XXIX. VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK
Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet ontvallen, omtrent hetgeen van Anna van Gulpendam geworden was. Hoe de rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een genomen besluit.
„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden daarstellen.”
„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.
„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. Neen, van een huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen....”
„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk in de rede.
„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al ondenkbaar.”
„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en dan, dan... geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, hoezeer ik haar wonden zoude; en... vergeef mij, daartoe heb ik haar te lief en zal ik haar immer te lief hebben.”
„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling gedaan.”
„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds mijne brieven ongeopend terug.”
„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd lijden bespaard... Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”
„Mevrouw!...”
„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?... Gij hebt er zelfs niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten maken! Te zamen?... Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij dien brief niet gelezen heeft.”
„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden toestand neêrlei?”
„Wat bedoelt ge?”
„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare familie, ten huwelijk begeerde?...”
„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,... dat wil zeggen: met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen, waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak zoude hebben... Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen maken... Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam leven zijn.”
Karel van Nerekool had zich bij die uiteenzetting door mevrouw Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de hand.
„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.... Zeg mij, waar zij is?”
„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is? Dat kunt gij van mij niet verlangen.”
„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”
„Eenvoudig, om vergeten te leven.”
„Wellicht om te hu....”
„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u afgewezen; zij zal nimmer huwen.”
„Maar, wat wil zij dan?”
„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”
„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.
„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”
„Mevrouw, gij beangstigt mij.”
„Ik deel u de waarheid mede.”
„O, zeg mij, waar zij is?”
„Nooit!”
„Is zij op Java, is zij in Indië?”
„Ik zeg niets.”
„Is zij naar Europa?... O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede onzekerheid.”
„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”
„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”
„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven...”
„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand....” viel Van Nerekool in.
„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”
„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, terwijl hij de woning uitstoof.
Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean bezoeken bij de radhen ajoe [174] afgelegd. Maar, zij was vertrokken, zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh teruggekeerd was.
De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den mandoor (opziener) van de paardenposterij [175]; maar nergens, nergens ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken was.
Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s [176] aanzitten en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: „Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).
In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port Adelaïde gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.
Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen. Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al als een verzinsel beschouwd worden.
Eindelijk keerde Karel van Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen, dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar hij zoowel door August van Beneden en Leendert Grashuis, als door Theodoor Grenits en Eduard van Rheijn ontvangen en verwelkomd werd.
„En?....” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken welstand van Karel van Nerekool geconstateerd hadden. „En...?”
Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.
„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen spoor!”
„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.
„Gij ook niet?” vroeg Karel.
„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van Nederlandsch-Indië gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen vertrokken is.”
„Zoodat, volgens uw gevoelen?...” vroeg Karel.
„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet verlaten heeft.”
„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.
„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.
„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, zonder medeweten van vader en moeder.”
„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om meê te gekscheren,” zei Van Rheijn.
„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.
En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.
„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo eindigde hij de mededeeling.
„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende Van Beneden.
„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen geven. Alles, alles te vergeefs!”
„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te laten,” sprak Grashuis.
„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik gevoel mij diep ongelukkig.”
„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet verminderd.”
„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”
„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet verschijnen,” zei Grenits.
„Gij?”
„Ja, in zake Mokesuep.”
„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”
„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat is zoo erg niet.”
August van Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in bescherming te nemen.
Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de gevonnisde de geschandvlekte niet.
Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.
Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij nog mededeelde, dat zij haar eene voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn, alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon zijn. Ook het visum repertum van den eerstaanwezenden officier van gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr. Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien, van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.
Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, over.
Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja ketjoet) [177] had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.
Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef, dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren. De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht moesten worden.
De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden [178].
Tegenover dat requisitoir wees August van Beneden er evenwel op, dat het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren [179]. Ten slotte viel hij het proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het afgegeven was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van het product waren afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig van denzelfden pachter [180] aan te toonen.
De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling met verwijzing van den lande in de kosten.
Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.
Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, Karel van Nerekool kon haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.
„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij nadenkend.
Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer, en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.
Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:
„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef Champagne!)
En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende Veuve Cliquot in de hand, en bracht August van Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.
Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van teleurstelling niet bedwongen worden.
„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”
„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. „Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”
„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.
„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen gedoogt, maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid kweekt?”
Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.
„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.
„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!” [181] antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar de natie ziet toe, en.... heeft nog eene loftuiting voor den minister over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; slechts... ééne gedachte: de minister balanceert zijne begrooting alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de Vertegenwoordiging bons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk vinden.” [182]
Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de hand, en reikte die aan zijn meester over.
„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.
„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. boeien te begeven!”
Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.
„Eene gewone huwelijks-aankondiging!” zei hij.... „Maar, van wien?”
En het papier inziende:
„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:
„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer en mevrouw Ngow Ming Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende receptie zal plaats hebben op den 3den September a. s. ten huize van den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”
„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”
„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”
„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan te bieden.”
„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te laten. Wie zal zoo iets opmerken?”
„Alweêr: des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende. „Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.... Waarachtig, Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”
Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere gedachten van zich te werpen.
„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”
„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien zal ik je zenden.” [183]
„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan kun je naar hartelust tokkelen.”
„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks mogelijk zal zijn.”
„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”
„En dan breng ik mijne viool mede.”
„En ik mijn fluit.”
„En dan laten wij de geheele cipieran une sarabande de condamnés uitvoeren,” gilde Grenits bij voorbaat van de pret.
„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” viel Van Beneden in.
„Wat dan?” vroegen allen.
„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen, b. v. aanstaanden Zondag.”
„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.
„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg Grashuis.
„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”
„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”
Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de vergadering uit elkander.
XXX. BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER
Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro doorslingert, stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en veerkrachtigen pas voorwaarts. Het Javaansche meisje was eenvoudig in sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare gewone netheid en zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg zij een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en waarschijnlijk eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog opmerking verdiende, was: dat zij niet blootvoets, maar met een soort sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg scheen te kunnen.
Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en haar uiterlijk duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter den rug had.
Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver van Kaligaweh verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis?
Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten inwon omtrent nonna Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres naar Karang Anjer gegaan, en daarna spoorloos verdwenen was, werd haar oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij haar het plan, om van haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel weinig begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen, zoo’n gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte, dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en getrouw liefderijk wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar... Karang Anjer lag zoo ver, zoo onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds niet ver van de groote zee, in de nabijheid van het gebied van Ratoe Lårå Kidoel [184], hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat schrikte haar niet af. Zij zou moedig de reis aanvaarden, en koen voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd werd, langs brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende „mer-api’s” [185], langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s” (bosschen). Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild gedierte niets te vreezen. En zij was niet bang voor slecht volk; want, wat zou bij haar vermoed kunnen worden? Zij zag er zoo armoedig uit, dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij haar wat te rooven viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had, en nu in het pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had nonna Anna haar toch eenig geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd. Ook August van Beneden en Karel van Nerekool hadden zich beijverd, het arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer zij haar in de cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen. Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij dacht aan de toekomst. En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig guldens, die zij, alvorens te vertrekken, tegen „katip’s” (dubbeltjes) en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen „roepiah’s” (guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien, hetgeen wellicht begeerlijkheid zou kunnen opwekken.
Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een oogenblik doen aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat toch bespaard om de onkosten te bestrijden, die hare bevalling noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een „doekoen” (vroedvrouw) noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar kindje zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen voor de muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij had toch bij de familie Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo daarachter had liggen slapen. Zeker, haar kindje zou ook zoo’n klamboe gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór, èn eenigen tijd nà hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten eten; want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel zorgen had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog steeds in de gevangenis zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat geld was zij gehecht; want zij begreep, hoe jeugdig zij ook was, dat de nood hoog zou kunnen stijgen... Maar, al die overwegingen verdwenen, nu het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar... de toestand, waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen? Daaraan dacht zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche vrouw, dank zij hare onbekendheid met het noodlottige corset harer noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt beschouwd als een verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd heeft. [186] Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog veraf. Zij had nog ruim vier maanden voor zich. En zou dan hare taak niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet gevonden hebben, of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.... welnu, zij kende de liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar toestand haar in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan iedereen gaan vertellen, op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt was. Zij wist, dat zij in dien grooten nood wel een beschermend dak zou vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame hand zou bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al had zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel gevonden hebben om haar plan ten uitvoer te leggen.
Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van Gulpendam, misschien wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh opgezocht, en haar iets van „obat mentellang” [187] in het oor gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan hare vroegere njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom van belangstelling in het lot van het Javaansche meisje, duidelijker gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk gebaar veroorloofd had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging, welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en haar gedreigd, dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij zich weer vertoonde. Neen, het kind, dat zij onder het hart droeg, was geen pand der liefde; het was geen afgebeden, zelfs geen gewenscht kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. Hoevele Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product eener schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor een moord terugdeinzen, om zich van dien noodlottigen last te ontslaan? Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk geen schuld aan de misdaad zijns vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij zou het opkweeken, zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat het onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, gunde zij het met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had kunnen hebben van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der beschaving over!
En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder, die haar geheele bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken, en was nu, na een achttal dagen ijverig doorgestapt te hebben, het einddoel der lange reis meer nabij gekomen.
Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den panghoeloe, den dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene zwerfster, die haren vader te Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het oog op haren zichtbaren toestand, verwees haar dan steeds naar de eene of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich niet altijd hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar integendeel hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en nog menige „katoepat” [188] aan haar pakje bond, om onderweg te verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die gastvrijheid ten deel. Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg ingewonnen had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de nacht inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een plaatsje op de „baleh-baleh” (ligplaats, brits) van de eerste de beste gardoe, wat haar niet geweigerd werd.
Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een dicht bosch, de zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte bladerendak werd het donker, ja schier zwart. Het pad was nog alleen te houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle strook van het hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was, zich in de richting van den weg uitstrekte, en waartusschen de sterren fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij spitste de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v. hanengekraai of het rythmisch geluid van het rijsttombokken, dat van de nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, niets, niets! Hoe zij ook uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe doemden maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!” hooren eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de laatste schemering van het daglicht, hetwelk in het westen op het punt was te verdwijnen, begroette.
Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de wildernis alleen ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van den „harimao” (tijger) aangetroffen wordt. [189] Als echt natuurkind nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te dikken boom, die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een ernstige hinderpaal voor die gymnastische oefening; maar zij volbracht die klautering bedaard, omvatte den boom met beide handen, steunde de voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar voor beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken bereikt had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid. Een „toetool” (panter) toch valt in den regel den mensch niet aan, en een harimao, dat wist zij, klimt niet in de boomen. Zij maakte het zich op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg waren, om haar te dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats konden strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren, viel haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want dan liep zij gevaar haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te vallen. Daarenboven, die takken, waarop zij zat, en de stam, waartegen zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen pijnlijk drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar dat gaf slechts kortstondig verlichting. Zelfs beproefde zij op Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar zij had bij het klimmen hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe oneffenheden van den bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding onverdragelijk maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren, bosch-muskieten, houtkevers, enz. haar kwelden, en zij niet altijd de handen vrij had om hevige jeukingen, door dat lastig gedierte veroorzaakt, te bestrijden.
Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar geld, hare geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent bekommerde zij zich weinig. Menschelijke wezens zouden toch op dat uur niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden die nu wel niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel ongedeerd laten liggen.
Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht van verlichting, het zwakke schijnsel, dat den oostelijken gezichteinder eindelijk begon te tinten.
Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had zij zeer verdachte geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het doffe en angstverwekkende „hoeh! hoeh!” van een harimao gehoord te hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, hoe onduldbaar zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar voortsluipende, onrustig en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden dorst te lesschen, om voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan in een woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij zou, zij moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de zon boven den horizon gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk licht te beschijnen, en het verscheurend gedierte naar zijne schuilhoeken te jagen.
En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw, die den dageraad met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het avondrood gedaan had. Dalima begreep, dat de tijger niet ver was.
Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de lichtstrook in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren van lieverlede verbleeken. Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al meer en meer naar het zenith optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, en haar naar het binnenste van het woud deed terugtrekken.
O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd lang! En geen wonder; want haar lijden was schier duldeloos. Zij draaide en wrong hare verstijfde ledematen. Zij keek ongeduldig rond.
Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij haar pakje en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar boven haar heerschte reeds het volle licht, en jubelde een talrijk vogelenkoor in de bladerenkronen, om de komst van de dagvorstin te verheerlijken.
Wat kwam die toch langzaam!
Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen, terwijl de horizon in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den weerschijn daarvan tooiden zich wolken, boomen, bladeren, takken in het goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam tot op den woudbodem door.
Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot alles met haar verblindend licht.
Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te verlaten. Zij deed dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben, en betrachtte bij het omlaag klauteren dezelfde voorzichtigheid, met betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. Toen zij den bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar katoepats bengelden, reinigde die van den zwerm mieren, die haar ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen naar een beekje toe, dat zij in de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het gelaat, de handen en de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om hare katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde daarna, gesterkt en bemoedigd, haren tocht voort te zetten.
Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene gardoe het heugelijke bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij ontmoeten zou, Karang Anjer was.
Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot.
Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de eenvoudige Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde evenwel na een poos nagedacht te hebben, dat zij ongeveer nog „limå poeloe pal kawat” [190] vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had. Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij met rappen voet voort, en bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa.
Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich daar aan als de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste veel, zeer veel over haar gesproken had, werd zij uiterst welwillend, ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. Maar, omtrent het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was het eenige antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving.
„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het Javaansche meisje met tranen in hare stem.
„Ja, Dalima, dat heeft zij.”
„Maar, waar is zij dan, njaa?”
„Zij is vertrokken.”
„Waarheen, njaa?”
„Dat weet ik niet.”
Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook haar „njaa” smeekend lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit onverzettelijke antwoord.
Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje vertrokken was? Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat baboe Dalima voor Van Nerekool werkzaam was? Dat kwam haar niet onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, dat het Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de genegenheid van de beide Europeesche jongelieden voor elkander, en ook, dewijl Dalima zich geheel argeloos in het gesprek had laten ontvallen, dat Karel van Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh opgezocht, en haar geld gegeven had. Zij zou de baboe daarom niet minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag zeer goed, dat genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van hare handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem van dankbaarheid voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche gemoed in eene vereeniging der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? Die gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar....
„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan.
„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw Steenvlak.
„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje handenwringend.
„Neen, zeg ik u, boe!”
„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?”
Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit het veld slaan.
„Ja.... dat weet ik natuurlijk.”
„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het oog.
„Ik mag, ik kan niet, boe!”
„Waarom niet, njaa?”
„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven....”
Mevrouw Steenvlak aarzelde.
„Wat njaaa?”
„Dat ik aan niemand—hoort ge aan niemand, Dalima!—iets zeggen mocht.”
„Maar aan mij wel, njaaa!”
„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.”
„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch? Zij is zoo ongewoon voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar Nanna is!” kermde het jonge meisje.
„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen, nietwaar?”
Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve schepsel, dat evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had, zoodat een verbitterd gemoed haar waarlijk wel te vergeven ware geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte gedaan had; maar met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop niet te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude hebben.
„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het snikkende meisje aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, of beter nog naar Kaligaweh terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?”
Baboe Dalima knikte ontkennend.
„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht, nietwaar.”
En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje vier rijksdaalders toe.
Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan, knoopte het in een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste de handen van mevrouw Steenvlak en verdween. Toen zij buiten was, prevelde zij:
„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!”
O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf, twintig of vijfentwintig centen voor hare voeding, dat was alles. In plaats van dan ook te vertrekken, doolde zij nog ettelijke dagen in Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen voor haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen dèsa’s. Overal vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door. Zij deed, wat Van Nerekool, als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen „warong,” [191] dien zij op haar pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad [192] gevuld, overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh, [193] nuttigde elders wat „nassi ketan,” [194] overdekt met fijn geraspte klappernoot, of wel met siroop van „goela aren.” [195] Op eene andere plaats slurpte zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten, of een tros „ramboetan” [196] of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.” [197] Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens hare rekening; want zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja, hier en daar bekeek haar de waronghoudster en antwoordde, wanneer de smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar voor je kindje, en neem nog een kop koffie.”
Maar,... zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te winnen, om te ondervragen. Maar, helaas, hare pogingen werden aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. In de eerste dagen vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, dat dit zoo niet blijven zou.
Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten Zuidwesten van Karang Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij eenig licht. Zij vernam daar, dat op zekeren dag, meer dan twee maanden geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een „tandoe” [198] gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest worden. Het draagtoestel was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe niet heel spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier neerzette en een kop koffie vroeg.
„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?”
„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje gekleed, met een zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen kabaja,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven genoegzaam te kennen, dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij waren blank en klein en niet uit elkander getreden, zooals onze voeten gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” (princessen) te Sålå, geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel zijn kan, dat zij een poetri ware.”
„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima.
„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank [199], zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.”
„Hebt gij met haar gesproken, ma?” [200]
„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.”
„Maar, wat vroeg zij u, ma?”
„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.”
„Niets anders, ma? Herinner u goed.”
„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik antwoordde twee palen.”
„En verder?”
„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is? Daarop kon ik haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij hier niet bekend.”
„Hebt gij niets anders gehoord, ma?”
„Neen.”
„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?”
„Zeker. Zou ik niet?”
„En?”
„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare handen kwamen niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene opwellende gedachte, alsof dat gelaat geverfd was. Misschien had de nonna veel in de zon geloopen.”
„En de haren, ma?”
„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.”
„Maar welke kleur, ma?”
„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O, voorzeker is zij eene nonna.”
„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij niets meer, ma?”
„Niets,” antwoordde de waronghoudster.
Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg naar Sikaja.
Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.... Daags daarna verscheen zij weer te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen. Toen verdween zij, en werd niemand meer iets van haar gewaar. Mevrouw Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar informeeren. Maar die kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was. Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen.
„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak. „Heb ik goed gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De tijd zal het uitwijzen.... Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin voor haar in hare eenzaamheid geweest zijn.”
XXXI. VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH
Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het aloon-aloon-plein van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek van het aldaar in garnizoen zijnde bataillon infanterie hooren. Vele rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op dat plein, dat door zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer langen tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den westmoesson aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch verdroogd, en tot donkerbruin verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier en daar kloven en reten vertoonde, gespleten als zij was onder den invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den dag was de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde nog slechts achter de kruinen der Kanarie-boomen, die met haar donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare slagschaduwen over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson heerschte langs Java’s noordkust, ritselde in het gebladerte, bracht overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan, en temperde de warmte, in de middaguren opgedaan.
Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders als Europeanen, zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was, alsof een ieder zijn deel van de vrij goede muziek, zijn deel van de frissche lucht wilde hebben.
Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met de Europeesche ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te zijn in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene leemte. Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone Laurentia, in een fraaien landauer met een paar prachtige Sydneyers bespannen, op de aloon-aloon verschenen, en knikten allerwegen met de meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden daar ambtenaren van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van het garnizoen, met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende bureaux, met de koryphaeën van den handelsstand, van het nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld van hunne echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat bij dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd en vroolijke geaardheid als het ware een cachet van opgewektheid aan dergelijke bijeenkomsten in de open lucht bijzette, en dan ook de fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes oogstte.
„Waar zou Eduard van Rheijn toch zitten?”
„Waar Leendert Grashuis?”
„Waar August van Beneden?”
Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen kruisten.
„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?”
„O, die zit in de nor.”
„In de nor?... Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,... dan is het duidelijk, waar de anderen zitten!”
„Die houden hem gezelschap.”
„Dat ’s buiten kijf.”
„Het is een troepje trouwe vrienden.”
„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien... Maar... daar wandelt Mokesuep!”
„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij zijn cilinder afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.”
„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!”
„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho...”
„Shut!.... geen cancans!”
„Zijn dat cancans, wat geheel Santjoemeh weet?”
„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?”
„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename kermis zou te huis komen!”
„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!”
„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!”
„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen...”
„Dan zal hij doen evenals de resident... en...
„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.....”
„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: Le lever du soleil...”
„Van wien?.... Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!”
„Stil nu, luistert!”
Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene algemeene fuga het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd was, en de muziektonen in een plechtig koraal wegsmolten, dook de werkelijke zon achter de westelijke heuvelen van Santjoemeh weg.
„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester heeft te diep in het glaasje gekeken!”
Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten.
Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad. Van Nerekool, Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de geestigen van Santjoemeh de drie jongelieden noemden—waren Grenits gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin hij sedert eenige dagen opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk nadat zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog stond, en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe vrienden hadden zij die wandeluren, de kostelijkste van eene geheele week, wel voor den armen gevangene over, eene opoffering, die hare belooning in zich zelve vond.
Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had volstrekt geen naargeestig voorkomen, en was wel het minst geschikt, om aan een gevangenis te doen denken. Het was eene niet al te groote kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen konden gesloten worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren. Voor die kamer strekte zich eene vrij breede galerij uit, welker architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat weelde niet waar?—wel eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel van hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures waren. Die galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito vertrekken, die een zelfde doeleinde hadden, als waarvoor Grenits hier was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid te berooven. De galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van veelkleurige bloemen ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd gevormd door de verschillende gebouwen, die de eigenlijke gevangenis uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken waren; zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant werd ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele zuilenrij prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene fraaie collectie rozen, die de meest uiteenloopende variëteiten van de koningin der bloemen te zien gaf, van de dikke, dubbelde Persische roos af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos en de altijd groene roos toe.
Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene nette tafel, eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen Japara-meubelen [201]—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige medaillon-portretten aan den wand, eene fraaie hanglamp aan het plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van fijn gespleten rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest genoemd worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had laten brengen. De slaapkamer, die vlak naast het beschreven vertrek lag, en door middel van een binnendeur daarmede in verbinding stond, was even smaakvol gemeubeld, zoodat Theodoor Grenits zijne gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding vond, om „Mes Prisons” [202] of iets dergelijks te schrijven.
„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de eerste maal, dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet gissen, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het achter het slot houdt.”
„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn.
„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden.
„Waar hier aan de overzij?”
„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt gij wel anders spreken.”
„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was.
„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure geuren gauw verjaagd zoudt worden. Die menschen liggen daar opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel te klein voor zooveel gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is niets anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den vloer wedijvert, dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair wel te verstaan—des nachts nog vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers van het tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten. Voegt daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een paar ronde en zwaar getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt, zoodat het er uiterst bedompt en tamelijk schemerachtig is, dat de wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met bloedvlekken, die er streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander nog meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners tegen den muur platgedrukt werden, met sirihspuw [203] en met andere nog meer walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? dat ik u zoo’n bezoek afraad.”
„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek, en walg er nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw jongen heeft straks een pakje gebracht.”
„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het?
„Daar, op de piano.”
„Vrienden,” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende. „Hier hebt gij een fonkelnieuwe bedoedan. Ziet een smetteloos pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.”
„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar? Hoeveel tjandoe hebt ge?”
„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.”
„Dat is in Nederlandsch gewicht?”
„Drommels, laat zien.... Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.” [204]
„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis.
„Te veel, Leendert.”
„Maar Von Miclucho Maclay [205] gebruikte honderd en zeven greinen bij zijn merkwaardige proef.”
„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven greinen zijn nog maar achttien mata’s en eene breuk.”
„Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.”
„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” antwoordde Van Rheijn.
„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons zoo gezellig bij elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.”
„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen, welke uitwerking het opiumrooken heeft?...”
„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.”
„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere gedachte voorgezeten hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou ik deelnemen aan eene proef, alleen om.... ja, hoe zal ik mij uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden of waar te nemen.”
„Ik ook niet,” sprak Van Beneden.
„En ik ook niet,” zei Van Rheijn.
„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar eens herinnert, wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.”
„Poeah! Poeah!” riepen de anderen.
„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei Van Nerekool hoogst ernstig.
„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,” sprak Van Rheijn, „namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.”
„Ja, maar.... wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,” meende Grashuis.
„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den civiel ambtelijken dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar niet de faculteit,” zei Van Beneden.
„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn.
„Komaan, biecht op!”
„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.”
„Murowsky, de Pool?”
„Murowsky, de slangentemmer?”
„Murowsky, de kapellenvanger?”
„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een weinig eerbied voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij is de meest merkwaardige entomoloog, dien Indië ooit bezeten heeft, en dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche vorsten en vorstjes zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden te verleenen voor iedere compleete of niet-compleete verzameling van opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal walgelijke insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet, dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van geleerdheid zal verleenen, waardoor ze tot de merkwaardigste van de geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze Pool was verrukt, toen hij ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik hem verzocht de proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en minimum thermometers meêbrengen, ook zijn stethoskoop. Hij zou de dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring waarnemen, en... wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij zal uitkramen!”
„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op.
„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden.
„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van Rheijn. „En voor niets ter wereld zou hij de uitvoering op de aloon-aloon willen missen. Daarenboven hij is „sakit rindoe” (verliefd) op Agatha van Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het plein zijn.”
„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.... duiten ook!”
„Ja, de Polen zijn niet dom.”
„Maar, wanneer komt hij nu?”
„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn. En een zijner deugden is: dat hij stipt woord houdt.”
„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van August van Beneden.
„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde wees.
En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek gemengd had, was opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij gedachteloos eenige accoorden aangeslagen, eenige motieven gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk l’Absence van Tal, en vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers.
„Neen,” zeide Eduard van Rheijn, „geen muziek! Gij ziet er de uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En, zoo iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als deze.”
Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van Nerekool de handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het hoofd diep voorover boog, riep hem Eduard:
„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting, dat Murowsky komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork ontvangen heb.”
„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl hij opstond en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord op mijn schrijven.”
„Ik ook niet,” zei Van Beneden.
„En ik ook niet,” zei Grenits.
„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het veel te druk daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is thans de eenige civiele ambtenaar in die militaire wereld.”
„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand gebracht werd,” merkte Grashuis op.
„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits. „Het zal niet lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als Robinson Crusoë op zijn eiland, met geen andere aanrakingspunten dan die der kogels met de omringende ingezetenen.”
„Kom, Theodoor, geen politiek!”
„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar hebben wij Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het water. En toch geldt het daar het innigst belang van vaderland en kolonie, die....”
„Schei uit! Schei uit!”
„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne gasten, die mij, armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten, geene conversatie opdringen, die hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen heeft. De Inlandsche bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk overvalt....”
„Alweer?... Schei uit, Theodoor!”
„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging Grenits voort, „en voor de gamelle der marine te zorgen hebben?”
„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn ietwat spijtig. „Het is net, alsof ik over den handel in madapollams wilde medespreken.”
„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld. Schoenmaker, houd je bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat schrijft hij?”
„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te zeggen, dat ik hem een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die in zijn vroegere contrôle-afdeeling Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en welke invloed de meêgaandheid van den tegenwoordigen controleur op den toestand der bevolking aldaar heeft. Hij antwoordt daarop, en gij kunt wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet rooskleurig zijn. Luistert maar:
„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de verhoudingen te Banjoe Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken aan de orde van den dag, de opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och! och! Is dat alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden toch niet in eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort bestek zoo verschillend voor, als gij die beschrijft, dan zijn er toch voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest, om tot zulke veranderingen aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik niet altijd gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te gaan. Wel is waar, is het mij niet te wijten, dat de bestaande opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd. Zij bestond reeds, toen ik te Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen de afmetingen nog niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel dèsalieden in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen aantoonen, dat die kit geen reden van bestaan had, dat zij in geene bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds gedaan; maar zwak, vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij als verzachtende omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden was als ambtenaar de rijks-inkomsten te vermeerderen; dat, door het opiumverbruik niet in den weg te staan, ik meêhielp het nadeelige saldo voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral niet van wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp te verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik zou pogen paal en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou verbrijzeld geworden zijn, wanneer ik den vinger naar dien kurk van het nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben; dat mijne dierbare familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende verwezen zouden zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude zijn; dat alles baat mij niets, geeft mijn geweten geene bevrediging. Want, onverbiddelijk als een streng geweten kan zijn, doet dat mij de aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar te kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik toch bij eede bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben geen keer....
„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te verheugen, dan zou ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo, den afschuwelijken bandoelan, die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft. Maar.... waartoe zich verheugen?... Voor hem zal weer een ander gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich zal nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het zijn moet, te scheppen, en het Gouvernement?... het Gouvernement??... nu ja,... dat steekt de op gruwelijke wijze verkregen penningen met een glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk applaudisseert.”
„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits sarcastisch.
„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet gedaan te hebben,” vervolgde Eduard van Rheijn onverstoorbaar zijne lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het stellige voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik mij tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel zooveel mogelijk te beschermen. Maar... maar, die gelofte is gauwer gedaan geworden, dan wel volvoerd. Want, wie heb ik hier te Atjeh te beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier rondom mij krioelt, lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na, wat hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de bevolking stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen vooruitdrongen. Toen die opperofficier naar Nederland terugkeerde, hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen volkomen verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de strook tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van Marassa uitzonderen wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden, die zich evenwel volstrekt niet verslaafd aan het opiumgebruik vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel verbeterde de toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed de bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het benarde Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te verschaffen, en daarin ook meesterlijk slaagde, zoo werd zijne positie nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden geene andere aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om elkander op het allervinnigst te bestoken.... Gij weet het, althans de geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het eerste, wat onder de plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is niet een bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste zegeningen van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was nog niemand aanwezig om opium te rooken, toch moest er een pachter zijn!... Waarom?... Zie Eduard, wanneer ik mij die vraag ernstig stel, dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks geschiedde, om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van gelduitgeven voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van geldverdienen ging aanbreken. Gij zult u nog herinneren, hoe de dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen in 1875 vernomen werd, dat het recht tot den verkoop van opium in het klein te Atjeh 192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht had. Zij, die nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde bate zou hebben.
„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn, wanneer slechts opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven Marassanen. Wanneer toch aangenomen zou kunnen worden, dat daarvan alle mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet waar is; onder den kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan zoude dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk 16,000 gulden ’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken zij opium, in stede van dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de pachter ook nog de van Gouvernementswege verstrekte opium te betalen heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, dat hij leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig mag aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden [206] Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas bezorgde?
„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard:
„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde alhier, over wie ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge van de hoogst gebrekkige kampementen en bivouacs, onmogelijk voldoende toezicht te houden was; terwijl van repressieve en nog minder van preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers van den opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en verwaardigden zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de gelegenheid er voor bestond, ook de kleeding van den verlokte tegen het vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij nu, waarde vriend, waarom de verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot zijn geweest, zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven? Begrijpt gij nu, een der redenen, waarom het Indische leger zóó gedemoraliseerd is, dat,—rekent men de krijgsmacht te Atjeh niet mede, die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen van geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat van tegenweer te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet overdreven genoemd mag worden, de bewering te uiten, dat van dat leger bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer koloniën door een westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is.
„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat, wanneer hij, afgericht en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte aan de uitgaven, welke zijne verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt u dan af, of het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke fictieve baten te hulp riepen.
„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de verbruikers van het vergift, door het vaderlijke Nederlandsche bestuur langs wettigen weg beschikbaar gesteld. De Chineesche arbeiders en landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te Malakka, te Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten landstreek te bevolken, leverden een ander contingent, en een groot ook, aan de opiumschuivers, en derhalve ook aan de vlottende bevolking der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie zal het wagen de onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen, door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te dichten?
„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en zijn de bedienden van officieren, van ambtenaren, van leveranciers. En al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten voor vervanging en verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse teweeggebracht, te Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene onveiligheid voor have en goed heerscht, waarvan gij u op Java moeilijk een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt kunnen vormen.
„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota Radja, waar te nemen is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en om de opiumkit, in en om het plekje, waar het vergift langs wettigen weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt, is eenvoudig niet weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te Kaligaweh, nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de meest bedorven verbeelding zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst, waartoe de Macaosche hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk zijn, veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen.
„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet langs wettigen weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden. Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk land bevond zich destijds, en bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd [207]. Geen handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s kust naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een betrekkelijk gering toezicht voldoende om te beletten, dat ook maar een enkele taël [208] clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte van het Atjehsche rijk aan wal gebracht kwam, of komt. Er was toen, en er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite te nemen, om het vergift te weren [209]. Maar neen, dat vooral wilde men niet, en wil men nog niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen genomen worden, om de opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking van het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben. Ook moest der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met een bate, die te Atjeh werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk en op financiëel gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel te bereiken, is men er niet voor teruggedeinsd, de militaire macht en andere landsdienaren te vergiftigen, te démoraliseeren, ja aan de grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter wille van het uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek van den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de zegeningen van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs wettigen weg vergiftigd zal worden.
„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal worden om mijnen plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet behoeven uiteen te zetten. Die plicht kan toch met dien van ambtenaar onmogelijk overeen gebracht worden....”
XXXII. EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT
„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.
„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten blijken, betwijfel ik zeer, en....”
De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.
„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar, donnerwetter...”
„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op de aloon-aloon?”
De Pool bloosde tot achter zijn ooren.
„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.
„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar gewandeld, en dan....”
„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”
„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.
„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”
„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg Grashuis.
„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna zitten,” zei Van Beneden.
„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. „Een echte sfinx, die mij te pakken had.”
„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”
„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem aan huis te komen.”
„En?” vroegen allen.
„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.
„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato....” wilde Van Beneden vragen.
De Pool liet hem daartoe geen tijd.
„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.
„Uwe overplaatsing?”
„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”
„Maar, waarheen?”
„Naar Gombong.”
„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een allerliefst plaatsje.”
„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van Rheijn.
„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen slechts spaarzaam beoefend.”
„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.
„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar voort.
„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende.
„Dus niet over zee?”
„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn hart verloren.”
„Te Gombong?” vroeg Murowsky.
„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw Anna van Gulpendam wel?”
„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind niet kennen?”
„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het hart van onzen vriend medegenomen.”
„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat Nederlandsche woord vergissende.
„Vindt ge?” vroeg Grashuis.
„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel Karel van Nerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.
„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het: experientia optima rerum magistra (de ervaring is de beste leermeester der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”
„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”
Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde.
„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje geopend had.
Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:
„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen, die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder deze is het product geheel waardeloos.”
„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.
„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.
„Als ik maar niet meê behoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet de waarnemingen verrichten.”
„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.
„Waarom gij eerder dan een ander?”
„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes uit te slapen.”
„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”
„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak van Setrosmito.”
„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad zouden wij ongaarne missen.”
„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.
„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”
„Welaan dan, ik ben gereed.”
„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.
„Ik ook nog niet,” voegde Eduard van Rheijn er bij.
De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij zorgvuldig in een zakboekje op.
„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”
„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.
„Vijf en twintig mata’s!”
„Mata’s? [210]... Oogen?” vroeg de Pool.
Allen barstten in lachen uit.
„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat...”
„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”
Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.
Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en heengegaan was, ging de Pool voort:
„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.
„Uitkleeden?” vroeg deze.
„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het bovenrif kunnen zien.”
Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een oogenblik daarna terug in het traditioneele nachttenue van Nederlandsch-Indië.
De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits kon een glimlach niet weerhouden.
„Waartoe al die poespas?” mompelde August van Beneden Leendert Grashuis in het oor.
„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”
„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?” was de vraag van Grenits.
„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef begonnen worden.”
Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit op.
„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.... Wanneer hebt gij het laatst gegeten?”
„Om half een, de gewone rijsttafel.”
„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn horloge keek. „Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke dranken gedronken?”
„Niets, als een enkel glas pale ale.”
De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.
Eduard van Rheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde pilletjes te kunnen rollen. Dat ging onzen aspirant-controleur vrij handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met genoegen onderricht gegeven.
„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen [211]?”
Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis een klein aarden pijpenkopje aangebracht.
„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik aangeschaft heb.”
„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”
„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de pijpenkop met „tahi madat” [212] aangeslagen is, hoe heerlijker het schuiven moet zijn.”
Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende het hoofd op een niet te zacht kussen.
„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien hebben.”
„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.”
Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat op den bewusten avond de schuivers had zien doen.
„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”
Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af, maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72, ademhaling 24, temperatuur 37,5.
„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”
Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.
„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.
Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.
„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.
„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.
„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”
De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje.
„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de neusgaten te doen uitkomen.”
„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk zoet, die rook.”
Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te slikken, hem een poos binnen te houden, waarna hij hem in fijne krulletjes langs den neus liet ontsnappen.
Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, temperatuur normaal.
Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:
„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren vervangen.”
Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij eene lichte neiging tot slapen ondervond.
Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg.
Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden; want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij evenwel geene beschrijving wist te geven.
„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”
Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon, ieder accoord genoot, in zich opnam.
„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer spelen, nog meer rooken!”
Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde, dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.
Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken kunnen voortgezet worden. Dokter Murowsky constateerde, dat de polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel de conjunctiva (bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden zwaar en de oogen zelven gesloten waren.
Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.
Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen opende was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.
Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich bevond, antwoordde hij:
„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer voorheen ondervonden heb!”
Terwijl de dokter opteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols 70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky, of hij niets verlangde, antwoordde hij:
„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!... Zoo moet de proef mislukken!”
Een oogenblik daarna riep hij uit:
„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is toch de pijp?”
„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”
„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3° toegenomen is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst voor de wetenschap.”
Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest dierlijken wellust getuigden.
Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde?
„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”
Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende. Hij hield Grenits’ pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak uitgestrekt lag op diens borst.
„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.
Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle omstanders hem met verwondering gadesloegen.
„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die heupbewegingen eens!”
Maar de Pool had daar geen ooren naar.
„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap moeten wij voort!”
Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg hij Theodoor’s bewegingen gade. Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was wanhopig, dat de patiënt zoo weinig sprak.
„Grenits! Grenits!” riep hij, „hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij den patiënt tegen den neus knipte.
Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.
„Hoort ge mij?... Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van ongeduld.
Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.
„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”
„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.
„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”
Hij boog zich nog verder over den patiënt, en wendde het belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren.
„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij voortging Theodoor tegen den neus te knippen.
„Wat ik gevoel....” bromde deze.... „wat ik gevoel... O! het is nog heerlijker dan...........” [213]
„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet een einde komen!”
Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit.
„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan komen!”
„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.
Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot 38,6. De patiënt was zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.
„De pijp?... Waar is de pijp?.... Van Rheijn, waar is de pijp!” schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en onsamenhangende uitdrukkingen.
Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken, en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen.
Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de lichaamswarmte 37,4° bedroeg.
„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij hem doorbrengen.”
De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug en copieus genoeg laten bedienen.
Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe te zenden.
De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming gezinspeeld werd.
„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor den geest staan. Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlog à outrance aan de opium!”
XXXIII. IN DE REGENTS-PANDOPPO
Daags na die proefneming zou het een merkwaardige dag zijn voor de ingezetenen van Santjoemeh.
De landraad vergaderde toch, en zou heden na de te voeren pleidooien uitspraak doen in de zaak van Setrosmito,—den vader, zooals men weet, van baboe Dalima,—die beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een bandoelan in de uitoefening zijner functiën gepleegd, in de gevangenis zijn lot zat af te wachten.
De getuigen waren gehoord, en de beschuldigde had bekend een Chinees met zijn kris gedood te hebben; maar hardnekkig ontkend, dat hij schuldig was aan opiumsmokkelarij.
Geheel Santjoemeh was op de been, althans het Europeesche gedeelte; want men wist, dat August van Beneden pleiten zou. Wel was onze rechtsgeleerde reeds in de zaak van baboe Dalima als pleitbezorger opgetreden, maar had zich daarbij meer tot aanwijzingen bepaald, en zich minder als redenaar ontwikkeld; zoodat zijne thans te voeren pleitrede als zijn maidenspeech kon beschouwd worden. Daarenboven had hij in gezellige kringen en bij verschillende andere gelegenheden genoegzame bewijzen van redenaarstalent gegeven, om te doen veronderstellen, dat men heerlijke oogenblikken van kunstgenot zoude doorbrengen. Er werd bij verteld, dat de gepleegde moord aanleiding gevonden had in onbetamelijke handelingen, door den vermoorden bandoelan jegens het dochtertje van den moordenaar gepleegd. Het Santjoemehsche publiek was vrij wel op de hoogte van de afzichtelijkheden, die zich de bandoelans bij de visitatie aan den lijve gewoonlijk veroorloofden, zoodat een ieder het er voor hield, dat zeer pikante zaken gehoord zouden worden, en overtuigd was, dat de jeugdige rechtsgeleerde, die van ijver voor den dienst van Themis blaakte, de gelegenheid niet zoude laten voorbijgaan, zonder den vinger te leggen op de opiumpacht, die snerkende brandwonde voor de Javaansche maatschappij, die schande voor de blanke overheerschers.
De pandoppo van de regentswoning, waarin de landraadzittingen plaats hadden, was dan ook reeds lang voor den tijd der opening gevuld. Zelfs dames waren verschenen [214], en onder haar de schoone Laurentia van Gulpendam waarschijnlijk ter wille van de kiesche dingen, die gehoord zouden worden. Het talrijke bediendenpersoneel dier pandoppo keek verwonderd op; want, dat was aan zoo’n toeloop niet gewend,—gewoonlijk toch blonk het publiek bij dergelijke zittingen door zijne afwezigheid uit.—De „boedjang’s” (bedienden) hadden de handen vol met het aanbieden van stoelen, en waarachtig die kwamen weldra te kort, hoe weelderig zoo eene Kaboepatèn (regentswoning) ook gemeubeld is.
Ware het avond geweest, en hadden de kroonlampen, die in die pandoppo hingen, met heldere vlam geschitterd, dan had men aan een gezellige bijeenkomst kunnen gelooven, of beter nog aan een séance van een goochelaar of zoo iets. Aan het einde der ruime hal bevond zich toch eene verhevenheid, drie trappen hoog, waarop eene vrij groote tafel, met groen laken bekleed, bevracht met een dik boek en allerlei overtuigingsstukken, en omgeven met een aantal stoelen. Een politie-oppasser, die blijkbaar, uit houding en gelaat af te leiden, het gewicht zijner functie begreep, stond op post bij die tafel, om de profanen daarvan verwijderd te houden. Wanneer een spotvogel dien man opgedragen had zijn sabel te trekken, zou hij voorzeker het roestige stuk ijzer met edelen zwaai uit de scheede voor den dag gehaald hebben.
In afwachting van de komst van de leden van den landraad, kortte de menigte den tijd zoo aangenaam mogelijk. Men begroette elkander, men lachte, men kortswijlde, men praatte, en gedroeg zich daar in dien tempel der gerechtigheid als in een café-chantant gedurende de pauze.
„Goeden morgen, mevrouw Van Gulpendam, komt gij ook eens eene zitting bijwonen?”
Het was de heer Thomasz, de substituut-griffier, die heden, omdat de griffier zelf fungeerde, en amateur een kijkje kwam nemen, en dus van de gelegenheid gebruik maakte, om de schoone Laurentia zijne hulde aan te bieden.
„Goeden morgen, mijnheer Thomasz,” antwoordde de residents-vrouw, terwijl zij hem hare fraaie hand reikte. „Ja, ik kom ook eens kijken. Ik heb nimmer eene landraadzitting bijgewoond. Ik ben wel nieuwsgierig. Het zal wel interessant wezen, nietwaar?”
„Dat denk ik ook, mevrouw. Hoewel voor mij, de getuigenverhooren meer pikants opleverden.”
„Dat kan ik denken. Maar... die afschuwelijke moordenaar zal zeker veroordeeld worden?”
„Dat is nog zoo geheel zeker niet, mevrouw.”
„Niet?”
„Neen, wel sluit het requisitoir van den hoofddjaksa als een bus; maar sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn, [215] speelt eene ziekelijke philantropie den baas, en het zou mij niet verwonderen, dat deze booswicht vrijgesproken werd, vooral nu....”
„Ja, ik weet wat gij zeggen wilt, mijnheer Thomasz,” viel Laurentia hem in de rede. „Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal gaan pleiten [216]. Het is ongehoord! Maar, wie betaalt dien advocaat, mijnheer Thomasz?”
„Shut! mevrouw. Dat is een geheim!”
„Een geheim?... Gij schijnt het toch te weten. Kom vooruit! met wat gij weet. Voor de vrouw van den resident moogt gij geen geheimen hebben.”
Thomasz glimlachte even.
„Laten wij even op die estrade gaan,” zeide hij, „dan kan niemand ons hooren.”
Beiden stapten de verhevenheid op, naderden de tafel en hielden zich, alsof zij de voorwerpen, daarop uitgespreid, bekeken. De politie-oppasser wachtte zich wel der njonja resident en den toean-kripier dat te beletten.
„Welnu,” vroeg Laurentia, „nu kunt gij spreken. Wie betaalt dien advocaat?”
„Een kongsie, mevrouw.”
„Van Chineezen?” vroeg de schoone Laurentia onstuimig.
„Dat heb ik niet gezegd, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier met eene buiging.
„Eene kongsie van wie dan?”
„Van Europeanen, mevrouw.”
„Gij kent ze! O, loochen dat maar niet. Ik zie het op uw gezicht.”
„Stil, mevrouw, daar naderen een paar dames den trap.... Zie,” sprak Thomasz overluid, „dat is de kris, waarmede de moord geschied is. Het bloed zit nog aan het gevlamde lem. Daar, die zwarte vlek.”
Mevrouw Van Gulpendam greep het wapen.
„Zeg mij de namen,” zeide zij zacht.
„Ik weet maar een. Van Nerekool....”
„Van Nerekool!.... Altijd die Van Nerekool!” siste de schoone vrouw tusschen de tanden.
En zich naar de pandoppo wendende:
„Henriëtte! Henriëtte!” riep zij tot een der genaderd zijnde dames. „Kijk, hier is de kris, waarmede de moord gepleegd werd.”
De geroepene trad met hare vriendin de estrade op. Het was alsof de politie-oppasser een pas vooruit wilde doen. Een trotsch gebaar van de schoone Laurentia weerhield hem.
„Is dat de kris?” vroeg Henriëtte.
„Ja,... Zie, zoo.... dwars door den strot,” zei mevrouw Van Gulpendam, met het wapen een vervaarlijken zwaai makende, die de dames deed achteruit stuiven.
„De schoone Laurentia is inderdaad schoon!” prevelden een paar jongelieden tegen elkander. „Kijk die houding eens, die buste, dat trotsche gelaat, die hand, welke den dolk omklemt. Net Lady Macbeth! En, kijk dien onberispelijken voetwreef eens!....”
„Ja, zij poseert!” antwoordde een ander. „Zij weet, zij gevoelt, dat wij haar bewonderen.”
„Wees niet bang,” ging mevrouw Van Gulpendam voort. „Kijk, hier zit het bloed van het slachtoffer, nietwaar mijnheer Thomasz?”
„Ajakkes!” riepen de beide dames. „En durft gij dat aanraken, lieve mevrouw?”
„Waarom niet?” antwoordde Laurentia hooghartig, terwijl zij den kris kletterend op de tafel smeet. „Dat ding bijt niet.”
„Dat is zoo, lieve mevrouw,” zei Henriëtte. „Maar de gedachte alleen, dat daarmede een mensch vermoord is....”
„Slechts een Chinees!” antwoordde mevrouw Van Gulpendam neusoptrekkend.
„Is een Chinees dan geen mensch, lieve mevrouw?”
„Maar zoo wat,” was de meening van de trotsche Laurentia.
„Goed, dat Lim Yang Bing of Lim Ho u niet hooren, mevrouw!” merkte de heer Thomasz op.
„O, met die is het wat anders!” hervatte de hooghartige vrouw.
„Dat zijn de opiumpachters!”
„Dat zijn de millionairs!”
Die beide uitingen waren door de twee andere dames met de aan haar geslacht eigen beminnelijkheid gezegd, welke Laurentia onaangenaam kittelde. Zij liet er evenwel niets van ontwaren.
„Ja, het is waar ook,” sprak Henriëtte, de beminnelijkheid vervolgende. „Waar zijn die twee Chineezen? Kijk, daar is de kapitein-Chinees, daar is ook Kam Tjeng Bie, de rijke handelaar; maar de opiumpachters zie ik niet.”
„Die zullen zich wel wachten heden de landraadzitting bij te wonen!” antwoordde een der andere dames.
„Ja; want die hebben genoeg te doen met de toebereidselen voor de bruiloft, die eerstdaags zal plaats hebben,” liet mevrouw Van Gulpendam als ’t ware achteloos volgen.
„Is de moordenaar niet de vader van baboe Dalima?” vroeg Henriëtte, „welke Lim Ho beschuldigd heeft van....”
„Allemaal praatjes, liefste Henriëtte!” viel Laurentia in, „en daarvan mag men in het babbelachtige Santjoemeh geen tiende voor waar aannemen. Maar.... mijnheer Thomasz, wat is dat voor „gollokh” (kapmes), die daar op tafel ligt? Heeft de moordenaar dat ook gebruikt? Er zit bloed aan.”
„O, dat is eenvoudig kippenbloed,” antwoordde de substituut-griffier.
„Kippenbloed?” vroeg Henriëtte lachende.
„Ja, lieve mevrouw, dat is de „gollokh soempah.””
„De gollokh soempah?”
„Het eeds-kapmes in onze taal, mevrouw. Het is daarmede, dat de Chineezen den eed afleggen.”
„Hebt gij dat wel eens gezien, mijnheer Thomasz?”
„Dikwijls, mevrouw.”
„Toe, vertel eens. Hoe gebeurt dat?”
„Och heel eenvoudig, dames. De te beëedigen getuige wordt door den Chineezen tolk en vergezeld van een der leden van den landraad buiten gebracht bij een houtblok. Daar wordt hem den gollokh ter hand gesteld, waarmede hij een zwart kuiken op dat houtblok den kop afhouwt. Niets meer en niets minder. Het is eene handeling zonder beteekenis, die, wanneer men haar voor den eersten keer ziet gebeuren, een zeer bespottelijk figuur maakt.”
„Waarom een zwart kuiken, mijnheer Thomasz?” vroeg Henriëtte.
„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier. „Maar, gij weet, dat het wit de rouwkleur der Chineezen is.”
„Dat’s waar ook. Maar... eene zwarte kip?... Dus zou er toch eene beteekenis ten grondslag van de handeling liggen?” hernam Henriëtte nadenkend.
„Het is mogelijk; maar ik heb ze nimmer kunnen ontdekken, hoeveel navraag ik ook bij de tolken en bij de Chineesche hoofden ingesteld heb,” antwoordde de heer Thomasz. „Er bestaat evenwel een andere Chineesche eedsaflegging, dames, die in zeer wichtige gevallen gebezigd wordt. Die is niet van beteekenis ontbloot.”
„Bestaan er wichtiger gevallen, dan voor den rechter getuigenis der waarheid af te leggen?” vroeg Henriëtte schamper.
„Zeker, mevrouw!”
„Wichtiger dan het geven van getuigenis, waarvan de veroordeeling en het leven van een mensch kan afhangen?”
„Zeker, mevrouw!”
„Die ben ik wel benieuwd te hooren!”
„Bij voorbeeld: de groote eed, die door het gouvernement gevergd wordt bij de aanstelling der Chineesche officieren.” [217]
„Zoo, is dat wichtiger?” vroeg Henriëtte met een schaterlach.
„Die groote eed wordt ook, evenwel zelden, bij zeer belangrijke civiele gedingen gevergd. [218]
„Waarbij het de dubbeltjes geldt, nietwaar? Dat begrijp ik. Maar toe, vertel ons iets van den eed.”
„Gaarne, mevrouw. Ik weet er evenwel niet veel van. De eed, daarbij gebezigd, is ontleend aan den eed, dien men in China aan vorsten en hoofdbeambten bij hunne aanstelling oplegt, en bestaat daarin, dat de persoon, die den eed aflegt, het door hem betuigde op een rood papier schrijft en het alles met de zwaarste vervloekingen, die bij onwaarheid of bij het niet nakomen hem zullen treffen, beëedigt. De eedaflegger brengt dit papier in gezelschap van een paar officieren zijner natie, en van een paar tolken naar de Pen-ta-King [219] (tempel), waar hij door een drietal Chineesche priesters den „King-Long” (tempelheer) en den „Low-tsoe” (meester van den wierookpot), bijgestaan door een „Thao kew”, (hoofdman) bij den ingang ontvangen wordt. Die priesters zijn gekleed in een soort van miskleed van roode zijde, niet ongelijk aan de koorkappen der Roomsche priesters bij sommige gelegenheden. Evenwel is daarop eene graphische voorstelling van het Cosmogenische Eerste beginsel [220] in gouddraad geborduurd. Zoodra in den tempel aangekomen, legt de eedsaflegger het beschreven roode papier op de „Hijeng Keng” [221] (offertafel) tusschen een aantal brandende kaarsen, eenige flesschen wijn en wat gebak, die tot offerande bestemd zijn, voor den „Tao-peh-kong” [222] (afgodsbeeld) neder. De priesters schreeuwen dan gedurende een poos eenige gebeden, waarbij zij bij sommige passages geducht de schel bengelen. Daarna leest de eedsaflegger het geschrevene op het papier met luide stem voor, terwijl alsdan vlijtig wierook gebrand wordt. Eindelijk brengt hij het papier bij de vlam van een der kaarsen, en laat het op de offertafel tot asch verbranden. Daarmede is de plechtigheid uit. De priesters schreeuwen nog wel hunne onaangenaam klinkende neusklanken; maar de gecommitteerden en de beëedigde maken dat zij buiten den tempel komen. Ziedaar dames, het weinige, wat ik heb kunnen waarnemen. Ik hoop, dat ik een verstaanbaar begrip van die plechtigheid medegedeeld heb.”
„Wij danken u zeer, mijnheer Thomasz,” antwoordde Laurentia, terwijl zij hem minzaam een handje toestak, maar intusschen den trotschen blik over de verzamelde menigte in de pandoppo liet waren.
„Naar wien zou zij kijken?” prevelde een der jongelieden beneden in de ruimte.
„Naar mij niet, helaas!” antwoordde zijn toespreker. „Misschien naar....”
„Toean, toean darie rad!” (de heeren van den raad) kondigde een politie-oppasser aan met eene stem, alsof een Fransche huissier het „la Cour, messieurs!” uitgegalmd had.
De naam van hem, naar wien de schoone Laurentia kon uitgezien hebben, bleef onuitgesproken.
En inderdaad, daar uit een der vertrekken van de bijgebouwen, waarop men van uit de pandoppo tusschen de „kree’s” [223] door uitzicht had, verschenen een paar Europeesche heeren, een paar Javaansche hoofden en een paar Chineesche officieren, die zich in plechtstatigen optocht naar de pandoppo begaven, en op de estrade plaats namen.
In de eerste plaats verscheen Mr. Greveland, de opvolger van Mr. Zuidhoorn en voorzitter van den landraad, daarop volgden Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, de regent van Santjoemeh, Radhen Pandjie Merto Winoto, de patih, en babah Thang Ing Gwam: de majoor der Chineezen, welke drie de leden van den landraad uitmaakten. Daarop kwam Mas Wirio Kesoemo, de hoofddjaksa, waarachter de griffier trad; terwijl de stoet besloten werd door Hadjie Moehammad Kassan, de panghoeloe of priester.
De voorzitter was gekleed in de rechterlijke toga met bef en barret, de griffier in zwarten rok en witten pantalon, de Javaansche leden van den raad natuurlijk in hun nationaal kostuum: kort buisje met staanden en met goud geborduurden kraag, daaronder een met idem geborduurd vest, eindelijk de fraai gestikte sarong in fijne plooitjes voor den buik geordend, en het hoofd, behalve met den hoofddoek ook met den „kopja” gedekt, dat vormlooze tooisel, hetwelk op een eindje kachelpijp gelijkt dat met smalle gallonnetjes versierd zoude zijn. De majoor-Chinees was in het mandarijnen-pak gestoken, dat in vorm zooveel van een Roomsch miskleed heeft, hetwelk evenwel, zoowel aan den voor- als aan den achterkant, met een monsterachtigen draak in goud geborduurd op het lichtblauw laken zou prijken. Zijn hoofd was getooid met eene soort pet, ook van lichtblauw laken, die veel van eene barret had, maar stijver was en die op den eenigszins verheven bol een pluisje of kwastje vertoonde, waarin een veelvlakkige schitterende blauwe steen ontwaard werd.
De panghoeloe was in de Arabische chlamyde gehuld, eene soort lange jurk van donkere stof, die hem tot aan de hielen reikte. Hij had een vervaarlijken grooten tulband op het hoofd, die aanduiden moest, dat de man het graf des Profeets bezocht had, en dus „Hadjie” (bedevaartganger) was. In zijn handen hield hij een boek, dat er niet zeer zindelijk uitzag. Dat was de Koran.
Op de trappen van de estrade, ter weerszijden van de tafel, namen ettelijke Javaansche jongelingen plaats, die natuurlijk ook in het nationaal costuum gedost waren, evenwel geen kopja droegen. Dat waren de „mantrie’s” gewoonlijk jongelieden van aanzienlijke geboorte, die toeluisteren en zich oefenen kwamen, om later in staatsdienst te kunnen treden. Zij zaten daar op die treden met voor zich gekruiste beenen en hadden hun schrijfbordje op de knieën rustende, gereed om de snuggere opmerkingen op te teekenen, welke aan de vergetelheid moesten ontrukt worden.
Mr. Greveland zat natuurlijk voor het midden der langwerpige tafel. Rechts van hem zat de regent, en links de griffier. Naast den regent zat de djaksa, die den panghoeloe aan zijne rechterzijde had. Naast den griffier zat de patih en naast dezen de majoor-Chinees. Deze plaatsing was stipt volgens de etiquette, waarop de meeste Oostersche volkeren zoo gesteld zijn, bepaald.
Een oogenblik, nadat die rechterlijke stoet had plaats genomen, verscheen August van Beneden, ook gekleed in de toga, en nam op aanwijzing van den voorzitter plaats aan het uiteinde van de tafel naast den majoor-Chinees. Het was een eigenaardige aanblik [224], welke die pandoppo van de regentswoning thans opleverde.
Zooals gewoonlijk, was het een ruime loods, welker hoog dak op een achttal pilaren rustte, en dus aan de zijden geheel open was. Tot tempering van het schelle licht en ook om de onbescheiden blikken van buiten te weren, waren de vakken tusschen de pilaren door groen geschilderde kree’s beschermd, terwijl bovendien achter de leden van den landraad nog een zeildoek gespannen was.
Vlak achter die leden zaten eenige Javanen nedergehurkt, die belast waren, met de dichtgeslagen pajoengs der Javaansche hoofden in de hand te houden, evenwel zoo, dat die emblamata van gezag achter hunne meesters goed zichtbaar waren.
Zooals die raad daar zitting nam, die als type kon gelden van de rechtbanken voor de Inlanders op Java [225], vertoonde hij een wonderlijk mengelmoes van de drie grondbeginselen, welke het Nederlandsche bestuur min of meer, maar steeds uiterst behendig, tracht te behartigen. Vooreerst het Europeesche recht, vertegenwoordigd door den voorzitter, dan de Inlandsche gewoonten en gebruiken, die vergen, dat de beide raadslieden uit Javaansche grooten, als het kan, uit edellieden bestaan, en eindelijk het Musulmansche recht, waaromtrent de priester de leden op de hoogte moet brengen.
Tusschen de estrade en de eerste rei stoelen was eene betrekkelijk groote ruimte gelaten, zonder dat evenwel een zweem van afsluiting te bespeuren was. Ter weerszijde van die estrade stonden een paar politie-oppassers met hunne gele uitmonstering en met hunne sabels op zijde, die aan gele bandelieren bengelden. Die Javanen schenen vrij wel met hunne figuur verlegen. Zij waren niet gewoon bij dergelijke gelegenheden zooveel publiek te zien.
Dat de schoone Laurentia in het midden der eerste rij stoelen had plaats genomen, verwonderde niemand. Die plaats kwam haar als njonja-resident toe. Naast en onmiddellijk achter haar hadden zich de voornaamsten van Santjoemeh, of die zich daarvoor hielden, gerangschikt. Daarachter vulde eene bonte menigte de pandoppo, die evenwel sedert dat de landraad binnen gekomen was, fluisterend met elkander sprak.
Eduard van Rheijn, Karel van Nerekool en Leendert Grashuis ontbraken natuurlijk niet, en hadden op de derde of vierde rij plaats genomen, vanwaar zij een goed overzicht hadden.
„Kijk Thomasz zich eens aangenaam bij de schoone Laurentia maken,” merkte Van Rheijn op.
„Ja, hij zet zijn beste beentje voor,” antwoordde Grashuis.
„Het is met hem tegenwoordig koek en ei in het residentiehuis,” prevelde een jongmensch, die achter onze vrienden gezeten was.
„Er loopen al zeer zonderlinge praatjes,” fluisterde een ander.
„Ja, in Santjoemeh zijn de praatjes niet zeldzaam,” zei Van Rheijn glimlachend. „Santjoemeh zonder chronique scandaleuse is ondenkbaar.”
„Drommels, als het er naar gemaakt wordt!”
„En als de waarschijnlijkheid een handje medehelpt!”
„Zoo, gaat ge dan op waarschijnlijkheden af, wanneer het de eer van eene vrouw geldt?” vroeg Eduard stekelig.
„Men verhaalt, dat de tusschenkomst van ’Mbok Karjå ingeroepen is.”
„En, als dat afzichtelijke wijf ergens in gemoeid is, ja, dan...”
„Men?” vroeg Van Rheijn. „Wie is die „men”? herhaalde hij ongeduldig.”
„Wel iedereen.”
„Daar hoor ik toch niet bij!”
„En ik ook niet! betuigde Grashuis.
„Shut!.... Laurentia schijnt iets te hooren,” fluisterde Van Rheijn. „Zie haar eens de ooren spitsen!”
„Wat ziet Van Beneden er deftig uit in zijn toga!” zei Leendert Grashuis hardop.
„Die japon flatteert hem niets,” zei Van Rheijn. „Hij zit er in als een parapluie in zijn foudraal!”
In dit oogenblik keerde zich Mevrouw Van Gulpendam om, en monsterde met een blik den groep jongelieden daar achter haar. Allen bogen diep bij wijze van groet. Minzaam beantwoordde zij dien. Van Rheijn evenwel werd met een innemenden glimlach begunstigd. Gold die zijne vergelijking van Van Beneden met een parapluie?
„Olijkert!” prevelde een der achter hem zittenden, en gaf hem een lichten stomp in de zijde. „Geeft ge daarom zoo af op die „men”?”
„Schei toch uit met dien nonsens! Je moest je schamen!”
„Hebt gij al een invitatie gekregen?” vroeg Grashuis, om het gesprek een andere richting te geven.
„Welke invitatie?”
„Om de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van Lim Ho bij te wonen.”
„Ja, die heb ik gekregen.”
„Ik ook.”
„En, ik ook.
„Een rare gewoonte,” zei Van Nerekool, „die receptie ten huize van den bruigom te houden.”
„Dat is zoo geheel afwijkend van hetgeen bij westersche volkeren plaats heeft.”
„Zooals alles, wat bij de Chineezen voorvalt,” zei Eduard van Rheijn lachende. „Het is bij hen alles averechts. Zij hebben wit voor rouwkleur, blauw voor halven rouw; hunne dames dragen pantalons en de mannen waaiers; zij laten messen, lepels en vorken aan ons barbaren over, en goochelen hun maal met een paar stokjes heel behendig naar binnen; zij hebben een afschuw van eene pen, maar schilderen hunne gedachten met een penseel in loodrechte zuilen op het papier; zij meenen dat de nakomelingen de voorouders tot adellijken stempelen, zoodat men bij hen na den dood graaf of baron kan worden; zij betalen hun dokter, wanneer zij gezond, maar weigeren betaling, wanneer zij ziek zijn. Laat die menschen dan ook bruiloft houden bij den bruidegom in stede van bij de bruid.”
Een algemeen gelach begroette dien koddigen uitval van den aspirant-controleur, die niet zacht gesproken had. Zelfs mevrouw Van Gulpendam stemde met het gelach in, en knikte hem vriendelijk toe.
„Ziet ge wel, gelukkige sterveling, in welk goed boekje ge staat?”
„Shut... heeren. Daar komt de moordenaar!”
„Zoo zonder boeien?”
„Jawel, de wet vergt, dat de beschuldigde vrij en frank voor zijne rechters verschijne!”
„Maar verbiedt niet, dat de suppoosten in zijne nabijheid blijven.”
„Shut!....”
Mr. Greveland had een slag op de tafel met den houten hamer gedaan.
„Deurwaarder, zorg dat er stilte heersche!” sprak hij met waardigheid.
Deze een sienjo, liep door de pandoppo op en neer, en beijverde zich stilte te verkrijgen.
„Shut!... Shut!... dames en heeren!... Shut!” schreeuwde hij, en maakte daarbij alleen meer leven dan het geheele gezelschap bij elkander.
De voorzitter klopte herhaaldelijk met zijn hamer.
„Stilte!” werd er geroepen.
„Stilte!... Shut!” herhaalde de deurwaarder; terwijl hij bedarend en smeekend de armen uitstak, alsof hij òf zwemmen òf een storm bezweren wilde.
Eindelijk gelukte het al die tongen, al die monden in bedwang te krijgen. Een der minst volgzamen was de schoone Laurentia. Voor wie zou zij zich ook als residentsvrouw te ontzien hebben? Die heeren van de rechterlijke macht zijn ook zoo aanmatigend!.... Maar eindelijk hield ook haar gekakel op.
„De zitting is geopend!” sprak de voorzitter plechtig; terwijl hij andermaal een slag met den hamer deed hooren.
„Suppoost, laat den beschuldigde nader komen.”
Setrosmito werd door een der politie-oppassers tot bij de trappen der estrade voor de tafel gebracht, waar men hem deed nederhurken. De man zag er ellendig uit. Wie hem vroeger gezien had, zou hem waarlijk niet herkend hebben. Die lange maanden, welke hij in de gevangenis doorgebracht had, hadden hunne werking waarlijk niet gemist. Hij was verschrikkelijk vermagerd; het bruin zijner gelaatskleur was in een fletsgrauw overgegaan; zijne lange haren, die bij vlokken onder zijn hoofddoek uitkwamen, waren grijs, schier wit geworden. Hij zag bij zijn voorwaarts treden schuchter rond, sloeg een smeekenden blik op August van Beneden, die hem bemoedigend toe wenkte, en hurkte toen gelaten neder. Bij zijn verschijnen voor de estrade was een hartverscheurende gil van: „Allah! tobat!” (Ach God!) opgegaan, die een streng: „diam!” (stilte!) aan den deurwaarder ontlokte. Daar achter stonden ettelijke Javaansche vrouwen, die de echtgenoote van Setrosmito, welke de zitting had willen bijwonen, vergezelden. De laatstbedoelde had dien gil, welke ieder hoofd had doen omwenden, geslaakt, toen zij den ongelukkigen, in wien zij haren echtvriend ternauwernood herkende, had zien voortreden. Van Nerekool snelde naar de arme vrouw toe, liet haar door een der bedienden van den regent een soort tabouret geven, en bracht haar tot bedaren.
„Nu stil zijn, ’Mbok Dalima,” [226] sprak hij. „Anders kunt gij hier niet blijven.”
Snikkend verborg het arme schepsel het gelaat in hare beide handen. Allerwege werd gemompeld:
„De vrouw van den moordenaar!..... Arme vrouw!”
„Stilte!” brulde de deurwaarder.
XXXIV. EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI
Toen de opschudding, door dien gil veroorzaakt, bedaard was, begon Mr. Greveland, zich tot den beschuldigde wendende, het verhoor:
„Hoe heet gij?” vroeg hij.
De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. [227]
„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover gebogen hoofd en den blik op den vloer gevestigd.
„Waar zijt gij geboren?”
„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.”
„Hoe oud zijt gij?”
„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.”
„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den griffier.
Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het voorloopig verhoor.
„Waar woont gij?”
„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel.
„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?”
„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.”
„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.”
„Engèh, Kandjeng toean.”
„Zeg het ons dan.”
„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,” antwoordde de Javaan uiterst kalm en steeds met neêrgeslagen blik.
Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen.
„Stilte!” vermaande de voorzitter.
„Stilte!” brulde de deurwaarder.
„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland.
De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk. Het was alsof hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op August van Beneden, die hem bemoedigend toesprak:
„Antwoord vrij uit, Setrosmito.”
„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer gebruik van de bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich onwelvoegelijke handelingen jegens mijn kind veroorloofde.”
De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne hoofden. Hij bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door niemand in de pandoppo verstaan werd, zoodat zijn antwoord geen indruk maakte.
„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u voorlezen, waarvan gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de getuigen verklaard hebben.”
„Engèh, Kandjeng toean.”
Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren zoo eigen, de voorlezing van de verschillende verhooren bij de voorloopige instructie opgemaakt. Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo, zelfs de voorzitter, die toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde nog het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde, eene taal, die door een eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer stil, om den djaksa tijd te gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen. Dit ging en zoo rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield den blik onafgebroken op eene plek van den grond gevestigd, frommelde met beide handen als in de grootste verlegenheid aan de slippen van zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa hem vroeg of hij begreep:
„Engèh, Kandjeng toean.”
De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden onder elkander, en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen blik aan dat gefluister een einde maken. Onder de toehoorders evenwel bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel men nu wel niet hardop praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en daar vermengd met damesgegiechel, dat aan de waardigheid der Justitie wel afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder al de macht zijner longen te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het; maar ook slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats, alsof een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde.
„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van Gulpendam.
„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer Thomasz.
„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames.
„Shut!...” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door zijn voorgevel praat. Hij mocht zich eens willen verbeteren.”
„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet zoo aan het lachen brengen.”
„Ik, mevrouw?”
„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een droog komiek zijt.”
„Is dat de meening van den resident, mevrouw?”
„Staat het praedicaat u niet aan?”
„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de substituut-griffier met een gezicht zoo uiig ernstig, dat de schoonen het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!”
„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer Greveland eens een ernstigen blik op u werpen!”
„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste gedeelte der pandoppo.
„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!”
„Of een bittertje krijgen!” riep een ander.
„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!”
„En?...”
„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer) kreeg ik ten antwoord van dien kanarievogel, die een gezicht zette als drie dagen west-mousson.”
„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.”
„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had....”
„Stilte!” riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!”
Eerbied voor de Justitie!... Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en... men verveelde zich doodelijk.
Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag van den djaksa: „hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze zijn eentonig klinkend: „engèh, Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo krachtig mogelijk door de stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd.
Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als officier van het Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor te dragen. Deze, een merkwaardig stuk, kon evenwel slechts hen boeien, die van de aanhangige zaak niets afwisten.
Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den bandoelan Singomengolo opgegeven waren. De officier van het Openbaar Ministerie nam de beschuldiging van opiumsmokkelarij als overtuigend bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats, waar de sluikwaar onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje, waarin zij vervat was, lagen daar als stukken van overtuiging ter tafel! Hij ging in korte trekken na, tot welke listen de smokkelaars hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid ten toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen geven. Ernstig ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht hand over hand op Java toenam, hoe die hartstocht vooral voeding vond door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend, toen hij op de noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste staande middelen te breidelen.
„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem uit, „hoeveel millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks schatkist ontsnappen, waardoor èn de welvaart van het groote rijk der blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke wereldzee gelegen, èn de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar bij tientallen te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik van die schatten kon gemaakt worden, wanneer zij regelmatig en ongestoord in ’s lands kas vloeiden!”
Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het woord tot de leden van den landraad richtte, zich naar het publiek gewend, overtuigd dat zijne woorden daar wel instemming zouden vinden. Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders, die daar verzameld waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen, hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud zouden zijn, liet hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel werd vernomen, vele knikken van goedkeuring werden ontwaard, en menige stem prevelde onhoorbaar zacht:
„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!”
Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet ontgaan waren, uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters geene gelegenheid zouden laten voorbijgaan om die slang, die zich ten koste van de volkswelvaart voedde, te verpletteren, en rekende er op, dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die zich nog aan eene andere veel grootere euveldaad schuldig had gemaakt, de zwaarst mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de dankbaarheid van de geheele Nederlandsche natie!
Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo had met een daverend handgeklap een voorproef van die dankbaarheid gegeven. Een enkel bravo-geroep werd vernomen, maar onmiddellijk gesust onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte! stilte!” van den deurwaarder.
De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte van de beschuldiging, waaronder Setrosmito gebukt ging, gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen bandoelan,—welke met de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte.
Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij, zijn requisitoir vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich tegen de huiszoeking verzet had; hoe hij bij het vinden van het noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor „gemeenen hond” had gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort had, en dien weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel gehaald had; terwijl moordenaar en vermoorde door een gulp bloed overstroomd werden.
Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe sensatie onder de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een gil in onmacht, en moest naar buiten gedragen worden. Dat gaf eenige opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen blik achter zich wierp, om toch te zien, wat er gebeurd was.
„Stilte!... Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen.
Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort met op de toenemende stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die voor geen moord terugdeinsden, om hunne sluikwaar te redden. Hij drong er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude stellen, ter bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch van de straffe des doods door ophanging, of mocht de verdediging er in slagen verzachtende omstandigheden te bepleiten, tot twintigjarigen dwangarbeid in den ketting.
Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een menschenleven maakt steeds een vreeselijken indruk op de menigte, hoe wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde aller monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot stilstand dwong. Die stilte duurde een korte poos, en was allen ondragelijk; terwijl niemand zich aan den invloed daarvan wist te ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan ook aan aller borst, toen de voorzitter die stilte verbrak.
„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de „toean-pfiskal” (heer-fiskaal) gezegd heeft?”
De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar antwoordde niet. Het geheele requisitoir was in het Maleisch voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner geen woord verstaan had. Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde zijne vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op August van Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen:
„Engèh, Kandjeng toean.”
„En hebt gij daar niets op aan te merken?”
Een nieuwe blik op den advocaat.
„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig.
Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op.
„Stilte!... Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder.
„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij zich kon doen verstaan.
„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend.
„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en zoo overluid, dat de advocaat haar hooren kon.
Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te nemen, het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene duidelijke stem, die door de geheele pandoppo weerklonk:
„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort gansch eigenaardig op Java te huis, ja, zou op geen andere plek der aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch van het Openbaar Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood, er moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die misdaan heeft moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het land der vergeldingswet: Oog om oog, tand om tand! Maar, zelfs tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig, staat het recht van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den ongelukkige, die voor u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te maken.
„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar Ministerie zijn uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan den rampzaligen in de clementie van de rechtbank aan te bevelen. Maar, neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben met eene verdediging, die door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene andere meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de gronden te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen voeren, dan wij zoo even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene onverdeelde aandacht.
„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige advocaat met sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan den ijver, aan de toewijding, aan het schrandere begrip van een man, van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid spreken kan, omdat ik door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben.
„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit was, toen de feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak op zich, om naast de instructie, die van wege den officier van Justitie ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij begonnen had, voort te zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen der bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der procedure aangetroffen worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd. Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden aan te roeren hebben, in onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor te eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk gedeelte van uwen kostbaren tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak van den ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te constateeren, dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en dat ik volkomen authentieke afschriften daarvan, door den Gouverneur van Atjeh en door den Directeur van Justitie te Batavia behoorlijk gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen.
„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een sierlijke beweging zoowel naar de leden van den landraad als naar het publiek, „kent Willem Verstork, en zou ik kunnen heenglijden over de edele eigenschappen, welke het karakter van dien landsdienaar sieren, ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht Mr. Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh aankwam, op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de onkreukbaarste ambtenaar is, die de achting en liefde van al zijne ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet, heeft weten te verwerven; dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne moeder en zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen tegenspraak te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij is de rechtschapenste mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie beweegt.”
Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap, was het antwoord van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij aan den eenen kant mevrouw Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten toorn op elkander deed klemmen, maakte zij den deurwaarder schier waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren deed.
„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een onzer verdienstelijke ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn hamer de noodige stilte verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen, daar ik anders verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!... Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken met uwe verdediging voort te gaan.”
„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich den tijd te nutte gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar Kaligaweh. Hij herinnerde zich Racine’s vers:
Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux, Un perfide assassin, un lâche meurtrier!
„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig overtuigen. En allerwegen vernam hij, dat de man, die daar voor u zit, gebukt onder de zoo zware beschuldiging, welke wij gehoord hebben, een onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam landbouwer, een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen hier op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het zachtmoedigste der aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk, dat het met fiskalische wreedheid op de schouders is gelegd. Ik heb hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono van het district Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de dèsa Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden dan Setrosmito, vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik; maar dat hij toch die keuze moest ontraden, omdat de eenvoudige sawahbewerker niet lezen of schrijven kon.
„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen te geven zijn, voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar?
„Opiumsmokkelaar!... O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen omgaat. Gijlieden weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh gebeurt. Gij keert het hoofd af, wanneer gij dat woord hoort! Opiumsmokkelaar!... Waarop grondde het Openbaar Ministerie die beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring van een bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die door de publieke opinie, als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op niets anders dan op dat doosje, dat daar ligt, hetwelk Singomengolo bij den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,... het is nog zoo lang niet geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen, afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen genoopt zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie diezelfde man volgens zijne verklaring een dergelijk doosje zoude gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt die verklaring van den bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van de baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel, hoort ge? Door geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen, die onweêrlegbaar blijken. Ik neem al weer mijn toevlucht tot de geschriften van Verstork. Luistert:
„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich aan de hut van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem dat gereedelijk toegestaan, nadat die drie zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. [228] Toen werd niets gevonden, ook niet onder het pandan-matje van de baleh-baleh. Dat hebben mij de twee politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De laatsten betuigden zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild was geworden, en dat de Chinees het hoofdkussen, hetwelk daarop lag, nauwkeurig doorzocht had.”
„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van Verstork’s schriftuur vervolgen:
„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich niet aan de gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde Setrosmito en zeide: „dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs van dat alles, door den kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.”
„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de Chineesche bandoelan, toch een slimme vogel, tot twee keeren niets gevonden had! Is dat duidelijk of niet?
„Opiumsmokkelaar!.... De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging ver, ver wegwerp, niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in opium-procedures worden soms de vreemdsoortigste bewijzen aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig en het slachtoffer is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo gewoonlijk gebezigd worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet worden, of wanneer een ellendeling zich wreken wil.
„Opiumsmokkelaar!... Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren toeleg gewezen op de millioenen, die door den sluikhandel voor de schatkist verloren gaan. Wiens hart heeft niet getrild bij de ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het dan ook van niet edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel verloren, maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet in doosjes, waarin slechts voor luttele waarde geborgen is. De millioenen, die gesloken worden... Och, heb ik wel noodig aan te wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden, uw mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê gemeente met hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om ongelukkigen, die hen hinderlijk zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik wel noodig die namen, die op aller lippen zweven, te herhalen? Och, wat zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne onthullingen aan den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het gegeven? Vraagt u dat af.”
Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste woorden, aan welke hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen in het brein zijner toehoorders te dringen. Het was stil, zeer stil in die ruimte, en schier ademloos zat de menigte daar, de woorden van den jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder den invloed van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de toestand, zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk monopoliestelsel in het leven geroepen is, zooals hij door haar met allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.”
„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging August van Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken hem ook van die aantijging te zuiveren, zooals ik dat van het eerste deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad is gepleegd. Het slachtoffer ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede de daad volbracht werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft afgrijselijk plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door de keel van den verslagene gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet onduidelijk; toch heeft het de verdediging daarmede meer dienst gedaan dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht, nadeel heeft kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe komt een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u deed kennen, tot zoo eene daad van woest geweld?
„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat onderzoek heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald. Laat mij u mededeelen, wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie heeft mij daarvan het voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen, die het gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak, die ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!”
En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid, welks weêrga men nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij sprak niet alleen, hij bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw Van Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat drama, hetwelk hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel wervelbeentje het geheele geraamte van een antediluviaansch monster te voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe Singomengolo weigerde zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men woonde het bij, hoe de aterlingen het schamele, huisraad het onderste boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden bij de losbandige handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen; men hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder, maar aanschouwde tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van Singomengolo had afgewend, en hoe deze van die verstrooiing gebruik maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar te voorschijn te brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam verleidde; hoe die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den ongelukkigen de hand naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik de kreet van de kleine Kembang weerklonk, en den toestand van het zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi stond van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader onthulde;... dat alles ging voor de oogen der rechters, der toeschouwers voorbij, en maakte diepen indruk op aller gemoed.
Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd door den advocaat met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven werd door hem, hoe de aterling in stede van aan dat bevel te gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop het „sterf dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting vervulde.
Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller harten hingen aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij de geest van het treurige drama was, dien hij door zijn woorden opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele rede, die in het Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich langzamerhand naar zijn verdediger gewend en zijn blik diep doordringend op den jongen man gevestigd. Neen, hij verstond dien woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar zijn geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige gebaar, dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht tintelende oogen knikte hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen over zijne wangen biggelden.
„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde hij hoorbaar te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de Javaansche hoofden en strekte de armen smeekend uit.
„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August van Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar afgebakend te hebben, de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een mensch doodde, maar niet anders deed, dan op te treden in een noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?” Wat zal dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen op dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te vrijwaren van de snoodste mishandeling, die in het bijzijn van een vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.... het geldt de opiumpolitie, hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken, dat iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die opium-politie het schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou ik in volle wanhoop uitroepen: wee der natie, welke zoo’n aterling bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de rechtsbeginselen met voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!”
Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg brachten. Het was of eene huivering allen daar in die pandoppo overviel.
„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar Ministerie wendende met klimmende zeggingskracht voort, die de huivering tot rilling deed overgaan. „En nu, ga voort, gij! Stapelt de eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een voetstuk van, trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus, uw oor niet zal kunnen bereiken!
„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u eenmaal bereiken. Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij gebreke van den bliksem des Allerhoogsten, de euveldaders, de aanbidders van den opium-afgod verpletteren!
„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere stem, maar toch met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te wederstaan was, tot de leden van den landraad. „Wat u betreft, stelt u in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen straks tranen vergoten, toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste. Stelt u voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van doodsangsten die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan heeft en in dezen stond ondergaat; dan zult gij eenigermate de onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer gij over eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader, die zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult weergeven.”
Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder. Het was reeds laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel. Een benauwende warmte heerschte in de pandoppo, en drukte loodzwaar op de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering allen bevangen had, welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef te klemmen.... Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte, die door enkele snikken afgebroken werd.... Toen barstte eene algemeene toejuiching los, die het dakgebinte tot in den nok deed trillen, en die de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem ook was, onvermogend was, tot bedaren te brengen.
Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle instemming met het gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de voorzitter andermaal dreigde het lokaal te zullen doen ontruimen!
Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom medegesleept gevoelende, die de geheele beschuldiging verzwolgen had, poogde de djaksa te verwerven, dat de zitting verdaagd werd. Maar die poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken betreurenswaardigen indruk die verdaging zoude teweeg brengen.
In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas Wirio Kesoemo niet anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij prevelde, zonder dat hem eenige aandacht geschonken werd, ettelijke omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van de noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij stotterde, draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij eenige oplettendheid verworven had.
Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar recht tot antwoord gebruik wenschte te maken.
Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting.
„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou kunnen zeggen, zou slechts den indruk verzwakken van het gesprokene door het Openbaar Ministerie, wien de beklaagde nog meer dan aan de verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd zal zijn!”
Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat het heilige boek voorschreef.
„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit. „Die man heeft gedood, die man moet sterven!”
Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw gevallen,” mompelde men.
De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange poos verschenen zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd vonnis voor, waarin, na een ontelbaar „aangeziens” en „overwegendes” eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken werd.
Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van Beneden toe, om hem geluk te wenschen met de behaalde overwinning. Zelfs de voorzitter, wel verre van thans die algemeene geestdrift te stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den steeds gehurkt zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat door den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik op den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte, terwijl hij eenige onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor August voldoende. Daarin was zich niet te vergissen: dat was de blik van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo mompelde eene stem: „De gerechtigheid der blanken is groot!”
Een oogenblik later was de menigte uit elkander.
„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik ben nog onder de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij het aangelegd, om de Inlandsche leden van den raad onder uwen invloed te krijgen?”
„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen!” [229]
„O, zoo! Nu, dat is leuk!”
De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude regent van Santjoemeh zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd had:
„Gij zijt een braaf mensch!”
XXXV. TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE
Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng, [230] die bergmassa, welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, aan Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine dèsa Ajo, een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den steilen bergwand voor het oog van de van noord en zuid naderenden, als in een terreinplooi verscholen lag.
De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel is waar, werd aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil oploopend terrein, dat rotsachtig en derhalve slechts met een mager stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook ter weerszijden was de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke het gebouwtje verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een vergezicht uit, dat in liefelijkheid en schoonheid uitmuntte, en alles vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden tekort kwam. Van het schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk, en opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest eischende verbeelding moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en slechts met bruin verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid, vertoonde, waartusschen een paadje grillig slingerde, als wilde het een wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje, dat kronkelend en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het plantenrijk zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele boomen met krom verwrongen stammetjes en knoestige takken, later door meer opgaande vertegenwoordigers van het gebied van Silvanus, om eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven ettelijke klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf.
Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met hare bruine daken en goudgele omwandingen te midden van het levendig groen, en spiegelden zich in de Kali Djetis, die de dèsa ten westen begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht beschreef, om zich met eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten.
Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama, dat zich voor de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken. Was toch de zee kalm, dan strekte zij zich met haar donkerblauw vlak eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder uit, die daar ginds zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige visschersvaartuigen, die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen, met hare blanke maar vreemdsoortige zeilen de watervlakte aangenaam stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door en werd die in zijn opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen zeil te bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het bereiken van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het afstroomende bergwater ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik als een blauwen muur voortrolden, om eindelijk zich in eene machtige krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, en zoo eene branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel opleverde, welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, maar ook ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n golf overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca” [231] in het klein vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden.
Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van die soort van de meest primitieve materialen, bamboe en atap, vervaardigd was. Het was eigenlijk slechts een omwand en overdekt klein vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde eene deur uitgespaard was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl in de flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten verrichten. Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld was, weten wij niet. De blik van den romanschrijver mag niet altijd de onbescheidenheid te ver drijven. Hij is gedwongen sommige gevoeligheden te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren, en hen al de gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden; hij mag echter niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen, waarin.....
Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die berghelling eenzaam en verlaten stond, hoe armoedig het zich ook voordeed, toch onderscheidde het zich van die hutten daar ginds, daar beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk proper, en droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche woning van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch toezicht daaraan ontbreekt. De Javanen zijn en blijven een Oostersch volk, en hebben hunne punten van overeenkomst met andere takken van die groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, Chineezen, Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden noemen. Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe nipah-bladeren, [232] met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe” [233] (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een erfje, tot tuintje ingericht, met goed onderhouden paden, door weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. Ook de bloemperken en de sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het geheele erfje ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas” [234]-heg omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een bescheiden grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken ontwaard werden, die door lange touwen aan elkander verbonden, en zoo tot droogtoestellen ingericht waren voor lijnwaden, voornamelijk voor vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die er dan ook in vrij groot getal in den wind wapperden.
In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen bloempot,—zeer zeldzaam in een Javaansche woning,—waarin een prachtige struik van Devonshire rozen in vollen bloei, een „tenoenan” (Inlandsch weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag bamboebankje met kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de ketting op en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel) met behendige hand heen en weer te voeren. Van ons recht als romanschrijver gebruik makende, naderen wij, hoewel wij dat huisje niet vermochten binnen te dringen, steelsgewijze die voorgalerij, en maken van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid gebruik, om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om haar, die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig arbeidt, is te zien, zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong” (haspelblok) van het weefgetouw gerold is, en wat zij heden nog vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar staat, om dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt.
Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is niet te zien. Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde sarong met donkeren grond, duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele kleur der handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de haardos, die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh” (wrong) tegen het achterhoofd opgebonden werd. Maar... die kondeh, hoe zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt toch onze aandacht. Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in tegenstelling met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed Javaansche schoonen, bevallig om den wrong; terwijl de kortere haartjes daaronder sierlijke krulletjes vormen en den lichtbruinen nek, dien wij bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen.
„Zou het eene nonna [235] zijn?” rijst er in onze gedachte op.
Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar „tjenella’s” (slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch hoogst zeldzaam door Javaansche vrouwen en meisjes gedragen worden, daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend in afmeting van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene beweging, waarbij een hagelwit teentje onder den sarong uit komt turen, en door zijn verschil in tint met gelaat, hals en handen ons zelfs aan het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust dat zij bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk zich voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en....
„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat aanschouwd?”
Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen het jonge meisje het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te hervatten, worden lichte voetstappen op het pad vernomen, dat van de dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op, tuurt, kijkt scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering:
„Dalima!”
Ja, het is Dalima, die daar met vluggen tred het erf optreedt en de voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje op, en nog voor dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander samensmelten:
„Nana!”
„Dalima!”
Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna van Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare nasporingen tot Karang Anjer volgden, maar daar uit het oog verloren.
„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het Javaansche meisje aan het hart drukte.
„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks.
„Hoe kwaamt gij daar?”
„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.”
„Maar... wat hadt gij daar te maken?”
„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.”
„Te Karang Anjer?.... Maar, wat hadt gij daar te doen?”
„Om Nana te zoeken!”
„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen? Hebt gij daarvoor die verre reis afgelegd en.... dat in uw toestand?”
Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar vergezeld van een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing toeliet.
„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de gevangenis verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang moeda”” (jongen heer rechter), vervolgde zij met een doordringenden blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het hoofd voelde opstijgen, „heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank zij toean Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik aan Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer was, dat zij van daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne lieve Nana zich verlaten en ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn toestand,”—voegde zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te zoeken, ten einde haar mijne diensten te kunnen wijden. Toen ben ik vertrokken, en...”
„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt.
„Neen, Nana, volstrekt niet.”
„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?”
„Neen, Nana.”
„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens mijnheer Van Nerekool, maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u wel!”
„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan mijne moeder heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.”
„Waar?”
„Wel, te Karang Anjer, Nana.”
„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?”
„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar gij waart.”
„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?”
„Ja, Nana.”
„En?”
„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij; maar zij had u beloofd, het aan niemand bekend te maken.”
Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld.
„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij.
„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb overal gevraagd: bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s der dèsa’s, bij de gardoe’s en warong’s langs den weg; in één woord overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende kwam ik in de dèsa Prembanan aan....”
„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd.
„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene warong, terwijl een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld werd....”
Anna bekeek hare matgele handen.
„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de scherpziende oogen van de waronghoudster konden door de „boreh” [236] (verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat gij eene blanke of eene Solosche poetri waart.”
„En verder?” vroeg Anna.
„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring toetool verwijderd was, nietwaar?”
„Dat is zoo.”
„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.”
„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei Anna, terwijl zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij ziet er dan ook wel vermagerd uit.”
„O, maar ik ben sterk, Nana.... Maak u niet ongerust. Te Pring toetool kreeg ik verdere tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik nog de tandoe, die u aangebracht had, op het erf van den loerah, en vernam daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.... wat fraai is....”
Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met het gesprokene wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het Javaansche meisje toch die hut met het residentiepaleis te Santjoemeh.
Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op elkander leunende, als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd.
„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin zeer goed begreep; „gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.”
Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan hare voeten op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van het blanke meisje. En weldra was het gesprek tusschen de deerns in vollen gang.
„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden slechts van Ajo, waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben. Ik heb dus tijd genoeg gehad om uit te rusten.”
„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg Anna.
En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van Nerekool niet vergeten werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed van het Javaansche meisje gedoogde niet, dat die naam verzwegen bleef. Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare lippen kwam, als stipt noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg:
„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet gezonden heeft, om mij op te sporen?”
„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging in hare stem.
„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult maken, dat gij mij gevonden hebt.”
Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij.
„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij niet bij mij blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen weet waarheen.”
„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche meisje. „Ik, die zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!... Niet bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen verlaten om bij u te zijn; en... nu spreekt gij er van mij heen te zenden....”
Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare stem.
„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet wegzenden; integendeel, ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de belofte doen, aan niemand over mijne aanwezigheid hier te berichten. Wilt gij?”
Dalima wierp zich weenend in hare armen.
„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!...” snikte zij.
„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.”
„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe.
„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den slagboom niet begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij opgeworpen is. Nimmer kan van een huwelijk iets komen! Laat u dat eens en vooral gezegd zijn!”
Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort.
„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna.
„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima schier onhoorbaar, „door zijn geluk te bewerken.”
„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!”
„Zijn ongeluk?... Vereenigd met u?... O, Nana!...”
„Nogmaals, geen woord meer daarover!... Geef mij nu de hand, Dalima... Zoo... En gij belooft mij, wat ik van u verg?”
Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone oogen.
„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana het zoo wil... dan mag ik niet ongehoorzaam zijn... Ik beloof het u.”
„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een smartelijken glimlach. „Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij zult mij o, zoo veel kunnen helpen. Kijk eens wat fraai „kain polèng mas [237]” ik daar op de tenoenan heb?”
„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de dochter van een Kandjeng toean resident?”
„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam Anna weemoedig. „Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik eene blanke ben. Men houdt mij, gij zeidet het reeds, voor eene Solosche prinses, die door haren vader verbannen is. O, er loopen daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een half bovennatuurlijk wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid. En, zelfs de oude vrouw, die mijne geweefde goederen verkoopt, ziet mij voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin, maagd van het zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het geval ware.”
„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima, terwijl zij hare handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg. „Gij, een „anak” (kind) van een Kandjeng toean!”
„Die anak van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten, Dalima. Kom, laat mij voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain poleng mas is mij besteld, en moet ik zoo spoedig mogelijk afmaken.”
Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer gaan, terwijl zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig aandrukte. Dalima keek haar aan, en tranen schoten haar in de oogen. Dat duurde evenwel slechts kort.
Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de tenoenan, zoodanig dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en begon nu te spinnen. Zij legde daarbij zoo eene behendigheid aan den dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en zeide:
„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij toch meer op, dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.”
„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet zonder een zweem van trots. „Gij zult eens zien, ik kan u ook aflossen bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.”
„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog een beetje links, hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks zal ik u, alvorens wij voor het eten gaan zorgen, mijn kunststukken op dat gebied laten zien.”
Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door, totdat het tijd werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de grootste schamelheid, en was geen verfijnd „kokki bitja” (keukenboek) noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat Nana zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „bras” (rauwe rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide, waschte de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de koekoesan (mand) in de dandang (waterketel) te vuur, bereidde den sambal oelak, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en spaansche peper in pisangbladeren, om er „pèpèsan ikan” van te maken en roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was.
„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het tafelgoed? Dat ik alles klaar zet.”
„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben. Wil ik niet herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de gebruiken der dèsabewoners voegen. Daar is mijne tafel, en hier zijn mijn lepel en vork.”
Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer in het middenvertrek harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie vingertjes zien. Dalima zuchtte diep.
„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg zij. „Hebt gij dan in het geheel geen geld?”
„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,” antwoordde het fiere meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij schuil houd, dat ik dat niet doen kan, wanneer ik als eene blanke leef en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk. Wie weet daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas mij het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog schriel misschien, uitzuinig.”
„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen.
„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom, terwijl de rijst gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.”
Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene „gawangan’s” (ramen) stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren, die alle de stadiën van het batikken vertoonden. Hier was er een, waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening nog eerst aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die teekening reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het verven te beveiligen. Op een ander raam was reeds de grondverf aangebracht en was de teekening bij deelen van de wasbescherming ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode verf), [238] met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf) enz., die gereed waren om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd waren, opgenomen te worden. Voor alles had Dalima een goedkeurenden knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was gevuld, zette dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef van hare behendigheid te geven.
„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal kunnen helpen! Ik zal u zelfs leeren de „aboe kesambi” [239] te gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie bloemen gij verkrijgen zult!”
Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een onderkomen gewaarborgd, een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid der Javaansche bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes werkten en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar schamel huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij had in Dalima niet de aanwinst eener bediende, maar wel van eene vriendin gedaan. Zij zouden elkander tot steun strekken.
Of dat lang zou duren?