XXXI
Triomftocht.—La Cueille’s neus opgewreven.—Tweestrijd van het Poenanhoofd en Hamadoe’s beslissing.—Souvent femme varie.—Ruilhandel.—Goudzoeken.—La Cueille in vervoering.—Hoe de schatten mede te nemen.—Een nieuwe wijze van handeldrijven.
Twee maal vier en twintig uur later lag de flotille onzer vluchtelingen voor kotta Rangan Hanoengoh vastgemeerd en waren de reizigers aan wal gestapt. De reis had veel vlugger kunnen volvoerd worden, maar de vaart op de soengei Miri was een ware triomftocht geweest. Onze vrienden hadden te kotta Ohas en te kotta Behio moeten overnachten. Overal waren zij met geestdrift ingehaald en het aantal Otdanom’s en Poenans, dat zich om La Cueille verdrong, om den man te bewonderen, die bergen kon doen vuurspuwen, was soms zoo groot, dat de zedigheid van den Waal gevaar liep te gronde te gaan. Alle meisjes, die verloofd waren, alle maagden, die hoopten verloofd te worden, alle getrouwde vrouwtjes, die in de blijde verwachting waren, en alle, die daarin hoopten te geraken, dus alle vrouwelijke wezens op de oudjes en de kinderen na, verdrongen zich om den grooten man met het doel hem te kunnen aanraken, opdat iets van zijn heldhaftigheid in haar mocht varen, hetgeen volgens aller overtuiging op haar nakomelingen zou overgaan. De Waal was wonderwel in zijn schik in dien bekoorlijken kring en stak zijn beide handen uit, om aan de vriendelijke uitnoodiging tot aanraking te voldoen. Zijn ijver werd evenwel aanmerkelijk getemperd toen een der oudste en leelijkste vrouwen van den geheelen troep hem bij de ooren greep en haar mopneus tegen den zijnen op en neer wreef met een kracht en een ijver alsof zij een ouden schoen poetste. Nu begon hij te begrijpen, dat de lasten van zoo’n heldenbaantje wel eens de baten konden overtreffen. Hij wrong zich dan ook los uit de omhelzing en ontvluchtte een kring, waarin zijn ijdelheid zich zoo gestreeld gevoeld had.
Al spoedig na aankomst had Wienersdorf een onderhoud met Harimaoung Boekit gehad, waarin hij zijn levensloop aan den Poenan medegedeeld en hem ook in kennis gesteld had van de beweegredenen, waarom hij en zijn makkers van Kwala Kapoeas waren weggeloopen, voor zoover dat natuurkind die zou kunnen begrijpen. Men kwam overeen dat de vier blanken hun landaard steeds stipt geheim zouden blijven houden. Die geheimhouding was noodzakelijk, want, beweerde het Poenanhoofd, tegenover de waarde, welke Europeesche schedels in die streken hadden, was niemand te vertrouwen. Maar nu de huwelijkskwestie? Harimaoung Boekit verlangde, dat die in de eerste plaats zou besproken worden. Zoolang hij den aanstaande van zijn geliefde zuster voor een Dajak had aangezien, had hij met innig welgevallen ontwaard, hoe Hamadoe zich aan den man harer keuze gehecht had; maar met nog meer belangstelling had hij de kleine attenties gadegeslagen, waarmede Dohong zijn uitverkorene bij iedere gelegenheid als overstelpt had, waaruit de innigste liefde en de volkomenste waardeering van het beminnelijke kind te bespeuren waren. Maar nu hij wist, dat die man een blanke was!? Sedert had hij somwijlen behoefte om een vreeselijke gedachte te verjagen en moest hij zich geweld aandoen, om zich te herinneren, dat hij het bloed van dien man gedronken had, dat zij broeders waren en dat hij hem meermalen de redding zijns levens te danken had. Eindelijk riep hij zijn zuster, zij moest uitspraak doen. En toen zij verklaarde, dat zij dien blanke liefhad, dat zij gereed was heinde en ver met hem te trekken, om lief en leed met hem te deelen, toen sloot de Poenan haar in de armen en was de moordduivel in hem verwonnen.
Alsnu werd bepaald, dat het huwelijk tusschen de beide jongelieden zoo spoedig mogelijk zou voltrokken worden, waarna de Europeanen onmiddellijk de reis zouden vervolgen, om de noordkust van het eiland te bereiken. Maar met dat reizen en trekken was alweer de dag van volle maan verstreken en, hoewel Hamadoe zich met een christen ging verbinden en er minder aan hechtte op welk tijdstip de vereeniging plaats zou hebben, zoo moest zij zich toch aan den wensch haars broeders onderwerpen, die gaarne zoude zien, dat het huwelijk geheel volgens de gebruiken zijns volks voltrokken werd. Er moesten dus nog vijf en twintig dagen verloopen, alvorens de plechtigheid voltrokken zou worden. Middelerwijl zou alles daartoe in gereedheid gebracht worden.
Van het andere voorgenomen huwelijk, dat namelijk tusschen La Cueille en Moendoet, zou niets komen. Sedert die geschiedenis met den pediculus capitis, waarvan de Waal beweerde nog het gekrieuwel op zijn tong te voelen, was een merkelijke verkoeling tusschen die twee ontstaan, die in een volslagene breuk overging, toen het meisje vernam, dat zij eenmaal gehuwd zijnde, haar echtgenoot verweg zoude moeten volgen en haar stam- en bloedverwanten vaarwel zeggen. Dat was te veel van haar gevergd. Zij had ook de oorveeg niet vergeten, die de Waal haar zoo goedsmoeds toegediend had; zoodat beiden zonder veel hartzeer van elkander afzagen. Het duurde niet lang of de wufte schoone had het aanzoek aangenomen van een befaamden koppensneller, die haar een risje bekkeneelen kon aanbieden, die haar hart streelde en dan ook met een bekoorlijken glimlach aangenomen werd.
„Souvent femme varie, bien fou qui s’y fie,” pruttelde de Waal, toen hij die verloving vernam, onbewust de woorden herhalende van een Fransch koning, die beweerde veel vrouwenkennis opgedaan te hebben.
Johannes had middelerwijl die gebeurtenissen met een aandachtig oog gadegeslagen, en hoewel hij het uitstel van ruim drie weken om de reis te vervolgen betreurde, nam hij er toch genoegen mede. En te eerder, wijl hij zich dien tijd hoopte ten nutte te maken, ten einde oude plannen te verwezenlijken om de financiëele positie van de maatschap, welker hoofd hij nog steeds was, te verbeteren. Hij herinnerde den Poenan zijn beloften met betrekking tot de bezoarsteenen en verkreeg van hem na eenig onbeduidend dingen in ruil voor de zes kanonstukjes, door de deserteurs medegevoerd tweehonderd van die ingewandsteenen, die hij te Singapore te gelde hoopte te maken. Harimaoung Boekit stelde evenwel als voorwaarde, dat de Europeanen dat geschut op zijn kotta op de doelmatigste wijze in batterij zouden stellen en zij zijn Poenans in de bediening daarvan zouden onderwijzen. Allen hielpen daaraan volijverig en La Cueille werd opgedragen een artilleriecursus te openen, hetgeen deze volgaarne op zich nam.
Het waren fraaie bezoarsteenen, welke in ruil voor die kanonnetjes geleverd werden. Er waren er bij van buitengewone grootte. Toen de Europeanen dan ook hun schat monsterden, kwamen zij volmondig tot de erkenning, dat Johannes hun zaken wonderwel bestuurde. Die groengrauwe erwten, die daar in een klapperdop voor hen lagen, en waarin zij met de hand wroetten, vertegenwoordigden een som van veel meer dan 20,000 gulden. Johannes vertelde hun, dat hij ook een overeenkomst met den Poenan getroffen had omtrent de te Kwala Hiang buitgemaakte geweren en dat hij daarvoor honderd thaëls stofgoud zou ontvangen.
„Cré matin!” schreeuwde de Waal, „dat is 6000 gulden of 150 gulden per stuk! Ik wou hier wel een geweerfabriek oprichten. Maar... die honderd thaëls gevoegd bij de batoe boehies geeft een totaal van ruim 26,000 gulden. Wij komen aardig in onze nopjes.”
„Maar dat is nog niet alles,” lachte Johannes. „Ik heb èn met Harimaoung Boekit èn met Amai Kotong afgesproken, om morgen goud te gaan zoeken. Wij zullen ons daarmede onledig houden, zoolang wij hier vertoeven, en zooals mij verzekerd is, zal dat bedrijf ons geen windeieren leggen. Dan hebben wij nog onze koopmanschappen, die van de hand moeten gezet worden. Laat mij maar begaan en gij zult zien, dat ik ook daarmede naar wensch slagen zal.”
Zoo als gezegd is, zouden onze avonturiers den volgenden morgen het goudzoekersambacht beginnen. Maar van het oogenblik af, dat zij tot die afspraak gekomen waren, vergde Harimaoung Boekit van hen, dat zij alle formaliteiten zouden in acht nemen, om de wraak van de sarok boelau onschadelijk te maken. Hij wenschte niet andermaal de koorts op het lijf gejaagd te krijgen. Zoo mochten de goudzoekers gedurende het tijdperk, dat zij zich met dat bedrijf bezig hielden, nimmer een vuur, vooral een steenkolenvuur naderen, nimmer gaan zitten met afhangende beenen, b.v. op een boomstam of op den rand eener prauw; gingen zij zitten, dan moesten zij steeds de beenen kruiselings onder het lichaam gevouwen hebben; zij mochten geen staal of ijzer aanraken; bij het baden nooit het gelaat stroomopwaarts keeren, enz. enz. Onze vrienden beloofden, dat alles stipt te zullen betrachten.
Zij zakten nu de soengei Miri een onbeduidend eind af op een klein vlot; en ter bestemder plaatse gekomen, werd het vastgemaakt door een soort van trap, die aan het eene einde met zware steenen belast en aan het andere door rottanlussen als scharnieren beweegbaar was, tot op den bodem der rivier te laten zakken. Die trap diende dus tot anker, maar voornamelijk om er langs af te dalen. Eenige Poenans, van houten bakken voorzien, klommen nu naar beneden, doken onder water, vulden hun bakken met goudhoudend zand, plaatsten die op het vlot en daalden weer met andere onder den waterspiegel, om die weer te vullen. Die bakken, „doelang” genaamd, hadden den vorm van een bord van ongeveer drie dM. middellijn, en waren in den bodem van een kleine, komvormige uitholling voorzien. Toen de eerste gevulde doelangs op het vlot geplaatst waren, begon de leerschool voor onze Europeanen. Harimaoung Boekit en Amai Kotong wezen hun, hoe zij dat bord aan de oppervlakte van de snelstroomende rivier moesten brengen en daaraan een zacht schuddende en tevens draaiende beweging mededeelen, waardoor gelegenheid gegeven werd aan den sterken stroom om het lichtere zand en de klei mede te voeren, maar het zwaardere stofgoud zich in de uitholling te laten verzamelen. Aanvankelijk waren onze blanken bij dat handwerk uiterst onhandig en ontlokten aan hun omgeving menigen gullen lach, wanneer de stroom hun bord bij een verkeerde beweging schoon veegde en zand en goud medenam. Maar langzamerhand werden zij meer bedreven en weldra onder den invloed van een eerste slagen werden zij door de goudkoorts aangetast. Zij zagen niet, zij praatten niet, zij rustten niet; slechts één gedachte hield hun brein bezig, namelijk zooveel mogelijk van dat kostbare metaal te verzamelen. IJverig en onverpoosd werkten zij voort en toen de avond viel en de arbeid gestaakt moest worden, woog Harimaoung Boekit de gevonden hoeveelheid stofgoud en bevond, dat het ruim een halve thaël en dus een waarde van dertig gulden bedroeg.
„Het is nog niet veel,” grinnikte de Poenan Wienersdorf in het oor, „maar wanneer mijn broeders bij het uitwasschen meer en meer handig zullen worden, dan zal de opbrengst veel grooter worden. Nu is er nog veel verloren gegaan.”
Maar het verkregen resultaat was toch van dien aard dat het den geest van onze avonturiers bijna uitsluitend bezig hield. Vooral La Cueille was zeer opgewonden; hij sprak onophoudelijk over het goudzoeken, en toen hij eindelijk lang na middernacht den slaap vatte, droomde hij slechts van goud en was het hem te moede, alsof het gansche heelal met dat edele metaal beslagen was.
Dagen achtereen werd die arbeid voortgezet en, zooals Harimaoung Boekit voorspeld had, steeds met toenemenden gunstigen uitslag. Onze avonturiers waren zoo gelukkig daarbij, dat er dagen waren, waarin de opbrengst tot vijf thaëls steeg en dus een waarde van 300 gulden vertegenwoordigde. Het goud deed zich gewoonlijk in den vorm van fijn bijna ontastbaar poeder, „boelau orei”, voor; maar het werd ook in den vorm van blaadjes, schubjes of loovertjes of ook in korrels of draden gevonden. Enkele brokjes „boelau massak” (gedegen goud) ter grootte van eene erwt werden ook aangetroffen, hoewel uiterst schaars. Harimaoung Boekit verhaalde hun, dat vroeger in de soengei Miri gedegen stukjes gevonden werden van drie à vier kubieke cM. inhoud.
La Cueille, wien als mijnwerker niets aangaande het delfstoffenrijk ontsnapte, had opgemerkt, dat het stofgoud immer van een glinsterend zwartachtig zand vergezeld ging. Van de Poenans vernam hij, dat dit zand „poega” geheeten, als een aanwijzing beschouwd wordt van de aanwezigheid van het edele metaal. Wil de inboorling ergens gaan goudwasschen, dan onderzoekt hij eerst of dat poega voorhanden is en, in hoe grooter hoeveelheid dat aangetroffen wordt, des te grooter is de hoop op een rijke vondst. Deze mededeeling had voor onze reizigers merkwaardige gevolgen.
Eens, dat ten gevolge van minder arbeidslust bij de inlandsche bevolking onze Europeanen tot werkeloosheid gedoemd waren en La Cueille in den omtrek der kotta ronddrentelde, struikelde hij met den voet in een gat, dat onder dor loof verborgen, hem haast van de been gebracht had. Dit gat was de opening van een spleet in den geelen, leemachtigen oever van een klein beekje. Toen hij zijn voet daar uithaalde bemerkte hij, dat die geheel met poega overdekt was.
Hij verbreedde nu met de handen die spleet, wierp het loof naar buiten en werkte zich naar beneden. Het zand toonde hem onmiskenbaar rijke sporen van goud. Hij ging zijn doelang halen, maar nam te gelijker tijd een schop en een pikhouweel mede. Daarmee gewapend, was hij eerst van meening het rijke zand te gaan wasschen, maar kwam tot andere gedachten, toen hij bij de uitdelving bevond, dat die spleet een trechtervormige uitholling was, waarin de beek bij iederen hoogen waterstand als in een kolk rondwielde. Het was een natuurlijke doelang, maar van grooter afmetingen, door de natuur zelve gevormd. Deze opmerking bracht hem op de gedachte het zand uit te scheppen om te zien, wat op den bodem van dien monsterdoelang te vinden zou zijn. Hij had zoo een voorgevoel, dat zijn moeite wel beloond zou worden. En werkelijk, hoe verder hij in de diepte doordrong, hoe goudrijker de poega werd, totdat hij op een laag verblindend wit keizand stuitte, waarin het edele metaal in de zonnestralen hem in de oogen schitterde en glom, alsof daar alle schatten der aarde bijeen gebracht waren. Hij vulde zijn doelang en spoedde zich naar de beek en in weinige minuten tijds vond hij in de uitholling van zijn werktuig eenige brokstukjes boelau massak, alle grooter dan een erwt; hij herhaalde de bewerking en bevond dat, hoe dieper hij kwam, hoe zeldzamer het witte zand, maar hoe grooter en menigvuldiger die brokstukjes werden, totdat hij op den bodem van dien kolk een laag stukjes aantrof van de grootte eener boon, die als schoon uitgewasschen daar onvermengd lagen. Onder die laag strekte zich dorre, grijze, vaste potaarde uit, die geen spoor van goud meer opleverde.
De Waal was als krankzinnig van vreugd, toen hij dien schat daar in de zon zag glinsteren. Hij sprong en danste er rondom; hij was in een woord uitgelaten. Toen hij eindelijk wat tot bedaren kwam, bedekte hij het hoopje met droge bladeren en takken, om de glinsterende massa aan onbescheiden oogen te onttrekken en spoedde zich daarna naar de kotta, alwaar hij Johannes deelgenoot van zijn vondst maakte. Beiden voorzagen zich van een zak en brachten den buit te huis, alwaar deze bij naweging bleek, bijna 400 thaëls of ongeveer 20 K.G. te bedragen.—„Tudieu!” gniffelde La Cueille, „ik wist niet, dat ik zoo’n gelukskind was. Laat kijken, dat is 400 maal 60 gulden.....?”
Hij keek daarbij Wienersdorf en Schlickeisen vragend aan.
„Dat is 24,000 gulden,” sprak de laatste; „dat is een mooie vondst, die je gedaan hebt. Je zult je naam van Richard bewaarheiden. Ik wensch je geluk.”
„En 24,000 gevoegd bij de 26,000 van de apensteenen?” vroeg de Waal verder, die niet vlug uit het hoofd kon rekenen en op het gezegde van Schlickeisen geen acht scheen geslagen te hebben.
„Dat maakt 50,000 gulden,” was het antwoord.
„Waarbij nog wel een 10,000 zullen komen, als opbrengst van het stofgoud, dat we reeds gevonden hebben en wat we nog vinden zullen, alsook nog van een kleinen handel, dien ik op het oog heb,” voegde Johannes er lachend bij.
De Waal was opgetogen, boven de wolken van blijdschap.
„Dus,” riep hij, „60,000 gulden te zamen! En dat verdeeld in vieren, maakt..... voor ieder 15,000; want 4 maal 15 is 60, niet waar?”
De overigen knikten en grepen de hand van den Waal, die ze met warmte drukten. La Cueille had zich in het volle licht van zijn kameraadschappelijke gevoelens voor hen vertoond. De brave kerel had er geen oogenblik aan gedacht, dat de door hem gevonden goudmassa hem alleen zou kunnen toebehooren.
„Ik wist wel, dat ik mij in hem niet vergist had,” mompelde Johannes binnensmonds.
„Maar,” stoorde Wienersdorf, die had zitten peinzen, den algemeenen gedachtengang, „dat La Cueille dat goud gevonden heeft is zeer mooi, maar het zal bezwaren kosten het mede te nemen.”
„Wel zeker,” viel Johannes in, „zonder bezwaren heb je niets op dit ondermaansche. Maar laat je dat geen zorgen baren.”
„Geen zorgen baren! Je wilt je goud zeker per spoor vervoeren?” vroeg Wienersdorf lachende.
„Het zal nog wel wat duren alvorens de locomotief-fluit zich in deze streken zal doen hooren. Maar luistert. Die goudkorrels, en brokstukjes zullen wij zorgvuldig van het stofgoud scheiden. Voor de eerste zullen wij ons van hertenvellen gordels vervaardigen, die van een stevige dubbele voering voorzien, met de ruimte tusschen leder en voering behoorlijk in vakken verdeeld, gedogen zullen, dat ieder van ons een vrachtje van ongeveer vier K.G. aan edel metaal om de lendenen zal kunnen dragen. Voor het stofgoud zullen wij van Dajaksche blaasroeren wandelstokken of beter polsstokken vervaardigen. Die roeren zijn van ijzerhout vervaardigd; zij zijn dus stevig en kunnen des noods een geducht wapen in onze vuist wezen. De cilindervormige uitholling vullen wij met stofgoud aan, hetgeen onze wandelstokken niet alleen een zekere zwaarte geven, maar ze ook kostbaar maken zal. Vergis ik mij niet, dan zal iedere stok van 1,50 Meter lengte bij een uitholling van 2½ c.M. middellijn ruim een K.G. stofgoud kunnen bevatten. Het zal zaak zijn zoo’n stok nergens te laten liggen of in een hoekje te laten staan.”
„Drommels neen,” lachte La Cueille, „vooral daar je hier zoo’n verlies niet in de krant zoudt kunnen adverteeren, met belofte aan den eerlijken vinder van een goede fooi. Maar zoo’n band van vier K.G. zwaar om je lendenen en een stok van minstens een K.G. in je hand, zal ook niet lekker kunnen heeten; want wij zullen toch wel meer dan dat te dragen hebben bij den tocht, die voor den boeg staat.”
„Wel zeker, voor een groot gedeelte van den weg zal je je moeten getroosten behalve je geweer en gevulden patroonzak, ook nog je mondbehoefte en reserve-munitie in een mandje op je rug te dragen. Daarover evenwel later. Maar als je nu gedacht hebt, dat onze rijkdommen zoo maar zonder moeite mede te nemen zouden zijn, dan heb je het verbazend mis. Zoo lang de spoorbaan nog niet klaar is, waarvan Wienersdorf straks schertste, zul je je schatten zelf moeten dragen.”
„Zoo is er toch altijd wat op dit ondermaansche,” pruttelde de Waal, „nu ik rijk ben, meende ik anderen voor mij te kunnen laten sjouwen.”
„Kassian, je bent waarachtig te beklagen,” lachte Johannes.
Terwijl nu ook langzamerhand de toebereidselen tot het aanstaande vertrek gemaakt moesten worden, was Johannes er ook op bedacht, zich van de verschillende koopmanschappen te ontdoen, die hij van Baba Poetjieng verkregen had, in soengei Naning, op het vlot van Bapa Andong en te Kotta Baroe bijeenvergaard had, om handel met de Olo Ott te drijven. Toen hij dien handel bedacht had, was dat meer geweest als middel om eenig stofgoud machtig te worden, ten einde niet geheel en al berooid te Sarawak of Singapore aan te komen. Nu zij een wezenlijk fortuin, althans voor hen, verworven hadden, was die handel niet meer zoo noodig; ook had hij reeds een gedeelte van die koopmanschappen bestemd, om als geschenk aan Harimaoung Boekit aan te bieden. Maar toch wenschte hij dat handeldrijven, waarvan hij zooveel gehoord had, wel eens van nabij te zien en ook door zijn reisgenooten te doen waarnemen. Hij sprak er met het Poenanhoofd over en deze vond den voorslag uitvoerbaar. Hij had er te meer ooren naar, wijl volgens hem de geldzaken onzer reizigers daardoor merkelijk zouden verbeteren en het geluk van Hamadoe, zijn zuster, bevorderd zou worden. Alles werd er dan ook toe in gereedheid gebracht en op een morgen vertrokken onze vier blanken en Dalim met Harimaoung Boekit en Amai Kotong en de noodige roeiers met een groote rangkan en stevenden de soengei Miri op. Maar de reis was vrij lang, want eerst den derden dag bereikten de reizigers de monding van de soengei Danom Pari, alwaar zij bij een kolossaal hoogen en zwaren boom, die zich aan den oever verhief, aanlegden. Aan den voet van dien boom, die als een reus te midden van het hem omringende dichte woud uitkwam, werd een matje gespreid en daarop eenige hoopjes zout en glaskoralen, eenige kleedingstukken, als „klambie’s” (baatjes) en ewah’s van grof linnen of van boomschors vervaardigd, een twintigtal mandauw’s, verscheiden stukken ijzer en verscheiden dozijnen lompe onbehouwen messen en een groote hoeveelheid tabak aan stengen uitgestald. Dat alles werd stuksgewijze neergelegd. Zelfs eenig gebak van verzuurde rijst vervaardigd en overvloedig met arengsuiker bestrooid en een groote pot met toeak gevuld werden niet vergeten.
„Drommels! ik wou wel op dien pot blijven passen,” sprak La Cueille.
„Opdat hij niet wegloopen zou, niet waar?” lachte Johannes. „Kom maar mee, want de pot zou minder op jou kunnen passen en in deze buurt zou je bewaking noodig hebben, dat verzeker ik je. Wij zijn hier op het gebied der Ott’s. Straks zal ik je daar meer van verhalen.”
Toen de uitstalling gereed was, greep Harimaoung Boekit een „garantong” (metalen bekken), hing die aan een boomtak op en deed toen met een stuk hout eenige slagen daarop, die luid in het stille woud weerklonken. Daarna luisterde men aandachtig. Toen na verloop van een tiental minuten niets vernomen werd, sloeg de Poenan nogmaals met kracht op het bekken en nu liet zich in de verte een gelijk aantal slagen hooren, die te oordeelen naar het geluid op een uitgeholden boom gegeven werden. Harimaoung Boekit liet nu zijn gezelschap in den rangkan stijgen, sloeg nog eens ferm op het bekken en voer toen de soengei ruim een kwartieruurs af. Daar werd halt gemaakt en midden op stroom gewacht.
„De drommel hale mij, als wij iets van onze koopwaren terugzien,” mompelde Schlickeisen tegen zijn makkers.
„Dat zal meevallen,” antwoordde Johannes. „Wacht maar.”
Dat wachten duurde niet al te lang. Na een paar uur weerklonken andermaal de tonen van de garantong, die was blijven hangen en stevende de rangkan op dat signaal de soengei weer op. In den zwaren stroom evenwel was er ruim een uur noodig om het vaartuig weer bij de uitstallingsplaats te brengen.
„Kijk, dat ’s aardig!” riep La Cueille, toen hij de koopwaren weer terugzag, „maar de toeakpot is leeg.”
Maar zijn verwondering en die zijner makkers werden nog grooter, toen zij ontwaarden dat naast ieder voorwerp een ander was neergelegd. Hier waren het een of meer bezoarsteenen, die als aangeboden prijs moesten dienen van den mandauw of het kleedingstuk, die er bij lagen. Daar waren het afgepaste hoopjes stofgoud, die tot ruil moesten strekken voor tabak, messen of glaskoralen. Elders weer waren het tijgervellen, die aangeboden werden.
„Maar wat nu?” vroeg Wienersdorf.
„Wij zullen kijken en schatten,” antwoordde Harimaoung Boekit.
Alles werd zorgvuldig bekeken en bevonden, dat de aangeboden voorwerpen verreweg de waarde van de koopmanschappen overtroffen. Het zout scheen voor de Olo Ott wel het kostbaarste te wezen, want voor dat artikel waren de grootste hoopjes stofgoud aangewezen. Toen onze nieuwbakken kooplieden zich tevreden met den aangeboden ruil toonden, verzamelde de Poenan alles wat de Olo Ott achtergelaten hadden, deed het in den rangkan overbrengen, sloeg toen een flinken roffel op het bekken, bracht dat muziekinstrument in het vaartuig en liet toen de terugreis aannemen, terwijl de koopwaren onzer vrienden achterbleven. Toen Johannes de balans van dien ruilhandel opmaakte, werd bevonden, dat zij voor hun prullen en snuisterijen ongeveer honderd batoe boehies, ruim zes thaëls stofgoud en een aantal tijgervellen ingeruild hadden. Aan deze laatste hechtten onze Europeanen weinig; Johannes was echter van plan daarvan baatjes te vervaardigen, die hun bij hun aanstaanden marsch door de wildernis van veel dienst zouden zijn.
„Drommels, dat is een voordeelige handel,” meende La Cueille. „Daaraan zouden de kooplieden van Antwerpen of Amsterdam een puntje kunnen zuigen.”
„Maar....” was de bemerking van Wienersdorf, „wanneer de Otts geen voldoenden prijs, achtergelaten hadden, wat dan?”
„Wel,” antwoordde Dalim, „dan hadden wij onze koopwaren eenvoudig medegenomen en hun ruilartikelen laten liggen.”
„Maar als zij nu eens onze koopwaren medegenomen hadden zonder iets in de plaats te laten?”
„Dat is nog nooit geschied,” lichtte Johannes toe. „De meest mogelijke goede trouw wordt bij dien handel steeds betracht, zonder dat beide partijen elkander te zien krijgen. Het moet eens gebeurd zijn, dat een paar maleische kooplieden hun eigene koopwaren en de aangeboden ruilmiddelen der Otts medegenomen hebben. Maar zij waren de soengei nog niet uit, toen zij reeds overvallen waren en hun bedrog met hun leven moesten boeten.”
„Je zei zoo even, dat partijen elkander nimmer zien. Is dat steeds zoo?”
„Steeds. Wanneer de Otts zich vertoonen, dan is het een strijd op leven en dood. Een der beide partijen wordt dan vernield.”
„Maar wat zijn dat voor lieden, die Olo Otts?”
„Ja, nu vraag je me meer, dan ik weet. Ik heb ze nimmer gezien. Doe die vraag eens aan de Poenans, dan zullen ze je antwoorden, dat het halve apen zijn, en met den grootsten ernst verzekeren, dat zij staarten hebben.”
„Staarten?” stoof La Cueille op.
„Ja staarten, mijn waarde Waal,” lachte Johannes. „Vergeet niet, dat jij ook een staart gehad hebt, althans je voorouders; en als....”
„Jou voorouders misschien,” sprak de Waal gebelgd, „maar de mijne niet.”
„En als je goed voelt,” ging Johannes voort, zonder op de gevoeligheid van La Cueille te letten, „als je goed voelt aan het uiteinde van je ruggestreng, dan zul je ontwaren, dat daar de eindwervel van je ruggegraat zich aanvoelt, alsof hij afgebroken is. Er zouden wel geleerden te vinden zijn, die je bewijzen zouden, dat dat ontstaan is door onze gewoonte van te zitten; die staart zou daardoor afgesleten en die eigenaardigheid van afgesleten staart zou zoo van geslacht op geslacht overgegaan zijn. Is het zoo niet Wienersdorf?”
„Ja,” antwoordde deze, „daar heb je Adams, Schlegel en later Darwin. Verder nog....”
„Schei uit!” riep La Cueille, „wij kennen die lui toch niet.”
„Zooveel is zeker,” ging Johannes voort, „dat vele geleerden het eens zijn, dat hier in Borneo nog stammen bestaan, die zich in het bezit van een staart verheugen. Volgens hen zou dat evenwel niets anders zijn dan een kleine, beweginglooze verlenging van de ruggegraat ter lengte van 6 à 8 cM. De daarmee behepte lieden, zouden steeds met zich voeren een plankje, met een gat doorboord om op te zitten anders zou hun die uitwas geweldig hinderen. Wat nu verder de Olo Ott betreft; zij worden beschouwd als de oorspronkelijke bewoners van Borneo, die door andere rassen langzamerhand teruggedrongen zijn. Zij zijn uiterst schuw, zeer verraderlijk van karakter, aartsliefhebbers van koppensnellen en volstrekt niet afkeerig van een rauwen menschenbout met of zonder zout of lombokh. Kampongs hebben zij niet; zij zijn ook niet gezellig van aard, want zij leven slechts met eenige familiën bij elkander, evenwel talrijk genoeg, om een bende van twaalf tot vijftien manspersonen te vormen. Dat neemt evenwel niet weg, dat bij gevaar, wanneer zij het alarmteeken op hun uitgeholde boomstammen in hun wouden geven, zich al spoedig een paar honderd weerbare mannen vereenigen. Huizen, in den zin als wij begrijpen, kennen zij niet. Zij vervaardigen zich in een grooten boom een soort van nest, waarin zij wonen. Overigens bewegen zij zich in de kruinen hunner wouden met een gemakkelijkheid, waarvan wij ons geen denkbeeld kunnen maken en waarin zij door de kahio’s, de boehies en andere apensoorten overtroffen worden. Gij kunt er u verzekerd van houden, dat van het oogenblik af, dat wij hun woonoord genaderd zijn, wij geen oogenblik onbespied zijn gebleven en hoewel wij hen niet gewaar worden, zijn zij ons toch steeds nabij.”
„Drommels!” bromde La Cueille, „dan zullen wij maar wat voortmaken met roeien, dat wij uit die buurt komen.”
Met vereende krachten werd voortgeroeid en verbazend snel stevende de rangkan stroomafwaarts.
XXXII
Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der stofgoudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van Georg Müller.—Huwelijksplechtigheden.
Daags na dien tocht, werd het goudwasschen weer met ijver hervat en zou dat bedrijf voortgezet worden tot het vertrek van onze avonturiers. Zij waren van oordeel, dat zij niet te veel van dat kostbare metaal konden verzamelen. En wat het vervoer betrof, daaromtrent had de trouwe Harimaoung Boekit hen gerustgesteld. Hij beloofde hen uitgeleide te doen met een dertig zijner onderhoorige Poenans, zoo mogelijk tot dat zijn beschermelingen de Sarawaksche grens zouden bereikt hebben. Dankbaar werd die hulp door Wienersdorf en zijn metgezellen aangenomen en de toebereidselen dienovereenkomstig gemaakt.
Bij dat dagelijksche goudwasschen, hetwelk al meer en meer winstgevend werd, naarmate de behendigheid der fortuinzoekers zich meer volmaakte, maakte La Cueille de opmerking, dat de terreinen vanwaar dat stofgoud afgevoerd werd onmetelijk rijk moesten zijn. Vooral kwam hij tot die gevolgtrekking, toen hij van de bevolking vernam, dat bij iederen watervloed de uitgeputte rijkdommen in de beddingen der rivieren en op de zandbanken en uitspringende hoeken weder hersteld werden en dat na iederen westmoesson het stofgoud weer even overvloedig aanwezig was, alsof nimmer de hand aan de ontginning geslagen ware. Als een bijzonderheid werd hem nog medegedeeld, dat hoe meer er gewasschen wordt, hoe meer het gedegen goud verdwijnt, totdat het slechts als uiterst schaarsche korrels voorkomt, terwijl het stofgoud zich weer even overvloedig als voorheen voordoet.
„Dat bewijst,” verzekerde Schlickeisen, „dat de gedegen goudkorrels nederzettingen van lagere tijdperken zijn, die zich zoo spoedig niet aanvullen.”
„Maar dan moet het stofgoud toch zeer veelvuldig voorkomen,” sprak Wienersdorf peinzend. „En wat moet daarvan niet voor de menschen verloren gaan, wanneer dat fijne bijna ontastbare stof door het geweld der wateren medegesleept, zich in de uitgebreide benedenbekkens met het zoo zachte slib vermengt. Ik geloof niet, dat het overdreven is te beweren, dat de beddingen der meeste rivieren op Borneo goudhoudend zijn tot aan hun uitwatering toe.”
„Wel zeker zijn zij dat,” viel Johannes in. „Voor de monding der Kapoeas, die wij opgevaren hebben, ligt een eilandje, hetwelk Mangboelau (goudzoeken) heet. In de overleveringen van de menschen van Kwala Kapoeas bestaat de herinnering nog, dat op dat eilandje goud gewasschen werd. Er is nog stofgoud te vinden, maar de opbrengst loont de moeite niet. Wanneer evenwel de wateren gedurende een reeks van jaren hun taak ongestoord zullen kunnen volbrengen, dan zal een ontginning weer winstgevend zijn.”
„Als wij eens die terreinen konden bezoeken, van waar dat stofgoud afgevoerd wordt,” sprak La Cueille, die zich met dat onderwerp slechts bezig hield.
„Die streek zullen wij doortrekken,” antwoordde Johannes, „maar wij zullen er ons niet kunnen ophouden. Zij is slechts bewoond door Olo Otts, door Penheng’s, door Modang’s, door Tering’s enz. allemaal stammen, waarvan de een al woester dan de ander is, waar wij ons leven geen oogenblik zeker zullen zijn en waar wij daarenboven onmogelijk in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, wanneer wij daar eenigen tijd wilden verwijlen. De geheele Kaminting bergketen is rijk goudhoudend; want alle rivieren, die daar ontspringen, voeren goud af onverschillig naar welke windstreken zij haar wateren stuwen. Evenwel worden de Kapoeas Moeroeng met haar nevenrivieren de soengei Mawat en de soengei Sirat, de Kahajan met haar schatplichtige soengei’s, de Miri, de Roengan en Manohin en verder de boven Katingan als de rijkste aangemerkt. Het is dus te voorzien, dat het gebergte, waaruit die rivieren ontspringen met zijn uitloopers bij onderzoek de meest bevredigende opbrengst zou opleveren.”
„Hoe zou dat goud in het oorspronkelijke gebergte voorkomen?” vroeg La Cueille.
Daarop wist niemand te antwoorden, zelfs de Poenans niet, die daarover nimmer nagedacht hadden. Een toeval zou den Waal daaromtrent iets hoewel niet veel mededeelen.
Eens, dat hij bezig was de munitie voor kotta Rangan Hanoengoh in orde te brengen, kreeg hij in het hoofd geweerpatronen te vervaardigen. Die zouden voor de Poenans van oneindig meer gemak bij de behandeling hunner vuurwapenen ook minder gevaarlijk zijn en tot minder kruitverspilling aanleiding geven. Nu stortten die wildemannen maar een zekere hoeveelheid in den loop, veel of weinig, op gevaar af, dat het wapen hun in de handen sprong. Maar om patronen te kunnen maken had hij papier voor de hulzen noodig. Dat was evenwel in een Dajaksche kotta, ver in het binnenland gelegen, zoo maar niet te vinden. Hij sprak er met Harimaoung Boekit over en liet hem daarbij eenige zijner patronen zien. Toen deze begreep wat noodig was, liep hij naar binnen en bracht een pak oude boeken te voorschijn. Het waren meestal bijbels in de Dajaksche taal, die overvloedig verspreid tot daar in de binnenlanden doorgedrongen waren, hoewel onder de bevolking geen sterveling lezen kon. Onder die boeken trof de Waal een foliant aan, die een geschreven dagregister scheen te zijn, maar in uiterst ontredderden toestand verkeerde. Een gedeelte er van bestond nog uit witte bladen, de beschrevene waren meerendeels verscheurd en aan flarden. Een titelblad was er niet, zoodat niet te zien was, wie er de schrijver of de eigenaar van geweest was. Er in bladerende, troffen hem de volgende zinsneden op een bladzijde, waarvan ook meer dan de helft ontbrak.
„14 Oktober 1824.
„Ik heb bevonden dat het goud hier(?) even als in andere landen in aardlagen voorkomt, die naarmate van de vorming van het terrein, meer of minder verwijderd van elkander liggen, zoodat op de eene plek soms een ware schat en op een andere in de onmiddellijke nabijheid niets, hoegenaamd niets gevonden wordt. Het goudhoudende zand rust gewoonlijk op een schacht van lichtgele leemaarde en is met een donkerkleurige bitumineuse klei bedekt. Dat zand bevat behalve een fijnkorrelig kwarts, goud in korrels, in vliesjes en in de gedaante van stof. Enkele platinadraadjes en korrels worden er ook onder aangetroffen. Zóó wordt het gevonden aan den voet der heuvels, soms ook op de benedenhellingen, maar onveranderlijk in zoodanig terrein, hetwelk door de afstroomende wateren afgezet is, dus in aangeslibde gronden. Het is mij nog niet mogen gelukken goudaderen in het kwartsgesteente te ontdekken, hoewel het daar in zijn oorspronkelijken toestand en dan wellicht in vrij aanzienlijke gedegen brokken te vinden moet zijn. Want onweerlegbaar zijn de korrels en schilfers, die in die alluviale terreinen en allerwege in de rivierbeddingen aangetroffen worden, uit hun kwartsomvatting losgerukt of van grootere massa’s afgescheurd, terwijl het stofgoud ontstaan is en nog ontstaat uit de wrijving van de schilfers en korrels tegen elkander en tegen ander gesteente, voortgesleurd als zij worden door het woeste geweld van het water.
„Eigenlijke bergwerken, waarin de aardlagen....”
Hier was de bladzijde afgescheurd en ontbrak het overige gedeelte.
„Dat ’s drommels jammer,” mompelde de Waal en zuchtend vervolgde hij droomend: „ja, daar in dat gebergte daar moeten onmetelijke rijkdommen opgestapeld liggen.”
Hij ging voort met bladeren. Eensklaps hield hij op; zijn aandacht was weer gevestigd.
„Drommels dat is interessant. Dat moet ik lezen.”
„16 Juli 1824.
„Gisteren namiddag heb ik den grooten diamant van den Sultan van Matam gezien. Men heeft mij niet gefopt, dat kon ik ook wel aan de voorzorgen zien, die genomen werden. Anders laat de vorst wel aan nieuwsgierige vreemdelingen, die hij wantrouwt, een fraaien djakoet zien, die met den grooten diamant veel overeenkomst heeft. Maar ik heb den echten gezien en hem in handen gehad. Het is een prachtige steen, die in het rijk Landak gevonden is. Hij weegt 361 karaat; ik heb hem zelf gewogen. Het is een pyramidale dodekaëder of dubbel zeszijdige pyramide, welke op ongeveer twee derden van zijn geheele lengte gebroken is, waarschijnlijk bij het losmaken uit de hem omringd hebbende korst, iets dat meermalen wordt waargenomen. De gedaante is niet regelmatig, maar eenigszins schuins. De steen is van een uiterst zuiver water, de zeer lichte speling van kleuren, welke opgemerkt wordt en naar het rooskleurige overhelt, moet meer aan de straalbreking door de scheuren veroorzaakt worden toegeschreven, dan wel aan minder zuiverheid. Zijn lengteas is 5.7, zijn kortste 3.3, de korte pyramidaalzijde is 2.9, de lange 3.9 cM. In de Dajaksche taal heet hij Sagima (hoekig), in het Maleisch Danau Redjo. Zijn waarde bedraagt 5,212,000 gulden.”
„Vijf millioen gulden!” schreeuwde de Waal buiten zich zelven. „Vijf millioen gulden! ik wou dat ik zulk een steentje vond.”
Sedert hij zijn twintig K.G. goud gevonden had, was onze La Cueille onverzadelijk. Hij verbeeldde zich, dat om diamanten van vijf millioen te vinden, hij maar te bukken had.
Hij riep zijn makkers tot zich en stelde hun de vraag, waar Landak gelegen was. Wienersdorf en Schlickeisen keken elkander eens aan. In Indische aardrijkskunde hadden zij nimmer uitgemunt en knikten dan ook ontkennend. Johannes evenwel strekte den arm uit en zei:
„Daar ginds in het zuidwesten.”
„Komen wij daar dicht bij?” vroeg de Waal.
„Hoe heb ik het nu met je?” vroeg Johannes verbaasd. „Wij moeten steeds noordwaarts op en wij zouden daar dicht bij komen?”
„Zullen wij ook streken passeeren, waar diamanten te vinden zijn?”
„Drommels neen! Die dure keitjes worden, zoo ver ik weet, alleen in Tanah Laout, de zuidoostspits van Borneo en in Landak, waar je naar verneemt, op de westkust gevonden. Maar waarom vraag je dat?”
„Kijk eens hier,” sprak de Waal opgetogen, terwijl hij den ontredderden foliant vertoonde. „In Landak is een diamant gevonden die 5,212,000 gulden waard is. Dat is, als ik het wel heb, ruim elf millioen francs. Zeg, als we zoo’n steentje konden vinden?”
„Zoo! wildet jij zoo’n steen van elf millioen francs vinden? Je wordt onverzadelijk, mijn waarde Eburoon,” lachte Wienersdorf.
„L’appetit vient en mangeant,” mompelde de Waal. „Maar waarom noem je mij Eburoon?”
„Dat staat in verband met je gestaarte voorouders, die de tegenwoordige Walenkwartieren bewoonden en toen Eburonen genoemd werden. Ik zal je dat later wel eens uitleggen.”
„Omtrent je klimmende appetijt naar edelgesteente,” viel Johannes in, „valt je de waarschuwing te geven van daarvan je lippen en verhemelte maar schoon te houden. Je hebt het goudzoeken van nabij gezien, niet waar? welnu het diamantzoeken is oneindig veel lastiger en moeielijker. Ik heb dat jaren geleden in het Martapoerasche kunnen waarnemen. Om dat werk naar eisch te verrichten, moeten putten gegraven worden van vier à zes voet vierkant, totdat de diamantbevattende laag bereikt is.”
„Hoe ziet die laag er uit?” vroeg La Cueille.
„Het is in den regel een mengsel van kiezel en stukjes zandsteen in een laag klei van bijzonder roode kleur vervat. Daaronder strekt zich een laag donkerblauwe klei uit, waarin de „batoe ampar anoem”, ook wel „djakoet” genoemd, een prachtige soort van bergkristal, door de oningewijden niet van den diamant te onderkennen, aangetroffen wordt. Ontmoet men deze blauwe kleilaag zonder dat de roode aangetroffen is, dan is dat een zeker teeken, dat daar geen edelgesteenten aanwezig zijn.”
„Hoe diep zijn die putten?” vroeg de Waal.
„Dat hangt af van het terrein en van de dikte en het aantal der dekkende lagen, waardoor heen gewerkt moet worden. Ik heb putten gezien, die 20 à 25 voet diep waren. Gemiddeld kun je ze rekenen op 12 à 15 voet.”
„Waaraan herkent men de gronden, waarin diamanten verwacht worden? Men zal toch maar niet op goed geluk af dien moeitevollen arbeid van dat putgraven gaan ondernemen?” vroeg Schlickeisen.
„Waarachtig niet. In de diamantdistrikten heeft men daartoe „malim’s” (gidsen, loodsen). Deze gaan tegen zonsondergang, van drie à vier man vergezeld, door de bosschen en wildernissen dwalen. Alvorens den tocht te ondernemen, hebben zij zich met een zekere tooverolie, „minjakh tjelang boemi”, een vette, vertikale streep tusschen de beide oogen tot over het neusbeen getrokken. De malim beweert dat die olie hem het vermogen schenkt de verborgenheden van het binnenste der aarde te kunnen aanschouwen.”
„Ik wou dat ik van die olie had,” mompelde de Waal.
„Ook zou de malim boven den grond, waaronder diamanten bedolven liggen, een lichtenden glans zien als van een glimworm, groot of klein naarmate van de grootte der steenen daardoor aangeduid.”
„Hoe gaat dat diamantzoeken in zijn werk?” vroeg Wienersdorf.
„Wanneer de put gegraven en de bedoelde roode kleilaag bereikt is, dan wordt die zuiver en netjes uitgestoken en de klei in een met boomschors afgeperkt vierkant verzameld, waarna, wanneer van die klei een genoegzame hoeveelheid bijeengebracht is, zij in de nabijheid van stroomend water gedragen wordt om uitgewasschen te worden.”
„Zeker in een doelang, zooals wij bij het goudzoeken bezigen?”
„Neen, waarachtig niet, maar in een legèh, hetwelk een soort van mand is, die de gedaante heeft van een halven cilinder, maar zoo fijn van bamboereepjes en gespleten rottan gevlochten is, dat het kleinste steentje er niet door kan. Alleen de klei wordt onder een voortdurend kneden en wasschen door het water als in suspensie opgenomen en medegevoerd. De achtergebleven kiezeltjes en gruis worden nog eens gezeefd en later met de hand gelijkmatig in de legèh uitgestreken in een zeer dunne laag en dan met de meeste zorgvuldigheid uitgezocht. Dikwijls wordt de legèh geledigd zonder dat er een steentje in gevonden is nog zoo klein. Gij ziet dat het geen gemakkelijk werk is, in ieder geval geen, waarmede wij ons bezig zouden kunnen houden, al kwamen wij ook door streken, alwaar dit edelgesteente aangetroffen wordt.”
„Dat ’s verd... jammer!” pruttelde La Cueille. „Een vondst van vijf millioen hollandsche guldens zou wel wat inspanning waard zijn.”
„Ja zeker, maar steenen van vijf millioen vind je zoo maar niet. Het is lang geleden toen die steen uit den schoot der aarde voor den dag gehaald werd. Ik meen dat dat in 1690 of 1695 gebeurd is; dus zoo wat een en drie kwart eeuw geleden. Sedert is er geen enkele meer van die taille gevonden. Zelfs zijn er geleerden en ambtenaren, die beweren dat die geheele Danau Redjo niet bestaat en dat het eenvoudig een prachtige djakoet is, die vertoond wordt. Maar laat zien, wat staat er van dien diamant in jou smerig boek?”
Johannes nam het manuscript over en las. Toen hij die diamantbeschrijving ten einde had, bladerde hij in dat boek, hetwelk zijn belangstelling opwekte. Eindelijk zocht hij naar den naam van den schrijver of van den bezitter; maar te vergeefs.
„Wat drommel, hoe kom je aan dat vod?” vroeg hij eindelijk aan den Waal.
La Cueille verhaalde nu, dat hij dat boek van Harimaoung Boekit met eenige andere ontvangen had, om patroonhulzen te maken. De Poenan werd ondervraagd en deze verhaalde na eenig bedenken, dat hij bij een koppensnellerstocht op het grondgebied der Penheng’s, een stam, welke aan de Pendeh, een soengei westelijk van de boven Doesson stroomende, woont, dat boek had buitgemaakt. Hij vertelde, dat er toen vele prenten in waren (waarschijnlijk schetsen en teekeningen); maar die waren er door de kinderen uitgescheurd.
Bij nader onderzoek meende Johannes te ontdekken, dat op de bladzijde wit papier, welke den omslag aan de binnenzijde bekleedde, eenig schrift te bespeuren was. Hij zocht die bladzijde zachtjes los te maken, hetgeen gemakkelijk geschiedde, daar het kleefmiddel door vocht en tijd verteerd, krachteloos geworden was. Toen hij den omslag behoorlijk gereinigd had, las hij met ontzetting het navolgende:
„Heden zijn al mijne reismakkers geslacht. Morgen is het mijne beurt. God zij mijne ziel genadig.
G. M.”
Peinzend bekeek Johannes die twee hoofdletters, die daar nog duidelijk gegrift stonden.
„Sakkerloot!” riep hij eensklaps uit, „zou dat het dagboek van Georg Müller zijn, het dagboek van den geleerde, die meer dan vijf en dertig jaar geleden hier in de binnenlanden vermoord werd? Dat zou een vondst zijn! O! ongetwijfeld is het dat.”
Harimaoung Boekit stormde zijn woning in en kwam weldra met een rozenkrans van bekkeneelen naar buiten. Een daarvan toonde hij aan de Europeanen, hetwelk, door den gelaatshoek niet te miskennen, ontwijfelbaar aan een individu van het Kaukasische ras behoord had.
„Bij dat boek gevonden,” grijnsde de Poenan.
Met aandoening beschouwden onze avonturiers dat grijnzende doodshoofd, hetwelk ongetwijfeld eenmaal de zetel van de verstandelijke vermogens van den wakkeren reiziger geweest was, die der wetenschap ten offer onder de handen van sluipmoordenaars gevallen was. Zij trachtten van het Poenanhoofd nog bijzonderheden te vernemen, maar deze verklaarde er niets meer van te weten, dan dat bij dien sneltocht al de Penhengs, welke hij met de zijnen overvallen had, gedood waren. Een oude vrouw, destijds als frissche jonge vrouw tot buit der overwinnaars medegenomen, leefde nog. Zij was evenwel kindsch geworden en, toen ons viertal haar ondervroeg en haar op dien schedel en dat boek wees, was er niets uit te krijgen dan de volzin: „olo bapoeti bahalap” (een mooie blanke).
Schlickeisen en Wienersdorf vereenigden hun smeekingen, om Harimaoung Boekit te bewegen, hun dat bekkeneel af te staan; maar al hun pogingen leden schipbreuk. Het bezit van den schedel eens blanken was den Poenan te onwaardeerbaar; hij snoerde zijn rozenkrans behoedzaam te samen en droeg hem binnenshuis. Johannes pakte evenwel het dagboek zorgvuldig in en beveiligde het voor meerdere beschadiging.
Zoo langzamerhand waren de dagen verstreken, die Wienersdorf nog van zijn huwelijk scheidden. Blaakte hij van ongeduld, om in het bezit zijner lieftallige en aangebeden Hamadoe te geraken, Johannes van zijn kant was niet minder ongeduldig, om de reis te kunnen voortzetten.
Eindelijk was de dag van volle maan daar, de dag waarop het huwelijk zou voltrokken worden. Al heel vroeg in de weer, hadden Dalim en Johannes den bruidegom kant en klaar voor de plechtigheid gemaakt. Volgens Dajaksch gebruik had hij eerst in de rivier een bad moeten nemen, waarna hij door zijn makkers met katitingverf geboend en gewreven en eindelijk met „boengkang”, het vet eener zwarte kat, ingesmeerd werd, zoodat zijn huid glom als een pas gepoetste uniformknoop. De nagels aan handen en voeten werden hem verguld en op het voorhoofd werden hem een paar dikke roode strepen geschilderd, welke als twee vurige wenkbrauwen boven zijn van nature bruine dienst deden. Hij werd met een „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels, gekleed en op zijn hoofd een mutsje van apenvel geplaatst, waarop twee sierlijke staartveeren van den neushoornvogel prijkten. De ewah, die hem om de lendenen geslagen werd, was uiterst fijn van boombast geklopt en mocht een prachtstuk in zijn soort genoemd worden. Daarover gespte hem Dalim den eigen staatsiemandauw van Harimaoung Boekit, waaraan tallooze vlokken van menschenhaar bengelden, ten bewijze dat dat wapen menigmaal zijn bloedig werk had verricht. Den bruidegom werd nu nog een schild in de hand gegeven, waarop een afzichtelijke krokodil geschilderd was, waarmede zijn dosch voltooid was.
„Cré matin!” riep La Cueille bewonderend uit, „wat ben je mooi! Als mevrouw Wienersdorf nu niet voor je wegloopt, dan begrijp ik er niets van. Ik wou, dat ik je op de kermis te Jupille had. Met zoo’n wildeman zou geld te verdienen zijn.”
De speculatiegeest begon waarachtig in den Waal te varen.
Maar nauwelijks was Wienersdorf getooid, toen drie afgevaardigden, bloedverwanten van de bruid, verschenen, om hem ernstig af te vragen, of hij tot de voltrekking van het huwelijk gereed was?
„Dat kun je begrijpen!” riep La Cueille, „de vent kookt van ongeduld.”
Na dat bevestigend antwoord ontvingen de afgezanten ieder een geschenk in stofgoud van den bruidegom, ter waarde ongeveer van vijf gulden, en vergezelde deze hen naar de woning der bruid. Zijn makkers met Dalim en nog eenige Djankangers volgden hem in plechtigen optocht.
In een loods voor het huis van Harimaoung Boekit vond de trouwlustige de geheele bevolking van kotta Rangan Hanoengoh bij elkander. Ja, meer dan dat; velen waren van kotta Ohas en van kotta Behio voor die plechtigheid overgekomen. Meer dan duizend zielen waren daar bij elkander. De bruid, met haar lang zijden baatje en haar saloi met gouddraad doorweven, zedig gekleed, zat tusschen een twintigtal harer speelnootjes, die zonder blikken of blozen, met het bovenlijf bloot, zich te midden dier menigte bewogen. Allen, bruid en bruidsmeisjes, hadden den weelderigen haarwrong met melatiebloemen versierd.
Zoodra de bruidegom binnengeleid was, stond Amai Kotong, de oudste in jaren van het gezelschap, op en sprak plechtig een invocatie uit, waarbij hij Mahatara en al de Sangiang’s, maar vooral Kadjanka, den goddelijken beheerscher der maan aanriep en hen smeekte het verliefde paar voor alle rampen en ongelukken te behoeden. Hij somde daarbij met luider stem al de bezittingen van de beide aanstaanden op, maar overdreef bij het maken van dien huwelijksinventaris als naar gewoonte niet weinig, omdat volgens de meening der Dajaks de godheid en de bovenaardsche wezens meer belang in een rijken dan in een armen drommel stellen. Vervolgens vermengde hij in een aarden pot het bloed van een buffel, van een kip, van een woudduif en van een varken, en bezwoer de Sangiangs bij dat mengsel eenig bloed van hun karbouwen, van hun kippen, van hun duiven en van hun varkens te voegen.
Om meer kracht aan dat bezweringsformulier bij te zetten, werd het door al de aanwezige Balians, vier-en-tachtig in getal, met vreeselijk misbaar en onder luid getrommel op haar katambong’s herhaald.
Nadat Amai Kotong zich van zijn taak gekweten had, traden achtervolgens de zes oudste mannen voor en herhaalden die invocatie, voor welke handeling zij ieder van de bruid een schatting in stofgoud ter waarde van ƒ 5.10 ontvingen.
Vervolgens moesten Hamadoe en Wienersdorf op een garantong (metalen bekken) tegenover elkander plaats nemen. De bruidegom moest zich toen het bovenlijf ontblooten. Gelukkig dat hij straks met katiting gebronsd was, anders ware door de menigte ontdekt, dat hij een bleekhuid was. Amai Kotong was Hamadoe behulpzaam, om ook bij haar die ontblooting te verrichten. De lieve bruid bloosde onder den blik van zoovele oogen, die op haar gericht waren, maar vooral onder dien van haar bruidegom, dien zij toen wel had willen ontwijken. Daarop trad Amai Kotong met den pot met bloed in de hand vooruit, stak de twee voorste vingers en den duim der rechterhand in het mengsel en besmeerde nu, terwijl hij de Sangiangs smeekte het jonge paar met een talrijke nakomelingschap te zegenen, het voorhoofd, de schouders, de polsgewrichten, de maagholte en den navel van bruid en bruidegom, in welke plechtige handeling hij opgevolgd werd door de andere zes oudsten.
Toen die besmering afgeloopen was, deelde Wienersdorf geschenken aan de bloedverwanten zijner bruid uit, waarmede de eigenlijke trouwplechtigheden afgeloopen waren. Harimaoung Boekit kreeg een mooi baatje van rood laken met breed vergulden kraag, Amai Kotong en de overigen een fraaie ewah. En nu ging de juichende menigte tot het bruiloft vieren over en aan het smullen, waarbij het bleek, dat het Poenanhoofd de zaken ter eere van zijn zuster en van zijn bloedbroeder Dohong zeer royaal getrakteerd had.
Toen bij het vallen van den avond de gemoederen, ten gevolge van het ruime gebruik van toeak, opgewonden geraakten, en de feestvreugde zich juichend en luide betuigde, wenkte Wienersdorf schier onmerkbaar zijn vrouwtje en wilde zich met haar zachtkens verwijderen. O! tegen het heengaan der bruid, daar was niets tegen; die werd door een viertal bestjes naar haar vertrek begeleid, waar zij onder die liefelijke bewaking den nacht slapeloos moest doorbrengen uit vrees voor onheilspellende droomen. Maar toen Wienersdorf haar wilde volgen, werd hij door Harimaoung Boekit, door Amai Kotong en, toen hij zich niet gewillig onderwierp, door al de overige Dajaks tegengehouden. In geen geval, zoo eischten ’s lands gebruiken, mochten de jonggehuwden elkander thans ontmoeten. Ook mocht de bruidegom niet slapen uit vrees voor nare droomgezichten. Er bleef voor hem niets anders over, dan den nacht onder het genot van een toeakje met de feestvierende vrienden door te brengen.
„Diable!” schaterde La Cueille, „une drôle de nuit nuptiale.”
De bruidegom deed of hij dien uitroep niet verstaan had.
Maar zoodra de zonneschijf zich den volgenden morgen aan de kim vertoonde, werd de jonggehuwde vrouw door haar speelnootjes afgehaald. Zij moest toen met haar echtgenoot in een djoekoeng stijgen en met hun beidjes een eind uit den wal roeien. Ter bestemder plaatse in het midden der rivier gekomen, gaf Hamadoe plotseling een schommelende beweging aan het lichte vaartuig, waardoor het omkantelde. Wienersdorf was geen koen zwemmer, zoodat die plotselinge indompeling hem verraste en hij aanvankelijk naar de diepte zonk. Maar zijn lieve wederhelft greep hem bij de hand, hielp hem en bracht hem behouden aan wal. Daar strooiden de gillende Balians eenige rijstkorrels op beider hoofd en brachten een levende kip er bij; toen deze die korrels gretig oppikte, ging er een gejuich van de vergaderde menigte op; want nu was het bewijs geleverd, dat alle ongeluk bezworen en verjaagd was. De bruiloftsgasten keerden na het verorberen van nog een toeakje naar hun huis terug en lieten de jonggehuwden aan hun overpeinzingen over.
Het huwelijk was nu wel voltrokken, maar gedurende de eerste zeven dagen daarna mochten de jonggehuwden zich aan niemand vertoonen en waren verplicht, afgezonderd van de geheele wereld te leven. Toen evenwel die zeven dagen om waren, werd er andermaal bruiloft gevierd, waarbij nu de makkers van Wienersdorf, zijn bloedverwanten vertegenwoordigende, de honneurs waarnamen. De drie Europeanen met Dalim en eenige Djankangers gingen in plechtigen optocht de jonggehuwden afhalen en geleidden hen naar eene groote ruime loods, daartoe expresselijk op het binnenplein der kotta gebouwd. Daar werden toen dezelfde ceremoniën herhaald als vroeger. Alleen de bloedbesmering der jonggetrouwden had nu plaats door de huisvrouwen van hen, die zulks bij de eerste feestviering verrichtten. Tot slot der plechtigheid bood Hamadoe met liefelijk gebaar aan Johannes, Schlickeisen en La Cueille, als vertegenwoordigers der bloedverwanten van haar echtgenoot een fraai bewerkte ewah aan.
„Drommels, wat zullen wij er deftig uitzien,” riep de Waal, „wanneer wij als Dajaks gekleed te Singapore zullen rondkuieren.”
XXXIII
Vertrek van kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De Njakatan.—Over land.—Les noms des fous se trouvent partout.—Een nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte.
Dat woord Singapore gaf de ware richting aan den gedachtengang van Johannes, die zich in den laatsten tijd èn door het goudzoeken èn door de bruiloftsvroolijkheid wel wat van zijn doel had laten afleiden. Het huwelijk was nu voltrokken en niets stond het vertrek onzer avonturiers meer in den weg. Twee dagen later was alles gereed en bij het aanbreken van den derden dag bestegen Wienersdorf en zijn echtgenoote, vergezeld van de drie andere Europeanen, van Dalim met zijn makker, van Kwala Kapoeas en van Harimaoung Boekit die, zijn belofte getrouw, met eenige volgelingen de reizigers zou vergezellen, tot hij ze buiten gevaar zou weten; een groote rangkan, die reeds daags te voren met het noodige voor de reis beladen was. Dertig Poenans namen plaats in het vaartuig, om als roeiers, ook om later als vrachtdragers bij den tocht over land dienst te doen. Er waren dus veertig personen in dat vaartuig, hetwelk onder den machtigen aandrang van zoovele pagaaien vooruitschoot en noordwaarts stevende. Zoolang de rangkan zichtbaar bleef, wisselden de opvarenden luide hoera’s met de bewoners van kotta Rangan Hanoengoh, welke laatsten daarenboven uit de zes kanonstukjes, door La Cueille doelmatig op de borstwering geplaatst, een donderend salut gaven, ten bewijze dat de bediening der vuurmonden met beleid onderwezen was en de bedieners hun instructeur alle eer aandeden. De Waal was echter niet tevreden.
„No. 1 van het tweede stuk behandelt zijn wisscher onhandig,” pruttelde hij, „de vent kan het beter; en No. 4 is niet oplettend bij het sluiten van het zundgat, die kerels zullen nog een ongeluk krijgen.”
En zich oprichtende, wilde hij dien bedieningsmanschappen wat toeroepen; maar..... flap! schoot de rangkan achter den eersten hoek en was de kotta voor het oog der vertrekkenden verdwenen.
Nu ging de reis de soengei Miri op, die nog gedurende twee dagen opgevaren kon worden. Maar toen werd die rivier zoo onbeduidend door haar geringe watercapaciteit, dat gedurende de laatste uren met de grootste moeite voortgesjouwd werd. Eindelijk bij het vallen van den avond op den tweeden dag, bereikte men een plek, Njakatan [142] genaamd, alwaar aangelegd werd; verder kon ook onmogelijk gevaren worden, dewijl de Miri daar ter plaatse een vervaarlijke Kiham met groot verval vormde, waartegen wegens gebrek aan water niet op te werken was. Daar werd ontscheept en het bivouak betrokken, terwijl verder alles in gereedheid gebracht werd, om des anderen daags de reis te vervolgen.
„Zullen wij geen Otts te zien krijgen?” vroeg Schlickeisen aan Harimaoung Boekit, „wij zijn toch op hun grondgebied?”
„Ja dat zijn we; maar het is te hopen, dat wij van bezoek verschoond zullen blijven,” was het antwoord. „Hen zien staat gelijk met een gevecht op leven en dood. Zeker hebben zij ons ontwaard en worden wij door hen gadegeslagen; maar ik ben bij hen bekend en nimmer heb ik eenige vijandelijkheid van hen ondervonden.”
„Het zal toch zaak zijn waakzaam te zijn,” was de meening van Johannes, die het geheele troepje in twee deelen verdeelde, waarvan ieder op zijn beurt den wachtdienst zou verrichten.
De nacht ging evenwel ongestoord voorbij. Toen de dag aangebroken was, namen de Poenans hun manden op den rug, waarin de proviand en de munitie der reizigers geborgen waren. Ook de vier Europeanen hadden een dergelijk draagmiddel, wat hun niet vreemd voorkwam, daar zij aan het torschen van den militairen ransel gewoon waren. Maar in hun mandjes waren, behalve een redelijke voorraad geweerpatronen, hun schatten aan stofgoud en batoe boehie geborgen, zoodat zij vrij wel bepakt konden heeten. Ook de lieve Hamadoe had haar draagmandje gepakt gehad met haar vrouwelijke benoodigdheden; maar toen zij het opnemen wilde, was het leeg. Wienersdorf had die vracht overgenomen en in zijn draagmand geborgen. Het vrouwtje wilde protesteeren; maar haar echtgenoot sloot haar de bekoorlijke lippen met een kus, een soort van smeekbede, aan welke gewelddadigheid het schoone geslacht zich gaarne onderwerpt. Welgemoed grepen de Europeanen nu hun stokken van ijzerhout, die, wij weten het, ook met stofgoud gevuld waren, hingen hun geweren met den cordonriem over den schouder en aanvaardden den tocht. Een paar Poenans brachten den rangkan in een soort van kleine baai langs den oever en legden hem daar vast.
„Zult gij dien terug vinden?” vroeg Wienersdorf aan zijn zwager.
„Zeker; diefstal is hier onbekend. Het eenige, waarop ik te passen heb, is op mijn kop.”
Al dadelijk merkten de Zwitsers op, dat de hoofdrichting genomen werd naar een vrij hoogen bergtop, die in het noordwesten zichtbaar was. Zij vernamen, dat die berg Boekit Doesson heette. Het was geen bergrug, dien men naderde; het was veeleer een hoogvlakte, die langzaam oprees en waarop de bergtoppen,—en er waren er vele—die met haar het centraal gebergte des eilands vormden, zich afzonderlijk en gescheiden verhieven. Het pad, indien het spoor, hetwelk door menschelijke voeten te midden dier weelderige vegetatie spaarzaam was achtergelaten, dien naam mocht voeren, was niet moeielijk; het slingerde tusschen de zachtglooiende heuvelen door, en vereischte slechts inspanning, wanneer beken moesten overgetrokken worden, die meerendeels in den leemachtigen bovengrond diep ingesneden waren en over rotsbeddingen schuimend en bruisend voortsnelden. Gewoonlijk werd dan de gelegenheid benut, om een verfrisschend bad te nemen in het kristallijne vocht, hetwelk niet veel omslag eischte van die spaarzaam gekleede reizigers en derhalve slechts weinig oponthoud veroorzaakte. Voorzichtige waakzaamheid werd evenwel bij die verfrisschingen noodig geacht, zoodat slechts de helft der mannelijke reizenden zich te water mocht begeven en de andere helft met de wapens in de hand zorgvuldig uitkeek. Niets verdachts werd evenwel waargenomen; geen menschelijk wezen werd ontwaard, geen kampong, geen woning, noch iets wat daar maar op geleek. Men kon wanen, zich op een geheel onbewoond eiland te bevinden.
Bij een der halten echter zouden de reizigers ervaren, dat zij niet onbespied bleven. Een prachtige boom, in de nabijheid staande, had de belangstellende opmerkzaamheid van Wienersdorf tot zich getrokken. Hij was er naar toe getreden en bewonderde dien prachtigen ijzerhoutboom, die recht als een kaars zijn heerlijke kruin van breed gebladerte op ruim veertig meter boven den bodem verhief. Een paar naden, die zich vertikaal op den stam vertoonden en door een paar horizontale gesneden werden, deden hem vermoeden, dat de bast daar ter plaatse te eeniger tijd beleedigd was, en hij kon de gedachte niet verwerpen, dat dit door menschenhanden uitgevoerd was. Daarenboven kwam het hem voor, alsof de bast in het gevormde vak van jongeren datum was dan de overige, alsof zij zich daar ter plaatse vernieuwd had. Hij stond daar nog een oogenblik te turen, toen hij zijn poeai greep en een kolossale W in dat vak begon te snijden. Hij was daar druk mede bezig en dacht reeds de beginletter zijner Hamadoe daarbij te voegen en het geheel in een vlammend hart te besluiten, toen een fluitend geluid hem deed opzien en hij een pijltje zag, hetwelk tusschen zijn hoofd en hand doorgevlogen, trillend in den stam bleef zitten. Met een kreet van schrik draaide de Zwitser zich om, legde bliksemsnel zijn geweer, hetwelk hij in de linkerhand gehouden had, aan in de richting, waar hij meende achter eenige struiken iets zich te zien bewegen, en loste zijn schot. Op die losbarsting ijlden zijne makkers toe, aan wien hij het pijltje toonde, hetwelk nog in de bast zat. Hamadoe viel hem snikkend om den hals en omstrengelde hem met hare schoone armen als om hem te beschermen, terwijl de Europeanen het geweer in den aanslag brachten, om het terrein door een flink geweervuur te zuiveren. Maar Harimaoung Boekit weerhield hen met een gebaar, zette zijn stem uit en schreeuwde eenige woorden, die luid weerklonken. De woorden, die hij uitgalmde, verstonden de Europeanen niet, zij werden gegild in een dialekt, hetwelk met het Dajaksch weinig overeenkomst had. Na een poos in alle stilte gewacht te hebben; waarbij de Poenan de wenkbrauwen begon te fronsen, klonken eenige krijschende klanken tot antwoord terug. Het gelaat van Harimaoung Boekit helderde nu op; hij verzekerde dat zijn reisgenooten niets meer te duchten hadden; het waren Ott Njawong’s, die hier huisden en met dien stam was hij bevriend; maar hij eischte dat de boom, waarin Wienersdorf begonnen was zijn naam te snijden, verder ongedeerd zou worden gelaten.
„Wat bliksem,” knorde La Cueille, „wat ’n idée, om hier in de wildernis zijn naam te gaan snijden! Les noms des fous se trouvent partout.”
„Wat is er dan met dien boom?” vroeg Wienersdorf, zonder op de boutade van den Waal te letten.
„Wel, in dien boom hebben de Otts een hunner natuurgenooten begraven,” lichtte Dalim toe. „Zij verbranden hun lijken, wikkelen de asch en de half verkoolde beenderen in een „kakandi” (lijkdoek), maken een gat in een zwaren ijzerhoutboom zooals dezen en stoppen dat pakje daarin. De opening wordt verder met hars en katipei [143] gedicht en met mos overdekt. De heelende natuur herstelt in weinig tijds de schors; zelfs de naden, die gij nu nog ontwaart, verdwijnen langzamerhand en er komt een oogenblik, dat alleen het alziend oog des Scheppers kan ontwaren, dat die prachtvolle boom met zijn slanken stam en breede kruin tot levend graf eens menschen strekt.”
„Een nieuw model kerkhof,” grinnikte de Waal.
„Een model, dat evenwel geen aanbeveling tot navolging verdient,” lachte Johannes. „De meubelmakers zouden er gewis op tegen hebben. Verbeeldt je, dat, bij het bewerken van een meubelstuk, onverwachts de zaag of de schaaf op eenig hard voorwerp knarste en bij onderzoek een paar tibia’s, een rif, een grijnzende schedel enz. te voorschijn kwamen. De sukkels zouden het zeker besterven.”
Tegen het einde van den tweeden dag waren de reizigers tot aan den voet van den Boekit Doesson genaderd. Het Poenanhoofd was voornemens den volgenden morgen dien berg te bestijgen, dien onze Zwitsers met geoefend oog op ongeveer 5000 voet boven het tafelvlak, waarop hij zich verhief, schatten. Zijn top stak naar hun berekening omstreeks 7500 à 8000 voet boven de oppervlakte der zee uit. Het doel van die bestijging was, om het omliggend terrein te kunnen overzien; want hoewel Harimaoung Boekit hier niet totaal vreemd was, wenschte hij toch eenige verkenningspunten op te doen, waarop hij zijn marsch kon regelen. Een dwaling hier in deze onmetelijke bosschen kon de noodlottigste gevolgen na zich slepen. Aanvankelijk wilde de Poenan de bestijging alleen met een paar volgelingen volvoeren en de overige reizigers aan den voet des bergs gebivouakeerd achterlaten; maar de beide Zwitsers, als echte Alpenzonen, waren niet te houden; zij moesten en zouden mede. Ook La Cueille en Johannes gaven den wensch te kennen, van de partij te mogen zijn, zoodat eindelijk besloten werd het geheele gezelschap aan die bestijging deel te laten nemen.
Den volgenden morgen werd al heel vroeg de tocht aanvaard. Aanvankelijk voerde de weg door zware bamboebosschen, doorweven en soms afgewisseld met lianen, rottan en andere slingergewassen, die het hoog geboomte allerwege overdekten en een schier onuitwarbaar net vormden, hetwelk het voortgaan zeer bemoeielijkte. Maar hoe hooger de reizigers stegen, hoe meer die wilde vegetatie verarmde en eindelijk geheel verdween. Zij trokken nu bosschen door van ijzerhoutboomen, van ngiatoe merah [144], van bangkirei [145], van rassamala [146], van kadjatouw- en lontar-palmen, die plaatsvervangers van den sagopalm in de wildernis, allen hoogstammige woudreuzen, welker dicht op elkander gedrongen kruinen het ontstaan en het bestaan van anderen plantengroei daaronder en daartusschen, wegens gebrek aan lucht en licht, bijna onmogelijk maken. Daarop volgde een zone, waarin slechts weinig hoogstammig geboomte, eenige weinige Casuarinen voorkwamen, maar die daarentegen bedekt was met een kort struikgewas, door de Poenans „rhoenmèta” [147] geheeten, hetwelk, thans in zijn bloeitijd, die geheele strook der berghelling met een zacht rood overtoog en den verrukten Zwitsers den fraaien tooi der Alpenrozen herinnerde.
Het was omstreeks half elf, toen het gezelschap den breeden, zacht gewelfden top, dat kenmerk van bijna alle bergen van Borneo’s centraal hoogland, bereikte. Er zou daar een paar uur gerust worden, en terwijl Harimaoung Boekit zijn verkenningen deed, liet Hamadoe zich door een paar Poenans helpen, om het eenvoudige maal gereed te maken. Het gros evenwel der inboorlingen verspreidde zich op den top, om „rajoh”, een fijne mossoort, te zoeken, welke spaarzaam op het hooggebergte voorkomt en door den Dajak als een gelukaanbrengende talisman beschouwd en daarom verzameld wordt.
De Europeanen vonden het vergezicht, hetwelk zij genoten, fraai; maar toch gevoelden zich de Zwitsers, die wellicht van gletschers, sneeuwvelden of machtige rotspartijen gedroomd hadden, eenigermate teleurgesteld. Evenwel waren zij opgetogen over het panorama, hetwelk zich aan hun voeten ontrolde. Hier waren het minder de bergpartijen, dan wel het overzicht over die prachtige keerkringsvegetatie, waarboven zij als het ware zweefden, welke hun bewondering opwekte. Middelerwijl mompelde Johannes, minder dichterlijk van natuur, terwijl hij in zijn zakboekje eenige aanteekeningen maakte:
„Het is heden de zeventigste dag, sedert wij Kwala Kapoeas verlaten hebben.”
„Al zoo lang?” vroeg La Cueille; „wij hebben het fort op 10 Januari verlaten, niet waar?”
„Juist, en wij hebben heden 21 Maart; dat maakt op den kop af zeventig dagen.”
„21 Maart?” vroeg Wienersdorf, door dien datum getroffen. „Wel dan staat heden de zon in den Ram, of vlak boven den evenaar. Wacht eens, een eenvoudig middel om te weten te komen, op welke breedte wij zijn.”
En een fraaien, jongen en rechten ceder van ongeveer acht meter lengte snijdende, ontdeed hij dien van zijn takken en naalden en plantte hem op een kale plek zoo rechtstandig mogelijk, greep daarop zijn boussole en constateerde dat het korte eindje schaduw, hetwelk de stok, door de zon beschenen, nog wierp, zuiver van oost naar west wees.
„Miswijzing bestaat in deze streken niet,” mompelde de Zwitser. „Maar.... dat zou toch toevallig wezen! Wellicht is er lokale attractie in het spel, die de naald doet afwijken? Dat zal zich gauw uitwijzen.”
„Wat mopper je toch?” vroeg La Cueille.
„Straks,” was het lakonieke antwoord van Wienersdorf.
En hij ging voort al zijn aandacht te wijden aan de schaduw, die de geplante staak nog steeds wierp. Die kortte steeds al meer en meer in, totdat zij geheel verdwenen was. Gedurende een oogenblik was geen schaduw hoegenaamd te bespeuren.
„Middag!” riep de Zwitser. „Ik heb de eer de heeren op den evenaar te feliciteeren.”
Schlickeisen snelde toe. Waarachtig er was geen schaduw meer te bekennen. De top van den staak was dunner dan het beneden eind en zijn zijden waren geheel en al door het zonlicht verlicht. De Boekit-Doesson lag dus vlak onder de evennachtslijn.
„Dus ik zit met mijn.... hoe zal ik het noemen? nu ja, met mijn zitvlak op de linie?” vroeg La Cueille.
„Jij zit met je zitvlak op de linie, die eer heb je.”
„Jongens! als wij aan boord waren, dan was er feest, dan kwam Neptunus en dan zou een oorlam niet uitblijven.”
„Welnu,” zei Johannes, „die zul je nu ook hebben. Wij zullen met een hartigen teug afscheid van het zuidelijk halfrond nemen.”
En opspringende haalde hij uit een der mandjes twee vierkante flesschen, echte A.V.H., die hij onder de aanwezigen leegschonk. De Poenans lieten zich het verleidelijke vocht goed smaken en paarden hun gillend lēēēēh lĕlĕlĕlĕ ouiit! aan het hoerageschreeuw der Europeanen, die elkander de hand drukten en geluk wenschten, dat hun desertie tot zoo ver goed gelukt was.
„Wij zijn er nog niet,” was de pessimistische meening van Johannes, „maar het zwaarste is toch achter den rug.”
Wienersdorf vatte de hand van Hamadoe en wees haar naar het noorden. De lieftallige jonge vrouw sloeg haar fraaien arm om den hals van haar echtgenoot en lispelde aan zijn oor, dat zij hem volgen zou, waarheen hij ook trok.
Na het eenvoudige maal verorberd te hebben, daalden de reizigers den Boekit Doesson af, zetten den tocht voort en betrokken bij het vallen van den avond het bivouak aan de boorden eener beek, die haar wateren niet meer zuidwaarts stuwde; maar, aan de andere zijde der waterscheiding gelegen, een schatplichtige soengei der Melahoei-rivier was, welke laatste westwaarts stroomt, zich bij Sintang met de Kapoeas Bohang vereenigt en op Borneo’s westkust in zee uitwatert. De reizigers hadden dus het watergebied van de Javazee verlaten en waren dat van de Chineesche zee ingetrokken.
Daags daarna werd de reis vervolgd. Gedurende drie dagen werd ijverig gemarcheerd en, hoewel het pad heuvel op heuvel af voerde en menige moeielijkheid te overwinnen was, hield Wienersdorf’s vrouwtje zich nog het best van allen. Zuchtten de mannen al eens en mompelden zij al een enkelen keer over vermoeidheid, geen klacht ontsnapte haar; integendeel zij bleef vroolijk en opgeruimd, had voor allen een vriendelijken blik en een hartelijk woord over en, wanneer het bivouak betrokken was en de mannen hun ledematen op het gras uitstrekten, dan was zij nog bedrijvig om het eenvoudige maal gereed te maken en strekte haar opgeruimdheid en van tijd tot tijd een heldere schaterlach van haar lippen tot opbeuring van de vermoeiden en de afgematten.
Ook nu werd bij het betrekken van het bivouak de stiptste waakzaamheid in acht genomen en was steeds de helft der reizigers wakker en met de wapens in de hand gereed om geweld met geweld te keeren. Maar juist ten gevolge van die waakzaamheid gingen de nachten, die zij in het sombere woud doorbrachten, ongestoord voorbij.
Van den Boekit Doesson af geleidde Harimaoung Boekit de reizigers in nagenoeg westelijke richting, waarbij hij den top van den Boekit Lientang, die boven de hem omringende heuvelen hoog uitstak, als een onfeilbaar baken in het oog hield, totdat de soengei Malahoei bereikt werd. Men trok die rivier over op een vlot, hetwelk door de Poenans in alle haast van een groot aantal bamboestaken, die daar ter plaatse in overvloed groeiden, vervaardigd werd. Toen die overtocht volbracht was, werd de marschrichting, nagenoeg noord ten westen genomen en bereikten de reizigers bij het vallen van den avond een paar hutten, die bij een waterval, Kiham Toeak, genaamd aan de soengei Nanga Boenoet gelegen waren. Harimaoung Boekit was daar geen vreemdeling; zelfs stond hij met de bewoners op den meest vriendschappelijken voet. Hij trad een dier hutten binnen en slaagde er in voor een paar thaëls stofgoud een rangkan aan te schaffen, ruim genoeg om het geheele reisgezelschap op te nemen.
Den volgenden morgen werd de reis voortgezet en ging het in ijlende vaart de soengei Nanga Boenoet stroomaf. Er waren verscheiden kiham’s af te dalen; maar voor mannen als onze Poenans had dat weinig te beduiden. Wanneer het vaartuig zulk een stroomversnelling naderde, verdubbelden de roeiers hun krachtsinspanning, daartoe door hem, die den stuurpagaai in handen hield, met luid gegil aangezet. Allen zelfs Hamadoe namen dan den beseai ter hand, en de rangkan stoof met duizelingwekkende snelheid vooruit, schoot de hellende watervlakte af, danste op de hobbelende golven, splitste onweerstaanbaar het schuim, schuurde schier rakelings langs de rotsen, maar kwam behouden beneden in meer stil water aan, om na een oogenblik uitblazens van de roeiers de vaart te vervolgen. In de oevertaluds dier soengei waren op verscheiden plaatsen steenkolenbeddingen zichtbaar, die in rijkdom voor die van kotta Djangkang niet schenen onder te doen. Maar de pijlsnelle vaart ontnam La Cueille de gelegenheid een onderzoek naar de kwaliteit in te stellen.
Het was bijkans avond, toen de reizigers de kampong Nanga Boenoet, aan de uitwatering van die soengei in de Kapoeas Bohong gelegen, passeerden. Daar laatstgenoemde stroom, een paar honderd el breed, de vaart hoegenaamd geen moeielijkheden in den weg legde en de nacht buitengewoon helder en het weder zeer kalm was, werd er besloten de reis gedurende de nachtelijke uren voort te zetten.
Toen de dageraad in het oosten begon te gloren, bevonden de reizigers zich voor de monding der Blitang en voeren die in. De soengei Blitang vormt met de soengei Labojan een toegangskanaal tot Danau Loewar, het grootste van een groep meren, welke zich aan den voet van het Batang Loepar gebergte uitstrekken. De vaart op de Blitang was zeer voorspoedig niettegenstaande de stroom, dien men te overwinnen had, sterk was. Onze reizigers overnachtten in de nabijheid van kotta Nanga Strong, een kleine Dajaksche nederzetting aan de samenvloeiing van de Blitang met de Labojan gelegen. Den volgenden morgen al heel vroeg stevende de rangkan het meer Loewar in, alwaar een geheele bevolking met de vischvangst bezig was. In dat meer komt een visch, „lawang” genaamd, overvloedig voor, die ongeveer 7 d.M. lang wordt, een gladde glibberige huid zonder schubben heeft en gewapend is met drie flinke stekels, een op den rug en een bij ieder der kieuwen. Het vleesch van dien visch is zeer zacht en flauw, schier oneetbaar. Hij wordt echter in groote menigte gevangen alleen ter wille van de kuit, die gezouten en gerookt een groote handelswaarde heeft.
De visschers, in hun bedrijf verdiept, lieten onze reizigers ongemoeid en deze laatsten stevenden naar den noordelijken oever van het meer, alwaar de ontscheping zou plaats hebben om dan de reis verder te vervolgen. Toen de rangkan zich in het midden van het meer bevond, konden de opvarenden een blik werpen op het gebergte, hetwelk den horizon in het noorden begrensde.
„Daar! daarover!!” riep Johannes, „dan zijn wij vrij!”
Met aandoening keken de Europeanen dien bergketen aan, die zich als een donkerblauwe band op het lichte azuur des hemels afteekende. Een oogenblik antwoordde niemand hunner. Het was alsof al het leed en de gevaren, die zij getrotseerd hadden, om zoover te geraken, die mannen voor de oogen zweefden, zoo stemmig keken zij, terwijl zij de stilte niet verbraken. Eindelijk vroeg Schlickeisen:
„Hoe heet die bergketen?”
„Het Batang Loepar gebergte,” antwoordde Johannes.
„Hoe hoog wordt het geschat?”
„De hoogste toppen worden door Engelsche berichtgevers op 6 à 7000 voet berekend.”
„Dat zal een klim zijn,” meende La Cueille.
„Toch niet. De meerspiegel bevindt zich allicht op een paar duizend voet; die hebben wij al niet meer te klimmen. Daarbij zullen wij nu wel niet juist over de hoogste toppen moeten en zal zich wel een dwarsdal voor ons openen, om ons toegang tot het beloofde land te geven.”
„Hebben wij nog een groot traject af te leggen, wanneer wij daar boven zijn?” vroeg La Cueille.
„Om te Jupille te komen? Ja, dat is nog een heel eindje,” lachte Johannes.
„Neen domkop, om de boorden der zee te bereiken?” antwoordde de Waal gebelgd.
„Daar weet ik niet veel van; ik ben hier nimmer geweest.”
Die vraag aan Harimaoung voorgelegd, leidde ook tot geen oplossing. Het Poenanhoofd lachte, schudde met het hoofd en bij zijn onvermogen om zich van afstanden een begrip te maken bleef het daarbij.
„Wat ziet het water van het meer er zwart uit, het is of wij op inkt varen,” was de opmerking van Schlickeisen.
„Ja, die kleur heb ik al op de Blitang opgemerkt,” antwoordde Wienersdorf. „Maar hier op het meer vind ik, dat dit somber getinte water juist in een omlijsting als deze past. Aanschouwt dien zwarten spiegel, die zich achter ons eindeloos ver uitstrekt en onder de zonnestralen als een onmetelijke oppervlakte van git glinstert, terwijl voor ons het donkergroene loof van het hoogwoud, dat de hellingen van het gebergte bedekt, daarbij scherp afsteekt en de trapsgewijze overgangen van de zachtste tot de stoutste en de steilste vormen van dien bergwand te helderder doet uitkomen en zoo een afwisseling vormt van het liefelijke en het verhevene, zooals nauwelijks eenig ander punt op den aardbol, zoo nauw vereenigd, kan aanbieden.”
De Zwitsers zaten in volle bewondering. Als een prachtige schilderij, door een geniale meesterhand ontworpen, ontrolde zich voor hun oogen een berglandschap, dat met onweerstaanbare kracht hun gedachten naar den geliefden geboortegrond terugvoerde. Waren de wateren van het meer helder, doorschijnend en kleurloos of lichtblauw getint geweest, waren de berghellingen en rotspartijen bedekt en bekroond geweest met slanke dennen, in groepen geschaard of wel afzonderlijk staande, had zich hier en daar een kerktorentje of een witgepleisterde villa tusschen het groen der wouden vertoond, dan ware de begoocheling volkomen geweest, dan hadden de Alpenzonen daar te midden van Borneo kunnen wanen op het Bodenmeer te dobberen. Op het punt, waar zij zich met hun rangkan bevonden, was de overeenkomst verrassend en riepen zij juichend uit, dat zij de omstreken van Lindau herkenden. In het zuiden en zuidwesten strekte zich de heerlijke waterspiegel eindeloos ver uit; in het westen was het Tomodok gebergte zichtbaar; in het noorden verhief zich trapsgewijze het Batang Loepar gebergte, terwijl zich in het noord-oosten de piramiden en massieve rotsblokken van het Sareboe Saratoes gebergte opstapelden, waarachter de hoogere toppen van het Medai gebergte kwamen uitkijken, en dit laatste op den achtergrond bekroond werd door een hel lichtenden top, die onder de keerkringszon als vloeibaar zilver blonk, de Japoh Poerau, bij de Engelschen Boekit Tebong geheeten.
„Ein Firn!” juichten de Zwitsers, in hun landstaal, terwijl zij elkander den glinsterenden top aanwezen.
„Hebben wij dien te beklimmen?” vroegen zij met een zucht van heimwee.
Harimaoung Boekit schudde ontkennend het hoofd en wees naar het noorden heen. Zij zouden dus dien sneeuwtop rechts laten liggen. Dat was een teleurstelling, maar waaraan niets te veranderen viel.
Het was ongeveer middag, toen de reizigers den noordelijken oever van het meer bereikten. Onmiddellijk werden de draagmandjes opgenomen om de reis te voet te vervolgen.
„De plus fou en plus fou” mompelde La Cueille, toen hij het gekibbel waarnam van Wienersdorf met Hamadoe, welke laatste er nu op stond, om haar gedeelte van de te vervoeren vracht te dragen, maar welken eisch haar echtgenoot slechts met een kus op de malsche lippen beantwoordde. De Waal voelde zich buiten staat tot zoo’n liefdesvervoering en zoo’n opoffering en was in zijn hart blij, dat zijn vrijerij met Moendoet afgesprongen was.
„Ik zou haar pakje ook hebben moeten dragen,” gromde hij met een grijns, „en ik heb waarachtig aan het mijne genoeg.”
Nadat de rangkan behoorlijk langs den oever onder eenige afhangende struiken verborgen was, waar Harimaoung Boekit hem later hoopte terug te vinden, om bij den terugtocht te gebruiken, ging het moedig voorwaarts.
Aanvankelijk leidde het pad door een moerassige streek, die het meer omzoomde, maar na een marsch van een half uur was die doorgeworsteld en begonnen de eerste terreinhellingen zich voor te doen. Het pad was vrij goed; men kon zien, dat hierlangs een druk verkeer plaats had, hoewel noch woning noch sterveling ontwaard werden. Ons reisgezelschap stapte flink voort en vorderde zoo goed, dat, toen de avond begon te vallen, het hoogste punt van den zadelrug van het Batang Loepar gebergte bereikt was. Daar werd in het lommer van het hooggeboomte het bivouak betrokken en sliep het reisgezelschap weldra onder de hoede der wachthebbenden rustig in.
XXXIV
De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—Te Koetshing.—Aan boord van de „Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.
Na het ontwaken en toen de nachtnevelen door de eerste zonnestralen weggeveegd waren, ontrolde zich een wonderschoon schouwspel voor de oogen onzer reizigers. De zuidelijke helling van het gebergte, hetwelk zij den vorigen dag beklommen hadden, was met hoogwoud bedekt, waardoor ieder vergezicht verhinderd was geweest. De zadelrug, waarop zij overnacht hadden, was ook nog overdekt met prachtexemplaren van de flora der intertropische hoogzone. Maar toen zij den rand der noordelijke helling naderden, was het alsof de rijke plantenwereld, die hen tot hier begeleid had, plotseling verdween, om slechts een woest door elkander geworpen natuur te vertoonen.
Ja, woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heen dringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruisen, maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend. Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem en zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den Zwitsers een Alpenweide met haar dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte:
„Een park aangelegd in den verheven scheppingsstijl!”
Bij het betreden van een dier oasen, ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand neerstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken de Zwitsers naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand als een kristallen straal den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop hij met donderend geweld in schuim en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteenspatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden, om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwegen door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hun haren, op hun huid, op de schamele kleeding, die hen bedekte, hechtten zich de fijne waterdruppels en schitterden daar, ieder op zichzelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.
„Schoon! wonderschoon!” fluisterde de jonge vrouw. „Zijn in uw land ook zulke tooneelen te vinden?”
„Zeker is het schoon, mijn dierbare,” antwoordde haar echtgenoot. „Maar Zwitserland zal u niet minder aanbieden. Om niet van den Rijnval te Laufen te spreken, zullen de Giessbach bij het Brienzermeer, de Staubbach in het Lauterbronnendal en meer andere u even grootsche tooneelen, zoo niet grootschere laten zien.”
„Waar de blanken zich vermaken met zoo’n waterval op te verven, niet waar?” sprak Johannes gemelijk.
„Wat bedoel je met je opverven?” vroeg Schlickeisen.
„Heb ik niet ergens gelezen, dat de natuur in ulieder vaderland te arm bevonden werd, zoodat er nog wat bengaalsch vuur bij moest om zoo’n waterval wat op te poetsen?”
„Ja, bij den Giessbach gebeurt dat; maar wanneer je ooit in Europa komt en in Zwitserland mocht verzeild raken, ga dan den val van die beek bij avond bewonderen en offer een zestal francs op om hem verlicht te zien.”
„Ik zal er wel voor passen,” sprak Johannes met ietwat verontwaardiging in zijn stem.
„He! waarom zul-je daarvoor passen?”
„Omdat de natuur in mijn oog te verheven is, om haar door een narrenkleed, een hansworstenpak te ontheiligen. De Europeanen—vergeeft mij de uitspraak—zijn en blijven narren overal. Ik herinner mij dat ergens op Java bij den intocht van den Gouverneur-Generaal al de stammen der prachtige kanarieboomen, die aan weerszijden van den weg, dezen tot een verrukkelijk lommerrijke laan maakten, tot anderhalve manshoogte helder wit gekalkt en met een rood randje versierd waren. Zoo iets kan slechts in het brein van een volbloed Europeaan opkomen. Er moet steeds zoo iets van een lappendeken bij zijn. Gekalkte boomstammen en bloed- roode watervallen! God betere ’t!.... Maar, om tot een ander onderwerp over te gaan, laten wij, terwijl wij vol bewondering voor dezen waterval staan, elkander de hand drukken en geluk wenschen.”
„Gaarne,” lachte La Cueille, „ik houd van geluk wenschen, omdat dan een oorlam niet ver af is.”
Johannes sprong op een der draagmandjes toe, greep een paar vierkante flesschen, echt merk A.V.H., schonk ieder der aanwezigen een flinken teug in, verhief daarna zijn klapperdop en sprak:
„Mannen! broeders! Heden ochtend hebben wij den zadelrug van het Batang Loepar gebergte overschreden. De kam van dat gebergte maakt de grens uit tusschen het Nederlandsche grondgebied en Sarawak. Die grens zijn wij overgetrokken en we bevinden ons thans op het gebied van Radja James Brooke. Mij dunkt dat het wel een gelukwensch waard is. De meeste en grootste gevaren liggen even als die grens achter ons. Weinige dagreizen scheiden ons nog slechts van de zee en, vergeleken met hetgeen wij doorworsteld hebben, is het afteleggen traject als kinderwerk te beschouwen. Broeders! ik drink op Radja James Brooke, die zoo ter rechter tijd op de onherbergzaamste kust van geheel Borneo een rijk heeft gesticht, als het ware om ons na zoo’n tocht op te nemen en in veiligheid te brengen. Hip! hip!! hoera!!!”
„Hip! hip!! hoera!!!” antwoordden de overige Europeanen.
„Lēēēh lĕlĕlĕlĕlĕ ouiiiiit!!!” gilden de Poenans.
De reizigers lieten nu de oogen weiden over de vlakte, die zich aan hun voeten uitspreidde. Hoe woest ook de hellingen aan deze zijde van het Batang Loepar gebergte waren, daar beneden strekte zich een tapijt uit van het weligste groen. Te midden van dat tapijt ontrolde zich een zilveren lint, hetwelk nagenoeg van zuid naar noord slingerde. Harimaoung Boekit verklaarde den vrienden, dat het de soengei Oendoep was. Hij wees hun op een punt aan den horizon, dat helder wit op het liefelijke groen uitblonk. Wienersdorf greep zijn kijker:
„Het zijn witte Europeesche gebouwen!” riep hij met van aandoening trillende stem.
„Goddank!” riep Schlickeisen.
„Bénie soit la très Sainte Vierge de Jupille,” mompelde La Cueille zeer devoot, terwijl hij zijn hoofddoek afnam.
„Ja, het zijn gebouwen, behoorlijk gewit,” ging Wienersdorf aandachtig kijkende voort. „Als ik wel onderscheid, ligt daar een fort. Het schijnt een vierkante, gebastionneerde redoute te zijn. Ik zie zelfs den vlaggestok. Maar die vlag? Slap en bewegingloos hangt zij langs de lijn. Zij schijnt.... maar ah! daar ontplooit haar een windje. Een veld van goud, waarop een rechtstandig kruis, hetwelk de geheele baan in vier vakken verdeelt. De opstand van het kruis is half rood en half zwart, en de eene kruisarm vertoont deze, de andere gene kleur.”
„Dat is waarschijnlijk de Sarawaksche vlag,” sprak Johannes.
„Die plaats heet Simangang,” lichtte Harimaoung Boekit toe.
De reizigers waren nu snel beneden aan den voet van de bergketen en vóórdat de zon ten ondergang neigde, waren zij bij het Sarawaksche fort aangekomen. Aanvankelijk liep de bezetting te wapen, toen ons troepje reizigers verscheen, maar Schlickeisen, die uitmuntend Engelsch sprak, trad alleen vooruit. Toen de assistent-resident tevens militaire kommandant vernam, dat vier Europeanen tot dat troepje behoorden, dat dit vier soldaten waren, die van de Hollanders weggeloopen waren, krulden zich zijn lippen tot een glimlach. Dat „the damned Dutchman” een kool gestoofd was, bracht Mr. Spencer in een buitengewoon goede luim. Hij trad naar buiten, monsterde het troepje en stond genadig toe, dat de Europeanen hun intrek in het fort namen. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zouden evenwel buiten moeten blijven.
„Gij treft het bijzonder,” betuigde de Engelschman; „morgen ochtend vertrekt de „Firefly” naar Koetshing; met die kunt gij de reis medemaken. Daar zult gij wel een vaartuig aantreffen om u naar Singapore te brengen.”
De Europeanen dankten innig voor deze gunst. Zij verkozen evenwel den nacht buiten het fort door te brengen. Het zouden de laatste uren zijn, die zij in gezelschap van het brave Poenanhoofd zouden doorbrengen. Hij zou zijn vrienden aan boord zien stappen, om onmiddellijk daarna den terugtocht naar soengei Miri te ondernemen.
Onder opgeruimd gekout, soms afgewisseld door een weemoedige stemming bij de gedachte aan de naderende scheiding, ging de nacht voorbij. Bij het aanbreken van den dag brachten de Europeanen hun draagmandjes, waarin hun schatten verborgen waren, aan boord van de „Firefly”. Harimaoung Boekit vergezelde hen tot op het dek. Toen het laatste gegil van de stoomfluit weerklonken had, greep hij zijn zuster om den hals en keek haar aandachtig in de oogen, alsof hij zich haar beeld in de ziel wilde griffen; terwijl heete tranen hem langs de wangen biggelden. Onstuimig klemde hij haar eindelijk aan zijn borst, greep toen de hand van Wienersdorf en bracht die aan de lippen.
„Paharingkoe Dohong” (mijn broeder Dohong) sprak hij snikkend. Dat waren de eenige woorden, die hij in zijn ontroering vermocht uit te brengen.
Nog een getjingel van de bel, nog een gegil van de stoomfluit, toen rukte hij zich los uit de omarming van Hamadoe, drukte de vier vrienden nogmaals de hand en sprong aan wal. De loopplank was reeds ingetrokken, de raderen volbrachten hun omwentelingen en weldra was er een klove tusschen zuster en broeder, een klove die met iedere seconde in uitgebreidheid toenam, totdat beider beeld zich in den morgennevel oploste en zij onzichtbaar voor elkander waren. Hamadoe wischte zich toen een traan van de frissche wang, sloeg haar arm om den hals van Wienersdorf en lispelde:
„Nu zijt gij mijn alles!”
Een hartelijke omhelzing beantwoordde haar omstrengeling en de innigheid daarvan overtuigde haar, dat de man, voor wien zij alles op aarde verliet, haar niet minder liefhad dan zij hem.
„Wat zag het er smerig uit in dat fort,” zeide La Cueille, toen het viertal bij elkander een kringetje op het dek gevormd had. „Ik heb gisteren daar eens in rondgewandeld; maar foei, wat ’n vieze boel.”
„Je kondt wel zien, dat de schrobbende, poetsende, wrijvende en boenende Hollanders daar niet huishouden. Ik heb daar ook rondgewandeld en ziet hier, wat ik opgemerkt heb. Het fortje te Simangang, welks borstwering, zooals gij hebt kunnen zien, uit ijzerhouten palissaden bestaat, is bewapend met vier gladziels kanonnen van 6 ℔, geplaatst op rolpaarden; oude vuile dingen, die daar als bangmakers staan en waarvan bij aanranding meer gevaar dan heil voor de bezetting te verwachten zoude zijn. Het garnizoen, geheel uit Dajaks bestaande, is 35 man sterk, die evenwel met de Sniderkarabijn, een uitmuntend achterlaadgeweer, gewapend zijn. Er is maar één Europeaan in het fort, de assistent-resident. Dat is een burger, wien tevens het kommando over het fort is opgedragen.”
„Het is wat moois,” grinnikte La Cueille, „een politiek! wat zullen die soldaatjes zich lekker gevoelen en wat zal er voor hen gezorgd worden.”
„Zwijg kerel; dat je die lui hier aan boord niet hooren, maar het is ellendig. Om zoo’n zwartrok eenigszins in staat te stellen een niet al te mal figuur te slaan tegenover zijn manschappen, is hem een instructie uitgereikt onder den officieelen naam van: „hints to young out-station officers from the rajah.” Een curieus stuk, waarin op eigenaardige wijze den pseudo-officier zijn verplichtingen zijn voorgehouden. Zoo wordt er o.a. in voorgeschreven, dat om zich te overtuigen of de wapens in orde zijn, hij den vinger in de geweerloopen moet brengen, ten einde te zien of die ook beroest zijn. Ook dat het beste en zekerste bewijs van een goede waakzaamheid is het hooren van den stap van den schildwacht.”
„Kom laat naar je kijken,” lachte de Waal, „dat weten de korporaals van de plattelands garde civique in mijn land nog voor zij hun kemelsharen galons verwerven.”
„Wel mogelijk, maar dat moet aan de Sarawaksche dienstdoende officieren schriftelijk gegeven worden, anders weten zij het niet. Dat is nu eenmaal zoo. Ik vernam verder, dat in Sarawak veertien van die fortjes bestaan, waarvan het meerendeel slechts door een dozijn soldaten bezet zijn. Simangang als grenspost eischt evenwel een sterker garnizoen.”
„Twaalf Dajaks onder bevel van een stalen pen, duizend duivels! zoo’n fort moet onneembaar zijn.”
„Dat Simangang is prachtig gelegen,” sprak Schlickeisen, „het is een wel uitgekozen punt aan de samenvloeiing van twee rivieren. Hoe heeten die?”
„De hoofdstroom heet Batang Loepar.”
„Maar zoo heet het gebergte, waarover wij getrokken zijn.”
„En zoo heet ook de stroom, die aan den voet van dat gebergte ontspringt. Het is een prachtig vaarwater bijna aan een zeearm gelijk. De rivier, die zich tegenover het fort Simangang in de Batang Loepar ontlast, heet soengei Sakarang.”
De „Firefly” was een flinke raderboot, die zich op dien fraaien breeden stroom snel en sierlijk bewoog. Bij het vallen van den avond had zij de monding bereikt en konden de reizigers zich in den aanblik der zee verlustigen. De steven werd nu westwaarts gewend en nog voor dat de dag aanbrak, was zij de monding van de soengei Moratabas, een tak van de Sarawak-rivier, binnengestevend. Een paar uur later lag zij voor Koetshing, de hoofdplaats van het Sarawaksche rijk ten anker. Radja James Brooke ontving onze reizigers welwillend en hoorde het verhaal hunner wederwaardigheden met de meest onverdeelde belangstelling aan. Onverholen bewonderde hij hun stoutmoedigheid, hun geestkracht en doortastendheid, maar ook onbewimpeld veroordeelde hij de volvoerde desertie, die hij als „faithlessness” trouwbreuk tegenover het gouvernement, waarmede een verband was aangegaan, brandmerkte. Toch kon hij niet over zich verkrijgen de mannen, die zoo’n tocht volvoerd hadden, die zooveel geleden en ondervonden, die alles gewaagd hadden om hun vrijheid terug te krijgen, aan de Nederlandsche autoriteiten uit te leveren.
Twee dagen later vertrok de „Rainbow”, een elegant schroefscheepje als bark getuigd, naar Singapore en scheepten onze reizigers zich daarop in. De Europeanen hadden zich het verblijf te Koetshing ten nutte gemaakt en alle pogingen aangewend, hun huid met veel zeep van haar katitingverf te ontdoen, hetgeen niet geheel en al gelukte. De bronskleur, die hen zoolang beschermd had, liet zich zoo maar niet verwijderen en zij bleven uitzien als Indo-Europeanen, d.w.z. als individuën van gemengd ras. Zij moesten het aan den tijd overlaten om hun huid op te bleeken.
„Crétonnerre!” pruttelde La Cueille, „niemand zal mij te Jupille herkennen.”
„Dat zal razend jammer zijn,” lachte Johannes, „maar laat je bamboemesje van soengei Naning zien, ik verwed, dat je dan toch de opmerkzaamheid van al de Walinnetjes van het geheele Luikerland tot je trekt.”
Allen lachten, alleen de Waal bewaarde verontwaardigd zijn ernst.
„Maak je maar niet ongerust,” ging de spotter voort, „je hebt nog wel een paar maanden voor den boeg, alvorens te Jupille aan te komen. Gebruik je nu vlijtig eau de Javelle, dan zul je wel voldoende gebleekt zijn, om er weer uit te zien als een jodenpaaschkoek. En mocht er nog een spoor van de katiting overgebleven zijn, dan zal dat bij de Walenmaagden wel door den inhoud van je wandelstok vergoed worden.”
„Te drommel ja,” lachte Schlickeisen, „weinig reizigers kunnen zich beroemen, met zulke kostbare stokken te huis te komen.”
Het viertal had ook getracht zich van fatsoenlijke kleeding te voorzien. Wel zijn de modemagazijnen te Koetshing met een lantaarn te zoeken; toch slaagden zij naar wensch en konden de ewah en de „klambi” (baadje) die hen tot heden gedekt hadden, tegen een matrozen zondagspak verwisselen. Hamadoe had zich onder de leiding van haar echtgenoot en van Johannes eenige sierlijke sarongs en witte kabaai’s aangeschaft en zag er, daarin getooid, allerliefst uit. Ook Dalim en zijn makker van Kwala Kapoeas hadden zich getransformeerd en prijkten nu in de smaakvolle kleederdracht van de bemiddelde Maleiers. Allen zagen er dus bij het aan boord stappen zeer deftig uit en onmogelijk kon men hen aanzien, dat zij ongeveer drie maanden in Borneo’s wildernissen hadden rondgezworven.
De „Rainbow,” te Glasgow gebouwd, was een wakker scheepje, dat den postdienst tusschen Sarawak en Singapore volvoerde. Denzelfden dag van vertrek liep het vaartuig bij kalm en helder weder dicht onder de rotsen van Tandjoeng Datoe en kon ons viertal nog een laatsten blik werpen op het eiland, dat zij van zuid naar noord doorgetrokken en alwaar zij in zulke zonderlinge toestanden verkeerd hadden. Allen keken met aandoening naar die kaap, niet het minst de jonge vrouw, die met verkropte droefheid nog een tip van het land harer geboorte daar voorbijschuiven, langzaam op den achtergrond treden en eindelijk aan den gezichteinder verdwijnen zag.
„Naughe,” lispelde zij, „ajoeë Mahatara mangkilak.” (Het zij hoe het zij, het is Gods begeerte). Zij wendde den blik van den horizon af, waar haar oog nog lang had getracht Poeloe Kalimantan te ontwaren en zocht toen troost bij haar gemaal.
Drie etmalen later liet de „Rainbow” het anker op de reede van Singapore vallen. De ontscheping was ras geschied. Het eerste bezoek, dat de deserteurs in die wereldstad brachten, was bij den Nederlandschen consul. De veroordeeling door Radja Brooke over hun desertie uitgesproken, had voornamelijk de Zwitsers diep getroffen. Zij wilden weten, welke uitgaven de Nederlandsche staat voor hun aanwerving als soldaat gedaan had. Toen zij dat vernomen hadden, deponeerde ieder hunner bij den consul voor een waarde van duizend gulden aan stofgoud, om die onkosten te vergoeden en om voor den nog te verloopen diensttijd van hun verband een plaatsvervanger aan te werven. Ook verzochten zij dien consul, een fraaien veldkijker en dito boussole met twee keurig bewerkte Remmingtongeweren, die zij hem ter hand stelden, te willen toezenden aan den kommandeerenden officier van Kwala Kapoeas, wiens naam zij hem duidelijk opgaven. Zij erkenden gaarne, dat zij door de instrumenten en wapenen van den luitenant mede te nemen, zich aan de eerlijkheid, vergrepen hadden. De consul, door die gedragingen getroffen, voelde zooveel sympathie voor die mannen, dat hij zich gaarne te hunner beschikking stelde, om hen in hun moeilijken toestand te helpen. Door zijn tusschenkomst maakten zij hun stofgoud en hun bezoarsteenen op de meest voordeelige wijze te gelde en bevonden dat, na Dalim en zijn makker rijkelijk beloond te hebben, ieders deel ruim 25,000 gulden bedroeg, die de consul gedeeltelijk in sovereigns en gedeeltelijk in wissels aan de beide Zwitsers en aan den Waal uitbetaalde. Johannes, die zich te Singapore wilde vestigen, zou voor en na over zijn deel beschikken.
De consul ging in zijn edelmoedige bemoeiingen nog verder. Hij schreef naar Batavia en verkreeg, nadat bij het Indische leger vier plaatsvervangers voor de gedeserteerden gesteld waren, hun papieren en behoorlijk ontslag uit den militairen dienst. Dat had evenwel tijd gekost, maar gedurende de drie maanden, die daarmede gemoeid waren, had hij de twee Zwitsers als schrijvers op zijn kantoor gebezigd en La Cueille bij een wapensmid bezorgd, zoodat zij hun brood ruim verdienen konden, zonder hun kapitaal te behoeven aan te raken.
Van dien tusschentijd maakte Wienersdorf gebruik om zijn ega trapsgewijze in het westersche leven in te wijden. Hij was begonnen met haar in een der voornaamste magazijnen in een Europeesche dame te transformeeren. Hij had de zaken goed en met smaak gedaan, zoodat dan ook het lieve vrouwtje in dat nieuwe toilet er allerbetooverendst uitzag. Overigens was zij van nature goed ontwikkeld, zij had de gave van alles goed en vlug in zich op te nemen, zoodat haar vervorming niets geen moeite kostte. Bij gelegenheid dat de dominé van Riouw eens een uitstapje te Singapore maakte, werd deze in den arm genomen, om het paar kerkelijk in te zegenen. Zijn WelEerwaarde liet zich alle omstandigheden van het Dajaksche huwelijk mededeelen en toen hij dat alles vernomen had, aarzelde hij geen oogenblik, maar zegende den band onder zoo vreemde omstandigheden gesloten, in weerwil dat de geboden niet hadden plaats gehad. Stellig beloofde Wienersdorf, dat bij aankomst in Zwitserland hij de verbintenis ook door den landamman zoude laten bekrachtigen.
Eindelijk waren de papieren van Batavia aangekomen en weerhield niets meer onze Europeanen om naar hun vaderland terug te keeren. Alvorens evenwel te vertrekken, brachten de vier lotgenooten een laatste bezoek bij den Nederlandschen consul, die hen zoo ter zijde gestaan had; hartelijk drukten zij hem de hand, en als bewijs hunner erkentelijkheid boden zij hem het dagregister aan, dat La Cueille te kotta Rangan Hanoengoh van Harimaoung Boekit ontvangen had en waarschijnlijk van den in 1825 vermoorden Georg Müller afkomstig was. Getroffen nam de consul dien foliant aan en maakte het voornemen hem aan het museum voor land- en volkenkunde te Batavia aan te bieden.
Daags daarna stonden onze mannen vereenigd op een der steigers van New Harbour, de aanlegplaats der mailstoomers te Singapore. De Hydaspe, mailboot der Fransche messagéries impériales lag met stoom op en tot vertrek gereed. Aandoenlijk was het afscheid, dat Johannes van zijn makkers nam. Hun aller gemoed was te vol om veel woorden te kunnen wisselen. Zwijgend en snikkend drukten zij elkander de hand en de boot was reeds de straat ingestoomd, die Poeloe Pandjang van het eiland van Singapore afscheidt, toen de drie vrienden nog uittuurden en nog meenden in de verte een zakdoek te zien waaien. Met een snik riep Johannes hen na:
„Dat God hen nu verder geleide! het waren flinke ferme kerels!”
De Hydaspe was weldra uit het oog verdwenen en stevende straat Malakka in.
De kommandant van Kwala Kapoeas had na den terugtocht van kotta Djankang geen poging meer aangewend om de deserteurs in handen te krijgen. Toen hij kort daarop met een stoomschip voor die kotta kwam, vernam hij de ware toedracht van het gebeurde, maar ook dat de vogels gevlogen waren. Zeer verbolgen was men te Batavia, evenwel niet zoo zeer over die desertie; maar Secretarie en IIe Afdeeling van het Departement van Oorlog konden niet verkroppen, dat de verantwoording des luitenants sloot als een bus en dat met diens rapporten in de hand geen zondebok was aan te wijzen. Maar.... behelsden die rapporten wel de waarheid, de geheele waarheid, niets dan de waarheid? In die fabrieken van geflatteerde verslagen en rapporten over rustige rust nam men de vrijheid daaraan te twijfelen. Er werd een commissie gezonden met vertoonbare instructie, om de toedracht van het gebeurde tot klaarheid te brengen; maar met geheime opdracht om stipt na te gaan of des luitenants handelingen geen aanleiding tot die desertie gegeven hadden. De commissarissen, volijverige landsdienaren, namen hun taak volgens die geheime opdracht op en ondervroegen iedereen tot den bijkok toe, of ook de kommandant soms bij de een of andere gelegenheid redenen tot ontevredenheid had gegeven. Toen die bijkok, een rechte snaak, daarop antwoordde, dat niet de kommandant, maar wel het hongerlijderstarief tot gepruttel en wrevel en wellicht ook tot die desertie aanleiding hadden gegeven, werd eerst die uitdrukking uiterst gekuischt geverbaliseerd; maar daar zij niet geheel weg te moffelen was, werd de geheele arbeid van die commissie in den doofpot gestopt. De IIe Afdeeling van het Departement van Oorlog en de Secretarie waren troosteloos.
Geen zondebok! Zoo iets was nog nooit voorgekomen.
Wat zullen ze in den Haag wel zeggen?!!
Eens toen de chef van gemelde afdeeling met een gouvernements-sekretaris over die zaak van gedachten wisselde, kreeg hij een lumineus idée.
„In het jaar 1800.... laat zien,.... zeven?... neen, acht en vijftig werd een kapitein der infanterie gestraft met veertien dagen provoost en overplaatsing, omdat bij het doen van reglementair voorgeschreven saluutschoten op ’s Konings verjaardag een paar manschappen der bediening door het ontijdig afgaan van het stuk ernstig gekwetst werden. Die manschappen werden voor den dienst afgekeurd en een jaar na het gebeurde werd op dien kapitein ook nog verhaald de geldelijke schade aan het rijk door het ontijdig pensionneeren van de gekwetsten berokkend. Het bedrag dier schade werd jaarlijks van zijn traktement gekort.”
„Drommels! drie straffen voor één feit, dat was ook geen vriendje.”
„Dat tot daar aan toe, maar dat kan als antecedent dienen.”
„Ja, daar zijt gij sterk in bij uw departement. Het antecedentensysteem spaart de moeite van te denken uit.”
„Om het even; thans kan het goeden dienst presteeren. Die olijkert daar in de Dajaklanden, die de brutaliteit heeft om te bewijzen, dat hij geen schuld aan het geval heeft en daarenboven de onbeschaamdheid ontwikkelt bij die bewijsvoering een dosis talent voor den dag te brengen, moet op zijn voorman gezet worden. Waar zou anders het prestige der bureaux blijven? Door die desertie is het rijk schade berokkend; schuld of geen schuld, die moet hij vergoeden.”
De legerbevelhebber diende overeenkomstig dit schitterend denkbeeld een voorstel in om den kommandant van Kwala Kapoeas te belasten met een som van 4000 gulden, zijnde het vermoedelijk bedrag van hetgeen die vier deserteurs aan den staat gekost hadden, na aftrek van een redelijk tantum voor de diensten, welke zij Nederland bewezen hadden. Hoewel niemand dan de strafrechter boeten en alleen de rekenkamer vergoedingen opleggen kan, was toch reeds het betrekkelijk besluit geschreven ter Secretarie en zou naar Buitenzorg opgezonden worden, om met de handteekening van den Gouverneur Generaal te worden bekrachtigd, toen van den consul te Singapore een even groote som ontvangen werd om voor de deserteurs plaatsvervangers te stellen. Dat was te erg; dat bracht den geheelen kladwinkel van Batavia in de war.
„Die kerel is met den helm geboren, geloof ik,” werd op zekere kamer van het paleis te Weltevreden gemompeld; „maar.... hij is nog geen kapitein, daar kan ik hem een briefje van geven. Die desertie zal later nog wel dienst doen.”
Een vriendenhand schreef het gansche verloop en den geheelen snooden toeleg naar Kwala Kapoeas. De luitenant legde des avonds toen zij bij elkaar zaten den dokter dat geschrift voor. Toen de esculaap het geheele relaas van den consul te Singapore gelezen had, barstte hij uit:
„Brave Kerle!!”
En meteen vloog hij het vertrek uit, maar kwam een oogenblik daarna weer binnengestoven met een flesch echte Veuve Cliquot in de hand. Zenuwachtig liet hij de kurk knallen, de glazen waren ras gevuld.
„Ik thrink, ik thrink op de wohlgeschlaagde.....”
De luitenant vloog op, hield den medicinae doctor de hand op den mond:
„Je drinkt op de eindbeschikking der Voorzienigheid, die mij voor de betaling van vierduizend pop behoed heeft. Drommels mijn waarde mof, ik beken dat is een dronk waard. Ik dank je van harte. Kijk daar ga je.”
De dokter keek den officier een oogenblik wezenloos aan. Eindelijk scheen hij te begrijpen. Hij bracht het glas aan den mond, maar toch kon de onverbeterlijke Germaan niet weerhouden uit te roepen, alvorens hij dronk:
„Salamat djalang!” (Geluk op hun reis.)
EINDE.
BORNEO VAN ZUID NAAR NOORD.
BORNEO VAN ZUID NAAR NOORD. Ethnografische roman, door M. T. H. Perelaer, gep. hoofdofficier van het Ned.-Ind. leger, gewezen gezaghebber in de Dajaklanden. Rotterdam, Uitgevers-Maatschappij „Elzevier”, 1881. 2 deelen. Prijs ƒ 8,25.
Ieder die bekend is met de vroegere geschriften van den Heer Perelaer, zal met genoegen hebben vernomen dat er weder een nieuw werk van hem ter perse lag, en met verlangen hebben uitgezien naar het oogenblik waarin het zou verschijnen. Ook ons is het zóó gegaan. Reeds voor jaren hadden wij in De Militaire Spectator hulde gebracht aan des Schrijvers letterkundige verdiensten en niet zonder ingenomenheid namen wij zijn Borneo van Zuid naar Noord ter hand. Wij moesten al dadelijk erkennen dat zijn talent intusschen nog was gerezen en dat hij nog meer dan weleer er aanspraak op mocht maken te behooren tot de uitstekende stilisten, tot de opgewekte, boeiende en vloeiende schrijvers. Maar wij kwamen ook tot een opmerking die ons de taak die wij hier volbrengen—en die op verzoek der redactie van De Militaire Spectator werd aanvaard—minder welgevallig maakte. De Heer P., vroeger steeds welwillend oordeelende en bezadigd gispende, is, tot ons leedwezen bitter geworden, en hartstocht schijnt nu en dan zijne pen te hebben bestuurd. Hij is daardoor niet immer onpartijdig en, maar al te vaak, historisch onnauwkeurig. Wij betreuren dit, dewijl het niet aangenaam is een schrijver te moeten weerleggen, die overigens in onze sympathie deelt, maar vooral dewijl dwalingen, verkondigd in voortreffelijk geschreven boeken, nog meer dan anders ingang vinden.
De Heer P. was geruimen tijd gezaghebber in de Dajak-streken en heeft zich de gelegenheid hem geschonken, uitnemend ten nutte gemaakt tot het verkrijgen eener breede kennis van land en volk. Zijne Ethnographische beschrijving der Dajaks en zijne Wandeling door de benting Kwala Kapoeas, (zie Mil. Spect. 1864) getuigen daarvan. Hij is alles behalve een oppervlakkig waarnemer geweest. Hij vergenoegde zich niet met het onthouden of opteekenen van wat hij zag en vernam, maar hij deed ook onderzoek naar oorzaak en gevolg, en naar het verband dat kon bestaan tusschen verschillende handelingen of gebruiken. Hij verzekert u niet alleen dat iets zóó is, maar zegt u ook doorgaans waarom het zóó is en niet anders. Het land is even goed door hem bestudeerd als het volk; hij heeft het beschouwd met een open oog voor zijne schoonheden en met een kennersblik voor zijne rijkdommen. De werken van den Heer P. zijn naar onze meening nog altijd de beste bronnen ter verkrijging van kennis aangaande de Dajaks en hun land. De veel besproken reis van Carl Bock door Oost- en Zuid-Borneo moge onze aardrijkskundige kennis van die oorden eenigszins hebben vermeerderd maar, in hetgeen er tot nog toe van bekend werd, vonden wij weinig voedsel voor onze ethnografische weetlust. Carl Bock heeft veel gezien, maar Perelaer heeft veel gezien en veel onderzocht.
Dat zulk een Schr. ten volle bevoegd is zijne landgenooten, op een andere dan de gestreng beschrijvende wijze, bekend te maken met het schoone, rijke en uitgestrekte Borneo, een land dat voor zoo velen hunner nog een terra ignota is, zal men geredelijk toegeven. Hij heeft het gedaan door het verhalen van een verdichte gebeurtenis die zoodanig is ingekleed dat zij hem gelegenheid schonk op onderhoudenden en vaak wegslependen toon, aan zijne lezers mede te deelen wat hij meende hen te moeten doen weten. Wij gelooven dat hij uitstekend is geslaagd. De dajaksche toestanden waarmede hij ons bekend maakt, zijn fiksch geteekend en levendig, natuurlijk gekleurd; de overtuiging waarmede de Schr. spreekt en de consequentie waarmede hij, over het algemeen, zijne opvatting van het dajaksche karakter volhoudt, pleiten voor de typische echtheid van hetgeen zijne tafereelen ons geven te zien. Hoe geweldig, hoe gruwelijk die tafereelen soms wezen mogen, zij trekken ons aan want men gevoelt dat zij waar kunnen zijn.
Hij die bekend wil worden met den veelzijdigen en onschatbaren rijkdom van het reusachtige eiland Borneo, kan hier zijn weetlust evenzeer ten volle bevredigen. Wij hopen dat Perelaer’s boek er toe zal bijdragen, de aandacht der Nederlanders meer op die onwaardeerbare bezitting te vestigen. Wakkere, ondernemende mannen kunnen daar grootsche dingen tot stand brengen, niet alleen in hun eigen belang maar ook in het belang van het vaderland en van de menschheid in ’t algemeen. De gruwelen waarvan de binnenlanden van Borneo nog maar al te zeer het tooneel zijn, zullen moeilijk door geweld alléén kunnen worden onderdrukt. De wel langzame maar toch zekere hand der beschaving zal hier krachtig moeten helpen. Nederland is begiftigd met schier onmetelijke overzeesche bezittingen, met bezittingen veel te uitgebreid dan dat ze naar eisch kunnen worden geëxploiteerd—in den goeden zin—door een volk dat nauw vier millioen zielen telt. Maar een vorig geslacht heeft, door het aanvaarden en zich doen waarborgen dier bezittingen, tegenover het politieke statenverband der beschaafde wereld, nu eenmaal verplichtingen aangegaan die het tegenwoordige zoo maar niet van zich kan afschudden, zonder groote ongelegenheden en internationale verwikkelingen in het leven te roepen. Men zou de stelling kunnen verdedigen dat Nederland niet minder gelukkig en welvarend zou wezen, zonder het bezit van een eiland waar het niet bij machte is te doen wat stipt genomen zou behooren, en wat het zelf ook zoo gaarne zou doen. Men zou nog daarenboven kunnen betoogen dat het onredelijk is, aan een dergelijk bezit te blijven hechten, dewijl men daardoor aan anderen belet het goede te doen, waartoe men zelf niet in staat is. Maar men komt met dit alles geen schrede verder als men niet tevens onweerlegbaar aanwijst, hoe men van zijn bezitting ontslagen kan geraken, op eervolle wijze en zonder zich tal van moeilijkheden op den hals te halen met andere zeevarende en koloniale natiën. Bij eenig nadenken zal men geredelijk inzien dat het weinig baat over kruideniers-wangunst te jammeren, want Nederland kan geen enkele noemenswaardige zijner overzeesche bezittingen eenvoudig van zijne balans afschrijven en ter beschikking laten van het een of ander volk dat er zich mocht willen vestigen. Het zegt dus weinig dat men, gelijk de Heer P. bij herhaling, en vaak niet zonder heftigheid doet, den steen werpt op Nederland dewijl het, naar zijne meening, op Borneo niet genoeg heeft gedaan en niettemin aan anderen wil beletten er misschien meer te doen. Dáárin heeft hij nochtans gelijk dat Nederland niet stil mag zitten en niet mag berusten in den heerschenden toestand. Kloeke en welberaamde ondernemingen van handel, landbouw of nijverheid, te besturen door eerlijke en kundige mannen, moeten worden aangemoedigd en ondersteund, overal waar hun de veiligheid kan worden verzekerd die zij noodig hebben voor hun bedrijf. Hun streven zal heilzaam en krachtig werken, niet alleen ter bevordering van welvaart ginds en in Nederland, maar vooral tot verzachting der zeden en tot het doen ontluiken van beschaving te midden van thans nog woeste horden. Men vergete niet dat ontwikkeling en veredeling der overheerschten het groote zoo niet het eenige doel is, waarmede een beschaafd volk zich in bezittingen als waarvan hier sprake is, mag verheugen.
Alvorens het standpunt te verlaten waarvan wij tot dusverre het boek van den Heer P. hebben beschouwd, rust op ons nog de verplichting des lezers aandacht te vestigen op de vele litterarische schoonheden die het bevat. Des Schrs. meesterschap over de pen openbaart zich vooral bij het bespreken van het verhevene; daarnaast blinkt hij uit in den deftig historischen en den ernstig beschrijvenden stijl, maar wij zouden haast wenschen dat hij niet dan spaarzaam tot den gemeenzamen afdaalde. Het is aan zoo weinigen gegeven den gemeenzamen toon aan te slaan, zonder plat, soms triviaal te worden. Multatuli, wiens geschriften zoo vaak met voorliefde door den Schr. worden genoemd, behoort er toe; hij blijft altijd gekuischt, wie hij ook laat spreken of met wien hij zich ook onderhoudt. Ons hinderde het o.a. dat de commandant der benting Kwala Kapoeas, waar de roman begint, zijn duitschen officier van gezondheid, zoo dikwerf hij vertrouwelijk met hem spreekt, „mijn waarde mof” noemt. Deze aanmerking moest ons van het hart; als wij ons gedrongen zien te bewonderen, doen wij het zoo gaarne onverdeeld, en of hier stof tot bewondering is, moge de lezer beoordeelen uit de volgende beschrijving van een bandjer.
„.....een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dikken wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel.... Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdruppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid, die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig als de stemme Gods, die zij ook was.
„Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voeten hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijk baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer aan aan machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarde zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsblokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des waters medegevoerd; groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.
„Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voor dat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was werd hun bewondering afgeleid. Want alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend; waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte andere, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde om zijne verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind, het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.
„Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, tot dat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die nederdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinig passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.”
Natuurtooneelen worden door den Schr. even meesterlijk geschilderd als natuurverschijnselen. Wij kunnen de verzoeking niet weerstaan ook hiervan het bewijs te leveren.
„Ja woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heendringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruischen, maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend.
„Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem in zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den reizigers een Alpenweide met hare dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte: „Een park aangelegd in den verheven scheppingstijl!”
„Bij het betreden van een dier oasen ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand nederstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken zij naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De Soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop zij met donderend geweld in schuine en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteen spatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwege door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor- of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hunne haren, op hun huid, op de schamele kleeding die hen bedekte, hechtten zich waterdroppels en schitterden daar, ieder op zich zelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.”
De Heer P. heeft zijn boek een ethnografische roman genoemd, juister evenwel ware geweest het een ethnografische historische roman te heeten want er komen vrij wat geschiedkundige bijzonderheden in ter sprake en de verdichte gebeurtenissen worden voorgesteld als in verband te staan met de geschiedenis.
Romanschrijvers hebben zich te allen tijde zoogenaamde dichterlijke vrijheden veroorloofd en ook de Heer P. heeft zich ten deze gansch niet onbetuigd gelaten. Daar het hier een recht geldt door het gebruik gewettigd, vergeven wij hem gaarne tal van onwaarschijnlijkheden en zelfs van onmogelijkheden. Zoodra het nochtans de geschiedenis aangaat mogen wij niet al te toegevend zijn. Wij erkennen dat het weinig schaadt wanneer sommige onbeduidende feiten of toestanden ietwat scheef worden voorgesteld, maar zoodra men uit de geschiedenis ernstige beschuldigingen afleidt tegen nog levende personen of nog bestaande regeeringen dan mag die geschiedenis niet tot een verdichtsel worden vervormd.
Ook mag men eischen dat de individus die de Schr. doet optreden, niet slechts het kleed dragen van den tijd en van het menschenras waartoe zij gezegd worden te behooren, maar ook dat zij daarvan den graad van beschaving en ontwikkeling, den geest, de begrippen en de zienswijzen hebben.
Dit laatste geldt vooral voor een ethnografischen historischen roman. Zulk een roman toch moet dienen om ons op aangename, onderhoudende wijze bekend te maken met een of meer menschenrassen die in een zeker tijdperk leefden, maar het doel wordt niet volkomen bereikt, wanneer men in die rassen moeilijk aan te nemen uitzonderingen laat optreden, zoo niet als verklaarde typen, dan toch als hoofdpersonen. Een Engelschman moet ons in een dergelijken roman doen denken aan het Anglo-Saksische ras in ’t algemeen, een Dajak aan het Dajaksche, en een Sienjoe aan het gemengde Indo-Europeesche. Maar men moet niet van den lezer eischen dat hij, alleen op gezag van den Schr., b.v. uit het beeld van een winderigen franschen kapper een degelijken Brit zal herkennen.
Zoo ontmoeten wij hier een Dajak—Dalim—die genoeg ontwikkeld is om wetenschappelijke verklaringen van natuurverschijnselen, hem door Christen-zendelingen gegeven, te begrijpen, te onthouden en met duidelijkheid weder aan daarmede nog onbekende Europeanen mede te deelen: een Dajak die, zonder dat men van zijn standpunt recht vat waarom en tegen zijn dajak-natuur in, de schoone gelegenheid laat voorbijgaan om vier Europeesche koppen te snellen, of te helpen snellen, die hem en zijne makkers toch, gezwegen van den roem door het feit verworven, ieder ƒ 4000 zouden hebben opgebracht
Ook maken wij te midden der vuile, soms dierlijk barbaarsche Poenan-dajaks, kennis met een schoone aan wie dien naam niet slechts bij wijze van spreken, maar in den volsten, ruimsten, meest aesthetischen zin des woords toekomt; een parel van schoonheid die verstandig is en „wier hart, wier gemoed een diamant van het zuiverste water is, waarvan de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet gevonden werd,” een edelgesteente eindelijk dat slechts weinig behoeft te worden geslepen en gepolijst om al dadelijk een waardige plaats te kunnen innemen te midden der europeesche beschaving.
Het is waar dat de Schr. een inlander gelijk Dalim, moeilijk in zijn verhaal had kunnen ontbeeren en .... ultra posse nemo obligatur; het is ook waar dat andere romanschrijvers even goed vrouwelijke juweelen weten te ontdekken in het stinkende slijk onzer groote steden, als de Heer P. onder „menschen eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; en voor wie anderdeels het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag die ten arbeid voert.” (bladz. 281, 1ste Dl.). Bovendien worden de schaduwzijden van den dajakschen volksaard, zooals men ziet, voldoende onder de aandacht gebracht om vrees voor onjuiste gevolgtrekkingen ijdel te mogen heeten; maar wij hebben nog meer bedenkingen van denzelfden aard aan te voeren.
Het is niet tegen te spreken dat zich in onze Oost-Indische bezittingen langzamerhand heeft gevormd een gemengd Indo-Europeesch ras, een ras van kleurlingen, van Sienjoe’s en Nonna’s dat in Nederland nog weinig meer dan door uiterlijke aanschouwing bekend is. Dit ras heeft zijne eigenaardige hoedanigheden, zijne kenmerkende goede en kwade eigenschappen. Tot nog toe heeft het in Nederland weinig, misschien niet genoeg de aandacht getrokken. Wel leverde het, in roman of novelle nu en dan een zoogenaamd type, doorgaans een caricatuur, maar daarbij bleef alles. Intusschen heeft het vooral van de zijde van ethnografen en anthropologen, meer en beter verdiend. Het als ras te blijven ignoreeren gaat, dunkt ons, niet aan, het belachelijk te blijven maken zou onedel zijn en onverdiend, en het op te hemelen zou onzin wezen. Al zijne eigenaardigheden, ook de goede in een of meer fiksen bewerkte standmodellen te vereenigen en aan het volk van Nederland voor te stellen, zou een verdienstelijke arbeid zijn. Wij zullen niet beweren dat een dergelijke arbeid in het kader van den roman des Hn. P. zou hebben gepast, maar wij gelooven toch, dat als zulk een Schr. ons een Sienjoe te zien geeft, het dan ten minste een ware, een wezenlijke Sienjoe behoort te zijn. Doet hij dat niet, dan brengt hij zijne met Indië onbekende landgenooten, die hem gewis met graagte zullen lezen, schromelijk in de war, en soms loopt hij gevaar de meening te doen ontstaan dat die voortreffelijke Sienjoe’s ergerlijk worden verongelijkt.
In een der eerste jaren na 1860 deserteerden vier nederlandsche soldaten uit het fort Kwala Kapoeas, gelegen aan de samenvloeiing van de Kleine-Dajakrivier en de Kapoeas-Moeroeng. Zij waren het die de belangwekkende reis volbrachten door Borneo van zuid naar noord. Onder hen bevond zich een Sienjoe, Sienjoe Johannes, geboren te Padang, vader onbekend, moeder de Niassche vrouw Ma Troeni. De Schr. begint van hem te zeggen dat hij is „een van die Indische producten van dierlijken hartstocht, voor wien het een ongeluk moet genoemd worden geboren te zijn.” Na zulk een zwartgallige inleiding zou men het optreden verwachten van een beklagenswaardig wezen, een soort van stompzinnig misgewas, dat zoo geen afkeer dan toch medelijden moet opwekken; maar neen, in Sienjoe Johannes vinden wij een schrander, vrolijk, nu en dan zelfs geestig man, dien het gansch niet hapert aan wetenschappelijke ontwikkeling. Hij is het hoofd, de ziel der moeilijke onderneming en dit komt hem toe want hij weet veel en velerlei; de aardrijkskunde van den Nederlandsch-Indischen archipel kent hij op zijn duimpje; hij herinnert zich, zonder boeken of kaarten, precies op hoeveel graden lengte en breedte sommige punten zijn gelegen, hij berekent daarna, altijd uit het hoofd, hoeveel geografische mijlen ze van elkander zijn verwijderd en hoeveel water en proviand derhalve moet worden medegenomen voor de reis; in de binnenlanden van Borneo is hij als te huis; hij kent den mineralen rijkdom van die gewesten zooals weinig volbloed Europeanen; hij is geen vreemdeling in geologie, zelfs niet in het stoomwezen; hij heeft een zeldzame kennis van de zeden, de gebruiken en den godsdienst der Dajaks zonder ooit onder hen te hebben geleefd; schier alles wat wij aangaande Borneo en zijne bewoners vernemen, hooren wij uit zijn mond. Sienjoe Johannes is een klein wonder; hij weet even goed de eigenaardigheden die een vroom muzelman kenmerken als die welke het deel zijn van een geloovig maar bekrompen belgisch katholiek; hij heeft de gedichten van Schiller gelezen en kende de tegenwoordige theoriën van Darwin en Russel Wallace reeds eer ze waren verkondigd; hij is daarbij matig en heeft uitstekende militaire hoedanigheden.
Men begrijpt moeilijk waarom het voor zulk een man een ongeluk zou wezen te zijn geboren, maar men begrijpt des te beter dat hij de Nederlanders, onder wier vaandels hij het nimmer tot korporaal kon brengen, verafschuwde en van hen deserteerde. Dit is ten minste zeer natuurlijk, en natuurlijker dan dat wij een Sinjoe als Johannes te zien krijgen.
Wij durven niet beslissen of in een ethnografischen roman juist alle volksrassen die er in ter sprake komen, met dezelfde juistheid en onpartijdigheid behooren te worden geschetst. Moet de vraag toestemmend worden beantwoord dan hebben wij nog meer bedenkingen in het midden te brengen. Het Kaukasische ras, hoofdzakelijk door ons Nederlanders vertegenwoordigd, komt er b.v. al zeer slecht af. Van slechts weinigen wordt iets goeds gezegd. Dat daaronder een voorname plaats wordt ingenomen door den wakkeren, kundigen en humanen luitenant die in de benting Kwala Kapoeas commandeerde is weder zeer natuurlijk, want voor een zoo goeden bekende kon de Schr. al niet meer doen. Wij hebben er dan ook vrede mede, maar zelf Nederlander zijnde, kunnen wij geen vrede hebben met het onrecht den Nederlanders in massa aangedaan. Gestrenge consequentie mag men in de eerste plaats eischen bij gestrenge beoordeelingen en het is niet consequent wanneer men, op bladz. 31, 1ste Dl., verhaalt dat de Nederlanders zich jegens de Bandjareezen hebben schuldig gemaakt aan euveldaden als: „ontmanning, afsnijden van neuzen en ooren” en hen daarna op bladz. 160, te verwijten dat zij „ziekelijk menschlievend” zijn. Ook is het niet consequent aan de Nederlanders, op bladz. 58, ten laste te leggen dat hunne soldaten op de buitenbezittingen waren voorzien van geweren „met uitgeschoten loopen..... in een woord, die als een oud roestwinkel rammelden, wanneer men een geweer aanvatte en die voor eigen handen gevaarlijker waren dan voor den vijand” en reeds op de volgende bladz. den vijand door een levendig vuur uit diezelfde geweren zoodanig te laten teisteren dat hij genoodzaakt wordt het hazenpad te kiezen. Waarlijk het schijnt ons toe dat de Heer P. zoowel bij lof als bij blaam, hier en daar in uitersten vervalt. In romantische en dichterlijke verhalen is dit niet zeldzaam, maar beschuldigingen tegen tijdgenooten blijven beschuldigingen. Misschien zijn de Nederlanders nóch zoo wreedaardig, nóch zoo ziekelijk menschlievend als hij ze voorstelt, en misschien waren hunne geweren nóch zoo slecht, nóch zoo verschrikkelijk van uitwerking als hij ze afschildert.
Reeds vroeger werden de aangelegenheden der Zuid- en Ooster-Afdeeling van Borneo door den Heer P. besproken. In 1863 schreef hij, ter plaatse, zijne wandeling door de benting te Kwala Kapoeas, waarvan hij de commandant was, en in 1870, gaf hij zijne Ethnographische beschrijving der Dajaks uit. Beide deze pennevruchten werden, de eene geheel en de andere voor het minst gedeeltelijk, saamgesteld onder den verschen indruk hetzij der gebeurtenissen, hetzij der waargenomen toestanden; in geen van beiden treedt de Schr. op als laudator temporis acti; hij laakt waar hij meent dat gelaakt moet worden, maar hij doet het kalm, ernstig en veelal met welwillendheid. Hij heeft, als wij ons niet vergissen, Borneo sedert dien tijd niet teruggezien; hij heeft dus aangaande het eenmaal beschrevene geen nieuwe indrukken kunnen opdoen; hoe komt het nu dat hij thans, nu hij veel, zeer veel van dat vroeger beschrevene, in een ander meer aanlokkelijk kleed voor het publiek brengt, oordeelt met een hardheid, een scherpte en een overdrijving die hem weleer zoo geheel vreemd waren? Misschien waant hij dat de wel wat bedorven en verstompte smaak van het nederlandsche lezend publiek, geprikkeld moet worden door sterk gekruide spijzen en heeft hij het dààrom de tjabé rawi niet willen onthouden; maar wij verzekeren hem dat de letterkundige schotels, die hij aan het publiek weet voor te zetten, dergelijke scherpe sausen niet behoeven om met gretigheid te worden genuttigd, en dat het zijne ware vrienden leed zal doen, de altijd welgekozen bestanddeelen dier schotels, gekruid te zien met iets anders, dan het oude attische zout, dat condimentum litterarium bij uitnemendheid.
Het is vooral de wijze waarop het nederlandsche leger in Oost-Indië voltallig wordt gehouden die den Schr. aanleiding geeft tot het toedienen van tjabé rawi. Wij zullen de laatste zijn om staande te houden dat in deze alles toegaat zoo als men het zou mogen wenschen; maar als men er zelf meermalen toe geroepen is geweest een stand van zaken daar te stellen, of te helpen daarstellen, die misbruiken uitsloot, dan weet men ook welke onoverkomelijke hinderpalen zich daartegen verzetten. Van de misbruiken geeft de Heer P. breed, veel te breed, op doch van de middelen om het euvel te voorkomen of uit den weg te ruimen vinden wij bij hem geen woord, en dààrop komt het toch vooral aan. Ja! er bestaan misbruiken; Schr. dezes heeft zelf weleer een paar vreemdelingen aangenomen op bescheiden die vervalscht, maar zóó behendig vervalscht waren, dat het misdrijf slechts door een toeval aan het licht kwam. Intusschen zijn zij, die zich van die bescheiden hadden bediend, nimmer in de gelederen van het Oost-Indisch leger maar wel in het tuchthuis te recht gekomen, en dit feit gevoegd bij een reeks van soortgelijke, die zouden kunnen worden aangevoerd, bewijst voldoende dat de nederlandsche regeering volstrekt geen smaak heeft in dergelijke praktijken.
Nog een ander bewijs kan daarvoor worden geleverd. Talrijk zijn reeds de processen voor nederlandsche rechtbanken gevoerd tegen personen die zich van valsche papieren hadden bediend om in nederlandschen kolonialen dienst te treden. Onder de rechtbanken die van de zaak hadden kennis te nemen zijn er die leden van de Staten-Generaal onder hun personeel tellen. Wanneer nu bij de instructiën ook maar iets ware gebleken van rechtstreeksche of zijdelingsche medeplichtigheid der regeering, of zelfs maar van toelating of oogluiking in deze, zouden dan die leden der Staten-Generaal, als zoodanig, niet voor de eer der natie zijn opgekomen? En heeft er immer iets van dien aard plaats gehad?
Eigenlijke wervers heeft de regeering, reeds sedert een groot, zeer groot aantal jaren, niet meer in het veld gehad, zoomin op eigen grondgebied als in den vreemde, en het zou dan ook moeilijk zijn een enkelen door haar gequalificeerden werver bij name aan te wijzen, tenzij in een lang vervlogen tijdvak.
Het Departement van Oorlog staat aan het hoofd der werving zoowel voor de overzeesche bezittingen als voor het moederland, en wie daarmede, onder zijn bevel en toezicht, hier te lande, verder zijn belast is algemeen bekend.
In het buitenland had het weleer, hier en daar, zoogenaamde werfbureaux waarvan de Chefs tot opdracht hadden de recruten die zich aanboden aan een voorloopig onderzoek te onderwerpen en, bij goedkeuring, naar Nederland te zenden. Dergelijke werfbureaux heeft Nederland tot voor korten tijd ook nog gehad in eenige zijner consulaten b.v. in dat te Altona voor het aannemen van Nooren. De instructiën aan de chefs der eigenlijke werfbureaux en die van de consulaten, met betrekking tot de werving, zijn nog voorhanden in de archieven van het Departement van Oorlog, en het hoofd van dat Departement zal—wij zijn er van overtuigd—gaarne inzage van die documenten geven aan wien dit mocht verlangen. Men zal er niets in vinden dan eerlijkheid. Wij durven dan ook staande houden dat Nederland nimmer gewenscht, begeerd of toegelaten heeft dat men het door slinksche middelen of langs oneerlijke wegen, recruten bezorgde voor zijn Oost-Indisch leger.
De regeering staat echter een premie toe—van ƒ 10—aan een ieder die een goedgekeurd recruut heeft aangebracht. Dit aanbrenggeld is het groote, het voorname lokaas tot het verstrekken van valsche papieren aan hen die geen goede kunnen vertoonen, en dus tot het plegen van ergerlijke knoeierijen. Hij die het middel wist aan de hand te doen om de werving, ook in zeer moeilijke tijden en bij dringende behoefte, voldoende vruchtbaar te doen blijven, zonder het uitbetalen van eenig aanbrenggeld, zou aan Nederland een onschatbaren dienst bewijzen. Wij bevelen den Heer P. ernstig aan daarover eens na te denken.
De aanbrengers, die misschien feitelijk, maar nimmer rechtens, als wervers mogen worden beschouwd, kunnen voor hunne bemoeiingen, op niets rekenen dan op de aanbrengpremie, en als sommigen hunner de door hen aangebrachte recruten wellicht nog afzetten, nadat zij hun handgeld hebben ontvangen, dan begrijpt men dat de regeering daartegen niets vermag [148].
Hoe men de zaak ook beschouwe, mits van een onpartijdig standpunt, en met voldoende kennis van zaken, altijd zal men tot het besluit moeten komen, dat de nederlandsche regeering steeds gedaan heeft en doet wat zij vermocht en vermag, tot het bekomen van gezonde recruten van onbesproken handel en wandel. Dat zij daarin niet altijd is geslaagd moet worden erkend, maar niemand heeft dit ooit meer betreurd dan zij zelf.
Een ander kwaad dat aan de wervers (aanbrengers) wordt ten laste gelegd is het schromelijk misleiden der recruten met betrekking tot hetgeen hen in Indië staat te wachten. Die lieden gaan zelfs zóóver, naar de Heer P. beweert, van hen daar te belooven „sambal naar genoegen” en aangezien sambal een lekkernij is, even goed bekend in de dalen van Zwitserland als aan de fiorden van Noorwegen en in de mijnen van België, is dit natuurlijk een zeer gevaarlijke verlokking. Dat ook in deze verkeerdheden plaats hadden en misschien nog plaats hebben zullen wij weder niet ontkennen, maar wel dat de nederlandsche regeering dat ooit heeft verlangd of zelfs maar goedgekeurd. Wij zelf hebben er in der tijd het onze toe bijgedragen om, op tusschenkomst van bevoegden, vaak met eenige schade voor de schatkist, recruten van hunne verbintenis te ontslaan die niet eens konden bewijzen, doch slechts stellig beweerden, dat zij waren misleid.
Zij die het edele bedrijf van werver tot het hunne maakten, blonken nimmer uit door belangloosheid en goede trouw. De behendige wervers van Frederik de Groote en nog meer die van zijn vader, hebben zich op dat stuk een geschiedkundige vermaardheid verworven; de engelsche wervers doen het gild, in onze dagen, nog altijd eer aan, en de fransche van weleer? Hoor lezer wat Alfred de Vigny er, in zijn Grandeur et Servitude Militaire van verhaalt, doch zonder zich boos te maken, en zonder de fransche regeering van dien tijd er hard over te vallen.
De jonge Mathurin, een boerenzoon, wil soldaat worden en begeeft zich naar een herberg aan de avenue de Versailles waar hij weet dat zijn verlangen bevrediging kan vinden. „Dans ce petit carbaret”—vertelt hij later—„je trouvai trois braves dont les chapeaux étaient galonnés d’or, l’uniforme blanc, les revers roses, les moustaches cirées de noir, les cheveux poudrés à frimas et qui parlaient aussi vite qui des vendeurs d’orviétan. Ces trois braves étaient d’honnêtes racoleurs. Ils me dirent que je n’avais qu’à m’asseoir à table avec eux, pour avoir une juste idée du bonheur parfait que l’on goutait éternellement dans le Royal-Auvergne. Ils me firent manger du poulet, du chevreuil et des perdreaux, boire du vin de Bordeaux et de Champagne, et du café excellent; ils me jurèrent sur leur honneur que, dans le Royal-Auvergne, je n’en aurais jamais d’autre.
„Je vis bien depuis qu’ils avaient dit vrai.
„Le lendemain j’avais donc l’honneur d’être soldat au Royal- Auvergne..... Je demandai du poulet à diner, et l’on me donna à manger cet agréable mélange de pommes de terre, de mouton et de pain, qui se nommait, se nomme et sans doute se nommera toujours: la ratatouille........”
Hier werd helaas niet eens voldaan aan de belofte van „sambal naar genoegen”.
Tusschenpersonen, wervers, aanbrengers of hoe ze heten mogen, zijn altijd noodig geweest en zullen altijd noodig blijven, waar een betrekkelijk sterke krijgsmacht door vrijwilligers voltallig moet worden gehouden. Volmaakt eerlijke en belanglooze aanbrengers of wervers te vinden, zou al even gemakkelijk zijn, als het vinden van volmaakt eerlijke kooplieden, en misschien nog niet eens gelukken wanneer men er Christen-zendelingen toe kan bezigen.
Het vraagstuk is veel te gewichtig dan dat men er zich van kan af maken door oppervlakkigheden, door groote woorden of door beschuldigingen die meer op schijn dan op waarheid rusten. Zeker zou het voor Nederland wenschelijk zijn een stand van zaken in het leven te roepen die iedere immoreele handeling, bij het bijeenbrengen en bijeenhouden eener voldoende krijgsmacht, volkomen uitsloot, en de mogelijkheid daartoe bestaat voor het nederlandsche volk ook alleszins. Dat het eenvoudig het 185ste artikel schrappe uit zijne Grondwet en het is gereed. Wij twijfelen echter zeer of het immer zal besluiten de lotelingen bij de nationale militie naar Indië te zenden, maar is die twijfel gegrond dan moet het ook berusten in den tegenwoordigen toestand, en dankbaar zijn dat het een regeering heeft die doet wat zij vermag om de misbruiken, daaraan onafscheidelijk verbonden, zooveel mogelijk tegen te gaan.
Laten wij thans des Schrs. grieven tegen de koloniale werving wat meer in bijzonderheden nagaan. Wij maken in zijn boek geen kennis met schelmen die met valsche papieren zijn in dienst getreden; hij heeft er de voorkeur aangegeven, zijn personen te kiezen in de categorie der onnoozele misleidden. De onnoozele misleidden die hij (bladz. 3 en 12, 1ste Dl.) laat optreden zijn een duitschen doctor in de medicijnen, en drie der vier gedeserteerden van Kwala Kapoeas, als: een Zwitser die candidaat is in de rechten; een dito die de reaalschule heeft doorloopen en het testimonium bezit voor de natuur- en scheikunde, en een dronken Belg. Den Belg, de lustige persoon van den roman, zullen wij aan zijn lot overlaten, maar wat de anderen betreft moet men bekennen dat onze aanbrengers eer hebben gehad van hun werk. Een doctor in de medicijnen, een candidaat in de rechten en een docent in de natuur- en scheikunde in de fuik te laten loopen, was een waar meesterstuk. Wij nemen nochtans aan dat het is volbracht want die geleerden zijn soms erg dwaas en onhandig in de zaken van het practisch leven; alleen voor den doctor moeten wij een uitzondering maken. Tot heden wisten wij niet dat de nederlandsche regeering ooit tusschenpersonen had gebezigd tot het bekomen van officieren van gezondheid; wij wisten slechts van oproepingen in de Staats-Courant overgenomen door andere binnen- en buitenlandsche dagbladen. Ook wisten wij dat door sommige onzer diplomatieke of consulaire agenten—sedert 1878—ter bekoming van tijdelijke officieren van gezondheid, voor vijf jaren, zooveel noodig worden afgegeven en verspreid, gedrukte stukken die de voorwaarden inhouden waarop men zich kan verbinden. Deze gedrukte stukken bestaan nog en zijn voor Nederlanders zonder moeite bij het Departement van Koloniën te bekomen. Zoowel de genoemde oproepingen als de gedrukten zijn zóó dor en droog van inhoud en van stijl, als een regeeringsstuk maar zijn kan; zij bevatten stellige, duidelijke en volkomen ondubbelzinnige voorwaarden, maar hoegenaamd geen fraaie voorstellingen of beloften.
Niettemin is er, als men wil, één tusschenpersoon werkzaam geweest, maar deze handelde geheel belangloos en uit eigen beweging. Het was Dr. Wittelshöfer, Hoogleeraar in de medicijnen aan de Universiteit te Weenen en redacteur van het voornaamste geneeskundige tijdschrift aldaar. Door hem hebben wij er ten minste een dozijn bekomen en hij achtte den stap alleszins aanbevelenswaardig voor zijne jeugdige landgenooten. Als zij zich niet voor goed aan den nederlandsch-indischen militairen dienst wilden verbinden zagen zij zich, enkel door de niet onaanzienlijke gratificatie van ƒ 6000, die in vijf jaren tijd kon worden verdiend, in staat gesteld een kapitaaltje te verzamelen waarmede zij zich later in hun vaderland konden vestigen. Vele dier tijdelijken hebben evenwel in Indië, en dus met volkomen kennis van zaken, verzocht en verkregen bij het vaste kader van den geneeskundigen dienst over te gaan.
De beste wervers van vreemde officieren van gezondheid voor Indië zijn geweest, zeer velen hunner die zich reeds eenigen tijd daar bevonden en die, dus weder met volkomen kennis van zaken, hunne vrienden in „die Heimath” aanspoorden hun voorbeeld te volgen.
Op bladz. 53, 1ste Dl., vinden wij gewag gemaakt van „de verfoeielijke kunstgrepen, die gedurende den Java-oorlog van 1825–1830 gebezigd waren, om dajaksche soldaten in nederlandsche gelederen te verkrijgen tot bekamping van den Javaan. In 1863 waren die kunstgrepen nog niet vergeten enz.” ’t Is sterk! Maar als men, gelijk Schr. dezes, zelf een geschiedenis van den Oorlog op Java heeft geschreven, en als men daarbij, onder meer, ter zijner beschikking heeft gehad het geheele archief van den nederlandschen Opperbevelhebber in dien oorlog, dan heeft men eenig recht te beweren zoo goed als iemand ingelicht te zijn, aangaande de verschillende pogingen in het werk gesteld ter aanvulling en versterking van de krijgsmacht, in dien tijd tegen de opstandelingen aangevoerd. Wij weten dan ook en hebben melding gemaakt van welgeslaagde wervingen te Menado, Gorontale, Boeton, Tidor en Ternate, zelfs van niet geslaagde zooals te Bali, [149] maar wij verklaren van al dan niet geslaagde wervingen onder de Dajaks, niets te weten.
Op bladz. 74, 1ste Dl. lezen wij: „Het Nederlandsche volk weet niet, of..... wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden geworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken.” Men moet bekennen dat wij, in den Heer P., te doen hebben met een romanschrijver die het recht tot het bezigen van dichterlijke vrijheden uitstekend weet te gebruiken.
Er zijn in Nederland nimmer tuchthuizen geledigd met welk militair doel dan ook;
Er is daar één enkel tuchthuis—de militaire strafgevangenis te Leiden—waaruit weleer veroordeelden van zekere categoriën, als soldaat naar Indië konden gaan;
Maar die veroordeelden waren geen schurken van de ergste soort;
Het waren zelfs niet eens schurken maar gestraften wegens desertie of misdaden tegen den dienst en de subordinatie.
Het is bovendien billijk steeds iederen maatregel te beschouwen in het licht van zijn tijd.
Er is een generaal geweest, Opperbevelhebber van het leger in Oost-Indië die de militaire eer zóó hoog stelde dat hij een officier, die, zonder daartoe door lichaamsgebreken verplicht te zijn, zijn pensioen begeerde op het oogenblik dat hij te velde zou worden gezonden, eenvoudig en niet eervol uit den militairen dienst liet ontslaan. Diezelfde Opperbevelhebber—de luitenant-generaal Merkus de Kock—zag zich niettemin in 1826, door het dringen van den nood, verplicht, een dertigtal militaire veroordeelden, van het fort Oranje, alle Europeanen, weder in de gelederen op te nemen. [150]
Het komt ons voor dat anderen, sprekende over een lang verleden, wel kunnen berusten in hetgeen een naar verstand en hart zoo voortreffelijk man als de generaal de Kock, toen vermijdelijk achtte.
Tot de geschiedenis der beide hierboven genoemde Zwitsers behoort dat zij betrokken waren geweest in de militaire samenzweringen die in 1850 en 1860 Midden-Java hebben verontrust. Aangaande die samenzweringen zegt de Schr. bladz. 81, 1ste Dl.:
„Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is het te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd geworpen....... Waren de verhooren door de krijgsraden afgenomen publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, O!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk...... enz.” En verder:
„Waren ook destijds de stukken, tusschen de nederlandsche regeering en den heer von Bismarck gewisseld waarop het ontslag van een Staats-beambte en de gerechtelijke vervolging van een nederlandsch Hoofdofficier door de duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan....... enz.”
Over het laatste willen wij het eerst een kort woord zeggen. Het gebeurde met den bedoelden hoofdofficier is aan Schr. dezer regelen volkomen bekend, maar hij is niet bevoegd den sluier op te heffen waarmede die aangelegenheid nog altijd is bedekt. Hij vertrouwt echter, het met den Heer P. nog te zullen beleven, dat zij niet meer tot de geheimen behoort. Intusschen vertrouwt hij evenzeer dat de Heer P. hem wel zal willen gelooven wanneer hij hem verzekert dat, door het wegnemen van den sluier, misschien kleine onregelmatigheden zullen aan den dag komen, maar zeker niets verfoeielijks, niets waarover het nederlandsche volk of zijne regeering zich zullen hebben te schamen.
Aangaande de verhooren door de krijgsraden afgenomen diene het navolgende.
Het ligt niet op den weg der regeering van een welgeordenden Staat om de bescheiden openbaar te maken die betrekking hebben op gedingen voor rechtbanken of gerechtshoven gevoerd. De wet bepaalt wat in deze moet geschieden of moet worden nagelaten, en een onafhankelijke rechterlijke macht, gelijk wij hier en in Indië bezitten, zou iedere inmenging der regeering afwijzen wanneer deze daartoe, ter kwader ure, mocht overgaan. Volgens onze Rechtspleging bij de Landmagt zijn de aanteekeningen der gehouden verhooren nu eenmaal geheime stukken, hoe hadden ze dan zonder wetschennis, wij zeggen niet eens door de regeering, maar door de rechterlijke macht zelf, kunnen worden openbaar gemaakt?
Maar daarom zijn de handelingen onzer militaire justitie nog geen werken der duisternis. De vonnissen worden met de overwegingen die er toe hebben geleid in het openbaar uitgesproken, en die overwegingen, door een onafhankelijk rechterlijk ambtenaar gesteld, bevatten—het is overbekend—tevens alles wat tot verlichting en tot verschooning van den beschuldigde kan strekken.
Doch er is nog meer. Wordt er appel van het vonnis aangeteekend—gelijk in casu waar het kon gebeurd is—en komt het geding zoodoende voor het Hoog Militair Gerechtshof dan wordt aan den beschuldigde een practizijn, als verdediger, toegevoegd en zijne zaak verder geheel in het openbaar behandeld. De verdediger in zijn pleidooi, en het openbaar ministerie in zijne repliek, putten dan beide, naar hartelust en zooveel zij nuttig en noodig oordeelen, uit al de stukken van het proces in eerste instantie, en dus ook uit de afgenomen verhooren.
Nu meenen wij te mogen vragen wat de Heer P. die dit alles even goed weet als wij, nog meer kan verlangen.
Misschien zal hij ons antwoorden dat het uitspreken van vonnissen door krijgsraden, en de procedures voor het Hoog Militair Gerechtshof doorgaans slechts door weinigen wordt bijgewoond, zoodat de openbaarheid van een en ander feitelijk niet zeer groot is. Wij zullen hem hierin niet eens tegenspreken, maar hij mag er geen beschuldigingen op gronden tegen wien dan ook.
Maar wij moeten—speciaal in de zaak die het hier betreft—zijne aandacht nog op iets anders vestigen. Alles wat men van die verhooren en vonnissen in billijkheid zou kunnen verlangen te weten, is door onafhankelijke Indische rechterlijke ambtenaren, afzonderlijk en opzettelijk door den druk openbaar gemaakt. Het is verspreid, zoowel in Nederland als in Indië, en het nederlandsche volk heeft er geen aanleiding in gevonden, zijn stem te verheffen tegen zijne regeering.
De HH. Mrs. C. J. Keiser, C. G. Hultman en T. H. der Kinderen, hebben, in het tijdschrift Het recht in Nederlandsch Indië, overzichten geleverd van de strafgedingen gevoerd ter zake van: Het complot tot een militairen opstand te Djocjakarta; De Gewapende opstand te Samarang; Het complot tot desertie te Weltevreden, en Het complot tot militairen opstand alsmede tot desertie te Willem I. Die relazen zijn overgenomen in De Militaire Spectator, jaargang 1861. Men kan nog mag aannemen dat de genoemde H.H. de beschuldigden en veroordeelden, nog na het ten uitvoer leggen der tegen hen geslagen vonnissen, in de publieke opinie hebben willen benadeelen door het opzettelijk verzwijgen van hetgeen ter hunner verschooning had kunnen dienen.
En wat leeren ons nu hunne mededeelingen?
De sergeant Borgeaud, hoofd van het eerstgenoemd complot, was in Zwitserland uit patricische ouders geboren, had een geletterde opvoeding genoten en in zijn vaderland een eervolle betrekking bekleed; hij was reeds in napelschen dienst geweest eer hij zich voor den nederlandsch-indischen verbond; de vurig gewenschte épaulet mocht hij door een samenloop van omstandigheden, veelal aan eigen schuld te wijten, niet deelachtig worden.
Van zijn medeplichtigen wordt gezegd: „Naar de oorzaak hunner ontevredenheid en zucht tot complotmaken gevraagd, gaven zij te kennen, dat het eentoonige garnizoensleven hen verveelde; dat bovenal de corveën hen tegen de borst stuitten, en dat zij verlangd hadden op expeditie te gaan.”
Geen blijk dus van het misleiden door beweerde wervers, geen blijk van afzichtelijke handelingen bij het aanvullen van het Indisch leger.
Van de betrokkenen in den gewapenden opstand te Samarang wordt gezegd: „Onvoldane eerzucht en onbillijke wenschen van eenige woelzieke vreemdelingen, wien het eentoonige garnizoensleven en de onderwerping aan een strenge discipline tegen de borst stuitten, voorts teleurgestelde verwachtingen bij hunne aankomst in Indië schijnen de voornaamste oorzaken geweest te zijn”. Vooral hoorde men klagen door de Zwitsers die vroeger hadden gediend bij de 2de en 4de regimenten, indertijd door den Koning der Beide Siciliën, van hunne wettige verbintenissen ontslagen wegens veelvuldige desertiën en zich telkens herhalende muiterijen.
Van opzettelijke misleidingen of afzichtelijke handelingen andermaal geen woord.
De vijf Zwitsers die te Weltevreden het complot tot desertie vormden en er een begin van uitvoering aan gaven, waren allen weleer in siciliaanschen dienst geweest. Ook zij hadden derhalve behoord tot de beruchte regimenten hierboven genoemd. Wij vinden niets ter hunner verschooning.
Aangaande de deelnemers aan het complot te Willem I lezen wij: „dat de zaamgezworenen meest allen mannen waren, die veldtochten, hetzij in Afrika, hetzij in de Krim hadden medegemaakt of deelgenooten waren geweest in het bekende soldatenoproer te Napels”. Hier had men dus waarlijk niet te doen met onnoozele halzen die in staat waren zich door zwetsende wervers te laten ronselen. Zij klaagden over de handeling die de vreemdelingen ondergingen, maar toen hun door den krijgsraad werd gevraagd wat zij met deze behandeling bedoelden, antwoordden sommigen dat hun op de theorie steeds werd toegevoegd: „Gij eet hollandsch brood, gij moet ook Hollandsch spreken”. Dit is alles wat men ter hunner verschooning aantreft.
Men ziet dus dat er ten aanzien der militaire strafgedingen door den Heer P. bedoeld, inderdaad een zeldzaam groote mate van openbaarheid heeft plaats gehad, maar...... dat zij niets leeren ten nadeele der wijze waarop onze krijgsmacht in Oost-Indië wordt voltallig gehouden.
Wij zullen hier onzen arbeid staken en afscheid nemen van het boek des Heeren Perelaer, dat wij, in weerwil onzer bedenkingen, een schoon boek blijven noemen. Moge de Schr. zich spoedig aangespoord gevoelen zijn landgenooten weder een vrucht aan te bieden van zijn welversneden pen, maar moge het ons dan ook gegeven zijn den altijd levendigen, altijd opgewekten maar ook altijd kalmen en bezadigden Perelaer van weleer, terug te vinden.
15 Februari 1882.
A. W. P. Weitzel.
AANTEEKENINGEN
[1] Baba en Kee zijn benamingen in Nederl. Indië voor de Chineezen. Het eerste woord is meer deftig. Kee is meer vernederend, bijna een scheldnaam.
[2] „Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang, aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.
[3] „Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.
[4] Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.
[5] Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng. In eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in laatstgenoemd hoogstens drie of vier.
[6] Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche bewoners.
[7] Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks onder elkander zijn.
[8] Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.
[9] Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah, welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten volle aanspraak had.
[10] Er zijn op Borneo twee rivieren, die den naam van Kapoeas dragen. De Kapoeas Moeroeng ontspringt in het midden des eilands op het Kaminting-gebergte en stroomt van noord naar zuid en stort zich in de kleine Dajak-rivier, een tak van de Barito uit. De Kapoeas Bohang ontspringt op hetzelfde gebergte, stroomt van het oosten naar het westen en stort zich door vele mondingen in de Chineesche zee uit.
[11] Niet onwaarschijnlijk werd zij voor een „Tiwah” (doodenfeest) bewaard. Bij zulk een feest worden niet zelden verscheidene menschen geslacht.
[12] Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan alle Europeesche kinderen in N.I. gegeven; voornamelijk aan kinderen door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.
[13] Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt. Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het algemeen iets meer zoetachtig van smaak.
[14] Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm. Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.
[15] Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden is: Hylobates concolor.
[16] De Gekko is een groote hagedis, die gaarne in oude boomen en bouwvallen woont, maar ook niet schuwt de bewoonde huizen der menschen te deelen. Het dier ontleent zijn naam aan zijn roep: „gèk-ko,” dat hij herhaalde malen uitstoot, de eerste malen met helderen klank, maar langzamerhand verzwakkende, alsof hem de stem begeeft, zoodanig dat het geroep in een dof gekreun eindigt. Bij de inlanders duidt zijne tegenwoordigheid een gelukkig voorteeken aan.
[17] De beo is een fraaie vogel van de grootte eener kraai, waarmee hij in kleur en gedaante veel overeenkomst heeft. Hij heeft echter een paar roode soms gele lelletjes aan het hoofd ter plaatse waar de ooren zijn. Ook heeft hij een gelen bek. Die vogel, na een kleine kunstbewerking aan de tong, bootst gemakkelijk de stem van den mensch na. Is hij eenmaal volleerd, dan praat hij bijna den geheelen dag en kan men van hem zoowel figuurlijk als letterlijk zeggen, dat hij den bek niet houdt.
[18] Piendang ikan en sajoran lodèh zijn een soort bouillon om bij de rijst te gebruiken. De eerstgenoemde wordt van visch gekookt; de andere van vleesch en groenten. In beiden ontbreekt de lombok (spaansche peper) niet.
[19] Sambal oelik is spaansche peper fijn gewreven met wat zout. Sambal goreng is gebraden spaansche peper in wat klapperolie. Sambal oedang is spaansche peper toebereid met garnalen. Al die sambals zijn toespijs bij de rijsttafel.
[20] Dengdeng is in de zon gedroogd vleesch, gewoonlijk hertenvleesch. Troeboek is gezouten vischkuit. Telor-assin zijn gezouten eieren. Sateh zijn stukjes vleesch aan een stokje, van de lengte en de dikte van een breinaald, geregen en boven het vuur gepofd. Oesi-oesi zijn kippen- of kalfsdarmen gebraden. Al die opgenoemde lekkernijen komen bij de rijsttafel voor.
[21] Wankang is een chineesch vaartuig, geheel verschillend van vorm en van tuigage van onze koopvaardijschepen.
[22] Minjakh poko is een chineesch middel tegen de hoofdpijn. Het komt voor in den handel als fijne kristallen of als een olieachtige zelfstandigheid. Men wrijft er zich de slapen en het voorhoofd mede en ontwaart eerst een branderig gevoel, dat in een heerlijke verkoeling overgaat. Boeang assin is knoflook in pekel ingelegd. Is zeer smakelijk bij de rijsttafel.
[23] Palita is een klein olielampje, waaraan de opiumschuiver het opium in de pijp ontbrandt, den rook inzwelgt, om na eenige oogenblikken hetzelfde te herhalen.
[24] Op de Zuidkust van Borneo bereikt de vloed twee dagen na volle maan zijn hoogste punt. Dan loopen de beide getijen in elkander en heeft men maar eens vloed in de 24 uren. Dit verschijnsel keert zoo regelmatig weer, dat de zeevarenden er gebruik van maken, ten einde het juiste oogenblik te kiezen om over de banken, die voor de riviermondingen liggen met zwaar beladen schepen te komen.
[25] In Oost-Indië heeft men zoetwatergarnalen die in grootte onze rivierkreeften verre overtreffen. Ook de krabben zijn zeer groot en hebben soms een middellijn van 1⅓ d.m.
[26] Baoeng is een zeer vette visch, die ongeveer vijf d.m. lang wordt en de dikte bereikt van een menschenbeen, aan het boveneind gemeten.
[27] Soloang is een vischje, dat in grootte en vorm veel met onzen grondeling overeenkomt. Het is echter niet blank van kleur, maar meer bruinachtig. Is zeer lekker.
[28] Een katie is 1¼ pond. Een pikol is 100 katie’s of 125 ponden. Dertig pikols is een Kojang.
[29] Op Borneo is een soort roodharige apen van de grootte van een knaap van een jaar oud, die een vrij welgevormden neus hebben van ongeveer zes cm. lang, waarin evenwel geen neusbeen aanwezig is, maar die slechts uit een klompje vleesch bestaat, met twee gaten ter gewoner plaatse doorboord. Die neus geeft die apen een buitengewoon koddig, voornaam uitzicht; zij zijn evenwel uiterst teer en sterven spoedig, nadat zij gevangen zijn. Die apensoort leeft nooit in groote troepen, steeds paarsgewijze, en behoort tot de species der symnopethici en wordt derhalve symnopethicus nasicus genoemd.
[30] De Dajaks gebruiken een rond eenigszins zakvormig net, dat wijd uitgespreid uitgeworpen wordt en veel overeenkomst heeft met het werpnet dat in België en Frankrijk „épervier” genoemd wordt. Aan den rand zijn op korten afstand van elkander looden kogels of ringen aangebracht. Wanneer nu het net wijd uitgespreid op de oppervlakte des waters geworpen wordt, naderen de kogels bij het zinken elkander, tot zij den bodem raken. Al de visch daaronder is dan gevangen; met een touw wordt het opgehaald en de kogels houden de vangst omsloten. Dit net heet djala.
[31] Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen, die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten, die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en lokt door haar rijkdom aan was en honing de bijen aan. De vrucht, die trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een jonge kokosnoot.
[32] Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.
[33] De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s (riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M. Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende, splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.
[34] Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.
[35] Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee gulden.
[36] Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.
[37] De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht inhouden, in den drogen tijd op te houden.
[38] Hoewel de Dajaks met graagte sommige slangensoorten verorberen, raken zij nimmer palingen aan, die toch in menigte in hunne moerassen aangetroffen worden. De redenen, die zij daarvoor aangeven zijn, dat de paling steeds op lijken en krengen aast en dat bij hen afschuw verwekt.
[39] Rambei is een boomsoort, die op Borneo langs de moerassige oevers van de rivieren en soengei’s veelvuldig voorkomt. Het is een boom die, wat stam, twijgen en bladeren betreft, volmaakt op een wilg gelijkt. Hij draagt evenwel een vrucht, die veel overeenkomst heeft in vorm met een appel, aangenaam zuur is en vooral door de apen op hoogen prijs gesteld wordt.
[40] Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil: „ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen „soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt het „lahap”, genoemd.
[41] Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder lekker.
[42] Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de Dajaklanden „poeloet” genoemd.
[43] Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis, zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht, maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.
[44] De handjolotong-boom behoort tot de ficussoorten. Hij erlangt een verbazende dikte; er zijn specimina, welker stam door geen twaalf menschen omspannen kunnen worden. Zijn hout is zeer wit, grofvezelig, kurkachtig en derhalve zeer licht. Dit hout wordt gewoonlijk gekozen om doodkisten van te maken, daar de Dajak gelooft, dat die kist in het verblijf van gelukzaligheid in een gouden schip veranderd wordt „banama boelau”, dat ten dienste van den overledene is.
[45] Tandjoeng Salatan is de zuidelijkste punt van Borneo en ligt ongeveer op 4° 20′ Z.B. en op 114° 40′ O.L. van Greenwich.
[46] In de dagen waarin ons verhaal voorvalt, gebeurde het meer, dat in de wateren van Nederlandsch Indië de Nederlandsche vlag met hoonende bedoelingen omgekeerd gevoerd werd. In 1859 was dat een der oorzaken van den oorlog met Boni op het eiland Celebes.
[47] Historisch.
[48] Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson, van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.
[49] Zie over dezen boom de noot op bladz. 211. Er kan hier nog bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt met het nekweefsel.
[50] Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.
[51] De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe” (moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa Andong; zijne moeder Indoe Andong.
[52] Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.
[53] Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G. kan berekend worden.
[54] De beer.
[55] Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend taaakkekakakak doet hooren.
[56] Poeai; zie daaromtrent bladz. 187.
[57] Harimaoung Boekit beteekent bergtijger.
[58] Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der Dajaks door den schrijver dezes.
[59] Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks, van den schrijver.
[60] De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.
[61] Felis pardus en felis macrocephalis.
[62] Ursus Malayanus.
[63] Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen, die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.
[64] Batoe = steen; Banama = schip.
[65] In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”
[66] Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de maleiers „toembakh” genaamd.
[67] Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong Nicodemus bedoeld.
[68] Tingang: Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn staart is zwart.
[69] Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.
[70] Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.
[71] Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.
[72] Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in het Dajaksch: garigit genoemd wordt.
[73] Kawawohan boelau is de naam van den Dajakschen Hemel. Zie hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.
[74] Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving van den schrijver.
[75] Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch. Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige streken aangetroffen.
Hambatar is de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve in vermolmd hout gevonden wordt. Die hambatar is zeer vet en heeft de dikte en de lengte van een vinger.
Kalisi worden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.
[76] Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.
[77] Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den schrijver.
[78] Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.
[79] Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”
[80] Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.
[81] Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”
[82] Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur. Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.
[83] Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd hebt.
[84] De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de noot gewikkeld zit.
[85] Radja balawang boelau of de koning der gouden poort, wordt ook Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van dit werk verhaald worden.
[86] De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.
[87] Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.
[88] Hoewel op het geheele schiereiland Malakka geen leeuwen te vinden zijn, beteekent Singapoera leeuwenstad. Singa leeuw, Poera vorstelijk verblijf.
[89] Een zeer gebruikelijk spreekwoord bij de Dajaks, om aan te duiden, dat iemand iets geheel overtolligs uitvoert. Het zout namelijk wordt van Java naar Borneo overgevoerd. Op laatstgenoemd eiland wordt geen zout gewonnen.
[90] Anding is de naam in ’t Dajaksch, dien de oudere broeder aan den jongeren geeft. Het is een teedere benaming voor hen, die men lief heeft. Hij wordt veel gebruikt door den meerdere wanneer hij tegenover zijne minderen hartelijkheid wil toonen of het harde zijner lessen of vermaningen wil verzachten. „Pahari”, zegt de broeder tegen den broeder, en is meer gebruikelijk wanneer geen teederheid of verzachting te pas komt. „Kaka” wordt gebezigd door den jongeren tegen den ouderen broeder en is een eerbiedsbetuiging.
[91] Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde 22 van dit deel.
[92] Drahen tato antang beteekent Koning der Antangs. Zie over den Antang de noot op bladzijde 5 van dit deel.
[93] De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.
[94] Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.
[95] Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz. 168. Dl. I. Ik verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter reparatie.
[96] De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De derde soort is de Crocodilus Schlegelii en vormt den overgang van de gavialen tot den eigenlijken krokodil.
[97] Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans” (plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.
[98] Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.
[99] Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.
[100] Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken, lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz. enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.
[101] Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt. Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der Dajaks.
[102] Katipei is een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom. Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.
[103] Kajoen pamala wordt in het maleisch ook kajoe boelan genoemd. Het is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk gebrand wordt.
[104] Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de Dajaks.
[105] Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij als het ware een zacht vilt geworden is.
[106] Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz. 339 I Dl.
[107] Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier loodrecht neerstort, heet „gohong.”
[108] Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.
[109] Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in moerasgronden voor.
[110] Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.
[111] Rantèp beteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.
[112] Kamanangang komt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.
[113] Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter waarde van twee gulden en wordt ook wel kiping genoemd.
[114] In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang” licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de ongelukkige den geest.
[115] Mata koetjing beteekent kattenoog, bapoeti wit en linoh gladheid, die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.
[116] Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil, smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die zij aanduiden.
[117] Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde „Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.
[118] Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te duiden.
[119] Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt. Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde, vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.
[120] Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.
[121] Zie over het goudgewicht de noot op een vorige bladz.
[122] Zie over de zielen der dingen de noot op bladz. 51 van dit deel. Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd, die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,” maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat heeft.
[123] Nagara is een landstreek met hoofdplaats van denzelfden naam in de Maleische districten van Borneo aan de Bahanrivier gelegen. Aldaar worden de deugdzaamste wapenen van geheel Indië vervaardigd.
[124] Dit is de wortel van een slingerplant, die in de moerassige benedenlanden van Borneo veel aangetroffen wordt. Hij is nog het beste surrogaat van de kina, dat aangetroffen wordt.
[125] Het eerste levend wezen, dat Mahatara volgens de Dajaksche genesis schiep, was een groote waterslang. Op deze verzamelde hij langzamerhand modder en zand en gaf haar zoo de aarde te dragen. Van daar den naam Naga gallang petak of slang tot fondament dienende der aarde. Wanneer die Naga zich beweegt, dan heeft er aardbeving plaats. De kant der aarde, werwaarts haar hoofd gekeerd is, heeft voorspoed te wachten; de kant, werwaarts de staart gewend is, tegenspoed te vreezen.
[126] Tantarah is een soort van boschhaan, die gewoonlijk op de uiterste spits van zeer hooge boomen gezeten, den glorenden dageraad meteen luid tărătărărāā begroet. Niet te verwarren met de takakak, waarvan op bladz. 261, 1e dl., sprake is.
[127] Krassa krapi beteekent den tijd, die noodig is, om rijst gaar te koken. Een andere tijdverdeeling kent de Dajak niet. Het wordt ook wel gebruikt om afstanden aan te duiden. „Ekèh tèh doeèh tèlo krassa krapi kakedjaue” zijn huis is twee of driemaal zoover verwijderd, als noodig is om rijst gaar te koken.
[128] Zie over Radja ontong de noot op bladz. 22 van dit deel.
[129] Tiwah zou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord Deva (God) afgeleid zijn. Tiwah beteekent evenwel in het Dajaksch „vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving der Dajaks.
[130] De groene grasparkiet Melopsittacus Gld.
[131] Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van 200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is de Cervus russa der geleerden.
[132] Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is. Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai behoort tot de slingerapen of semnopethici.
[133] Boehies is een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij behoort tot de semnopethici of slingerapen.
[134] Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz. 89.
Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die uitdrukking.
[135] Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land te vervolgen.
[136] Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den wind vollen toegang verleenen.
[137] „Door de plant zelve afgescheiden”, die woorden nam ik van Prof. P. J. Veth over. Met allen eerbied, dien ik voor de wetenschap koester, meen ik de juistheid dier bewering toch te moeten betwijfelen. De Dajaks beweren, dat het water niets dan regenwater is. Zeker is het, dat de smaak daarmede geheel en al overeenkomt. De bedoelde beker is van een sierlijk dekseltje voorzien, dat zich opent, wanneer het regent, en zich vrij hermetisch sluit, wanneer het droog weder is. Dit deksel is zoo gevoelig, dat het voldoende is, wanneer hij gesloten is, er eenige waterdroppels op te sprenkelen, om hem langzaam te zien openen. Ledigt men bij droog weder zulk een kelk, zonder den rank, waaraan hij hangt, af te breken, dan is vier en twintig uren later geen spoor van vocht te ontwaren. Tien van die ngagaskelken zullen ongeveer twee liter water opleveren.
[138] Dr. Schwaner schrijft „Pohon Batoe” (steenboom). Dat is blijkbaar een vergissing. Het woord pohon is in die streken niet bekend. Ook heeft die rots volstrekt den vorm niet van een boom. De benaming is Oepon Batoe en beteekent: Oorsprong van steen.
[139] Het woord Soeli is een verbastering van njoeli en beteekent: steil omhoogstaande. Alzoo Batoe Soeli—steil omhoogstaande steen. De nj en s klanken worden door de Dajaks dikwijls verward.
[140] Die steenen bestaan nog op Oepon Batoe en worden Antang hatoeèh en Antang bawi genoemd. De legende vertelt, dat het twee menschen waren, die die rots bestegen en door de Sangiangs gestraft werden met hen in steen te veranderen. Die legende is te onkiesch, om ze te verhalen.
[141] Historisch. In 1863 werden bij gelegenheid van het lijkfeest van Tomonggong Toendan veertig pandelingen geslacht op de wijze zooals dat verhaald is, afgescheiden van de ettelijken, die vóór dat eindfeest geofferd werden.
[142] Njakatan wordt iedere plaats in de bovenlanden genoemd, waar de reis te water eindigt, om haar over land te vervolgen. Komt van „sakan”, hetwelk uitladen, lossen beteekent.
[143] Katipei. Zie daarover de noot op bladz. 88 van dit deel.
[144] Ngiatoe merah is op Borneo de kostbaarste der vele getahpertjahsoorten. Levert een product, hetwelk roodachtig bruin is.
[145] Bangkirei behoort tot de fraaiste timmerhoutsoorten van Borneo. Laat zich gemakkelijk bewerken en is zeer duurzaam.
[146] Rassamala, de Liquidambar Altingiana der geleerden, is ook uitmuntend timmerhout.
[147] Rhoenmèta = Lasiosiphon speciosus, draagt bloemen als kleine Geldersche rozen, die aan trossen groeien. Is een uitermate aanvallig gewas.
[148] Bij het ter perse zenden dezes vernemen wij dat de aanbrengpremie, sedert eenige dagen, voor vreemdelingen niet meer wordt betaald. Dit kan geschieden dewijl de behoefte thans noch groot, noch dringend is en men er in hoopt te kunnen voorzien, behalve met Nederlanders, met vreemdelingen die zich zonder iemands tusschenkomst, bij de bevoegde autoriteiten zullen komen aanbieden.
[149] Zie mijn oorlog op Java enz. 2de Dl., bladz. 196.
[150] Zie mijn oorlog op Java enz. 1ste Dl., bladz. 299.