide meisje te huwen. De goe gemeente had eerbied voor die onbetwistbare goddelijke tusschenkomst en bewonderde de wijsheid der uitspraak van hun nieuw hoofd. En.... och! de pandeling glimlachte eens; met een flinke vrouw won hij de zekerheid van niet te avond of morgen geslacht te worden. Dat was veel waard, dat moest hij eerlijk bekennen. Dienzelfden dag zag men hem vertrouwvol met zijn uitverkorene onder de schaduw der bosschen in den omtrek der kotta wandelen. Zij scheen met verzachtende hand den ontvelden vinger te verzorgen. Onze Europeanen zagen in, dat er voor iedere wond een pleister bestaat.
Intusschen werd voortgegaan met alles voor het vertrek naar soengei Miri in gereedheid te brengen. Evenwel, de levensmiddelen en de munitie stonden gepakt, de kanonnen en de geweren gereed, om slechts opgenomen en aan boord gebracht te worden; de bedrijvigheid gold dan ook nog maar voorzieningen van huishoudelijken aard en de Europeanen hadden in de laatste dagen vrij af. Ieder hunner nam er het zijne van en besteedde den tijd, zooals hem het aangenaamst voorkwam.
Wienersdorf had wel willen herboriseeren; maar het kwam hem niet nutteloos voor, wat tijd te besteden zijn aanstaande vrouw, van wie hij al meer en meer begon te houden, voor de Europeesche samenleving te vormen. Wel brachten de Dajaksche gebruiken mede, dat, nu eenmaal de hand van het meisje plechtig gevraagd was, de beide minnenden elkander niet meer mochten zien tot op den dag van het huwelijk, maar, zoowel het gemeenschappelijk leven in die enge kotta, als de beslommeringen voor de reis, maakten het stipt betrachten van dat gebruik nagenoeg onmogelijk. Daarenboven, op de reis zelve zou Dohong voor zijn aanstaande moeten waken; wien zou haar heil meer aan het hart gaan dan hem? Ook meende Harimaoung Boekit, dat niemand alsdan zijn zuster beter zoude kunnen beschermen, dan de dappere Dohong met zijn zoo juist treffend geweer. De scheidsmuur tusschen de geliefden werd dus zoo stipt niet bewaakt en onze Zwitser verzuimde geen oogenblik, om meer en meer met de inborst van haar, met wie hij zich verbinden ging, bekend te raken.
Die kennismaking viel niet tegen. Was Hamadoe, wat het uiterlijke betrof, een schoon kind, een parel te noemen, bij onderzoek bleek het, dat haar hart, haar gemoed een diamant van het zuiverste water was, waarvan de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet gevonden was. Zij was verstandig, dat zag haar Dohong onmiddellijk, hoewel haar zekere begrippen, tot de eenvoudigste behoorende, vreemd waren; zij was lieftallig en die lieftalligheid kwam in een omlijsting als die harer omgeving nog beter uit. Die ruwheid toch gaf den toets aan van de edelheid van ’s meisjes karakter, dat in zoo’n omgeving ongekrenkt was gebleven. Zij was goed en zachtaardig; o! dat had hij goed opgemerkt. Iedere wreedheid verfoeide zij, ieder noodeloos lijden ging zij tegen zooveel in haar vermogen was; maar ziekelijke weekhartigheid was haar ook vreemd. Zij was de fiere dochter des wouds en als zoodanig was zij bewaard gebleven voor indrukken van de buitenwereld; zij had tot nu toe geen anderen gezichtseinder dan die harer bosschen gehad en de geheele menschheid had zich voor haar nog maar tot den stam bepaald, waartoe zij behoorde. Werden wreedheden, onmenschelijkheden door de leden van dien stam gepleegd, dan wendde zij het hoofd af, onmachtig als zij zich tegenover de zeden harer landgenooten gevoelde, om die gruwelen tegen te gaan. Toch zou zij haar hand niet gereikt hebben aan een man, die zooals men zegt geen vlieg kwaad kon doen. In haar oog moest de man krachtig en onbevangen het zwaard kunnen voeren; zijn vrouw moest in hem een krachtigen steun en een moedig beschermer vinden. Menschenvleesch had zij nimmer geproefd; zelfs eens dat haar een schoteltje met „oetak” (hersenen) aangeboden werd, was zij in onmacht gevallen en deswege hartelijk uitgelachen. Over die zwakheid had zij zich geschaamd, maar toch met zoo’n ernst er op aangedrongen, die aardigheid niet te herhalen, dat zelfs de stompsten het zich voor gezegd hielden.
Zij was zedig en kuisch. Niemand van haar omgeving had ooit, ook bij de meest ruwe handeling in haar nabijheid, een verdachten glimlach op haar gelaat, of een blik, die verkeerd kon uitgelegd worden, in haar oogen waargenomen. Zij bewoog zich te midden van de onreinheid, die haar omgaf, als het zwanendons te midden der wateren, zonder er door bespat te worden en zonder dat iets op haar bleef kleven. Hoorde zij in haar omgeving uitdrukkingen, waaromtrent zij geen onwetendheid kon voorwenden, dan bracht de ernst van haar lief gelaat de realisten tot zwijgen; en zoo ver had zij het gebracht, zonder daaromtrent een verzoek te doen of een woord te uiten, dat in haar tegenwoordigheid een kieschheid betracht werd, die anders zelden te midden dier boschmenschen aangetroffen werd. Wanneer zij een der priesteressen ontmoette, dan gaf haar oog te kennen hoezeer de vrouw haar verachtte, die zoo de vrouwelijke eerbaarheid met voeten trad. Nimmer had zij een woord met een dier wezens gewisseld.
Als ieder Dajaksch meisje had zij tot op den jonkvrouwelijken leeftijd naakt geloopen, slechts met een gouden „sapieng”, een nabootsing van het vijgenblad, door het eerste menschenpaar gebezigd, gedekt. Later had zij zich gekleed met den saloi, zooals al de andere jonkvrouwen van haar stam en had in haar onschuld er nimmer erg in gehad, welken aanstoot zulk een spaarzame kleeding kon geven. Zij wist niet beter. Maar bij het blako ontong had zij de oogen van haar aanstaande op haar ontbloote schouders voelen branden; toen was een schuchter gevoel, haar tot nog toe onbekend, ontwaakt; zij had zich wel voor de blikken van al die vergaderde mannen onder den grond willen verbergen. Dat gevoel was haar ondraaglijk geweest. Van dat oogenblik af was zij niet meer verschenen dan behoorlijk bedekt door een badjoe, hoewel haar speelnooten haar schamper toevoegden, dat zij nu al de voorname getrouwde vrouw uithing, die bezoek verwacht [119].
Bij zoo’n ongekunsteldheid waren de gesprekken met haar voor Wienersdorf allerbekoorlijkst. Zij was de onwetendheid zelve; maar zij nam, hetgeen haar verteld werd, tot zich en toonde een zeldzame gemakkelijkheid zich daarmee te vereenzelvigen. Zij was geheel oor, wanneer hij haar van de buitenwereld vertelde, van die buitenwereld, die hij haar zoo schoon afschilderde en waarvan zij niets wist. Wel waren haar broeders te Bandjermasin geweest en hadden daar zooveel betooverends gezien, dat zij onuitputtelijk in hun verhalen waren. Maar wat was Bandjermasin, vergeleken met Soerabaia, met Batavia, met Singapore? En wat waren die plaatsen op hun beurt vergeleken met de steden in het land der blanken? Of hij dan daar geweest was? was haar vraag.
Hij aarzelde een oogenblik. Nog wilde hij het mom van Kwala Kapoeasser te zijn, volhouden en reeds was hij op het punt, haar diets te maken, dat hij veelvuldige reizen naar Java gemaakt had, dat hij eens met een zeer groot schip naar de negeri wolanda geweest was; maar een blik in haar fraaie oogen, in die oogen, die hem zoo trouwhartig, zoo argeloos aanstaarden, deed hem het pad der veinzerij verlaten. Hij sloeg zijn eenen arm om haar leest, trok haar tot zich en ontblootte zich een der schouders, alwaar de wrijving van het baaitje, dat hij steeds droeg, de katiting, die zijn huid kleurde, afgesleten had en zich zijn blank vel vertoonde.
„Olo bapoeti!” (een blank mensch) ontsnapte het meisje met een gesmoorden gil van schrik. Hij hield haar in zijn armen omsloten; een oogenblik zwoegde haar borst onstuimig en hijgde zij naar adem; toen sloeg zij haar schoone armen om zijn hals:
„Naughe!” lispelde zij, „ikau tabaliën, akoe langèh, tapi, koeèh pangkabas” (laat het zijn, zoo het wil; gij zijt de ijzerhoutboom, ik het rankgewas; maar beiden te zaam zijn wij zeer sterk).
Onstuimig klemde hij haar aan zijn borst.
Hij verhaalde haar alsnu, dat hij van de Hollanders weggegaan was, om zijn land weer op te zoeken. Dat begreep zij niet goed. Alle blanke menschen waren Hollanders, meende zij; en het kostte vrij wat moeite, om aan het natuurkind uit te leggen, dat de blanken nog meer verscheidenheden opleverden dan het bruine ras, waarvan zij trouwens alleen maar haar stamgenooten onder de oogen had gehad. Maar zij had medelijden met den man, die zulk een reis ondernomen, zich aan zoo veel ellende blootgesteld had, alleen om zijn geboortegrond terug te zien. Toch had zij ook daarvan geen recht begrip, want volgens haar kon men overal gelukkig zijn. Het gevoel, dat haar zoo deed spreken, was nog zoo onbewust bij haar, dat zij eigenlijk niet begreep, wat zij zeide. Maar hij, hij zamelde die woorden als kostbare parelen van haar lippen op, en van het oogenblik gebruik makende, ontrolde hij voor haar oogen een schildering van de Europeesche samenleving en van de onwaardeerbare voorrechten van de bescherming eener beschaafde maatschappij, die door banden van menschenmin te samen wordt gebonden. Hij verklaarde haar, hoe bloedvergieten daar wordt tegengegaan, waardoor de eene blanke man naast den anderen kon vertoeven, welke veeten ook de verschillende stammen mochten verdeelen. Hij legde haar uit, dat de blanken vrij zijn, dat bij hen geen slaven bestaan, die immer in doodsangst verkeeren, van op gruwelijke manier omgebracht te worden. Hij verklaarde haar het bestaan der blanke vrouw, haar aandeel in den strijd des levens, hoe geheel verschillend haar toestand daar ginds was, waar zij naast haar echtgenoot troonde, een ware gezellin voor hem was, met hier, waar de vrouw niets anders dan het lastdier, de slavin des mans was.
Zij hoorde hem aandachtig aan; er ging een wereld voor haar blikken op. Hij verhaalde haar van de prachtige woningen der blanken, zoo verschillend van de krotten, die zij slechts gezien had; hij beschreef haar de Europeesche steden met haar paleizen, haar pleinen, haar gemakkelijke straten, haar kerken, haar schouwburgen, haar wandelplaatsen, haar verlichting, enz. enz.; en deed dat met zulk een wegsleepende vervoering, dat hij een geheele omkeering in dat oorspronkelijk gemoed te weegbracht en wel zoodanig, dat het meisje haar armen aanvallig om zijn hals strengelde, en hem zacht, schier onhoorbaar in het oor ademde, dat zij heentrekken wilde, waar haar Dohong haar voeren zou. Een hartelijke kus weerklonk tot bezegeling van die belofte. Zij smeekte hem evenwel, voorloopig nog geheim te houden, dat hij geen Dajak was; zij nam op zich Harimaoung Boekit haar broeder, daarmede ter gelegener tijd in kennis te stellen.
Terwijl de geliefden daar zoo aan het keuvelen waren en allergelukkigste oogenblikken doorleefden, hadden de drie andere Europeanen, ieder op zijn wijze den tijd trachten te dooden. La Cueille, verliefd als hij meende te zijn, had ook wel wat willen vrijen; maar zijner Moendoet was de zorg voor de keuken opgedragen in het huisgezin, waartoe zij behoorde. Hij kwam dus bij zijn aangebedene te pas als het vijfde rad aan een wagen. Daarenboven had zij een knoflook- en peteh- [120]lucht bij zich, die alles behalve aanlokkelijk was en haar aanbidder tot den aftocht dwong. Pruttelend trok hij af en wilde een wandeling in den omtrek maken, toen hij Schlickeisen ontmoette, die evenzoo verlegen met zijn tijd rondliep, en zich bij hem aansloot. Beide mannen bestegen een djoekoeng, meer om op de rivier wat te spelevaren, dan wel met een bepaald doel om ergens heen te roeien. Zij plasten en ploeterden in het water als twee dartele knapen. Zij zagen Johannes en Harimaoung Boekit ook in een djoekoeng stroom-opwaarts stevenen, maar bekommerden zich daarom niet. Eensklaps kreeg La Cueille een stuk steenkool, dat op den oever lag, in het oog:
„Dat is waar ook,” sprak hij, „Johannes heeft mij in der tijd verteld, dat even boven kotta Djankang bij middelbaren stand der rivier een steenkolenader in het oevertalud zichtbaar is. Het is thans laag water; kom, laten we daar heen roeien.”
„Mij wel,” antwoordde de Zwitser; „maar me dunkt, ’t zal niet overbodig zijn onze geweren te halen. In dit land is het nooit kwaad, gewapend te zijn.”
„We hebben onze mandauw’s”, meende de Waal, „maar ik zal van de gelegenheid gebruik maken, om een pikhouweel en een koevoet mede te nemen.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Weinige oogenblikken later zaten de twee mannen met hun geweren en de gemelde gereedschappen in hun vaartuig en stevenden de rivier op. Zij hadden nog geen half uur langs den rechteroever geroeid, toen er zich een streep als een zwarte draad op de fijne grijze schieferklei, waaruit de vrij steile oever bestond, begon af te teekenen. Die draad nam langzamerhand in dikte toe, deed zich als een lint voor, dat al breeder en breeder werd, en eindelijk een band vertoonde, die met zwakke golvingen in nagenoeg horizontale richting liep en bij zijn grootste uitgebreidheid een breedte van bijna vier M. had. Over een aanmerkelijken afstand, strekte zich die laag noordwaarts uit, verminderde dan allengskens, maar voor dat zij zacht afnemende ten einde liep, zooals zij begonnen was, werd het ganggesteente plotseling afgebroken door een faille, een uitgebreide kalksteenformatie van verblindend witte kleur, die loodrecht als uit de diepte opsteeg.
Daar, waar de zwarte band in den kleioever het machtigste voorkwam, stevenden de onderzoekers naar den wal, om van meer nabij te kunnen zien. La Cueille hakte eenige stukken van de zwarte laag af en bevond, dat hij een gang van zuivere steenkool voor zich had. De kool was grijsachtig zwart en mat van kleur. Tusschen de krachtige vingers van den Waal liet zij zich gemakkelijk verbrijzelen en vertoonde een fijn bladerige structuur op de breuk, waarbij evenwel verreweg de meeste stukjes den paralellopipedischen vorm aannamen. De meeste dier verschijnselen waren niet gunstig, maar de gewezen mijnwerker was hier op zijn terrein; hij liet zich zoo gauw niet ontmoedigen. Met zijn pikhouweel gewapend, brak hij door de eerste lagen, die eeuwen lang aan weer, wind en overstrooming waren blootgesteld geweest en, geholpen door Schlickeisen, had hij dan ook weldra het genoegen, een geheel andere soort van steenkool te voorschijn te halen.
Maar daarmede nog niet tevreden, klom de Waal tegen den oever op, begaf zich een paar honderd el landwaarts in en, bijgestaan door den Zwitser, begon hij daar, als door zijn mijnwerkers instinct geleid, bij een zichtbare depressie in den bodem, die als een terreinafscheiding vormde, een gat te maken. Met den koevoet en het houweel werd de aarde losgemaakt en met de handen naar buiten geworpen. Deze arbeid had niet veel te beteekenen, daar de grond droog en klonterig was. Binnen een paar uur, was dan ook een put gemaakt, ongeveer twee M. diep, bij een doorsnede van twee maal die maat. De gereedschappen stieten op een dek van zachten bruingrijzen kleisteen, die den Waal aan het juichen bracht. Hij doorbrak die steenlaag; zij had een dikte van ongeveer twee d.M. Hij bekeek het puin, dat te voorschijn werd, gebracht, herkende fijne laagjes klei-ijzersteen en was van nu af zeker van zijn zaak. Het duurde dan ook niet lang, of de eerste klomp steenkool was onder de vereenigde pogingen der beide Europeanen door de ijzeren tanden van pikhouweel en koevoet losgebroken.
„O! dat is een ander product dan ginds! daar was ik zeker van,” juichte de Waal.
Schlickeisen keek, keek, maar kon geen onderscheid vinden:
„Het ziet er net uit als die kolen daar aan de rivier,” mompelde hij.
„Met dat onderscheid dat deze soort gitzwart is. En kijk eens hoe glinsterend op de breuk, net een spiegel. Maar wat is dat? die plekken? die gelijken wel op barnsteen! Mijn God, dat zijn harsachtige vlekken, de schitterendste bewijzen, dat het vette steenkolen zijn. Wat een schat! wat een schat!!”
De Zwitser zag de opgewondenheid zijns makkers met een glimlach aan. Hij had weinig verstand van mijnzaken, maar kon toch de verrukking des Waals begrijpen en had daar groot genoegen in.
„Kom,” riep deze, „laten we een goeden voorraad uitbreken, dan kan ik die steenkool straks probeeren.”
En andermaal knarsten de ijzeren tanden der werktuigen onder de krachtige hand van de twee Europeanen in den schoot der aarde, om haar een harer nuttigste en kostbaarste voortbrengselen te ontwoekeren.
Wie kan zeggen, wanneer die aangevangen arbeid daar in de verre binnenlanden van Borneo voortgezet zal worden, om den ontdekten schat te vermeesteren? Helaas! een duistere vraag; de omringende bevolking kende de waarde van den schat niet. En zij, die zich heer en meester van het grootste gedeelte van dat eiland noemen, missen de geestkracht om de onmetelijke rijkdommen hunner schoone koloniën naar eisch te exploiteeren.
Maar aan zoo iets dachten onze avonturiers in het geheel niet. Zij werkten ijverig en onverpoosd voort; en weldra lagen daar een menigte klompen en verklaarde La Cueille, dat hij voor de proeven, die hij wenschte te nemen, genoeg voorraad had. De meesten dier klompen waren van zulk een afmeting, dat de beide mannen gezamenlijk al hun krachten moesten inspannen om ze in de djoekoeng te brengen.
Zoodra zijn schat in de kotta gebracht was, begon de Waal een paar vuren te stoken, om zijn waarnemingen te doen, waarbij Schlickeisen hem stil aan zijn lot overliet en zijns weegs ging. Een drietal uren later, toen de overige Europeanen den Waal opzochten, was hij nog aan den gang en vonden zij hem opgetogen en uitbundig in zijn lof over zijn steenkolen.
„Ziet,” riep hij in opgewondenheid uit, „ik heb een hoeveelheid van ongeveer 25 K.G. in stukjes van vier kubieke c.M. geslagen; ik heb die boven eenig fijn gekapt droog hout opgestapeld en dat met wat droge spaanders in brand gestoken. O! je hadt eens moeten zien; mijn steenkolen ontvlamden, zoodra het hout vuur had gevat. Ze brandden levendig en helder voort met een vlam van roodachtig gele kleur, een geelgrijsachtigen rook uitstootende. Van zwavelijzer heb ik geen spoor ontdekt en de reuk van den rook was teerachtig en branderig en deed geen andere bestanddeelen dan die welke een zuivere steenkool samenstellen, onderscheiden. Noch mijn neus noch mijn ademhaling werden door dien rook onaangenaam aangedaan. In al de bekkens van Luik en van Henegouwen zijn waarachtig geen betere steenkolen aanwezig.”
De Waal was verrukkelijk in zijn geestdrift. Zijn makkers staarden hem met onverholen verbazing aan. In zoo’n nimbus van geestdrift had hij zich nog niet voor hen voorgedaan. Met den halfgebogen wijsvinger van de linkerhand streek hij zich langs het voorhoofd, om de zweetdroppels, die er op parelden, te doen vallen, en hervatte na diep geademd te hebben:
„’t Was een fraai gezicht, hoe die steenkoolbrokken bij het ontvlammen op onderscheidene plaatsen openscheurden, zonder tot gruis te vervallen. Dat gaf aan de brandende stukken een overal bloemkoolachtig uiterlijk en was oorzaak, dat de geheele massa kort na de ontvlamming een weinig opwerkte. Onmiddellijk voor de ontvlamming liet zich een knetterend geluid waarnemen, waarschijnlijk veroorzaakt, door de zich ontwikkelende waterdampen. Nadat de massa goed ontbrand was, heb ik kleine stukjes uit den gloed verwijderd en bleven deze nog geruimen tijd voortbranden, dat een bewijs voor de vetheid dezer steenkolen is. De geheele hoop heeft ruim twee uur lang met een flinke vlam gebrand, waarna het gloeien, dat een langzame verbranding genoemd kan worden, is ingetreden. Dat duurt nu al ruim drie kwartier en zal nog wel een half uur aanhouden. Ziet, de terugblijvende asch is zeer fijn, meelachtig en van een witte kleur. Van sintelvorming kan ik tot nu toe niets gewaar worden. Nogmaals, dat zijn uitmuntende steenkolen en van zoo goede kwaliteit, als ik er ooit ontmoet heb.”
„Zou het gewicht er van te bepalen zijn?” vroeg Wienersdorf.
„O!” riep de Waal, overgelukkig over die vraag. „Kijk daar achter je dien kubus. Met behulp van je meetsnoer heb ik dien zoo bekapt. ’t Is zuiver een kubieke d.M. steenkool, raadt eens, wat die weegt.”
„Hoe zouden we dat raden kunnen? In allen gevalle lichter dan water; wellicht acht of negen H.G.,” meende Johannes.
„Kom laat op je schieten. Dan waren het slechts bruinkolen. Neen, die dobbelsteen weegt 1.26 K.G. ruim. Geloof je ’t niet? daar staat de unster er bij, het nawegen is gemakkelijk. Ik schat, dat de stère 1262,62 K.G. zal halen. Zeg, is dat niet prachtig?”
„Voorzeker”, was het lachende antwoord van Johannes, „ik wist niet dat steenkolen zoo zwaar zijn. Het is toch maar versteend hout.”
„Vergeet echter niet”, viel Wienersdorf in, „dat die versteening, zoo als je ’t noemt, plaats heeft gehad onder een buitengewoon sterke samendrukking.”
„Is het dan geen versteening, dat je er zoo bijvoegt: „zoo als je ’t noemt?””
„Ja en neen. De vorming der steenkolen is eigenlijk een langdurige scheikundige bewerking, een soort van distillatieproces. De in de voortijden vernielde en het onderste boven gekeerde wouden stonden, onder den invloed van een warmtegraad, waarvan we ons moeielijk een denkbeeld kunnen maken, hun rijkdom aan koolstof, waarvan de steenkool gevormd werd, in gasvormigen toestand af. Dit vervluchtigde product evenwel, door een ontzaglijke drukking bewerkt, ging tot vloeibaren, vervolgens bij afkoeling tot deegachtigen en vasten toestand over. Als zoodanig is er aan geen versteening te denken en toch is men geneigd, het er wel voor aan te nemen, als men er op let, dat onder die onweerstaanbare bewerking de plantenstof tot een delfstof, de organische schepping tot een anorganische is overgegaan, waarbij niet zelden de vorm, of beter uitgedrukt, de afdruk van het oorspronkelijke lichaam bewaard is gebleven.”
La Cueille trappelde van ongeduld bij die uitlegging, die hem te geleerd was.
„Ik heb nog meer gedaan,” ging hij opgetogen voort, zijn gedachtenloop volgende, alsof de anderen niet gesproken hadden. „Ziet, ’k heb cokes gebrand. Ik heb dien ouden roestigen ketel, die daar ginds in den hoek stond, genomen; ik heb hem met twintig K.G. steenkolen gevuld, nauwkeurig gewogen; ik heb er het deksel opgedaan en dat slechts op een kiertje opengelaten, om de gassen te laten vervliegen. Daarna heb ik er een vuurtje rondom gestookt en dat onderhouden, totdat de rook, die zich door de reet een uitweg baande, niet meer te ontvlammen was. Toen heb ik het vuur uitgedoofd en den ketel goed gesloten. Komt, helpt mij dien ketel omwerpen en de verkregen cokes wegen; ze zullen nu wel genoegzaam afgekoeld zijn.”
In een oogwenk lag de inhoud op den grond uitgespreid. Aan de verrukking van den Waal scheen geen einde te komen. Hij liep rondom den hoop als een kat om een pot heete brij. Niemand mocht er aan komen.
„Ziet! ziet!” riep hij zegevierende uit, „ziet hoe die rommel flink aan elkaar gebakken is! En wat hebben die stukken een fraaie kleur, als van mat zilver, die vooral op de breuk goed uitkomt. Ik ben nieuwsgierig wat die cokes wegen.”
En met behulp zijner makkers was snel een korf gevonden en werd die, nauwkeurig met de geheele brandstof gevuld, aan den unster gehangen. De Waal trok een bedenkelijk gezicht.
„Dat valt tegen,” riep hij, „slechts 10.4 K.G. Maar.... wacht, daar ligt nog een flink brok, dat moet ook meedoen en dat zal het evenwicht wel herstellen.... Toch nog weinig, saperlotte! slechts 11.52 K.G.”
Eens rondkijkende, of nog niet een klompje vergeten was, mompelde hij: „Neen, alles is er. Laat zien, dat is 57.60% cokes van de gebezigde 20 K.G. steenkolen. Het overtreft nog altijd iedere Duitsche, Fransche of Belgische soort. De Ruhrortkolen geven maar 50.50%; de beste Luiker slechts 54.72%. Toch had ik gedacht dat deze kolen vetter waren; ze zagen er zoo prachtig uit en brandden zoo flink.”
„Maar mij dunkt”, sprak Wienersdorf om iets te zeggen, „als die kolen bijna drie percent meer cokes geven dan de beste Luiker, het al wel is. Wat kan ’t je schelen?”
De Waal snoof eens en streek zich met de zwarte hand over het gelaat.
„Wat het me schelen kan? Niet veel, dat beken ik. Maar ik ben hier op mijn terrein en weet je, alles wat het mijnwezen betreft, boezemt mij belang in. Daarenboven ik ben in mijn eer getast; ik heb mij door het uiterlijk dier kolen laten misleiden. Slechts 57.60%; terwijl de beste Newcastle kolen 65.67% opleveren. Van die zouden 13.13 K.G. cokes overgebleven zijn.”
„Toch heb je redenen van tevredenheid, dunkt me.”
„In aanmerking genomen, dat die kolen dicht aan de oppervlakte der aarde gelegen hebben en dus nog altijd van de inwerking van weer en wind zullen geleden hebben, moet ik dat toegeven. En daarom kan men verzekerd zijn, dat bij het aanbreken van dieper liggende lagen, die cokes-verhouding zich aanmerkelijk zal wijzigen en meer gunstige resultaten zal opleveren. Ik wou nu wel eens weten, hoe die kolen zich in de praktijk houden.”
„In de praktijk? me dunkt, je hebt vuurtjes genoeg gestookt, om dienaangaande gesticht te zijn.”
„Ik meen bij hoogovens of bij machineovens.”
„Ah zoo! noem je dat in de praktijk? Als we langer hier bleven, dan zou het niet onmogelijk zijn je een hoogoven te construeeren,” lachte Johannes en zich naar Wienersdorf keerende, „natuurlijk met behulp van mijnheer den professor in de natuur- en scheikunde. Wij zouden de industrie in dit land tot een aardige hoogte kunnen voeren.”
„Hoe zoo?” vroeg deze.
„In de bovenlanden is het ijzererts niet zeldzaam, vooral niet in de boven Roengan, boven Kahajan en boven Doesson.”
„IJzererts?” vroeg La Cueille driftig, „ook ijzererts? maar dan zijn alle rijkdommen in dit land vereenigd.”
„Hier in de Kapoeas,” ging Johannes voort, „komt dat erts minder voor, ofschoon het niet geheel afwezig is.”
„Maar trekt de bevolking daar partij van?” vroeg Wienersdorf.
„De Dajaks weten het aardig uit te smelten. Bij mijn omzwervingen hier ter kust, heb ik eens zoo’n ijzersmelterij bezocht.”
„Toe, verhaal ons daar wat van,” vleide La Cueille.
„Straks, in de avonduren zal ik dat misschien doen. Laat u thans de mededeeling genoeg zijn, dat de Dajaks bij die smelting geen steenkolen maar houtskolen bezigen. ’k Herhaal het, bleven we hier, dan konden we het droombeeld van La Cueille verwezenlijken en hem laten zien hoe zijn steenkolen zich zouden houden en de bevolking aantoonen, dat het gebruik van deze brandstof oneindig voordeeliger is bij het ijzersmelten dan dat van houtskolen.”
„Maar.... bij een machineoven?....” bracht de Waal er aarzelend uit.
„Als men in de boven Dajaklanden is, kan men zoo maar niet alles tot zijn beschikking hebben,” lachte Schlickeisen. „Of wou je ook, dat wij een machine construeerden? Je hebt maar te bevelen.”
„Toch kan ik onze weetgierigen daaromtrent eenigszins inlichten,” viel Johannes in. „Bij gelegenheid eener inspectie door den kommandant van Kwala Kapoeas in deze bovenlanden gehouden, is het stoomschip Boni tot Batoe Sambong, dus nog een eind voorbij kotta Djankang gestoomd. Bij die gelegenheid werd bij de steenkolenlaag, in het oevertalud zichtbaar, geankerd en een geheele lading van die brandstof ingenomen. Men was zeer gebrekkig van gereedschappen voorzien, zoodat de ader niet volkomen aangebroken kon worden en men zich vergenoegen moest met de klompen, die van zelf losgeraakt op den oever verspreid lagen, te laden. Om met die kolen een proef te nemen, had men de vuren sedert tweemaal vier en twintig uren laten uitgaan en had men den ketel herhaaldelijk gespuid, om hem behoorlijk af te koelen. Welnu, in veertig minuten tijds, met het horloge in de hand, was stoom gestookt.”
„Sacrebleu!” riep de Waal, „dat is mooi! met de beste Engelsche kolen, zal daartoe wel een uur benoodigd zijn.”
„Juist, dat verzekerde de machinist der boot ook,” ging Johannes voort. „Toen de stoom een spanning van vijf Eng. pond per vierkanten Eng. duim bereikt had, werden de werktuigen aangezet en deden die twintig omwentelingen in de minuut; waardoor een snelheid naar gissing van 6¾ mijl werd verkregen. Ik zeg naar gissing, omdat die snelheid bij den sterken en onregelmatigen stroom, voor welken men afvoer, niet te bepalen was. Maar reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorgvuldig ook gestookt werd, tot op drie, en nog iets later tot op anderhalf pond gedaald, waardoor het getal der omwentelingen aanmerkelijk verminderde en het anker moest uitgeworpen worden, omdat het schip geen stuur hield.”
„Dat was jammer,” zuchtte La Cueille.
„Ja, zeker was dat jammer. De proef had zich anders goed ingesteld. Er bleef niets anders over, dan de vuren weder met Newcastle kolen te voeden; toen ging alles weer goed.”
„Heeft men die proef later niet herhaald, hetzij met zuivere Kapoeaskolen, hetzij vermengd met Engelsche kolen?”
„Dat weet ik niet.”
„Kun je ook iets mededeelen omtrent den inhoud van den ketel en van het stoomwerk; als ook omtrent de grootte van den vuurhaard, den afstand van de roosterstaven onderling en de hoogte en de middellijn van den schoorsteen?”
„Schei uit!” riep Schlickeisen met wanhopig gebaar. „Wou je ook weten hoeveel kookgaten de kok in zijn kombuis had en hoeveel spijkers in de schoenzolen van den koksmaat zaten?”
Allen lachten hartelijk, maar de Zwitser ging voort: „Verduiveld! ik wist niet, dat je zoo’n man van cijfers waart.”
„Zoo zie je, als de lui maar in de brij, die voor hen bestemd is, kunnen happen,” lachte Johannes.
„Nu ja! steenkolen zijn mijn brij. Maar kun je me mijn vraag beantwoorden?”
„Neen mijn waarde Waal, iets zekers kan ik je daaromtrent niet mededeelen. Ik heb in der tijd die cijfers, die je me vraagt, in mijn zakboekje opgeschreven. Ik was daartoe in staat, omdat ik op dien tocht als schrijver van den kommandant moest fungeeren en ik het rapport betrekkelijk die zaak, voor den resident te Bandjermasin in het net heb geschreven. Maar dat zakboekje ben ik kwijt; ik geloof ten naastebij, dat ik het te Kwala Kapoeas in de laatste oogenblikken heb achtergelaten.”
„Dat is wel jammer; als ik die cijfers had kunnen keuren, ware mij veel opgehelderd. Maar om het even, ’k houd me overtuigd, dat, wanneer men steenkolen uit het innerlijke der ader had gebroken, men wel stoom op had kunnen houden.”
„O! dat was ook de overtuiging van den machinist. Die prees die steenkolen zeer; vooral omdat ze niets dan fijne asch op en onder de roosterstaven achterlieten. Dat spaarde veel arbeid van schoonhouden uit, meende hij.”
„Maakt de Dajak gebruik van de steenkolen?” vroeg Wienersdorf.
„Neen, het gebruik van de „batoe kasientoe,” zooals de steenkool in de landstaal genoemd is, wordt als onreinmakend beschouwd. In sommige gevallen is het zelfs verboden een steenkolenvuur te naderen, of steenkolen aan te raken. Van waar dat bijgeloof komt, is mij niet duidelijk. Wel verhaalt een legende, dat Mahatara in een oogenblik van ontzettenden toorn geheele bosschen in den schoot der aarde bedolven en daar in steen veranderd heeft. Wellicht dat dit tot dien afkeer den grondslag gelegd heeft.”
„Zijn de steenkolen op Borneo zeer verbreid?”
„Dat is een vraag, die bij de nog heerschende onbekendheid van dat eiland niet gemakkelijk te beantwoorden is. Intusschen, voor zoover wij Borneo kennen, moet de vraag met ja beantwoord worden; want in dat gedeelte, waar de Nederlanders gevestigd zijn, komen vele en machtige steenkolengangen voor. In het zuid-oostelijk gedeelte van het eiland, meer bekend onder den naam van Tanah-laoet, maken ze in de geheele heuvelformatie een belangrijk en bijna nimmer ontbrekend gedeelte der mineralogische samenstelling uit. Alle kloven en spleten, die veroorloven een blik te werpen in het eigenaardige dier onderaardsche natuur en waarin men tot hiertoe is doorgedrongen, hebben tot kolenlagen geleid. Op Poeloe laoet, een groot eiland, dicht onder de zuidoostkust gelegen, zetten die kolenlagen zich voort en worden zeer gemakkelijk in de heuvels teruggevonden. In Koetei op de oostkust, worden onder anderen te Pelarang machtige steenkolenaderen aangetroffen en langs de boorden van de boven-Doesson, boven Moeroi en boven Kahajan zijn lagen te ontwaren, die in uitgebreidheid weinig met die hier in de Kapoeas aanwezig, verschillen. Op de westkust worden die schatten langs de boorden der Kapoeas-Bohong, der Blitang, der beneden-Melawi, der Tabon-Kanoh aangetroffen; of zij daar echter van even goede kwaliteit zijn als deze hier, waarmede onze makker zijn proeven nam, zou ik niet durven bevestigen.”
Allen, maar vooral de Waal, hadden die geologische bijzonderheden met belangstelling aangehoord en wie weet hoe lang die steenkolen-verhandeling nog zou geduurd hebben, toen Harimaoung Boekit de vrienden kwam opzoeken. Voorzichtig hield hij een „tarodjok” (kleine weegschaal) in de hand en wees Johannes lachende daarop. Deze toonde zich eenigermate ontstemd door die verschijning; maar daar er niets meer aan te doen was, verbeet hij zijn teleurstelling en stond het Poenanhoofd te woord.
„Wel, Amai hebt ge het gewogen?”
„Ja,” grinnikte de Poenan, terwijl hij de tong der weegschaal vrij balanceeren liet, „zie, het weegt juist een boea kajoe.” [121]
„En dat is voor een waarde van hoeveel?”
Ja, die vraag was te sterk voor den Poenan, een te ingewikkeld rekenkunstig vraagstuk voor dat natuurkind. Hij krabde zich achter de ooren en keek een voor een de mannen van het gezelschap aan. Eindelijk zich tot zijn aanstaanden schoonbroeder wendende, vroeg hij dien:
„Als een thaël dertig realen kost, wat is dan de waarde van een boea kajoe?”
Verbluft keek Wienersdorf hem aan, met een gezicht zoo dwaas, dat zijn makkers in een luid gelach uitbarstten. Hij begreep zelf niet waarover het gold. Harimaoung Boekit wees hem op de tarodjok; in de eene schaal daarvan lag een fijn poeder, metaalachtig grauw-geel, dat veel van vuil kopervijlsel had; in de andere een klein koperen plaatje, dat een gewicht moest verbeelden. Nog begreep hij niet, wat van hem gevorderd werd en trok dientengevolge de schouders op.
„De menschen, die te Bandjermasin geweest zijn, laten er zich altijd veel op voorstaan, dat zij meer weten dan anderen,” hernam het Poenanhoofd vrij korzelig, „en nu weet die domkop mij niet eens te zeggen, wanneer een thaël dertig realen kost, wat dan een boea kajoe waard is.”
„Maar wat kost dertig realen? wat? wat??” vroeg de Zwitser ietwat geraakt.
„Wat? hier dit „boelau oerei” (stofgoud).
„Zoo, is dat stofgoud? Moet ik daar de waarde van zeggen? Wel dat weet ik niet.”
„Weet je dat niet? O! mijn arme zuster! wat een domkop krijgt ze tot echtgenoot.”
Johannes schaterde het uit van het lachen; dat lachen was aanstekelijk, zoodat weldra La Cueille en Schlickeisen medededen en Wienersdorf eindelijk ook instemde.
„Maar Amai,” sprak Johannes, toen hij eindelijk zijn lachbui wat bedwongen had. „Dohong kent dat gewicht hier niet; te Bandjermasin en te Kwala Kapoeas wordt een geheel ander gebruikt. Luister,” ging hij tegen Wienersdorf voort, „een thaël weegt twee ringgit’s; een ringgit twee sadjampol; een sadjampol twee en een half sakobang; een sakobang twee boea kajoe; begrijp je nu?”
„O! nu ben ik er. Wel Amai, dan is dit voor drie gulden stofgoud. Maar,” wendde hij zich tot Johannes, „wat heeft dit alles te beduiden? ’k begrijp er niets van.”
„Och, ’k had ulieden willen verrassen en van u allemaal goudzoekers willen maken, u tot de fortuin leiden, zonder dat ge het wist. De aardigheid is er nu af. Ziet hier. De Poenan en ik zijn heden aan het goudwasschen gegaan; ik heb mijn eerste les in het edele vak willen nemen. En zietdaar het product van ongeveer twee uur arbeids, dat heb ik alleen gevonden. Het part van mijn leermeester is veel grooter.”
„In twee uur drie gulden?” vroeg Schlickeisen. „Verduiveld! tegen dien maatstaf is een prachtige daghuur te maken. Het spijt me, dat wij niet langer hier blijven kunnen; wij zouden hier een buidel maken kunnen en die zou bij onze thuiskomst niet onaardig klinken.”
„En nog zijn we niet gelukkig geweest. Niet waar Amai?”
De Poenan lachte en antwoordde:
„Dat is uw schuld geweest; je hebt een menigte verboden zaken verricht, die den „sarok boelau” [122] hebben doen vluchten. Zoo hebt ge u staan baden in de rivier en hebt daarbij je gezicht stroomopwaarts gericht; dat mag niet. Je hebt je op den rand der djoekoeng neergezet en de beenen laten afhangen, je hadt ze gekruist onder uw zitvlak moeten opvouwen. Het is een wonder dat je nog iets gevonden hebt. Maar de sarok boelau zal zich wreken; je kunt er op rekenen, dat je door heftige koortsen aangetast zult worden.”
„Och! Amai,” lachte Johannes, „de koorts heeft geen vat op mij; als die komt zal ik haar naar u zenden.”
De Poenan lachte over die aardigheid volstrekt niet; de toezegging kwam hem wat kras voor. Hij verhaalde evenwel den vrienden, dat bij hem te lande, in de soengei Miri het goud overvloediger voorkomt. Hij zou hen daar helpen wasschen, maar dan moesten zij hem beloven, dat zij zich aan alle formaliteiten van den adat stipt zouden onderwerpen. Hij vertelde hun ook nog, dat het goud der Kapoeas beter was, dan dat hetwelk in de haar schatplichtige soengei’s Koewatan, Mawat, Taren en Sirat gevonden werd, maar dat het Kapoeasgoud bij dat der Kahajan achterstond. Het goud van de soengei Miri afkomstig, was evenwel het beste van alle soorten; dat was eigenlijk „boelau batoeèh” (rijp goud), had ook een fraaie hooggele kleur, terwijl al het andere als „boelau manggor” (onrijp goud) moest beschouwd worden, dat ook door zijn bleekere kleur zijn geringer gehalte verraden werd.
De Poenan had zooveel van den rijkdom zijns lands verteld, dat de deserteurs nog lang na zijn vertrek over goud, goud en nog eens goud zaten te praten en blijken gaven door de goudkoorts aangetast te zijn.
XXIV
Belofte maakt schuld.—Een Dajaksche ijzersmelterij.—Een blaasbalg.—De sarok boelau wreekt zich.—Harimaoung Boekit heeft de koorts.—Wienersdorf dokter.—Johannes bezweerder.—Een antoeën.—Een Dajaksche legende.—Wedervaren van een vrouwelijk antoeën.—Het ombrengen van een antoeën.
Des avonds zaten de vier vrienden nog laat bij elkander en gelukkig was eindelijk het gesprek van het goudzoeken afgedwaald. La Cueille, die hoegenaamd geen slaap, maar daarentegen een goed geheugen had, herinnerde Johannes er aan, dat hij hun de belofte gedaan had, iets van een Dajaksche ijzersmelterij te vertellen.
„„Belofte maakt schuld,” is een Hollandsch spreekwoord, dat ik als Waal je niet in herinnering behoef te brengen.”
„Mij wel; we kunnen daarmede even goed een uurtje dooden, als met die goudzoekerij, die ons voorloopig maar onnoodig opwindt. Als gijlieden evenwel meent iets te zullen hooren van hoogovens en ijzersmelterijen zooals die in Europa bestaan, waarin men schildknapen stookt om Duitsche dichters gelegenheid te geven heel aardige verzen te fabriceeren die door Nederlandsche poëten heel aardig nageaapt worden, dan hebt ge ’t gloeiend mis. Zulk een Dajaksche smelterij is meer primitief, en er zou geen plaats in zijn, om een Fridolin in te stoppen, tenzij men hem eerst wilde opvouwen, alsof men hem in een linnenkast zou opbergen. Ziet hier de geheele inrichting zooals ik die bij het maken eener patrouille bevonden heb:
„Op een kleine natuurlijke of kunstmatige hoogte, in de nabijheid der plaats waar het erts opgedolven werd, hadden de Dajaksche ijzersmelters onder een zeer hoog dakwerk een bak van plastische klei vervaardigd, die, wat de buitenafmeting betreft, nagenoeg den vorm van een kubieken meter had. De wanden van dien teerling....”
„Zou je ons eerst niet iets van het erts vertellen en van de plaats waar die aangetroffen wordt?” vroeg La Cueille.
„Zoo als je wilt. Het erts, waaruit het ijzer gewonnen wordt, is steeds bijna in de nabijheid der steenkolenformatie te vinden. Schier altijd worden beide mineralogische voortbrengselen bij elkander aangetroffen, de eene laag de andere dekkende; zeer zeldzaam is het dat, waar het eene aanwezig is, het andere ontbreekt.”
„Donders! dat is buitengemeen gelukkig,” juichte de Waal.
„Het kan zijn; maar laat me nu voortgaan. De lagen, die het ijzererts bevatten, zijn langs de rivier doorsneden en gewoonlijk reeds bij middelbaren waterstand in de diepe beddingen zichtbaar. De Dajaks benutten de gelegenheid in den drogen tijd, om den noodigen voorraad erts te bemachtigen. Dit erts, in den regel met water doortrokken, is op het gevoel weekachtig. Het wordt eerst gedroogd in de zon, daarna in stukken ter grootte van een okkernoot geklopt en verder in de nabijheid onder een licht afdak opgeschuurd, tot den tijd, dat het gebruikt zal worden. Dat erts bestaat uit een mengsel van grootere of kleinere stukken van doffen ook wel glinsterenden bruin-ijzersteen en is een soort van ijzer-oxyde-hydraat met geelachtig bruine streek, voorts uit bruinen ijzer-oker, gevormd door de ontleding van het eerstgenoemde mineraal en eindelijk uit vrij harden zandsteen waarin het erts afgezet schijnt te zijn. Op 100 gram erts komen 34,6 gram zuiver ijzer voor. Dat is al wat ik er van weet en dat heb ik nog uit de rapporten gestolen.”
„Dank je voor de toelichting,” sprak de Waal, „je bent knapper beslagen dan ik wel dacht; ga nu maar voort. Je waart aan de beschrijving van dien bak van klei, die den vorm van een teerling had.”
„De wanden van dien teerling,” ging Johannes voort, „hadden van boven een dikte van ongeveer een dM., maar namen naar beneden loopende dermate in dikte toe, dat het grondvlak van de binnenruimte van den bak slechts 9 vierkante dM. mat. Deze bak was de eigenlijke smelttoren en werd „laboerang” geheeten. Zoo als mij verhaald werd, was die oven gedurende een veertiental dagen in de zon gedroogd, waarna men beneden, zoo wat twee dM. boven het grondvlak der binnenruimte een gat geboord had om de pijp van den blaasbalg binnen te leiden, terwijl aan de tegenovergestelde zijde een ander gat gemaakt was „alier” geheeten, dat dienen moest, om gedurende de smelting de slakken te kunnen verwijderen en later het verkregen ijzer uit den oven te halen. We kwamen met onze patrouille juist aan, toen men den oven begon te laden. Hij was vooraf met hoepels van rottan en bamboe omwoeld om het barsten en splijten te voorkomen. Eerst werd op het grondvlak van de „laboerang” een dikke laag zeer fijn houtskoolpoeder gestrooid. In die laag werd een vierkante uitholling, „kakat” genaamd, uitgespaard, waarin het vloeibare ijzer zich later zou verzamelen.
Boven die kakat werd in het daarvoor bestemde gat de buis van den blaasbalg gebracht. Die buis „boetoeng” geheeten, was van klei gebakken en reikte tot ver over het midden van de kakat. Vervolgens werd de oven, zoo wat op ¾ van zijn hoogte met houtskolen gevuld, waarop het erts gestort werd, dat vooraf in groote houtvuren geroost was, totdat het een menieachtig roode kleur had gekregen. Daarna werd de houtskool boven de kakat aangestoken en de alier met een laag natte klei gesloten. Vervolgens werd de bamboebuis van den blaasbalg in de boetoeng gebracht en het vuur eerst langzaam aangeblazen en daarna tot zijn grootste hitte gestookt.”
„Je spreekt daar van een bamboebuis; die blaasbalg zal toch wel van Europeesch maaksel geweest zijn?” vroeg La Cueille. „Zoo iets kunnen de inlanders niet vervaardigen.”
„Daar heb je weer zoo’n oordeelvelling van een Europeaan!” sprak Johannes met eene zweem van bitterheid in zijn stem. „Neen, die blaasbalg was niet van Europeesch maaksel. Luister; ’k zal je op de hoogte brengen. In een rechtstandigen houten cylinder, gewoonlijk een uitgeholden boomstam, een middellijn hebbende van ongeveer drie dM. bij een lengte van twee meter, bewoog zich een „kewoes” (zuiger), waarvan de schijf, ter bevordering van de luchtafsluiting, door middel van „djampol”, een soort van mastik van olie en hars, met donzige kippenveeren beplakt was. Onder aan den cylinder was de gemelde bamboebuis, „passiong” geheeten, bevestigd; door deze werd de lucht in de boetoeng en verder in de laboerang geperst. De zuigerstang, zes à acht meter lang, was boven aan een horizontaal geplaatste, veerkrachtige lange bamboe bevestigd, waardoor de arbeid van het op en neerhalen van dien zuiger aanmerkelijk verlicht werd. Die blaasbalg werd „bapoetang” genoemd en de arbeiders deden daarmede, tot het verkrijgen van de noodige hitte, veertig tot vijftig slagen in de minuut.”
„Drommels, dat is mooi!” betuigde de Waal.
„St! laat me voortgaan. Toen de oven geladen was, werd het vuur tot de grootst mogelijke hitte aangeblazen; en naarmate de inhoud door de verbranding zakte, werd er nieuw erts van boven ingeworpen. Om echter de laboerang steeds van de noodige brandstof te voorzien, werd toen op een deel erts tien deel houtskolen gevoegd. Om het uur werd de alier geopend, om de slakken te verwijderen, maar daarna onmiddellijk weer met natte klei gesloten.
Dat stoken werd zoo den geheelen dag, van des morgens tot het vallen van den avond voortgezet; daarna werd de oven uitgedoofd, de alier geopend en het verkregen ijzer met groote houten tangen, van ijzeren punten voorzien, uit de kakat gehaald. Dat ijzer deed zich toen voor als een bruinrood gloeiende vormlooze taaie klomp en werd toen op den grond, die vooraf met fijn gestampte slakken bedekt was, met houten beukhamers tot een kubiek „rankan” genaamd, verwerkt, die ongeveer 30 K.G. woog. Daarna werd de rankan in tien gelijke deelen verdeeld. Deze deelen heetten „bilah” en werden zoolang gehamerd en van slakken gezuiverd, dat zij voor het smeden en klinken geschikt waren. Zulk een bilah behoorlijk afgewerkt, woog ongeveer 2½ K.G. Zietdaar de geheele bewerking. Ik kan er nog bijvoegen, dat het ijzer van de Kapoeas-streken als het beste in kwaliteit gerekend wordt en dat het Doessonsch het meest gewilde van geheel Borneo is, wat niet weinig gezegd is, daar het Borneosch ijzer door den geheelen Indischen Archipel beroemd is. De wapens daarvan vervaardigd worden overal op hoogen prijs gesteld en terecht; want ik heb mandauw’s en Nagara-sabels [123] gezien, waarmede een spijker van zeven op het pond doorgekapt werd, zonder dat het scherp van het wapen iets geleden had. En nu heb ik verteld, wat ik wist; ik hoop dat ik aan de weetgierigheid van onzen Waal zal voldaan hebben.”
Deze grinnikte en antwoordde bij wijze van dank:
„’k Zal nu ten minste kunnen slapen, goeden nacht! Maar ja, hoe heet ijzer in het Dajaksch?”
„„Sanaman” en de ijzererts „batoe sanaman.””
„Dank je, goeden nacht.”
Die wensch, hoe hartelijk ook gedaan, zoude evenwel blijken ijdel te wezen. Niet lang na het middernachtsuur, werd Wienersdorf gewekt, door een Dajak, die hem zachtkens aan een zijner groote toonen krieuwelde en bij zijn ontwaken tot zich wenkte. Toen de Zwitser buiten kwam, vernam hij dat zijn Hamadoe hem wenschte te spreken. Hij spoedde zich naar haar woning, uitermate nieuwsgierig, wat zij in dit nachtelijk uur van hem kon verlangen. Een te goede meening koesterde hij omtrent de zedelijkheid van het meisje, om ook maar een enkele onedele gedachte ingang te doen vinden. Hij vond haar in tranen badende. Zoodra zij hem zag, sprong zij op en hem bij de hand nemende, geleidde zij hem bij de slaapplaats van Harimaoung Boekit, haar broeder, die op zijn matje, door een hevige koorts bevangen, te ijlen lag. In dikke droppels parelde het zweet op het voorhoofd des kranken, zijn ademhaling was heet en hijgend en in zijn wartaal had hij het er maar steeds over, dat Johannes gedreigd had, hem de koorts te huis te sturen. Dat verhaal, hetwelk hij al verscheidene malen opgedischt had, begon indruk op de metgezellen van den Poenan, die rondom zijn legerstede geschaard stonden, te maken, en een gemompel van ontevredenheid uitte zich en zelfs werden enkele bedreigingen gehoord. Met het bijgeloof van zulk een oorspronkelijk volk is het niet goed den spot te drijven.
Hamadoe, in haar bezorgdheid over den toestand van haar broeder, had het geraden gevonden haar Dohong te laten roepen; wellicht dat die als Kwala Kapoeasser, zoo dacht zij overluid, goeden raad zoude kunnen geven. In haar hart evenwel geloofde zij aan de almacht der blanken op het gebied der geneeskunst en twijfelde dus niet aan den uitslag van een tusschenkomst van den beminden man. Deze liet zich het baantje van geneesheer onder zoo lief geleide gaarne aanleunen, voelde den lijder den pols, keek hem met een uiterst geleerd gezicht aan en betastte hem het voorhoofd, de armen en de borst. Eindelijk deed hij het lichaam van den Poenan met water en azijn wasschen en koele kompressen op zijn hoofd leggen. Het gevolg daarvan was, dat de koorts-hitte afnam en de zieke zijn bewustzijn herkreeg. Het eerste wat hij uitkraamde, gold de ondankbaarheid van den man, dien hij het goudzoeken geleerd en zoo goed gewaarschuwd had, toch den sarok boelau niet te vertoornen, en nu zijn weldoener de koorts op het lijf joeg. Bedreigingen van den kant der omgeving van den zieke bleven bij die woorden, die thans als in alle kalmte gesproken, grooten indruk maakten, niet uit. Wel bestreed Dohong de meening, dat zijn makker iemand ziek zoude kunnen maken, met klem; maar het feit was daar en volgens aller meening niet te weerspreken; Johannes had immers zelf gezegd, dat de koorts geen vat op hem had en hij ze bij het Poenanhoofd zou zenden. Wienersdorf zag van ieder verder betoog af; maar hij deed een aftreksel van „akar pahit” (bitterwortel) [124] maken, voegde daarbij een goede dosis honig en beval den zieke aan, daarvan telkenmale een flinken teug te drinken. Was het de uitwerking van dat middel, of van wat anders? maar Harimaoung Boekit viel in een gerusten en weldadigen slaap en Wienersdorf spoedde zich heen, om Johannes op de hoogte van het gebeurde te brengen. Deze gierde het uit van het lachen, toen hij dat vernam.
„Er valt niet te lachen,” meende de Zwitser, „de toestand is ernstig. Geloof vrij, dat ik menige bedreiging tegen je gehoord heb. En zelf moet je bekennen, dat het een raar volkje is.”
„Kom, kom; wel heb ik spijt, dat ik dat malle gezegde uitgeslagen heb; maar voor het overige zal het wel losloopen. Maak je maar niet ongerust. Als ze je weer in je kwaliteit van dokter komen halen, roep me maar, dan ga ik mee en zal alles weer goed maken.”
Een paar uren nadat de dag aangebroken was, werd Dohong weer geroepen en deze trad al spoedig daarop, van Johannes vergezeld, het ziekenvertrek binnen en vond daar alle aanwezenden bezig alles klaar te zetten, om door middel der Balians genezing van de Sangiangs, die hulpvaardige wezens af te smeeken.
„Om Godswil niet!” riep Dohong, „dat getrommel, dat gezang en dat gejoel zullen den zieke nog zieker maken.”
Deze laatste zette een donker gezicht, toen hij Johannes gewaar werd en verweet hem, dat bij zich zoo ondankbaar getoond had.
„Ik vergeef het je,” sprak hij eenigszins weekhartig, „ter wille van Dohong. Maar die ondankbaarheid heb je te Bandjermasin van de blanken geleerd, niet waar? Wat heb ik je gedaan, om me zoo te behandelen?”
„Kom, kom,” sprak Johannes, „’t is niet anders dan een vergissing. Toen ik gisteren die woorden sprak, was dat gekscherende, dat heb je wel kunnen merken. Ik ben niet bang voor de koorts. Toen zij heden nacht bij mij kwam, was ik slaapdronken—’k had gisteren avond wat toeak geproefd.—’k Wilde haar naar den kommandant te Kwala Kapoeas zenden en het schijnt, dat ik mij alstoen ergerlijk vergist en uw naam genoemd heb. Maar heb ik de macht om iemand de koorts op het lijf te jagen, ik heb die ook om ze weg te nemen. Je zult zien.”
En meteen een handvol ongepelde rijst uit een klapperdop, dien hij medegebracht had, grijpende, strooide hij de korrels rondom de sponde van den zieke, terwijl hij met luider stemme opdreunde:
„Baboho tawor tawèh balei Sangiang, lalento etan boelau madja balei Sangiang.”
„O! gestrooide korrels gaat gezamenlijk in het huis der Sangiangs; treedt met geruisch o! mijn gouden korrels het huis der Sangiangs binnen.”
Daarna den zieke over het voorhoofd strijkende, waarbij hij met de hand een beweging maakte, alsof hij iets wegwierp:
„Zie zoo,” sprak hij, „dat is klaar. Over een uur heeft de kommandant van Kwala Kapoeas de koorts zoo hard, als gij ze gehad hebt. Blijf nu maar stil liggen; drink de „obat” (medicijn), die Dohong u geven zal. Wellicht zult ge over een half uur zware suizingen in de ooren hebben; dat moet u niet ongerust maken. Dat is het teeken, dat de koorts aftrekt en naar Kwala Kapoeas verhuist.”
Met een plechtigen stap verliet hij het vertrek. Wienersdorf haalde een fleschje te voorschijn, waarin Johannes 24 grein sulphas chinicus in citroenzuur opgelost had en liet dat den Poenan drinken. Deze zwelgde zonder een spier te vertrekken het bittere goed naar binnen, veegde zich den mond met den rug zijner hand af, maar betuigde, dat hij meer vertrouwen had in het tooverformulier van Johannes, dan in alle bittere drankjes ter wereld. Een kwartiertje later lag bij gerust te slapen.
Die sulphas chinicus had Johannes uit de verbandkist van den dokter van Kwala Kapoeas bij een van diens talrijke tochten weten meester te worden. Hij was een man van voorzorg en de toen gepleegde ontvreemding kwam hem nu goed te stade. Het was eigenlijk een uitkomst, want Dalim waarschuwde de deserteurs ernstig, zich van dergelijke aardigheden, als Johannes’ zich veroorloofd had, te onthouden.
„Nu,” zeide hij, „hebben reeds bedreigingen weerklonken en zijn allerlei vermoedens geuit. Er waren er, die beweerden, dat het gevaarlijk is, zulke onbekende vreemdelingen zoo maar in de kotta’s te ontvangen. Alles bepaalde zich evenwel tot gemompel; maar wanneer eenmaal het woord „antoeën” ware uitgesproken geworden, dan zouden al de mandauw’s als van zelven uit hun scheeden gevlogen zijn en dan laagt ge al lang in uw bloed te wentelen en prijkte uw kop in de vuist van een Poenan.”
„Mille tonnerres!” riep La Cueille, „nu is het mijn beurt eens om je toe te roepen: „pas op je kop.””
„Antoeën, wat beteekent dat woord?” vroeg Schlickeisen.
„Antoeën beteekent: iemand die zich in een boozen geest kan veranderen, om de zielen der menschen te ontrooven en hen zoo ziek te maken,” antwoordde Dalim.
„Ik dacht dat iemands ziel te doen verhuizen, iemand dooden is?”
„Ja, als de ziel lang afwezig blijft, heeft dat den dood ten gevolge. Voor den Dajak is iedere ziekte slechts een tijdelijke afwezigheid der ziel, en genezing is alleen het kunstje om die ziel op haar tijd en dan om te blijven, terug te voeren, ’t geen onze Balians behendig weten te bewerkstelligen.”
„Daar zal wel een legende aan verbonden zijn, hé?” vroeg de nieuwsgierige Zwitser.
„Ja zeker, als je wilt, zal ik ze je vertellen.”
De vier Europeanen stopten hun pijpen en schaarden zich om den Dajak, die aldus begon:
„Er was eens een Dajaksche familie, die bij het graven van een gat in den grond, om een stijl voor een te bouwen huis te plaatsen, een groote roode waterslang vond, die doodde en haar met smaak oppeuzelde. Maar die slang, Lendong genaamd, behoorde tot de familie der „Naga gallang petak” [125] en was een bevoorrechte van Mahatara. Deze, vertoornd over zulk een handelwijze, maakte allen, die van die slang gegeten hadden tot antoeën. De huisvader van dat gezin werd het opperhoofd der antoeëns en ontving bij die gelegenheid den schrikwekkenden titel van „radja antoeën batoelang dohong” of „koning der antoeëns met beenderen als slagzwaarden”. Die geheele familie bleef antoeën en hun nakomelingen werden antoeën geboren.”
„Maar hoe openbaart een antoeën zich, of hoe gaat hij te werk om iemands ziel te ontrooven?”
„Dat zal ik u vertellen. Wil een antoeën een mensch onheil berokkenen, dan rijt hij zich zelf des nachts het hoofd van den romp. Deze handeling heet bij de Dajaks: „baroewoet takoeloke” (kop afscheuren). Met de daaraan hangende spieren en ingewanden vliegt die afgescheurde kop weg naar het huis van hem, dien hij kwellen wil. Daar verandert hij zich in een nachtvogel, rat of muis en dringt zoo de woning binnen. Hij wacht daar, in een hoekje verborgen, tot zijn slachtoffer slaapt, ontfutselt hem zijn ziel of steekt hem een houtsplinter of een vischgraat onder de huid.”
„Hoe lapt hij hem dat?” vroeg La Cueille.
„De ziel van een slapend mensch slaapt eigenlijk niet, maar is toch slaapdronken en daarbij zeer onrustig. Zij volgt dan gaarne ieder, die haar roept.”
„En het splinters insteken, dat moet toch pijn doen?”
„Maar daar voelt de slapende toch niets van. Dat alles moet evenwel voor het aanbreken van den dag geschied zijn; want wordt het licht vóór dat de kop van den antoeën zijn lichaam weer opgezocht heeft, dan moet hij tot den volgenden nacht wachten, alvorens hij er zich weer mee vereenigen kan. Middelerwijl evenwel is het lichaam onder den invloed van de over dag heerschende warmte reeds begonnen tot ontbinding over te gaan, zoodat de antoeën dan ook sterven moet. Komt echter de kop nog bijtijds bij zijn lichaam terug, dan zet de antoeën zich dien eenvoudig weer op den romp en herneemt alzoo zijn menschelijke natuur.”
„Hoe geschiedt dat kopafscheuren en dat kopweeropzetten?” vroeg La Cueille steeds nieuwsgierig.
„Dat weet ik niet; ik ben nimmer een antoeën geweest,” was het leuke antwoord van den Dajak.
„Verduiveld, dat is jammer; ik had dat kunstje wel willen leeren,” lachte de Waal. „Maar stelen de antoeëns slechts zielen, en stoppen zij iemand alleen maar houtsplinters en vischgraten in het lijf? Dat is een vrij onschuldige grappenmakerij. Van den splinter of graat krijg je eenvoudig een steenpuist; en je ziel vraag je aan een mooie Balian terug.”
Allen lachten om den kwinkslag, zelfs Dalim deed mee.
„Ja, maar,” ging hij voort, „het gebeurt ook wel eens, dat zulk een antoeën zijn slachtoffer tot den laatsten droppel bloed uitzuigt en niets dan een lijk achterlaat. Eens evenwel....”
„Nu ga voort,” sprak Johannes, bij de aarzeling van den spreker, „waarom talm je, durf je niet?”
„Och, ’t is maar een sprookje, jullie blanken gelooft er toch niet aan.”
„Kom, vooruit maar; ’k zie aan je neus, dat je brandt van verlangen, om ons dat sprookje op te disschen.”
„’t Is eens gebeurd, dat zulk een antoeën zijn of beter haar wandeling bijna zeer slecht bekomen was, maar toch nog bijtijds gered werd en toen de haar verleende hulp zeer dankbaar beloonde. Het was een jeugdige en zeer schoone vrouw, die het treurige voorrecht genoot, antoeën te zijn. Zij had een braaf echtgenoot, die in de verste verte niet bevroedde, welk kostbaar wijfje hij bezat. Iederen avond haalde zij hem over een duchtigen teug toeak of arak te nuttigen en, wanneer dan manlief zijn roes uitsliep, dan had het vrouwtje vrij baan.
„Bij een harer nachtelijke omzwervingen langs de boorden der Kapoeas, had zij haar intrek genomen in de hut van een zeer knap jongeling, dien zij in slaap gedompeld vond. In plaats van dadelijk haar antoeënsbedrijf uit te oefenen, verdiepte zij zich in het aanschouwen van het schoone uiterlijke van den slaper. In haar kwaliteit van veelvermogend wezen, bezorgde zij hem aangename droomen, die een waas van verrukking op zijn gelaat te voorschijn brachten. Zij betreurde het in dit oogenblik haar antoeënswerk te moeten volbrengen. Hoe lang zij in die beschouwing verzonken bleef, wist zij naderhand niet, maar dat de tijd zich voortgespoed had, bewees haar het gekraai van een haan in de nabijheid der hut. Verschrikt keek zij op. Het was nog donker. Toen wierp zij zich op den argeloos slapenden en zoog hem het bloed af. Met volle gulzige teugen zwelgde zij het levensvocht op en was juist daarmee klaar, toen zich de „tantarah” [126] liet hooren, die met zijn melancholieke stem het terugkeeren van den dageraad aan de woudbewoners verkondigde. Spoedig haastte zich de antoeën naar buiten en vloog ijlings heen. Maar de weg, dien zij af te leggen had, was lang; de zon raakte reeds met den rand aan den gezichteinder en, om niet door de dagvorstin beschenen en daardoor gedood te worden, was de antoeën verplicht een schuilplaats te zoeken. Zij vond die, gelukkig zonder nog door iemand bespeurd te zijn, onder een huis in een opgehangen korf, waarin een hen te broeden zat. Het arme dier vloog angstig uit het nest, toen die akelige gedaante daarin kroop, liep schreeuwende en kakelende over den vloer heen en weer, keerde dan naar de mand terug, vloog er bij op en neer, schreeuwde als een bezetene en wendde alles aan om den ongenooden gast haar eieren te doen verlaten. Op dat geraas van de hen kwam een oude vrouw buiten ’s huis, en de bewegingen der kip gewaar wordende, trad zij op den korf toe en ontdekte weldra de antoeën. Verschrikt stoof het vrouwtje achteruit en wilde vluchten, maar zij hoorde zich roepen.
„Kom hier,” sprak een stem, „gij kunt mij een grooten dienst bewijzen en ik zal niet ondankbaar zijn.”
Angstig vroeg de vrouw, wat van haar verwacht werd.
„Zet mij in uw „boetah” (draagmandje) en breng mij tot aan het gindsche huis. Stoor u aan de menschen niet, die gij daar mocht ontmoeten; maar ga door het middenvak van het huis en stoot de laatste deur aan uw rechterhand open. Zijt ge daar binnen, sluit dan de deur goed achter u dicht, open de „djangkoet” (bedgordijnen) en leg mij daar stil neder. Nogmaals, ik zal u niet ondankbaar behandelen. Gij zijt pandeling; ik zal al uwe schulden betalen; gij zult vrij zijn en ik zal u daarenboven nog veertig realen geven.”
„Hoe zeer de arme slavin ook voor de akelige gedaante teruggedeinsd was, zoo waren toch de beloften te schoon, om ze van de hand te wijzen. Zij zette haar draagmandje op den grond, greep het hoofd bij de haren, tilde het uit het kippennest en stopte het met darmen en spieren in de boetah en begaf zich naar het aangeduide huis. Daar aangekomen, ontmoette zij werkelijk een paar huisgenooten, die haar bij het binnentreden vroegen: „kasen ikau manalih ikei?” (wat komt gij bij ons doen?) Zij antwoordde evenwel niet of slechts geheel ontwijkend, maar drong het huis in, begaf zich naar het aangeduide vertrek en trad dat binnen. Na de deur achter zich gegrendeld te hebben, sloeg zij de bedgordijnen open en zag daar den man des huizes, die nog in een zwaren slaap gedompeld lag. Zij zette haar boetah naast den slapende neer, sloeg de gordijnen dicht en spoedde de kamer uit, terwijl zij zich het angstzweet van het voorhoofd wischte. Na verloop van een uur kwamen man en vrouw te voorschijn; beiden gaven voor, dat zij zich verslapen hadden, maar de huisgenooten merkten op, dat de jonge vrouw zeer bleek en uitgeput uitzag. Nog denzelfden dag werd de oude pandelinge uit haar dienstbaarheid verlost en haar, behalve de toegezegde som van veertig realen, nog een fraai snoer van „lameang’s” (agaatsteenen) overhandigd.”
„En gelooft ge aan dien nonsens van dat kop aftrekken, enz.?” vroeg La Cueille, toen het verhaal uit was.
„Dacht ik het niet!” riep Dalim uit, „dat mijn verhaal geene geloovige ooren zou ontmoeten. Ja, ik geloof er aan.”
„Hebt ge dan ooit zoo’n antoeën in zijn bedrijvigheid ontmoet?” vroeg de Waal met deftige wijsheid in zijn stem.
„Neen; maar mijn vader wel, en dat is een man, die nimmer een leugen uitgesproken heeft.”
„Te donder Dalim, dat is kras! een Dajak, die nooit gelogen heeft,” lachte Johannes; „dat is net zoo sterk als een Chinees, die nooit geschacherd zou hebben. Maar sta je er op, dat we je gelooven, dan vooruit met de ontmoeting van je vader met dien antoeën.”
„Och maar, hij daar,” zeide Dalim, terwijl hij naar den Waal wees, „zal me toch niet gelooven.”
„Ja zeker, dat zal hij net zoo wel, als hij gelooft, dat in zijn land oude vrouwen zich in een zwarte kat kunnen veranderen of op een bezemstok door de lucht kunnen rijden.”
„Dat kunnen ze ook!” viel de Waal driftig in.
„Daar zou je ook niet mee moeten spotten in de dalen van Grauwbunderland, van Valtellino of Tessino,” voegde Wienersdorf er ernstig bij.
„Zie je wel? daar heb je ’t al. Vooruit maar, je zult nog meer geloof vinden, dan je kunt vermoeden,” grinnikte de Indo-Europeaan.
„In de nabijheid van het huis mijns vaders, dat te Kwala Kapoeas langs de soengei Basiri stond, woonde een man, Moeèi genaamd, die sedert eenigen tijd in verdenking stond, antoeën te zijn. In de onmiddellijke omgeving gebeurden wel geen gevallen van bloedafzuiging, van zielontrooving of van houtsplinter- of vischgraat-goochelarij; maar in de naburige kampongs kwamen die des te menigvuldiger voor. Er ging bijna geen nacht voorbij, dat niet het een of andere schelmstuk van dien aard uitgevoerd was. Men paste op, men loerde, maar steeds zonder eenig gevolg. Wel waren er, die beweerden, dat de antoeën zich steeds in de richting van soengei Basiri verwijderde; maar dat kon een list zijn. Toen evenwel andermaal een jonge vrouw, moeder van vijf kinderen, bloedeloos en dood op haar legerstede gevonden werd, toen besloot de geheele negorij de handen in elkander te slaan en een stipte waakzaamheid in acht te nemen. Ook de mannen, in soengei Basiri wonende, werden daartoe uitgenoodigd. Zoo trok mijn vader om den anderen nacht op post en bezette dan met twee andere kampongbewoners een wachthuisje, dat aan de monding der soengei geplaatst, een ruim uitzicht opleverde. Maar was de antoeën op zijn hoede, of wel was men op een verkeerd spoor? Genoeg, al dat waken bleek ijdel en leidde tot niets, hoewel er bijgevoegd moet worden, dat gedurende een geruimen tijd geen ongeval zich voordeed.
„Maar ziet, op een avond hoorden de buren zekere luidruchtigheid in de woning van Moeèi en toen men luisterde, was hij bezig zijn huisgenooten toeak te schenken en hen tot drinken aan te sporen. Dat wekte argwaan; want Moeèi was een erge gierigaard, die niet dan om geldige redenen tot zulken overdaad oversloeg. Dien nacht trok mijn vader niet op post in het bedoelde wachthuisje; maar verborg zich achter een struik, die dicht bij Moeèi’s woning stond en van waar hij goed kon waarnemen, wie in- of uitging. Hij zal daar zoo omstreeks drie „krassa krapi” [127] in het stof gelegen hebben, toen hij de deur zachtjes zag opengaan en een gedaante verschijnen, die als een pijl recht toe recht aan de lucht invloog en naar den kant van het oosten in het duister verdween. Er was evenwel niet veel te onderscheiden geweest en te beweren, dat, wat hij gezien had, een menschenhoofd was, dat kon mijn vader niet; want hij verklaarde later, dat het wel iets van een „bangamat” (vliegende hond) had. In het onzekere wachtte hij stil af om te zien, of de gedaante zou wederkeeren. En jawel, in het oosten begon zich reeds een grauwe lichtband te vertoonen, toen hij een geklepper in de lucht vernam, dat snel naderde. Hij sprong op en greep toe op het oogenblik, dat de gedaante door de reet der deur wilde binnen sluipen. Een worsteling volgde nu. Hevig schudde de antoeën zijn afhangende darmen, om den bespringer te doen loslaten en toen dat niet lukte verhief hij zich in de lucht. En waarachtig, toen mijn vader den grond onder zijn voeten voelde begeven, kon hij die glibberige darmen niet houden, door zijn zwaarte schoten hem die door de handen en plofte hij onzacht op den grond neer. Op het geschreeuw mijns vaders schoten een paar buren toe. Met hun drieën drongen zij in Moeèi’s woning en vonden dien nog bezig met zich het hoofd op den romp te plaatsen.”
„Hoe deed hij dat?” was andermaal de nieuwsgierige vraag van La Cueille, „nu moet je ’t weten; je vader was er bij.”
„Toch weet ik het niet; wellicht met zijn tanden,” was het ontwijkende antwoord van den Dajak.
„Nog was het drietal van hun verbijstering niet bekomen, toen Moeèi met zijn arbeid klaar was en hen lachend te gemoet trad, alsof er niets gebeurd was. Hij greep een bamboekoker, die in de nabijheid van zijn bed hing, schudde dien leeg en vertoonde den omstanders een stapeltje rijksdaalders, dat hij hun aanbood, als zij den mond wilden houden. Maar zij trokken hun mandauws en sloegen op den antoeën in en kapten en kerfden, zoolang maar een heel plekje van zijn huid te ontwaren was. Zij waren nog bezig, toen het kamponghoofd van soengei Basiri op het gerucht binnenkwam.”
„Te drommel ja,” riep Johannes, „die zaak herinner ik me. Ik maakte deel uit van de patrouille, die de moordenaars oppakte. Jongens, jongens, de bevolking wilde ons te lijf.”
„Wel zeker,” zeide Dalim, „wat had de kommandant zich daarmee te bemoeien. Een antoeën dooden is een verdienstelijk werk; tegen dat tuig kan hij ons met al zijn macht niet beschermen.”
„Ja, maar de kommandant geloofde zoo grif aan die antoeën-geschiedenis niet. Dat stapeltje gevonden rijksdaalders deed hem andere gedachten koesteren.”
„Toch ten onrechte, niet waar? mijn vader en zijn twee helpers zijn toch eindelijk op vrije voeten gesteld; dus de kommandant erkende hun onschuld.”
„Voor den duivelkater niet! De kommandant wilde geen verwikkelingen in het leven roepen met een bevolking, die hij pas met vele moeite tot onderwerping gebracht had. Maar ik heb hem wel eens hooren mompelen, dat die moordenaars hangen moesten.”
„Hij heeft ze niet gehangen,” lachte Dalim, „en wat wel het voornaamste was, toen mijn vader zijn vrijheid herkreeg, gaf hem het kampongvolk een fraaien mandauw ten geschenke als waardeering, dat hij hen van een gevaarlijken antoeën verlost had en bij de eerste de beste gelegenheid werd hij tot kamponghoofd van soengei Basiri verkozen.”
„Jawel, maar bij het vellen van een boom, kreeg hij een tak van den vallenden reus op het lijf, die hem de ruggegraat verbrijzelde.”
„Dat was de wraak van den boosaardigen antoeën.”
„Goed; maar waarmee de kommandant nog al in zijn schik was, omdat hij van de verplichting ontslagen werd, òf de benoeming tot hoofd van iemand, dien hij van moord verdacht hield, te bekrachtigen, òf die bekrachtiging te weigeren en weer nieuwe tweespalt met de bevolking te beginnen.”
„Naughe!” (het zij, hoe het zij) lachte Dalim als om het gesprek over dit onderwerp af te breken. „Maar,” vervolgde hij, „ik heb u nu twee geschiedenissen in plaats van eene gegeven. Zijt ge nu tevreden? Ja? Laat ik er dan nog bijvoegen, dat, indien iemand in de Dajaklanden ook maar verdacht wordt antoeën te zijn, hij geen oogenblik zijn leven zeker is. Niet alleen wordt het in het belang der openbare veiligheid geacht, hem van kant te maken; maar, zooals ge gezien hebt, hij, die hem doodt, wordt als een befaamd held beschouwd, wien iedereen verplichting heeft en dankbaarheid verschuldigd is; terwijl hij bovendien zich van de gunst van Radja ontong [128] verzekerd kan houden. Hier in de bovenlanden daarenboven is het dooden van een antoeën een uiterst langdurig lijden en gaat met de grootste folteringen gepaard. ’t Is dus een goede raad, dien ik u gegeven heb, u niet meer uit te geven voor iemand, die de macht bezit, ziekte te kunnen berokkenen.”
„Neen, voor den drommel niet! dat zal ik niet meer doen,” zeide Johannes ernstig gestemd. „Maar kan dat nog kwade gevolgen hebben?”
„Neen, wanneer de Poenan vrij van koorts blijft. Dan is alle gevaar over. Want een bijzonderheid der antoeëns is, dat zij zelven nimmer het kwaad, dat zij berokkend hebben, kunnen herstellen.”
„Mijn waarde Helvetiër,” wendde zich Johannes tot Wienersdorf, terwijl hij hem een papiertje in den vorm van een poeder in de hand stopte, „hier heb je nog een twintig grein chinine, laat die je schoonbroeder nog slikken; want, verduiveld! nu heb ik een voornaam belang te meer bij zijn genezing.”
Maar die tweede dosis was niet meer noodig. Na flink en rustig een gat in den dag geslapen te hebben, was de Poenan ontwaakt en, zich uiterst wel gevoelende, had hij zijn matje opgerold en dat buiten ’s huis in de schaduw van een zwaar gekroonden wariengienboom uitgespreid. Hij lag daar nu onder het genot van een sirihpruimpje de buitenlucht met forsche teugen in te ademen. Toen hij Wienersdorf en Johannes zag naderen schudde hij laatstgenoemden hartelijk de hand. Toch was een soort van eerbiedige vrees voor hem, die zoo maar ziekten kon te voorschijn roepen en doen verdwijnen, bij dat oorspronkelijke gemoed onmiskenbaar.