XXV
Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den batoe sambalajong.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts, de Kapoeas op.—De karangan’s.—Kotta Karangan.
Gelukkig bleef Harimaoung Boekit verder van koorts bevrijd. De almacht van Johannes was dus ten volle bewezen, hetgeen zijn prestige niet weinig verhoogde. De ziekte van het Poenanhoofd had aanleiding kunnen geven de voorgenomen reis te vertragen; nu bestond daartoe geen enkel voorwendsel meer. De deserteurs drongen dan ook op een spoedig vertrek aan en met te meer klem, dewijl zij zeer goed inzagen, dat, waar zij thans zaten, een overval tot de zeer mogelijke gebeurtenissen behoorde. Het verwonderde hen reeds, dat zij nog niets van de benedenlanden vernomen hadden. Maar bij den eigenaardigen geest der inlandsche bevolking van Nederlandsch Indië, die van geen haast weet en voor wie het besef van tijdruimte bijna niet bestaat en dus haar beteekenis mist, was niet tot meer spoed te drijven. Steeds kwam er iets in den weg; nu eens moest dit of dat nog voor de reis toebereid worden; dan weer moest voor het vertrek een gewichtige basara (proces) uitgewezen worden; een andere keer had de Antang kwade voorteekens gegeven en moest de reis uitgesteld worden om onberekenbare maar toch zekere rampen te ontgaan. De Europeanen waren soms wanhopig onder al dat gedraal; zij waren nu al veertien dagen te kotta Djankang en onmogelijk zagen zij kans, zonder zich bloot te geven, aan dat gezeur paal en perk te stellen. Gelukkig dat van een andere zijde aandrang kwam, en aan dat getalm een einde maakte.
Op een morgen kwam een djoekoeng aan, door de gezanten afgezonden, waarbij zij berichtten, dat wel is waar, de onderwerping van kotta Djankang door het Nederlandsch bestuur aangenomen was, maar dat de kommandant van Kwala Kapoeas zelf zoude komen met een stoomschip om den toestand op te nemen en het nieuw gekozen hoofd af te halen; ten einde den eed van getrouwheid in handen van den resident te Bandjermasin af te leggen. Bij vertrek van Kwala Kapoeas, was men daar ieder oogenblik het stoomvaartuig wachtende, dat dien kommandant zoude overvoeren. De berichtgevers hadden dag en nacht doorgeroeid en op iedere geschikte plaats van roeiers verwisseld, om maar tijdig aan te komen.
Die tijding hielp. En Harimaoung Boekit èn Amai Kotong begrepen, dat nu ieder oogenblik dat vuurschip kon verschijnen en dat, wanneer het gebeurde, van een geregelde verhuizing, zoo als zij die voor hadden, geen sprake meer kon zijn, maar dat slechts een overijlde vlucht in de wildernis hun leven zoude kunnen redden. Nu was alles in rep en roer en waren alle handen ijverig bezig om de laatste toebereidselen te maken en de laatste beschikkingen te treffen. Nu dacht niemand meer aan het beeindigen van basarda’s; nog minder bekreunde zich iemand omtrent de vlucht der Antangs. De laatste nacht, dien men te kotta Djankang doorbracht, ging onder allerlei beslommeringen voorbij; en bij het aanbreken van den dag was men in zoover tot vertrek gereed, dat nog slechts de kanonnen, die men dien nacht voor alle zekerheid nog in batterij gelaten had, aan boord der rangkans te brengen waren. Met de pootige armen onzer Europeanen was dat in een oogwenk geschied; en.... ja nu begon een afscheidnemen, waaraan geen einde scheen te zullen komen, toen Johannes eensklaps uitriep, terwijl hij met den vinger naar het zuiden wees:
„Banama asep! banama asep!!” (een rookschip, een rookschip.)
En werkelijk, boven den boschrand aan den zuiderhoek kronkelde een rookwolk omhoog. Dat gaf uitkomst. In allerijl nam nu een ieder plaats in de vaartuigen en in minder tijd, dan noodig is om het te vertellen, waren de tien rangkans, die de 165 personen, waaruit de volksverhuizing bestond, met al hun have en goed bevatten, van wal gestoken. De beseai’s kliefden krachtig het water, de lichte vaartuigen schoten vooruit; nog een hoera! zoowel door de vertrekkenden aangeheven, als door de achterblijvenden op den oever geschaard, en weldra was de kotta, die onze reizigers zoo gul opgenomen had, voor hun oogen verdwenen. Wel veegde Amai Kotong met den rug zijner hand een traan weg, die hem over de wang biggelde, bij het herdenken, dat hij daar op die plek, het grootste en schoonste gedeelte zijns levens gesleten had, maar met de kinderlijke veranderlijkheid, den inlander zoo eigen, was die traan weldra opgedroogd, en de herinnering uitgewischt, vooral toen hij de beseai opnam, om mede te roeien.
De rook, dien Johannes gezien had, was een loos alarm geweest; het was slechts de rook van een vuur, dat de wachthebbenden op dien hoek waarschijnlijk gestookt hadden. Maar die rook had de goede uitwerking van de roeiers tot verdubbelden spoed aan te zetten en het gevolg daarvan was, dat in den letterlijken zin des woords de rangkans vooruitvlogen.
In het voorbijvaren kon La Cueille nog eens een blik werpen op de steenkolenader, die zich daar zoo gitzwart vertoonde tusschen het grijs van de schieferklei, waaruit de oever bestond, en waartusschen die ader besloten lag. Maar weldra waren zij die voorbij en bereikten zij nu de zone van de kalkformatie. Het terrein werd hier woester, de oeverwanden naakter; meestal verhieven zich die wanden loodrecht uit het water, soms helden zij schrikwekkend over de oppervlakte en dreigden met dood en verderf.
Nog altijd evenwel behield de rivier haar effen spiegel. Wel joegen haar wateren met spoed voorwaarts, maar zij was nog steeds bevaarbaar en de effenheid harer oppervlakte kon gerust tot die van haar bodem doen besluiten. Wel waren er in sommige bochten wielingen en draaikolken zichtbaar en golfde het water over kalkrotsen, die van de uitgespoelde oevers waren afgestort; maar met wat omzichtigheid en kennis van het vaarwater, waren die plaatsen wel te mijden en leverde de Kapoeas nog altijd een breed vaarwater, waarop een niet te lang stoomscheepje van zes voet diepgang zonder veel bezwaren had kunnen manoeuvreeren.
Een paar uren na het vertrek werd kotta Batoe Sambong bereikt. Amai Kotong stapte daar een oogenblik aan wal, om het hoofd van dien kampong, waarmede hij jaren lang als een goed buurman in vrede geleefd had, vaarwel te zeggen. Belangstellend kwamen de kottabewoners de vertrekkenden bij de prauwen begroeten en boden hun gebak en daarbij een hartigen teug toeak aan. Beiden werden dankbaar aangenomen, en niet alleen La Cueille, maar allen, zelfs de vrouwtjes, die, voor zoover haar krachten zulks toelieten, ook de pagaai hanteerden, lieten zich een mondvol van het hartversterkende vocht goed smaken. Bij het vertrek was de aandoening algemeen; van weerszijden verloor men goede buren; in een land als dit waren die wel te waardeeren. En welke zou men in de plaats krijgen?
Het oponthoud had niet lang geduurd, een half uur hoogstens; maar toch nog veel te lang voor het ongeduld van Johannes. Die vooral voelde zich niet gerust, voordat hij den eersten waterval, dien slagboom voor de stoomschepen, achter den rug zoude hebben. Eenmaal daar achter, kon hem een uurtje dralen minder schelen. Dan konden de reizigers niet zoo plotseling en ook niet door zoo’n verpletterende overmacht overvallen worden. Moesten de Hollanders ook in rangkans tegen die watervallen op; och, dan kon men zich verweren, dan kwamen de kansen meer gelijk. Maar tot zoolang klonk zijn leus maar: vooruit! vooruit!! vooruit!!!
Op een korten afstand van kotta Batoe Sambong passeerde men een alleenstaande kalkrots van ongeveer 50 voet hoogte, die, toen Johannes zijn makkers er opmerkzaam op maakte, uit de verte gezien, den vorm bleek te hebben eener reusachtige vrouw met den hoofddoek om het hoofd gewonden in knielende houding. Tegen den voet dier rots brak de Kapoeas kokend en schuimend en veranderde nagenoeg rechthoekig van richting. Johannes vertelde hun verder, dat het aan dien steen was, die „batoe sambalajong,” saamgetrokken, „batoe sambong” heette, dat de kotta in de nabijheid gelegen, haar naam ontleende.
„Wat beteekent sambalajong?” vroeg Wienersdorf.
„Sambalajong is de naam van den witten hoofddoek, dien de weduwen dragen. Zoodra haar echtvriend dit tranendal verlaten heeft, is de Dajaksche vrouw verplicht, zich geheel in het wit te kleeden en dus ook een witten hoofddoek te dragen.”
„Bijgevolg is wit de rouwkleur der Dajaks?” viel La Cueille in, „dat ’s net als bij de Chineezen.”
„Slechts met dat verschil, dat alleen het eerste stel kleederen, dat de weduwe na het overlijden aantrekt, wit moet zijn. Is dat versleten, dan moet zij het vervangen door een geheel zwart pak en dat dan dragen totdat het Tiwahfeest gehouden is.”
„Wat is dat voor een feest? Zoo een hebben wij nog niet bijgewoond, niet waar?” vroeg Schlickeisen.
„Neen, en het is niet te hopen dat wij er een te zien zullen krijgen. De Dajaks gelooven, dat na het overlijden de liau, de ziel of beter de levensvonk, naar den „Kawawohan boelau” (Dajakschen hemel) verhuist, maar dat de „karahang” of de ziel van het stoffelijk gedeelte des lichaams in de nabijheid van het lijk blijft zweven, totdat een groot feest, Tiwah [129] geheeten, gegeven is, waarbij de Balians haar bezweringsgezangen gillen om de karahang den hemel binnen te geleiden om met de liau tot een „hambaroeang” (volmaakte ziel) vereenigd te worden.”
„Mooi, dat weten we al weer,” meende La Cueille. „Maar, waarom heet die kalkrots batoe sambalajong?”
„Wel zie je dan niet, dat dat vrouwenbeeld een sambalajong, een weduwendoek op het hoofd heeft? Men zou batoe sambalajong of batoe sambong kunnen vertolken door weduwensteen, wat ook in de eigenlijke bedoeling heeft gelegen.”
„Hoe zoo?” vroeg Wienersdorf nieuwsgierig. „Aan dien steen is zeker een legende verbonden, hè?”
„Ja zeker, evenals aan alle dergelijke steenen hier in de Dajaklanden. En een drommels mooie legende ook. Ik heb ze hooren vertellen bij een tocht, dien ik toen met den kommandant in deze streken gemaakt heb. Ik heb ze voor hem moeten opschrijven; daarvan weet ik ze zoo goed. Luistert:
„Daar ter plaatse, waar nu die steen staat, zou volgens de overlevering vroeger een hutje gestaan hebben, waarin de gelukkigste echtgenooten in de Dajaklanden zouden geleefd hebben. Maar helaas! niet steeds is in dit ondermaansche het geluk bestendig van duur. In de verre bovenlanden was een machtig opperhoofd gestorven en, om dien een prachtige uitvaart te geven, moest een groot aantal ongelukkige pandelingen geslacht worden. Wel had men een zeker aantal dier rampzaligen beschikbaar; maar zooals het hier in de bovenlanden wel meer gebeurt, de erfgenamen vonden het veel meer met hun belangen strookende, andere menschelijke wezens te offeren, dan wel hun eigen pandelingen, die, alles goed gerekend, toch door elkander een waarde van 200 gulden vertegenwoordigden. Maar hoe aan die andere wezens te komen? Wel niets eenvoudiger dan dat. Door gewapenderhand strooptochten bij de naburige stammen te ondernemen en bij die tochten te pogen alles wat maar mensch heet, mannen, vrouwen en kinderen, te ontvoeren, wordt op een niet te dure wijze den overledene een met zijn rang overeenkomend escorte naar de Dajaksche Elyzeesche velden medegegeven en kunnen de aanwezige pandelingen ten voordeele van den boedel behouden worden.
„Het was bij zulk een strooptocht dat het hutje, waarin ons paartje met ongekend geluk het leven smaakte, overvallen werd. In het eerste oogenblik van verwarring was het de vrouw des huizes, onbewust van den aard van wat rondom haar voorviel, gelukt zich uit de voeten te maken en zich schuil te houden; maar toen de roovers met hun vaartuigen van wal staken en haar man en vijf kinderen gekneveld medevoerden, toen ontwaakten in haar de moeder en de echtgenoote; toen dacht de arme vrouw aan geen zelfbehoud meer, maar vloog in haar radelooze wanhoop naar den rivieroever, viel daar aan den rand des waters op haar knieën en bad en smeekte, dat men haar haar dierbaren zoude wedergeven. Doch welke hartverscheurende klanken de diep ongelukkige ook in den toon harer stem legde, alles te vergeefs!
„Een oogenblik echter hielden de roovers op met roeien. Niet dat hun hart zich met deernis vervulde, niet dat zij er aan dachten om de bede der rampzalige vrouw te verhooren, maar het getal slachtoffers was nog niet voltallig, en die vrouw, die hun ontsnapte, die nu, door haar wanhoop overstelpt, hoegenaamd geen gevaren zag, zou een wisse en gemakkelijke prooi zijn. Dat was wat den roeislag verlamde en de snelle stroom voerde reeds de prauw naar haar afvaartspunt terug en de ongelukkige echtgenoote en moeder tegemoet, toen in de verte de alarmtonen op de garantong zich hooren lieten en de roovers, beducht om door de vereenigde bevolking der naburige kampongs aangevallen te worden, hun beseai’s met kracht in het water sloegen en in een oogenblik met hun buit in de duisternis verdwenen waren.
„Ontroostbaar bleef de ongelukkige vrouw aan den rivieroever geknield liggen, het met tranen gevulde oog onafgebroken naar de plek, waar zij alles, wat haar op aarde dierbaar was, had zien verdwijnen. Dagen, ja weken bleef zij zoo liggen, en lang had de tijding van den dood van haar man en haar kinderen haar bereikt; alle hoop op weerzien was vervlogen en toch bleef zij aan die plek geboeid, totdat de machtige Sangiang Assei, door zooveel wanhoop bewogen, de rampzalige weduwe in een verbazend grooten witten steen veranderde, welke steen bij die verandering haar geheele gedaante behield.
„Het volk knoopt aan die legende de voorspelling vast, als een onbestemde hoop van wat de beschaving in de toekomst brengen zal, dat wanneer een vuurschip dien Batoe Sambong zal voorbij stevenen, die steen weer zijn oorspronkelijke menschelijke natuur zal aannemen en alsdan een vreeselijken vloek over het koppensnellen en de menschenoffers zal uitspreken, waardoor al de daaraan schuldige stammen zullen omkomen.”
„Nom d’une pipe!” barstte de Waal los, toen Johannes zweeg. „Oef! je moet bekennen, dat het weer knapjes akelig geweest is. Ik geloof, dat jij pret in al die narigheden vindt. Je hebt nooit eens iets te vertellen, waarin wat van een lieve flinke meid voorkomt.”
„Kom, jij met je lieve flinke meid,” lachte Schlickeisen. „Kijk jij maar naar je Moendoet. Zie die eens lachebekken met een der roeiers.”
„We zullen haar hier in ons vaartuig nemen?” raadpleegde de Waal.
„Wel zeker! dan zul jij veel roeien kunnen,” beet Johannes hem toe. „Kom laat de deern lachen, het gaat haar zoo goed af. Als zij met je getrouwd zal wezen, zal ze tijd genoeg hebben om te huilen, misschien wel redenen ook.”
Allen lachten, behalve La Cueille, die door die aardigheid niets gesticht was.
„Maar,” hervatte Wienersdorf het vorige gesprek, „ligt in die legende en in die voorspelling niet de toekomst opgesloten? Zullen de Europeanen niet eindelijk genoodzaakt zijn, de gruwelen, die hier te midden van het grootste, het schoonste en het rijkste eiland der aarde gepleegd worden, te vuur en te zwaard tegen te gaan? Zal de tijd niet komen, dat Borneo in den maalstroom der beschaving zal opgenomen worden, dat dan de vuurschepen den Batoe Sambong zullen voorbijstoomen, dat dan het rood der schaamte de kaken van hen zal verven, die zich heer en meester noemen van zoo schoon een land en dat dan dat koppensnellen, dat menschenslachten en nog meer menschonteerende gruwelen zullen ophouden?”
De Zwitser had met klimmende opgewondenheid gesproken. Bij zijn laatste vraag keek hij Johannes half uitdagend aan.
„Ja, dat zou zoo moeten zijn,” antwoordde deze bitter, „maar het is reeds lang geleden, dat het eerste vuurschip voor den Batoe Sambong zijn anker heeft laten vallen en, let er op, aan den toestand is niet veel veranderd. Er is sedert geen kop minder gesneld, er is sedert geen pandeling minder geslacht geworden. En dat zal wel zoo blijven, mits de rapporten maar van rustige rust gewagen; och! wat let het den beheerscher, wanneer de eene helft van Borneo de andere onthoofdt of gruwelijk slacht? Onder den invloed van het kilkoude flegma der Hollanders heeft de Batoe Sambong zijn gedaante behouden, hun vuurschepen hebben hem niet kunnen ontdooien; de steen is steen gebleven en heeft zijn vloek niet kunnen uitspreken, omdat de veroveraars vrede met al die gruwelen schijnen te hebben en niet alles willen aanwenden, om daaraan voor goed een einde te maken.”
Men had den Batoe Sambong al lang uit het gezicht verloren en Johannes was wellicht nog verder in zijn beschouwingen gegaan, toen eensklaps het „halt” van den voorsten rangkan weerklonk. Men was bij Kiham Hoeras, den eersten waterval aangekomen. Reeds sedert lang had zich een dof gerommel, dat evenwel al duidelijker en duidelijker werd, laten hooren. Maar onder den indruk van het verhaal der Batoe Sambong-legende hadden de Europeanen niets gehoord. Nu evenwel de verhaler zweeg en ook het getiktak op den rand der vaartuigen, onvermijdelijk aan het pagaaien verbonden, ophield, nu klonk hun de verheven stem des waters in haar volle majesteit in de ooren en lag daar de schoone rivier, die in vele bochten, langs een hellend vlak tusschen ontelbare rotsen doorschuivende en klotsende, naar beneden schoot, vlak voor hen. Het benedengedeelte des Kihams werd gevormd door zware kalkrotsen, die in de grilligste gedaanten als door elkander geworpen schenen. Bij het hoogere gedeelte was die kalkformatie door plutonisch dioriet doorbroken en vertoonden zich de donkerblauwe rotsbanken tusschen den witten kalksteen aan de oppervlakte. Hier en daar kwam het bijna zwarte gesteente als verweerd te voorschijn en scheen in kogelvormige massa’s uit elkander gevallen te zijn. Maar verreweg het grootste gedeelte der dioriet-rotsen was gespleten en het gesteente vertoonde den vorm van regelmatige achtkantige zuilen. Bijna het geheele bovengedeelte van den Kiham Hoeras spreidde zich voor het oog ten toon, als een opeenstapeling van zulke woest over elkander gestorte zuilen. De indruk, door dat natuurtafereel op onze reizigers gemaakt, was machtig. In stomme bewondering zaten zij er naar te kijken, terwijl hun rangkan op het schuimende water als danste; zij hadden vooreerst geen woorden, om hun gedachten in te kleeden. Eindelijk riep La Cueille:
„Mille millions de pipes! que c’est beau!”
Wanneer hij aangedaan was, de lezers zullen het wel opgemerkt hebben, dan uitte de Waal zijn gevoelens allereerst in het Fransch.
„Ja, ’t is mooi,” sprak Wienersdorf getroffen en met een van aandoening trillende stem; „kijk daar eens, hoe fraai geschakeerd die witte en zwarte steen door elkander gemengd is; ziet daar ginds dat plekje, de kunstigste mozaïekwerker der wereld zou het niet kunnen verbeteren!”
„En daar verder op, daar schijnt de kalksteen als uitgeknipt, ziet hem eens helder en uiterst fijn bewerkt op dat zwarte gesteente uitkomen; het is als een reusachtig kantwerk.”
„Ja, en van een minder broos maaksel dan uw Brusselsche, Mechelsche of Appenzellsche prullen,” voegde er Johannes aan toe.
„En ziet eens,” ging Wienersdorf in opgetogenheid voort, „die hooge en steile oeverwanden, waarin de kalksteen met den dioriet als om den voorrang twist en waarover het bekoorlijke zachte groen van reusachtige varens, als uitgebreide maar smaakvolle pluimen heenwuivende, die wanden als met een groen zijden net overspant, waarboven het sombere loof van het krachtig oorspronkelijk woud zich hoog in de lucht welft, als de trotsche gothische bogen eener middeneeuwsche kathedraal.”
„En ziet daar verder op, in de hoogte, daar hellen de boomstammen voorover en buigen de takken omlaag, vlechten zich, ook met de vele slingerplanten, in elkander om, als ’t ware, een lage spelonk te vormen, waaruit het wit schuimende water, als uit de machtige urn van den stroomgod, te voorschijn schiet.”
„Maar wat schijnt het hier stil, niet waar? Niets, niets dan het geraas van het voortijlende water,” sprak Wienersdorf. „Geen vogel, die zijn stem hooren laat, geen dier, dat door zijn gebrul of geschreeuw die stilte verbreekt. Het is of het leven hier uitgestorven is.”
„Laat op je schieten!” lachte Johannes. „Ziekelijke verbeelding, anders niets. De dichter zoekt weer eenzaamheid, waar zij niet is. Het murmelen, het klateren, het klotsen en het donderen van den stroom overstemt alles; anders zou je het schrille geschreeuw wel hooren der zwermen grauwgroene parkieten [130], die gindsche boomkruinen bevolken. Je zoudt die kudde „badjang’s” (herten) [131], die daar ginds op de toppen der rotsen staan te grazen en ons nu en dan een angstigen en nieuwsgierigen blik toewerpen, hun harden doordringenden kreet hooren slaken. Je zoudt die kleine „bakai’s” [132], die daar in de verte met behulp van hun lange staarten langs de boomtakken en langs de varens en de slingerplanten over den afgrond gymnastiseeren, hun opgewekt: kirah, kirah hooren uitgalmen. Neen, bij God! het leven is hier niet uitgestorven! Integendeel, het openbaart zich zoo krachtvol mogelijk rondom u, tot in de wateren toe, waarin je geheele scholen van prachtige zalmsoorten kunt zien, die dartelend in den schuimenden stroom vooruitschieten, maar zorgvuldig onze nabijheid mijden. Ja, de nabijheid van den mensch, vooral van den Europeaan, veroorzaakt soms een leegte rondom hem, welke hij zichzelven te wijten heeft. Ook hier, hoe woest en wild de natuur zich ook vertoont, heeft het onredelijk wezen met het redelijke reeds kennis gemaakt en ondervonden, hoe gevaarlijk die kennismaking is. Straks, wanneer wij aanstalten maken zullen, om dien wilden waterstroom te beteugelen en naar boven te stevenen, dan zal je alles, als met een tooverroede aangeraakt, zien verdwijnen. Dan zal het in werkelijkheid stil en leeg rondom je zijn, zooals je dat nu droomt; maar dat zal volstrekt niet aan de natuur, maar uitsluitend aan den mensch, aan ons zelven te wijten zijn.”
Terwijl de deserteurs zoo redekavelden en philosopheerden, hadden de Dajaks alle maatregelen getroffen, om de gevaarlijke en moeitevolle bestijging van den kiham te volvoeren. Vrouwen en kinderen stapten aan wal en moesten te voet de rotsen beklimmen, die als het ware de trappen vormden tot het hooger gelegen terras, van waar de Kapoeas met geweld afschoot. Onze vier deserteurs met hun nimmer missende geweren en nog een vijftal Dajaks met hun lansen en mandauws gewapend zouden het schoone geslacht tot beschermers strekken; maar toch ook een wakend oog houden op hetgeen op de rivier kon gebeuren.
Al dadelijk werden de rottankabels, die onze zwervers in soengei Dahasan en soengei Basarang gesneden en de kettingen van de Tjipannas, die zij in soengei Naning opgedaan hadden, te voorschijn gehaald en aan elkander gebonden. Toen men daarmede klaar was, werd die lange kabel door een achttal mannen naar boven gehaald, waarbij zij van rots tot rots springen, niet zelden tot aan het middel door het water waden of enkele armen der rivier overzwemmen moesten. Na een inspanningsvollen arbeid van ruim twee uren was het boveneinde van den kabel om een stevigen boomstam geslagen, die langs den oever boven de stroomversnelling stond en haar geheel beheerschte; terwijl de kabel zelf in het midden langs de lengteas van het stroombed gelegd was en haar uiteinde tot bij de vaartuigen reikte. Nu bleven twee Dajaks bij den boom ter bewaking van den kabel en gingen de zes anderen te water en lieten zich door den woedenden stroom medeslepen, terwijl zij zich met een verbazende vlugheid en behendigheid aan den kabel vastklemden of, beter gezegd, dien door de handen lieten glijden. Menigmaal verdwenen zij onder het schuim in de draaikolken en sloeg het hart onzer Europeanen reeds sneller bij het duchten van een ongeluk; maar dan zagen zij de lange sluike haren van den zwemmer weer op het groenblauwe water verschijnen, het geheele hoofd opduiken, terwijl de eigenaar zich ijlings verder werkte.
Het doel van die manoeuvre was, om zich te verzekeren, dat de kabel niet onder den een of anderen rotsklomp of boomstam geraakt was, waardoor bij het ophalen der vaartuigen een wezenlijk bezwaar, niet zelden een groot gevaar zoude kunnen ontstaan. Hoewel die kabel ruim 600 M. lang was, bereikten die koene zwemmers in weinige seconden haar benedenste uiteinde, en veegden zich het aangezicht af, alsof niets gebeurd was.
In ieder der rangkans namen nu vijf mannen plaats, waarvan een de stuurpagaai hield; terwijl de vier anderen den kabel grepen, om zich daar langs tegen den zwaren stroom op te halen. Onmogelijk konden de rangkans die stijging te zamen volvoeren, maar moesten wachten, totdat ieder hunner den tocht volbracht zoude hebben. Vooreerst toch zoude de kabel niet sterk genoeg wezen om aan zoo’n krachtsinspanning weerstand te bieden. Ook zoude, wanneer een der voorste vaartuigen, een beletsel ontmoetende, kantelde of dwarsstrooms geraakte, haar ongeval noodlottig voor de achter haar komende kunnen wezen en die insgelijks in het ongereede brengen.
De rangkans volvoerden evenwel, dank zij de behendigheid der Dajaks en Poenans, dien tocht zonder eenig ongeval, zonder dat zelfs een spat water daarin iets bevochtigd had. Er ging een zucht van verlichting op zoowel uit de borst van Harimaoung Boekit en Amai Kotong als van de vier deserteurs, toen het laatste vaartuig boven gekomen was. De waterval toch stelde tusschen de Nederlanders en hen een slagboom daar, die wel niet onoverkomelijk geacht kon worden, toch niet gemakkelijk te overschrijden was en een verdere vervolging groote en eigenaardige bezwaren in den weg zoude leggen.
Een groote zorg was nu den kabel naar boven te halen, want die moest nog meer dienst doen. Met dien arbeid waren ook een paar uren gemoeid. Herhaalde malen toch klemde hij vast tusschen rotsblokken en dan hielp geen vereend halen, al schreeuwde men nog zoo daarbij. Men zou hem eerder stuk getrokken hebben. Dan moesten weer een paar zwemmersbazen er langs naar beneden om den hinderpaal uit den weg te ruimen.
De dames hadden geen langen weg af te leggen gehad. Wel was het pad, dat haar naar boven voerde, geen kegelbaan te noemen geweest en hadden zij nog al te klimmen gehad, waarbij de geleiders in de gelegenheid geweest waren galant hun sterke schouders of armen tot steun te kunnen aanbieden. Vermoeiend evenwel was die wandeling voor die natuurkinderen niet geweest. In minder dan een half uur was de beklimming geschied en zaten zij weldra bij den boom verzameld, om welks stam de kabel gebonden zoude worden. De jongsten kortten den tijd met gekeuvel en geginnegap, waarbij zij de zwemmers dapper uitlachten, en de oudsten stookten verscheiden vuurtjes om het maal voor het geheele gezelschap te bereiden. Om de schoone sekse sloegen haar bewakers een beschermende keten van schildwachten, zoodat zij zich dan ook geheel en al in zekerheid gevoelden. Te midden van dat vrouwelijk gekakel liet zich plotseling een stem hooren:
„Nom d’un chien!” riep La Cueille, terwijl hij met den kolf van zijn geweer ongeduldig op den grond stampte, „wat krieuwelt me toch zoo pijnlijk in den hals en op den rug?”
En den lap, dien hij tot afwering der zonnestralen als halsdoek gebezigd had, afrukkende, slaakte hij een angstigen kreet, toen hij dien met bloed als doorweekt zag.
„Mon Dieu! ayez pitié de moi!” riep hij radeloos. „Ik meende dat het zweet was, dat mij langs den rug en de borst droppelde. O, Sainte Vierge, ma patronne! ik ben zeker gekwetst?”
Zijn makkers schoten toe; ook eenige Dajaks drentelden nabij, maar die mededoogenloozen lachten in plaats van deernis te toonen. Vóór nog dat de Waal eenig antwoord op zijn vraag bekomen had, had hij de vingers langs den hals laten glijden en aldaar eenige glibberige en slijmerige voorwerpen gevoeld, waarvan hij de hand schuw en vies terugtrok.
„Mon Dieu! wat is dat?” vroeg hij angstig.
„Halamantek,” was het flegmatieke antwoord van een Dajak.
„Que dit-il? wat zegt hij. O, mon ange gardien! ik ben zeker weer door vergiftigde pijltjes verwond. Halamantek! wat is dat toch?”
„Och loop heen, je stelt je aan als een nar,” grinnikte Johannes. „Halamantek zijn eenvoudig boombloedzuigers, die je alleen maar wat van je venijnig Walenbloed afgetapt hebben.”
Een zucht van verlichting verruimde de borst van den gekwetste. En werkelijk, bij den tocht over land had het pad door een zwaar bosch geleid en het was daarin, dat niet alleen de Waal, maar bijna allen, die de wandeling medegemaakt hadden, die lieve diertjes opgedaan hadden. La Cueille evenwel had, om welke reden bleef onbekend, het ruimste deel daarvan genoten.
„De boombloedzuiger is een diertje,” verklaarde Johannes, „dat veel op een grauwen draad gelijkt, daarvan de dikte heeft en ongeveer een vinger lang wordt. Het huist op boomen, liefst op de onderste takken en bespringt van daar, mensch of dier, zijn prooi. Daartoe krult het draadje zich zoodanig te zaam, dat het mondeinde bij het achtereinde komt, terwijl daarbij het lichaam als een boogje bolvormig staat. Door het lichaam plotseling als met een ruk uit te strekken, verkrijgt de bloedzuiger een veerkrachtige beweging, die hem eenige passen ver slingert, maar met zulk een nauwkeurigheid, dat het diertje zelden zijn doel mist, waarop het zich dadelijk vasthecht. Fluks kruipt het onder de plooien der kleeding en begint gulzig zijn maaltijd. In den beginne is zijn steek niet pijnlijk, eerder wordt een lichte krieuweling opgewekt. Het is eerst later wanneer zich het dier volgezogen heeft en zoo dik als eene pink is, dat het wondje pijnlijk wordt.”
„Dat heb ik drommels gevoeld,” gromde de Waal.
„Weet je ook den wetenschappelijken naam van dien boombloedzuiger?” vroeg Wienersdorf.
„Ja aan de oude talen heb ik niet veel gedaan,” lachte Johannes. „Hoe noemt men den bloedzuiger in het latijn?”
„Hirudo,” antwoordde Schlickeisen.
„Nu dan zal het wel „hirudo springans” zijn.”
Beide Zwitsers proestten het van lachen uit op dat dwaze antwoord.
Inmiddels had de lieve Moendoet een flinke pruim tabak gegrepen, had die een oogenblik in wat kokend water laten aftrekken en waschte nu liefdevol den hals van haar hartedief daarmede. Onder het saamtrekkende van dat afkooksel vielen de bloedzuigers spoedig af en sloten de wondjes zich ras. De Waal was nu gerustgesteld.
„Satané pays!” pruttelde hij evenwel, „waar je niet eens wandelen kunt gaan, of het wordt er op je bloed aangelegd.”
„Ja, die dingen zullen we nu wel meer aantreffen,” zei Johannes, „die kunnen soms een ware plaag worden. We zullen het beste doen, steeds wat tabakswater in een onzer veldflesschen gereed te hebben. Moeten we dan tochten te land verrichten, dan is, bij onze Dajaksche kleeding, de moeite gering, om onze huid met dat vocht in te smeeren.”
„Moeten we nog vele kihams passeeren?” vroeg Wienersdorf.
„Ja, nog verscheidene; morgen zeker een viertal. Maar waartoe die vraag?”
„Wel, dan zullen we ons viermaal met tabakssaus moeten insmeren. We zullen ten laatste stinken als de inhoud van den waterzak eener Duitsche pijp.”
„Dat zal er wel nabij komen,” grinnikte Johannes. „Maar we hebben gelukkig geen entrée de salon te maken; of vrees je dat Hamadoe haar fijn neusje tegen je zal optrekken? Och, maak je daarover niet ongerust; ze is aan veel erger gewoon.”
Toen de kabel eindelijk ingehaald was, had ook de zon haar loopbaan volbracht en dook zonder vele komplimenten achter den boschrand in het westen weg. Onze mannen, vooral de Dajaks en de Poenans hadden een inspanningsvollen dag gehad en haakten naar rust. Er werd dan ook besloten den nacht in de nabijheid door te brengen. De rangkans werden op een rij aan een overhellenden boomtak stevig vastgebonden en wel zoo, dat zij nagenoeg in het midden van den stroom te wiegelen lagen. De vrouwen en kinderen namen daarin hun intrek, terwijl een tiental mannen in de beide vleugelvaartuigen plaats namen. Van dezen zoude minstens één waakzaam en op uitkijk blijven. De overige troep verdeelde zich in twee gelijke deelen, die ter zelfder hoogte als de rangkans op de beide oevers der rivier post vatten en ieder hunner zich met een keten schildwachten omgaven.
Wienersdorf en La Cueille hadden wel de wacht op de vaartuigen in de nabijheid hunner aangebedenen willen betrekken; op de vertogen van Johannes zagen zij daar evenwel van af, om zich aan een degelijke waakzaamheid te kunnen wijden. De vier deserteurs verdeelden zich in dier voege, dat twee hunner op iederen oever aanwezig waren, waarvan minstens een steeds wakker en in de schildwachtenketen, hoewel aan geen vaste plaats gebonden, moest vertoeven.
De voorzorgen waren uitmuntend genomen en getuigden van de zorgen, die Johannes steeds voor het algemeene welzijn trof. Zij waren evenwel overbodig, want de nacht ging rustig voorbij. De eenige stoornis, die voorviel, werd door Schlickeisen veroorzaakt. Deze hoorde bij zijn morgenwake, tegen het aanbreken van den dag, een gekraak in het bosch, dat den oever omzoomde. Hij keek scherp uit met het geweer vaardig. Eensklaps zag hij een troep herten van wel vijftig stuks, aangevoerd door een prachtig mannetje met veelvuldig vertakt gewei, het talud afdalen om zich aan het kristalheldere rivierwater te komen drenken. Terwijl de kudde zich laafde en elkander verdrong, keek haar aanvoerder strak rond, snoof de lucht op en spitste de ooren. Hij stond boven op den taludrand, om het terrein te beter te kunnen overzien. Plotseling bij een beweging van den Zwitser, om zijn wapen in den aanslag te brengen, wierp het fraaie dier het gewei in den nek, stiet een schellen kreet uit en deed zijn eersten maar ook zijn laatsten sprong. De zoo zeker afgezonden kogel trof het dier in de volle borst. Van de steile hoogte aftuimelende, rolde het in het water en de stroom zou het zeker medegevoerd en door de nabijheid van den waterval buiten bereik gesteld hebben, ware het niet tegen de rangkans aangedreven, waar het met de veelvuldige punten van het gewei in de touwen vasthaakte en zoo als verankerd liggen bleef.
De rest van de kudde was in een ommezien spoorloos verdwenen.
Maar de schrik en de verwarring, toen dat schot met zijn honderdvoudige echo daar tusschen die steile en hoog begroeide oeverwanden, donderend weergalmde, waren groot zoowel onder de mannen als onder de vrouwen. Het was in de eerste oogenblikken een gegil van angst, waarbij de kinderen hun partij goed volhielden. Gelukkig dat de Europeanen zich beijverden de orde zoo spoedig mogelijk te herstellen en hun geruststellende stemmen te laten hooren; anders waren zeker ongelukken gebeurd. Nu leidde het geheele geval slechts tot een vervroegd ontwaken. Toen men vernam, wat aanleiding tot den schrik gegeven had, lachten de vrouwen met de veranderlijkheid harer inborst er het hardst om en duurde het niet lang of het geschoten hert was uit het water gehaald, gevild en gevierendeeld en beloofden de lekkerbekken zich een uitnemend heerlijken beet straks bij het maal. Schlickeisen werd geluk gewenscht met zijn fraai schot. Hij evenwel nam zich voor, voortaan minder doldriftig te zijn en niet meer op ongelegen uren te schieten.
Een uur later stevende de flotille weer voorwaarts, den steeds meer en meer driftig wordenden stroom op.
Ook dien dag had men met overgroote moeielijkheden te kampen. Niet ver boven Kiham Hoeras, nabij kotta Hoerakan, vervangt een grofkorrelige bruingele zandsteen de dioritische formatie. Deze zandsteen, veel spoediger aan verweering onderhevig, heeft met zijn brecciën, het rivierbed dermate opgevuld, dat er passages aangetroffen worden, waar een prauw niet door zoude kunnen komen en een rangkan nog behoedzaam moet sturen, om het soms uiterst smalle vaarwater te houden. Het puin van dezen zandsteen wordt gemakkelijk door de onstuimig voortschietende watermassa verplaatst en vormt bij die plaatsen in de rivier, waar de stroom minder sterk is, rolsteenbanken, die soms tot geheele eilanden aangroeien. Deze banken en eilanden worden door de bevolking „karangans” genaamd. Harimaoung Boekit verhaalde onze vrienden, dat die karangans zeer rijk aan stofgoud zijn en dat er niet zelden loovertjes, ja kleine klompen gedegen goud aangetroffen wordt. Het goud op die karangans gevonden, was het beste goud van de geheele Kapoeas.
„We moesten ons geluk dan maar eens hier beproeven,” uitte La Cueille als zijn meening.
„Te drommel neen,” antwoordde Johannes, „vooruit, vooruit ligt de weg. We zijn nog veel te dicht bij de Hollanders; we moeten eerst nog eenige watervallen tusschen hen en ons stellen.”
„Daarenboven,” sprak Amai Kotong, „we kunnen zoo maar niet aan het goudwasschen gaan. We zouden het spoedig te kwaad met de bevolking dezer streken krijgen. Iedere kotta heeft hier haar gronden en riviergedeelten, die zij niet ongestraft door vreemden zou laten aantasten.”
„Nu vooruit dan maar,” gromde de Waal.
Maar behalve het woeste riviergedeelte in de nabijheid dier karangans, had men heden vier kihams te bestijgen. De twee voornaamste daarvan, Koetoes Kala en Boenoet genaamd, vereischten veel inspanning, nog een graad erger dan te Kiham Hoeras. Het was dan ook ruim vier uur in den namiddag, toen de reizigers vermoeid en afgemat—althans het mannelijke gedeelte er van—te kotta Karangan aankwamen.
Die kotta, op den linkeroever der Kapoeas gelegen, was een fraaie en machtige versterking, die een bevolking van ruim 2000 zielen telde. Hadden de doodshoofden, die de palissadeering van kotta Djankang versierden, den blik onzer deserteurs tot zich getrokken, hier waren zij ontzet van het groot aantal bekkeneelen, dat daar boven op die palen stond te bleeken. Hoe veel menschenlevens had het niet gekost, om dat getal bij elkander te krijgen? Niet het getal van de hoofden, die men daar zag prijken, kon dat bepalen, neen lang niet; want iedere koppensnellerstocht lokt van de tegenpartij weerwraak uit, die ook op haar kotta dergelijke gruwelijke versiering aanbrengt. Hier waren daarenboven niet alle schedels aanwezig. Kotta Karangan was veel rijker dan dat. In iedere woning in die sterkte hingen geheele rozenkranzen van die grijnzende doodshoofden en in de omliggende kotta’s werd met een soort van afgunst gemompeld, dat daar koppen van groote waarde onder waren, koppen van Europeanen, die ruim 2000 realen en van Chineezen, die de helft daarvan golden. Hoe men aan die zoo kostbare schedels kwam, werd niet medegedeeld.
Amai Kotong had ook hier zijn bekenden en werd zonder aarzelen binnen de kotta toegelaten. De aanwezigheid van Harimaoung en zijn Poenans wekte evenwel de grootste achterdocht en het kostte wezenlijk den gewezen Amai van kotta Djankang veel moeite om de Karanganners te overreden, het plegen van vijandelijkheden na te laten. Met behulp van Dalim en Johannes gelukte dat evenwel. Deze laatste herhaalde de fabel, te Kotta Baroe reeds opgedischt, namelijk: dat zij gezonden waren door het Nederlandsch bestuur, om te trachten met de Olo Ott in aanraking te komen en de gezindheid van dien stam op te nemen. Niet zonder inzicht had hij dan ook nog voor de aankomst te kotta Karangan de Nederlandsche vlag op den grootsten der rangkans geheschen. Nu vertoonde hij deftig het gezegelde papier, aan Damboeng Papoendeh ontnomen, en voegde er bij, dat het Poenanhoofd hem door den Grooten Heer te Bandjermasin toegevoegd was, om het samenkomen met de Otts te vergemakkelijken.
Of de Karanganners dat verhaal geloofden, viel te betwijfelen. Wel bekeken zij met een soort van eerbied het zegel, in rood lak afgedrukt en onthielden zich van vijandelijkheden, maar stonden niemand van het geheele reisgezelschap dan alleen aan Amai Kotong toe, hun kotta te betreden. Aan de overigen wezen zij de tomoi die zij konden betrekken, aan. Dit was een geruststelling daar zij nu ook als gasten beschouwd werden; op dat punt zijn de wetten der gastvrijheid stellig en zouden niet geschonden worden.
Onze zwervelingen konden zich dan ook zonder argwaan aan de nachtrust overgeven en hadden slechts te waken tegen de gevaren, die van buiten af zouden kunnen opdagen. Daartoe was het voldoende, dat een der vier Europeanen waakzaam was, vooral toen deze zich een paar Dajaks toevoegde, om op alles voorbereid te zijn.
XXVI
Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas.
Met het aanbreken van den dag waren de reizigers weer tot vertrek gereed. Toen dat oogenblik gekomen was, deelde Johannes een twintigtal stengen tabak aan de voornaamsten van kotta Karangan uit; aan de echtgenoote van het hoofd bood hij een halssnoer van fraaie glaskralen uit de pacotille van Baba Poetjieng aan, welke oplettendheid zeer gewaardeerd werd, en dan ook allen argwaan wegnam. Als tegenbeleefdheid beijverde de gastvrouw zich den vertrekkenden pakjes „parei poeloet” (ketanrijst) in pisangbladeren gewikkeld, aan te bieden en bij ieder dier pakjes een flink stuk gebraden „kalamboe-ei” of „bakatak” te voegen. Een flinke teug dubbel overgehaalden toeak werd ook ieder der reizigers gegund.
Dien toeak dronk La Cueille met graagte. Hij smakte nog lang daarna met tong en lippen, veegde zich begeerig den mond af en begon zijn ontbijt. De kleverige rijst was hem bekend; met wat fijn zout, fijn geraspte klappernoot smaakte zij niet kwaad. Maar met een wantrouwend oog bekeek hij de vleeschspijzen, die hem zoo maar in de hand gestopt waren. Hij rook er eens aan. Verduiveld! die geur kittelde aangenaam zijn reukorganen. Hij zette er de tanden in en waarachtig de smaak overtrof nog den geur. Hij verbande alle herinneringen aan paalworm en slangen en liet zich het zoodje goed smaken, totdat Johannes hem vroeg, of hij wel wist, wat hij daar at.
„Om het even,” antwoordde de Waal, „’t is afgedriedonders lekker!”
„Als het je maar smaakt, dan is alles goed. Ik vind het ook lekker, al is het wat vies.”
Met een stuk in den geopenden mond, keek de Waal Johannes aan.
„Wat is het dan?” bracht hij stotterend uit, terwijl hij de hand aan den mond bracht.
„Neen, laat zitten; ’t is te lekker om weg te gooien. Daarenboven, zoo erg is het niet. De „kalamboe-ei” is een vuistdikke tuinslak met prachtige schelp.”
De Waal kokhalsde reeds.
„En het andere?” vroeg hij met vertwijfelende stem.
„De „bakatak” is een groene kikvorsch, die hier allerwege langs de rivierboorden gevonden wordt.”
„O, mon Dieu!” kreunde de Waal met een verdachte beweging van zeeziekte.
„Kom, wat is dat voor gekheid!” riep Johannes, „je bent toch nu lang genoeg in de Dajaklanden, om die meisjesgrillen afgeleerd te hebben. Daar, drink eens voor het vet.”
En meteen gaf hij hem een bamboemaatje met jenever gevuld over. In een slok sloeg de Waal den inhoud naar binnen en zei, terwijl hij zich de maagstreek wreef:
„Fichtre! dat smaakt; voor nog zoo’n borrel eet ik tien slakken op.”
„Dat wil ik wel gelooven,” lachte Johannes, „die tien slakken zouden evenwel je maag bezwaren. Je hebt daarenboven nu genoeg hartversterking. Pruim je rijst nu maar op.”
La Cueille gehoorzaamde stipt; maar hij moffelde toch het lekkere gebraad weg en moest zich omkeeren van walging, toen hij zijn Moendoet zich met een genotvol gelaat de vingers zag aflikken. Hij nam zich voor, haar in volle vier en twintig uren geen zoen te geven.
Na afloop van dat lekkere maal nam een ieder weer zijn plaats in de vaartuigen in, en onder een luid hoera zette zich de rangkanvloot in beweging.
De stroom werd al meer en meer woest en de vaart moeielijker. Wel had men heden slechts drie kihams te boven te komen, die daarenboven niet lang, niet bochtig en derhalve niet veel moeielijkheden opleverden; maar de rivier zelve werd al smaller en smaller en al meer en meer ondiep. Haar watervermogen verminderde allengskens en bij iedere zijrivier, die men voorbijvoer, deed zich dat al meer en meer gevoelen. Toen men kotta Karangan eenige uren achter den rug had, zagen de Europeanen in, dat het overgaan in rangkans van een goede bekendheid met deze streken getuigde. Al had men ook hun prauw tegen de kihams kunnen ophalen, hier toch had zij de vaart moeten staken.
Van kotta Karangan af was het terrein een ware chaos. De taluds der rivier vertoonden een onregelmatige opvolging van kalklagen, diorietmassa’s en zandsteen, hier en daar doorsneden met calcedonen en vuursteenen, het alles gedekt door een dikke humuslaag, die aan een rijken plantentooi het noodige voedsel verschafte.
Tegen den middag legde de flotille bij een eilandje aan, dat bestond uit verblindend wit zand, spaarzaam met kleine afgeronde witte keitjes vermengd. Een eiland was het eigenlijk niet; het was niets anders dan een zandbank, die thans bij den lagen waterstand boven de oppervlakte verscheen. Door de geringe breedte der rivier kon het woud op de beide oevers dit plekje overschaduwen, zoodat het een bekoorlijk rustpunt aanbood. Tenauwernood had het reisgezelschap de vaartuigen verlaten, om zich de beenen wat te ontspannen, toen men een geheele troep „boehies” [133] door de hooge boomen zag voltigeeren. Nieuwsgierig als alle vierhandige dieren, naderden zij den boschrand en gluurden, onder het maken van allerlei koddige luchtsprongen, naar hetgeen de reizigers daar op dat eiland uitvoerden. Al meer en meer vertrouwvol wordende, naderden zij, naderden nog meer; ja eenige der jongeren waagden zich tot op de onderste takken, lieten zich aan hun lange staarten afhangen en wiegelden zich zoo vlak boven de hoofden der menschen, die zij bijkans met hun voorhanden konden aanraken. Toen de vertrouwelijkheid zoo ver gevorderd was, sprak Harimaoung Boekit eenige woorden, waarop de vier Europeanen hun geweren met groven hagel en gekapt lood laadden en eenige Dajaks hun blaasroeren grepen.
Nog altijd sprong de lustige apenkolonie boven de hoofden der menschen, onbewust van het gevaar, dat dreigde. Op een gegeven teeken knalden de geweerschoten en een twaalftal boehies stortten voor het meerendeel doodelijk gewond neder. Hartverscheurend was het geklaag, dat deze gekwetste dieren aanhieven. Hun makkers verdwenen in allerijl. Toch niet allen; een moeder, die haar jong onder het moordend lood had zien vallen en zelve ongedeerd was gebleven, liet zich van boven afvallen, greep haar stervend kind, klemde dat aan de borst en sprong, vóór dat er zich iemand tegen verzetten kon, te water, dook onder, bereikte den oever en was in een oogwenk in het dichte groen verdwenen. Een ander der gekwetsten viel niet. Krampachtig hield hij zich met de achterhanden vast aan den tak, waarop hij zich kluchtig verlustigde, toen de menschen hun moordaanslag volvoerden. Een oogenblik hing hij daar; men kon hem met de hand bijna aanraken. Tranen droppelden hem uit de oogen en met de voorhanden hield hij zich de borst omklemd, terwijl het bloed hem tusschen de vingeren doorsijpelde. Daar had hij een gapende wond, het scheen wel een snee, waarschijnlijk door het afschampen van een scherphoekig stuk lood te weeg gebracht. Klaaglijk klonk het gesteun van het arme dier; zijn blik had een weemoedig verwijtende uitdrukking, alsof het vragen wilde: „wat heb ik u toch gedaan, om mij zoo te behandelen?” De uitdrukking van dien blik was zoo meewarig, dat geen der Dajaks, zelfs geen der woeste Poenans een vinger uitstak, om zich van het dier meester te maken. Allen stonden met het oog vol deernis toe te kijken. Eindelijk verzamelde de arme boehies al zijn krachten, greep met de voorarmen den tak, waaraan hij hing, tilde zich omhoog en zette zich neder. Nu plukte hij eenige bladeren en jonge spruiten, kauwde die fijn en legde de zoo gevormde pap op de wond. Nu hield hij zich een wijl stil, als om adem te scheppen; waarna hij zich met behulp van zijn staart en drie zijner handen, terwijl de vierde de wond bleef bedekken, langzaam verwijderde en tusschen het donkere loof verdween.
Bij dat schouwspel èn van die moeder, die alles waagde, om haar kind te redden, èn van dien gekwetste, die met zulk een welsprekende mimiek de deernis zijner beulen wist in te roepen, hadden de Europeanen spijt gevoeld, zich tot die moordpartij te hebben laten verleiden. Maar nog voor zij hun gevoelens hadden kunnen uiten, waren de Dajaks met den mandauw in de hand op de gekwetste apen toegesprongen en hadden ze niettegenstaande hun hartverscheurend geschreeuw in een oogenblik gedood. Nu begon een afzichtelijk schouwspel. Ieder, die een lijk in handen hield, haastte zich den buik daarvan open te snijden, om met volle handen in de lauwe ingewanden te wroeten. In de darmen van sommige dieren, maar vooral van de boehies, wordt dikwijls een groenachtige steen ter dikte van een groote erwt aangetroffen. In vroegere tijden werd dien steen door de blanken een buitengewone geneeskundige kracht toegeschreven. In Europa werd hij onder den naam van bezoar ter markt gebracht, alwaar hij toen met het zeldzaamste edelgesteente in kostbaarheid wedijverde. In den tegenwoordigen tijd is zijn oude roem, althans bij de blanken, verdwenen, maar bij de bewoners van den geheelen Indischen Archipel heeft hij nog een zekere waarde behouden en geldt zulk een groene erwt, zoowel te Batavia als te Singapore soms 200 gulden.
Onze reizigers waren uiterst gelukkig geweest bij deze vangst. Soms kan het gebeuren, dat de jager drie, ja meer boehies doodt, alvorens een „batoe galiga”, zoo is de Dajaksche naam van den bezoar, te vinden. Thans had men twaalf apen gedood en daaruit werden acht steenen te voorschijn gehaald, die, wel is waar, niet allen even groot en onberispelijk van samenstel waren, maar die toch door elkander elk 150 gulden waard waren. Harimaoung Boekit verzamelde ze grinnekend, stopte ze in een bamboecylindertje en bood ze als een bewijs van dankbaarheid aan den redder zijns levens en als een bewijs zijner toegenegenheid aan den aanstaanden echtgenoot zijner zuster aan.
„Dat spekt de mas!” mompelde La Cueille, „Crétonnerre, als ieder schot honderd vijftig gulden kon opbrengen; jongens! ik ga op den uitkijk zitten en ieder boehies, dien ik ontwaar is de mijne.”
„Je kunt je de moeite voorloopig gerust sparen,” antwoordde Johannes. „Die apensoort is zoo heel overvloedig niet. Het kost soms vrij wat moeite, om er een in het gezicht te krijgen. En nu dat geweervuur tusschen dien troep weerklonken heeft, drommels! je zoudt hier lang kunnen wachten, voor dat je er nog een van te zien kreegt.”
„Ik heb nog veel batoe galiga te soengei Miri,” gniffelde Harimaoung Boekit tegen Johannes. „Als we daar zijn, heb ik u een ruil voor te slaan voor de kanonnen, die ge van kotta Djankang medegenomen hebt. Die zou ik gaarne op mijn kotta zien prijken.”
„Als we daar zijn, waarde Amai, zullen we daarover verder praten,” kreeg de Poenan ten antwoord. „De kanonnen, wellicht ook de geweren, zult ge kunnen krijgen.”
„Ik begin te gelooven,” mengde de Waal zich in het gesprek, „dat we niet met ledige handen thuis zullen komen.”
„Dat zou wel kunnen zijn; maar.... voor alles moeten we trachten te huis te komen; en zoo ver zijn we nog niet, reken daar maar op.”
De Waal zuchtte eens diep.
Terwijl dit alles voorviel, hadden de vrouwtjes van het reisgezelschap den tijd uitstekend benuttigd, om het maal gereed te maken. Bijna op alle plekjes van het eilandje brandden vuurtjes en de geheele atmospheer rook zoo lekker, dat buiten het ongeduld om verder te stevenen, ook nog de aanspraken van de maag zich deden gelden.
Eindelijk zat of beter lag de geheele reiskolonie, in verschillende groepen verdeeld, rondom de matten, waarop de gaven des Scheppers uitgestald en aangerecht waren. Hoopen dampende rijst, bijna sneeuwwit, droog van korrel gekookt en daarbij een menigte potjes en bladeren als schaaltjes met toespijs gevuld. Het hertenvleesch van den bok, des morgens geschoten, verscheen in allerhande vormen, was rechtvaardig verdeeld en scheen allen goed te smaken.
Op de mat, waarom de Europeanen gelegen waren, stond een koperen pot, hermetisch met een houten deksel gesloten. Eerst hadden de reizigers daar niet op gelet; nu de honger ietwat verzadigd was, begon die hun nieuwsgierigheid gaande te maken.
„Wat zou daar toch in zijn?” vroeg La Cueille.
„Och, dat’s soep,” sprak Johannes, „de lui hebben vernomen, dat die te Bandjermasin nog al eens gegeten wordt en, om ons te verrassen, hebben de vrouwtjes die klaar gemaakt.”
„Soep,” vroeg Schlickeisen, „soep? wel dat had je wel eerder kunnen zeggen, dan hadden we ons maal met een lekker bord kunnen beginnen. Maar om het even, smaken zal ze toch wel.”
En den pot naar zich toehalende, nam hij het deksel af, en snoof met wellust de heerlijke geuren, die zich verspreidden, op. Nu stak hij er een lepel in en maakte aanstalten zich een klapperdop vol op te scheppen, maar met een kreet liet hij plotseling den lepel vallen, greep een soort tweetandige houten vleeschvork, stak daarmede in den pot en haalde iets voor den dag, dat allen—Johannes uitgezonderd—van ontzetting deed achteruit deinzen. Tusschen de tanden van den vork bekneld, vertoonde zich als het ontvleesde hoofd van een kind en aan dat hoofd was nog het lichaam verbonden, dat ten halve nog uit den pot getild, twee armen met welgevormde handjes vertoonde. Sprakeloos en vol afschuw keken de Zwitsers en de Waal die gedaante aan. Schlickeisen had het besef niet, de vleeschvork los te laten. Hij stond daar als aan den grond genageld.
„Wat is er? wat hebt jullie nu weer voor een kippenkuur?” vroeg Johannes.
„Maar zie je dan niet?” was het hijgende antwoord van La Cueille.
„Wat, die soep? Zeker zie ik die, die zal drommels lekker smaken.”
„Ze willen menscheneters van ons maken!” gilde de Waal. „Dat nooit!”
„Menscheneters?” vroeg Johannes onnoozel. „Kom, hou me niet voor den gek.”
En Schlickeisen op zijde duwende, vulde hij zijn klapperdop met de geurige soep, zette dien aan den mond en slurpte met volle teugen.
„He!” riep hij, eindelijk eens ademhalende, „verduiveld lekker!”
„Hoe kun je zoo iets doen?” vroeg Wienersdorf met diepen weemoed in de stem. „Verwildert dan de mensch geheel en al in dit gevloekte land?”
„Dat ik wat heb kunnen doen?” vroeg Johannes schijnbaar verbaasd.
„Wel, die menschensoep drinken!”
„Menschensoep?!!”
„Ja, menschensoep! zie je dan dat kind niet, dat Schlickeisen te voorschijn heeft gebracht?”
De Sienjo had zijn doel bereikt; die domme Europeanen waren er mooi ingeloopen. Hij schaterde het uit.
„Menschensoep! die krijgt jullie in Europa, zelfs in het Grand Hôtel du Louvre niet! Onbetaalbaar!” gierde hij uit. „Ik lach me nog een ongeluk.”
En de vork uit de hand van Schlickeisen grijpende, tilde hij de vleeschmassa verder uit den pot, waardoor met twee lange beenen, van handen voorzien, ook een ellenlange staart te voorschijn kwam.
„Een aap!” riep La Cueille.
„Een boehies, een van die, welke wij straks geschoten hebben. De vrouwtjes hebben dat dier netjes in kokend water gestopt, om hem van zijn pels te ontdoen en toen een lekkere soep daarvan bereid.”
De Waal en de twee Zwitsers stonden met de hand voor den mond even ernstige gezichten te trekken, alsof de zekerheid, dat het geen menschensoep was, hen even ontsteld had, als straks de meening, dat het een kind was, dat zij gezien hadden. De walging, die zij aan den dag legden, nu zij overtuigd waren, dat het apensoep was, kon niet erger zijn, al legde Johannes hun ook uit, dat een aap een der zindelijkste dieren der schepping is, die zich met niets dan met plantaardig voedsel voedt en daarbij uiterst kieskeurig is.
„Als gij daar eens mede vergelijkt het varken en de kip,” riep hij uit, „waarvan het vleesch u zoo smaakt, dan begrijp ik niet, wat ge tegen het verorberen van een aap hebt.”
„Maar die gelijkenis! ’t is alsof je je broer opeet!” sprak Schlickeisen nog steeds ontzet.
„Te drommel!” hernam Johannes lachende, „dat is een argument, hetwelk Darwin vergeten heeft aan te halen, om zijn beroemde stelling aannemelijk te maken; namelijk, de afschuw, dien de mensch heeft van apenvleesch, omdat hij het bewustzijn heeft zijn broeder op te peuzelen. ’t Is waar, dat de Dajak dien afschuw niet kent en dien ook niet voor het menschenvleesch gevoelt.”
Johannes kon oreeren als wijlen Demosthenes, maar overtuigen kon hij zijn makkers niet. De soep bleef dan ook onaangeroerd, behalve de flinke portie, die hij zelf er van verorberde en het been, waarvan hij de kuit met graagte afkluifde en die hem bijzonder smaakte.
Toen het maal verorberd was, werd de reis voortgezet Sedert het vertrek van kotta Djankang was het terrein al meer en meer oploopend geworden; het waren evenwel nog slechts heuvels, die men ontwaard had, waarvan de hoogste slechts 250 voet bereikten en waartusschen de Kapoeas zich heen slingerde. Van nu af begonnen de reizigers in het noorden en noordwesten een bergketen in het gezicht te krijgen, die als zeer uitgesneden, een menigte toppen in de verte vertoonde. Johannes wees zijn makkers die keten en duidde hun aan, dat zij daarover moesten, om de Chineesche zee te kunnen bereiken. Maar, voegde hij er zuchtende bij:
„We beginnen thans de zuidelijke helling te zien; wanneer wij de andere helling zullen afdalen, dat weet God alleen.”
Met kracht werd voortgeroeid. Het kon omstreeks drie uur in den namiddag zijn, toen Amai Kotong het teeken gaf, om aan te leggen. Men bevond zich toen voor de monding der soengei Samoehing, die men, na een korte beraadslaging onder de Dajaks, binnen stevende. Johannes vroeg aan Harimaoung Boekit, wat dat te beteekenen had, daar men nog ruim een drietal uren zou kunnen doorreizen en wellicht Toembang Roengoi bereiken. Zonder antwoord te geven, wees de Poenan naar den hemel in het noorden, die daar erg donker uitzag en een onweder voorspelde. Dalim vertelde den Europeanen, dat een „soho” een watervloed, in de maleische streken „bandjer” genaamd, hier zeer gevaarlijk kon zijn. Het water rijst dan plotseling en stroomt met onweerstaanbaar geweld. De vaartuigen, er door overvallen, worden in weerwil van alle inspanning medegesleept en loopen groot gevaar in den een of anderen labehoe (draaikolk) te gronde te gaan, of op de rotsen der kihams verbrijzeld te worden. Zoodra men binnen de monding der Samoehing was, beijverden de reizigers zich, de lichte rangkans zoo hoog mogelijk op den zacht glooienden oever te halen, om ze buiten het bereik van het water te brengen. Ter nauwernood was men met dien arbeid klaar, of een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden, dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dichten wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel. Dalim riep evenwel de deserteurs tot zich, beklom met hen den boekit (heuvel), die de landtong vormt tusschen de Kapoeas en de Samoehing. Aan de oeverzijde was dat niet gemakkelijk, daar door het herhaalde rijzen der wateren, alle plantengroei belet was en de helling vrij steil omhoog liep. Maar na een kleine inspanning waren zij boven en hadden van daar een ruim vergezicht over de rivier. Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdroppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid, die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig, als de stemme Gods, die zij ook was.
„Ziet! ziet!” riep Schlickeisen, die in angstige verbazing de hand naar het boveneinde van den stroom uitstak.
Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam, en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voet hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijke baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen, die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer, aan een machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarden zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsbrokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des waters medegevoerd; groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven, alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.
De verschijning van dien watermuur duurde maar een oogenblik, den tijd ter nauwernood dien een sneltrein noodig heeft, om den wandelaar vooruit te stuiven. Toen hij voorbij was, was de rivieroppervlakte twaalf tot vijftien voet hooger dan een oogenblik te voren, en ging die nog voort te stijgen. Loeiend rolde de gele drabbige watermassa, waar straks een kristalheldere rivier ruischte en klaterde en over helder wit zand en reine kiezelsteentjes voortschoot.
Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voordat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was, werd hun bewondering afgeleid. Want, alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend, waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte anderen, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde, om zijn verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er, alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind, het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde, hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief, maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.
Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, totdat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die neerdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinige passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.
Nu spoedden onze zwervers den heuvel af om zich bij hun makkers te voegen. Zij vonden daar allen bedrijvig, want de plotselinge stijging der wateroppervlakte was van zoodanigen omvang geweest, dat al zeer spoedig werd ingezien dat de rangkans niet hoog genoeg op den wal waren gehaald. Gelukkig dat de eerste aandrang des waters voorbijschoot zonder de vaartuigen te bereiken. Maar bij de voortdurende stijging van het water, begreep men dat alles gedaan moest worden om de vervoermiddelen in veiligheid te stellen. De vier Europeanen togen mede aan den arbeid en met de kracht, door die vier paar armen aangebracht, vorderde hij snel, zoodat in weinig tijds de vaartuigen buiten bereik van gevaar lagen.
Het onweder duurde nog geruimen tijd met onbezweken kracht voort, waarna het zich in zuidwestelijke richting verwijderde. De bliksemstralen werden minder scherp en schichtvormig en gingen meer over in ontvlammingen, die het heelal schenen in vuur te zetten; de donderslagen werden minder menigvuldig, de tijdruimte tusschen die slagen en de bliksemflitsen werd gedurig grooter en het geluid zwakker. Ook bedaarde de wind allengskens en ging de plasregen in een fijnen stofregen over, die ook weldra ophield; terwijl de wolken, zich verdeelende, het hemelazuur lieten aanschouwen en een gulden straal der ondergaande zon het aardrijk kwam verkondigen, dat de strijd uitgewoed had. Alleen de rivier bleef nog verbolgen en stuwde haar drabbige wateren grommig en loeiend voort. Maar vóór nog de zon aan de westerkim wegdook, was de stijging tot stand gekomen en vóórdat de nacht ingetreden was, hadden de reizigers zich kunnen vergewissen, dat een daling merkbaar was. Allen legden zich dan ook vertrouwvol onder de hoede der schildwachten te rusten.
Den volgenden morgen was ons reisgezelschap al heel vroeg tot vertrek gereed. Wel was de rivier gedurende den nacht sterk gevallen, maar toch kon de waterafvoer in vergelijking met de vorige dagen nog zeer aanzienlijk genoemd worden. Er stond ruim zes voet meer water dan daags te voren. Door den zwaren stroom zoude meer krachtsinspanning gevorderd worden, om vooruit te komen; daar stond echter tegenover, dat, nu de watermassa over een aantal beletselen heen rolde en die diep bedolf, men daarover heen kon varen welke gisteren nog in allerlei bochten vermeden moesten worden.
Even voorbij het omvaren van den eersten hoek, werden de reizigers een aanzienlijke versterking gewaar, kotta Samoehing genaamd, alwaar alarmkreten weerklonken en op de garantongs geslagen werd, toen de bewoners de flotille rangkans in het oog kregen. Deze kotta verhief zich op de helling van den heuvel, op welks top de Europeanen den watervloed daags te voren hadden gadegeslagen. Die top had nog al uitgebreidheid en de hellingen waren zeer dicht begroeid; terwijl de Kapoeas langs twee zijden van den heuvel kronkelde, waardoor die versterking, als in het groen verscholen, aan hun oog onttrokken was geweest. Johannes beijverde zich de Nederlandsche vlag te laten wapperen, terwijl Amai Kotong de menschen aan den wal toewuifde en hun woorden van vrede en geruststelling deed hooren. Toen de Samoehingers het oude hoofd van kotta Djankang herkenden, bedaarde hun angstvalligheid en hielden de alarmkreten op. Bij het aan wal stappen, vernam Amai Kotong, dat een gerucht liep, volgens hetwelk de Doessonners onder aanvoering van Tomonggong Soerapatti in de Kapoeasstreken zouden gevallen en dat Dajaksche hoofd thans met de bewoners van soengei Sirat aan het oorlogen zoude zijn. In den omtrek van kotta Samoehing was nog geen vijand verschenen; maar er werden angstwekkende verhalen van de voornemens van dien woesteling gedaan, als zoude hij de bewoners der Kapoeas te vuur en te zwaard willen vernielen, om zich te wreken over een nederlaag, die de Doessonners in vroegere jaren geleden hadden. Dat waren voor onze Europeanen geen opbeurende berichten, ook niet voor het overige reisgezelschap. De weg, dien zij af te leggen hadden, leidde langs de soengei Sirat en de tijding dat die weg door den erfvijand van de boven-Kapoeas bezet werd, was wel geschikt om een ieder neerslachtig te maken. Johannes evenwel zag in, dat hij die stemming geen vorderingen mocht laten maken, daarom riep hij Amai Kotong, Harimaoung Boekit, zijn drie makkers, alsook Dalim en het hoofd van kotta Samoehing, Amai Pari genaamd, in de tomoi, die aan den voet van de versterking lag, bijeen, om te beraadslagen, wat er te doen stond.
„Wat er te doen staat,” zei Amai Pari, „is terugkeeren, van waar gij gekomen zijt.”
„Ja,” viel Amai Kotong, wien de angst op het gelaat te lezen stond, in, „ja naar kotta Djankang terug.”
„Hoe sterk worden de Doessonners geschat?” vroeg Johannes.
„Men spreekt van 1200 man.”
„Hebben zij vuurwapenen?”
„Slechts zeer weinig geweren zijn door de verspieders opgemerkt, misschien een zestal; maar zij voeren vier garaboes met zich om de borstweringen der kotta’s aan splinters te schieten.”
„Hoeveel mannen tellen wij?” was de vraag van Johannes aan Amai Kotong.
Deze keek hem verwonderd aan en antwoordde eerst niet, zoodat de vraag herhaald moest worden.
„Dat weet gij zoo goed als ik.”
„Jawel, maar ik wilde het nog eens uit uw mond hooren.”
„Nu, als dat uw wensch is. Wij tellen alles en alles 84 weerbare mannen.”
„Flinke, stevige kerels, niet waar? En hoeveel geweren hebben wij?”
„Ik meen zes en veertig.”
„Dat is juist,” viel La Cueille in. „Veertig te Kwala Hiang buit gemaakt, onze vier modelgeweren en dan de twee remmingtons van den luitenant. Maar we hebben ook nog twee revolverpistolen, systeem Le Faucheux, alles is in zeer goeden staat; daar heb ik voor gezorgd.”
„En we zouden naar kotta Djankang terugkeeren!!” barstte Johannes in woeste drift los. „Wij zouden naar kotta Djankang terugkeeren, om ons daar door de blanken gevangen te laten nemen. Om u als weerspannig hoofd te zien ophangen, omdat gij de wetten der herbergzaamheid geëerbiedigd hebt en uw kotta tegen de blanken verdedigd hebt? Om Harimaoung Boekit de ijzers aan de handen te zien slaan en om hem tot dwangarbeid te hooren veroordeelen; dat wil zeggen, zijn leven lang steenen te kloppen of de billen van de kinderen eens residents te wasschen; omdat hij een onverbeterlijke koppensneller is? Zeg, Amai, zijn we dan oude wijven, of klopt ons een mannenhart in de borst? Neen! bij Mahatara en bij alle Sangiangs! geen stap terug, dat zeg ik u. Met zes en veertig geweren in de handen van kerels, zooals wij zijn, daarmede is Poeloe Kalimantan van het eene einde tot het andere door te trekken en ik wil dien Soerapatti wel eens onder de oogen treden, wanneer hij het wagen zoude, ons te willen weerstaan.”
De sienjo stond daar schoon in zijn verbolgenheid, aan een bronzen beeld der verontwaardiging gelijk. Harimaoung Boekit, door zijn woorden medegesleept, had zijn mandauw ontbloot, zwaaide dien met de rechterhand, terwijl hij de hand van Johannes met de andere gegrepen had.
„Neen!” brulde hij meer dan hij sprak, „neen geen voetstap terug! Integendeel, voorwaarts! voorwaarts!! opdat wij die oude wijven van de Doesson eens onder de oogen krijgen. Het zal de eerste maal niet zijn, dat zij door de Ngadjoe’s van Kapoeas en Kahajan op de vlucht zullen gedreven worden. Vooruit! vooruit! daar ligt de weg!”
Die ontboezeming was aanstekelijk. Zoowel Amai Kotong als Amai Pari stemden met dien kreet van, „vooruit!” in; maar ook de menigte, die buiten de tomoi de opgewonden toespraak van Johannes en die van Harimaoung Boekit gehoord had, hief een luid gejuich aan, waarbij de Poenans, als echte zonen der wildernis, zich niet onbetuigd lieten. Er werd nu besloten dat het reisgezelschap den tocht dadelijk zoude vervolgen en de Samoehingers verbonden zich een dertigtal strijders te leveren, die zich onmiddellijk zouden gereed maken, in dier voege, dat zij de anderen nog voor hun aankomst aan de monding der soengei Sirat met hun rangkan zouden ingehaald hebben. De Samoehingers gingen daartoe te eerder over, daar ook zij bij de verdrijving van den gemeenschappelijken vijand groot belang hadden en de bewoners van soengei Sirat hun stamgenooten waren en meest allen tot hun verwanten behoorden. Ook het aantal vuurwapenen, die het reisgezelschap bij zich had, legde gewicht in de schaal en deed aan de overwinning niet twijfelen.
Na het ontbijt verorberd te hebben was de flotille een uur later weer op weg en stevende de Kapoeas verder op. Volgens alle berekening zou het de laatste dag zijn, dat onze zwervers dien stroom zouden aanschouwen. Vóór den avond zouden zij de monding van de soengei Sirat bereiken en van daar ging de weg westwaarts die nevenrivier op. Het was nu drie en dertig dagen geleden, dat zij Kwala Kapoeas verlaten hadden, om hun zwerftocht te beginnen.
Onvermoeid en onverpoosd werd voortgeroeid. Niets werd evenwel ontwaard, wat den tocht kon vertragen of ook maar onrust kon baren. Maar ook geen enkele djoekoeng op de rivier, geen menschelijk wezen op den wal werd ontmoet of gezien, bij wien men inlichting zoude hebben kunnen inwinnen. Het was of de streek uitgestorven was.
Het terrein klom al meer en meer. De taluds evenwel en de bedding der rivier waren niet meer zoo rotsachtig; de grauwe klei en het dito gekleurde zand werden langzamerhand vervangen door een roodachtige vette klei, waartusschen in de oeverhellingen maar zeer weinig rolsteenen ontwaard werden. De rivier was diep ingesneden; soms moest de blik zich heel hoog richten om den hellingrand te bespeuren. Wel verhieven de heuvels, die bespeurd werden, zich al meer en meer; maar hun gedaante was minder grillig, meer eenvormig met afgeronde toppen en flauwe hellingen. Prachtige bosschen verhieven zich aan weerszijden der rivier; er was echter geen tijd om die te betreden; onze reizigers konden hen slechts in het voorbijvaren bewonderen. Van tijd tot tijd, wanneer een dalspleet zich opende, waardoor een riviertje zich baan brak naar de Kapoeas, en de loofwand het veroorloofde, werd men het naderend hooggebergte gewaar, dat in het noorden en noordwesten zich als een blauwe gekartelde band vertoonde.
Om den gang der rangkans niet te vertragen, en zich niet te zeer te vermoeien, losten de roeiers elkander regelmatig af. Bij een dier verpoozingen, welke de Europeanen genoten, waren zij in hun rangkan bij elkander geschoven, om het gehoorde te kotta Samoehing te bespreken. Het was trouwens wel der moeite waard. Johannes bracht zijn makkers geheel op de hoogte van wat er gaande was en legde hun uit, hoe netelig hun toestand geworden was.
„Niemand wil ik ontmoedigen,” sprak hij, „integendeel, ’t zal een vereischte zijn al onzen moed, al onze geestkracht bij elkander te houden. Maar om den toestand onverschrokken en onbevangen onder de oogen te treden, om hem te kunnen beheerschen, is het noodig hem geheel en met al zijn gevaren te kennen. Vooruit, zullen we te midden van een inlandschen oorlog met al zijn verschrikkingen geraken; terug kunnen we niet, dat zou aan zelfmoord gelijk staan.”
„Zouden de Hollanders het zoo erg met ons maken?” vroeg Schlickeisen.
„Ze zullen ons niet ter dood brengen, maar of een veroordeeling tot tien jaren tuchthuis te Samarang of detentie te Willem I niet als erger te beschouwen is, laat ik aan de beslissing der vrienden over.”
„Tien jaren voor een uitstapje! kom, je neemt een loopje met ons,” sprak La Cueille.
„Nou, wil jij het er op wagen? maar bedenk dat ze daar ginds dat uitstapje: desertie in tijd van oorlog met medeneming van wapens, zullen noemen. Bedenk, dat we ons met die wapens tegen het wettig gezag verzet hebben. Allen, heldendaden bij het crimineel wetboek voor de landmacht voorzien en waarop de strop staat. Zij zullen meenen al drommels veel medelijden met ons te toonen, wanneer ze ons het leven zullen schenken. De gedachte evenwel dat zij in ons vier flinke schoenmakers zullen aanwerven, zal hen wel tot genade stemmen.”
„Neen, aan terugkeeren valt niet te denken,” sprak Wienersdorf ernstig. „We zitten in het schuitje en moeten mede, laten we daarover geen discussie meer voeren. Maar wie is die Soerapatti? Is dat dezelfde die het stoomschip Onrust vermeesterde, waarvan je laatst vertelde?”
„Dezelfde. Hij is het erkend opperhoofd van de boven Doesson, alsook van het landschap Siang en Moeroeng, dat zich tusschen die rivier en de grenzen van Broenei uitstrekt. Als befaamd koppensneller is hij steeds in oorlog met de omliggende stammen. Vooral is hij erg op de bewoners van Kapoeas en Kahajan gebeten; die hebben steeds veel te lijden gehad van zijn invallen.”
„Maar de Dajaks van de Doessonlanden zijn toch van denzelfden stam als die uit deze streken. Waarom zijn zij zoo op elkander gebeten?”
„Vrouwengeschiedenissen, anders niet. Bij snel- en strooptochten worden wel eens maagden, zelfs getrouwde vrouwen, wanneer deze zeer schoon zijn, ontvoerd, die dan willens of onwillens de echtgenooten der overwinnaars of beter hunner ontvoerders moeten worden. Zoo’n vrouwenroof geeft steeds tot représailles aanleiding, waardoor men vrouwen van beide partijen in de tegenovergestelde kampen aantreft. Dat is de oorsprong van dien heilloozen haat, die tusschen de telgen van een en denzelfden stam bestaat, waarbij evenwel ook nog de zucht tot koppensnellen gevoegd moet worden.”
„Jawel, pas op je kop,” lachte La Cueille, „we hebben die machtspreuk lang niet gehoord; ’t wordt tijd dat je die weer eens oprakelt.”
„Ja, pas op je kop! je bent hier in het land van de koppensnellers en houd je er van verzekerd, dat alles wat je daaromtrent tot nu toe gezien hebt, slechts kinderspel geweest is.”
„Nu ja, we zullen oppassen.”
„Bestaan er in de volksoverlevering verhalen van merkwaardige feiten uit dien heilloozen krijg?” vroeg Schlickeisen.
„Ja eenige. In soengei Sirat zullen we Mawong, het hoofd van kotta Hamiak ontmoeten, dat is een van de bitterste vijanden van Soerapatti, die zal ons wel het een of het ander verhalen, als je daarop belust zijt. Maar van één krijgstocht van Soerapatti wil ik je toch vertellen, die is nog al merkwaardig. Die speelt ook niet in deze streken, maar in de benedenlanden, tot waar de Doessonners in 1833 doorgedrongen waren. Luistert.
XXVII
Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.
„Sedert geruimen tijd liep het gerucht dat Soerapatti krijgstoerustingen op groote schaal maakte, ten einde de Kapoeas- en Kahajanstreken af te loopen. Dat wil zeggen: Oude vrouwen, grijsaards en zeer jonge kinderen zouden eenvoudig om hals gebracht worden. De vrouwen, die op schoonheid konden bogen, zouden de bijzitten der overwinnaars worden, de andere vrouwen en de mannen, die in staat waren te werken, zouden zich het gruwzaamste slavenjuk moeten getroosten. Vreeselijk waren de verhalen van de Maleische handelaren, die van de boven-Doesson teruggekeerd waren. Het krijgsplan was: van uit het landschap Siang en Moeroeng op te breken naar de boven-Kahajan, dien stroom al moordende en roovende af te zakken; de soengei Troessan door te trekken, de beneden-Kapoeas uit te moorden en langs de kleine Dajakrivier terug te keeren. Moest men de berichten gelooven, dan zouden meer dan 10,000 strijders aan den tocht deelnemen; latere tijdingen brachten dat getal op 4000 terug. Het gemeenschappelijk gevaar vereenigde al de bewoners der bedreigde streken en deed alle veeten, die hen onderling verdeelden, vergeten. Alle twisten werden bijgelegd; de huisgezinnen verlieten de oevers der genoemde rivieren en trokken zich diep in de wildernissen terug. Toen het gevaar nader kwam, togen de gezamenlijke strijders dier streken uit ten getale van ± 6000, om bij de monding der soengei Troessan, op weinige uren afstands van de uitwatering der kleine Dajakrivier in de Javazee, den gemeenschappelijken vijand slag te leveren en, zoo het kon, te vernietigen. De krijgsmacht van Soerapatti was uiterst verwonderd geweest, de negorijën langs de Kahajan leeg te vinden. Het was hun slechts gelukt, hier en daar een armen pandeling te overvallen, die achtergelaten was om have en goed te bewaken. En dat was nog maar schaars gebeurd, daar de meesten dier bewakers den tijd hadden gehad bij de nadering der vijandelijke vaartuigen de bosschen in te vluchten. Zij, die overvallen waren, hadden een rampzaligen martelvollen dood gevonden en hun grijnzende schedels prijkten aan den voorsteven van eenige der vijandelijke vaartuigen. De kotta’s en woningen werden verwoest en tot den grond afgebrand. Zoo kwamen de Doessonners in de beneden-Kahajan aan, waar zij ook de kampongs verlaten vonden. Zij raasden en scholden de bewoners voor oude wijven; evenwel de echo beantwoordde alleen hun uittartingen. Maar zoodra hun rangkans uit de Troessan deboucheerden, schoten de verbondenen met hun vaartuigen toe en thans begrepen de Doessonners, waarom zij de negorijën verlaten gevonden hadden. Nu begon een gevecht, dat drie dagen duurde en met de ontbinding van Soerapatti’s legermacht eindigde. Dit opperhoofd mocht zich gelukkig achten, bij die neerlaag niet tegenwoordig te zijn geweest; ook hij zou het waarschijnlijk met den dood bekocht hebben. Een randjoe-wond, in de boven-Kahajan bekomen, had hem genoodzaakt het opperbevel aan zijn broeder Toengah over te geven, terwijl hij met weinige volgelingen naar de boven-Doesson teruggekeerd was. Niet dan na een hardnekkigen strijd, behaalden de verbondenen eenige voordeelen, door verwarring in de gelederen der vloot bij hun tegenstanders te berokkenen. Deze, eindelijk door een panischen schrik bevangen, wierpen zich in de maagdelijke bosschen, die de kleine Dajakrivier en de soengei Troessan omzoomen; doch hier vreemd, en weg noch steg wetende, werden zij door de bondgenooten als wild opgejaagd en als dolle honden doodgeslagen. Van Soerapatti’s heirmacht zijn geen 200 man in hun negorij teruggekeerd; de overigen vielen door het zwaard of kwamen van ellende om. Dat het leger der Doessonners zoo totaal vernietigd werd, was voornamelijk daaraan te wijten, dat het op een hoogst ongunstige plaats op de vlucht sloeg. Vooreerst waren er in den omtrek op verscheiden marschdagen afstands geen kampongs of bebouwde velden, waar de vluchtelingen hopen konden eenig voedsel te vinden. Daarbij waren na hun vlucht al hun vaartuigen vernield of door hun vijanden genomen, en zaten zij in een zeer moerassig land tusschen twee hoofdrivieren ingesloten; terwijl eindelijk de bewoners dier streek hun doodsvijanden waren. Vertoonde zich een enkele dier ongelukkigen, door den bittersten nood gedrongen, in de nabijheid van een kampong, dan werd hij als een verscheurend dier afgemaakt. Maanden na den slag werden nog bij het ontdekken van sporen in het woud groote drijfjachten gehouden, waarbij mededoogen onbekend was. Zoo werden nog een dertigtal, die na de grootste ontberingen, na een ongeloofelijken marsch van vele maanden door een woest en vijandig land, zich overdag schuil houdende en ’s nachts behoedzaam noordwaarts trekkende, eindelijk het hoogland hier in de boven-Kapoeas bereikt hadden en zich reeds behouden wanende, den stroom op een klein vlot wilden oversteken, daarbij ontdekt, gevangen genomen en later op de wreedste wijze omgebracht. Onder deze was ook Soerapatti’s broeder.”
Gedurende dat verhaal had de tijd niet stil gestaan. Het was evenwel ongeveer vier uur in den namiddag geworden, toen de flotille, waarbij de Samoehingers zich gevoegd hadden, de monding der soengei Sirat bereikte. Nog steeds was niets verdachts ontwaard. Toen evenwel eenige der Poenans aan wal gestapt waren, om den omtrek te verkennen, dewijl men daar den nacht wilde doorbrengen, kwamen die al zeer spoedig terug met het bericht, dat op den noordelijken oever van de soengei, ongeveer 200 passen van den waterkant, een duidelijk spoor in het lange gras te ontwaren was, van een groote menigte menschen, die daar langs getrokken waren. Teneinde dat spoor nauwkeurig waar te nemen, gingen Harimaoung Boekit en Dalim als echte woudverspieders derwaarts. Tot dekking vergezelden hen Johannes, Schlickeisen en een tiental Dajaks, waarvan de helft met geweren gewapend was.
De verkenners waren spoedig terug; zij waren tot de overtuiging geraakt, dat het spoor zeer versch en door een vrij talrijke bende veroorzaakt was, dat die bende van het westen naar het oosten getrokken was, te oordeelen naar de afdrukken van de voetstappen, die men op minder dichtbegroeide plekken had kunnen waarnemen. Zeer waarschijnlijk was het een bende stroopers, die den omtrek afliepen om te fourageeren. Men had het spoor gevolgd over een lengte van eenige duizenden meters, alwaar het aan de Kapoeas uitkwam en zich noordwaarts omboog. Vooral aan de boorden der Kapoeas bleek het, dat het gevolgde spoor zeer versch was; de indrukken op den zandigen oever waren zoo scherp begrensd en nog zoo vochtig van het water, door den voet te zamengeperst, dat het voor deze natuurkinderen geen twijfel overliet, of er bevond zich op korten afstand voor hen uit een vrij aanzienlijke bende volks. Harimaoung Boekit meende zelfs een oogenblik menschenstemmen in die richting gehoord te hebben. Wat er ook van aan was, het was zaak zeer op zijn hoede te zijn. Er werd dan ook besloten, de rangkans onder den zuidelijken oever achter een vrij scherpe bocht te bergen, zoodat zij voor afkomende vaartuigen niet eerder zichtbaar werden, dan wanneer die den hoek geheel gerond hadden. Op den hoek zelven werden een viertal Dajaks, met geweren gewapend, in boomkruinen op schildwacht geplaatst, om de soengei stroomopwaarts te bewaken. Zij zouden door schieten alarm maken, wanneer onraad bespeurd werd. In de rangkans zoude de helft der weerbare manschap waakzaam en met de wapens in de hand blijven, om bij ieder voorval gereed te zijn, krachtdadig te kunnen optreden. Aan den wal werden, ter plaatse waar de rangkans lagen, eenige zware boomen geveld, die met het omringende struikgewas, dat ook omgekapt werd, een verhakking vormde, waardoor heen zich geen weg te banen was, zonder de opmerkzaamheid gaande te maken. Dat al die voorzorgen niet overbodig waren, zouden de reizigers al heel spoedig ondervinden.
Het kon omstreeks middernacht zijn, toen een der schildwachten, die op den hoek in de boomen zaten, een voorwerp aan zijn voeten in de soengei zag drijven, dat veel van een boomstam had. Het kon ook wel een kaaiman wezen. Daarom floot hij zachtkens, om de wachthebbenden in de vaartuigen op hun hoede te doen zijn; want het zoude niet onmogelijk zijn, dat zoo’n ondier, van de nachtelijke stilte gebruik makende, zijn prooi onverwachts uit een vaartuig greep en daarmede in de diepte verdween, vóór dat de opvarenden eigenlijk begrepen, wat er gaande was. Op dat gefluit evenwel zag de schildwacht dien boomstam of kaaiman zich bewegen en naar den wal zwemmen, in welke beweging hij gevolgd werd door een vijftal dergelijke gedaanten. Dat zwemmen was niet het geruischloos voortschieten van een dier van het krokodillengeslacht; ook dat er zoo veel anderen in de nabijheid waren, die zich richtten waarheen de eerste zwom, was in strijd met de geaardheid dier dieren. Hier was dus wat anders gaande. De schildwacht loste zijn schot; ook zijn makkers, opmerkzaam gemaakt, openden hun vuur. Nauwelijks evenwel hadden die schoten in de nachtelijke stilte weerklonken, of een kannibalisch gebrul verhief zich achter de verhakking; verscheidene gedaanten poogden daardoor heen te breken, dat aan enkelen hunner gelukte. De nacht was gelukkig niet donker, de lucht was zuiver en de sterren fonkelden vriendelijk, terwijl juist dien nacht het zodiakaal licht schemerde, waardoor het aardrijk slechts in een halfduister gehuld was. Van wat er achter de verhakking geschiedde, was evenwel niets te ontwaren; maar wie zich door dat beletsel heenwrong, verscheen als een donkere gestalte op een flauw verlichten grond en stond aan de zeker treffende kogels van de vier Europeanen bloot. De Dajaks, wien geweren in handen gegeven waren, hadden met al de opgewondenheid hun landaard eigen, een oorverdoovend vuur op de verhakking geopend. De Europeanen meer bedaard, gaven hun schot slechts af, wanneer zij zulk een donkere gedaante op den oever zagen toeijlen en misten hun doel dan nooit. Zelfs de twee Zwitsers onthielden zich stipt, aan het vuurgevecht deel te nemen en bewaarden zorgvuldig den inhoud hunner repeteergeweren voor oogenblikken van onmiddellijk groot gevaar. En wel bekwam hun dat gedrag; want op eens drong een aantal aanranders door een opening, die zij in de verhakking hadden weten te maken en stormden onstuimig op den oever toe, om zich met den mandauw in de vuist op de rangkans te werpen. In den grootsten doodsangst gilden de vrouwen en waren radeloos van ontsteltenis; maar daar mengden de beide Zwitsers zich in den strijd, gaven kalm en bedaard vuur, nog eens vuur en nog eens. De aanvallers vielen op die schoten paarsgewijze. Met kreten van woede zetten zij den aanval door. De schoten der Zwitsers klonken regelmatig en velden een ieder, die den oever nabij kwam. Toch drongen een paar Doessonners, als onder dat vuur doorduikende, door, wierpen zich te water en klemden zich aan de rangkans vast, wanhopige pogingen aanwendende, om de vaartuigen, die zij gegrepen hadden, te doen omkantelen. Nu was het de beurt van de Dajaks om toe te slaan; eenige mandauwhouwen kloofden een paar schedels en deden een paar afgekapte vingeren tot in den schoot van de nedergehurkte vrouwen springen. Een paar gillen, een paar kreten, wat doodsgerochel en het pleit was beslist; de aanvallers plompten in het water en werden dood of zwaar gewond, den krokodillen ten prooi, door den stroomdraad medegevoerd.
Alles was nu stil aan den oever, zoo stil zelfs, dat men bijna niet gelooven kon, dat daar zoo even nog een kamp op leven en dood gevoerd werd. De Zwitsers haastten zich de kolven hunner Remmingtongeweren van munitie te voorzien en een ieder hield zich gereed voor hetgeen nog komen kon.
Daar weerklonken eensklaps opvolgend, vier geweerschoten, door angst- en hulpgeschrei gevolgd. Het waren de vier schildwachten, in de boomen gezeten, die nu aangetast werden. Duidelijk zag men eenige gedaanten zich langs de boomstammen naar boven werken. De schildwachten waren dus in groot gevaar en het waren hun koppen, waarop de aanvallers het nu gemunt hadden. Op dat gezicht begaf Harimaoung Boekit zich met zijn Poenans in alle stilte te water en toen zij den oever bereikt hadden, gaven de Europeanen nogmaals vuur, waardoor de vijanden, die het hoogst geklommen waren, doodelijk getroffen, naar beneden tuimelden en de achter hen volgenden in hun val medesleepten. Van de daardoor ontstane verwarring, maakten de Poenans meesterlijk gebruik, om zich met een luid gehuil onder de ontstelde vijanden te werpen en daar de mandauws hun bloedig werk te laten verrichten. Rauwe kreten van vertwijfeling, van angst, van woede, van teleurstelling deden zich gedurende dat kortstondige gevecht met het blanke wapen hooren. Na een zeer korte wijl verschenen gillend en tierend de Poenans weder en hield ieder hunner minstens een bloedigen menschenkop in de hand; er waren er bij die er twee droegen. Een gejuich, dat uit de borst van alle Dajaks, zoowel mannen als vrouwen opsteeg, ontving de overwinnaars. Maar voor dat men hen nog naar eisch had kunnen verwelkomen, lieten zich andermaal alarmkreten hooren en werd door de schildwachten aangeduid, dat thans het gevaar van de rivierzijde dreigde. En inderdaad vertoonden zich bovenstrooms op de soengei een viertal rangkans, zwaar bemand, die pijlsnel voortschoten met het oogmerk, om de vaartuigen onzer reizigers te enteren. Maar weldra klonk ook hun een goed onderhouden geweervuur tegen, eerst door de Dajaks begonnen, en toen dat niet afdoend bleek, om de aanvallers te doen deinzen, door de Europeanen gevoed, waarbij de repeteergeweren van de Zwitsers andermaal wonderen verrichtten. Met al hun moed vermochten de Doessonners door zoo’n kogelregen niet te dringen. Al spoedig telden zij een groot aantal dooden en gekwetsten en waren zij daardoor tot den terugtocht genoodzaakt. Toen zij hun achterwaartsche beweging begonnen, die tegen den zwaren stroom in niet spoedig ging, verzamelde Johannes de geweerdragende Dajaks en liet hen salvo’s geven. Dat waren nu wel geen salvo’s van geregelde troepen; zij vergrootten evenwel de vrees der vluchtenden en bespoedigden hun aftocht. De drie andere Europeanen kozen meer kalm hun doelwit, schoten bedaard en zonder overijling en veroorzaakten daardoor bij hun bedrevenheid als schutter dood en verderf in de vijandelijke vaartuigen. Het was voornamelijk de achterste rangkan, die van hun kogels het meeste te lijden had. Schot op schot, dat dreunde, kwetste of doodde een roeier. Eindelijk waren er niet meer genoeg, om den stroom te kunnen breken. Een oogenblik bleef de rangkan onder de wanhopige pogingen der overblijvenden op dezelfde plek, zonder voor- of achteruit te kunnen; maar daar werd andermaal een roeier geveld; toen begon het vaartuig te deinzen, eerst langzaam, totdat weer een stervende hand de pagaai liet ontglippen. Toen sprongen de ongedeerd gebleven Doessonners te water, om zich door de vlucht te redden en kwam de rangkan, met al de snelheid afdrijven, die de stroomdraad er aan verleenen kon. Op dat gezicht waren de Poenans niet te weerhouden; in een oogwenk waren zij te water en hadden zij het vaartuig geënterd. In minder tijd dan verteld kan worden, waren al de gekwetsten en dooden, die daarin lagen, onthoofd. De lijken werden in het water geworpen en de rangkan al zwemmende naar den wal gestuurd, van waar hij langs het struikgewas voortgetrokken, als buit bij de flotille gebracht werd.
Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten, zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven, dat zij „helden met beo’s [134] harten waren.”
De nacht ging verder ongestoord voorbij. Toen de dag aanbrak, stapte de helft der Dajaks en al de Poenans aan wal, onthoofdden de vijanden, gesneuveld of gewond bij de verhakking en wierpen de lijken in de rivier. Het aantal buit gemaakte schedels klom nu tot negen en dertig. Bij een verkenning, op beide oevers der soengei ondernomen, kwam men tot de gevolgtrekking, dat de bende, waarvan men daags te voren de sporen ontdekt had, op haar beurt het reisgezelschap bespeurd en bespied en eindelijk een gekombineerden aanval te land en te water beraamd had, die, wanneer hij gelijktijdig ondernomen ware, het grootste gevaar had kunnen opleveren.
Het was nu zaak om goed uit te kijken. Men was in aanraking geweest met den vijand en hoewel geen verliezen geleden waren, leerde de opgedane ondervinding, dat de vijand, waarmee men te doen had, stoutmoedig en ondernemend was. Johannes bepaalde nu, dat de rangkan, waarin hij met zijn makkers gezeten was, de spits zoude uitmaken; dat zij geen deel meer zouden nemen aan het roeien, maar dat zij met Amai Kotong en Dalim scherp zouden uitzien, om met hun wisse schoten onmiddellijk waar het noodig was krachtdadig te kunnen optreden. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zou de achterwacht vormen, terwijl bij hem nog eenige geweerdragenden werden ingedeeld, om desnoods alarm- of seinschoten te kunnen doen.
Dat men niet te veel voorzorgsmaatregelen kon treffen, zoude ras ondervonden worden.
Het kon ongeveer 9 uur in den morgen zijn; men had ijverig doorgeroeid en tot nu toe niets van vijanden op de oevers bespeurd, toen Dalim eensklaps een lichten kreet uitstiet en den Europeanen een man wees, die bijna geheel gedekt door een’ boomstam, met zijn mandauw bezig was een paar rottantouwen door te hakken.
„Parabah!” riep Dalim met ontzetting.
„Pambeseai goeloengoeloeng!” (hard roeien) beval Amai Kotong, terwijl hij de achteraankomende rangkans waarschuwde.
De man aan den wal had reeds een touw doorgekapt; hij keek aandachtig naar de rangkans en toen hij die genoegzaam genaderd zag, verhief hij den arm, om den tweeden rottan door te slaan. Maar daarbij moest hij zich bloot geven; de borst werd een ondeelbare poos zichtbaar en dat was voor de beide Zwitsers meer dan voldoende, om hun nimmer falende kogels af te zenden. Bijna op dezelfde plek door de beide projectielen getroffen, volvoerde de Doessonner een luchtsprong, terwijl hij zijn wanhopig gezicht ten hemel verhief, en dood nederstortte. Een makker sprong van achter een boom te voorschijn om het voorgenomen werk te verrichten; maar voor dat die twee schreden gedaan had, weerklonken andermaal twee geweerschoten en viel ook deze, in voorhoofd en in borst getroffen, dood neder. Een derde onderging het zelfde lot. Een vierde bewoog zich, als een slang schuifelende, langs den grond; die was niet door de scherpschutters te ontwaren. Daar bereikte hij het touw, dat met een dubbelen slag om een boomstam gewonden was ongeveer op vijf voeten boven den grond. Om dat te bereiken, moest hij zich op de knieën oprichten. Dat deed hij en greep daarbij het touw met de linkerhand, die toen alleen voor de schutters zichtbaar werd. In die houding verhief hij de rechterhand, om den houw op den sterk gespannen rottan toe te brengen, toen andermaal twee schoten weerklonken, die hem de linkervuist verbrijzelden, maar tevens het noodlottig gevolg hadden het touw door te snijden.
„Goeloengoeloeng! pambeseai goeloengoeloeng!!” gilden Amai Kotong en Dalim.
De rangkans schoten vooruit, terwijl zij het schuim onder hun stevens deden opstuiven. Voor een oogenblik zag men de kruin van een der woudreuzen, een ontzaglijken boom, die zich op den oever der soengei verhief, als beschonken heen en weer waggelen; de rechte stam boog, hernam den rechten stand weer, neigde andermaal, om zich weer terug te buigen en viel toen, eerst langzaam en weifelend, vervolgens allengs versnellend, krakend en met donderend geweld ter neder en overdekte met zijn takken en loof de rivier, die onder dien val wild en woest opspatte en zich als een fijne stofregen van schuim in de lucht verdeelde en de plek als in een nevel hulde. Gelukkig waren de rangkans, toen de boom viel, de gevaarvolle plaats voorbij; alleen de laatste vaartuigen dreigden om te slaan en te zinken door het woeste geweld van het opgezweepte water. Een paar seconden vertraging in de vaart der rangkans of vervroeging in den val des booms, dan ware de flotille vernietigd geweest en niemand der opvarenden ware ontkomen.
Van de vaartuigen had men het kunststuk van schuttersbedrevenheid der Zwitsers kunnen zien. Met benepen harten, had men het verloop, dat in weinige seconden plaats moest hebben, gadegeslagen. Men moest daar ter plaatse voorbij, en wel zoo spoedig mogelijk, dat begreep iedereen. Ware toch de boom vóór in stede van achter de vaartuigen nedergestort, dan zou men een groot oponthoud gehad hebben; want aan een opruiming van dien woudreus, die daar nu in de soengei lag en haar volkomen afsloot, zou niet te denken geweest zijn. Men zou niets anders hebben kunnen doen, dan de rangkans te ontladen en haar dan zoo over den slagboom heenwerken. Dat ware een arbeid geweest van minstens twee dagen, ongerekend nog de ongevallen, die uit de nabijheid des vijands konden geboren worden. Dankbaarheid was dan ook in ieders oog te lezen voor die mannen, die zoo ter rechter tijd geholpen hadden. En het was met een soort van ontzag, dat evenwel gevoelens van genegenheid niet uitsloot, dat men voortaan opkeek naar hen, die met hun kogels zoo juist wisten te treffen.
„Mille noms de noms!” brulde La Cueille, „daar zijn we mooi door heen gekomen!”
„Dat mag je wel zeggen,” lachte Johannes vergenoegd. „Maar opgepast; jullie ziet nu waartoe die duivels in staat zijn. Dat is een van de gewone krijgslisten der Dajaks. Op de boorden der rivier, waarlangs zij de nadering van vijanden verwachten, worden groote boomen, de grootste en zwaarste bij voorkeur, zoodanig onder aan den voet ingekeept, dat, wanneer de rottantouwen, die de kruinen steunen, doorgekapt worden, de woudreuzen in het vaarwater storten moeten. Een zestal mannen houden bij zoo’n boom de wacht. In den regel blijven zij verscholen en van het geheele toestel is gewoonlijk niets te ontwaren. Eenmaal de touwen doorgekapt, maken zich de wachthebbenden uit de voeten, om op een afstand de gevolgen gade te slaan.”
„Ik hoorde Dalim „parabah” schreeuwen bij het begin van die pret. Begreept ge dat woord?” vroeg Schlickeisen.
„Dat is de benaming van de krijgslist van het boomen laten vallen.”
„Het is mooi uitgedacht, dat moet erkend worden,” sprak La Cueille. „Als je zoo’n boom op je bol of op je lendenen krijgt, dan ben je zoo plat als een velletje postpapier. We zullen bliksems goed onze oogen den kost moeten geven.”
„Ja, wel zeker, dat zullen we moeten,” antwoordde Johannes. „Maar ik heb besloten, om voortaan op iederen oever der rivier een twaalftal mannen te laten marcheeren, die de vaartuigen een vijftig passen vooruit blijven en, hoewel met elkaar in verband blijvende, het geboomte doorzoeken moeten, om zoodoende dergelijke vallen onschadelijk te maken.”
„Maar, hoe wil je die vallen onschadelijk maken?”
„Wel, wanneer menschen ontdekt worden, verjaagt men die of schiet ze dood. Men zoekt dan de ingekeepte boomen op, die met hun verwondingen niet moeielijk te ontwaren zijn aan de landzijde. Men houdt dan de wacht bij den val tot al de rangkans voorbijgetrokken zijn, waarna de rottantouwen doorgehakt worden en de boom omvalt. Dat zal het voordeel hebben onze rugzijde te dekken zoowel tegen de Doessonners, die langs de soengei versterking uit hun negorij kunnen krijgen, als tegen een vervolging van den kant der Hollanders, wanneer die ons op ’t spoor mochten zijn. Tegen dien maatregel is geen ernstige bedenking te maken. In den regel zijn het slechts weinige mannen, die zoo’n parabah bewaken, en die zullen wel spoedig met geweervuur te verdrijven zijn.”
Met spoed, maar toch zoo behoedzaam mogelijk, werd verder getrokken. Een tweetal boomen, die op het vallen stonden, werden nog ontdekt. Maar, zooals Johannes voorzien had, waren een paar schoten voldoende, om de bewakers te verjagen, en al ras was een driedubbele verhakking in de soengei daargesteld, die den toegang van de benedenlanden afsloot.
Zoo werd voortgerukt. Het was twee uur in den namiddag ongeveer, toen men kotta Hamiak in het gezicht kreeg; maar wat daar ontwaard werd, was alles behalve opbeurend. Men was daar verwoed aan het vechten. Boven de toppen der palissadeering, die hier, evenals elders in de Dajaklanden, van afstand tot afstand met gebleekte schedels prijkte, zag men de verdedigers der kotta in uitdagende houding verschijnen en alles, wat hen onder handen kwam, werpen naar het hoofd der aanvallers, die op een paar punten de ompaling trachtten te beklimmen. Op een kleinen afstand zag men twee kanonstukjes, achter een kunstmatig heuveltje van rijshout, die van tijd tot tijd hun kogels op de kotta afzonden. Veel uitwerking van dat vuren was niet te ontwaren, hoewel de aankomenden het volle gezicht op het geteisterde gedeelte hadden; de zware ijzerhouten boomstammen, die de borstwering der kotta uitmaakten, schenen met de kogeltjes te spotten. Het bleek dan ook al ras, dat dat kanonvuur niet zoo zeer tot doel had bres te schieten, dan wel om de bezetting vrees aan te jagen en van dat gedeelte der borstwering te verdrijven. Inderdaad op het midden dier face hadden de Doessonners een hoop droge takkebossen te zaam gebracht, die tegen de palissadeering opgestapeld en toen in brand gestoken. Het scheen dat dit vuur al eenigen tijd gebrand had, hoewel van een beschadiging van de omheining, die gevaarlijk kon worden voor de belegerden, niet veel te bespeuren was.
Onze reizigers waren tot nu toe onder de taluds van de diep ingesneden soengei ongemerkt gebleven en bespiedden den vijand van achter dichte struiken, die langs den oever groeiden. Nadat Johannes den toestand een oogenblik gadegeslagen had, wenkte hij Harimaoung Boekit tot zich, wees hem in de verte een boschje van dicht struikgewas, dat de positie van het gros der aanvallers vrij dicht in den rug naderde en fluisterde hem iets in het oor. Grinnekend verzamelde het Poenanhoofd zijn makkers, stapte met hen aan wal en verdween achter het loof, dat de boorden der soengei voor het oog verborg. Toen Johannes hen niet meer zag, verzamelde hij zijn lotgenooten, voegde daaraan nog een dertig geweerdragende Dajaks, waaronder ook Dalim, toe, drukte de achterblijvenden onder aanvoering van Amai Kotong goed op het hart de vrouwen en kinderen te bewaken en te beschermen, en trok daarop recht op den hoofdgroep der Doessonners los. Tot nu toe waren de bewegingen onzer reizigers voor dezen verborgen gebleven. Hun strijd met de Siratters had hun geheele opmerkzaamheid tot zich getrokken; ook een zekere zorgeloosheid den inlanders zoo eigen, had hen doen nalaten een waakzaam oog op de soengei te houden. Toen Johannes nu plotseling met zijn troepje uit het struikgewas te voorschijn trad, was de verbazing groot. Zij duurde evenwel kort, want aangemoedigd door het geringe aantal van de naderenden, stoof hun het grootste gedeelte der Doessonsche strijders met een luid lēēēē lēlēlēlē ouiiit! en de mandauws zwaaiende te gemoet. Zij dachten met hun verpletterende overmacht een gemakkelijke overwinning te behalen op dat troepje hetwelk nog geen vijfendertig man sterk bleek te zijn. Het uitzicht, om zonder veel inspanning die schedels te kunnen buit maken, lachte de helden uitermate toe. Met iedere seconde verminderde de afstand tusschen beide partijen. Johannes wist een voorbeeldelooze tucht onder de zijnen te bewaren. Geen stem verhief zich, geen geluid werd van hun zijde vernomen; het scheelde waarachtig weinig of dat troepje marcheerde in den pas als een sectie afgedrilde rekruten en trok rustig en kalm vooruit. De Doessonners daarentegen naderden gillend en tierend, hortend en stootend, met sprongen of in den looppas. Daar stond eensklaps het troepje van Johannes stil en scheen als aan den grond genageld. Lēēēēh lēlēlēlēlē ouiiiit! brulden de Doessonners en stormden vooruit, in de meening dat hun tegenstanders de schrik om het hart sloeg. De geweren vielen nu evenwel in den aanslag en een flink uitgevoerd salvo temperde den aanloop aanmerkelijk. Vier der aanvallers lagen op den grond te kermen. Voordat de Doessonsche helden van hun verbazing bekomen waren, hadden de Kapoeassers weer geladen en zonden andermaal hun lood in den dichten drom. Ditmaal vielen zeven vijanden. De Europeanen hadden zich tot nu toe van de deelneming aan het gevecht onthouden en spaarden hun vuur, om de eindbeslissing op het wichtige oogenblik te bevorderen. Nu zich evenwel een soort van razernij van den aanvallenden troep scheen meester gemaakt te hebben en de vijanden steeds voorwaarts stoven, openden ook zij hun vuur en verspilden hun munitiën niet. Ieder schot was raak en het aantal gevallen Doessonners werd al grooter en grooter. Vooral de repeteergeweren in de handen der Zwitsers verrichtten andermaal wonderen. Bij de totale windstilte, die heerschte, was het kleine troepje als in een rookcirkel gehuld, van waaruit bliksemstralen knetterden, die het als met een muur van lood omgaven. Toch rukten de aanvallers, niettegenstaande hun verliezen, al nader en nader. De lansen begonnen zich reeds met de bajonetten te kruisen; reeds hadden Johannes en La Cueille, die geen tijd meer hadden om hun trompladers te herladen, de revolverpistolen ter hand genomen. Vloeken en verwenschingen, angstgillen en zegekreten weerklonken allerwege. De Europeanen schoten hun laatste patronen, die in de geweerloopen zaten af, staken woedend de bajonetten in de naakte borstkassen, of grepen de geweren bij den loop, om de kolf als een knods te hanteeren en schedels te verbrijzelen of schouders te ontwrichten. De toestand werd allerhachelijkst. Reeds waren eenige Dajaks onder de slagen der aanvallers gevallen; Schlickeisen had een flinken houw over den linkerarm gekregen, die hem buiten gevecht stelde. Gelukkig dat La Cueille den tweeden houw met zijn geweer pareerde, den Doessonner de bajonet in den buik stak en nog tijd had zijn revolver uit den gordel te rukken, om een tweeden, die toeschoot, à bout portant te vellen.
Maar daar kwam eensklaps verademing. Harimaoung Boekit verscheen met zijn Poenans in den rug der Doessonners, en wierp zich onverschrokken met den mandauw in de vuist in hun gelederen. Ontzettend was de kamp, die zich nu ontspon. De Doessonners dachten er niet aan zich gewonnen te geven, maar stelden zich wanhopig te weer. Johannes evenwel, van het oogenblik van verademing gebruik makende, verzamelde zijn troepje, deed snel herladen en liet nu salvo op salvo geven. Van een andere zijde deden de verdedigers van kotta Hamiak, na hun brandende palissadeering gebluscht te hebben, een uitval, tastten de legerplaats der Doessonners aan, staken die in brand en vermeesterden de twee kanonstukjes, die hen zoo beangstigd hadden. Toen de vlammen achter hen hoog opdwarrelden, toen de wanhoopskreten van allerwege weerklonken, toen dat geweervuur hen teisterde en bleef teisteren, toen begon de moed der Doessonners te zinken. Nog een salvo, dat Johannes in hun gelederen zond, en waarbij een lange slungel viel, die als hoofd de anderen aanmoedigde, bracht de verwarring ten top en nu was er geen houden meer aan; de geheele bende sloeg op de vlucht. In minder tijd dan noodig is, om het te vertellen, was de geduchte schaar, die kotta Hamiak belegerd had, uit elkander gespat en hadden de strijders een toevlucht in de bosschen gezocht. Maar, daarmede was het gevecht niet ten einde. Een bende van de verdedigers der kotta stormde ook de bosschen in, om den vijand nog zooveel mogelijk schade toe te brengen, maar vooral om gevangenen te maken.
Toen de laatste Doessonners uit het gezicht verdwenen waren, vereenigden zich de strijders van ons reisgezelschap met de bewoners der kotta, terwijl ook de rangkans naderbij kwamen en vrouwen en kinderen aan wal stapten. Een ontzettend tooneel begon al ras. Zoowel de mannen der kotta, als de Dajaks der rangkans en de Poenans van Harimaoung Boekit hielden zich onledig met de gevallen vijanden dood of gewond te onthoofden. Een paar licht gekwetsten werden gespaard; hun zou een vreeselijker lot beschoren zijn. Toen de koppen verzameld waren, herhaalde zich het afzichtelijk tooneel van den vorigen nacht, maar nu op veel grooter schaal. Helaas! de wetten der menschelijkheid werden door die onwetenden en verwaarloosden wel verkracht.
Bij de opruiming der vijandelijke lijken, die eenvoudig in de soengei gesmeten werden, ontdekte men dat vijf Poenans en zes Dajaks van het reisgezelschap gesneuveld waren, terwijl ook de lijken van een drietal Sieratters gevonden werden. Maar wat de meeste droefheid veroorzaakte en al de bewoners der kotta in weeklachten deed uitbarsten, was dat ook Amai Mawong, hoofd van kotta Hamiak bij den uitval, dien hij aangevoerd had, omgekomen was. Hij was steeds een persoonlijke vijand van Tomonggong Soerapatti geweest, die jaren geleden hem een dochter ontstolen had en wien hij op zijn beurt een paar zijner meest geliefde vrouwen ontkaapt had. Krijgs- en sneltochten, invallen over en weer in elkanders gebied, waren daarvan het gevolg geweest en de nu plaats gehad hebbende aanranding van Soerapatti had geen ander uitgangspunt dan zijn haat tegen Amai Mawong, waarbij zich de zucht gepaard had om zich op de Kapoeassche en Kahajansche bevolking voor vroegere nederlagen te wreken.
Het lijk van het geliefde hoofd werd met veel misbaar binnen de kotta gedragen en daar ten toon gesteld tot dat de begrafenis zoude plaats hebben. De Poenans en de Dajaks van kotta Djankang maakten alle toebereidselen, om de lijken hunner makkers den volgenden morgen te verbranden. Dat is een gewoonte bij sommige stammen, wanneer geen tijd genoegzaam voorhanden is, om de begrafenisplechtigheden te kunnen volvoeren. Men sprak de hoop uit, dat de uitgetrokken Hamiakkers een flink aantal gevangenen zouden maken. Men sloot de gevangen genomen Doessonners in karandahs op en men haalde bij voorbaat nog meerdere kooien te voorschijn, om de verwachte slachtoffers te bergen. De nacht was reeds ingevallen, toen de menschenjagers te huis kwamen. Het was hun gelukt een troep Doessonners te overvallen, die, uitgeput van de vermoeienissen, dien dag ondervonden, neergevallen waren, toen zij zich in veiligheid waanden en in diepen slaap gedompeld lagen. Voor zij zich te weer stellen konden, waren hun handen en voeten gebonden; zij, die zich te woest aanstelden, ontvingen een zwaren slag op den schedel, die hen bewusteloos deed neerzinken. Mededoogen werd niet gekend. Zoo werden acht menschelijke wezens aangebracht, die onmiddellijk in de boeien in zekerheid gebracht werden. De volgende zon zoude hun vreeselijk uiteinde te aanschouwen geven.
Wienersdorf verbond den arm van zijn gekwetsten makker op het liefderijkst. De wond was wel groot en had nog al bloedverlies veroorzaakt, maar de houw was meer in een schuine richting aangebracht en was niet diep doorgedrongen, zoodat weinig gevaar bestond. Een papje van de fijngewreven bladeren van den boentoek kakoembang werd op de wond gelegd, om de ontsteking te weren. Johannes regelde nu den zekerheidsdienst voor den nacht, die trouwens zoo heel zwaar niet behoefde te zijn, daar een terugkeer van den vluchtenden vijand wel niet verwacht kon worden, waarna allen zich te rusten legden. Alleen Wienersdorf en La Cueille gingen hun dulcinea’s nog eens opzoeken, om heel galant te vernemen, of de ontsteltenis, dien dag ondervonden, eenigszins bedaard was. Och, zulke tooneelen waren haar niet vreemd; de deernen waren vrij opgeruimd en verheugden zich van ganscher harte, dat die gevaren al weer achter den rug waren. Al spoedig zaten de gelieven bij elkander in een druk gesprek gewikkeld en uitten de beide Europeanen, volgens de inspraken van hun hart en de mate hunner ontwikkeling, ruw en ongekunsteld of gevoelvol en beschaafd, maar beiden onverholen, de hoop om toch spoedig zoo’n land van verschrikkingen te kunnen verlaten.
De beide verliefde paren zaten met nog eenige jonge dames in het vertrek, alwaar de meisjes gastvrijheid gevonden hadden. Hamadoe en Wienersdorf zaten innig met elkander te keuvelen en weldra was hun omgeving, ja het geheele heelal voor hun liefdevolle blikken, die elkaar slechts zochten, verdwenen. Het gesprek tusschen Moendoet en La Cueille vlotte zoo niet. Hij had dien dag vele inspanningen doorgestaan, misschien had hij ook wel hier of daar een teugje toeak weten machtig te worden. Hoe het ook zij, hij voelde zich wezenlijk vermoeid en uitgeput. Na een poos met zijn schoone gepraat te hebben, werd hij al loomer en loomer, hij strekte de ledematen gemakkelijk uit op het matje, waarop hij, naast het meisje gehurkt, gezeten had, liet het hoofd op haar schoot rusten en geraakte in dien verdoofden toestand, niet zelden in de keerkringslanden, die geen slapen en geen waken is, waarin het lichaam rust, maar waarbij de geest nog ten halve werkzaam blijft. Liefdevol zat het meisje hem aan te staren, haar blik bleef op hem geboeid. Zij hield zich stil, om zijn rust niet te storen. Bij een beweging, die de slaapdronkene maakte, en waarbij hij met de hand door de haren woelde, streek zij hem de lokken uit het aangezicht en bracht die met zachte hand op hun plaats. Zij begon er een soort van genoegen in te vinden, de vingers door die zijdeachtige haren te laten gaan, zoo verschillend met de harde haren van haar zelve en van haar stamgenooten. Zacht streelde zij dat hoofd; maar plotseling begonnen haar vingers meer bedrijvigheid te toonen. Zij boog voorover en fluisterde tot een harer vriendinnen:
„Panggoeti.”
Dat woord laat zich zoo gemakkelijk niet vertalen. „Pang” is een voorzetsel dat „veel” beteekent en „goeti”; wel.... dat is de „pediculus capitis” der latijnen.
De vriendin schoof naderbij en beide meisjes waren weldra bezig een vreemdsoortige jacht op het hoofd van den Waal te houden. De vingers woelden tusschen de lokken en vervolgden het wild op de haarhuid. Iedere pediculus, die zich liet verrassen, lokte een waas van vergenoegen op het gelaat der schoonen. Het diertje werd op de hand gezet, bewonderd, weer tusschen den duim en voorsten vinger gegrepen en tusschen de lippen van de vriendin gebracht, die het insect tusschen de tanden deed knappen en zich zoo het verhemelte streelde. Die vriendschapsbewijzen geschiedden over en weer en gingen met de gebruikelijke kwinkslagen gepaard. Eindelijk door dat gewiemel op zijn hoofd uit zijn verdooving geraakt, opende de Waal de oogen en zag zich niet onaardig geëncadreerd door de beide lieftallige wezens. Hij glimlachte en trok Moendoet naar zich toe, om haar een kus te ontrooven; maar op dat oogenblik scheen de jacht juist buitengewoon voorspoedig te zijn. Beide meisjes haalden de hand bedachtzaam uit zijn hoofdhaar terug en brachten die te gelijkertijd aan zijn mond. De Waal, onbekend met wat er omging, opende lachend de lippen en ontving de levende lekkernij op de tong. Toen hij haar gekrieuwel gevoelde, keek hij de meisjes een poos aan, die zijn blik met een argloozen oogopslag beantwoordden. Lang niet gerustgesteld, spoog hij op zijn hand, bekeek wat hij in den mond had gehad en barstte in een wilden vloek uit:
„Des poux! des poux! sacré saloppes! des poux dans ma bouche!”
En meteen gaf hij ieder der meisjes een oorvijg, die klonk als een klok. De deernen begonnen zoo te gillen en te schreeuwen, dat een gedeelte der bewoners van de kotta, in hun nachtrust gestoord, kwam kijken wat er toch gaande was. Er ontstond toen een leven als een oordeel. De meisjes beweerden huilende en snikkende, dat zij den vrijer een beleefdheid hadden bewezen, door hem een lekkernij aan te bieden; de Waal vloekte en raasde, omdat men hem, volgens zijn beweren, onreine dingen in den mond gestopt had. De twist liep al hooger en hooger, tot dat Johannes en Dalim aankwamen en zich lieten inlichten. Nu was de zaak spoedig opgehelderd. Moendoet werd aan het verstand gebracht, dat haar vrijer nog te nieuwbakken Dajak was en dat hij nog maar niet kon vergeten, dat hij Arabier was, en uit een land kwam, waar zulke gerechten niet op prijs worden gesteld. De Waal vernam, dat de versnapering, die hem aangeboden was, een wezenlijke attentie geweest was, die hij met een lompheid beantwoord had.
„Ik laat me villen,” mompelde hij, terwijl hij zich nogmaals den mond afveegde, „als ik haar nog een zoen geef.”
„En toch zult ge daartoe moeten overgaan,” was het kalme wederwoord van Johannes, „want je hebt een bewijs van toegenegenheid met een onbetamelijkheid beantwoord; daar valt niets aan te doen, die moet je herstellen.”
En Moendoet bij een hand grijpende, bracht hij het mokkende meisje bij den Waal, die het lieve gezichtje toch al met een soort van spijt en verlangen aanschouwde. Johannes gaf haar een kleinen duw, zoodat zij in La Cueille’s geopende armen terecht kwam. Hij kon haar toch niet op den grond laten vallen. De lippen zochten elkander, een hartelijke zoen weerklonk en de vrede was gesloten. De Waal benutte een oogenblik, dat hij meende ongezien te zijn, om zich nogmaals den mond af te vegen.
XXVIII
Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s.”—„Ramon petak kinan.”—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist.
Den volgenden morgen waren alle kottabewoners, ook de Poenans en Kapoeassers in de weer, om de verdere toebereidselen te treffen en de gesneuvelde makkers, die niet tot de bezetting van kotta Hamiak behoorden, te verbranden. Op het binnenplein der versterking werd een „sanggarang” opgericht, een fraai besneden mast, die zich ongeveer tien M. boven den grond verhief. Op den top van dien mast was een houten vogel met uitgespreide vleugels bevestigd, en onmiddellijk daaronder een aarden pot, waaruit de bodem geslagen was. Onder dien pot was een dwarslat aangebracht, die aan weerszijden van den sanggarang een paar d.M. uitstak en waarover heen elf lansen waaiervormig waren vastgemaakt, even veel als er lijken waren, Amai Mawong en de gevallen Siratters niet meegerekend, voor wie de lijkplechtigheden later zouden plaats hebben. De Dajak gelooft dat de zielen van den sanggarang, van den vogel, den pot en de lansen allen in de lewoe liau (het zielenverblijf) in een menigte kostbaarheden ten dienste der overledenen veranderd worden.
Omdat de betreurden door ’s vijands handen gevallen waren, werd naast den sanggarang een „pantar solangan” opgericht, een driekant bekapte mast, die vijftien M. boven den grond uitstak, waarop een schedel van een der gevallen vijanden geplaatst was. Op ieder der drie vlakken van den mast waren zeven schuinsche inkepingen aangebracht, waarin dunne dwarsstokjes gebonden waren, die ook een paar d.M. uitstaken en waaraan bevallig gekrulde bladeren van den palasboom (een palmsoort) als versierselen waren gehangen.
Vlak voor de masten werd een rij sapoendoe’s geplant, die noodlottige palen, waaraan de krijgsgevangenen gebonden moesten worden. En voor het midden dier rij sapoendoe’s werd een aardhoop opgeworpen, die een M. hoog, twee breed en vier lang was. Toen die goed aangestampt was, werd daarop de „pamahei” (brandstapel) opgericht, zijnde dit een regelmatige kubus, die van droog brandhout tot twee M. boven het grondvlak van den aardhoop opgetrokken werd. Op het grondvlak zelf en ook nog op andere plaatsen in de zijwanden, werden mandjes, met hars gevuld, tusschen het hout ingewerkt, om het vuur krachtig te voeden.
Toen men daarmede gereed was, verzamelden zich alle aanwezigen in de kotta om den brandstapel en nu werden de lijken der gesneuvelden in hun vollen oorlogstooi daarop gerangschikt. Het hars, in de onderste houtlagen ingewerkt, werd nu op alle zijden van den pamahei in brand gestoken en weldra verhieven zich dikke rookwolken, waartusschen vurige vlammenspitsen lekten. De krijgsgevangenen werden nu uit hun kooien gehaald en aan de sapoendoe’s gebonden. Die menschen zagen er ellendig uit, hun haren hingen hun verward langs de schouders, bij de meesten hing de ewah, het eenige kleedingstuk, dat zij om het lijf hadden, aan flarden om de lendenen. Overigens was hun voorkomen kalm en rustig. Niet uitdagend, maar ook volstrekt niet terneergeslagen. Zoodra zij allen vastgebonden waren, begonnen de Balians hun gezangen en was dat het teeken, om de afzichtelijke plechtigheid te beginnen.
Eenige mannen schaarden zich om den brandstapel en bliezen vergiftigde pijltjes in den opdwarrelenden rook, om de booze geesten te verdrijven. Maar het gros sloeg een grooten kring om de arme slachtoffers. In de hooge boomen rondom zaten een troep antangs, hongerige gieren, die wisten wat ging gebeuren.
Daar trad Amai Kotong vooruit; hij hief zijn lans op en bracht den eersten krijgsgevangene, die gedood zoude worden, een lichte wond in den schouder toe. Op hem volgde Harimaoung Boekit, daarop de Poenans, de Kapoeassers en de Siratters door elkander. Ieder bracht op zijn beurt een steek toe en maakte plaats voor zijn opvolger. Zoodra allen hun beurt gehad hadden, trad de eerste weer voor. Zoo duurde dat lijden meer dan een half uur; want slechts lichte verwondingen werden toegebracht. Het bloed stroomde en vormde op den grond beekjes en plasjes. Van tijd tot tijd daalde een der gieren van zijn verheven standpunt naar beneden, greep met bek en klauw een gelei van geronnen bloed en hernam zijn plaats in den boom, om zich daar naar hartelust te goed te doen. O! de pijn, het lijden had tot nu toe geen smartkreet aan den gemartelde kunnen ontlokken, maar op dat gezicht steeg de angst van den ongelukkige ten top. Zoo voor oogen te hebben, wat het lot van zijn lijk na den dood zal wezen, was een foltering zoo ontzettend wreed en onmenschelijk, dat het alleen in een duivelenbrein kon opkomen, een krijgsgevangene daaraan te onderwerpen. Machteloos daar aan dien paal gebonden te zijn; niets te kunnen doen, om tegen den onverbiddelijken dood te kampen; toch nog, niettegenstaande alle ondergane ellende en beproeving, niettegenstaande de ondervonden marteling, aan het leven gehecht blijven; maar bij elken lanssteek, bij elken luwen luchtstroom, door de vlucht der nederstrijkende antangs veroorzaakt, die hij gulzig zijn bloed ziet verzwelgen, herinnerd te worden aan het onvermijdelijke, dat was de toestand van den rampzalige, die, hoewel zijn aangezicht slechts angst en vertwijfeling verkondigde, toch geen geluid gaf, dat het hart zijner beulen zou hebben kunnen streelen.
Doch, eindelijk was de marteling ten einde; de ongelukkige zakte in elkander, bezweken aan bloedverlies. De menschelijke aanvallers lieten nu eerst af en begaven zich naar het volgende slachtoffer, wiens marteling nu begon. Het nog lauwe lijk hing letterlijk in zijn banden aan den noodlottigen paal en verstijfde zoo in die houding. Nu streken de antangs er op neer en begon een maaltijd, die alleen in afgrijselijkheid op zijde gestreefd wordt, wanneer menschen zich aan het vleesch hunner natuurgenooten vergasten. Een der oudste gieren, „de roode ngabi” zooals de Dajaks hem noemden, had van zijn privilege gebruik gemaakt en de oogen voor zijn buit uitgekozen. Met krachtigen klauw en scherpgehaakten snavel scheurde hij die uit en vloog daarmede in een naastbijzijnden boom. In een oogwenk was het lichaam onherkenbaar, het vertoonde slechts een afzichtelijke bloederige massa, waarin bek en klauw wroetten, totdat eenige Dajaks toesnelden, de roofvogels verdreven, het lijk van zijn banden ontdeden, het onthoofdden en op den brandstapel plaatsten, om het met de lijken zijner vijanden te verbranden.
Zoo werden dien dag, onder dezelfde martelingen, onder dezelfde ontzettende omstandigheden nog tien menschelijke wezens ter dood gebracht.
De vier Europeanen hadden zich aan dat schouwspel, zoo veel hun mogelijk was, onttrokken. Eerst hadden zij een toevlucht in een hoekje van het binnenplein gezocht, waar zij voor het vreeselijk gezicht gedekt zaten, maar waar de wind hun den schrikkelijken rook van den brandstapel met zijn geuren van gesnerkt vleesch aanbracht. Toen hadden zij aan de andere zijde van het plein onder een afdakje plaats genomen, alwaar zij niet geheel en al het afzichtelijk tooneel ontgaan konden, maar waar zij trachtten zich bezig te houden, met het in orde brengen niet alleen van hun eigene wapenen, maar ook van de geweren door de Dajaks gebruikt, die dat wel noodig hadden. Helaas! de wreedaardige handeling, die plaats had, konden zij niet verhinderen.
Johannes had met veel moeite van de hoofden verkregen, dat een der gekwetste Doessonners, die daags te voren binnengebracht en in een karandah opgesloten waren, het leven geschonken en aan hem Johannes als pandeling afgestaan werd. Het was een jongeling van ten naastebij twintig jaren, die bij een zachtmoedig uiterlijk er toch ferm en vastbesloten uitzag. Hij was slechts licht gewond door een houw over het achterhoofd, die, behalve in de schedelhuid, niet diep ingedrongen was. De hevige pijn had hem evenwel bewusteloos doen neerstorten en het was in dien toestand, dat hij krijgsgevangen gemaakt was. Toen hij tot bewustzijn wederkeerde, was hij in een karandah opgesloten.
Aanvankelijk, nadat hij uit de kooi gehaald was, toonde hij zich schuw en schichtig, een jonge tijgerkat gelijk. Hij kon niet begrijpen, dat iemand belang in zijn lot kon stellen, dat iemand alleen uit medeleden hem het leven wenschte te redden. Maar, toen die vier mannen, die zich daar zoo afgezonderd hielden, hem vriendelijk toespraken, alles aanwendden, om hem aan het verstand te brengen, dat hij van hen niets te vreezen had; toen hij ondervond dat zij liefderijk en zacht zijn wond betten en verbonden, hun voedsel met hem deelden; toen ontdooide de ijskorst, die dat jeugdige gemoed omgaf, werd hij spraakzaam, ja mededeelzaam, en eindigde met de vragen, die Johannes hem deed, openhartig te beantwoorden.
Voorzeker, om een menschenleven te redden, had deze zich het lot van dien jongeling aangetrokken; maar vooral ook om bekend te worden met den aard en de bedoeling van den krijgstocht van Tomonggong Soerapatti. Na de genegenheid van den gevangene gewonnen te hebben, vernam hij al ras, dat Soerapatti met ongeveer 1200 man uit soengei Lahej opgerukt was, met het doel, om in de eerste plaats zich op Amai Mawong te wreken en vervolgens om de Kapoeas- en Kahajanstreken te vuur en te zwaard af te loopen. Hij had een macht van ongeveer 200 strijders voor kotta Hamiak, onder aanvoering van zijn zoon Goesti Kornel achtergelaten, met opdracht, die sterkte te verwoesten en hem het hoofd zijns vijands te brengen. Met het andere gedeelte was hij voortgetrokken naar Kahajan en was kotta Oepon-Batoe het eerste doel van dien tocht. Daar voerde Tomonggong Toendan bevel en ook deze werd tot de aartsvijanden van het Doessonsche hoofd gerekend. De gevangene verhaalde, dat bij dien hoofdtroep verscheidene strijders met geweren gewapend waren, ook dat die drie of vier kanonstukjes met zich voerden. Die vuurwapenen waren afkomstig van het „banama apoei hai,” het groote vuurschip, zooals de Doessonners de veroverde „Onrust” groothartig noemen. Het plan was om, langs de soengei Sirat voort te stevenen zoover men kon, tot aan Njakatan [135]. Daar zou de weg landwaarts ingeslagen worden; men zou de rangkans over de heuvelkling slepen, die de waterscheiding uitmaakt en slechts weinige honderd passen breed is, en haar in de soengei Danampat te water laten. Dat riviertje zoude afgevaren worden, om zoo in de soengei Miri te geraken. Deze laatste rivier zoude men bij nacht afvaren, om voorloopig met de bevolking daar geen verwikkelingen te hebben; want Soerapatti haakte er naar, de kotta van Tomonggong Toendan zoo spoedig mogelijk te bemachtigen.
Dat waren allen belangrijke mededeelingen, die niet verwaarloosd mochten worden. De betoonde mededoogendheid zoude woekerwinsten afwerpen. Toen de avond gevallen was en de meeste mannelijke bewoners der kotta bij elkander gezeten waren, om de koppen der geslachte krijgsgevangenen van hun vleeschdeelen te ontdoen, gordde Johannes den geredden Doessonner een mandauw om het middel, gaf hem een mandje op den rug, waarin voor verscheidene dagen leeftocht geborgen was, bracht hem buiten de versterking, wees hem naar het oosten, gaf hem een handdruk en liet hem vrij. Geen tweede maal liet de Doessonner dat gebaar herhalen; hij greep de hand zijns weldoeners, legde die op zijn hoofd, terwijl hij een oogenblik den nek boog; en trad toen zonder aarzelen of omkijken op het sombere woud toe, waarin hij als een spookgestalte verdween. Een poos tuurde Johannes hem achterna; toen hij hem evenwel onder de schaduwen van het bosch in veiligheid zag, keerde hij zich om, trad de versterking weer binnen en riep Amai Kotong, Harimaoung Boekit en den zoon van Amai Mawong tot zich, om hun het gehoorde mede te deelen en te beraadslagen wat er te doen stond. Die berichten vielen lang niet in den smaak; zij baarden zelfs eenige ontsteltenis. Want de weg, dien de Doessonners genomen hadden, was juist dezelfde, dien Harimaoung Boekit dacht te volgen. Nu moest het reisplan gewijzigd worden. De hoofden wenschten in persoon den Doessonner te ondervragen, wanneer Tomonggong Soerapatti den tocht naar soengei Miri aanvaard had; maar tot hun groote verontwaardiging was de vogel gevlogen.
„Djari gila olo tèh!” (dat mensch is dol) mompelde Harimaoung Boekit op Johannes wijzende.
Maar de bewoners van kotta Hamiak berichtten, dat het gevreesde Doessonsche opperhoofd eerst daags te voren den tocht naar soengei Miri ondernomen had.
„Er valt dus niet aan te denken, den weg te nemen, dien wij volgen wilden,” sprak Harimaoung Boekit. „Het lijdt geen twijfel, òf we zouden op de hoofdmacht onzer vijanden stuiten òf op een hunner zijtroepen, die door strooptochten in de levensmiddelen moeten voorzien. En om hen in het open veld aan te tasten, daartoe zijn we veel te zwak.”
„Hebt ge dan een anderen uitweg?” vroeg Johannes.
„Er blijven ons maar twee middelen over. Of hier te kotta Hamiak blijven....”
„Loopen we dan geen gevaar ingesloten te worden? Die Doessonners moeten weer naar hun land terug.”
„Er zijn zooveel verbindingswegen van de Kahajan naar de Kapoeas en Doesson. In gewone omstandigheden zoude het zelfs niet waarschijnlijk zijn, dat zij hier langs terugkeerden; maar de nederlaag der afdeeling, die zij hier achterlieten om kotta Hamiak te belegeren, zal daar wel wijziging in brengen. De zucht om weerwraak te nemen, zal Soerapatti herwaarts voeren, wanneer hij te Oepon Batoe geslaagd zal zijn.”
„Welnu, dan zal het geen zaak zijn hier te blijven,” uitte Johannes als zijn meening. „Er zal nu wel zoo’n groot gevaar niet zijn, dat de kotta genomen zal worden, daar ben ik niet bang voor, maar met de koppigheid en vasthoudendheid van Soerapatti zou het toch aanleiding tot een langdurig beleg geven. Gij zeidet, dat er twee middelen overbleven. Laat hooren het tweede.”
„Dat tweede middel,” antwoordde Harimaoung Boekit, „is, dat wij de Doessonners trachten vooruit te komen, niet om dadelijk de soengei Miri, maar om de Kahajan te bereiken.”
„Is dat mogelijk?”
„Met veel haast en veel inspanning ja. Ziet ge,” ging de Poenan voort, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte, „daar ligt soengei Miri; we moeten evenwel dáár heen gaan,” en te gelijker tijd wees zijn vinger in zuidwestelijke richting. „We zullen de soengei Sirat volgen tot waar zij soengei Mantarat opneemt, alsdan deze laatste opstevenen tot aan de kotta van denzelfden naam. Daar zullen we aan wal stappen, de rangkans op het droge halen en ze tot aan de soengei Minjangan sleepen. Wij laten ze daar te water, zakken die soengei af en komen dan in de Kahajan.”
„Mooi gezegd!” riep Johannes. „Maar eerstens, hoe lang is de afstand van de soengei Mantarat tot de soengei Minjangan?”
„Wanneer een mensch alleen reist en hij baadt in het eerstgenoemd riviertje, dan is zijn hoofdhaar nog niet droog, wanneer hij het tweede bereikt heeft.”
„Jawel, jawel,” lachte Johannes, „die tijdsberekening ken ik. Dat lange in een wrong opgebonden haar, daarenboven beschut door een hoofddoek, droogt niet gauw. Wij zullen maar stellen, dat die eenzame reiziger daartoe vijf of zes uren zal besteden. Hoe is het terrein tusschen de beide soengeis, dat wij door te trekken hebben?”
„Het gaat vrij steil omhoog, maar is toch niet zeer moeielijk. Ik heb dien afstand meermalen afgelegd. Eenmaal op den Boekit Riwoet [136] gekomen, dalen we zachtkens.”
„Toch zullen er wel twee dagen mede gemoeid zijn, niet waar, alvorens de rangkans de soengei Minjangan zullen bereikt hebben?”
„Ja, dat zeker; zeer waarschijnlijk is het zelfs, dat we twee nachten in het bosch zullen moeten doorbrengen.”
„Dat is minder. Maar hoe lang zal de reis op de soengei Minjangan duren?”
„Ongeveer een halven dag; dan zijn we op de Kahajan.”
„Maar dan? Hoe ver zijn we dan nog van Oepon Batoe?”
„Toembang Minjangan ligt op vier „djoeking’s” (hoeken, stroombuigingen) van kotta Oepon Batoe; ik reken dat we flink zullen moeten roeien, om dien afstand in één dag af te leggen.”
„Maar zullen we Oepon Batoe voor Tomonggong Soerapatti bereiken?”
„Dat is niet zeker. Als we haast maken, misschien wel.”
„Maar als we die sterkte reeds belegerd vinden?”
„Naughe!” (het kan mij niet schelen) was het luchthartige antwoord van den Poenan, „dan roep ik de stammen van de boven Kahajan te zamen. En dan zullen we zien, wie baas zal spelen.”
„Dan mag er geen uur verloren gaan,” was de uitspraak van Johannes. „Morgen ochtend met het krieken van den dag moeten we op weg zijn.”
De Poenans en de Kapoeassers waren al gewoon geraakt onder den invloed der Europeanen, om op hun tijd te passen. Toen het dan ook na een rustig doorgebrachten nacht, in het oosten begon te dagen, was reeds alles in rep en roer en staken de rangkans een halfuur later van wal. De bewoners van kotta Hamiak zagen de reizigers, die hun zoo bij tijds ter hulp waren gesneld, met leede oogen vertrekken.
De reis tot aan de monding der soengei Mantarat, die men tegen 10 uur des voormiddags bereikte, leverde niets merkwaardigs op. De rangkans stevenden dat riviertje op, hetwelk door zijne geringe diepte, groot verval en vele bochten nog al moeielijkheden opleverde, en bereikten zoo omstreeks 2 uur in den namiddag kotta Mantarat. Daar wist men van den vijand hoegenaamd niets af; als gewoonlijk was daar niemand ontwaard, geen reiziger was zelfs voorbijgetrokken, zoodat de tijdingen, die de reizigers van het beleg van het naburige kotta Hamiak medebrachten veel verwondering, maar ook veel ontsteltenis baarden. De bewoners besloten evenwel dadelijk alles tot een krachtige verdediging klaar te maken. Onwaarschijnlijk was het niet, dat zij een bezoek van een der stroopende benden zouden krijgen.
Dat het daar aan de soengei Mantarat zoo rustig bevonden werd, was wel een bewijs, dat de jeugdige Doessonner in zijn erkentelijkheid aan Johannes de waarheid verklaard had.
Onze reizigers hielden zich nu in de allereerste plaats bezig, om voor iederen rangkan, die medegenomen zoude worden, een zestal houten rollen te vervaardigen, met welker behulp het vervoer over de waterscheidende heuvels tusschen de Kapoeas en Kahajan niet al te bezwaarlijk zoude gaan. Toen men die rollen bij elkander had, werden de zes stevigste rangkans uitgezocht, gedeeltelijk ontladen, daarna op den wal getrokken en ieder op haar rollen geplaatst. Die vaartuigen werden nu weder geladen en daarin werd ook de inhoud der achterblijvende vaartuigen voor zooveel noodig geborgen. De reizigers beijverden zich vervolgens touwen van rottan of andere slingerplanten te vervaardigen, om tot trekwerktuigen gebezigd te worden. Van de rottankabels en kettings, uit soengei Basarang en Naning medegebracht, zoude geen gebruik gemaakt worden; die werden zorgvuldig bewaard, omdat op de Kahajan en ook op de soengei Miri nog verscheidene kihams te passeeren waren. De avond was al ver gevorderd, toen men met al die toebereidselen gereed kwam, zoodat dan ook een ieder vrij vermoeid onder de hoede van de bewakers der kotta ter ruste ging.
Den volgenden morgen werd met het aanbreken van den dag de moeitevolle reis hervat. De weerbare mannen bedroegen nog slechts 72, waaronder Schlickeisen die, hoewel zijn wond zich gunstig het aanzien, evenwel aan geen inspanning kon deel nemen. Het was al wel, dat hij zijn geweer droeg en dat hij de verzekering meende te kunnen geven, zijn wapen als het noodig zoude zijn, te kunnen behandelen. Johannes verdeelde het troepje nu in dier voege, dat tien mannen met geweren gewapend de voorhoede uitmaakten, dat daarachter de zes rangkans volgden, ieder door negen paar armen getrokken of gestuwd, waarachter de vrouwen en kinderen kwamen, die ten slotte door acht geweerdragenden beschermd werden.
Aanvankelijk trok de reizende kolonie vrij vlug vooruit. Zoolang het terrein zacht klimmend was, rolden de rangkans goed voort en was niet al te veel inspanning noodig, om hen in beweging te houden. Alleen de plaatsing der rollen onder de vaartuigen vereischte bij het voorttrekken eenige nauwkeurigheid, om tot geene vertraging aanleiding te geven. Maar langzamerhand werden de hellingen steiler, meer scherp en bij gevolg de moeielijkheden grooter. Met de hitte van den dag schenen ook de bezwaren toe te nemen en kwamen er oogenblikken voor, dat het geheele gezelschap bekaf naar den adem stond te snakken. Het pad voerde nu eens over kale heuveltoppen slechts met allang allang begroeid. Op die weggedeelten veroorzaakte het vervoer der rangkans niet bijzonder veel moeite; hoewel het toch een zwaar stuk werk moest heeten, die geladen vaartuigen door dat meterlange gras, waartusschen het pad nauwelijks zichtbaar was, tegen die heuveltoppen op te werken. Maar daar ter plaatse was de hitte onverdraaglijk, dáár blootgesteld aan de volle zonnestralen, was het of men zich tusschen dat groengrijze gras te midden van een oven bevond en rimpelde de onbeschermde huid in den hals, op het aangezicht of op de handen in pijnlijke blaren op. Slingerde het pad door het woud, dan was het daar veel koeler, maar de bezwaren om de rangkans vooruit te krijgen werden daar ontelbaar, schier onoverkomelijk. Hier stuitte men op de hooge en breede wortels van een randoealas, verder zat men verward in de luchtwortels van een wariengien, die met een aantal slingerplanten, deze laatste ruimschoots van doornen voorzien, als een net vormden, waardoor heen slechts met een hakmes in de vuist te breken was. Op andere plaatsen moesten de vaartuigen over omgevallen boomen heen gewerkt worden, die niet om te trekken waren. Vaak gebeurde het, dat de rangkans ontladen moesten worden, om dan met vereende krachten een voor een naar boven of over het beletsel heen getrokken of gezet te worden, bij welken arbeid de hulp der vrouwen volstrekt niet versmaad werd. Het ergste van alles, waren nog de insecten, waarmede men te kampen had. Hier bij het overheen wringen van een vermolmden boom, waarin handen en voeten als in een slijmerige brij zakten, werden de reizigers met een ontelbare massa snuitkevers en torretjes, welke laatsten bij aanraking den walgelijksten stank verspreidden, zoodanig overdekt en geplaagd, dat zij geen raad wisten, hoe zich van die lastige gasten, die in al de plooien des lichaams een toevlucht zochten, te ontdoen. Elders trapten de zwoegenden in nesten van zwarte mieren, die hen als bij tooverslag overdekten en zich met hun nijptangvormige kaken gevoelig wreekten; of viel hun bij het vellen van een boom, die in den weg stond, een regen van roode mieren in den nek, die hen als met vloeibaar vuur overgoot. Iedereen was dan ook dood moe, toen zoo omstreeks drie uur in den namiddag een scherpe hoogte bestegen was, die door haar steilte en rotsachtigheid buitengewoon veel van de krachten onzer reizigers vereischt had. Harimaoung Boekit beweerde dat, wanneer gindsche hoogte bereikt en bestegen was, het zwaarste gedeelte van den weg achter den rug lag. Niemand was echter te bewegen nog een stap voorwaarts te doen; allen haakten naar rust. Er werd dan ook besloten in een boschje, dat de hoogte kroonde, een schuilplaats te zoeken en den nacht daar door te brengen. Een laatste inspanning werd evenwel nog van de afgetobten geëischt, alvorens zij zich ter rust konden leggen. Johannes liet de rangkans in den vorm van een zeshoek rangschikken zoodanig, dat zij een flinke binnenruimte vormden, waarin het geheele reisgezelschap bivouakeeren kon. Bovendien liet hij nog ettelijke jonge boomen omhakken, om langs de facen van die geïmproviseerde borstwering een verhakking daar te stellen, waardoor niet gemakkelijk heen te dringen zoude zijn.
De vrouwen beijverden zich het eten klaar te maken en wel met een spoed, die door de hongerigen nog aangewakkerd werd. Toen zij evenwel de rijst wilden wasschen en koken, ontbrak daartoe wel het voornaamste, namelijk: water. Daaraan had niemand gedacht. Van het oogenblik, dat men de soengei Mantarat verlaten had, was geen beekje, geen spruitje, noch bron ontwaard geworden. In den regel wordt die landreis in een zestal uren zonder bijzondere inspanning afgelegd, waarbij de behoefte aan koken of drinken niet, of niet in die mate gevoeld wordt, om tot medevoering van water te noodzaken. Nu zat men erg in het nauw. Wel stoven ettelijke Dajaks en Poenans de wildernis in en afgaande op hun instinct, vonden zij weldra eenige kelken van den „ngagas”, die het helderste water bevatten, en brachten die te huis.
De ngagas is een slingerplant, die tot het geslacht der „nepenthes” behoort en bij een vrij bladerloozen stam een menigte ranken vertoont, waaraan de sierlijkste kelkvormige bekers wiegelen, die gewoonlijk ten halve met water, door de plant zelve afgescheiden, [137] gevuld zijn.
Die vondst werd met gejuich ontvangen; want iedereen had dorst en wenschte zich met een koelen dronk te verkwikken; maar om rijst te koken, daartoe was de aangebrachte hoeveelheid veel te min. Men betreurde nu, dat men geen water in bamboegeledingen medegenomen had, ook dat men verzuimd had, de rijst te kotta Mantarat te koken. Maar, wie der reizigers, die dag in dag uit op het water gezwalkt hadden, had kunnen vermoeden, dat men aan water gebrek kon krijgen? Het geval was er nu eenmaal; men zou wat kalampies, of wat gedroogde visch eten en overigens de buikgordels wat aanhalen, om de reclames van de maag het zwijgen op te leggen. Vergenoegde gezichten werden toen weinig ontwaard. Er is niets, dat meer ontstemt, dan een teleurgestelde eetlust. Vooral de kinderen lieten luidkeels hun aanspraken gelden, zich er niet aan storende, dat die niet bevredigd konden worden.
Dalim, die vroeger mijnwerker te Pengaron en te Kalangan geweest was, en daar nog al ondervinding opgedaan had, nam zijn mandauw en sloop het naastbijzijnde bosch in, een rotsachtigen heuvel tegemoet, die zich in de nabuurschap verhief. Wat zijn doel was, wist hij zich zelven niet te verklaren; het was meer het instinct van het dier, dat hem naar buiten dreef, dan wel het uitzicht om iets bepaalds buit te maken. Na verloop van ruim een uur keerde hij terug en bracht een in bladeren gewikkeld pak mede. Nauwelijks binnengekomen, hurkte hij op den grond, spreidde eenige bladeren uit, opende het medebrachte pak, waaruit een grauwzwarte massa te voorschijn kwam, die veel had van pijpaarde. Zoodra Harimaoung Boekit die in het oog kreeg, riep hij zegevierende uit:
„Ramon petak kinan!” (eetbare aarde), en hurkte naast Dalim neer, wiens maal hij begon te deelen. Beiden, onder toevoeging van hun ration visch met wat sahang roebit, die in de wildernis overal groeit, lieten het zich goed smaken. Zij riepen vervolgens de kinderen tot zich, sneden met hun mes voor ieder een flinke schijf af, en stilden zoo den honger en het geschreeuw der lieve kleinen. Zoodra de Poenans hun hoofd zich zoo zagen te goed doen, wisselden zij eenige woorden met Dalim, die hun den heuvel aanwees, waarheen hij getogen was, en stoven derwaarts om weldra terug te keeren en het geheele reisgezelschap van die lekkernij te voorzien.
Niet zonder wantrouwen hadden de twee Zwitsers en de Waal dat kostje aangekeken, maar toen zij ook Johannes zagen toetasten en den noodigen ballast innemen; toen zij vernamen, dat het een soort van aarde was, die gegeten kon worden, en zij door hun magen lastig gevallen werden, begonnen ook zij te proeven. Bepaald lekker was het niet te noemen, maar terugstootend of walglijk ook niet; het was eer smakeloos of zonder bepaalden smaak. Een paar korrels zout en wat spaansche peper hielpen de deglutitie. Veel kon er evenwel niet van gebruikt worden, want het goed lag zwaar in de maag en kon bepaald voor conscientiestopper dienst doen. Na afgeloopen maaltijd zaten de Europeanen bij elkander en praatten over het wonderland, waar zelfs klei tot voedingsmiddel kan dienen. De geleerde Wienersdorf zat nog met een brok in de hand en pedant, alsof hij bezig aan ’t doceeren was, sprak hij:
„Ramon petak kinan is een amorfe fijnkorrelige massa, die tamelijk broos en gemakkelijk tot poeder te wrijven is. Ziet, met het mes is de massa snijdbaar en zichtbaar is op de snede, dat de structuur schieferachtig is, terwijl de snijvlakken een glanzende bruinzwarte kleur vertoonen. Die massa is zonder veel moeite splijtbaar; en ziet, de splijtvlakken zijn mat en grauwzwart van kleur, met hier en daar glanzende punten. De breuk is fijn splinterig. De reuk is zwak bitumineus en het aanvoelen eenigszins vettig. Niet te droge lippen blijven er aan kleven, doordat de stof sterk vocht opzuigt. De smaak....”
„Die hebben wij geproefd, daar is niet veel aan,” viel La Cueille den Zwitser in de rede. „Schei voor den duivel uit met dat geratel, het is om zeeziek te worden. Nom d’une pipe! wat zijn die geleerde lui toch vervelend. Vertel ons liever, of wij dat goedje nog lang zullen moeten eten.”
„Neen, mijn waardste Waal,” lachte Johannes over dien uitval, „je zult er morgen ochtend nog je ontbijt mee moeten doen. Bevalt je dien kost, dan kun je er een voorraad van meenemen; maar ik hoop, dat we morgen om dezen tijd bij de soengei Minjangan gekampeerd zullen wezen en dat de vrouwtjes dan vlijtig aan het rijstkoken zullen zijn.”
„Goddank!” pruttelde La Cueille, „verbeeldt je dat we dat kostje nog verscheidene dagen zouden moeten verorberen.”
„Je zoudt er niets magerder van worden, dat verzeker ik je. Integendeel zou je er een mooie glanzende huid van krijgen. Men mengt daarom die aarde wel eens in het voedsel der honden, of der paarden. Het heeft evenwel een inconvenient.”
„En dat is?” vroeg Wienersdorf.
„Toch niet dat je een potten- en pannenfabriek in je buik krijgt?” was de vraag van La Cueille.
„Niet geheel en al,” lachte Johannes, „maar toch, om bij eenigszins langdurig gebruik tot het slikken van Zwitsersche pillen te noodzaken.”
„Dus aanmoediging van de industrie onzer nationale apothekers,” lachten de Zwitsers.
Intusschen spoedde de dag ten einde. De zon begon reeds in het westen den boschrand, die niet ver verwijderd lag, aan te raken, toen Hamadoe Wienersdorf tot zich wenkte. Hij ijlde tot haar in de zoete hoop eenige uren in haar bijzijn te kunnen slijten. Maar daarin had hij zich toch verrekend. Integendeel hem wachtte een corvée, die niet zoo aangenaam dan wel een herdersuurtje zoude zijn en daarenboven ietwat gevoelig in haar gevolgen voor den verliefde zoude worden. De lieftallige maagd leed namelijk erg aan dorst en verzocht haar aanbidder toch te trachten, wat water machtig te worden. Zij had al beproefd, eenige harer landslieden over te halen, ettelijke ngagaskelken te gaan halen; maar vermoeid en afgemat als zij zich voelden, waren zij niet te bewegen zich ook maar uit hun liggende houding op te richten. Wienersdorf praaide La Cueille, die toch ook wel wat voor zijn schoone mocht doen, en beiden haalden ook nog Dalim over, om hen te vergezellen. Het drietal drong de wildernis in, in de richting hun door de Poenans gewezen, om de bevallige kelken, met hun, in deze omstandigheden zoo onschatbaren inhoud machtig te worden. Ten einde den kring hunner doorzoekingen zoo ruim mogelijk op te vatten, spraken zij af, dat zij niet bij elkander, maar afzonderlijk zouden zoeken, dat zij zich evenwel niet buiten het bereik van elkanders stem zouden begeven en dat om dat doel te bereiken, zij den kreet van den takakak nabootsen en beantwoorden zouden.
Hun edelmoedige pogingen om de dorstigen te laven, werden met goed gevolg bekroond. Zij hadden geen half uur in het woud gezocht en reeds had ieder hunner een tiental ngagaskelken gevonden. De waternood was evenwel zoo groot in het bivouac, dat zij begrepen, hun vondst niet alleen zeer welkom zoude zijn, maar dat, wanneer de voorraad, dien zij aanbrachten, niet groot was, zij zedelijk geprest zouden worden, om andermaal het bosch in te dringen, ten einde het ontbrekende aan te vullen. Daarom bleven zij nog vergaren en, daar de nepenthesbekers op de plek, die zij bereikt hadden, toevallig overvloedig voorkwamen, waren zij weldra als overladen. Wienersdorf had reeds zijn signaal „taaaak kekākākak” gegeven, waarop door zijn metgezellen geantwoord was; juist wilde hij hun toeroepen, dat het tijd was, om terug te keeren, toen eensklaps iets zwaars, naar den bons te oordeelen, uit den boom, aan wiens voet hij stond, voor hem neerviel. Hij bukte zich, om te zien, wat dat was, en niet zonder verbazing ontwaarde hij daar iets in het hooge gras liggen, dat, ware het niet rood behaard, veel had van een leelijk menschenkind met dikken buik. Het individu, dat daar lag, scheen door den val bedwelmd, althans het bewoog zich niet, was als een bal ineengerold en hield het achterhoofd met beide handen vast, de achterpooten opgetrokken, zóó dat het gezicht tusschen de beide ellebogen en de buik tusschen de knieën uitstaken en goed zichtbaar waren. Er was voor den Zwitser geen twijfel aan, of hetgeen hij daar aan zijn voeten zag, was een aap. Maar van welke soort?
„Het is een groote species,” mompelde hij bij zich zelven.
En meteen schoof hij zijn vracht ngagaskelken bij haar ranken op een schouder bij elkander, bukte zich en greep het dier in den nek, om het van nabij te zien en des noods mede te nemen, toen hij plotseling iets op zijn rug voelde vallen, ongetwijfeld een dier of een mensch, die hem met krachtige vuist bij den strot greep en hem te gelijker tijd een dracht stokslagen toediende, die een meesterhand kenmerkten.
„Himmels kreuz donnerwetter! Schockschwerenoth!” schreeuwde de Zwitser ontsteld, „das ist ja ein Italiener, der so drauf losschlagt.”
Hij trachtte zich op te richten, maar dat was zoo gemakkelijk niet. De vracht, die hem op den rug zat, was lang niet licht. Daarbij knelde de hand, die hem bij de keel gegrepen had, als een schroef. Hij weerde zich en poogde ook zijn aanvaller ergens te omvatten, maar dat gelukte niet. Greep hij ook al een arm of poot, dan was hij door de spierkracht van het dier verplicht het los te laten. Inmiddels regende het nog steeds stokslagen en wist de arme Zwitser zich niet te bergen. Eindelijk ademloos en het stikken nabij, begaven hem zijn krachten; hij kon zich niet meer op de been houden, en nog een laatsten kreet uitende:
„Helpt! om Godswil helpt!” gilde hij en stortte ter aarde, terwijl hem het bewustzijn begaf.
Toen hij weer bijkwam, ontwaarde zijn oog het eerst het zorgvolle gelaat van La Cueille, die over hem gebogen, hem het voorhoofd, de slapen en de polsen met den koelen inhoud der ngagas waschte en daarbij angstvallig zijn bewegingen gadesloeg. Zoodra de Waal zijn makker de oogen zag opendoen, slaakte hij een kreet van vreugde:
„Cré nom de noms! tu peux te vanter, de m’avoir fait une jolie peur!” was zijn eerste uitroep. „Mais quelle raclée mon cher! quelle raclée tu as subi!”
Wienersdorf stak hem een hand toe; de Waal greep haar en trok hem overeind. Toen betastte zich de Zwitser zorgvuldig het geheele lichaam, maar dat onderzoek viel nog al gunstig uit. Wel voelde hij veel pijn, maar de ledematen waren heel. Op een afstand lag een gedaante op den grond, die Dalim bezig was te knevelen en daartoe de ineengestrengelde ranken van de geplukte ngagas gebruikte.
Op het hulpgeschreeuw van Wienersdorf waren de Dajak en de Waal haastig toegesneld. Zoodra zij de twee strijdenden in het oog kregen, riep Dalim met een soort van angst dat enkele woord:
„Kahio!”
Daarop sneed hij in allerijl een stevigen tak af, vervaardigde zich daarvan een knuppel en beduidde La Cueille spoedig ook zoo te doen. Daarop naderde hij snel de vechtenden en begon den tegenstander van Wienersdorf op zijn beurt geducht af te ranselen. Deze, die tot nu toe door de hitte des gevechts de naderenden niet bemerkt had, liet, zoo onzacht daartoe aangespoord, den Zwitser los en sprong zijn nieuwen vijand met den stok in de vuist te gemoet. Lang duurde het gevecht niet, maar toch lang genoeg, om te doen zien dat, met het meest oorspronkelijke wapen in de hand, de mensch niet opgewassen was tegen het dier, dat als een behendig batonnist rondom zijn tegenstander voltigeerde, diens slagen meesterlijk pareerde en daarbij niet naliet die tegenpartij op een roffel te onthalen, die haar hooren en zien deed vergaan. De kansen begonnen voor Dalim zeer hachelijk te staan. Eindelijk gelukte het den Dajak den knuppel zijns tegenstanders te grijpen en stevig vast te houden. Van dat oogenblik maakte La Cueille, die zich tot nu toe niet in het gevecht had kunnen mengen, omdat de bewegingen der strijdenden met zooveel snelheid geschiedden, dat er evenveel kans bestond om den vriend als den vijand te raken, gebruik, om zijn knuppel met alle kracht fluitende op den schedel van den schermbaas te doen nederkomen. De slag was zoo flink aangebracht, dat het dier met een rauwen kreet in elkander zonk en bewusteloos daar neer lag.
„Kahio!” riep Dalim andermaal, terwijl hij zich de pijnlijk getroffen plekken met de eene hand wreef, en met de andere naar het dier wees.
„Orang oetan!” zeide La Cueille.
„Kahio,” was het wederwoord van den Dajak.
„Orang oetan.”
„Dia (neen) kahio.”
„Dia orang oetan.”
Die woordentwist had nog lang kunnen duren; maar daar bewoog Wienersdorf zich lichtelijk kreunende. Ook het dier maakte een beweging en trachtte overeind te krabbelen. Nu wierp zich Dalim op het laatste, deelde het nog een dracht slagen toe, waarna hij het aan armen en voeten bond. Middelerwijl was Wienersdorf onder La Cueille’s goede zorgen weldra op de been. Van de door hen gevonden ngagasbekers waren velen te loor gegaan, platgetrapt of leeg geloopen. Alles bij elkander gerekend, waren evenwel nog een twintigtal ongeschonden en met haar kostelijk vocht gevuld. Men zou nu den terugtocht aannemen, maar toen men het nog steeds bewustelooze dier wilde opnemen, om het naar het bivouac te dragen, bespeurde men dat het een wijfjesaap was, terwijl het bleek, dat het diertje, dat voor den strijd aan de voeten des Zwitsers gevallen was, haar jong was. Toen dat bij zijn moeder gebracht was, trachtte het dadelijk te zuigen.
XXIX
Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen.
In het bivouac hadden de medegebrachte gevangenen veel bekijk. Toch was onder die natuurmenschen de stemming zeer medelijdendgezind. Men beklaagde de arme moeder, die zoo in gevangenschap geraakt was, bij de verdediging van haar kind. Want ontwijfelbaar was het voor een ieder, dat de aanval op Wienersdorf slechts ten doel had, haar kind te beschermen, hetwelk uit den boom gevallen was en dat zij bedreigd achtte.
„Kahio!” had ook Harimaoung Boekit en de andere Dajaks geroepen, toen zij de dieren zagen. La Cueille sloeg wanhopige blikken om zich heen. Waren dat dan geen orang oetan’s? Volgens hem was er niets erger dan de eigenzinnigheid der menschen, als zij zich iets in het hoofd gehaald hebben. Hij vernam evenwel dat kahio de Dajaksche naam van het dier was.
„Dus is het toch een orang oetan, niet waar?” hervatte hij met vuur.
„Juist, net zoo goed als een orang oetan een kahio is. Kahio is de naam van het dier in zijn vaderland. Daar kent niemand dien naam van orang oetan, die boschmensch beteekent, en door de Europeesche geleerden, in hun dwaze zucht, om nimmer vrede met de inheemsche benamingen te hebben, is uitgedacht.”
Den volgenden morgen trachtte Wienersdorf door tusschenkomst van Hamadoe, een flinken brok arengsuiker machtig te worden. Toen hij dien had, bracht hij het dier met zijn jong buiten het bivouac, stopte hem de suiker in de hand en sneed zijn banden door. De kahio, zich vrij gevoelende, uitte een gegrom van tevredenheid, rekte armen en beenen, richtte zich overeind, greep toen het jong, dat die teedere moeder aan haar borst klemde, vloog op een boom toe en had daarvan in een oogwenk de onderste takken bereikt. Op een dezer gezeten, keek het dankbare dier den Zwitser nog eens aan, murmelde iets met de lippen, waarbij het als alle quadrumanen de wenkbrauwen op en neer bewoog en afschuwelijke gezichten trok, en was weldra in den dichten loofwand verdwenen.
Alle reisgenooten gaven hun bijval te kennen, dat Wienersdorf die moeder met haar kind in vrijheid had gesteld. Hij moest evenwel erkennen, dat die moeder hem ter dege afgeranseld had. Alleen bij de gedachte wreef hij zich nogmaals armen en beenen en bracht hij de hand aan de keel, alwaar hij die klemschroef nog meende te voelen.
Met het rijzen der zon ving ook weer de inspanningsvolle arbeid aan. Het kostte nog veel moeite en veel zweet om de rangkans over den zadelrug, die den Boekit Riwoet met de aangrenzende heuvelreeksen verbond, te voeren. Toen men ze evenwel daar bovenop had, werd wat uitgeblazen, waarna de reis weer vol moed hervat werd. Het ging nu veel gemakkelijker en derhalve ook veel sneller. Eensdeels waren de hellingen naar het westen minder steil, zelfs zacht te noemen; anderdeels leverde het terrein, ook door den aard zijner plantenbekleeding minder bezwaren op. Kort nadat de afdaling begonnen was, leidde het pad door ijzerhoutbosschen, en leverden die betrekkelijk zeer weinig beletselen op. De ijzerhoutboom, bij de Dajaks „tabaliën” genaamd, heeft veel overeenkomst met den djattiboom (Tectonia grandis). Dezelfde vorm, dezelfde stam, dezelfde spreiding van takken, nagenoeg hetzelfde ruwe blad; ontwijfelbaar zullen de geleerden de beide boomen tot dezelfde familie rekenen. Met den teakboom, heeft ook de tabaliën de geaardheid gemeen, om uitmuntend in gezelschap van soortgenooten te tieren en daarbij struikgewas, slinger- en parasietplanten onmeedoogend te verstikken. Hij duldt niets dan een mager spichtig gras in zijn nabijheid, dat nog veelal in den drogen tijd in brand geraakt. De bodem rondom is dan ook zoo zuiver, als in een oorspronkelijk bosch niet te verwachten zoude zijn. Het gevolg van dien toestand was, dat onze reizigers reeds vroeg in den namiddag aan de boorden van de soengei Minjangan aankwamen. Het eerste, dat het reisgezelschap deed, was een verfrisschend bad te nemen in de heldere wateren van die soengei. Mannen, vrouwen en kinderen dartelden een poos met wellust, alsof in de wereld niets anders te doen ware. Daarna gingen de vrouwen lustig aan het koken en met te meer ijver, daar allen en ook zij honger hadden.
De mannen ontlaadden de rangkans voor zooveel noodig, om ze zonder bezwaar te water te kunnen brengen. Zij keken daarbij de vaartuigen goed na, herstelden waar door dat vervoer schade aangebracht was, en weldra lag de flotille te dobberen en gereed haar lading weer te ontvangen. De dag was evenwel te ver gevorderd, om nu nog de reis te kunnen vervolgen. Bij donker weer zouden de gevaren op de snelstroomende rivier te groot zijn, om die te mogen trotseeren. Van de weinige uren, die het daglicht nog gunde, gebruik makende, trokken eenige jagers uit, eensdeels op verkenning der omstreken, ook om te trachten eenig wild machtig te worden. Zij keerden terug met het bericht, dat de omtrek behoorlijk veilig was en brachten daarenboven een prachtig hert mede, dat zij in de nabijheid geschoten hadden. Dat was inderdaad een belangrijke aanwinst voor de keuken.
Na alles zoo gereed gemaakt en verzorgd te hebben, kon het reisgezelschap onder de hoede der schildwachten een welverdiende rust genieten en was den volgenden morgen bij het eerste dagen gereed, om de reis te vervolgen. Het ging nu stroomaf, en pijlsnel schoten de rangkans vooruit. Het was alsof tusschen die zes vaartuigen een wedren gehouden werd, met zoo’n geestdrift werd voortgeroeid. Vooral bij het afvaren van kihams vlogen de reizigers de oevers met duizelingwekkende vaart voorbij. Behalve den verbazend snellen stroom, dien de soengei daar verkreeg, zetten zij, die de stuurpagaai in handen hielden, de roeiers tot de uiterste krachtsinspanning aan, omdat zij alsdan in die schuimende en kokende wateren te beter stuur over hun vaartuigen konden houden. Onder een luid gegil schoot de eene rangkan voor, de andere na zoo’n waterval af, waarbij de Europeanen zich het hart vasthielden. Het bewustzijn, dat bij die pijlsnelle vaart de geringste aanraking met de rotsen, die zich allerwege verhieven en waartusschen het water zich wrong, de vernieling van het vaartuig en het verongelukken van al de opvarenden, ten gevolge kon hebben, deed hen ijzen. Maar de stuurbeseai’s waren in goede handen, de roeiers luisterden stipt naar de wenken van de stuurlieden, zoodat de vaartuigen dan ook behouden de Kahajan rivier bereikten.
Het was toen omstreeks middag. Onmiddellijk werd naar het noorden gewend en stevenden de rangkans dien prachtigen stroom op. Harimaoung Boekit wees den Europeanen achter hen op een hooge rots, die zich loodrecht uit het midden van het rivierbed scheen te verheffen. Hij verhaalde hun, dat daar ter plaatse een gevaarlijke draaikolk bestond, „Labeho Tampang” genaamd, die tengevolge van een doorbraak gevormd werd van den Boekit Taroilokong, welke als een reusachtige slagboom de rivier in de voortijden afsloot. De stroom schoot daar een wijl tusschen loodrechte rotswanden van leisteen en dioriet voort, terwijl de verbrijzelde massa der doorbraak in den vorm van klippen en rotsen het rivierbed tot een der gevaarlijkste passages maakte. De Poenan verhaalde vervolgens dat eens, lange jaren geleden, de oeverbewoners van de soengei Lepang, een zijrivier van de soengei Roengan, op haar beurt een zijrivier van de Kahajan, bij het goudwasschen in de bedding der soengei groote gedegen stukken van dat edel metaal vonden en eindelijk op een vervaarlijk groote goudmassa stuitten, die, toen zij haar van de zandlaag ontbloot hadden, welke haar bedekte, de gedaante van een groot volwassen hert met breedvertakt gewei vertoonde. De vinders stortten zich op dien schat, om hem te bemachtigen, maar alvorens zij het grijpen konden, sprong het vlugge dier overeind en spoedde het woud in. Terzelfder stond zagen een paar reizigers, die bij Labeho Tampang de Kahajan afzakten, een gouden hert op de rotskruinen verschenen en in den kolk springen, om een toevlucht te zoeken in een grot of uitholling, die onder den waterspiegel in die rots zoude bestaan. Dat was, vulde Harimaoung Boekit zijn verhaal aan, de „sarok boelau hai” (de groote ziel van het goud), die haar toevlucht in deze streken genomen heeft en de oorzaak is, dat van dat oogenblik hier zooveel en zulk goed goud gevonden wordt.
IJverig werd intusschen voortgeroeid. Het was omstreeks drie uur in den namiddag, toen de reizigers kotta Dewa bereikten. Hier stapten Amai Kotong en Harimaoung Boekit aan wal om poolshoogte te nemen. Zij vonden hier reeds alles in rep en roer, want er waren berichten ontvangen van den inval van Tomonggong Soerapatti. Het hoofd dier kotta, Amai Raden genaamd, was afwezig; hij was naar de velden geijld, om zijn pandelingen te verzamelen en binnen de versterking te brengen. Het gezag werd intusschen uitgeoefend door zijn echtgenoote Njahi Balau. Dat was een vrouw van ongeveer veertig jaar oud, krachtig van lichaamsbouw en met een ware heldenziel bedeeld. Meermalen had zij bij vijandelijke aanrandingen, de mannen, waaronder ook haar ega, die vluchten wilden, met den mandauw in de vuist tot staan gebracht en tegen de vijanden aangevoerd. Onze reizigers vonden haar bezig met de voorbereidselen tot een krachtige verdediging. Zij had reeds zendelingen uitgezonden, om de naburige soengeibewoners, die onder kotta Dewa stonden, tot den strijd op te roepen. Van de Doessonners had zij in zoover tijdingen, dat zij wist mede te deelen, dat die in soengei Miri door de bevolking ontdekt en aangetast waren geworden, waardoor zij in de noodzakelijkheid waren gekomen, om het beleg voor kotta Ohas te slaan.
Op die tijding was Harimaoung Boekit natuurlijk niet meer te houden. Hij vloog, na in weinige woorden met Njahi Balau afgesproken te hebben, dat zij met de meesten harer weerbare mannen volgen zoude, zijn rangkan in en voort ging het verder de Kahajan op. Het was evenwel een lang traject, dat onze reizigers nog af te leggen hadden. Zij hadden volop tijd, om op te merken dat, sedert zij de soengei Minjangan verlaten hadden, het landschap geheel en al van karakter veranderd was, dat, waar langs die soengei en ook langs de Kapoeas slechts oorspronkelijk woud de oevers omzoomde en op een volslagen ontvolking duidde, hier ontgonnen boschperceelen allerwege het oog boeiden en geheele velden met rijst, katjang, katella pohon, djagoong enz. beplant, ontwaard werden. Er werden zelfs geheele uitgestrektheden waargenomen, die uitsluitend en regelmatig met klapperboomen of met sagopalmen beplant waren. De grenzen van het maagdelijk bosch waren op sommige punten zoover het oog reikte teruggedrongen, en stroomde de schoone rivier, kalm en zacht kabbelend, zich tusschen zacht golvende heuvels kronkelende, te midden van een schilderachtig landschap, dat allerwege tooneelen van de zegeningen van den landbouw aanbood. De streek was ook goed bevolkt, want bijna ontelbaar waren de kotta’s te noemen, die zich op de beide oevers van den fraaien stroom verhieven. Evenwel die kotta’s duidden op zich zelven reeds aan, dat de bewoners een stevige insluiting voor hun veiligheid noodig achtten; de schedels, die ook hier overal op de palissadepunten prijkten, bewezen nog krachtiger, dat het bebouwde landschap slechts een schijnbeeld van meerdere beschaving verleende; want het koppensnellen behoorde ook tot de gewoonten van de bevolking van Kahajan en deze stond dus even laag op de maatschappelijke ladder als iedere andere stam in de binnenlanden van Borneo.
De reis werd onverpoosd voortgezet. De stroom stelde weinig of geen beletselen in den weg. De helling van dit riviervak was zeer gering en derhalve de kracht van het afstroomend water zwak. Toen de nacht inviel drong Harimaoung Boekit er op aan, dat de reis zou worden voortgezet, waartegen te minder bedenkingen waren in te brengen, dewijl bij het gevaarlooze van een nachtelijken tocht op den breeden zachtvlietenden stroom, ook nog de maan in rekening te brengen was, die met haar zacht licht, den nacht bijna in dag herschiep. Alle reisgenooten juichten dan ook het voorstel toe, en met onvermoeide kracht kliefden de beseai’s de wateren.
Bij het doorkomen van het eerste morgenrood ontwaarden de reizigers, dat het terrein, hetwelk na het ondergaan van de maan, gedurende enkele uren aan hun waarneming onttrokken was geweest, langzamerhand van karakter was veranderd. De heuvelen, die zich langs de oevers verhieven, waren hooger, steiler, woester van vorm geworden. Op sommige plaatsen naderden zij den stroom zoodanig, dat die niet dan met geweld zich een doortocht had kunnen banen. Steil omhoogstijgende rotswanden en afgebrokkelde oevers volgden elkander nu weer op, terwijl ook de rivieroppervlakte de liefelijke kalmte, die daags te voren onze reizigers zoo boeide, verloren had. Integendeel, dwarlkolken, stroomversnellingen, watervallen en schuimende golvingen waren weer aan de orde en baarden den roeiers veel inspanning.
Het was zoo omstreeks acht uur, toen de reizigers in de verte aan den linkeroever een kolossale rots met zacht afgeronden top, als loodrecht uit het bed der rivier zagen verrijzen. Dat was Oepon Batoe [138], het doel van de reis voor heden, de rots waarop de kotta van Tomonggong Toendan gelegen was. Met inspanning van alle krachten vorderden de rangkans slechts langzaam in de witschuimende golven, welke die loodrechte rotswanden van ongeveer 400 voeten hoog, aan twee zijden, het zuiden en het westen, omgaven. Toen men eindelijk de westzijde iets te boven was, scheen de Oepon Batoe eenigszins terug te wijken als om plaats te maken voor een kleinere rots, die op haar beurt uit den vloed scheen op te rijzen. Die rots van een driekante gedaante, heette Batoe Soeli [139]. Harimaoung Boekit verhaalde, dat vroeger die driekante steen dwars in het rivierbed lag en de gemeenschap geheel en al verbrak. Toen treurden de visschen en krokodillen en beklaagden zich er over bij Mahatara dat zij geen verkeer konden hebben met hun vrienden aan de andere zijde van den slagboom.
Sangiang Sangoeman kreeg bevel het beletsel uit den weg te ruimen, hetgeen hij volvoerde, door het gevaarte met machtige hand op te tillen en op den oever overeind te zetten.
In de ruimte, tusschen den Oepon Batoe en den Batoe Soeli, was als een kom in den oever met een wit zandig strand, waarop een tomoi gebouwd was en waar de vaartuigen konden aanleggen. Bij het landen ontwaarden de reizigers drie vrij groote rangkans aan de aanlegplaats vastgemaakt, waarvan de bewakers bij het zien van de naderende vaartuigen op de vlucht sloegen.
„Olo Doesson! olo Doesson!” (menschen van Doesson, Doessonners) was de kreet, die ons reisgezelschap slaakte en niet weinig verwarring vooral onder de vrouwen en kinderen veroorzaakte. Harimaoung Boekit riep hun evenwel eenige woorden toe, waarop de rangkans elkander naderden. Uit twee daarvan stapten de vrouwen en kinderen haastiglijk in de anderen over en werden door een gelijk aantal mannen vervangen. Daarop schoten de vier rangkans met de vrouwen, die ook de pagaai konden hanteeren, naar den rechteroever over en lieten zich verder de rivier tot beneden Oepon Batoe afzakken. De twee andere vaartuigen met geweerdragenden, waaronder ook onze Europeanen, bemand, legden bij den tomoi aan. Geen sterveling was daar echter te ontwaren. Voorzichtig werd het kleine gebouw doorzocht, maar niets daarin gevonden. Behoedzaam stegen de vijftig dapperen voorwaarts het pad op, dat steil tegen een hoogen leemheuvel opslingerde, zich nu eens als hollen weg voordeed, om een oogenblik later over den nok van een zadelrug te voeren. Eindelijk kregen zij den kalen wand van de rots in het gezicht, waarop de kotta lag, en zagen daar, op ongeveer een vijftig pas voor zich, een zestigtal Doessonners bij elkander gegroepeerd, die de aankomenden onder het zwaaien hunner mandauws met uitdagende kreten en met scheldnamen en verwenschingen begroetten. Tegen die rots waren boomstammen geplaatst of gehangen, van inkervingen voorzien, waarlangs een twintigtal menschelijke wezens zich naar boven heschen om den bovenrand van den wand te bereiken. Zoodra Johannes, die het opperbevel weer aanvaard had, dien troep zag, liet hij halt maken en een rottenvuur openen, d.w.z., dat, zonder zich om iets te bekreunen, een ieder op dat menschelijke kluwen mocht schieten, zooals hij goed vond, hetgeen de beste waarborgen tot goed raken gaf. De twee Zwitsers volgden hun oude tactiek, zij bespaarden zorgvuldig hun munitie voor ernstiger oogenblikken. La Cueille en Johannes openden hun vuur op de klouteraars, waarbij zij bij voorkeur hen tot doelwit kozen, die reeds het hoogst geklommen waren. De uitwerking daarvan was verrassend. Zij die vielen, sleepten de achter hen komenden in hun val mede. De daardoor ontstane verwarring werd nog vergroot, toen die twee schutters ook nog hun nimmer falende kogels te midden der saamgedrongen Doessonners begonnen te zenden, waartusschen zij meer effect maakten dan al het geraasvolle schieten der Dajaks. Al spoedig bedekte een menigte dooden en gewonden den grond en hun aantal vermeerderde ieder oogenblik. Toen het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, traden de koenste der Doessonners vooruit, met het doel zich op hun aanvallers te werpen, maar het geweervuur, dat hun onafgebroken tegenknetterde, velde een ieder, die poogde voorwaarts te treden. Nogmaals wierpen zij zich in hun wanhoop vooruit; zelfs gelukte het eenigen hunner tot tegen de bajonetten, tot er onder zelfs, door te breken, maar in dezen hachelijken stond brachten ook nu de Zwitsers met hun repeteergeweren de beslissing aan. Door hun juiste en spoedig op elkander volgende schoten scheidden zij die voorvechters van den hoofdtroep af, die, trots hun heldhaftigheid, onondersteund als zij bleven, ellendig afgemaakt werden. Nu beving een radelooze angst de overgebleven Doessonners. Onberaden van ontzetting en als blind stormden zij een pad af, dat zijwaarts van hun aanvallers door een kloof naar de rivier scheen te leiden, maar naar den rand eener rots voerde, die als onderdeel van de hoofdsteenmassa zich boven den stroom verhief. Een oogenblik kwamen hier de vluchtelingen tot staan, maar toen het geweervuur met alle woede achter hen andermaal kraakte; toen in hun doodsangst stortten zij zich hals over kop in de golven en trachtten al zwemmende de overzijde te bereiken. Velen hunner verdronken; de anderen werden later opgespoord en als wilde dieren gejaagd.
Na dit drama wilden de Poenans en de Kapoeassers de gevallen Doessonners, zoo gekwetsten als dooden, onthoofden, toen eensklaps boven op de rots een vreeselijk geschreeuw en gegil ontstond, dat de aandacht onmiddellijk afleidde. Hoewel niets te bespeuren was, verzekerde Harimaoung Boekit, dat het hem nu duidelijk was, wat daar boven gebeurde. Volgens hem ondernamen op dit oogenblik de Doessonners met hun geheele macht aan de oostzijde den hoofdaanval; maar hadden, om den vijand tot versnippering van krachten te noodzaken, een beklautering van de rots aan de noordzijde beraamd, die slechts door een betrekkelijk klein aantal stoutmoedigen onbemerkt zoude moeten volvoerd zijn. Die stoute beklimming zoude voorzeker gelukt zijn, wanneer het toeval onze avonturiers niet daar ter plaatse gebracht had.
Johannes deelde, zoodra hij die waarschijnlijkheid uit den mond van Harimaoung Boekit vernomen had, eenige bevelen uit en, zelf het voorbeeld gevende, wierp hij het geweer bij den riem over den rug en begon de bestijging langs de ingekerfde boomstammen, die alleen aan deze zijde toegang tot den bovenrand der rots verleenden. Met een daverend hoera volgden hem de Kapoeassers en de Poenans en in het volgende oogenblik hing daar een menschentros hoog boven den afgrond tusschen hemel en aarde. Na een moeitevolle beklimming van ruim een half uur, waren de stoutmoedige klauteraars allen boven, behalve Schlickeisen,—wiens wond zulk een inspanning niet gedoogde en die zijn Remmingtongeweer met dat van La Cueille geruild had,—en nog een viertal Dajaks, die in het kortstondig gevecht van man tegen man nog al belangrijk gewond waren. Deze zochten een toevlucht in de rangkans en wachtten daar met den vinger aan den trekker, den uitslag der beklimming af.
Zoodra Johannes boven was, beijverde hij zich, hoe aamechtig ook, zijn makkers in rij en gelid te scharen en hun vooral bedaardheid in te spreken. De houten borstwering van de kotta was aan deze zijde, alwaar een aanval moeielijk kon verwacht worden, niet hoog. Toen hij zijn troepje wat bekomen en overigens kalm en bedaard genoeg zag, om zijn bevelen te kunnen opvolgen, klom hij met Harimaoung Boekit de palissadeering over, om een kijkje in de kotta te nemen en naar omstandigheden te kunnen handelen. Wat hij daar zag, vereischte al dadelijk in hooge mate zijn aandacht. Op de oostzijde der versterking werd verwoed gestreden. Met de vertwijfeling der wanhoop verdedigde zich de bezetting tegen de overmachtige Doessonners en was het daaraan alleen te wijten, dat hij met den Poenan onbemerkt had kunnen binnendringen. Met een oogopslag overzag hij het kritieke van den toestand. Geen schot werd hier gehoord; alles geschiedde met het blanke wapen. Op een paar punten hadden de aanvallers de borstwering reeds beklommen en vasten voet op het banket verkregen. De meest wanhopige pogingen, om hen van daar te verdrijven, gelukten niet. Met ieder oogenblik groeide het aantal der binnengedrongenen aan, weldra zouden zij zich sterk gevoelen om weer aanvallend te werk te gaan en zich in de binnenruimte der kotta te werpen. Het pleit zou dan bij de groote overmacht der Doessonners spoedig beslist zijn. IJlings spoedde Johannes terug, om zijn makkers te wenken, terwijl het Poenanhoofd voorwaarts drong, om er op in te hakken; maar voornamelijk om de bezetting toe te roepen, dat hulp nabij was. Plotseling knalde een schot, en een Doessonner, die juist zijn eene been over de palissadeering bracht, om naar binnen te springen, stortte gillend en doodelijk getroffen achterover naar buiten. Een tweede, een derde ondergingen hetzelfde lot. Als onwrikbare uitvoerders van het noodlot schoten de Europeanen ieder Doessonner neder, wiens hoofd zich boven de palissadeering vertoonde. Middelerwijl hadden de overige Kapoeassers de bezetting gewenkt om ruimte te maken en weldra klonk een onafgebroken geweervuur het kleine troepje, dat daar nog in verdedigende houding op den walgang stond, schrikkelijk als de titih, als de doodsklok, in de ooren. Eenigen dier stoute aanvallers werden getroffen, dat veroorzaakte verwarring, en daarvan maakten de belegerden meesterlijk gebruik, om op die indringers te vallen en tot den laatsten man af te maken. Dat gaf lucht. Onze redders in nood klommen nu ras op het banket, vuurden zoo vlug zij konden in den dichten drom, die aan den voet der palissadeering krioelde, vuurden nogmaals en nogmaals, en toen zich aan dat vuur nog een flankaanval paarde, die de belegerden in dat oogenblik ondernamen, toen stoven de aanvallers uiteen en vluchtten Soerapatti’s scharen den heuvel af, om zich aan den voet daarvan weer te verzamelen.
Voor de belegerden ontstond nu eenige verademing, waarvan de drie Europeanen gebruik maakten om den toestand te overzien. Kotta Oepon Batoe kon sterk, tegenover een inlandschen vijand, zeer sterk genoemd worden. Langs twee zijden was zij bij voldoende waakzaamheid volkomen onaantastbaar. Daar steeg de rots, zooals wij gezien hebben loodrecht uit het water omhoog. Een genaakbaar punt bestond alleen daar, waarlangs onze reizigers binnengedrongen waren, maar waar ook twee verdedigers, desnoods een, voldoende waren, om een beklimming onmogelijk te maken. Aan de andere zijden was de heuvel ook wel zeer steil te noemen maar daar was een bestijging uitvoerbaar. Aan die kanten vooral was de palissadeering in vrij goeden staat. Het plateau, waarop de kotta zich verhief, was in zijne natuurlijke gesteldheid door een soort van aardspleet in twee deelen gescheiden. In die spleet welde een kristalheldere bron op, die zoo overvloedig water gaf, dat een beekje ruischend en murmelend langs die soort van hollen weg naar beneden schuimde. Overigens was het geheele plateau met groote rotsblokken als bezaaid. Twee daarvan trokken in hooge mate de opmerkzaamheid van La Cueille tot zich. Het waren twee verbazend groote tafelsteenen [140] plat maar toch zeer dik, die op een afstand van slechts weinige ellen van elkander, elk op een veel kleineren maar bolvormigen steen rustten, evenwel zoodanig in hun zwaartepunt geschraagd werden, dat een eenigszins krachtige drukking met de hand voldoende was die kolossale steenmassa’s in een wiegelende beweging te brengen. Dat vond de Waal aardig, hij drukte, hij drukte nog eens en nog eens en scheen zich maar geen rekenschap van de beweeglijkheid dier gevaarten te kunnen geven. Hij bukte en zag dat beide steenen ongeveer drie voet boven den grond verheven waren; wijders merkte hij op, dat zij buiten de borstweringenceinte stonden, onmiddellijk aan den rand van het plateau boven de helling van den bovenbedoelden hollen weg. Hij boog zich over den rand, maar zag niets dan een dicht begroeide trechtervormige schacht, op welker bodem het beekje ruischte. Plotseling kreeg hij een inval; hij riep Johannes tot zich, fluisterde dien eenige woorden in, waarop beiden aan het werk togen en onder ieder der twee beweeglijke steenen aan de kotta zijde een grooten steen wentelden, zoodanig dat die tot steun van de wankelende gevaarten diende. Daarna holden zij den bodem onder die steenen eenigermate uit, vulden die ruimten met een hoeveelheid van ongeveer tien K.G. buskruit, dat zij op voorspraak van Harimaoung Boekit van het kottahoofd verkregen, en stopten verder de mijnen, na daaraan geleiddraden, behoorlijk met een buskruitsas bestreken, bevestigd te hebben, met zware rotsblokken op. Toen dat klaar was, verlengde La Cueille de geleiddraden en voerde ze tusschen de palissaden door tot binnen de kotta, waar hij ze onder een paar takkebossen verborg.
Maar nog was men niet met alle voorbereidselen klaar, toen een daverend gejoel aankondigde, dat de stoutmoedige vijand den aanval ging hervatten. En werkelijk, in dichte drommen stegen de Doessonners de hoogte aan den oostkant met de meeste snelheid op. Al dadelijk barstte het geweervuur los, maar had aanvankelijk weinig of geen uitwerking, gedekt als de aanvallers op de helling nog waren door den randkam des heuvels. In een oogwenk waren zij boven op het plateau en met een weergalooze doodsverachting begonnen zij de bestorming. Een heldentroep vloog vooruit en beijverde zich met apenvlugheid tegen de palissadeering op te klouteren. Helaas! al die stoutmoedigheid kon den weerstand niet breken. Ieder hoofd, dat zich boven de borstwering vertoonde, diende tot mikpunt, en, ontkwam ook al een enkele aan de wisse kogels, niet ondersteund als hij was bij zijn binnenspringen, werd hij op de lansen en mandauws opgevangen en onmeedoogend afgemaakt. Middelerwijl knetterde het geweervuur onafgebroken door de schietgaten en berokkende den aanvallers zware verliezen. Toch wisten zij van geen opgeven; zij hielden met een volharding stand, eene betere zaak waardig. Elkander aanmoedigende en slechts voor de belegerden een verachtelijk scheldwoord over hebbende, beklommen zij nogmaals en andermaal de borstwering, maar steeds met hetzelfde noodlottig gevolg.
Maar, terwijl de geheele bezetting der kotta schier ademloos en gespannen, het oog op dien aanval gericht hield, had La Cueille, die zijn eigene inzichten scheen te hebben, ook elders zijn aandacht gevestigd. Wel zond hij zijn kogel af, wanneer hem het oogenblik geschikt voorkwam, maar zijn hoofdgedachte was elders. Eindelijk meende hij eenig gedruisch te vernemen aan den noordkant. Fluks sloop hij naar buiten, kroop of beter schoof als een slang over het plateau tot aan den rand en.... werkelijk, hier zag hij een dichten drom, die in alle stilte door de beekgleuf den heuvel besteeg. Ja, hij had goed geraden, hier was het gevaar; die aanval ginds was slechts een schijnaanval, een kloekmoedige opoffering van helden, om hun makkers tijd en gelegenheid te geven den hoofdaanval te volvoeren. Stil als hij gekomen was, sloop La Cueille terug, wenkte Johannes en Wienersdorf, vloog toen naar de keuken om een brandende houtspaan te halen. Daarmede stak hij de geleiddraden aan; een oogenblik zag ons drietal de vuurvonk langs de beide gezwinde lonten over den grond voortschrijden, flikkeren en tusschen de palissadeering door verdwijnen. Die mannen wachtten, wachtten met ongeduld; zij zagen niets, niets meer. Soms meende een hunner nog een kronkelend rookwolkje in het gras te ontwaren; maar daarna niets, niets meer. De eerste vijanden begonnen zich reeds aan den rand van het plateau te vertoonen. Zij sprongen er op; anderen volgden hen. Weldra was een honderdtal boven. God! God!! zou de lont uitgedoofd zijn? dat ware verschrikkelijk. De drie Europeanen openden hun vuur op de beklimmers; maar in weerwil daarvan werd het aantal vijanden steeds grooter en begonnen zij zich reeds om het plateau te verspreiden. De toestand werd netelig. Daar ginds de schijnaanval, die bijna niet te bedwingen was, en hier aan het zwakste gedeelte een bende, die met iedere seconde aangroeide. Maar hoort..... daar weerklonk eensklaps een knal, zoo hevig, zoo schrikwekkend, dat voor een poos aanvallers en aangevallenen, van schrik als verstijfd, bewegingloos bleven. Een vreeselijke bliksemstraal schoot uit den grond te voorschijn, alsof een krater zich opende; een dikke rookwolk voer pijlsnel ten hemel en toen zag men een der beweegbare rotsmassa’s, als door een reuzenhand opgetild, zich oprichten, van haar steunpunt afschieten, kantelen, vooroverbuigen en donderend en krakend langs de beekgleuf in den afgrond verdwijnen. Voordat de aanvallers zich rekenschap konden geven van wat er gebeurde, had een tweede uitbarsting plaats, en stortte ook de andere steenmassa in de diepte. Goed aangelegd en verzorgd, waren La Cueille’s mijnen uitstekend geslaagd. De gevaarten, langs de helling afrollende, ploegden ieder een verschrikkelijke vore in den opstijgenden menschendrom en deed hem als kaf uiteenstuiven. Zij, die reeds boven waren, sloegen met den schrik in het hart op de vlucht, terwijl ook de schijnaanval, na die vreeselijke verijdeling van den hoofdaanval gestaakt moest worden.
Toen de bezetting eenigermate tot bezinning gekomen was en rondkeek, werd bespeurd, dat ook zij belangrijke verliezen te tellen had. Veertien lijken der Kahajanners werden tusschen een veel grooter aantal Doessonners aangetroffen, terwijl bovendien nog wel het dubbele getal gewond was. Niemand hunner ontveinsde zich, dat, indien onze reizigers niet van pas aangekomen waren, de uitslag oneindig noodlottiger geweest zou zijn. Vooral keek de menigte met bewondering tegen La Cueille op, tegen den man, die over donder en bliksem kon beschikken, die dien donder en bliksem uit de aarde kon doen te voorschijn komen, om rotsblokken, die de Sangiangs alleen zouden kunnen bewegen, op hun vijanden te storten. De Waal, niet ijdel van aard, liet zich die bewondering met zelfopofferende gelatenheid welgevallen en vond het baantje van held niet onaangenaam.
Toen onze vrienden kotta Oepon Batoe verder opnamen, vonden zij onder de hoofdgebouwen veertig karandah’s, in ieder waarvan een menschelijk wezen opgesloten was. Zij vernamen alsnu, dat Tomonggong Toendan, het kottahoofd, kortelings overleden was, en dat die ongelukkigen bestemd waren, om bij zijn lijkfeest geslacht te worden [141]. De gekwetste Doessonners werden ook bijeengebracht. Die zouden den volgenden morgen den vreeselijken marteldood ondergaan, om de gesneuvelde helden der bezetting, die dan verbrand zouden worden, tot escorte in het zielenland te dienen. Overigens herhaalde zich ook hier de afschuwelijke schedeloogst van de gesneuvelde vijanden en de walgelijke tooneelen, die daarmede gepaard gingen.
Met afschuw wendden de Europeanen zich af en informeerden bij Harimaoung Boekit of er al berichten van de vrouwen waren; vooral Wienersdorf begon ongeduldig naar zijn Hamadoe uit te zien. Het Poenanhoofd zond een paar zijner strijders uit, om van den rand der rots de rangkans op te sporen en te praaien. Middelerwijl klom Johannes met een paar Dajaks langs de boomen naar beneden, waarlangs zij straks naar boven gestegen waren, om Schlickeisen en de vier gewonde Kapoeassers naar boven te halen. Toen hij beneden kwam, bij de aanlegplaats aan de tomoi, vond hij daar den rangkan, waarmede zij geland waren, verdwenen. Op den oever, half in het water, lagen de vier onthoofde lijken van de Kapoeassers, dicht daarbij lag ook het geweer van Schlickeisen; maar overigens van den Zwitser geen spoor.
XXX
Vervolging.—Een bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri.
Dat was een vreeselijke bevinding voor Johannes. In zenuwachtige haast doorzocht hij de tomoi en den geheelen beperkten omtrek daarvan, zonder iets verder te ontdekken. Daarna beklom hij in allerijl den Oepon Batoe en gaf kennis aan zijn makkers van het ongeluk dat hen allen trof. Met de diepste verslagenheid vernam vooral Wienersdorf dat relaas en beweende met bittere tranen het uiteinde van zijn trouwen makker, van zijn landsman. Want dat Schlickeisen niet meer tot de levenden behoorde, daaraan viel bijna niet te twijfelen, dat stond vast bij hem niet alleen, maar ook bij alle kottabewoners. Zeer waarschijnlijk waren de gewonden, na het vertrek hunner makkers, door een troepje Doessonners overvallen geworden; de Zwitser was ook gesneld, maar bij de worsteling was het onthoofde lijk te water geraakt en door den stroom medegesleept geworden. Een tweede veronderstelling, die geopperd werd, was dat Schlickeisen wellicht gelegenheid had gevonden in het water te springen, om zich zoo te redden. Hij was een behendig zwemmer, verzekerde Wienersdorf. Maar Harimaoung Boekit wees op den wilden en kokenden stroom, die, van boven af gezien, zich als een band van glinsterend wit schuim tusschen de rotsen der oevers heenwrong, en uitte de meening, dat geen wezen, indien het geen waterdier was, daardoor heen kon komen, zonder honderd malen op de puntige rotsen verscheurd te worden. Een derde veronderstelling, die de Europeanen zich nauwelijks durfden toelispelen, was dat de ongelukkige levend in handen der Doessonners gevallen en door hen weggevoerd was. Dat ware een gruwzaam lot. Zij wisten toch en hadden het reeds verscheiden maal gezien, hoe de volkeren hunner omgeving met de krijgsgevangenen omsprongen. En wanneer nu die Doessonners, die wel tot de ruwste stammen van Borneo’s binnenlanden konden gerekend worden, ontdekten dat hun gevangene een blanke was? O! die gedachte alleen deed hen ijzen. En toch klemde zich Wienersdorf met de vertwijfeling der wanhoop aan die hypothese vast. Zij liet ten minste iets doorschemeren van een sprankje hoop, dat hij en zijn vrienden hulp zouden kunnen aanbrengen, dat zij den rampzalige zouden kunnen redden. Hij bepleitte die gedachte met een vuur, dat door Johannes gedeeld werd, en het scheen ook hem niet onmogelijk, dat Schlickeisen krijgsgevangen gemaakt was; en zijn avontuurlijken aard getrouw, was de Sienjo dadelijk gereed in die richting werkzaam te zijn. Beiden beijverden zich nu het Poenanhoofd voor hun opvatting te winnen. Aanvankelijk gelukte dat slechts middelmatig, want met het apathische karakter van den inlander, als het zijn belangen niet raakt, en de uiterst geringe waarde, die een menschenleven doorgaans in zijn oog heeft, was uit zijn mond niet veel meer te halen dan het onverschillige:
„Naughe! kalotèh oewei.” (Wat kan het mij schelen! er valt niets aan te doen.)
Maar onder de bezielende taal van die twee, werd eindelijk ook zijn hart warm en was hij voor de zaak gewonnen. Allereerst werd nu besproken, welke bende dien overval kon bewerkstelligd hebben en waarheen zij getrokken kon zijn. Maar hier was goede raad duur, de meeningen liepen nogal uiteen, totdat Wienersdorf voorstelde, dadelijk naar kotta Ohas in de soengei Miri te vertrekken, waaromheen Soerapatti zelf het beleg geslagen had. Op dien hoofdtroep toch zouden alle uitzwermende benden steunen en daarbij zich na volbrachte taak aansluiten. Ook was het zeer waarschijnlijk, dat alle krijgsgevangenen het opperhoofd zouden aangeboden worden. Dat was wel het beste, wat er te doen viel; en, leefde de ongelukkige nog, dan was met een zekere mate van stoutmoedigheid veel tot zijn redding uit te voeren. Maar.... de rangkans waren nog niet aangekomen. Wel waren zij van de hoogte der rots ver beneden strooms op de rivier ontwaard en door het scherpziend oog der inboorlingen herkend; maar daar de avond viel, kon op hun aankomst niet gewacht worden, die door het geringe aantal roeiers, waarmede de flotille bemand was, nog wel verscheidene uren kon vertraagd worden. Harimaoung Boekit sloeg dan ook voor: den tocht naar soengei Miri onmiddellijk te aanvaarden en daartoe den weg over land te kiezen. Hij en Amai Kotong verzamelden hun strijders, lieten hen een flink rantsoen rijst in hun mandjes medenemen en toen de zon aan de kim verdween, klom dat troepje Dajaks en Poenans, vergezeld van de drie Europeanen, in alle stilte den heuvel af en richtte zijn schreden behoedzaam door het bosch marcheerende, noordwaarts. Bij het afdalen van de hoogte kon La Cueille opmerken, welke vreeselijke uitwerking zijn krijgslist gehad had. In de diepe en breede voren, die de rollende rotsblokken in den grond geploegd hadden, waren allerwege verpletterde menschelijke lichamen in de aarde ingedrukt. Hier zag men een verbrijzelden schedel, elders een opengereten buik, op een andere plaats eenige handen en voeten, die als met een mes afgesneden waren. En bloed, bloed overal. Het was een ontzettend gezicht. Zelfs de zoo vereelte gemoederen der Dajaks waren bewogen; met afgrijzen wendden die woudloopers den blik af en haastten zich voort.
Toen de voet van den heuvel bereikt was, slingerde het pad zich evenwijdig aan de Kahajan, nu eens die rivier zeer dicht naderende, dan weer, wanneer de stroom kronkelde en westwaarts om boog, er zich van verwijderende. Den geheelen nacht en den daarop volgenden dag werd met inspanning van alle krachten voortgemarcheerd, zonder dat iets van den vijand ontwaard werd. Bij het vallen van den avond werd op een geschikte plaats halt gehouden, om een paar uur uit te rusten en zich eenigszins te verkwikken, waarna de marsch weer vol moed aanvaard werd.
Had de maan niet helder geschenen, dan ware zoo’n nachtelijke marsch door een tropisch woud onmogelijk geweest. Nu nog bood hij aanmerkelijke bezwaren en waren de vermoeienissen en inspanningen, die vereischt werden, overgroot te noemen. Het pad was zoo smal, dat slechts man voor man—de ganzenmarsch noemde La Cueille dat—voortgetreden kon worden. Soms verloor het pad zich in de dichte struiken of slingerende lianen en was het scherpzinnige instinct der Poenans en hun plaatskennis noodig, om den troep voor verdwalen te behoeden. Allerwege lagen omvergevallen boomstammen over den weg, de een nog gaaf en als een ware slagboom, andere half vermolmd en vergaan, overblijfselen van woudreuzen, die ook nu nog ongelooflijk moeilijke beletselen, bij het wonderlijke maanlicht in dat bosch, aanboden. Op sommige plaatsen moest met den mandauw in de hand een doortocht te midden der doornachtige slingerplanten gebaand worden, die de schamele kleeding der reizigers havenden en hun huid niet altijd onaangetast lieten.
„Chien de pays!” bromde La Cueille, „ik zal er uitzien, of ik met al de katten van de Dajaklanden gestoeid heb.”
Het kon ongeveer middernacht zijn—men was eenigen tijd over een grasvlakte voortgetrokken, die geen beletselen aanbood en zich onder de kruinen van ver uit elkander staand hoog geboomte uitstrekte—toen een der Poenans waarschuwde, dat hij in de nachtelijke stilte een verdacht gerucht op een korten afstand gehoord had; hij beweerde zelfs menschenstemmen vernomen te hebben. Harimaoung Boekit prevelde zacht eenige woorden, waarop hij met een zestal zijner makkers zich op den grond lieten vallen en over het gras voortslopen. Gedurende een kwartieruur stond het overige gedeelte van den troep ademloos stil, in gespannen verwachting. Eensklaps verhieven zich eenige kreten van angst, van woede en van vertwijfeling, waarna alles weer doodstil werd. Die stilte duurde niet lang, want weldra verschenen de Poenans, waarvan twee hunner ieder een menschenhoofd bij de haren in de hand hielden, terwijl de vier anderen twee geknevelde gevangenen voortsleurden. Die beiden, geheel ongedeerd, waren in hun slaap zoo snel overrompeld geworden, dat zij geen tijd gehad hadden, om zich te weer te stellen. Het meerendeel hunner makkers was of gedood of zwaar gewond. In de verbijstering van het oogenblik hadden de overigen met apenvlugheid hun heil in de vlucht gezocht. Johannes ondervroeg de gevangenen, die eerst niet wilden antwoorden en in hun vermetele woede zelfs beleedigingen voor hun overwinnaars ten beste hadden. Maar toen hun ondervrager hun op een toon van gezag aan het verstand bracht, dat hij hen wel aan het spreken zoude krijgen; maar vooral toen hij een nieuwe beleedigende uitdrukking van een hunner met een flinken vuistslag tusschen de beide oogen beantwoordde, die het den wrevelen groen en geel voor de oogen deed worden, toen werden zij gedweeër en vertelden, hoewel hortend en stootend, alsof ieder woord met geweld er uitgehaald moest worden, dat zij tot een bende behoorden, die het land afliep, om te plunderen, en dat zij van het wedervaren hunner stamgenooten weinig afwisten. Wel was hun verteld, dat bij een uitbarsting van den Oepon Batoe veel der hunnen omgekomen waren, maar dat daarbij ook al de bewoners der kotta den dood gevonden hadden; de eigenlijke toedracht schenen zij evenwel niet te weten. Zij verhaalden verder, dat de Doessonners een menigte koppen buitgemaakt hadden en dat hun een blanke in handen was gevallen. Ademloos hoorden onze vrienden dat bericht aan, terwijl Harimaoung Boekit verbaasd opkeek. Zoo kalm als hem maar mogelijk was, vroeg Johannes, hoe die blanke hier in deze streken kon gekomen zijn.
„Djaton tau” (dat weet ik niet) was het antwoord, „maar wij hebben hem gezien, hij lag aan handen en voeten gebonden in een rangkan; men had hem zijn baaitje afgescheurd. Zijn gezicht en handen waren bruin als die van een onzer; maar zijn borst en rug waren blank, hoewel men zien kon, dat hij zich de huid met katiting geverfd had.”
„En.... wat is er met dien blanke gebeurd?” vroeg Wienersdorf met aarzeling, als vreesde hij die vraag te stellen. „Heeft men hem gedood?”
„Neen, hoewel velen op zijn dood aandrongen, is besloten hem bij Tomonggong Soerapatti te brengen. Die zal hem wel aan de Hollanders te Bandjermasin uitleveren, met wien hij gaarne vrede wil sluiten.”
„Dus de gevangene is ongedeerd! Maar waar is hij nu?” was de ongeduldige vraag des Zwitsers.
De gevangenen aarzelden, keken elkander aan en bewaarden het stilzwijgen, ook toen de vraag door Johannes met allen ernst herhaald werd. Maar toen La Cueille zijn vingerdikken rottan fluitend op den rug der weerspannigen liet nederkomen en die tuchtiging bij langer stilzwijgen herhaalde, was de tegenstand spoedig gebroken. Zij verhaalden toen, dat zij den rangkan, waarin de gevangen blanke lag, bij zonsondergang gezien hadden hier dicht bij, aan den oever der rivier, alwaar de roeiers den nacht dachten door te brengen.
Onmiddellijk werd opgebroken, om te trachten dat vaartuig te overvallen. En werkelijk, nog geen kwartier later, toen men de boorden der Kahajan naderde, werd een rangkan ontwaard, die evenwel onraad bespeurende, ijlings afstak om den overkant der rivier te bereiken. Wel losten de Europeanen een paar schoten op het vluchtende vaartuig, maar weldra was het onder de zwarte schaduwen van het zware bosch aan de overzijde uit het oog verdwenen. Toen evenwel de schoten geknald hadden, had men duidelijk de woorden: „hilf! hilf!” gehoord. Men was dus op het goede spoor en onze zwervelingen hadden de overtuiging verkregen, dat hun makker nog leefde. Er werd nu raad gehouden wat te doen. Het Poenanhoofd gaf te kennen, dat de Doessonners genoodzaakt zouden zijn de rivier te houden, daar de Kahajansche bevolking hun vijandig was. Hij verzekerde een pad te kennen, dat hen spoedig bovenstrooms van de vluchtelingen zoude brengen en alwaar onze schutters naar omstandigheden zouden kunnen handelen. Alvorens evenwel op te breken, moest nog aan een wreede noodzakelijkheid gehoorzaamd worden. De twee Doessonsche krijgsgevangenen waren tot hier medegenomen; hen verder mede te voeren, zou vertraging veroorzaken en bijgevolg den uitslag van den tocht in gevaar kunnen brengen. Hen vrijlaten, zooals Wienersdorf voorsloeg, was nog minder doenlijk, daar zij hun zeer waarschijnlijk een geheele bende vijanden op den hals zouden halen. Na nog een voorstel van La Cueille, om hen ongewapend aan een boom te binden en hen zoo aan de genade Gods over te laten, verworpen te hebben als noodeloos wreed, in geval niemand daar voorbijkwam, of dat Kahajanners dien weg volgden, of als hoogst gevaarlijk, wanneer zij door stamgenooten bevrijd werden, fluisterde Johannes den Waal iets in het oor, waarop deze toestemmend knikte. De marsch werd daarop hervat, waarbij La Cueille, die met de bewaking der gevangenen belast was, den troep voorbij zich heen liet trekken, terwijl Wienersdorf en Johannes aan het hoofd bleven. Niet lang was men alzoo voortgetrokken, toen plotseling twee geweerschoten vernomen werden en de Waal buiten adem kwam aanloopen, om te vertellen, dat zijn gevangenen gepoogd hadden te ontvluchten, bij welke poging hij hen had moeten neerschieten.
„Après tout,” voegde hij er luchthartig bij, „ce sont deux canailles de moins.”
Of Wienersdorf die ontvluchtingspoging geloofde? Helaas! hij begreep maar al te wel de noodzakelijkheid van die menschenoffers, die tot redding zijns makkers gevallen waren. Hij kon zijn lotgenooten de list niet euvel nemen, die zij gebezigd hadden, om zijn gevoeligheid te sparen. Maar met een gebaar van afschuw zag hij de bloedige hoofden der gevallenen in de mandjes der Poenans verdwijnen. Voor deze laatsten was de buit te schoon voorgekomen, om hem achter te laten.
Met versnelden tred werd nu voorwaarts gemarcheerd en de dageraad begon aan te breken, toen de troep een hoogte bereikte, die evenals Oepon Batoe zich aan den oever verhief, terwijl de rivier als een woeste waterval naar beneden schoot. Dat was de Kiham Batoe Naroi, wel de moeielijkste en langste van alle stroomversnellingen op de Kahajan, maar toch de minst gevaarlijke, omdat het vaarwater voldoende breed blijft. Bij die hoogte aangekomen, verdeelde Harimaoung Boekit het troepje in twee ongelijke deelen, waarvan het kleinste met Amai Kotong en Wienersdorf de hoogte beklom en in een uitholling van den rotswand post vatte in dier voege, dat zij bij een kromming der rivier de opwaartsvarenden een geheel eind met hun vuur konden bestrijken. Het andere gedeelte stelde zich aan den voet van den heuvel op, om wanneer de Doessonners zouden willen terugkeeren, hun den pas af te snijden. Beide troepen moesten achter rotsen en struiken verborgen blijven, totdat het oogenblik van handelen daar zou zijn.
Zooals het Poenanhoofd voorzien had, duurde het nog een poos, alvorens de verwachte rangkan zich vertoonde. Maar eindelijk kwam hij in het gezicht. Al dadelijk konden de verspieders zien, dat het vaartuig door een twintigtal roeiers bemand was, maar van den gevangene was door den afstand nog niets te bespeuren. Toen de rangkan dichter bij gekomen was, kon men eindelijk zien, dat Schlickeisen naakt, en aan handen en voeten gebonden, op den bodem van het vaartuig lag en in deerniswaardigen toestand scheen te verkeeren. Langzaam stevende de rangkan de gevaarlijke passage in. Hier in het vijandelijke land was er niet aan te denken, het vaartuig langs een kabel te halen; daartoe zou men aan wal hebben moeten stappen. Alleen met roeien moest de zware stroom gebroken worden en dat was een moeielijke taak. Zwoegend plasten de roeiers hun pagaaien in het water en spanden alle kracht in. Soms schoot de rangkan gedwee vooruit, maar soms ook was het of hij stil stond op de schuimende wateren. Dan klonk het aanmoedigende gegil: „eoh! eoh! pambeseai goeloengoeloeng!” (vooruit! roeit snel!) dan verkortte de tijdmaat van den roeislag, dan sloegen de pagaaien dieper in het water, dan verdubbelde de inspanning en zoo werd het moeielijke punt te boven gekomen. Zoo was een geruimen tijd voortgetobt. Nog een krachtige inspanning, dan zou de kiham bestegen en de rangkan in kalm water gekomen zijn. Dus nogmaals: vooruit! vooruit!!
Maar.... wat was dat? Daar knalde een schot en de voorste roeier liet zijn pagaai glippen, terwijl hij doodelijk getroffen achterover tegen zijn makkers aanviel. Nogmaals klonk een schot, nogmaals en nogmaals en andermaal en allen met hetzelfde doodelijk gevolg. Ah! nu kende Wienersdorf geen ziekelijke menschenmin meer; het gold thans zijn trouwen makker te redden. Geen kogel mocht missen, want missen op dat kleine doel, stelde dien makker aan het grootste gevaar van zelf getroffen te worden bloot.
Als een bronzen standbeeld lag hij daar geknield, de kolf van zijn goed geweer tegen den schouder gesteund, het hoofd er even langs heen gebogen, terwijl de linkerhand het wapen met een vastheid, een kalmte omklemd hield, die iedere valsche beweging buitensloten. Het oog had slechts een blik voor de vizierkeep, waardoor het de korrel zocht, om die als in een lijn op gindsch doel te richten. Zijn geheele ziel hing aan dien blik, het was of zijn bestaan, zijn alles geketend was aan die denkbeeldige lijn, die zijn kogel den weg moest wijzen. Middelerwijl bewoog hij, zonder adem te durven halen, den wijsvinger van de rechterhand zacht en zonder rukken op den trekker, deed dien bedaard en regelmatig overgaan en zond zoo met wisse hand kogel op kogel te midden van dat vaartuig, dat een seconde te voren, voor geen gevaar beducht, naar boven stevende en met den zwaren stroom worstelde.
Vier roeiers waren reeds getroffen, alvorens de opvarenden begrepen, wat er gaande was. Door het geloei der wateren was het eerste schot niet door allen gehoord, maar toen een tweede, een derde, een vierde hunner gekwetst, zich daar akelig in de hevigste pijnen op den bodem des rangkans wrongen, toen kwam er een oogenblik van aarzeling; vooral toen de opvarenden duidelijk de blauwe rookwolkjes van de schoten langs den rotswand zagen omhoog kronkelen. Toch nog bracht de aanvoerder der bende een oogenblik van beradenheid te weeg. Op zijn geroep van „beseai bewèi!” (roeit flink) spoedde het vaartuig nog eens krachtig vooruit; maar daar knalden andermaal achter elkander drie schoten, die weer drie roeiers zwaar verwondden, toen was er geen houden meer aan. De overblijvenden sloegen hun pagaaien ruggelings te water en onder dien aandrang en voortgezweept door den zwaren stroom schoot de rangkan terug den kiham af. Maar nu weerklonk ook het geweervuur van achteren. Thans was het de beurt van Johannes en La Cueille om bewijzen hunner bedrevenheid te geven, en, al konden zij niet bogen op een vaste hand als de Zwitser, hun kogels verdwaalden niet en weldra waren de verliezen der Doessonners van zoodanigen aard, dat de overblijvenden in hun vertwijfeling, nog voor dat het benedeneinde des woesten kihams bereikt was, te water sprongen, om zich met zwemmen te redden. Dat was het oogenblik, dat Harimaoung Boekit verwachtte. Terwijl thans al de geweerdragenden een hevig vuur op de vluchtelingen openden, begaven hij en zijn Poenans zich te water. Als waterrotten doorkliefden zij den stroom, grepen den verlaten rangkan bij de boorden en brachten hem behouden aan den wal; evenwel zoo snel niet, of Wienersdorf, die den gang van het drama had kunnen gadeslaan, was bij het landen tegenwoordig. O! wat had hij angstige oogenblikken doorgestaan! Toen de rangkan aan wal kwam, boog hij er angstig over heen. God! wat een aanblik. Daar lag Schlickeisen schier naakt, in bewusteloozen toestand en blijkbaar de hevigste koorts ten prooi. De hals, de borst en de rug waren zeer ontstoken en opgezet en met honderden kleine wondjes overdekt. Daarenboven was het, alsof die lichaamsdeelen met een soort van blauwe verf overdekt waren. Spoedig verzamelde Wienersdorf eenige hoofddoeken zijner omgeving, waschte die schoon uit en lei ze daarna met koel en helder rivierwater gedrenkt, op het voorhoofd en de wonde plekken van den lijder.
Daarna beraadslaagde men wat met den zieke uit te voeren. Vooruit naar soengei Miri, was wel het meest verlokkende, wijl men daar het dichtste bij was; maar de munitie, die onze dapperen bij het verlaten der flotille medegenomen hadden, was beperkt geweest en bij de verdediging van kotta Oepon Batoe was die grootendeels verbruikt. Onder den invloed van het ongeduld, om hun makker te hulp te snellen, was daaraan minder gedacht en had men zich voortgespoed. Maar nu Schlickeisen gered was, gebood de voorzichtigheid met dat gebrek aan kruit en lood ernstig rekening te houden, vooral daar de geringe voorraad door het beschieten van den rangkan nog meer geslonken was en men berekenen kon, dat men bij het naderen van kotta Ohas met een overmachtigen vijand te doen zoude hebben. Er werd dan ook besloten naar Oepon Batoe terug te keeren. Maar de veroverde rangkan kon slechts omstreeks dertig personen bevatten, terwijl de troep vijftig sterk was. Na eenig beraad kwam men overeen, dat Amai Kotong met eenige zijner Kapoeassers en een gedeelte der Poenans over land naar kotta Rangan Hanoengoh zouden vertrekken. Dit troepje zoude uiterst omzichtig moeten marcheeren; want een ontmoeting met een of andere bende was niet onmogelijk. Tien hunner zouden met geweren gewapend zijn en daarmede achtten zij zich onoverwinnelijk tegenover de Doessonners. Daarenboven kenden zij het terrein uitstekend en was de weg, dien zij in rechte lijn af te leggen hadden, veel korter dan de waterweg van die veelvuldig kronkelende rivieren. En eindelijk hadden zij van de bevolking dezer streken alle hulp te verwachten. De beslissing was dan ook snel genomen; de rangkan voer de Kahajan af en Amai Kotong sloeg met zijn kleine bende den weg naar het bosch in.
De koele omslagen, die Wienersdorf zijn kameraad op de gewonde deelen gelegd had, misten hun gunstige uitwerking niet. Johannes en La Cueille hadden van eenige stokken en wat bladeren een afdak boven den lijder gemaakt, dat hem tegen de brandende stralen der zon beveiligde. Niet lang na het vertrek opende Schlickeisen de oogen en keek rondom zich. Een beweging, die hij maakte, perste hem een smartkreet af. Zijn makkers bogen zich over hem, ververschten de omslagen, hetgeen den lijder een gevoel van welbehaaglijkheid verschafte, lieten hem drinken, in een woord, verleenden hem liefdevol die verzorging, welke zijn toestand eischte. Toen zij zagen, dat de koorts geweken was, waschten zij zijn lichaam af, door welke handeling de blauwe kleur, waarmede hij ingesmeerd scheen, verdween en de bijna blanke huid te voorschijn kwam, waarin ontelbare wondjes geprikt waren. Op het gezicht van die huid zette Harimaoung Boekit groote oogen op. Hij boog zich voorover, bekeek den lijder aandachtig en vestigde daarop zijn oog onderzoekend eerst op Johannes en La Cueille, daarna op Wienersdorf. Allen voelden dien blik; zij voelden dat iets beslissends plaats greep. Wienersdorf scheurde zijn baatje open en, in den kring, waarin die vier mannen om den lijder gehurkt zaten, ontblootte hij zich de schouders en vertoonde die, evenwel zoo dat de roeiers er niets van zien konden, aan het Poenanhoofd. Toen deze de blanke huid zag, waarvan de katiting afgesleten was, prevelde hij:
„Olo bapoeti!” (een blank mensch).
Een oogenblik zat de woudzoon daar als versuft. Hij bedekte zich de oogen met beide handen, als vreesde hij te zien vooral in zijn binnenste, waar vreeselijke hartstochten loeiden. Maar zijn verbijstering duurde slechts kort. In die weinige sekonden evenwel was hem het gebeurde op het vlot in Danau Ampang voor den geest getreden, hij had zich herinnerd, hoe Wienersdorf en Schlickeisen hem bij kotta Djankang gered hadden, toen hij gestrikt, als een wild dier voortgesleurd werd. Met een gebaar als veegde hij een onwelkome gedachte van zijn voorhoofd weg, verhief hij het gelaat, vestigde een open blik op Wienersdorf en vatte hem bij de hand:
„Naughe! ikau kakangkoe” (om het even! gij zijt mijn oudere broeder) lispelde hij bijna onhoorbaar.
„En die?” vroeg de Zwitser op de drie overige Europeanen wijzende.
„Adingkoe!” (mijn jongere broeders) sprak de Poenan, terwijl hij ieder afzonderlijk de hand schudde.
Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst van Johannes, die dat geheele tooneel met angstig kloppend hart had aangestaard. Men kwam nu overeen dat de Europeanen hun vermomming voor hun omgeving zouden blijven behouden. Later zouden zij hun geschiedenis verhalen.
De aandacht werd nu verder op Schlickeisen gevestigd. Harimaoung Boekit beweerde, dat zijn toestand niets te beteekenen had en verklaarde, dat hij eenvoudig getatouëerd was. En werkelijk, toen de ontsteking zijner wonden geheel geweken was, verhaalde de Zwitser dat hij, na het verdwijnen zijner makkers bij de rotsbeklimming, met de vier gewonde Dajaks, slechts oog en oor hebbende voor hetgeen boven op Oepon Batoe plaats had, door een troep Doessonners was overvallen, die zich in een vaartuig de rivier hadden laten afzakken. Zij waren plotseling van achter den Batoe Soeli te voorschijn gekomen, en de overval was zoo spoedig geschied, dat de Dajaks onthoofd waren, voordat zij zich te weer konden stellen. Hij zelf was dat lot slechts ontkomen, door dat bij de worsteling zijn baatje scheurde en zijn huid zichtbaar werd, waarop zijn aanvaller uitroepende: olo bapoeti, zich op hem geworpen en hem met beide armen omstrengeld had, hetgeen te gemakkelijker kon geschieden, daar hij zich wegens zijn gewonden arm niet krachtig kon verdedigen. In een oogwenk was hij gekneveld en voerden de Doessonners hem gevankelijk mede. Hij hoorde hoe zijn overwinnaars er over spraken hem naar Tomonggong Soerapatti te willen brengen en hoe die hem waarschijnlijk aan het bestuur te Bandjermasin zouden uitleveren, om door de redding van een withuid weer op een meer vredelievenden voet met de Hollanders te geraken. Natuurlijk konden zij niet gissen welk belang de Nederlanders hadden, een dier deserteurs in handen te krijgen. De gedachte evenwel dat een blanke, die hun in handen was gevallen, gespaard zoude worden en dat zijn kostbare schedel hun ontgaan zou, scheen wrevel bij die woestaards te wekken, en zoo kwamen zij op het denkbeeld hun gevangene te tatouëeren, om bij wijze van aardigheid het Nederlandsch Indische Gouvernement een getatouëerden blanke aan te bieden. Een der aanwezenden haalde een „pantoek,” een priknaald voor den dag en begon den gevangene daarmede de kleine wondjes toe te brengen, welker menigte de grillige figuren van het „toetang” (tatoueering) moesten vormen. Die inprikking had plaats, door de naald met de punt ter bestemder plaats op de huid te zetten en er dan met een stuk hout zoodanig op te slaan, dat zij twee à drie m.m. indrong. Daar men met een gevangene te doen had, werd niet zeer zachtzinnig met hem omgesprongen en werd de naald veelal dieper in het vleesch gedreven, dan wel stipt noodig was. Eerst werd om den hals en het middel van het slachtoffer een kring van drie rijen gaatjes geprikt, waarna die kringen door drie rechte lijnen, ieder van twee rijen gaatjes, op de borst—waarvan twee over de tepels en een over het midden der borstkas getrokken—en op den rug door een, welke over de ruggestreng ging, vereenigd werden. Toen dat klaar was, wilde de operateur zijn werk vervolgen, en de ruimte tusschen de lijnen met grillige arabesken aanvullen; maar een zijner makkers deed hem opmerken, dat de lijder dat niet verdragen, maar zeker bezwijken zou. Daarom staakte hij het prikken en wiesch nu de wondjes eerst met heet water, om een overvloedige verbloeding te bevorderen, en daarna met citroensap, hetgeen den patiënt woest deed huilen en tieren van pijn. Toen de wondjes ten gevolge van die laatste wassching behoorlijk ontstoken en hevig gezwollen waren, werden zij met een papachtige indigo-oplossing ingesmeerd; waarna de lijder in de hevigste pijnen zonder een teug waters en zonder eenige dekking in den fellen zonneschijn aan zijn lot overgelaten werd. Een koortsachtige toestand was daarop ingetreden, die hem het bewustzijn had doen verliezen. Des nachts was hij een oogenblik uit zijn verdooving opgeschrikt door een paar geweerschoten; hij had toen om hulp geroepen; maar gefolterd door de onverdraaglijke pijnen, die hij te verduren had, had hij zijn bewustzijn weer verloren. Toen hij tot zich zelf kwam, zag hij zich omringd door zijn makkers.
„Cré matin!” lachte La Cueille, „je bent door het oog van een naald gekropen; maar eigenlijk is het jammer, dat de kerels je niet ten einde toe beschilderd hebben; je zoudt er uitzien als een behangselpapier. Kijk, net als die Poenan daar. Wat zou je mooi zijn! Nu zal je al veel bekijks hebben van de meisjes in Zwitserland.”
De zieke glimlachte flauw over den uitval; toen echter zijn vrienden de koele omslagen nog eens vernieuwd hadden, viel hij in een weldadigen slaap, waaruit hij niet eerder ontwaakte, dan toen de rangkan te kotta Oepon Batoe aangekomen was. Hij gevoelde zich toen zoo ver hersteld, dat hij zonder iemands hulp aan wal kon stappen. Wel waren de geprikte deelen nog uiterst pijnlijk, maar de ontsteking was geheel geweken en van koortsachtigheid geen spoor meer. Maar door die kringen en die lijnen was onze Schlickeisen voor zijn geheele leven onuitwischbaar geteekend.
Na een korte kennismaking met het wedervaren van de vrouwen en kinderen, dat niets bijzonders aanbood, maakte een ieder zich tot vertrek gereed; en nog voordat de avond gevallen was, stevende de flotille de Kahajan om. Harimaoung Boekit wilde geen uur verloren laten gaan, om het benarde kotta Ohas te hulp te vliegen. Bij den helderen maneschijn werd onverpoosd voortgeroeid; de vrouwen deden zelfs mede, om de afwezige Poenans te vervangen. Maar al die haast en al die inspanning waren geheel vruchteloos; want toen de rangkan, tegen het middaguur Toembang Miri instevende, kwam hun een zwaar bemand vaartuig te gemoet, dat het nieuws bracht, dat Amai Kotong met zijn troepje te kotta Rangan Hanoengoh was aangekomen en de niet minder belangrijke tijding, dat Tomonggong Soerapatti bij het vernemen van de vreeselijke nederlaag der zijnen voor Oepon Batoe, het beleg van kotta Ohas had opgebroken en met het overschot zijner krijgsmacht naar de Doessonlanden was teruggekeerd. Wel had hij bij zijn vertrek den Dajaks van Kahajan en van Kapoeas een vreeselijke wraak voor die nederlaag gezworen; maar.... de bewoners dier streken waren hem nu al vast kwijt. Keerde hij later terug, dan zou men hem met evenveel moed bekampen, als dat nu geschied was.