← Borneo van Zuid naar Noord

VII…

Part 2 of 6 · Michaël Théophile Hubert Perelaer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #67054, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (35)
  1. Opening about 5 min
  2. I about 15 min
  3. II about 15 min
  4. III about 21 min
  5. IV about 23 min
  6. V about 17 min
  7. VI about 25 min
  8. VII about 38 min
  9. VIII about 19 min
  10. IX about 23 min
  11. X about 25 min
  12. XI about 19 min
  13. XII about 24 min
  14. XIII about 23 min
  15. XIV about 27 min
  16. XV about 25 min
  17. XVI about 25 min
  18. XVII about 25 min
  19. XVIII about 24 min
  20. XIX about 23 min
  21. XX about 25 min
  22. XXI about 25 min
  23. XXII about 26 min
  24. XXIII about 26 min
  25. XXIV about 24 min
  26. XXV about 27 min
  27. XXVI about 26 min
  28. XXVII about 28 min
  29. XXVIII about 26 min
  30. XXIX about 22 min
  31. XXX about 20 min
  32. XXXI about 20 min
  33. XXXII about 18 min
  34. XXXIII about 19 min
  35. XXXIV about 1 h 16 min

Continue:

VII

Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Een begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—De soengei Troessan.—In de soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.

De twee Zwitsers waren woedend op La Cueille over zijn ontijdig geschreeuw. Ook Johannes toonde zich ontstemd. Een blik evenwel op den Waal loste het raadsel op. Gedurende den tijd, dien de ontvluchting voorafging, had deze stipt zijn woord gehouden en geen droppel jenever geproefd. Zelfs had hij de oorlammen niet gedronken, die den soldaat op voet van oorlog van Gouvernementswege uitgereikt worden. Maar hij had het toch jammer gevonden dien jenever ongebruikt te laten en daarom had hij den kommandant verlof gevraagd, zijn ration sterken drank in een kommetje te mogen ontvangen om er zijne voeten en beenen mee te wasschen, die hij voorgaf dat opgezwollen waren. De algemeene regel is, dat de soldaat zijn oorlam bij den foerier, die het hem aanreikt, terstond uitdrinkt. Toen de officier, achterdochtig tegenover zoo’n dranklustige, en een foefje vermoedende, om genoegzaam drank te kunnen besparen, ten einde eens ter dege dronkenmannetje te spelen, La Cueille de voeten deed ontblooten, vertoonde deze een paar, die zoo opgezet en zoo rood ontstoken schenen, dat de gevraagde permissie zonder aarzeling verleend werd. Aan die voeten mankeerde evenwel niets; de oolijkerd, de achterdocht van den luitenant voorziende, had zich met een paar touwtjes de beide beenen boven het kniegewricht zoodanig afgebonden, dat de bloedsomloop gestremd was en van daar de opgezwollen en branderige voeten. Zorgvuldig bewaarde de Waal nu dien jenever en zoo had hij ruim anderhalven liter verzameld, die in de veldflesch van Johannes en de zijne door Baba Poetjieng aan boord was gebracht. Toen hij nu des avonds, na zijn ontsnapping uit het fort, in de prauw gedoken lag, in afwachting dat het uur van vertrek zoude komen, streelde zijn hand met innig welgevallen de beide veldflesschen en watertandde hij bij de gedachte, dat het oogenblik nabij was, waarop hem vergund zoude wezen, eens een hartigen teug te nemen. Wat kropen die uren langzaam om! Wat was het mistig en kil op het water! Zou dat wel gezond wezen? Langzamerhand begon de overtuiging zich bij hem op te dringen, dat hij toch reeds geheel en al zijn woord gestand had gedaan. Van het oogenblik af, dat hij dat woord verpand had, om vóór het vertrek geen jenever te drinken, was geen droppel drank hem over de lippen gekomen. Maar nu was het vertrek daar; hij was reeds in de prauw, van den wal af. Een ellendig stuk rottan verbond nog maar het vaartuig met het vlot, waaraan het vastgemeerd lag. Zou nu in waarheid kunnen beweerd worden, dat de ontvluchting niet feitelijk begonnen was? Jawel, dat was zij zeker! dat zou de kommandant hun wel aan het verstand brengen, wanneer hij hen nu ontdekte. Kom! een enkele teug zal nu toch geen kwaad meer kunnen stichten. Hij greep een der veldflesschen in het donker, ontkurkte haar voorzichtig en onhoorbaar en nam een flinken teug. Hé! dat smaakte en verwarmde hem; de nachtlucht was toch zoo onaangenaam vochtig. Een tweede teug volgde en was in volumen niets minder dan de eerste.

„Train de plaisir de ma bouche à mon estomac,” prevelde de Waal, die zich nu in een uiterst aangename gemoedsstemming begon te gevoelen. Wat duurde het lang, eer dat dat verwenschte lijk gebracht werd. Om den tijd te korten, liet hij den pleiziertrein nog eens rijden. De eerste veldflesch was bijna ledig.

Eindelijk! daar kwam men met den doode aandragen. Poeah!! wat een stank; dat was om de cholera op het lijf te krijgen! De rijken drinken champagne en cognac als verweermiddel tegen de ziekte; jenever zal toch wel hetzelfde uitwerksel hebben. En zoo ging het teug op teug en zoo was de inhoud van de tweede veldflesch op weg de eerste te volgen.

Toen de Balians met hare prauw aangekomen waren, en de lijkstaatsie zich in beweging stelde, zat La Cueille wezenloos uit te turen, maar hield zich doodstil. De boomen en struiken op de oevers stoven in het nachtelijk duister voorbij, als waren het spookgestalten. Somber en klagend weerklonk de titih over de watervlakte, terwijl de roeiers den vloed met hunne „beseai’s” (pagaaien) kliefden. Achter de doodenprauw gilden de Balians hunne doodengezangen. De vluchtelingen roeiden mede en tuurden overigens stilzwijgend naar de voorbijzwevende oevers. Daar doemden de sombere omtrekken van het fort op. De stem van een schildwacht liet zijn „werda” hooren en kort daarop het bevel om aan te leggen. Daaraan moest voldaan worden. Het hoofd van een sergeant boog over de lijkprauw, maar toen die onderofficier den stank in den neus kreeg, dien de doode verspreidde en hij vernam dat het de begrafenis van een choleralijder betrof, trok hij zich eenigszins verschrikt terug en liet de beide prauwen de reis voortzetten. Nog een paar roeislagen en de vaartuigen waren de landtong voorbijgeschoten. Maar toen kon de dronkaard zijn overmoed niet meer bedwingen:

„M....! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!” klonk over het water. Wel sprong Johannes op en wilde den Waal den mond dicht houden; maar het was reeds te laat.

„Beseai goeloeng goeloeng!” (roeit snel) vermaande hij.

Toen het bevel van het fort weerklonk om terug te keeren, brulde La Cueille in volle dronkenmanswoede nogmaals zijn M....! en voordat iemand het hem beletten kon, greep hij zijn geweer en vuurde het in de richting van het fort af. Al heel spoedig daarop, zagen de opvarenden een groote vlam flikkeren en bijna onmiddellijk daarop dreunde een kanonschot als een vervaarlijke donderslag door de lucht. Tegelijkertijd deinden de prauwen alsof zij beschonken waren en knetterde een levendig geweervuur van den wal. Wat er eigenlijk voorviel, wist niemand der opvarenden bij de algemeene ontsteltenis. Toen het geweervuur ophield, dreven de vaartuigen door den sterken ebstroom voortgezweept, in het midden der zeer breede rivier.

In de prauw der Balians waren van de veertien roeiers twee gedood en een gewond. In die der deserteurs was niemand gedeerd en waren allen met den schrik vrij gekomen. Ieder greep zijn „beseai” en roeide met alle kracht, want iedereen begreep, dat een nachtelijke vervolging niet onmogelijk was. Zoo, door zes paren krachtige armen voortgestuwd, terwijl de zevende stuurde, vloog de prauw vooruit en deed het witte schuim onder haren voorsteven opstuiven. Die vaart werd volgehouden totdat de dag aan den hemel gloorde. Voor zich bemerkten toen de vluchtelingen de open zee, waarvan de blauwe golfjes onder den invloed van den zuidoosten wind zich met zilverwit schuim kroonden. Van de Balians-prauw was sedert lang niets meer te bespeuren geweest; die was voorzeker onder de oevers geloopen en zou bij het aanbreken van den dag wel naar Kwala Kapoeas teruggekeerd zijn. Maar dat deerde de deserteurs niets, want noch de priesteressen, noch de roeiers wisten iets van het komplot af.

Toen de oostelijke hemel zich in purper hulde, nam Wienersdorf den kijker en liet den blik langs den gezichteinder glijden. Heel in de verte waren twee kruisprauwen zichtbaar, die scherp bij den wind omstreeks noord-oost koersten, alsof zij de Barito-monding wilden halen. Nog verder werd de rook van een stoomschip ontwaard; welke richting dat volgde, kon wegens den afstand niet bepaald worden. Iets om de zuid-west, zoo wat een paar mijlen uit den wal, stevende een prauw, die in haar uiterlijk veel op het vaartuig onzer avonturiers geleek en die den steven naar de kleine Dajak-monding gewend had. Zoodra men de monding uit was, werd om de west gestuurd, waarna een der Dajaksche opvarenden den raad gaf, den wal aan te doen, vooreerst om zich van het lijk te ontdoen, maar voornamelijk om nipah-bladeren [31] te snijden, ten einde het dak der prauw met versch groen te bedekken en haar zoo aan het waakzaam oog der kruisprauwen te onttrekken. De Europeanen waren van meening dat het eenvoudiger was, het lijk over boord te zetten en, hoewel dat wel weerzin bij de Dajaks verwekte, hadden zij de meerderheid en ploften de kist in zee. Overigens werd de gegeven raad gevolgd, en weldra waren in overvloed bladeren gesneden, waarmede de prauw zoodanig overdekt werd, dat van de lichtgele dakbedekking niets meer te zien en het vaartuig tegen het groen van de dicht begroeide kusten niet te ontwaren was. Men vervolgde nu de reis en hoopte, zoo langs den wal varende, geheel onopgemerkt te blijven. De beseai’s werden met de uiterste voorzichtigheid gehanteerd om in de zonnestralen geene glinsteringen in de wateroppervlakte te veroorzaken. Er werd besloten de Kahajan-monding in te loopen, zich daar in de eerste de beste kreek te verbergen en te wachten tot dat de avond zou zijn gevallen, om de reis westwaarts te vervolgen. Dat alles slaagde naar wensch, hoewel de kruisbooten, na een langen slag bij den wind afgelegd te hebben, gewend hadden en westwaarts waren gestevend, nagenoeg evenwijdig aan de kust, evenwel op zoo’n grooten afstand, dat zij de prauw niet opmerkten. Eindelijk kwamen zij voor de kleine Dajak-monding ten anker. De prauw, die men in het zuid-westen ontwaard had, scheen een handelsvaartuig te zijn, dat zwak bemand was, en in den wind en de vrij holle zee niet veel gang maakte en zwaar werkte. Zacht roeiende bereikten onze vluchtelingen zoo omstreeks het middaguur de Kahajan-monding. Zij voeren die in, vonden spoedig een geschikten inham, waarin zij de prauw onder eenige dicht voorover hangende struiken verdekt opstelden, waarna zij eenige rust trachtten te genieten, want zij waren zeer vermoeid en de aanstaande nacht zou hun weer inspanning genoeg opleveren. Een hunner zou de wacht houden.

Zij konden daar zoo omstreeks een paar uren gelegen hebben, toen eensklaps een paar geweerschoten weerklonken, die al vrij spoedig door een kanonschot gevolgd werden. Allen sprongen op en vlug als een kat klom Johannes in een nabijstaanden Tjemara-boom, [32] die een ruim uitzicht naar de zeezijde opleverde. Wat hij zag, was weinig geruststellend.

Een aantal prauwen kwamen de kleine Dajak-rivier uitschieten en deden signalen aan de kruisbooten. Deze laatsten wonden hunne ankers op, heschen de zeilen en maakten zich gereed de prauwen te gemoet te stevenen. Het handelsvaartuig had den boeg gewend, zeil bijgezet en voor den wind afhoudende en door forsche roeislagen geholpen, trachtte het uit de voeten te komen. Toen de prauwenflotille de kruisbooten bereikt had, scheen er raad gehouden te worden, die evenwel niet lang duurde; want al spoedig weerklonken drie losse kanonschoten als bevel aan het handelsvaartuig om bij te leggen. Dat stoorde er zich evenwel niet aan; integendeel, met nog meer kracht dan mogelijk scheen, doorkliefden de roeiers, die nu eensklaps talrijk bleken, het water. Het scheen een flink vaartuig, dat vlug vooruitschoot en zich met gemak op de achteraan rollende deining verhief. Nu begon eene wilde jacht. De kruisbooten zetten zoo veel zeil bij als zij maar konden; de lange roeiriemen geeselden het water. Ook bij de prauwenflotille werd veel inspanning aan den dag gelegd, om te kunnen volgen. Maar het gejaagde vaartuig scheen zijn afstand te behouden; althans Johannes kon niet merken, dat die afstand verminderde. Een paar kanonkogels ricochetteerden op de golvenkruinen; maar voor die ellendige gladziels-vuurmonden van zeven c.m., waarmede de kruisbooten in Nederlandsch-Indië bewapend zijn, was de afstand te groot.

Eindelijk kon Johannes van zijn observatiepost niets meer onderscheiden dan een paar onduidelijke stippen in het west-zuid-westen aan den horizon. Toen liet hij zich naar beneden glijden en met een zucht verweet hij La Cueille:

„Daar heb je de gevolgen reeds van je dronkemansgeschreeuw. Vervloekte sopie! Men is ons nu op ’t spoor.”

„Maar wat heb je gezien?” vroeg Wienersdorf.

Johannes vertelde nu wat hij waargenomen had en herhaalde dat verhaal ook in het Dajaksch en besloot met de verzuchting:

„De prauw, die zij nazetten is een smokkelprauw van Baba Poetjieng; ik had haar heden ochtend reeds herkend. Maar wat zal er gebeuren, wanneer zij die prauw inhalen? De luitenant is zeker aan boord van de flotille en die zal wel gelasten de geheele kust scherp te onderzoeken. Eer we vier en twintig uren verder zijn, hebben we meer dan tweehonderd vaartuigen zwervende langs de zuidkust,” en knarsetandende vervolgde hij:

„Ik wou dat die dronken Waal....!”

Wienersdorf lei hem de hand op den mond:

„Schelden en verwijten baat niet op het oogenblik. Er moet gehandeld worden; wat staat ons te doen?”

„De geheele onderneming ligt in duigen. Langs de zuidkust kunnen we niet meer voort. Niet waar Dalim?” vervolgde hij tot een der Dajaks en herhaalde in diens taal zijn beweren.

„Djaton mandanan augh,” was het antwoord. „Er valt zich zelf niet te bedriegen, de weg is daar afgesloten.”

Na een oogenblik met zijne makkers geraadpleegd te hebben, voer hij voort, terwijl hij met de hand naar het noorden wees:

„Hetèh!” (daarheen).

„De Kahajan op?” vroeg Johannes ontsteld.

„Dia” (neen) was het antwoord. „Daar zouden we niet doorkomen. Ook zal de Kahajan wel doorzocht worden; en daarenboven weten we er den weg niet.”

„Maar wat dan?”

„De Troessan [33] in.”

„Zou die niet doorzocht worden?” vroeg Johannes bitter.

„Wel zeker; maar we moeten voort maken. In de Troessan watert de soengei Dahasan uit en die staat in verbinding met de soengei Basarang, die ten noorden van het fort in de Kapoeas hare uitwatering heeft. Niemand weet daarvan iets; ik heb dat eens ontdekt bij het rottan-snijden. Komaan, voort! we hebben geen tijd te verliezen. Eenmaal in de Kapoeas, zal men ons daar voorshands niet zoeken.”

Die raad was in de tegenwoordige omstandigheden uitstekend; dat gevoelden allen. Maar allen moesten zich ook bekennen dat, nu de tocht over zee onmogelijk geworden was, men een vreeselijke toekomst tegemoet ging. Maar er viel niet te dralen; ieder oogenblik talmens kon ook dien uitweg onmogelijk maken en daar bleef niets over dan of door zelfmoord een einde aan de ellende te maken, of in handen hunner vervolgers te vallen. Het duurde dan ook niet lang of de prauw, uit haren schuilhoek gehaald, was in volle vaart en erlangde een vrij groote snelheid, daar de vloed begon op te loopen.

Zwaar werd er geroeid; maar toch vond men nog gelegenheid om te morren tegen den rampzalige, die de oorzaak van dien tegenspoed was. La Cueille erkende ten volle schuld en begreep dat, hadde hij den mond gehouden, zij een heel eind in de goede vaart en niet meer in te halen zouden geweest zijn, wanneer men te Kwala Kapoeas al iets van hun spoor vernomen zoude hebben. Met gebukten hoofde hoorde hij stilzwijgend de verwijten zijner kameraden aan en trachtte slechts zijn leedwezen te kennen te geven, door met zijn pagaai, zoo krachtig hem maar mogelijk was, het water te klieven.

Maar.... wat was dat? Plotseling hielden de Europeanen met roeien op en keken uiterst verbaasd uit. De Dajaks staakten den arbeid en keken ook uit, omdat zij hunne metgezellen zulks zagen doen. Een geluid liet zich hooren als van een Aeolusharp, nu eens ver verwijderd, zacht en vloeiend doch steeds duidelijk; dan weer zoo dichtbij, alsof het aan den buitenwand der prauw ontstond. Het was een volmaakt akkoord dat weerklonk, afwisselend zacht en smeltend, nauwelijks waarneembaar als de adem van een lispelend windje; of vol, krachtig en forsch, alsof de stormwind door een reusachtig snareninstrument joeg. De Europeanen keken elkander schier beangst aan en wisten er niets van te maken. La Cueille sloeg angstig een kruis en prevelde binnensmonds iets, waaruit: „étoile de la mer, priez pour nous” verstaan kon worden. Daaromtrent waren allen het eens, dat het voor hen onverklaarbaar was. Toen de Dajaks begrepen, waaraan die angstige verbazing toe te schrijven was, begonnen zij te lachen. Voor hen was het een gewoon verschijnsel, wat zij „rioeng” (spektakel) ook wel „riwoet haroesan” (adem des vloeds) noemen en waaromtrent zij de navolgende legende verhaalden.

De eerste vorst van Bandjermasin, Lamboeng Mangkoerat, van goddelijken oorsprong, had met behulp van Djata-Soerassa, een krokodil, nauw verwant aan Djata, den broeder van Mahatara [34], zich een rijk gesticht langs de boorden van de Doesson en hare nevenrivieren. Bij overeenkomst was bepaald, dat, zoodra Lamboeng den troon beklommen zoude hebben, hij aan den kaaiman twee en veertig schoone jonge maagden zoude overleveren, ter voldoening aan diens gruwelijken wellust. Toen het oogenblik daar was om die schuld aan te zuiveren, begaf de nieuwe vorst zich met het begeerde getal jonge meisjes op weg, om die te Kwala Mengkatip af te leveren. Om de langwijligheid der reis te korten, was op de prauw, waarop Lamboeng zich ingescheept had, ook een prachtig gamelanspel aanwezig. Dit scheen evenwel geen genoegzame tijdkorting, want de vorst liet de oogen gaan langs de rij schoonen, en verliefde op eene harer. Verlangen en de lust om te bevredigen is bijna gelijkluidend voor Indische vorsten. Maar de straf liet zich niet lang wachten. Djata-Soerassa, verontwaardigd dat men hem zoo bedriegen wilde, deed met een hevigen slag van zijn staart de prauw kantelen, waardoor de meisjes en het gamelanspel in de diepte verdwenen. Met moeite redde Lamboeng Mangkoerat het leven en had dat slechts te danken aan zijn verheven oorsprong. Het zachte klaaggeschrei der maagden en de wegstervende tonen der Gamelan, bleven op het water zweven en verkondigen zoo nog voortdurend de wraak die Djata-Soerassa genomen heeft.

Dalim voegde er echter bij, dat de Europeesche zendelingen de navolgende verklaring van het verschijnsel gegeven hadden: Wanneer de vloed zoo lang gestegen is, dat eerst het rivierwater, daarna het brakke water teruggedrongen is en het onvermengde zeewater begint op te komen, dan komt dat in aanraking met de zoetwaterdeelen, die zich nog bevinden in de tegenstroomingen, die allerwege door de bochten, de inhammen en kreken der rivier gevormd worden. De wrijving der zoutdeelen van het opkomende zeewater met die zoetwaterstroomingen zou dat harmonisch geluid te voorschijn roepen. Die meening wordt vrij aannemelijk doordat het slechts zoo ver vernomen wordt, als het zeewater met den vloed de rivier binnendringt. Bevindt zich een prauw, wanneer de vloed met kracht doorkomt, juist op de grens van zulk een tegenstrooming, zoodanig dat zij het heldere zeewater aan de eene zijde en het gele of bruine rivierwater aan de andere zijde heeft, wat men dikwijls kan waarnemen, dan zal het melodieuse geluid aan den zeewaterkant vernomen worden, zacht en smeltend, wanneer de prauw weinig vaart loopt, of slechts door den stroom voortgestuwd wordt; daarentegen krachtig, vol en doordringend, wanneer de prauw met inspanning voortgeroeid of zeilend door een flinke bries voortgezweept wordt.

De „adem des vloeds” begeleidde de vluchtelingen tot aan den ingang der Troessan, dien zij tegen het vallen van den avond bereikten. Toen zij die soengei binnengestevend waren, was eensklaps alles stil en hoorde men van de Aeolusharp niets meer.

„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s een pak van m’n hart. Het was of geesten rondom de prauw muziek maakten. Wanneer dat den geheelen nacht had moeten duren, was ik gek geworden.”

„Narai augh hetèh” (wat is dat voor een gebabbel), bromde een der Dajaks en zich naar Johannes buigende, fluisterde hij dien wat in het oor.

Met gedempte stem beval deze nu stilte aan; omdat men zich in een nauw vaarwater bevond, waarin men al heel licht een andere prauw achterop loopen of tegemoet kon komen. Vooral het spreken eener andere taal dan de Dajaksche zou dan allicht aanleiding kunnen geven, dat hun spoor verraden werd.

Met inspanning van alle krachten werd nu voortgeroeid en tegen acht uur werd de monding van soengei Dahasan bereikt. Men voer die nog een goed eind naar binnen; maar toen verklaarde Dalim, dat de dag moest afgewacht worden, daar men licht kon verdwalen, wijl hier vele riviertjes elkander kruisen. Dat was waar, maar dat was toch de ware reden niet, waarom hij de reis wenschte gestaakt te zien. Vooreerst waren allen zeer moede; niemand had nog iets gegeten en ook van slapen was niet veel ingekomen; daarenboven begreep Dalim, dat, waar hij bij het rottan snijden met een uitgeholden boomstam tot vaartuig doorgeschoven was, het veel moeite zal kosten, een prauw als die, waarmede de vluchtelingen de reis maakten, er door te brengen. Het daglicht was daarbij onontbeerlijk.

„Maar,” vroeg Wienersdorf, „is het hier veilig om den nacht door te brengen? Ware het niet beter nog wat verder door te dringen?”

„Neen,” beantwoordde Dalim de laatste vraag. „Hier is volkomen veiligheid. Geen Dajak waagt zich hier. En de „toean Koemdan” (heer kommandant) zal van ons nog wel geen bericht hebben. Die is nog buiten op de jacht achter de prauw van Baba Poetjieng. Als hij morgen avond aan de kleine Dajakmonding terug is, mag hij blij zijn. We hebben gelukkig geen enkel vaartuig, noch in de Kahajan, noch in de Troessan ontmoet. Onmogelijk kan men gissen, dat we hier zitten; want niemand kent dezen doorgang. We hebben dus een paar dagen voor ons om onze maatregelen te kunnen beramen.”

„Maar waarom zouden de Dajaks zich hier niet wagen?”

„In 1859 kwam Pembekel Soelil om het leven door het springen van een stuk geschut, dat hij eigenhandig tegen de Hollanders afschoot, bij de verdediging zijner benting, bij de monding van de soengei Basarang gebouwd. Om zijn lijk aan de schendende hand der Hollanders te onttrekken, werd het in de soengei Dahasan dicht bij de monding begraven. We zijn straks de plek voorbij gevaren. Maar sedert wordt deze soengei door een Pampahilep bewaakt en wee hem, die het verboden terrein betreedt!”

„Een Pampahilep wat is dat?”

„Een vreeselijk boschspook, dat iedereen ombrengt, die onder zijn bereik komt. De Pampahilep die hier huist, is er eene van het vrouwelijke geslacht. Wanneer het haar gelukt, een mannelijk individu te bemachtigen, dan noodzaakt zij hem haar echtgenoot te zijn. Na voldoening harer hartstochten verworgt zij haar slachtoffer.”

„Brr! quelle canaille!” mompelde de Waal met afgrijzen, „ik wou thans wel een vrouw zijn.”

„Dan zou zij een zwagerin van u maken,” zei Dalim lachende. „Zij heeft ook broertjes.”

De Waal zuchtte diep en wijdde een vrome gedachte aan Notre Dame de Montaigu.

„Maar zijt ge dan niet bang?” vroeg Schlickeisen den Dajak.

„Die „sansana” (fabel) bracht ik in de wereld, omdat ik een verborgen weg noodig had om zout, kruit en lood aan de „brandals” (muitelingen) in de Kapoeas te kunnen brengen. Die vrouwelijke Pampahilep houdt iedereen op een afstand.”

„Maar gelooven de Dajaks dat maar zoo grif weg?”

„Ze zijn zeer bijgeloovig; er zijn vele plekken in hun land, die door boschspoken bewoond worden en waar een Dajak voor geen schatten ter wereld zich zal wagen. Daarenboven had de plotselinge dood van Pembekel Soelil aller gemoederen diep getroffen. In zijn verscheiden werd de hand van den God der blanken gezien en bij den eerbiedvollen schrik, dien ieder inlander in de nabijheid van lijken ondervindt, zou niemand dan met ontzettenden angst vervuld, Soelil’s graf naderen.”

„Een prettige buurt in den nacht,” pruttelde La Cueille, „ik zat liever in een estaminet.”

„Maar,” vroeg Schlickeisen, „straks verteldet ge, dat om het lijk van Soelil aan de Hollanders te onttrekken, het hier begraven werd. Schenden de Hollanders dan lijken?”

„Zij verbieden het koppensnellen aan de Dajaks, maar nemen zelf de koppen van de lijken mede.”

„Hebt ge dat gezien?”

„Neen, maar ’t is een algemeen verspreid geloof; ik heb zelfs vernomen, dat die koppen in het zout worden gelegd.”

„Och loop heen,” hernam Johannes, „’t is eens of tweemalen geschied, dat het hoofd van een voornaam brandal naar Bandjermasin is opgezonden, om de identiteit van den gesneuvelde te constateeren en het volk van diens dood te overtuigen, maar daarna zijn die koppen begraven.”

„’k Wou dat jullie met je spoken en dat koppengemaal ’k weet niet waar zat. Ik zal er gewis van droomen heden nacht,” morde La Cueille.

Men bleef dus dien nacht waar men was; maar van rusten, waarnaar allen haakten, en van droomen, waarvoor de Waal vreesde, kwam hoegenaamd niets in. Eerst toch moest voor de maag gezorgd worden, die bij allen ten ernstigste protesteerde, dat hij in de laatste vier en twintig uren niets te verwerken had gehad. Eenige droge takken waren gauw gevonden, lucifers hadden de Zwitsers in den zak en weldra vlamde een vroolijk vuurtje, waarboven het maal zoude bereid worden. Door de zorg van Baba Poetjieng waren eenige groene bamboestaken in de prauw aanwezig; daarvan sneed een der Dajaks eenige einden boven en onder de geledingen af, maakte in de aldus verkregen holle buizen, die aan beide uiteinden gesloten waren, een kleine opening, liet daardoor rijstkorrels glijden totdat de buizen bijna gevuld waren en voegde er wat water bij. Vervolgens sloot hij de openingen met een pennetje en wierp de zoo toebereide stukken bamboe in ’t vuur. De Zwitsers zagen verbaasd en nieuwsgierig toe. Zij hadden al eens rondgekeken in de prauw en zich afgevraagd, waarin toch gekookt zou worden; want buiten eenige kleine aarden pannen en een ijzeren kwalie waren zij arm aan keukengereedschap. Na een twintigtal minuten barstten de bamboestukken met een geluid als van een pistoolschot en nam de Dajaksche kok ze uit het vuur, maakte ze verder open en spreidde een smakelijk gaar gekookte rijst uit op een groot blad, dat hij van de eene of andere waterplant in de nabijheid geplukt had.

„Verduiveld!” zei Wienersdorf, „dat’s makkelijk, we behoeven niet bang te zijn, potjes of pannetjes te breken; we hebben de pottebakkerswinkel bij ons.”

„Ja,” lachte Johannes, „en die winkel is gemakkelijk aan te vullen.”

„Dat weet ik nog niet,” meende Schlickeisen, „’k heb sedert ons vertrek geen enkele bamboestruik opgemerkt.”

„In de benedenlanden zal je dat ook niet. De bamboe heeft drogen bodem noodig. Wacht maar, we zullen wel bamboestruiken ontmoeten.”

Onder die bedrijvigheid had een andere Dajak in een aarden pan wat lombokh (spaansche peper) met wat zout fijn gewreven; Johannes had een paar gedroogde visschen boven het vuur gepoft; zoodat in een ommezien het maal klaar was. Heel veel omslag had de bereiding niet gekost, maar het smaakte overheerlijk, want ingespannen arbeid en ontbering gedurende een etmaal geeft grage magen.

Toen ons zevental verzadigd was, wikkelden zij zich zoo goed en zoo kwaad zij konden, de soldaten in hunne spreien en de Dajaks in hunne lompen, en trachtten in slaap te geraken. Met de inboorlingen was dat spoedig het geval; maar den Europeanen werd iedere rust ontzegd, door de zwermen muskieten, die op hen indrongen.

De zuid- en ook de westkust van Borneo is tot op een zeer grooten afstand van zee van zulk een lage gesteldheid, dat het land bij iederen vloed, die de wateren in de rivieren en stroomen terugdringt, allerwege overstroomd wordt en dat slechts zelden een eenigszins uitgebreide plek gevonden wordt, die boven den vloedstand droog blijft. Men kan de voornaamste rivieren op de zuidkust als de Doesson, de Kapoeas, de Kahajan een zestal dagen opstoomen en alsdan nog den invloed van eb en vloed ondervinden, terwijl de aangrenzende oevers dagelijks onder water gezet worden. Bij zoo’n vloedstand zijn die oevers verdwenen en worden de grenzen der rivierbedding alleen aangeduid door de vegetatie der oorspronkelijke bosschen, die uit het water omhoog rijzen. Een eerste gevolg van die periodieke overstrooming is een steeds toenemende moerasvorming in het achterwaarts gelegen terrein, waarin ontelbare zwermen muskieten geboren worden, en daar in hun element zijn. Onze vluchtelingen zouden er nu ter dege kennis mede maken. Wel waren zij in het fort te Kwala Kapoeas door die venijnige insecten ook geplaagd, maar daar hadden zij achter de hooge palissadeering van de versterking nog eenigermate bescherming gevonden tegen de aanrukkende zwermen; ook waren hun van bestuurswege „klamboe’s” (bedgordijnen) verstrekt geworden, waarachter zij een ongestoorde rust hadden kunnen genieten.

Hier in het ongerepte woud was van bescherming geen sprake. Het was te vergeefs dat zij, op gevaar af van met hun buskruit in de lucht te vliegen, in de prauw een vuurtje stookten, om de onzichtbare vijanden door rook te verdrijven; de bloeddorstige insecten drongen met duizenden en nog eens duizenden door en weldra was het gelaat der Europeanen, als ook hun hals en hunne handen met builen overdekt, welker onaangenaam gejeuk iedere hoop op slaap verijdelde, terwijl bovendien de aanval bleef voortduren en het vernieuwd steken en gonzen onverdragelijk was. Wat benijdden die blankhuiden de Dajaks, die daar lagen te ronken, alsof er geen muskiet ter wereld bestond. Eindelijk in arren moede rezen de wanhopigen op, kropen rondom het vuur en trachtten nu met een bladrijken tak gewapend, zich de muskieten van het lijf te houden.

„Die verd.... dieren,” pruttelde La Cueille, „ze zijn nog veel erger dan de vlooien in mijn land. Als we eens een muskieten-vestje aantrokken?”

Een muskieten-vestje aantrekken, beteekent in Nederlandsch Indië zich zoodanig te bedrinken, dat in den daarop volgenden dronkenmansslaap geen stoornis te vreezen is. Voor velen daar zijn de muskieten de grondoorzaak van beginnende zucht naar sterken drank.

„Is de les al vergeten?” beet hem Wienersdorf grimmig toe. „Je krijgt geen droppel jenever.”

„Neen,” bevestigde Johannes, „liever smijt ik onzen geheelen voorraad in ’t water.”

La Cueille zweeg; maar een driftig gebaar met zijn tak duidde aan, dat hij zijn muskieten-vestje toch voor een uitstekend middel hield.

„Nu het toch onmogelijk is te slapen, kunnen we onzen toestand bespreken,” meende Schlickeisen. „Onze omstandigheden zijn geheel veranderd; aan een vlucht over zee valt niet meer te denken, niet waar?”

„Neen,” sprak Johannes, „daarop behoeven we niet terug te komen; de geheele zuidkust zal nog weken, ja maanden lang op het nauwkeurigst bewaakt worden. ’t Is wel jammer.”

„Dat is het; maar wat nu te doen?”

„Dalim wees straks naar het noorden; daar ligt nu de weg. Maar hoe het gaan zal? zie, die vraag waag ik me haast niet te stellen. En toch....” vervolgde Johannes na eenige aarzeling, „toch, we moeten den toestand onverschrokken onder de oogen durven zien; we moeten het voor en tegen goed wikken en wegen, onze maatregelen goed nemen, want de minste onvoorzichtigheid kan ons uitermate noodlottig worden.”

„Spreek, je bent het langst van ons allen in dit land; spreek en wees onze leidsman.”

„Gijlieden zult zeker wel gezien hebben, dat ik straks een oogenblik met Dalim sprak. Ziet hier het uitsluitsel van dat gesprek: We zullen trachten door de soengei Basarang in de Kapoeas te komen. Dan varen we die rivier zoo ver op als we kunnen, trekken het Kamintinggebergte over en trachten dan zoo de noordkust te bereiken. Maar verbeeldt jullie je nu niet, dat dat zoo makkelijk en vlug zal gaan, als ik dat vertel.”

„Neen, dat begrijpen we,” lachte Wienersdorf, „maar we moeten een plan hebben van ’t geen we bereiken willen.”

„Meer weet ik er ook niet van te vertellen. Alleen dat nog, dat we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn. In de benedenstreken hebben we alles van de Hollanders te vreezen. Een woord, dat onze tegenwoordigheid op de Kapoeas verraadt, zal aanleiding geven, dat we als wilde dieren gejaagd worden. In de bovenlanden zal het nog minder pluis wezen. Als men daar slechts gist, dat we Europeanen zijn, dan zijn we verloren. Een Europeesche kop heeft daar tot vierduizend gulden waarde.”

„Wat je zegt” riep La Cueille verschrikt, terwijl hij zich den schedel betastte, „heeft die bol zoo veel waarde? Jongens! dat wist ik niet. Het is dan zaak er op te passen.”

„Maar je spot, niet waar?” vroeg Schlickeisen ongeduldig.

„Volstrekt niet. De kop van den Kolonel Georg Müller, die in 1825 op een wetenschappelijken tocht dwars door het eiland van het oosten naar het westen, vermoord werd, wordt nog bij den stam der Olo Ot Panganen, aan de boven Kapoeas Bohong, die we te passeeren hebben, als een reliquie bewaard. Die kop is voor geen schatten te erlangen. De koppen van de Europeanen van de „Onrust”, je weet wel, dat stoomschip, dat in 1859 in de Doesson door de Dajaks is afgeloopen, zijn allen nagenoeg tegen gezegden prijs aan de omliggende stammen verschacherd. Dien van den kommandant der boot hebben ze, na hem van de vleeschdeelen ontdaan te hebben, met droge katjangboonen gevuld en daarna in ’t water gelegd. De boonen zijn gezwollen en hebben den schedel langs de naden in een groote menigte fragmenten uit elkander doen barsten. Het kleinste stukje is voor tweehonderd realen [35] van de hand gezet.”

„Wat doen ze toch met die koppen?”

„Och dat’s een modeartikel, dat zal je in de bovenlanden wel ontwaren. Iedere benting (fort) daar prijkt met een aantal grijnzende schedels op de punten der palissaden. Er is daar geen enkel huis of je vindt er eenige doodshoofden, die als een reusachtige rozenkrans bijeengebonden, bij wijze van sieraad soms als slingerkransen aan den wand prijken. Als een jongeling een meisje ten huwelijk wenscht, wordt niet gevraagd hoeveel rijksdaalders de pretendent medebrengt, wel hoeveel schedels de vrijer kan vertoonen. Begrijp je nu?”

„Ik begrijp, dat het zal zijn: pas op je kop.”

„Ja, juist! Pas op je kop! dat moet onze grondleus zijn. Daar boven wemelt het van koppensnellers; van die luidjes hebt jullie zeker toch wel eens hooren spreken?”

„Voorzeker, maar ik meende, dat het maar grootendeels vertelsels waren,” meende Wienersdorf.

„Ja vertelsels, die nog niet eens het tiende gedeelte der volle waarheid aan ’t licht brengen,” sprak Johannes. „Je begrijpt toch dat die koppensnellerijën voor de blanken zoo geheim mogelijk worden gehouden. Gelooft me, het is en blijft: „pas op je kop.” En om daarop met eenige hoop van slagen te kunnen passen, moeten we vooreerst ons soldatenpakje uittrekken; dat zou ons al heel spoedig verraden; dat zou het reeds gedaan hebben, wanneer we de een of andere prauw ontmoet hadden. Baba Poetjieng, voorziende dat die Europeesche kleeding ons in gevaar kon brengen, heeft een pak medegegeven, dat we straks bij daglicht eens zullen bekijken. Daarin zal wel wat te vinden zijn en dan moet de gedaanteverwisseling maar plaats hebben.”

„Wat zal ik er kostelijk uitzien, slechts gekleed in een „ewah” zei La Cueille. „’k Zal me verbeelden in het paradijs rond te wandelen, met het traditioneele vijgenblad getooid.”

Een „ewah” is een strook grof veelkleurig goed, soms van linnen maar ook van boomschors vervaardigd, die eenige malen zoodanig om het midden gewonden wordt, dat het eene einde achter tusschen de beenen doorgeslagen kan worden en het andere einde, met een franje versierd, voor tot op de knieën afhangt. Dit is bij veld- en bosch-arbeid het eenige kleedingstuk van den Dajak en de lezer begrijpt dat het hem, zoo gekleed, onmogelijk is zijn pantalon-collant te scheuren. La Cueille’s metgezellen lachten over den inval; maar Johannes hernam:

„Je zult er zot genoeg uitzien met je witte huid, dat is zeker.”

„En jij dan met je koffiekleurigen bast?” vroeg de Waal gebelgd.

„Ik...? ik; dat brengt me op een inval. Jullie kunt zoo niet met die blanke bakkessen blijven. Die zouden je dadelijk verraden. Hadt jullie nu maar zoo’n koffiekleurigen bast, maar daarover zal ik straks Dalim eens spreken, daarop zal wel wat te vinden zijn.”

„Je zult zien, dat we allen nog een zwart pak aangemeten krijgen,” lachte de Waal.

„Zeer waarschijnlijk,” zei Johannes droog, „en dat zal je wat deftig staan.”

„Vooral met mijn pantalon-collant.”

Allen lachten met uitzondering van Schlickeisen, die te mijmeren zat. Eindelijk vroeg hij Johannes:

„Hoe heeft zich die overrompeling van de „Onrust” toch toegedragen?”

„Wat zal ik je daarvan zeggen? ’k Zal je vertellen wat ik er van weet.”

Het vuur werd wat opgepookt, een goede hoeveelheid brandhout werd er opgeworpen en toen de vlammen helder opdwarrelden en de aangezichten fantastisch verlichtten van onze avonturiers, neergehurkt in die prauw, die te midden van het sombere woud als buiten haar element verloren scheen, begon Johannes het verhaal van het drama.

„In het begin van November 1859 kwam de „Onrust” te Poeloe Petak aan, waar toenmaals het fort bestond, dat later naar Kwala Kapoeas verlegd is. De luitenant Bangert, die civiel gezaghebber der Afdeeling Doesson en Bekoempai was, bevond zich aan boord en verzocht en verkreeg van den kommandant te Poeloe Petak een peloton van twintig infanteristen, om den tocht mede naar de Boven-Dousson te maken. Ik ben toen mee geweest. Alles was toen heel rustig en we werden goed ontvangen. ’k Hoorde praten dat het doel van de reis naar de Boven-Doesson was, om te trachten Pangerang Antassari, een der hoofdopstandelingen in den Bandjermasinschen oorlog in handen te krijgen. Maar welke aanbiedingen ook Tomonggong Soerapatti, hoofd der Dajaks van de boven Doesson, gedaan werden, tot het schenden der gastvrijheid, die hij den voortvluchtigen vorst verleende, daartoe was de oorspronkelijke Dajak niet in staat. We zijn toen teruggekeerd, uiterst voldaan over de ontvangst, hoewel niet geslaagd in de zending. In plaats van toen naar Poeloe Petak terug te stoomen om de daar opgenomen militaire macht weer af te zetten, stevende de Onrust recht door naar Bandjermasin, alwaar dat kleine detachement, bij het gebrek aan troepen, al spoedig bij verschillende mobiele kolonnes ingelijfd was. Ik vroeg en verkreeg verlof om naar Poeloe Petak terug te keeren, alwaar ik met een vivres prauw zoo wat tegen den 10n December aankwam. Weinige dagen later, ik meen den 16n, kwam de „Onrust” weer voor Poeloe Petak ten anker en bracht voor de bezetting een grooten voorraad vivres en geld mede. De kommandant van de benting ging bij aankomst van het stoomschip aan boord. Als roeier ben ik toen mee geweest en heb bij die gelegenheid een groot gedeelte van het gesprek gehoord, dat tusschen mijn officier en den luitenant Bangert, die andermaal aan boord was, gevoerd werd. Deze laatste vroeg weer om militairen, dat de andere pertinent weigerde. De beide officieren wandelden het niet lange achterdek op en neder en zoo kon ik verscheidene brokstukken opvangen. Zoo hoorde ik mijn kommandant antwoorden:

„Het kan niet. Hadt ge mij de twintig man terug bezorgd, die ge de vorige reis medegenomen hebt, dan kondt gij ze weer medenemen. Nu zit ik in een benting groot genoeg voor een half bataillon met hare vuurlijn van ruim vierhonderd meters met zes en twintig geweerdragende manschappen.”

„O! ik heb in die reis zoo’n zwaar hoofd,” hernam de ander, „geef me dan maar vijf of zes man mede.”

„Geen enkel man”, was het met drift gegeven antwoord, „ik mag die verantwoordelijkheid niet op me nemen. Ge kent den toestand van het gewest zoo goed als ik; de berichten van voorgenomen aanvallen op mijn post zijn zoo stellig, dat het opdagen van den vijand ieder oogenblik kan te gemoet gezien worden. Mag ik bij zoo’n toestand, mijn reeds zoo luttele bezetting nog verzwakken? de gevolgen zouden onberekenbaar kunnen wezen. Maar waarom hebt ge uwe bezwaren te Bandjermasin niet ingebracht? daar had men u versterking kunnen geven, zooveel men wilde.”

„Ik heb er over gesproken, maar de rapporten van den kommandant van het stoomschip luidden zoo gunstig over de gezindheid van Soerapatti jegens de blanken, dat versterking overbodig werd geacht. Je weet ook dat de marine er een hekel aan heeft troepen van de landmacht aan boord te hebben. Maar ik herhaal het, ’k heb een zwaar hoofd in dien tocht.”

„Kom! je stelt je de zaken te zwart voor. Een stoomschip met een bemanning van twee en vijftig koppen, waarvan verreweg de grootste helft flinke Hollandsche jongens zijn, bewapend met flink en ontzagwekkend geschut, midden op stroom liggend of stoomend, is waarachtig geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. En tasten de Heeren Dajaks het aan, dan wou ik wel van de partij zijn.”

„God geve dat je gelijk hebt!” sprak Bangert met een zucht.

Den volgenden dag vervolgde de „Onrust” haar reis, maar is nimmer teruggekomen. In de laatste dagen van December dreef er een zeer groote kardoeskoker en een luik dicht bij het fort aan den wal. Eenige dagen later werd bij den kampong Palingkey een hoofdeloos lijk opgevischt dat in vergevorderden staat van ontbinding verkeerde, en niet meer te herkennen was. Hemd en gestreepte slaapbroek duidden evenwel aan, dat het het lijk van een Europeaan was. Langen tijd vernam ik weinig geloofwaardigs van het gebeurde. Wel liepen een menigte geruchten, maar die waren zoo uiteenwijkend, dat er geen mouw aan te passen was.

Bij een der veelvuldige tochten, die de kommandant van Kwala Kapoeas in de bovenlanden gemaakt heeft, kreeg hij eens een Dajak te pakken. Deze had over het afloopen der „Onrust” veel te verhalen. Of het echter de volle, de geheele waarheid is, dat weet God alleen. Hij was er niet bij geweest, betuigde hij, maar een broeder van zijn vrouw had wel niet meegedaan, maar was in de nabijheid geweest, zoodat hem van het geheele drama niets ontgaan was.

„Toen de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen....”

„Heette die kampong niet Loentoentoir?” vroeg Schlickeisen.

„Neen, ik heb den naam van dien kampong niet vernomen. Maar Loentoentoir is het niet.”

„Ik meen dat toch gelezen te hebben.”

„Jawel, in de rapporten en couranten is dat ook medegedeeld, maar het zal straks blijken dat dat onmogelijk is. Luister slechts. Toen dus de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen, was het omstreeks donker. Toch kwamen nog een paar schoonzoons van het Dajaksche hoofd aan boord en berichtten dat de Tomonggong den volgenden morgen zijne opwachting bij den „toean koemdan” (heer kommandant) zou komen maken. Werkelijk kwam het oude opperhoofd, vergezeld van zes zijner zonen al heel vroeg—zoo omstreeks 8 uur—aan boord. Allen waren slechts gekleed met een „ewah”, alleen de Tomonggong had nog over het naakte bovenlijf een rood lakensch buisje met vergulden kraag. Ook hadden allen volgens nationaal gebruik den „mandauw” (koppensneller) op zijde en een mutsje, een soort van kalotje van apenvel op het hoofd.

„De ontmoeting met de officieren aan boord was allerhartelijkst. Er werden handdrukken gewisseld om er aandoenlijk van te worden. De zeven Dajaksche hoofden begaven zich op uitnoodiging van den kommandant van het stoomschip omlaag in diens kajuit en waren weldra in een diep gesprek gewikkeld over de belangen des lands, maar vooral over de oplichting van Pangerang Antassari, die weer ter tafel gebracht werd. Aan het dek waren twee der roeiers, die de hoofden aan boord gebracht hadden, gekomen en hadden een schuilplaats voor de zonnestralen onder de zonnetent gezocht en zich ergens tegen de verschansing neergehurkt. De schildwachten aan de valreep lieten hen ongemoeid en niemand scheen acht op die beide mannen te slaan, die evenwel even als de hoofden met den mandauw gewapend waren. De vier overige roeiers waren in de djoekoeng gebleven, die zij aan boord geroeid hadden en nu aan de trap aan stuurboordszijde vastgemaakt lag. In het eerste oogenblik verzamelde zich de geheele equipage nagenoeg om de beide Dajaks, die tegen de verschansing zaten, om de fraaie arabesken te bewonderen, die bij beide mannen op het bovenlijf zoowel op den rug als op de borst getatouëerd waren. Met echt Oostersche onverschilligheid lieten zij zich door Janmaat bekijken en keerden zich gewillig om, om alle zijden van het wezenlijk fraai tatoueerwerk te vertoonen.

„Beneden was het gesprek druk aan den gang. Dat gesprek scheen dorstig te maken; althans de kommandant bood zijn bezoekers een glas bier aan, dat dankbaar aangenomen en gulzig in een teug leeggedronken werd. Later werden om die oorspronkelijke gemoederen te winnen en op hunne snoepachtigheid te speculeeren, likeuren aangeboden, waarvan de anisette van Wijnand Focking hun bij uitstek scheen te smaken. Zij likten zich de vingers af, ja brachten de enorme lange tongen in de glaasjes om den laatsten droppel van het verleidelijk vocht op te vangen. Een duplikaatje, zelfs een triplikaatje was niet voldoende om het vrijmoedig maar koddig aandringen andermaal ingeschonken te worden, te bevredigen. Er is geen vroolijker mensch in de wereld dan een beschonken Dajak; hij is dan vol lachlust, uiterst levendig en spraakzaam en legt klaarblijkelijk aanleg tot geestigheid aan den dag. Hij is dan onvermoeid in het bezigen van kwinkslagen, die menigmaal, en met recht, een onbedwingbaar gelach opwekken. Het is opmerkelijk, dat een Dajak in dien toestand nimmer twistziek is; hoevelen er ook van die drinkebroers bij elkander zijn, nimmer zullen zij ruzie krijgen met elkander.

„De kommandant en de officieren vermaakten zich ter dege met den lustigen troep en wellicht onder den indruk van die vroolijkheid hebben zij hunne gasten niet binnen de grenzen eener betamelijke matigheid gehouden.

„Tegen een uur ’s namiddags kwamen de kommandant en de luitenant Bangert met de zeven Dajaks aan het dek om dezen den dertigponder, waarmede het stoomschip gewapend was, te toonen en hun het gebruik uit te leggen. Het was toen ontzettend warm. De zon stond nagenoeg loodrecht boven het schip en geen zuchtje liet zich gevoelen. De bemanning van het schip was beneden, waarschijnlijk in diepe rust bij die aamechtige warmte; alleen de twee schildwachten, die op hun post aan de valreep stonden, en de scheepsdokter waren aan het dek. Deze laatste stond, op zijn elleboog rustende, op de koekoek van de longroom geleund en keek naar voren, waar de uitleg van het gebruik van het kanon aan de Dajaks aan den gang was. Plotseling stiet een der Dajaks, die tegen de verschansing neergehurkt was geweest, zijn „lahap” (oorlogskreet) uit en tegelijkertijd kreeg de geneesheer van achteren een houw tusschen de schouders, zoodat de punt van den mandauw, waarmede de slag was toegebracht, voor tusschen de ribben te voorschijn trad. Zonder een kik te geven stortte de dokter of beter zijn lijk door de koekoek en kwam terecht op de daaronder staande tafel in de longroom. De naastbijzijnde schildwacht doorstak dien aanvaller met zijn bajonet; maar voordat hij zijn wapen nog had kunnen terugtrekken uit het lichaam, viel hij zelf doodelijk getroffen ter neder. Op den uitgestooten oorlogskreet, waren de vier roeiers uit den djoekoeng naar boven gesneld, en hadden zich met den mandauw in de hand onverschrokken op de schildwachten geworpen, die dan ook in een ommezien in hun bloed lagen te baden. Tegelijkertijd met dien „lahap” begon ook de moordpartij voor bij het kanon. De beide officieren stonden geheel ongewapend tegenover de zeven Dajaksche hoofden, die hunne mandauws getrokken hadden. Den kommandant van het stoomschip was het hoofd van den romp gesneld, voordat hij recht begreep wat er gaande was. Met Bangert werd een ondeelbaar oogenblik gedraald. Deze had zeer kort geknipt haar; toen zijn aanvaller hem daarbij wilde grijpen om hem op de gebruikelijke wijze den doodelijken slag toe te brengen, lukte dat niet dadelijk, maar greep de Dajak hem bij den sik. Het slachtoffer had daardoor nog den tijd om zich tot Soerapatti te wenden en hem toe te roepen: Of dat nu de dank was, voor het vele goede, dat hij voor de Dajaks had tot stand gebracht? Waarop Soerapatti hem antwoordde, dat er beraadslaagd was des avonds te voren, om hem, Bangert het leven te sparen; maar dat men er van had moeten afzien, wegens de verregaande kwade trouw der blanken op wier woord geen staat te maken was. Dat het daardoor onmogelijk was, hem naar Bandjermasin terug te zenden; en hem te midden der Dajaks te laten leven, een marteling zou zijn erger dan de dood. Het was dus beter dat ook hij maar gesneld werd. En een teeken gevende, viel de noodlottige slag en hield de gillende Dajak het hoofd boven zijn mond en zwelgde met wellust het fel stroomende bloed op.

„Wat gebeurde inmiddels in het benedenschip? Op het leven door den val van den dokter veroorzaakt, waren de officieren in de longroom hevig verschrikt van hun legerstede opgevlogen, maar zij hadden niet eens den tijd naar een kleedingstuk of een wapen te grijpen; voor dat zij tot bezinning gekomen waren, lagen zij in hun bloed te wentelen. De roeiers waren namelijk dadelijk naar beneden gestormd en hadden er maar op ingehouwen, zoolang zich iemand in de longroom geroerd had. In weinige seconden dus, in veel minder tijd dan noodig is geweest om het te verhalen, was het schip van zijn bevelhebbers beroofd. Inmiddels waren ettelijke honderden prauwen van achter een nabij gelegen landtong het schip op zijde geschoten, en nu wemelde het op het dek van uitgelaten bloeddronken vijanden, die van blijdschap allerlei luchtsprongen uitvoerden en kreten uitstieten, die niets menschelijks hadden. Wat in dien tusschentijd in het vooronder voorviel, daarvan zal wel nimmer eenig nauwkeurig bericht te geven zijn. Een aantal Dajaks waren naar beneden gestormd en vonden daar een van angst waanzinnige menschenmassa, waar zij de moeite maar te doen hadden van in te hakken. Tegenweer werd niet geboden, het waren slechts gillende en snikkende waanzinnigen, die slechts kermen en klagen konden en niets deden dan onschadelijk voor de aanvallers de handen te wringen. Was de sleutel der wapenkamer in dat noodlottig oogenblik zoek, of hadden de Dajaks door de koenheid van hun overval, de blanken daarvan afgesneden? Wie zal dat ooit uitmaken? genoeg zij het, dat allen weerloos afgemaakt werden en dat van al de Dajaks, die ten aanval stormden, slechts hij omkwam, die den dokter had neergelegd, en van de overigen niemand zelfs maar een schram bekwam. Toen de laatste der opvarenden in het vooronder in zijn bloed lag te rochelen, stegen de overwinnaars naar het dek en nu begon een feest, dat zijn weerga niet in de Dajaksche geschiedenis gehad heeft en ook waarschijnlijk niet hebben zal. Wel werd het een oogenblik gestoord door een viertal Europeanen,—waarschijnlijk machinisten—die uit de diepte der machinekamer opdoken, hunne pistolen wild en verward afschoten, daarna in allerijl op de raderkasten der boot klommen en in de rivier sprongen. Maar toen het bleek dat niemand gekwetst was, verhoogde die episode nog de feestvreugde. Ras waren eenige djoekoengs bemand om de „badjai bapoeti” (witte krokodillen) te vervolgen, en nu begon een vreeselijke jacht, die niet eindigde dan met den meest smadelijken dood van de rampzaligen, die een laatste redmiddel in een overhaaste vlucht meenden gevonden te hebben.”

„Dagen lang duurde het feest, waartoe de dranken, aan boord gevonden, aan de algemeene vreugde het hunne bijdroegen. Zwangere vrouwen moesten aan boord komen, opdat de aanraking van zulk een overwinningsteeken, der vrucht, die zij droegen, voorspoed en geluk zoude aanbrengen. Alle mannelijke kinderen moesten van heinde en ver komen, om het vaartuig met de hand aan te raken, opdat de geestkracht en de moed hunner vaderen in hen zouden varen.”

„Toen het feest afgeloopen was, gingen de Dajaks aan den arbeid. Zij begrepen, dat de blanken alles zouden in ’t werk stellen, om het veroverde schip te hernemen, en ook om consequent met hunne wijze van oorlogvoeren te blijven, die wel toelaat zelf den tegenstander afbreuk te doen, maar dien tegenstander buiten de wet plaatst, wanneer hij eenig succes behaalt, die verovering ten bloedigste te wreken. De Dajaks bouwden dus een fort en kozen daartoe een goed gelegen punt uit aan de uitwatering van de Soengei Lahey, en bewapenden dat met den dertigponder van de „Onrust.” Ik kom nu tot mijn beweren van straks, dat het afloopen van het stoomschip te Loentoentoir niet heeft kunnen plaats hebben, maar hoogerop heeft moeten geschieden. Lahey ligt nagenoeg drie uur stoomens bovenstrooms van Loentoentoir; de stroom in den Doesson aldaar is zeer sterk en nu is het als geheel onmogelijk te achten, dat de Dajaks een zoo zwaar voorwerp als dat stuk geschut met hunne oorspronkelijke middelen zulk een verren afstand zouden hebben kunnen vervoeren.”

„Zouden ze dat niet met behulp van een vlot hebben kunnen verrichten? Ik heb gehoord dat ze verbazend knap in het behandelen daarvan zijn,” vroeg Wienersdorf.

„Een vlot tegen dien stroom! onmogelijk! heb je wel eens een vlot zien hanteeren? Neen? nu daartoe zal je nog wel in de gelegenheid komen, en dan zul je mij gelijk geven.”

„Maar zouden ze het schip niet naar Lahey kunnen gebracht hebben?”

„Kom, wees nu niet mal. Vooreerst van een hanteeren der machine hadden ze geen verstand; ze waren er zelfs in den beginne bang voor, en om nu dat vaartuig tegen dien zwaren stroom op te boegseeren, was even ondoenlijk als dat van een vlot zou zijn geweest. Daarenboven, waarom zouden de Dajaks zooveel omslag gemaakt hebben om het schip van Loentoentoir naar Lahey te brengen en het daarna weer naar eerstgenoemde plaats te voeren en het daar te laten zinken. Neen, het schip is òf te Lahey òf iets hoogerop afgeloopen. Een andere meening is onaannemelijk.”

„Maar ik heb gelezen, dat de kommandant het schip heeft laten zinken en dat het reeds bij het eindigen van het gevecht onder water verdween.”

„Ja, dat heb ik ook gelezen; maar daar is niets van waar. De kommandant is een der eersten gevallen. Welke heldenziel men hem nu ook toedicht, dat feit heeft hij niet kunnen verrichten. Maar er is nog wat. Bij de veelvuldige patrouilles, die later in den omtrek gedaan zijn, hebben de soldaten allerlei voorwerpen gevonden, als zakboekjes der matrozen, papieren en kleedingstukken der officieren, zelfs sieraden, als epauletten en steken, waarop geen spoor te ontdekken was, dat zij in het water gelegen hadden. Is dat niet afdoend? Gelooft me, het schip is dagen, ja wellicht weken lang boven water gebleven en het is niet dan nadat het geheel en al leeg geplunderd was, dat de Dajaks de ankerkettingen hebben laten slippen, na alvorens een gat in den romp gekapt te hebben. Door den zwaren stroom medegesleept, is de Onrust nog eenigen tijd drijvende geweest en is eindelijk te Loentoentoir gezonken. En nu nog, nadat verscheidene jaren over het gebeurde heengegaan zijn, nu ligt de djatiehouten romp van de „Onrust” nog steeds tot schande van de Nederlanders bij Loentoentoir in den Doesson en bij iederen oostmousson, wanneer door het vallen van het water die romp zichtbaar wordt, stroomen de jongelingen en knapen toe, om de „banama assep” (het vuurschip) door hunne vaderen veroverd en aan de Hollanders ontwrongen, te bezien, om dien romp aan te raken en daardoor in de toekomst den moed en den wil deelachtig te worden, eenmaal ook zoo’n heldenfeit te kunnen uitvoeren [36]. Zij keeren dan naar huis terug om de bekkeneelen te beschouwen van hen, die onder den vreeselijken mandauw vielen.”

„Zietdaar,” eindigde Johannes zijn verhaal, „wat ik weet van het afloopen der „Onrust”.”

„Oef!” riep La Cueille, „jullie bent lollige jongens; ’t is om de nachtmerrie te krijgen. Eerst van dat boschspook en van dien doojen pembekel; toen dat verdraaide koppensnellen en nu tot slot die uitmoordingsgeschiedenis. ’k Ben blij dat de dag aan den hemel komt. ’k Ben benieuwd wat mooie geschiedenissen morgen op het tapijt zullen komen? En dan dat bloeddrinken! brr! brr!!”

„Je zult nog wel meer hooren en ook zien, dat beloof ik je,” zei Johannes lachende, „’t Zal steeds zijn: „pas op je kop,” en breng je dien knikker in het Walenland terug, dan mag je wel naar Kevelaar of Scherpenheuvel trekken om daar een schietgebedje te doen.”

„Ik beloof,” prevelde de Waal vroom, terwijl hij aandachtig de handen vouwde, „aan Notre Dame de Montaigu een dubbele waskaars, ieder van twee pond, wanneer ik in mijn land terugkom.”

„Met je kop natuurlijk?”

De Waal rilde, maar antwoordde niet.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

VIII

Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias Morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek.

Met het krieken van den dag wekten de Europeanen, die geen oog toegedaan hadden, de Dajaks, die nog wel wat hadden willen luieren. Maar Johannes nam Dalim ter zijde en praatte een poos heel druk met hem. De twee anderen gingen aan het rijst koken en visch poffen, zooals dat daags te voren geschied was. De Europeanen verfrischten zich en dreven den slaap uit de oogen, door hun lichaam in ’t riviertje te dompelen, waarop de prauw te dobberen lag.

Nadat Dalim een wijl met Johannes gepraat had, trad hij lachende het dichte bosch in en verdween voor een oogenblik uit aller oogen. De andere haalde het pak kleeren te voorschijn, waarover hij des nachts gesproken had, zocht daaruit wat hij noodig had en sprong vervolgens in het water, het voorbeeld zijner makkers volgende en plaste en dartelde, zooals dat alleen een Indo-Europeaan doen kan. Toen hij er genoeg van had, greep hij zijn pakje, kroop daarmede achter een struik en, even later trad een vreemde Dajak met den ontblooten mandauw in de hand op de Europeanen toe, die nog aan ’t baden bezig, een schreeuw van ontzetting slaakten. Een luide lach klonk hun in de ooren, gevolgd door de woorden:

„Hèlo mikèh, olo bapoeti” (niet bang zijn blanke menschen).

De vermomming was volkomen. Toen zij de stem hoorden, herkenden zij Johannes terstond, die daar met de „ewah” voor eenig kleedingstuk en een vuilen hoofddoek om de slapen gewonden, voor hen stond. In het pak van Baba Poetjieng waren ook eenige mandauw’s, het gebruikelijke zwaard der Dajaks, wanneer zij ten oorlog of op „Kajau” (sneltochten) uittrekken. Hij had er een van uitgezocht, dien omgegespt en, om de vertooning nog aangrijpender te maken, het vreeselijke wapen uit de scheede getrokken.

Nadat hij een wijl bekeken en bewonderd was, werd ontbeten. Gedurende het ontbijt kwam Dalim uit het bosch terug. Deze greep een pot, deed daarin een pak bladeren, die hij aangebracht had, goot daar water op, voegde er vervolgens eenige droppels bij van een zwarte verfstof, uit een klein steenen kruikje, dat hij had hangen aan de rottanlus, waarmede hij zijn mandauw omgespt had, zette nu den pot te vuur en nam toen plaats om ook zijn aandeel van het ontbijt te verorberen.

Toen hij daarmee klaar was, kookte zijn mengelmoes. Hij nam den pot van het vuur en verzocht nu Schlickeisen, die zich het dichtst bij hem bevond, de handen uit te steken. Hij had het hemd van Johannes al gegrepen, daarvan een lap afgescheurd en dien in den pot gestoken en zoo bevochtigd. Toen Schlickeisen zijne handen aanbood, wreef hij die een poos met den lap, waarna zij bijna oogenblikkelijk een fraaie bruine tint aannamen, die hem de meest fatterige inlander zoude benijd hebben. Met de handen klaar, greep Dalim den Zwitser bij den nek, draaide hem het hoofd onder zijn arm en waschte hem het aangezicht en hals, zooals hij met een knaap van zes jaren zou gedaan hebben. De omstanders lachten, dat zij het meenden te besterven. Toen de operatie afgeloopen was, was Schlickeisen onkenbaar. Het was jammer, dat geen spiegel in de prauw aanwezig was, om hem gelegenheid te geven zich zelven te bewonderen. Maar Johannes was van meening dat het geheele lijf der blanke vluchtelingen zoo moest toebereid worden, wilde men voldoende gewaarborgd zijn, en dat beaamden allen. Dalim liep dus het bosch weer in om nog meer bladeren te zamelen, ten einde op grootere schaal te kunnen opereeren. Het waren de bladeren van den „Kalampoeït” een boomsoort tot de Rododendrons behoorende, waarvan de Dajaks ook een afkooksel gebruiken, om hun pijlvergift te versterken. Bij het kooksel, dat thans bereid werd, dienden de bladeren slechts als bindingsmiddel. De eigenlijke kleurstof nam Dalim uit het steenen kruikje en het daarin vervatte was het sap van de „Katiting,” een boom tot de Rhisophoren behoorende, dat door verbranding van de houtdeelen verkregen wordt en alsdan als pik zoo zwart te voorschijn treedt.

Een uur later waren onze Europeanen prachtig gebronsd en stapten, in hun „ewah” gehuld, zoo deftig, als waren zij geboren Dajaksche hoofden. Alleen La Cueille werd bevonden minder juist het Dajaksche type weer te geven. Hij, met zijn scherp besneden gelaat, fonkelende oogen, fraaien ringbaard en krullenden haardos, vertoonde na zijn bruineering zoo zuiver het type van den Arabier, dat men hem met algemeene stemmen tot „Sjech” (arabisch praedikaat) verhief en hem Mohamed Al Mansoer noemde. Daardoor verwierf hij het groote voorrecht in de tegenwoordige omstandigheden, een chlamyde, lang hemd in den vorm van een paletot-sac, waarover een gekleurde lange kabaai, te mogen dragen. Zijn hoofd werd met een tulband versierd, en zijne voeten werden geschoeid met sandalen, terwijl hij steeds de kralen van een rozenkrans tusschen de vingeren moest laten glijden. Nu, dit laatste was hem niet vreemd. In vroegere dagen had hij een dergelijk vroom werktuig meer gehanteerd en aan de voeten van het Moeder-Gods-beeld geknield, menig „Ave Maria” en „Gloria Patri” afgepreveld. Waar hij meer moeite mee had, waren de sandalen en het kostte hem veel oefening op die platte zolen, die slechts door een pin tusschen den grooten en eersten teen vastgehouden werden, op eenigszins fatsoenlijke wijze voort te sloffen. Maar met vasten wil kan men alles. Weldra schoof Richard La Cueille daar zoo heilig heen en prevelde zijn „lā ilāha illa-llāhoe” (Er is geen God dan Allah), zoo zalvend, alsof hij in Arabia Petrea het eerste levenslicht had gezien. Daarbij kwam nog dat Dalim, hetzij onwillekeurig, hetzij opzettelijk, den Waal donkerder getint had dan zijn lotgenooten, waardoor de gelijkenis met een echten Sjech voltooid werd.

Er werd afgesproken, dat, bij ontmoetingen met inboorlingen, alleen de ware Dajaks en Johannes, die de landstaal volkomen machtig was, zouden mogen spreken. De beide Zwitsers zouden als „djipen” (pandelingen) een diep stilzwijgen moeten bewaren, terwijl Sjech Mohamed Al Mansoer slechts Maleisch behoefde te brabbelen, en dat te doorspekken met Arabische spreuken en Koran-versetten, die Johannes hem wel leeren zou.

Een laatste bewerking, die de Zwitsers en ook Johannes nog moesten ondergaan, om volmaakt op wezenlijke Dajaks te gelijken, was het verven der tanden. Met behulp van den inhoud van Dalim’s kruikje, met dat zwarte Katitingvocht, was men spoedig klaar en glom het gebit van Johannes en der beide anderen, als ware het van ebbenhout vervaardigd. Dalim beval hun nu nog aan, zich nog eenige dagen achter elkander ’s morgens na het baden, de huid met zijn brouwsel in te wrijven, dan zouden zij in de wol geverfd zijn en behoefden zij niet te vreezen, dat zij in het eerste half jaar verkleuren zouden.

„Jèh tèh olo Ngadjoe bara bahalap haliai.”

„Ge zijt al te mooie Dajaks” was de meening van Dalim en werkelijk de man had gelijk. Wel hadden de drie Europeanen de breede ruime borstkassen, de flink ontwikkelde schouders en de stevige armen van het type, dat zij voorstelden, maar zij misten daarentegen de kromme verwrongen beenen, waaraan de bewoners der laaglanden van het eiland Borneo hun naam ontleenen. Dajak is een verkorting van het woord „dadajak” dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kan dienen.

In de taal des lands heeten de stammen, die wij Dajaks noemen „Olo Ott”, indien het de bergbewoners geldt; „Olo Ott Danom”, indien men de bewoners van de lagere gedeelten langs de rivieren en stroomen aanduidt; en „Olo Ngadjoe” indien van de kust- of moerasbewoners gesproken wordt. Ter nadere aanduiding wordt daarachter de naam van den berg, den stroom of rivier genoemd, waarbij de bedoelden wonen. Zoo „Olo Ngadjoe Kapoeas”. De Ngadjoe’s van de Kapoeasstreken; „Olo Ott Danom Kahajan” de Ott Danom’s der Kahajanstreken; „Olo Ott Bohong”, de Ott’s die bij den berg Bohong huisvesten.

Toen de herschepping onzer deserteurs afgeloopen was, bonden zij hunne militaire kleeding in een pak te zamen, belastten dat met een goede vracht klei en lieten het in het diepste gedeelte der soengei zinken. Vervolgens werd aan den arbeid getogen om de prauw verderop te doen stevenen. Maar dat was een harde arbeid. De soengei Dahasan is eigenlijk een der vele afwateringskanalen van een uitgestrekt moeras, dat zich in een depressie-plooi tusschen de Kapoeas, de Kahajan en de Troessan gevormd heeft en met een dichte wildernis overdekt is. Het zijn vooral de slingerplanten, die hier in verbazende hoeveelheid voorkomen en den geheelen grond overdekken, de verschillende riviertjes, poelen en kreken met een dicht lover overbruggen, tegen de hoogste woudreuzen opklimmen, ze omstrengelen en hunne kruinen zoo overdekken, dat zij, in vereeniging met de ontelbare woekerplanten, die in die vochtige bosschen bij uitnemendheid tieren, hoog in de lucht op die reuzenstammen een nieuwe plantenwereld vormen. De grootste boomen en de kleinste struiken, stammen en takken zijn bijna met een ondoordringbaar weefsel overtogen. Groepen van overschoone boomen, met stammen zoo recht en glad als zuilen, dragen die parasiet-wouden, die boven haar somber loofdak uitsteken en de eentonige omtrekken dier bosschen schakeeren en schilderachtig verbreken. De reiziger in zulke streken, ongeduldig den voet op den vasten bodem te kunnen zetten, meent in die luchtwouden heuveltoppen en opgaand terrein te ontwaren en ziet zich deerlijk teleurgesteld; want de bodem begeeft hem al meer en meer en somtijds zou hij wegzinken, wanneer de slinger- en klimplanten zijn voet niet tot steun strekten.

Wat op het terrein benoorden de Troessan het meest voorkomt tusschen de reuzenboomen van het oorspronkelijk woud, zijn de rottansoorten, die door de Dajaks met den algemeenen naam: „Oeai” betiteld worden. De rottan is een slingerplant, die veelal op een afstand van vele meters over den grond voortkruipt, zich tegen boomen en struiken naar boven slingert en alles in den omtrek met een warnet overdekt, waarin slechts met de bijl in de vuist een weg te banen is. De scheede, waarin de stam der plant verscholen ligt, is met veelvuldige zeer scherpe doornen overdekt en levert dus voor den woudlooper een geduchten hinderpaal op.

Ons zevental begaf zich in de bedding der soengei te water; en terwijl vijf hunner, met het hakmes in de hand, de takken, struiken en slingerplanten uit den weg ruimden en ten koste van menige pijnlijke schram en van menigen zweet- en bloeddruppel ruim baan maakten, liepen de beide anderen rechts en links van de prauw, soms tot aan het midden in ’t water en stuurden en stuwden haar langzaam door het kronkelende vaarwater, dat eigenlijk niet anders was dan een pad van een djoekoeng, in vroegere dagen door den zachten modder gesleept. Het was een onmenschelijke arbeid, waarbij ook de prauwvoerders menigmaal het hakmes in den dichten doornenwand moesten hanteeren, wanneer het dakwerk van het vaartuig, daarin verward, niet meer toeliet voor- of achterwaarts te stevenen.

Tegen den middag hadden de vluchtelingen nog maar weinige kilometers afgelegd; maar toen waren hunne krachten zoodanig uitgeput, dat zij hijgend naar rust haakten. Ook was door de ingevallen eb het water rondom zoodanig afgeloopen, dat het vaartuig in den modder eindelijk als vastgeklonken, niet meer vooruit te brengen was, welke inspanning men daartoe ook aanwendde. Noodwendig moest de volgende vloedstand afgewacht worden.

Van de gedwongen rust werd gebruik gemaakt, om het middagmaal te bereiden, waarbij de Dajaks zich zeer verdienstelijk maakten, door in de gaten en kuilen van het drooggeloopen terrein eenige „bapoejoe’s” en „gaboe’s” te vangen, waardoor het maal aan verscheidenheid zeer won.

De „bapoejoe” is een visch [37], die in uiterlijk en ook in grootte veel van onze baarsjes heeft; alleen mist hij de scherpe rugvinnen, maar is even lekker als deze. Die visch is van zeer gezelligen aard en trekt in vrij groote scharen over het overstroomde land. Wordt hij door de ingevallen eb verrast, en blijft hij op het droge, dan trekt hij, door zijn instinct geleid, al springende door den modder naar de naastbijgelegen soengei, om daar zijn element weer op te zoeken. Hij kan zoo dagen lang buiten het water vertoeven en het is wezenlijk een verrassend gezicht, soms honderden van die visschen, in een bepaalde richting door den modder te zien spartelen en hunne reis vervolgen, niettegenstaande de menigvuldige hinderpalen, die zoo’n moerassig bosch hun oplevert.

De „gaboes” is ook een moerasvisch, die soms acht d.m. lang wordt en in vorm veel met zeelt overeenkomt.

Toen het maal verorberd was, gingen de Dajaks rottan verzamelen; die zou hun op de verre reis, die zij voor hadden, zeer te stade komen. Zij sneden eenige einden, dertig à veertig meter lang, van die soort, welke door hen „oeai ahas” genoemd wordt. Zij rolden die zorgvuldig op en borgen ze in de prauw. Die zouden wel als kabeltouwen bij de een of andere gelegenheid te pas komen. De soorten als „oeai irit, oeai tapa en oeai hantoe,” die gemengd onder elkander in den handel voorkomen en het materiaal zijn, waarvan stoelmatten en ander vlechtwerk vervaardigd worden, werden op de gebruikelijke lengte van ruim tien rijnl. voet gesneden, vervolgens van de doornen schacht voorzichtig ontdaan en eindelijk in bossen van honderd stuks te zaam gebonden. Wel ware het noodig geweest den rottan eenigen tijd in een sloot of rivier te dompelen om uit te wateren, ten einde vroegtijdig bederf te voorkomen en hem een fraaie witte of gele kleur te geven, maar daarmede konden onze vluchtelingen zich niet ophouden; de gesneden rottan zou het wel uithouden, zoolang hunne reis duren zou. Daarbij, er zou wel gelegenheid zijn om bij noodzakelijkheid den voorraad aan te vullen of te vernieuwen.

Terwijl de eigenlijke Dajaks zich zoo bevlijtigden, zaten de namaaksels uit te blazen van de afmattende vermoeienis; ook ten einde weer krachten te garen, om straks op nieuw met ijver aan den gang te kunnen gaan. In den regel vermoeit de Europeaan in Indië zich meer dan de inlander bij gelijken arbeid. Vooreerst door het voor hem afmattende luchtgestel; maar vooral door de voortvarendheid en—men zou haast kunnen zeggen—door den onbesuisden haast, waarmede hij de handen aan het werk slaat.

Die rust van armen en beenen sloot evenwel de onbeweeglijkheid der tong niet in zich. Aan hunnen landaard getrouw, lieten zij dat lichaamsdeel vrij spel en pleitten ijverig voor het beweren van de inlanders, dat de tong den blanken het meest dient. Er was trouwens nog veel te bepraten en bij de ontwikkeling der toestanden, zouden de reizigers wel nimmer gebrek aan stof tot gedachtenwisseling krijgen.

Ook nu trachtte Johannes zijnen lotgenooten voor oogen te houden, dat alleen de grootste voorzichtigheid tot het beoogde einddoel kon voeren. Hij meende daarop niet genoeg te kunnen terugkomen.

„Ik wil daarmee niet beweren,” vervolgde hij, „dat we ons als lammelingen te gedragen hebben. Voorzichtigheid sluit volstrekt geen lafhartigheid in zich. Komt het er op aan, met onze vuisten of met onze wapens ruimbaan te moeten breken, dan zonder dralen er op in! Een bedaard en berekend moedbetoon, kan dan veel ontzag inboezemen. Maar in de omstandigheden, waarin we zijn, moeten we alles aanwenden, om de gelegenheden te mijden, ruimbaan te moeten maken. Vooral moeten we oppassen met iedereen, die van de benedenstreken komt. Gist de kommandant te Kwala Kapoeas eenmaal, dat we deze buurt uit zijn, dan....”

„Dan, dan,” viel La Cueille hem ongeduldig in de rede, „dat heb je ons al verteld, dan worden we als wilde beesten gejaagd enz. enz.”

„Bleef het bij dat enz. maar. Buiten die jacht zou je wel eens stukjes zien vertoonen, waarvan je nooit gedroomd hebt en die ook onmogelijk te voorzien zijn. Als de kommandant ons op ’t spoor is en zich eenmaal in ’t hoofd gesteld heeft, ons machtig te worden, dan deinst hij voor weinig middelen terug om zijn doel te bereiken. We kunnen dan niet voorzichtig genoeg zijn. Wil jullie een voorbeeld van de kunsten die hij weet uit te halen? Zeker heb je wel eens van de gevangenneming van de mandoor’s Dasso en Doeta gehoord? Die leeft althans in de overlevering van Kwala Kapoeas voort.”

„Ik heb er wel van hooren praten,” zei Schlickeisen, „maar het fijne weet ik er niet van. Wie waren die lui?”

„Luistert, dat zal ik je vertellen. Dasso en Doeta zijn Dajaks van Poeloe Petak en hebben daar en in de beneden-Kapoeas vele verwanten. ’k Geloof zelfs dat Dalim een halve broeder van eerstgenoemden is. Beiden en ook de drie Dajaks, die ons nu vergezellen, waren, bij het uitbreken van den opstand in dit land, werkzaam bij de steenkolenmijn te Kalangan. Dasso en Doeta waren „mandoor” (opzichter), de anderen eenvoudige mijnwerkers. Alle vijf hebben zich schuldig gemaakt aan de moordtooneelen, die daar plaats gegrepen hebben.”

„Een mooi zoodje, waarmee je ons in gezelschap gebracht hebt,” meende Schlickeisen.

„Net of anderen zoo maar voor ’t grijpen waren, bij zoo’n onderneming.”

„Maar zijn ze te vertrouwen?”

„Ik meen meer dan iemand anders. Ze hebben zich in ’t hoofd gezet, Singapore te bereiken en daartoe hebben ze onze hulp noodig. Bij de voorgenomen reis over zee, had ik hun slechts de rol van roeier toebedacht, dus een zeer ondergeschikte. Bij de verandering van reisplan, treden ze meer op den voorgrond, omdat ze met land en volk zeer goed bekend zijn. Ze kunnen ons onschatbare diensten bewijzen, ja ik durf beweren, dat zonder hen de tocht, dien we ondernemen, onuitvoerbaar zou zijn. Daarbij komt nog, dat ze in deze streken vele familieleden bezitten. Dat is een soort waarborg voor ons; want menigeen zal afgeschrikt worden hen aan de blanken te verraden, uit vrees voor weerwraak, die voorzeker volgens de Dajaksche gewoonten uitgeoefend zou worden.

„In zoo verre juist geredeneerd; maar als zij zelven verraad plegen?”

„Dat is met hun verleden en met hunne plannen moeielijk aan te nemen. Het is evenwel voorzichtig hen niet uit het oog te verliezen, op alles voorbereid te blijven en bij ontdekking zich door geen dwaze en ziekelijk menschlievende overweging te laten weerhouden, maar de onverlaten onmiddellijk neer te steken.”

„Goed zoo besproken! Ga nu voort met je verhaal.”

„Van Dasso en Doeta was het bekend, dat ze niet alleen aan het moorden hadden deelgenomen, maar ze waren aangewezen als de eersten, die de Europeesche vrouwen onteerden en vermoordden. Na die schandalen waren de twee snuiters na veel omzwervens in de Dajaklanden teruggekeerd en hadden zich metterwoon in de soengei Kajoe, die wij morgen, hoop ik, voorbijvaren zullen, gevestigd. De luitenant had er al gauw kennis van en was er te eer op uit die kerels op te pakken, daar sedert hun aankomst in het gewest, een geest van lijdelijk verzet zich onder de bevolking openbaarde, die tot nadenken moest stemmen en ook andere gebeurlijkheden moest doen vreezen. Wat we toen gemarcheerd hebben, daarvan is geen begrip te geven. Soms twee ja drie malen per dag rukten patrouilles uit; later werden nachtelijke tochten beproefd; maar jawel! kijk eens Piet of ze komen! Bekaf van vermoeidheid, uitgeput van honger en dorst, nat en modderig van je hielen tot op de kruin van je hoofd, door het baggeren te midden van dat kostelijk terrein en door soengei’s, die we soms uren lang volgen moesten, keerden we in het fort terug. En alles was te vergeefs; als we aankwamen, waren de vogels gevlogen. Meestal stond de rijst nog op het vuur of was hun legerplaats nog warm.”

„Maar me dunkt dat het gevangen nemen van die schoeljes toch zoo moeielijk niet kon zijn,” meende Schlickeisen alweer, „met behulp der bevolking moesten ze geknipt worden.”

„Ja, daar zat het hem juist. De bevolking hielp volstrekt niet mede; het tegendeel was waar. Bijna al de bewoners van het district waren familieleden van die twee mandoor’s. Als er een patrouille uittrok, dan werden van uit hooge boomen, die aan ons gezicht onttrokken waren, signalen gegeven en dan kon je loopen zooveel je maar wilde. ’t Gaf toch niets. De luitenant heeft het ook, onder toezegging van hooge premiën, met bevolkingspatrouilles geprobeerd; maar dat gaf nog minder.”

„Maar je vertelde zoo even, dat de aankomst van die onverlaten in de negorij verraden was. Kon de luitenant die verraders niet bezigen? Me dunkt met geld...?”

„Slim ben je niet, dat moet gezegd worden, al heb je meer geleerd dan ik. Begrijp je dan niet, dat zoo’n vent die wel het hart heeft om tusschen licht en donker den luitenant zoo wat in ’t geniep te komen vertellen, bij dag een paar pootige kerels niet aandurft, voornamelijk ook alweer uit vrees voor de bloedwraak van wege de familiebetrekkingen? Neen, daar viel al heel weinig aan te vangen. Maar wat gebeurt? Luistert nu goed toe. Op een namiddag zie ik den kommandant, uitgestrekt op zijn luiaardstoel, onder de voorgalerij zijner woning zitten. Hij had een kop thee bij zich staan; maar ik merkte op dat hij aan ’t „pikeren” (peinzen) was. Strak keek hij voor zich uit en beet daarbij op zijn nagels en op zijn schralen knevel, alsof die het er bij inschieten moesten. Duivels! ik kende hem, en begreep, dat er wat aan ’t handje was. Plotseling roept hij een der politie-oppassers, die, zooals je weet, ter zijner beschikking zijn, en gelastte hem een der matrozen van de stroomop liggende kruisboot te halen. Die vent verscheen spoedig genoeg, maar wat de luitenant met hem besprak, heb ik niet gehoord; dat zal evenwel straks blijken. Toen hij weer weg was, werd ik geroepen; ’k was destijds magazijnsknecht en moest twee kelderflesschen jenever bij den kommandant brengen, hem helpen daarvan de papieren stempels, die het lak dekten, voorzichtig af te nemen, en de flesschen openen. Ik dacht eerst dat de luitenant een hartigen teug wilde nemen, misschien was hem de thee te flauw. Maar neen, hij nam uit de medicijnkist die doos met poeders, je weet wel van die, welke hij hun geeft die bloeddiarrhee hebben.”

„Jawel, murias Morphini,” zei Wienersdorf.

„Juist, hooggeachte geleerde. Hij wierp zoo ongeveer een zestal van die poeders in iedere flesch, schudde ze daarna duchtig, liet ze mij weer dichtmaken en plakte zelf de stempels er weer op. Een apotheker had het hem niet kunnen verbeteren. Toen liet hij mij die flesschen in een hoek zijner kamer gereed zetten, waarna ik mocht heengaan.

„Tegen het vallen van den avond kwam de matroos nog een praatje met den kommandant maken en verliet het fort met de twee flesschen jenever onder den arm. Hij steeg in een djoekoeng, die aan de aanlegplaats gereed lag, greep de beseai en roeide de Kapoeas op. Eenige uren later scheepten de sergeant Greefkes met een achttal soldaten zich in een prauw in en kozen ook dien weg. De geheele bezetting verdiepte zich in gissingen; maar ik dacht er het mijne van. Des nachts om twee uur stond ik op post op het westerbastion, toen ik in de verte op de Kapoeas een prauw ontwaarde, die ik aanriep. Op mijn „werda” antwoordde de sergeant, die zoo luid hij kon: „goed volk” schreeuwde, terwijl tevens een rood licht in de prauw ontbloot werd en ons tegenschitterde. Dat was een signaal. De luitenant werd gewekt, en toen de prauw aangelegd had, werden daaruit drie kerels gedragen, die zoo slaapdronken waren, dat ze niet wakker te krijgen waren en waarvan er twee met de voeten in het blok, dat bij de politiewacht stond, gesloten werden. Jullie had die gezichten des morgens bij het ontwaken eens moeten zien! ’t Waren de mandoor’s Dasso en Doeta, die geknipt waren en nu in ’t blok wakker werden.”

„Sacré nom de tonnerre!” brulde de Waal, „’k Heb een haat aan de Hollanders, maar dat doet me toch pleizier, dat die smerige kerels gepakt zijn. Maar... ik begrijp het niet goed, hoe zich de zaak toegedragen heeft. Kon die matroos dan tooveren?”

„Voor een likkebroer is die vraag vrij onnoozel. Die matroos, een Bandjarees van geboorte, was vroeger mijnwerker te Kalangan geweest, maar daar wegens wangedrag ontslagen. Hij kende dus die mandoor’s zeer goed. Voor eenige blanke rijksdaalders ging hij naar de soengei Kajoe, vertelde daar aan zijn vroegere makkers, dat hij van de kruisboot gedrost was en zich bij hen kwam voegen. Hij legde daarbij een innigen haat tegen de Hollanders aan den dag en besprak menig plan met de mandoor’s om dien haat bot te vieren. Evenals onze Waal, zijn de Dajaks hartstochtelijke liefhebbers van sterken drank. De jenever, dien de matroos meebracht, werd met gejuich ontvangen en zoo hartelijk door het drietal aangesproken, dat, toen sergeant Greefkes op het tooneel verscheen, hij niets te doen had, dan bevel te geven de moordenaars aan handen en voeten te binden en hen in de prauw te dragen.”

Na dat verhaal heerschte een oogenblik stilte. Toen vroeg Schlickeisen aan La Cueille of hij de strekking van het verhaal begreep? Deze boog het hoofd en keek voor zich.

„Niet alleen voor onzen Arabier heb ik die gebeurtenis verhaald,” sprak Johannes, „voor ons allen moet zij een waarschuwing zijn. We kunnen niet achterdochtig genoeg zijn. Het verraad zal onder allerlei vormen ons naderen. En laten we niet vergeten, dat van alle zijden ons leven bedreigd zal zijn. We zijn in tijd van oorlog met medeneming van onze wapenen gedeserteerd, een feit dat met den strop gestraft wordt. Van den anderen kant begeven we ons naar het land der koppensnellers en kannibalen. Het is en moet steeds blijven onze leuze, waarheen we ons ook zullen wenden: pas op je kop.”

„De geachte spreker wordt voor zijn boeiend verhaal met eigenaardige toepassing, bedankt,” betuigde Wienersdorf deftig. „Hij zou evenwel de kroon op zijn verhaal zetten, wanneer hij ons mededeelde, hoedanig de misdaad gestraft werd. Bij elk flink opgezet drama moet het vijfde of eindbedrijf daaromtrent uitsluitsel geven.”

Johannes lachte, maar die lach getuigde van bitterheid.

„Luistert,” sprak hij, „luistert nog een oogenblik, ik zal kort zijn. Die kerels werden opgezonden om voor den krijgsraad te Martapoera terecht te staan. Onderwijl hunne zaak geïnstruëerd werd, zag een amnestiebesluit het licht en de zoo ziekelijk menschlievende Nederlanders sloten van dat genadebewijs uit: Pangerang Antassari en zijne familieleden, Tomonggong Soerapatti en zijne zonen, alsook nog eenige Goestie’s (vorstentelgen), mannen, die niets anders gedaan hadden, dan zich tegen roof en verdrukking met het zwaard in de vuist verdedigd en daarbij den inlandschen oorlog met nadruk in al zijne gevolgen gevoerd te hebben; terwijl schobbejakken van de ergste soort, kerels die zich aan het gemeene recht vergrepen en de gelegenheid te baat genomen hadden om hunne vuige lusten aan de onschuldige echtgenooten en dochters hunner slachtoffers bot te vieren, waarna zij de onteerde schepsels op de meest gruwzame wijze vermoord hebben, op vrije voeten gesteld werden, met opdracht dat zij, als onder het opzicht der politie gesteld, wekelijks eenmaal hunne gemeene gezichten moesten komen vertoonen aan den officier, die niets onbeproefd had gelaten om hen aan den wrekenden arm der gerechtigheid over te leveren. Nimmer heb ik hartiger vloek in mijn leven gehoord, dan die van de lippen van onzen gewezen kommandant ontsnapte, toen de beide mandoor’s voor de eerste maal na hunne invrijheidstelling hem hunne gemeene tronies kwamen vertoonen.

„O!” brulde hij, toen zij den rug gekeerd hadden, „O! had ik die ellendige komedie kunnen voorzien, dan hadden zij nooit het fort betreden.”

Ieder weldenkende zal dien kreet voorzeker begrijpen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

IX

Op reis.—Een anti-muskietenmiddel.—De soengei Basarang.—De Kapoeas.—Achter Poeloe Kanamit.—Het zinken van de „Tjipannas.”—Eene besnijdenis.—De varkenskop.—Een echt Dajaksch maal.—La Cueille wordt zeeziek.—Een vondst in het bosch.—Een Pangareran.—Het uitzetten der vischhaken.

Toen de Dajaks den ingezamelden rottan in de prauw opgeborgen hadden en de vloed eindelijk genoegzaam gestegen was, om het vaartuig uit den modder los te kunnen werken, werd de reis hervat. Aanvankelijk hadden de reizigers met dezelfde bezwaren te worstelen als des morgens; ten laatste evenwel kwam de prauw in een tak van de soengei Basarang te recht en, hoewel de moeielijkheden der vaart nog aanzienlijk moesten heeten, zoo konden de opvarenden thans toch plaats in het vaartuig nemen en het met roeien en door met lange bamboestaken te boomen, voorwaarts brengen. Wel moesten zij nu en dan nog eens te water om een moeielijke plaats te passeeren of om bladeren en struiken op te ruimen, die zich als zoovele hinderpalen in den weg stelden, maar de soengei werd al breeder en dieper, en begon al meer en meer de sporen te vertoonen, bevaren te zijn geweest, waardoor die hinderpalen opgeruimd waren. Toch was de zon al heel nabij den horizon genaderd, toen zij de soengei Basarang zelve bereikten.

Dalim was toen van oordeel om hier te blijven, totdat de nacht eenigszins gevorderd zoude zijn. In weinige uren zou men dan de Kapoeas kunnen bereiken en het zou van de ontmoetingen afhangen, of alsdan de reis zoude kunnen vervolgd worden. In den nanacht zou er veel kans bestaan, geene vaartuigen tegen te komen; in dat geval zou een goed eind weegs afgelegd kunnen worden. Zoo gezegd, zoo gedaan. De prauw werd zooveel mogelijk onder overhangende struiken langs den oever verdekt; de reizigers bereidden hun maal, en toen dat genoten was, trachtten zij rust te genieten. Die poging gelukte geheel en al naar wensch; allen sliepen als mormeldieren, in weerwil van de legioenen muskieten, en wel door een bijzonder toeval.

Wienersdorf had opgemerkt, dat hunne Dajaksche vrienden, toen het eten klaar was, een soort van kleinen theepot te vuur hadden gezet en zich, voordat zij gingen liggen, ijverig met den inhoud het geheele lichaam inwreven. Zelfs dronken zij een paar teugen er van. Toen Johannes hun vroeg wat dat beteekende, vernam hij, dat het „brotoali,” een cactusplant was, waarvan de vierkante stelen behoorlijk uitgekookt een heerlijk middel tegen de muskieten opleverden. Wie dagelijks eenige kopjes van dat afkooksel dronk, had van die bloeddorstige insecten geen last; een inwrijving van die deelen des lichaams, die aan hunne aanvallen blootstonden, verzekerde de goede uitkomst. Toen de Europeanen klaagden, dat zij den vorigen nacht geen oog geloken hadden, deelden de Dajaks bereidwillig hun middel mede, hetgeen tot gevolg had, dat geen insect de slapenden naderde en deze allen een rustigen slaap genoten.

Tegen middernacht werden allen gewekt door Dalim, die zich met de taak van schildwacht belast had. De prauw werd nu in den stroom gebracht en zakte voorzichtig de soengei af. Dicht bij de monding ontwaarden de vluchtelingen een open plek in het woud, te midden waarvan eenige verkoolde boomstammen zich verhieven, die naast elkander geplant, vroeger blijkbaar een vierkant omzet hielden, dat zoowel de soengei als den hoofdstroom beheerschte. Dat waren de overblijfselen van een Dajaksche benting, aan de oevers van dat riviertje gebouwd. Het was de eerste versterking, die na het uitbreken des opstands op de zuidkust van Borneo verrees. Manmoedig werd zij door Pembekel Soelil verdedigd, eerst met goeden uitslag tegen het Nederlandsche oorlogschip „Montrado”, dat haar vruchteloos beschoot; later tegen de „Onrust”, waarbij de Pembekel den dood vond, hetgeen den verdedigers de schrik om het hart deed slaan. De inneming van de benting te soengei Basarang was het laatste wapenfeit van de „Onrust”, die kort daarop zelf door Dajaks genomen en vernield werd.

Toen de vluchtelingen de soengei Basarang uitvoeren, lieten zij het oog over de breede watervlakte der Kapoeas weiden. In het zuid-oosten zagen zij een paar lichten schitteren en de sombere omtrekken van het fort aan de Kapoeas-monding zich verheffen. Overigens was niets te zien zoover het oog kon peilen. De rivier was veilig en met krachtigen roeislag werd nu de lange reis aanvaard. Ja, aanvaard is het ware woord; want na twee dagen omzwervens, bevonden de vluchtelingen zich bijna op dezelfde plek, van waar zij uitgingen en hadden zij niets anders gedaan, dan het fort, waaruit zij ontvluchtten, om te trekken. Als daar ginds, waar die lichten schitterden, geweten werd, dat de deserteurs zoo nabij, nog niet eens op een kanonschot afstands zich bevonden! Maar alles daar was en bleef stil. Het fort bleef in ’t donker gehuld en de nachtelijke stilte werd slechts verbroken door twee slagen op een heldere metalen klok, die aanduidden, dat het twee uur in den morgen was. Een luid veldgeschreeuw der schildwachten kwam tot de vluchtelingen over als teeken, dat, hoe rustig alles ook scheen, de noodige waakzaamheid niet verzuimd werd.

Nog eenige roeislagen en het fort zou achter „Tandjoeng Djoeking Koempai”, de eerste stroombuiging in de Kapoeas, verdwenen zijn. La Cueille, die met strakke oogen naar zijne vroegere garnizoensplaats had zitten turen, liet nu zijn pagaai zakken en zuchtte diep. Johannes hoorde zulks:

„Heb je berouw?” vroeg hij. „Spreek, ’t is nog niet te laat. We kunnen je daar op dien hoek achterlaten. Jij kunt je afwezigheid aan een dronkemansuitstapje wijten. Mits je ons niet verraadt, kan je vertellen wat je wilt. Nu.... spreek, zullen we je afzetten?”

„Naar die kaaskoppen terugkeeren! Sacré nom de tonnerre! dat nooit!” riep de Waal wild en woest.

„Nu, dan ook geen zuchten meer; dat is goed voor vrouwen en kinderen; mannen moeten weten te handelen.”

„C’était plus fort que moi,” bromde La Cueille. „Voor een oogenblik rezen al die mooie verhalen, waarop gijlieden mij gedurende de twee laatste dagen vergast hebt, mij voor den geest en pardieu! toen ik dat fort zag, waar we als in Abrahams schoot, ver van alle boschspoken, koppensnellers, bloeddrinkers en vrouwenschenders, zouden zitten, dat fort, alwaar we met weinige roeislagen konden aankomen, toen, ja ik beken het, had ik een zwak oogenblik. Maar wees volkomen gerust, dat is nu over.”

En zijn pagaai in het water slaande, hielp hij met kracht mede, om het vaartuig de grootst mogelijke snelheid mede te deelen. Weldra was dan ook het fort aan het gezicht onttogen en passeerden de vluchtelingen een groep kleine eilandjes, „Poeloe telloe” geheeten.

Bij het gloren van den dageraad, bevonden de deserteurs zich ter hoogte van het eiland Kanamit.

Dalim oordeelde het onraadzaam, de reis verder voort te zetten en raadde aan een toevlucht te zoeken in soengei Naning, een riviertje, dat op den rechter oever der Kapoeas, achter het eiland uitwatert. Toen de prauw den smallen rivierarm ingestevend was, die Kanamit van den vasten wal scheidt, wees Johannes met den vinger een plek aan, zeggende:

„Daar zoo wat, zijn we eens ter nauwernood aan de mandauw’s der Dajaks ontsnapt.”

„Och God! dacht ik het niet?” gilde La Cueille, „daar zul je weer een mooi verhaal hebben.”

„Je kunt voor mijn part je Walenooren toestoppen; maar dit hier is een plek op Gods aardbodem, die voor mij nog zeer levendige herinneringen bevat.”

„Kom, laat die Waal grommen,” zei Wienersdorf, „ik geloof dat hij bang voor heksen en spoken is. Dat heeft men meer bij menschen die in steenkolenmijnen gewerkt hebben, niet waar Richard?”

„Jawel, maar dat de Waal mij nu het woord late. Wat ik te vertellen heb, is alweer een bijdrage tot de kennis van het volk, waarmede we ongetwijfeld innig in aanraking zullen komen.”

„Het was in Juli 1859. Er waren berichten ingekomen, dat de vijand zich op Poeloe Kanamit en aangrenzende oevers geducht versterkt had. Het oorlogsstoomschip „Montrado” was derwaarts gezonden en dat had tot „bateau-mouche,” tot voorlichter de „Tjipannas” een klein rivierstoomertje, dat sedert het uitbreken van den opstand in deze streken zeer gewichtige diensten had bewezen. Maar het scheepje was oud, zijn machine ratelend als een oudroestwinkel en zijn stoomketel volgens deskundigen zoo dun als een velletje postpapier. ’t Was dan ook treurig die kleine boot soms in een stroomsnelheid van 1,80 meter, die de rivieren hier bij vol ingetreden eb kunnen erlangen, te zien sukkelen. Zij mocht haar stoomspanning slechts op tien kilogram houden en daarmee was niet altijd tegen den stroom in te werken. De gezagvoerder had al menigmaal geprutteld en op het hoogst gevaarlijke van zoo’n toestand gewezen; maar.... er was geen ander stoomscheepje om de „Tjipannas” in die wateren te vervangen; zoodat, zoo luidde het officieele antwoord op die dringende vertoogen, „maar met alle omzichtigheid en wat minder angstvalligheid gehandeld moest worden.”

„Kom, dat is gekscheren, niet waar,” viel Wienersdorf in. „Zoo’n antwoord is onmogelijk.”

„Volkomen vrijheid om het voor gekscheren op te vatten, mijn waarde Zwitser, en ik kan me best begrijpen dat jij, een afstammeling van een vrijheidminnend volk, dat den beer der wouden in zijn wapen voert, geen begrip kunt hebben van zulke fabriekmatige volzinnenmakerij. Men is op de bureaux te Batavia daar zeer sterk in en wordt daarin slechts door de Nederlandsche kommiezerij, welker vaderschap trouwens te eerbiedigen valt, voorbij gestreefd.”

„Maar dat antwoord, dat met alle omzichtigheid en wat minder angstvalligheid gehandeld moest worden, is klinkklare onzin.”

„Toch niet,” glimlachte Johannes, „toch niet. Let eens goed op de beteekenis. Gebeurt er een ongeluk, dan is het bestuur geen schuld aan te wrijven; want.... alle omzichtigheid was aanbevolen. Heeft nu de gezagvoerder die omzichtigheid uit het oog verloren en gestoomd met een ketel, die de geringste spanning niet meer verduren kon, dan moet hij ook al de verantwoordelijkheid van het onheil dragen. Weigert evenwel die gezagvoerder te stoomen en gebeurt er ten gevolge van die omzichtigheid een ongeval, dan heeft men met een lafaard te doen, dien aanbevolen was minder angstvallig te zijn. Je ziet, hoe het ook uitvalt, de kat komt steeds op haar pootjes te recht en is de Regeering te Batavia steeds gedekt. De rest is bijzaak. Maar laat me nu voortgaan.”

„Den bewusten dag hadden we—want we waren met een twintigtal soldaten aan boord van de „Tjipannas”—Poeloe Kanamit afgepatrouilleerd en daarop niets gevonden dan veel modder. ’t Is, zooals ge zien kunt, een laag, moerassig eiland met zwaren plantengroei overdekt, dat met iederen vloed onder water komt; ’t is ongeveer een half uur lang en slechts een paar honderd el breed. Toen we aan boord terug waren, zouden we naar den vasten wal oversteken, om ook daar het terrein te onderzoeken. Maar ten halverwegen van het vaarwater vernamen we een doffen slag, gepaard met een vrij hevigen schok en, voor we ons eigenlijk rekenschap konden geven, wat er gebeurde, begon het scheepje te zinken. Gelukkig dat de sloep slechts met een eind aan de valreepstrap bevestigd was, anders waren vele ongelukken te betreuren geweest. Nu behoefde zij slechts bijgehaald te worden; maar er was niet meer tijd dan noodig om er in te stormen. Nauwelijks toch was de sloep losgemaakt en eenige kabellengten van de boot verwijderd of deze begon een golvende beweging te vertoonen, dook eerst over den voorsteven, verhief zich weder, waarbij de achtersteven wegzonk; daarop dook de voorsteven nogmaals maar nu voor goed en verdween het geheele schip in de diepte.

„Nog waren we niet van den schrik bekomen en deinde de sloep nog verschrikkelijk, toen van den wal een vrij sterk geweervuur weerklonk en met de kogels ons ook een aantal vergiftigde pijltjes om de ooren vlogen. Gelukkig werd niemand geraakt, maar onze toestand was toch uiterst benard. Allen waren we in de sloep gevlogen, slechts met de gedachte bezield het lijf te bergen; doch niemand had bij die algemeene ontsteltenis er aan gedacht wapens mee te nemen. Er waren zelfs geen roeiriemen of pagaaien voorhanden; we dreven op Gods genade. Wel lagen een paar oud-model geweren in de sloep; maar patronen waren er niet en die oude verroeste wapenen misten zelfs de bajonet. Gedurende een korten tijd hielden we de vijanden in bedwang door die onschadelijke geweren op hen aan te leggen, maar toen zij ondervonden, dat toch niet geschoten werd, nam hun moed hand over hand toe, en spoedig waren eenige hunner djoekoeng’s bemand en maakten die zich gereed onze sloep op zijde te schieten. We zouden allen verloren geweest zijn, want we waren volkomen weerloos tegenover hunne vreeselijke mandauw’s, doch daar verscheen de „Montrado” aan den noorderingang van het vaarwater en niet zoodra had deze onzen neteligen toestand bemerkt of een kanonschot weerklonk, dat om de ooren onzer belagers een hagelbui van kartetskogels deed fluiten, die, hoewel in haast en slecht gericht, evenwel de goede uitwerking hadden, de Dajaks als schimmen te doen verdwijnen. Weinige minuten later bevonden we ons aan boord van het oorlogsschip en waren we gered.

„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s me een pak van ’t hart. ’t Was me, of ik de nachtmerrie had. Je komt er telkens nog al goed af; dat ’s me een troost bij al je nare verhalen.”

„Maar,” vroeg Wienersdorf, „hoe zijn die luidjes thans hier gezind?”

„’t Is nog raar gespuis en als ze ontdekten, dat we blanken zijn, zou ons leven geen oortje waard zijn. Maar we zijn nu Dajaks, „Hèlo mikèh” niet bang zijn,” voer Johannes lachende voort. „In allen gevalle zijn we met ons zevenen en kwaad zal het niet kunnen, als we de wapens onder bereik houden.”

De prauw zwenkte de soengei Naning in en voer deze op, totdat een groot huis bereikt werd. Dalim en een zijner landslieden, vergezeld van Johannes, stegen aan wal en klommen langs een schuins liggenden boom, van inkervingen voorzien, de gewone trap, die toegang tot de Dajaksche woningen verleent, op naar boven en traden het huis binnen. Al de achtergeblevenen in de prauw hadden een geweer gegrepen en hielden zich tot handelen gereed. Maar na een poos, die den wachtenden zeer lang scheen, trad Johannes naar buiten, maakte een gebaar tot geruststelling en riep in het Dajaksch dat men bij vrienden aangeland was. En werkelijk woonde daar een bloedverwant van een der opvarende Dajaks, die zich, als betrokken bij de opstandszaken, daar schuil hield. Het was een Islamsche Dajak, dat wil zeggen, dat hij zijne heidensche gebruiken vaarwel gezegd en den Mahomedaanschen godsdienst omhelsd had. Dat was nog eerst kort geleden geschied en sedert had hij zijn Dajakschen naam „Mihing” voor dien van „Ali Bahar” verwisseld. Maar waarschijnlijk waren de „Sangiangs” (halfgoden) over die bekeering vertoornd, want de Hadji, die hem bekeerd had, was bij het baden door een kaaiman gegrepen en verslonden.

Toen Dalim aan Ali Bahar vertelde, dat een „Sjech” onder het gezelschap was, gaf deze luide zijn vreugde te kennen en stormde hij naar buiten om de reizigers te begroeten en te verzoeken bij hem binnen te treden. Vooral overlaadde hij den Arabier met eerbiedsbewijzen; hij schudde hem de hand zoo als hij dat wel eens te Kwala Koepoeas, in navolging der blanken gezien had, wreef het tipje van zijn neus tegen dat van den pseudo-Sjech, om hem den Dajakschen groet toe te brengen en legde eindelijk zijne beide handpalmen uitgestrekt op zijn voorhoofd onder het prevelen van: „Allah akbar”, zooals hij dat zijn vorigen leeraar had zien en hooren doen.

La Cueille kweet zich deftig van zijn rol, hij boog telkenmale onder het uitspreken van „Bismillah”, afgewisseld met een Waalschen vloek, dien niemand begreep, en liet met veel vroomheid de kralen van zijn rozenkrans onverpoosd tusschen de vingers glijden. Maar toen zijn gastheer hem mededeelde, dat hij twee zonen had, jongelingen van omstreeks veertien en vijftien jaren, en het zijn vurigste wensch was, dat de heilige man die jeugdige Dajaks besnijden zoude, ontsnapte hem een gebaar van ontzetting. In zijn wanhoop sprong de Waal op, strekte zijn handen ten hemel, als om dien tot getuige te roepen, waartoe hij gekomen was. Gelukkig dat Johannes zijn lachlust, door dit koddig tusschenspel opgewekt, had kunnen bedwingen; hij verklaarde thans den verbaasden Dajak, dat de heilige met vervoering Allah dankte, voor het voorrecht hem geschonken, weer aan twee medeschepselen het zichtbare teeken van tot de uitverkorenen des Profeets te behooren, te mogen mededeelen. Maar men moest wachten tot dat de zon aan den hemel gestegen zou zijn ter plaatse door de uitgestrekte armen des Sjech’s aangewezen. Deze zoude zich intusschen afzonderen om zich door het gebed tot de heilige handeling voor te bereiden.

Toen de Waal in de prauw weergekeerd was, gevoelde hij zich zeer neerslachtig. Hij had in zijn leven steenkolen gedolven, stoomketels geklonken, geweerloopen geboord, hanen gefrischt en bajonetten vervaardigd; maar een besnijdenis te verrichten, daartoe achtte hij zich niet in staat. Dat werk was hem te fijn; hij begreep dat hij daarbij fiasco moest maken. In doffe wanhoop greep hij evenwel zijn zakmes, beproefde op zijn duim of het wel scherp genoeg was voor de bewerking en keek uit naar een steen om het nog wat aan te zetten. Johannes keek hem glimlachend aan, maar toen hij begreep, wat dat mes te beduiden had, schaterde hij het uit.

„Steek dat ding toch in je zak,” zei hij, toen zijn lachbui wat bedaard was, „daar komt geen ijzer of staal bij te pas. Dat je dat als Arabier niet weet! je bent nog weinig in je rol. Wacht, ik zal je het werktuig fabriceeren, dat je noodig hebt.”

En een stuk bamboe grijpende, fatsoeneerde hij dat in de gedaante van een mesje met uiterst scherpe snee, waartoe de glasharde bast van de bamboe zich bij uitnemendheid leende.

„Zie zoo,” zei hij, „je hebt nu niets anders te doen, dan de huid tusschen den voorsten vinger en duim te nemen en die met dat mesje een weinig af te schaven, evenwel zoo, dat een paar droppels bloed zichtbaar worden. Kom, kom, je zet een gezicht of je een moord moet begaan; ’k zeg je, alleen de huid maar wat schaven.”

„O!” riep de Waal in wanhoop, terwijl hij het bamboelemmet hemelwaarts ophief, „o! ’k doe de plechtige gelofte, als ik in mijn land terugkom, dit mes bij het altaar van Notre Dame op te hangen!”

„Waarmee je een paar Mahomedaantjes gefabriceerd zult hebben! Ja, daar zal ze nog al op gesteld zijn, daar zal je haar pleizier mee doen. Het idée is prachtig. Maar, om bij de zaak te blijven, vergeet nu maar niet gedurende de bewerking een aantal „Allah’s” en „Bismillah’s” te mompelen; ook niet om na de bewerking de afwassching der handen door den Koran voorgeschreven, te volvoeren.”

La Cueille, zoo door die raadgevingen gesteund, hield zich nog al goed. Op het aangegeven uur volvoerde hij, niettegenstaande het gillen en tegenspartelen der patiënten, de operatie met een handigheid en ook met een zachtzinnigheid, die men niet verwacht zoude hebben, van een hand, die gewoon geweest was, den voorhamer te hanteeren. Maar toen de besnijdenis afgeloopen was, wachtte hem een nieuwe beproeving.

De Dajaks zijn groote liefhebbers van feestvieren; iedere gelegenheid is hun daartoe welkom, en nu was niets natuurlijker dan dat die besnijdenis, waardoor twee heidenen tot kinderen Gods gemaakt en bij de uitverkorenen des Profeets ingelijfd waren, met een goed middagmaal en een flinken teug zoude bezegeld worden. Allen, maar voornamelijk Sjech Mohammed Al Mansoer, gaven hunne ingenomenheid daarmede te kennen en de laatstgenoemde gaf zelfs een spreuk ten beste, waarbij hij meende dat „Allah het best in zijne gaven verheerlijkt wordt.” Maar toen tegen het middaguur allen met de huisgenooten huns gastheers met gekruiste beenen, in een kring geschaard, op het matje zaten, dat tot feestdisch zoude dienen en als eerste schotel een vervaarlijk groote varkenskop, ter nauwernood van zijn grofste borstels ontdaan en even boven het vuur gepoft, op een groot blad opgedragen werd en daarnaast een pot met „toeak” verscheen, boog Johannes zich tot den Waal en fluisterde hem eenige woorden toe. Met zichtbare drift voer deze laatste op:

„Que la peste t’étouffe, vilain animal!!” schreeuwde hij.

Het geheele Dajaksche huisgezin stoof verschrikt op bij die uitbarsting van gramschap, maar Johannes stelde hen gerust door de verklaring, dat de heilige naneef des Profeets zijn verontwaardiging te kennen gaf over de stoutheid om in een pas bekeerd huisgezin en bij zoo’n feest zulke spijzen en dranken op te dragen en vooral hem die voor te zetten.

„Ziet hoe de heilige rilt,” voer hij voort, „hij rilt van afschuw bij het zien van het onreine voedsel, door Ngabehi Mohamed zoo streng veroordeeld.”

En werkelijk de Arabier schoof heen en weder als een bezetene en mompelde binnensmonds een mengelmoes van Waalsche, Fransche en Hollandsche vloeken. Hij begreep, dat hij te wille van zijn kleed van een lekker gerecht, den zoo smakelijk uitzienden varkenskop, waarvan hij zijn deel reeds in gedachte met citroensap en lombokh toebereid had, afzien moest, en dat hij een hartigen teug van den zoo lekker ruikenden „toeak” zou moeten derven.

Met den „toeak”, een uit rijst gegisten, peper, betèlnoten en suiker vervaardigden drank, had hij reeds vroeger kennis gemaakt en hem toen zoo lekker gevonden, dat, nu hij den pot met het verleidelijk vocht had zien verschijnen, hij zich de belofte gedaan had, den inhoud geducht aan te spreken. Maar nu, die verduivelde Johannes! dat die zijn mond niet kon houden. Hij draaide zijn tulband heen en weer op zijn hoofd en had veel trek dat hoofdtooisel door de geopende deur in de soengei te werpen. Maar Indoe Soemping, de gastvrouw haastte zich den wanhopigen Arabier een geduchte portie „tambilok” degelijk gekruid en gepeperd en goed gebraden, en ook eenige stukken „liendoeng”, die in een zure eiersaus dreven, voor te zetten. Nadat de heilige man er een gebed over uitgesproken had, liet hij zich die gerechten bij gebrek aan wat anders, met een flinke portie schijfjes gebakken „Koedjang” goed smaken. Hij verklaarde zelfs later, dat hij die Dajaksche keuken uitermate fijn en lekker gevonden had.

„Dat geloof ik wel,” meende Johannes, die het verkorvene goed had te maken, „’t was het fijnste, wat ze je voorzetten konden. Dàt heb je toch met je besnijdenisbaantje op ons voor gehad. Ons heeft men van die lekkernijen niet gepresenteerd.”

„Maar wat is het, wat ik eigenlijk gegeten heb?”

„Weet je dat niet, orang bodokh? (domkop) Welnu, de Koedjang is een knolgewas, dat in de lage Dajaklanden overal in het wild groeit en de aardappelen vervangt.”

„Die ken ik wel; die heb ik te Kwala Kapoeas genoeg gezien en gegeten. Zoo aan schijfjes gebakken, zijn ze bepaald lekker; maar ik bedoel meer de vleeschgerechten. Hoe hoorde ik ze ook weer noemen?”

„Tambilok” en „liendoeng?”

„Juist, wat zijn dat?”

„Heb je te Kwala Kapoeas, wel eens een ouden boomstam, die lang in de rivier gelegen had, zien opensplijten?”

„Wel zeker; dat is nog zoo lang niet geleden, bij gelegenheid dat het vlot vernieuwd werd, waarop de badinrichting stond.”

„Welnu, wat heb je toen gezien?”

„Wat ik toen gezien heb? Ik begrijp je niet. Wat ik toen gezien heb? Wel, die boomstammen met wiggen opensplijten en naar de keuken dragen, om ze als brandhout te bezigen. Daaraan heb ik mee gecorveed.”

„Ze hebben oogen en zien niet, die Europeanen”, mompelde Johannes. „Heb je niet opgemerkt, dat het hout, van binnen geheel en al in de lengte doorboord was met ontelbare gangen van ongeveer een pink dikte; ofschoon de stam van buiten geheel gaaf was?”

„Wel zeker en die gangen waren van binnen met een harde en witte schelplaag gevoerd.”

„En in die gangen werden lange, vette, witte wormen aangetroffen. Welnu?”

„Welnu....? Wel dat is de paalworm.... dat weet ik wel,” sprak La Cueille aarzelend.

„En het is die paalworm, die de Dajaks „tambilok” noemen, en waarvan ze zulk een lekkeren schotel bereiden.”

„O! Notre Dame de bon secours!” gilde de Waal walgend en kokhalzend.

„En de „liendoeng”,” vervolgde Johannes als in één adem zijn lekkerbekstoelichting, „en de „liendoeng” is een zoo wat drie voet lange waterslang, ter dikte van een mansarm, rood van kleur, met zwarte strepen op den rug, die een zeer gladde huid heeft, maar niet giftig is. Die is de lievelingskost der Dajaks.” [38]

„O! en ik heb die voor paling gegeten!” riep La Cueille met wanhoop uit, terwijl hij het hoofd buiten boord der prauw stak en met het bovenrif bewegingen volbracht, zoo als stumperds bij zeeziekte plegen te verrichten, wanneer zij hun offer aan Neptunus plengen.

„Zie je, dat ’s dwaas van je wat je daar doet,” zei Johannes lachend.

Zoo’n aterling lachte om alles, het was om helsch te worden.

„Nu zal je straks honger hebben,” vervolgde hij half medelijdend, „maar laat je dat niet ongerust maken; ’k heb op Dajaksche wijze een groot stuk van dien varkenskop in een blad gewikkeld, als je je straks wat minder kinderachtig gevoelt, kan je je hart ophalen. Maar wat een poppetjes maken ze toch van jullie in die Walenkwartieren? Kerels, die bleek om hun neus worden, wanneer ze van een paalworm of een slang proeven. Je zult nog wel eens wat anders achter je knoopsgaten moeten steken voor dat je thuis zult zijn.”

La Cueille zuchtte, maar antwoordde niet. Hij legde zich te rusten en.... was het het zalige bewustzijn twee heidenen aan den Vorst der duisternis ontrukt te hebben? Of was het de invloed der aandoeningen, dien dag bij de besnijdenis en na het verorberen der slangen en paalwormen, ondervonden? Wie zal dat ooit uitmaken? Genoeg zij het, dat hij spoedig in een diepen slaap gedompeld werd en dat, zooals hij daar in ’t heilige gewaad uitgestrekt lag met een glimlach op de lippen, hij een fraai beeld vertoonde van den slaap des rechtvaardigen.

Middelerwijl Sjech Mohamed Al Mansoer sliep, waren Johannes, Wienersdorf, Schlickeisen en Dalim onder geleide van hun gastheer Ali Bahar, na eenige ruggespraak met dezen, behoorlijk gewapend het bosch ingetreden. De beide overblijvende Dajaks van het reisgezelschap bewaakten de prauw en hadden daartoe ieder een geweer ter hand genomen. Niets verdachts liet zich evenwel ontwaren en zoo omstreeks een uur voor het vallen van den avond kwamen de anderen terug en brachten een groot pak gereedschap, waaronder schoppen en pikhouweelen mede, als ook twee kleine bronzen één pond kanons, die zij dachten dat hun te pas zouden kunnen komen. Die gereedschappen en die wapens hadden zij, zooals zij beweerden, in een ledige hut gevonden en waren afkomstig van de gezonken „Tjipannas”, die door de Dajaks opgevischt waren. Er moest nog een wandeling gemaakt worden, want daar lag nog een koperen kruitkist, zooals die aan boord der oorlogschepen gebruikt wordt, waarin nog eenig buskruit aanwezig was. Dicht daarbij lagen een vijftigtal kartetsen voor de kanonstukjes; die mochten niet te loor gaan. Verder was er nog een lichte ankerketting van een dertig vadem lengte, die van onschatbaren dienst zoude kunnen zijn.

Tegen acht uur omstreeks was alles aan boord, en toen meende La Cueille, die intusschen wakker was geworden, dat de reis zoude vervolgd worden; maar in stede daarvan zetten zijne makkers zich nog eenigen tijd met den gastheer te praten. Eindelijk, toen die zijn huis ingetreden was en de anderen de prauw instapten en zich gereed maakten om rust te genieten, vertelde Johannes den Waal, dat zij dezen nacht en ook nog den volgenden dag in soengei Naning zouden verwijlen.

„Maar,” vroeg La Cueille, „is het niet gewaagd, hier zoo nabij het Hollandsche fort, langer dan noodig te verblijven?”

„Langer dan noodig, zou zeker gewaagd zijn. Maar we mogen niet te veel haast aan den dag leggen, dat is zoo strijdig met den aard en de gewoonten der Dajaks, dat wij groote achterdocht zouden opwekken. Je hebt onzen gastheer hooren vertellen, dat je voorganger, zijn vroegere godsdienstleeraar, door een kaaiman gegrepen is. Nu heeft hij ons verzocht, hem morgen te helpen dat beest te vangen. Dat is een uitnoodiging, die geen Dajak mag afslaan. Dat zou de bloedigste tooneelen veroorzaken.”

„Een kostelijk mooi baantje. Goddank! ik heb van zoo’n jacht geen verstand, zoodat ik stilletjes hier zal kunnen blijven!”

„Mis; je hebt er integendeel een rol bij, die niemand anders vervullen kan.”

„Ga dan je gang, als ’t maar weer niet geldt slangen of paalwormen te eten. Dan pas ik.”

„Vertel nu geen domheid. Luister. Ik heb mij uitgegeven voor Pangareran....”

„Ik voor een afstammeling van den Profeet; jij nu voor een Pangerang; ik zie den dag nog aanbreken, dat de twee Zwitsers Radja zullen worden. Nu, als ons dat naar de noordkust zal kunnen tooveren, mij wel.”

„Nogmaals, verkoop geen onzin. ’k Heb me niet voor Pangerang (vorst) maar voor Pangareran uitgegeven.”

„Zoo, is daar onderscheid in? Zeg me dan eerst wat een Pangareran is.”

„Dat is iemand die er werk van maakt, krokodillen te vangen.”

„Zoo, zoo; maar als jij je daarvoor uitgegeven hebt, dan ben ik bij dat werkje niet noodig.”

„Wel zeker; een Pangareran gaat nimmer uit, om zijn vak uit te oefenen, zonder een priester bij zich te hebben, die gebeden prevelt. En, waardste Arabier, in onze associatie komt jou het biddersbaantje van rechtswege toe.”

De Waal verschoof zijn’ tulband eens, bedacht zich een oogenblik en sprak toen:

„Maar ’k dacht dat de Dajaks heidenen waren? Een Mahomedaansch gebed is dus zeker te onpas.”

„De meeste Pangareran’s zijn Maleiers, dus Mohamedanen. Je weet toch ook wel, dat de Dajaks geen kaaiman durven vangen.”

„Waarom niet?”

„Omdat Djata—een broeder van Mahatara, de God der Dajaks—de vader van alle krokodillen is en zelf onder de gedaante van een kolossalen kaaiman in den hemel vertoeft. Voor geen schatten der aarde zullen daarom de Dajaks een dier monsters dooden en worden zij door de bloedwraak daartoe gedwongen, dat wil zeggen, wanneer een hunner bloedverwanten, vrienden, gasten of buren verslonden is, dan: je weet „il y a des accommodements avec le ciel”, wordt een Maleier betaald, om den misdadiger te dooden.”

„Met je permissie, hoe weten ze, wie de misdadiger is? Hier in deze wateren zwemt nog al wat van dat ontuig.”

„Dat er bij zulk eene wraakpartij een enkel onschuldig zoontje van Djata omkomt, is zeker, maar dat schijnt de Dajaks niet te deren. De jacht wordt niet opgegeven, voor dat een kaaiman gevangen is, in welks ingewanden overblijfselen van het slachtoffer zijner vraatzucht gevonden worden. Je herinnert je toch nog wel, toen dat lieve Dajaksche meisje, de kleine Biengies, bij het fort te Kwala Kapoeas door een kaaiman weggehaald was. Toen zijn zeker een vijftigtal van die ondieren aangebracht, totdat eindelijk ruim zes weken na het ongeval een zeer groote gevangen werd, in wiens maag een dicht ineengewerkte bos menschenhaar en de koperen braceletten, die de deern gedragen had, gevonden werden. Toen was de jacht uit.”

„Of ik mij dat nog herinner? Wel zeker; ’k heb toen de Javaansche soldaatjes geholpen om het vet uit al die krengen te koken; zij brandden dat ’s avonds in hunne lampjes. Wat een zacht vet was dat, nog zachter dan de fijnste reuzel. Ik wilde toen een voorraad bewaren; ik ben overtuigd dat kaaimannenvet een uitmuntend middel moet zijn tegen winterhanden en wintervoeten.”

„Verduiveld, daar zul je hier last van hebben, geloof dat vrij; maar let nu op. Straks tegen middernacht ga ik de haken uitzetten en daarbij moet je tegenwoordig zijn. Je hebt immers flink geslapen?”

„Ja dat heb ik; maar.... de haken uitzetten? wat is dat en wat heb ik er bij te doen?”

„Wat dat is, dat zul je wel zien; wat je er bij te doen hebt, och, niet veel; alleen maar gebeden prevelen; en daar we waarschijnlijk in het holle van den nacht met ons beiden alleen zullen zijn, kun je ook dat bidden achterwege laten. Maar denk er om, dat je morgen, wanneer een kaaiman mocht gevangen zijn, deftig en zalvend bidt. Je moet zelfs het ondier overlezen, anders krijg ik een ongeluk. Zie hier een beduimelde Maleische bloemlezing van Roorda van Eysinga, die kan best dienst doen voor Koran; ze is er smerig genoeg toe.”

Na die bespreking volgden de beide mannen weldra het voorbeeld hunner makkers. Zij wikkelden zich in hunne spreien, maar bleven voorzichtig waakzaam en uitkijken.

Toen de „Taloetoek”—een kleine uilensoort met zwarte donsachtige veeren op het lijf, maar met roodachtige vleugel- en staartpennen—te middernacht zijn droefgeestig: „khoekh, khoekh” deed hooren, wenkte Johannes den Waal en maakte een der Zwitsers wakker, om voor de algemeene veiligheid te waken. Beiden bestegen vervolgens een djoekoeng, waarin lange rottan-einden aan elkander gebonden lagen, zoodat zij kabels van dertig tot veertig meter lengte vormden, aan welker uiteinden stevige ijzeren haken van anderhalven voet lang en nagenoeg een vinger dik bevestigd waren. Na een lampje aangestoken te hebben, beijverden zich beide mannen de haken van aas te voorzien, waartoe zij hoofdzakelijk levende eenden gebruikten. Haak en eend werden op een vlotje van pisangstammen zoodanig bevestigd, dat bij het te water laten de eend drijvende en levend bleef. Toen zij daarmee klaar waren, blies Johannes het lampje uit; beiden grepen de beseai’s en zakten zachtkens en zonder gedruisch te maken de soengei af, op hun weg slechts voorgelicht door de millioenen en millioenen vuurvliegjes, die op de bladeren van de Rambei-boomen [39] langs de oevers van het smalle riviertje als zoo vele heldere vonkjes schitterden.

In de soengei werden een paar haken uitgezet; maar de uiteinden van de rottankabels, aan een zwaar stuk hout gebonden en dit laatste zoodanig aan eenige takjes aan den oever bevestigd, dat deze bij een eenigszins heftigen ruk moesten breken om het stuk hout drijvende te laten. In de monding der Naning werd ook zulk een vischtoestel geplaatst, alsook nog een paar daar tegenover, aan den westelijken oever van het eiland Kanamit.

Toen dat alles goed besteld was, roeiden onze beide Europeanen zachtkens naar hunne prauw terug en legden zich ter ruste.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

X

Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks.

Toen weinige uren later de dageraad met zijn gulden tooi verscheen, werden spoedig, zoowel de bewoners van het huis, als de opvarenden van de prauw luide gewekt. In hun ongeduld waren toch een paar kleine jongens met een djoekoeng de soengei afgezakt en hadden de tijding aangebracht, dat de eend, aan de monding van het riviertje geplaatst, verdwenen was; maar dat zij heel in de verte, bovenstrooms van het eiland, een stuk hout ontwaard hadden, dat met kracht tegen de stroomrichting scheen opgevoerd te worden.

Iedereen haastte zich op die tijding en toen het ontbijt—wat gekookte rijst van gisteren met gedroogde visch—verorberd was, snelden allen naar de djoekoengs, die gereed lagen, en weldra schuimde het water van de kleine soengei Naning onder de krachtige pagaaislagen en waren de vaartuigen spoedig uit het oog der twee Zwitsers, die als wachthebbenden in de prauw achterbleven, verdwenen.

Al de haken, in de soengei uitgezet, waren nog aanwezig; ook die aan de oevers van Poeloe Kanamit gesteld, kon men ontwaren, en lagen de spartelende en kwakende eenden nog steeds in doodsangst op hunne vlotjes. Maar het aas aan de monding van het riviertje aangeboden, was met haak en rottankabel verdwenen. IJverig werd uitgekeken en jawel, geheel overeenkomstig het bericht der kleine jongens, dreef ten noorden van het eiland een zwaar stuk hout, dat van tijd tot tijd met rukken tegen den stroom in werd gesleurd.

Als pijlen uit een boog schoten de djoekoeng’s vooruit en weldra was het stuk hout ingehaald en in een der vaartuigen geheschen. Aller handen grepen den kabel om hem in te palmen en spoedig was een monster zichtbaar van minstens twintig voet lengte. Maar zoodra het ondier, na veel tegenspartelen, aan de oppervlakte des waters gebracht was, deed het een vreeselijken luchtsprong, waardoor zijn geheele lichaam buiten het water verscheen en deed vreezen, dat de haak afbreken of uitscheuren zoude. Met den staart geeselde het monster het water tot schuim en schoot in blinde woede met zulk een kracht vooruit, dat de opvarenden loslaten moesten, wilden zij hunne vaartuigen niet onder water gesleept zien. Ter nauwernood was er tijd om het houtblok, waaraan de kabel vastzat, over boord te smijten. Maar met inspanning van alle krachten werd dat blok gevolgd en in ’t oog gehouden. Toen die razende wedren ongeveer een half uur geduurd had, begon de vaart van het houtblok zichtbaar te minderen en eindelijk lag het stil aan de oppervlakte voor den stroom te zwaaien. De djoekoeng’s naderden nu, alle handen werden weer aan het werk geslagen, namen het blok in en heschen den kaaiman weer van uit de diepte tot aan den waterspiegel. Weer vertoonde het ondier zijne acrobatische toeren en maakte daarbij sprongen, alsof het een luchtbewoner wilde worden. Soms draaide het aan den kabel twintig à dertig malen oogverblindend snel om zijn lengteas, terwijl het water in wilde golven omhoog werd gejaagd. Toen ook die pogingen om zich los te scheuren mislukten, schoot het monster weer vooruit en sloeg op de vlucht. De krachten van het gevangen dier namen evenwel af, want nu waren het slechts weinige djoekoeng’s en dan nog maar van de kleinste soort, die genoodzaakt waren den kabel te laten slippen en achter te blijven. De meesten hielden vol en volvoerden, terwijl zij met reuzenkracht gesleept werden, pijlsnel een wedloop, waarbij het witte schuim zich voor den boeg wild en woest krulde en de slanke en ranke vaartuigen dreigde te overstelpen.

Maar de aanhouder wint. De vaart van het monster minderde allengskens en weldra was het weer gedwongen uit te rusten. Nu werd de vertooning van straks herhaald. Andermaal schoot de kaaiman vooruit, toen de zon hem onbescheiden in de oogen scheen; andermaal volgden de djoekoeng’s in ijlende vaart. Maar de afstanden, die werden afgelegd, werden al korter en korter en het oogenblik was nabij, dat het ondier uitgeput en onmachtig zoude zijn verderen tegenstand te bieden. Dat was het tijdstip voor den Pangareran en zijn akoliet om werkzaam op te treden. De prauw, waarin beiden gezeten waren, moest den kaaiman op zijde komen; waarna de Pangareran de verontschuldigingen van de Dajaks moest bijbrengen dat zij een „badjai” (krokodil), een kind en dienaar van Djata, den broeder van Mahatara het almachtige Opperwezen, moesten dooden. Tevens moest hij betuigen, dat zij (de Dajaks) door het ombrengen van een hunner verwanten of vrienden tot bloedwraak genoodzaakt werden. Dit geschiedde om de Dajaksche adat te bevredigen.

Vervolgens zou de priester, als helper van den Pangareran eenige hoofdstukken uit den Koran lezen; waarna beiden op het lichaam moesten stijgen van den uitgeputten krokodil, die inmiddels bewegingloos langs boord lag, de Pangareran om de vreeselijke kaken van het ondier met een paar rottanglussen toe te halen en hem zoo onschadelijk te maken, de priester om hem bij dat werk met zijne gebeden te helpen. Bij die verrichting is in den regel hoegenaamd geen gevaar of ongeval te vreezen, wanneer zij slechts met kalmte en vastberadenheid uitgevoerd wordt. Maar al reeds bij den eersten wedren, door den krokodil gehouden, had de pseudo-Arabier geheel zijn bezinning verloren en al de „Notres Dames” zijner kennis luide aangeroepen en al de qualificatiën van de Moedermaagd, in de litanie van Lorette vervat, in de grootste wanhoop uitgegild. Eindelijk half suf van angst, zat hij nog maar automatisch kruisteekens op mond en borst te maken en te prevelen: „priez pour nous, priez pour nous.” In dien toestand moest hij handelend optreden.

Johannes was reeds met zijne naakte voeten op den kop van het ondier gesprongen en maakte zich gereed zijn prooi te muilbanden, toen de Dajaks hem toeriepen, voorzichtig te zijn, daar de priester hem nog niet gevolgd was. Driftig prevelde hij eenige woorden, waaronder een welgemeende hollandsche vloek klonk, die evenwel gelukkig door de omringenden niet verstaan werd. Toen evenwel La Cueille, al zijn moed bij elkaar rapende, hem volgen wilde en met zijn sandalen de glibberige huid des kaaimans betrad, gleed hij uit en viel schrijlings op het lijf van het ondier, in zijn geestelijk gewaad zoo bespottelijk verwikkeld en met zulk een koddig gelaat, dat de Dajaks, toch al een volkje, welks lachspieren spoedig in beweging zijn, in een daverend „soerak” (gejuich) [40] uitbarstten en hun lachen niet konden bedwingen.

Maar de kaaiman, verwoed door den ontvangen schok, half onzinnig ten gevolge van de vermeerderde pijn door den haak in zijn keel veroorzaakt, verzamelde zijn laatste krachten, trok en wrong aan den noodlottigen kabel en zweepte met zijn staart vreeselijk de oppervlakte des waters. Een oogenblik poogde de Waal in doodsangst zijn ruiterpositie te bewaren, maar op die gladde huid met stekelige ruggegraat en bij die dwaze sprongen ging dat niet. Al spoedig gleed hij af en verdween in de diepte. Johannes poogde ook zijn standpunt te behouden; hij had zijne vingeren aan beide zijden in de oogen zijner tegenpartij gewrongen en trachtte zich in de oogkassen vast te klemmen. Maar door de hevige smart nog woester gemaakt, deed het ondier een vreeselijken ruk, verbrak den rottangkabel, waaraan de haak vast zat, en schoot met den Pangareran op zijn kop vastgeklemd, in ontzettende vaart onder water. Het was evenwel zijn laatste krachtsinspanning geweest. Borrelend brak het water op eenigen afstand in een paar golven omhoog, en weldra dreef het lijk van den kaaiman met den geelwitten buik omhoog, waarop de toeschouwers de vore konden opmerken, die de kleine „poeai”, door de vaste hand van Johannes bestuurd, zich tot in de ingewanden des ondiers gebaand had.

De „poeai” is een klein driekant mesje met langen steel, dat met zijn scheede aan de scheede van den mandauw is vastgehecht. Het dient voornamelijk om bij het koppensnellen de schedels, nadat zij op een houtvuur geroosterd zijn, verder van de vleeschdeelen, die niet genoegzaam verkoold zijn, te ontdoen.

Iets verder dan de kaaiman kwam Johannes boven water en zijn eerste werk was om naar den Waal uit te zien. Toen hij dezen half verdronken nog in het water ploeterende, ontwaarde, schoot hij naar hem toe en hielp hem in het naastbij zijnde vaartuig. Helaas! de arme priester had zijn Koran, zijn rozenkrans en zijne sandalen verloren; maar toch dankte hij de Heilige Maagd vurig, dat hij er zoo afgekomen was. De sandalen werden een oogenblik later opgevischt, maar het Heilige Boek des Profeets en het bidsnoer bleven weg.

Toen het lijk van den gevangen krokodil op Poeloe Kanamit aan den wal gebracht en opengesneden was, vond men in de maag een vasten harden bal van ineengedrukt haar, waarvan het grootste gedeelte aan individuën van het menschelijk geslacht toebehoord had, een paar tibia’s, die Wienersdorf klassificeerde, als aan een varken behoord te hebben en eindelijk een gouden ring met fraaien steen en een rozenkrans, die beiden erkend werden, als het eigendom te zijn geweest van den opgepeuzelden hadji. De vreugde was nu algemeen, want men was thans zeker den schuldige gevangen te hebben; de bloedwraak was voldaan en de jacht kon verder gestaakt worden. De ring werd door den dankbaren Ali Bahar aan den kloeken Pangareran toegewezen; het bidsnoer aan den Arabier ter vervanging van het verlorene.

Johannes scheen aangedaan en mompelde zacht, terwijl hij den steen des rings in de stralen der zon liet flonkeren:

„Dat aandenken zal mij nimmer verlaten. Verduiveld, dat was haast te duur gekocht. Ik kan niet zeggen, dat de nabijheid van Poeloe Kanamit mij geluk aanbrengt. Dat is de tweede maal, dat ik in deze buurt verschijn, en beide malen had het verduiveld weinig gescheeld, of ik was om zeep.”

Van zijn kant boog La Cueille vroom het hoofd, sloeg een kruis en beloofde plechtig, bij terugkomst in het vaderland, ook dien rozenkrans als ex-voto der Moedermaagd aan te bieden.

„Dien moet je bij je bamboemesje hangen,” meende Johannes. „Waarlijk je Notre Dame zal in haar nopjes komen. Als jij je kop thuis zult brengen, zal de verzameling curieus zijn.”

„Ja, lach er maar mee, koffiekleurige heiden! ik heb den geheelen tijd gebeden en ik ben overtuigd, dat als ik er niet bij geweest was, je....”

„Ik niet in het water gelegen had, dierbare stroopkleurige Arabier van mijn hart!” lachte Johannes goedig. „Maar kom, jij met je gebeden en ik met mijn poeai, wij hebben beiden ons best gedaan, en ook hier geldt de spreuk: „einde goed, alles goed.”

Toen de krokodillenjagers in de soengei Naning terugkwamen, was het middaguur reeds lang verstreken. De familieleden hielden zich onledig met den reusachtigen kop van het gevangen ondier met hunne poeai’s van de vleeschdeelen te ontdoen, waarna het bekkeneel bij de uitwatering der soengei op vier paaltjes van ongeveer anderhalven voet lang opgesteld werd op een plekje daartoe expresselijk opengekapt en van onkruid gezuiverd. Om het voorkomen van dit zegeteeken nog meer indrukwekkend te maken, plaatste Ali Bahar tusschen de opengesperde kaken van den monsterachtigen kop, een menschenschedel, die daarin als in een reuzennotenkraker gevat scheen. In de Dajaklanden vindt men vele zulke zegeteekenen, opgericht langs de oevers der rivieren, niet alleen van krokodillen, maar voornamelijk van wildezwijnskoppen en worden deze laatste vooral geplaatst op begraafplaatsen, als om een gedenkteeken daar te stellen op, of beter in de nabijheid van de laatste verblijfplaats van hem, dien dit schadelijk gedierte vernielde. Wat ook niet onopgemerkt mag blijven is, dat, hoewel door de Nederlanders het koppensnellen zeer streng verboden is, toch in de benedenlanden, waar alleen het bevel der blanken eenig gezag heeft, vele Dajaks in het bezit van menschenschedels zijn. Vraagt men hun naar de herkomst, dan zijn het steeds erfstukken uit den voortijd, alhoewel die bewering veelal weersproken wordt door het versche uiterlijk van het besproken bekkeneel.

Na nog een duchtig maal verorberd te hebben, waarbij de toeak lustig rondging, dien La Cueille evenwel, om in zijn rol van heilige te blijven, niet gebruiken mocht, maar waarbij de huisvrouw de attentie had den Arabier, in stede van het verafschuwde varkensvleesch of een schotel gesmoorde paalwormen of slangenmootjes in een eiersaus, een flinke portie hertenpoenang [41] voor te zetten, maakten de reizigers zich tot het vertrek gereed en verlieten zij, toen het donker geworden was, de soengei Naning, om verder noordwaarts te stevenen.

Toen zij de Kapoeas bereikt hadden, bemerkten zij, dat de vloed met kracht kwam doorzetten. Dit deed hen besluiten hunne krachten te sparen. Wanneer twee pagaaien voortdurend in beweging bleven, zou de prauw vaart genoeg loopen, om tegen het kenteren van het tij de soengei Mantangei, hun naaste doel, te bereiken. Zouden zij zich in hunne berekening bedriegen en de eb ingetreden zijn, voordat zij de genoemde soengei zouden hebben gehaald, dan zou het tijd genoeg zijn, de vereende krachten aan te wenden. Er werd dus afgesproken, dat de drie Dajaks, als het meest daaraan gewoon, de pagaai zouden hanteeren en een hunner, om de beurt, steeds den stuurbeseai zoude voeren. Aan Dajaksche prauwen is zeer zelden een roer aangebracht. Een der opvarenden neemt plaats aan den achtersteven om met zijn roeiwerktuig te sturen. Evenwel bij spoedreizen, of bij harden stroom roeit ook deze krachtig mede.

La Cueille kon maar niet vergeten, dat hij dien dag nog al misdeeld was geweest. Hij verweet Johannes, dat hij hem die rol van Arabier had opgedragen.

„Een toeakje zou mij toch na dat natte pak zoo gesmaakt hebben,” meende hij.

„Dat geloof ik wel; maar je verloochening van de voorschriften des Korans, zou voorzeker argwaan opgewekt hebben en.... soengei Naning is nog zoo ver niet van Kwala Kapoeas,” vermaande Johannes ernstig.

„Maar,” vervolgde hij, „nu niemand ons begluren kan, thans misgun ik je een hartigen teug niet, mits ik de administratie der flesch blijf voeren. Je hebt van daag wel een hartsterking verdiend.”

En de daad bij het woord voegende, greep hij een vierkante flesch en een glaasje van onder de bank, waarop hij uitgestrekt lag, schonk boordevol in en reikte den Waal het glas over, met een „wel bekome het je.” Deze liet zich niet noodigen, greep toe en met een teug verdween het verleidelijke vocht en werd door zijn smakkende tong langs het verhemelte rondgevoerd.

„Verd....! dat is lekkere toeak, zoo heb ik ze nog niet gedronken,” zuchtte hij, bij adem komende.

„Dat’s dubbel overgehaalde,” lachte Johannes.

„Kom, nog een glaasje?” bad de Waal.

„Geduld, de anderen moeten ook hun beurt hebben. Kijk onze Dajaks eens gluren, o! dat zijn zulke drinkebroers.”

„Waarvan wordt toeak toch gemaakt?” vroeg Wienersdorf.

„Toeak wordt uit rijst gestookt,” leerde Johannes. „’t Zijn voornamelijk de ketansoorten [42], die daartoe het meest gebruikt worden. Dit stoken geschiedt op de volgende wijze. Eerst wordt een soort van zuurdeeg „ragi” genoemd, gemaakt. Dit zuurdeeg bestaat uit een brij van wortelmeel, peper, geraspte pinangnoten en suiker. Vervolgens wordt de ketanrijst met dit zuurdeeg in een grooten aarden pot goed dooreen gemengd en laat men dat mengsel gedurende drie dagen aan de zonnehitte blootgesteld staan. Alsdan wordt er water bij gegoten, zoowat in de verhouding van een gantang water voor iedere gantang rijst. Dit laat men gedurende twee dagen in de zon gisten, waarna men het vocht door een doek zijgt. Dit vocht is de verlangde toeak.”

„Hoe kan dat vocht zoo sterk zijn als de toeak, dien je ons geschonken hebt?” vroeg Wienersdorf. „Zoo als jij ons die bereiding uitlegt, is het meer een brouwsel, dan een gedistilleerd.”

„Luister. Om den toeak sterker te maken, laat de Dajak hem in een pot koken en overdekt dien pot met een deksel van bladeren, waarin een horizontale dunne bamboebuis is aangebracht. Door die buis droppelt de verdichte damp en wordt in een aarden kom opgevangen. Nu kun je het den naam van gedistilleerd niet meer weigeren; de Dajaks noemen het alsdan „arak” en een flesch van die arak heb ik van Ali Bahar gekregen.”

Terwijl onze reizigers zoo onder het genot van een toeakje gezellig met elkander zaten te kouten, deelde Johannes zijnen tochtgenooten ook mede, dat hij hun gastheer in de soengei Naning verhaald had, op weg te zijn naar de boven-Kapoeas, om handel te drijven met de Olo Ott; dat Sjech Mohamed Al Mansoer hem als medehandelaar volgde om in die streken een kijkje te nemen en dan later met een geheele lading sitsen, madapollams en katoentjes terug te komen; dat de twee Zwitsers zijne (Johannes) pandelingen waren en dat Dalim en de twee andere Dajaks te Kwala Kapoeas voor de geheele reis door hem als roeiers waren ingehuurd. Hij uitte de meening, dat men goed zoude doen, zich voortaan aan die schikking te houden en haar te betrachten, wanneer vreemdelingen in de nabijheid waren. Allen besloten zoo te handelen. De goede verstandhouding zoude daardoor niet verbroken worden, want Johannes was de man niet om van het hem verleende gezag misbruik te maken; en wanneer de vluchtelingen geheel onder elkander zouden zijn, dan kon de hartelijkste toon, naar de inspraak van hun gemoed, heerschen.

De nachtelijke uren spoedden voorbij en het was omstreeks een uur na middernacht, toen zij het gehoopte einddoel van hun reis voor heden, de Kwala Mantangei, bereikten. Maar nog voordat die monding zichtbaar was, hoorden zij de tonen der titih weerklinken. Dat weerhield onze reizigers niet. Toen zij evenwel het riviertje ingevaren waren en de eerste huizen, daar langs gebouwd, naderden, vernamen zij een groot rumoer, dat hen aanmaande zeer op hunne hoede te zijn. Van allerwege werden kreten gehoord van vrouwen en kinderen, die de grootste ontsteltenis en angst kenmerkten. Wat ook de spanning onzer avonturiers vermeerderde, was dat zij in de verte verscheidene fakkellichten zagen, waarmede ettelijke vrouwen als in radeloosheid rondliepen en die zich eindelijk achter een der huizen op een punt vereenigden, maar daarbij toch het grootste misbaar bleven maken. Ras werd de prauw onder de struiken verborgen; Dalim steeg aan wal om op kondschap uit te gaan. Middelerwijl verdiepten de teruggeblevenen zich in allerlei gissingen, wat dat spektakel in dat nachtelijke uur wel te beteekenen zou hebben. Algemeen was het oordeel, dat hier gewichtige gebeurtenissen plaats grepen en niet onwaarschijnlijk was het, dat het dorp door een koppensnellersbende overvallen was. Hun ongeduld werd echter niet te lang op de proef gesteld, want Dalim verscheen spoedig en wenkte zijne makkers aan wal te stappen, maar raadde hun aan, hunne mandauw’s mede te nemen. Op die aanmaning had La Cueille niet bijzonder veel trek om mede te gaan en daar toch de prauw niet zonder bewaking mocht zijn, bleef hij met een der Dajaks achter. De anderen vervoegden zich bij Dalim en slopen met hem voorwaarts in de richting van het fakkellicht, evenwel daarbij de grootste omzichtigheid inachtnemende. Het was eigenlijk jammer dat de Waal hen niet begeleidde. Des ochtends had hij een krokodillenjacht bijgewoond, nu zou hij getuige geweest zijn van een geheel andere vangst.

De bespieders langzamerhand naderbij gekomen, zagen van achter de struiken, die hen verborgen hielden, een dertigtal vrouwen en kinderen in de grootste ontsteltenis door elkander krioelen en konden maar niet vatten, wat de oorzaak van die zonderlinge bewegingen kon zijn. Eindelijk nog naderbij geslopen, zagen zij een reusachtige slang van meer dan dertig voet lang en ter dikte van een flink gebouwd man om zijn middel, die zich in de grilligste bochten wrong, zonder evenwel merkbaar van plaats te veranderen. Het was alsof zij binnen een kring gekluisterd bleef. Nog naderbij gekomen, ontwaarden zij, dat de slang aan een haak vast zat, evenals des morgens de kaaiman, en dat de vrouwen met vereende krachten den rottankabel om een boom hadden geslagen. Zij hadden evenwel den kabel niet strak genoeg durven aanhalen, waardoor het beest de vrijheid gelaten was, zich in een grooten cirkel te bewegen.

Het was een „Penganen” (boa constrictor) van ongemeene grootte, die daar te kronkelen lag. Het dier draaide en wrong zich op ontzettende wijze, nu eens om den kabel, alsof het poogde zich door een achterwaarts rukken, den haak tusschen de kaken uit te scheuren; dan weer eens om den boom, alsof het gold de sterkte van den kabel te beproeven. Dan schoot het bliksemsnel vooruit, waarschijnlijk met het doel, door een hevigen ruk hetzij den kabel, hetzij den haak, of ook wel de kaken, waartusschen hij vastzat, te doen zwichten. Maar alles te vergeefs. De wanhopige kronkelingen en bewegingen hadden slechts tot uitslag, dat de kring van vrouwen rondom, op een eerbiedigen afstand getrokken bleef. Geen dier wezens durfde vooruit te treden om het ondier te dooden, hoewel allen den ontblooten mandauw in de hand hadden.

Terwijl onze reisgenooten met ingehouden adem stonden toe te kijken, schoot de boa andermaal plotseling vooruit. Ditmaal evenwel had hij zijn staart om een knaapje geslagen, dat zich te dichtbij gewaagd had. Het arme kind steende en rochelde onder die omhelzing, de vrouwen stieten een angstgegil uit en de rampzalige moeder van het wicht viel op den bodem, strekte de armen uit en smeekte in de lieftalligste bewoordingen het monster haren lieveling toch geen kwaad te doen. Het kind hoog in de lucht verheffende, trachtte de slang den boom te bereiken, maar kon in dat voornemen niet spoedig genoeg slagen, daar zij in hare bewegingen belemmerd werd door de weinige lenigheid van den kabel, ook door het omkneld houden van het kind. Toch gelukte het haar den stam te bereiken, sloeg daar een paar kronkels om; en nu had een ontzettend tooneel plaats, dat door de snelheid, waarmee het gebeurde, niet te verhinderen was. Wel snelde Dalim met den mandauw in de vuist tusschen de gillende en tierende vrouwenschaar door; maar voordat hij den boa bereikt had, hoorde men het geknars van vermorzeld wordende beenderen, gepaard met een eenigen gil van het stuiptrekkende slachtoffer, dat in die vreeselijke kronkels tegen den boom als in een pletmolen tot brij gemalen werd.

Zoodra de slang Dalim ontwaarde, die een slag naar haar deed zonder haar ernstig te kwetsen, wond zij zich bliksemsnel los van het kind, dat levenloos op den grond plofte, en wierp zich op den Dajak, die al spoedig door een paar van die gevreesde levende ringen omklemd, met uitpuilende oogen en uithangende tong naar lucht snakte. Het was of hem de borstkas onder de drukking van een onweerstaanbaar werktuig dichtgeschroefd werd. In zijne wanhopige behoudszucht deed hij nog verscheidene slagen naar de slang, maar had daarbij het ongeluk den kabel door te hakken, waardoor het beest geheel en al vrij werd in zijne bewegingen. Het knoopte dan ook dadelijk zijne kronkels zooveel te vaster en sloeg den staart reeds om den boomstam, ten einde den Dajak een gelijk lot als het kind te doen ondergaan. Dat alles gebeurde in weinige seconden, in niet genoegzaam tijdsverloop om de aanwezenden tot beraad te laten komen. Het zou dan ook met Dalim gedaan geweest zijn, maar daar snelden Wienersdorf en Johannes vooruit, wierpen zich op den boa en, hoewel zij bij de snelle en tallooze bewegingen en het heen en weder wringen en kronkelen van het woedende ondier, dat zijn slachtoffer thans geheel omwonden had, voorzichtig moesten te werk gaan en geene afdoende houwen konden toebrengen ten einde hun metgezel ook niet te treffen, trokken zij toch de aandacht van de slang en bereikten zoo de beoogde afleiding. Het ondier wond zich van Dalim los en besprong Wienersdorf, dien zij een hevigen beet tusschen den hals en den schouder toebracht. Maar Johannes kapte en kerfde haar in weinige oogenblikken zoodanig, dat zij den Zwitser loslaten moest en haar heil nu in de vlucht trachtte te zoeken. Dat zou haar ook gelukt zijn, want toen zij vooruit schoot, stoven de angstige vrouwen op zijde, en lieten in hare ontsteltenis de fakkels vallen, zoodat plotseling alles in duisternis gehuld was. Maar nu was het de beurt aan Schlickeisen, om aan de worsteling deel te nemen. Hij was mede vooruit gestoven, toen de anderen Dalim ter hulp snelden; evenwel, bij de onmogelijkheid aan het gevecht deel te nemen, had hij zich beijverd het verpletterde kind op te rapen, in de hoop daarin de levensvonk te kunnen opwekken. Maar toen hij zag dat alle moeite te vergeefs was, maar vooral toen hij het ondier, achterna gezet door Johannes, in het duister zag verdwijnen, legde hij ijlings het lijkje in de armen der moeder, greep van den grond een fakkel, die gelukkig nog niet gebluscht was en was in een ondeelbaar oogenblik bij Johannes en met dezen den boa ter zijde. Wel poogde deze zich nog te verzetten, maar een paar flinke slagen met den mandauw in den nek, door de krachtvolle hand der Zwitsers toegebracht, besliste het pleit. De kop van het monster hing nog slechts door een stuk der huid aan den romp verbonden, en nu uitte zich de wegstervende levenskracht in een doelloos gekronkel en gewriemel van het lange lichaam, totdat ook dat ophield en de geheele massa bewegingloos daar neer lag.

Over het nog stuiptrekkende lichaam van den boa hadden de drie Europeanen elkander de hand toegestoken en elkander geluk gewenscht met den uitslag van dit lang niet alledaagsche gevecht. Dalim trad ook nader, greep de handen der blanken, drukte die innig en betuigde zijn dankbaarheid in een onverstaanbaar gebrabbel, waarmede hij evenwel wenschte te kennen te geven, dat hij het leven aan zijne metgezellen te danken had en dat zij nu geheel en al op hem rekenen konden; dat hij hen tot Singapore begeleiden en niet verlaten zoude voor dat zij vrij en frank weer in het leven konden terugtreden.

Toen de „Penganen” afgemaakt was, vertelden de vrouwen van den kampong, dat hunne mannen allen afwezig waren, om „njating” (hars) te zamelen en dat den vorigen nacht een oude vrouw, die naast haren nog ouderen echtgenoot, te slapen lag, plotseling was wakker geworden met een gevoel van drukking op de maagstreek. Zij had daarop de handen in het donker uitgestoken, om te betasten, wat dat was, maar had toen een kilkoud voorwerp gevoeld, dat haar op het lichaam drukte en onder haren greep zich kromde. Daarop was zij onder een vreeselijk gegil opgevlogen en had om hulp geschreeuwd. De haastig toegeschoten huisgenooten hadden bij het schijnsel van een gebrekkig lampje, niets anders ontwaard dan een zwarte gedaante, die over den grond voortschoof en in het duister verdween. Toen men evenwel in het vertrek trad, waarin het oudje geslapen had, vond men haren echtgenoot dood en had deze een wond onder de korte ribben, waarin een menschenhoofd geborgen kon worden. Het raadsel was nu snel opgelost. De kampong had een bezoek gehad van een „Penganen”, iets dat in die moerasstreken nu wel niet dagelijks geschiedt, maar toch niet tot de ongebeurlijkheden kan gerekend worden [43]. De vrouwtjes, verstoken van de hulp en de raadgevingen van het sterkere geslacht, waren op de gedachte gekomen, een haak uit te zetten, waaraan zij een levenden aap gebonden hadden en hun pogen had tot gevolg, dat de boa reeds den volgenden nacht aan den haak vastzat. Hij was den vorigen nacht in zijn maaltijd gestoord en scheen honger gehad te hebben.

Toen dat verhaal geëindigd was, beantwoordde Johannes de vragen der vrouwen, vanwaar de vreemdelingen kwamen, die zoo ter rechter tijd verschenen waren om hulp te bieden, met de mededeeling, dat hij op weg naar de bovenlanden was om handel te drijven en was met dien uitleg nog niet geheel klaar, toen eensklaps in de richting van de prauw onzer reizigers een paar geweerschoten knalden, gevolgd door een doordringend: lēēēēh lèlèlèlèlè—oeiiiit, welk laatste niet veel goeds voorspelde. In allerijl spoedden zij zich derwaarts en vonden La Cueille en zijn metgezel, den anderen Dajak, in een gevecht gewikkeld met de opvarenden van een aantal djoekoengs. Wie deze laatsten waren, was nu het oogenblik niet om op te helderen; want de aanvallers waren reeds dichtbij genaderd en er was geen tijd te verliezen. Onze verbondenen sprongen in de prauw, grepen hunne vuurwapens en weldra knetterde een geweervuur, alsof het gold een geheele legermacht te verdrijven. Het waren vooral de twee Remmingtongeweren van den luitenant, die zulk een leven maakten.

Toen de djoekoengs den aftocht geblazen hadden en in het duister verdwenen waren, vroegen zich de avonturiers af, van welken kant die aanval wel zou gekomen zijn? Zou men hen van Kwala Kapoeas op het spoor zijn? of wel waren het koppensnellers van de bovenlanden?

„Ik vrees dat hier een groot misverstand plaats heeft,” sprak Dalim. „Van Kwala Kapoeas is, dunkt mij, nog niets te vreezen, en koppensnellers durven, zoo als hier geschied is, geen aanval doorzetten. Daarbij zoo talrijk trekken zij niet uit.”

Een paar vrouwen tot zich roepende, die hen angstig gevolgd waren, vroeg hij die, wat zij er van dachten?

„Olo hatoeèh manjating, jèh tèh paham kadjeleng boeli.” (de mannen zijn hars zoeken, zij zijn het, die spoedig terugkeerden).

En hare stem verheffende riep zij:

„Oōōōh Mihing!!” waarop Mihing, waarschijnlijk haar echtgenoot, uit het bosch met een dergelijken kreet antwoordde.

Spoedig was nu opgelost, wat tot de botsing aanleiding had gegeven. Een paar djoekoengs waren de terugkeerenden van het harszoeken vooruitgesneld en hadden bij het naderen van den kampong dat vreeselijk gegil der vrouwen vernomen. Onraad vreezende, waren de dapperen op de vlucht gegaan om de overige mannelijke kamponggenooten te gaan halen en zoo waren een twintigtal djoekoengs de soengei opgestoven. Dicht bij den kampong hadden zij een vreemde prauw opgemerkt, die onder de struiken verborgen was, en nu bestond er geen twijfel meer bij wien ook, dat een bende koppensnellers van de Doesson de Mantangei waren afgezakt en nu bezig waren onder hunne vrouwen en kinderen op een vreeselijke wijze huis te houden.

De ontstelde mannen trachtten nu die prauw te naderen, maar werden toegeroepen door La Cueille, die het alles met wantrouwende blikken had gadegeslagen. Toen zijn westersch „werda” met een uittartenden kreet beantwoord werd, schoot hij op den opdringenden hoop, terwijl zijn makker, de achtergebleven Dajak dit insgelijks deed. De Mantangeiërs stoven nu verschrikt achteruit, maar verzamelden zich weer met het doel, om andermaal aanvallend te werk te gaan. Zij gilden hun „lahap” (oorlogskreet) en drongen met hunne djoekoengs vooruit, toen zij andermaal, thans echter met een goed onderhouden geweervuur ontvangen werden. Eenigen hunner werden vrij ernstig gekwetst en nu was de vlucht algemeen. In een oogwenk was geen djoekoeng meer te ontwaren. Dat de opvarenden evenwel niet ver af waren, bewees het antwoord van Mihing op het geroep zijner vrouw.

De Mantangeiërs waren dankbaar voor de hulp door onze vluchtelingen aan hunne vrouwen verleend bij haren strijd tegen de reuzenslang. Maar toch schudde Demang Soerah, de chef van dat district, bedenkelijk het hoofd en meende, dat onze reizigers maar zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen moesten zoeken, want met dat noodlottige schieten was er bloed gevloeid en, zoo als hij dat uitdrukte: „bloed roept bloed”. Het voorzichtigste was te vertrekken, ten einde de gevolgen der zucht tot bloedwraak te ontgaan. Dat zagen onze vluchtelingen ook zeer goed in, en nog voor dat de dag aan den hemel zichtbaar was, hadden zij de soengei Mantangei verlaten en op de Kapoeas den steven weer noordwaarts gewend.

De beet, dien Wienersdorf van de „Penganen” in den schouder ontvangen had, was meer pijnlijk dan wel gevaarlijk. De boa behoort niet tot de giftige slangen; alleen het krachtvol inslaan der achterwaarts geplaatste haaktanden van het ondier had smartvolle wonden veroorzaakt, die den Zwitser nog wel eens op de lippen deden bijten. Toen evenwel Dalim een papje van gekauwde bladeren van een struikgewas „boentoet kakoembang” gemaakt en dat op den gewonden schouder gelegd had, was de pijn spoedig over en, reeds den volgenden dag, kon de Zwitser weer de pagaai hanteeren.

Ook Dalim ondervond niet veel hinder van de omstrengeling, die hij te verduren had. Hij was alleen zeer benauwd geweest gedurende de omklemming; nu voelde hij slechts eenige stramheid in de gewrichten der ledematen. Hij rekte zich armen en beenen uit, boog de ruggegraat herhaalde malen voor en achterover, vroeg een hartigen teug uit de toeakflesch, en verklaarde na dien verorberd te hebben, dat hem niets meer deerde.

Onder het roeien verhaalde een der Dajaks, dat eenige maanden geleden twee bewoners van Kwala Kapoeas dicht bij de monding der Mantangéi door een „Penganen” waren aangevallen. Die twee hadden aan den oever op een droog plekje hun nachtverblijf opgeslagen en wilden, na hun avondmaal te hebben gebruikt, zich onbezorgd ter ruste begeven. Zij waren evenwel nog niet in slaap geraakt, toen zij een vreemdsoortig geschuifel vernamen en, bij het schijnsel van het kleine vuurtje, dat zij gestookt hadden, zagen, dat een vreeselijk groote boa op hen afkwam. Als de bliksem waren zij overeind en vluchtten zij in hunne prauw, waarna zij met inspanning van alle krachten de rivier voor den stroom afroeiden. Maar tot beider groote ontzetting, was ook de slang te water gegaan en konden zij in het water de golvingen van haar lichaam, door het zwemmen veroorzaakt, behoorlijk waarnemen. Hoe zij zich ook inspanden, het hielp niets, het beest won zichtbaar op hen en weldra was het in de onmiddellijke nabijheid en poogde reeds de prauw te bespringen. Toen vermande zich een der Dajaks; hij greep zijn mandauw en bracht den boa een zoo duchtigen houw toe, dat de angel van het wapen in de greep lossprong en het lemmer in het taaie lichaam der slang zitten bleef. Daar het ondier niet doodelijk getroffen was, steeg zijn woede ten top en bleef den vervolgden niets over dan, bij het voorbijschieten van een hoek der rivier, aan wal te springen en ijlings in een hoogen boom te klimmen, die zich aan den kant van het water verhief. Maar ook daarin waren zij niet veilig, want het monster volgde hen op de hielen en opende reeds de afgrijselijke kaken, om toe te happen. Zij klommen al hooger en hooger; de slang volgde steeds. Eindelijk op de uiterste grens van een ver voorover hangenden tak gekomen, lieten zij zich in hunne vertwijfeling van boven naar beneden in de rivier rollen. Dit was den boa te kras. In stede van ook den sprong te wagen, liet hij zich naar beneden glijden; maar hoe vlug ook die beweging geschiedde, toen hij beneden was en rondkeek, waren de beide mannen verdwenen. Door den snellen stroom geholpen, hadden zij zich gehaast voort te zwemmen en achter den hoek, dien de rivier daar vormde, waren zij spoedig uit het gezicht van het ondier geraakt. Het gelukte hun hunne drijvende prauw in te halen en nu ging het uren lang vooruit alsof hen de „Penganen” nog achterna zat.

„Is het verhaal uit?” vroeg La Cueille knorrig.

„Ja”, was het antwoord.

„Goddank! ik begin van die mooie vertelsels meer dan genoeg te krijgen. Is voor den duivel de werkelijkheid nog niet erg genoeg, dat er nog altijd nagebreeuwd moet worden?”

„Kom, zoo’n verhaal is in ’t leven als het zout bij de aardappelen”, lachte Schlickeisen. „Ik hoop nog eens zoo’n boa te ontmoeten.”

„Een mooie wensch! waartoe zou dat moeten dienen?”

„Ik heb het land, dat we bij ons overhaast vertrek, dien dooden boa achtergelaten hebben.”

„Nu nog mooier! wat wou je daarmee? We hebben toch al geen ruimte te over in de prauw.”

„Ja, maar hij zou gauw gevild zijn. De huid zou niet veel plaats innemen.”

„Maar wat wou je met die huid in hemels naam?” vroeg La Cueille ongeduldig.

„Worststoppen,” grinnikte Wienersdorf.

„Neen, porte-monnaies of sigarenkokers maken”, antwoordde Schlickeisen ernstig. „Dat zou niet onaardig zijn, een sigarenkoker van die glanzige huid met hare zwarte ruiten op gelen grond.”

„Als ik die huid had,” mompelde La Cueille, „zou ik wel weten, wat ik er mee deed.”

„Zeker weer naar Notre Dame,” meende Wienersdorf.

„Bij den rozenkrans en het besnijdenismesje”, grinnikte Johannes, „sakkerloot, die huid zou me een rare ophangerij aan het altaar vertoonen. De goe gemeente zou niet weten, wat ze er van maken moest.”

„Zwijg, gemeene heiden! spot met geen heilige zaken”, brulde de Waal. „We hebben nog veel hulp noodig, voor wij de reis ten einde hebben. Vol vertrouwen bid ik, dat de Moeder des Zaligmakers ons in hare bescherming neme!”

„Amen.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XI

De gekwetsten naar Kwala Kapoeas.—De Mantangei en de Mengkatip.—Op onze schreden terug.—De kommandant op jacht.—In zee.—De raoeng.—De vervolging.—De schoener.—Een noodlottig schot.—De terugkeer.—De postcorrespondentie.—Eindelijk op het spoor.—

De vluchtelingen waren nu wel onderweg, maar daarmede was het gebeurde te soengei Mantangei niet uit. Er waren verscheidene gekwetsten gevallen en daar de Dajaks op heelkundig gebied al heel weinig kennis bezitten, werd al ras besloten die gekwetsten naar Kwala Kapoeas te vervoeren en daar van de blanken hulp te erlangen.

Te midden der algemeene ontsteltenis, waren de vreemdelingen vertrokken, zonder dat men wist waarheen en het hoofd van den kampong, nog steeds een uitbarsting van bloedwraak bij zijne onderhoorigen vreezende, waardoor hij in eindelooze moeielijkheden met het Nederlandsch bestuur zou gewikkeld worden, had den kampongbewoners verteld, dat de prauw, die onze vluchtelingen wegvoerde, de soengei Mantangei opgestevend was om zoo de Doesson te bereiken.

De soengei Mantangei is werkelijk een afleidingskanaal van dien laatstgenoemden hoofdstroom. Op ongeveer 2° zuiderbreedte scheidt zich van de Doesson een arm af onder den naam van soengei Mengkatip, die aanvankelijk naar het zuid-westen stroomt en zich op ongeveer twintig minuten afstand van haren oorsprong in twee takken verdeelt, waarvan de eene en voornaamste in zuidelijke richting onder denzelfden naam voortspoedt om op ongeveer 2° 48′ z.br. in de kleine Dajakrivier uit te monden, terwijl de tweede tak onder den naam van soengei Mantangei haren loop in zuid-westelijke richting blijft behouden totdat zij de Kapoeas op ongeveer 2° 32′ z.br. ontmoet.

Toen de gekwetsten te Kwala Kapoeas aankwamen, werden zij onmiddellijk door den officier van gezondheid verbonden; evenwel baarde hunne verwonding, door geweerschoten veroorzaakt, de grootste verwondering. Dat gewonden hulp kwamen inroepen, was zoo heel zeldzaam niet, maar steeds waren het verwondingen geweest, door mandauwhouwen of lanssteken te weeg gebracht, die te behandelen geweest waren. Thans waren het kogelwonden en dat verschijnsel deed de hoofden bij elkander steken. Moest de geneesheer zijne oogen gelooven, dan waren die wonden veroorzaakt door projectielen met uitgescheurde randstukken en was het niet onmogelijk dat dit kogels waren, zooals die bij het Nederlandsch-Indisch tirailleurgeweer in gebruik, met ogiefvormige punt, welker hol cylindervormig achterstuk, door de uitzetting in de trekken van den geweerloop geperst wordt, maar bij het verlaten van dezen veelal uitscheurt. Al de wonden hadden evenwel een ingangs- en eene uitgangsopening, zoodat het noodeloos was naar de projectielen te zoeken, daar die de zachte deelen, na ze belangrijk gescheurd te hebben, geheel doorboord hadden en in de ruimte verdwenen waren.

Het verhaal der gekwetsten leverde ook veel stof tot overpeinzingen. Zij vertelden het gevecht met de boaslang; ook hoe de mannen van kampong Mantangei de bevrijders hunner vrouwen voor koppensnellers hadden aangezien, hoe uit die misvatting zich een noodlottig gevecht ontsponnen had, waarbij zij door een oorverdoovend geweervuur op de vlucht gejaagd en waardoor zij ook gekwetst waren geworden. De mededeeling dat hunne verwonders Dajaksche kooplieden waren, die langs de Mantangei hunne reis naar de boven-Doesson vervolgd hadden, miste hare uitwerking niet. De kommandant schudde het hoofd en wist er niets van te maken, dan dat men met een goedgewapende stroopende bende te doen had gehad. Hij was daags te voren teruggekeerd van zijn tocht op de Javazee tot opsporing der deserteurs en was nu verre van de gedachte af, dat hij, om zoo te zeggen, den draad van hun spoor in handen had.

Den morgen volgende op de desertie, was onze officier al vroeg in de weer geweest en had zich, voordat nog de dageraad de kim kleurde, naar de woning van het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara begeven. Daar had hij zich na eenige voorbereidende maatregelen bij het aanbreken van den dag aan het hoofd gesteld van een groot aantal Dajaks, in vele prauwen ingedeeld en had daarmede, in gezelschap van den Tomonggong koers naar de zeemonding gezet.

Even voorbij Poeloe Mangboelau, een eilandje in de kleine Dajak rivier, tegenover de Kapoeas-monding, kwam men de Baliansprauw tegen, die des nachts door het geweervuur van het fort zoo mishandeld was. Daar evenwel geen der opvarenden in het geheim der deserteurs genomen waren, kon niemand iets mededeelen. Zij konden alleen hunne dooden en gekwetsten toonen en aanduiden, dat de prauw, met het choleralijk aan boord stroomafwaarts in het donker verdwenen was. Die arme drommels waren zeer benauwd geweest en nog was alle vrees niet bij hen verdwenen. Het kostte dan ook veel moeite hen te overreden hunne gewonden naar het fort te brengen, om daar geneeskundige hulp te erlangen. Zij vreesden bij het naderen andermaal de volle laag te ontvangen.

De jachtflotille onderzocht iederen inham, iedere kreek, iedere soengei, voer de eilandjes Koepang en Brangas om, maar trof nergens iets verdachts aan. Toen de kleine vloot de Troessan-monding genaderd was, wilde de luitenant een gedeelte zijner macht door dat kanaal zenden, om zich later weder met hem aan de Kahajan-monding te vereenigen. Ware dat geschied, dan zouden de vluchtelingen, zoo als de lezer terstond begrijpen zal, in de fuik geloopen zijn. Maar nog voordat de indeeling der macht behoorlijk geschied was, kwam een prauw de Troessan-monding uitgevaren waarin het districtshoofd van de beneden-Kahajan, Radhen Singa Patti gezeten was. Deze, een volkomen vertrouwd persoon, verzekerde, dat hij geen enkele prauw in de Troessan ontmoet had. Bij gevolg was het zeker, dat de vluchtelingen dien weg niet genomen hadden. De reis werd nu gezamenlijk voortgezet, tot aan de soengei Lopak, welk riviertje door een klein gedeelte der flotille onderzocht werd, terwijl de hoofdafdeeling de reis naar de monding der kleine Dajak vervolgde. Dat onderzoek in kreken en inhammen was nog al tijdroovend geweest, zoodat het middaguur al lang verstreken was, toen de Javazee zichtbaar werd.

Nauwelijks buiten gekomen, liet de luitenant het gewapend oog over de oppervlakte der zee glijden en zag toen de twee kruisbooten voor anker in de zware deining wiegelen en in het zuidwesten een prauw, die in den wind oproeide, maar afhield, zoodra zij de flotille in het oog kreeg, de zeilen bijzette en alle krachten inspanden, om uit de voeten te geraken. Die verdachte beweging moest er toe leiden om het geloof te doen veld winnen, dat de deserteurs daar aan boord waren. Zelfs de Tomonggong verklaarde, dat de prauw veel overeenkomst had met die welke voor het choleralijk was ingericht; evenwel kon hij geen inlichting geven op de vraag des luitenants, wie aan boord als roeiers zouden dienen. Hij kende den angst zijner stamgenooten voor de vreeselijke ziekte en dat vermeerderde zijn onzekerheid.

Zoodra de luitenant die inlichtingen ingewonnen had, liet hij eenige schoten doen, om de aandacht der kruisbooten te trekken, en daarna de nationale vlag boven den achtersteven zijner prauw hijschen. Nu zijn aan boord van de Nederlandsche kruisbooten in de Indische wateren geen bijzonder slimme „djoeragan’s” (gezagvoerders); men betaalt die lui met zulk een verregaande schrielheid, dat men op geene normale denkvermogens mag aanspraak maken. Maar was het intuïtie of iets anders? nu schenen de kommandanten dier booten spoedig begrepen te hebben, wat van hen verlangd werd. Zij haalden spoedig de ankers in, heschen de zeilen en liepen bij den wind, om de flotille te bereiken. Gelukkig dat zij geen dier vaartuigen overzeilden, hoewel het niet veel scheelde.

Toen de luitenant aan boord van een hunner was overgestapt, liet hij onmiddellijk voor den wind afhouden en alle zeilen bijzetten. Tegelijkertijd liet hij met het scheepskanon drie schoten met los kruit doen, als bevel aan de vluchtende prauw om bij te draaien. Maar deze, in stede van te gehoorzamen, bracht, niettegenstaande zij al hare zeilen voerde, zooveel roeispanen te water als maar mogelijk was. Er scheen thans zeer veel volk aan boord te zijn, hoewel men des morgens op de kruisbooten de bemanning dier prauw op een viertal koppen geschat had.

Nu liet de luitenant met scherp vuren, als om aan de jacht meer klem bij te zetten en te toonen dat het ernst was, maar de afstand was te groot. De gladde driepondskogels dansten over de toppen der golven, wierpen prachtige waterzuilen in de hoogte, maar bereikten de prauw niet. Dat vele volk aan boord maakte den argwaan van den Tomonggong gaande, die als zijn gevoelen te kennen gaf, dat het onmogelijk de prauw der vluchtelingen kon zijn en dat men op een valsch spoor was. Als die prauw te Kwala Kapoeas met zooveel roeiers bemand was, zou dat voor hem als districtshoofd niet geheim gebleven zijn, meende hij.

Op die taal was de luitenant in het onzekere wat te doen. Waren de deserteurs niet aan boord, dan toch had die prauw zeer waarschijnlijk misdadige bedoelingen; want waarom vluchtte zij anders? Het was wellicht van veel gewicht die bedoelingen te kennen. Maar jaagde men die prauw, dan liet men de deserteurs vrij baan. Eindelijk besloot de officier de vluchtende prauw met één der kruisbooten achterna te zetten, terwijl de andere met de Dajaksche flotille de kust observeeren en al de inhammen en kreken onderzoeken zou.

Maar, terwijl de noodige bevelen uitgedeeld werden, werd eenig geschreeuw van een der rondom zwervende prauwen vernomen en brachten de opvarenden daarvan een kist op sleeptouw naderbij, die aan boord van de kruisboot geopend, het lijk vertoonde van den Dajakschen choleralijder, die des avonds te voren begraven zou zijn. Ja, daar viel niet aan te twijfelen, hij was het en niemand anders, dat werd door al de aanwezige Dajaks erkend. Zelfs drong er een vooruit, die beweerde de maker der kist te zijn, hij had haar, volgens den adat, van handjolotong-hout [44] vervaardigd en daarin was de oorzaak te zoeken, dat die kist nog drijvende gevonden was. De luitenant keek den Tomonggong en deze weer den officier aan. Beiden schatten den afstand van de vluchtende prauw tot de riviermonding en daar nu de kist nagenoeg in de lijn, tusschen die beide punten getrokken, opgevischt was, verdween ieders twijfel, zelfs bij het Dajaksche hoofd. Er viel niet te aarzelen, die kist was door de opvarenden van die prauw daar ginds over boord gezet.

Het lijk werd nu spoedig in een djoekoeng overgeladen, om aan den wal begraven te worden. Aan splitsing van de aanwezige zeemacht werd niet meer gedacht. Men waande zich op het rechte spoor; de deserteurs waren dáár en dus:

„Madjoe! madjoe!!” (vooruit, vooruit) klonk het bevel.

Maar achterna jagen en inhalen zijn volstrekt geen synoniemen; dat zou onze kommandant al ras ondervinden. Gedurende den geheelen dag bleef de gejaagd wordende prauw haren afstand bewaren. Soms scheen zij veld te verliezen, maar wanneer men aan boord der kruisbooten reeds meende de kanonstukken in de richting te kunnen brengen, dan hernam zij weer vaart en bleek het, dat hare roeiers slechts een wijl rust genoten hadden. Tegen den avond begon de zuidoost-mousson te verzwakken en te kenteren. Het gewone verschijnsel van het intreden van den landwind in die streken deed zich voor. Van zuidoost liep de wind door het oosten naar het noorden en voerde toen een dikke wolkenmassa aan, die het zwerk allerwege bedekte en bij het invallen van den nacht den gezichtskring zeer beperkte. De beide kruisbooten voerden de voorschriftmatige lichten en om botsing te voorkomen, was ook ieder vaartuig der Dajaksche flotille van een lampje voorzien. Het was wezenlijk een illuminatie op zee. Maar aan boord van het vervolgd wordende vaartuig liet men heel verstandig geen licht zien. Het gevolg daarvan was, dat men in den blinde den koers westzuidwest vervolgde en men bij het aanbreken van den dag de prauw vooruit niet meer, maar wel nog in het zuiden bij den gezichteinder een zwarte stip ontwaarde. Eenvoudig was de prauw in den stikdonkeren nacht van koers veranderd en had om de zuid gehouden, om met het doorkomen van den zuidoosten wind niet door Tandjoeng Salatan [45] gedekt te zijn en dadelijk voor den wind te kunnen houden.

Waren de Nederlandsche kruisbootvaartuigen voor hunne taak berekend, dan ware de kans nog lang niet als verloren te beschouwen geweest, want bij de windstilte, die in de morgenuren gewoonlijk tusschen de keerkringen in die binnenzeeën heerscht, had men met de roeiriemen vooruit kunnen komen. Maar zijn die booten middelmatige zeilers, het zijn logge onhebbelijke dingen, wanneer zij geroeid moeten worden. De poging werd evenwel niet opgegeven, men roeide wat men kon; en toen eindelijk tegen acht uur de mousson doorkwam, werden alle zeilen bijgezet; maar met hetzelfde gevolg als daags te voren.

Ten twee ure des namiddags daagde een groote schoener aan den horizon op, die bij den wind kruisende was. Zoodra die de vervolgd wordende prauw in het gezicht kreeg, heesch hij een omgekeerde Nederlandsche vlag [46], loste een kanonschot en manoeuvreerde om de prauw op te nemen. Zoodra dit volvoerd was en deze op sleep in zijn kielwater danste, braste de schoener vol, hield voor den wind af en loste een kanonschot, waarvan de kogel over de eene kruisboot heenvloog, maar van de andere den mast trof en dien op een manshoogte boven het dek verbrijzelde en over boord sloeg. Naar den afstand te oordeelen, moest die schoener ongetwijfeld met getrokken geschut bewapend zijn.

Tandenknarsend dacht de luitenant er nog een oogenblik over om de vervolging voort te zetten, maar de schoener was een goed bezeild vaartuig; binnen den tijd van een uur was hij aan de kim verdwenen. Ja, het was zoo; en of onze officier al door zijn kijker keek, er was niets meer te ontwaren.

Nu moest aan den terugkeer gedacht worden. Tomonggong Djaja Nagara wees naar den horizon, alwaar in het noorden de flauwe omtrekken van land te zien waren, en verklaarde, dat die ver uitstekende kaap Tandjoeng Poeding was en die daar iets verderop Westelijk Tandjoeng Kramat. De luitenant keek op de eenige beschikbare kaart aan boord en zijn gezicht betrok.

„De Kleine Dajakmonding ligt op 114° 5′ en deze kaap op 111° 54′ oosterlengte van Greenwich,” mompelde hij, „dat is van het standpunt hier ruim zes en dertig geographische mijlen af te leggen in den wind. Een beroerde geschiedenis! Verd.... kerels!”

Maar van den nood een deugd makende, regelde hij het zoo, dat de beide kruisbooten bij elkander zouden blijven. De vleugellam geschotene zou evenwel door een zestal Dajaksche prauwen geboegseerd worden tot binnen de kleine Dajakrivier. Eenmaal daar, zou zij met behulp van den vloed en hare roeiriemen zich wel zelve kunnen redden. Toen dat geregeld was, stapte de officier met den Tomonggong op het snelst varende vaartuig der flotille over, na dat met een zestigtal uitgelezen roeiers van de overige prauwen bemand te hebben en spoedde vooruit, om in den kortst mogelijken tijd zijn post te bereiken.

Maar welke spoed ook gemaakt werd en tot welke inspanningen de roeiers ook aangezet werden, toch waren volle twee dagen en nachten voor den overtocht noodig. En daarbij moest men zich nog gelukkig achten, dat de mousson slechts flauw doorkwam en het des nachts bladstil was. Het was dus eerst laat in den namiddag van den vierden dag na zijn vertrek, dat de kommandant te Kwala Kapoeas terug was.

Bij zijn terugkomst heette hem de dokter welkom, die evenwel verwonderd uitkeek, dat de vluchtelingen niet in de prauw waren. Op zijn vragenden blik, antwoordde de luitenant:

„Weg! en voor goed. Ik heb ze aan boord van een gewapenden schoener zien verdwijnen. Maar hoe hebben die kerels daarmee connexiën kunnen aanknoopen? Hoe meer ik er over nadenk, hoe minder begrijpelijk komt het me voor.”

Toen hij gezeten was, vertelde hij zijn wedervaren, het bespeuren der prauw, het vinden van het lijk, de jacht, het noodlottige schot van den schoener met omgekeerde Nederlandsche vlag, in een woord alles en besloot zijn verhaal met de verzuchting:

„’t Is me een raadsel!”

„Wat was die schoener voor een vaartuig?” vroeg de dokter.

„Weet ik het? ’t Was een Europeesch getuigde bodem. En dat hij getrokken geschut voerde, daarvan houd ik mij overtuigd. Wellicht een van die Engelsche smokkelaars, die in straat Malakka thuis hooren, en soms op zeer brutale wijze smokkelhandel in opium en oorlogsbehoeften drijven. Komaan, ik ga mijn verslag opmaken. Maar a propos, hebt ge na mijn vertrek het u overhandigde rapport verzonden?”

„Ge waart met uw flotille nog in ’t gezicht, toen de postprauw vertrok.”

„Goed zoo, dan kunnen we heden nog antwoord hebben.”

De dokter was in zijn hart verblijd over het ontkomen der vluchtelingen. Och! als hij eens had kunnen weten, waar zij zich op dat oogenblik bevonden, zijn blijdschap zou aanmerkelijk getemperd zijn geweest.

Daags na de terugkomst van den kommandant, verbreidde zich het gerucht in den kampong te Kwala Kapoeas, dat Dalim en de beide andere Dajaks, die met hem onder opzicht der politie stonden, te soengei Naning gezien waren. Dat die gediend hadden tot roeiers van de begrafenisprauw was geheel onbekend. Toen de luitenant het districtshoofd over die afwezigheid sprak, bevestigde die, dat de drie Dajaks uit den kampong verdwenen waren; hij verhaalde ook de geheele kaaimansjacht bij Poeloe Kanamit en betuigde, dat hij reeds vertrouwelingen uitgezonden had, om de weerspannigen terug te halen. Op de vraag van den luitenant, of er eenig verband kon bestaan tusschen het verdwijnen van die schavuiten en het deserteeren der vier Europeanen, lachte de Tomonggong goedig:

„Hoe zou dat kunnen, Heer! Gij hebt uwe blanken om zoo te zeggen met eigen oogen aan boord van dien schoener zien stappen. Hoe zou nu eenig verband te vinden zijn tusschen hen en die Dajaks, die slechts een uitstapje zijn maken naar soengei Naning. Gij weet immers dat Dalim daar een broeder heeft?”

De luitenant schudde het hoofd; maar antwoordde niet.

Toen evenwel twee dagen later die gekwetsten uit soengei Mantangei aangebracht werden, die met Oostersche beeldspraak veel te vertellen hadden van een aanhoudend geweervuur, alsof wel honderd man aan het schieten waren geweest; toen ook de dokter zich onvoorzichtig had laten ontvallen, niet met zekerheid te kunnen bepalen, dat de wonden slechts door ronde kogels veroorzaakt waren, en zelfs de meening uitsprak, dat zij door puntkogels uitgescheurd waren, toen werd de kommandant tot nadenken gestemd. Hij liet dan ook het districtshoofd ontbieden, overlegde met dien en gelastte hem een dertigtal Dajaks zich gereed te doen houden en het kamponghoofd Damboeng Papoendeh naar het fort te zenden, ten einde zijne instructiën te ontvangen.

Toen de oude Tomonggong het fort verliet, ontmoette hij den dokter.

„Thans gaat het er op los”, zuchtte hij, „thans is hun spoor duidelijk.”

„Maar Tomonggong, hoe is het mogelijk, dat die Europeanen daar in soengei Mantangei dat gevecht geleverd hebben?”

„Hoe het mogelijk is, weet ik niet te verklaren Heer; maar dat het zoo is, daar kan ik een eed op doen.”

„Pas op,” lachte de dokter, „de blanken straffen een valschen eed zeer zwaar.”

„Ik heb die straf niet te duchten. In de geheele Dajaklanden bestaan zulke halve duivels niet. Eerst die kaaimansjacht, toen dat gevecht met den boa, later dat hevige geweervuur op de aankomende kampongbewoners. Niemand hier heeft zulke wapenen. Ik durf alles verwedden wat mijnheer maar wil, dat de „bedil banjakh pelor” (repeteergeweren) van den toean kommandant daar een woordje medegesproken hebben.”

„Hebt ge dat den kommandant gezegd?”

„Nog niet; die is nog te veel vervuld met de meening, dat de blanken aan boord van dien schoener zijn terecht gekomen. Het vinden van die doodkist is voor hem een onomstootelijk bewijs, dat zij dien weg gekozen hebben.”

„En hebt gij die overtuiging niet, Tomonggong?”

„Ik heb die gehad, Heer, maar ik heb ze opgegeven. De vluchtelingen zijn volgens mij naar boven. Als de kommandant naar mij hoorde, dan waren we reeds op weg.”

„Wat wil hij dan?”

„Eerst door Damboeng Papoendeh laten uitvorschen, wat die bende daar in soengei Mantangei te beduiden heeft gehad. Dat is alles mooi en wel; maar wanneer hij stellige berichten zal hebben, zullen die kerels te veel vooruit zijn.”

„Laat ze gaan, Tomonggong! laat ze gaan.”

„Mijnheer heeft goed praten; maar als we hen niet op den voet volgen, zullen zij òf door de koppensnellers in de bovenlanden geveld worden, òf zij zullen zich daar te midden der Ot Danoms trachten te nestelen en dan zal de taak voor mijn bevolking moeielijk worden. In beide gevallen zal noodeloos bloed vergoten worden. Ik kom heden avond nog terug, en hoop dan den Heer kommandant in een meer gunstige stemming aan te treffen, om naar mijne redenen te luisteren.”

„Maar zoudt gij daarmee nog niet een dag of wat kunnen wachten? Bij voorbeeld tot er nadere tijdingen zullen zijn ingekomen?”

„Heer! mijn dankbaarheid jegens u begint me zwaar te wegen. Ik ben u het leven van mijn kind verschuldigd; nu echter gaan vele menschenlevens op het spel staan.”

„Heb nog slechts wat geduld, ik bid er u om.”

„Het zij zoo! maar ge kunt er op rekenen, dat dit de laatste maal is, dat ik mij vinden laat, om iets voor de vluchtelingen te doen. Ik voel dat ik verkeerd handel. Had ik den eersten keer niet aan uwe beden gehoor gegeven, dan hadden we nu al die moeielijkheden niet.”

Weinige uren later stevenden drie goed gewapende prauwen de Kapoeas op onder aanvoering van Damboeng Papoendeh, een jeugdig Dajaksch hoofd, die volijverig was, om onder de plooien van de Nederlandsche vlag zijn eerste sporen te verdienen. Toen de kommandant hem medegedeeld had, dat die prauw, welke met de bevolking te soengei Mantangei slaags was geweest, naar de Doesson gestevend was, lachte hij fijntjes en verklaarde wel te zullen weten hoe te handelen. Een oogenblik had de dokter getracht hem alleen te spreken, maar bij de eerste woorden had de Dajak zich volijverig afgewend, zijn verleider toegeworpen, dat hij met Tomonggong Djaja Nagara ernstig gesproken had en wijders verzekerd dat, wanneer de blanke deserteurs in de Dajaklanden aanwezig waren, hij ze, zoo niet levend, dan toch hunne koppen zou aanbrengen. En hij was er de man wel naar om, als het niet te zeer tegenliep, die belofte te volbrengen.

Maar behalve zijn dienstijver had Damboeng Papoendeh nog een ander motief om den dokter niet ten gevalle te zijn. Ons jeugdig Dajaksch hoofd had eens het oog geslagen op de dochter van een Nagaraasch handelaar, die haren vader op zijne omzwervingen vergezelde. Met geld is op Borneo veel te verkrijgen, en zoo had hij den koopman al ras ingepalmd en was de koop gesloten, die de gunsten der dochter golden. Maar deze, een fiere Mahomedaansche maagd, zag met verachting op haren heidenschen aanbidder neder en was door geen liefdesgekweel te verlokken. Welke gelegenheden de Maleier den verliefden en al stouter wordenden Dajak ook schonk, het hielp niets, het meisje hield hem op een afstand en wist steeds aan zijne omhelzingen te ontkomen. Ten einde raad had de smoorlijk verliefde zich tot den dokter gewend. Hij had zoo veel gehoord van de voortreffelijkheid der Europeesche medicijnen, hij twijfelde er niet aan of de Heer dokter zou hem wel helpen. Toen onze aesculaap eindelijk begreep, wat van hem verlangd werd, voelde hij zich eerst verontwaardigd; maar spoedig besefte hij, dat al zijn redeneeringen om het ongepaste van dat verzoek te doen uitkomen doelloos zouden zijn, omdat zij niet begrepen zouden worden. Hij gaf dan ook die poging op, maar stelde den verliefde een fleschje met oleum Ricini ter hand, met aanbeveling, dat beide partijen de helft er van moesten drinken. Zoo gezegd, zoo gedaan. Door bemiddeling van den vader dronk het meisje hare portie; ook Damboeng dronk vol vertrouwen en ik laat het aan de verbeelding der lezers over, zich het tooneel voor den geest te halen, welke de gevolgen van dat middel waren. De les had doel getroffen, nimmer heeft later eenige Dajak des dokters bijstand weer verzocht bij zijne liefdesgeschiedenissen. [47]

Daags daarna kwam des avonds de post van Bandjermasin te Kwala Kapoeas aan en bracht voor den kommandant de aanbeveling in algemeene trekken mede, om geen middel onbeproefd te laten, ten doel hebbende, de deserteurs in handen te krijgen, zonder evenwel eenige aanleiding te geven tot verwikkelingen, waaraan bij het hoofdbestuur hooge afkeuring ten deel zoude vallen. Toen de luitenant die opdracht gelezen had, barstte hij in een luid gelach uit:

„Zie zoo!” riep hij, „nu weet ik precies, hoe ik te handelen heb. Dat noem ik eerst slag hebben om instructies te geven. Worden mijne pogingen met goeden uitslag bekroond, dan zal ik slechts volgens de mij gegeven voorschriften gehandeld hebben. Komt er integendeel een kink in den kabel, sta dan vast, want dan heeft het mij aan de noodige waarschuwingen voor verwikkelingen niet ontbroken en te zwaarder zal de afkeuring uit den hooge op mij nederdalen, daar men mij ernstig met die afkeuring bedreigd heeft. ’t Is echte Hollandsche zelfdekkerij, geënt op Indische lorrendraaierij!”

„Maar wat valt nu te doen?” vroeg de dokter, die zijn avondje bij den kommandant naar gewoonte was komen doorbrengen en van de opening der postpakketten getuige was.

„Wat er nu te doen valt? Zij kunnen voor mijn part ophoepelen! Er valt niets meer te doen. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik heb de kerels nagezeten, veel verder buiten de grenzen, dan mij als militaire kommandant veroorloofd was. Zij zijn ontsnapt, daarmee is het uit. ’t Is mijn schuld niet, dat die kruisbooten zulke ellendige lompe en logge dingen zijn, waarmee niet vooruit te komen is. Enfin, ’k heb niets anders meer te doen dan te rapporteeren, dat ze weg zijn; gelukkig dat ik er bij kan voegen, dat ik geen verwikkelingen heb in ’t leven geroepen. Ah! als een officier in Nederland maar de helft deed, van wat ik uitgevoerd heb, dan werd hij behangen met Nederlandsche en Nassausche leeuwen, met eiken- en oranje kronen, de vent zou een stevige ruggegraat moeten hebben, om met die onderscheidingen ongebukt rond te loopen. Ik zal al heel blij zijn, wanneer die geschiedenis zonder standjes zal afloopen. Maar.... wat is dat?”

Gedurende dien uitval, die niet van misanthropie was vrij te pleiten, maar die toch den precairen toestand der meeste officieren op de buitenbezittingen in Indië vrij wel schetste, had de luitenant de overige correspondentie als werktuigelijk verder opengemaakt en vluchtig ingezien. De meesten dier stukken waren slechts van administratieven aard en konden door het langdradige en vezelachtige van dien diensttak in Indië, niet anders dan een nauwelijks te onderdrukken geeuwlust opwekken. Maar het stuk, dat de luitenant thans in de hand hield en zijn laatsten uitroep ontlokt had, scheen zijn geheele aandacht te boeien. Het was een mededeeling van den Resident, dat op de hoogte van Poeloe Mangkop, ten zuiden van Tandjoeng Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, door het oorlogsstoomschip Montrado na een scherp gevecht genomen was een schoener, die een omgekeerde Nederlandsche vlag vertoonde en grootendeels beladen was met opium, zout, buskruit en looden en ijzeren kogels. Bij het gevecht waren de meesten der opvarenden gesneuveld. Er scheen evenwel slechts één Europeaan, waarschijnlijk een Engelschman, aan boord te zijn geweest. De gezaghebbers der kustposten werden bij dat officieele schrijven aangemaand zeer op hunne hoede te zijn, daar verondersteld kon worden, dat het niet bij die poging om oorlogscontrabande in te voeren, blijven zoude.

Die aanmaning was waarachtig mosterd na den maaltijd.

„Sakkerloot! dat is die verwenschte schoener!” barstte de luitenant los. „En mijn deserteurs zijn niet aan boord!.... waar zijn ze dan?.... We zijn dus op een valsch spoor geweest! Maar.... die doodkist dan in de Javazee?.... ’t Gaat mijn verstand te boven... Zou dan toch de oude Tomonggong gelijk hebben, dat zij het waren, die dat opstootje in soengei Mantangei te weeg gebracht hebben?.... Er valt bijna niet meer aan te twijfelen? Hoe zijn ze evenwel daar gekomen?”

Onze officier was zeer opgewonden. Hij liet onmiddellijk het districtshoofd ontbieden, en gaf hem den last den volgenden morgen met vijftig roeiers bij het fort tegenwoordig te zijn om hem naar soengei Mantangei te vergezellen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XII

Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti.”—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towana.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Een begrafenisplechtigheid.

Midden in den nacht waren de vluchtelingen van soengei Mantangei op reis gegaan en hadden zij stevig door geroeid. Zij waren nu reeds zeven etmalen onderweg. Het landschap rondom hen begon van karakter te veranderen en langzamerhand zijn alluviale eigendommelijkheid te verliezen. Nog wel niet geheel en al, want soms wisselden zeer zachte glooiingen en verhevenheden van den grond, die zich nog maar alleen door hare veranderde flora deden onderkennen, andermaal met uitgestrekte moerasgronden af, die eindeloos toeschenen, maar, welker grenzen toch bereikt werden.

Hoe weinig de verheffing des bodems nog te beteekenen had, konden onze avonturiers afleiden uit het nog steeds regelmatig intreden van eb en vloed, die zich tot op dien aanmerkelijken afstand van de boorden der zee toch nog met zooveel kracht deed gevoelen, dat tweemaal daags de stroomdraad der rivier een tegenovergestelde richting aannam.

De „riwoet haroesan” (adem des vloeds) werd evenwel al lang niet meer waargenomen; zoover dringt het zeewater landwaarts niet in. Zelfs was het water ter hoogte waar de deserteurs zich thans bevonden, niet meer brak en bleef ten allen tijde drinkbaar. Het zou ook niet lang meer duren of de vloedstroom zou hen verlaten en zij slechts aan het periodiek rijzen van den waterspiegel en aan het verminderen van de sterkte van den ebstroom, zouden ontwaren, dat de vloed aan de kusten doorstond. En eindelijk, naarmate het terrein zal rijzen, zal ook dat verschijnsel gewijzigd worden, totdat de onverzwakte rivierstroom zal overblijven, tegen wier kracht zij te kampen zullen hebben.

Het was zoo omstreeks het einde van „badjagi hai” (3 uur namiddag), toen de reizigers een plek bereikten, die bij de inboorlingen „petak bapoeti” (witte grond) genoemd wordt. Dit is een heuvelenrij van ongeveer veertig voet hoog, bestaande uit verblindend wit zand, niet ongelijk aan een duinenrij, die door den stroom zou zijn doorgebroken. Zelfs de helm ontbrak er niet; want op de hellingen bestaan uitgestrekte plekken met die grassoort of met een dergelijke begroeid. Hier heeft eenmaal de oceaan zijne wateren gerold en beukten zijne machtige golven die duinenrij. Een menigte schelpen worden in dat zand aangetroffen, maar van een geheel andere soort dan die in den kleiachtigen modder, die thans de zuidkust van Borneo omzoomt, gevonden wordt. Een andere omstandigheid, die pleit voor de stelling, dat eenmaal de zuidkust van het thans zoo groote eiland hier aangetroffen werd, is, dat aan de oevers van de Doesson, de Kahajan en de Mantawei rivieren, die met de Kapoeas nagenoeg evenwijdig stroomen, op dezelfde breedte ongeveer, dergelijke duinformatiën aangetroffen worden.

Het was voor de Europeanen vooral een uitkomst, zich op dat droge duin wat te kunnen vertreden; want voor hem, die er de gewoonte niet van heeft, is het dagen lang zitten in een prauw met gekruiste beenen uiterst vermoeiend. Zij stapten dan ook heen en weer met een ijver, die bewees, dat zij de achterstallige beweging wilden inhalen en hielden zich daarbij onledig met het plukken van donkerroode vruchten, niet ongelijk aan onze braambeziën, die daar op die droge plek in groote menigte voorkwamen en door hare frissche rinschheid een aangename versnapering aan hun eentonig maal toevoegde.

Toen zij daar zoo omstreeks een uur gewandeld hadden, gaf Dalim het sein tot vertrek. Dat viel zeer tegen; want nu het eten daar bereid was geworden, was de hoop ontstaan, dat men het ook daar verorberd zou hebben en men ook verder daar verbleven zoude zijn; hetgeen het uitzicht op een aangename avondwandeling geopend had, alsook daarop dat men, in stede van in die wiegelende prauw, eens lekkertjes op vasten bodem zou hebben kunnen slapen. Maar Dalim had daar geen ooren naar.

„We moeten, voor dat de nacht invalt, kotta Towanan bereiken,” beweerde hij.

Nader verklaarde hij zich niet; evenwel vertelde hij, dat te petak bapoeti des nachts zooveel muskieten rondzwierven, dat, al gebruikte men nog zooveel brotoali, aan rusten niet te denken zou vallen. Het was, volgens zijn beweren, wel de plek waar de meeste muskieten van het geheele eiland Kalimantan bij elkander waren en zou dat aan de volgende omstandigheid te danken zijn:

De zoon van Sultan Koening, den Djata- of krokodillenkoning van de Batang Moeroeng [48], zou in het huwelijk treden met de dochter van Anding Maling Goena, den krokodillenvorst van de Kapoeasrivier. Dit huwelijk zou bij petak bapoeti voltrokken worden en de visschen, waterslangen, garnalen, kikvorschen en andere waterbewoners, aldaar verzameld om de plechtigheid bij te wonen en luister bij te zetten, hadden niets beters weten uit te denken, om hunne hulde te bewijzen, dan den jonggehuwden eenige honderden centenaars muskieten ten huwelijksgeschenk aan te bieden. Dit was dankbaar aangenomen, en de nakomelingen van die muskieten brengen nog steeds op indrukmakende wijze die gewichtige gebeurtenis in het geheugen van den reiziger terug, wiens kwaad gesternte hem hier voert om den nacht door te brengen.

„Een raar huwelijkscadeau,” meende La Cueille, „je moet bepaald Dajak zijn om zoo iets te verzinnen. Mijne landslui zouden met zoo’n geschenk weinig gediend zijn.”

„Wie weet,” lachte Johannes, „als de Walinnetjes eens de ondervinding opgedaan hadden, dat een vracht muskieten het beste middel is om zelfs den slaperigsten echtgenoot wakker te houden, of dan ook zij niet zoo’n geschenk zouden begeeren. Maar om het even, ik moet erkennen, dat het niet een der aardigste legenden van het Dajakland is.”

„Ik hoorde Dalim van een eiland Kalimantan spreken. Wat is dat voor een eiland?” vroeg Wienersdorf.

Johannes vertelde toen, dat het de inlandsche naam was van het eiland Borneo, dat de Europeesche benaming, een verbastering van het woord „Broenai”, slechts een heel klein gedeelte van het geheele eiland aanduidt, namelijk van een klein rijk aan de noordwestkust gelegen.

„Heeft dat woord „Kalimantan” ook eenige beteekenis?”

„„Kalimantawa” is de Dajaksche naam van de doerian. Deze vrucht op Borneo is evenwel niet zoo ellipsvormig als die op Java aangetroffen wordt, maar is aan het benedeneinde eenigszins uitgezet en afgeplat. De overeenkomst van den vorm van het eiland met dien van die vrucht, zou aanleiding tot den naam „Kalimantan” gegeven hebben.”

„Dat is geheel onmogelijk,” meende Wienersdorf. „Borneo is een der grootste eilanden der aarde en het nasporen van den omtrek van zulk een groot eiland, dat toch den vorm moet bepalen, vereischt een zekere mate van kundigheden en ontwikkeling, die bij geen volk in den Indischen archipel verondersteld kunnen worden.”

Dalim boog zich tot Johannes en fluisterde hem iets in het oor.

„Je kunt gelijk hebben,” hernam deze. „Dalim noemt mij daar de woorden „Kaliintan” (rivier der diamanten). Meer welluidend zal men dat vroeger „kalimintan” uitgesproken hebben, en zal het later tot „kalimantan”, volgens sommigen tot „kalimanten” verbasterd zijn. De uitlegging ligt voor de hand. Op Borneo worden, zoowel ter westkust als ter zuid- en oostkust, vele diamanten (intan) gevonden. Er zijn verscheidene plaatsen, die naar dat edelgesteente genoemd worden: Karangintan, Lokhintan, Djintan enz. Mij dunkt dat, vermits langs de oevers van vele rivieren diamanten gevonden werden, die riviertjes kaliintan genoemd werden en deze naam langzamerhand aan het geheele eiland is gegeven geworden.”

Onder dergelijk gekout werd de tijd gekort en kwamen de reizigers in de nabijheid van kotta Towanan aan. Dat was een Dajaksche versterking, zooals zij in de binnenlanden van Borneo overal tot bescherming tegen de koppensnellers te vinden zijn. Deze was evenwel in het begin van 1859 tegen de Nederlanders aangelegd. Haar vorm was die eener langwerpige vierkante redoute zonder uitspringende gedeelten; hare borstwering bestond uit stevige ijzerhouten palen van respektabele dikte en was van afstand tot afstand met „hampatongs” versierd. „Hampatongs” zijn levensgroote houten beelden, gewoonlijk Dajaksche strijders in alle mogelijke gevechtstoestanden voorstellende en meestal vrij goed gesneden, altijd in aanmerking genomen het volk, dat ze vervaardigt en van kunst niet veel begrip heeft.

Verdedigd werd die sterkte nimmer. Toen het Nederlandsche stoomschip Montrado haar met zijn dertigponders naderde, sloeg der bezetting de schrik om het lijf en zocht zij haar heil in de vlucht.

Op een korten afstand genaderd, evenwel nog door de laatste stroombuiging gedekt, raadde Dalim aan te leggen om de kotta eerst te verkennen, daar zij nog al eens tot schuilplaats verstrekt aan „bigal’s en „kajau’s” (rivier-roovers en koppensnellers). Hij, met Schlickeisen en La Cueille, steeg behoorlijk gewapend aan wal en drongen zij het bosch in, om die verkenning te maken. Zij bleven evenwel niet lang uit, maar brachten spoedig het bericht, dat de kotta verlaten bevonden was en dat zij niets, wat onraad kon aanwijzen, hadden opgemerkt.

Aanvankelijk was het voornemen zich voor den nacht in de kotta in te richten. Allen hunkerden toch eens een gerusten slaap op den vasten bodem te genieten. Maar toen Wienersdorf den toestand van de versterking en het omliggend terrein opgenomen had, merkte hij op, dat, zoowel de voor- als achterflank bewaakt zoude moeten worden om tegen een overval beveiligd te zijn, daar in beide flanken openingen gevallen waren. Hunne prauw, die alles bevatte wat waarde voor hen had, zoude ook bewaakt moeten worden, zoodat een zoodanige nachtdienst de krachten van het kleine troepje te boven ging en er nog bij kwam, dat niemand hunner den vorigen nacht ook maar een oogenblik gerust had. Er werd dan ook besloten in de prauw te blijven, dan was het voldoende, dat een hunner waakzaam bleef en konden de anderen een ongestoorde rust genieten. Toen de avond gevallen was, begonnen de Dajaks den eersten wachtdienst en zouden de Europeanen de nanachtswachturen voor hunne rekening nemen. Dat was nu wel de aangenaamste regeling niet, maar wel de zekerste, met de wetenschap, dat de inboorling een slecht waker is en vooral na middernacht zittende of staande, geheel onbewust insluimert.

Toch zou van nachtrust niet veel komen; zij zou op vreeselijke wijze gestoord en voor de rest van den nacht geheel verijdeld worden.

Het kon omstreeks negen uur des avonds zijn. De Europeanen hadden zich in hunne spreien gewikkeld en te slapen gelegd en de drie Dajaks zaten met elkander te fluisteren, toen Dalim de opmerking maakte, dat de voorraad brandhout te gering was, om het vuurtje, dat op den oever aangelegd was, ten einde een overzicht over het terrein te hebben, te onderhouden. Hij droeg een zijner makkers op, dien voorraad aan te vullen, hem daartoe een hoop dorre takken aanwijzende, dien hij over dag in de versterking opgemerkt had. Deze maakte hoegenaamd geen bezwaren, daar hij die takken ook gezien had en hij slechts weinige passen te doen had om ze te bereiken. De achterblijvenden zagen hem bij het schijnsel van het vuur, met zijn mandauw in de hand aan wal stappen en door den ingang der versterking verdwijnen, toen eensklaps een hartverscheurende gil weerklonk, die het bloed der twee wachthebbenden schier deed verstijven en de Europeanen onmiddellijk, als met een tooverslag, op de been bracht. Wienersdorf en La Cueille hadden het eerst ieder een geweer gegrepen en sprongen aan wal. Dalim volgde hen op de hielen met den koppensneller in de vuist; de anderen tuurden scherp uit, met het geweer in den aanslag en den vinger aan den trekker. Behoedzaam en met gevelde bajonet drongen de beide eerstgenoemden den ingang der versterking binnen; maar Wienersdorf struikelde al dadelijk en viel, terwijl hij na zijn val een kreet van afgrijzen uitstiet. Dalim volgde onmiddellijk met een brandend stuk hout in de hand; en bij het zwakke schijnsel daarvan ontwaarden zij het lichaam van hunnen Dajakschen makker, echter hoofdeloos. Het lijk was volgens de regels der Dajaksche kunst behoorlijk gesneld; dat wil zeggen, dat met één slag van den vreeselijken mandauw het hoofd van den romp gescheiden was. In den regel geschiedt die daad zoo verbazend snel, dat in de meeste gevallen het slachtoffer de eeuwigheid instapt, geheel onbewust van het lot dat hem treft. Maar hier scheen de aangevallene in de laatste seconde inzicht in zijn toestand gehad te hebben, af te leiden uit den gil, dien hij geslaakt had. Ook scheen hij met de linkerhand zijn aanvaller nog gegrepen te hebben; want een stuk van een ewah bevond zich in die hand geklemd, terwijl de rechter nog den mandauw omsloten hield.

Op weinige passen ter zijde van het lijk zag La Cueille iets in het gras trekken en bewegen. Hij bukte zich en greep er naar; maar stiet een kreet van afgrijzen uit en onmachtig om los te laten, wat hij gegrepen had, hief hij het hoofd van hun makker bij de haren op, dat in de laatste oogenblikken van den bangen doodstrijd de oogen vreeselijk rolde en de kaken en lippen bewoog, alsof hij wat zeggen wilde. Op het zien van dat hoofd riep Dalim verschrikt uit, terwijl hij achteruit stoof:

„Oendoer goeloeng goeloeng!” (spoedig terug).

Die woorden waren hem nog niet van de lippen, toen een fluitend geluid waargenomen werd en La Cueille met een krassen Waalschen vloek uitgilde, dat hij gekwetst was. Hij bracht zonder den kop los te laten, het geweer in den aanslag; maar Dalim greep hem bij den arm en trok hem naar de prauw, terwijl Wienersdorf de achterhoede dekte en met zijn Remmingtongeweer eenige schoten in de dikke duisternis afgaf. Toen zij in den lichtkring van het vuur bij de prauw traden, meende La Cueille zich iets in de struiken aan den voet van de palissadeering der versterking te zien bewegen; hij rukte zich los van Dalim, wierp den nog bloedenden kop in de prauw en schoot zijn geweer in de richting dier struiken af. Dat schot werd beantwoord met een uittartend: „lēēēēh, lèlèlèlèlè ouiiiit!” en tegelijkertijd drongen eenige gedaanten met den mandauw in de vuist uit de duisternis in den lichtkring te voorschijn. Nu was het evenwel de beurt aan Johannes en Schlickeisen, die kalm in de prauw gebleven waren en het gunstig oogenblik bespiedden om handelend op te treden. Schlickeisen had het tweede Remmingtongeweer in handen; Wienersdorf en de Waal stelden zich in de nabijheid der prauw op, en nu weerklonk een geweervuur, dat de aanvallende Dajaks, die over het algemeen toch al geen helden zijn tegenover vuurwapenen, spoedig op de vlucht dreef. De twee eerste schoten van de twee Europeanen in de prauw waren daarbij afdoende geweest; want die, met alle bedaardheid afgegeven, hadden doel getroffen; men had althans twee der aanvallers zien ter aarde storten.

Toen niets meer ontwaard werd aan den oever, hield het vuren op en konden onze avonturiers tot verademing komen. La Cueille klaagde over pijn in den linkerarm. Toen Wienersdorf dien arm onderzocht, bleek het dat de Waal met een vergiftigd pijltje gekwetst was. Allen keken elkander bedrukt aan, want zooveel hadden zij wel van het pijlvergif vernomen, dat de vreeselijke uitwerking daarvan hun bekend was. Dalim greep een handvol keukenzout en wreef daarmede zoo krachtig het tandvleesch van den lijder in, dat zich een overvloedig bloederig speeksel ontlastte. Hij wilde ook de gekwetste plaats inwrijven, maar Wienersdorf stiet hem ter zijde, haalde een fleschje met ammonia liquida te voorschijn, maakte met zijn zakmes een vrij diepe kruissnee over het wondje en liet daarin eenige droppels van zijn alkali vallen. De Waal brulde van pijn, schreeuwde en wrong zich, terwijl hij niet zelden een vroom:

„Sainte Vierge, priez pour moi!” afwisselde met een krachtigen Waalschen vloek.

Bij al den ernst, dien de omstandigheden medebrachten, kon Johannes toch niet nalaten, La Cueille er op te wijzen, dat hij zijn rol van Arabier al heel aardig vergat en raadde hem aan een innig:

„Lā ilāha illa—llāhoe” (Er is geen God dan Allah) te prevelen, in stede van zich tot de Heilige Maagd te wenden. De Waal voelde een innige minachting voor zijnen bruinen stamgenoot, maar had te veel pijn, om die te uiten. Na veel zuchten en klagen, viel hij in een diepen slaap, hetgeen door Dalim als een uiterst gunstig voorteeken werd aangemerkt.

Dat voor de overigen aan geen rusten te denken viel, lag voor de hand. Zij wisten den vijand in de onmiddellijke nabijheid en zaten dan ook met het geweer in de hand en den vinger aan den trekker, achter het prauwboord gedoken, den oever gade te slaan, van waar zij een vernieuwden aanval konden verwachten. Langen tijd bleef het rustig en trok niets bijzonders hunne aandacht, toen eensklaps achter hen op de rivier het bekende, maar toch steeds schrikkelijk:

„Lēēēh lèlèlèlèlè ouiiiiit!” weerklonk en een hagelbui pijltjes over de prauw heen en onder de dakbedekking er van door floot. Toen de verdedigers zich haastig omkeerden, konden zij nog even een rangkan in den zwaren stroom te midden der rivier zien voorbijschieten, terwijl het uitdagend gegil bleef weerklinken. Zij hadden den tijd nog eenige schoten te lossen, die schenen hun doel niet gemist te hebben, want het uittartend geschreeuw verstomde plotseling en werd vervangen door kreten van smart, die nog geruimen tijd in de nachtelijke stilte weerklonken, langzamerhand verzwakten en eindelijk door den afstand niet meer waarneembaar waren.

Op dien Dajakschen oorlogskreet en het daarop gevolgde schieten was La Cueille uiterst verschrikt uit zijn bedwelmenden slaap opgevlogen, had in de dikke duisternis in de prauw rondgetast en de hand gelegd op den bloedigen kop, dien hij zelf eenige uren te voren in de prauw geworpen had, maar wat hem nu in zijn ontsteltenis ontgaan was. In zijn buitensporigen angst en nog geheel onder den invloed van het zoo straks gebeurde, vermeende hij, dat zij overvallen en de koppensnellers aan boord waren en het bloedige werk reeds onder zijn makkers begonnen was. Gelukkig dat hij in dien overspannen toestand geen wapen in de nabijheid had, want bij de duisternis, die er heerschte, zou hij zeker groote onheilen hebben aangericht. In zijne onberedeneerde zucht tot zelfbehoud greep hij toch nog Johannes, dien hij niet herkennen kon, bij den nek en trachtte hem te verworgen, totdat die, eindelijk driftig geworden, hem een paar muilperen toediende, uitroepende:

„Die verduivelde Waal! hij legt het op mijn leven toe; de vent is razend.”

Toen kwam La Cueille tot bezinning niet alleen, maar schoten ook Wienersdorf en Schlickeisen tot ontzet toe. Allen vermeenden, dat het een plotselinge uitbarsting van verstandsverbijstering was, door het pijlvergif veroorzaakt. Maar zoodra had de Waal zijn ontwaken verhaald, zijn vreeselijken angst, het grijpen van dien kop en wat daarbij in zijn brein was omgegaan, of allen barstten in een uitbundig gelach uit en feliciteerden den vreemdsoortigen koppensneller, die beangst geworden was voor den kop, dien hij zelf te huis had gebracht.

„We zullen dien kop netjes voor je klaarmaken en poetsen,” zei Johannes, „dan kun je hem mee naar Jupille nemen. Als ex-voto zou hij onbetaalbaar prijken; toch moet ik je afraden hem daarvoor te bezigen. Wie weet hoe lief je de Walinnetjes zullen aankijken, als je je op Dajaksche wijze deklareert en de uitverkorene een bekkeneel aanbiedt.”

Allen schaterden het uit over den uitval, behalve La Cueille, die van den schrik nog niet geheel bekomen was. Een flinke teug toeak hielp hem evenwel op streek.

Na dergelijke gebeurtenissen viel aan slapen niet meer te denken; hoewel Dalim de verzekering gaf, dat nu niets meer te vreezen was, daar het troepje koppensnellers gevlucht was, en zij het waarschijnlijk waren, die in dien rangkan voorbij vloden. Dat woordje „waarschijnlijk” klonk evenwel onrustbarend in de ooren van allen; zekerheid bestond dus niet, en daarom werd dan ook maar besloten de uiterste voorzichtigheid te betrachten en de verschijning van Aurora met het geweer in de hand af te wachten. Waakzaam zijn en praten kon echter zeer goed met elkander gaan; de tongen roerden zich dan ook op een wijze die bewees, dat de geschokte zenuwen nog lang niet in rust waren.

„Dat gaat goed,” meende Schlickeisen, „in twee dagen tijd heeft onze kleine macht een verlies geleden van een doode en twee gekwetsten. Als dat zoo voortgaat naar mate wij de bovenlanden naderen, dan zullen er niet veel van ons overblijven om in het oude Europa te gaan verhalen, wat er van ons geworden is.”

„Ah bah! dacht je dat we er zonder kleerscheuren zouden afkomen?” vroeg Johannes; „als de helft van ons de Chineesche zee bereikt, dan mag die—de helft bedoel ik, niet de zee—van geluk spreken. Eigenlijk is ons aller leventje geen enkel dubbeltje waard.”

„Je bent nog al lollig met je voorstellingen,” lachte Wienersdorf.

„Hij is net zoo lollig als zijn natuurlijke huid blank is,” gromde La Cueille. „Die nare Sienjo maakt iemand het leven nog onaangenamer dan het is. Al die verhalen en voorspellingen doen niets ter zake af en kunnen ook niets aan onzen toestand veranderen. Ze maken je maar ontijdig onlekker.”

„Je moet het leven nemen zoo als het is en de toestanden onverschrokken onder de oogen durven zien. Zich illusiën scheppen leidt tot niets dan tot teleurstellingen. Ons steeds voorbereid houden op alle gebeurlijkheden, dat moet ons steeds voor oogen zweven; dan komen de rampen nimmer onverwacht. Maar zich muizenissen in ’t hoofd te halen, is ook onverstandig. Onze toestand is nog zoo heel erg niet; ’t is te betreuren dat we een onzer makkers verloren hebben, maar een geluk is het, dat geen van ons vieren gevallen is. Dat zou een ware ramp zijn. We zullen zien den ontbrekende te vervangen; ja, ik denk er zelfs aan, onze macht uit te breiden, zoodra de gelegenheid zich daartoe zal voordoen. Want dat valt niet te ontveinzen, hoe verder we de binnenlanden zullen intrekken, hoe meer de gevaren zullen toenemen. Wat nu evenwel de gekwetsten betreft, dat heeft niet veel te beduiden. De boabeet van Wienersdorf is zoo goed als genezen en nu La Cueille nog niet dood is, kunnen we over dien speldenprik lachen. Wat heeft die Waal een spektakel gemaakt!” schaterde Johannes.

„Nu ik nog niet dood ben. Je spreekt er gemakkelijk over,” pruttelde de betrokkene rillend bij de gedachte. „Was daar dan gevaar voor?”

„Toen ik dat pijltje zag, gaf ik geen oortje voor je leven. Die dingen werken verbazend snel. Eerst wat beven, dan wat tandenknarsen, eindelijk wat verwarde taal en spektakel als van een lastigen dronkaard; daarmee is alles uit en dat nog wel binnen het half uur. Nu er al veel langer tijd verstreken is, behoef je je niet meer ongerust te maken.”

De Waal deed een zucht van verlichting hooren.

„Maar Wienersdorf,” vervolgde Johannes, „moet dat fleschje met dat stinkend goed zorgvuldig bewaren. Hij heeft daarmee wonderen verricht.”

„Dalim beweert dat het keukenzout La Cueille gered heeft.”

„Het mocht wat,” lachte Johannes, „ik heb den kommandant te Kwala Kapoeas veel proeven zien nemen met het pijlvergif, op honden, apen en kippen. De zoutproef mislukte altijd. Steeds stierven de gekwetste dieren. Werd daarentegen dat stinkende vocht gebezigd, dan genazen zij bijna allen.”

Wienersdorf zat in gedachten verzonken met het hoofd in de hand.

„Het is me toch iets raadselachtigs,” sprak hij eindelijk, „hoe die kerels in die versterking gekomen zijn. We hadden haar en het omliggend terrein toch zoo goed verkend.”

„Dat hadden we ook,” antwoordde Johannes, „maar je zult wel opgemerkt hebben, dat in de achterflank van de kotta een paar gaten in de palissadeering bestaan. Nu bevonden zich die kerels binnen de enceinte en hebben, waakzaam als ze zijn, ons zien aankomen. Niet wetende wie we waren en ook onbekend met onze getalsterkte, namen zij door die gaten onbemerkt de wijk naar de wildernis. Van toen af hebben ze ons geen oogenblik onbespied gelaten en toen we geloofden alleen ter plaatse te zijn, gluurden een aantal vurige oogen van achter struiken en boomstammen ons achterna. ’t Is zeer waarschijnlijk een geluk voor ons allen geweest, dat onze Dajaksche makker dat brandhout ging halen. Voor een echten koppensneller was die gelegenheid te schoon, om onbenut voorbij te laten gaan. Ware die daad uitgebleven, wie weet of zich dan niet de gelegenheid voorgedaan had, ons in den laten nacht te komen overvallen. Een geeuwerig oogenblik van een schildwacht, het onwillekeurig sluiten der oogen, al was het ook maar gedurende weinige seconden, zou de gewenschte gelegenheid hebben aangeboden en weest verzekerd, dat die speurhonden haar niet onbenut voorbij zouden hebben laten gaan.”

„Waarom schreeuwde je toch zoo bij het binnentreden der kotta?” vroeg La Cueille aan Wienersdorf.

„Wel, ik struikelde en viel zoo lang ik was op het onthoofde lijk, dat nog te stuiptrekken lag. Ik stak mijn rechterhand uit om me op te richten en sloeg die op den romp, waaruit het warme bloed met stralen sprong. Verduiveld! wat rilling me toen langs de ruggewervels voer! Maar jij moet ook zoo iets gevoeld hebben, van wat ik ondervond, toen je dien grijnzenden kop te pakken kreegt. Maar,” wendde Wienersdorf zich tot Dalim, „waarom deedt ge ons teruggaan, toen La Cueille dien kop opstak?”

„Omdat die kop mij het bewijs leverde, dat de kajau’s nog in de nabijheid waren. Niet dan hoogst zelden verlaat de koppensneller het terrein, zonder den gesnelden kop mede te nemen. Dan ook wist ik niet hoe sterk die troep was.”

„Ik meende dat de kajau steeds zijn slachtoffer bij het haar grijpt en dan den noodlottigen slag toebragt. Hoe is het nu mogelijk geweest, dat die kop op den grond gerold is?”

„Dat begrijp ik ook niet goed,” verzekerde de Dajak. „In den regel gaat dat grijpen bij het haar en het toebrengen van den slag zoo snel in zijn werk, dat het slachtoffer gewoonlijk niet weet wat met hem voorvalt en den tijd niet heeft, een gil te slaken. Ge moet niet vergeten, dat de koppensneller, zorgvuldig achter struik of boomstam verscholen, zijn prooi onverwachts bespringt. En de behendigheid dier menschen is zóó groot, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om het hoofd van den romp te scheiden. Er hebben zich gevallen van vlugheid voorgedaan, waar het slachtoffer nog eenige passen met zwaaiende armen voortliep, nadat de bloedige scheiding had plaats gegrepen en dan eerst nederstortte. Bij mijn makker schijnt het niet zoo snel toegegaan te zijn; hij heeft nog den tijd gehad te schreeuwen; bij een laatste poging tot zelfbehoud heeft hij nog getracht zijn bespringer te grijpen en hem waarschijnlijk een slag met zijn mandauw toegebracht. Bij die kortstondige worsteling heeft deze laatste den kop laten glippen op het oogenblik, dat wij door de deur drongen. Dat de kajau’s in onze nabijheid waren, bewezen de pijltjes, die op ons afgezonden werden. Onze Sjech weet daar meer van te vertellen, niet waar?”

„Ge zegt, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om den kop van den romp te scheiden,” sprak Wienersdorf, „die behendigheid is toch merkwaardig. Hoe vaak toch is het in Europa niet in vroegere eeuwen gebeurd, dat bij terechtstellingen de beul herhaaldelijk moest toeslaan. Wanneer de executie met het zwaard plaats had, kwam dat zelfs dikwijls voor; toen de bijl en het blok gebezigd werden, vond het nog plaats, en er zijn zelfs gevallen bij het guillotineeren voorgekomen, dat de valbijl voor de tweede maal omhoog moest gehaald worden, om het slachtoffer af te maken.”

„De Dajaksche jongelingen in de bovenlanden oefenen zich geregeld in het koppensnellen,” verklaarde Dalim. „Eerst plaatsen zij een klapperdop op een dunnen staak en is het voor het kind een behendig stuk dien staak vlak onder de noot, zonder deze te beschadigen, door te houwen; later, als zij meer kracht bekomen hebben, wordt de staak vervangen door een pop ter grootte van een veertienjarigen knaap, met een nekstuk van zacht maar toch veerkrachtig handjolotong [49] hout, en om de illusie te volmaken, wordt de klappernoot met een pruik versierd, vervaardigd van de vezels van den arengpalm, die, wanneer zij goed toebereid zijn, wel wat overeenkomst hebben met het sluike haar van de menschen van dit land. Van daar die groote bedrevenheid. Op lateren leeftijd onderhouden zij die, door ijverig aan sneltochten deel te nemen.”

„Ik moet er nog bijvoegen,” vervolgde Johannes de toelichting, „dat de Dajaks, zelfs die van de benedenlanden, zonder die oefening een buitengewone behendigheid bezitten in het hanteeren van den mandauw. Ik heb het te Kwala Kapoeas bijgewoond, dat in tegenwoordigheid van den kommandant iedere Dajak, hoe zwak zijn voorkomen ook was, een rijpe, doch nog groene klappernoot telkenmale en zonder eenige inspanning over dwars in tweeën sloeg, zoodanig, dat beide helften behoorlijk gescheiden waren. Geen Europeaan, hoe stevig ook, en welke kracht hij ook aanwendde, kon het verder brengen dan tot op de houtschaal der noot. De vezelige bast had den slag gebroken.”

„Het blijft het oude liedje: „pas op je kop”,” mompelde La Cueille; „ik wou dat ik in mijn België gebleven was. O Belgique! o Belgique! mes amours, tu auras toujours,” neuriede hij.

„Een rare instelling toch,” vervolgde Schlickeisen, „zijn meisje menschenkoppen aan te bieden.”

„Zeker heel raar, maar toch een, waarvan de grond wel te raden is,” antwoordde Johannes. „Aanvankelijk zal het wel geweest zijn, dat de aanstaande een bewijs zijner dapperheid moest geven als waarborg, dat hij zijn vrouw en kroost zou weten te beschermen. En het beste bewijs, dat hij in die oorspronkelijke maatschappij van die dapperheid kon leveren, was wel het hoofd van een door hem gevelden vijand. Later is dat verbasterd en zijn de schedels tot weeldeartikelen geworden, die tot afschuwelijke sluipmoorden, somtijds van vrouwen en kinderen, en tot een afzichtelijken handel aanleiding geven. Zoodat een instelling, die met goede bedoelingen in het leven werd geroepen, tot een vloek van de geheele bevolking van een der grootste eilanden der aarde geworden is.”

„Maar in de benedenstreken, kan toch die gruwel niet meer plaats hebben, niet waar?” vroeg Wienersdorf aan Dalim.

„We durven niet,” antwoordde deze, „de Hollanders willen het niet hebben.”

„Dus alleen omdat die het verbieden, laat men het. Vindt ge dan het koppensnellen niet een afschuwelijk bedrijf?”

„Tawèh! angat, kamaangkoe hirah,” (Wie zal dat uitmaken! volgens mijne opvatting wel mogelijk), was het flegmatieke antwoord, hetwelk bewees, dat de overtuiging van die afschuwelijkheid hier nog geen ingang gevonden had.

Onder dergelijke gesprekken kropen de nachtelijke uren om, en verscheen eindelijk de dageraad, die door onze vrienden met een zucht van verlichting begroet werd. Toen het geheel dag was geworden, werd de kotta met alle behoedzaamheid verkend en vonden de veldontdekkers daarin niets dan het onthoofde lijk huns makkers. Op een geringen afstand daarvan lag een kleine plas bloed; maar die kon even goed van het afgehouwen hoofd als van een der koppensnellers afkomstig zijn. Bij de palissadeering evenwel werden ook bloeddroppels waargenomen, terwijl bij een der openingen op het paalwerk bloedige vingers afgedrukt stonden. Het was dus niet te gewaagd aan te nemen, dat de bespringers ook verliezen hadden, maar toch was er eenige teleurstelling op de gezichten der Zwitsers te lezen, omdat zij geene lijken van gevallen vijanden vonden.

„Zouden die canailles er zonder kleerscheuren afgekomen zijn?” vroeg Schlickeisen niet zonder ergernis.

„Neen zeker niet,” antwoordde Johannes eenigszins met drift, „dat bewijzen de bloedsporen die, ik zag het zoo even, tot aan den rivierkant, waar de kajau’s in hun rangkan gestegen zijn, gevolgd kunnen worden. We moeten het terrein nog wat nader onderzoeken. Er valt evenwel te bedenken, dat het bij alle inboorlingen van Nederlandsch Indië tot een groote schande gerekend wordt, de lijken hunner gevallen wapenbroeders in de handen der vijanden achter te laten. Zoo het maar eenigszins mogelijk is, worden die steeds meegevoerd.”

Toen de kotta onderzocht was, traden de deserteurs door een der openingen naar buiten, maar zochten lang te vergeefs in den omtrek. Eindelijk evenwel bij een zeer dichten struik, werd een plek waargenomen, waar het spichtige gras over eenige uitgestrektheid plat gedrukt was, alsof daar een menschelijk wezen gerust had. Toen Schlickeisen zich met het hakmes een doortocht tusschen de slinger- en doorngewassen tot het dichtste gedeelte van den struik gebaand had, zag hij daar twee lijken liggen, gekleed in vollen oorlogstooi, met den „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels aan, met het mutsje van apenvel op het hoofd, in de linkerhand het beschermend schild, en in de andere den ontblooten mandauw geklemd. Volgens Dalim waren het Poenan’s, een Dajaksche stam, die in de binnenlanden van Borneo bij de bronnen van de Kahajan-Doesson- en Koetei-rivieren te huis hoort. Die stam is berucht door de stoutheid zijner tochten tot het verwerven van koppen. Beide mannen, die door geweerkogels geveld waren, hadden reeds verscheidene levensdraden afgesneden, te oordeelen naar de vlokken menschenhaar, die de grepen en scheeden hunner mandauws versierden. Het waren nog jonge kerels; maar Dalim verzekerde toch, dat de eene reeds vier en de andere zeven koppen had gesneld. Dit bleek uit het aantal bandjes van rooden rottan die de mandauwscheeden omwoelden.

De beide Dajaksche tochtgenooten eigenden zich de wapenen en de maliënkolders van de verslagenen toe en ploften daarna hunne lijken in de rivier, als een offer aan Djata, den opperkoning der krokodillen. Hun gesneuvelden makker waschten zij behoorlijk, beschilderden hem het voorhoofd en de nagels met sirihspuug, bij gebrek aan eenige andere verfstof, waarna zij met behulp der Europeanen een graf dolven en hem daarin legden. Zij plaatsten het hoofd op den romp, gaven het lijk den mandauw in de hand en legden zijn lans naast hem in den kuil. Toen zij daarmede klaar waren, nam ieder hunner een handvol rauwe rijst, strooiden die op het lichaam onder het uitspreken der woorden:

„Djetoh akam” (dat is voor u).

Vervolgens strooiden zij een tweede handvol, zeggende:

„Djetoh impahitkoe” (dat zend ik aan mijne voorvaderen).

En eindelijk nog een derde, waarbij zij prevelden:

„Djetoh akau X X” (dit is voor X X), waarbij zij de namen noemden hunner bloedverwanten, die het laatst gestorven waren.

Dat rijststrooien heet „mambowor” en mag bij begrafenissen nimmer achterwege gelaten worden. Na die plechtigheid hieven de beide makkers van den overledene een doordringend gegil aan, dat „tatoem” (de dooden beweenen) genoemd wordt, waarna zij het graf vulden. Om lijkschennis te voorkomen, hadden zij tot grafplaats een kleine plek tusschen dicht ineen gegroeide struiken uitgekozen, en eerst de graszoden daarvan zorgvuldig uitgestoken en zonder ze te beschadigen behoedzaam op zijde gelegd. Vervolgens hadden zij de uitgedolven aarde op een sprei verzameld, daarbij zorg dragende, dat geen kluitje daarnaast viel. Bij het vullen van den grafkuil trapten zij de aarde vast aan, plantten vervolgens een paar struikjes er op en herplaatsten toen de zoden zoo nauwkeurig, dat het meest scherpziend oog niet kon ontwaren, waar de schop hare groeve ingesneden had. De overtollige aarde, op de sprei achtergebleven, werd met angstvalligheid in de rivier geworpen en het geheele graf rijkelijk met water besproeid, om verwelking der graszoden en der geplante struiken te voorkomen.

Toen dat alles afgeloopen was, bestegen de vluchtelingen hunne prauw, sloegen de pagaaien met kracht in het water en verlieten die plek, die hun zoo noodlottig had kunnen worden.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us