← Borneo van Zuid naar Noord

XIII…

Part 3 of 6 · Michaël Théophile Hubert Perelaer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #67054, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (35)
  1. Opening about 5 min
  2. I about 15 min
  3. II about 15 min
  4. III about 21 min
  5. IV about 23 min
  6. V about 17 min
  7. VI about 25 min
  8. VII about 38 min
  9. VIII about 19 min
  10. IX about 23 min
  11. X about 25 min
  12. XI about 19 min
  13. XII about 24 min
  14. XIII about 23 min
  15. XIV about 27 min
  16. XV about 25 min
  17. XVI about 25 min
  18. XVII about 25 min
  19. XVIII about 24 min
  20. XIX about 23 min
  21. XX about 25 min
  22. XXI about 25 min
  23. XXII about 26 min
  24. XXIII about 26 min
  25. XXIV about 24 min
  26. XXV about 27 min
  27. XXVI about 26 min
  28. XXVII about 28 min
  29. XXVIII about 26 min
  30. XXIX about 22 min
  31. XXX about 20 min
  32. XXXI about 20 min
  33. XXXII about 18 min
  34. XXXIII about 19 min
  35. XXXIV about 1 h 16 min

Continue:

XIII

Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van onderwerping.

„De drommel moge zoo’n stroom halen!” pruttelde La Cueille binnensmonds, „je ziet niet dat we vooruit komen.”

En werkelijk het kostte inspanning en ook genoeg zweet onder de tropische zon, om den aandrang van het water te breken en veld te winnen. Er waren soms oogenblikken, als scherpe hoeken omgevaren moesten worden, dat het oog zoo dadelijk niet waarnemen kon of men vorderde ja dan neen. Het was dan of de prauw op de watervlakte heen en weder gierde, zonder voor- of achteruit te komen. Maar dan werden de pagaaien met verdubbelde kracht in ’t water geslagen en eerst langzaam, daarna iets beter, ging het vooruit.

Er was een ware kennis van de vaart op de rivier noodig om hoeken af te snijden, bochten te mijden, van stroomdraaiingen gebruik te maken, zand- en rolsteenbanken te ontloopen, rotsblokken om te sturen, in een woord om zonder gevaar de reis in den kortst mogelijken tijd te volbrengen. Wat nog al tot veel omzichtigheid noopte, was de aanwezigheid van een groot aantal doode boomen in de bedding der rivier, die het vaarwater al zeer onveilig maakten. Door storm of overstrooming aan den vasten wal ontrukt, worden die woudreuzen gewoonlijk door den zwaren stroom een eindweegs medegesleept, maar blijven eindelijk zitten, als verankerd door de wortelmassa, die door de klei en steenen daar tusschen opgehoopt, veel zwaarder dan het overige gedeelte van den tronk, over den rivierbodem sleurt en door de oneffenheden daarvan weerhouden, zich eindelijk vastzet. Die boomstammen zijn vooral voor stroom opkomende vaartuigen zeer gevaarlijk, daar zij, met de kruinen in de richting van den stroom liggende, en langzamerhand van bladeren en dunne takken ontdaan, als een geduchte piketteering te beschouwen zijn, welker punten onder zekere helling staande, zich niet altijd voor het oog vertoonen, maar slechts door het koken en opborrelen des waters waarneembaar zijn. Een aanvaring met zulk een „snack”, zooals de Amerikanen dat noemen, is meestal noodlottig en heeft het spoedig zinken van het vaartuig ten gevolge. Dalim en zijn landgenoot, als goed bekend met de rivier, keken dan ook nauwlettend uit en verhoedden zoo onheilen, die, behalve het levensgevaar, dat zij daarstelden, ook nog onherstelbare verliezen—b.v. van de prauw—zouden kunnen berokkenen.

La Cueille, dien het zware roeien eenigszins pijnlijk viel, bekeek van tijd tot tijd zijn arm. Daaraan was evenwel niet veel te bespeuren. De snee, die Wienersdorf gemaakt had, was met een korst overdekt, maar overigens zonder eenige ontsteking. Alleen werd rondom het pijlwondje een zwarte kring waargenomen, die zich ter grootte van een gulden uitstrekte. Dalim verklaarde dat dit bij pijlverwondingen steeds het geval was, ook wanneer de gewonde overleed.

Wienersdorf kon niet nalaten te vragen, waaruit die vergiften getrokken werden. Toen hij vernam, dat de beide voornaamste, bij de Dajaks bekend onder de namen van „siren” en „ipoh”, plantaardige vergiften zijn, was zijn weetgierigheid uitermate geprikkeld. Hij wilde weten van welke gewassen zij afkomstig zijn, hoe zij bereid worden. Op de eerste vraag kon Dalim noch zijn makker hem voldoende inlichting geven, want van het pedante classificeeren der plantenwereld, zooals de geleerden dat doen, hadden die eenvoudige Dajaks volstrekt geen begrip. Wat de tweede vraag betrof, deze verkreeg een meer voldoend antwoord; Dalim althans had het bereiden van het vergift meermalen bijgewoond. Het kostte evenwel veel moeite hem aan het praten te krijgen. De Dajaks zijn dienaangaande zeer geheimzinnig. Na veel gevraag kwamen zijne mededeelingen op het navolgende neer:

In de binnenlanden van Borneo, bij voorkeur op de hellingen van bergen en heuvels, groeit een boom, die door de inboorlingen „Batang Siren” genoemd wordt. Deze boom bereikt, evenals onze eik, den ouderdom van honderd jaren. Zijn stam erlangt bij volle dikte een doorsnede van 1.50 M.

Om nu het vergift uit dien boom te trekken, worden in den dikken bast schuinsche inkervingen tot op het hout gemaakt. Uit die inkervingen druppelt een wit melkachtig vocht, dat in bamboezen cylindertjes wordt opgevangen. Dit vocht verkleurt spoedig wanneer het met de dampkringslucht in aanraking komt, wordt geel, daarna bruin en eindelijk zwart bruin. De inzameling moet met de uiterste omzichtigheid geschieden, daar de inademing van de gassen, die zich bij de afscheiding van het vocht en zijn aanraking met de lucht ontwikkelen, zware ziekteprocessen en niet zelden den dood veroorzaakt.

Het vocht, zooals het uit den boom gevloeid is, heeft volstrekt geen kracht, het verkrijgt die eerst door een opvolgende uitdamping en koking met andere gewassen.

Wanneer het vocht behoorlijk behandeld [50] en verdikt is, wordt het nog warm in een steenen kannetje of potje gegoten, waarin het spoedig stolt. Dit kannetje wordt door de Dajaks der bovenlanden overal medegenomen en is bevestigd aan den buikband van zijn mandauw. Dit potje wordt slechts even verwarmd, waarna het voldoende is de pijlpunten in de vloeibare zelfstandigheid te doopen en deze te laten afdroppelen. Die punten zijn dan met een dun laagje getah overdekt, dat spoedig stolt.

Om te onderzoeken of het vergift de gewenschte kracht bezit, wordt een orang oetan, een kip of een eend met een vergiftigd pijltje verwond. Indien het getroffen dier niet binnen het half uur bezwijkt, wordt de siren op nieuw uitgedampt en met andere vergiftige planten gekookt.

De eerste symptomen, die zich bij den gewonde gewoonlijk openbaren, zijn hevige brakingen, die opgevolgd worden door een bevende verlamming der ledematen, die ongeveer tien minuten aanhoudt en onder hevige stuiptrekkingen met den dood eindigt.

Het ipohvergift wordt op dezelfde wijze gewonnen en toebereid. Dit is echter het vocht uit een slingerplant, waarvan de moederstam niet dikker dan 2½ dm. middellijn wordt. In de uitwerking van de ipoh wordt met de siren weinig verschil aangetroffen, alleen dat zich geene brakingen voordoen.

Alle Dajaks weten deze vergiften te bereiden; maar, daar de beide gewassen uitsluitend in de berglanden voorkomen, zijn de bovenlanders in die bereiding meer bedreven dan de kustbewoners.

„Het snelstwerkend vergift”—zoo eindigde Dalim zijn toelichting—„komt uit Siang en Moeroeng, twee landstreken tusschen de boven Doesson en boven Kapoeas gelegen. Laatstgenoemde heeft daaraan haren naam Kapoeas-Moeroeng ontleend, ter onderscheiding van de Kapoeas-Bohong, die op de westkust uitwatert.”

„Komen wij die landschappen Siang en Moeroeng door?” vroeg Wienersdorf gretig.

„Ik hoop van niet,” antwoordde Johannes lachend, „ik heb met Dalim een ander reisplan besproken. Wie kan evenwel zeggen, waar we heen zullen dwalen? en hoe vaak we genoodzaakt zullen zijn onze plannen te wijzigen. Wordt evenwel mijn route volvoerd, dan komen we die landschappen wel zeer nabij, maar er niet door.”

„Zullen we die gewassen te zien krijgen, waarover Dalim zoo even sprak?”

„Ja,” antwoordde deze, „genoeg; maar wat zoudt gij willen?”

„Dan hoop ik bladeren, bloemen, takken, wortels en vruchten mede te kunnen nemen.”

„Tu, tu, tu! ik zou je raden daarmee voorzichtig te zijn. In sommige tijden van het jaar is het zelfs zeer gevaarlijk onder den wind in de nabijheid van zoo’n boom te verwijlen. Als ge daarop uitgaat, waarschuw mij dan eerst.”

„Zijn dat de eenige giftige gewassen, die Borneo oplevert?” vroeg Wienersdorf verder.

„Waarachtig niet,” antwoordde Johannes. „Dat zou een armoedige flora opleveren voor een tropisch land. Integendeel, Borneo is rijk aan planten, die den dood kunnen geven. Gelukkig dat het in den aard der bevolking niet ligt, daarvan gebruik te maken. Dat is een geruststelling. We kunnen ons op koppensnellerspartijen, op overvallen, op gevechten van allerlei aard voorbereiden. Bij onze verdere tochten, wanneer we in het hoogland zullen zijn, zullen we in iederen struik een vijand te zien hebben; maar we zullen zonder argwaan kunnen nuttigen, wat men ons zal voorzetten of te koop aanbieden. Er is evenwel een gebruik in de bovenlanden, dat nog al te denken geeft en het vermoeden doet rijzen, dat in vroegere tijden vergiftigingen aan de orde van den dag waren. Nimmer zal daar namelijk een gast iets gebruiken, hetzij eet- of drinkwaren, of de gastheer moet er van geproefd hebben. Het is zelfs een beleefdheidsvorm geworden, den aanreiker van het aangebodene te doen proeven.”

Onder deze en dergelijke gesprekken hadden de reizigers duchtig de roeispaan gehanteerd en waren zoo omstreeks het middaguur de soengei Moeroi genaderd. Toen zij die voorbij wilden varen, zagen zij een vlot die breede soengei afzakken, terwijl drie mannen daarop alle krachten inspanden om de vaart van dat onhandelbare ding te temperen. Een der opvarenden riep om hulp, en daar het volgens landsgebruik niet geoorloofd is, die te weigeren, stuurde Dalim zijn prauw naar het vlot en lag deze spoedig daarlangs vastgemeerd. Het kwam er in de eerste plaats op aan, het vlot, dat door den zwaren stroom gegrepen was, naar den wal te sturen en daar vast te leggen. Spoedig hadden onze avonturiers hunne rottankabels voor den dag gehaald, alsook de ankerketting, uit soengei Naning medegenomen. Toen die stevig aan elkander gevoegd waren, werd het eene eind daarvan aan een soort van spil op het vlot vastgemaakt en het andere eind met behulp van een djoekoeng aan den wal gebracht en daar om een zwaren boomstam geslagen. Het vlot inmiddels voortdrijvende, kreeg, toen de kabel strak liep, een vreeselijken schok, waardoor Schlickeisen en La Cueille, daarop minder verdacht, voorover in de rivier tuimelden, maar door Dalim en een paar der nieuwe Dajaksche vrienden gered werden. Niettegenstaande den zwaren schok, hield de kabel zich goed. Zij stond gespannen als een snaar en het vlot trilde onder den aandrang van den stroom. Toen het gevaarte eenigszins naar den wal gezwaaid was, begonnen de mannen het spil te winden, totdat het vlot den boom genaderd was, waaraan het met den kabel vast lag.

Onze reizigers vernamen nu, dat de eigenaar van het vlot, een Kwala Kapoeasser, Bapa Andong genaamd, boschproducten in de soengei Moeroi was gaan zoeken; dat hij daarin ook geslaagd was, maar dat hij in den voorlaatsten nacht door een troep Poenan’s overvallen was, waarbij hij vier zijner pandelingen verloren had, die allen gesneld waren. Dat hij en zijne twee overgebleven pandelingen nog in leven waren, hadden zij aan hunne moedige houding te danken. Bij den eersten alarmkreet hadden zij hunne mandauw’s gegrepen en waren de aanvallers koen te gemoet getreden, tijdig genoeg om hun eigen leven te redden, te laat echter om hunne ongelukkige makkers te hulp te komen, die in hun slaap afgemaakt waren. Toen beide partijen wat gepraat hadden, kwamen zij tot de slotsom, dat zij met dezelfde bende koppensnellers hadden te doen gehad en dat uitermate waakzaamheid betracht moest worden; want bij de teleurstelling den gesnelden kop te kotta Towanan te hebben moeten achterlaten, kwam de bloedwraak nog, die de woudloopers over het verlies van hunne beide makkers zoude bezielen.

Bapa Andong verzocht Johannes, die, zooals wij weten, als handelaar aan het hoofd der expeditie stond, hulp te verleenen om het vlot naar Danau Ampang te brengen. Hij had daar nog een menigte boschproducten opgeschuurd; met de overgebleven pandelingen was het evenwel onmogelijk het vlot, tegen den stroom derwaarts te voeren. Wel werd er besproken, dien moeitevollen arbeid niet te ondernemen, en die producten met de prauw onzer avonturiers te gaan halen, maar de nabijheid der Poenans deed hen van het plan om zoo hunne krachten te splitsen, afzien. De tien mannen, die nu op het vlot bij elkander waren, konden zich vereenigd zeer sterk noemen; verdeeld, zouden zij afzonderlijk aangevallen en vernietigd kunnen worden. In de Danau (het meer) was Andong [51] de zoon des eigenaars met nog een zestal pandelingen, omtrent wier lot na het gebeurde de vader zich thans ongerust maakte. Er werd overeengekomen, dat onze reizigers het vlot in het meer zouden helpen brengen, dat zij de behulpzame hand zouden bieden om de aldaar opgestapelde producten te laden, dat zij vervolgens het vlot weer in den Kapoeas-stroom zouden brengen, waarna hunne hulp overbodig werd, daar Bapa Andong van meening was, alsdan nog voor het invallen van den nacht den kampong Pendek-katiempoen te kunnen bereiken. Aldaar had hij tal van verwanten en vrienden en zouden de Poenans zich daar wel niet wagen. Voor die hulp werd toegezegd, werd bepaald, dat bij het scheiden, twee pandelingen op de prauw onzer avonturiers zouden overgaan. Deze zouden te kotta Baroe of te kotta Djangkan, in een woord bij de eerste voorkomende gelegenheid vervangen worden, waarna zij wel gelegenheid zouden vinden met den een of anderen handelaar naar hunne haardsteden terug te keeren.

Nadat die overeenkomst getroffen was, werden de handen aan het werk geslagen. Toen het vlot met een hulptros was vastgelegd, werd de hoofdkabel van den boom losgemaakt en per djoekoeng den afstand harer geheele lengte verder gebracht en daar weer om een dikken boom geslagen. Het spil werd weer in beweging gesteld en zoo het vlot tegen den stroom opgehaald. Zoo ging men onafgebroken voort en het is te begrijpen, dat dit een zware arbeid was, vooral voor onze Europeanen, die daaraan niet gewoon waren. Zij kregen daarbij evenwel een inzicht omtrent de bedrijvigheid van het volk, in welks midden zij zich bevonden, en dat in dien arbeid bijzonder te huis scheen.

Het vervoer der boschproducten geschiedt van uit de binnenlanden van het zoo waterrijke Borneo bijna niet anders. Onze avonturiers hadden nu ruimschoots gelegenheid om de samenstelling van zoo’n vlot of „lanting”, zooals de inlanders het noemen, op te merken. Het gevaarte, dat zij onder de oogen hadden, bestond uit een tweehonderdtal boomstammen van uitmuntend timmerhout, die met zware rottankabels goed aan elkander verbonden waren. Over die boomen was een vloer van „niboeng” [52] latten aangebracht. In het midden van het vlot was een vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijde daarvan de producten behoorlijk onder dak opgestapeld waren. Zoo waren daarop aanwezig ruim vier duizend bossen rottan, een paar duizend „gantangs” [53] „njating” (hars) een honderd pikols bijenwas, een twintig pikols „ngiatoe” (getah-pertjah) en een klein partijtje vogelnestjes. De beide laatste koopwaren had Bapa Andong van eenige handelaren der bovenlanden tegen bijenwas, bij welks vergaring hij bijzonder gelukkig geweest was, ingeruild. De overige producten waren het resultaat van eigen arbeid. De rottan was in de omliggende soengei’s gesneden. De hars was gedeeltelijk aan de boomen zelven gewonnen, gedeeltelijk langs de oevers der rivier ingezameld. Ter bekoming van de edelste soorten van dit product, maakt de Dajak inkervingen in de hem bekende harsachtige boomen en ziet na weinige dagen zijne moeite rijkelijk beloond. De overige soorten heeft hij slechts langs de boorden der rivier, op de zandbanken en landtongen op te rapen. De hars namelijk druipt in sommige tijden van het jaar van de boomen, valt op den grond en neemt aldaar aarddeelen en andere onreinheden op. Bij den eersten den besten watervloed wordt zij medegesleept. Door de onreinheden is zij specifiek iets zwaarder dan het water, zoodat zij wel drijvende, doch ietwat beneden de oppervlakte, den stroomdraad volgt. Brengt nu de wind de breede stroomen van Borneo in beweging, dan wordt die hars door den golfslag op de oevers geworpen of door den stroom op de uitstekende hoeken of zandbanken afgezet. Het gebeurt ook niet zelden, dat op die zandbanken of op de eilanden in die stroomen, in een woord overal in alluvialen grond, weinige voeten onder de oppervlakte des bodems, harsbeddingen van soms meer dan honderd M2. oppervlakte, bij een dikte van 2 c.M. tot 3 d.M. aangetroffen worden.

Dat alles vernamen onze vluchtelingen met groote belangstelling uit de gesprekken hunner nieuwe makkers. Wat het inzamelen van bijenwas betreft, daaromtrent zouden zij zelf ondervinding opdoen en kunnen opmaken, dat die heel wat verschilt van de bijenteelt in Europa.

Met inspanning van alle krachten vorderde het vlot langzaam maar toch gestadig. Eindelijk, tegen het vallen van den avond, was het gevaarte den laatsten hoek omgewerkt en de ingang zichtbaar van het kanaal, dat het meer met de rivier verbindt. Maar nu waren de krachten ook uitgeput en was rust noodzakelijk. Er was toch geen mogelijkheid om het vlot bij nachtelijk duister door dat nauwe kanaal te voeren, en werd dus besloten te overnachten ter plaatse waar men was. Het vlot werd aan den wal gemeerd, waarna een gedeelte der bemanning op den oever sprong om het terrein in de nabijheid over een uitgestrektheid van honderd passen middellijn ongeveer van struikgewas te zuiveren, teneinde een vrij uitzicht te hebben, de struiken en takken zooveel mogelijk als een heg aan de grens van die open vlakte op te stapelen en dus een soort van retranchement te hebben, waardoor niet kon heengebroken worden zonder de aandacht te wekken. Verder werd de geheele manschap in twee ploegen verdeeld, die om beurten wakker blijven en scherp uitzien zouden, waarbij Johannes zorgde, dat hij met La Cueille bij de eene en de twee Zwitsers bij de andere ingedeeld werden.

Zeer waarschijnlijk waren die voorzorgsmaatregelen oorzaak, dat de nacht ongestoord voorbijging; want de koppensnellers schuwen over het algemeen het gevecht en deinzen gewoonlijk af, wanneer hunne tegenstanders waakzaam zijn en zij dus voorzien kunnen, dat hun laf sluipmoordenaarswerk niet zonder gevaar kan geschieden.

Met den dageraad werd de arbeid hervat en na een goed uur zwoegens was het vlot in het kanaal; en de zon had nog niet de helft van hare geheele hoogte bereikt, toen het bij de stapelplaats vastgemeerd lag, om de overige lading te ontvangen. Daarmede werd met zoo’n vlugheid te werk gegaan, dat, toen de dag ten einde neigde, alles aan boord gerangschikt, en men tot vertrek gereed was.

Intusschen viel er nog een belangrijke arbeid te verrichten. Sedert Bapa Andong met de inzameling zijner boschproducten begonnen was, waarmede een tijdruimte van ongeveer zes maanden gemoeid was, hadden honderden bijenzwermen hun nest gemaakt op en in de boomen, die zich op den westelijken oever van het meer verhieven. De boomen, die deze kleine diertjes daartoe uitkiezen, zijn een zeer hooge soort, met rechten, gladden stam en ver uitstekende takken. De Dajaks noemen zoo’n woudreus: „tanggirang”; in gunstige jaren worden op zulk één boom 200 à 300 bijennesten gevonden. Zoodra Bapa Andong het begin van den arbeid dezer nijvere diertjes opgemerkt had, begon hij zijn maatregelen te nemen, om zich op een gegeven oogenblik hun buit te kunnen toeeigenen. Daartoe had hij in iederen „tanggirang” dagelijks een paar pennen van hard hout op ongeveer 4 d.M. van elkander laten slaan, en was daarmee voortgegaan, totdat de aldus gevormde ladder de benedentakken van den woudreus bereikt had. Die arbeid had lang geduurd, maar kon niet anders uitgevoerd worden, doordat, wilde men de ladder onafgebroken vervaardigen, dat aanhoudende geklop op de „tanggirangs” de bijen zeker zoude verontrusten en een aanval hunnerzijds niet zoude uitblijven. In de laatste dagen hadden de pandelingen van Bapa Andong het terrein rondom de boomen van struiken en onkruid gezuiverd. Men was dus tot handelen gereed en wachtte nog slechts op het gunstige oogenblik. Dat oogenblik scheen nu gekomen.

Het was een stormachtige nacht, die ingetreden was, een dier kenteringsnachten in de tropische gewesten, waarin de wind huilde en pogingen scheen aan te wenden om geheele vakken van het oorspronkelijk woud te ontwortelen; een nacht waarin het zwerk met dichte wolken bedekt en de duisternis zoo groot was, dat het aardrijk met een zwart floers overtogen scheen. Met den zoon van Bapa Andong en de zes pandelingen, aan de boorden van het meer aangetroffen, waren nu zeventien mannen te zamen. Deze stegen in de prauw van onze avonturiers en in twee djoekoengs en staken over de schuimende wateren van het meer naar de overzijde, waar de tanggirangs stonden. Daar aangekomen stapten zij aan wal en plaatsten onder iederen boom op vier stokken, een vrij grooten linnen lap in dier voege, dat hij aan de vier punten opgehouden, een zak vormde, die den grond evenwel niet raakte. Toen men daarmee klaar was, werden een aantal fakkels van groen en veel rookgevend hout, te voren vervaardigd, ontstoken. Iedere Dajak greep er een van, en nu ging het bliksemsnel langs de vervaardigde ladders omhoog, tegen de tanggirangs op. In iederen boom klom slechts een man, terwijl inmiddels Bapa Andong en de vier Europeanen met het geweer in de hand beneden in het donker bleven en de wacht hielden.

In een ondeelbaar oogenblik waren de klouteraars boven en klopten nu op de talrijke nesten. Met een geluid als wilden zij den storm overtreffen, kwamen de bijen brommend naar buiten, om zich op de aanvallers te werpen, maar, verblind door het licht der fakkels, die hevig heen en weer werden gezwaaid, en verstikt door den rook, die in dikke wolken door de kruinen voer, werden zij door den stormwind ver weggedreven en vielen met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden aan de overzij van het meer ter aarde. Zoodra de zwermen verdreven waren, beijverden zich de aanvallers de nesten met een bamboelemmer van de takken los te maken en in de daaronder opengesperde linnen zakken te laten vallen. In een oogwenk om zoo te zeggen was alles geschied en de klouteraars waren reeds beneden, toen de Europeanen nog vol ontzetting naar boven tuurden.

Het was dan ook een aangrijpend schouwspel voor hen geweest.

Die naakte bruine gedaanten met fladderende haren in dien stormachtigen nacht, bij het onzekere schijnsel der fakkels, pijlsnel naar boven te zien klimmen; die gedaanten zich daar boven hoog in de lucht over de takken te zien buigen, de fakkels heen en weder te zien zwaaien en zich in een dikken rook hullen; die dwaallichten daar hoog boven tusschen de slingerende takken, de weerkaatsing in de wateren van het fel bewogen meer; het gehuil van den storm en het gegons van millioenen bijen, terwijl met tusschenpoozen een weemoedige stem van bovenaf weerklonk en een droevig eentonig gezang tusschen de stormvlagen deed hooren, dat alles kwam hun zoo verrassend, zoo spookachtig voor, dat zij het, vooral bij den korten duur, voor een droom, voor een zinsbedrog hadden kunnen houden, lagen de tallooze nesten, druipende van honig, niet aan hunne voeten om hen van de werkelijkheid te overtuigen.

„Sacré matin! dat zijn flinke kerels!” brak La Cueille los.

„Wat een behendigheid, vlugheid en bedaard overleg daar bij,” bevestigde Schlickeisen; „kijk, geen enkel ongeval is bij die verbazende onderneming gebeurd.”

De bijennesten waren spoedig in de prauw en de djoekoengs geladen en het was nog geen middernacht toen de expeditie aan boord van de lanting terug was.

Het wekte de verwondering der Zwitsers, dat Bapa Andong zijn vlot, waarop toch voor een groote waarde aan koopmansgoederen opgestapeld lag, gedurende de helft van den nacht alleen had durven laten. Hij wist toch, meenden zij, dat slecht volk in den omtrek rondzwierf. Maar Dalim verklaarde hun, dat diefstal in de Dajaklanden bijna nimmer voorkomt, dat dat vlot daar maanden zou kunnen liggen, zonder dat iemand er een vinger naar zou uitsteken. Alleen wanneer het afdoende gebleken was, dat het onbeheerd bleef, zou het weggehaald zijn. Het slechte volk, waarvan zij spraken, beoogde slechts één buit, namelijk menschenschedels. Al het overige was hun onverschillig en zouden zij niet aanraken.

„En daarom,” zoo besloot de Dajak zijn toelichting, die niet van nationaliteitsgevoel ontbloot was, „en daarom, het is en blijft steeds ons wachtwoord: „pas op je kop, breng je kop thuis.””

De bijennesten werden op een stellage, daarvoor expresselijk vervaardigd, geplaatst om uit te druipen. De Zwitsers, die, als de tenant in hun wapenschild [54], echte honiglikkers waren en dus nog al belang in die geheele verrichting stelden, vernamen gedurende die bedrijvigheid dat die nesten den naam van „idang” in de Dajaksche taal dragen; dat iedere idang gewoonlijk een K.G. was en 12 K.G. zuiveren honig oplevert. Men had een tiental tanggirangs van hunne idangs ontdaan. Deze, berekend op 200 idangs per boom, lagen daar dus 2000 nesten, die een zelfde aantal K.G. was en 24,000 K.G. honig zouden opleveren. De eerst verkregen honig, die van zelf uitdruipt, is de zuiverste en wordt door de liefhebbers voor den fijnsten gehouden. Later worden de idangs in een zak, van ruwe plantaardige vezels vervaardigd, gewrongen en geperst, waarna de was, ter verdere zuivering herhaalde malen in water wordt gekookt en eindelijk in groote schijven of koeken gegoten, die een middellijn van ongeveer 0,5 M. hebben, ± 15 K.G. zwaar zijn, en zoo in den handel gebracht worden.

Toen de bijennesten op hunne stellage gestapeld waren, werd de wachtdienst weer ingedeeld als den vorigen nacht en kon de helft der opvarenden trachten rust te genieten.

Maar in de Dajaklanden op rust rekenen, is veelal de rekening buiten den waard maken. De eerste uren gingen wel is waar zonder stoornis voorbij; maar nauwelijks had de „takakak” [55] zijn ochtendgeschreeuw doen hooren en kon het diensvolgens drie uur in den morgenstond zijn, toen de jeugdige Andong iets meende te hooren aan de boschzijde. Als een bronzen standbeeld vatte hij post, luisterde, ja luisterde scherp toe. Daarop wenkte hij zijn makkers, evenwel zonder gedruisch te maken. Allen spitsten de ooren, al hunne zintuigen waren in de gehoorzenuwen overgegaan en jawel, er werd een beweging vernomen als van zacht schuifelende lichamen, die zich met de meeste voorzichtigheid een doortocht trachtten te banen door de beschermende borstwering van afgekapte takken en struiken, die ook hier aangelegd was. Gelukkig was de stormwind gaan liggen, anders ware dat zachte gedruisch niet waarneembaar geweest. In de grootste stilte werden de slapenden gewekt en de gevechtsdispositiën genomen. De Europeanen sloten zich bij elkander aan en hielden de vuurwapenen onder hun bereik. Bij de volslagen duisternis, die er heerschte, schenen die evenwel van weinig nut en daarom hadden zij dan ook als Dajaks, die zij voorstellen moesten, ieder een flinken mandauw ter hand genomen en beloofden zij zich er lustig mee rond te hakken, hoewel La Cueille, terwijl hij zijn wapen trillend omhoog stak, zuchtend het schietgebed prevelde:

„Sainte Vierge de Jupille! secourez nous.”

Bapa Andong kwam evenwel Johannes iets in het oor fluisteren, wat deze met een glimlach en een goedkeurenden knik beaamde. Toen hij het gesprokene medegedeeld had, namen de Zwitsers de Remmingtongeweren; La Cueille en Johannes wapenden zich met een tirailleurgeweer, maar bovendien met een revolver, terwijl de twee overblijvende geweren geladen gereedstonden om gegrepen te worden.

Na die beschikkingen wachtten de verdedigers nog een poos met kloppend hart. Zij keken uit, maar te vergeefs, in het stikdonker was niets te onderscheiden. Bij de stilte, die evenwel ingetreden was, hoorde men zacht schuifelen, soms ook wel een twijgje knappen; anders niets. Plotseling verhieven zich een twintigtal gestalten aan den oever van het meer en sprongen met een wip op het vlot.

„Lēēēēh, lèlèlèlè ouiiiit!” weerklonk het luid en deed dit gegil de aanwezigen op het vlot de haren te berge rijzen. Zij begrepen dat zij tegen een overmacht stonden, dat, indien hun krijgslist mislukte, een gevecht op leven en dood onvermijdelijk, de ondergang van allen zeer waarschijnlijk was. De vijandelijke strijders sprongen, vlogen over de beschikbare ruimte van dat gedeelte van het vlot, waar zij aan boord getreden waren. Het was een demonisch schouwspel, die wilden, achter hunne schilden gedoken, met den gevreesden mandauw in de hand, heen en weer te zien springen, de bewoners van het vlot tot den strijd uitdagende. Geen geluid van deze laatsten liet zich hooren en die stilte scheen de aanvallers eenigszins te onthutsen.

Eensklaps lieten zich aan het andere einde van het vlot, door de verdedigers bezet, in het donker een paar gedaanten waarnemen, die op de aanvallers toesprongen, hun een paar houwen toebrachten, maar even snel weer verdwenen als zij gekomen waren. Nu brulden de aanvallers hun oorlogskreet andermaal, sloten zich vast aan elkander en, door hunne schilden gedekt, stoven zij den loopgang door, die de voorplecht van het vlot met de achterplecht verbond. Aan het einde trachtten een paar gedaanten hun nog den doorgang te betwisten; maar ook die verdwenen weer even spoedig, toen eensklaps boven op den berg rottanbossen, die het middenvak van het vlot vulden, een helder brandend licht ontstoken werd en te gelijkertijd een hevig geweervuur de aanvallers, die nu ten volle zichtbaar waren, tegenknetterde. Wienersdorf en Schlickeisen schoten hunne repeteergeweren naar hartelust af op den vijandelijken drom, die tot tegen de bajonetten schier opgedrongen was. La Cueille en Johannes in het tweede gelid, schoten eerst hunne geweren af en vervolgden daarna het vuur met hunne revolvers, terwijl het van boven den hoop rottanbossen mandauwhouwen begon te regenen. De verwarring te beschrijven, die onder de aanvallers ontstond, bij het schitteren van dat plotselinge licht en het daarop gevolgde schieten, waarvan in den dicht opeengedrongen hoop in dien doorgang weinig kogels misten, is onmogelijk. Een golvende beweging begon zich te openbaren; eerst vooruit, dan achteruit. Kreten van woede, angstgegil en kermen kruisten zich allerwege. Het was of alle duivels der hel losgebroken waren. Eindelijk splitste zich het kleine hoopje van den overgebleven troep der aanvallers in twee deelen, waarvan het eene, wel het grootste, het hazenpad koos, aan den wal sprong en in het duister verdween; terwijl het andere, over de gesneuvelden heenspringende, een wanhopige poging aanwendde, om de tegenpartij toch nog te lijf te gaan. De schoten knetterden onafgebroken, het kleine manmoedige troepje slonk, slonk nogmaals, maar met een ongeëvenaarde doodsverachting drongen de laatste twee overblijvenden onder de bajonetten der twee Zwitsers in, door zich op den grond te werpen en zoo hunne tegenstanders met het blanke wapen aan de huid te komen. De eene werd door Schlickeisen met de bajonet aan den vloer van het vlot vastgestoken en zoo onschadelijk gemaakt. De andere naderde schuifelende, stond plotseling op, en hief zijn mandauw omhoog om Wienersdorf den doodelijken slag toe te brengen. Deze, geen kans ziende dien slag te pareeren, waartoe ook de strijders te dicht op elkander gedrongen waren, liet zijn geweer eensklaps vallen en greep zijn tegenpartij met zulk een krachtvolle vuist bij de polsen, dat deze zijn mandauw moest laten vallen. Nu begon in die enge ruimte een ontzettende worsteling tusschen de twee mannen, die beiden begrepen, dat het leven van den uitslag afhing. Slechts weinige handbreedten scheidden hen van het meer, welks water donker tegen het vlot kabbelde. Voor de anderen was er niet aan te denken, Wienersdorf te hulp te springen. Vooreerst stond Schlickeisen daartoe in den weg, die zijn tegenpartij nog steeds zich wringend en gillend aan den vloer vastgestoken hield. Maar ook de beide worstelenden sprongen en wrongen zich in hun strijd, borst tegen borst geklemd, zoo vlug dat er zeer groot gevaar zou bestaan hebben, bij het toebrengen van een slag, den Zwitser te treffen in stede van zijn tegenpartij. De kamp duurde zoo nog een kort oogenblik voort, dat evenwel een eeuwigheid toescheen. Eindelijk begonnen de krachten den minder gespierden Dajak te begeven. Toen Wienersdorf dat voelde, schopte hij den gevallen mandauw met een beweging van zijn voet in het meer, deed een laatste maar geweldige inspanning, verhief de beide armen zijns vijands, die hij als in bussen omklemd hield, boog die met reuzenkracht achterover en noodzaakte zoo den hijgenden Dajak voor hem op de knieën te vallen. Kreunend zonk hij in elkander en smeekte:

„Blako ampoen!” (ik vraag genade).

Op die woorden, die met zacht vloeiende stem en met zulk een innige bede uitgesproken werden, liet de Zwitser den overwonnen vijand los en reikte hem de hand. Op de knieën liggende, aarzelde deze die aan te nemen. Zijn borst hijgde stormachtig, zijne oogen fonkelden als vuurballen. Maar die aarzeling duurde slechts een seconde; toen sprong hij op, greep de hem toegestoken hand, legde zich die op de kruin van zijn hoofd, terwijl hij daarbij den fieren onafhankelijken nek, ten teeken van onderwerping boog. Wat hij met diep bewogen stem mompelde, kon niemand verstaan. Zoo stond de zoon des wouds een kort oogenblik.

Eensklaps richtte hij het hoofd op, greep zijn „poeai” [56] aan de mandauwscheede bevestigd, bracht zich een lichte verwonding aan den arm toe, ving het uitdroppelende bloed in de holte zijner hand en bestreek daarmede het voorhoofd en de lippen van Wienersdorf, die beteuterd stond te kijken en niet wist wat met hem gebeurde. Daarop verwondde hij den Zwitser lichtelijk, ving ook diens bloed op, bestreek zich ook daarmede voorhoofd en lippen, waarna hij de overblijvende druppels in zijn mond liet vallen en zoo opdronk. Nogmaals reikte hij zijn overwinnaar de hand, drukte die, bracht haar aan den mond en wierp vervolgens een trotschen blik op de omstanders, terwijl hij duidelijk verstaanbaar de woorden Harimaoung Boekit [57] uitsprak, waarna hij, vóór dat iemand er ook maar aan denken kon, om het te beletten, in het meer sprong, welks donkere wateren zich boven zijn hoofd sloten.

En alsof het op een afgesproken teeken geschiedde en de natuur den woudzoon bij zijne ontsnapping behulpzaam wilde zijn, bluschte een hevige windvlaag het ontstoken licht plotseling uit, zoodat de opvarenden van het vlot in diepe duisternis gehuld waren.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XIV

Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei Mantangei.—Het „maroetas.”—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren.

„Ik ben er nog niet overtuigd van,” sprak La Cueille, „dat we goed gedaan hebben dien vent te laten ontsnappen.”

Die volzin bij het aanbreken van den dag geuit, was eigenlijk de voortzetting van het gesprek, dat na de ontvluchting van den koppensneller met de meest mogelijke variatiën had plaats gehad.

„Morte la bête, mort le venin,” was de meening van den Waal, die hij dan ook overeenkomstig zijn aard zoo energiek mogelijk mededeelde. Als Sjech zou hij die spreuk wel in het Arabisch weergegeven hebben, ware hij die taal maar machtig geweest.

Maar Dalim suste hem en verklaarde, dat zij van dien kajau geen leed meer zouden ondervinden. Het zou zelfs niet onmogelijk zijn, dat zij nu of dan van zijn stam wiens opperhoofd Harimaoung Boekit bleek te zijn veel hulp zouden erlangen. Bij al de gebreken en ondeugden, die het karakter van den bovenlander ontsieren,—verzekerde hij zoo goed hem mogelijk was—is de dankbaarheid, al heeft hij er zelfs geen naam voor in zijn taal, de grondslag van het karakter van den Dajak. Hij had er bij kunnen voegen, dat het ook het kenmerkend karakter is van de geheele inlandsche bevolking van het schoone Insulinde. Zeven achtste van de Nederlanders in Nederland miskennen dat karakter en leggen gebeurtenissen, die den dampkring wel eens met brandlucht vervulden of hem met een lauwen bloedreuk doortrokken, volgens hunne opvattingen uit. Spoort evenwel de onpartijdige geschiedvorscher de oorzaken dier beroeringen op, dan vindt hij, dat onverdraaglijke heerschzucht, inhaligheid en schraapzucht, maar niet het minst oneerlijkheid en kwade trouw, zoo eigen aan het blanke ras, den onderdrukten en uitgezogen natuurgenoot de brandfakkel en het staal in de vuist wrongen.

Toen het dag was, telden de opvarenden van het vlot dertien lijken, die onder het vuur der Europeanen waren gevallen, ongerekend het lijk van hem, die door Schlickeisen met de bajonet doorstoken was. De wapenen en maliënkolders der gesneuvelden vielen den overwinnaars ten buit en onder den onverbiddelijken drang der noodzakelijkheid werden de veertien lijken in den koelen schoot van het meer neergelaten.

„Een offer aan Djata,” grinnikte Dalim.

Och! dat de blanke overweldigers gedurende de vele jaren, dat zij hun schepter loodzwaar op de schouders van de bewoners dier schoone gewesten deden neerkomen, toch aan de eischen der beschaving, die zij zoo huichelachtig in hunne banier voeren, hadden voldaan, dan waren thans gruwelen als het koppensnellen geheel onmogelijk. Dat waren de gedachten, die den beiden Zwitsers bij die plechtigheid door het brein voeren.

Ter nauwernood was men met die begrafenis klaar en had men elkander geluk gewenscht, dat hunnerzijds geene verliezen te betreuren waren, of de algemeene aandacht werd gewekt door een drietal prauwen, die zich vertoonden aan den ingang van het verbindingskanaal van het meer met de rivier. De schrik sloeg den Europeanen en ook Dalim met zijn overgebleven tochtgenoot om het hart, toen zij van den achtersteven van de twee eerste prauwen de Nederlandsche vlag zagen waaien. O! het was duidelijk voor onze vluchtelingen; men was hen eindelijk op het spoor en in hunne oogen was alles wat zij tot nu ondervonden hadden slechts kinderspel bij hetgeen hen nu te wachten stond. Ademloos en sprakeloos verbeidden zij wat nu verder gebeuren zou.

Bapa Andong, onbewust, en ook niet kunnende raden, wat in het gemoed zijner medeopvarenden omging, zag in de naderende prauwen, wel verre van een gevaar, daarentegen een zekere hulp, als de Poenans zich misschien weer mochten vertoonen. Met zijn zoon en zijne pandelingen stiet hij dan ook tot drie malen toe een doordringend geroep uit:

„Gagoeloeng, kantoh ikau! Oūi!!” (Spoedig komt hier ohé!)

Wat was er gebeurd, dat die prauwen in dezen stond op het meer bracht? De lezers hebben zeker geraden, dat Damboeng Papoendeh, dien zij van Kwala Kapoeas hebben zien vertrekken, op het tooneel verscheen. Met den ijver, die hem bezielde, was dit jeugdige hoofd, zonder verpoozing doorroeiende, naar soengei Mantangei gestevend. Daar had hij op de plaats der gebeurtenissen zelve het verhaal van den strijd met de slang en het daaropgevolgde vuurgevecht met de mannelijke bevolking andermaal aangehoord en de vernieuwde verzekering bekomen, dat de bedoelde personen de Mantangei opgestevend waren, om de Doesson te bereiken. Hoewel hij daaraan weinig geloof sloeg, waren de berichten toch zoo stellig, dat hij ze niet in den wind mocht slaan. Hij besloot dan ook die soengei op te varen. Somwijlen schudde hij ongeloovig het hoofd en was hij niet ongenegen den terugtocht naar de Kapoeas te bevelen, maar dan werd weer in een doorgekapten tak of een opgeruimden struik een spoor herkend, dat nog kort geleden een prauw zich door dat weinig bezochte vaarwater baan gebroken had. Eindelijk, na een geheelen dag de Mantangei opgevaren te zijn, kwam hij aan een kleinen kampong aan, Takisan geheeten, waar hij niet verder kon, omdat die kampong „maroetas” was.

Maroetas beteekent: onrein. Een huis, een dorp, een landstreek kunnen tengevolge van verscheidene oorzaken voor onrein verklaard worden. Bij voorbeeld ten gevolge van sterfgevallen, ook van besmettelijke ziekten en van gepleegde bloedschande. Wanneer een huis maroetas is, wordt het eenvoudig gesloten en de trap weggenomen. Niemand der bewoners mag daar buiten treden of bezoek ontvangen. Is een dorp of een landstreek verontreinigd, dan worden de toegangen versperd en het is op verbeurte van het leven verboden, die versperringen te overschrijden.

Zoo vond Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei, als toegang tot den bedoelden kampong, versperd door een dubbelen zwaren rottankabel, welks uiteinden aan den wal door gewapende mannen bewaakt werden. Hij begreep, dat hier geen geweld te gebruiken was; al zoude hij daartoe hebben willen overgaan, dan zouden zijne tochtgenooten zich tegen dat vergrijp ten opzichte hunner godsdienstige instellingen verzet hebben. Van de wachthebbenden bij den kabel vernam hij bovendien, dat het maroetas reeds sedert zeven dagen duurde, dat den volgenden dag de gewone offeranden aan de Sangiangs [58] zouden gebracht en het gebruikelijke feestmaal zou gehouden worden; waarna de afsluiting opgeheven zoude zijn. In volle zeven dagen tijds was hier dus geen prauw kunnen passeeren; dat was duidelijk. Hij was dus op een valsch spoor en zijn eerste opvatting was de juiste geweest. Lang bedacht hij zich niet; de prauwen werden gewend en de terugtocht met pijlsnelle vaart aangenomen. Het was zaak den verloren tijd in te halen. Het was stikdonker toen men den kampong Mantangei voorbij voer; maar met allen spoed en onverdroten werd dag en nacht doorgeroeid en zoo bevonden zich de vervolgers in den bewusten nacht ter hoogte van Danau Ampang, zonder evenwel te bevroeden, dat zij toen de vluchtelingen zoo nabij waren.

Het woei dien nacht stormachtig uit het noordwesten, hetgeen de vaart niet weinig bemoeielijkte en bij de hevige vlagen somwijlen gevaarlijk maakte. Eindelijk zelf uitgeput, gaf Damboeng Papoendeh aan de beden van zijn volk toe, om het overige gedeelte van den nacht in een kreek aan den wal gemeerd door te brengen. Wel deed hij dat noode, want hij had zich in het hoofd gesteld met ijlende vaart kotta Baroe te bereiken, daar berichten in te winnen en zou het hem dan misschien gelukken, wat hij hoopte, namelijk de avonturiers voorbij te stevenen, hen daar in te wachten en met behulp der bevolking gevangen te nemen. Dat plan was hoogst eenvoudig en zoude door zijn eenvoudigheid alle kans van slagen gehad hebben, ware er niet een voorval tusschenbeide gekomen, dat het geheele plan in duigen wierp.

Het kon naar gissing van de wachthebbenden drie uur na middernacht zijn, toen plotseling in westelijke richting, evenwel zeer nabij, een doordringend: lēēēh lèlèlè ouiiit! gevolgd door een hevig geweervuur, vernomen werd. Dat gaf licht in de duisternis, want Damboeng begreep, dat zij, die hij vervolgde, in zijne nabijheid en slaags waren, hetzij met kampongbewoners, zooals dat te soengei Mantangei gebeurd was, hetzij met koppensnellers, die in deze buurt eerder te verwachten waren.

In gespannen ongeduld ging de nacht voorbij en toen de dag aangebroken was, ontwaarde hij in zijn nabijheid de monding van het kanaal, dat naar het meer voert. Hij had nu de overtuiging, dat het drama, dien nacht afgespeeld, daar had plaats gegrepen. Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om aan het meer een bezoek te brengen. Hij deed zijn makkers hunne wapens in gereedheid brengen en stevende weldra derwaarts.

In het kanaal werd niets opmerkenswaardigs of verdachts waargenomen. Maar bij het uitkomen in het meer zag men in de verte aan den oostelijken oever een groot vlot liggen, dat met rottanbossen overdekt was en waarvan de opvarenden de aankomenden toeriepen bij hen te komen. Die kreet van: „gagoeloeng, kantoh ikau!” was goed waarneembaar.

Damboeng liet nu een prauw achter ter bewaking van de kanaalmonding, met bepaalden last niemand het meer te doen verlaten en stevende met de twee andere prauwen langs den westelijken oever van de danau, om die in alle bochten en kreken te onderzoeken en zoo langs den noordelijken oever bij het vlot op den oostelijken oever te geraken.

Bapa Andong, die het gevaarlijke van die manoeuvre voor de aankomenden inzag, wilde de prauwen andermaal toeroepen, maar Dalim lag de hand gebiedend op den mond, fluisterde hem iets in het oor en liet hem tegelijkertijd de punt van een „badek” (kleine dolk) tusschen de korte ribben voelen. Verschrikt keek de Dajak zijn landgenoot aan en zag toen Dalim’s metgezellen met het geweer of den ontblooten mandauw in de hand, hem met hoogst ernstige gezichten omringen, terwijl zijn eigene makkers op dat kleine tooneel, dat trouwens slechts weinige seconden duurde, geen acht gaven. Hij begreep van dat alles niets, dan alleen dat hij voor het oogenblik den mond moest houden.

De beide prauwen daar ginds hielden nog steeds den westelijken oever. Plotseling verhief zich uit die beide vaartuigen een geweldig gegil. Men kon de opvarenden gedurende een oogenblik met de armen heftig zien zwaaien; enkele hunner sprongen in het water en trachtten zich al zwemmende met den meesten spoed van de prauwen te verwijderen, terwijl zij herhaalde malen onderdoken. De kreet: „badjanji! badjanji!!” (de bijen, de bijen) weerklonk door de lucht.

En werkelijk het was een woedende aanval van de bijen, wier nesten den vorigen nacht zoo onmeedoogend waren geroofd. Des nachts waren zij, door den rook verstikt en door den hevigen wind weggevoerd, ter aarde gevallen, maar bij het aanbreken van den dag hadden zij hunne nesten opgezocht en daar de gepleegde verwoesting aanschouwd. Nog dagen na zulk een was- en honiginzameling is het uiterst gevaarlijk de tanggirangs te naderen, waaraan de nesten eenmaal hingen. Damboeng Papoendeh en zijne makkers deden daarvan de wreede ondervinding op. Argeloos waren zij de plek genaderd, toen plotseling, en vóór dat er iets tegen te doen was, wolken van bijen nederdaalden en zich met de grootste verwoedheid op de opvarenden dier prauwen wierpen, iedere wondbare plek huns lichaams overdekten en daar hun giftigen angel in het vleesch boorden.

De Europeanen op het vlot keken sprakeloos toe en hadden door den afstand in den beginne weinig begrip van wat er gebeurde; maar toen zij Dalim zagen springen van de pret, toen zij hem hoorden grinniken en vernamen met welke vijanden hunne vervolgers te doen hadden, bekroop ook hen een zelfzuchtig dankbaar gevoel over die ontknooping, die een bloedige botsing voorkwam, welker uitslag onmogelijk te berekenen zou geweest zijn. Toen zij evenwel vernamen in welk levensgevaar die menschen verkeerden, werd hun hart met deernis vervuld en maakte een soort van schaamtegevoel zich van hen meester, dien doodstrijd zoo werkeloos te aanschouwen. De twee Zwitsers waren reeds in een djoekoeng gesprongen om die ongelukkigen, in wie zij geen vijanden maar wel lijdende natuurgenooten zagen, te hulp te ijlen. De Dajaks bezwoeren hen evenwel te blijven; zij zouden een nadering met den dood moeten bekoopen. En inderdaad, de woeste bijenzwermen, onvoldaan over de genomen wraak, begonnen nu, na hun aanval op de prauwen, zich over het meer te verspreiden en zich in hun verbittering op ieder levend wezen te werpen. Wienersdorf en Schlickeisen hadden weldra eenige pijnlijke steken op handen en aangezicht, die hen met een heftig „kreuzmillionensakrament!” aan boord van het vlot een toevlucht in de hut deden nemen en hen noodzaakten van een tehulpsnellen af te zien. Om op het vlot tegen verdere aanvallen beveiligd te zijn, waren de opvarenden verplicht vuren aan te leggen en zich in een dikken rook te hullen.

Aan boord van de twee geteisterde prauwen liet zich geen geluid meer hooren. Die vaartuigen dreven, door den stroom medegevoerd, die uit het meer zette, zachtkens naar de monding van het kanaal en zoo buiten den kring der gevaarlijke boomen.

Toen Dalim en Bapa Andong konden berekenen, dat de woede der bijen eenigermate gestild was en zij naar de tanggirangs teruggezwermd waren, werd besloten die prauwen te naderen, om te zien wat er te doen viel. Johannes, Wienersdorf en nog een drietal pandelingen zouden hen daarbij vergezellen. Zij namen evenwel vuur en een overvloed van groene takken mede om steeds een dikken rook te kunnen verspreiden.

Het schouwspel, dat zich aan de oogen dier mannen voordeed, toen zij bij de prauwen gekomen waren, was allertreurigst. Vier der opvarenden lagen met den dood te worstelen en hadden hevige vlagen van ijlende koorts. Ook de anderen waren zoodanig toegetakeld en hunne aangezichten, handen en armen, in een woord, al de lichaamsdeelen, die aan de aanvallen der verwoede bijen hadden blootgestaan, waren dermate opgezwollen, dat zij niets menschelijks meer vertoonden. Geen enkele was in staat eenige beweging te doen en allen waren schier zinneloos van de hevige pijnen, door die tallooze vergiftigde angels veroorzaakt.

Om tegen een herhaling van de aanvallen der bijen beveiligd te zijn, werden de prauwen in het kanaal gebracht, en eenmaal daar aangekomen, beijverden zich voornamelijk de twee Europeanen hulp te verleenen. Zij gaven de lijders te drinken, bestreken hunne gezwollen gezichten en ledematen met klapperolie en met verdunde sirihkalk en troffen al die maatregelen welke hun toestand vorderde. Terwijl men hiermede bezig was, kwam de prauw, die ter bewaking van het kanaal door Damboeng Papoendeh was achtergelaten, en die zich uit angst voor de bijen schuil had gehouden, naderbij. Na eenige woordenwisseling werden de opvarenden van die prauw, twaalf in getal, over de drie prauwen verdeeld, waarna de terugtocht aangenomen werd. Dalim stelde voor, die vaartuigen tot op de Kapoeas te vergezellen, om behulpzaam te kunnen zijn bij de vele kronkelingen, die het kanaal vormt. Toen men evenwel dien stroom bereikt had, waren de vier zieltogenden reeds overleden, en was de toestand van drie anderen, waaronder ook Damboeng Papoendeh, uiterst bedenkelijk geworden. Den roeiers werd dan ook op het hart gedrukt, onverpoosd door te roeien tot de kampong Pendek Katiempoen, waar voor de lijders ten minste eenige hulp te erlangen was.

Alvorens evenwel te scheiden, werden de gewonden, die allen in bewusteloozen toestand lagen, nogmaals door Wienersdorf verzorgd en plaatste die bovendien nog naast ieder hunner een klapperdop met drinkwater gevuld, om hun brandenden dorst te lesschen. Gedurende die verzorging nam Johannes de Nederlandsche vlaggen van de beide voornaamste prauwen in beslag. Hij beweerde die uitstekend te kunnen gebruiken, alsook de schriftelijke instructie, die aan Damboeng Papoendeh was uitgereikt en onder het slaapmatje van dat hoofd, in een bamboekoker besloten, opgeborgen lag. Zoowel die instructie als de beide vlaggen waren voorzien van het Nederlandsche wapen, dat vooral op de witte banen der vlaggen sierlijk afgedrukt stond.

De prauwen werden nu aan den stroomdraad overgelaten en verwijderden zich snel.

Het eerste wat nu na dat vertrek te doen viel, was het vlot, dat zijn geheele lading ontvangen had, uit het meer op de rivier te brengen. Het was toen zoo omstreeks 9 uur des voormiddags en men had dus een goede karrewei voor den boeg. Met lust en ijver werd aan den arbeid getogen, met dat gevolg dat het zware gevaarte bij het vallen van den avond op de rivier lag. De dankbaarheid van Bapa Andong, zoowel voor de hulp bij de behandeling van zijn lanting, als bij het bezoek der koppensnellers ondervonden, was zoo levendig, dat hij, behalve een menigte zijner koopwaren als hars, rottang enz., die den reizigers op hun langen tocht zoo nuttig zouden kunnen zijn, vier zijner pandelingen afstond, in plaats van twee, zooals de afspraak was, om bij het roeien behulpzaam te zijn. Ook stond hij onzen avonturiers tien manden met tabak en eenige stukken sits en katoen voor een luttele som gelds af. Hij had die tabak en die katoentjes medegenomen om ze tegen andere waren in te ruilen, maar het was hem niet gelukt daarvoor den gewilden prijs te erlangen.

Men drukte elkander na die beschikkingen hartelijk de hand, de tros werd losgegooid, die het vlot nog bij de monding van het kanaal onbeweeglijk hield en onder den drang van den machtigen stroom stelde het gevaarte zich in beweging. Onze avonturiers bestegen hunne prauw, plantten daarop fier een der Nederlandsche vlaggen, die vroolijk in den wind wapperde, wierpen het vlot nog een luidruchtig hoera toe, sloegen de pagaaien in het water en waren weldra door een der menigvuldige bochten der rivier aan de oogen van de vrienden, wier bedrijvigheid zij gedurende twee maal vierentwintig uren gedeeld hadden, onttrokken.

Johannes hield thans zijn makkers voor, dat, nu hun spoor bekend was geworden, vlugheid hen alleen redden kon. Aan een toevallige omstandigheid hadden zij thans hun redding te danken; een dergelijke zou zich niet ten tweeden male voordoen. Hij berekende, dat zij nu zoo wat een voorsprong van een vijftal dagen zouden hebben; in dien tijd zouden zij met wat inspanning een aanmerkelijken afstand kunnen afleggen en wellicht buiten het bereik der Nederlanders zijn. Er werd nu besloten, dat men met den meesten ijver dag en nacht zoude doorroeien. Over dag zouden allen de pagaai hanteeren en des nachts zouden steeds zes in de weer zijn, waarvan telkens twee om de vier uren door anderen zouden vervangen worden, opdat allen de noodige rust genieten en de krachten gespaard blijven zouden.

Het was daarenboven een flink vaartuig, dat de Chinees Baba Poetjieng aan de deserteurs geleverd had. Rank en scherp gebouwd lag het als een zeevogel op het water en kliefde gemakkelijk en met bevalligheid en snelheid de oppervlakte. Er waren weinig vaartuigen in de Dajaklanden, die in vlugheid ook maar daarmee gelijkgesteld konden worden.

„Dat’s alweer achter den rug!” begon La Cueille, toen zij tegen het middaguur wat rust namen, ook om het maal te bereiden, „de gebeurtenissen volgen elkander wel spoedig op. Voorgisteren die dans te kotta Towanan en nu verleden nacht andermaal. ’t Is alsof, nu wij op reis zijn, alle koppensnellers van geheel Borneo op het pad zijn.”

„Loop heen,” antwoordde hem Johannes, „we hebben in den afgeloopen nacht met hetzelfde troepje te doen gehad als te kotta Towanan. Denk je, dat we na ons vertrek van daar een oogenblik onbespied zijn gebleven? Neen, ze hebben steeds rond ons gewaard; daar kunt ge zeker van zijn. En het oogenblik van aanval was niet slecht gekozen. Zij hebben ons den geheelen dag met dat vlot zien sjouwen, daarna die was- en honinginzameling, die onzen geheelen voornacht in beslag nam. Zij rekenden op onze uitputting en meenden ons in diepen slaap gedompeld aan te treffen.”

„Maar waarom dan dat gegil, toen ze op het vlot sprongen?” vroeg Schlickeisen.

„Dat is Dajaksche gewoonte, die onbedwingbaar is. Maar toch heeft dat gillen zijn nuttige zijde voor den aanvaller. In ons geval, nu we op de been waren, was het vrij overbodig; maar bij mindere waakzaamheid heeft het alle kansen voor zich, den overvallene te ontstellen, in verwarring te brengen en radeloos van angst te maken. Verbeeldt je, dat we uit onzen eersten slaap met dien kreet gewekt waren geworden.”

„Dat had er gek genoeg uitgezien. ’t Kwam me nu al hachelijk genoeg voor,” bekende de Waal gulweg. „Toen die kerels zoo schreeuwende en tierende in het donker rondsprongen, kwam me ons getal tegenover hen al zeer klein voor. Maar wie heeft die list uitgedacht, om hen in dien nauwen doorgang te lokken en waar kwam eensklaps dat licht van daan? Het had veel van een wonder!”

„Nu, dan mag je aan Bapa Andong wel een schietgebedje brengen,” antwoordde Johannes, „hij had reeds over dag een hoeveelheid hars heel fijn gestampt, die op een roosterwerk van gespleten rottan boven een laag aardolie op een bord, uitgespreid en daarmede in aanraking gebracht. Een vlammetje was voldoende om een helder licht te ontsteken en dat vlammetje had ik hem bezorgd, door hem een doosje lucifers in de hand te stoppen.”

„Ik dacht eerst dat er brand ontstond. ’t Was een prachtig licht; we hadden een helder gezicht op die halve duivels, terwijl we achter dien hoek in het donker staande, bijna onzichtbaar waren. Ieder schot was dan ook raak.”

„Ja, er zijn al weer menschenlevens genoeg opgeofferd,” zuchtte Wienersdorf; „’t is een vreeselijke tocht. Wanneer en hoe zal die eindigen?”

„Daarover hebben we ons thans minder te bekommeren. We zitten in het schuitje en moeten meevaren,” sprak Johannes ernstig. „Vooral mag ons geen kleinmoedigheid bevangen. Onze leus moet blijven: pas op je kop. Hij, die dien kop te nabij komt, moge de gevolgen daarvan ondervinden. We bevinden ons in de noodzakelijkheid van tegenweer.”

„Maar die noodzakelijkheid heeft toch schrikkelijke gevolgen.”

Schlickeisen beijverde zich aan het gesprek een wending te geven.

„Wat een fraai meer,” zeide hij met een soort van bewondering, „was dat, waarin we het vlot brachten. De eerste aanblik was voor mij betooverend. Die gladde wateroppervlakte zonder eenigen rimpel, die als een spiegel hare geheele omgeving en den hemel daarboven zoo blauw en zoo rein weerkaatste; die bochten en inhammen, die zich onder het donkere loof van het maagdelijk woud schenen te verliezen; die kapen en landtongen, die als het verlangen te kennen gaven zich in het kristallijnen vocht te willen ontmoeten en te omhelzen; en niet het minst de wildernis, welke dien spiegel omlijstte met hare grillige struiken en fantastische klimop- en slingerplanten, met hare woudreuzen, die hoog in de lucht hun glinsterend en donker loover scherp tegen het azuurblauw afteekenden en waartusschen de orchideeën met hare wonderlijke bloemen en haar fraai en soms zoo fijn gevormd groen een betooverende versiering aanbrachten; dat alles leverde zulk een verrukkelijk geheel op, dat ik een oogenblik verrukt bleef staren.”

Wienersdorf, die eerst met het hoofd op de borst, als in nadenken verzonken, gezeten had, werd langzamerhand bij die ontboezeming geboeid. Hij hief zachtkens het hoofd op, wendde den blik naar den spreker en hoorde hem aandachtig aan. Zijne mismoedige gedachten scheen hij te laten varen of beter zij schenen van vorm te veranderen en op zijn gelaat was de weerkaatsing te lezen van de woorden zijns makkers.

„O ja! ’t was fraai, dat meer,” hernam hij, toen gene zweeg. „Vooral fraai in zijn eenzaamheid en verlatenheid. Het blonk en schitterde daar onder de stralen der keerkringszon als een diamant pas ontsnapt aan de hand des Scheppers, als een parel nog onbezoedeld, nog onbeduimeld door ’s menschen hand.”

„Ha! ha! ha!!” schreeuwde Johannes het uit.

„Lach je daarmede?” vroeg Wienersdorf eenigszins verstoord.

„Ga voort, ga voort!” zei de Sienjo, terwijl hij bleef voortlachen; „laten zich uwe dichterzielen niet aan mij, prozamensch, storen. Zoo iets is wel eens aardig om te hooren.”

„Ik was opgetogen,” ging Wienersdorf voort, „daar aan die boorden geen fabriekswalm te bespeuren, geen stoombooten de gladde oppervlakte te zien verbreken, het schril gefluit van spoortreinen de kalme en heilige rust der oevers niet te hooren storen, geen menschelijk gewemel waar te nemen, dat slechts woeker en winstbejag beoogt. Men gevoelde zich daar alleen, alleen onder het oog van God.”

„Verd.... mooi! ’k wou dat ik het gezegd had,” viel Johannes hem scherp in de rede. „O! wat is soms het menschenoog blind, vooral wanneer het zich in dichterlijke heerlijkheden baadt. Of beter, wat ziet zoo’n dichtersoog de zaken anders dan zij zijn! ’t Is waar, we hebben bij dat meer noch den rook van fabrieksschoorsteenen gezien, noch het gefluit van voortijlende locomotieven of stoombooten gehoord; geen nijvere fabrikanten verdrongen er zich met steeds rustelooze handelaren; en dat is zeer te betreuren in stede van aanleiding tot opgetogenheid te geven. We hebben op die boorden heel wat anders gezien. Geen fabriekswalm, maar den blauwen, spiraalvormigen rook van het houtvuurtje, waarboven de sluipmoordenaar in het dichte bosch de buitgemaakte menschenhoofden zat te roosteren om ze van de vleeschdeelen te ontdoen. Geen stoomgefluit gehoord, neen, maar den oorlogskreet der onverlaten, die den vermoeide in zijn slaap verrassen, den oorlogskreet die snerpend en schril door merg en beenderen dringt, als doodsbedreiging waaraan de bedreigde niet vermag te ontkomen dan door zelf te dooden. En ge waagt het dat meer een diamant te noemen, pas ontsprongen aan de hand des Scheppers, een parel nog onbezoedeld door ’s menschen hand! ge zegt, u daar alleen, alleen met God gevoeld te hebben! Veel eer die ge het Opperwezen betuigt! Maar wat waren de kajau’s dan die met opgeheven zwaard op ons indrongen? Wat waren de Dajaks, die ons op het vlot omringden? Waren dat geen menschen? Alleen, alleen met God! Neen, we zijn er wel degelijk met de menschen in aanraking gekomen, zelfs met menschen van het allergeringste gehalte. Met menschen, eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; anderdeels met menschen, voor wie het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag, die ten arbeid voert.”

„O! houd op, niet verder,” stoof Wienersdorf niet zonder verontwaardiging op. „Voor de koppensnellers is geen verdediging in te brengen; die laat ik onder de volle zwaarte van je verontwaardiging. Maar de andere Dajaks, wier bedrijvigheid, wier tobben en zwoegen we van nabij, al was het ook maar kortstondig, hebben kunnen gadeslaan; die menschen, die zich dat leven in de wildernis maanden lang getroosten, om het woud zijn schatten te ontvoeren, die wensch ik te verdedigen, die stel ik oneindig hooger dan gij dat schijnt te doen; en het is voor hen dat ik met nadruk opkom, wanneer ik hen hoor afschilderen als wezens, alleen gedreven door het najagen van zingenot. Ik noem hun zwoegen en tobben, hunne bedrijvigheid de handelswereld in haar kiem. Het moge waar zijn, dat zingenot voor hen een groote prikkel is; maar dat valt van iederen handelaar, van iederen nijverheidsman, ja van ieder menschelijk wezen der westersche maatschappij te zeggen.”

„Wel zeker; maar dan het woord zingenot in zijn meer edele beteekenis,” viel hier Schlickeisen zijn landgenoot in de rede. „Iedere poging van den mensch om zijn maatschappelijke positie te verbeteren, iedere zucht tot veredeling van smaak, de zorgen voor het welzijn en de toekomst van vrouw en kinderen, verschaffen zingenot. Maar van die soort is hier geen sprake; hier wordt slechts bedoeld zingenot van het meest dierlijke gehalte. Laat je eens vertellen door Johannes, die reeds vele jaren op dit eiland doorbracht, wat er met dat vlot van Bapa Andong zal gebeuren.”

Wienersdorf keek vragend op.

„O!” beantwoordde Johannes dien blik, „dat zal gauw verteld zijn. Luister. Na een inspanning van nog vele weken zal hij dat vlot, waarop de schatten, ontvoerd uit de vele meren en soengei’s, opgestapeld liggen, te Bandjermasin aangebracht hebben. Eerst worden de rottan, de hars, de getah pertjah, de was, de vogelnestjes enz. verkocht of eigenlijk in den roes van het oogenblik op een liederlijke wijze verkwanseld. Daarna volgt de hut op het vlot, die steeds van flinke materialen vervaardigd is, vervolgens de vloer en eindelijk de boomstammen, waarop het geheel dreef. Alles, alles wordt te gelde gemaakt. Maar van het eerste oogenblik van aankomst op die hoofdplaats af is een leven van dronkenschap en ongebondenheid begonnen, dat voortgezet zal worden, zoolang een gulden in den zak zal rammelen. Wanneer nu Bapa Andong na maanden lange afwezigheid bij vrouw en kinderen terugkomt, brengt hij niets mee tot verbetering van hun schamel lot, of het zou moeten zijn voor ieder een stel eenvoudige kleedingstukken, welker aanschaffing hem door de noodzakelijkheid geboden wordt; maar het is nog lang niet zeker, dat hij daaraan zal voldoen. Het zal al uiterst gelukkig uitkomen, als hij zonder schulden wederkeert, ook wanneer hij het geheele aantal pandelingen, waarmede hij ten arbeid toog, thuis zal brengen. In den regel worden daarvan bij zulke gelegenheden verscheidene verkocht. Hij zal dan aan den arbeid gaan om zijn rijstveld te bebouwen, anders heeft hij met de zijnen niet te eten, en wanneer het seizoen weer daar zal zijn om boschproducten te gaan zamelen, zal hij weer uittrekken, vrouw en kinderen in schamelen toestand achterlatende.”

„Als dat zoo is, dan is Bapa Andong een slechte kerel; maar ik kan niet gelooven, dat het meerendeel der Dajaksche bevolking zoo zal handelen.”

„Op de schets die ik gaf, maken zeer weinigen uitzondering. Er zijn zeer weinig welgestelde Dajaks en bij den rijkdom hunner bosschen mag dat wel als bewijs voor mijn beweren gelden. Zie hunne woningen, die de ellendigste en afzichtelijkste krotten der wereld zijn; zie hunne kleeding, die, als de Dajak gekleed is, uit akelige, vuile en smerige vodden bestaat, nog meerendeels uit boombast geklopt [59], ter nauwernood aan de oorspronkelijke dierenhuid gelijk. Ge zult dat in de bovenlanden nog beter kunnen opmerken.”

„’t Is wel treurig, wat je me daar vertelt,” hernam Wienersdorf eenigszins bitter, „de mensch is een vloek voor dit mooie land.”

„Neen, het land is een vloek voor den mensch,” hervatte Schlickeisen met vuur, „het land is te rijk, het verspilt zijn schatten zonder den mensch tot gezetten arbeid te noodzaken. Deze heeft zich maar te bukken om ze op te rapen; dat maakt hem lui en de luiheid is de grondslag van veel kwaad.”

Ja, daar was de vinger gelegd op de wond, op de open wond, die aan het levensbestaan van de menschelijke wezens op het schoonste, het rijkste en het uitgebreidste eiland van de Nederlandsche bezittingen, dien smaragdengordel om den evenaar, knaagt. Gedurende de lange jaren, dat de Hollanders aanspraak op het bezit van het eiland Borneo maken en alles in het werk stellen om wangunstig andere natiën daarvan verwijderd te houden, hebben zij niets, hoegenaamd niets gedaan om het volk tot arbeidzaamheid op te wekken. Integendeel, soms kunnen zij den schijn niet ontgaan, zich van de volksondeugden bediend te hebben om voor de lieve kas munt te slaan.

Wienersdorf zat een oogenblik met het hoofd in de hand en scheen na te denken over hetgeen hij gehoord had. Eindelijk hernam hij tegen Johannes:

„Je zei daar straks dat het nog vele weken zou duren alvorens dat vlot te Bandjermasin zou aankomen. Dat is toch overdreven, niet waar?”

„Overdreven! waarachtig niet. De opvarenden van zoo’n vlot roeien zelden, of het gevaarte moet in een tegenstroom of in een draaikolk geraakt zijn. Soms ook wel, wanneer het gevaar dreigt om tegen den wal geworpen te worden. Wanneer dat vlot nu een weinig verder de Kapoeas afgezakt zal zijn, dan is het in de streken aangekomen, waar zich de invloed van het rijzen en dalen der zee doet gevoelen. „Tijd is geen geld”, bij den Dajak; bij het doorkomen van den vloed meert hij zijn lanting aan den wal vast en wacht dood kalm de invallende eb af om de reis te vervolgen. Ga nu in gedachten eens na, welke afstanden af te leggen zijn: eerst de Kapoeas af tot aan hare uitwatering, dan de Batang Moeroeng op tot aan Moeara Poelau, dan weer de Barito af tot aan Schans van Thuyll en eindelijk de Martapoerarivier op tot aan de hoofdplaats; en bedenk daarbij dat dagelijks slechts weinige kilometers gedurende het ebben van het water afgelegd worden, dan zal je ’t kunnen begrijpen, dat verscheidene weken met zoo’n reis gemoeid zijn.”

„Maar,” was de schijnbaar niet ongegronde opmerking van La Cueille, „we hebben dat vlot toch met de spil tegen den stroom zien ophalen; we hebben daaraan dapper meegedaan. Onze Dajaks zullen dat toch ook wel doen, wanneer ze in den vloed komen.”

„Het mocht wat,” was het antwoord van Johannes. „Toen zij dat vlot van soengei Moeroi naar Danau Ampang brachten, konden ze niet anders; er loopt daar geen vloedstroom. Hadden ze anders kunnen handelen, wees dan verzekerd, dat ze zich de moeite wel gespaard zouden hebben, al was er nog zoo veel tijd mee gemoeid geweest.”

„Dat alles begrijp ik nu,” hernam Wienersdorf, „ik heb echter op een ander punt weer inlichting noodig. Je hadt het zoo even over de vele meren en soengei’s, waaruit Bapa Andong zijn boschproducten zou gehaald hebben. Soengei’s zijn er legio, dat weet ik, maar meren? Zijn er dan nog meer, behalve dit Danau Ampang? Dit is al een merkwaardigheid in een bodem van alluviale vorming, zooals de zone is, waarin we ons thans bevinden; bestaan er meerdere dan is de merkwaardigheid des te grooter.”

„Ik kan je daaromtrent volkomen inlichten,” was het antwoord van Johannes. „We bevinden ons juist te midden van den meergordel. We zijn er reeds een half dozijn gepasseerd, waarvan de voornaamste zijn: Danau Telaga, Danau Telok Katjang, welke laatste oneindig veel grooter in oppervlakte dan Danau Ampang, dat wij bezocht hebben. Dwars van ons, maar op den oostelijken kant der rivier, ligt Danau Lihon en verder zullen we nog wel een half dozijn passeeren, waarvan Danau Sapoipondong en Danau Lawang de voornaamste zijn. Ik noemde dit den merengordel, omdat in de nevengelegen stroomen Doesson en Kahajan, die met de Kapoeas evenwijdig van noord naar zuid vloeien, op dezelfde breedten ook aan weerszijden een groot aantal meren gevonden wordt.”

„Maar waaraan zou de vorming van die meren in dat lage terrein toe te schrijven zijn?”

„Zoo je eenige reizen in deze streken gemaakt hadt, zou je die vorming niet vreemd voorkomen. Zij hangt geheel te samen met het aanwezen van de geheele alluviale streek, die de zuidkust daarstelt en nog in volle vorming verkeert. We zijn thans in het hoogwaterseizoen, zoodat de oevertaluds niet zichtbaar zijn; anders zou je al gemerkt hebben, dat de rivier niet altijd gestroomd heeft, waar thans hare bedding is. Zij zal ook niet altijd blijven stroomen, waar zij dat nu doet. Betrekkelijk geringe tijdruimten zijn er noodig om daarin aanmerkelijke wijzigingen te brengen; en iemand, die hier vroeger geweest is en deze streken daarna in een tiental jaren niet bezocht heeft, zou zich op sommige gedeelten der rivieren in dezen gordel niet herkennen. Zooals je ziet, vormt de rivier tallooze kronkelingen; soms keert zij op hare schreden terug en stroomt dan een wijl van zuid naar noord. Er zijn punten, waar de oevers van beide stroomgedeelten zoo dicht bij elkander komen, dat een persoon, op den eenen oever geplaatst, met iemand op denzelfden oever, maar in een andere bocht, zonder inspanning een gesprek zou kunnen voeren. Was onze prauw zoo laag van boord niet, of was het terrein zoo begroeid niet, dan zouden we dikwijls gedeelten van de rivier zien, waar we uren geleden geweest zijn of waar we eerst na een aanmerkelijk tijdsverloop komen zullen. Wat is het gevolg van die vele kronkelingen? In de bochten, en dat is genoegzaam zichtbaar, wordt de bodem langzaam maar gestadig uitgehold en ondermijnd; de oevers van twee zulke nabijgelegen bochten naderen elkander gedurig. De landengte, die zulk een schiereiland aan den vasten wal verbindt, wordt gedurig smaller en smaller en eindelijk breekt zij door. Eerst vormt dat een smal kanaal, hetwelk soms aanmerkelijke gedeelten van de rivier afsnijdt en de vaart, als men er goed mede bekend is, aanmerkelijk bekort. Dat kanaal heet dan: antassan. Maar die antassan wordt met elken watervloed breeder en eindelijk spoedt de geheele watermassa der rivier zich als langs den kortsten weg door dat nieuw gevormde bed. De beide mondingen van de oude bedding verzanden langzamerhand, het hierdoor afgesneden gedeelte, dat nu een minder of meer aanmerkelijken plas vormt, kan den toevoer van water, dat het van grootere of kleinere soengei’s ontvangt, niet genoegzaam loozen; de oevers worden langzamerhand overstroomd, het terrein rondom wordt moerassig en de vorming van het meer heeft een aanvang genomen. Allengskens worden de rivierbedding en ook hare oeverkanten door bezinking van modder en zand, maar voornamelijk van plantendetritus opgehoogd, waardoor een dam tusschen het meer en de rivier ontstaat. Maar bij iederen westmoesson hebben herhaaldelijk overstroomingen plaats, waardoor telkens een groote watermassa zich in de Danau uitstort en dit al grooter en grooter maakt. Bij terugkeer van de rivieroppervlakte tot haar peil, keert ook een gedeelte van het meerwater naar de rivierbedding terug, waardoor dan door het laagste gedeelte van den dam een kanaal gevormd wordt, dat het meer voortdurend met den stroom in gemeenschap stelt. Zietdaar, wat ik meen opgemerkt te hebben en hoe ik mijzelven het ontstaan van dat groot aantal meren verklaard heb.”

„Bravo!” riep Wienersdorf in de handen klappende, „bravo! voor die uitlegging. ’k Geloof niet dat er een betere te geven is. Maar die meren moeten zeer vischrijk zijn?”

„Dat zijn ze ook. ’t Is verbazend hoe het daar van visschen krioelt. Groote en kleine, visschen die een lengte bereiken van 1 tot 2 M., zooals de dahoeman, een soort van paling, de behoe of gaboes, zooals hij op Java geheeten wordt, de djampol, een geelwitte visch, die bijzonder lekker is, de kaloi, een witvisch, enz. enz., te veel om allen op te noemen. Die visschenwereld heeft echter een geduchten vijand in den kaaiman, die er groote verwoestingen onder aanricht. Zoo’n meer is dan ook het luilekkerland voor die monsters, die er welig tieren. De Dajaks verzekeren ook, dat een soort van hippopotamus of rivierpaard in die meren te huis behoort. Ik heb er nooit een gezien en van al de inboorlingen, wien ik er naar vroeg, konden maar zeer weinige bevestigen, zoo’n monster ooit onder de oogen gehad te hebben. Zooveel is zeker, dat zij er een naam voor hebben in hunne taal. Dat dier heet bij hen „kadjamiena” en wordt voor een bovennatuurlijk en uiterst boosaardig wezen gehouden.”

„Die Sienjo is toch nog zoo dom niet, als hem zijn hoofddoek wel tooit,” dacht La Cueille bij zich zelven.

Middelerwijl was het middagmaal verorberd en het uurtje van rust verstreken. Met hernieuwde krachten nam men de pagaaien ter hand en werd de reis hervat.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XV

Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Een illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijn nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijn aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Een monsterkaart.

Drie dagen en twee nachten waren voorbijgegaan zonder dat onze vluchtelingen eenige ontmoeting op hunne reis hadden. Het was of het eiland uitgestorven was. In al dien tijd hadden zij geen menschelijk wezen gezien, geen enkel vaartuig ontwaard en, hoe zij ook uitgekeken hadden, zelfs geen rookspiraal waargenomen, die van uit het dichte bosch ten hemel kronkelende, hen aangeduid zoude hebben, dat daar een hutje stond, waar natuurgenooten den strijd des levens streden. Had zich van tijd tot tijd niet een troep apen schuchter aan den boschrand vertoond, om onder het slaken van een angstkreet, maar toch met koddige gebaren in het donkere groen te verdwijnen; had soms niet eens een kolossale visch de oppervlakte des waters met zijn staart gegeeseld, zij hadden kunnen gelooven, dat ook het dierlijk leven van Borneo geweken was. Niets was hun voor oogen gekomen dan het beperkte uitzicht op de immer meer en meer kronkelende rivier, aan welker boorden het dichte loof zich als een ondoordringbaar woud verhief en, als ware het jaloersch, niet gedoogde een blik op het daarachter gelegen terrein te slaan.

Rusteloos hadden de deserteurs voortgeroeid. Voort! altijd voort! Door Dalim bestuurd, was de prauw verscheidene antassans doorgevaren en had zoo vele groote kronkelingen der rivier afgesneden, waardoor in afstand aanmerkelijk was gewonnen. De derde nacht was ook reeds voor de grootste helft voorbijgegaan, toen de reizigers Kwala Hiang naderden.

De soengei Hiang is een linkerzijrivier van de Kapoeas, die bij hare uitwatering in dien stroom een aanmerkelijke breedte heeft en deze nog een paar dagen roeiens opwaarts behoudt. Die soengei ontspringt uit een uitgestrekt moeras, dat, tusschen de Doesson en Kapoeas gelegen, bovendien een andere uitwatering in eerstgenoemden stroom heeft. Na de overmeestering van het stoomschip Onrust op de boven-Doesson, lag het voor de hand, dat de vijandelijke stammen uit die streken strooptochten in de Kapoeas-landen zouden ondernemen. Om dat tegen te gaan, werd van wege het Nederlandsche bestuur aan de uitwatering van de Hiang een kleine Dajaksche versterking gebouwd, waarop een viertal kleine kanonstukjes geplant werden, en die door een vijftigtal Dajaks van Kwala Kapoeas, met geweren gewapend, bezet werden.

Dalim had al verscheidene malen een fluisterend gesprek met Johannes gevoerd, waarbij hij steeds op het hachelijke gewezen had, die versterking voorbij te varen. Wel viel er niet aan te denken, dat daar reeds kennis zou gegeven zijn van de vlucht der vier Europeesche soldaten; daartoe had volgens ieders berekening de tijd ontbroken. Maar Dalim en zijn Dajaksche makker stonden onder opzicht der politie. Ieder der aanwezigen te Kwala Hiang zou hen herkennen en met het hoofd aldaar, Tomonggong Patti Singa Djaja viel niet te gekscheren. Indien die hen herkende, zou hij hen zeker opvatten. En aan ontwijken viel niet te denken; daar bestond geen antassan, waarlangs een bocht der hoofdrivier kon afgesneden worden.

Johannes zat lang te peinzen; eindelijk opperde hij als zijn meening, dat men trachten moest Kwala Hiang in het holst van den nacht, liefst na het middernachtuur te bereiken. Het was dan zeer waarschijnlijk, dat de Dajaksche bezetting in diepen slaap zoude gedompeld zijn en de prauw ongemerkt zouden kunnen voorbij sluipen. Lukte dat niet en waren de uitgezette schildwachten waakzaam, dan moest naar omstandigheden gehandeld worden. Zoo werd besloten. Onmiddellijk na dat besluit hielden La Cueille en Johannes zich onledig met de beide kleine kanonstukjes, van soengei Naning medegenomen, op een paar stevige stukken hout met de rottanlussen te bevestigen met de monding buiten boord. Beide stukjes werden met los kruit geladen, waarop een flinke prop gezet werd.

Het was stikdonker toen men de versterking naderde, de pagaaien werden uiterst voorzichtig gehanteerd, zóó dat zij het boord der prauw niet raakten en geen leven maakten. Dalim stuurde het vaartuig onder langs den dichtbegroeiden oever, waarop de versterking lag. Langzaam werd voortgestevend en eindelijk was men de grens van het woud genaderd; nog eenige roeislagen en het vaartuig trad den kring binnen van de onbeschutte strook, alwaar de oever schoongekapt was, om vrij uitzicht aan de wachthebbenden te verleenen. Plotseling weerklonk een stem:

„Jèï! narai gawim kantoh olo toh kea?” (He, wat komen die menschen hier doen?) En voor dat er een antwoord op gegeven kon worden, knalde een schot, waarvan de kogel door de dakbedekking der prauw heenvloog.

De teerling was geworpen.

„Zij schieten op de Hollanders!” riep Johannes in het Dajaksch met luider stem. „Die kotta is thans door de oproerlingen bezet,” en zich tot zijn makkers wendende, riep hij, thans in het Hollandsch:

„Vooruit! vooruit tegen die muiters!! Vuur! vuur!! op dat gebroed!”

Op dat kommando schoot La Cueille de beide kanonstukjes af. Deze, zonder iemand kwaad te doen, lieten een langen vuurstraal in den stikdonkeren nacht flikkeren en een gedonder hooren, dat des te indrukwekkender was, daar het geknal tusschen die dicht begroeide oevers door de echo honderdvoudig herhaald werd. Johannes en Dalim hadden vier geweren te hunner beschikking, die zij achtervolgens in de richting van de versterking afvuurden en daarna weder snel laadden. De beide Zwitsers openden een snelvuur met hunne repeteer-geweren, dat wel moest doen gelooven, alsof een geheele macht, wel tienmaal sterker dan de aanvallers telden, in ’t strijdperk getreden was.

Dat vuur werd een poos met alle hevigheid onderhouden en toen ongeveer een honderdtal patronen verschoten was, liet Johannes het staken. Geen geluid liet zich hooren. De Dajaksche bezetting, zoo onzacht uit den slaap gewekt, en toch al niet te kloekhartig tegenover vuurwapenen, was radeloos en in doodsangst opgevlogen en had—in stede van naar de wapenen te grijpen—in allerijl een heenkomen gezocht langs de achterdeur der versterking en hun toevlucht in de wildernis genomen. Met zooveel overhaasting was daarbij te werk gegaan, dat verscheidene dier dappere verdedigers bij het afdalen van de trap, die naar buiten toegang verleende, bijna den hals gebroken hadden. Wat die vlucht nog bespoedigd had, waren de Hollandsche kommando’s van Johannes, waardoor zij vermeenden door Nederlanders aangevallen te worden. Het hevige vuur, dat hen in al zijn verschrikkelijkheid tegen donderde en tegen knetterde en de kogels, die hen om de ooren floten, lieten daaromtrent geen twijfel over; de schildwachten daarenboven verklaarden dat zij zeer duidelijk op de voorste prauw—want dat er een geheele flotille was, werd bij den algemeenen angst door niemand ontkend—een Nederlandsche vlag hadden zien waaien.

Alles was nu doodstil in de versterking. Alleen heel ver in den boschrand werden nog angstkreten waargenomen. La Cueille stopte nu op ieder zijner geladen kanonnetjes een handvol geweerkogels, zette die met een goeden prop aan en vuurde in de richting af, van waar die stemmen vernomen werden. Die kogels vlogen suizend en fluitend door het bosch en verleenden vleugels aan de reeds zoo beangstigden.

Johannes stapte nu aan wal, terwijl de overigen met het geweer in de hand gereed zaten om op ieder, die zich vertoonde, vuur te geven en zijn terugtocht te dekken. Maar weldra kwam hij terug met het bericht, dat de versterking verlaten was. Twee Dajaks bleven nu ter bewaking in de prauw, terwijl al de anderen op den oever sprongen. De Europeanen sloten dadelijk de achterdeur der versterking en drie hunner stelden zich doelmatig op, om iederen terugkeer der bezetting met nadruk tegen te gaan. Middelerwijl doorsnuffelden Johannes en Dalim met de overigen het nest. Zij legden de hand op de aanwezige geweerpatronen en het buskruit en brachten die munitie met behulp hunner pandelingen in de prauw. Zij namen ook de vier kanonstukjes, waarmede het fort bewapend was, in beslag, en de geweren, waarvan zij evenwel slechts een veertigtal vonden, terwijl er vijftig aanwezig moesten zijn. Het was dus waarschijnlijk, dat de overigen door de wegloopers waren medegenomen.

Toen men de geheele versterking doorzocht en nog eenige kleinigheden, waaronder een paar manden tabak, welke vondst veel genoegen deed, gekaapt had, greep Johannes een brandend stuk hout en stak dat in een grooten hoop takkebossen, die onder een afdak opgeschuurd lagen. Ongeloofelijk snel verspreidde zich het vuur en onze avonturiers moesten zich haasten hun vaartuig te bereiken en dat op stroom buiten gevaar te halen. Zij namen evenwel nog twee prauwen en een paar djoekoengs mede, die voor de versterking in een kleine kreek als in een haven te dobberen lagen, hakten in die vaartuigen een groot gat en lieten ze zinken. Toen hervatten zij hunne reis, terwijl de versterking lustig brandde en den stroom in het nachtelijk uur over zijn geheele breedte helder verlichtte.

„Zie zoo! dat is illuminatie bij onzen doortocht,” riep Johannes vroolijk.

„Maar is die illuminatie geen daad van baldadigheid?” vroeg Wienersdorf. „Was de aanval op die versterking daarenboven noodzakelijk? Me dunkt dat we best voorbij hadden kunnen varen, zonder dat ons iets gedeerd had. Op zijn ergst genomen, zouden we wat geweerschoten te verduren gehad hebben. Die waren in het nachtelijk duister van die schutters niet bijzonder gevaarlijk en met wat meerdere inspanning zouden we spoedig buiten bereik geweest zijn.”

„Akkoord! We hadden wel voorbij kunnen komen; daaraan behoeft geen oogenblik getwijfeld te worden. Maar de gevolgen! vraag je af, wat de gevolgen zouden geweest zijn? Waren we voorbij kunnen komen, zonder ontdekt te zijn, voorzeker, dat ware wel het beste geweest. Maar nu die schildwacht ons gezien had, bleef ons niet anders te handelen over, dan we gedaan hebben. Waren we voorbij gesneld, dan zouden ons morgen ochtend bij het krieken van den dag een vijf-en-twintigtal Dajaks op de hielen gezeten hebben, en het hoofd Patti Singa Djaja zou niet nagelaten hebben van zijn invloed gebruik te maken om de bevolking van de boven-Kapoeas tegen ons op de been te brengen; en dan... dan zou ik geen uitweg meer geweten hebben. Nu is de bezetting van Kwala Hiang in de wildernis verstrooid; zij is zonder vervoermiddelen en derhalve vrij hulpeloos. Maar al had zij prauwen, dan zou zij nog nalaten ons te vervolgen, ongewapend als zij is. De gelegenheid om onzen slag te slaan, was te mooi, dan dat ik die onbenut mocht laten voorbijgaan. Zoo midden in haar slaap opgeschrikt, is die bezetting uit elkaar gestoven of haar de drommel op de hielen zat. Ik zou durven wedden, dat zij geen enkelen gekwetste heeft; althans ik heb geen enkel spoor van bloed ontdekt.”

„Daar ben ik dankbaar voor,” sprak Wienersdorf ernstig. „Onze desertie heeft al bloed genoeg gekost. Maar nu die brandstichting? die had kunnen nagelaten worden. Thans zwerven die ongelukkigen in de wildernis rond, beroofd van een onderkomen, aan het nijpendst gebrek ten prooi.”

„Die brandstichting!” vloog Johannes terstond op. „Die brandstichting! Je hebt zulke krasse benamingen voor de dingen. Neen, die brandstichting heb ik niet kunnen nalaten. Het vereenigingspunt van die menschen moest hun ontnomen en zij zoo tot den aftocht gedwongen worden. Die versterking is met Hollandsch geld gebouwd en bewapend. Door haar te verbranden, hebben we niemand benadeeld dan een Regeering waartegen we in openbaar verzet zijn en die dat verlies wel zal kunnen dragen. Wat de ongelukkigen betreft, die volgens je uitdrukking nu in de wildernis ronddolen, beroofd van een onderkomen en aan het nijpendst gebrek ten prooi, die zullen zich daaruit wel redden. Een Dajak lijdt geen gebrek in zijn wouden. En om een onderkomen heeft hij zich, in een luchtgestel als dit, al weinig te bekommeren. Vraag eens aan Dalim of hij er erg tegen op zou zien om van hier naar Kwala Kapoeas over land terug te keeren. Hij zal tal van moeielijkheden opsommen, tegen welker opruiming zijn luiheid zich verzetten zou, maar van gebrek lijden zou hij geen woord reppen; nog minder zou hij op het gemis van een onderkomen wijzen. Neen, ik blijf bij mijn beweren, de bemachtiging van die versterking was in de gegeven omstandigheden gebiedend noodzakelijk en hare verbranding niet minder.”

Johannes had met vuur en overtuiging gesproken en toch kon hij niet weten, dat die overrompeling nog een anderen en meer ingrijpenden invloed op hunne vlucht zoude hebben, dan hij bedoelde. Hij besprak slechts de onmiddellijke gevolgen, die onder het bereik zijner berekeningen lagen, terwijl op hetzelfde oogenblik een ander gevaar, veel grooter dan dat, waardoor zij zich thans heengeslagen hadden, hen op de hielen zat.

De kommandant van Kwala Kapoeas, de lezers weten het, had daags na het vertrek van Damboeng Papoendeh bevelen gegeven, dat het districtshoofd met vijftig gewapende Dajaks gereed zoude staan, hem bij een tocht naar de boven-Kapoeas te vergezellen. De gezaghebbersprauw, een fraai, rank en ruim vaartuig werd in gereedheid gebracht en van het noodige voorzien; en op het aangeduide uur aanvaardde die officier den tocht, na den dokter op het hart gedrukt te hebben goed waakzaam te zijn en hem zoo veel doenlijk op de hoogte van alle merkwaardige voorvallen te houden.

Een bezoek aan soengei Naning gaf niet veel licht. Onze bekende Ali Bahar vluchtte de wildernis in, toen die fraaie „kaloeloes” (staatsieprauw), waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, en die door een groot aantal roeiers voortgedreven werd, zijn woning naderde. Zijn vrouw, Indoe Soemping was dermate door dat bezoek verschrikt, dat zij, hoe welwillend de Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara haar ook toesprak, geen inlichtingen kon verschaffen. Wel erkende zij, dat Dalim met twee Kwala-Kapoeassers ten haren huize geweest waren, maar van den Sjech, die hare kinderen besneden had en boos geworden was, omdat hem varkensvleesch was voorgezet, en van den Pangareran, die hen van een vraatzuchtigen kaaiman verlost had, haspelde zij zulk een verward verhaal door elkander, dat er niet uit wijs te worden was. Hardnekkig bleef zij daarbij volhouden, dat zij geen blanken bespeurd had. Er werd nog een vergeefsche poging aangewend, om Ali Bahar in de wildernis te achterhalen en van hem iets duidelijkers te erlangen. Maar toen die opgegeven moest worden, werd de reis voortgezet.

Te soengei Mantangei waren de berichten niet duidelijker. Men kon niet meer verhalen dan wat er gebeurd was. En toch werd nog een verhaal geleverd, dat te verwarder en te ingewikkelder klonk, naar mate meer personen zich beijverden het te verduidelijken en te vertellen, wat zij gezien hadden en ook wat zij vermeenden gezien te hebben. Vooral de vrouwen waren daarbij uiterst breedsprakig, zonder evenwel veel mede te deelen. Maar allen kwamen ook hier daarin overeen, dat men geene blanken bespeurd had. Wat hier de onzekerheid ten top voerde, was de verzekering, dat Damboeng Papoendeh een paar dagen geleden met drie prauwen hier was geweest, dat hij een onderzoek ingesteld had, waarna hij de soengei Mantangei opgestevend was, terwijl niemand kon bevestigen die prauwen te hebben zien terugkeeren. Dit gaf aanleiding tot een langdurige wisseling van gedachten, waarbij het oude districtshoofd van Kwala Kapoeas geheel van gevoelen met den officier verschilde en dat vrijmoedig bekend stelde. Hij weersprak niet, dat Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei opgestevend was, maar wel dat de vluchtelingen daarlangs een uitkomst zouden gezocht hebben. Hij wist dat Dalim in de Doessonstreken een vreemdeling was, daarentegen zich in de Kapoeas geheel en al te huis kon rekenen. Eindelijk na lang aarzelen werd besloten deze laatste rivier tot Kwala Ybang op te roeien, daar berichten in te winnen en, versterkt met een gedeelte van de bezetting van dat fortje, naar omstandigheden te handelen. Het was al reeds een groote teleurstelling niet op de macht onder Damboeng Papoendeh met zekerheid te kunnen rekenen.

„Mijnheer zal zien,” sprak de oude Tomonggong, „dat wij zoo den besten weg kiezen. ’t Is onmogelijk dat de vluchtelingen langs de Doesson zullen trachten te ontsnappen. Daar zijn zij hun leven geen oogenblik zeker.”

„Ik mag lijden dat je gelijk hebt,” antwoordde de officier, „ik vind het onaangenaam zoo in den blinde rond te moeten tasten.”

De reis werd hervat; maar eerst bij Pendek Katiempoen werden de eerste berichten, die men vertrouwen kon, ingewonnen. De prauwen van Damboeng Papoendeh waren daar aangekomen; maar de lijders bevonden zich nog in zoo’n deerniswaardigen toestand, dat van hen niets te vernemen viel. De roeiers deelden mede wat zij wisten; hoe zij eens in het holst van den nacht een zwaar geweervuur gehoord hadden, hetgeen een bezoek aan Danau Ampang ten gevolge had gehad; verder vertelden zij van den bijenaanval en eindelijk van den bijstand dien Bapa Andong en de lieden van zijn vlot aan de lijders geboden hadden. Maar dat alles verspreidde zeer weinig licht, want ook deze menschen ontkenden ten stelligste, dat zij blanken gezien hadden. Wat evenwel den Tomonggong en ook den luitenant de wenkbrauwen deed fronsen, was de mededeeling, dat een forsch gebouwde Dajak, na de lijders zorgvuldig verpleegd te hebben, de twee Nederlandsche vlaggen van de prauwen ingehaald en medegenomen had. Ook de schriftelijke instructie, aan Damboeng Papoendeh medegegeven, was nergens te vinden, hoewel niemand kon verzekeren, dat die ontvreemd was.

De luitenant en het districtshoofd keken elkander een poos aan. Zij konden hunne gedachten geen vorm geven en zagen er van af die mede te deelen. De officier besloot evenwel den tocht tot Kwala Ybang voort te zetten. Hij hield zich overtuigd, dat zij daar meer zouden vernemen.

Niet ver boven Pendek Katiempoen werd het vlot van Bapa Andong ontmoet. Deze, met het wantrouwende karakter, den Oosterling eigen, gaf niets dan ontwijkende antwoorden. Van Europeanen wist hij hoegenaamd niets. Toen hij ondervraagd werd over het geweervuur, dat door de volgelingen van Damboeng Papoendeh vernomen was, legde hij een soort van verbazing aan den dag. Met het onschuldigste gezicht van de wereld, gaf hij te kennen, dat hij daar niets van gehoord had en verhaalde verder dat hij bij zijn strijd tegen de koppensnellers, hulp had erlangd van de opvarenden eener handelsprauw die, met een jachtgeweer een paar schoten gelost hadden. Toen op dat geweervuur verder en met allen ernst aangedrongen werd, gaf hij leuk ten antwoord, dat hij niet begreep, wat de toean kommandant bedoelde. Hij kon alleen mededeelen, dat zijne lieden om de muskieten te verdrijven, een groot vuur gestookt en dat met bamboestengels onderhouden hadden. Waarschijnlijk had het knappen van de bamboe aanleiding tot de meening gegeven, dat er hevig geschoten werd. Nu ontstaat er werkelijk bij het verbranden van bamboe, door de verhitte lucht die in de holle pijpstengels van dat riet de geledingen doet uit elkander springen, een sterk knappend geluid, dat, op een afstand gehoord, veel overeenkomst heeft met wild door elkander geloste geweer- en pistoolschoten.

Of de luitenant dat verzinsel geloofde? Hij zag er van af, of beter, hij nam den tijd niet, het onderzoek verder voort te zetten. Het zou hem ook bitter weinig gegeven hebben, daar het onderhoud met Bapa Andong op het vlot ten aanhoore zijner pandelingen had plaats gegrepen en deze zich wel gewacht zouden hebben hun meester tegen te spreken.

Voort, voort ging het weer. Altijd noordwaarts de Kapoeas op.

Het was omstreeks het middaguur toen de opvarenden van de staatsieprauw de monding der soengei Ybang in het gezicht kregen; maar hoe zij ook uitkeken, van de versterking, die tegenover die monding gelegen en haar beheerscht had, was niets te ontdekken.

„Wat drommel!” riep de luitenant verbaasd uit, „waar is de kotta gebleven?”

„Ik kijk er ook naar,” was het antwoord van den Tomonggong, „ik begrijp er niets van. Dáár, dáár heeft zij gestaan!”

En bij die woorden wees hij met den vinger in de richting, waar hij meende de versterking te moeten zoeken. Toen zij al nader en nader gekomen waren, zagen de reizigers eenige zwart verkoolde stronken staan, die de plek nauwkeurig aanduidden, waar eenmaal de kotta stond; ook zagen zij nog een lichten rook uit de nog smeulende puinhoopen omhoog kronkelen. Het was duidelijk, de benting was afgebrand. Maar.... was dat slechts een ongeval door onhandigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt? of zat daar meer achter?

Terwijl de luitenant en het districtshoofd daarover beraadslaagden, knetterden plotseling een paar schoten van achter de struiken en veroorzaakten de fluitende kogels een wezenlijk panischen schrik onder de Dajaksche opvarenden van de staatsieprauw. De Tomonggong greep zijn jachtgeweer, de officier zijn revolver en hielden zich gereed. Maar de roeiers sloegen zonder bevel de pagaaien ruggelings te water, zoodat de prauw bijna onmiddellijk door den stroom teruggevoerd werd en het geheel veel op een aftocht geleek. Daar evenwel op den oever alles rustig bleef, was die paniek spoedig genoeg bedaard. Kalm als altijd, maar toch behoedzaam stapte het oude districtshoofd alleen en ongewapend aan den wal en verhief luide zijne stem om te roepen, dat niemand eenig leed zoude geschieden. Aanvankelijk had zijn toeroepen weinig gevolg, maar eindelijk toch werd dat geroep beantwoord en, na lang dralen, kwam het hoofd van Kwala Hiang Tomonggong Patti Singa Djaja, maar toch nog schoorvoetende uit het dichte bosch te voorschijn. Hij was uitermate verbitterd op de Nederlanders. Hij noemde hen verraders, sluipmoordenaars, landstroopers en wat niet al. De man kon geen uitdrukkingen krachtig genoeg vinden om aan zijn verontwaardiging lucht te geven. De bedaarde Nikodemus liet hem uitrazen; maar toen gebrek aan adem den verwoede noodzaakte den vloed van scheldnamen af te breken, begon hij hem aan het verstand te brengen, dat hij zich had laten verschalken en de Hollanders aan niets schuld hadden. Hij deelde hem mede, dat de kommandant van Kwala Kapoeas aan boord der staatsieprauw was en bracht het zoo ver, dat het hem gelukte den beangstigde over te halen dien officier te ontmoeten.

Het verhaal van het gebeurde werd toen vlug genoeg geleverd en toen hij inzag, dat hij beet genomen was, bleef het hoofd niet in gebreke de geschiedenis aanmerkelijk te overdrijven. Zoo was de aanval door een tiental prauwen met minstens een paar honderd strijders bemand, volvoerd; de versterking was heftig door kanon- en geweervuur geteisterd geworden en het was niet, dan nadat de palissadeering vernield was, dat de bezetting de wijk genomen had. Hij twijfelde er niet aan of velen zijner ondergeschikten waren gevallen; want slechts weinigen hadden zich in de wildernis om hem geschaard. Dat woord „kanonvuur” deed den officier ongeloovig glimlachen; want al gaf hij toe, dat geweervuur weerklonken had, waar van daan zouden de deserteurs kanonnen gehaald hebben? Toch bevestigden alle ooggetuigen, die Patti Singa Djaja bijbracht, dat herhaaldelijk met kanon op hen gevuurd was en dat hen bij hunne vlucht nog een hagelbui „anak pelor” (kartetskogels) nagezonden was, wat toch niet anders dan met grof geschut kon geschieden. De luitenant fronste de wenkbrauwen en trok de schouders omhoog. Hij wist niet wat te gelooven. Dat was zeker, dat hij ditmaal op het spoor der deserteurs was; want uit al die verwarde verhalen bleek ontegenzeggelijk dat er Hollandsche kommando’s waren gehoord. Maar wat nu te doen? Dat was een allergewichtigste vraag. Die kerels stelden zich aan als razende Rolands en waren geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Daar tegenover had de officier de volle maat erlangd van hetgeen hij van zijn Dajaksche metgezellen te verwachten had. Een paar schoten, die hun over het hoofd gesuisd hadden, waren voldoende geweest, om hen te doen deinzen. Het speet hem nu, dat hij niet een tiental soldaten medegenomen had, dan ware er een kern, die pal zoude staan. Maar de voorzichtigheid had hem dat doen nalaten. Het fortje te Kwala Kapoeas was toch al zoo zwak bezet. Hij peinsde en peinsde. Hij gevoelde zich als de bevelhebber eener belegerde sterkte. Al is die door nog zulk een groote overmacht omsingeld, hij mag haar niet overgeven of zij moet minstens een storm doorstaan hebben. Dat gebieden plicht en eer. Hier ook. Hij begreep dat hij verreweg in de minderheid was, niet in getal, maar in zedelijke waarde der horden, die hij tegen de vluchtelingen zou kunnen aanvoeren. Ook de bewapening zijner tegenstanders was beter, al trok hij ook de schouders op voor de berichten omtrent kanonvuur. En wat hem niet het minste teleurstelling baarde, zijne verwachtingen om de bezetting van Kwala Hiang met hare wapens gedeeltelijk te kunnen bezigen, waren gefaald. In een woord, hij stond daar vrij hulpeloos tegenover die mannen, die voor hunne vrijheid, het dierbaarst goed, streden en daarvoor alles veil hadden. Toch wilde hij de poging niet opgeven. Hij zou het onmogelijke trachten te doen en wie weet of niet het een of ander toeval hem alle kansen in handen zoude voeren.

Dat waren de gedachten, die hem het brein doorkruisten. Hij beraadslaagde met het districtshoofd, ook met het hoofd van Kwala Hiang en er werd overeen gekomen, dat men tot kotta Baroe zoude doorroeien. Daar zouden zij de bevolking te wapen roepen. Op een paar honderd man viel al licht te rekenen en met die macht, versterkt door hetgeen van de bezetting van Kwala Hiang verzameld was kunnen worden, waaronder eenige met geweren, maar met slechts een beperkt aantal patronen, zoude een ernstige poging gewaagd kunnen worden om de deserteurs in handen te krijgen. Andere meer uitgewerkte plannen, van hetgeen hun te doen of te laten viel, waren in de gegeven omstandigheden niet te ontwerpen.

Middelerwijl hadden de deserteurs ook niet stil gezeten. Wel konden zij niet gissen, dat het gevaar zoo nabij was. Zij verlangden slechts de bovenlanden te bereiken. Hoe grooter de afstand was, die hen van de onmiddellijke onderhoorigheden der Nederlanders scheidde, des te veiliger zouden zij zijn; want dat gevoelden allen: met den afstand klommen ook de bezwaren voor hunne vervolgers in toenemende rede bij hunne pogingen om hen in handen te krijgen. Het ergste was reeds achter den rug, meenden zij; met nog wat inspanning zouden zij van dien kant niet veel meer te duchten hebben. Vlijtig werd dan ook voortgeroeid en toen de dag aan den hemel verscheen, was zelfs de opstijgende rook van de brandende kotta Kwala Hiang niet meer te bespeuren.

Bij een der menigvuldige zandplaten, die in dit gedeelte der rivier de uitspringende hoeken welke zij vormt, omzoomen, werd aangelegd en nu beijverden zich de reizigers hun maal te bereiden en zich door een bad in de kristalheldere rivier te verfrisschen en te versterken.

Na die verfrissching en terwijl de rijst gaar kookte, zaten de Dajaks van het gezelschap in een kringetje en bespraken de gebeurtenissen van de laatste dagen. Met een zeker ontzag keken zij tegen die vier kerels op, die er bruin uitzagen als een hunner, die in hun omgang zoo eenvoudig en hartelijk waren, maar die toch, als hun moeielijkheden in den weg traden, als halve duivels te werk gingen. Dat gevecht aan boord van het vlot en dan dat koene ondernemen tegen de kotta Hiang vooral, hadden diepen indruk nagelaten. Zij lachten dat zij schudden bij de gedachte hoe hunne landgenooten het hazenpad gekozen hadden en zij waren onuitputtelijk in het aanhalen van bijzonderheden, welke die overrompeling gekenmerkt hadden.

De Europeanen van hun kant hadden zich in een groepje op het helder witte zand uitgestrekt en verlustigden zich de ledematen eens goed te kunnen uitrekken, iets wat in die enge prauw niet wel doenlijk was. Een oogenblik hadden ook hen de laatste gebeurtenissen bezig gehouden, maar dat was slechts kort geweest. Wat hen thans voornamelijk boeide, was de prachtige ochtendstond, die hen omgaf, die den hemel en de toppen van het woud verguldde en de rivier onder de weerkaatsing van dien purpervloed, aan een stroom vloeibaar goud gelijk deed zijn. Het morgenrood van het Oosten uitgegaan, en eerst een onbeduidende streep van het zachtste rozenrood, had langzamerhand het geheele uitspansel met een liefelijk rosé overtogen, dat gaandeweg donkerder werd, naarmate de dagvorstin den gezichteinder meer nabij kwam, om eindelijk daar boven te stijgen. De natuur was stil en als eerbiedig opgetogen in dien plechtigen stond, die bijna dagelijks in dezelfde pracht wederkeert en toch door zoo weinige redelijke en denkende wezens genoten wordt. Geen zuchtje verhief zich, geen blad ritselde en gedurende die plechtige stilte murmelde slechts het zachte geklater der rivier, als prevelde zij een gebed tot verheerlijking en innigen dank. Het zoo kleurrijke hemelgewelf was langzamerhand in het schitterendste purper overgegaan; nog een poos en in het Oosten teekende zich te midden van die kleurenpracht een stip die weergaloos helder blonk. Die stip werd grooter en grooter, en eindelijk was het een groote vurige bol, die boven den horizon geklommen was en nu niet meer de toppen der boomen in goud tooide, maar tusschen takken en bladeren doordrong, het nachtelijk duister verdreef en alom licht en leven tot in de somberste hoeken van het woud verspreidde. In vlammende trekken vertelden de hemelen de natuurwonderen in zulk een indrukwekkende taal als alleen te midden van een tropisch woud gesproken en verstaan kan worden.

Naarmate de zon boven den horizon klom, nam de purperkleur af. Langzamerhand baadden hare stralen alles in een rein helder wit licht, terwijl het hemelgewelf zich in het fraaiste azuur, de kleur van het onbegrensde, hulde. Bij de algeheele windstilte, die tusschen de keerkringen gewoonlijk de eerste uren van den nieuw geboren dag vergezelt, teekende zich nu op het blauw des hemels een natuurverschijnsel, dat, hoewel niet zeldzaam op Borneo, toch op verre na niet dagelijks voorkomt. Vlak boven hunne hoofden zagen onze avonturiers een band ontstaan van uiterst fijne vederwolkjes, die zich van noord naar zuid uitstrekkende, al de bochten en kronkelingen der rivier vertoonde. Naarmate de purperkleur verbleekte, trad die band meer bestemd voor het oog. Het was alsof een reusachtige kaart van den stroom hier beneden, zich daarboven ontrolde, waarop de rivier als een zilverlint op een blauwen achtergrond aangeduid stond. De oevers van het beeld der Kapoeas waren scherp begrensd; al de soengei’s, die haar toevloeien, waren met hare kronkelingen en bochten helder aangeduid; zelfs de meren en plassen, langs de boorden der rivier, lagen daar duidelijk voor oogen en naar het noorden nam de zilveren band zichtbaar af en naar het zuiden in breedte toe, tot het beeld den boschrand bij den gezichteinder raakte en zich in den aether verloor. Aan die hydrographische teekening ontbrak alleen maar, dat in een der hoeken met kolossale letters gegriffeld had gestaan: „schaal op natuurlijke grootte” en in een anderen: „Deus sculpsit,” om haar volmaakt te kunnen heeten.

Met verbazing staarden onze reizigers hemelwaarts.

„Bewonderenswaardig mooi!” riep Wienersdorf eindelijk na een lang stilzwijgen uit. „De kaarten van Otto Petri zijn er niets bij.”

„Prachtig! prachtig!” stemde Schlickeisen in, er met geestdrift bijvoegende: „Zoo verkondigen de hemelen de heerlijkheid en almacht des Heeren!”

„Ik heb die verschijning meermalen gezien, evenwel nimmer fraaier en duidelijker dan thans,” sprak Johannes. „Eens evenwel heb ik het bijgewoond, dat niet alleen de afbeeldingen van de Kapoeas, maar ook die van de aan haar evenwijdig vloeiende Doesson en Kahaian waar te nemen waren. Het beeld vertoonde zich toen veel hooger dan dit schijnt. Het was bij gelegenheid dat het stoomsleepertje „Kapitein Van Os” in de eerste helft van 1860 een verkenningstocht op de Kapoeas maakte. We bevonden ons des morgens, ook zoo omtrent dit uur, ter hoogte van de eilandengroep Poeloe Teloe. ’t Was een verrukkelijk gezicht, zoo als die drie stroomen daar afgebeeld stonden. Alleen de linker soengei’s van de Doesson en de rechter van de Kahaian waren minder duidelijk; zij liepen, door het welven van het hemeldak, bij den gezichteinder eenigszins in elkander. Overigens was alles prachtig gedetailleerd en waren zelfs de eilandjes, die Poeloe Teloe vormen, als blauwe openingen in den zilveren band zichtbaar.”

„Hoe zou zulk een teekening ontstaan?” vroeg La Cueille.

„Daar zit ik al over te peinzen,” antwoordde Wienersdorf, „ik zal trachten je duidelijk te maken, hoe ik me die vorming voorstel. De groote verdamping, waaraan de watermassa onder den invloed van de keerkringszon op den moerassigen bodem van Borneo bloot staat, heeft de vorming van meer wolken ten gevolge, dan wel ergens op aarde plaats heeft. Het eerste wat we gewoonlijk hier zoowel als overal waarnemen, wanneer bij het doorkomen van de eerste zonnestralen de nachtelijke nevels optrekken, is de vorming van vederwolken. Deze, door de geleerden Cirrhi genaamd, verschijnen heel hoog in de lucht en zien er uit als afhangende veeren, ook wel als bijna onzichtbare parallelle draden van een zeer fijn netvormig weefsel. Ze doen zich ook soms voor als banden in den vorm van fijne houtkrullen en worden dan niet oneigenaardig met een onbedwongen haarlok vergeleken. Heeft een groote verdamping plaats, dan ronden die vederwolken zich af en vormen half bolvormige massa’s als opgehoopt op een waterpas grondvlak, die dan schapen- ook wel stapelwolken, Cumuli genoemd worden. In den regel vormen deze zich omstreeks het middaguur, om tegen zonsondergang te verdwijnen. Is dit laatste niet het geval en heeft verdere uitdamping plaats, dan vervormen de Cumuli zich tot Nimbi of regenwolken of tot Strati of schichtwolken, die zich in dikke horizontale lagen langs het hemelgewelf uitspreiden en regen of onweder aanbrengen. Dit is in het algemeen de wolkenvorming. Ik stel mij nu voor, dat bij zeer droge en volmaakt stille lucht, de dampen, die steeds boven iedere watervlakte gevormd worden, loodrecht omhoog stijgen, zich, in hoogere lagen aangekomen, verdichten en de vederwolkjes vormen, die we daar boven aanschouwen. Is het nu in die bovenlagen van den dampkring ook volmaakt stil, dan zullen die vederwolkjes zich boven de watervlakte, waaruit ze ontstonden, samenpakken en zoo het afbeeldsel van die watervlakte vormen. Gaat de verdamping voort en blijven de luchtdeelen in rust, dat wil zeggen, dat ze niet in zijdelingsche beweging geraken, dan zal de teekening op het blauwe grondvlak al scherper en duidelijker uitkomen; maar eindelijk zullen de Cirrhi in Cumuli overgaan en weldra de grenzen der teekening verbreken en door elkander dwarrelen. Of een windje verheft zich en de vederwolken zullen onder dien drang wijken om hare fijne en breede pluimen volgens de windrichting te scharen. Ziet, zooals ginds reeds gebeurt, dáár, waar ge die opening in den rivierband reeds kunt zien en waar de vederbossen in de richting van het noordwesten beginnen te wijken, waaruit we gevoeglijk kunnen afleiden, dat weldra, althans in de bovenlagen een zuidoostelijke wind zal doorwaaien.”

„Mooi verklaard,” betuigde Schlickeisen, „maar alvorens ik onzen kameraad mijn dank betuig, wenschte ik nog een opheldering. Zoo even is gezegd, dat bij de verdamping, die zich boven iedere wateroppervlakte vormt, vederwolken ontstaan. Maar het geheele gedeelte van Borneo, waar we ons nu nog bevinden, tot aan de zuidkust toe, kan aangemerkt worden als een samenhangende watervlakte te vormen, zoo moerassig is het. Heeft nu de vorming plaats, zooals gij uitgelegd hebt, dan zou geen beeld eener rivier of van een stroomgebied zich afteekenen, maar dan zou het geheele uitspansel zich met een net van vederwolken bedekken.”

„Jawel,” viel hem hier Wienersdorf nog al onstuimig in de rede, „dat zou het ook, als de verdamping boven die moerasgronden ongestoord plaats vond; als die in andere woorden daar kon geschieden, zooals dat boven de rivieren en meren gebeurt. Maar, boven dat moeras spreidt zich het dichte loof van het maagdelijke woud uit en vormt als het ware een beschermend dak, dat weinig of niets doorlaat. Des nachts koelen de takken, maar voornamelijk de bladeren sterk af, de opstijgende damp condenseert zich of slaat daarop neer, zooals men dat noemt, evenals de vochtdeelen uit de omringende lucht in een verwarmd vertrek zich op de wanden van een glas met kilkoud water gevuld, neerzetten. Ge ziet het, takken en loof zijn met overvloedigen dauw overdekt. Die dauw zou vederwolken gevormd hebben, als hij omhoog had kunnen trekken. Straks zal hij wel verdampen, wanneer takken en bladeren zich, onder den invloed van de minder schuine zonnestralen, met den warmtegraad der omringende luchtdeelen in evenwicht zullen gesteld hebben. Ten opzichte van die verdamping dus, vormt het woud als het ware een horizontaal dak, een vlak dat boven de rivieren, soengei’s, spruiten, meren, enz. uitgeknipt zou zijn, om de vervluchtigde waterdeelen in de morgenuren door te laten, terwijl die dan elders weerhouden worden. Ik hoop, dat die uitleg proefhoudend zal bevonden worden, voor mij ten minste is hij voldoende om mij het ontstaan der prachtige teekening, die we straks bewonderd hebben, maar die nu reeds verdwenen en onder den invloed van den zuidoostenwind uitgewischt is, te verklaren.”

„Ten volle neem ik genoegen met die toelichting en verklaar mij daardoor bevredigd,” betuigde Schlickeisen.

„Als dat zoo is, dan betuig ik mijn dank voor de duidelijke en zakelijke voordracht,” sprak Johannes, „maar de rijst is gaar; onze Dajaks hebben ze reeds in portie’s afgedeeld en in breede bladeren gewikkeld. Straks zullen we met smaak kunnen eten. Dus ieder op zijn plaats in de prauw en de pagaaien ter hand genomen. Er mag geen tijd verloren gaan; we zullen trachten heden nog kotta Baroe te bereiken.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVI

Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit.

Het was ongeveer zonsondergang toen onze reizigers kotta Baroe bereikten.

Kotta Baroe speelde eens een niet onbelangrijke rol in de geschiedenis der boven-Kapoeasstreken. Hare ligging aan de grenzen, waar het alluviaal zich aan het diluviaal terrein aansluit, zal ten allen tijde hare waarde behouden. Nog slechts korten tijd vóór dat onze deserteurs daar aankwamen, verhief er zich een Dajaksche sterkte, die de geheele rivier beheerschte. Een booswicht van de ergste soort had zich daar gevestigd. Zijn naam was Djoeragan Kaout. Hij gaf voor een Javaan te zijn. Inboorlingen evenwel beweerden, dat hij te Pangko, een kampong van de beneden Kahajan, uit volbloed Dajaksche ouders geboren was. In zijn jongelingsjaren oefende hij het beroep van zeeroover uit. Hij woonde toen in een der talrijke soengei’s, die zich in gemelden stroom uitstorten, en trok van daar uit om de omliggende vaarwaters af te schuimen.

Wee het vaartuig, dat in zijn macht viel!

Legio waren de verhalen der heldenfeiten, die hij met een soort van genoegen kon opdisschen; en onder die verhalen namen die niet de minste plaats in, welke de parten moesten verkondigen, die hij den Nederlanders gespeeld had. Was hij goed gehumeurd, dan noemde hij die steeds „bawoi boelan” (wit wild varken) en zijn meest saillant verhaal was, dat hij eens onder de Javakust door een Hollandsch oorlogsschip op het strand was gejaagd. Wat viel er te doen, vroeg hij, tegen de zware kanonnen van die witte zwijnen? Hij had toen op den hoek van Indramajoe een versterking opgeworpen en die drie weken lang tegen de bemanning van dat schip verdedigd. Hij lachte steeds, dat hem de tranen over de wangen rolden, wanneer hij vertelde, dat hij in een stikdonkeren nacht met een deel zijner manschappen de hem belegerende matrozen had overvallen en, na er een aantal van neergehouwen te hebben, de overblijvenden in hun onderbroek, sommigen zelfs zonder dat kleedingstuk, naar hunne sloepen gedreven had. Hij was onmatig in zijn lachlust bij het verhaal, dat een der officieren met zijn bloote kuiten in een nest van roode mieren te recht was gekomen. Den volgenden dag kwamen wel is waar die Hollanders terug, maar toen had hij zich uit de voeten gemaakt. Dat van het geheele verhaal niet veel waar was, behoeft wel niet verzekerd te worden, maar zoo iets poseerde en de mogelijkheid van blanken met of zonder hemd en onderbroek te hebben doen vluchten, werd door niemand betwijfeld. Het was te koddig om niet waar te zijn. Gewoonlijk lachte het geheele auditorium hartelijk mede, wanneer die episode opgedreund werd.

Op lateren leeftijd, toen hij zich rijk genoeg meende geroofd te hebben, verliet Djoeragan Kaout het zeerooversleven en vestigde zich te kotta Baroe, alwaar hij een geduchte versterking bouwde en er zich voornamelijk op toelegde de bevolking dier streken uit te zuigen. Voor een inlander had hij een vrij groote handelskennis en beijverde hij zich dan ook de producten van het land in te ruilen voor lijnwaden, tabak, messen, zout, enz. enz. Had hij zich nu daartoe slechts bepaald, dan, hoe groot de woekerwinsten ook waren, die hij nam, zoude zijn verblijf in die streken ten zegen hebben gestrekt aan die oorspronkelijke bevolking. Maar zijn hoofdbemoeiingen waren niet de handel, maar veeleer zich in geschillen zijner buren te mengen; die geschillen te verergeren, door de gemoederen te verbitteren, door haat en nijd aan te blazen en zich zijn tusschenkomst grof te laten betalen. De Dajaks zijn een zeer proceszuchtig volk, die steeds quaestieuse zaken onder elkander hebben en als het ware zonder deze niet leven kunnen. Veelal hebben zij het hoogste goed, dat de mensch bezit, de vrijheid, veil, om aan dien hartstocht te kunnen voldoen. Bij onvoldoende middelen toch, om de boeten en de proceskosten te betalen, wordt menig proceslustige pandeling, wat zeggen wil slaaf. Slaaf in de afzichtelijkste beteekenis van het woord. Want pandeling is slechts een huichelachtige benaming, onze XIXe eeuw volkomen waardig.

Op die wijze en ook door geregelden aankoop was Djoeragan Kaout in het bezit gekomen van ruim tweehonderd pandelingen van beiderlei kunne, waarvan zoowel de vrouwen als de mannen zwaren arbeid voor hem moesten verrichten, en de eerstgenoemde ook nog tot onzedelijke doeleinden werden uitverhuurd. Werden zijne pandelingen oud, zoodat door gebrek aan arbeidskracht voor waardevermindering te vreezen was, dan verruilde hij ze tegen jongere of verkocht ze om als offers bij begrafenisplechtigheden, verzoeningsfeesten of anderszins geslacht te worden.

Nimmer had hij zich goedschiks aan het Nederlandsche bestuur onderworpen. Had hij ook al een enkelen keer een tevreden gezicht gezet, wanneer hij met een Hollandsch beambte in aanraking gekomen was, het was met een nevengedachte dat hij huichelde en niet altijd had hij zulk een beambte eerbiedig ontvangen. De vrees voor geduchte kastijding alleen had hem langen tijd van openlijk verzet weerhouden. Toch handelde hij meestal zoo als hij verkoos en lachte om de gegeven bevelen. Zoodra de opstand in 1859 in het Bandjermasinsche rijk uitbrak, schaarde hij zich openlijk aan de zijde des verzets en het was voornamelijk aan hem te wijten, dat de Dajaks van Poeloe Petak en van de beneden Kapoeas zich onder de vanen des opstands schaarden en de zendelingen te Tangohan en in de Kahajan vermoordden. Hij was het, die in Augustus 1859 de overrompeling van het fortje Poeloe Petak aanvoerde. Een paar maanden later poogde hij op listige wijze andermaal dat fortje binnen te dringen, maar die toeleg werd bijtijds ontdekt en verijdeld. Gedurende dien opstand waren de bovenlanden geheel aan zich zelven overgelaten en was de kans schoon voor Djoeragan Kaout om zich aan alle mogelijke euveldaden schuldig te maken. Nimmer was de verwarring daar zoo groot geweest. Maar de dag der vergelding kwam nabij.

In het begin van Januari 1861 werd de kommandant van Kwala Kapoeas door het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara gewaarschuwd, dat Djoeragan Kaout, onder den schijn zich te komen onderwerpen, met een groot gevolg zou komen, om het fort te overrompelen. Hij was zoo zeker van zijn zaak, dat hij reeds een ruilhandel had aangegaan met betrekking tot het hoofd van den kommandant en wel tegen zulk een aanzienlijken prijs, dat die officier er trotsch op kon zijn zijn bol zoo hoog geschat te zien. Maar deze, met het volkje bekend, waarmee hij omging, huldigde de leus: „pas op je kop”. Hij gaf geen gehoor aan den Tomonggong, die hem den raad gaf, den muiter niet te ontvangen. Integendeel hij liet dezen met zijn geheele macht voor het fort verschijnen; maar toen Djoeragan Kaout op den steiger aan wal gestapt was, schoof een peloton soldaten tusschen de prauwen, waarin zijn talrijk gevolg gezeten was. Wel riep de hoofdopstandeling: „amokh! amokh!!” en wilde hij zijn mandauw trekken, maar de kommandant greep hem bij den rechter pols, terwijl een korporaal hem bij den anderen arm vatte. Het peloton soldaten hield met aangelegde geweren de volgelingen in bedwang, terwijl Tomonggong Nikodemus hun toeriep, zich stil te houden en hen op de kanonnen wees, die, op de aanlegplaats gericht, gereed stonden om vuur te geven. In een oogwenk was de booswicht onder het oog van zijn gevolg gekneveld en binnen het fort gebracht. Zijn aanhang kreeg nu bevel om de nabijheid van het fort te verlaten en naar de Kapoeas terug te keeren. Weinige weken later sprak de krijgsraad te velde de doodstraf door middel van den strop over Djoeragan Kaout uit, en werd die te Bandjermasin voltrokken.

Niet langen tijd daarna deed de echtgenoote van den gevonnisde, een zeer schoone Dajaksche vrouw, den kommandant van Kwala Kapoeas aanbiedingen om als zijn huishoudster op te treden. Maar de goede raad van den ouden braven Tomonggong behoedde hier den jongman voor het ergste verraad. Later heeft die vrouw het districtshoofd verweten, dat hij haar verhinderd had, haren man te wreken; ze had het vergift reeds bij zich toen zij haar aanbod deed en zij had op hare schoonheid gerekend om een gemakkelijke overwinning te behalen.

Teruggekeerd te kotta Baroe, zette die vrouw het woeste bedrijf haars mans voort, voerde koppensnellerstochten aan, hief belastingen en tolrechten bij doorvoer van alle handelsprauwen, eigende zich pandelingen van anderen toe, ja ontzag zich niet, vrije mannen te laten oppakken en tot slavernij te doemen. De klachten, die te Kwala Kapoeas inkwamen, klonken al luider en luider en eindelijk vertoonde zich weer voor het eerst een stoomschip te kotta Baroe, bij welke gelegenheid aan al de pandelingen van Djoeragan Kaout de vrijheid werd hergeven, de versterking geslecht en zoo de invloed van die heerschzuchtige en wraakzuchtige vrouw werd geknakt. Zij is sedert verdwenen. Het gerucht liep, dat ze naar de boven Katingan was gevlucht en zich daar metterwoon gevestigd had.

„Ziet daar de geschiedenis van kotta Baroe in den laatsten tijd,” zoo besloot Johannes het verhaal, dat hij gedurende den overtocht geleverd had. „De bevolking is thans rustig en heet goedgezind. Het zijn evenwel koppensnellers in hun hart, die van de beschaving niet meer willen weten, dan in hun kraam te pas komt. We zullen hier een oogenblik aanleggen. Dalim heeft eenige kennissen te raadplegen over het voortzetten der reis, terwijl ik zal trachten een versterking aan roeiers te bekomen.”

Dalim en Johannes stapten aan wal. De bevolking van kotta Baroe had al nieuwsgierig uitgekeken, toen zij die prauw, waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, zag naderen. Johannes met het bevelschrift in de hand, dat hij aan Damboeng Papoendeh ontnomen had, eischte een twintigtal roeiers in daghuur, om de prauw naar de bovenrivier te brengen. Dat papier, hetwelk niemand lezen kon, maar waarop het Nederlandsche wapen in rood lak afgedrukt stond, maakte indruk; nog meer de toezegging, dat ieder roeier tot belooning een rijksdaalder voor zijn diensten en, was men tevreden, nog een steng tabak tot geschenk zoude ontvangen. Vooral de tabak verlokte velen en toen Johannes een mand van het nicotiaansch kruid uit de prauw liet boven brengen en het hoofd een paar stengen aanbood, waren alle beschikkingen snel getroffen. Een luid gejuich verhief zich. Als om strijd boden een aantal wakkere borsten zich aan om te roeien en weldra hadden zij hunne legmatjes met hunne hoofdkussens in de prauw gebracht, hunne beseai’s gegrepen en waren zij gereed om de reis mede te aanvaarden. Johannes deed hier ook nog goede zaken; hij ruilde nog twee manden tabak voor vijf pikols rijst en een zakje zout. Volgens hem waren ze nu geapproviandeerd voor de geheele reis; vooral daar zij die twintig roeiers, die ze hier te kotta Baroe aan boord namen, slechts een tiental dagen zouden gebruiken. De vier pandelingen van Bapa Andong werden aan het kottahoofd overgegeven met opdracht die menschen met de eerste de beste gelegenheid naar Kwala Kapoeas terug te zenden. Grootmoedig gaf Johannes hun ieder tot belooning hunner diensten een rijksdaalder en betuigde hun zijn tevredenheid. Dit alles geschiedde in naam van het Nederlandsch Indisch bestuur; en die gevlagde prauw, en dat gezegeld papier waren zoovele afdoende bewijzen, dat Johannes een afgezant van het Gouvernement der „Olo bapoeti” (witte menschen) was, die volgens zijn voorgeven, de opdracht had verkregen te trachten met de Olo Ott, de woeste wilde stammen in de binnenlanden, in aanraking te komen en omtrent hunne gezindheid verslag uit te brengen. Ook de milde betaling aan de roeiers en de geschenken in tabak stijfden de bevolking in de meening dat zij met zendelingen van het Nederlandsch bestuur te doen had.

Daar boven kotta Baroe geen gemunt geld meer gangbaar is en men zich in de binnenlanden van Borneo niets kan aanschaffen dan door middel van ruilhandel, zette Johannes al het baar geld van het reisgezelschap tegen eenige stukken sits en andere lijnwaden, maar vooral tegen stofgoud van de hand. Al reeds van Kwala Hiang af vertoont dat edel metaal zich, evenwel nog in geringe mate, in het aangeslibde zand der rivier. Te kotta Baroe is de productie al reeds de ontginning waard en komt het stofgoud als handels- of liever als ruilartikel voor. Als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Gouvernement werd Johannes welwillend behandeld en verkreeg hij de thaël [60] gouds voor 55 gulden, terwijl die te Bandjermasin een waarde heeft van 60 tot 70 gulden.

Twee uren waren zoo omstreeks verstreken sedert hun aankomst te kotta Baroe, toen onze avonturiers weer tot vertrek gereed stonden. Dalim evenwel was nog niet verschenen. Deze had een paar kennissen opgezocht en zat gezellig onder het genot van een pruimpje sirih te kouten. Indachtig aan de langzaamheid van zijn landslieden en aan het tijdroovende eener onderhandeling, als waarmede Johannes belast was, had hij zich bij die kennissen op een matje neergevleid en had het vertrekuur totaal vergeten. Toen hij geroepen werd, vloog hij op en was in een ommezien op zijn post met den stuurpagaai in handen. Met kracht schoot de prauw onder een roeislag van zes en twintig paar armen vooruit en weldra was kotta Baroe aan het gezicht onttrokken.

Er werd nu bepaald, dat gedurende den nacht steeds twintig roeiers aan den arbeid zouden blijven en de zes overblijvende gedurende twee uren zouden rusten, waarna zij zes anderen zouden aflossen, die twee uren later evenzoo zouden handelen. Zoo stevende de prauw rusteloos voort.

Intusschen viel het den beiden Zwitsers, als landmeetkundigen en topografen, al spoedig op, dat de vaart merkbaar afweek van de tot nu toe gevolgde richting. Was de hoofdstreek, werwaarts de prauw den steven wendde tot nu toe noord geweest, thans scheen de rivier naar het noordwesten te kronkelen. Aanvankelijk schenen de beide mannen te aarzelen. Herhaaldelijk keken zij naar de sterren, maar de veelvuldige buigingen van den stroom maakten een gezette waarneming hoogst moeielijk. Eindelijk greep Wienersdorf zijn kompas, plaatste dat voor zich en kwam ras tot de overtuiging dat, hoewel de prauw afwisselend naar alle windstreken stuurde, de hoofdrichting thans noordwest was. Johannes legde hem uit, dat de voornaamste bergketen, die Borneo doorsnijdt, een hoofdstrekking heeft van het noordoosten naar het zuidwesten en de uitloopers aan den zuidelijken kant van die keten naar het oosten of zuidoosten afhellen. Dat is dan ook de terrashelling aan dien kant van het gebergte. Bijna al de rivieren, die zich in de Javazee uitstorten, nemen aanvankelijk een richting aan van het noordwesten naar het zuidoosten, tot waar zij het alluviale terrein binnentreden en hun loop van noord naar zuid veranderd wordt.

Terwijl onze reizigers zoo samen zaten te praten, kwam het gesprek langzamerhand op de fauna van het land, dat zij doortrokken.

„Op een paar krokodillen na en eenige troepen apen, die als kwajongens in de boomen gymnastiseerden, hebben we van de dierenwereld van dit eiland nog niet veel gezien,” was de bemerking van Schlickeisen. „En toch moet de dierenwereld in een land als dit krachtig vertegenwoordigd zijn.”

„’t Mocht wat,” viel Johannes meesmuilende in. „In waarheid is Borneo in dat opzicht zoo armelijk bedeeld, als geen der groote eilanden van den Indischen archipel. Hier geen rhinocerossen, geen olifanten of tijgers, zelfs geen inheemsche paarden. Wat hier in groote menigte voorkomt, zijn slangen en tot die overbevolking schijnt de moerassige bodem aanleiding te hebben gegeven. Die slangen-overbevolking is weer oorzaak van de bijna totale afwezigheid van vogels, die in de benedenstreken waargenomen wordt, daar dat kruipend gedierte tegen stam en tak opklimt en de eieren opslurpt, of de jongen verzwelgt.”

„’t Is toch merkwaardig, dat het centraaleiland van den Indischen archipel, het grootste van al de eilanden, waaromheen de anderen zich als een krans slingeren, het allerminst bevolkt is met levende wezens,” dacht Wienersdorf als het ware hardop. „Op Java behoort de tijger over het geheele eiland thuis. In het westelijk gedeelte van dat eiland wordt de rhinoceros aangetroffen en, mag men de geleerden gelooven, dan zou het nog zoo lang niet geleden zijn, dat een kortmanige leeuwensoort in het Bantamsche aangetroffen werd. Op Sumatra zijn de olifant, de rhinoceros, de tijger, de jakhals in hun waar element. Op Celebes treft men het paard in zijn schoonste vormen aan en is de bewering, geloof ik, niet te gewaagd, dat dat edelste aller dieren daar eenmaal in het wild aangetroffen werd. Alleen Borneo is geheel misdeeld.”

„Geheel misdeeld! is nu ook weer het woord niet,” was het wederwoord van Johannes. „We hebben nog niet veel gezien van dat groote centraaleiland, zoo als Wienersdorf het noemt. We zullen wel ervaren, dat hier de apen in zoo’n groote menigte voorhanden zijn als ergens ter wereld. We zijn hier in het paradijs van den orang oetan, den homo silvarum, dien Darwin voorzeker voor oogen gehad heeft, toen hij zijn stellingen over de afkomst onzer voorouders verkondigde en de apenwereld volstrekt geen eer aandeed, met ons tot haar nakroost te bestemmen. Troepen herten dolen door de bosschen en over de hoogvlakten rond, die je omtrent een geheele misdeeling van het dierenrijk tot andere gedachten zouden brengen.”

„Een hertenbout zou niet onwelkom zijn,” meende La Cueille met de lippen smakkend. „Één bout slechts van dien overvloed! ’k ben, dunkt me, niet te begeerig.”

„Heb geduld maar. Alles op zijn tijd. Maar om tot het onderwerp terug te keeren. ’t Is waar, groote verscheurende dieren ontbreken, hoewel het tijgergeslacht nog al overvloedig vertegenwoordigd is door een paar kleine soorten als de panter en de tijgerkat [61], die voor den mensch onschadelijk, toch al weer meehelpen om der vogelenwereld een wreeden oorlog aan te doen. Een ander dier, dat nog al in de bosschen hier aangetroffen wordt en van al de eilanden van den Archipel nog slechts op Sumatra gevonden wordt, is de honig- of suikerbeer [62], die als echte snoeper slechts voor de bijen een wezenlijke vijand is. Vindt ge het geen gelukkige streek, waar de mensch aan den wal slechts zijn natuurgenoot en in het water slechts den krokodil, dat andere onverzadelijke monster, te vreezen heeft?”

„Maar waaraan zou dat ontbreken van groote dieren op Borneo toch toe te schrijven zijn, terwijl die op de andere groote eilanden zeer talrijk moeten genoemd worden?”

„’k Heb wel eens gelezen, dat de reeks eilanden, die bij de Pegu-golf in Achter-Indië begint, en uit de Andaman en Nikobarische eilanden, Sumatra, Java, Bali, Lombokh, Soembawa, Flores, Kwella, Ombaai, Timor, Timor-laout enz. enz. bestaat, vroeger een groot vast land of eigenlijk een groot schiereiland vormde, dat, met het tegenwoordige schiereiland Malakka tot een geheel verbonden, zich eerst van het noorden naar het zuiden en zuidzuidoosten, later van richting veranderende ter plaatse waar thans Straat Sunda te vinden is, zich van het westen naar het oosten uitstrekte en waarschijnlijk met Nieuw-Guinea samenhing. In den loop der tijden zouden door geweldige omkeeringen en aardbevingen de verschillende straten ontstaan zijn, die thans die eilanden van elkander scheiden en als zoovele doorbraken den Indischen Oceaan tot de Chineesche zee toegang verleenen. Is nu die stelling aan te nemen, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat op die eilanden nog de meeste dieren aangetroffen worden, die zich van hunne bakermat Voor- en Achter-Indië daarover verspreidden.”

„Dat is mooi en wel voor die genoemde eilanden verklaard; maar voor Borneo laat het nog alles in het duister.”

„Geduld, ik ben nog niet klaar. In die tijden dat die eilandengordel nog een vast land uitmaakte, bestond Borneo nog niet en werd de plaats daarvan ingenomen door een groot zeebekken, dat van het noorderstrand van het tegenwoordige Java zich tot aan de Chineesche kusten uitstrekte en ten westen door Sumatra, Malakka en Cochinchina en ten oosten door Celebes en den Philippijnschen Archipel bepaald werd.”

„Mooi die uitlegging,” knorde La Cueille, „het laat zich hooren dat te midden van dien waterplas geen rhinocerossen, olifanten en tijgers heen en weer zwommen.”

Johannes keek den Waal bijna met verachting aan, maar vervolgde zonder zich aan dat in de rede vallen te storen:

„Te midden van dat groote bekken verhieven eenige kleine koraaleilanden hunne vlakke toppen boven de watervlakte. Door een langzame verheffing van den bodem kwam de steen- en kleilaag, waarop die koraalafzettingen rustten, allengskens boven water. De vorm, door die opheffing verkregen, bepaalde een toekomstige hoofdbergketen, die van het noordoosten naar het zuidwesten loopt, met een paar vertakkingen, waarvan het Meratoesgebergte, met een strekking van noord naar zuid, de voornaamste is; en een paar anderen met een richting van west naar oost. Toen had het eiland, maar op veel grootere schaal, nagenoeg de gedaante van Celebes met zijn diep ingesneden bochten en zeeboezems. De aanmerkelijke waterafvoer van die toppen en ook de verdere opheffing des bodems, vulden die bochten en zoo verkreeg Borneo de gedaante die het thans heeft, maar niet behouden zal.”

„Waarom niet?” vroeg Schlickeisen.

„Omdat het nog in volle vorming verkeert. Of de langzame opheffing van den bodem nog voortduurt, weet ik niet. Andere bollen dan de mijne zullen dat moeten uitmaken. Om dat te constateeren, zullen een reeks van waarnemingen moeten gedaan worden, waarvan, als ik het wel heb, de eerste nog niet geschied is. Maar de aanslibbing gaat voort en ’t is opmerkelijk, hoe aan de zuidkust het terugdringen van de zee en het vooruitschuiven van het land, zich voor het oog zichtbaar voordoet. Vooral de Tjemarabosschen bieden hiertoe een ongeëvenaarden maatstaf aan. Vlak aan de boorden der zee ziet men kleine boompjes van ternauwernood een paar cM. lengte. De rijen daarachter zijn weer iets langer en zoo gaat het voort, totdat men op een paar honderd el afstand van het water, het hoogwoud bereikt, waar stammen van dertig voet hoog aangetroffen worden. De overgang van het eene boompje tot het andere is schier onmerkbaar, het loof vormt van uit zee gezien als een zacht glooiende helling van het helderste groen. Ieder jaar vormt weer nieuwe rijen, schuift weer jonge boompjes vooruit op de aangeslibde klei en me dunkt, dat het moet te berekenen zijn, wanneer van Tandjong Salatan, den zuidelijksten uitlooper van het Meratoesgebergte, tot Tandjong Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, die als de voortzetting van het Kamintinggebergte te beschouwen is, een gelijke kustlijn zonder merkbare bochten of inhammen, die slechts afgebroken zal worden door de mondingen der rivieren, zal gevormd zijn.”

„Dat is zeker heel aardig verklaard,” sprak Wienersdorf als in nadenken verzonken. „Maar waarop berust die stelling van langzame opheffing? Is zij niets anders dan een hypothese door Europeesche geleerden op het studeervertrek uitgedacht, of berust ze op stellige daadzaken?”

„Op stellige daadzaken, mijn waarde Zwitser! Wellicht morgen reeds, wanneer we ten minste spoed genoeg maken, komen we de grenzen der kalkformatie nabij. Daar, in de koraaltakken, die ge er zult kunnen verzamelen, in de opeenhoopingen van verbrijzelde schelpen enz. die ge er zult opmerken, zult ge de bewijzen gelieven te zien, dat de zee eenmaal daar hare golven rolde. Nu moet ge niet denken, dat die koraal- en schelpbrecciën alleen aan de Kapoeas aangetroffen worden. Neen, aan de oevers van al de rivieren, die met de laatstgenoemde evenwijdig loopen, vindt ge dezelfde formatie terug. Het eigenaardigste daarvan is, dat, indien ge al de grenspunten der kalkformatie, die onloochenbare bewijzen eener vroeger bestaan hebbende kustlijn, door een lijn verbindt, die lijn dan vrij wel de richting aangeeft van den loop van het centraal gebergte, welks voet zij als het ware vormt.”

„Is er in de volksoverlevering niets, wat op zoo’n toestand doelt?” vroeg Schlickeisen.

„Wel zeker, er bestaan bij de onderscheidene Dajaksche stammen, die langs de bedoelde rivieren wonen, vele legenden en verhalen dienaangaande. De voornaamste en die ook bij alle stammen nagenoeg onveranderd terug gevonden wordt, is de navolgende:

„Vele jaarhonderden geleden, was Kalimantan op lange na zoo groot niet als het tegenwoordig is. Over het grootste gedeelte van het nu zichtbare rolde toen de zee hare blauwe golven en slechts de toppen van de tegenwoordige bergen Parawen, Boendang, Mienta en Japoh Poerau [63] verhieven zich even boven den waterspiegel en strekten tot woonplaats van het voorgeslacht. Rustig en afgescheiden van de geheele wereld leefden die menschen daar; want die lage eilanden waren door vele klippen omgeven, waarop de zee met woede brak en een nadering hoogst gevaarlijk maakte. De faam evenwel van den grooten rijkdom dier eilanden aan goud en diamanten had zich—hoe, weet niemand—heinde en verre verspreid, zoodat er vele hebzuchtigen bestonden, die zich van die schatten wenschten meester te maken. Op zekeren dag werd een groote prauw, met vele menschen bemand, door weer en wind in de nabijheid dier klippen gevoerd. Een gedeelte der bemanning toonde zich uiterst bevreesd en verlangde dat gevaarlijk oord zoo spoedig mogelijk te verlaten. De andere helft was van oordeel, dat, nu men in de nabijheid van die rijke eilanden geslingerd was, de gelegenheid om fortuin te maken bij de haren moest gegrepen worden. Geen van beide partijen wilde toegeven; het geschil eindigde met een vechtpartij, waarbij de vechtenden elkander bijna geheel vernielden. De weinige overgeblevenen konden het vaartuig niet sturen, zoodat dit, door wind en stroom voortgezweept, op het strand gejaagd werd. Wat er van de menschen werd, meldt de overlevering niet, maar het schip werd door den Sangiang Dagoeman in een vervaarlijken grooten kalksteen veranderd, die heden ten dage nog in grove trekken de gedaante van een schip vertoont en daarom Batoe Banama [64] genoemd wordt. Die Batoe Banama ligt een weinig boven den kampong Tawan aan den linkeroever van de boven Doesson en duidt vrij scherp de grensscheiding tusschen het alluviaal en diluviaal terrein aan.” [65]

„Allerinteressantst!” verklaarde Wienersdorf, „maar je bent nu toch eenmaal aan het vertellen. Niemand onzer heeft nog slaap. Zeg ons nu nog eens, of de inlander ook het gemis van groot verscheurend gedierte weet te verklaren? Wellicht dat zijn legenden daarop ook duiden?”

„Zoo ver mij bekend is, zwijgen de overleveringen daarvan; wellicht omdat het bestaan van dat gedierte op andere gedeelten der aarde bij het volk zelfs niet vermoed wordt. Toch bestaat er een legende, die schijnt aan te duiden, dat er toch eenig begrip omtrent groote dieren heerscht en daarenboven innig samenhangt met het volkskarakter, namelijk om list tegenover geweld te plaatsen. Die legende luidt als volgt:

In die voortijden, toen de dieren nog met de spraak begaafd waren, kwam een monsterachtige olifant van den overwal aan de zuidkust van Borneo aan en zwom de Kahajan op. De verzamelde dieren, daar te huis, zagen met ontzetting dat gevaarte den stroom opstevenen. Zij vaardigden een krokodil naar den vreemdeling af, om te vernemen wat hij in zijn schild voerde. De kaaiman, weinig diplomaat van aard, daarentegen meer vechtersbaas, tastte den indringer met zijn tanden aan en dacht een gemakkelijke overwinning te behalen. De olifant greep hem echter met zijn machtigen snuit, verhief hem als een balletje in de lucht en verbrijzelde zijn ruggegraat tegen een drijvenden boomstam. Daarop, verwoed over dien trouwloozen aanval, stapte de overwinnaar aan wal, riep een in de nabijheid grazend hert tot zich en zond dat naar de gezamenlijke dieren van Borneo, om hen tot een gevecht uit te dagen. Aan dien afgezant gaf hij een zijner slagtanden mede, ten einde de tegenpartij zich een denkbeeld zoude kunnen maken van de kracht en de grootte van het dier, dat hen ten strijde uitdaagde.

Van bluf was die zending niet vrij te spreken, maar wat de olifant voorzien had gebeurde. Schrik en ontsteltenis sloeg ieder dier om het hart bij het zien van dien kolossalen tand, terwijl het wedervaren van den krokodil, waaromtrent het hert zeer dichterlijke verhalen te berde bracht, niet geschikt was om die vrees te doen bedaren. Te midden der algemeene verslagenheid trad het kleine stekelvarken (landakh) als redder op. Dit kleine dier gaf namelijk den raad om, onder toezending van een zijner pennen, den olifant mede te deelen, dat men zijne uitdaging aannam. De medegezonden stekel moest dienen, om den vreemdeling in staat te stellen een vergelijking te maken tusschen de haren van zijn aanstaanden tegenstander en zijn eigene, ten einde zich zoo een denkbeeld te kunnen vormen, hoe groot de tanden wel moesten wezen van het dier, dat zulke kolossale haren bezat. De list gelukte volkomen. De olifant er volstrekt niet op gesteld zijnde, met zulk een machtigen tegenstander in het krijt te treden, vroeg zijn tand terug en zwom met inspanning van alle krachten weer naar het land, van waar hij gekomen was. En nog heden ten dage heet de plaats waar de dikhuid aan wal steeg: „rantau gadjah oendoer,” of „de rivierbocht waar de olifant terugkeerde.”

„Verduiveld! dat was nog zoo dom niet uitgedacht,” meende La Cueille, „zoo’n stekelvarkenshaar zou een sappeursbaard beschaamd gemaakt hebben. ’t Is daarbij juist: „qui s’y frotte, s’y pique.””

„De legende is wel aardig,” sprak Schlickeisen, „maar ik vind er niet in, wat ik vroeg. Met dien olifant, die door een stekelvarkenspen op de vlucht gedreven is, wordt dunkt mij meer op een aanranding in de voortijden geduid, op een aanranding van buiten, wellicht van hindoe’s, die door list der inboorlingen verijdeld werd, dan op een vroegere bekendheid van wilde dieren als den olifant. Het zou toch niet onwaarschijnlijk te achten zijn, dat, zoo de aanvallers wezenlijk hindoe’s waren, zij gewapende olifanten bij hun aanvalsleger gehad hebben.”

„Wel mogelijk,” antwoordde Johannes flegmatiek, „maar als de liefste meid ter wereld, heb ik gegeven wat ik had. ’k Heb verteld, wat ik wist. Zooveel is zeker, dat, eenige Klingaleezen uitgezonderd, die zich hier of daar als handelaren genesteld hebben, van het Hindoeisme op Borneo weinig te vinden is.”

Onder dergelijke gesprekken was de nacht voorbij gesneld. Onze deserteurs hadden geen behoefte aan slaap gevoeld. Toen de dag evenwel aanbrak, keken zij vreemd op. Het terrein was geheel en al van gedaante veranderd. Tot nog toe had de rivier zich tusschen moerassige oevers heengeslingerd. In de benedenstreken hadden zij die oevers tweemaal daags overstroomd gezien door den vloed, die de wateren der rivier opstuwde en terugdreef. Hooger op, waar de invloed van eb en vloed niet meer ontwaard werd, was ’t het bovenwater, dat bij iedere forsche regenbui het land overstroomde, waardoor de oeverstreken moerassig bleven. Maar, sedert zij kotta Baroe verlaten hadden, sedert gisteren avond was het terrein aanmerkelijk gerezen en wat zij thans zagen, waren heuvelen van ongeveer honderd voet hoog, met zeer zachte hellingen, die bevallig met elkander afwisselden en de bekoorlijkste dalen vormden, of welker glooiingen zacht, bijna onmerkbaar in elkander overgingen. Soms was het terrein, dat zich voor hunne oogen opdeed, golvend. Twee, drie rijen hoogten strekten zich, zoo ver het gezicht reiken kon, evenwijdig aan elkander uit, hadden hunne zachte hellingen allen naar denzelfden kant naar het zuidoosten, de scherpe hellingen naar de tegenovergestelde zijden gekeerd en schenen baren, volgens de dichterlijke uitdrukking van Schlickeisen, door den zuidoostmousson voortgezweept, die plotseling verstijfd of gestold waren en den vorm behouden hadden, dien zij op het oogenblik van stolling vertoonden.

Maar niet alleen de bodem vertoonde een verandering, ook de flora, die daarop groeide, toonde zich geheel anders, dan die zij daags te voren gezien hadden. Wel hadden zij reeds lang de zone der Tjemara laout- en der Nipahbosschen achter den rug. Maar tot gisteren hadden de Rhisophoren nog de overhand gehad, die vreemdsoortige gewassen, welke met hare steltwortels zoo uitnemend geschikt zijn om den brijachtigen detritus in moerasstreken vast te houden en zoo tot de vorming van vasten bodem haar weerga niet hebben. Wel waren de Rhisophoren nog niet geheel verdwenen. Hun krachtige groei was evenwel reeds zeer beperkt; de weinige exemplaren die zich nog vertoonden, waren nog slechts de dwergen van hun geslacht. Maar in hunne plaats begonnen zich de Ficus-soorten te vertoonen, waaronder de Randoealas met hare loodrechte, monsterachtige stammen en de Wariengien’s met hare luchtwortels behooren, die soms een doolhof van stammen vormen, en haar kroonloof, dat op zich zelf een dicht bosch vertoont. Wat den reizigers nog wel het meeste opviel, was dat de zacht glooiende oevers, die gisteren nog altijd niet toelieten te ontwaren, waar het water der rivier ophield en waar het land begon, verdwenen waren en de stroom thans kokend en schuimend tusschen diepingesneden taluds voortspoedde. In de bochten waren die taluds steil afgebrokkeld en lieten zij de groote en kleine rolsteenen, gevat in gele of grauwe klei, waaruit de onderhumuslaag gevormd is, naakt en zonder eenig plantaardig dek zien, terwijl de uitspringende hoeken, tegenover die bochten, uit fijn wit zand en kleine rolsteentjes bestaande, zacht glooiend opwaarts stegen, om onmerkbaar in het aangrenzend hoogere terrein over te gaan.

Een ander verschijnsel, dat zich voordeed, waren de meerdere sporen van de aanwezigheid van menschen.

In de moerasstreken hadden de reizigers dagen lang geroeid zonder eenig menschelijk wezen of ook maar een spoor daarvan te ontdekken. Hier was dat geheel anders. Op de oevers werden veelmaals tusschen het oorspronkelijk woud aanplantingen van djagoong (maïs), katella pohon, suikerriet, katjang enz. of vruchtboomen als klappers, pisang, doerians enz. enz. aangetroffen. Van afstand tot afstand werden woningen waargenomen en konden de avonturiers zich verlustigen, menschen in hunne volle bedrijvigheid te ontwaren. Evenwel deed zich hier een bijzonderheid voor, die wel als keerzijde mocht aangemerkt worden. Trouwens te kotta Towanan en te kotta Baroe hadden de reizigers daar reeds staaltjes van gezien: alle woningen in de bovenstreken waren met een stevig paalwerk omgeven en zoodoende in ware forten herschapen. Bij voldoende waakzaamheid van de zijde der bewoners zou daar zonder geschut niet in te komen zijn; alleen uithongering of weifelmoedigheid zou zulk een sterkte tot overgave kunnen dwingen. Dat is het gevolg van de verderfelijke zucht om menschenschedels te vergaren. Iedereen zoekt zich te beveiligen tegen sluipmoord en vindt slechts zekerheid achter stevige wallen.

Die groote verandering in hunne omgeving, had de belangstelling der reizigers in hooge mate opgewekt. Zoo in een nacht, zonder overgang bijna, waren zij om zoo te zeggen in een andere wereld aangeland. De eerste gedachte, die bij hen opkwam, was van de veranderde omstandigheden gebruik te maken, om hun mondvoorraad aan te vullen, althans er eenige afwisseling in te brengen. Bij een daartoe gunstig gelegen tuin legden zij aan, gaven den bewaker een paar stengen tabak ten geschenke, en konden nu naar hartelust groenten, maïs en eenige knolgewassen inzamelen. Zelfs kregen zij eenige klappernoten en nog andere vruchten ten geschenke. Van dien bewaker vernamen zij verder, dat al sedert vele dagen een bende Poenans in deze streken verschenen was en dat zij dus op hunne hoede moesten zijn. Het was alweer het oude deuntje: pas op je kop.

Na die inzameling werd de reis voortgezet en bereikten de vluchtelingen zoo omstreeks tegen het middaguur de monding der soengei Koeatan. Deze is de voornaamste zijrivier van de Kapoeas. Zij is nog dagen lang bevaarbaar voor prauwen van middelbare grootte en ontspringt uit een moerassige terreinplooi, die tevens door de soengei Lemo in gemeenschap met de Doesson staat. Johannes opperde het denkbeeld om de reis langs de Koeatan te vervolgen, omdat de Doesson veel langer bevaarbaar is dan de Kapoeas en zij dus gemakkelijker het centraalgebergte zouden naderen, waarover de reis voerde om de noordkust te bereiken. De drie andere Europeanen stemden met dat voorstel in; Dalim en de overige Dajaks daarentegen kwamen er ten krachtigste tegen op. Wel was de weg gemakkelijker, dat erkenden allen, maar zij, als bewoners der Kapoeas-streken zouden terecht komen te midden hunner erfvijanden, waaronder het onmogelijk zoude zijn zich verborgen te houden en die van menschlievendheid of van deernis niets zouden willen weten. Een reis derwaarts ware gelijk aan een doodsvonnis. Terwijl men nog aan het beraadslagen was, kwam eensklaps een rangkan, door een twintigtal pagaaien voortgestuwd, den reizigers achterop. Van achter een scherpen hoek te voorschijn schietende, was de verschijning van dat vaartuig zoo plotseling, dat de schrik de meeste roeiers in de prauw der vluchtelingen verlamde.

„Poenans! Poenans!!” was hun geschreeuw, terwijl zij hunne mandauws grepen. De Europeanen vatten hunne geweren en weldra zoude een hevig geweervuur den naderenden tegengeknetterd hebben, had Dalim niet plotseling: „halt! niet schieten!” uitgeroepen.

Voor op den rangkan stond een Poenan in vollen krijgsdos, evenwel geheel ongewapend, die als een bezetene met de armen zwaaide en wenkte. Toen de vaartuigen nog wat dichter bij elkander waren gekomen, herkenden de reizigers den koppensneller, wien Wienersdorf in de Danau Ampang het leven had geschonken. En werkelijk, het was Harimaoung Boekit, die naar zijn stam terugkeerde. Hij zelf en al zijn tochtgenooten hadden de mandauws afgelegd, ten teeken van vredelievendheid.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVII

Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djangkan.—Armeering en proviandeering.—Een vrouw in een kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielsontvoering.

Toen de rangkan de prauw op zijde geschoten was, verhaalde het Poenanhoofd, dat zij des nachts te kotta Baroe aangekomen waren en daar de geheele negorij in rep en roer gevonden hadden. Zij hadden er een staatsieprauw aan den oever zien liggen en een gewemel van menschen waargenomen, alsof een belangrijke onderneming op til was. De nieuwsgierigheid had hen toen bekropen. Harimaoung Boekit aan wal gestapt, was als een slang naderbij geslopen en had vernomen, dat door een blanke van Kwala Kapoeas, dien hij gezien had en beschreef als met een langen mandauw (sabel) gewapend te zijn, de bevolking te wapen werd geroepen, om een prauw met vluchtelingen te achtervolgen. De blanke eischte twee honderd en vijftig weerbare mannen met de noodige prauwen, hetgeen tot niet weinig gepruttel aanleiding gaf. Toen de Poenan dat alles afgeluisterd had, begreep hij met zijn oorspronkelijk verstand, dat het om hen te doen was, die hem het leven geschonken hadden; en al dadelijk was het plan gerijpt, om die vrienden te waarschuwen, des noods krachtig bij te staan. Stil als hij gekomen was, sloop hij naar den rangkan terug, wenkte een paar zijner makkers, die, aan wal stappende met hem voortslopen en eindelijk bij een tomoi een menigte menschen vonden slapen. Een tomoi is een koepelvormig gebouwtje, dat in de bovenlanden in de nabijheid der versterkte huizen opgericht wordt, tot ontvangst van reizenden. Nimmer wordt een vreemdeling in de versterking toegelaten. In hoofdzaak is wantrouwen de grondslag van die handeling; men hoedt zich zoo voor verspieders, die onder vriendschapsschijn, wel eens het terrein komen opnemen. Maar het dient ook om twisten te voorkomen, die uit het schenden van de zeden en gebruiken der bewoners, den vreemdelingen meestal niet bekend, zouden kunnen geboren worden.

De gelegenheid was te schoon voor onze drie koppensnellers. De slapenden hadden zich ter ruste gelegd zonder voorzorgsmaatregelen te nemen. Met bliksemsnelheid trokken de Poenans hunne mandauws en in het volgende oogenblik hield ieder hunner een bloedig hoofd bij de haren in de hand. Nu stieten zij hun, „lahap” (krijgsgeschreeuw) uit, deelden den ontwakenden in het duister eenige houwen toe en maakten zich uit de voeten, toen de angst en de verwarring onder de aldus gewekten ten top gestegen was en zij elkander aanvielen en bevochten.

Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de Poenans met hun lichten rangkan al lang in de dichte duisternis verdwenen waren, voor dat de kommandant van Kwala Kapoeas—de lezers zullen wel geraden hebben, dat die de blanke was, die te kotta Baroe bevelen uitdeelde—zijn troepje Dajaks tot bedaren had gebracht. Niemand had de aanvallers zelfs gezien. De hoofdelooze lijken, die op den grond in een grooten plas bloed lagen, konden niet spreken; de gekwetsten waren in hun slaap toegetakeld en konden alleen een verward verhaal leveren van hetgeen zij bij hun pijnlijk en angstig ontwaken meenden gezien te hebben. Zij spraken van gedaanten van half mensch, half spook, die zij in het nachtelijke duister hadden zien verdwijnen.

Indien het de vluchtelingen waren, die dezen overval uitgevoerd hadden, en velen waren dat denkbeeld wel toegedaan, dan moest erkend worden, dat men met stoutmoedige kerels te doen had, die men niet zoo gauw in handen zoude hebben. De Tomonggong Nikodemus schudde evenwel het hoofd. Hij had de lijken onderzocht. De sneden, die de koppen van de rompen gescheiden hadden, waren zuiver en glad. Bij die houwen was geen aarzeling, geen herhaling, geen slachterswerk waar te nemen. Fiks, met een enkelen slag was de dood toegebracht, en die slag kon slechts door geoefende handen geslagen zijn, slechts door bovenlanders; maar niet door Dajaks der benedenstreken en nog minder door Europeanen.

Toen Harimaoung Boekit zijn verhaal geëindigd had, keken de vluchtelingen elkaar met angstige verbazing aan. Zij hadden niet kunnen denken, dat de Hollanders hen zoo spoedig op de hielen zouden zitten. Zij hadden gedacht nog altijd een voorsprong van acht of tien dagen te hebben. En nu waren de jagers in de nabijheid en het wild reeds op het spoor! Wat nu te doen?

„Vooruit! vooruit!!” riep Wienersdorf, „het heil kan slechts liggen in de vlucht!”

„Neen,” sprak Johannes mismoedig, „nu de kommandant ons zoo nabij is, kan de vlucht alleen niet meer baten. Op dit oogenblik is hij zeker reeds van kotta Baroe vertrokken en hij zal wel menschen genoeg geprest hebben, zoodat hij over veel meer roeiers zal kunnen beschikken dan wij. Op de vlucht zouden we spoedig zijn ingehaald. Je kunt het niet eens meer uitstel van executie noemen.”

„Maar wat dan?”

Johannes gaf daarop geen antwoord, maar zich tot het Poenanhoofd wendende:

„Waren er blanke menschen in het gezelschap van den kommandant?” vroeg hij.

„Ik heb lang en goed bespied; maar geen enkel bleekgezicht gezien, behalve hem, dien ge kommandant noemt.”

„Dus geen Europeesche militairen bij den troep, dat is al veel waard. Maar wellicht heeft de kommandant een escorte van Javaansche soldaten, daarmee valt ook niet te spotten,” mompelde Johannes binnensmonds.

„Hebt ge geen menschen gewapend gezien?” vroeg hij verder aan Harimaoung.

„De blanke had, terwijl hij bedrijvig was, een klein geweer (pistool) in de hand, achter hem liep steeds een boedak (slaaf) die een snaphaan droeg. De anderen zijn gewapend met hun mandauws en de meesten hebben een „sipet” of „loendjoh.” [66] Alleen de Amai [67] van Kwala Kapoeas, dien ik goed ken, heeft een geweer. Maar....”

En hierbij boog zich de Poenan tot Johannes en fluisterde dien gedurende eenigen tijd iets in het oor.

„Dat moet beproefd worden!” zeide deze met opgeruimd gelaat en vastbesloten, en zich tot zijn makkers wendende:

„Zoo we kotta Djankang bereiken, dan zijn onze kansen veel verbeterd, dan bestaat er hoop op redding. Dus vooruit!”

Met gejuich werd die kreet van „vooruit” beantwoord. De rangkan werd op sleeptouw genomen, de prauw van haar tentdak ontdaan. De gezellen van Harimaoung Boekit namen plaats in het groote vaartuig en werden verdeeld tusschen de roeiers en nu ging het vooruit als de wind, onder den drang van die vier en veertig pagaaien, die met kracht gehanteerd werden. De prauw kraakte in hare binten, maar hield zich uitmuntend. Een witte schuimgolf krulde voor haar boeg, brak ter weerszijden af en vormde achter den steven een onafzienbare aaneenschakeling van wilde draaikolken, die zich eerst achter den jongst voorbijgeschoten hoek voor het oog verloren. Het vaartuig schoot met groote snelheid vooruit en, zoo voortgestuwd, kon het met de snelstvarende stoomboot wedijveren. Bij dien wedstrijd beijverden de Poenans zich niet het minst. Volgens hunne gewoonte stonden zij in de prauw, waardoor zij met hunne beseai’s, van lange stelen voorzien, tusschen de anderen, die gezeten waren, konden roeien zonder iemand te hinderen en toch de noodige kracht aanwenden. Het waren prachtige kerels, die koppensnellers, met flinke breede borstkassen en stevig gespierde armen. Zij waren in vollen oorlogstooi gedost, hadden de muts van apenvel, met twee lange tingang-vederen [68] versierd, op het hoofd en den maliënkolder aan, die over een dik buisje van geklopte boomschors geslagen was. Beide kleedingstukken waren van voren open en lieten het fraai getatouëerde bovenlijf zien, dat zulke fijne figuren op de huid vertoonde, alsof zij met het penseel er op gebracht waren. Hunne schilden, met de meest grillige arabesken beschilderd, waren overeind tegen hunne lichamen geplaatst, zoodat zij hunne beenen en buik dekten, terwijl de geduchte mandauw, van een menigte haarlokken voorzien, fier aan hunne zijde prijkte.

Toen de prauw in volle vaart gebracht was, riep Johannes de beide Zwitsers, den Waal en Harimaoung Boekit te zaam op de achterplecht der prauw, waar Dalim zat met den stuurpagaai in handen. Zij zouden beraadslagen, wat hun te kotta Djankang te doen zou staan.

Deze versterking lag op den rechteroever der Kapoeasrivier, iets boven de monding der soengei Mawat en verhief zich op een heuvel, die zich ongeveer 60 M. boven den waterspiegel verheft. Als een kaap steekt die heuvel in de rivier uit en wordt langs drie kanten door haar omspoeld. Aan die zijden heeft de heuvel glooiingen nagenoeg onder natuurlijke helling; aan de landzijde sluit hij, een kleine ondiepe depressie van het vlak niet medegerekend, aan een heuvelenrij aan, die zich ongeveer van oost naar west uitstrekt en waarvan hij, zoover het oog reiken kan, het hoogste punt schijnt uit te maken. De versterking vormde een langwerpig vierkant van ongeveer 80 op 120 M, en was zoodanig op den heuvel opgericht, dat hare twee achtersaillanten de rivier op- en neerwaarts bestrijken en hare beide voorsaillanten daartoe krachtig meewerken konden. De ompaling was van stevig ijzerhout vervaardigd, terwijl de boomen, daartoe gebezigd, een doorsnede van 30 of 32 cM. bij een hoogte van tien M. boven den grond hadden. Om de tien palen was een palissade geplant, die van aaneengelaschte boomen vervaardigd, ongeveer drie maal zoo hoog was als de anderen en op zijn spits toeloopend uiteinde een gebleekten menschelijken schedel droeg. Binnen de versterking waren verscheidene Dajaksche woningen hoog boven den grond gebouwd, die evenwel door de palissadeering beschermd, daarenboven met zware ijzerhouten planken betimmerd en met sierappen [69] gedekt waren.

In de kotta woonden ongeveer 500 zielen, waaronder ruim 80 weerbare mannen aangetroffen werden. Het was dus in den eigenlijken zin des woords een versterkte kampong en al de Kotta’s in de binnenlanden van Borneo moeten ook in dien zin opgenomen worden. Aan het hoofd van die gemeente stond een oud man, met name Amai Kotong. Tot diens onderhoorigheden sorteerden ook nog de kotta’s Mawat en Brobok die, aan de soengei Mawat gelegen, te zamen 300 zielen met ruim 50 weerbare mannen telden. Bij de groote uitbreiding van de bevolking te kotta Djankang, hadden zich huisgezinnen afgescheiden en zich daar gevestigd, zoodat het eigenlijk spruiten waren van een stam.

Amai Kotong was een Poenan van geboorte. Als zoon van een groot opperhoofd, die aan de soengei Miri, een der voornaamste zijrivieren van de Kahajan, gezeteld was, had hij een Ot Danomsche jonge vrouw gehuwd en zich toen aan de boorden van de Kapoeas gevestigd. Door snel- en strooptochten had hij zijne bezittingen aanzienlijk zien toenemen; maar voornamelijk had hij met goudzoeken groote winsten gemaakt. Hij was de oom van Harimaoung Boekit en had steeds voor den zoon zijns ouderen broeders zeer veel toegenegenheid gevoeld. Het Poenanhoofd mocht op een goede ontvangst en op krachtdadige hulp te kotta Djankang rekenen.

Dat waren de inlichtingen, die Johannes in beknopte woorden zijnen toehoorders mededeelde. Een oogenblik zaten zijne metgezellen het gehoorde te overdenken. Eindelijk vroeg Wienersdorf:

„En wat is de conclusie van dat alles?”

„De conclusie? wel dat is duidelijk, dat we onzen intrek in kotta Djangkang moeten nemen,” was het nog al driftige antwoord, „en daar de kat uit den boom kijken. Valt men ons aan, welnu, we zijn wakkere knapen, dan zullen we het antwoord niet schuldig blijven.”

„Alweer bloedvergieten!” zuchtte Wienersdorf. „Is er dan geen kans om te ontkomen? We zetten zoo’n vaart; me dunkt dat we met den besten wil ter wereld niet in te halen zijn.”

„Kans om te ontkomen? Ja, die zou er zijn, maar die kans mogen we niet wagen. Want keert die kans zich tegen ons, dat wil zeggen, wanneer we ingehaald worden, dan staan we in het open veld tegenover een verpletterende overmacht en dan is het pleit spoedig beslecht. Dan valt er niets te doen, dan ons over te geven of ons leven zoo duur mogelijk te verkoopen. In beide gevallen is wat we reeds geleden en ondergaan hebben, volkomen nutteloos geweest en heeft het reeds gestorte bloed te vergeefs gevloeid.”

„Maar in die kotta zullen we opgesloten worden, de verdediging zal ook al weer bloed kosten, niet waar?”

„Ja, en ’t is te hopen, dat het niet nutteloos zal wezen. Ingesloten zullen we worden, maar ’t is te voorzien, dat de bovenlanden in beweging gebracht zullen worden en dan zal de insluiting zoo lang niet duren. Geloof me, als we slechts den eersten aanloop doorstaan, dan is al zeer veel gewonnen; dan zal de weg zich wel weer voor ons openen.”

„En toch ben ik van meening, dat we de vlucht voortzetten. Nogmaals, me dunkt, dat met de vaart, die de prauw thans heeft, geen vaartuig ter wereld ons kan inhalen.”

„Maar die vaart kan niet behouden worden,” viel Johannes driftig in. „’t Zal al wel zijn, als we die vaart tot den avond volhouden. En dan moeten we kotta Djankang bereikt hebben. Ja..... als we onze roeiers van tijd tot tijd tegen versche konden verwisselen, dan was ’t wat anders, maar daaraan valt niet te denken. ’k Wed, dat onze vervolgers te Tapen en te Toembang [70] Koeatan versche krachten zullen verkregen hebben. Kom, wees niet weekhartig; laat ons den toestand als mannen onder de oogen zien; we zullen niets doen dan ons verdedigen en je zult zien, dat een goede uitslag onze pogingen zal bekronen.”

„God geve het!” was de zucht van Wienersdorf.

„Amen!” riep La Cueille, „et que Notre Dame de Lourdes nous protège! Maar komaan, laten we nu weer een handje helpen met roeien. Als zoo vier paar Europeesche armen meedoen, dan kan men dat aan het trillen der prauw voelen. Kom vooruit, hoe meer distantie we zetten tusschen die kaaskoppen en ons, des te beter.”

De vluchtelingen grepen weer de pagaaien, maar plaatsten zich met Harimaoung Boekit op de achterplecht der prauw dicht bij Dalim bij elkander, om gedurende het roeien met elkander te kunnen beraadslagen, de inlichtingen te voltooien en ieders taak bij de verdediging te bepalen.

Ook Dalim keurde een verblijf te kotta Djankang goed; hij gaf zelfs te kennen dat, zooals de zaken stonden, het noodzakelijk was. Hij kende het hoofd Amai Kotong, zoowel als de meeste bewoners, zoodat hij daar geen vreemdeling zou zijn. Hij onderhield zich geruimen tijd met het Poenanhoofd en deelde vervolgens zijn reisgezellen de bijzonderheden van het gesprek mede, zoo als, dat de rijstoogst in de bovenstreken pas afgeloopen was, zoodat het te voorzien was dat de schuren te kotta Djankang behoorlijk gevuld en uithongering bij gevolg niet te vreezen zoude zijn.

Met ingespannen ijver werd de reis voortgezet. Onder het roeien merkten de Europeanen hier en daar op het witte zand der uitspringende hoeken, zwarte brokstukken van grooteren of kleineren omvang, maar gewoonlijk zoo wat ter dikte van een dubbele vuist. La Cueille had er al met zekere aandoening naar zitten turen; maar bij de vaart van de prauw, was het hem onmogelijk er iets van te maken. Bij een der hoeken evenwel, toen de prauw dicht langs den kant gierde, sprong hij te water, dat daar niet diep was, stapte naar den wal, greep een paar van die zwarte brokstukken, die zijn nieuwsgierigheid opwekten en was weer in het vaartuig terug, voor dat de hoek behoorlijk gerond was.

„Nom d’un chien!” riep hij in vervoering, terwijl hij zijn schat liet zien, „c’est de la houille! Waarachtige steenkool en van de goede soort ook, dat kan ik verzekeren. En die vindt men hier zoo maar langs den waterkant!”

„Houd je maar bedaard,” lachte Johannes. „Je zult er nog wel meer te zien krijgen en ook kunnen oprapen, ’k Ben toch verheugd die te zien, ze zijn een onfeilbaar teeken dat we kotta Djankang naderen.”

„Hoe kan dat een teeken zijn dat we die versterking naderen?”

„Wel, de heuvel, waarop de kotta ligt, bevat boven het hoogwaterpeil drie à vier machtige steenkolenaderen, waarvan de onderste volgens deskundigen uitmuntende brandstof moet bevatten.”

De Waal snoof eens als een jachthond, die het spoor in den neus krijgt. De mijnwerker kwam voor een poos boven. Zijn kinderjaren doemden hem voor de oogen op.

„Boven kotta Djankang,” ging Johannes voort, „vervolgen die steenkolenaderen zich langs den oever der rivier. Bij middelbaren waterstand is in het rechter talud een gang zichtbaar van ruim 1200 M. lang, die nagenoeg horizontaal loopt en een dikte vertoont, afwisselend van 0,5 tot 4 M.”

„Maar dat is een rijkdom!” schreeuwde La Cueille opgewonden.

„Ja, dat zou het kunnen zijn, wanneer er gebruik van gemaakt werd. De rijkdom is te aanzienlijker, daar diezelfde ader zichtbaar is langs de oevers van de Doesson aan de eene zijde en de soengei Moeroi, de Kahajan en de soengei’s Roengan en Manohin aan de andere zijde, allen bevaarbare rivieren, en wel in minstens even machtige gangen als hier. Maar... de Dajak bekommert er zich niet om. Die heeft geen steenkolen noodig; zijn bosschen leveren hem brandhout genoeg op. In vele gevallen zelfs is hem het gebruik van „batoe kasintoe” ongeoorloofd en maakt hem „pali” (onrein). En de Hollanders...”

Johannes werd in de rede gevallen door een der roeiers, die voor aan den boeg der prauw zat en toeriep dat kotta Djankang vooruit in het gezicht was. En jawel, daar lag de versterking, fier en indrukwekkend op haren heuveltop. Wat haar voor onze Europeanen een onbeschrijfelijken indruk gaf, waren de vele hooge masten, die boven de palissadeering uitstaken en waarop uitgebleekte bekkeneelen prijkten. Aan den waterkant stond de „tomoi” van waar een trap tot op den waterspiegel afdaalde. De prauw legde daar aan en het Poenanhoofd steeg aan wal.

In gespannen verwachting zaten de reizigers elkander aan te staren. Wat zou hun verder lot zijn? Maar zij hadden niet lang tijd, zich daar verder in te verdiepen. Harimaoung trad met zijn oom Amai Kotong, een bejaarden evenwel nog flinken Dajak, naar buiten en gaf onzen vrienden te kennen, dat de kotta, zoo als zij daar stond, met alles wat er in was, te hunner beschikking was. Dat woord was er nauwelijks uit, of de roeiers sprongen aan wal en begonnen onder leiding van Dalim den inhoud der prauw te lossen.

Na een eerste kennismaking met hun gastheer, gingen de Europeanen ook aan den slag. Alle krachten moesten worden ingespannen. De dag was reeds ver gevorderd en het was niet onmogelijk dat de vervolgers al heel gauw zouden verschijnen. La Cueille en Schlickeisen zouden zich beijveren de zes stukjes geschut, die in de prauw aanwezig waren, in positie te brengen, de munitie op te bergen en de wapening der bezetting na te zien. Wienersdorf zou zich met de verdediging belasten; hij moest de inrichting der versterking en hare omgeving nagaan. Johannes zou de approviandeering voor zijn rekening nemen en daarover zijn aandacht laten gaan, terwijl bovendien het opperbevel in zijne handen zoude berusten.

Allen waren dadelijk in de weer en het behoeft niet gezegd te worden, dat La Cueille het hoogste woord voerde en de meeste drukte vertoonde. Bij de bezichtiging der sterkte vonden de nieuwbakken artilleristen onder de gebouwen eenige ijzeren „garaboes” (dajaksche benaming voor kleine kanonstukjes) opgeborgen, die evenwel onbruikbaar bevonden werden. Dat wil zeggen, men zou ze ergens een plaats verschaffen, om vertooning te maken, maar het werd ongeraden geoordeeld, er met scherp uit te vuren. Een tamelijke voorraad buskruit was aanwezig en die, gevoegd bij het medegebrachte, verbande iedere zorg, dat daaraan vooreerst gebrek zoude kunnen komen. Eenige oude vuursteengeweren werden nog gevonden, maar ook die werden alleen bruikbaar geheeten, om met los kruit te schieten. Toen de munitie behoorlijk opgeborgen was, plaatsten de Europeanen, door eenige Dajaks geholpen, op elk der saillanten aan de landzijde twee stukjes geschut in batterij, waartoe zij een paar palissaden ter halvermans hoogte uitzaagden om een ruimeren bestrijkingskring te verkrijgen. Op ieder der andere saillanten werd een stukje geplant.

Gedurende die bedrijvigheid had Wienersdorf de binnenruimte der versterking in oogenschouw genomen. De banketten, die langs de palissadeering zoowat een manslengte onder de kruin aangelegd waren, liet hij hier en daar verbeteren en versterken door er eenige planken over heen te laten leggen. In het midden der vier facen, maar vooral in de nabijheid der saillanten liet hij schietgaten breken om een vrij gebruik der handvuurwapenen te kunnen maken; en eindelijk, toen hij daarmee klaar was, zocht hij uit een grooten houtstapel, die in de versterking aangetroffen werd, eenige balkjes en beijverde hij zich daarvan op een der hoogste gebouwen een soort van geblindeerd schilderhuis samen te doen stellen, van waaruit zonder gevaar de geheele omtrek te overzien was.

In dien tusschentijd had ook Johannes zijn taak volbracht. Hij had de proviand onder dak gebracht en daarbij eens in oogenschouw genomen, welke hulpmiddelen kotta Djankang zoo al opleverde. Die inspectie had zeer bevredigende uitkomsten opgeleverd. Niet alleen was er rijkelijk rijst van den jongsten oogst voorhanden, maar ook een groote voorraad poendang [71], terwijl verder nog twee verbazend groote herten, welker lichamen nog warm en dus geheel versch bevonden werden en die dan ook eerst in den namiddag van dien zelfden dag gestrikt waren, werden aangetroffen. Bovendien waren nog een twintigtal varkens en een groote menigte kippen, eenden en ganzen aanwezig, die knorrende, kakelende en kwakende, maar overigens in de grootste eendracht onder de gebouwen leefden. Over dat bevind van zaken innig tevreden, spoedde de opperbevelhebber zich naar buiten aan het hoofd van een sterken troep Dajaks met den mandauw in de vuist, om het omliggend terrein van allang-allang [72] en struikgewas, waarachter een vijand de versterking onzichtbaar zoude kunnen bekruipen, te zuiveren en de trap, die langs de steile oeverhelling toegang tot de rivier verleende, in te halen.

Toen hij met dat alles gereed was, ontmoette hij bij het binnentreden der versterking Amai Kotong, die met eenigen der zijnen van uit de tuinen en de daaraan grenzende wildernis terugkeerde, alwaar zij een aardigen voorraad „sahang roebit” (wilde spaansche peper, bij de Maleiers lombokh rawit geheeten), knolvruchten, klappers, bamboe-toppen enz. enz. verzameld hadden; allen zaken, die, bij een mogelijke insluiting, als toespijs zeer goed te stade zouden komen. Ook had de Amai een zijner zonen de soengei Mawat opgezonden, om zijne onderhoorigen daar ten strijde op te roepen.

De metgezellen van Harimaoung Boekit hadden zich onledig gehouden met de spitsen van hunne pijltjes en die der bezetting van kotta Djankang af te schrapen en op nieuw in krachtvol vergift te doopen. Hun hoofd was evenwel met zijn oom naar buiten getreden en had, terwijl diens volgelingen volijverig fourageerden, een ernstig en langdurig gesprek met hem gehad.

Toen de zon ondergegaan was, waren alle voorloopige maatregelen getroffen, die de kotta met hoop op goeden uitslag zouden gedoogen krachtigen tegenstand te bieden. Op ieder der saillanten, ook in het geblindeerd schilderhuisje werden twee schildwachten geplaatst en zouden de Europeanen om beurten twee aan twee te zamen de wachtdienst verrichten, om zoodoende overtuigd te zijn, dat behoorlijke waakzaamheid zoude uitgeoefend worden ten einde tegen een overval beveiligd te zijn.

Na al die beschikkingen getroffen te hebben, zaten onze deserteurs, die—wij mogen zulks niet vergeten,—nog altijd voor hunne omgeving hunne vermomming volhielden, bij elkander het heerlijke avonduur te genieten. Het was een paar dagen voor volle maan. De lucht was helder en bewolkt; de warmte had, na het verdwijnen der zon, plaats gemaakt voor een verfrisschende en aangename koelte, die, gepaard aan het zachte licht, door de nachtvorstin verspreid, die uren onder de tropen tot de genotvolste der wereld maken. Natuurlijk waren de gebeurtenissen van den laatsten tijd en hetgeen de toekomst kon opleveren, schering en inslag van het gesprek en werd velerlei meening geopperd over den uitslag der vermoedelijk aanstaande gevechten.

„Och! dat ze toch te vermijden waren, die gevechten!” zuchtte Wienersdorf. „Bloed, altijd bloed! ’t Is een schrikkelijke tocht.”

„Zeur toch niet. Daar moet je nu maar over heen,” antwoordde Johannes knorrig, „als je daar zoo tegen op ziet, dan hadt je maar thuis moeten blijven.”

„Thuis!” was de heimwee-zucht des Zwitsers.

„Daarenboven,” vervolgde Johannes, „we doen niets dan ons verdedigen. We hebben nog geen slag toegebracht of geen schot gelost, tenzij men er ons toe dwong. Zooveel mogelijk zullen we zoo blijven doen.”

Terwijl zij nog zoo zaten te praten, vernamen de deserteurs eensklaps een zacht gesnik, dat van een vrouw scheen te komen. Zij keken elkander aan en wisten niet wat dat beduidde. De vrouwen, die in de versterking aanwezig waren, hadden zij allen gemonsterd. Die hadden zich, zonder door de jaloerschheid hunner heeren en meesters gehinderd te worden, vrij en ongedwongen te midden der vreemdelingen bewogen en menige gulle lach was haar ontlokt door de kleine onhandigheden der nieuwbakken Dajaks. Alleen de Sjech met zijn tulband, had haar eerbied ingeboezemd. Er waren ouden en jongen, mooie gezichten en afzichtelijke besten onder; maar bij allen was een zekere luchthartigheid en vroolijkheid, ja zelfs iets dartels op te merken; zoodat dat snikken thans daar wel bij afstak. Ons viertal keek uit in de richting van waar dat weemoedig geluid kwam, maar hoewel de maan onbewolkt aan den hemel stond en alles met haar zilverlicht overgoot, wierpen toch de gebouwen in de versterking aanwezig, zulke zwarte schaduwen over de binnenruimte, dat niets te ontwaren was. La Cueille, de meest galante van het viertal, stond op om te gaan kijken, wat dat gesnik beduidde. Binnen weinige oogenblikken was hij terug en verhaalde met eenige ontroering, dat daar ginds bij dat hooge gebouw, waarin Amai Kotong woonde, een groote kooi stond, die veel op een tijgerval geleek, evenwel veel hooger was, waarin een vrouw opgesloten zat. Zij was het, die zoo snikte. Hij had haar aangesproken en ook antwoord bekomen, maar wat zij gebrabbeld had, was voor hem onverstaanbaar gebleven.

Johannes barstte in lachen uit:

„Och wat, de een of andere nurksche echtgenoot zal zijn zachtzinnige wederhelft opgesloten hebben, om haar mores te leeren. ’s Lands wijs, ’s lands eer.”

„’t Is toch te erg, iemand van het teedere geslacht als een wild dier in een kooi op te sluiten,” meende Schlickeisen.

„Die luidjes van het teedere geslacht zijn soms katjes, die niet beter verdienen,” lachte de andere. „Kom, ik ga eens kijken; ik zal met dat exemplaartje wel kunnen praten.”

Maar nog voor hij opgesprongen was, om zijn voornemen te volvoeren, verscheen Dalim, die hem die moeite bespaarde. Wat die te vertellen had, om dat gesnik te verklaren, ontzette onze reizigers zeer. Voor een oogenblik bracht hij aller herinnering naar het meer Ampang terug, toen Harimaoung Boekit zijn overwinnaar Wienersdorf met zijn bloed en omgekeerd zich zelven met dat des Zwitsers besmeerd had.

„Dat was slechts een voorloopige plechtigheid,” ging de Dajak voort, „die zeer bekort was door de omstandigheden. Gij beiden zijt toen van twee vijanden, die naar elkanders leven stonden, broeders geworden. Maar de Dajaksche gebruiken vorderen een geheel andere plechtigheid om dien band van bloedverwantschap van kracht te maken. De plechtigheid, die morgen zal plaats hebben heet: „indoe sapan pahamban” of verzoeningseed, en zal gepaard gaan met het „hatoendi daha” of verbond met bloed bezegeld. Toen we gisteren aankwamen heeft Harimaoung Boekit dadelijk den toestand aan zijn oom bekend gesteld en te zamen hebben ze een pandeling uitgezocht, die morgen geslacht zal worden.”

„Geslacht,” riepen de Europeanen met ontzetting uit.

„Ja, geslacht,” was het kalme antwoord. „Harimaoung Boekit heeft ons aangevallen; ten gevolge van dien aanval zijn menschen gedood, anderen zijn gewond; zoodat er volgens den Dajakschen adat ten volle bloedschuld bestaat. Die kan niet uitgedelgd worden dan door den marteldood van een pandeling, die in de Kawawohan boelau [73] later Wienersdorf als slaaf zal bedienen.”

„De marteldood! maar dat zal niet geschieden!” riep de Zwitser vol vertwijfeling, „dat zal ik nimmer toelaten!”

„Daar kunt ge niets aan doen,” viel Dalim in, „en alles wat ge zoudt willen doen, kan onze zaak slechts bederven. ’t Zal beschouwd worden, alsof de verzoening door u niet gewenscht wordt, alsof ge berouw hebt, het Poenanhoofd het leven geschonken te hebben. Het slachtoffer is reeds gekozen, heeft zijn naam als mensch reeds verloren en heet thans „kabalik” van „kabal” ongevoelig, levenloos. Het is die vrouw, die ge hebt hooren snikken. Wel mag ze snikken, het arme schepsel, ze is moeder van twee kinderen, die nog hulpbehoevend zijn.”

„Afschuwelijk!” voer Wienersdorf in de uiterste wanhoop uit. „God! is daar dan niets aan te doen? Is die gruweldaad niet te verhinderen? Maar komaan,” ging hij met woestheid voort, „de Poenan kan denken wat hij wil. Nu spijt het me, dat ik hem gespaard heb. O! had ik dat monster maar vertrapt. Ik ga hem spreken, ik zal hem het leven van die vrouw vragen en weigert hij mijn bede, dan moge God mij genadig zijn, maar dan daag ik den aterling uit en dan zal slechts mijn dood zijn leven kunnen redden.”

„Bedaar en bedenk, dat ons aller leven hierbij gemoeid is,” stuitte Johannes dien woordenstroom, „en ge hebt geen recht daarmede, ter wille eener kinderachtige teergevoeligheid te spelen.”

„Ik wil....”

„Je wilt het leven van die vrouw redden,” ging de spreker ernstig voort, „dat is mooi, dat is edel...”

„Welnu dan...”

„Laat me uitspreken,” gebood Johannes met nadruk, „dat is mooi, dat is edel, ik herhaal het; maar, om dat leven te redden, stel je niet alleen het uwe in gevaar, maar ook het onze. Over het uwe ben je heer en meester; maar zou je denken, dat wij het onze voor die ziekelijke gril maar zoo opofferen zullen? Neen, voor den duivel, neen!” en met opgewondenheid op zijn geweer slaande: „we zullen ons als mannen verdedigen en ik verzeker je, dat, alvorens we bezweken zullen zijn, de lijken, die rondom ons opgehoopt zullen liggen, geen kinderachtig getal zullen uitmaken. Is nu die vrouw zoo’n hecatombe waard? Vraag dat je geweten af; die vrouw, die geen zelfstandig leven bezit, die slechts als „anak olo” (menschenkind), „batang olo” (vermolmd stuk van een mensch) of wel „pai lengèh” (armen en voeten) genoemd wordt, om aan te duiden, dat zij als pandelinge geen aanspraak op den naam van mensch heeft, en dat zij slechts „armen en voeten” is om voor anderen te arbeiden. Bevrijdt ge haar nu ten koste van de vele offers, die ik opsomde, dan over een week, wellicht morgen reeds, wordt ze andermaal uitgezocht om als kabalik te fungeeren en zal je opoffering en de menschenslachting, waarvan gij de oorzaak zult geweest zijn, volkomen nutteloos zijn.”

„Schrikkelijk! schrikkelijk!!” riep de Zwitser, terwijl hij wanhopig de handen wrong en als vernietigd daar neer zat.

„Luister!” ging Johannes met den hoogst mogelijken ernst voort. „Gijlieden hebt mij uit vrijen wil tot leider van onzen ontvluchtingstocht gekozen. Gij allen hebt beloofd mij gehoorzaamheid te bewijzen, wanneer we ons te midden der inlandsche bevolking zouden bevinden. Welnu, ik eisch thans gehoorzaamheid, stipte gehoorzaamheid, niet uit een gril, maar tot ons aller welzijn. En die gehoorzaamheid zal voorshands bestaan, in het laten gebeuren, wat we niet verhinderen kunnen. ’t Is geen wreedheid, noch gevoelloosheid, die me zoo doet spreken, maar uitsluitend zelfbehoud. Maar.... kunnen we ons niet tegen afgrijselijkheden verzetten, die onder onze oogen gepleegd worden, laten we dan ten minste ons hart lucht geven door een vloek uit te spreken over de beschaafde natie, die het grootste gedeelte van dit groote eiland onder haren schepter houdt en de macht niet bezit, gruwelen, zooals we morgen aanschouwen zullen, afdoende te bestrijden; over de natie, die uit schraapzucht niet eens beproeft die gruwelen tegen te gaan en uit kruidenierswangunst ieder ander Europeesch volk tracht buiten dat eiland te houden, dat de taak der menschheid van haar zou kunnen overnemen. God helpe! Voor de vrijmaking van de slaven in West-Indië, besteedde Nederland schatten en toch wat was het lot der negers zacht in vergelijking van dat der „djipens” hier. Maar in West-Indië deed men mede in het algemeen concert van huichelende menschenmin; zichtbaar wilde men zich toch ook eens menschlievend toonen, dat poseerde; maar om aan de menschonteerende wandaden, die in dezen achterhoek, Borneo genaamd, geschieden en waarmee Europa niet bekend raakt, een einde te maken heeft men geen dubbeltje over.”

De Sienjo was prachtig in zijn verontwaardiging. Hij had het hoofd in den nek geworpen, zijn borstkas zwoegde stormachtig op en neer. Zijn fraai gelaat drukte onverholen de verachting uit, die zijn ziel vervulde.

„Morgen,” ging hij ontembaar en met sissende stem voort, „morgen wanneer de euveldaad zal voltrokken worden, zal ik Neerland’s driekleur aan den vlaggestok in top halen. Onder de plooien van die vlag moet de schanddaad, die we niet verhoeden kunnen, voltrokken worden. ’k Wil dat het bloed van de arme vrouw, wanneer deze zich onder de martelingen zal krommen, spatten zal op die heldere banen, waarop iedere bevlekking zichtbaar is.”

Hij zweeg een poos en vervolgde toen meer bedaard:

„Kom! laat ons onze wachtposten betrekken. Wienersdorf en ik zullen thans rusten, de beide anderen waakzaam zijn.”

En zich tot Schlickeisen en La Cueille wendende:

„Roept ons tegen middernacht,” zeide hij, „dan zullen we u aflossen. En nu goeden nacht!”

„Goeden nacht! O God! wat een nacht!” mompelde Wienersdorf bij zich zelven, terwijl hij gedwee medeging.

Die nacht zou ongestoord voorbijgaan.

Toen de maan zoo omstreeks te half vijf uur onderging en het alom donker was, sloop Wienersdorf, de gelegenheid waarnemende, dat Johannes zich met een der schildwachten onderhield, over hetgeen deze meende gezien te hebben, naar de karandah (kooi), waarin de arme vrouw, die geslacht zou worden, opgesloten zat, en vond haar in een diepen slaap gedompeld. Hij maakte haar zachtkens wakker, verbrak met veel inspanning eenige traliën van haar gevangenhok en noodigde haar uit dat te verlaten. Hij zou de kooi openen, dan kon zij in het woud ontvluchten. Helaas! de arme vrouw, verschrikt een geheel onbekend persoon in het duister voor zich te zien, weigerde die akelige kooi te verlaten. In den voornacht was een Balian [74] bij het arme slachtoffer verschenen, had haar het hoofd met blauw zand bestrooid en daarbij met zachte stem een bezweringsformulier gezongen. Door de kracht van die bezwering was Sangiang Tempon Telon[74] genoodzaakt geweest uit zijn verheven verblijf neder te dalen, om de ziel aan het lichaam van de ter dood veroordeelde te ontvoeren. Zij had de aanwezigheid van den Sangiang gevoeld; tastbaar was hare ziel ontweken, zij was nu niets meer dan een gevoelloos wezen, dat zonder ziel toch, voor dat de nacht andermaal inviel, geheel overleden zoude zijn. De beulen konden haar nu martelen zooveel hun lustte; na die mangang koeït (zielsontvoering) zou zij er niets van voelen. Daarenboven, wat zou zij arme vrouw in het woud moeten aanvangen? Hier waren hare kinderen, hare ziel zou die omzweven en, zooveel in haar vermogen was, voor onheilen behoeden. Ginds in de wildernis zou zij geheel hulpeloos zijn. Waar zou zij voedsel vinden? Wie zou haar tegen de kajau’s verdedigen? Neen, neen, zij wilde niet weg.

De Zwitser bad en smeekte haar om toch te vertrekken. Hij wrong de handen; hij klemde zich aan de traliën van de noodlottige kooi vast. Alles, alles te vergeefs! Johannes vond hem daar in volle vertwijfeling. Hij nam hem onder den arm en voerde hem weg. Vol medelijden trachtte hij den wanhopige het onverstandige van zulk een weekhartigheid onder het oog te brengen en hem het onverantwoordelijke aan te toonen van zijn pogingen om die vrouw te doen ontvluchten. Het verzoeningsfeest zou door die vlucht niet eens uitgesteld zijn geworden, want een ander slachtoffer zou spoedig aangewezen zijn; terwijl een verbitterde jacht zoude gemaakt worden op de arme vluchtelinge, die niet dan met hare gevangenneming zoude gestaakt worden; een gevangenneming die spoedig door een vreeselijken marteldood zoude gevolgd worden.

Wienersdorf zuchtte diep, maar antwoordde niet. Och! hij was niet overtuigd en het mocht gelukkig genoemd worden, dat de dag aanbrak, waardoor iedere poging, om het slachtoffer aan haar lot te onttrekken, moest opgegeven worden.

De nacht was rustig voorbij gesneld. Geen vijand was bespeurd. Zoodra het eenigszins schemerde, werden door Amai Kotong een paar zijner Dajaks, in een djoekoeng gezeten, stroomafwaarts gezonden, om bij den eersten hoek, dien de rivier daar vormde, post te vatten. Zij zouden dienen als vooruitgeschoven schildwachten. Van dien hoek hadden zij een vergezicht over den stroom, en konden de nadering van prauwen door signalen aan de kotta mededeelen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVIII

Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag.

Zoodra de dag aangebroken was, toog een ieder in de versterking weer aan het werk om de maatregelen tot verdediging te voltooien. Johannes en Wienersdorf trokken uit, ieder van een troepje Dajaks vergezeld, met allerlei gereedschappen gewapend. Allereerst werden de prauw onzer avonturiers en de andere vaartuigen van de kottabewoners met vereende krachten tegen den heuvel opgehaald en onder een der gebouwen binnen de versterking opgeborgen. Vervolgens werden de oevertaluds der rivier in de onmiddellijke nabijheid der kotta afgegraven, ten einde een beklimming van die zijde zoo moeielijk mogelijk te maken. Toen dat klaar was, begon men het geheele werk met een viervoudigen kring van wolfskuilen te omgeven. Die kuilen, waarin een aan beide einden scherp aangepunte ijzerhouten paal geslagen was, werden met een laag lang gras bedekt, om ze zoodoende voor het oog te verbergen en een bestorming zoo niet onmogelijk te maken, dan toch de aanvallers tot voorzichtigheid te nopen en hen onder het werkzame vuur der verdedigers slechts langzaam vooruit te laten schrijden. Ter bereiking van datzelfde doel werden ook op de voornaamste toegangen randjoe’s geplant en werden vooral de saillanten met een breeden kring van die asperges omgeven. Randjoe’s zijn voetangels, eenvoudige pennen van zeer hard hout vervaardigd, die onder allerlei hellingen zoodanig in den grond geslagen worden, dat de punten in het gras verscholen, bijna onzichtbaar zijn. Voor den ongeschoeiden voet van den inlander zijn de randjoe’s een geducht chicanemiddel. Op Borneo worden zij in de benedenlanden veel van niboeng, een palmsoort, of van bamboe, in de bovenlanden uitsluitend van ijzerhout vervaardigd. Oud ijzerhout is buitengemeen hard en laat zich tot een naaldenspits aanpunten.

Schlickeisen en La Cueille gingen de bewapening nog eens na, verzekerden zich van de goede werking van ieder onderdeel en stelden zich, toen dat alles naar wensch ging, ter beschikking van hunne makkers, die hunne Europeesche knuisten volstrekt niet versmaadden, maar hen de schop en het pikhouweel ijverig lieten hanteeren.

Gedurende die bedrijvigheid hielden de Poenans van Harimaoung Boekit zich onledig een paal met den „blajoeng” (een soort van dissel) glad en keurig te bewerken, waaraan het slachtoffer zou gebonden worden. Zoo’n paal met dat doeleinde heet „sapoendoe”. Overeind geplant, steekt hij iets meer boven den grond uit dan een mensch lang is en is aan zijn boveneind met een menschenhoofd versierd, dat met lang uithangende tong gebeeldhouwd wordt. Toen die paal klaar was, werd hij midden op het binnenplein der versterking geplant. Dat plein werd verder rein aangeveegd en met helder wit zand bestrooid, zooals dat voor zulk een buitengewone plechtigheid betaamde.

De vrouwen hielden zich intusschen bezig met de kokerij en hadden daarmede de handen vol; want de plechtigheid van den verzoeningseed zou met een groot feestmaal besloten worden. En aan dat feestmaal mocht niets ontbreken. Volgens ’s lands gebruik waren twee buffels en vier groote varkens geslacht en moest het vleesch en spek daarvan, met dat van twee herten tot allerhande lekkere beten vervormd worden, zoowel gekookt en gebraden, als gesausd en gepoft. Paalwormen waren in die streken niet te verkrijgen, anders had die schotel niet ontbroken op zoo’n feest; maar de slangenmootjes waren present en de zorgzame huisvrouw zou het ontbrekende gerecht vervangen door een „bangamat” (vliegende hond) die geheel gebraden als bij ons een speenvarken, ter tafel zou verschijnen. Als versnapering tusschen de hoofdgerechten zouden schoteltjes met schijfjes van „baloedoek” en balletjes van „hambatar” en „kalisi” [75] opgebracht worden. Ook zou er veel gebak van „kasei behas” (rijstemeel), van „hambieh” (sago) en „rahias” (pisang) aanwezig moeten zijn; terwijl ten slotte als confituren zouden aangeboden worden schelpen met „tangoeli” gevuld, zijnde dit jonge bijenlarven in honig gebraden, die als een delikate lekkernij beschouwd worden. In een woord, iedereen had het druk en onder die drukte vloden de morgenuren heen.

Toen de zon zoo omstreeks de helft harer baan nabij was, kwam Indoe Kotong, de vrouw van het kottahoofd, berichten, dat zij met het feestmaal gereed was en dat de plechtigheid dus een aanvang kon nemen. Amai Kotong verzamelde hierop de mannelijke bewoners van kotta Djankang, zijne echtgenoot schaarde de vrouwen en meisjes om zich heen en Harimaoung Boekit begaf zich tot onze vier deserteurs, die een oogenblik bij elkander gezeten waren om van den verrichten arbeid uit te rusten, en terwijl hij Wienersdorf onder den arm greep, noodigde hij de anderen uit om de plechtigheid van den verzoeningseed bij te wonen. De Europeanen hadden evenwel met elkander afgesproken, dat een hunner gedurende de feestelijkheden waakzaam zoude blijven, en daartoe was La Cueille aangewezen, die dan ook dadelijk opstond en zich naar het geblindeerde schildwachthuisje begaf om het omliggende terrein in het oog te houden. Wienersdorf en Harimaoung Boekit traden te midden van een zestal jongelingen, die met sawangtakken [76] in de hand een soort van eerewacht voor de twee helden van het feest vormden. Johannes en Schlickeisen volgden onmiddellijk.

Op het plein der versterking aangekomen, vonden zij de mannen allen in oorlogstooi gedoscht; maar bij deze gelegenheid het gezicht met een „taboekah”, houten mombakkes met de gedrochtelijkste gelaatstrekken, bedekt. Allen hadden den mandauw om het middel gegespt en de lans in de hand en vormden rondom den offerpaal een halven kring, welks andere helft door de vrouwen, met de Balians in de voorste rij, werd ingenomen. Zoodra allen gerangschikt waren, begonnen de priesteressen hare bezweringsgezangen, die zij met het geluid hunner katambong’s begeleidden.

Dat zingen duurde totdat de zon de kortste schaduw had geworpen en die weer begon te verlengen, dus totdat het middaguur voorbij was, waarna bevel gegeven werd het slachtoffer voor te brengen. Het gedeelte van den dag, tusschen twaalf en drie uur, wordt door de Dajaks „badjagi hai” geheeten als het gelukkigste tijdperk. Alle voorname handelingen en ondernemingen moeten in dat tijdvak begonnen of volvoerd worden.

Terwijl de arme ongelukkige uit hare kooi gehaald werd, klom een der Balians op een daartoe expresselijk vervaardigde trap, „tadjahan” genaamd, en zong een invocatie, ten doel hebbende om den Antang te verzoeken een gunstig voorteeken te geven, zoowel ten opzichte der verzoening, die plaats zou grijpen, als der gebeurtenissen, die aanstaande waren. De Antang [77] is een valk, wiens vlucht door de Dajaks geraadpleegd wordt en waaruit goede of kwade voorteekens afgeleid worden.

Het was alsof de valk de aanroeping gehoord had, want de priesteres stond nog op haar verheven stelling toen zulk een roofvogel boven den boschrand verscheen. Het dier beschreef zijn kringen in de lucht aan de linkerzijde der versterking. Aller oogen volgden die vlucht in gespannen verwachting. Al draaiende klom de valk langzamerhand tot ongeveer in het zenith, toefde daar een oogenblik, terwijl hij al nauwer en nauwer kringen boven de versterking beschreef. Een poos scheen hij bewegingloos vlak boven het middenpunt der kotta te staan, toen liet hij plotseling een doordringenden schreeuw hooren en viel meer dan hij wegvloog in de richting vanwaar hij gekomen was. Alle aanwezige Dajaks waren diep ter neer geslagen. Aan de linkerzij verschenen en naar die zij teruggevlogen! Een kreet als een waarschuwing boven hunne hoofden! O! dat waren wel de ongunstigste voorteekens, die gegeven konden worden.

Nog was die algemeene bekommering niet bedaard, toen La Cueille den kring doorbrak, Wienersdorf en Johannes iets toefluisterde en zich ijlings voortspoedde. Die verschijning en verdwijning van den Waal waren zoo spoedig geschied, dat zij bij de algemeene verslagenheid niet opgemerkt werden. Johannes gaf den Zwitsers een wenk om oplettend te zijn.

Middelerwijl was de arme vrouw reeds den kring binnengeleid en waren twee mannen bezig haar aan den sapoendoe te binden, en wel zoo, dat de uithangende tong van het beeldwerk haar aangeraakt zoude hebben, indien zij overeind gestaan had. Zij hing evenwel in hare banden meer dan zij stond en hield het hoofd licht ter zijde gebogen. Zij was overigens kalm en gelaten en keek den kring harer beulen vrijmoedig rond.

Toen zij vastgebonden was, trad Harimaoung Boekit op Wienersdorf toe, bracht hem op de bloote borst een lichte snede met zijn „poeai” toe en ving het bloed, dat uit de wonde vloot, in een glas op. Hij bracht zich daarna ook een lichte verwonding toe, liet zijn bloed bij dat van den Zwitser droppelen en vulde het glas verder met toeak. Vervolgens hief hij het bloedige mengsel in de hoogte en sprak een vreeselijke vervloeking over zichzelven uit, indien hij den broederband, dien hij op het punt stond te bevestigen, zoude verbreken. Hij riep Mahatara, al de Sangiangs, al de Karriouws, Pampahileps, Antoeëns enz. [78] tot getuigen aan van zijn broederlijke genegenheid jegens den redder zijns levens. Hij smeekte hen, hem de afgrijselijkste straffen en martelingen te doen ondergaan, zoo hij die toegenegenheid mocht ontrouw worden, en eindigde zijn toespraak met het glas, dat hij steeds in de hand gehouden had, in een teug tot op de helft te ledigen, waarna hij het Wienersdorf aanbood, die onder het prevelen van eenige onverstaanbare woorden en van walging kokhalzende, het restantje inzwolg.

Na die plechtigheid, welke „hatoendi daha” genoemd wordt, nam het Poenanhoofd andermaal het woord:

„Wij zijn nu broeders,” sprak hij tot den Zwitser, terwijl hij diens hand greep en die met innige hartelijkheid schudde, „als broeder zal ik u steeds behandelen. Maar er bestaat nog een bloedschuld tusschen ons. Ik heb u aangevallen; ik trachtte uw aller schedels te bemachtigen; gij weet het, schedels zijn onze rijkdom. Maar bij dien strijd is een uwer makkers gedood, verscheidenen der mijnen zijn omgekomen en.... bloed eischt bloed! Zie! om aan dien eisch te voldoen, om dat bloed uit te wisschen, zullen wij een pandeling slachten, wij zullen ons met haar bloed insmeren, dan is die schuld uitgedelgd en zal er niets meer tusschen ons staan.”

Johannes greep daarop de hand van Wienersdorf, trok hem met zich de tadjahan op, die de Balian zoo even verlaten had:

„Paharingkoe!” (mijne broeders) riep hij tot de verzamelden, „mijn vriend Dohong, [79] die van zijn jongste jaren te Bandjermasin, daar waar de groote heer der Hollanders zetelt, gewoond heeft, kan zich niet meer genoegzaam in het Dajaksch uitdrukken, daarom heeft hij mijn hulp verzocht om tot u te spreken. Hij neemt het verbond van Harimaoung Boekit dankbaar aan en zal steeds een goede broeder voor hem zijn, wat er ook moge gebeuren. Even als het water door een mandauwslag gespleten, zich weer vereenigt zonder een spoor van scheiding achter te laten, zoo zal hunne vriendschap ongestoord blijven en in leven en in dood kunnen zij op elkander rekenen. Maar onze Dohong is te midden der blanken opgegroeid; zij hebben hem ingeprent, dat zonder hun verlof, niemand een mensch mag dooden. Ook te Kwala Kapoeas is dat verboden. Ik weet nu wel dat dat kinderachtig is, dat die bleekgezichten zich met zaken bemoeien, die hun niet aangaan; maar wat er aan te doen? Die wet heeft Dohong aangenomen, ja ingezogen; hij heeft daardoor een afschuw van het ter dood brengen van menschen, wanneer dat niet in den strijd geschiedt. Hij stelt daarom zijn broeder voor, die vrouw het leven te schenken, zooals hij dat aan het Poenanhoofd geschonken heeft. En om de bloedschuld af te wasschen, verzoekt hij dat een buffel aan de Sangiangs geofferd worde. Die beschermers van ons Dajaks nemen in de benedenlanden genoegen met zoo’n offer; zij zullen dat hier ook doen. Gij hebt gezien welk slecht voorteeken de Antang ons gaf. Dat geschiedde alleen, omdat wij Kwala Kapoeassers, tegen de gebruiken, die wij plechtig bezworen hebben, om geen menschen te dooden, zouden zondigen. Laten wij een buffel slachten, in stede van die vrouw, dan zult gij zien, dat de voorteekenen veranderen zullen en de strijd, die ons wacht, een goede uitkomst zal hebben.”

Een doodelijke stilte heerschte er op dat binnenplein van Kotta Djankang. Bij het einde van die toespraak waren de gezichten betrokken en kon men daarop de grootste ontevredenheid lezen. Vooral de Poenans verborgen hunne gevoelens niet en sloegen de handen aan de mandauws. In die woorden zagen zij een beleediging voor hun hoofd. Harimaoung besteeg de trap en begon met de vrij sluwe verklaring, dat hij van de geheele zaak niets begreep.

„Hier in de bovenlanden,” ging hij verder, „hebben de blanken niets te zeggen en, voegde hij er met een uitdagenden blik bij, „wanneer zij hier wenschen te bevelen, moeten zij maar opkomen!”

Met innige verachting vervolgde hij:

„Net of zij zoo angstvallig met het leven van een mensch omspringen! Hoevele duizenden menschen zijn niet omgekomen in den oorlog, die ons schoon eiland beroerd heeft? En wie heeft dien oorlog veroorzaakt? Was het hunne schraperigheid niet, die den Amai van Martapoera [80] de wapens in de hand wrong? Wie zal tellen hoeveel Javanen er omgekomen zijn van honger, omdat zij koffie moesten planten, of kotta’s moesten bouwen voor de bleekgezichten, en hunne velden niet konden bebouwen, omdat zij geen tijd hadden? Of zouden zij meenen, dat wij dat alles niet weten? Zij verbieden ons een onzer pandelingen te slachten en geven voor dat uit liefde voor dien slaaf te doen. Hèla harap olo bapoeti, aloe menjak totoke, haliau jèh!” [81] ging hij met klimmende drift voort. „Wanneer men hun geld te na komt, dan vermoorden zij koelbloedig honderden slaven en vrijen. Om geld te maken, doen zij meer dan menschen dooden!”

Hier hield de Poenan een oogenblik op, als of hij behoefte had diep adem te scheppen, en vervolgde toen met gedempte stem:

„Maar wat kan ons schelen, wat de blanken bevelen? Ieder is gehouden zich te voegen naar den adat van het land, waar hij zich bevindt. Wanneer ik te Bandjermasin zal komen, zal ik de gebruiken, die daar in zwang zijn, eerbiedigen. Is de Groote Heer een eerlijk man, dan—er valt niet aan te twijfelen—zal hij onze gebruiken niet schenden, wanneer hij ons bezoeken zal. Kort en goed, wij laten ons door de blanken geen wetten voorschrijven. De feestelijkheid zal haren voortgang hebben; tenzij..... mijn broeder Dohong mijne vriendschap niet wil aannemen.”

Die laatste woorden werden niet alleen met aarzeling, maar ook met een zacht ruischende stem, van een snik vergezeld, uitgesproken. De gedachte, dat zijn redder zijn vriendschap zou kunnen versmaden, deed het natuurkind smartelijk aan. Overigens stond de Poenan daar trotsch en fier, met trillende neusvleugels, de oogen woest rollend en het hoofd in den nek. Zijn mandauw had hij half uit de scheede getrokken.

Wienersdorf liet bliksemsnel den blik langs de hem omringende mannen gaan. La Cueille was afwezig; Johannes stond met gebogen hoofd; de Dajaks van kotta Djankang lieten een afkeurend gemompel hooren en schaarden zich aan de zijde hunner stamverwanten de Poenans; zij, die van kotta Baroe medegekomen waren, volgden die beweging; zelfs Dalim en zijn makker stonden besluiteloos. Er was op niemands hulp te rekenen. Alleen Schlickeisen stond daar met opgeheven hoofd en hield zijn geweer krampachtig omklemd. Neen, uitkomst was er niet. Een seconde aarzelens nog, kon aanleiding tot een bloedbad geven, dat niet zou eindigen dan met de vernietiging van het viertal Europeanen, dat evenwel als zoodanig niet herkend was. Dat overzag Wienersdorf in dien blik. Plotseling greep hij de hand van Harimaoung Boekit, bracht die aan de lippen en boog het hoofd.

Johannes, die tot nu zwijgend naast zijn makker gestaan had, trad nu vooruit naar den vlaggestok, bracht een pakje te voorschijn, bond dat aan de lijn en heesch dat vormlooze ding in top. De jongelingen schaarden zich nu op een gelid. De oudste daarvan trad vooruit en bracht terwijl hij een grijnzend gelach liet hooren, het slachtoffer een steek onder de linkerborst toe. Voorzeker had hij haar dadelijk kunnen dooden, maar dan zou het bloeddorstig vermaak te spoedig geeindigd zijn. Minstens moesten alle ongehuwde mannen eenmaal voortreden en zich aan een steek vergasten, daarom had hij slechts zijn lanspunt een halve duim in het vleesch gedrongen. [82]

Maar op dien steek gebeurden drie zaken te gelijkertijd.

Vooreerst liet het slachtoffer een doordringenden gil hooren. Tot nog toe was zij kalm gebleven, zij had vast vertrouwd, dat het mangang kaoeit haar gevoelloos gemaakt had. Zij ondervond nu het tegendeel. Schrikkelijk wrong zij zich nu in hare banden en vreeselijk was het haar geschreeuw om erbarming aan te hooren.

Te gelijker tijd had Johannes de vlaggelijn geschud, zoodat het pakje, hetwelk hij een oogenblik te voren geheschen had, zich ontrolde en de Nederlandsche driekleur zich boven het hoofd van de arme vrouw ontplooide.

En alsof die driekleur haar redding aanbracht, knalden plotseling een, twee kanonschoten, die de geheele bezetting als door elkander en naar de borstwering deden stuiven. Johannes maakte van de algemeene verwarring gebruik, hij sprong naar den sapoendoe toe, sneed de banden van de rampzalige vrouw los, stelde haar in handen van de andere vrouwen met opdracht haar goed te verzorgen en, voegde hij er ernstig bij, haar niet te laten ontvluchten. Toen spoedde ook hij zich naar den wal.

Wat was er gebeurd?

La Cueille, op zijn verheven standpunt gezeten, had al lang de signalen opgemerkt, die door den vooruitgeschoven post gegeven werden. Hij bekommerde er zich echter weinig om. Hij verliet het geblindeerde schilderhuisje, drong door den kring om den sapoendoe, vertelde aan Johannes en Wienersdorf snel, wat hij gezien had, en bracht hun aan het verstand, dat het nu alleen maar kwestie was om tijd te winnen, dat dan die arme vrouw nog wel gered kon worden. Daarna had hij zich naar den saillant begeven, van waar hij een ruim gezicht over de rivier had, bracht de twee geladen kanonstukjes in de richting, nam een brandende lont ter hand en wachtte zijn tijd af. Hij hield een oog zoowel op wat er gebeurde in de versterking als op wat op de rivier voorviel. Hij zag de beweging daar binnen, ja hoorde de toespraak van Johannes en bewonderde zijn makker in zijne middelen om de plechtigheid te rekken. Eindelijk, na nog een poos wachtens, zag hij een geheele prauwenvloot van achter den hoek te voorschijn schieten. Nog hield hij zich stil en liet haar naderen, terwijl hij opmerkzaam bleef op hetgeen rondom hem voorviel. Het drama binnen vorderde met de prauwen daar buiten....

Eindelijk viel niet meer te aarzelen. Nogmaals verbeterde hij de richting zijner stukjes, bracht toen de lont bij het zundgat en boem!!! de kogel vloog tusschen de vloot door en boorde een der achterste vaartuigen in den grond. De opvarenden, overigens ongedeerd, moesten zich met zwemmen redden, terwijl dat schot al niet weinig verwarring bij de flotille veroorzaakte.

Boem!!! klonk het nogmaals en een vlucht kartetskogels floot tusschen en over de prauwen, kwetste eenige roeiers en bracht de ontsteltenis ten top. De luitenant gelastte te landen om zich met zijne dapperen voorloopig buiten schot op te stellen. De prauwen stevenden naar den wal en weldra was de geheele aanvallende macht, onzichtbaar voor het oog der kottaverdedigers, achter struik en boom verborgen.

De officier begreep, dat hij zijn troep niet onder den indruk van dat eerste insucces mocht laten. Wel was het hem zonderling te moede, van die sterkte, waaruit hij vuur gekregen had, de Nederlandsche vlag te zien waaien; maar hij mocht niet aarzelen, en daarom verzamelde hij zijn macht en stormde op de versterking aan, indachtig aan de ondervinding van eeuwen, dat bij indische oorlogen stoutmoedigheid drie vierde gedeelten van de overwinning verzekert.

En, waren er geene Europeanen in de versterking geweest, die der bezetting moed inspraken, dan was de beweging voorzeker geslaagd. Maar nu, op geweerschots-afstands gekomen, dreunden drie kanonschoten, die het aanvallend troepje met kartetskogels overstelpten en aan het wankelen brachten. Dadelijk barstte daarop een levendig geweervuur los, gevolgd al weer door een paar kartetsschoten, die een einde aan de weifeling der helden maakten en hen op de vlucht dreven, alvorens zij nog in de gelegenheid geweest waren een schot te lossen. Toen Harimaoung Boekit die achterwaartsche beweging ontwaarde, kon hij de verzoeking geen weerstand bieden. Met slechts een paar zijner volgelingen stoof hij de versterking uit om koppen te snellen. Maar, terwijl hij op een paar achterblijvers der vluchtelingen inhakte en zich beijverde de hoofden der gevallenen te verzamelen, trad eensklaps een troepje gewapenden van achter eenige struiken te voorschijn, omsingelde hem en wierp hem, vóór hij zich goed te weer kon stellen een strik over het hoofd en sleepte hem half verwurgd voort. Wienersdorf en Schlickeisen zagen duidelijk wat er gebeurde. Beiden ijlden naar buiten, verzamelden nog eenige strijders en spoedden zich voort. Bij de terreinsdepressie gekomen, die de hoogte, waarop kotta Djankang gelegen is, van het ander heuvelland afscheidt, zagen zij het lichaam van den Poenan, dat door eenige menschen voortgesleurd werd. Zij waren toen slechts een vijftig passen er van verwijderd. Als twee steenzuilen zoo onbeweeglijk bleven de twee Zwitsers stilstaan, brachten hunne repeteergeweren aan den schouder en... pang! pang! lagen twee der sleepers op den grond uitgestrekt; pang! pang! nogmaals twee. De overblijvenden aarzelden, de buit, dien zij bemachtigd en als een hoofd herkend hadden, was te kostbaar om achter te laten. Pang! pang! andermaal twee lijken. Toch konden zij nog niet besluiten om te vluchten. Maar daar stoven plotseling eenige gedaanten op hen in, losten nogmaals ieder een schot en tastten hen toen met het blanke wapen aan. Nog een kleine schermutseling en Wienersdorf kon het genoegen smaken, den strik door te snijden, die het Poenanhoofd den adem benam. Hij reikte hem vervolgens de hand, hielp hem overeind en fluisterde hem een „salamat” (gelukwensch) in het oor.

Toen de Poenan op de been was, greep hij naar zijn hals, alsof die noodlottige rottanstrik daar nog zat, proestte als een kater, die pas uit het water gehaald was, bewoog een voor een al zijn ledematen, als om te beproeven, of die nog aanwezig waren en, nadat hij zich daarvan overtuigd had, vatte hij de handen der beide Zwitsers, legde die op zijn hoofdkruin onder het prevelen van de woorden: „Paharingkoe Dohong!” (mijne dappere broeders).

Nog een oogenblik knalden schoten van weerszijden, toen werd alles stil.

De aanvallers trokken zich terug en telden hunne verliezen. Zij begroeven in der haast vijf gesneuvelden, terwijl meer dan het dubbelde aantal gekwetsten achter de struiken lag te kermen. Van de bezetting der kotta was slechts een man, een pandeling, door een geweerschot gedood en hadden een paar anderen lichte schrammen bekomen.

Aan feestvieren werd nu verder niet gedacht. Bij gedeelten gebruikten de belegerden hun maal, terwijl de overigen achter de borstwering op de banketten gereed stonden, om iederen aanval, wanneer die hernieuwd mocht worden, af te weren. De vroolijkheid was daarom niet uitgesloten, en bij het lekkere maal, dat verorberd werd, ging, zonder tot overdaad aanleiding te geven, de klapperdop, met toeak gevuld, rond en werd de eerste behaalde zege met een duchtigen dronk gevierd.

Aan zijn priesterlijk karakter getrouw, onthield zich onze Waalsche Sjech van alle spijs en drank, door den Profeet verboden. Met een soort van heilige onverschilligheid, zag hij de varkenskluifjes voor en na in onpeilbare keelgaten verdwijnen. Het liet hem vrij koel, toen Johannes, spotachtig van aard, hem een heerlijke karbonade onder den neus hield. Hij deed zich daarentegen te goed aan het herten- en buffelvleesch, maar paste zorgvuldig voor de entremêts, omtrent welker oorsprong hij zich behoorlijk op de hoogte had gesteld. Evenwel kon hij niet nalaten een zucht te slaken, toen de lekkere geur van den toeak zijn reukorgaan streelde, en hij werd ernstig boos, toen Johannes, zijne plagerij voortzettende, hem een goed gevulden klapperdop onder den neus hield. Om het weer goed te maken, beloofde hem zijn makker, dat hij straks, wanneer zij buiten den kring der profanen waren, zou zorgen dat de heilige man zijn portie kreeg.

Terwijl onze Europeanen op Dajaksche wijze met gekruiste beenen zaten rondom het matje, dat de tafel uitmaakte en zich te midden hunner nieuwe vrienden Gods gaven goed lieten smaken, kwam een Poenan binnen en smeet een paar bloedige menschenhoofden in den gevormden kring, te midden der opgebrachte gerechten. Er ging, vooral onder de Poenans van het gezelschap een oorverdoovend gejuich op. Twee hunner grepen die hoofden, sneden de laatste halswervels, die er nog aanzaten, af en begonnen nu door de vrij geworden opening van den schedel de hersenzelfstandigheid met een bamboelemmer op een aarden schotel te ledigen. Gedurende die bezigheid, sneed een ander een flinke vlok haar van die hoofden, kapte die in stukken ter grootte van een halven vinger en roerde dat haar onder bijvoeging van wat fijngewreven „sahang” (lombokh, spaansche peper) door die bloedige hersenmassa. Met ontzetting hadden onze deserteurs dat tooneel aangezien. Toen al de hersenen uit de twee schedels gehaald en geschud waren en de schotel behoorlijk toebereid was, nam hem een der Poenans, plaatste een aarden lepeltje rechtop in de brij en bood hem Johannes aan. Deze bedankte met een gebaar. Bij Wienersdorf gekomen, liet deze een blik op dat walgelijk mengsel vallen, maar werd tegelijkertijd door zulk een misselijk gevoel overweldigd, dat hij bewusteloos neerstortte.

In hunne ontsteltenis letten de drie overige Europeanen daar niet op, en de Dajaks wel een weinig verwonderd, maar overgelukkig dat de vreemdelingen geweigerd hadden van dien lekkeren schotel te proeven, hieven een gejuich aan. Hij die den schotel droeg, greep den lepel, laadde hem, wierp toen het hoofd achterover en liet, terwijl hij de oogen zacht sloot en zijn gelaat van genot straalde, een goede portie in den wijd geopenden mond glijden. Hij gaf toen den schotel aan een makker over, die dezelfde manoeuvre volbracht, en het lekkers verder gaf. Het was toen een smakken met tong en met lippen, dat de toeschouwers wel moesten begrijpen dat de smullenden in den hoogsten graad van genieting verkeerden. Langzaam en met verrukten blik zogen zij de haren uit, die trouwens alleen door het mengsel geroerd waren, om de lekkerbekken tot bedaard genieten te noodzaken [83]. Eindelijk werd het den Europeanen te benauwd om het hart; alles draaide hun voor de oogen. Zij sprongen op, om zich te verwijderen van het ontzettend tooneel, maar ontwaarden eerst toen, dat Wienersdorf bewusteloos ter neer lag. Zij tilden hem op en ijlden met hem naar buiten in de frissche lucht. Daar kwam de bewustelooze ras bij en herstelden zich de anderen. Een dronk zuiver water hielp ook om hunne ontstelde zenuwen tot bedaren te brengen.

Harimaoung Boekit had dus ten tweeden male het leven aan Wienersdorf te danken. Van zijne volgelingen had hij vernomen met welken moed, met welke doodsverachting deze hem te hulp was gesneld en zich daarbij aan de grootste gevaren had blootgesteld. Hij trad zijn redder nabij, legde de hand op zijn schouder en vroeg hem met bewogen stem, of hij iets voor hem doen kon of hem iets kon geven. Alles wat hij bezat, was het eigendom zijns redders. Als deze verkoos dat hij, het trotsche Poenanhoofd, zijn „djipen” (pandeling) zoude worden, zou hij voor altijd afstand doen van de vrijheid en zijn broeder overal volgen.

Wienersdorf, steeds nog onder den invloed van het afschuwelijk tooneel van straks, dat hij evenwel, ten gevolge zijner bewusteloosheid slechts gedeeltelijk had kunnen waarnemen, bedacht zich op die vraag niet lang, maar greep de hand van den Poenan, drukte die met levendige innigheid en smeekte hem om het leven van die arme vrouw, die door de aankomst van de aanvalsflotille zoo op het juiste oogenblik van een vreeselijk uiteinde gered werd. Door dat de Zwitser de landstaal niet bijzonder machtig was, begreep de Poenan aanvankelijk weinig of niets van de bede. Toen het hem eindelijk met behulp van Johannes helder werd, wat zijn redder vroeg, ontsierde nog eenmaal een uiterst onaangename trek het overigens voorname gelaat, maar ook slechts voor een oogenblik, want in het daarop volgende had het natuurkind zijn geheele zelfbeheersching hernomen en den handdruk des Zwitsers met warmte beantwoord. Hij voldeed aan het gedane verzoek en schonk het leven aan die vrouw, terwijl hij zich verbond dat menschelijk offer later ter geschikter tijd door een buffel te vervangen. Intusschen kon hij de eigenlijke beweegredenen, waarom zijn redder zoo op het leven van die vrouw gesteld was, maar niet vatten. Zijn oorspronkelijk begripsvermogen deed hem vermoeden, dat hier een hartstochtelijke genegenheid in het spel was en hoewel die pandelinge, moeder van twee kinderen, niet jeugdig meer en nimmer voor een schoonheid gehouden was, vermocht hij aan het aandringen des Zwitsers geen anderen uitleg te geven, ofschoon hij zich over diens smaak ten zeerste verbaasde. Onder den indruk van die opvatting en wezenlijk alles er voor over hebbende, om zijn redder gelukkig te zien, bood hij hem zijn volle zuster, een jonge lieftallige maagd, het pronkjuweel van zijn stand tot vrouw aan, en trachtte zoo door een huwelijk niet alleen den gesloten broederband te versterken, maar ook aan de hartstochten van dien broeder in zijn oog een meer edele richting te geven.

Hamadoe—zoo was de naam van die zuster—was een heerlijk wezen. Zij kon bogen op een fijn besneden gelaat, waaraan de zachte bronskleur een groote bekoorlijkheid verleende, met een fraai gevormden neus, dien menige Europeesche schoone haar benijd zoude hebben; met een mondje, welks zwellende en half geopende lippen aan een pas opengespleten pala-vrucht [84] deden denken; met een paar groote donkere oogen, die een zacht kwijnende uitdrukking konden aannemen, maar waarin ook een vuur kon schitteren, alsof die dochter des wouds in lichtelaaie vlam stond, hetgeen niet onmogelijk was. Daarbij had zij fijn zacht haar, zwartblauw van kleur en zoo overvloedig en lang dat, wanneer zij heur „kondèh” (haarwrong) loswierp, de sierlijke lokken haar als in een mantel wikkelden, het reeds zoo innemend gelaat allerliefst omlijstten en haar dartelend en golvend tot op de kuiten vielen. Zij had een boezem, maagdelijk bescheiden in ontwikkeling en toch weelderig in zijn vormen, die den meesteischenden beeldhouwer tot model had kunnen strekken; en daarbij een middel, ongekunsteld en natuurlijk, dat zonder behulp van balein en staal, met twee handen te omspannen was en zich zoo lenig en buigzaam bij de minste bewegingen van het meisje vertoonde, alsof geen ruggegraat aanwezig was. Daaronder rondden een paar heupen bekoorlijk en dichterlijk af, om uit den mond van den meest koelbloedigen een lofzang op zooveel natuurschoon te ontlokken.

Het valt niet te ontkennen, onze Europeanen hadden al menigmaal de lieve Hamadoe, die haren naam van „honigzoet” zoo wel verdiende, met een bewonderenden blik nageoogd, wanneer zij vrij en ongedwongen op Dajaksche wijze gekleed, dat wil zeggen met het fraaie bovenlijf geheel bloot en het overige slechts gedekt met een „saloi”—een kort kleedje, dat slechts van het middel tot de knieën reikt—zich binnen de versterking bewoog. En toch, nu hem dat juweeltje van vrouwelijk schoon aangeboden werd, aarzelde Wienersdorf en was op het punt een verontschuldiging te stamelen; toen Johannes hem voorkwam en den Poenan antwoordde, dat zijn vriend zijn aanbod dankbaar aannam en zich gelukkig zou achten, de echtgenoot van de schoone Hamadoe te zijn; maar dat hij al de Sangiangs zou danken wanneer hij door dat huwelijk de vleeschelijke broeder van Harimaoung Boekit, zijn bloedbroeder reeds, zou geworden zijn.

Wel eenigszins onthutst door die onverwachte tusschenkomst, sloeg de Zwitser de oogen op en wilde spreken; maar beleefd werd hem verzocht zich te verwijderen, daar Johannes nu als zijn zaakgelastigde de verdere huwelijksformaliteiten met de aanstaande en hare familiebetrekkingen te behandelen had. Wienersdorf trok mompelend af met het stellige voornemen, zich tot geen dwaasheden te laten overhalen, hoe verleidelijk en bekoorlijk de schoone Hamadoe ook was. Helaas! wanneer de mensch wikt, is hij het niet altijd, die beschikt.

Toen Harimaoung Boekit en Johannes in huis getreden waren, werd de maagd geroepen en deed Johannes, nadat zij verschenen was, de aanvraag om hare hand geheel volgens de Dajaksche gebruiken. Wel had de schoone een gunstige meening ten opzichte van haren aanstaande, maar zij keek nieuwsgierig rond, keek nog eens; dat die zaakgelastigde haar geen koppen ten huwelijksgeschenk kon aanbieden, deed haar aarzelen. Zij stond daar besluiteloos. Eindelijk greep zij een vrouwenkleedje, dat over een touw te drogen hing, en bood dat den afgezant aan met de boodschap:

„Uw vriend is geen man, hij is slechts een bedeesde vrouw en verdient geen mannenkleederen aan te hebben; daar, dat hij dezen „tapih” (vrouwenonderrok) aantrekke.”

Johannes glimlachte even, maar nam dat kleedje niet aan. Harimaoung Boekit verhaalde haar nu zijn dubbele redding door dien vreemdeling, legde haar uit, dat de Hollanders in de benedenlanden het koppensnellen verboden hadden, dat zijn redder niet anders kon doen dan dat verbod na te komen, maar dat hij overigens de dapperste der dapperen, een ware Dohong was.

Na deze verklaring nam de lieve maagd geen enkel oogenblik van beraad, maar verklaarde vrijmoedig dat zij met den tapih ook hare straks gesproken woorden terugnam en dat, nu haar broeder, de eenige verwant, dien zij te kotta Djankang had, geen beletselen opwierp, zij gereed was Dohong’s levensgezellin te worden en lief en leed met hem te deelen. Zij verzocht haren broeder alles in gereedheid te brengen om zoo spoedig mogelijk het „blako ontong” te vieren, waarbij den Radja balawang boelau [85] alle heil en voorspoed op haar huwelijksbed zoude afgesmeekt worden.

Dat alles werd gezegd met een bekoorlijke zedigheid, maar toch met een zeker vertoon van vreugde, die Johannes verrukte en hem het geluk zijns makkers bijna deed benijden.

Nadat Hamadoe zich verwijderd had, vingen de eigenlijke huwelijksonderhandelingen aan. Johannes begon op den voorgrond te stellen, dat Dohong een vrijgestelde pandeling was, die met weinig of geen aardsche goederen gezegend was, en bijgevolg noch een hoog „palakko”, noch de andere bij het sluiten van een huwelijk te betalen sommen, althans tot een aanzienlijk bedrag, zoude kunnen voldoen. Het „palakko” is een schatting, die de bruidegom aan de ouders of bij gebreke daarvan aan andere familieleden van de bruid betaalt of eigenlijk renteloos leent. Die schatting bedraagt, naarmate van de welgesteldheid des huwelijkscandidaats, van 50 tot 800 gulden, en heeft ten doel dezen in het rechte spoor te houden; want pleegt hij ook maar de geringste ontrouw, dan vervalt die som in eigendom aan zijn vrouw.

Harimaoung Boekit glimlachte bij die mededeeling, greep eenige bamboekokertjes, die met lussen aan den wand hingen, en stelde die zijnen toespreker ter hand, onder mededeeling dat daarin ruim twintig thaëls stofgoud vervat waren en dus meer dan genoeg om aan alle uitgaven het hoofd te bieden.

„Zou ik aarzelen dit goud af te staan om mijn broeder Dohong gelukkig te maken?” sprak het edelmoedige Poenanhoofd. „Ik heb hem mijn lichaam aangeboden; alles wat het mijne is, kan hij het zijne noemen.”

Toen dat geregeld was, werd de dag der plechtigheid bepaald en vastgesteld, dat het huwelijk in verband met de omstandigheden, twee maanden later, in het gebied van Harimaoung Boekit, aan de soengei Miri [86] gelegen, zoude voltrokken worden. Ter eere van Kadjanka [87], den beheerscher van de maan en den beschermer der jonggehuwde vrouwtjes, zou het huwelijk op den dag van volle maan plaats hebben.

„Het is te hopen,” voegde Harimaoung Boekit er bij, „dat de belegeraars lang voor dien tijd zullen afgetrokken zijn.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us