XXII. EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN
Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal jonge lieden om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de voorgalerij van „de Eensgezindheid,” de sociëteit van Santjoemeh.
Zaterdag avond! Het was sociëteits-avond, en bij gevolg geheel Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de sociëteit of op het voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende [148] hetzij nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar omdolende, om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker gemaakt werd door de lieve maan, die vol was, en tegen negen uur reeds hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke muziek, die ten gehoore gebracht werd, te genieten.
In het sociëteits-gebouw zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren, de deftigen, de machtigen afgemeten en voornaam hun partijtje te spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten daarvan daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet rouwig over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag.
„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.”
„En daar rijdt de nog lievere Hermance.”
„Ho, ho!”
„Wat een keurig span Persianen!”
„Wat bedoelt ge? De vier dames?... Ja dat is een keurig vierspan. Of het echter Persianen zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel iets voor die meening aan te voeren.”
Allen lachten.
„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!”
„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk eens, hoe Van Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen behulpzaam te zijn, en haar den arm te bieden.”
„Ja, ja!... De njonja van den Kandjeng toean resident!...”
„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd Eduard wel.”
„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van hare dochter.”
„He, ja!... Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.”
„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den assistent-resident van Karang-Anjer logeeren.”
„Karang-Anjer in Bagelen?... Drommels, dat is een eind uit de buurt!.... Maar, is er iets met dat lieve kind?”
„Van Nerekool heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in afwachting van de verplaatsing van Karel, zijne dochter zoolang uit de buurt hebben.”
„De verplaatsing van Van Nerekool?...”
In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het sociëteits-gebouw geweest was, met een courant in de hand naderbij.
„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman was bij allen gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de Santjoemehsche courant in de hand loopt?”
„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en daaruit voorlas:
„„Vendutie wegens vertrek.—Op Maandag den 24sten dezer zullen wij wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed onderhouden inboedel, bestaande uit: Bataviasche en Japarasche meubelen, waaronder: banken, gewone wip- en luiaardstoelen, tafels, consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang- en staande lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten, waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten, goedang-, keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene fraaie collectie rozen, crotons en varens in potten en tobben; eene Bengaalsche koe met kalf, gevende drie flesschen melk; eene groote partij pluimgedierte, waaronder: beo’s, kalkoenen, ganzen, eenden, kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed als nieuw; een goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte Batakkers. Met commissiën belasten zich: Gladbach & Co.—
„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot half negen rijtuigen van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde vendutie genieten den overtocht heen en terug gratis.”
Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan.
„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een.
„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt tot zijn rijpaard!”
„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het geconcentreerd stelsel, dat aangenomen is, heeft hij geen paard noodig.”
„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is geene vacature voor Verstork.”
„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld heeft. Maar, heeren, om ieder misverstand te vermijden omtrent die advertentie, moet ik hier bijvoegen, dat Verstork van die rijtuigen tot vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.”
„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap.
„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog.
„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?” vroeg er een.
Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet.
„Och, dat staat in verband met die geschiedenis... ge weet wel van die mooie baboe Dalima met Lim Ho.”
„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de doekoen-majoor verklaart.”
„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.”
„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop gedaan?”
„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits.
„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?”
„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te verschijnen.”
„Ai... dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je. Wij zullen je van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar, heeren?”
„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord.
„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik veroordeeld, welnu, dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie! Ik noodig u allen om Maandag naar Banjoe Pahit te gaan!”
„Steeds geschäftsman, die Grenits!”
„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen heeft, in de mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven waarnemen,” sprak Theodoor ernstig.
„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen present zijn, nietwaar, makkers?”
„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op!”
„Dat is dus afgesproken!”
„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig relaas, aan Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed overschat? Of had deze gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij wist het niet. Ook het beroep, dat Van Nerekool op zijne kennissen gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende volzinnen tot antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden.
De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den Raad van Indië, waren de leden verrast geworden door de verschijning van den Gouverneur-Generaal in persoon in hun midden, iets dat maar hoogst zelden gebeurde.
„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging gezegd, „ik heb eene aanklacht van ergerlijken aard van den resident van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1ste klasse. Ook is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is daarom, dat ik het advies der heeren wensch in te winnen. De resident van Santjoemeh is een zeer ijverig staatsdienaar, die den lande uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, vooral als het zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen, steeds ’s lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar mij voorkomt, ook thans weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die zaak eene zoodanige wending wenschen gegeven te zien, dat zonder dat de hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon gevoelen, evenwel beide partijen tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het verschil tusschen den resident en den controleur raakt den opiumpachter van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict met dezen te doen vreezen. Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren ingenomen, en dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk heeft; maar het zou niet onmogelijk wezen, dat een nauwgezet onderzoek, waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel aan het licht zou brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit zou wellicht uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar hierbij valt niet uit het oog verloren te worden, dat Lim Yang Bing, als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het hoofd staat van de voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed op zijn rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de aanstaande opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling van den pachtschat zou veroorzaken. En,... dat in een tijd als de tegenwoordige!.... Ja, ik herhaal het, en dat in een tijd als de tegenwoordige!... Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag ontvangen, dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade in de oogen van de Vertegenwoordiging heeft gevonden, omdat de middelen van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven niet genoeg besnoeid is [149]. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een uwer, mijne heeren, geroepen zal worden, om de opengevallen portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn moge, ik benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn: de inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de opiumpacht, wat men er ook over zeggen of denken moge, bij uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden minister niet te verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de hand boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident, een verschil met den vorigen pachtschat van zes ton leveren....”
De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen vuur, bij het vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen van ’s lands kas vergat hij in zooverre de bestaande etiquette, dat hij den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel.
„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met vuur, „en ik meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in dat geval niet geaarzeld mag worden, om ieder middel aan te grijpen, om de financiën van den Staat in evenwicht met de eischen des tijds te brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom wezen bij een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware vaderlandsliefde, die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet wezen. Nietwaar, mijne heeren?”
De brutaliteit van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare verregaandheid alle welslagen erlangde. Alle hoofden bogen, en aller lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden, wanneer de Oostersche zon hunne geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier slaperig:
„Ja, Excellentie!”
De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen had laten gaan, sprak toen met een zucht:
„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren voor hun advies!”
Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het Groote Huis te Weltevreden den generaalmarsch, en presenteerden de manschappen kletterend de geweren voor den Vertegenwoordiger des Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein in het bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een grooten dienst bewezen te hebben.
En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner overplaatsing naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur van Binnenlandsch Bestuur in handen, waarin de hoop uitgedrukt werd: „dat hij als controleur van zijne degelijke kennis van den inboorling het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen bevelhebber te Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der bevolking te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen met meer menschenkennis, maar vooral met meer deferentie voor de gevoelens van zijne superieuren mocht te werk gaan, zullende hij in gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid meer te rekenen hebben.”
„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool.
„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering trillende stem.
„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.... Overgeplaatst naar Atjeh! Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur op Java en Madoera uitgestooten! Eene feitelijke degradatie! Is dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt? Onze maatschappij is rot, ja geheel rot!”
„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een deel dier maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele kuiperijen van de gezachhebbenden. Dat deel heet de rechterlijke macht, wie het eindelijk gelukken zal het monster van willekeur en onrecht te breidelen.”
Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem Verstork keek hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld gelaat gleed. Hij antwoordde evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De toekomst zou zich daarmede wel in zijne plaats belasten.
Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was, verkeerde op den gezegden morgen in rep en roer.
Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen op de „brengbreng” [150] te ranselen en trok door dat ongewone geluid de Inlandsche bevolking, rondom zich.
In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags te voren aangekomen waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand te leggen aan het uitstallen van het meubilair, dat straks verkocht zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt, daar eene kast anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne vrienden uit, dat, na het adverteeren, de uitstalling de koopers het meest verlokt.
Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het viertal de vertrekken door, en bewonderde hunne beschikkingen, die vooral in de achtergalerij, waar het tafelservies, glaswerk en kristal smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen.
„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet meenen zou, zich te midden van het huishouden van een jonggezel te bevinden. Willem, ik voorspel je eene prachtige vendutie!”
De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd.
Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit een daarvan stapte de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe. Na de gebruikelijke buiging:
„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het verschijnen van het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?”
„Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!” (misschien, mijnheer; maar, ik heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen glimlach.
„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „boleh bekin broeang!” [151] (gij kunt beeren maken).
Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep, maar antwoordde niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede rijtuig, een ruime tentwagen, was een lid van de firma Gladbach en Co. met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe.
„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor.
„Wat is er?”
„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op uwe vendutie te koopen.”
„Van wien?”
„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend.
Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen, wanneer zij den verkooper goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst verlevendigen. Hunne onthouding dreigde nu een ramp te worden. Verstork zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die nu gevaar liep voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan zijne dierbaren daar ginds, die....
Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans volgden de rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens, milords, reiswagens, dos à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren), stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning op, en ontlaadden hunnen last op het perron der voorgalerij. Talrijke ruiters en ook wandelaars van de naburige landgoederen verschenen, en het kostte den oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te doen blijven, om de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te noodigen naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der Europeesche samenleving in Indië waren daar vertegenwoordigd. Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters, suiker- en indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners, handelaren, assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten, rechters, procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz. enz. Het was alsof geheel Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was. Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats. Zelfs was er geen enkel huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen de resident Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar Banjoe Pahit gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat bericht, maar innerlijk met verbeten woede.
De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te laten weerklinken.
Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en schrijvers van het residentie-bureau. Die hadden geen verlof tot dat uitstapje kunnen bekomen.
Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene bescheidenheid, de Javaansche bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje te nemen in de woning van een blanken.
Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk.
Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en plichtplegingen onder elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen. Het stuitte hem tegen de borst op zijne eigene vendutie tegenwoordig te zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche priester) met wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en Grenits naar Santjoemeh rijden.
Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en Co. den vendumeester eenige woorden toefluisterde, en deze aan een zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop liet de brengbreng zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een tiental minuten, daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een aanvang.
Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie bloemen in sierlijke potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der galerij. Die zouden het eerst aan de beurt zijn.
„Doewablas tampat kembang! Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager, terwijl de venduschrijver zich gereed maakte de noodige aanteekeningen te maken. „Siapa taro oeang? Wie biedt er geld op?”.
„Satoe roepiah!” (een gulden) riep eene stem.
„Satoe roepiah!... Satoe roepiah!” herhaalde de venduafslager met langgerekte en eentonige stem.
„Satoe stengah!” (een en een half) antwoordde eene andere stem.
„Saatoe stengaah!” herhaalde de afslager.
„Doea roepiah!... Tiga roepiah!... Ampat roepiah!... Lima roepiah!” (twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de opbiedingen achtereenvolgens.
„Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!” (vijf gulden is geboden) dreunde de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar de bieders gewend te hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende.
„Delapan roepiah!” (acht gulden) riep deze.
„Delaapaan roepiaah!” herhaalde de echo. „Delaapaan roepiaah, di tawar!”
Dat opende weer het vuur.
„Dan stali!” (en nog een kwartje) bood er een.
„Delaapaan roepiaah, staali!”
„Delapan stenga!” (acht en een half).
„Delapan tiga tali!” (acht drie kwart).
„Sembilan roepiah!” (negen gulden).
„Sembiiilaan roepiaah!”
„Sapoeloeh!... Sablas!... Doeablas!... Tigablas!” (Tien, elf, twaalf, dertien).
„Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!”
„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!” klonk eene stem.
„Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!” (eenmaal).
„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander.
„Tiigablaas!... doea kali! (tweemaal).
„Ampatblas!... Limablas!” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen.
„Liimaablaas roepiaah, di tawar!”
„Doeapoeloeh roepiah!” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed verstommen.
„Een mooi bod,” mompelde Grenits.
„Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!... satoe kali!... Doeaapoeloeoeh roepiaah!... doea kali!... Doeaapoeoeloeh roepiaah!... tiga kali...”
Boem! daar viel de hamer.
„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver.
„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig uitzag, en dan ook oud eerste luitenant was.
„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte.
„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.”
„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester.
„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie maanden crediet.”
„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement nebben.”
„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie beveelt dat?”
„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de vendumeester.
„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!”
„Betaalt gij comptant?... Niet?...” ging de vendumeester voort, „dan dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten andermaal geveild worden.”
De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood geworden bij die onverwachte en noodelooze beleediging.
„Luitenant Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit.
De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier dan de eerste waren, bracht echter geen rijksdaalder op. Blijkbaar waren alle aanwezigen onder den indruk van de schandelijkheid, die daar gepleegd werd. Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras raadpleegde hij Van Nerekool en eenige landheeren, die in de nabijheid stonden. Toen het derde dozijn bloempotten zou geveild worden, riep een breedgeschouderde heer uit:
„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder weerga beproefd, die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te verijdelen. Voor ieder, die op deze vendutie wenscht te koopen en in de termen valt om borgtocht te moeten stellen, bieden wij ons tot borg aan!”
„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet.
„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?”
Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen?
Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht reeds tachtig gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is waar Grenits had bij het opveilen van die partij uitgeroepen:
„Crotons! Prachtige mooie Crotons, [152] waaronder de Adal adal, de Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op? Ik zet ze in voor zestig gulden!”
Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig... tachtig... negentig gulden! Hooger! Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt waren. De gelukkige verwerver ontving een algemeen hoerah, en menigen handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij getrokken hadde.
Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten, spiegels, schilderijen, enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge prijzen. Het was in waarheid een stormloop, waarbij ieder der aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men zag daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de prijzen zoo hoog liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs bereikbaar waren.
In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt.
„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager.
Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het stuk, in Indië met een kwartje goed betaald waren.
„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager.
„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik bij ondervinding!”
„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat drankzetje staat eene karaf met bitter!”
Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig.
„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem.
„Welk bitter is het?”
„Maagdbitter!” riep een sienjo.
„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh. [153]
„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten.
„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je gezondheid met je pahit prawan!”
„Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang? Die een koopt, koopt twaalf! Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!” dreunde de venduafslager.
„Een ringgiet!” riep Grenits.
„Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!”
„Tiga!... Ampat!... Lima!... Anam!” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk het achtereenvolgens met de grootste snelheid. Het was den venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien.
„Aanaam roepiaah, di tawar!” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen.
„Toedjoeh!... Delapan!...” (zeven... acht).
„Een tientje!” riep Grenits.
„Saapoeloeh roepiaah!” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm. Hij had wel andere kunststukken op dat gebied in zijn leven gezien.
„Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?” (Bieden de heeren niet hooger).
„Me dunkt!” prevelde er een.
„Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali.... Saapoeoeloeh roepiaah! doea kali.... Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!”
Boem!
„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden. Wat moet de pahit daaruit lekker smaken!”
„Vooral pahit prawan!”
„Schenk dan nog eens in!”
Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde klapperdop, om zich water in de badkamer mede over het lichaam te storten, bracht vijf en twintig gulden op.
De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later, de venduschrijver het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de controleurswoning gevaar in te storten door het gejuich, dat onder haar dak opging.
„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd; toen hij daarvan mededeeling kreeg.
„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!”
En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits de hand.
„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het oor.
Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan boord van de Tambora, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol nam hij afscheid van de getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden.
„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe.
Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig mogelijk verzilverd, en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer groot gedeelte van die som aan zijne moeder af, met aanbeveling niet roekeloos met dat geld om te springen, daar het wel eens zou kunnen gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag zijner maandelijksche toelage zou moeten verminderen.
Toen de Tambora de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem van uit een „tambangan” (sloep) op de reede van Santjoemeh na.
„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en wischte zich een traan uit het oog.
XXIII. EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING
Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon [154] te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats van het gewest de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang na al het gebeurde, wat in de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een rijtuig stil, en stapte een man er uit, die op het gezicht van de vrij talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het luchtige gebouw bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig het perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende.
Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen was, om op den gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte, welke zich voor de pandoppo verzameld had, waren meerendeels Javanen. Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk de aandacht van den rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger zoo gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s [155] onder de Wariengien’s der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw om de Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij daar niet dan geboeid of door een paar politiedienaren geëscorteerd, dus als beschuldigde, misdadiger of getuige.
Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en allen wachtten in spanning de dingen, die komen zouden.
„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn bij het binnenkomen aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo ontmoette.
Deze, een Inlandsch kind, [156] keek bij die vraag eenigszins vreemd op.
„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die menigte hier te zamen brengen?”
„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de substituut niet zonder aarzeling.
„Wat afloopen?”
„Wel, de terechtzitting, mijnheer.”
„De terechtzitting?... Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?”
De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak.
„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met haperende stem.
„Wat er omgaat?... Wat gaat er dan om?”
De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal waas verspreidde zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat.
„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem.
„De Inlandsche leden.... van den landraad... hebben een brief van den resident ontvangen,” kwam er hakkelend uit.
„Een brief?... De Inlandsche leden?... Maar, wat behelst die brief? Spreek dan toch!”
„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den landraad.”
„Verbod, om met mij zitting te nemen!... Scheelt het u in het hoofd, mijnheer Thomasz?”
„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een pijnlijken glimlach. „Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is ook....”
„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?...”
„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den hoofddjaksa verstrekt; zoodat...”
„Zoodat?”
„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.”
„Hoe is het mogelijk?...” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge wat, mijnheer Thomasz. Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede dadelijk naar die Inlandsche leden, ook naar de Chineesche adviseurs en naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat zij komen moeten! Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!”
„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn onmiddellijke chef,” antwoordde de substituut.
„Goed! Haast u dan.”
Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo opgewonden op en neer.
„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en mocht niet veronderstellen, dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die ik ben! Toen ik weken geleden die opdracht van den resident ontving, om de volgorde van de aanhangige gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg ik wel inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken willekeur zou durven overgaan..... Zelfs toen ik acht dagen geleden de schriftelijke verklaring van den resident ontving, dat ik niet meer bevoegd was om den landraad voor te zitten, omdat mij een verlof naar Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren berichtte, dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische rechterlijke organisatie verleende bevoegdheid wenschte gebruik te maken, om de eerste landraadzitting te presideeren. Beide aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde ze dus niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om op zoo ergerlijke wijze met de wettelijke bepalingen om te springen. Want, dwaas is het, een artikel van eene verouderde organisatie, die vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om afzonderlijke rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen, te baat te willen nemen. Maar..... wat is er toch aan de hand?” vroeg hij zich af.
En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op de groene tafel had neergelegd, las hij op de agenda de eerst voorkomende gedingen, en mompelde zijne opmerkingen daarachter:
„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!... Arm volk, dat gedwongen wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie mag drinken, en zich met het aftreksel van koffiebladeren moet tevreden stellen!”
„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in het openbaar gedragen te hebben.... Bespottelijk, die ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur! zoo iets is heiligschennis in hun oogen!”
„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd.... Beter dan het wicht in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa bij dergelijke ongevallen gewoonlijk gebeurt.”
„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en.. ver..won..ding.. van.. een.. po..li..tie.. op..pas..ser..... Ik geloof, dat ik er ben! Daar gaat me een licht op... En die tweede zaak:
„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel..... Ardjan!.. de verloofde van baboe Dalima.”
En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende op zijn agenda, gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde tellen, daarna bleef hij in gedachten verzonken, en bracht den wijsvinger aan het voorhoofd.
„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog zoo met me besproken heeft! En.... overmorgen vertrek ik naar Nederland.... Maar, neen, de terechtzitting zal heden plaats hebben! Het koste wat het wil!... Wij zullen zien!”
Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde. Hij zou zien, dat de zitting niet plaats zou hebben.
Zoover met zijne alleenspraak gekomen, ging de deur open, en verschenen de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste Javaansche hoofden van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden leden van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, alsook de hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de hand. Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan Mr. Zuidhoorn medegedeeld, namelijk: dat de resident hen verboden had, om de zitting bij te wonen. Zij waren evenwel opgekomen, nu de Kandjeng toean rakker hen opgeroepen had.
„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke ambtenaar.
De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet. Radhen Ngahebi evenwel zeide:
„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam toen van den Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland verkregen te hebben, het recht niet meer heeft, om den landraad voor te zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.”
Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de Inlandsche hoofden geen woord, dat aan het prestige van den vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in de residentie te kort zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben; want na de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede met een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel” [157] betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter zitting verschenen.
Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan den voorzitter en de leden van den landraad gebracht te hebben, mededeelde, dat hij heden ochtend bij den resident geroepen was geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had, de zitting van den landraad niet bij te wonen.
„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u, mijnheer Zuidhoorn, ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo eindigde hij zijne betuiging, terwijl hij voor zijn chef diep boog.
„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te geven. Gij bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij zelf moet weten, wat gij te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben stellig van plan zitting te nemen, en daar nu de raad voltallig is, wil ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats te nemen.”
Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen hamer reeds ter hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de achterdeur van de pandoppo openging, en de secretaris der residentie in de omlijsting daarvan verscheen. De man was in ambtsgewaad, terwijl, omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende in naam van den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te verwaardigen, begon de secretaris:
„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi Wirio Kesoemo, en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay en Kwee Lie Liang, hebt als leden, als priester en als adviseurs bij den landraad te Santjoemeh gisteren een schriftelijk bevelschrift van den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent verbod om deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo grooten misslag te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet opvolgen van de bevelen van hem, die de vertegenwoordiger is van den Kandjeng toean Gouverneur-Generaal, die op zijne beurt te Batavia de plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari Tanah Nederland dan Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat de Kandjeng toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten te wikken en te wegen.”
Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr. Zuidhoorn uit, alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren om adem te halen. Zij durfden elkander niet aan te kijken, en zouden wel in den grond hebben willen verdwijnen. Hoe waren zij er toch toe gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven? Hunne ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen zijn? Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die onafhankelijken, die heetten recht te moeten spreken over hunne Inlandsche ondergeschikten.
Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed der Javaansche grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren peilen, en hen somwijlen in zijne gedachte met den hond vergeleken had, die niet zelden de hand likt, welke hem afrost, had medelijden met hen. Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag legden, ook waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te wijten, dan aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille van zijn uitzuigingsstelsel stelselmatig gekweekt had. Na een poos rondgekeken en afgewacht te hebben, of een der hoofden zich wenschte te verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de secretaris ongeduldig nog gevraagd had:
„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord, dat ik den Kandjeng toean resident moet overbrengen.”
„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche rechterlijke ambtenaar. „Ik, als voorzitter van den landraad te Santjoemeh, aan wien de leden, de priester, en de adviseurs in zaken, dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb heden ochtend pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen. Die leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de bevelen van hunnen onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer. Wil zoo goed zijn, heer secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede te deelen, en verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet te vertragen.”
„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer om den landraad voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen hetgeen hier gebeurt, en het voorzitterschap opeischen voor den resident, die het zelf en heden nog wenscht uit te oefenen.”
„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat met u te treden over mijne rechten. Gij kunt aan den resident antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel niet afsta. Ik wensch mijn plicht tot het laatst nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid te ontslaan, opdat hij zijne werkzaamheden kunne beginnen.”
„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des secretaris mond.
„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris. Deurwaarder, zorg dat de zitting ongestoord kan geopend worden!” [158]
De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die boodschap kreeg. In de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij van het residentiehuis op en neer, waarbij hem de secretaris als een hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid niet bij kon houden.
„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die hoon! Ik zal hem wreken! Maar—wat te doen?... Intusschen gaat de raad zijn gang, en volgt waarschijnlijk vrijspraak!... Die lui van de rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar valt mij iets in.... een kompagnie soldaten.... Ik zal ze met de bajonet als een troep meeuwen uit elkander laten jagen!”
Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke Buonepartsche maatregelen niet erg met het Nederlandsche volkskarakter strooken,—om den militairen kommandant per briefje te verzoeken bij hem te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep hij met zoo’n stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de oppassers en het geheele dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat er onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden heldhaftig hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in die krijgshaftige houding de dingen af, die komen zouden. Ook de schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar kokkie de geheimzinnige bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren zat, was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare onbescheiden kabaja trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in, met den uitroep:
„Wat is er? Wat is er?”
Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had kunnen afgeven, beklom de substituut-griffier bij den landraad de treden der galerij. Op dat gezicht vloog Van Gulpendam, wel kunnende bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig:
„Wat is er, mijnheer Thomasz?”
„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is, en zijne zitting tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.”
„Wat?... uit elkander gegaan?... Na het gebeurde met den secretaris?... Hebben de leden geweigerd zitting te nemen?... O, die trouwe hoofden!”
„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd zitting te nemen.”
„Niet?... Wat is er dan gebeurd?”
„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden sprak: „Deurwaarder, zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek het, dat de deurwaarder verdwenen was.”
„De deurwaarder verdwenen?”
„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.”
Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen.
„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij.
„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de secretaris tusschenbeide, „een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn en de leden van den landraad te sommeeren, het lokaal te ruimen.”
„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam.
„Keurt u hem af, resident?”
„Ik!... Integendeel, maar wat gebeurde er verder?”
„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de secretaris voort, „zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.”
„En toen?” vroeg de resident.
„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.”
„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder gebeurde?”
„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier, „stamelde hij eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn geen notitie meende te moeten nemen. Hij liet den hamer neervallen, om de zitting te openen, en verzocht den hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak in te brengen....”
„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam nieuwsgierig.
„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude vrouw.”
„En verder?”
„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote oogen; want de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op eenigen afstand van den voorzitter gezeten was, was nu op zijne beurt verdwenen.”~
„Verdwenen?”
De heer Van Gulpendam schaterde het uit.
„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij. „Mijnheer Thomasz, gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar verder? Laat vieren je loglijn!”
„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der hulpdjaksa’s werd toen geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te voren allen in de pandoppo aanwezig waren, kostte het moeite om er een te ontmoeten.”
„Dus werd er toch een gepraaid?”
„Ja, resident.”
„Hoe jammer!”
Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks.
„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk.
„Hoe dat zoo? Vertel op.”
„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats moest vervullen van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige gepreste zoo’n aanval van buikpijn...”
„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident opgewonden. „Kostelijk! Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?”
„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en zich in allerlei bochten wrong.”
„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!”
„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën gebogen, op een drafje wegliep.”
„Met beide handen voor den buik!... Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!”
„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus toeknepen. Zij meenden, dat de gevolgen van die plotseling ingetreden buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.”
„Stop!... mijnheer Thomasz!... ha, ha, ha!... Ankeren!... Gij doet mij in katzjammer vallen van het lachen.”
De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne ambtelijke loopbaan had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende aangemoedigd te worden en dus te moeten voortgaan.
„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.”
„Niet? Nu loop dan van stapel.”
„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn. Dat hadt ge moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en met starren blik keek hij over zijn bril, dien hij heel laag op den neus had hangen, den vluchtenden djaksa na, terwijl hij in zijne toga er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal, en hem zijne barret in den nek stond.”
„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een kostelijk verteller, mijnheer Thomasz.”
De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment.
„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar.
„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen deurwaarder. De zitting kon geen voortgang hebben. De leden van den raad keken glimlachend op hunne horlogiën, wat eene duidelijke vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets te zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te laten vallen, en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb ik mij hierheen gespoed, om u bericht te brengen.”
„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten goeden tijd uwe toewijding herinneren.”
En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den secretaris, die het geheele gesprek met over elkander geslagen armen aangehoord had:
„Het doel is dus bereikt!... Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat alle stukken bij tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad presideeren.”
„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking veroorlooven?”
„Laat vieren je schoot, secretaris.”
„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.”
„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te branden?”
„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer Zuidhoorn uwe bevelen weerstreefd en zoo de zitting van heden onmogelijk gemaakt heeft...”
„Verder; loop van stapel.”
„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten hebben, niet waar?”
„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.”
De secretaris krabde zich achter het oor.
„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?”
„Van Meidema?... „Wat heeft die met de zaak te maken?”
„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij aanzienlijk. Ik meen, dat hij eenigermate rekent op de emolumenten, voortspruitende uit de verbeurdverklaring, die noodwendig op het rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.” [159]
„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?”
„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin, en het is te Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te komen. Het zou mij zelfs niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat zoo’n buit zeer goed te stade zoude komen.”
„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen verzetten zich daartegen.” [160]
„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, il y a des accommodements avec le ciel, en bijgevolg ook....”
„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift.
„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo iets gezocht werd;.... bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de eigenlijke aanbrengster. Als die nu, om haren Ardjan te redden, haar aandeel, van welks waarde zij geen begrip heeft, aan een derden afstond....”
De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach:
„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema niet zeker zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd verklaarde tjandoe hem lenig als zeilgaren moeten maken.”
„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt; maar verlies artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou er op durven zweren, dat Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want in het proces-verbaal van aanhaling, door hem als hoofd der plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd, dat de in beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar dat de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab, die onmogelijk dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door de golven stuk geslagen werd; terwijl de verpakking van de aangehaalde tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht in aanraking geweest te zijn.”
„Staat dit in dat proces-verbaal?”
„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de schoenerbrik Kiem Ping Hin in den bewusten nacht op de kust gezien is, en dat vermeend wordt, dat de barkas van de Matamata jacht op de sloep van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.”
„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst ernstig.
„Ja, resident.”
„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar meer dan hij sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat proces-verbaal van den heer Meidema, zoodra het op het residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en verder een der oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van Financiën met betrekking tot die gerezen kwestie met den Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.”
Dat was een „gij kunt gaan” in optima forma.
Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van 1874 op.
„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij. „Laat zien..... Oho!... Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de overtredingen.... En... als ik bedenk, hoezeer Meidema op den avond van het gebeurde, de waarde van den aangehaalden tjandoe uitmeette, dan.... ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris in het ware kielwater is....”
Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de voorgalerij op en neder.
„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij berokkend door dien Van Nerekool!.... O! als Anna toch gewild had!”
XXIV. OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT
Neen, Anna had niet gewild.
Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek, tot hunne samenzwering over te halen, en haren invloed op Van Nerekool uit te oefenen, antwoordde zij even beslist: „nooit!” als Karel dat op den bewusten partijavond in den residentstuin aan mevrouw Van Gulpendam gegeven had.
„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk.
„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in deze zaak afhangt.”
„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière trachten te bevorderen.”
„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.”
„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot niets.”
En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij:
„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne gedragslijn...”
„Mijne vereeniging!...” kreet Anna.
„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den man, dien zij geboeid heeft.”
„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te plegen?”
„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam.
„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog wijder maken? Neen, neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch, namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De zijne kan ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten minste vlekkeloos zij als de herinnering aan een schoonen droom!”
„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging, „waarom zou uw geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen boezem wroeten?”
„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en mijn vader zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan eene vereeniging met Van Nerekool valt niet meer te denken...”
„Als gij maar wildet.”
„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne verlokkingen toegaf, dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder gevoel bij mij uitgedoofd zijn; want ik zou den man verachten, die zijn plicht ten offer bracht aan zijne liefde, die eene misdaad zoude plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.”
„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader.
„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet uitstorten, wat mij bezwaart, benauwt. Zooals ik wensch, dat de herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet ook hij verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig, deugdzaam en strikt rechtvaardig man in mijn hart bewaard blijve. Zou ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren is, te gemoet moeten treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven alle stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen, ik wil Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!”
Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn trilde.
„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem. „Ge weigert dus, Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?”
„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven.
„Gij bederft zijne carrière.”
„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.”
„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.”
„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders daargesteld.”
„Maar waarmede?” kreet Laurentia.
„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke voorstellen deden!”
„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan komen! Een kind, dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die ouders onwaard. Ik had besloten, om aan die dwaze liefdeshistorie, die u compromitteert, een einde te maken, dat gij eenigen tijd te Karang Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt vertrekken. Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald wordt.”
„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak met die wijziging ingenomen zijn?”
„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar Batavia. Zijne echtgenoote en dochters zijn te Karang Anjer achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer des huizes nog al aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een logé eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn. Ik ga naar mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk telegrafeeren. Morgen ochtend vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal zij door een mijner kennissen afgehaald worden, die haar met zijn postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal brengen.”
Laurentia zuchtte.
„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,” zei zij, en toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de „soesah” (moeite) dan tegen de verwijdering harer dochter opzag.
„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan mij over. Morgen ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.”
„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia.
„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als onderdanige dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens omtrent hare ouders te koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.”
Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de hoop op haar gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het gelaat van Anna, dat wel bleek zag, liet niets bespeuren van wat in haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid, noch overmoed was op die zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst.
„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar zijn kantoor te gaan.
„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis verlaten, om daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die scheiding niet uitgesproken hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.”
„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne trotsche dochter? Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten laste van de kombuis van de familie Steenvlak kan blijven?” vroeg de resident, terwijl hij in eene uitdagende houding voor zijne dochter staan bleef.
„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik neem voorshands de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet, hoe innige vriendschap mij met de meisjes verbindt, welke innige aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder koester. Wat ik later doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen, zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure; nimmer zal ik u lastig vallen.”
„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder één cent geld? Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die wereld?”
„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten aanroeren. Gij hebt mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn onderhoud te kunnen voorzien. Ik zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in Indië niet, zonder uw naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat in straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij terugdeinzen. En toch... maar dat is van latere zorgen...”
„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke plannen geld verdienen hoofdzaak is.”
„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik sprak er nooit over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu evenwel de nood dringt, ben ik tot spreken gedwongen. Het is twee jaren geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam te Gouda overleden is? Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg ik een briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd. In dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en haar leedwezen betuigde, dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen, deelde zij mij mede, dat zij mij per testament 40.000 gulden vermaakt had, en dat ik bij het intreden van mijn 20ste jaar mijn recht op die som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer met u te spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen verrassen. Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en deelde mij mede, dat die som tegen 3½ % belegd was in staatspapieren, die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene niet te gelde mochten gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij wel niet weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien. Aanstaande jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal kunnen beschikken. En die dan leeft, die dan zorgt.”
Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander gezet, dat de beide ouders, het ernstige karakter van hun kind kennende, begrepen, dat zij hier met een vooraf overwogen en vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent die erfenis, welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed ingelicht, dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een beter gevoel begon zich van de moeder meester te maken. Een traan glinsterde in haar oog.
„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.”
„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij bezwaarlijk nog te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij dierbaar op aarde was, verloren. Welke ramp zou mij nog kunnen treffen? Ik tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover mij geweest is.”
Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde iets rauws in zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde meester te worden. Heerschzuchtig als hij was, verdrong hij evenwel dat betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter was dan hij, was hem ondragelijk.
„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond verstand in strijd zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te zeggen hadden. Ik blijf bij mijn besluit: gij vertrekt morgen naar Karang Anjer.”
„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te brengen,” sprak het meisje met een diep besef van eigenwaarde.
„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen wezen,” was zijn laatste woord bij het heengaan.
Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond een tentwagen voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het was een van die lichte voertuigen, met vier paarden bespannen, waarmede de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die streken, welke nog misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden langs moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer werd op de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat valiesje kon niet veel bevatten. Anna had niets dan het hoogst noodzakelijke uit haars vaders huis willen meênemen, en daartoe had haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat dit weinige beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som, haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren afgeworpen had. Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene fluweelen of zijden japonnen, geen kostbaar kantwerk bevatte dat koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis achtergelaten. Slechts het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje, ziedaar wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in geslagen had.
Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna verscheen in de voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens niets in het oog loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den hals, en de manchetten om de polsen. Maar zelfs die witte strooken zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon bij. Niemand vergezelde haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige verlichting van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den tuin en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een weemoedigen blik rondom haar op die boomen, op die struiken, op die bladeren, op die bloemen, die zooveel herinneringen in haar brein opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik was het, of zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele beweging der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare wang biggelde. Zij wierp nog een blik rondom zich, sprong toen op een struik Devonshire rozen toe, die in een sierlijken pot tegen de balustrade der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat aan den boezem, terwijl zij met een snik prevelde:
„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap vergezellen!” en was in een ondeelbaar oogenblik het rijtuig ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde.
Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig zwenkte het erf van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en ijlde met spoed Java’s bergland te gemoet. Anna leunde achterover in het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan hare droeve gedachten over.
Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het hoofdgebouw der residentswoning, die tot de voorgalerij toegang verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die al de bewegingen van hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de oogen van het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een rauwe kreet ontwrong zich hare borst:
„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!... Waar zooveel gegevens waren om gelukkig te zijn!... Hoe zal dat alles nog eindigen?”
Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst schrikkelijk zou beantwoord worden.
Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s binnenlanden, waar verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den posthouder vergunning, om onder zijne bamboe-verandah een poos te mogen toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij eene kleine nécessaire tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik was zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig gelaat duidelijk aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde, hoogst ernstig was. Maar langzamerhand scheen dat onderwerp haar te vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de diepte harer borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier droppelden.
Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij schreef aan Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij zich bevond, dat schrijven het innigste van haar hart blootlegde, en alleen bestemd was, om hem onder het oog te komen, voor wien het bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken zelfs van eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare beweegredenen te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar veel, zeer veel inspanning kostte.
„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool,” schreef zij, „u na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten, welke pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij om mijne hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek te doen. Deze daadzaken gaven u eenigermate het recht om op een nader onderhoud met mij aan te dringen, en nopen mij thans ook, om u een laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had, hebt gij een gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna, en.... o, vergeef mij... een kind mag de daden zijner ouders niet gispen;... maar dat gesprek maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn vader daarmede instemde, eene vereeniging tusschen ons beiden onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen,—als toen ik met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds voor mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor een daad van plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts een aalmoes, aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien, ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat zou mij het leven tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen.
„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik verspannen wordt. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar Karang Anjer bij de familie Steenvlak ga logeeren. Mijn vader heeft het genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal gekomen zijn. Welnu ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen zal? Vriend, dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar Australië zal trachten te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen zal, spoorloos verdwijnen...; want zelfs.... de naam van Van Gulpendam is mij ondragelijk.
„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer genoemd zal worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan nietwaar zult gij met uw edel karakter nog wel eene gedachte wijden aan het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich zoo gelukkig geacht zoude hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie dat geluk niet weggelegd was.
„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren geheelen toestand. Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de oorzaken, dan gij. Maar, nietwaar, ter wille van mij zult gij die rampzalige niet aan haar lot overlaten! O, voor die voorgewende opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat weet ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer het opiumzaken geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt haar de hand boven het hoofd. Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije voeten komt, in den poel van ellende verzinken, waarin hare rampzalige rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig met de Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn.
„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik kan u niet verzoeken mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms eene gedachte over te hebben, voor haar, die zich slechts met haar voornaam durft te onderteekenen:
„ANNA.”
Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem behoorlijk verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De post in die streken werd slechts tweemalen per week verzonden.
Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de zon toch reeds ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats bereikte. Anna nam haren intrek in het eenige hotel aldaar, en na een weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid als zij was, rusten en viel gelukkig weldra in een vasten slaap.
Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim 36 palen [161] dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer te bereiken. De weg was evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij tegen het middaguur te midden der lieve familie zat, die hare aankomst met ongeduld verbeid had.
Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal onmisbaar, naar het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de secretaris vertrokken was, had de resident Van Gulpendam gezucht:
„O, als Anna toch gewild had!”
Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en wegende, wat had kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna verlokt, als gedwee volgeling van het hoofd van gewestelijk bestuur, tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd worden.
„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien noord-wester stoker wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree brengen! Maar... waarop doelde toch de secretaris met de aanhaling van dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde hij ook weer?... O ja... nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.”
En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien hij tusschen eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven zijn schrijflessenaar teruggeplaatst had, bladerde hij daar een poos met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep:
„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.... „Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met eene boete van een duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katies opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd, en een honderd gulden voor elke katie meer.”.... Drommels!... Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!... Zoo, komt de stroom uit dien hoek?... Dan zullen wij nog een tuianker moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht... Maar....”
„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer assistent vraagt om den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der oppassers, den heer Meidema aandienende.
„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel.
„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den heer secretaris, die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.”
„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten... Ik heb kennis bekomen van het proces-verbaal omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing aangehaald, maar tot mijne bevreemding zijn de daadzaken der aanhaling niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.”
„Niet, resident?”
„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden avond van de aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn ondergeschikten scherp aankeek.
„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.”
„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met getuigen, dat de opium bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent gij toen ook te beamen.”
„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken meening te weerspreken. Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te stellen.”
„En?”
„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij neergelegd zijn in mijn proces-verbaal, als hoofd der politie afgegeven.”
„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?”
„Met uw permissie, resident? Dat....”
„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?”
De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag niet, althans hij vervolgde:
„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.”
„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne stembuiging. „Maar ik vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw onderzoek u geleid heeft!”
„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond vreemd. Ik heb dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van de waarheid,” was het rustig gegeven antwoord.
„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u leidde dat onderzoek wellicht tot een andere slotsom.”
„En dat is, resident?”
„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten worden, gemakkelijker van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn, dan van den armen Javaan, bij wien niets te halen is.”
„Resident! Die taal!”
„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij uit iederen volzin van uw proces-verbaal tegenstraalt...”
„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. Ik sta daar geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen, [162] en weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.”
„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak de resident smalend.
„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij te wijzigen. Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt, gepermitteerd. Nimmer is een cent van de boeten of van de verbeurd verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij niet overtuigd, dat ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht mij bij de regeering aan te klagen.”
„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een onderzoek gehouden, zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?”
„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den beschuldigden Ardjan....”
„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En vervolgens?”
„Vervolgens baboe Dalima.”
„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal daarenboven haren „toenangan” (verloofde) wel schoon gewasschen hebben. Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema, dat moet ik zeggen. Hebt gij er nog meer?”
„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te halen.”
„En?... Kom, zeil zetten!”
„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der politieoppassers.”
„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo iets mag uw geweten als hoofd der politie niet bevangen.”
„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook niet gedaan. Toen mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan wal zoude gebracht hebben.”
„En gij vond niets?”
„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de aangehaalde opium te kunnen bevatten.”
„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab twee personen bevat hebben. Ardjan en Dalima.”
„Juist, resident.”
„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?”
„Ja, resident; maar ook niets meer.”
„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was, mijnheer Meidema?”
„Niet in die prauw, resident?”
„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden hebben, nietwaar?”
„Dat is zoo, maar het bewijs....”
„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat baboe Dalima dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig is geweest. En niet alleen ik, maar alle huisgenooten kunnen dat getuigen.”
„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema.
„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!”
„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te staan.”
„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!”
„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen, behelzende het verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare gevangenhouding aan boord van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, van hare redding door Ardjan.”
De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het was hem, alsof hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet hem geen tijd om tot verhaal te komen, maar vervolgde:
„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den kustwachter Matamata, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten nacht met de barkas jacht maakten op eene prahoe sajab, waarin twee personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee opvarenden geschoten hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in die woedende zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die prahoe sajab, resident, en er was dus geen plaats meer voor die opium! Daarenboven....”
„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde van den schok, die hem getroffen had.
„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het wrak lag daar half door het water, half door den modder bedolven, en ik heb door getuigen laten constateeren, dat de verpakking van den gesloken opium niet met water in aanraking is geweest. Neen, resident, mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat vaartuigje aan wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.”
De resident zat nog een oogenblik na te denken.
„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de hoeveelheid, soort en hoedanigheid van de aangehaalde opium ten overstaan van den pachter, door eene commissie van deskundigen doen constateeren?”
„Ja, resident.”
„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?”
„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die prahoe door het wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen deponeeren, stukgehakt en verbrand.”
Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde binnensmonds: „het lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En overluid:
„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?... Maar om het even. Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer Meidema, mag ik u een goeden raad geven?”
„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.”
„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?”
„Resident!”
„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu, verstaat u met den pachter.”
„Hoe moet ik dat begrijpen?”
„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim Yang Bing is rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op het punt een goed huwelijk te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet zien.”
„Resident!”
„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in die opiumzaak uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te over om uw proces-verbaal van voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel wat te eenzijdig is, om het onpartijdig te kunnen noemen, te wijzigen.”
„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede.
„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk huisgezin. Er zijn veel eters aan den bak!”
„Nooit, nooit, resident!”
„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u wel.”
Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een oogenblik hem na te staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij hartstochtelijk de tanden op elkander klemde:
„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak gezet worden!”
XXV. EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG
Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de achtergalerij harer woning, zich onledig te houden met het verstellen van de kleedingstukken der overige kinderen die erg toegetakeld waren.
„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,” pruttelde Gesina, een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer zeer vluchtig kennis maakte, bij gelegenheid van de dans-receptie op het residentie-huis. „Kijk me dat ding er eens uitzien! De eene mouw hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont een winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het herstellen nog waard?”
„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.”
„Die bengels veroorzaken ons toch te veel werk, mama,” pruttelde Gesina.
„Kom, het zijn levenslustige jongens,” voerde hare zuster Mathilda ter vergoelijking bij.
„Moeten zij, om levenslustig te zijn, in de boomen klimmen, en hunne kleeding verscheuren?”
„Kan een jongen wel uit een boom blijven, wanneer hem een goudgele manga tegengluurt? O, als ik een jongen was, deed ik ook zoo!”
De moeder glimlachte over den uitval harer dochter.
„Ik zie mijne Mathilda al daar boven in dien boom! Wat zou dat een lief gezicht opleveren! Het zou bepaald zijn: horre Kees!”
Mevrouw Meidema bracht dat, „horre Kees” zoo grappig er uit, terwijl zij met de hand eene beweging maakte, alsof zij zich in de zijde krabde, dat de beide meisjes het uitgierden. Eene poos moesten zij het naaiwerk staken om uit te lachen.
„Maar, ma,” begon Gesina, nadat de lachbui over was. „Zoudt gij ons niet door eene „toekan minjahit” (naaister) kunnen laten helpen?”
„Waar denkt mijn Sientje aan?” vroeg de moeder ernstig.
„Ik vind het idée uitstekend,” kwam Mathilda hare zuster te hulp.
„Maar kinderen eene toekan minjahit kost geld.”
„En Anna van Gulpendam, die had wel eene naaister,” snapte Mathilda.
„Ja, maar Anna van Gulpendam, is een eenig kind, Thilda, en daarenboven de dochter van een resident.”
„Is er zooveel verschil in het tractement van een resident en een assistent-resident, mama?”
„Dat zou ik denken. Hier, de resident heeft 1500 gulden ’s maands, en papa slechts 500 gulden.”
„Is dat zóóveel verschil? Dat dacht ik niet.”
„De resident heeft slechts eene dochter en wij tellen zes rijstdiefjes, Thilda.”
„Zijn kinderen dan zoo duur, ma?” vroeg Gesina met een zucht.
„Reken maar na: Kost, kleeding, schoolgeld en wat al niet meer.”
„Het is jammer.”
„Wat is jammer?”
„Dat dat goedje zoo duur is, anders het is wel aardig.”
„Hoor me nu zoo’n inconsequent meisje eens aan! Straks pruttelde ze over het vele werk, dat die bengels veroorzaken, en nu vindt ze ze zulk aardig goedje,” lachte mama.
„Nu ja, mama... U moogt zoo niet vitten... Een mensch mag wel eens pruttelen, vooral als men kielen te verstellen heeft,” antwoordde Gesina, terwijl zij het hoofdje aan haar moeders borst vlijde.
„Geld is toch nog niet alles, mama,” was de wijsgeerige ontboezeming van Mathilda, die ijverig voortpikte, terwijl mevrouw Meidema de bevallige beweging van Gesina met een streelend handgebaar door hare lokken beantwoordde.
„Geld is toch nog niet alles!”
Dat sloeg volgens den gedachtengang van het schoone kind op het geconstateerde verschil van tractement tusschen den resident Van Gulpendam en haren vader.
„Neen, zeker, Mathilde, geld is niet alles,” antwoordde Gesina. „Kijk eens, zijn wij niet gelukkig?”
„En laten wij de vergelijking voltooien,” ging Mathilda voort. „Zou men in het residentiehuis gelukkiger zijn? O, als ik alles bedenk, dan kan ik een zucht niet weerhouden. Arme, arme Anna!”
„Hebt ge tijding van haar?” vroeg Gesina, die ook weer haar werk hervat had.
„Dezen ochtend ontving ik een brief van Karang Anjer. Maar, zooveel mismoed, ja zooveel wanhoop straalt mij uit iederen volzin, uit iederen regel tegen! Och, och, ik vrees het ergste. Met haar karakter uit een stuk, is Anna tot iedere wanhoopsdaad in staat.”
„Maar, wat is er toch met haar?” vroeg Gesina.
„Het fijne weet ik er ook niet van. Anna is zeer geheimhoudend, wat die zaken betreft. Maar voor het naaste meen ik toch te weten, dat hare ouders een huwelijk met Van Nerekool niet inwilligen.”
„Och, zij zal zich spoedig te Karang Anjer vervelen en dan komt ze terug.”
„Zou ze? Mij schrijft ze, dat ze nimmer meer terugkeert. O, haar brief is zoo akelig droevig; hij geeft mij den indruk, alsof het een afscheid, een vaarwel voor het leven ware. Zij verzoekt mij, als haar trouwste vriendin, den steen niet op haar te werpen, wanneer hare wanhoop haar den laatsten stap zal doen volvoeren, en de geheele wereld dan hare nagedachtenis zal bezoedelen. Moeder, wat moet ik toch doen, om die smart te lenigen? O, kon ik toch naar Karang Anjer!”
„Mijn lief kind,” antwoordde de moeder, „het beste wat gij doen kunt, is in uwe correspondentie met Anna zoo min mogelijk op hare liefde voor Van Nerekool te zinspelen. Zij heeft u niet geheel tot haar vertrouwelinge gemaakt. Er bestaan dus geheimen, die het onkiesch zou zijn aan te raken, en waarbij uwe onhandige hand met het mes in de smart wroeten, en de wond dus vlijmender maken zou. De tijd is een groote heelmeester, die zal ook bij Anna zijne uitwerking niet missen. Ik ken eenigermate den gang der gebeurtenissen... wie weet, of zich alles nog niet ten goede keert.”
„Kent gij de gebeurtenissen, moeder?” vroeg Mathilda. „O, vertel mij die. Gij weet, hoe lief ik Anna heb. Alles wat op haar betrekking heeft, boezemt mij belangstelling in.”
„Mathilda,” antwoordde de moeder, „Anna, die, naar ik vermoed, de zaken niet in haar geheel weet, heeft gemeend wat zij weet voor u geheim te moeten houden. Zij heeft daar zeer goed aan gedaan...”
„O, mama!....”
„Want zij zou u een blik hebben moeten doen werpen in zoo’n poel van ongerechtigheden, die zeer zeker voor de bevatting van een jong meisje ongeschikt zijn, en haar hart dan ook hebben doen inkrimpen, en zich doen terugtrekken. Vergun mij, dat ik haar voorbeeld volg... Maar... om tot ons hoofdonderwerp terug te keeren. Gij zeidet zoo even: geld is niet alles, nietwaar? Neen geld, is niet alles. Wij zien daar eene familie, wie het aan geld niet ontbreekt, die daarenboven andere gegevens heeft als: gezondheid, aanzien, de eerste positie in onze maatschappij, enz. om overtevreden te zijn, en die toch het geluk mist. Neen, geld is niet alles.... En toch....”
De goede vrouw zuchtte diep. Dat zij daar met hare dochters zoo te werken zat, duidde genoegzaam aan, dat het slijk der aarde haar niet zoo onverschillig was, als dat „neen, geld is niet alles!” te verstaan kon geven. Bij hare aarzeling om verder te gaan, keken haar de beide meisjes aan.
„En toch?...” vroeg Gesina. „Ga voort, moeder.”
„En toch zou een paar honderd gulden tractement meer,” vervolgde mevrouw Meidema, „onzen toestand zeer verbeteren. Och, wij zitten op zoo groote lasten. Wij hebben zoo belangrijke betalingen te doen; en...”
Het zeil, dat de achtergalerij van het erf afsloot en voor het schelle daglicht beschutte, werd in dit oogenblik opengeslagen, waardoor een verblindende zonnestraal naar binnen drong, die allen deed opzien.
„Babah Lim Yang Bing minta ketamoe sama toean” (babah Lim Yang Bing vraagt om mijnheer te ontmoeten), sprak een der bedienden.
„Maar, mijnheer is niet te huis, die is op zijn kantoor,” antwoordde mevrouw Meidema. „Dat weet ge wel.”
„Dat heb ik den babah ook gezegd, njonja,” antwoordde de Javaan.
„Welnu?”
„Hij wenscht de njonja te spreken.”
Mevrouw Meidema maakte een gebaar van ongeduld. Lim Yang Bing, de rijkste Chinees van de residentie Santjoemeh, wellicht van geheel Nederlandsch-Indië, was evenwel geen man, die afgewezen kon worden. Het gebeurde trouwens wel meer, dat hij zijne opwachting aan de dames kwam maken, bij welke gelegenheden hij steeds de eene of andere snuisterijen had te laten zien.
„Laat hem maar binnen komen,” sprak mevrouw.
In allerijl werd het naaiwerk weggemoffeld, en een borduurwerkje ter hand genomen. Wat had zoo’n Chinees ook te zien, dat de Europeesche familie zich zonder toekan minjahit moest behelpen.
„Tabeh njonja, tabeh nonna, nonna. Saja halap...”
Maar waarom te trachten het brabbelmaleisch van den Chinees weer te geven. Dat zou een onmogelijkheid probeeren zijn door de moeielijkheid, welke die landaard heeft om sommige medeklinkers uit te spreken, waardoor zij die door andere verwisselen, en hun spreken schier niet te volgen is.
„Goeden dag, mevrouw, goeden dag, jonge dames,” sprak hij hoffelijk. „Ik hoop, dat ik de dames niet ongelegen kom. Maar ik dacht den heer assistent-resident te huis aan te treffen, en nu mij dat geluk niet ten deel valt, kan ik niet nalaten mijn opwachting bij de dames te maken, eerstens om naar den staat hunner gezondheid te informeeren, dan ook om haar eene groote tijding mede te deelen.”
„Eene groote tijding?” vroeg mevrouw Meidema, als alle vrouwen nieuwsgierig. „Ga zitten, babah.”
En zich tot den bediende wendende, die op de trappen der achtergalerij gehurkt zat:
„Todrono, kassi karossi!” (Todrono, geef een stoel.)
De meisjes keken den Chinees, die met eene strijkage plaats nam, met van nieuwsgierigheid schitterende oogen aan.
„En uw groot nieuws, babah?” vroeg mevrouw Meidema ongeduldig.
„Eerst moet ik omtrent den staat der gezondheid van de dames ingelicht zijn,” antwoordde babah Lim Yang Bing met plichtpleging.
„O, wij zijn gezond en wel,” antwoordde mevrouw Meidema. „Ik dank u.”
„Dan zij Toean Allah geprezen!” zei de Chinees niet zonder hoogdravendheid, maar met honigzoeten glimlach om de lippen.
„Maar nu uw nieuws, babah?” vroeg Gesina ongeduldig.
„De nonna heeft gelijk nieuwsgierig te zijn. Want vooral de jonge meisjes zullen pret hebben.”
„Maar spreek dan toch, babah!” zei Mathilde even ongeduldig als hare zuster.
„Het geldt een huwelijk,” antwoordde de Chinees.
„Een huwelijk?”
„Een Chineesch huwelijk?”
„Ja, een Chineesch huwelijk,” antwoordde babah Lim Yang Bing met al den nadruk, dien hij aan zijn woorden geven kon.
„O, heerlijk!” kreten de meisjes.
„En wie zijn de gelukkigen?” vroeg mevrouw Meidema.
„Dat mag ik nog niet zeggen, nja.”
„O, maar dan is het nog niet zeker,” zei Gesina teleurgesteld.
„Zoo zeker,” sprak de Chinees, „dat ik de zijden stalen reeds bij mij heb.”
„De zijden stalen?” vroegen de meisjes te gelijker tijd.
„Ja, de zijden stalen. De dames weten toch wel, dat bij dergelijke gelegenheden door de huwelijkscandidaten geschenken aan de genoodigden uitgedeeld worden. En daar de dames de huwelijksplechtigheid zullen bijwonen, heb ik de stalen mede gebracht. O, prachtige zijde, die ik van Nan Hioeng [163] heb laten komen. De dames moeten eens zien.”
Hij haalde een klein pakje te voorschijn, dat hij losmaakte, en den inhoud voor den verrukten blik der vrouwen tentoonstelde.
„O! ziet eens die „tahi boeroeng” (groen met rooden weerschijn),” kreet Gesina. „Wat zou een japon daarvan beeldig zijn!”
„En kijk eens dat blauwe staal!” juichte Mathilda. „Kijk, donkerblauw met dikke bouquetten. Als ik de keus had, dan....”
„En kiest mevrouw niet?” vroeg de babah aan de moeder.
Mevrouw Meidema liet den blik op het verleidelijk pakje vallen, maar... aarzelde.
„Toe, zoekt u ook een staal uit, mevrouw,” smeekte Lim Yang Bing met innemend gebaar.
„Maar... babah,” begon mevrouw. „Ik heb nimmer gehoord van geschenken bij Chineesche huwelijken. Wel bij de oude- en nieuwejaarsfeesten.”
„Ja, njonja, dat zijn de dagen, dat algemeen en aan ieder geschenken gegeven worden, [164] maar bij huwelijken worden alleen aan goede vrienden geschenken aangeboden. En ik noem den heer assistent-resident mijn „sobat baai.” [165]
„Ja, maar, babah, gij kent den heer Meidema.”
„Zou de njonja mij zoo iets weigeren willen?” vroeg de Chinees ontsteld.
„O, mama!” prevelde Gesina met smeekenden blik.
„Ik wil niet weigeren, babah. Alvorens evenwel iets te beslissen of te kiezen, wenschte ik den heer Meidema te raadplegen.”
„Niets natuurlijker dan dat. Dat is zelfs gemakkelijker voor mij. Mevrouw kan mij dan tot voorspraak zijn bij den heer assistent.”
„Tot voorspraak, babah?” vroeg mevrouw Meidema verwonderd. „Gij weet wel, dat die voorspraak bij mijn man niet veel beteekent.”
De Chinees lachte fijntjes en antwoordde:
„Niet mij tot voorspraak, mevrouw; ik drukte mij verkeerd uit; maar tot voorspraak van den bruidegom.”
„Van den bruidegom? Dat ’s waar ook. Wie is toch die gelukkige, babah?”
„Dat is nog een geheim, mevrouw... Maar ik zal het u maar zeggen. Dan ben ik van uwe voorspraak overtuigd. Het is mijn zoon Lim Ho.”
„Zoo... zoo... En met wie treedt hij in het huwelijk?” was de kalme vraag van Mevrouw Meidema.
„Met Ngow Ming Nio.”
„De dochter van Ngow Ming Than? Ja?... Een mooi en rijk meisje. Ik feliciteer u wel.”
„En kan ik op de voorspraak van mevrouw voor Lim Ho rekenen?” vroeg Lim Yang Bing.
„Waarin heeft Lim Ho mijne voorspraak noodig?” was de wedervraag.
„Och, de heer assistent-resident is den armen jongen niet erg genegen. Als mevrouw een goed woord wilde doen.”
„Maar, waaromtrent een goed woord? Met zijn huwelijk heeft de heer Meidema niets uit te staan, nietwaar?”
„Neen, njonja. Maar er is eene opium-perkara, waarin de arme jongen betrokken is.”
„O, daarvan wil ik niets weten,” riep mevrouw Meidema verschrikt uit. „Daar, babah, steek die stalen maar weer bij u.”
De Chinees was getroffen. Beteuterd rolde hij een poos de stalen te zamen, en stak ze daarna in den zak.
„Maar nja; de arme jongen is dood onschuldig.”
„Daar wil ik niets van hooren, geen woord meer babah.”
„Als de heer assistent-resident den armen jongen maar wilde hooren.”
„Toe, ma!” smeekte Gesina, die de mooie zijden japon, aan den gezichteinder zag verdwijnen. „Als pa den zoon van den pachter maar wil hooren.”
Mevrouw Meidema aarzelde.
„Als mijne voorspraak niets anders geldt..... Dat wil ik hem wel vragen,” sprak zij.
„Ma, pas op!” fluisterde Mathilda waarschuwend, maar zacht.
„Ik dank de njonja zeer. Wat zal de brave jongen gelukkig zijn!” viel de Chinees in; terwijl hij de hand van mevrouw Meidema greep, en die dankbaar drukte. „Ik zal die stalen....”
„O, neen, niets van die stalen!” riep mevrouw Meidema uit.
„Och, ma!” mompelde Gesina.
„Pas op, ma!” fluisterde Mathilda.
„Die geschenken hebben met uwe toezegging niets gemeens, mevrouw,” haastte Lim Yang Bing, wien dat gefluister der jonge dames niet beviel, te verzekeren. „Ik heb de eer u en uwe dochters, en natuurlijk ook mijnheer Meidema, uit te noodigen de huwelijksplechtigheid en de bruiloft van mijn zoon bij te wonen. Daar steekt niets in. Gij behoort tot onze goede vrienden. En de jonggehuwden mogen uit erkentelijkheid voor de ondervonden eer eenige geschenken aanbieden. Daar steekt nog minder in. Dat is onze adat. Wie wil daar nu kwaad in zien?.... Dat is dus afgesproken. Ik laat dat pakje met stalen hier, dan kunnen de dames op hun gemak uitzoeken, en de zaak met den heer assistent-resident bespreken.”
Ja, zoo voorgesteld, ontmoette de aanbieding niet veel tegenkanting meer. En al had die bestaan, dan zou mevrouw Meidema geen tijd overgebleven zijn, om die te opperen. De Chinees lei met veel haast het pakje op de tafel, boog diep voor de dames, prevelde zijn tabeh met nog eenige woorden, waaruit kon opgemaakt worden, dat hij terug zoude komen om omtrent de keuze der dames te vernemen en verdween.
Toen de babah weg was, keken de meisjes elkander en hunne moeder aan, Gesina met een glimlach op het lieve gelaat, Mathilda met eene ernstige plooi om den mond.
„Eene Chineesche bruiloft!” kreet de eene opgetogen. „Er zal voorzeker receptie gehouden worden! Wat zal er gedanst worden! Als de Chineezen eene partij geven, dan doen zij het goed.”
„Bedaar toch, Sientje,” maande mevrouw Meidema hare dochter tot kalmte aan, hoewel de goede moeder met verrukten blik die blijdschap aanzag.
Och hare lievelingen waren zoo weinig in de gelegenheid zoo eene partij bij te wonen. Een enkele keer in het jaar bij de residents-familie, maar dat was ook al.
„En wat zal ik in mijn nieuwe zijden japon pronken!” ging het meisje voort, terwijl zij het pakje van de tafel greep. „O, bepaald, ik kies die tahi boeroeng. En gij, Thilda?”
„Ik weet het niet,” antwoordde deze met een zucht; „maar ik heb een gevoel alsof dat pakje ongeluk over ons huis zal brengen.”
„Kom, wat malligheid! Kijk eens die stalen!” sprak Gesina, terwijl zij het pakje openrolde. „O, die fraaie bruine zijde! Kijk eens, mama, dat zou wat voor u zijn! En die blauwe, dat is de keus van Thilda, die is ook mooi. Maar in mijn oog is de tahi boeroeng de mooiste. Zie eens!... Maar.... wat is dat?...”
Gesina had het staal op haren knie willen leggen, om de veranderlijke kleuren goed te doen uitkomen; maar bij die beweging gleden eenige bankbiljetten uit het pakje op den grond. De dames zaten een oogenblik als versteend; want met een oogopslag hadden zij papiertjes van vijf honderd gulden herkend. Eindelijk bukte zich Gesina, raapte ze op, en telde ze: een, twee, drie.... tot tien.
„Vijf duizend gulden!” prevelde zij verward. „Hoe zouden die in dat pakje komen? Dat ’s eene vergissing van den babah!”
„Mijn voorgevoel!” dacht Mathilda bij zich zelve.
„Vijf duizend gulden!” vloog door het brein van mevrouw Meidema, terwijl zij het pakje bankbiljetten van hare dochter Gesina overnam. „Vijf duizend gulden!”
Wat ging er in hoofd en hart van die brave moeder om? O! hare eerste gedachte was om den babah te laten terugroepen, om hem dat geld terug te geven, en hem met zijne stalen de deur te wijzen. Vijf duizend gulden!.... Maar, de Chinees was al zoo ver weg!....
Vijf duizend gulden!... En moesten de bedienden met die zaak in wetenschap komen?... Neen, dat kon niet... Vijf duizend gulden!... Die vertegenwoordigden tien maanden traktement van haren echtgenoot! Zij streek de papiertjes een voor een glad, wond ze om haren vinger... Vijf duizend gulden!... Van die som konden alle betalingen geschieden!.... En, wat zou er moeten gebeuren?.... Vijf duizend gulden!... De beeren betaald, zoude nog wel een sommetje overschieten... Meidema kon dan eens verlof nemen naar de bovenlanden. Hij zag er in den laatsten tijd zoo naar uit. Een paar weken verblijf in de berglucht zou hem goed doen... Vijf duizend gulden!... Ook de knapen zouden nieuwe kielen...
Zij werd gestoord in haren gedachtengang, door een rijtuig, dat het erf opreed.
„Daar is papa!” riep Gesina uit. „Gauw weg met die stalen en die bankbiljetten!”
Zij greep reeds toe. Zij had die zijden lapjes en die papiertjes reeds opgerold, en was op het punt dat pakje onder het kielengoed, waarmede zij bij het binnenkomen van den Chinees onledig was geweest, te doen verdwijnen; toen hare moeder haar beiden afnam, en voor zich op tafel neerlegde.
Bij het hooren van de stem van haren echtgenoot, die in de voorgalerij der woning aan de bedienden eenige bevelen gaf, was de brave vrouw uit den zwijmel van booze gedachten, die haar in haren maalstroom dreigden mee te sleepen, opgeschrikt. Neen, voor den man, aan wiens zijde zij gedurende een groot gedeelte van haar leven rein en onbesproken had voortgestapt, wilde zij geen geheimen hebben! Neen, voor den man, dien zij zoo lange jaren in lief en leed, in voorspoed en in tegenspoed had ter zijde gestaan, zou zij niets verzwijgen! Zij zou hem alles blootleggen. Hij kon dan handelen, zooals hij zou meenen, dat goed was. Zij waren wel arm; maar zij zou zich aan zijne beslissing onderwerpen.
Dat alles bestormde in een ondeelbaar oogenblik het hoofd der brave vrouw. Toen Meidema de achtergalerij binnentrad, was haar besluit onwrikbaar genomen.
De meisjes vlogen op, en gaven haar vader een kus. Ook de moeder naderde en verwelkomde haren echtvriend. Deze evenwel zag met een oogopslag, dat er iets haperde. Hij greep haar met beide handen bij de schouders, en keek haar uitvorschend in de nog schoone oogen.
„Zeg, mamaatje,” vroeg hij met opgeruimde stem, „is er iets?”
„Ja, Meidema, ga zitten, ik heb u wat te vertellen.”
„Hoe ernstig, mijn oudje! Kunnen de meisjes hier blijven?”
„Ja, zeker. In die zaak heb ik voor haar geene geheimen. Ik verlang zelfs, dat zij blijven.”
„Drommels, hoe solemneel! Geldt het haar? Zijn zij ten huwelijk gevraagd? Niet? Ik zou daarin ook geen reden vinden, om zoo’n gezicht als zes weken westmousson te zetten.”
„Maak nu geen gekheid.”—
„Geldt het dan de knapen? Zijn die weer stout geweest? De pantalon gescheurd? Of de kiel aan flarden? Ja, die jongens zijn een kruis! Maar, kom... dat alles komt terecht.”
Alles terecht?....
Bij die woorden bleef hij steken. Zijn onderhoud met den resident kwam hem voor den geest. Hij stapte na de omhelzing de galerij op en neer, haalde eene sigaar uit zijn koker, en keek Mathilda aan. Deze vloog op.
„Mag ik ze aansteken, pa?” vroeg ze.
Zij nam de sigaar in den mond, streek een lucifer aan, deed eenige trekken, waarbij zij een allerkoddigst gezichtje zette, wanneer de tabaks-rook haar in de neusgaten of oogen drong. Zij kuchte dan licht, boog het hoofdje ter zijde, trok de neusvleugels eenigszins op, en kneep de oogen dicht. Toen de sigaar goed rondgebrand was, stak zij ze haren vader in den mond, met de woorden:
„Ah bah! hoe leelijk! Dat de heeren zoo iets lekker kunnen vinden!”
„Kleine feeks, ge hebt de sigaar verkeerd aan het dikke einde aangestoken.”
„Dat’s zuiniger, pa.”
„Wel mogelijk; maar daarom smaakt ze zoo leelijk.”
„Kom, pa. Tabak is toch tabak, en dan dat dikke eind in den mond, dat ontsiert de lippen zoo. Kijk zoo, dat dunne eind, dat staat goed. Maar pa, let nu eens op ma!”
„Ga hier zitten, Meidema; want, wat ik je te zeggen heb, is ernstig.”
„Ik zit al, wijfje, en luister aandachtig.”
„Babah Lim Yang Bing is straks hier geweest.”
„Zoo, ik kwam hem tegen. Hij groette mij allervriendelijkst, nog vriendelijker dan anders.”
„Weet gij wel, wat hij heeft komen doen?”
„Wat hij heeft komen doen?...” vroeg de heer Meidema, ietwat verwonderd. De naam van den pachter had reeds zijne aandacht gaande gemaakt, zonder dat hij kon gissen, wat er aan de hand was. „Wat zou hij hier hebben komen doen? Eenvoudig een praatje maken.”
„Weet gij dat zijn zoon Lim Ho trouwen gaat?”
„Daar heb ik zoo wat van gehoord, met de dochter van dien ouden rijken Chinees, nietwaar?”
„Ja, pa, met de lieve Ngow Ming Nio,” viel Gesina in.
„Lim Yang Bing,” ging mevrouw Meidema voort, „heeft ons, u, mij en de meisjes komen verzoeken om bij de huwelijksplechtigheid en op de bruiloft tegenwoordig te zijn.”
„Welnu, wat zou dat? Dat zal de meisjes pleizier doen, nietwaar deerns?” zei hij, terwijl hij de wangen zijner tweelingen streelde. „Zoo’n Chineesche huwelijksplechtigheid is allerinteressants. Ziet ge daarom zoo ernstig?... O, ja!... vanwege de kleeding... Laatst met de partij bij den resident werd reeds aanzoek om nieuwe japonnen gedaan... Dat’s last...”
„Neen, Meidema, dat is niet lastig; want de Chinees biedt ons geschenken aan.”
„Geschenken?”
„Ja, hij zegt, dat de gebruiken medebrengen, dat jonggehuwden aan goede bekenden geschenken uitdeelen.”
„Accoord: wat suikerwerk, gebak of zoo iets. Maar, wat heeft dat?...”
„Neen, geen snoeperijen, maar zijde, om japonnen van te maken.”
„Zijde!... Is die vent dol? Van die adat heb ik nooit gehoord. En ik ben toch al een tijd in Indië!”
„Hij heeft zelf stalen van Chineesche zijde achtergelaten. Beelderig! Prachtig mooi! Eene kleine voorwaarde was er evenwel aan verbonden.”
„Eene voorwaarde?... En die is?”
„Ik zou de voorspraak bij u zijn voor Lim Ho.”
„Voor Lim Ho!!... Zoo! En wat hebt gij gezegd?”
„Dat ik daar niets mede te maken wilde hebben.”
„En waar zijn die stalen?... Geef hier, dat ik ze in het vuur werp!”
„Zacht wat, Meidema!”
„Voorspraak van Lim Ho! Met een zijden japonnetje wilde men u omkoopen!”
„Niet alleen met een zijden japonnetje, Meidema. Rol dat pakje eens open!”
De assistent-resident deed zulks woest en hartstochtelijk in zijne opgewondenheid.
„Wat is er?... Wat is er toch?” riep hij ongeduldig uit.
Daar vielen hem de bankbiljetten op de voeten. Bleek en ontdaan raapte hij ze op, telde ze, streek ze glad, keek zijne vrouw en kinderen met strakken blik aan; maar sprak geen woord. Eindelijk, in een woesten vloek uitbarstende, frommelde hij het pakje stalen en de bankbiljetten tot een vormloozen klomp te zamen.
„De duivel zal dien Chinees halen!” riep hij uit. „Daar zal de vent van lusten!”
En den bediende roepende;
„Todrono, soeroe passang koeda!” (Todrono, gelast den koetsier de paarden voor te spannen).
Tien minuten later had hij het erf verlaten.
XXVI. AARDIG GEMANOEUVREERD!
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
„Ja, resident, en ik klaag den opiumpachter aan wegens poging tot omkooperij!”
Het was de assistent-resident van politie, die zoo het verhaal aan den heer Van Gulpendam besloot, waarbij hij het gebeurde bij zich aan huis in geuren en kleuren had medegedeeld.
„Bedaar, mijnheer Meidema, bedaar. Vast wat!.... Overijling is nadeelig voor welke zaak ook. Zijt gij overtuigd, dat die vijfduizend gulden daar in dat pakje gestopt zijn met het doel om u te willen omkoopen?”
„Moet ik herhalen, resident, dat hij mijne echtgenoote verzocht, bij mij tot voorspraak voor Lim Ho te dienen? Ja zeker, ben ik overtuigd van die poging tot omkooping!”
„Kunt gij niet aannemen, dat Lim Yang Bing, die een zeer weldadig man is, begaan is met uwe benarde financiëele omstandigheden?”
Meidema brulde schier van woede.
„Mijne benarde financiëele omstandigheden!... Wie verbreidt toch dat praatje? Zeker ben ik niet rijk; maar wanneer ieder zooveel orde op zaken had als ik, dan zou...”
„Laten wij niet van den wind afvallen, mijnheer Meidema,” stuitte de resident bijtijds.
„Ja, juist, resident! Wie geeft dien Chinees het recht zich met mijn financiëele omstandigheden te bemoeien, en zich te permitteeren aan mijne vrouw en dochters een cadeau van vijfduizend gulden aan te bieden?”
„Maar, is het wel een cadeau?”
„Wat zou het anders zijn, resident?”
„Kunt gij niet aannemen, dat dat pakje bankpapier onwillekeurig tusschen die stalen zijde geraakt is? Gij weet hoe slordig zoo’n Chinees met papieren geld omspringt. Soms hebben zij eene groote waarde los in hun zak zitten. Zie, ik ben overtuigd, dat wanneer gij straks Lim Yang Bing zult ontmoeten, alles zich ten duidelijkste zal oplossen. Ik zal hem laten praaien. Vindt gij het goed?”
„Mij wel, resident; maar wat hij ook zeggen of verklaren zal, ik trek mijne aanklacht niet in.”
„Niet zoo vroeg stoom afblazen, mijnheer Meidema, wat ik u bidden mag. Laat mij het bestek nu eens uitzetten, dan zult gij zien, dat gij u in den koers schromelijk vergist hebt.”
Een oppasser werd geroepen, en kreeg bevel om dadelijk te paard te stijgen, en in vollen ren naar den opiumpachter te rijden met de boodschap: dat deze terstond bij den Kandjèng toean resident moest komen.
Nog geen half uur later, dat beide ambtenaren met een gesprek over onverschillige zaken doorgebracht hadden, reed een elegante milord, bespannen met het fraaiste span Perziaansche paarden, die maar te bedenken waren, het erf van het residentiehuis op. Een oogenblik later werd de opiumpachter aangediend.
„Kassie massokh!” (laat binnen komen,) sprak de resident.
Met zijn gewone ongedwongenheid en met een glimlach op het gelaat trad Lim Yang Bing binnen. Hij had reeds van den oppasser vernomen, dat de heer assistent-resident bij den toean bezaar was. Dat was hem als een goed voorteeken voorgekomen. Hij meende nu dat die opium-smokkelzaak van een leien dakje zou loopen.
Opgeruimd klonk dan ook zijn:
„Tabeh Kandjèng toean toean!”...
De resident wees den Chinees een stoel, en toen deze plaats genomen had, vervolgde hij:
„Babah, de heer assistent-resident vermeent zich over u te beklagen te hebben.”
„Ik vermeen dat niet, resident,” viel Meidema in. „Ik beklaag mij werkelijk.”
De beide heeren spraken Maleisch, zoodat de pachter alles verstond.
„En waarover beklaagt de heer assistent-resident zich?” vroeg hij zoetsappig.
Hij zag de geheele samenkomst aan voor eene komedie, die vertoond werd, en waarin ieder zijne rol te vervullen had. Hij had zoo menig luimig stukje mede helpen afspelen.
„Waarover ik mij beklaag, babah? Ik klaag u aan, dat gij mij als hoofd van de politie hebt willen omkoopen!”
„Ik, Kandjèng toean?” vroeg de Chinees met gemaakte verwondering. „Wanneer zou ik dat gedaan hebben?”
„Nog geen uur geleden, dezen ochtend nog.”
„De heer assistent-resident wil met mij spotten. Ja ik ontmoette hem straks, maar had de eer niet hem heden te spreken. Hoe zou ik nu zoo iets kunnen bedreven hebben?”
„Gij zijt heden ochtend bij mijn gezin geweest, nietwaar?”
„Ja, Kandjèng toean, om hen en u voor de bruiloft uit te noodigen, zooals ik hier ook op het residentiehuis geweest ben, om de njonja en den toean bezaar te verzoeken.”
„Hebt gij de njonja-resident ook Chineesche zijde aangeboden voor een japon?” vroeg de heer Meidema heftig.
De Chinees knikte onder dien slag. Zijn geel gelaat werd vaal. Hij begon te begrijpen, en keek den resident beteuterd aan. Maar deze, tegenover Meidema gezeten, die hem aankeek, vermocht hem geen teeken te geven. Toch was er iets aanmoedigends in de oogen van den hoofdambtenaar te lezen.
„Hebt gij de njonja-resident ook een pakje bankpapier aangeboden? Zeg?”
En bij die woorden wierp de assistent-resident de geldswaarde op de schrijftafel van den resident met een gebaar, alsof hij zich brandde.
De Chinees werd loodkleurig. Hij had tijd noodig om zich te herstellen.
„Ziet ge, resident. De schuld is op het aangezicht van den ellendeling te lezen!” sprak Meidema opgewonden.
Bij die woorden hernam de pachter zijn koelbloedigheid. Hij sprong op het pakje banknoten toe, en telde ze nauwkeurig; „satoe, doea, tiga, ampat,... sapoeloeh!”
Toen een fletschen blik op den heer Meidema vestigende, vervolgde hij:
„En beschuldigt de heer assistent-resident mij, hem te hebben willen omkoopen?”
„Ja, babah, daarvan beschuldig ik u!”
„Maar, waarom geeft de heer assistent-resident dan niet de geheele som terug?” vervolgde de Chinees met honigzoeten glimlach.
„De geheele som?”
„Ja, de geheele som,” antwoordde babah Lim Yang Bing. „Ik heb al lang gemerkt, dat de heer assistent-resident mij en de mijnen niet genegen is; maar het is toch te erg eene kleine som terug te brengen om mij ten verderve te brengen en de grootere te behouden.”
Dat werd zonder hartstocht, zonder omhaal, zonder verheffing van stem, maar op teemenden toon gezegd, terwijl die gluiperige glimlach, welke het gelaat der Chineezen steeds kenmerkt, wanneer zij zich in tegenwoordigheid van gezaghebbende personen bevinden, waargenomen kon worden.
„Babah!” riep de heer Meidema toornig uit. „Babah pas op!”
„Maar ik begrijp den toeleg van den heer assistent-resident,” ging de Chinees, die zich niet van zijn stuk liet afbrengen, met zijnen onverstoorbaren valschen lach voort. „Hij wil het grootste gedeelte van het cadeau, dat ik mevrouw deed, behouden, en daar de boeten bijvoegen, die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan als schuldig aan opium-smokkelvrij veroordeeld wordt. Ik moet bekennen, dat het slim, maar ik laat den Kandjèng toean oordeelen of het eerlijk is.”
Meidema zat daar, alsof hij door den bliksem getroffen was. Eene vreeselijke gedachte woelde hem door het brein. Ja, zijne financiën waren niet in den besten toestand! Ja, zijn huisgezin ging gebukt onder zware lasten! Ja, voor zijne kinderen gloorde maar zelden een vroolijk uur! Ja... en... zou zijne echtgenoote onder den druk der omstandigheden zich hebben laten verleiden hem niet de geheele waarheid te zeggen? Had zij hem slechts een gedeelte van de gift genoemd, om te zien, hoe hij het opnam?... Ja, zoo zal het gebeurd zijn.... Zijne vrouw, zijne dochters, zij zaten daar ook zoo beteuterd, zoo verbijsterd. En de gedragslijn, welke hij thans tegenover den resident, die hem niet erg genegen was, aangenomen had. Hel en duivel!... Hij sprong op.
„Babah! gij liegt!” riep hij in de grootste verbolgenheid uit.
„Als de heer assistent-resident „koerang adjar” (onwelvoegelijk) wordt, dan verzoek ik den Kandjèng toean mij te veroorloven heen te gaan,” antwoordde de Chinees op denzelfden sleependen, zangerigen toon, met denzelfden valschen glimlach op de fletsche trekken.
„Mijnheer Meidema, ik moet u verzoeken bedaard te blijven,” maande Van Gulpendam op ernstigen toon.
„Hoeveel heeft dan in dat pakje gezeten?” kreet Meidema wanhopig.
„In dat pakje heb ik de njonja tien bankbiljetten van duizend en tien van vijf honderd gulden aangeboden.”
De assistent-resident kermde van ontsteltenis en wanhoop.
„Is dat waar?” vroeg hij met haperende stem.
„Soengoe matti!” (bij mijn dood), was het antwoord.
„O, ik ga mij overtuigen!” kreet de ongelukkige en stormde het kantoor van den resident uit.
En de Chinees èn de resident keken hem met een glimlach na.
„Goed gepareerd, babah!” sprak de laatste bewonderend, en binnensmonds prevelde hij:
„Ik ben eens benieuwd, welke noodhaven de koppige kerel bij het invallen van die bui zal opzoeken.”
„Kandjèng toean zal mij veroorloven naar huis te gaan?” vroeg babah Lim Yang Bing deemoedig, maar steeds met loenschen glimlach.
„Ja, babah.”
En toen de gebruikelijke complimentjes gewisseld waren, en de Chinees vertrokken was, tuurde hem de resident na en mompelde:
„Een leepe vent, die pachter... Ja, die in de opium zit, moet met alle winden kunnen zeilen.”
Brieschend kwam Meidema te huis.
Hij wachtte niet totdat zijn rijtuig het perron der voorgalerij bereikt had. Nauwelijks was hij het erf opgereden, of hij wierp het portier open, sprong het rijtuig uit en riep den koetsier toe:
„Toengoe!” (wachten).
Hij stormde de voor- en binnengalerij door. In de achtergalerij aangekomen, waar de dames nog met hun verstelwerk bezig waren, vloog hij op zijne echtgenoote toe, die bij het bemerken van zijn ontsteld gelaat van haren zetel opgerezen was. Hij greep haar bij de polsen, en met eene krachtige beweging, dwong hij haar voor hem te knielen. Dat alles ging zoo snel in zijn werk, dat, hoewel de beide meisjes ook opgevlogen waren, niemand harer eigenlijk begreep, wat er gebeurde.
„Zoo!” brulde Meidema. „Dat is de houding, die u betaamt! En nu, geantwoord! Waar is het overige geld?”
„Welk overige geld?” kreet de rampzalige vrouw, zich onder zijne ijzeren vuist in duizend bochten aan zijne voeten wringende.
„De andere tien duizend gulden!” toornde de man.
„Welke tien duizend gulden?” vroeg de arme moeder steeds geknield. „Meidema laat me los; gij doet mij zeer!”
„Neen, ik laat u niet los, voor dat ge me gezegd hebt, waar de tien duizend gulden zijn,” antwoordde de verbolgen echtgenoot.
„Maar, welke tien duizend gulden?”
„Die de Chineesche pachter u met de vijf duizend gegeven heeft!”
„Pa,” sprak Gesina, „laat mama los. Ik zal u vertellen, wat er van de zaak is.”
„Gij!” brulde de vader, zonder evenwel zijne echtgenoote los te laten, die hij steeds geknield voor zich hield.
„Ik heb het pakje van Lim Yang Bing aangenomen,” ging het meisje voort. „Ik heb het geopend en de stalen zijde met mama en mijne zuster bewonderd. Toen waren er geen bankbiljetten in, dat zweer ik, bij al wat mij heilig is! Toen mama van eene voorspraak bij u niets weten wilde, stak hij het pakje weer bij zich. Evenwel toen mama later er in bewilligde, om u over die zijde te raadplegen, wierp de babah het pakje op tafel en snelde heen...”
„Maar die tien duizend gulden?” vroeg Meidema achterdochtig.
„Laat mij uitspreken pa,” vervolgde Gezina. „Toen hij weg was, nam ik de stalen weer op; maar nu ik mij goed herinner, dan waren het de eerste stalen niet, die wij bewonderd hadden. Daar lette ik evenwel toen niet op. Wij keken, keken, en waren geheel en al verrukking Ik lei een der stalen op mijn knie om het effect te bewonderen, toen vielen vijf duizend gulden uit dat pakje...”
„Vijftien duizend, wilt ge zeggen?” vroeg de vader, die ongeduldig, maar toch aandachtig geluisterd had.
„Neen, pa, tien papiertjes van vijfhonderd gulden! Anders niet!” antwoordde het meisje met vaste, rustige stem.
„Is dat waar?” vroeg de vader, en keek zijn kinderen en zijne vrouw uitvorschend in het gelaat.
Maar de lieve kijkers van zijn tweeling blikten hem zoo schuldeloos, zoo open en trouwhartig te gemoet; de oogen zijner gade vestigden zich zoo vastberaden op de zijnen, dat twijfel onmogelijk was, toen alle drie als uit een mond met eene stembuiging, die slechts aan een rein geweten hare overtuigingskracht ontleende, antwoordden:
„Ja, dat is waar!”
Toen trok de rampzalige man zijn echtgenoote, die nog steeds geknield voor hem lag, overeind, en kreet, terwijl hij haar aan zijne borst klemde:
„Ellendeling, die ik ben! Ik heb mijne dierbaren, hen, die ik het meest liefheb op aarde, kunnen verdenken!”
En zijn armen uitspreidende en om den hals zijner vrouw en kinderen slaande.
„Lievelingen,” sprak hij met een snik, „zult gij mij kunnen vergeven?”
Die vier personen vormden daar voor een oogenblik een groep, die een beeldhouwer had kunnen bekoren; maar die den menschenvriend, die dat heerlijke schouwspel had kunnen bespieden, het hart van verrukking zou hebben doen kloppen. De gade, de dochters overlaadden den man, die een oogenblik te voren zoo getoornd had, met kussen en met liefkoozingen. O, zij konden zich zeer goed in zijne plaats stellen, en zijne verbolgenheid begrijpen.
„Had ik geen recht,” zei Mathilda „toen ik beweerde, dat dat pakje stalen mij ongeluk aanbrengend voorkwam?”
„Maar, zeg mij, Meidema,” vroeg mevrouw; terwijl zij haren echtgenoot met een traan in het oog aanzag. „Wat is er gebeurd, wat u zoo gramstorig maakte?”
„Die vuile Chinees heeft in presentie van den resident beweerd, dat hij u geen vijf duizend, maar vijftien duizend gulden overhandigd had.”
„O, God! Maar, dat is infaam!”
„Ja, dat is het! Van zoo’n opium-exploitant echter is niet anders te verwachten. Zoo’n wezen is tot alles in staat!”
„Maar, kan u zoo iets niet benadeelen?” vroeg de bezorgde vrouw. Een weinig ervaring van het raderwerk in Nederlandsch-Indië had zij wel.
„Ja,” antwoordde Meidema met een zucht, „als ik met eerlijke lieden te doen had, dan kon ik volkomen gerust zijn. Maar, nu?... Ik zal evenwel trachten een schotje er voor te zetten! Mijn rijtuig staat nog voor; ik ga snel naar den resident!”
„Dat’s eene malle geschiedenis, mijnheer Meidema.”
Dat was de eenige opmerking, die zich de resident Van Gulpendam veroorloofde, toen de heer Meidema hem met al den gloed der verontwaardiging, die zijne borst doortintelde, het gebeurde medegedeeld had. Gedurende dat verhaal had de hoofdambtenaar met onverdeelde aandacht, evenwel met strak niet aanmoedigend gelaat zitten luisteren, terwijl soms een zweem van ongeduld met een sarcastisch glimlachje op zijn gelaat om den voorrang streden. Dat uiterlijke ontstemde den reeds overprikkelden assistent-resident zoodanig, dat toen de resident zich zijne niet zeer heusche opmerking liet ontvallen, hij niet zonder hartstocht antwoordde:
„Eene malle geschiedenis!... Eene infâme geschiedenis, wilt ge zeggen, resident!”
„He, he, he! mijnheer Meidema. Niet zoo stout zeilen!”
„Maar, resident, vindt gij het geene infâme geschiedenis?”
„Jawel, jawel... maar, het is de vraag voor wien?”
„Het is de vraag voor wien?... Resident, het schijnt, dat gij mij niet gelooft!”
„Niet te driftig, mijnheer Meidema. Luister eens...”
„Maar, resident, dat vereischt eene nadere verklaring! Als gij mij niet gelooft...”
„Ik verlang nu, heer assistent-resident, dat gij mij aan het woord laat!”
Die woorden, met de meest mogelijke afgemetenheid en deftigheid uitgesproken, zooals dat een resident in zijne volle waardigheid alleen kan, brachten eene geheele omkeering bij zijn toehoorder te weeg. Meidema bedwong zich, antwoordde geen enkele lettergreep, maar boog ten teeken, dat hij luisterde.
„Ik zei, dat het eene malle geschiedenis is,” hervatte de resident, „en werkelijk, dat is zoo. Ik wil voor een oogenblik gelooven, dat gij een eerlijk man zijt, mijnheer Meidema....”
De ondergeschikte knarstandde bij die woorden. Hij deed eene beweging;... maar, hij was vast besloten bedaard te blijven en te luisteren. De resident vervolgde, alsof hij niets bemerkt had.
„....Maar, gij moet mij toegeven, dat de schijn zeer tegen u pleit... Tegen u, of... tegen uwe huisgenooten. Stel u eens op het standpunt van den resident, van mij, die onpartijdig, zonder vooroordeelen, de zaken moet overzien; en zie dan eens op welke schaal der balans van onpartijdigheid de waarschijnlijkheden zich als het ware ophoopen. Uw benarde financiëele omstandigheden zijn van algemeene bekendheid en schaden uw karakter van eersten magistraat in de publieke opinie zeer. Het is zoo moeielijk aan te nemen, dat iemand, onder zulke omstandigheden gebukt, onpartijdig, onaantastbaar, onwrikbaar eerlijk kan zijn. Daartoe zijn de verlokkingen van alle kanten te groot. Aan den eenen kant de aanbiedingen der verleiders, die hunnen weg wel weten te kiezen; aan den anderen kant de stemmen der huisgenooten, die onder den druk van het kommerlijk bestaan kwijnen. De openbare meening is dus bepaald tegen u. In die omstandigheden verschijnt de opiumpachter ten uwent, biedt geschenken aan in den vorm van zijden japonnen voor uwe echtgenoote en voor uwe dochters, biedt geschenken aan in den vorm van geld. Wien zult gij nu willen wijsmaken, dat zoo iets geschieden kan, zonder dat voorafgegane verhoudingen plaats gegrepen hebben, die tot zulke aanbiedingen aanmoedigden?
„Immers niemand. Zelf hebt gij verhaald, dat de pachter de voorspraak uwer vrouw kwam inroepen. Hij moest dus wel overtuigd zijn, dat die voorspraak te verwerven was, dat die voorspraak tot iets nuttig kon zijn. En, moet gij dàt met mij instemmen, dan zijt gij van de bekentenis niet meer verre, dat die voorspraak niet voor de eerste maal ingeroepen werd. Gij zult althans den onpartijdige veroorlooven, dat als zeer waarschijnlijk aan te nemen. Zie, dat is nog niet alles. Er is meer. Zelf hebt gij bekend, dat gij aan de schuld van mevrouw Meidema een oogenblik geloofd hebt. Aangrijpend was straks het verhaal van het betreurenswaardige tooneel, dat bij u aan huis plaats gehad heeft, en dat ik als hoofdambtenaar bij mijne ondergeschikten streng moet afkeuren; maar wat mij in de gegeven omstandigheden begrijpelijk voorkomt; echter mij tevens eene vingerwijzing geweest is, dat gij, gij in persoon, uwe gade niet boven iedere verdenking verheven geacht hebt.”
Meidema zat daar doodsbleek, aan een beeld gelijk, stil, met de vurig brandende oogen op den resident gevestigd, die met vaardige hand, ja met eene zekere virtuositeit het mes in de wonde omkeerde. De rampzalige beschuldigde zich in die oogenblikken erger dan de resident, erger dan het iemand had kunnen doen. Voor den rechtvaardige is de stem des eigen gewetens de schrikkelijkste stem! Ja, hij had zijne wederhelft, zijnen aanminnigen tweeling verdacht! De resident had gelijk! Maar, dat was helaas, niet het ergste, wat hem zijn geweten verweet. Die verdenking had hij niet voor zich gehouden! Die verdenking had hij niet in eigen boezem weten te bewaren! Eerlijk en trouwhartig, had hij gemeend, dat de waarheid, de geheele waarheid steeds het meest krachtige bewijs is. En, in een oogenblik van openhartigheid, had hij medegedeeld, om aan te toonen, hoe onschuldig zijn huisgenooten waren, tot welke handelingen van woest geweld hij zich in een oogenblik van onzinnige smart had laten vervoeren! En daar keerde zich het wapen om, niet alleen tegen hem, maar tegen haar, tegen haar van wier onschuld hij thans overtuigd was, steeds overtuigd geweest was! O, God! Zijne oogen deden hem zeer. Het was, of zij met witgloeiend ijzer omboord waren. Zijn blik was niet meer strak, hij was aan dien van het levenlooze beeld gelijk, van het beeld, dat de kunstenaar, onbekwaam om den blik daarvan te bezielen, met akelige oogappels zonder iris begiftigd heeft. Die wezenlooze oogen waren op zijn beul gevestigd. Deze, onbekwaam om eenig medelijden te gevoelen, ging onbarmhartig voort:
„Is het nu niet aan te nemen, mijnheer Meidema, dat uwe echtgenoote, voor uwe ruwheid beducht, zich tot eene eenvoudige ontkenning bepaald heeft, nadat ze eerst u heeft trachten te misleiden omtrent die tien duizend gulden? Zie,” ging de resident met vriendelijken glimlach voort, „mij dunkt, dat het ’t meest verkieselijke voor alle partijen ware, dat aan die betreurenswaardige zaak dien glimp gegeven werd. Moeielijk kan men u voor de daden van mevrouw verantwoordelijk stellen....!”
Daar vloog Meidema op.
„Neen!” kreet hij, „die glimp mag niet gegeven worden! Mijne vrouw is onschuldig!”
„Bedenkt, wat ge doet, mijnheer Meidema,” sprak Van Gulpendam met teemende stem. „Laat ge dat anker glippen, dan blijft er geen ander alternatief over, dan...”
De aterling aarzelde. Hij deinsde terug voor hetgeen hij nog te zeggen had.
„Geen ander alternatief dan?...” vroeg Meidema met schorre stem.
„Dan u voor den schuldige te houden, die met uw gezin samenspant!”
„Resident!...”
„Bedaar!... Ik stel dat alternatief niet; gij stelt het. Wordt gelet: alweer op uwe financiëele omstandigheden, op den toon van verbittering, die in uw proces-verbaal tegen Lim Ho heerscht; hoe daarin alles aangegrepen wordt, om hem schuldig te doen schijnen, en hoe alles vermeden wordt, wat op de schuld van den Javaan Ardjan kan wijzen, dan geven de woorden, die de opiumpachter straks sprak, veel te denken. Herinnert gij u die woorden nog? Zij waren wreed, maar misten hun à propos niet. „Hij wil,” sprak de Chinees „het grootste gedeelte van het cadeau, dat ik mevrouw aanbood, behouden, en daarbij de boete voegen, die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan, als schuldig aan opiumsmokkelarij veroordeeld wordt.” En, neem ik nu art. 24 van het opiumreglement in aanmerking, in verband met al hetgeen ik u reeds onder het oog bracht, dan zal ik er niet op behoeven te wijzen, dat gij op mijne voorspraak niet zult kunnen rekenen,”
De rampzalige zat daar als vernietigd. Hij sprak geen woord; terwijl zijn oogen slechts wezenloos op zijn chef gevestigd bleven.
„Neen, er is hier geen andere uitweg: of uwe vrouw is schuldig, of gij zijt het! Misschien wel gij beiden! Er valt hier te kiezen... En dat spoedig!... Want heden nog wil ik naar de regeering telegrapheeren.”
Telegrapheeren!... De ongelukkige hoorde alleen dat woord. Telegrapheeren! Ja, hij wist wat dat beteekende.
Hij wist met hoeveel willekeur het lot der ambtenaren behandeld werd. Telegrapheeren!... Hij zag zich reeds ontslagen,... door een ieder als de pest geschuwd,... zijn gezin aan armoede, honger en ellende ten prooi... In die oogenblikken, als las hij in de gedachte van den rampzalige, weerklonk de stem van den machthebbende:
„Kiezen, mijnheer Meidema! Hier valt aan geen uitstel te denken.”
„Wat moet ik doen, resident?” snikte de arme man radeloos.
„Wat gij moet doen? Hier is uw proces-verbaal! Het werd mij straks met de stukken van den landraad, dien ik aanstaanden Dinsdag zal presideeren, bezorgd. Dat proces-verbaal,... hier is het,... doet er mede, wat gij wilt.”
En hij stopte den waanzinnige het document in handen. Deze nam het aan, bekeek het met wezenloozen blik. Hij deed met beide handen eene beweging, alsof hij het verscheuren wilde; maar, alvorens de noodlottige ruk volbracht was, stortte hij met een kreet bewusteloos op den grond.
Een dokter werd gehaald. Toen deze verscheen, vond hij den heer Meidema, op een stoel in het kantoor, door het geheele huisgezin van den resident omgeven, wezenloos zitten, terwijl de vloer rondom hem met stuk gescheurde papieren bedekt was. De geneesheer sprak van „febris cerebralis,” (hersenkoorts) en liet den patiënt naar het hospitaal vervoeren.
„Is het gevaarlijk, dokter?” vroeg de resident met de innigste belangstelling.
„Zeer gevaarlijk. Als de patiënt niet krankzinnig wordt, zal hij het hard te verantwoorden hebben.”
De resident reed dadelijk naar mevrouw Meidema, om haar op den slag voor te bereiden, die haar trof.
Des avonds las men in een der plaatselijken dagbladen het navolgende:
„Een treurig bericht. Naar wij vernemen is de assistent-resident voor de politie W. D. Meidema hevig ongesteld geworden. Aanvankelijk liet de ziekte zich aanzien, alsof zij eene variëteit van hersenkoorts ware; maar na een nauwkeurig onderzoek door onzen ijverigen en kundigen dirigeerend officier van gezondheid, is deze tot de ervaring gekomen, dat hij hier te doen heeft met een bizonderen vorm van melancholia attonita. De faculteit heeft uitspraak gedaan, dat slechts herstel te verwachten is van een eenigszins langdurig verblijf in een der krankzinnigen-gestichten in Europa, en dat een spoedig vertrek derwaarts zeer gewenscht is. Zijn wij goed ingelicht, dan heeft onze resident reeds aan de regeering te Batavia getelegrapheerd: zoodat het te voorzien is, dat het besluit, waarbij verlof naar Nederland verleend zal worden, heden nog geslagen wordt. Ook is het aan de menschlievende voorspraak van het hoofd van gewestelijk bestuur gelukt, passage aan boord van de Noach III, die overmorgen de reis naar Patria aanvaardt, voor de rampzalige familie te verkrijgen, en Mevrouw Van Gulpendam spant van hare zijde ook alle krachten in, om de zoo zwaar beproefden met raad en daad bij te staan. Als goede geniussen staan de resident en zijne gade de ongelukkigen bij; en waarlijk, het is hartverheffend de hoogere ambtenaren zóó voor hunne ondergeschikten te zien zorgen.
„Onze beste wenschen voor het herstel van den heer Meidema, vergezellen hem en zijn kroost.”
De dagbladredactie was als gewoonlijk goed ingelicht geweest, dat moet erkend worden. Op 14 Juli lichtte de Noach III het anker, en verliet onder den invloed van den oost-mousson, die met volle kracht doorstond, met welgevulde zeilen de reê van Santjoemeh, en was weldra, ook voor de wachters op den uitkijk, aan de kim verdwenen. Toen de resident Van Gulpendam, die in de goedheid zijns harten zijn ondergeschikte, dien hij zooveel achting en zooveel liefde toedroeg, en met wiens lot hij zoo begaan was,—dat alles verzekerde hij luidruchtig genoeg,—tot op de reede uitgeleide gedaan, en daar die familie met warmte de hand gedrukt had, de kleine stip aan den horizon had zien verdwijnen, ontsnapte hem een zucht van verlichting, terwijl hij binnensmonds prevelde:
„Aardig gemanoeuvreerd!”
XXVII
SUMMUM JUS SUMMA INJURIA.—VADER EN ZOON VEROORDEELD.—SINGOMENGOLO VERMOORD.
Een paar dagen later vertrok Mr. Zuidhoorn van Santjoemeh. Hij ging met een der booten van de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij naar Batavia, om van daar per Emirne naar Singapore te reizen, en zich ter laatstgenoemde plaats aan boord van de Irouaddy van de Messageries maritimes in te schepen, die hem naar Marseille zoude overvoeren.
De rechtschapen rechterlijke ambtenaar had zich vast voorgenomen, om ter hoofdplaats van Nederlandsch-Indië het gebeurde bij de laatste landraadzitting te Santjoemeh aan de bevoegde autoriteiten mede te deelen en binnen de grenzen eener betamelijke voorzichtigheid bekend te stellen, welke drijfveeren hier in het spel waren. Maar... tusschen voornemen en uitvoeren is een hemelsbreed verschil, dat ondervond hij ras. Hij had slechts drie dagen oponthoud te Batavia; maar in dat tijdsverloop was de Gouverneur-Generaal niet te spreken. Wel was Mr. Zuidhoorn naar Buitenzorg gestoomd; maar vernam daar, dat Zijne Excellentie dienzelfden dag vroeg naar Tjipannas vertrokken was. Er bleef niets anders over, dan den volgenden ochtend per postrijtuig derwaarts te rijden. Toen hij daar aankwam, wachtte hem eene nieuwe teleurstelling. Hoewel hij daags te voren aan den adjudant van dienst getelegrapheerd maar daarop geen antwoord bekomen had, werd hem medegedeeld, dat de Opperlandvoogd met hevige koorts te bed lag, en niemand ontvangen kon. De adjudant bracht veel verontschuldigingen bij, en beweerde, dat de bedenkelijke toestand van Zijne Excellentie in den nanacht eerst ingetreden was.
Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn ongelukkig gesternte te betreuren, en naar Batavia terug te spoeden. Met die vergeefsche poging had hij twee dagen zoek gemaakt. Restte hem dus nog maar een.
Toen hij den volgenden morgen zijne opwachting maakte bij den directeur van Justitie, kwam die hem met eene luidruchtige hartelijkheid te gemoet.
„Zijt gij er eindelijk, collega Zuidhoorn!” sprak hij, terwijl hij hem met gekunstelde innigheid de hand schudde. „Ik ben blij u te zien. Ik had me zoo’n schrikbeeld van uw toestand gemaakt. Ik dacht, dat ge zieker waart. Enfin, zoo is het beter! Maar, het wordt tijd, dat ge met verlof gaat...”
Dat alles werd met eene radheid van tong gesproken, die tot doel had andere gedachten te verbergen.
„Dat ik zieker was!... Wat bedoelt ge daarmede, directeur? In geen mijner brieven schilderde ik den toestand ongunstiger dan hij is. En dan, dat het tijd wordt, dat ik met verlof ga?... Ik verzeker u, dat ik wel had willen blijven.”
„Nu, ja, voorzeker. Maar de invloed van het klimaat begon zich toch te doen gevoelen...”
„De invloed van het klimaat?...”
„Ja, ziet ge. Als wij Europeanen langen tijd tusschen de keerkringen doorbrengen, dan ontstaat er bij den een eene verslapping van zenuwgestel, soms gepaard met eene verweeking, eene verpapping der hersenen...”
„Directeur!... die veronderstelling...”
„Geldt u niet, collega Zuidhoorn, dat weet ik wel. Gij liet mij niet uitspreken. Bij den anderen ontstaat eene overprikkeling, eene zwaartillendheid....”
„Directeur!... Is dat mijn geval?”
„In den regel blijft de patiënt onkundig van zijn toestand, en is in de heilige overtuiging, dat hij niet anders handelt dan gewoonlijk.”
„Directeur, is dat mijn geval?” herhaalde Mr. Zuidhoorn zijne vraag.
„Eenigermate, ja, collega. Zonder dat gij het merktet, toonde uw stijl eene prikkelbaarheid, die, gij, als uitstekend juris peritus, zult mij dat toegeven, bij een rechterlijk ambtenaar niet gewenscht is.”
„Maar, directeur!... Ik ben niet bewust.”
„Quantum est, quod nescimus!” (hoeveel bestaat er, wat wij niet weten!)
„Maar, nimmer ontving ik eene opmerking ter zake!”
„Zeer waar; maar, waarde collega, daarom bleef die overprikkelde gemoedsstemming toch niet onopgemerkt. Aanvankelijk hield ik haar voor het gevolg van innige en warme belangstelling in het rechterlijk karakter, dat gij steeds als een priesterschap beschouwdet. Later evenwel begon ik in te zien, dat een ziekte-proces aanhangig was; en gij weet, vooral bij ons geldt de spreuk: mens sana in corpore sano (eene gezonde ziel in een gezond lichaam), wil de rechter onpartijdig kunnen optreden.”
Mr. Zuidhoorn zat als door den donder getroffen. Was dat het oordeel zijner meerderen, nadat hij zoo lange jaren onkreukbaar trouw en nauwgezet in de doornachtige loopbaan van rechterlijk ambtenaar werkzaam geweest was? Was dat zijne belooning? Was dat de kroon op het werk?
„Maar, directeur, gij zult mij toch wel één geval willen aanhalen, waarin die overprikkelde gemoedsstemming zich merkbaar getoond heeft?”
„Eén geval, waarde collega? Eén geval? Tien, twintig, staan ten mijnen dienste!”
„Ik vraag maar één, directeur.”
„Welnu dan, die landraadzaak te Santjoemeh.”
„Welke landraadzaak?”
„Ziet ge wel, dat gij zelf in uw binnenste op meerdere zaken doelt.”
„Dat is iemand op zijne woorden vangen, directeur,” antwoordde Mr. Zuidhoorn kregelig. „Ik heb zooveel landraadzaken bijgewoond en voorgezeten, dat de vraag, op welke gij doelt, mij gewettigd voorkomt.”
„Wel, dat geval met den resident Van Gulpendam....”
„Die den landraad wilde presideeren, waartoe hij geen recht had.”
„Tu tu tu. Gij verliest artikel 92 van de Indische rechterlijke organisatie uit het oog.... Maar, dat is toe te schrijven aan uw zielstoestand....”
„Maar, directeur, vergeef me, mijn zielstoestand heeft daarmede niets te maken. Gij zegt artikel 92?”
„Ja, waarbij een resident de bevoegdheid verleend wordt, wanneer hij het nuttig of noodig oordeelt, om in persoon als voorzitter der in zijn gewest gevestigde landraden op te treden.”
„Directeur, toen dat artikel 92 ontworpen werd, was er nog volstrekt geen sprake, om afzonderlijke rechtsgeleerde voorzitters van landraden in het leven te roepen. Toen kon zoo’n artikel zijn nut hebben. Nu zou het absurd zijn, dat de resident, een niet-rechtsgeleerde, den rechtsgeleerden voorzitter zou op zijde kunnen dringen, om zelf het bedoelde rechterlijke college voor te zitten! Mij dunkt, dat...”
„Mr. Zuidhoorn, wij rechterlijke ambtenaren, zijn het allereerst verplicht eerbied voor de geschreven wet te toonen. Eene bepaling moge in ons oog betreurenswaardig zijn; zoolang zij kracht van wet heeft, moeten wij de hand er aan houden. En... vergeef mij de vraag: hebt gij dat in het onderhavige geval gedaan?”
„Gij geeft mij dus ongelijk, directeur?”
„Niet alleen ik, maar ook de Gouverneur-Generaal, die zeer ontstemd is over uwe houding in deze zaak, waarin gij veel bijgedragen hebt, om het prestige van de rechterlijke ambtenaren te verguizen!”
„Ook de Gouverneur-Generaal?...” vroeg Mr. Zuidhoorn nadenkend. „Dat is dus de reden geweest, dat ik geen gehoor bij Zijne Excellentie heb kunnen verkrijgen?”
„Hebt gij om gehoor verzocht?”
„Ik was voorgisteren te Buitenzorg, en gisteren te Tjipannas.”
„En...”
„De adjudant van dienst deelde mij mede, dat Zijne Excellentie bedlegerig was.”
„Ziet ge wel!”
„Maar, directeur, het geldt hier een der grootste schandalen, die ooit gepleegd kunnen worden! Om den rijken opiumpachter te sparen, wordt een arme Javaan...”
„Onschuldig verklaagd, en zal waarschijnlijk onschuldig veroordeeld worden,” antwoordde de directeur van Justitie met cynischen glimlach. „Dat alles weet ik, dat hebt gij breedvoerig genoeg geschreven. Er valt hier niets anders te doen, dan het hoofd te buigen. Gij weet: summum jus summa injuria! (het uiterste recht kan het grootste onrecht zijn).”
Mr. Zuidhoorn zat met het hoofd in de hand ernstig, ja met wanhopigen blik voor zich te kijken.
„Laat ik u een goeden raad geven,” vervolgde de directeur van Justitie op vriendelijken toon: „Gij zijt ziek, en meer ernstig dan gij zelf wel denkt. Gij vertrekt morgen met de Emirne, nietwaar? Welnu, laat alle muizenissen hier te Batavia achter. Gaat onbezorgd en onbekommerd nieuwe krachten in Europa opdoen, en komt over een paar jaren terug, naar ziel en lichaam gezond, dan zult ge nog lange jaren tot sieraad van onze rechterlijke macht kunnen optreden; want weinige juristen kunnen de vergelijking met u doorstaan. En... vergeef mij, gij zult begrijpen, dat mijn tijd kostbaar is, en... maar nog eene aanbeveling, voor ik afscheid van u neem: Tracht steeds verwikkelingen met de opiumpachters te mijden. U behoef ik niet te zeggen, dat zij zijn: imperium in imperio (een rijk in het rijk) en ik voeg er zelfs bij: malum malo proximum (het ongeluk grenst aan het kwaad). Doe er uw voordeel mede! En nu wensch ik u eene voorspoedige reis en een spoedig herstel in het oude vaderland. Dag, collega Zuidhoorn! Goede reis!”
De landraad van Santjoemeh zou zoo spoedig geen zitting nemen, om zich met de sluikopium, te Moeara Tjatjing aangehaald, en met die, welke te Kaligaweh in de hut van Pak Ardjan gevonden was, onledig te houden. De directeur van Justitie was den resident Van Gulpendam niet ongevallig, toen hij hem mededeelde, dat, wegens gebrek aan rechterlijke ambtenaren, er in den eersten tijd niet aan te denken viel, de vacature bij den landraad aan te vullen.
Hoewel de zittingen van dat rechterlijk lichaam geregeld wekelijks plaats hadden, en thans door den resident gepresideerd werden, zoo werden de bedoelde zaken toch van week tot week uitgesteld, waartoe de tijdelijke voorzitter zijne gegronde redenen meende te hebben.
Eindelijk evenwel, toen de hoofddjaksa den landraad had medegedeeld, dat de beide Chineezen Than Khan en Liem King, de wachters in de djaga monjet te Moeara Tjatjing, als ook Awal Boep Said, de gezagvoerder van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, op welker getuigenis de beschuldigde Ardjan zich beroepen had, onmogelijk op te sporen waren, meende Van Gulpendam dat het oogenblik gekomen was, om de bedoelde zaken af te doen.
Toen dan ook Ardjan bekende, dat hij in den bewusten Februari-nacht met eene prahoe sajab, gedurende zeer onstuimig weer, aan den wal gekomen was, dat daarbij door eene sloep van de Matamata jacht gemaakt, en op hem geschoten was, en hij niet bewijzen kon, dat de aangehaalde opium, die in de nabijheid, waar zijn vaartuigje strandde, gevonden was, niet door hem aangebracht was, waren alle aanwijzingen tegen hem. Wel beriep hij zich op baboe Dalima, die met hem in die prahoe gezeten zouden hebben; maar toen door den voorzitter de verzekering gegeven werd, dat de bedoelde deern dien nacht het erf van het residentiehuis niet verlaten had, en dus haar verhoor niet anders kon leiden dan tot eene leugenachtige verklaring, die in geenendeele de bestaande aanwijzingen kon verzwakken; terwijl bovendien die Dalima thans zelve wegens opium-smokkelarij vervolgd werd, hetgeen hare af te leggen getuigenis moest in verdenking brengen, nam de landraad de conclusie van dat alles aan, namelijk: dat het volkomen overbodig was die getuige te hooren.
Toen daarenboven de djaksa nog medegedeeld had, dat Pak Ardjan, de vader van den beschuldigde, ter zake van zijn eigen geding bekend had, dat de sluikopium, die ten zijnen huize door Singomengolo achterhaald was, hem door zijn zoon geleverd was, werd de schuld van den laatstbedoelden boven alle bedenking verheven gewaand.
Ardjan werd dan ook schuldig verklaard aan de poging om anderhalve pikol tjandoe, gelijkstaande aan drie pikols ruwe opium, binnen te smokkelen, en derhalve onder het bereik te vallen van artikel 23 van het opium-reglement. Het vonnis verwees hem dan ook tot drie jaren dwangarbeid buiten den ketting [166] en tot twee duizend gulden boete, bij onvermogen te vervangen door ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, voor den tijd van drie maanden voor elke honderd gulden.
Ardjan werd dus veroordeeld tot acht jaren dwangarbeid en ten arbeidstelling, hetgeen vrij wel hetzelfde beteekende. De onschuldig veroordeelde knarste op de tanden, toen hij dat vonnis vernam. Of hij een ander of een zachter van de gerechtigheid der blanken verwacht had?
Na den zoon, de vader; na Ardjan, Pak Ardjan.
Met diens zaak ging het nog eenvoudiger toe, als het kon.
De beschuldigde had toch bekend, dat hij sluikopium in huis had. Door eene menigte listige vragen verstrikt, had hij, zonder te beseffen, hoe zwaar zijne getuigenis bij het geding zijns zoons zoude wegen, de bekentenis afgelegd, dat die opium afkomstig was van Ardjan, die hem daarvan van tijd tot tijd voorzag. Hij had bekend, dat hij de sabel van een der politieoppassers uitgetrokken had, en dien onverlaat daarmede een paar houwen had toegebracht, toen deze zich ontuchtige handelingen tegenover zijn kind veroorloofd had. Helaas! op het aanvoeren van die verzachtende omstandigheden werd ternauwernood gelet. Zij was niet eens tot onderwerp van een onderzoek gemaakt geworden, en werd de ongelukkige veroordeeld ter zake van: in het bezit bevonden te zijn van sluikopium tot eene hoeveelheid van niet meer dan twee katies, voor de eerste maal, behalve met de verbeurdverklaring van de aangehaalde sluikwaar, tot tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon voor den tijd van drie maanden, en ter zake van gewelddadig verzet tegen de opiumpolitie, waarbij een bedienaar der openbare macht bij de uitoefening zijner bediening gewond was geworden, waardoor blijkens visum repertum: onbekwaamheid tot het verrichten van persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen veroorzaakt was, tot tien jaren dwangarbeid in den ketting.
Zoo waren dan vader en zoon veroordeeld; de eene onschuldig voor acht jaren, de ander, schuldig aan een eenvoudig politievergrijp, dat met eene geringe straf had geboet kunnen zijn, wanneer de zoo gewone walgelijke handtastelijkheden, bij het opsporen van opium aan den lijve, den reeds zoo diep gevallen vader van een verarmd huisgezin niet tot misdrijf vervoerd, ja, genoopt hadden, dat hij nu met tien jaren dwangarbeid zou moeten boeten.
Zou moeten boeten?... Ja, wanneer daartoe de tijd gegund werd!
Maar, alvorens het bevelschrift van den directeur van Justitie te Santjoemeh ontvangen was, waarbij Atjeh tot plaats aangewezen was, alwaar de veroordeelden hunne straf van dwangarbeid zouden moeten ondergaan, waren deze uit de gevangenis ontvlucht. Gedurende een stikdonkeren nacht, terwijl een hevig onweder zich boven Santjoemeh ontlastte, en de schildwacht, een jong, Inlandsch soldaat, die binnen den omheiningsmuur der gevangenis waken moest, door de verblindende bliksemstralen en de ratelende donderslagen verschrikt, en ook door den regen, die met stroomen viel, genoodzaakt, eene schuilplaats in zijn schilderhuis gezocht had, voelde deze zich plotseling door eene ijzeren vuist bij de keel gegrepen. Voor dat hij een kreet had kunnen slaken, had hij een slag met een zwaar stuk hout op het hoofd gekregen, die hem bewusteloos deed neerzijgen. Middelerwijl ratelde de donder, en plaste de regen onafgebroken en met verdubbelde woede voort, zooals dat in tropische streken slechts geschieden kan. Van die omstandigheid maakten de beide veroordeelden behendig gebruik. Lenig en sterk, als een goed Inlandsch stuurman moet zijn, hielp Ardjan zijn vader bij het beklimmen van den ringmuur, klauterde toen zelf op den nok, liet den ouden man aan den anderen kant zakken, en was met een sprongetje in een ondeelbaar oogenblik naast hem. Geen der schildwachten, die buiten den ringmuur waakten, lieten zich zien. Het weer was ook te bar, om buiten het schilderhuis in dien zwarten nacht uit te turen. De regen viel kletterend neder; daar buiten stroomde het water over plein en straat, alsof alle rivieren hare boeien geslaakt hadden; terwijl van verlichting geen spoor was, tenzij daarvoor een oliepitje moest gelden, dat in een lantaarn, op een der hoeken van den ringmuur geplaatst, als een gloeiende spijker glom, een ongelukkig bekrompen lichtcirkeltje vormde, maar de duisternis daar buiten nog tastbaarder maakte. Juist, toen de vluchtelingen den voet van den muur bereikt hadden, kliefde een machtige bliksemstraal met hare gehakkelde baan het luchtruim, terwijl schier tegelijkertijd een hevige donderslag vernomen werd, die met dat krakende, kort afgebroken geluid zich hooren liet, bij dergelijken electrische ontlading waarneembaar, wanneer zij ergens inslaat. En, inderdaad, onmiddellijk op den donderslag volgde een ander krakend geluid, en plofte een hemelhooge klapperboom, die midden door gespleten was, ter aarde. Van de duisternis, welke na dien schel schitterenden en verblindenden bliksemstraal ingetreden was, maakten de beide Javanen, ongeduldig om hunne standplaats aan den voet van den ringmuur, waar zij door eene ronde overvallen konden worden, te verlaten, behendig gebruik, om het kleine plein, dat de gevangenis omgaf over te steken, en den nabij zijnden dèsa-rand te bereiken.
Daar waren zij gered, dat wisten zij; want geene der eenvoudige dèsa-bewoners zou de misdaad willen begaan, slachtoffers van het opium-monopolie aan de gerechtigheid der blanken te verraden.
Toen de resident Van Gulpendam die ontvluchting vernam, was hij woedend. Op zijne aansporing werd een der schildwachten, die zich liet ontvallen, dat hij na het vallen van den boom eenig geplons in het water, hetwelk over het plein stroomde, gehoord had, maar dat hij onmogelijk iets had kunnen zien, en gemeend had, dat het een hond was, welke die gevaarlijke nabijheid ontvluchtte, voor den krijgsraad getrokken, en de kommandant bij de gevangeniswacht met veertien dagen provoost gestraft.
Ook werden de strengste nasporingen in het werk gesteld; maar te vergeefs. Hoewel al de politie-agenten, al de spionnen, en al de handlangers van den opiumpachter op het pad moesten, en hunne vindingrijkste listen uitdachten, werd niets ontdekt. Het district Banjoe Pahit, maar vooral de dèsa Kaligaweh werden maanden lang nauwlettend gadegeslagen; de gade en kinderen van Pak Ardjan werden angstvallig, maar sluw overal gevolgd, het gaf evenwel niets. Eindelijk kwam men tot besluit, dat de beide veroordeelden, niet alleen niet naar Kaligaweh teruggekeerd waren, maar zelfs de residentie Santjoemeh verlaten hadden.
Weldra dacht niemand meer aan die ontvluchting, en was zij reeds uit de herinnering uitgewischt, toen zij een paar maanden later weer in het geheugen teruggeroepen werd, door een voorval, dat wel geschikt was om tot nadenken te stemmen.
Op een avond was Singomengolo bij Lim Yang Bing verschenen, had dien medegedeeld, dat hij de beide vluchtelingen meende op het spoor te zijn, dat hij uit vrees voor uitlekking evenwel zijn vermoeden nog niet wilde ontwikkelen; maar voor dien avond de hulp van een paar handlangers, liefst Chineesche bandoelans verzocht, die hem op een ontdekkingstocht moesten vergezellen.
Hoe de Chinees zijne vragen ook draaide en plooide, hij kreeg niets meer te weten. De bandoelan bleef er bij, dat het welslagen alleen bereikt kon worden, door stipt geheim te houden, wat hij te weten was gekomen. Daarenboven verklaarde hij, waren zijne gegevens lang niet boven alle bedenking verheven, en kon het zeer goed zijn, dat hij op een valsch spoor was. Het eenige, wat hij zich ontvallen liet, was dat het onderzoekingsterrein niet ver van Kaligaweh gelegen was.
Singomengolo vertrok dienzelfden avond met de twee handlangers, die hem toegevoegd waren, maar keerde niet weder. Het werd den opiumpachter raar te moede, toen hij zijn getrouwe den volgenden ochtend niet zag verschijnen. Hij was toch zoo gewoon, dat de bandoelan hem stipt iederen morgen rapport kwam uitbrengen over het verrichtte in de laatste vier en twintig uren, ook om te bespreken, wat in het volgende etmaal op het getouw moest gezet worden. Vooral heden had hij hem stellig verwacht, om den afloop van de nasporing der twee vluchtelingen te vernemen. Hij wachtte, wachtte. Het middaguur naderde reeds. Toen werd hem zijn ongeduld te machtig. Hij liet haastig zijn milord aanspannen, en reed in allerijl naar het residentiehuis.
„Wat is er, babah?” vroeg de heer Van Gulpendam, toen hij Lim Yang Bing haastig, en zoozeer afwijkende van de kalmte en bedaardheid, zijnen landaard zoo eigen, het kantoor zag binnenkomen.
„Kandjèng toean,” sprak de opiumpachter „ik kom uwe hulp inroepen.”
En daarop verhaalde hij den resident, wat hij wist van de expeditie, waar Singomengolo op uit was, en verheelde hem zijne ongerustheid niet, nu de bandoelan nog niet terug was.
De resident dacht een oogenblik na. Een bericht van een der landheeren uit het district Banjoe Pahit doelde op de mogelijkheid, dat er ketjoepartijen [167] in den omtrek zouden kunnen plaats hebben. Maar dat bericht was zoo vaag, had zoo weinig steun; terwijl de nieuwe controleur van Banjoe Pahit, wien hij dat bericht in handen gesteld had, gerapporteerd had: dat de meest gewenschte rust in het district heerschte; dat de bevolking tevreden was, en zich geen spoor van onrustbarende verschijnselen voordeed; dat, wel is waar, de landrente traag vloeide [168] maar dat integendeel de andere middelen van inkomsten een beter aanzien hadden, die op bestaanden welvaart wezen; zoodat dan ook, met de opiumkit te Kaligaweh tot grondslag, aangenomen kon worden, dat bij de aanstaande opiumverpachting, de pachtschat voor de residentie Santjoemeh aanmerkelijk hooger kon loopen; terwijl het te voorzien was, dat ook de verstrekking van opium uit ’s lands pakhuis aanzienlijk zoude vermeerderen. [169]
Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de grondslag, waaraan de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den welvaart en den geest van tevredenheid ontleende, zoo valsch mogelijk was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden, had het hem voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen, wanneer de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den bedoelden landheer was dan ook in heusche bewoordingen te kennen gegeven, dat hij door zijne berichtgevers misleid was; maar, werd de aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden van onrustbarende tijdingen had te onthouden.
Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot, terwijl hij met Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben kunnen verklaren. Hoe zou ook de late terugkeer van Singomengolo,—want anders kon het nog niet genoemd worden,—in verband staan met die ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering gehad hadden? Dat was immers niet denkbaar... Hij antwoordde den Chinees dan ook:
„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer voor moet komen, dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal verlaatten.”
„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo goed getroffen, dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.”
„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident.
„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat de dèsa-bewoners de politie behulpzaam moeten zijn.”
„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?”
„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng toean; maar ik heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene hinderlaag gevallen is.”
„Welnu, het zij zoo!”
Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de omstreken van Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren reeds op het punt om uiteen te gaan, en de politie-oppassers om naar Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps een visscher mededeelde, dat hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken had meenen te bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch, evenwel vlak bij den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een zijner Chineesche handlangers, beiden met krissteken zoodanig doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten volgen. De andere Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij dadelijk hulp had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies plaats gehad, dat alle hoop moest opgegeven worden. Toen de bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog flauw de oogen, prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet eindelijk een diepen zucht uit, en.... was niet meer.
XXVIII. CORRESPONDENTIE
Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij, na de varkensjacht in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de gezellige rijsttafel vereenigd gezien hebben, eerder in zijne gevoelens jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden, hoewel een lid daaraan ontvallen was.
Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd, hij leefde in aller herinnering voort, en maakte meermalen het onderwerp der gesprekken uit. Evenwel, dáárdoor bleef de band niet alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie wakkerde de vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de gebeurtenissen, die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen min of meer eene rol bedeeld was.
Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik van weifeling ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot het vriendenclubje, maar die te bovengekomen was, toen hij de cynische ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam, Verstork omtrent zijn vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden invloed op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit in de vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk verwaarloosd, de teelt van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde hetzelfde lot. Contractbreuk met de in het district aanwezige landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo nijvere bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te verrichten. In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en eene vreeselijke toekomst te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en de pandjeshuizen floreerden, en leverden groote baten aan de pachters van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche schatkist op. Om aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren, werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig voor; ja er werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden, en reeds een begin van uitvoering zouden erlangd hebben.
„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij weet wel: de ellendeling, die in de zaak van de amokhpartij te Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de nabijheid van Moeara Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord geworden. Ik heb alle redenen, om hierin iets meer te zien dan de hand van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel is; want op het lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars niet was. Eene andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken geeft, is, dat bovendien bij Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt overeenkomen met de beide doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang Pringapoes in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de opiumpacht een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul af. Gij zult u nog wel herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo geheel onverdeeld dacht.
„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district verlaten hebt! En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een gerucht, dat de landrente verhoogd [170] en de overige belastingen voor de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders gelegd zullen worden. Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm van gedwongen cultures, onder den vorm van heerendiensten, onder den vorm van landrente, onder den vorm van belasting op het zout, onder den vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting op het geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van speelholen, onder den vorm van lombarden, onder den vorm van.... Hel en duivel! alles te zamen om den Inlander zijn laatste en zoo zuur verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, waar moet dat heen? Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar zeer zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is geen op zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in de grondoorzaken, als type voor dien van geheel Java gelden....”
Zoo verhaalde August van Beneden den gemeenschappelijken vriend de incidenten, die bij de gedingen van den Javaan Setrosmito en van Baboe Dalima opgeworpen werden.
„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van bestuurswege moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat in die twee gedingen toe te laten. En gij zult nooit raden waarom. Omdat ik als getuige in beide zaken zou kunnen moeten gehoord worden. Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken kunt; ik liet mij niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris uit den raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne verklaring: dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te getuigen had, en dat ik in beide zaken geheel belangeloos optrad, en nadat ik en de officier van Justitie verklaard hadden ons onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen, geconcludeerd: dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden; maar dat, wanneer mijne getuigenis onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let goed op die overweging, Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard heb voor mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te hebben, en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden geacht moet worden, zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een zijdelingsch moreel belang te hebben bij het vrijspreken mijner cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in allen deelen onpartijdig getuige in den zin der wet.
„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en jurist gesproken, in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat grondbeginsel eens consequent toepaste omtrent getuigen, vooral in opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans, opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst allooi, te wraken? Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de opiumpachters ontvangen, en daarenboven materieel belang onder den vorm van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen en op te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen in allen deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan onze rechtspleging, vooral ten opzichte van Inlanders bij opiumprocessen, ontbreekt nog veel!
„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den landraad berecht worden. Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde zaak als verdediger optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer zij mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te Santjoemeh, en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren. Gij zult mij vragen: waarom die behandeling zoo? Luister, en neem daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te rade ben gegaan, alvorens tot dat besluit gekomen te zijn:
„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in beide zaken, op geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk meende ik, dat die gebeurtenis een gunstigen invloed op den gang dier gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken, dat de bandoelan zijne verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft afgelegd, zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu het groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan geconfronteerd worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede woordenwisseling, die ik tusschen hen zou uitgelokt hebben, het noodige licht zou ontstoken, en mij de gegevens in handen zoude geleverd hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden ter zake van zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van de dochter te bewijzen.
„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig onderzoek voor den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de afwezigheid van baboe Dalima in den bewusten nacht niets afwist, zoodat het vast staat in het geding, dat het Javaansche meisje met onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij zult u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze zwijnenjacht er op beriep, dat zij verlof van de njonja en van nonna Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of die dat zouden kunnen getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw Van Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis. De residentsdochter is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang Anjer vertrokken, om bij de familie Steenvlak eenigen tijd te logeeren. Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou plaats hebben, deelde de resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij daar bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf houden. Maar het gekste is, dat onder de passagiers van al de vertrokken schepen in de laatste maanden de naam van mejuffrouw Van Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê gemeente van Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles hoort, alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het minste resultaat; terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het vertrek van zijne dochter ter sprake brengt, zich met eene zekere luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal opdischt, waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap in gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou vertrokken zijn, om van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand gelooft er iets van, vooral niet, omdat de resident nimmer den naam van die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen geweest, die aan de firma Acraman Main en Cie te Adelaïde hebben getelegrafeerd, maar bericht hebben gekregen: „Not to have heard anything of the arrival of three ladies from the Dutch East-India,” (niets vernomen te hebben omtrent de aankomst van drie dames van Nederlandsch-Indië). Van Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar Karang Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve meisje, dat hij steeds met hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel schrijven, en u op de hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds gedaan.
„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht staan. Toch geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om die ongelukkigen te redden. Ik heb eene reden te meer, om er mijne aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe Dalima in belangwekkende omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad van Lim Ho niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die gepleegde misdaad, zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min mogelijk aan te roeren: maar de weldenkenden zullen zich moeten beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand te reiken, wanneer zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling haars vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident Van Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare diensten als baboe of bediende aanvaard zullen worden. Maar... komt tijd, komt raad....”
Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting van Ardjan en Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en schilderde de niet geringe ontsteltenis, die deze gebeurtenis in officiëele kringen verwekt had.
„Hoe onverschillig de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook behandelt, wanneer zij ter sprake komt,” schreef de jeugdige koopman, „blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid de vluchtelingen opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare taak te kort schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers vermoord, maar niet beroofd zijn geworden, heerscht werkelijk angst in de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld geworden, dat de pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik kan dat evenwel pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de twee schildwachten voor het perron van den Grooten Heer op en neer. De kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele soldaten verzekerde mij zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis niet ontzegeld is. [171] Dat is gelukkig ook; want, wanneer die dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij mijns bedunkens gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen.
„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn. Hoewel niet binnen de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene gruwelijke onbillijkheid verhoed. Want de vader werd door de zedelooze handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen tot zijne onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde opiumsmokkelarij geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het geheele publiek dat weet.
„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie behandeld worden. Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie heb ik bekend, dien man twee klappen toegebracht te hebben. Die bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht van den beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op raad van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen; ten einde de arme Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring van den geneesheer, dat geene gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid gepleegd werd, is de mishandeling van het slachtoffer niet rechterlijk te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht bijwoonden, van de gepleegde misdaad overtuigd; maar.... maar, wanneer zal toch eens gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?....”
De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den meesten indruk, hoewel hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen van de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde het verdwijnen van Anna van Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop gevolgd was.
„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef hij, „alles is te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare ouders alle mogelijke maatregelen getroffen waren, om eene samenkomst te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig geweigerd mij te ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij te waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was. Zij is vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van haar..... maar Willem, een brief, die mij alle hoop benam.
„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar.... den man steeds voor mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor eene daad van plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor mij met achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts eene aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien; zie, Karel, dat zou mij het leven tot eene hel maken en zijn weeromstuit op u niet missen.”
„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt daarin tevens zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den gelukkigsten en tevens tot den rampzaligsten mensch heeft gemaakt der aarde.
„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer ouders; maar juist daarom wordt zij mij te meer dierbaar, als dat mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin in het volle licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de samenkoppeling van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele telg gesproten is? Hoe komt het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is? Allemaal raadsels, die voor ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen, dat de schuld der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn...
„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde voor het reine wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal dat alles leiden? Dat vraag ik mij veelmalen ernstig af; maar moet daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet gevonden heb. Ik deins soms voor mij zelven terug;... want ik begin veranderingen in mijn gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden. Worden die veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna ondervindt? Zouden die ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals bij zoovele mijner medemenschen, een ongestoord verloop had gehad? Ik durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat ik mij vroeger van het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans in mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach betrap, wanneer ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de vrouw meer een etherisch wezen gelijk was, dan wel eene natuurgenoote van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan zijn en hartstocht kan inboezemen.
„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele leven. O, dat is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in mijn binnenste loeien. Bij tijden stijgen brandende verlangens in mij op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die zoo fiere maagd, welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor mij maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en... ik verheel het niet: er zijn oogenblikken, dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij zelven de belofte afleg, dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil, dat ik haar zal bezitten! En, dan is, helaas! in die uiting, niets teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is het de hartstocht, die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige opwelling van den onbeteugelden natuurmensch, die zich op het voorwerp, dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig tracht te werpen.
„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen geschreven. Ik heb haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar bezworen, haar hart niet voor mij te sluiten. Ik heb haar gesmeekt, gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden niet eeuwig mijn aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering ontstaan, daar eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel geen aanzienlijk vermogen nagelaten had, maar toch groot genoeg, om onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik zou wel eene plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de woonplaats harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar ondragelijk zijn, welnu dan stelde ik haar voor, te zamen naar Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt kunnen treden, en stil en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn kunnen leven.
„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar, vriend, ik bekwam geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte een vastgenomen besluit, waarvan zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven in hunne enveloppen, en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich niet te vergissen, het was hare hand.
„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste spanning. En toch kon ik door de massa werk, waarmede de raad van Justitie overladen is, Santjoemeh niet verlaten. O, ik was zoo gaarne naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er in geslaagd zoude zijn, om Anna de toekomst minder somber te doen inzien.
„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de enveloppe in handen had, overviel mij reeds een soort van angst. En, werkelijk, het adres was van eene andere hand. Haastig scheurde ik den omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende brief, waarbij evenwel een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden voorkwamen: „Anna van Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.””
„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna heeft Karang Anjer verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij in te lichten, waarheen het dierbare schepsel vertrokken is! Wie had die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag ik met een oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift was regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was iets zachts, iets teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest het schrift eener vrouw zijn! Maar, van wie? Dat moest ik weten. Ik had rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer. Maar, hoe weg te komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het verkrijgen van verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet, en gelukkig ook; want voorzeker zoude dan later op mijne gangen gelet zijn.
„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld. Congesties, gepaard met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig was, maakte mijn geneesheer zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen, die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een eenigszins voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn herstel noodzakelijk achtte. Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was, toen hij die uitspraak deed.
„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo kalm mogelijk.
„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.”
„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig.
„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?”
„„De assistent-resident aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl ik onder de beheerders der landbouwondernemingen in den omtrek verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.”
„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik meen op 2200 voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk zijn.”
Hij teekende het noodige bewijs, en.... reeds twee dagen later zat ik in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem, gij weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van Karang Anjer. Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de zekerheid, dat ik licht in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds reactie in? Zoo veel is zeker, dat ik mij als herboren gevoelde, toen de reis begon.
„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor mij uiterst belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok, mij hebben kunnen boeien. Ik trok toch over het ruim acht duizend voet hooge Prahoe-gebergte, daarna over het Diëng-plateau, dat klassieke vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker Frans Junghuhn zoo meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende solfatara’s en ziedende heetwaterwellen; langs den Telerep, dien verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende uitbarstingen, wat krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt; langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep ingezonken en door hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste waterbekkens vormt der geheele aarde; en verder langs de westelijke hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten en regelmatigsten van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op bijna tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te Wonosobo aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden, voor al die natuurwonderen, die in den vorm van piramidale vuurbergen, van grillige bergruggen, van steile en hemelhooge rotswanden, van woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen, van verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van schilderachtige dalen, van schrikkelijke ravijnen, van donkere afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke koffie- en theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna! en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.”
„„Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet tot den automédon, die toch al reeds zijn best deed, en zijn lange zweep met onbarmhartige behendigheid hanteerde.
„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog lang niet!
„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den assistent-resident van Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik behoef dus daarover niet uit te weiden. De reis had ook den meest gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend; maar, toch zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang Anjer mocht en kon ondernemen.
„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en gaf hem te kennen, dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen, bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s hoofdplaats, wenschte te vermijden.
„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over Kaliwiro, Ngalian, Peniron en zoo naar Karang Anjer.”
„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere gemakkelijkheid, waarvan hij sprak, daarop doelde.
„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort den afstand ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te leggen. Het wegenstelsel hier is zeer goed te noemen; maar in het innerlijke der residentie is het slechts te paard te berijden. Daarbij hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander zoodanig, dat zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de onmogelijkheden zou behooren.”
„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat gunstige klimaat doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen niets meer te bespeuren was, ondernam ik den tocht, die niet van moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend; maar het ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het daarachter gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna andermaal te beginnen. Het paard, dat Kleinsma mij bezorgd had, was een uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk, in weerwil van dat terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg bergopwaarts, dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd te zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al te steil, dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in stevigen stap, die den meest wakkeren voetganger deed achterblijven.
„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van den assistent-resident zoo mogelijk een nog beter rijdier van den loerah dier plaats. Zoo trok ik over het Bessergebergte, [172] over de uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak- [173] gebergte, en kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan.
„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne Anna niets vernemen. Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt mij de moed om voort te gaan.”