← Borneo van Zuid naar Noord

Opening…

Part 1 of 6 · Michaël Théophile Hubert Perelaer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #67054, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (35)
  1. Opening about 5 min
  2. I about 15 min
  3. II about 15 min
  4. III about 21 min
  5. IV about 23 min
  6. V about 17 min
  7. VI about 25 min
  8. VII about 38 min
  9. VIII about 19 min
  10. IX about 23 min
  11. X about 25 min
  12. XI about 19 min
  13. XII about 24 min
  14. XIII about 23 min
  15. XIV about 27 min
  16. XV about 25 min
  17. XVI about 25 min
  18. XVII about 25 min
  19. XVIII about 24 min
  20. XIX about 23 min
  21. XX about 25 min
  22. XXI about 25 min
  23. XXII about 26 min
  24. XXIII about 26 min
  25. XXIV about 24 min
  26. XXV about 27 min
  27. XXVI about 26 min
  28. XXVII about 28 min
  29. XXVIII about 26 min
  30. XXIX about 22 min
  31. XXX about 20 min
  32. XXXI about 20 min
  33. XXXII about 18 min
  34. XXXIII about 19 min
  35. XXXIV about 1 h 16 min

Continue:

Opening

BORNEO VAN ZUID NAAR NOORD

ETHNOGRAFISCHE ROMAN

DOOR M. T. H. Perelaer

Gepd Hoofdofficier van het Nederl. Ind. leger. Gewezen Gezaghebber in de Dajaklanden.

ROTTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER” 1881

DEN HOOGGELEERDEN HEERE

Dr. P. J. Veth

Ridder van den Nederlandschen Leeuw en Kommandeur van de Leopolds-Orde, Hoogleeraar in de Indische taal-, land- en volkenkunde aan de Rijks Universiteit te Leiden, Voorzitter van het Aardrijkskundig Genootschap te Amsterdam, Officier d’Instruction publique van Frankrijk, enz. enz.

WORDT deze Ethnografische Roman ALS EEN BEWIJS VAN HOOGACHTING EN ERKENTELIJKHEID VOOR HETGEEN DOOR HEM IN HET BELANG VAN DE KENNIS ONZER ZOO SCHOONE OVERZEESCHE BEZITTINGEN GEDAAN IS EN GEDAAN WORDT OPGEDRAGEN TER GELEGENHEID VAN ZIJN 40-JARIG PROFESSORAAT DOOR Zijn dienstwilligen dienaar en vereerder M. T. H. Perelaer. den Haag, 23 Juni 1881.

INHOUD.

I. Bladz.

Een militair rapport.—Vier deserteurs.—Baba Poetjieng.— Een brief.—Een medelijdende dokter.—Zijne overpeinzingen.— Luchtkasteelen.—66.000 gulden ekonomiën.—Klara du warst das Warten müde 1

II.

Eerste kennismaking met Tomonggong Nicodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih”.—Een cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje 15

III.

Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijf en twintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan 30

IV.

Nog wat geschiedenis.—Tactiek der inlanders.—Het Bandjermasinsche rijk met forten overdekt.—De oorsprong van het fort te Kwala Kapoeas.—Hoe Nederland zijne nieuwe onderdanen verwelkomt.—Een vernietigde handel.—Wrevel en wrok.—Een drama aan de boorden der Kapoeas-rivier.—Poeloe Petak en Kwala Kapoeas 49

V.

De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft, is nog te goed voor de Oost”.—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid en Schlickeisen en Wienersdorf te Kwala Kapoeas geplaatst.—Plannen tot desertie 70

VI.

Een nachtelijk gefluister.—Lucullus voor een dier aangezien.—Het komplot.—Plannen van Johannes.—Een dankbare opiumsmokkelaar.—Johannes geeft bewijzen van zijne aardrijkskundige kennis.—Een mirakuleuse vischvangst.—La Cueille’s belofte.—Drinkwater.—Verdere maatregelen.—Het vertrek 87

VII.

Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Eene begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—In soengei Troessan.—In soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.—Het afloopen van de „Onrust” 111

VIII.

Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek 145

IX.

Op reis.—Een anti-muskietenmiddel.—De soengei Basarang. De Kapoeas.—Achter Poeloe Kanamit.—Het zinken van de „Tjipannas”.—Eene besnijdenis.—De varkenskop.—Een echt Dajaksch maal.—La Cueille wordt zeeziek.—Een vondst in het bosch.—Een Pangareran.—Het uitzetten der vischhaken 162

X.

Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks 183

XI.

De gekwetsten naar Kwala Kapoeas.—De Mantangei en de Mengkatip.—Op onze schreden terug.—De kommandant op jacht.—In zee.—De raoeng.—De vervolging.—De schoener.—Een noodlottig schot.—De terugkeer.—De postcorrespondentie.—Eindelijk op het spoor 205

XII.

Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti”.—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towanan.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Eene begrafenisplechtigheid 223

XIII.

Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren en de ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blako ampoen”.—Een tooneel van onderwerping 245

XIV.

Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei-Mantangei.—Het „maroetas”.—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren 266

XV.

Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Eene illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijne nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijne aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Eene monsterkaart 290

XVI.

Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit 312

XVII.

Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djankang.—Armeering en proviandeering.—Eene vrouw in eene kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielontvoering 335

XVIII.

Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag 1

XIX.

Discussie.—Wienersdorf onbillijk.—Een pleidooi voor een Dajaksch huwelijk.—Wienersdorf laat zich overreden Hamadoe te trouwen.—Een afgezant met een brief.—De kunst om officieele brieven voor te lezen.—Antwoord aan den afgezant—Onverdiend verwijt.—Het pakje aan zijn adres 24

XX.

Beraadslaging.—Het „blako ontong”.—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Eene conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans 46

XXI.

Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht—Het bad.—„Badjai hai”.—Eene vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart 68

XXII.

Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies”.—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen 91

XXIII.

De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijne aanstaande.—Hamadoe een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij Kotta Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijne cokes.—Die steenkolen aan boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok boelau” vertoornd.—Johannes met koorts bedreigd.—De goudsoorten in de Dajaklanden 116

XXIV.

Belofte maakt schuld.—Een Dajaksche ijzersmelterij.—Een blaasbalg.—De sarok boelau wreekt zich.—Harimaoung Boekit heeft de koorts.—Wienersdorf dokter.—Johannes bezweerder.—Een antoeën.—Eene Dajaksche legende.—Wedervaren van eene vrouwelijke antoeën.—Het ombrengen van een antoeën 140

XXV.

Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van Kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den „batoe sambalajong”.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts de Kapoeas op.—De „karangan’s”.—Kotta Karangan 161

XXVI.

Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas 185

XXVII.

Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht.—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah”.—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet 208

XXVIII.

Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s”.—„Ramon petak kinan”.—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist 233

XXIX.

Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te Kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen 256

XXX.

Vervolging.—Eene bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri 276

XXXI.

Triomftocht.—La Cueille’s neus opgewreven.—Tweestrijd van het Poenanhoofd en Hamadoe’s beslissing.—Souvent femme varie.—Ruilhandel.—Goudzoeken.—La Cueille in vervoering.—Hoe de schatten mede te nemen.—Een nieuwe wijze van handel drijven 294

XXXII.

Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der goudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van Georg Müller.—Huwelijksplechtigheden 312

XXXIII.

Vertrek van Kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De Njakatan.—Over land.—„Les noms des fous se trouvent partout”.—Een nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte 329

XXXIV.

De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—Te Koetshing.—Aan boord van de „Rainbow”.—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit 346

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

I

Een militair rapport.—Vier deserteurs.—Baba Poetjieng.—Een brief.—Een medelijdende dokter.—Zijne overpeinzingen.— Luchtkasteelen.—66000 gulden ekonomiën.—Klara, du warst das Warten müde.

„Luitenant, er mankeeren vier man op ’t avondappel.”

„Zoo, wie zijn dat?”

„Schlickeisen, Wienersdorf, La Cueille en Johannes.”

„Twee Zwitsers, een Belg en een Inlandsch kind (Sienjo)”, mompelde de luitenant bij zich zelven; vervolgens hardop:

„En is men in den militairen kampong gaan zien, of zij zich daar soms verlaat hebben?”

„Dat kon niet luitenant, te zes uur wordt de poort gesloten en mag die zonder uw verlof niet geopend worden.”

„Laat dan dadelijk een patrouille van een korporaal met drie man het noodige onderzoek doen. Middelerwijl bezet de wacht de poort, die na het vertrek der patrouille weer gesloten wordt, evenwel zóó, dat onmiddellijk ondersteuning naar buiten kan verleend worden.”

„Best luitenant.”

„Van den uitslag van het onderzoek in den kampong wacht ik rapport.”

„Best luitenant. Nog iets van uw orders?”

Een ontkennend gebaar was het antwoord op die laatste vraag.

De sergeant bracht de bovenvlakte zijner rechterhand aan de klep zijner kwartiermuts, plaatste den rechtervoet achter den linker, maakte rechtsomkeert door onberispelijk op de beide hielen te draaien en verliet het vertrek.

Toen hij heen was, maar ook eerst toen, rees de luitenant uit zijn achtelooze houding op, waarin hij tot nu toe op zijn luiaardstoel uitgestrekt was gebleven. Eenige onrust was nu op zijn gelaat zichtbaar. Zoo straks was het, of dat gelaat uit steen was gehouwen of in brons was gegoten; geen spier had zich bewogen. Hij draaide de lamp wat op en trad op een archiefkast toe, nam daaruit een lijvigen bundel, legde dien op de tafel en begon daarin ijverig te bladeren. Het was een bundel extracten uit het algemeen stamboek, die beschrijving van het geheele Nederlandsch-Indische leger, welke bij het Departement van Oorlog te Batavia met loffelijke nauwkeurigheid wordt aangehouden.

„Hm! Schlickeisen, Zwitser, geboren te Steinbach in het kanton Glarus, oud 21 jaren, vader Pfarrer”, mompelde de luitenant, en verder bladerende:

„Wienersdorf, ook Zwitser, geboren te Winterthür in het kanton Zürich, oud 23 jaren, vader professor in de natuurkunde.”

„La Cueille, Belg, geboren te Cheratte, provincie Luik, oud 26 jaren, vader mijnwerker in het steenkolenbekken te Jupille.”

„Johannes, geboren te Padang, eiland Sumatra, oud naar gissing 30 jaren, vader onbekend, moeder de Niassche vrouw Ma Troeni.”

De luitenant sloeg den bundel dicht. Veel meer was er niet uit te putten.

„Een aardig consortium”, mompelde hij, „dat nog al beweging in de brouwerij kan geven, als het ten minste geen dronkemansuitstapje is.”

Een vrij dikken foliant uit de archiefkast nemende, bladerde hij daar een oogenblik in:

„Schlickeisen en Wienersdorf waren in het aanbevelingsregister opgenomen om tot officier opgeleid te worden. Tengevolge van den opstand der Zwitsers te Samarang zijn zij geroyeerd. De een was candidaat in de rechten; de andere heeft de reaalschule doorloopen en bezit het testimonium als docent in de natuur- en scheikunde. Beiden hebben te Zürich gestudeerd. Van La Cueille vind ik geene aanteekeningen; van hem schijnt geen curriculum vitae te bestaan; hij heeft mij echter verteld, dat hij als geweermaker bij het atelier te Meester Cornelis geplaatst is geweest, maar dat hij wegens dronkenschap daarvan is verwijderd geworden. En Johannes, ja, dit is een van die Indische producten van dierlijken hartstocht, voor wien het een ongeluk moet genoemd worden geboren te zijn.”

Zoo mompelde de luitenant bij zich zelven, toen geklopt werd, en op zijn „binnen” de sergeant van straks verscheen. In echt militaire houding wachtte deze tot zijn superieur hem ondervroeg.

„Wel, zijn ze gevonden?”

„Neen luitenant, de militaire kampong is geheel en nauwkeurig doorzocht, hij is echter leeg. In de hut van Johannes werd op de tafel deze brief aan uw adres gevonden.”

En dien brief te voorschijn halende, reikte hij hem aan zijn officier eerbiedig over. Deze nam hem met onverschillig gebaar aan, brak hem als zonder er op te letten open, wierp een enkelen blik op de onderteekening, liet hem als achteloos op tafel vallen, maar zette het gesprek voort:

„Hebt gij ook bemerkt, sergeant, of de vier vermisten sterken drank hebben kunnen bekomen?”

„Neen luitenant.”

„Is er ook iemand in opgewonden toestand bij het overige gedeelte der bezetting?”

„Daar heb ik niets van bemerkt.”

„Wie is kommandant van de wacht?”

„Korporaal Grienwoud.”

„Ook al een oude dronkaard. Informeer eens bij hem en bij de schildwachten, of Baba Poetjieng aan den batang is geweest.”

De sergeant verwijderde zich. Baba [1] Poetjieng was een sluwe Chinees, die zich bij de bezetting onmisbaar had weten te maken, door den verkoop van allerlei koopwaren, als: tabak, garen, naalden, bier, groenten- en vleeschblikjes, trassie, uien, papier, pennen en inkt, enz. enz., alles zeer goede waar, puike waar, voor bitter weinig geld. Vergeleek men zijn prijzen met die der Europeesche handelaren te Bandjermasin, zelfs met die op Java, dan kon het niet anders, of de vriendelijke Kee[1] moest er geld bijleggen. En dat deed hij ook, dat verzekerde hij bij de doodkist van zijn vader en van zijn grootvader; maar dat deed hij met genoegen voor zijne goede vrienden de Hollanders. Eens evenwel had de luitenant buiten het fortje een leeg sardijntjesblik gevonden en dat wegens het hem onbekende merk opgeraapt. Terwijl hij het bekeek, werd hij een sterke araklucht gewaar. Een tweede blikje oprapende, rook dit zoo zoetachtig flauw, dat onze officier de gedachte niet van zich kon zetten, dat daarin opium geborgen was geweest. Een andere omstandigheid was onzen luitenant niet ontsnapt, namelijk dat telkenmale, wanneer Baba Poetjieng met zijn koopwaren aan de aanlegplaats was verschenen, een zekere opgewondenheid, zoowel onder de Inlandsche als onder de Europeesche soldaten van het garnizoen heerschte. Alle pogingen evenwel, om den sluwen Chinees te betrappen, hoe listig ook aangelegd, waren steeds mislukt. De blikjes, bij zulk een gelegenheid gekocht, bevatten telkens de prachtigste sardijnen of wel de heerlijkste Californische vruchten op water; en met een grijns van tevredenheid op het gele scheelziende gelaat, vroeg onze Baba den officier bij de eerste de beste gelegenheid, dat hij hem ontmoette, of het gekochte hem gesmaakt had? hij had het met zorg voor den toean uitgezocht. De lezer begrijpt nu, waarom de luitenant zoo speciaal zocht te weten te komen, of Baba Poetjieng heden aan de aanlegplaats verschenen was.

Toen de sergeant na een korte afwezigheid terugkwam, luidde het rapport, dat niemand den Chinees dien dag ontwaard had.

Het bevel klonk nu, dat de sergeant met een patrouille van zes man naar den kampong zou gaan, om het districtshoofd uit te noodigen, dadelijk bij den kommandant te komen.

„Marcheer voorzichtig,” luidde de aanbeveling van den jongen officier, „de wacht blijft de poort bezetten, tot gij terugkomt; de schildwachten moeten hunne waakzaamheid verdubbelen en scherp uitkijken; zelf kom ik straks mij van een en ander overtuigen.”

Toen de sergeant vertrokken was, nam de luitenant den brief, dien hij zoo onverschillig voor zich op tafel had laten vallen, met eenige drift op, en las:

„Hochgeboren und geehrter Herrn Lieutenant!”

De brief was in het Hoogduitsch; wij zullen hem evenwel voor onze lezers in het Nederlandsch overbrengen.

„Hooggeboren en geëerde Heer luitenant.”

„Wanneer gij dit schrijven in handen zult hebben, zijn wij reeds ver weg. Gij zult natuurlijk volgens plicht en geweten alles in ’t werk stellen, om ons in handen te krijgen; het zal echter te vergeefs zijn. Onze maatregelen zijn goed genomen; levend althans zult gij geen van ons beiden terugzien. Wij hebben genoeg van den Nederlandschen dienst.

„Wij danken U, Heer luitenant voor de edele behandeling, die wij van U hebben mogen ondervinden. Wanneer iemand ons ooit met onzen toestand had kunnen verzoenen en ons had kunnen weerhouden van de onderneming, die wij op touw gezet hebben en waarvan wij ons het hachelijke niet ontveinzen, dan zoudt gij het geweest zijn. Wie verzekert ons echter, dat wij U als kommandant zullen behouden? De tijd, dien wij nog te dienen hebben, is nog zoo lang, en het karakter der menschen is zoo verschillend.

„Wij Zwitsers zijn door de wervers, die zendelingen der Nederlandsche regeering, gruwelijk bedrogen. Aan U behoeven wij niet te vertellen, waarin dat bedrog bestaan heeft. Gij hebt de ellende in al hare uitgestrektheid kunnen peilen. Met de meest afschuwelijke arglistigheid zijn wij uit onze schoone dalen gelokt geworden; men heeft ons beloften gedaan, de eene al schitterender dan de andere; en geen enkele daarvan is ook maar in de verte nagekomen geworden.

„Maar waarom U dat alles geschreven? Gij, gij zijt onschuldig aan den toestand, waarin wij gebracht werden. Het wijzen daarop, kan U niet als verwijt treffen. Gij toch wendet alles aan, om dien toestand draaglijk te maken. Maar wij stellen er prijs op, in uwe oogen niet die schuldigen te zijn, die wij voor anderen zullen schijnen. Deserteurs zal men ons noemen en inderdaad zullen wij dat zijn; of wij echter het gevoel van afschuw verdienen, waarmede onze namen door velen zullen genoemd worden, waarachtig Heer luitenant, dat ontkennen wij. Gij althans zult niet verkeerd over ons denken. Als contractanten met het Nederlandsche bestuur zouden wij ons kunnen gebonden achten; maar toen het ons bleek, dat wij de slachtoffers waren van een afschuwelijk weefsel van logen en bedrog, toen kon ons dat contract niet meer binden. Het zou toch al te veel eenvoud aan den dag leggen zijn, te vermeenen, dat bij dergelijke transactiën slechts eene partij verplichtingen te vervullen had, terwijl de andere geheel vrij spel zoude hebben en slechts een klein gedeelte hare plichten zoude kunnen nakomen, naarmate dat in haar kraam te pas kwam.”

„Arme bliksems!” prevelde de luitenant meewarig.

„Maar,” vervolgde hij den brief, „er is omtrent die desertie wel eenige verschooning bij te brengen en ons geweten is dienaangaande vrij gerust; dat geweten verwijt ons toch wat anders. De onverbiddelijke noodzakelijkheid dringt ons evenwel te handelen, zooals wij doen. Oordeel. Gij leendet ons uw tranchemontagne en uw kijker, uw zaksextant en uw boussole, om ons nuttig bezig te houden en om onze vaardigheid in het terreinopnemen te onderhouden. Bij de reis, die wij gaan ondernemen, zijn ons eenige dier instrumenten onontbeerlijk, want zonder deze zouden wij al heel gauw geen weg of steg meer weten. De tranchemontagne is ons evenwel van te veel omvang en zou ons in onze vlucht slechts hinderlijk zijn; van den zaksextant zal te midden der eilanden, die Borneo omgeven, niet veel nut te trekken zijn; die instrumenten laten wij dus in de hut van Johannes achter; maar de kijker en de boussole nemen wij mede. Vergeef ons die oneerlijke daad. Mocht het ons gegeven zijn te ontkomen en weer onder beschaafde menschen terug te keeren, dan, wees er zeker van, zullen wij alle pogingen aanwenden, om U het verlies, dat wij U berokkenen, te vergoeden.

„En nu, Heer luitenant, God loone U voor de menschlievende behandeling ons aangedaan. Wij gevoelen het, de menschenjacht gaat beginnen. God zij ons genadig! Vaarwel.

(w.g.) Schlickeisen. Wienersdorf.

„P.S. Mochten wij bij onze poging om de vrijheid te herwinnen, omkomen, dan zal die afloop niet lang voor U verborgen blijven. O! bij alles wat U dierbaar is, bij de heilige gedachtenis uwer moeder, geef onze ouders dan kennis van ons uiteinde. Ons militair zakboekje zal U omtrent hun adres voldoende inlichtingen geven.—Nogmaals vaarwel!”

„Arme bliksems!” herhaalde de luitenant, terwijl hij schuchter een traan wegveegde, als schaamde hij zich die verteedering.

„Wat een leven gaan die mannen te gemoet!” riep hij uit, terwijl hij den brief met een zucht op tafel liet vallen.

Bijna terzelfder tijd werd hij in zijne overpeinzingen gestoord door den dokter van het garnizoen, die met een gramstorig gezicht en opgewonden gebaren het vertrek instormde. Het was een lange opgeschoten slungel, met borstelig rood haar en een paar goudkleurige knevels, die met behulp van veel cosmetiek opgestreken en opgekruld waren, alsof zij tot bestemming hadden eenmaal met de punten eene schuilplaats te vinden achter de ooren, welker boorden zij reeds raakten. Ook hij scheen een brief ontvangen te hebben, althans hij hield er een in handen.

„Himmelskreuz! der Bube ist durchgegangen!” schreeuwde hij bij zijn binnenstormen. De man was blijkbaar een Duitscher en nog wel een Zuid-Duitscher.

„Wat? Wie?” vroeg de luitenant.

„Der Wallon! das Vieh! en hai heeft maine instrumenten en revolvers mitgenommen!”

Ook La Cueille had een brief achtergelaten, om het meenemen te verontschuldigen van ’s dokters trousse en pistolen, die hij als geweer- en instrumentmaker ter reiniging in ontvangst genomen had. Maar hij had den dokter ook nog de aanbeveling gedaan, den kommandant zijne (La Cueille’s) verontschuldigingen aan te bieden, dat hij tevens de twee Remmington-geweren, die hij van den luitenant ter reparatie had, medegenomen had. „Men kan zich toch niet weerloos op zoo’n reis wagen”, was de redeneering van den Waal, „de luitenant zou wel weten, welke gevaren daarbij te loopen waren.”

De luitenant gaf den brief, dien hij ontvangen had, aan den dokter over.

„Dan zain zai zuzammen ausgeknepen”, zei de dokter, nadat hij gelezen had, in zijne koeterwaalsche poging om Hollandsch te spreken.

„Waarschijnlijk.”

„Arme Kerle! aber wat zult gai nu thoen?”

„Ik heb het districtshoofd laten roepen. Wellicht heeft die eenig bericht. Zijne mededeelingen zullen den aard mijner handelingen bepalen.”

„Gai zijt toch van meening, ze hinternach te zetten.”

„Ja zeker.”

„Aber de Sicherheit van den post, die u zuvertraut ist?”

„O, mijn waardste mof, die zal ik niet in gevaar brengen.”

„Wie so? De Besatzung is niet stark. Gai kunt er niets von abnemen ohne Gefahr.”

„Ja maar, ik neem niets van de bezetting af. Ik zal ze door een bevolkingspatrouille laten nazetten.”

„Das ware grausam! Aufgehetzt von Dajacken!”

„Teer zijn die luidjes niet, dat is zoo; maar wat blijft mij over te doen? Zoo als gij zegt, van de bezetting is niets af te nemen. En werkeloos kan ik onmogelijk blijven. Maar voor dat het districtshoofd hier is, valt niet te oordeelen, wat er gedaan moet worden. Wellicht loopt alles met een sisser af; wellicht ook zijn onze grappenmakers reeds door de kampongwacht ingerekend en zijn onze beslommeringen voorbarig. Kom, ik ga intusschen eens rondkijken, of de schildwachten hun plicht nakomen. Gaat gij mede?”

„Donnerwetter! het is wat schöns, so im Dunkel herum zu kriechen.”

„Nu laat het dan. Maar blijft nog een poosje wachten; het districtshoofd zal aanstonds komen; gaarne zag ik, dat gij bij ons gesprek tegenwoordig waart. Ik ben dadelijk terug.”

En onze luitenant trad naar buiten. Het was slechts een korte wandeling, die hij te maken had. Het fortje was niet groot, zelfs zeer klein, en had dus slechts een beperkte vuurlijn. De schildwachten stonden op de vier bastions en keken scherp in het nachtelijk grauw uit. De brug over de gracht was neergelaten, de poort stond op een kier. Maar buiten aan de overzijde der brug stond een piket van zes man het voorgelegen terrein gade te slaan en achter de poort stond de geheele wacht aangetreden met het geweer bij den voet. De luitenant was tevreden en reeds wilde hij, gedachtig aan zijn gast, naar zijn woning terugkeeren, toen hem een korporaal tegentrad, met de hand aan de klep van zijn kepi:

„Wat is er?”

„De geweren van Johannes, La Cueille, Schlickeisen en Wienersdorf ontbreken in de kazerne op het geweerrak en de meeste patroontasschen der overige manschappen zijn leeggeplunderd.”

„Zoo, neem dadelijk op, hoeveel patronen ontbreken, en zeg aan den sergeant der artillerie de ontbrekende onmiddellijk uit het oorlogsmagazijn aan te vullen. Ik verwacht zoo spoedig mogelijk van die aanvulling rapport.”

Nog voordat de officier evenwel uitgesproken had, trad de korporaal plantonkeuken te voorschijn en rapporteerde, dat in de dispens vier zakken rijst en een zak koffie ontbraken. Er moest op nieuw gefourageerd worden, al was het ook laat; anders zou de bezetting den volgenden morgen niets te eten hebben. De luitenant gaf de noodige bevelen. Hij kwam zoo langzamerhand tot bewustzijn, dat de aard der desertie zich vrij wel afbakende. De deserteurs hadden levensmiddelen wel niet in groote verscheidenheid, maar het waren stoute mannen en die zouden wel de kampongs, die zij voorbij kwamen, het woud, dat zij doortrokken, de rivieren, die zij zouden oversteken, weten schatplichtig te maken. Zij hadden wapens en munitie, zij zouden dus het gevaar onder de oogen kunnen zien; zij hadden instrumenten, waarmede zij de richting van hun tocht konden bepalen; van verdwalen in de maagdelijke bosschen van Borneo was dus geen sprake.

„Ja”, sprak de luitenant bij zich zelven, „er daagt een karrewei op, die beenen en pennen in beweging zal brengen. Laatstgenoemde zullen bij de inktziekte, die in Indië heerscht, nog meer dienst doen dan de beenen. Maar die arme, arme kerels!”

Middelerwijl had de dokter zich in een luiaardstoel uitgestrekt. Weldra was hij in diep nadenken verzonken. Hij betreurde den wanhopigen stap van de arme duivels, maar kon hun geen ongelijk geven. Integendeel. Hij vreesde voor den afloop der onderneming; maar ware hij niet door een eed gebonden, dan zou hij zich bij hen voegen, om hun raadsman, hun gids te zijn. Maar.... hij was in het Nederlandsch-Indische officierscorps opgenomen, hij had gezworen trouw aan Neerland’s Koning, gehoorzaamheid aan de Nederlandsche wetten, onderwerping aan de krijgstucht van het Nederlandsche leger. De brave kerel achtte zich gebonden, met onverbreekbare banden gebonden. Maar, wat een wreed spel was ook met hem gedreven! Men had hem een goede plaatsing voorgespiegeld, alwaar hij door de uitoefening van de civiele praktijk al zeer spoedig 5 à 600 gulden ’s maands boven zijn traktement zou verdienen. O! de stem des verleiders klonk hem nog zoo duidelijk in de ooren. Behoorde hij niet tot de ongelukkigen, sprak deze overtuigend, dan kon dat spoedig tot duizend gulden klimmen. Tot de ongelukkigen had hij zich toenmaals nimmer gerekend; en.... was zijne redeneering destijds zoo geweest: van mijn traktement zal ik kunnen leven, dat is klaar. Er zijn zoo vele officieren bij het Indische leger, die daarmede rondkomen. Ik leg dan ieder jaar 12000 gulden op zijde; dat maakt dan in vijf jaren tijd met een matigen interest, bijna 66000 gulden. Vijf jaren zijn gauw om. Ik keer dan naar Wurtemberg terug, huw „meine niedliche Klara” en vestig mij als arts te Gmünd.

Te Gmünd! in de „Rauhe Alp”, als een roos in een ruiker gelegen, aan de spoorbaan van Stuttgart naar München.

„En nu?”... Hij zuchtte diep bij die beelden, die rondom hem opdoemden. „En nu?”

Het was reeds vier jaren geleden, dat hij te Batavia aangekomen was. Al spoedig na zijn aankomst in het prachtige Insulinde, in het land zijner hope, was hij naar Bandjermasin in de Zuid- en Ooster-Afdeeling van Borneo gezonden en in die buitenbezitting naar Pengaron geplaatst geworden. Daar, bij de Gouvernements-steenkolenmijnen Oranje Nassau, had hij vele zieken te behandelen gehad; maar zijne inkomsten, alles bij elkander gerekend, hadden nimmer meer dan 250 gulden ’s maands bedragen. Om daarmede fatsoenlijk rond te komen, was al een vrij ingewikkeld financiëel vraagstuk geweest. Het overleggen van 66000 gulden, was geheel en al in het rijk der mythen overgegaan.

Later, toen hij zijne zieken, de arme mijnwerkers, had beginnen lief te krijgen en hij zich met zijn toestand verzoend had, was hij naar de hoofdplaats der afdeeling overgeplaatst, om zijn chef aldaar in zijne drukten bij te staan. Hij kon toen de ervaring opdoen, dat het geldverdienen voor geneeskundigen in Indië niet geheel en al een ijdele klank is. Zijn chef bekeek tongen van Chineezen, trok den rijken Arabieren werkelijk en ook in figuurlijken zin kiezen, voelde den pols aan Bandjareesche rijksgrooten en spekte zoo niet onaardig zijn eigen zak; maar hij liet geen brokstukje over voor den jeugdigen arts, die op de hoofdplaats nog meer moeite had, om rond te komen. Dezen was de militaire praktijk, ook die der behoeftige burgers overgelaten. Hij had het daarbij zeer druk gehad en, hoeveel liefde onze jonge esculaap voor zijne lijders ook gevoelde, toch had hij soms met een bangen zucht zijn schoenzolen bekeken en opgemerkt, dat dat onverpoosd heen en weer draven, zich verwoestend deed gelden.

Toen in 1859 de opstand tegen de Nederlanders was uitgebroken, was hij aan een mobiel kolonne toegevoegd, had heen en weer moeten marcheeren van het noorden naar het zuiden, van het oosten naar het westen, tot dat het lichaam, door al die inspanningen uitgeput, zijne eischen deed gelden. Toen werd hij tot verhaal op een klein fortje in de binnenlanden geplaatst, met goedgunstige toezegging dat, zoodra zijn gezondheidstoestand het wederom zoude toelaten, het nomadenleven door woud en dal weer voor hem zoude aanbreken.

„En nu?”...

Die vraag herhaalde hij zich bij al die overpeinzingen. Plotseling haalde hij een portefeuille te voorschijn, nam daaruit een portret en bekeek het lang, terwijl een traan in zijn oog parelde. Het was het portret zijner Klara.

„Du warst das Warten müde!” zuchtte hij, en met een wrevelig gebaar borg hij portret en portefeuille weg, toen hij buiten naderende voetstappen hoorde weerklinken. De luitenant trad binnen. Hij was vergezeld van het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara, een Dajakker van een goedig uiterlijk, waarover later meer te vertellen zal vallen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

II

Eerste kennismaking met Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih.”—Eene cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje.—

„Neem plaats, Tomonggong,” zei de kommandant met plichtpleging, terwijl hij een stoel naderbij schoof, „ik ga even sigaren krijgen.”

De Tomonggong trad middelerwijl op den dokter toe, boog ongedwongen het hoofd, stak hem de hand toe en prevelde zijn groet:

„Tabeh toean, saja harap toean ada baik” (Goeden dag mijnheer, ik hoop dat mijnheer wel is).

De dokter was uit zijn gemakkelijke houding opgesprongen; hij deed een stap voorwaarts, greep de hem toegestoken hand en drukte haar met warmte. Van de kortstondige afwezigheid van den luitenant gebruik makende, fluisterde hij het districtshoofd toe, na eerst behoedzaam en angstig rondgekeken te hebben:

„Zij moeten gered worden, zij mogen niet in handen der Hollanders vallen!”

De Tomonggong sloeg een doordringenden blik op den dokter; zijn goedaardig gezicht teekende verbazing. Aan verraad en valschheid gewoon, te midden daarvan om zoo te zeggen levende, is het eerste gevoel van den Oosterling, hoe rechtschapen hij zelf moge wezen, een gevoel van wantrouwen. Hij denkt steeds, dat hem een strik gespannen wordt. Zoo ook de Tomonggong, bij die voor hem zoo raadselachtige woorden.

„Dat zal moeielijk gaan”, fluisterde hij, „de Heer kommandant zal zijn maatregelen wel goed nemen; en ik..... ik”, vervolgde hij na een oogenblik van weifeling, „ik moet gehoorzamen.”

„Bij Mahatara! Tomonggong, red hen, red hen. Zie, ik smeek het. Als gij meent, mij eenige dankbaarheid verschuldigd te zijn, sla dan mijne bede niet af. Het zijn mijne landslieden!”

Met saamgevouwen handen, in gebogen houding stond de dokter voor den Dajak. De omstandigheid, waarop hij hier scheen te duiden, trof het hoofd. Kambang, de oudste dochter, de lievelinge des ouden Tomonggongs, was eens door eene „handipèh boemboeng enjoh [2],” een zeer gevaarlijke slangensoort, gebeten geworden. De vader in zijn verbijstering liet „obat panawar pari [3]” halen. Middelerwijl had onze dokter, die bij het ongeval tegenwoordig was, maar geen hulpmiddelen op dat oogenblik ten zijnen dienste had, met groot levensgevaar de wond uitgezogen en ze daarna met een stuk hout uitgebrand. Zoodoende had hij de lieve maagd behouden. Bij die herinnering greep nu de vader, alle wantrouwen latende varen, aangedaan de hand van den redder zijns kinds en prevelde iets met bewogen stem, dat de dokter niet verstaan kon, daar de luitenant met een gevulden sigarenkoker uit het aangrenzende vertrek te voorschijn trad, ieder der aanwezigen een geurige manilla aanbood en zelf eene opstak; waarna hij zich op een stoel neervleide en, als vervolgde hij een reeds aangevangen gesprek, zich tot den Tomonggong richtte:

„En niemand in den kampong heeft van die vlucht iets bemerkt, niemand heeft die soldaten gezien?”

„Neen Heer.”

„Dat is zonderling, hoogst zonderling. Maar hoe weet gij dat, Tomonggong? Zij hebben toch een vaartuig moeten meester worden, want een ontvluchting over land is onmogelijk.”

„Indien iemand een djoekoeng [4] of prauw gemist had, zou daaromtrent zeker een klacht bij mij zijn ingekomen. De ontvluchting van blanken uit het fort daarenboven zal opzien genoeg baren; ik zou daarvan wel wat vernomen hebben, wanneer er reeds iets van bekend ware.”

De luitenant bedacht zich een oogenblik. Hij scheen in tweestrijd. Eindelijk hernam hij:

„Tomonggong, ik moet die menschen in handen hebben. Eensdeels om het aanlokkelijke van het gegeven voorbeeld bij onze jonge soldaten tegen te gaan, maar ook om vechtpartijen en gruwelen te voorkomen. Want voorzeker zullen zij aangerand en misschien vermoord worden, wanneer zij te midden der stammen in de bovenlanden geraken.”

„Ja zeker Heer, zullen zij dat. De „olo kajau” (koppensnellers) zullen hen niet ontzien. Maar zoudt gij denken, dat zij zich naar de binnenlanden, zouden begeven?”

„Naar zee is een vlucht zoo goed als onmogelijk,” was het antwoord van den luitenant. „Voor de monding der rivier liggen twee kruisbooten op brandwacht, terwijl de geheele zuidkust door stoomschepen geblokkeerd is. Maar gesteld zelfs, dat zij door dien gordel heen komen, wat dan? Zullen zij zich in een nietige prauw of djoekoeng—want over een zeewaardig vaartuig zullen zij wel niet te beschikken hebben—op de open zee wagen, vooral in dit seizoen, nu de westenwinden met kracht doorblazen? Dat zou met zelfmoord gelijk staan. En dan nog waarheen? Ja, waarheen? Naar Java? dat zou het eenige zijn; maar daar zouden zij ter nauwernood geland zijn, of zij zouden zich in handen der politie bevinden. Men is daar zeer op zijn hoede. Mijns bedunkens kunnen zij niet anders, dan zich in de binnenlanden werpen. Zij zullen de bewoonde oorden vermijden en trachten Sarawak op de noordkust des eilands te bereiken.”

„Zouden zij dat niet kunnen over zee?” mengde zich de dokter in het gesprek.

„Dan moeten zij eerst de kruisbooten voorbij, dan moeten zij de blokkade verbreken en, is dat alles gelukt, zijn zij Tandjoeng Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, omgezeild, dan komen zij in de koerslijn der vaartuigen van Oost-Java naar Borneo’s westkust en naar Singapore; zij komen dan in de volle Chineesche zee, waar in dit seizoen honderd gevaren aangrijnzen en honderd kansen bestaan, om om te komen of opgepakt te worden, tegen niet een kans om te slagen. Ja, naar Sarawak zullen ze trachten te komen, maar dwars door het eiland heen!”

„Maar dat is zeer ver Heer,” sprak de Tomonggong ernstig, „en de gevaren zijn niet minder, dat weet gij.”

„Ja, dat weet ik, Tomonggong, maar dat zijn gevaren waar tegen te strijden valt en, geloof mij, het zijn kloeke onversaagde kerels. Zij zullen alles beproeven en ik verzeker u, zij zullen alles op het spel zetten. Komaan! er mag niet getalmd worden. Ieder oogenblik is kostbaar. Ga nu naar uw woning terug; roep onmiddellijk de hoofden van de meest nabij gelegen kampongs bijeen. Laat ze een vijftigtal mannen te zamen brengen, voorzie die van levensmiddelen voor een paar dagen. Zij moeten hunne wapenen medevoeren. Dat alles moet over twee uren gereed zijn om te vertrekken. Ik kom dan zelf zien en mijne bevelen mededeelen.”

„Maar zal de gevangenneming goedschiks geschieden, Heer?”

„Daaraan twijfel ik; maar daarom zei ik de wapenen mede te nemen. Ik stel er hoogen prijs op, de vluchtelingen levend en ongedeerd in handen te krijgen. Mochten zij zich echter te weer stellen en van hunne wapenen gebruik maken, dan.....”

Hier aarzelde de luitenant, hij wist hoe zwaar zijne woorden hier golden. De dokter stond doodsbleek met krampachtig gebalde vuisten. De kommandant vervolgde na een oogenblik peinzens met een stem, als bleef hem iets wrangs in de keel steken:

„Mochten zij van hunne wapenen gebruik maken, dan is tegenweer geoorloofd. Laat een uwer invloedrijkste hoofden, bij voorbeeld Damboeng Papoendeh, den tocht aanvoeren. Stuur dien man dadelijk bij mij, dan kan ik hem vertellen, wat hij te doen heeft.”

De luitenant sprak op afdoenden toon, als gewoon bevelen te geven, als gewoon schielijk maatregelen te beramen en beslissingen te nemen. Zijn geestkracht werkte aanstekelijk op den Tomonggong, die reeds opstond, om heen te ijlen. Een blik op den dokter geworpen, stemde hem tot nadenken. Het gezicht van den medicus teekende angst en vertwijfeling. In een oogenblik, dat de luitenant hem niet opmerkte, namen zijne oogen zulk een smeekende uitdrukking aan, dat de Dajak hem begreep. Deze streek met de hand over zijn sarong, alsof de plooien hem hadden gehinderd en ging daarop weer zitten.

„Heer, met uw verlof,” sprak hij zacht maar vast, „het zal niet gaan. Het is reeds laat. Welke opschudding zal een dergelijk bevel in de kampongs niet geven?”

„Wel, wat zou dat?” stoof de luitenant op.

„Vrouwen en kinderen zullen zeer beangst worden. Men zal in de zaak geheel iets anders zien, dan er in is, en gij weet Heer! dat, niettegenstaande uwe pogingen tot bevrediging der negorij, een groot gedeelte van de bevolking nog niet geheel te vertrouwen is. Daarenboven loopen geruchten—ik deelde ze u gisteren reeds mede—dat Doessonsche koppensnellers met hunne rangkan’s [5] in de buurt verschenen zijn en, hoewel ik daar niet aan geloof, zou het niet onmogelijk te achten zijn, dat een aantal huisgezinnen nog dezen nacht hunne woningen verlieten, om in de wildernis een toevlucht te zoeken.”

„Maar Tomonggong!”.... wilde de luitenant hem in de rede vallen.

„Geloof mij Heer,” hernam het districtshoofd ernstig en met vaste stem, „geloof mij, gij kent mij, ik ben een trouw onderdaan van de Hollanders. Het doel van die nachtelijke oproeping zal niet, of zal verkeerd begrepen worden. Allen zullen beangst worden en niet het minst de familieleden van hen, die voor dien tocht zullen geprest worden. Daarenboven, werwaarts zullen de uittrekkenden zich wenden? Gij zegt wel, dat de vluchtelingen zich niet zeewaarts zullen begeven hebben. Dat Mijnheer het mij vergeve, mij duizendmaal vergeve; maar ik kan zijn gevoelen zoo maar niet deelen. Maar, al ware het uitgemaakt, onbetwistbaar duidelijk, dat de vluchtelingen landwaarts ingetogen zijn, dan nog herhaal ik mijne vraag, werwaarts zullen mijne Dajaks zich wenden? Het eiland Kalimantan [6] is zeer groot, en wie zal hen in de dikke duisternis op het goede spoor brengen?”

„Maar wat dan?” vroeg de luitenant ongeduldig.

„Wachten Heer, wachten,” was het bedaarde antwoord. „Morgen al heel vroeg zal ik wel te weten komen, hoe uwe soldaten ontvlucht zijn en ik verzeker het u, ik zal hen dan gauw op het spoor zijn. Zij hebben het district niet ongemerkt kunnen verlaten; maar waar nu bij de duisternis van den nacht en bij de loopende geruchten aarzeling en vrees heerschen om mij te komen inlichten, zal ik morgen, als de dag helder schijnt, wel spoedig op de hoogte zijn. De bevolking zal dan ook ras weten, wat het doel van den tocht is; vergissing of opzettelijke misleiding is dan niet meer mogelijk, en ongetwijfeld zal het mij dan hoegenaamd geen moeite kosten het noodige getal vrijwilligers bij elkander te brengen. En mocht Mijnheer het niet afkeuren, dan wenschte ik zelf morgen den tocht aan te voeren; iets wat ik heden avond onmogelijk zou kunnen op mij nemen.”

De luitenant aarzelde een oogenblik en dacht na. Het was stil in de kamer. Alleen hoorde men de hijgende ademhaling van den dokter en buiten weerklonken de voetstappen der op en neer wandelende schildwachten op de bedding van het geschut, waarbij zij op post stonden. De officier scheen eindelijk een besluit genomen te hebben, althans hij hernam:

„Gij hebt gelijk Tomonggong, geheel en al gelijk, en ik dank u voor de goede raadgeving. En toch wenschte ik wel, dat de vervolging nog heden avond had kunnen beginnen; want hoe spoediger in mijne handen, hoe minder de arme drommels te lijden zullen hebben. Zij zullen hun uitstapje duur genoeg betalen,” vervolgde hij bitter en met een zucht: „wie weet wellicht met hun leven!”

„Ja, dat weet Hatallah [7] alleen,” zei de Tomonggong met vromen eerbied in zijn stem, „het gevaar dat zij te gemoet treden is groot.”

„Welnu dan,” hernam de luitenant, „tot morgen! al heel vroeg wacht ik eenig bericht. Maar wacht, ik weet nog beter. Om geen tijd te verliezen, kom ik nog vóór zonsopgang bij u, Tomonggong. Wij kunnen dan alles te zamen verder beschikken. Ik ga nu bevelen geven om u uit te laten.”

En daarop verliet hij het vertrek.

Een oogenblik alleen met het districtshoofd, sprong de dokter op en drukte hem met warmte de hand.

„Zij hebben nu een voorsprong van ruim zes uur,” zeide hij met verrukking.

„Dat is niet veel”, meende onze Dajak.

„Toch genoeg voorshands; o! wat dank ik u!”

De luitenant kwam binnen; zij konden het gesprek niet voortzetten.

Nadat de Tomonggong afscheid genomen en het fort verlaten had, zaten de kommandant en de dokter nog een poos bij elkander, om de flesch te ledigen, die zoo even ter eere van het districtshoofd ontkurkt was.

„Een beroerde geschiedenis!” ontsnapte den luitenant met een stopwoord, dat zijn gemoedsaandoening moest te kennen geven.

„Ja zeker, een beroerde geschiedenis, maar vooral voor die arme drommels.”

„Maar voor mij niet minder. Behalve de inspanningen en vermoeienissen, behalve de gevaren van allerlei aard, die mij te wachten staan, zullen ook wel de noodige standjes afgeschoven worden. Gij weet, bij ons legt men zoo gaarne de zaken ten nadeele uit en zoekt men daaraan een hatelijken zelfkant. Het zoeken van een zondebok, wanneer iets onaangenaams voorvalt, is eene inheemsche Nederlandsche ziekte.”

„Maar de overste Afdeelings-Kommandant is toch daar de man niet toe!”

„O, die zal het ook niet doen. Het zal wel van hooger komen. O! zij zijn te Batavia zoo snugger! Als het er op aankomt naar het hoofdbestuur in den Haag te kunnen rapporteeren, dat door het geringe doorzicht en de weinig menschkundige handelingen van een luitenant, vier Europeesche soldaten in vollen oorlogstijd gedrost zijn; en als men er dan bijvoegen kan, dat de schuldige ernstig is te recht gewezen, dan is het genot zonder weerga. Men is dan tevreden in den Haag en vraagt naar meer niet. Zelf heeft men immers geen schuld?”

„Geen schuld!!” stoof de dokter woedend op. „Geen schuld!! de geheele schuld ligt in den Haag; want....”

„Tu tu tu, mijn waarde mof, geen politiek, wat ik je bidden mag,” stopte de luitenant bij tijds. „Al heb je gelijk, dan heb je toch ongelijk, zooveel ervaring heb je toch reeds in het leven opgedaan. Kom, het is al laat geworden, laten wij ons mandje gaan opzoeken, het is morgen vroeg dag, althans voor mij.”

De beide mannen reikten elkander de hand; de dokter verliet het vertrek om naar zijn mandje te gaan, zooals de uitdrukking luidde. Alvorens evenwel in het zijne te kruipen, ging de luitenant nog eens de ronde doen om zich te overtuigen, dat de noodige waakzaamheid werd betracht.

Een oogenblik stond hij op het zuidelijk bastion te turen. Die geschutstelling beheerschte de geheele watervlakte, gevormd door de samenvloeiing van de Poeloe-Petak rivier met de Kapoeas-Moeroeng, aldaar ruim twaalf honderd ellen breed. De nacht was in zijne volle pracht; de sterren schitterden aan den donkerblauwen hemel en weerkaatsten met liefelijken glans in den vloed; de bosschen, die de oevers omzoomden, staken scherp en als een zwarte massa tegen den niet geheel donkeren gezichteinder af. Op den oostelijken oever van de Poeloe-Petak rivier ontwaarde men de omtrekken van de Dajaksche woningen tusschen het groen, en hier en daar flikkerde de vlam eener lamp tusschen de boomen en struiken.

Behalve eenige blaffende honden in de verte, was alles doodstil en liet zich het geruisch en gekabbel van den snelvlietenden stroom zacht, maar duidelijk waarnemen.

Terwijl de luitenant daar stond, tegen de borstwering geleund, dat schouwspel aan te staren, en hij in gedachten verzonken scheen, lieten zich plotseling de tonen der „titih” hooren.

De „titih” is bij de Dajaks de doodenklok. Zij bestaat uit vier „garantong’s” (metalen bekkens van verschillende grootte) en weerklinkt de eerste maal, zoodra iemand gestorven is; de tweede maal, wanneer het lijk in de kist gelegd wordt; de derde maal, wanneer het lijk naar zijne laatste woning gevoerd wordt, en eindelijk de laatste maal, wanneer die woning gesloten wordt. Alleen bij de overvoering van het lijk klinkt de doodenklok aanhoudend, zoolang de vaart duurt; de andere keeren weerklinkt zij slechts telkenmale gedurende vijf minuten. Men luidt haar, door met regelmatige tusschenpoozen van ongeveer twee seconden een slag te doen hooren op de drie garantong’s met lichten toon en die te doen volgen door een zwaren toon. Uiterst weemoedig weerklinkt dat ting, ting, ting, toong over Borneo’s breede stroomen en stemt wel tot droefgeestigheid.

Bij de eerste tonen, die weerklonken, had de luitenant het oor gespitst en zich de vraag gedaan, wie er wel overleden kon zijn in den kampong. Maar weldra waren zijne gedachten weer op de desertie, die plaats gehad had, gevestigd. Toen evenwel de „titih” na een poos niet ophield en bleef weerklinken, begreep hij, dat een uitvaart plaats had en dat wekte wel ietwat zijne verwondering. Met dat het zeldzaam zoude zijn, dat de Dajaks hunne dooden bij nacht bijzetten; hoewel nu niet algemeen, gebeurde dat wel meer, vooral wanneer de overledene aan een besmettelijke ziekte bezweken was; maar in den laatsten tijd had de luitenant verzocht geen uitvaarten meer te houden gedurende den nacht wegens den oorlogstijd, en dat alleen te doen bij volstrekte noodzakelijkheid. Sedert lang was op dat verzoek, eer een bevel, geen inbreuk gemaakt en nu, nu, dat was wel toevallig....

„Ha! ik ben er,” zei de luitenant als gerustgesteld, „ik ben er, gisteren heeft mij de Tomonggong verteld, dat er twee gevallen van cholera in kampong Soengei Antassan Barimba waren. Een daarvan zal overleden zijn. De kerels hebben gelijk den doode maar weg te moffelen.”

En werkelijk, heel in de verte, van den kant des genoemden kampongs, verschenen twee prauwen, overvloedig met vlaggen en fakkels versierd, welke laatsten haar rood licht over de watervlakte weerkaatsten. Akelig klonken de tonen der „titih” in de nachtelijke stilte. Toen de prauwen langzamerhand nader bij kwamen, weerklonken nog andere geluiden en kon men duidelijk de gezangen der „balians” (priesteressen), die zij met een dof getrommel op hare „katambong’s” (kleine trommen) begeleidden, waarnemen. Toen de vaartuigen nog dichter bij kwamen, klonk het treurgezang:

„Dadari liau olo matäi, tandjoeng dari liau balongkang, tandjoeng-danoem...” enz. [8] over de watervlakte en bereikte des luitenants gehoor. Alles scheen dan ook in orde; uit de voorste prauw klonken de gezangen en het getrommel der balians; achter dat vaartuig volgde onmiddellijk de prauw, waarin de „raoeng” (doodkist met beeldhouwwerk versierd) geplaatst was, en waarin de „titih” geslagen werd. Om evenwel op alles voorbereid te zijn in een tijd van listen en lagen, teneinde onze posten te overrompelen, deed de luitenant de manschappen der wacht onder de wapens komen en postvatten op het bastion, waarop hij zich bevond. Ook gelastte hij een onderofficier, de naderende prauwen te verkennen en op alles nauwkeurig acht te geven. Toen een der schildwachten zijn „werda” deed weerklinken, werd die roep naar behooren beantwoord en aan het bevel, om aan te leggen, onmiddellijk voldaan. De sergeant doorzocht de eerste prauw, wisselde een kwinkslag met de priesteressen, maar ontwaarde niets verdachts. In de tweede was ook niets te bespeuren. Een akelige stank, eigen aan de lijken van hen, die aan cholera bezweken zijn, steeg uit de raoeng op en noodzaakte het onderzoek te verkorten. De vaartuigen staken van wal en onder den krachtigen roeislag van een twintigtal roeiers, geholpen door den zwaren stroom, schoten zij spoedig het fort voorbij. De luitenant tuurde hen nog na en scheen als in gedachten verzonken, toen plotseling een hoofd zich als een zwarte schim boven de dakbedekking van de tweede prauw vertoonde en een stem zich verhief, die uitriep:

„M....! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!”

Het met M.... aangeduide woord was het woord van Cambronne in den slag van Waterloo, en is bij onze zuidelijke broeders zeer in zwang; zoo ook het „tête de fromage” als scheldwoord tegen de Hollanders.

Onze luitenant was dan ook dadelijk op de hoogte en begreep, dat de vluchtelingen zich in de doodenprauw bevonden. Hij riep den roeiers toe:

„Gagoelong kantoh ikau, mambalik goelongoeloeng!” (Halt! hierkomen, dadelijk omkeeren.)

Tot antwoord klonk nogmaals het M....!, gevolgd door een geweerschot, dat een Javaansch soldaat, naast den luitenant staande, lichtelijk schrampte. Toen draaide de luitenant met behulp van een paar soldaten het kanon, dat op het bastion stond—een 7 Cm. op cirkelaffuit—en steeds geladen was, snel in de richting der prauwen, boog zich over het stuk, gaf het met behulp der stelschroef de noodige inclinatie, greep den vuurstok, waarop de zunder, ontstak dezen aan de steeds brandende lont en.... boum! daar dreunde het schot. Het was echter nacht en het richten vrij onzeker geweest. Daarenboven dreef de snelle stroom de prauwen overhaast voort en repten ook de roeiers zich met inspanning om uit die gevaarlijke buurt te geraken. De kogel sloeg vlak achter de achterste prauw in het water, ricochetteerde, sprong over dat vaartuig en sloeg door de dakbedekking van het voorste en bracht zoo, door de wieling van het water en door den schok tegen het dak, de beide prauwen in groot gevaar van om te slaan en te zinken. Dadelijk daarop en nog vóór dat de algemeene ontsteltenis maar eenigszins bedaard was, weerklonk van het bastion een salvo geweerschoten, dat een hagelbui van kogels door de prauwen joeg, waardoor twee roeiers gedood en een gewond werden. Maar de stroom sleepte de vaartuigen met kracht mede; nog voor dat herladen kon zijn, waren zij aan het gezicht onttrokken en in het nachtelijk duister verdwenen.

„Dat salvo was raak,” zei de dokter, die zijn bed uitgevlogen was, en nu naast den kommandant op het bastion stond, „dat salvo was raak, wat een gegil ging er uit de prauwen op!”

„Ja het was raak,” antwoordde de luitenant ernstig, „maar.... dat is de eerste maat van het liedje, dat gezongen wordt. Ik had mij door den Tomonggong niet moeten laten overhalen, om den tocht tot morgen uit te stellen, wellicht ware dan het nu gebeurde voorkomen geworden. Hebt gij Troenosmito verbonden?”

„Niet noodig geweest, een onbeduidende schramp, die ik met jenever met water heb doen afwasschen.”

„Kom, laten wij dan gaan slapen; ik weet nu waarheen de deserteurs getogen zijn; morgen al heel vroeg kan de vervolging beginnen.”

Beide mannen reikten elkaar nogmaals de hand en weldra verving een diepe stilte het rumoer van straks, een stilte, die slechts afgebroken werd door den rustigen stap der schildwachten.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

III

Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijfentwintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan.—

Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moeten wij eenige geschiedkundige bijzonderheden in herinnering brengen, die zoowel omtrent plaats en tijd der handeling, als omtrent het verloop der gebeurtenissen de vereischte toelichting zullen geven. Dat zal veroorloven het verhaal voort te zetten, zonder telkens genoodzaakt te zijn, ter verduidelijking den draad af te breken.

Een ieder herinnert zich zeker nog de rilling, die door de natie ging, toen in Junij 1859 als een donderslag de tijding weerklonk, dat in het rijk van Bandjermasin op het eiland Borneo een uitgebreide opstand was uitgebroken tegen het Nederlandsche gezag en dat al de Europeanen op de mijnetablissementen, als ook de Christenzendelingen, op verschillende punten in de binnenlanden gevestigd, vermoord waren. De bijzonderheden, die later van die moordpartijen opvolgend bekend werden, klonken zoo schrikkelijk, dat met recht beweerd kan worden, dat de gruwelen te Hermina (Kalangan), te Goenoeng Djabok, te Boentooi en te Tangohan gepleegd, in wreedheid en afschuwelijkheid voor die, in Engelsch-Indië te Delhi, Lucknow en Cawnpore in 1857 gebeurd, niet onderdeden.

Maar, zoo als bijna immer, was voor die moordtooneelen een grond, een oorzaak. En hoewel gruwelen, zoo als toen gebeurd zijn, ten scherpste afkeuring verdienen en niet genoeg gebrandmerkt kunnen worden, zoo moet toch erkend worden, dat de bestuurshandelingen ter Zuid- en Oost-kust van Borneo haat en wrevel hadden doen geboren worden en dat door gebrek aan waarheidsliefde, toen het gevaarlijk oogenblik naderde, de uitbarsting niet voorkomen, maar eerder geprovoceerd werd. En wanneer bij een onontwikkeld volk lang verkropte woede in lichter laaie uitslaat, wanneer jaren lange miskenning en misleiding, onder het mom van philantropische grondbeginselen gepleegd, vergolden, en niet vergeten euveldaden uit vroegere tijden als: ontmanning, afsnijding van ooren en neuzen, verrekend moeten worden, dan ja.... laten wij dan den steen niet werpen op den Bandjarees, die zulke voorbeelden van ons ontving.

Slaan wij de geschiedrollen van die dagen op, dan vinden wij het Bandjareesche volk als sluw, oneerlijk en hoogst bedorven afgeschilderd. Zeker kon dat volk niet als toonbeeld van maatschappelijke deugden gesteld worden, maar te betwijfelen valt het, of de omgang met de blanken gediend heeft, om het uit zijne verdorvenheid op te heffen. Wat de onontwikkelden van deze zagen, was tot navolging niet opwekkend en, gingen zij tot navolging over, dan was de zedelijkheid daar niet mee gebaat.

Zij zagen toch het hoogste bestuur voor geld veil, de erfopvolging van hun vorstenhuis verkwanselen, om den bastaard, door een hunner Sultans bij eene Chineesche bijzit verwekt, op den troon te helpen.

Zij moesten hunne dierbaarste gevoelens ten opzichte van hun vorstenhuis op de meest vernederende wijze gekrenkt zien, door de verdierlijking, waaraan de onwaardige, die door de blanke overheerschers, met voorbijgang van den rechthebbende, op den troon geplaatst was, door zijn omgang met die Christenhonden ter prooi was. Zij toch, de fijne Mahomedanen, die zoo’n afschuw van sterken drank hadden, zagen veelmalen hun vorst plaatsnemen aan de tafel der blanken, daar hunne uitspattingen deelen, ja die overtreffen, daartoe op arglistige wijze aangezet. Niet zeldzaam zagen zij den ongelukkigen Sultan smoordronken, met zwierende haren, bevlekt en bezoedeld door de gevolgen zijner overdaad, als een zwijn in de voorgalerij van het residentiehuis omvertuimelen; zij zagen hem onmachtig om overeind te krabbelen, door zijne volgelingen naar zijn prauw gedragen, om naar zijn kraton, aan de overzijde der rivier gelegen, geroeid te worden, begeleid van den eenen kant door de weeklachten diergenen zijner onderdanen, die het wel met hem meenden, van den anderen kant door het luidruchtig gejoel en gegrinnik van hen, die er een eer in stelden, hem in dien toestand gebracht te hebben.

„Allah redde hem en verdelge de Kafirs!” gromden de eersten.

„A plein verre! mes bons amis!” of „wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet, nog lang niet”, jubelden en huilden de anderen, terwijl zij met de brandyflesch in de hand „een patertje langs den kant” na het vertrek van den dronken Sultan, op den openbaren weg dansten.

Zij zagen den Christelijken godsdienst bevorderen, terwijl zij in de uitoefening hunner godsdienstplichten zoo veel mogelijk gedwarsboomd werden. En wanneer dan ingezien werd, dat niet altijd de gepaste middelen werden gebruikt, om onder de naburige Dajaks de leer van den Christus, die leer van liefde, van zelfverloochening, van zelfopoffering, te verspreiden; wanneer daartegen over de moeielijkheden gesteld werden, die de vrome Muzelman, wanneer hij volgens de voorschriften zijner leer het graf des Profeets wenschte te bezoeken, vanwege de Christenen, met het woord „verdraagzaamheid” op de lippen, maar niet in het hart, ondervond, dan gloeide de haat en dan zocht de hand wel eens krampachtig het gevest van de kris, dat eigenaardig wapen der Oosterlingen met gevlamd lemmet, als zinnebeeld van Allah’s toorn.

Voorwaar er was brandstof genoeg voorhanden; zij behoefde niet vermeerderd te worden door de listen en lagen, die gebezigd werden, om pandelingen, die slaven onder een modernen naam, voor de Gouvernements- en ook voor de partikuliere steenkolenmijnen te erlangen.

Maar de bevolking der Nederlandsch-Oost-Indische bezittingen is over het algemeen van zulk een zachte en lijdzame inborst, dat zij in den regel niet naar het zwaard grijpt, voor en aleer alle middelen, om tot een vergelijk te komen, aangewend te hebben.

Zoo ook hier.

Na eindelooze pogingen bij het gewestelijk bestuur, werd in 1853 een gezantschap naar Batavia afgezonden om van den Grooten Heer herstel van grieven te verkrijgen. Onder het armzalig voorwendsel, dat de leden van dit gezantschap van te lage geboorte waren, werden zij niet toegelaten het gelaat van hem, die in naam van Neerland’s Koning gezag voert, te aanschouwen, hoewel allen van adellijke en een paar van vorstelijke afkomst waren.

Vijf jaren later, in 1858, toog de bejaarde weduwe van Sultan Adam naar Insulinde’s hoofdplaats, om de rechten van haren kleinzoon, den rechtmatigen troonopvolger te bepleiten en de overige grieven van het Bandjersche volk onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal te brengen. De oude Sultane onderging den smaad van ook niet ontvangen te worden. Dat was de druppel, die den beker van ongerechtigheid deed overvloeien. De karaktervolle weduwe keerde naar Bandjermasin terug en van nu af was tot den heiligen oorlog besloten.

Al spoedig, in de eerste dagen van 1859, vertoonden zich in de landschappen Benoea-lima, Moening en Allei mirakeldoeners, die voorloopers van volksuitbarstingen bij dweepzieke rassen, en lokten tot volksoploopen uit. De klewang’s werden gewet, de vuurwapenen gereed gemaakt. Maar men was met blindheid geslagen te Bandjermasin, met zoodanige blindheid, die door het doellooze rondspartelen aan waanzin deed denken. Men oordeele!

Van Batavia werd in Februari 1859 het oorlogsstoomschip Ardjoeno naar Bandjermasin gezonden, om te vernemen, wat toch ter Zuid- en Oostkust van Borneo gaande was, daar van Pontianak, dus van de Westkust van dat eiland, aan de Regeering gerapporteerd was, dat al de onderdanen van den Sultan van het Bandjermasinsche rijk opgeroepen waren om deel te nemen aan een uitgebreiden opstand tegen de blanken. De Ardjoeno kon terugkeeren zoo als hij gekomen was, daar men te Bandjermasin voorgaf, van niets te weten, en daarbij betuigde, dat in het gewest de meest gewenschte rust heerschte.

Een maand later kwam het stoomschip Montrado met dezelfde boodschap; de berichten omtrent het uitbreken van een opstand in het gebied van den Sultan van Bandjermasin, waren ter Westkust van Borneo zoo stellig, dat niet te twijfelen viel. Ditmaal kon niet ontkend worden; de zaken des opstands waren reeds zoo ver gevorderd, dat ze niet meer te bemantelen waren. Had men toen nog maar den moed gehad, rond voor de zaak uit te komen, dan waren vele gruwelen voorkomen. Maar.... ja, men stemde er in toe, dat er eenige ontevredenheid heerschte; dat waren echter slechts twisten van den Sultan met eenigen zijner rijksgrooten, hofkabalen, die niets te beteekenen en hoegenaamd geene staatkundige strekking hadden. Een geringe vermeerdering van het garnizoen zou indruk genoeg maken, om een gewenschte ontknooping van die twisten te mogen veronderstellen en om de algemeene veiligheid te verzekeren. En zoo vertrok in April 1859 de kolonel Andresen met ééne compagnie infanterie naar de Zuid- en Oostkust van Borneo. Had die krijgsoverste een geheel bataillon volgens formatie van zes compagnieën onder zijne bevelen gehad, dan ware dat niets te veel geweest en vele menschenlevens, misschien wel allen, die nu verloren gingen, hadden kunnen gered worden. Het onaanzienlijk troepje; dat nu aan wal stapte, was niet eens genoeg, om de hoofdplaats van het gewest voor alle aanranding te dekken, want daartoe moest een vrij talrijk corps mariniers en matrozen van de oorlogschepen medewerken. De mijnetablissementen, de zendelingsposten en de civiele ambtenaren in het binnenland moesten aan hun lot overgelaten worden.

De aankomst van zulk een kleine troepenmacht had eerder een nadeelige dan wel nuttige zijde; zij verhaastte de uitbarsting. Dat was het resultaat van de onopenhartigheid.

Twee dagen nadat kolonel Andresen voet aan wal gezet had, een tijdperk waarin hij onmogelijk zich geheel op de hoogte van den toestand had kunnen stellen, zoo zeer noodig, om met vaste hand de teugels van het bewind te kunnen grijpen, brak de opstand allerwege uit en werden bijna overal de Europeanen op de meest afzichtelijke wijze vermoord.

Wil de lezer vernemen hoe ver in die dagen de verblindheid van hen ging, die toch op de hoogte van den stand van zaken moesten wezen? Weinige dagen voor de aankomst des kolonels, had de kapitein militaire kommandant ter hoofdplaats, tengevolge van de vrij stellige berichten, die bij hem ingekomen waren van voorgenomen aanvallen op het fort Tatas, de geweren der schildwachten en de kanonnen op de bastions doen laden en verder die voorzorgsmaatregelen doen nemen, die een overrompeling van het hem toevertrouwde punt moesten beletten. Dat geboden hem het gezond verstand en ook de eerste regelen der krijgskunst, omtrent welker toepassing hij alleen te oordeelen had. Doch hij ontving van den resident van het gewest een scherpe afkeuring—daar zijne voorzichtigheidsmaatregelen onrust onder de bevolking stichtten—met den last, om de kanonnen te ontladen en de patronen der manschappen in de magazijnen in te nemen.

En hoe die verblindheid zelfs tot bij hen, die door hunne isoleering het meest op hunne hoede moesten zijn, doorgedrongen was, kan uit het navolgende blijken:

Den 29n April 1859 kwam een rondventende Chinees op de steenkolenmijn Hermina te Kalangan en smeekte den directeur, om toch met alle Europeanen, vrouwen en kinderen naar Bandjermasin te vluchten. Hij had uit stellige bron vernomen, verzekerde hij, dat binnen kort alle blanken zouden vermoord worden. In het midden latende, of de gegeven raad opgevolgd of niet behoorde te worden, was men dankbaarheid schuldig aan den man, die ter goeder trouw dien raad gaf. En welke dankbaarheid viel hem ten deel? De directeur der mijn gaf bevel dien man aan den paal te binden en met vijf en twintig rietslagen ten bloede te geeselen.

Vijf en twintig rietslagen voor een goeden raad, die, ware hij opgevolgd geworden, aller leven zou gered hebben!! Want toen was nog redding mogelijk. Een der voorlieden van de mijn, een Belg van geboorte, werd op den 30n April—dus daags na den raad van den Chinees, om naar Bandjermasin te vluchten—naar de hoofdplaats gezonden, tot het verrichten van eenige boodschappen. Bij zijn doortocht te Goenoeng Lawak, een kampong op ongeveer een halfuur afstands van de steenkolenmijn, had hij eenige moeite om zijn weg te vervolgen, daar het pad door het plotseling rijzen van een naburig riviertje overstroomd en nu onzichtbaar was, hetgeen nog al gevaar aanbood, daar dat pad zich tusschen diamantputten slingerde, die nu als kolken voor het oog verborgen waren. Verscheidene lieden hielpen onzen Waal en zijn paard tusschen die putten door en in den kampong aangekomen, vroeg en verkreeg de reiziger zeer bereidwillig een kopje koffie, wat hij met graagte opslurpte. Wel ontwaarde hij veel volk op de been en daaronder vele vreemde gezichten, maar op zijn navraag daaromtrent, kreeg hij tot antwoord, dat het passardag (marktdag) was. Hij verliet Goenoeng Lawak, trok vervolgens Martapoera door en kwam niet alleen ongedeerd te Bandjermasin aan, maar hij kon ook verzekeren, dat hem overal de meest heusche bejegening was ten deel gevallen.

Vijf en twintig rietslagen!!! o! het is ontzettend. En wat was de beweegreden tot die onmenschelijke bestraffing? De directeur beweerde, dat die man met zijne verhalen maar onrust kwam stoken onder het werkvolk der mijn.

Met wat wrok in het harte moet die Chinees het etablissement verlaten hebben? O! hij zou spoedig gewroken worden. Hij zelf zou zich wreken.

Den 1n Mei—dus twee dagen na die gruwelijke strafoefening—zaten de heeren van het mijnpersoneel, de directeur, de ingenieur en een aspirantingenieur, des morgens na de godsdienstoefening—het was op een zondag—gezellig bij elkander te praten in de voorgalerij van de directeurswoning, die op eenigen afstand van het mijnetablissement zich bevallig op den top van een heuvel verhief. De dames hadden de heeren onder het genot van een glaasje morgendrank alleen gelaten en zich naar de ingenieurswoning begeven, alwaar zij, hoegenaamd geen gevaar duchtende, ook een gezellig kransje hielden.

Het kon zoo omstreeks elf uur zijn, toen een Europeesche mijnwerker buiten adem bij den directeur kwam aanloopen en het bericht bracht, dat een groote bende volk met lansen en klewangs gewapend, van den kant van Goenoeng Lawak kwam opzetten en dat zij kwaadwillige bedoelingen had, daar zij bij de tramwaybrug reeds een der Europeesche voorlieden had neergestooten. Nog had de mijnwerker zijn verhaal niet ten einde, toen men den huilenden en tierenden troep in de verte reeds in aantocht zag. In de woning van den directeur waren geene wapenen aanwezig. Men had die naar aanleiding der loopende geruchten naar het huis van den ingenieur overgebracht om in de nabijheid van het mijnetablissement, zoo als het heette, op alles voorbereid te zijn.

Onder den indruk van het verhaal des directeurs omtrent de berichten, door den rondventenden Chinees aangebracht, vlogen de aanwezigen op en trachtten zich door de vlucht langs den tramwaydijk naar het mijnetablissement te redden. Zij werden door den razenden troep op de hielen gevolgd; en weerloos als zij waren, hadden zij het noodlottig voordeel, de mijn nog te kunnen bereiken, slechts te danken aan den ingenieur, die met een zwaren ijzerhouten wandelstok gewapend, van tijd tot tijd zijn vlucht staakte en achterwaarts front maakte om de bende op een afstand te houden. Hij was een stevig Engelschman en bekwaam batonnist. Met talent en met kracht gelukte het hem een tijdlang de vele lansen af te weren. Wanneer het oogenblik hem daarbij gunstig voorkwam, sprong hij vooruit, liet zijn stok fluitend nederdalen, waarbij dan telkenmale een schedel verbrijzeld of een schouder ontwricht werd. Zoo had hij reeds een viertal zijner belagers neergeveld, toen hij op het onverwachtst achterover tuimelde. Front naar den vijand makende en, al schermende, langzaam achteruit tredende, zag hij niet, dat de dijk, waarop hij zich bevond, een vrij scherpe bocht maakte. Hij stortte langs de glooiing omlaag, en nog voor hij zich oprichten kon, waren hem vele lansspitsen in het lichaam gedrongen. Letterlijk was hij aan den bodem vastgestoken.

Dat was wel de grootste ramp, die den ongelukkigen Europeanen daar in dat verloren hoekje kon overkomen. Die ingenieur was een energiek man, die, ware hij nu niet gevallen, ongetwijfeld de verdediging met uitstekend gevolg zoude geleid hebben.

Na zijn val verhief zich een kannibalisch gejuich. Dat was de eerste blanke van eenig gezag, die omgebracht werd. Dat gaf moed. Aller armen daalden neer om deel te nemen aan de slachting. Zelfs de meest vreesachtigen drongen vooruit en wroetten met hunne lansspitsen of hunne klewang’s in het lillende vleesch en smeerden hunne wapenen met het stroomend bloed in. De Hadji’s hadden hun toch verzekerd, dat zulk een wapen, door het bloed van een „kafir” (Christenhond) geheiligd, onverschrokken en onkwetsbaar maakt. In een oogenblik tijds was dan ook de rampzalige ingenieur met ontelbare wonden overdekt. Met ongeloofelijke verbittering werd op den ongelukkige ingehakt. Gelukkig nog, dat die verwoedheid der moordenaars zoo groot was, dat zij maar blind weg hun wapen hanteerden en hem al heel spoedig doodelijk verwondden, zoodat zijn lijden kort was.

Die val en de daarop gevolgde moordpartij gaf den overigen ongelukkigen een voorsprong, waardoor zij het mijnetablissement konden bereiken.

Helaas! daar was alles in rep en roer, in de grootst mogelijke verwarring. Men had den vijandelijken troep zien naderen en het geheele treurspel op den tramwaydijk kunnen waarnemen. Het was als besefte men, dat daar de ware verdediger, de man, die de zwakken ondersteund, de angstvalligen opgebeurd zoude hebben, omgekomen was. In radeloozen angst dwarrelden de vrouwen en kinderen door elkander, handenwringende en wanhoopskreten slakende. Het ondergeschikte mannelijke personeel der mijn was, bij het verschijnen der opstandelingen, dadelijk in twee kampen verdeeld, waarvan het grootste gedeelte helaas! zich voor den naderenden muitenden troep verklaarde. Dat waren de Bandjersche prauwenvoerders en de Dajaksche pandelingen. Slechts enkele mandoor’s (opzichters) en de Javaansche bedienden sloten zich bij hunne meesters aan en nog niet eens allen met goede bedoelingen, zooals straks blijken zal.

Bij aankomst van den directeur in dit benard oogenblik, werd op zijn last de alarmklok geluid en verzamelden zich de Europeesche voorlieden der mijn in het huis van den reeds vermoorden ingenieur, alwaar de vrouwen om diens wanhopige weduwe geschaard zaten.

Er bevonden zich toen een achttal mannen, vier gehuwde dames, drie huwbare meisjes en zes kinderen—allen Europeanen of van Europeesche afkomst—in dat huis bij elkander. Hierbij hadden zich een drietal inlandsche mandoor’s, een zestal bedienden en eenige baboe’s (kindermeiden) aangesloten.

Men sloot en grendelde in allerijl de vensters en deuren, voor welke laatsten in alle haast wat meubelstukken gesleept werden, om ze te barricadeeren. Men was nog niet geheel gereed, toen de moordzieke bende, schreeuwende en tierende, op het terrein der mijn verscheen. Sidin, de Javaansche bediende van den directeur, had van het wapenrek de geweren—een achttal—genomen en had ze geladen, voor welke zorglijke handeling hij door zijn heer met een goedkeurenden knik beloond werd. Toen deuren en vensters gesloten waren, nam ieder Europeaan een vuurwapen en plaatste zich achter de gesloten jalouzieramen. Er was geen tijd tot beraad of tot het nemen van verdere beschikkingen. Och, al had de tijd er ook toe bestaan, de karaktervolle man, die het geheel had kunnen leiden, was niet meer. Er heerschte nu slechts ongedurigheid en weifelachtigheid in die woning, waar in die oogenblikken slechts geest- en wilskracht zich hadden moeten vertoonen. Er heerschte ordeloosheid, waar ieders plaats en handeling scherp afgebakend had moeten wezen. In een woord, er was niemand die bevelen gaf, die ordende; ieder deed wat hem goed dacht.

De bloeddronken bende naderde niet heel spoedig; zij had nog de gelegenheid te baat genomen, om een ouden grijzen mijnwerker, die weigerde zich bij haar aan te sluiten, neer te houwen en haar bloeddorst op eene gruwzame wijze op hem te koelen.

Maar eindelijk aangekomen voor het huis, waarin de blanken zich gebarrikadeerd hadden, hield de bende halt en heerschte er een oogenblik van diepe stilte. Ofschoon reeds twee withuiden dien morgen gevallen waren en hun bloed de klingen der wapens geverfd had, was de menigte nog niet over het prestige heen, dat de blanken gewoonlijk uitoefenen. Men begreep dat hier ernstig tegenstand zou kunnen geboden worden, dat veler leven hier gevaar liep; men dacht na en aarzelde. Had in dit oogenblik een flink salvo weerklonken, dat de voorste raddraaiers in het zand had doen bijten, dan zou die geheele troep dapperen, als een vlucht musschen, door een schot hagel geteisterd, uit elkaar gestoven zijn. Maar niets, niets! de Europeanen hielden zich stil; het was of het huis leeg was.

Daar verhief zich te midden dier stilte plotseling een stem. Het was Hadji Gana, een der meest dweepzieke priesters van het Bandjersche rijk.

„Lā ilāha illa-llāhoe wa-Moēhammadoen rasōeloe-l-lāhie,” (er is geen God dan Allah, en Mahomed is Gods profeet) gilde hij met krijschende stem, terwijl hij de handen, waarin hij een koran en een rozenkrans hield, boven zijn tulband verhief.

„Madjoe! madjoe! sabieloe-l-lāhi!” (Vooruit, vooruit, ten heiligen strijd.)

„Weg met de blankhuiden!”

„Dood aan de Kafirs!” schreeuwde de menigte hem na, joeg als met een sprong vooruit en beklom de trappen, die tot de voorgalerij van de woning toegang verleenden. Maar toen knalden vier schoten van tusschen de zonneblinden der ramen en deden den heldhaftigen troep uit elkander stuiven met een vaart, dat de meesten niet wisten, hoe zij beneden gekomen waren.

Doch.... rondziende, bespeurden de helden geen enkelen gedoode, geen enkelen gekwetste. Een wezenlijk wonder! hoewel die vier geweerschoten te midden van den dichten drom, om zoo te zeggen à bout portant gelost waren, niemand was gedeerd. Er was er een, wiens buisje door de buskruidvlam verzengd was, zonder gewond te zijn. Hoe was dat mogelijk? De Hadji’s maakten er behendig gebruik van, en wezen op de onfeilbaarheid van de uitgedeelde „djimat’s” (talisman) en verklaarden iederen strijder tegen de kafir’s voor „tagab” (onkwetsbaar). Hadji Isa haalde van onder zijn buisje een platgeslagen stuk lood te voorschijn en verklaarde dat dit een kogel der blanken was, die, zonder hem te deren op zijn huid afgestuit was. Dit bewijs van almacht voerde de dweepzucht ten top.

Zoo werd de bende weer moed ingesproken en tegen de trappen opgevoerd. Toen zij boven gekomen was, barstte andermaal een viertal schoten in den dichten drom los, met hetzelfde gevolg dat geheele gespuis weer met bliksemsnelheid naar beneden te doen tuimelen. Maar, ook andermaal was niemand gekwetst. De Hadji’s hadden gelijk, de djimat’s waren onfeilbaar en de zegen des Profeets rustte op het Gode welgevallig werk.

Nu ging er een woest geschreeuw op, en andermaal drongen de dapperen vooruit, om evenwel met al dien heldenmoed bij iedere losbarsting van schoten weer naar beneden te stormen.

Binnen in het huis was men niet op de hoogte van hetgeen buiten gebeurde. Bij iedere losbranding zagen de verdedigers tusschen de beperkte ruimte der zonneblindlatten de aanvallers vallen, wegduiken en vluchten, zoodat er niet aan getwijfeld werd, of de schoten waren raak. Helaas! het verraad speelde zijn treurig spel. De geweren werden slechts met los kruid geladen en met zorg werden de kogels weggemoffeld door de bedienden, die in schijn, om de verdedigers te helpen, de afgeschoten wapens aannamen, om ze dadelijk weder te laden.

Bij zoo’n stand van zaken kon het niet anders, dan dat de aangeboren lafhartigheid der aanvallers tot overmoed oversloeg. Het gros der bende was uit de voorgalerij niet meer te verdrijven en op verschillende plaatsen waren reeds breekijzers tusschen de jalouzielatten der ramen en deuren gebracht, om ze met geweld te openen. Tusschen die latten door, kruisten zich hier en daar reeds klewang’s met sabels en waren de djimat’s krachtvol tegen de geweerschoten gebleken; tegen sabelhouwen schenen zij niet bestand. Althans al heel spoedig lagen eenige gekwetsten met afgehouwen vingers op den grond der voorgalerij, die de handen aan de ramen geslagen hadden om ze open te breken.

Bij dezen zoo noodlottigen stand van zaken liet zich plotseling een brandlucht waarnemen en konden de belegerden bevroeden, dat een gedeelte der bende het gebouw omgetrokken en, daar het van hout was, in brand gestoken had. In dien uitersten nood trad Sidin, de bediende van den directeur, op hem toe, beweerde dat er een misverstand bestond, dat het volk geen kwaad wilde, maar dat het bevreesd voor de geweren was. Wanneer mijnheer hem zijn geweer overgaf, zou hij zien, dat alles op vreedzame wijze opgelost zoude worden en dat niemand eenig leed zou geschieden. Wat moest de directeur doen? De voorgalerij stond stikvol aanvallers, die niet meer te verdrijven waren; in de achtergalerij dreigde brand; een deur en een raam waren reeds opengebroken en vertoonden zich daar woeste aangezichten. Met een zucht gaf hij zijn wapen over aan den bediende, aan wiens trouw hij nimmer getwijfeld had. Deze, met een afschuwelijken grijns op het gelaat, nam het geweer met de linkerhand aan en met de rechter stak hij zijn kris in zijns meesters lijf en haalde hem den buik van onder tot boven open, onder het uiten der spotachtige woorden:

„Djangan mara toean!” (Niet kwaad worden, mijnheer!)

En als ware dat het sein, stormde de bloeddronken bende naar binnen en begon het bloedbad. Al zeer spoedig lagen de mannen vreeselijk verwond in hun bloed te baden. De directeur was met opengereten buik in een hoek van het vertrek gekropen, waar men hem voorloopig ongedeerd liet. Helaas! zijn lijden was nog niet ten einde; schrikkelijker martelingen stonden hem te wachten.

Toen het bloedige werk met de mannen afgehandeld was, kwam de beurt aan de vrouwen. Geen van haar was nog gedeerd. Als een troep schapen bij een onweder zaten zij bij elkander gedoken en deden de lucht weergalmen van haar angstgeschrei en haar gesteun. Langzamerhand verzamelde zich een menigte met woest zwierende haren, met bebloede handen en aangezichten, rondom haar, en daar werden gruwelijke woorden gehoord en van verlangen glinsterende blikken ontwaard. Maar niemand nog vermat zich een vinger naar de ongelukkigen uit te steken. Alles bepaalde zich nog tot onkiesche woorden en tot wulpsche blikken, tot schandelijke verlangens, die zich als het ware door de hijgende ademhalingen lucht gaven. Daar verscheen Radhen Ardjie Kesoema, [9] het vorstelijk hoofd, die de bende ten aanval geleid, maar zich gedurende het gevecht voorzichtiglijk achteraf gehouden had. Hij trad nu in trotsche houding en met gebiedend gebaar voor en eischte de maagden voor zijn deel. Zonder een woord te spreken, met een enkele vingerwijzing duidde hij de drie jonge meisjes aan. Zijne volgelingen, zonder zich aan het gegil en het geweeklaag van de slachtoffers te storen, trokken de aangewezenen bij den arm voort en voerden ze naar Martapoera. Op de dringende bede der meisjes werd ook nog kort daarop hare moeder, eene forsche, flinke, nog goed uitziende vrouw, uit het noodlottige huis gehaald en ook naar de vorstelijke residentie overgebracht.

Nu bevonden zich nog slechts de getrouwde dames in het vertrek, en nog altijd, ofschoon reeds veel verminderd door het ontvoeren der meisjes, stond een hunkerende troep om haar heen, niet wetende wat te doen, tot dat Hadji Gana met zijn onafscheidelijken koran en rozenkrans in de uitgestrekte handen uitriep:

„God is groot! Luistert wat de Almachtige gebiedt: „Oog om oog, tand om tand”! De blanken hebben zoo velen onzer vrouwen en onzer dochteren tot ontucht verleid. Het goud, dat zij den bruinen mensch afstalen of afpersten, hebben zij veelal gebruikt om onze maagden te koopen. Soms zijn deze met geweld uit de armen hunner ouders weggehaald. „Oog om oog, tand om tand”, herhaalde hij met schril krijschende stem. „Oog om oog, tand om tand!” de ure der wraak is gekomen! die vrouwen zijn uw deel!!”

Een vreeselijk gejuich beantwoordde die woeste toespraak. En in minder tijd dan het mogelijk is te vertellen, waren de arme ellendigen overeind gesleurd en haar de kleederen, die hunne tengere ledematen bedekten, van het lijf gescheurd zoodat zij weldra met hun loshangenden blonden haardos naakt voor hunne bruine beulen stonden. Geen gejammer, geen geween, geen klaaggeschrei mochten baten. Zij hadden even goed kunnen pogen rotsgesteenten te vermurwen.

Nu begon een tooneel zoo walglijk, zoo ijselijk wreed, dat—hoe wenschelijk het ook ware, het in zijn algeheele afschuwelijkheid te boekstaven, om aan te toonen, welke vreeselijke gevolgen een slecht bestuur na zich sleepen kan—de pen hare diensten weigert en het brein zich onmachtig toont, die gruwelen te schetsen.

Te midden dier onmenschelijke mishandelingen, die niet dan met den dood der arme teedere wezens eindigden, sprong een klein zesjarig knaapje vooruit om zijne rampzalige moeder te verdedigen. Het was het oudste zoontje van den directeur. Met in den nek fladderende blonde lokken, met fonkelende oogen, hijgende borst en op elkander geknepen lipjes, beukte de brave jongen met zijne vuistjes op de beulen zijner moeder, totdat een slag met een „parang” (kapmes) hem het jeugdige hoofdje kloofde en hij, ruggelings achterover stortende, naast zijn zwaar gewonden vader kwam te vallen.

Waar de gedachten van dien vader in dat oogenblik verwijlden? Dat is den Alwetende alleen bekend. Hij was geheel bij kennis en geen der tafereelen, die zich voor zijne oogen ontrolden, waren hem ontglipt. Misschien omgaven zij met angstige zorg zijne andere kinderen, die in de handen der beulen achterbleven en gewis ook niet zouden gespaard worden. Maar zie, daar boog zich een gedaante over den stervende en fluisterde hem iets in het oor. Ontzet en half radeloos van angst zocht het gebroken oog den spreker te herkennen. God! het was de Chinees, die twee dagen vroeger zoo gruwelijk gekastijd was geworden en die nu, om zijn leven te redden, met afgesneden hoofdstaart, in maleische kleederdracht verscheen. Nogmaals prevelde hij tot den gewonde eenige woorden, richtte zich daarna op en begaf zich naar een hoek des vertreks, waar eene oude baboe twee aanvallige Europeesche kinderen achter haren sarong en slindang trachtte te verbergen. De Chinees sprak haar aan, greep een der kinderen en gevolgd door de baboe met het andere, maakte hij behendig gebruik van de verwarring, die heerschte tengevolge der plaatshebbende vreeselijke tooneelen, en der daarop gevolgde plundering, om ongemerkt naar buiten te sluipen. Eenmaal buiten het gedrang, was het bosch weldra bereikt. Daar gaf de Chinees het kind, dat hij droeg, aan de baboe over, duidde haar de te volgen richting aan, om Bandjermasin te bereiken, ried haar aan om met die twee blanke kinderen alle bewoonde oorden te vermijden en toen hij haar met haar vracht binnen den beschermenden rand der wildernis verdwenen zag, spoedde hij zich terug naar het tooneel van zooveel ontzetting. Toen hij daar aankwam, was een klein gedeelte der bende bezig de lijken der vrouwen bij de haren naar buiten te sleepen, terwijl het gros zich onledig hield met koffers, kisten en kasten open te breken en den buit te verdeelen. Hij vond nog gelegenheid den directeur te kunnen naderen en hem als in het voorbijgaan toe te fluisteren: „in veiligheid.” En, als wachtte de rampzalige op die tijding, om te kunnen sterven, toen hij die woorden vernam, opende hij wijd de oogen, vestigde een blik van onuitsprekelijke dankbaarheid op den Chinees, zuchtte nog eens diep, en... was aan ieder lijden onttogen.

Laat mij, om dit hoofdstuk te besluiten, gauw mededeelen, dat na een omzwerving van ruim vijf weken in de bosschen, die baboe met de twee kinderen gezond en wel te Martapoera te recht kwam, toen die plaats door de Nederlandsche troepen bezet was.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

IV

Nog wat geschiedenis.—Tactiek der inlanders.—Het Bandjermasinsche rijk met forten overdekt.—De oorsprong van het fort te Kwala Kapoeas.—Hoe Nederland zijne nieuwe onderdanen verwelkomt.—Een vernietigde handel.—Wrevel en wrok.—Een drama aan de boorden der Kapoeas-rivier.—Poeloe Petak en Kwala Kapoeas.

Dat was het lot, hetwelk de steenkolenmijn Hermina onderging. Gruwelijk, niet waar? Gruwelijk in den volsten zin des woords. Het mijnpersoneel te Goenoeng-Djabok, de zendelingen met hunne gezinnen te Boentooi aan de Kahajan-rivier, te Tangohan aan de Kapoeas-rivier, de civiele gezaghebber te Tabanio werden even onbarmhartig vermoord, en, hoewel op kleinere schaal, herhaalden zich de afgrijselijke tooneelen, waarvan in het vorige hoofdstuk een schets werd gegeven.

Onder zulke omstandigheden, na dergelijke tooneelen, kon niet langer geweifeld worden. Te Batavia zag men zich door de bestuurders van het in verzet gekomen gewest misleid, en was men voor een opstand geplaatst, welks onderdrukking veel inspanning zoude vorderen en veel bloed en geld kosten.

Eerst werd een bataillon infanterie naar Bandjermasin overgevoerd. Later begreep men, dat ook nu weer de zuinigheid de wijsheid bedrogen had en bij slot van rekening geen zuinigheid was. Achtervolgens werd de troepenmacht zoodanig uitgebreid, dat behalve de garnizoenscompagnie, die de oorspronkelijke bezetting van het gewest uitmaakte, drie veldbataillons, ieder van zes compagnieën, gesteund door een talrijke artillerie en door een ontzagwekkende vloot van niet minder dan zeventien stoomschepen en vijf gewapende kruisbooten op het oorlogsterrein aanwezig waren.

Een hardnekkige oorlog had zich nu ontsponnen, waarbij van weerskanten met verbittering gestreden werd. Niettegenstaande de zoo geduchte macht, die de Nederlanders langzamerhand ontwikkeld hadden, kon maar niet zoo spoedig, als gehoopt werd, de demping des opstands en de bevrediging van het gewest, dat hun de gehoorzaamheid had opgezegd, verkregen worden. Streden de inlanders niet met die eenheid van inzichten ten opzichte van het te bereiken doel, zooals zij dat door hunne tegenstanders zagen betrachten; liet hunne onderwerping aan de beslissing der hoofden veel te wenschen over; was hunne bewapening slecht en de algemeene aanvoering nog slechter, zoo moest toch toegegeven worden, dat veel vergoed werd door den onbezweken moed, door de taaie volharding, die zij aan den dag legden, door hunne matigheid, die hen in staat stelde tot ontberingen, waarvan de westerlingen zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken, door hunne beweeglijkheid, die toeliet zich in hunne wouden te verplaatsen met een vlugheid en gemakkelijkheid, die meermalen de best ontworpen plannen in duigen wierpen, waardoor zij nagenoeg het evenwicht herstelden, dat door de betere krijgstucht, aanvoering en bewapening der blanken dreigde noodlottig voor hen verbroken te worden. Zelfs slaagden zij er in, de schaal somtijds in hun voordeel te doen overslaan.

Uiterst moeielijk was het toch, zoo niet geheel onmogelijk, een vijand tot een treffen te dwingen, die besef had, dat dat treffen op zijn ondergang moest uitloopen; die op het goede oogenblik meesterlijk wist te verdwijnen, zich als een nevel op te lossen, wanneer de blanken, na ongehoorde inspanningen, om hem te bereiken, hun slag meenden te kunnen slaan, maar in het ijle sloegen. Men wane niet, dat dat lafhartigheid was, waarachtig niet! De Banajarees toonde herhaaldelijk gedurende den oorlog, dat hij zijnen tegenstanders onder de oogen durfde zien, wanneer hij hunne overmacht geneutraliseerd dacht. Maar dat was zijn tactiek, dat was zijne tegenstanders afmatten, dat was zich aan diens overmachtige slagen onttrekken, niet uit vrees, maar om op andere punten, soms in den rug der vijandelijke krijgsmacht weer te voorschijn te treden, dat was, om den vijand voortdurend te verontrusten en hem slagen toe te brengen, waar en wanneer hij er het minst op verdacht was; in ’t kort, het was de meest rationeele wijze van oorlogvoeren, de eenige mogelijke, met hoop op goeden uitslag tegen over Europeesche aanvoering en bewapening.

Die tactiek noodzaakte de Nederlanders, na vele vergeefsche pogingen om de vijandelijke massa’s aan te tasten, voet voor voet voort te schrijden, telkenmale het veroverde gedeelte te bevestigen en te beveiligen door het oprichten van kleine veldwerken. Zoo werd het geheele Bandjermasinsche rijk met een aanzienlijk aantal posten overdekt en het grootste gedeelte van het expeditionaire legerkorps vastgebonden. De duur van den oorlog regelde zich naar die omstandigheid en uit den aard der zaak kon die niet kort wezen. Een geheel volk moest bedwongen worden en, om dat doel te bereiken, had men een zeer kleine legermacht met betrekking tot de uitgestrektheid van het terrein, waarop geageerd moest worden, die gedeeltelijk in kleine troepjes opgelost en vastgebonden en daarenboven niet altijd voltallig te houden was.

Onder al de fortjes, die verrezen, zal den lezer voornamelijk dat bezighouden, hetwelk aan de uitwatering van de Kapoeas Moeroeng [10] in de kleine Dajak-rivier gebouwd was, dewijl het een voorname schakel van dit verhaal uitmaakt, en zal het niet onbelangrijk wezen te vernemen, waaraan het zijn ontstaan te danken had.

Al sedert geruimen tijd waren de Dajak-landen, die vroeger aan de souvereiniteit van de Sultans van het Bandjersche rijk onderworpen waren, met het eiland Tatas, waarop de hoofdplaats Bandjermasin gelegen is, bij verdrag overgedaan aan de Nederl. Indische regeering. Die nieuwe meesteres vond in de Dajaks een goedhartige, gedweeë bevolking, die met den ruil van beheerscher zeer ingenomen scheen en dat ook in de eerste tijden was. Hadden de blanken die streken volgens gezonde beginselen bestuurd, waren er pogingen in ’t werk gesteld, om die bevolking tot welvaart te brengen, dan zouden zij daarin ook een trouwe bevolking gevonden hebben, die tot steun zoude gestrekt hebben, toen de naburige Maleiers de oproervaan ontrolden en hunne leenplichten opzegden. Maar wel verre van dien; het eerste wat de Nederl. Indische regeering deed ter verwelkoming van hare nieuwe onderdanen, was, natuurlijk ter wille van een fiskaal belang, hunne rivieren voor den handel te sluiten en hen te noodzaken de voortbrengselen van hun grond naar Bandjermasin te voeren. Dat was een moeielijke, inspanningsvolle reis, die groote onkosten vereischte en daarenboven niet altijd doenlijk was. Die fraaie regeling gaf den oorspronkelijken Dajak gekneveld en gebonden aan den Maleischen tusschenhandelaar over, die hem, wanneer hij na een maandenlange reis met zijne vlotten te Bandjermasin was aangekomen, met spotprijzen voor zijne producten afscheepte; hij moest zich daaraan dan wel onderwerpen, daar de terugreis met die gevaarten stroomopwaarts onmogelijk te volvoeren was. De artikelen, die hij noodig had, zooals lijnwaden, zout, tabak enz., moest hij schreeuwend duur betalen, zoodat hij zich van twee kanten gevild zag. Het gevolg van die regeling was, dat de Dajaksche stammen, die de mondingen der Lopak, der Kleine Dajak, der Kahajan, der Sebangouw en Mentaweirivieren bevolkten, hunne zeewaardige vaartuigen, waarmede zij tot op dat noodlottige oogenblik met het beste gevolg handel gedreven hadden en naar Makassar, naar Java en zelfs naar Singapore gestevend waren, en waarvan zij nu geen nut meer trokken, van de hand gedaan en zich in de wildernis teruggetrokken hadden, waaruit een zekere handelsvrijgevigheid hunner vroegere meesters hen voor een wijl te voorschijn had gehaald. Een volledige teruggang in beschaving dus, door die opvatting van bestuur teweeggebracht. De lezer kan nu gissen, hoe de stemming jegens de blanken was en of zulk een bejegening geschikt was, om de verfoeielijke kunstgrepen te doen vergeten, die gedurende den Java-oorlog van 1825–1830 gebezigd waren, om Dajaksche soldaten in de Nederlandsche gelederen te verkrijgen, tot bekamping van den Javaan. In 1863 waren die kunstgrepen nog niet vergeten en openhartig als het Dajaksche volk is, werd den blanke, die het oor opende, om ook de stem der verdrukten te vernemen, menig ergerlijk feit in den hen kenmerkenden boertigen verhaaltrant medegedeeld.

Was het te verwonderen, dat, toen bij de heerschende ontevredenheid nog gevoegd werden de zedelooze handelingen, onder Neerland’s wapenschild gepleegd, om pandelingen voor de Gouvernements- en partikuliere steenkolenmijnen te werven, de gemoederen rijp waren, om de zaden van verzet en opstand in zich op te nemen; dat de bevolking gewillig het oor leende aan hen, die verandering in de toestanden kwamen voorspiegelen, verandering, die echter niet zoude kunnen verkregen worden, dan na verdrijving der withuiden?

Met grooten tact hadden de hoofden, die in het Bandjermasinsche den opstand voorbereidden, van de omstandigheden partij getrokken en het vuur aangeblazen; zoodat, toen in April 1859 de Resident twee honderd gewapende Dajaks opriep, om de hoofdplaats tegen overrompeling te dekken, de bevolking in verzet kwam en liever dan die bevelen op te volgen, zich in de wildernissen terugtrok. Toen Pembekel Soelil en Goesti Assin, door de Martapoerasche rijksgrooten afgezonden, om zich aan het hoofd der beweging in de Dajak-landen te stellen, te Poeloe Telloe, een kampong nabij de Kapoeas-monding, verschenen, schaarde zich het grootste gedeelte der bevolking van de afdeeling om hen en was gereed het zwaard te trekken.

Eene bijzonderheid, die hier niet weerhouden mag worden, is dat de neophyten of Christen-Dajaks allen, op zeer enkele uitzonderingen na, tot de opstandspartij toetraden en bij den moord der zendelingen te Tangohan en te Boentooi de meeste verbittering en verreweg de grootste wreedheid aan den dag legden, terwijl het overtuigend gebleken is, dat de Dajaks, die zich tot het omhelzen van den Islam lieten overhalen, zich allen onzijdig gehouden, althans aan moordpartijen geen deel genomen hebben.

Bij aankomst te Bandjermasin begreep kolonel Andresen hulp te moeten verleenen, zoover de door hem meegebrachte militaire macht reikte. In allerijl zond hij vijf en twintig soldaten onder bevel van een luitenant met het stoomslepertje „Kapitein Van Os” naar Poeloe Petak aan de kleine Dajak-rivier gelegen, om den civielen gezaghebber en de predikers van het Rijnsch zendelinggenootschap met hunne huisgezinnen te beschermen; met opdracht tevens, al het mogelijke te beproeven, om de zendelingen te Tangohan, aan de Kapoeas-rivier gevestigd, te hulp te schieten en hen met die te Poeloe Petak te vereenigen. Toen de „Van Os” ter laatstgenoemde plaats aankwam, vond hij de zendelingen met vrouwen en kinderen in de grootste radeloosheid. Allen vielen den luitenant te voet en begroetten hem als hun redder. Toen deze er evenwel van sprak naar Tangohan door te stoomen, om de andere Europeanen daar op te nemen, barstten een geween en gejammer los, die een steen zouden vermurwd hebben. Wanneer de boot naar de Kapoeas vertrok, zou niemand terugkeeren, zoo beweerden de radeloozen; zoo’n klein vaartuig was niet tegen zulk een ontzettende overmacht bestand. Een dergelijke tocht was God verzoeken, dat was het gevaar opsporen en wee hem! die het gevaar zoekt, want hij zal er in vergaan! Nu was terugkeer naar Bandjermasin nog mogelijk, dat zou over een paar dagen, wellicht over een paar uren niet meer zijn. De officier, verbijsterd door die wanhoopskreten, geslaakt ook door op den grond wentelende vrouwen, wist niet wat te besluiten en vroeg inlichtingen aan den civielen gezaghebber, die met hem dat jammertooneel onthutst stond aan te staren. Deze verklaarde, dat al de ingekomen spionberichten van een macht spraken van 10000 strijders, die onder de bevelen van Soelil gereed zoude staan om Poeloe Petak te bespringen. Hij meende evenwel, dat die macht overdreven kon genoemd worden en zij waarschijnlijk niet eens de helft van de opgegeven sterkte zoude bereiken, dewijl Goesti Assin met een deel der opstandelingen naar de Kahajan-rivier was vertrokken, om daar de zendelingen om te brengen. De vijanden waren overvloedig van vuurwapenen voorzien, hadden talrijke prauwen, waaronder een zestal ijzeren laadschouwen, die over zee van Kalangan naar de kleine Dajak-rivier gebracht waren, om er versterkingen op te bouwen, en waren dus geducht genoeg, om een stoomscheepje als de „Van Os” met hoop op goed gevolg te kunnen aantasten.

Die mededeeling was wel geschikt om tot nadenken te stemmen. Een tocht naar de Kapoeas stelde het leven van de thans geredde huisgezinnen in gevaar, zoowel door hen te Poeloe Petak achter te laten, als door hen mede te nemen, waaraan trouwens door de geringe binnenruimte van het vaartuig niet kon gedacht worden. Terwijl de luitenant nog in twijfel was, welk besluit te nemen, kwam de gezagvoerder van het bootje rapporteeren, dat hij bij het overhaast vertrek van Bandjermasin niet zijn volle lading steenkolen had kunnen innemen, en dat op dat oogenblik slechts zooveel brandstof aan boord was, om met overleg en zuinigheid de hoofdplaats te kunnen bereiken. Dat rapport gaf den doorslag. Van een tocht naar Tangohan werd afgezien en in beraad genomen, wat er verder te doen stond. De luitenant was van meening, dat het zoutverkooppakhuis, een planken gebouw, met stevig geraamte, zeer goed tot verdediging in te richten was en dat er ruimte in overvloed gevonden werd om, behalve de militairen, ook de zendelingen en hunne huisgezinnen te bergen, tot er veilige gelegenheid zoude zijn, om naar Bandjermasin te verhuizen. Toen evenwel die meening geopperd werd, hieven de zendelingsfamiliën een nieuw misbaar aan; en in een vlaag van wanhoop werden al wederom de knieën van den luitenant omhelsd. „Er was geen verdediging mogelijk,” werd er uitgegalmd, „de vijand zou in grooten getale opdagen, of een nachtelijke overvalling beproeven, hij zou het houten gebouw in brand steken, enz. enz.” Wezenlijk, men maakte den luitenant zijn taak zwaar. Golden ook al de aangevoerde argumenten van de angstvalligen bij hem niet veel, gedachten van een hoogere orde hielden hem bezig en deden hem den toestand zeer donker inzien. Vooreerst was het detachement van vijf en twintig man onder zijne orders klein, zeer klein te noemen. In Indië echter wordt in zulke gevallen door verhoogde dapperheid te gemoet gekomen; maar dan moet men ook valide mannen te bevelen hebben en dat was hier het geval niet. Vele ouden van dagen en gebrekkigen van ledematen werden er onder aangetroffen; inlandsche soldaten met sneeuwwit haar, Europeanen die een volle kwarteeuw ter Zuid- en Oostkust van Borneo hadden doorgebracht. Goede, brave dienaren, die in het vredesgarnizoen bij voldoende rust en niet te karig voedsel nog een zekere figuur sloegen, maar die totaal ongeschikt waren om de inspanningen, de ontberingen en vermoeienissen van het oorlogsleven te gemoet te treden. Daarbij kwam nog, dat de bewapening van het detachement geen naam mocht hebben. Ter wille van de schatkist waren destijds de troepen op de buitenbezittingen in Nederl. Indië gewapend met, bij de deskundigen bekend als getransformeerde silex-geweren, model 1815, oude uitgeschoten loopen, aan laden en kolven verbonden door uitgesleten banden en beslag, met waggelende hanen en rondgierende bajonetten, oude rommel in één woord, die als een oudroestwinkel rammelde, wanneer men een geweer aanvatte en die voor eigen handen gevaarlijker was dan voor den vijand. Ja, dat waren de overwegingen, die het hoofd des luitenants bestormden en hem tot een spoedigen terugkeer naar Bandjermasin deden besluiten.

Helaas! toen die beslissing genomen werd, leefden de ongelukkigen te Tangohan nog; zelfs den volgenden dag was hun nog geen leed geschied en hadden de opstandelingen zich nog niet vertoond. Met een weinig geestkracht, met wat voortvarendheid waren zij voorzeker te redden geweest. Het gebrek aan steenkolen toch was niet van zoo overwegend bezwaar, dat men van een tocht, die de geheele reis slechts een zestal uren zoude verlengd hebben, maar waarbij verscheidene menschenlevens te redden waren geweest, had behoeven af te zien. Te Poeloe Petak stonden toch vele verlaten woningen, welker ijzerhouten draagpalen, dwarsbalken en stijlen een kostbare brandstof hadden kunnen opleveren voor een veel grootere reis. Van die brandstof is later, gedurende den oorlog, bij veel mindere noodzakelijkheid, veelvuldig en steeds met den meest gewenschten uitslag gebruik gemaakt.

Kolonel Andresen was zeer ontevreden over dien terugkeer. De handelingen van den luitenant werden aan een scherp onderzoek onderworpen en slechts noode liet die kommandeerende officier zich weerhouden den weifelachtige voor een krijgsraad te recht te stellen. Hij deed echter onmiddellijk het stoomschip Tjipannas, dat beter bewapend en geapprovisioneerd was, met een detachement infanterie onder een ander officier, naar de Dajak-landen terugkeeren; met last, om alles in het werk te stellen, de Europeanen daar te redden en vervolgens post te vatten te Poeloe Petak en zich in het zoutverkooppakhuis aldaar te versterken.

Zonder zich ergens op te houden stoomde de „Tjipannas” de Kapoeas in, den vijandelijken kampong Poeloe Teloe voorbij, de ettelijke geweerschoten, die haar daar begroetten, verachtende, met het doel de verblijfplaats der zendelingen zoo spoedig mogelijk te bereiken. Bij het rondstoomen van Tandjoeng Loenoek Pandjang had men reeds den kampong Tangohan in ’t gezicht, toen eensklaps achter het stoomschip, uit eenige soengei’s (riviertjes) en kreken een groot aantal prauwen en djoekoeng’s te voorschijn schoten, welker talrijke opvarenden een heftig geweervuur op de „Tjipannas” openden en door hunne uittartende kreten en gebaren de Nederlanders tot het gevecht uitdaagden. De gelegenheid was te schoon; de luitenant besloot dan ook de overmoedigen een goede les toe te dienen. De „Tjipannas” wendde en, na met een paar goed gerichte kartetsschoten verwarring onder de aanrukkende vaartuigen te hebben doen ontstaan, stoomde zij met kracht op de saamgedrongen prauwen in, waarvan de meeste opvarenden in radeloozen angst ternauwernood meer wisten te sturen. Een paar djoekoengs sloegen om en hunne bemanningen, thans te water, deden de lucht van haar noodgeschrei weergalmen. Een wilde vlucht begon, en zij, die den aanval wilden doorzetten, werden nu door een levendig geweervuur geteisterd en genoodzaakt het hazenpad te kiezen. Aan boord van het stoomschip had men geen enkelen gekwetste; van de Dajaks evenwel dreven verscheidene lijken met den stroomdraad mede, terwijl eenige wrakke vaartuigen, die denzelfden weg volgden, aanduidden dat de ontmoeting met het stoomschip voor hen noodlottig geweest was. Ras naderde nu de boot den wal, waaronder de vluchtenden in de veelvuldige riviertjes een toevlucht gezocht hadden, deed eenige kartetsschoten door het dichte bosch gieren als afscheidsgroet, doorzocht daarop eenige kreken, waarin prauwen, op ’t strand gehaald, gevonden werden en vervolgde, na die verbrand te hebben, de reis naar Tangohan.

Daar was middelerwijl een roerend tooneel voorgevallen.

Van de zendelingen en hunne gezinnen, die daar gevestigd waren geweest, was slechts eene vrouw aan het bloedbad ontkomen. Waarom die gespaard werd, is nimmer bekend geworden. Zij was op meer dan middelbaren leeftijd en had daarbij nimmer op lichamelijke schoonheid kunnen bogen, waarom niet aangenomen kan worden, dat zij eenigen hartstocht zou hebben ingeboezemd. Hoe het ook zij, door tusschenkomst van een invloedrijken Dajak, Bapa Kotong geheeten, en diens ouderen broeder, den lateren Tomonggong Singa Nagara, werd haar het leven geschonken. Maar haar lot was daarom niet minder treurig en haar toestand uiterst onzeker. Nog voor dat al hare metgezellen en gezellinnen onder hare oogen op de meest wreedaardige wijze waren omhals gebracht, werd zij van al de kleederen, die zij aan ’t lijf had, beroofd en lieten haar de onverlaten slechts een gescheurd vrouwenhemd behouden, om hare naaktheid te bedekken. Dat hemd werd daarenboven nog in het laatste oogenblik gedrenkt door het bloed van haren echtgenoot, op wiens vreeselijk mishandeld lichaam zij zich in haar wanhoop bij zijn doodstrijd geworpen had. Toen alles afgeloopen was, had men haar in een rijsthok opgesloten, van waar zij de feestvreugde kon waarnemen, die op de moordpartij volgde en volgens Dajaksche gewoonte vele dagen moest duren. Van tijd tot tijd werd haar een handjevol droog gekookte rijst met een klapperdop vol water verstrekt, om haar ellendig bestaan te rekken. Wat men met haar voorhad, is nimmer aan ’t licht gekomen; veel goeds zeker niet; want, had men haar gespaard, om haar het leven te redden en haar aan hare landgenooten terug te geven, dan ware zij liefderijker behandeld geworden. [11]

Zij zat daar al zoo verscheidene dagen dof en wezenloos, der wanhoop ter prooi, telkenmale opschrikkende en haar einde nabij achtende, wanneer het gegil en gejuich der feestvierenden klom en met meer kracht tot haar doordrong, toen zij eensklaps een vervaarlijk geschreeuw vernam, dat eer schrik dan vreugde aanduidde. En door de reten der bamboeomheining glurende, zag zij den woesten troep in overijling de woningen verlaten en volledig gewapend, maar met helsch geschreeuw, het nabijgelegen bosch intrekken. Zij wist niet wat daarvan te denken en meende tennaasten bij dat men een twist gewapenderhand ging beslechten. Zij ving echter een paar woorden op, die de aftrekkenden elkander toeriepen en haar het hart van hoop in den boezem deden kloppen.

„Banama apoei! banama asep hai!” (een vuurschip! een groot rookschip!) weerklonk het allerwege. De arme vrouw keek, keek, maar zag niets. Naar de rivierzijde was haar gezichtsveld zeer beperkt. Zij durfde geen poging te doen, om de deur te openen; het was haar op doodstraf verboden haar rijsthok te verlaten. Zij kon niet anders doen, dan voorloopig wachten. Het geschreeuw en gegil der Dajaks was langzamerhand afgenomen en eindelijk in het dichte woud geheel weggestorven, zoodat een doodelijke stilte de vroegere luidruchtigheid verving. De arme gevangene, besluiteloos wat te doen, spitste de ooren en luisterde aandachtig; maar in de eerste oogenblikken werd niets, hoegenaamd niets door haar vernomen, dan in de verte een paar hanen, die elkander al klapwiekend en kraaiend uitdaagden. Zou zij de deur openbreken? Ja, maar als die onverlaten terugkeerden; hunne blikken verrieden zoo veel haat, ongetwijfeld zouden zij dan hunne bedreigingen volvoeren. Als evenwel een stoomschip in aantocht was? o! dan was daar redding! Maar als dat stoomschip, onwetend in welke droeve gevangenschap zij daar zat, voorbij voer? O, zij was radeloos en wrong zich in haar wanhoop de handen.

Maar stil!... wat hoorde zij daar?... Kukuluku!! Och, die verwenschte haan! wat een wreede bespotting! Zij luisterde; zij hield haar adem in, meenende dat het geluid daarvan haar belette te hooren. Zij had haar hart het stilzwijgen willen opleggen; dat gebons daar in die borstkas overvleugelde, volgens haar, ieder ander geluid. Zoo stond zij een oogenblik, met licht voorover gebogen bovenlijf en gestrekten hals, de eene hand als een schelp aan het oor, gereed om iederen toon op te vangen, de andere hand krampachtig op de borst gekneld, als wilde zij de bewegingen daarvan onderdrukken, met starenden blik en verwrongen doch strakke en wezenlooze gelaatstrekken, ademloos zonder eenige beweging of trilling, aan een standbeeld der wanhoop gelijk. Eindelijk voer een waas van verrukking haar over het gelaat; ja, thans had zij goed gehoord. Poeh poeh poeh, poeh poeh poeh! klonk of dreunde het in de verte, zeer zacht, als op de vleugelen van een briesje overgebracht. Zij luisterde. Haar geheele levenskracht scheen in de gehoorzenuwen te zijn overgegaan. Poeh poeh poeh, poeh poeh poeh! klonk het thans iets duidelijker, thans iets meer nabij. O! verrukking! nu viel niet meer te twijfelen, een stoomschip naderde; dat geluid was het geklepper der schepraderen op de oppervlakte des waters. Poeh poeh poeh! poeh poeh poeh! klonk het al nader. Nu ontwaakte zij uit haar verrukking; zij vloog naar de deur, maar die was gesloten. Wat zou echter die vrouw kunnen weerstaan, plotseling door zulk een hoop bezield? Toch geen Dajaksche afsluiting, die in den regel slechts uit rottan-lussen, door een houten pen bevestigd, bestaat. Zij trok, zij wrong en met de kracht der wanhoop verbrak zij de sluiting en was buiten. Zij vloog het pad af, dat naar de rivier leidde en was in een oogwenk op den „batang” (vlot), dat aan den oever op den stroom lag en tot aanlegplaats diende. Zij keek, zij keek nogmaals, maar zag niets. Was haar gehoor straks ingespannen geweest, thans scheen haar geheele wezen in haren blik te zijn saamgevat. Nog altijd klonk het geklepper der raderen haar nu reeds veel duidelijker in de ooren; en eindelijk werd daar bij gindschen hoek een lichte rook, die zich voortbewoog, boven het geboomte zichtbaar en kwam een boot te voorschijn. O! nu was zij gered! daar waren blanken; daaraan was niet te twijfelen. Zij kon reeds den schoorsteen, den mast onderscheiden, iets later ook de Nederlandsche vlag, die vroolijk in de bries wapperde. Nog een half uur, dan was zij te midden der haren. Och! dat die boot toch ettelijke dagen vroeger ware gekomen, dan waren haar echtgenoot en de andere Europeanen ook gered geweest.

Terwijl zij daar zoo stond te mijmeren, half in verrukking, half weemoedig gestemd, wendde eensklaps de stoomboot den boeg, wendde nogmaals en stoomde met volle kracht terug. Door den stroom geholpen, was zij in weinige oogenblikken verdwenen achter den hoek, van waar zij straks te voorschijn was getreden. Dat gezicht was voor de ongelukkige vrouw, daar eenzaam op dat vlot staande, verschrikkelijk. Zij schreeuwde, zij bad, zij wuifde met de hand, zij bewoog krampachtig het bloedige vod, dat hare naaktheid dekte, zij sprong aan den wal, scheurde met de kracht der wanhoop een grooten tak van een nabijstaanden boom en wuifde en wenkte, alsof haar arm uit het lid moest. Alles te vergeefs. De boot wendde, bleef wenden en verdween weldra achter dien hoek voor hare radelooze blikken. Nog een oogenblik bleef zij staren; toen evenwel niet meer te twijfelen viel, toen zij van dat schip, hetwelk zich een poos te voren als een bode der hoop vertoonde, niets meer zag en zij nog slechts flauw den raderslag en het gestamp der machine kon waarnemen, toen zonk zij op de knieën en zocht haar toevlucht bij Hem, die aller adem in Zijne machtige hand heeft.

Hoe lang zij daar op dat vlot geknield gelegen heeft? ach, zij heeft het zich nimmer kunnen herinneren. Zij lag daar wezenloos en vernietigd en had slechts eene gedachte, een klank, een grondtoon: God!

Maar wat was dat?... daar klonk een kanonschot... nog een... nog een. Geweervuur knetterde daartusschen, liet zich eerst krachtig hooren, verflauwde dan alsof het zou wegsterven om evenwel een seconde later met vernieuwde hevigheid los te barsten. Daarbij voegden zich kreten van woede, gillen van smart en angst, gejubel van overwinning. Gespannen luisterde de arme vrouw. Dat vuren hield een poos aan, nam af, nam weer in kracht toe, om eindelijk geheel op te houden. Wie zou overwinnaar zijn? O! de Nederlanders waren dapper, dat wist zij; maar de Dajaks waren talrijk en hun haat scheen onverzoenbaar. Zij wachtte, niet wetende wat te denken van dat plotselinge zwijgen van ieder krijgsgeluid. De minuten schenen haar jaren toe. Eensklaps weerklonk opnieuw een salvo kanonschoten en niet lang daarna zag zij de boot weer te voorschijn komen en fullspeed koers zetten naar het vlot, waarop zij stond. In de nabijheid werd gestopt, het anker plompte in ’t water, de ketting ratelde door de kluisgaten en weldra was een sloep te water gelaten, die behoorlijk bemand en bewapend, het vlot op zijde schoot, de rampzalige vrouw opnam en naar boord voerde.

Wie zal het wagen de gevoelens dier vrouw te schetsen, toen zij zich te midden harer stamgenooten bevond? Wie zal de gewaarwordingen kunnen wedergeven van die mannen, die daar in dat oogenblik geschaard stonden om de ongelukkige, die alles verloren had, wat haar dierbaar op aarde was, maar zich toch zoo hoogst gelukkig gevoelde dat bloedbad, wellicht erger, ontkomen te zijn?

Toen de kommandeerende officier vernam, dat niemand meer te redden viel, stak hij de wrekende fakkel in het verraderlijke Tangohan en keerde terug om te Poeloe Petak post te vatten.

Daar werd het zoutverkooppakhuis met grachten en palissaden omgeven, banketten en bastions werden opgeworpen, de bermen, de taluds en het glacis werden beplant met randjoe’s, dat geduchte verdedigingsmiddel tegen den ongeschoeiden inlander; in een woord, die maatregelen werden getroffen, welke het verrezene veldwerk tegen een coup de main moesten verzekeren. Maar vóór nog dat het werk behoorlijk gesloten was, beproefden de Dajaks onder aanvoering van Djoeragan Kaout, een hunner dapperste hoofden, gedurende een stikdonkeren nacht, dat de geheele bezetting, afgemat door den arbeid overdag aan de verdedigingswerken, te rusten lag, en de schildwachten minder waakzaam waren, een aanval, die hun aanvankelijk goed gelukte. Als slangen over den grond kruipende en zich langs het riviertalud bewegende, hadden zij zich achter de struiken, die bij het fort vrij dicht in elkander langs den oever groeiden, verzameld. De schildwacht, die daar de nog ongesloten zijde bewaakte, en op den weg, die tusschen de rivier en het fort doorliep, op en neer wandelde, had in opdracht, aan beide uiteinden van de ruim zestig meter lange face groote houtvuren te onderhouden, waardoor zijn aandacht te veel afgeleid werd. Nadat hij zich bij een dier vuren van zijne taak gekweten had, meende hij, half verblind door het turen in de vlammen, een gedaante over den weg te zien sluipen en het fort binnen ijlen. Hij loste zijn schot, maar het was reeds te laat. Een twintigtal Dajaks met de lans en den gevreesden „mandauw” (koppensneller) in de vuist, vlogen den weg over, het fort binnen en begon daar het bloedbad. In een oogwenk lag de geheele wacht in haar bloed te baden. Bij den eersten alarmkreet was de kommandant van zijn legerstede opgevlogen, had zijn pistolen en sabel gegrepen en stortte naar buiten. Maar in den stikdonkeren nacht was niets te ontwaren. Nog voor hij den drempel van zijn vertrek had overschreden, was hij door een lanssteek doodelijk in den buik gewond. Hij vloog zijn aanvaller niettemin achterna, loste twee schoten op hem en kloofde hem met een flinken sabelhouw den schedel. Daarop begaven hem de krachten en zonk hij met uithangende ingewanden ter aarde. Des anderen daags overleed hij aan de bekomen verwonding.

Intusschen was ook de bezetting te wapen gevlogen; weldra klonk een goed onderhouden geweervuur den aanvallers in de ooren en deed verwarring onder hen ontstaan. Nu traden de verdedigers naar buiten en een flinke bajonetaanval deed de Dajaks voor goed het hazenpad kiezen. Zij namen echter nog den tijd, om hunne gekwetsten en gesneuvelden mede te voeren.

Dat alles was in minder tijd voorgevallen, dan noodig is geweest, om het te verhalen. Men zou het voor een droomgezicht, een zinsbedrog hebben kunnen houden, wanneer men de dooden en gekwetsten niet voor oogen had gehad. Bijna alle Europeanen (een twaalftal) waren door mandauw-houwen of door vergiftigde pijlen gekwetst; een hunner, een kanonnier, was in de chambrée op de plaats doodgestoken. De kommandant was doodelijk getroffen en van de inlandsche soldaten waren velen gewond en stierven enkelen hunner reeds in de eerste dagen.

Hoeveel het verlies des vijands geweest is bij dien stoutmoedigen aanval, is men nimmer te weten gekomen.

Weldra kwam een nieuwe kommandant met eenige versterking van manschappen aan en werd nu met kracht de hand er aan geslagen, om het veldwerk tegen dergelijke overrompelingen te beveiligen.

Onder de eerste maatregelen daartoe, behoorde het afsluiten van de Kapoeas-monding. Want het was uit die rivier, dat de vijandig gezinden opdaagden om het Nederlandsche etablissement te bedreigen en de goedgezinde bevolking, die zich om dat etablissement gevestigd had, te verontrusten. Eerst werd daar in die breede monding een kruisboot op brandwacht gelegd; maar behalve dat haar bewaking bij donkere nachten onmogelijk veel kon geven, werd zij al heel spoedig door de Dajaks afgeloopen en werden haar kanon, hare geweren, hare blanke wapenen, haar kruid en lood en hare levensmiddelen buit gemaakt.

Daarna werd het stoomsleepertje „Kapitein Van Os,” den lezer reeds bekend, met een detachement infanterie aan boord, in die Kapoeas-monding gestationneerd. Maar dat bleek evenmin afdoende, want de vijand legde het er bepaald aan ook dat scheepje te bemachtigen of te vernielen. Zoo gebeurde het eens, dat de Dajaks een groote hoeveelheid hout geveld hadden en dat bij een stikdonkeren nacht aan den stroomdraad hadden overgegeven. De list gelukte volkomen en zou het scheepje in het grootste gevaar brengen. Bij hare evolutiën om tusschen de beide oevers op en neer te stoomen, stootte de boot op die vlottende houtmassa, die krakend langs haren boeg afweek, maar nu tusschen de raderen geraakte. Weldra was dat hout zoodanig tusschen de staven en schoepen gewrongen, dat de machine geen slag meer vooruit of achterwaarts kon doen. Fluks sprongen de matrozen, met bijl en hakmes gewapend, in de raderkasten, om de boot uit dien hachelijken toestand te redden. Maar nog had men zich slechts van een klein gedeelte van dat hout ontdaan, daar kwam een tweede houtberg regelrecht op de boot aandrijven. Hij was nog slechts weinige ellen verwijderd; met angst staarden de opvarenden de onbestemde gedaante aan. Een Javaansch sergeant, op de verschansing gezeten, meende eenige beweging achter dat drijvende bosch te bespeuren. Hij greep zijn geweer; op zijn bevel openden zijne manschappen een goed onderhouden geweervuur. De matrozen verlieten in allerijl de raderkasten, sprongen aan boord, vlogen naar de kanonstukjes; kogels en kartetsen floten door dat drijvende eiland en weldra ontwaarde men een aantal djoekoeng’s, die door vlugge roeispanen in beweging gebracht, van achter dat hakhout te voorschijn schoten en onder een akelig gehuil in de duisternis verdwenen.

Toen die vlucht plaatsgreep, was de vijand nog maar op weinige passen afstand van de boot. Ware hij weinige oogenblikken later ontdekt, dan zoude het pleit met het blanke wapen hebben moeten beslecht worden, en zoude het kleine manmoedige troepje aan boord van den sleeper, door een overmachtigen vijand besprongen, die zoo vreeselijk behendig zijn mandauw weet te voeren, als in een dwarlwind verdwenen zijn.

Men kwam nu op de gedachte, om het fort van Poeloe Petak, alwaar het geene strategische waarde had en slechts diende om de trouw gebleven bevolking gerust te stellen, naar de Kapoeas-monding te verplaatsen. Dat was een beter denkbeeld en zoo verrees op de landtong, gevormd door de samenvloeiing van de Kleine Dajak-rivier met de Kapoeas Moeroeng een versterking, die met vier bastions geflankeerd en met de noodige kanonnen gewapend, en door een gewapende kruisboot gesteund, geheel aan hare bestemming voldeed, namelijk een steun voor de goedgezinden en eene volkomene afsluiting der Kapoeas-rivier; welke afsluiting er veel toe bijbracht, om eindelijk die streken tot bevrediging te brengen.

De geheele bevolking van Poeloe Petak en van het hoogerop gelegen Palingkey verhuisde nu naar de Kapoeas-monding en vestigde zich daar, van het eiland Mangboelau af in een onafzienbaren kampong, die wel twee uren lang was, langs de oevers van de Kleine Dajak-rivier.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

V

De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch-Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft is nog te goed voor de Oost.”—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid en Schlickeisen en Wienersdorf te Poeloe Petak geplaatst.—Plannen tot desertie.—

Al is een fort nog zoo hecht daargesteld en met nog zooveel kanonnen bewapend, zou het wanneer er geen verdedigers waren om de borstweringen te bezetten en de kanonnen te bedienen, niet veel gegeven hebben. En hoewel de Nederlanders in het eigen vaderland de actieve strijdkrachten schromelijk verwaarloozen en bij een oorlog alles van de doode strijdkrachten schijnen te verwachten, zoo moet toch geboekstaafd worden, dat diezelfde Nederlanders in Indië het goedkooper vinden, de beide stelsels te combineeren, door aan de verwaarloosde krijgsmacht ook nog de noodige gelden voor de verdedigingsmiddelen te onthouden. De lezer herinnere zich slechts, hetgeen in een vorig hoofdstuk verhaald werd over de bewapening van de troepen op de buitenbezittingen, dan kan hij er zich bij denken, hoe het er met forten en versterkingen heeft uitgezien.

Volgens formatie, zooals de vakmannen dat noemen, zou het fort te Kwala Kapoeas bemand worden met zestig infanteristen en een achttal kanonniers. Van die cijfers zoude het derde gedeelte uit Europeanen, het overige uit inlandsche soldaten bestaan. Aanvankelijk, bij de oprichting was Europa vrij wel vertegenwoordigd bij dat detachement en leefden Franschen, Duitschers, Belgen, Nooren vrij eendrachtig bij elkander. Ook de inlanders vormden heterogene elementen, maar de Javaantjes hadden toch de meerderheid boven de Sundaneezen, Madureezen en Boegineezen, die bij het detachement aangetroffen werden.

Toen in 1861 een geest van oproer onder de Zwitsers, bij het Indische leger dienende, op Java waargenomen werd en die geest zich te Samarang reeds door daden van gewelddadig verzet vertolkt had, was het meerendeel dier Zwitsers heinde en ver over den Indischen Archipel verspreid en zoo werden ook de Europeanen te Kwala Kapoeas aanwezig, bijna allen afgelost en vervangen door manschappen, die in meerdere of mindere mate aan dien opstand hadden deelgenomen. Onder hen bevonden zich toen een tiental Zwitsers, een paar Belgen, een drietal Sienjo’s, [12] ook nog een paar Duitschers, maar geen enkele Nederlander. Alleen bij het kader werden een paar sergeanten en drie korporaals aangetroffen, die tot de laatstgenoemde nationaliteit behoorden.

Het waren flinke borsten, al die mannen, die den moeielijken dienst met opgeruimdheid torschten. Zij hadden overigens een vrij woelig leven. Des nachts moest steeds de uiterste waakzaamheid betracht worden; des daags werd veelvuldig uitgerukt tot opsporing van kwaadwilligen, ook om de goedgezinde bevolking vertrouwen in te boezemen en de weifelachtigen te toonen, dat op ieder uur van den dag een troep gereed was, iedere poging van verzet te onderdrukken en dat geen schuilhoek voor de Nederlanders onbereikbaar was. Ongelooflijk inspanningsvolle marschen door zwaar moerassig terrein, overdekt met een weelderigen plantengroei, werden daarbij volvoerd en slechts zeer zelden gelukte het daarbij met den vijand slaags te geraken. Met dat al heerschte er nog al tevredenheid onder die mannen en hadde het Nederlandsch-Indische bestuur in die dagen de gewone en ellendige tarieven niet door het hongerlijders-tarief vervangen, waarbij alweer een keer te meer op echte kruideniersachtige wijze: „l’économie des bouts de chandelles”, was betracht geworden, dan zouden zij hun toestand ongaarne tegen een anderen in Indië hebben willen verwisselen. Dat zwaar dienstdoen, dat uitrukken, waarbij in sluwheid moest gewedijverd worden met den listigen inlander, waren kolfjes naar de hand van die mannen, die aan een avontuurlijk leven gewoon, zich tot dienstnemen bij het Nederlandsch-Indische leger hadden laten verlokken, door het vooruitzicht, dat avontuurlijk leven bestendigd te zien. Zij hadden daarenboven permissie bekomen, een stukje grond buiten het glacis van het fort te bewerken, waarop de blanken met goed gevolg Europeesche groenten en de inlandsche soldaten katellapohon, kadjang en obie’s [13] kweekten. Ook was het ieder dier miniatuur-landbouwers veroorloofd op een kleinen afstand van het buitengrachtsboord zich een hutje op te richten, waarbij orde en regelmaat in acht was genomen. Zoo was een militaire kampong verrezen, die, vooral wat het inlandsche gedeelte daarvan betreft, in sierlijkheid kon wedijveren met de Dajaksche kampongs in den omtrek, wat trouwens niet veel zeggen wil. Het Europeesch gedeelte van dien militairen kampong was meer doelmatig dan wel sierlijk ingericht. Men vond daarin flinke luchtige huizen, waarin tafels, banken en stoelen aangetroffen werden, alles van wild hout, ruw uit de hand met het kapmes vervaardigd, waaraan de fijne meubelwerkers-kunst geheel vreemd was, die evenwel meer gemakken aanboden dan onze salonprullen.

In dien kampong had de man na verrichte dienstplichten een te huis, waar hij zich ontspannen kon, waar hij, onder het genot van een pijp tabak, zich met zijne lotgenooten onderhouden kon over het verre vaderland, waar hij zich een oogenblik van den knellenden band der krijgstucht ontslagen voelde.

Nogmaals, er heerschte nog al tevredenheid onder dat troepje en die was voornamelijk bij de onontwikkelden op te merken. Die hadden afleiding, geheel overeenkomstig hunne wenschen. Anders was het echter gesteld met enkelen, die zich van het leven in Nederlandsch-Indië geheel iets anders gedroomd hadden dan de werkelijkheid hun aanbood. De lezers leerden hen reeds in het eerste hoofdstuk kennen. Het waren Schlickeisen en Wienersdorf, twee Zwitsers, die betrekkelijk een vrij goede opvoeding hadden genoten en zich nu misplaatst gevoelden in het leven, waarin zij zich bevonden en wat zij zich zelven eenigermate bereid hadden.

Aanvankelijk stond daarbij hunne positie niet ongunstig. Als mannen van ontwikkeling hadden zij al aanstonds bij aankomst te Batavia een goeden indruk gemaakt en de belangstelling hunner officieren verworven. In betrekkelijk korten tijd waren zij dan ook tot sergeant bevorderd en voorloopig in het aanbevelingsregister bij het Departement van Oorlog opgenomen, wat hun het vooruitzicht opende den officiersrang te kunnen verwerven, wanneer namelijk het onderzoek naar hunnen vroegeren levensloop, dat door bemiddeling van de Zwitsersche kanselarij ingesteld was, een gunstig resultaat zou opleveren. In afwachting daarvan, waren zij te Samarang bij een der veldbataillons geplaatst, om later bij de militaire school te Meester Cornelis over te gaan, alwaar alsdan hunne militaire opleiding voltooid zoude worden.

Die plaatsing te Samarang was evenwel een poets, hun gespeeld door het noodlot. In die plaats toch, alsook in de overige garnizoenen in de 2e Militaire Afdeeling op Java, waarvan Samarang het hoofdkwartier uitmaakt, waren vele Zwitsers aanwezig en onder die heerschte zeer veel misnoegen, waartoe trouwens nog al aanleiding bestond.

Het Nederlandsche volk weet niet, of.... wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden aangeworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken. Men was daarmee wel voor een kortstondig oogenblik geholpen; men heeft evenwel daardoor den Nederlanders zoo’n schrik voor hunne zoo schoone overzeesche bezittingen ingeboezemd, dat nu nog in zeer vele gedeelten van Nederland als machtspreuk geldt dat: „hij die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost.” Nu is men verplicht zijn toevlucht tot de vreemdelingen te nemen en daarbij volstrekt niet kieskeurig te werk te gaan. Vergde men van die vreemdelingen bewijzen van goed gedrag, zooals dat van de zonen des lands geëischt wordt, dan zou de opbrengst der werving al heel luttel zijn. Men gaat zelfs, wanneer de markt slap en de aanvoer van menschenvleesch schaarsch is, een stap verder. De Nederlandsche wervers voorzien dan hen, die door politie-antecedenten of door hunne aanraking met den rechter voor crimineele zaken soms met den scherprechter zulks noodig hebben, van valsche papieren. Ook hen, die die aanraking zorgvuldig om gewichtige redenen wenschen te vermijden en derhalve hun eigen naam niet kunnen voeren. Het getal Fransche petroleurs, Duitsche sociaal-democraten of Waalsche grevisten en andere nog veel ergere misdadigers, die thans onder een valschen naam bij het Nederlandsch-Indische leger dienen, is overgroot. Is de nood evenwel aan den man, dat wil zeggen, is er een oorlog in Indië uitgebroken, waardoor nog al menschenvleesch verslonden wordt en dus de gewone aanvoer onvoldoende is, dan worden de verfoeielijkste kunstgrepen te baat genomen, om in het te kort te voorzien. De wervers—zielenverkoopers noemt hen het volk—vliegen dan uit als een troep hongerige gieren en verspreiden zich over Europa met het doel vleesch te huis te brengen. Zij slaan dan hun hoofdkwartier op in de beruchtste kroegen, in de speelholen van de ergerlijkste soort, meestal echter in huizen aan de dierlijkste ontucht gewijd en zijn er dan op uit, om van de meest liederlijke hartstochten van de bezoekers misbruik te maken, om hun prooi te bemachtigen. Veelal gaan ook de wervers het land op en verspreiden zich over de dorpen. Daar nemen zij den schijn van gemoedelijkheid aan, weten wonderveel te verhalen van Nederland’s fraaie koloniën, spiegelen den onervarenen wonderen van het soldatenleven in die gewesten voor oogen, vertellen hun, dat het eigenlijk geen soldaat zijn is; dat hij daar meer gewapende landbouwer zal zijn, die van het Indische bestuur, eerst in bruikleen, later in eigendom, een flinken lap grond verkrijgt met een huisje, een paar koeien, een paar buffels, en wat varkens, en dat hij slechts eens in de week zijne wapenen heeft aan te gorden, om wat geoefend te worden of om inspectie te maken. Altemaal niets te beduiden. En zoo worden honderden en nog eens honderden bedrogen. Het hooge bloedgeld is al zeer spoedig in woestheid en ongebondenheid verteerd en wanneer de rampzaligen tusschen de keerkringen uit hunnen roes ontwaken, dan klinkt hun nog als een wreede spotternij de humbug van den Nederlandschen kolonel-kommandant van het koloniaal werf-depôt te Harderwijk in de ooren, toen hij hun de geneugten van „das schöne Java” opvijzelde; hoe zij daar „sambal naar genoegen” volgens de stereotiepe uitdrukking van het reglement op den inwendigen dienst zouden erlangen, en welk „schön Pension” hun te wachten stond, wanneer het hun gelukte hunne beenderen wederom huiswaarts te brengen. Die laatste zinsnede mompelde de geachte hoofdofficier voorzichtigheidshalve onhoorbaar; hij was te goed Nederlandsch ambtenaar, om zich zoo maar iets, wat naar waarheid zweemde, te laten ontvallen. Integendeel hij spiegelde zijnen toehoorders voor, dat zij allen in het genot van „das schöne Pension” zouden treden. Helaas! „das schöne Java” zou voor de meesten hunner een vloekoord worden, alwaar zij, slecht en karig gevoed, als galeiboeven gekleed, zullen leven te midden eener inlandsche bevolking, die zich niet met hen vermengt, en alwaar zij door de Europeanen, ambtenaren en kooplieden als paria’s met de diepste verachting zullen worden bejegend. Slechts zeer weinigen hunner zullen het zoo opgevijzelde „schöne Pension” deelachtig worden; en zij die dat geluk zullen hebben, zullen in hun vaderland terugkomen met een ziekelijk lichaam, uitgeput of verminkt, gewikkeld in een afzichtelijke grijze pij, die een kapotjas moet heeten, om ten toonbeeld te strekken, wat het „schöne Java” voor hen geweest is en wat het hun heeft opgeleverd.

Waarlijk de praktische Hollanders hebben wel gelijk, wanneer zij beweren: „dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost!”

Zoo kwamen dan Wienersdorf en Schlickeisen te midden dier ontevreden slachtoffers terecht. Hoewel zij voor hun persoon niet te klagen hadden en hunne vooruitzichten gunstig stonden, konden zij toch het oor niet sluiten voor de klachten hunner landslieden, die—zij moesten het erkennen—vreeselijk bedrogen waren. Aanvankelijk hielden zij zich op een afstand en vergenoegden zich slechts raad te geven, die, ware hij gevolgd geworden, veel onheil zoude voorkomen hebben. Maar te midden dier Indische maatschappij, die hen uitstiet, geen ander toevluchtsoord hebbende dan de kantine en de kazerne, was hunne voortdurende aanraking met de ontevredenen onvermijdelijk. Van nabij zagen zij de ellende der ongelukkige bedrogenen; zij zagen de slachtoffers van slechte voeding en van slechte behandeling overslaan tot uitspattingen, om eindelijk ten gevolge van die uitspattingen te krommen onder de rietslagen, die met Nederlandsche vrijgevigheid toegeteld werden op dat lichaamsdeel, waar de rug een anderen naam erlangt, zonder dat de machthebbenden ook maar het minste verrichtten, om in den toestand der ongelukkigen verandering te brengen of de hoofdoorzaak der uitspattingen, zijnde de vrije verkoop van sagoeweer [14] aan alle hoeken der straten, weg te nemen.

Bij zooveel rampzaligheid kromp hun het hart ineen en verontwaardiging maakte zich meester van hun gemoed. Rondom hen werden ontwerpen besproken, om uit dien radeloozen toestand te geraken, eerst van desertie, wegloopen, dat natuurlijke middel van den zwakke, om zich buiten het bereik van den sterkere te stellen. Toen evenwel die ontwerpen onuitvoerbaar bleken, werden plannen tot gewelddadig verzet ontworpen. Nog hielden Wienersdorf en Schlickeisen zich daar buiten; hoewel zij reeds aan hun plicht als onderofficieren te kort deden, door het stilzwijgen omtrent die plannen te bewaren, waartoe zij zich genoopt meenden te gevoelen door eene misplaatste meewarigheid ten opzichte hunner landslieden. Bij het bekend worden van het beraamde, zou toch de rotting geducht huishouden. Toen evenwel de aanleggers met groote woorden de bevrijding der Javanen van het juk der Hollanders in hun programma opnamen en daardoor het odium van een militairen opstand wegmoffelden, om daarvoor de bevrijding van een onderdrukt volk in de plaats te stellen, toen begonnen die plannen een aantrekkelijkheid te krijgen, die voor onze avonturiers onweerstaanbaar was. De hongersnood in de districten Demak en Poerwodadi, nog zoo kort geleden, als gevolg van het bouwen van de vesting Willem I in onbetaalde of onvoldoend betaalde heerendiensten, werd te pas gebracht; de bladzijden uit den „Juif errant” van Eugène Sue, waarin verhaald wordt, dat Javaansche moeders hare kinderen ombrengen, om hen aan den hongerdood, aan de slavernij of aan de onteering te ontrukken, werden met geestdrift voorgelezen; Multatuli’s Max Havelaar, pas verschenen in die dagen, waarbij de afpersingen op den Javaan, onder het schild der Nederlandsche regeering gepleegd, zoo helder in het licht werden gesteld, werd gretig verslonden; andere geschriften, waaronder van Hoevell’s tijdschrift voor Nederlandsch Indië, brachten het hunne bij, om die verdwaalden eene bevrijding van den verdrukten Javaan met geestdrift te doen begroeten. Hoogdravende woorden weerklonken, ver reikende plannen werden gesmeed, zelfs een verschijnen van den vrijheidminnenden Garribaldi werd aangekondigd, wanneer slechts eenmaal de beweging in vollen gang zoude zijn.

De raddraaiers lachten in hun vuistje, dat dat alles zoo voor goede munt werd opgenomen. Zij waren te ontwikkeld, om niet in te zien, dat de Javaan, te wantrouwend in zulke omstandigheden tegenover de vreemdelingen, zich stil zoude houden, zoo hij zich niet vijandig tegenover de blanke oproermakers zoude openbaren. In het gunstigste geval was alleen van hem te verwachten, dat hij zich de omstandigheden ten nutte zoude maken, om al de blanken, Nederlanders en oproerlingen naar zee te jagen. Het plan van de belhamels was uiterst eenvoudig. Zij wilden hun slag slaan in de eerste verwarring, onvermijdelijk bij een militair oproer, eenige staatskassen plunderen, zich van ettelijke schepen op de reede meester maken, om God’s wijde zee in te steken; ten einde, zij wisten niet waar, de vruchten van hun roof te gaan genieten. De arme onnoozelen, die bij het opstootje geholpen zouden hebben, zouden het eenvoudig misgolden en voor de akelige grap geboet hebben.

Wat onder zulke omstandigheden met zoo’n slag van volk gebeuren moest, gebeurde ook. De Nederlandsche autoriteiten werden door verraders bij tijds gewaarschuwd, en toen de belhamels bij het bewustzijn van dat verraad, het tot een overijld en onvoorbereid handelen lieten komen, waren alle maatregelen tot beteugeling genomen.

Te Samarang had een kortstondig gevecht plaats, waarbij het de schutterij gelukte de oproerlingen binnen hun kwartier te houden. Eenmaal daarin opgesloten, werden zij door een paar compagnieën Amboineezen spoedig gedwongen de wapens neer te leggen. In de vesting Willem I werd een medeplichtig bataillon op behendige wijze ontwapend; op andere plaatsen hadden ettelijke arrestatiën plaats en daarmee was het uit. De beweging was, gelukkig voor alle partijen, in hare geboorte gesmoord.

Nu vergaderden de krijgsraden, die „ultima ratio” naast het kanon van hen, die niet volkomen gelijk hebben. Ettelijke belhamels werden tot den strop verwezen, andere werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, alle die eenigen graad bekleedden en in mindere of meerdere mate in het komplot betrokken waren geweest, werden tot soldaat gedegradeerd en het geheele Europeesche gedeelte van het leger, dat in de 2e Militaire Afdeeling van Java gehuisvest was geweest, werd over den geheelen Archipel verspreid. Dezen naar de Westkust van Sumatra, genen naar de Lampongs, anderen naar Borneo’s Westkust, naar Banka, naar Palembang, naar Riouw, naar Siak, naar Borneo’s Zuid- en Oostkust, naar Makassar, naar de Menahassa, naar de Molukken enz. enz.

Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd geworpen. Naast den officieelen leugen, of beter om dien officieelen leugen te bevorderen en te kunnen kweeken, moet de geheimzinnigheid, waarmede wij Nederlanders onze handelingen bij het besturen onzer overzeesche bezittingen omsluieren, de vloek onzer staatkunde genoemd worden.

Waren de verhooren, door die krijgsraden afgenomen, publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, o!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk, met al de gebreken, waarvan het beticht wordt, het tot een onmogelijkheid gemaakt hebben, dat nog niet lang geleden de Duitsche rijkskanselier zich met de Nederlandsche wervingen moest bemoeien; ook dat, om dien staatsman genoegdoening te geven, een hooggeplaatst Nederlandsch ambtenaar, van zijn ambt moest ontzet worden, om daarna tot spot van wat door een rechtschapen mensch recht en billijk genoemd wordt, op Java weer tot eer en aanzien verheven te worden.

Waren ook destijds de stukken, tusschen de Nederlandsche regeering en den Heer von Bismarck gewisseld, waarop het ontslag van dien staatsbeambte en de gerechtelijke vervolging van een Nederlandsch hoofdofficier door de Duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan ware de kitteloorige waarschuwing van den drieharigen staatsman in het jaar 1880 niet noodig geweest. Het Nederlandsche volk zou dan van zijne bestuurders geëischt hebben, dat aan alle verfoeielijke kunstgrepen bij de werving een einde gemaakt werd.

Had men het Nederlandsche volk de waarheid over de aanleiding van zoovele oorlogen in Nederlandsch Indië niet onthouden, de Atjeh-oorlog ware onmogelijk geweest. En nu nog, nu die oorlog nog voortduurt en goed en bloed blijft verslinden, wanneer daaromtrent de geheele onvervalschte waarheid verkondigd werd, dan zou niet alleen een andere annexatie-oorlog in de toekomst onmogelijk worden, maar dan zou het geheele Nederlandsche volk opstaan, om zich tot zijn Koning te wenden met den nadrukkelijken eisch, een einde te maken aan dien onrechtvaardigen oorlog, die met ongeëvenaarde hondschheid begonnen en met Fransche luchthartigheid voortgezet is; maar waarbij behalve de Nederlandsche financiën ook het laatste sprankje van Nederlandsche eerlijkheid en waarheidsliefde dreigen te gronde te gaan onder een aanhoudend weefsel van logen en bedrog, met het doel om den toestand te verbloemen en met het resultaat, dat het volk aan zedeloosheid en leugentaal gewoon gemaakt wordt.

Geheimhouding is de draaispil van de diplomatische bedrevenheid in Indische zaken der Nederlandsche staatslieden; is die niet houdbaar, dan wordt waarheidsverminking aangewend en, is die soms niet genoeg om den toestand te redden, dan wordt niet teruggedeinsd voor het verspreiden van de meest ergerlijke leugen. Bewijs bij voorbeeld voor dit laatste beweren, de zoo hoog opgevijzelde vreemde interventie in de Atjehzaken, waarvan nimmer een jota waar is geweest.

Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. De Zwitsers waren dus over den geheelen Archipel verspreid en zoo waren Schlickeisen en Wienersdorf te Kwala Kapoeas verzeild geraakt, alwaar zij zich bij hunne teleurgestelde verwachtingen uitermate verveelden.

Al zeer spoedig waren zij met denkbeelden vervuld, om zich aan dien toestand te onttrekken. Zij ontveinsden zich er de moeielijkheid niet van.

Wel was hun geen slecht lot beschoren; zij hadden het veel erger kunnen treffen. Hun kommandant was een humaan mensch, die aan een gepaste strengheid veel menschlievendheid paarde en innig medelijden had met de arme verdwaalden. Alles deed hij, om hun toestand te verzachten; nu eens kortte hij de verveling op den een of anderen tocht door een gesprek met hen te houden, waarbij zij hunne gaven als ontwikkelde mannen konden ten toon spreiden; zijn bibliotheek stond te hunnen dienste en daar de luitenant lid van een der vele leesgezelschappen was, die destijds ter Zuid- en Oostkust van Borneo bestonden, was dit te meer onwaardeerbaar, wijl zij daardoor de meeste en de beste der nieuwere tijdschriften in handen kregen en zoo op de hoogte van den tijd bleven.

Een andere bezigheid, waarmede de luitenant hun leegen tijd in beslag nam, was het opnemen van het terrein rondom en in niet al te onmiddellijke nabijheid van het fort. Wanneer de officier tijd had, dan leidde hij de werkzaamheden: maar veelal waren onze twee Zwitsers aan zich zelven overgelaten. Toch kweten zij zich uitmuntend van de hun opgedragen taak. Met vaardigheid hanteerden zij de boussole, het planchet en de tranche-montagne, allen instrumenten den luitenant toebehoorende, en waren de schetsen, die zij ontwierpen, zeer verdienstelijk te noemen. Vooral was de tranche-montagne hun lievelingsinstrument; daarmede werden de horizontale hoeken zoo gemakkelijk en toch zoo nauwkeurig gemeten, de terreingolvingen gaf het met een oogopslag aan; terwijl het bij opstelling en vervoer tot zoo weinig omslag mogelijk aanleiding gaf. Een zwerven door de maagdelijke bosschen van Borneo was daarenboven onzen avonturiers niet onwelkom, en zij rekenden tot de heerlijkste oogenblikken huns levens de uren, die zij daar te midden van den meest prachtvollen plantengroei doorgebracht hadden.

Maar dat alles gold slechts het heden, dat zij beleefden en, hoe draaglijk dat heden zich ook voordeed, en hoe verrukkelijk sommige oogenblikken te genieten waren, zoo waren zij toch verplicht een blik in de toekomst te werpen. Wanneer zij hun toestand bespraken, dan was steeds de slotsom hunner redeneering, dat ieder uur, iedere minuut, iedere seconde, die zij nog in Nederlandsch Indischen dienst doorbrachten, voor hunne verdere vorming geheel nul en dus voor een nog mogelijke toekomst verloren was.

Tot die slotsom gekomen, stond het weldra vast, dat zij deserteeren moesten. Dat besluit was echter gemakkelijker genomen dan uitgevoerd. Zij zaten nog al ver in het binnenland van Borneo, dat grootste aller eilanden, omringd door woeste wilde stammen, die een menschenleven net zooveel tellen, als dat van een der duizenden muskieten, die in hunne moerassige wouden gonzen, die allen koppensnellers in hun hart zijn en aan het bezit van een Europeeschen schedel zeer groote waarde hechten en waarvan velen nog van meening zijn, dat menschenhersens als hoofdschotel op iedere feesttafel tegenwoordig moeten zijn. Zij zaten op dat Borneo, waarvan het grootste gedeelte der kustlijnen in de macht was der Nederlanders, die ongetwijfeld wel alle krachten zouden inspannen om de vluchtelingen te achterhalen, al ware het maar om het verleidelijke van het voorbeeld te fnuiken. De naastbijzijnde kust, zijnde de zuidkust, grensde aan de Java-zee. Bij den bestaanden oorlogstoestand was die geblokkeerd en zwierven daar stoomschepen, kruisbooten en gewapende barkassen overal rond. Hetzelfde kon gezegd worden van de oostkust, die aan straat Makasser, en van de westkust, die aan de Chineesche zee paalt. Overal ontwikkelden de Hollanders de grootste waakzaamheid om den invoer van oorlogscontrabande tegen te gaan. Alleen de noordkust stond open, om de goede reden dat langs die kust, die zich nagenoeg 200 geographische mijlen ver van kaap Datoe in noordwestelijke richting uitstrekt, de Nederlanders niets te zeggen hebben. Langs die kust wonen altemaal onafhankelijke stammen, waarvan een zich een Engelschman tot radja gekozen heeft en alzoo onder Britsch protektoraat staat. Maar om die noordkust te bereiken, moest geheel Borneo van het zuiden naar het noorden doorgetrokken worden; de weg zou onvermijdelijk door streken leiden, nimmer door een Europeeschen voet betreden, waarbij de vluchtelingen noodwendig in aanraking zouden komen met volkstammen, die alleen door een vrij onvolmaakte gelijkenis met den mensch van het dier verschillen, in leelijkheid bij den Waw-waw en den Orang-oetan [15] ten achteren staan en door dat alles zooveel levende bewijzen voor de stelling van Darwin opleveren. Daarbij zou het er op aankomen die noordkust in de onmiddellijke nabijheid van Sarawak, het gebied van James Brooke, den bovenbedoelden Engelschman, te bereiken; daar zij, op ieder ander punt aankomende, het vreeselijkste lot zouden te gemoet gaan, dewijl de daar wonende stammen niet in gebreke zouden blijven, hen gevangen te nemen en hen aan de Solorsche zeeroovers te verkoopen. Harde slavernij zou dan hun lot zijn.

Waarlijk de uitvoering der voorgenomen desertie was moeielijk.

Het was al dadelijk niet gemakkelijk tot een beslissing te geraken, welken weg de deserteurs in spe in te slaan hadden. Maar dienaangaande zou een toeval hen helpen en hunne voornemens tot rijpheid brengen, ja, hen eenigszins overijld doen handelen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

VI

Een nachtelijk gefluister.—Lucullus voor een dier aangezien.—Het komplot.—Plannen van Johannes.—Een dankbare opiumsmokkelaar.—Johannes geeft bewijzen van zijn aardrijkskundige kennis.—Een mirakuleuse vischvangst.—La Cueille’s belofte.—Drinkwater.—Verdere maatregelen.—Het vertrek.

„Stilte in dien hoek! de tamboer heeft licht-uit geslagen. Wat hebt jullie toch nog zoo laat te mompelen? Is de dag niet lang genoeg om te kletsen? Thans is het tijd om te slapen.”

Zoo klonk op een avond de bevelende stem van een korporaal in de kazerne te Kwala Kapoeas. De man had gelijk en deed zijn plicht. Het grootste gedeelte van het detachement had dien dag een vermoeienden marsch gemaakt en had nu rust noodig. De laatste roffel op de trom had weerklonken; op een klein oliepitje na, waren alle lichten uitgedoofd. De reglementen schreven voor, dat de landsverdedigers moesten slapen en zij zouden slapen. Waartoe dienden anders de korporaals?

Oogenblikkelijk was het stil in de kazerne, zeer stil zelfs. Niets liet zich hooren dan de regelmatige ademhalingen of het gesnurk van hen, die reeds onder zeil waren. Buiten trippelden de schildwachten op en neer; van tijd tot tijd liet zich de doffe weemoedige stem van den Gekko [16] hooren.

De stilte hield lang aan, zoo lang zelfs, dat het bevel van den meerdere opgevolgd scheen en men meenen kon, dat allen in slaap gedompeld waren. Toch was dat het geval niet; want in den hoek, waarheen de korporaal straks zijne stem gericht had, begon eindelijk weer een zacht gefluister.

Het waren Wienersdorf en Schlickeisen, die het gestoorde gesprek met gedempte stem vervolgden:

„Ik herhaal het,” sprak de eerste, „ik houd het niet meer uit. Er moet uitkomst komen.”

„St! wind je zoo niet op,” fluisterde de andere, „geduld nog wat, we mogen ons niet overijlen.”

„Geduld! geduld! dat woord ligt in je mond bestorven. We zijn al twee maanden hier en zijn nog even ver als den eersten dag.”

„Wat er aan te doen? zeg. We kunnen geen ijzer met handen breken. Het geldt een onderneming, waarbij ons leven op ’t spel staat.”

„Juist! zeer juist; want als het talmen nog lang duurt, spring ik in de rivier.”

„Een lekker hapje voor den kaaiman, maar een vreemd middel om zijn vrijheid te herwinnen. Tenzij je den dood als oppersten bevrijder huldigt. Ga dan je gang.”

„Ja, liever dood dan nog langer in die ballingschap te zitten.”

„Och, dood is dood. Ik beken ronduit, dat ik liever nog wat „sambal naar genoegen” slik, dan dat ik...”

Schlickeisen kon niet voleindigen. Eene gedaante was onmerkbaar tusschen hunne beide bedsteden gekropen en richtte zich nu op; terwijl zij op de schouders van de beide fluisteraars een hand legde, die hen met eenige kracht dwong in horizontale houding te blijven. Beide Zwitsers waren nog al verschrikt.

„St!....” fluisterde of beter siste de gedaante, „jullie praat als een paar „beo’s” [17] en snatert maar door, zonder op te merken, dat korporaal Dungelhof al meer dan een kwartier op zijn stroozak overeind zit en zich den hals ontwricht, om jullie woorden op te kunnen vangen. Heeft die de geheele hannisserij verstaan, maakt je dan maar gereed, om morgen op ’t rapport bij den kommandant te verschijnen.”

„Voor mijn part, mag hij ons gesprek gehoord hebben,” pruttelde Wienersdorf.

„Maak dat je zuster wijs, maar mij niet,” hernam de gedaante zoo zacht mogelijk. „Als de luitenant maar het tiende gedeelte verneemt van ’t geen hier afgekletst is, dan is zeker een van de twee morgen, voor dat de zon nog heel hoog aan den hemel staat, op weg naar Kahajan. De kommandant speelt er niet mee.”

„Och kom, dat zou zoo’n vaart niet loopen. Maar wie ben jij? misschien nog een haartje erger dan korporaal Dungelhof. Een luistervink is nimmer te vertrouwen,” sprak Schlickeisen hoewel zacht op dreigenden toon.

„Maak je maar niet dik; ik zal jullie niet verraden. Mijn naam doet er van avond niets toe. Maar kijk, kijk, die korporaal den hals eens rekken.”

En werkelijk klonk het andermaal barsch:

„Stilte in dien hoek! ’k herhaal het niet weer. Die niet wil hooren, zal maar moeten voelen.”

Wienersdorf en Schlickeisen hielden hun adem in. Allen hielden zich een wijl doodstil. Plotseling boog zich de geheimzinnige gedaante, die tusschen de kribben gedoken was, over hen heen en fluisterde zoo zacht, dat het slechts een ademtocht geleek:

„Komt morgen na het soepeten in de hut van Johannes, dan zullen we samen praten.”

En weg was de gedaante. Als een slang was zij onhoorbaar onder de slaapkribben doorgeschoven en in het donker verdwenen.

Een tijdlang lagen de twee Zwitsers stil en roerloos. Toen zij vermeenden dat de korporaal ingeslapen was, richtte een hunner zich op:

„Wie was dat?” mompelde hij.

„Zeker Johannes zelf.”

„Ja, ’t was een bruine huid met naakt bovenlijf, ’k Geloof zelfs dat de huid met klapperolie was ingesmeerd, zooals de Javanen doen als voorbehoedmiddel tegen de muskieten.”

„Is die vent te vertrouwen?”

„Wie zal dat kunnen bevestigen? Het beste zal zijn, morgen eens in zijn hut te gaan kijken, we zullen dan wel hooren, wat hij te vertellen heeft. Maar voorzichtig, denk er om, we spelen grof spel. Laat ons nu ook zwijgen, die korporaal Dungelhof is een ware luistervink.”

Beide mannen wikkelden zich in hunne sprei en waren weldra in diepen slaap gedompeld.

Toen zij des anderen daags hunne soep uit de keuken haalden, moesten zij de hut van Johannes voorbij en stond deze in de post van de deur. Bij hunne nadering maakte hij, evenwel zonder een woord te spreken, plaats, maar met een gebaar, alsof hij hen wilde uitnoodigen binnen te treden. Zij schoven naar binnen, zetten hunne gamellen op den grond en namen plaats op een bank aan de tafel. Die tafel was vrij goed voorzien. Behalve de soep, die Johannes ook uit de keuken gehaald en in een zindelijk bord overgegoten had, prijkten daar nog op een schotel met dampende tafelrijst, helder wit en droog van korrel gekookt, een kom „pindang ikan” en een kom „sajoran lodèh,” [18] het alles omgeven door ettelijke schoteltjes met „sambal oelik”, „sambal goreng” en „sambal oedang” [19]. Ook ontbraken er de vleeschspijzen niet. Eenige borden met „dengdeng”, met „troeboek”, „telor-assin” met „sateh” oesi-oesi, [20] waartusschen een gebraden eend in een smakelijke saus te zwemmen lag, die onze Zwitsers watertanden deed, vulden het geheel aan.

„Je bent een Lucullus,” begon Schlickeisen.

„Wat ’s dat voor een dier?” was de wedervraag van Johannes.

„Dat was geen dier, dat was een Romeinsche lekkerbek, die in jouw schaduw niet kon staan.”

„Spot, maar ga zitten,” parodieerde onwetend Johannes het gezegde van een groot man.

„Gaat zitten en tast toe,” vervolgde hij, „ge ziet, ik verwachtte jullie. Als het op is, kunnen we praten; men redeneert nooit zuiverder, dan wanneer de maag zich in een behaaglijke stemming bevindt.”

Dat was het woord van een wijsgeer. De Zwitsers lieten het zich geen tweemalen zeggen. De kompagnie’s menage was schraal en vooral zeer eentonig en daardoor zeer onsmakelijk. In gedachten merkten zij op, dat zoo’n inlandsch kind zich er toch beter op verstond om zijn keuken smakelijk te maken dan een Europeaan. Weldra zat ons drietal te smullen en te kluiven, dat het een aard had. Zij spraken geen woord, daartoe was geen tijd. Men vernam niets anders dan het gesmak der lippen, het gemaal der tanden en het geklingel van lepels, messen en vorken, ook van glazen; want Johannes had zich goed gehouden en ook een paar flesschen wijn en bier op de tafel gezet.

Toen de vleeschdeelen van het laatste eendenkluifje verdwenen waren en de smullenden zich de vette vingers met wellust afgelikt hadden, zette Johannes zijne gasten een kistje met tabak gevuld voor en, toen het drietal de pijpen gestopt en aangestoken hadden, begon hij het vuur:

„En nu vooruit met jullie „perkara” (zaak). Je wilt dus wegloopen?”

Schlickeisen en Wienersdorf keken elkander aan en eenigszins schuw in de rondte.

„We zijn hier alleen; niemand kan ons hooren, de bewoners der hutten rechts en links zijn op wacht. Kom, vooruit met de zaak! Jullie wilt weg, maar waarheen? Misschien kan ik helpen.”

„Maar we willen niet weg. Wie zegt dat?”

„Vertel dat nu maar aan mijn modelschoenen. We zullen kort zijn en open kaart spelen. Gisteren avond heb ik onder jullie kribben gelegen en, heeft Dungelhof zoo ’t schijnt niets gehoord, mij is geen woord ontsnapt. Maar je behoeft je niet ongerust te maken, ik ben geen verrader. Vertrouwt mij, ik herhaal het, misschien kan ik helpen.”

De beide Zwitsers wisselden een langen blik van verstandhouding. Zij begrepen, dat zij in de hand van dien man waren; zij meenden hem te kennen als een loszinnigen snaak, wanneer het vrouwen gold, maar die tot een verklikkerij niet in staat was. Toch aarzelden zij, om hun geheim te openbaren. Eindelijk vatte Wienersdorf het woord:

„Nu ja, we bespraken gisteren een plan van desertie; maar tusschen bespreken en handelen is het verschil groot.”

„Dat zou ik meenen. Maar laat hooren je plan.”

„Och, ’t waren nog slechts woorden. Van een plan kan eigenlijk nog geen sprake zijn. We zijn nog te kort hier, om met de toestanden van het land eenigszins bekend te zijn. Zonder die kennis is volgens mij iedere poging onmogelijk.”

„Je spreekt als een geleerde, en die ben je ook, geloof ik. Als je evenwel wilt wachten tot je de noodige kennis omtrent dit land zult opgedaan hebben, dan heb je tijd om oud te worden. Maar, voor dat de eerste maal door den korporaal stilte gelast werd, hoorde ik zoowat van een wankang [21] mompelen.”

„Daarover hebben we een oogenblik gesproken. Men heeft ons verteld, dat jaarlijks zoo’n vaartuig hier aankomt. We spraken er over den Chineeschen kapitein over te halen ons aan boord te verbergen en ons naar China over te brengen?”

„Mooi! hebt jullie geld?”

„We zullen zoowat een vierhonderd gulden bij elkaar hebben.”

De oogen van Johannes glinsterden. Na een oogenblik van zichtbare ontroering hernam hij:

„Nou, spaart de moeite dan maar. Weet je wat gebeuren zou? Zoo’n Chinees zou bedaard die vierhonderd gulden opstrijken; hij zou jullie ook aan boord ontvangen en zorgvuldig verbergen. Maar bij het verlaten van Kwala Kapoeas, zou hij den kommandant een briefje in handen bezorgen, en nog vóór dat de wankang in zee zou zijn, zou haar een kruisboot achterop komen, die haar met een kanonschot bevel zou geven bij te draaien, waaraan zij stipt voldoen zou. Jullie zoudt dan van boord gehaald worden, maar dan waren ook de poppen aan ’t dansen.”

„Maar waarom zou zoo’n fielt dat doen?”

„Eenvoudig om zonder veel omhaal uw vierhonderd pop op te kunnen steken. Ook om bij de Nederlandsche autoriteiten in een goed blaadje te staan en bij een volgende gelegenheid eenige fleschjes „minjakh poko” of een paar potten „boeang assin” [22] meer van de hand te kunnen zetten. Neen, aan zoo’n ontvluchting valt niet te denken. Maar luistert. Vertrouwen voor vertrouwen. Ook ik heb het plan gevormd het hazenpad te kiezen en heb daarover lang nagedacht. Ik kan er bijvoegen, dat mijn plan nagenoeg tot rijpheid gekomen is. Slechts zie ik er tegen op, de onderneming alleen op touw te zetten. Wel zal La Cueille mij vergezellen; maar dat is niet genoeg. Eenige paren stevige armen meer, zijn op den tocht, dien ik voor heb, niet overbodig. Wel, wat denkt gij?”

„Maar La Cueille is een dronkaard. Is dat de man wel, om in zoo’n onderneming te halen?”

„Op een klein beetje moet je niet kijken; hij is een flinke kerel, die voor geen klein gerucht vervaard is. Daarbij zullen we slechts weinig sterken drank medenemen en dien zal ik nog onder bewaring nemen. Wanneer hij nu niets krijgen kan, is hij de goedigste kerel van de wereld.”

„We dienen toch met je plannen bekend te worden. Maar hoe kom je er aan, je tot ons te wenden?”

„Dat’s eenvoudig. Al lang had ik jullie afzondering in de gaten. Steeds zit je in alle hoekjes te fluisteren, en zelfs des nachts kunt ge den snater niet houden. Ik trachtte jullie te bespieden en dat is mij uitstekend gelukt. Daarbij komt nog, dat ge geenerlei vertering maakt, ter nauwernood een pijp rookt en dus een spaarpotje moet hebben. Nu is geld de zenuw aller ondernemingen. Ik had dus gevonden wat ik zocht: een paar stevige kerels, die even als ik weg willen en daarenboven van splint voorzien zijn. Ik zal ook een groote honderd gulden in de mas bijbrengen. Toen ik ulieden van deserteeren hoorde spreken, sprong mij het hart van vreugde, want ik begreep, dat de dag van uitvoering aanstaande was. Zijt gij met dien uitleg tevreden?”

„Jawel, maar het plan nu?”

Onze drie komplotmakers stopten nog een versche pijp en met bij elkander gestoken hoofden luisterden de Zwitsers aandachtig, wat hun gastheer hun voorhield en wat op het volgende neerkwam.

Eens op een’ donkeren avond, dat Johannes bij de aanlegplaats buiten het fort als schildwacht stond, was de Chinees Baba Poetjieng hem ter zijde geslopen. Deze was begonnen een praatje met hem te maken, had hem een pakje manillasigaren aangeboden en was geëindigd met hem te vertellen, dat hij in een kreek in de benedenrivier een prauw had liggen, waarin voor een aardige waarde aan opium was geborgen, dat hij wenschte binnen te smokkelen. Hij was reeds geslaagd het vaartuig, trots kruisbooten en kustwachters de rivier binnen te brengen. Maar het moeielijkste kwam nu eerst aan. Hij moest het fort voorbij, doch hoopte dat sobat (vriend) Johannes hem zou helpen. De sluwe Chinees verzweeg voorzichtig, dat de eigenlijke lading der prauw, uit buskruit en zout, de beide voornaamste benoodigdheden der Bandjermasinsche opstandelingen, bestond. Hij stopte Johannes een paar rijksdaalders in de hand en deze sprak af, dat hij te middernacht weer op dezelfde plaats als schildwacht zou staan en dat hij het vaartuig dan zou laten voorbij varen. Maar de grootste stilte zoude moeten betracht worden, er mocht niet geroeid worden, het vaartuig moest slechts door den opkomenden vloed voortgestuwd worden. Roeien toch zou de aandacht van andere schildwachten kunnen wekken. Ook liet Johannes zich door den Chinees eenig opium geven; niet dat hij dat tuig gebruikte, maar het kon te pas komen.

Het trof bijzonder goed. De wacht werd gekommandeerd door een Javaansch sergeant en bestond hoofdzakelijk uit soldaten van dien landaard. De eenige Europeanen, die dien nacht waakzaam moesten zijn, waren La Cueille en Johannes; maar dat waren boezemvrienden. Nu ging deze laatste met den sergeant een praatje maken, liet hem het verleidelijke opium zien en het slot der vertooning was, dat al ras een paar palita’s [23] waren ontstoken en al de Javaantjes der wacht er omheen lagen met de pijp in den mond, bezig den heerlijken rook in te zwelgen, door te slikken en door de neusgaten uit te blazen. Toen Johannes tegen middernacht op post trok, sliep de Javaansche sergeant den slaap des rechtvaardigen en droomde van al de hoeri’s van den hemel des Profeets, en waren de overige schildwachten zoo dommelig, dat een stoomschip had kunnen voorbijvaren, zonder dat zij het ontwaarden. Baba Poetjieng kon dan ook zijne prauw in veilige haven brengen.

Die smokkelpartij was zoo goed gelukt, dat onze Chinees verlekkerd, haar nog menigmaal op touw zette en het was om het garnizoen van Kwala Kapoeas gunstig te zijnen opzichte gestemd te houden, dat hij zoo goedkoop was bij het venten zijner koopwaren. Waarlijk, de man verloor bij dien handel, daarvan was de kommandant overtuigd; maar deze bevroedde niet, dat de sluwe zoon des Hemelschen Rijks hem in de luren legde en zijne zaakjes wonderwel bestuurde. Opmerkelijk was het, dat Johannes nimmer een aanzienlijke belooning wilde aannemen, hoezeer Baba Poetjieng daartoe bij hem aandrong. Nu en dan een paar rijksdaalders, was al wat de ontrouwe schildwacht aannam, maar dat was geen betaling in vergelijk van de enorme winsten, die de Chinees opstreek. Maar onze vriend had zijn plan, dat hij gewis ten uitvoer zou weten te brengen. De tijd daartoe was nu gekomen. Hij had den Chinees zijn voornemens bekend gemaakt en deze zou hem op een gegeven oogenblik een prauw bezorgen, van alles voorzien en bemand met drie Dajaks, booswichten van de ergste soort, van wie bekend was, dat zij medeplichtig waren aan de gruwelen op de steenkolenmijn te Kalangan gepleegd en die er dus alle belang bij hadden zich buiten bereik van den Nederlandschen arm te begeven. Al langzamerhand had Johannes zijne kleederen, die van La Cueille, tabak enz. in kleine pakjes verdeeld, die de Chinees bij elk bezoek dat hij met zijn koopmansprauw aan het fort bracht, zoo geheim mogelijk naar zijn huis overvoerde. Het gunstige oogenblik behoefde slechts afgewacht te worden en dat zou, nu de twee nieuwe bondgenooten aangeworven waren, omstreeks nieuwe maan zijn; men had de duisternis noodig om te slagen. Toen men die afspraak maakte, was het eenige dagen voor volle maan, de komplotmakers hadden dus nog ruim veertien dagen tijd om hunne laatste maatregelen te nemen.

„Wat denken de vrienden er van?” zoo besloot Johannes zijne mededeelingen.

Een oogenblik aarzelden de Zwitsers, toen sprak een hunner:

„Wat we er van denken? Het plan tot ontkomen is uitmuntend, daar heb je eer van. Maar me dunkt daarin ligt de grootste moeielijkheid niet. Weg zullen we wel komen, dat fort is geen betooverd kasteel; maar eenmaal op weg, waarheen? dat moet de hoofdvraag zijn.”

„Waarheen! waarheen! wel je doet me lachen. Daar kan geen twijfel over zijn. Stroomaf naar zee; daar ligt de weg. Eenmaal daar, zetten we koers westwaarts; we houden vooreerst het walletje en verbergen wegens de kruisers over dag de prauw in een der kreken die op de zuidkust zoo menigvuldig zijn. ’s Nachts roeien we er lustig op los. Hebben we eenmaal Tandjoeng Batoe Titi, Borneo’s zuid-westelijke punt bereikt, dan zal het veel van het weer afhangen, welken koers we zullen vervolgen. Hebben we goed weer en gestadigen wind, wat in dezen mousson wel te verwachten is, dan blijven we westwaarts sturen en loopen dan vrij spoedig het eiland Biliton in ’t gezicht. Dat varen we om, steken de Gaspar-straten over, loopen langs den noord-oost- en noordwal van het eiland Banka en zoeken weer onze toevlucht onder den Sumatra-wal. Eenmaal daar, is het zwaarste werk verricht. We blijven onder het dichte bosch tot dat we Tandjong Basso bereikt hebben; dan kunnen we ons tusschen de eilanden van den Riouw-archipel wagen en met een beetje voorspoed, komen we spoedig te Singapore aan.”

„Je bent goed op de hoogte, dat moet ik je zeggen. Waar heb je die bijzonderheden vandaan gehaald? Toch niet van Baba Poetjieng?”

„Neen..... die vent is toch slimmer dan jullie wel denkt. Maar het geographisch en topographisch onderwijs aan de pupilleninrichting te Kedong-Kebo, alwaar ik gedrild ben, is niet slecht. Ik heb daarenboven een paar vrij goede zeekaarten, die dienst kunnen doen.”

„Maar hoe lang zal die reis duren, voor wij Singapore bereiken?”

„Op zijn minst drie of vier weken; komt er echter tegenspoed bij in het spel, dan is er geen rekening te maken.”

Den Zwitsers voer eene huivering langs de ruggegraat.

„Vier weken in een notendop op den Oceaan!” barstten zij beiden uit.

„Met je permissie! op de Javazee en een stukje op de Chineesche zee, heeft in dit seizoen niets te beteekenen. Maar als jullie bang zijt, heb ik me in je vergist. ’t Is voor het laten of voor het nemen,” was het flegmatieke antwoord.

„Neen, neen!” meenden de beide Zwitsers en staken hem de hand toe.

„Neen! we gaan mee, al voerde de weg naar de hel.”

De saamgezworenen staakten nu het gesprek en begaven zich naar het fort, om door een langer samenzijn geen achterdocht op te wekken. Zij spraken evenwel alvorens af, niet dan uiterst zeldzaam bij elkander te zijn, op alles acht te geven, wat voor hun plan belangrijk zou kunnen zijn en langzamerhand, zonder opzien te baren, alles in de hut van Johannes bij elkander te brengen, wat zij voor den tocht dienstig oordeelden. Zoo verzamelden zij zooveel mogelijk levensmiddelen, ook buskruit, ofschoon Baba Poetjieng hen daaraan wel helpen kon, maar vooral kogels door bij het schijfschieten het projectiel behendig weg te moffelen en hun schot met los buskruit af te geven. Wanneer dan een misschot aangewezen werd door den schijfwachter, lachten hen de kameraden dapper uit en zetten de onhandigen een onnoozel gezicht.

Met dat al moesten zij nog volle veertien dagen wachten, alvorens hun voornemen ten uitvoer te brengen. Binnen weinige dagen zou het volle maan zijn en het trof juist toevallig, dat twee dagen later de vloed omstreeks middernacht zijn hoogste punt zou bereiken. [24] Wanneer dat zoo samenviel, dat de waterstand gedurende die heldere nachten zijn hoogste punt verkreeg, dan waren het steeds dagen van pret voor het garnizoen van Kwala Kapoeas. De soldaten toch hadden al gauw van de Dajaks afgekeken, dat dezen tegen dien tijd bij eb, die dan ook haar laagsten stand bereikt, alle bochten en kreken zoowel langs de rivier als langs de zee met „kabiendai hempang” een vlechtwerk van bamboelatjes, zoodanig afsluiten, dat bij vloed het water zoo omstreeks een voet over dat staketsel heenstroomt, maar bij eb eene strook van den oever daarachter droog valt. De visschen schijnen nu bij maanlicht in groote scharen te trekken en op en langs de overstroomde oevers hun voedsel te zoeken, waardoor er een groote menigte achter die bamboelatjes gevangen worden. De grachten rondom het fort, waarin eenige spruitjes uitwaterden, en die zoowel in de Kleine Dajak rivier als in de Kapoeas Moeroeng uitmonden, boden voor zulk een vischvangst een uitmuntende gelegenheid aan. Bij vloed stond gewoonlijk zes à zeven voet water in de grachten; maar bij eb vielen zij gedeeltelijk droog of bleef er maar een halve voet water op den zachten modder staan. De beide mondingen werden dan met kabiendai hempang naar eisch afgesloten en bij het aanbreken van den dag sprongen de soldaten, ook hunne vrouwen, zelfs hunne kinderen, met platte manden gewapend, in die grachten en hadden het maar voor het opscheppen. Verbazend groot was dan het getal visschen en groote garnalen [25] en krabben die daar gevangen werden. Het was een koddig gezicht, die mannen, vrouwen en kinderen, slechts half gekleed, in dien zachten modder te zien door elkander loopen, springen, zich bukken, om den buit te bemachtigen, soms vallen en in ’t slijk wentelen. Gegil, geschreeuw en gekibbel was daarbij aan de orde en vreugdekreten verhieven zich, wanneer een groote „baoeng” [26] te voorschijn werd gehaald. Soms gebeurde het wel, dat een groote schildpad of een jonge kaaiman in de dikke brij verrast werden, waarbij vooral de laatste zich door ontzagwekkende sprongen ruim baan trachtte te maken. Dan stoof de menschendrom met een gegil van angst uit elkander voor een oogenblik; maar spoedig waren eenige lansen gegrepen en dan begon een andere soort van jacht, die, niet altijd zonder gevaar, met den dood van het monster eindigde. De vischvangst werd vervolgens hervat, waarbij zelfs de kleinste „ikan soloang” niet werd versmaad. [27] De buit werd eindelijk verdeeld, waarna de vrouwen zich aan het sissen, poffen en braden zetten, en den belusten ontijdig het water in den mond brachten.

Zoo was ook op den bewusten dag de vangst belangrijk geweest, men had korven vol visch opgeschept. Maar in plaats dat er gepoft en gebraden werd, had er een andere vertooning plaats. Johannes namelijk kocht zooveel mogelijk al de gevangen visschen op, zelfs tegen zoo hooge prijzen, dat het de opmerkzaamheid van den kommandant trok. Op diens vraag, wat dat te beduiden had, antwoordde de opkooper beleefd, dat hij die visschen in de zon drogen wilde en hij er reeds een goeden prijs bij Baba Poetjieng voor bedongen had. De zoo gedroogde visch maakt ter zuidkust van Borneo een belangrijken tak van uitvoer uit en is in den handel zoo gewild, dat niet altijd ten volle aan de navraag kan worden voldaan. Het gegeven antwoord kon dus geen argwaan wekken. De slimmerd had echter andere oogmerken. De gedroogde visch moest den voorraad levensmiddelen der vluchtelingen aanvullen. Een ander nut der voorgegeven speculatie was, dat onder het voorwendsel van de gedroogde visch voor en na, zooals zij gereed kwam, te komen afhalen, Baba Poetjieng, zoo dikwijls hij verkoos, in de hut van Johannes kon verschijnen en van daar met zakken beladen kon vertrekken, zonder iemands achterdocht gaande te maken.

Johannes en La Cueille waren dan ook spoedig druk in de weer, die visschen van hunne ingewanden te ontdoen, ze te spouwen en tusschen gespleten bamboelatjes te bevestigen, om ze gemakkelijker aan droogrekken in de zon te kunnen ophangen. Schlickeisen en Wienersdorf deden aan dat werkje niet mede; zij bleven voortgaan met hunne opmetingen in den omtrek. Alleen wanneer zij des avonds thuis kwamen, gingen zij wel eens ongezocht naar den arbeid kijken. Was dan eenig ander militair in de buurt, dan bespotten zij de vischhandelaars dapper, die hun het antwoord niet schuldig bleven. Was het terrein vrij, dan had er al spoedig een ander gesprek plaats. De kennis met La Cueille, als bondgenoot in het desertiekomplot, was spoedig gemaakt. Zijne lotgenooten waarschuwden hem tegen het gebruik van sterken drank en noopten hem een belofte af te leggen, geen jenever te proeven, zoolang de reis niet aanvaard was.

„Dat wil ik wel beloven,” verzekerde de Waal, „ik zal geen droppel sterken drank over de lippen nemen, anders straffe mij God en de heilige Moeder Gods!”

„Amen,” zei Johannes met een glimlach.

„Je zult je belofte, om voor ons vertrek geen sterken drank meer te gebruiken, nakomen, niet waar?” vroeg Wienersdorf nog met nadruk, terwijl hij La Cueille de hand toestak.

„Dat zal ik, zoo waarlijk helpe mij Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel!” sprak de Waal met ontroerde stem.

„Welkom dan in ons midden! De taak van ieder onzer moet nu zijn, alles bij te brengen om de onderneming te doen slagen. Ieder voor allen, moet onze leus voortaan zijn. Zeg Johannes, hoe staan we nu met onze toebereidselen?”

Deze antwoordde, dat hij reeds een vijftal zakken rijst bij Baba Poetjieng had, elk van een pikol of 62½ kilogram. Er was dus van dat hoofdvoedingsmiddel nagenoeg voor drie maanden aanwezig.

„Hoe maakt ge die rekening?” vroeg Schlickeisen, die Jantje sekuur van den troep was, „we mogen ons niet misrekenen.”

„Zes pikols maken 600 katie’s. [28] Een gezond mensch heeft minstens daags ⅞ katie noodig, dat een dagelijksch verbruik van 6⅛ katie maakt. We zouden dus een voorraad voor 98 dagen hebben, maar zoolang zullen we wel niet onder weg blijven. We dienen echter met spillage en bederf rekening te houden, zoodat we aan die vijf zakken niet te veel zullen hebben.”

„Maar we zullen toch wel wat anders te eten krijgen dan droge rijst?” vroeg Schlickeisen verder.

„Stel je gerust,” glimlachte Johannes, „je ziet, ik zorg al voor gedroogde visch. De Chinees zal ook voor dengdeng, voor zout, peper, gedroogde lombokh en kerriekruiden zorgen. We zullen ook wel een vaatje gezouten vleesch in de prauw vinden. Je moet er je echter op voorbereiden, dat je ’t niet altijd zult hebben, als bij je moeder thuis; maar bepaald gebrek zullen we niet lijden. Wat me ’t meeste hoofdbrekens kost, is het drinkwater. Rekenen wij, dat met alles voor ieder man slechts twee liter per dag noodig is, dan geeft dat voor een maand reis ruim 400 liter of acht vaatjes van 50 kan. Die zullen ontzaglijk veel ruimte wegnemen en onze gemakken veel verminderen.”

„Maar we zullen toch geen water voor de geheele reis moeten innemen?”

„Voorzichtigheidshalve ware dat het beste; we zouden dan steeds voorzien zijn en geen moeite en tijd te verliezen hebben. Maar waarlijk, ’t zal onmogelijk zijn; we zouden ons in de prauw niet kunnen roeren. Daarin zal toch al zooveel gestopt moeten worden. We zullen dus maar twee vaatjes of honderd liter meenemen. Met overleg zal dat wel voldoende zijn om ons voor ergen dorst te bewaren.”

„Maar is dat nu weer niet veel te min? nog niet eens het kwart van wat we noodig hebben,” vroeg de voorzichtige Schlickeisen, „dat brengt ons rantsoen op een halven liter.”

„Luister. Zoolang we in de kleine Dajakrivier zullen zijn, hebben we onzen voorraad niet aan te spreken. Ook zullen we geen gebrek hebben, zoolang we ons op de kusten van Borneo zullen bevinden. Over dag moeten we ons schuil houden van wege de kruisers in den een of anderen inham of kreek. Er is misschien geen land ter wereld, dat op gelijke uitgestrektheid zooveel rivieren en beekjes naar zee zendt, als op de zuidkust van Borneo geschiedt. Daar heb je, de Kleine Dajak uitkomende en rechts omslaande, eerstens de Kahajan, een prachtige stroom, die bij volle eb op twee mijlen van zijn monding nog drinkbaar water aanbiedt, dan de Sebangouw, die wel zoo groot niet is, toch een aanzienlijke rivier genoemd mag worden. Verder de Mentawei, de Sampit, de Kotta Waringin en de Djelei, voorname waterstroomen, die benevens een menigte kleinere riviertjes en beekjes zich tusschen 114° 5′, waarop de monding der Kleine Dajak en 110° 15′ O.L. van Greenwich, waarop de zuidwestelijkste punt Tandjoeng Batoe Titi liggen, in de Javazee storten en ons rijkelijk gelegenheid zullen aanbieden, onze provisie zoet water aan te vullen. Maar van den Borneowal overstekende naar Biliton, zullen we zuinig moeten zijn; want dan zijn we nagenoeg in volle zee. Daarbij komt nog dat we op Biliton’s noordkust niet veel te verwachten hebben; de weinige riviertjes, die daar aangetroffen worden, bevatten allen brak water. Op de noordoost- en noordkust van Banka is het weer eenigszins beter; maar daar moeten we door de aanwezigheid van talrijke Nederlandsche nederzettingen zeer op onze hoede zijn en mogen op geen aanvulling rekenen. Maar op de oostkust van Sumatra zullen we weer overvloed hebben. Daar zijn stroomen als de Reteh en de Indragiri met hunne tallooze armen en vele andere kleinere rivieren, die zich in de Chineesche zee werpen, meer dan voldoende om onzen dorst te lesschen.”

„Je bent voor aardrijkskundige in de wieg gelegd, en ik neem mijn hoed af voor het onderwijs te Kedong Kebo,” complimenteerde Wienersdorf.

„Laat kijken je hoed,” lachte Johannes, „’k zie niets anders dan een smerige politiemuts. Laat kijken den hoed dien je wilt afnemen; ’k heb in geen jaren een vijfkop gezien.”

„Nou, dan nemen we onze ouwe politiemutsen af voor je prachtige uiteenzetting; maar....” ging de weetgierige Schlickeisen voort, „’k wou die verhandeling nog wel wat aangevuld zien.”

„Ja, ’k weet het wel, je bent zoo nieuwsgierig als een neusaap. [29] Maar ga je gang, wat wou je weten?”

„Hoe lang zal de overtocht van Borneo naar Sumatra duren?”

„Tandjoeng Batoe Titi ligt op 2° 55′ zuiderbreedte en op 110° 15′ oosterlengte, Tandjoeng Basso de oostelijkste kaap van het eiland Basso, een aanslibbing van de Indragiri-rivier, ligt op 0° 20′ Z.B. en 103° 44′ O.L. van Greenwich. Die afstand zal dus zoo wat in rechte lijn 105 geographische mijlen bedragen. Houden we tot in het gezicht van Banka den zuid-oost mousson, dan kunnen we op een vaart van twintig mijlen per etmaal rekenen. Maar dat zou te veel geluk zijn. Tot bij Biliton zal die mousson ons vrij constant bijblijven; maar dan zullen we waarschijnlijk stilte of wel noorden- of noord-oostenwind krijgen. Die winden zijn ook verre van ongunstig; maar zij zijn in dit seizoen gewoonlijk uiterst zwak. We moeten rekenen, dat we gemiddeld niet meer dan vijftien mijlen zullen maken en zal dus die overtocht zonder wederwaardigheden zeven dagen duren.”

„Dus 7 × 7 × 2 of 98 liter water, die op dat traject noodig zijn.”

„Dat is volgens Bartjens, juist 98 liter.”

„Jongens, dat ’s krapjes, dan is er niets over voor de wederwaardigheden.”

„En ook niet voor het morsen, dat is waar. Maar in Gods naam! we zullen ook misschien wel eens ergens kunnen aanleggen; is het niet op Banka, dan op het eiland Singkep, daar is water in overvloed. In de eerste plaats evenwel moeten we zuinig zijn. Twee kan per man zijn ook voor de omstandigheden ruim berekend en het zal voor een korten tijd ook wel met minder kunnen.”

Zoodanig waren de gesprekken, die ons viertal hield, wanneer zij de ongezochte gelegenheid hadden bij elkander te zijn. Een andermaal deelde Johannes mede, dat Baba Poetjieng een vaatje buskruit van vijftig pond toegezegd had. Dit bracht het gesprek op de bewapening en de munitie, en werd er afgesproken dat, wanneer de dag der ontvluchting aangebroken zou zijn, de saamgezworenen hunne geweren in de hut van Johannes zouden brengen, onder voorwendsel die met zorg te willen poetsen. Men zou ook trachten zooveel patronen mogelijk machtig te worden; maar vooral moest men kogels zien te verkrijgen. Door bij het schijfschieten te smokkelen, hadden zij al een kleine honderd bij elkander en onder voorwendsel van een „djala” [30] te willen maken, had Johannes van den knecht bij het oorlogsmagazijn nog een twee honderd kogels gekregen. La Cueille deelde mede, dat hij van den kommandant twee Remmington-geweren ontvangen had om te poetsen en van den dokter twee revolverpistolen. De bij die vuurwapens behoorende patronen, verzekerde hij, zou hij ook wel machtig worden. Verder werd besloten, dat de Zwitsers de boussole en den veldkijker van den kommandant zouden medenemen.

Zoo verliep de tijd, dien zij nog wachten moesten, om hun plan te volvoeren. Den tweeden dag na nieuwe maan kwam Baba Poetjieng als gewoonlijk zijne waren aan de aanlegplaats bij het fort te koop aanbieden. Hij verkocht dien dag aan den dokter een schaakspel, in ivoor prachtig à jour gewerkt, voor een spotprijs en scheen overigens goede zaken te doen. Hij had onder anderen een factuur doelmatige Duitsche pijpen, die door de soldaten zeer gewild waren. Hij maakte van zijn aanwezen bij het fort gebruik, om nog een paar zakken gedroogde visch af te halen, waarmede die vischhandel afgesloten was, en waarvoor hij Johannes in tegenwoordigheid van verscheidene andere militairen een tiental rijksdaalders afbetaalde. In werkelijkheid gold het geheele bezoek van den Chinees slechts de laatste afspraken, die nog te maken en de laatste goederen, die nog over te brengen waren. Het oogenblik was gunstig. Er was een choleralijder in den kampong gestorven en niemand had zich opgedaan om het lijk te begraven, dan de drie Dajaks, die van de ontvluchtingspartij zouden zijn. Tot 10½ uur zou de vloed loopen, dan zou omstreeks een half uur stilstaand water zijn, waarna de eb met kracht zou intreden. Alle kansen waren dus gunstig. Bij het vallen van den avond slopen de vier verbondenen in de hut van Johannes, en hielden zich daar verborgen totdat de duisternis volkomen was. Toen slopen zij een voor een met hunne geweren gewapend, achter de struiken bukkende langs den rivieroever en bereikten ongezien den kampong, waar zij plaats namen in de prauw, die den overledene naar zijn laatste rustplaats moest overvoeren. Dat alles ging zonder eenige stoornis; de vrees voor de ziekte hield ieder nieuwsgierige op een afstand. Tegen 10 uur omstreeks werd de „Raoeng,” die den overledene bevatte in de prauw gebracht; omstreeks 11 uur kwam de prauw met de priesteressen, die achter het lijk hare gezangen moesten uitgillen. Bij die aankomst was de eb reeds ingetreden; beide prauwen staken dus van wal en weldra waren zij het fort gepasseerd, de lezer weet met welk gevolg.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us