← Baboe Dalima

Opening…

Part 1 of 7 · Perelaer, M. T. H. (Michael Theophile Hubert) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #65832, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (43)
  1. Opening about 17 min
  2. I. BIJ MOEARA TJATJING about 18 min
  3. II. IN DE DJAGA MONJET about 18 min
  4. III. HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM about 20 min
  5. IV. DE DRADEN VERWIKKELEN about 18 min
  6. V. IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ about 15 min
  7. VI. EEN ECHTPAAR about 18 min
  8. VII. EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT about 17 min
  9. VIII. EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE about 18 min
  10. IX. KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL about 19 min
  11. X about 18 min
  12. XI. IN DEN RESIDENTS-TUIN about 20 min
  13. XII. ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER about 19 min
  14. XIII. OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN about 17 min
  15. XIV. EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN about 15 min
  16. XV. ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT about 23 min
  17. XVI. HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE about 21 min
  18. XVII. IN DEN DJOERANG PRINGAPOES about 16 min
  19. XVIII. DE ONSCHULD TEN VAL about 17 min
  20. XIX about 19 min
  21. XX. AAN DE RIJSTTAFEL about 24 min
  22. XXI. OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT about 15 min
  23. XXII. EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN about 18 min
  24. XXIII. EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING about 17 min
  25. XXIV. OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT about 21 min
  26. XXV. EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG about 17 min
  27. XXVI. AARDIG GEMANOEUVREERD! about 17 min
  28. XXVII about 16 min
  29. XXVIII. CORRESPONDENTIE about 19 min
  30. XXIX. VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK about 20 min
  31. XXX. BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER about 17 min
  32. XXXI. VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH about 20 min
  33. XXXII. EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT about 16 min
  34. XXXIII. IN DE REGENTS-PANDOPPO about 17 min
  35. XXXIV. EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI about 22 min
  36. XXXV. TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE about 16 min
  37. XXXVI. LIM HO’S HUWELIJK about 19 min
  38. XXXVII about 19 min
  39. XXXVIII about 21 min
  40. XXXIX. MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH about 23 min
  41. XL. HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM about 17 min
  42. XLI about 23 min
  43. XLII. NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT about 1 h 37 min

Continue:

Opening

VERZAMELDE Romantische Werken

VAN

M. T. H. PERELAER Gep. Hoofdofficier van het Nederl.-Ind. Leger

EERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE, BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVER

VIII–IX

BABOE DALIMA

AMSTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER”

VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.

In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over »de opium in Ned. Indië.” [1] Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z. i. jammer was.

Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd behoeven te worden.

»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i. onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets boekerigs, iets je ne sais quoi, waartegen een Nederlandsch publiek niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben, die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten einde brengen. En... toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten... Ware het niet mogelijk...?”

Ja, ware het niet mogelijk...? Dat was de laatste galm, dien ik nog opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in een hoek van het coupé, en... Ja, ware het niet mogelijk?... Dat was de gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; ... en nog stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek, hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt.

Ben ik geslaagd in mijne poging?... Die poging was, om hetgeen op het gebied van het opium-monopolie in Nederlandsch-Indië voorvalt, onder het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke bestuursordonnantiën in een verhaaltrant voor te dragen, die tot lezen zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings- en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van: Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan den opiumpacht!

In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij genoopt hebben, op den omslag het dicton: la mère en interdira la lecture à sa fille te plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan. Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver, maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.

En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, dat de criticus dat eerbiedigen zal.

Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen van Nerekool, geen.... enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega, ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij, die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden, zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?

En nu,.... mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een kreet door u ontlokt worde:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!

Den Haag, Mei 1886.

DE SCHRIJVER.

VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.

Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.... En volmondig roep ik uit: ja! ja!! ja!!!

Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met knodsslagen verguisd;

..... waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was;

..... maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het Engelsch werd het door een Reverend vertaald en had daar alle succes; in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men begonnen;

..... maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle verguizing in Nederland den tweeden druk;

..... maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf;

..... maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt, Struyck, Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!

Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?

Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden, gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde verhandelingen weinig toegang hebben.

Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven, euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend helder licht.

En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!

Den Haag, November 1889.

DE SCHRIJVER.

VOORWOORD

VOOR DEN DERDEN DRUK.

In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman „Baboe Dalima” schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds (betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna 1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?

Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een tijdschrift uit, getiteld: de Opiumvloek, waarin op merkwaardige wijze de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd.

Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich mannen als de H.H. Groeneveldt, Bosscher, Van Dedem, Van den Berg, Van Kesteren, Elout van Soeterwoude, de Waal, Brooshooft, Be-Ik-Sam, Jansz, Zegers, Groneman, Hora Siccama, Sandick, Kielstra, Sprenger van Eyck, Bool, enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met elkander afwijkende zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel, namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.

Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche Opiumpachters.

Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera begonnen.

Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe) in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.

Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard deed klinken, had Z. Exc. de Minister van Koloniën de voldoening in zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera is geslaagd.

Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor. Maar, die zijn niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd, schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn, naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.

Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te oefenen.

Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die vraag het ondervolgende ter neder te stellen. In het Kroningsnummer van Sociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Orde liet ik onder den titel van: Eene stem uit de oude Garde een opstel opnemen, waarin onder anderen voorkwam: „En zal het onze aanvallige Koningin gelukken het Opium-monopolie aan gewetenlooze Chineezen te ontrukken en in handen eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu: heil onzer Koningin! roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel weldeed!” Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het vooropgestelde beginsel, in Baboe Dalima verkondigd, hadde gebroken!

„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlog à outrance aan het Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die geen monopolie zou mogen genoemd worden!”

„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlog à outrance aan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid opmerk.”

„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het Opium-gebruik....”

„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te vergeefs; ik werd overschreeuwd met:

„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ Opium-roman.”

„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. „Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden, heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen, nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij nimmer een verdediger vinden.”

Of ik mijn auditorium overtuigd had?

Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg brengen. Maar, courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om op de vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlog à outrance aan het opium-verbruik!

Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te tasten.

Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn Opium-roman Baboe Dalima. Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H. Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heer J. L. Zegers, zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk (Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden: Wat mij echter in die kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest laten. Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was gebleven.

Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat afleid, nu niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hij Baboe Dalima gelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe Dalima bespeurd had.

Ik hernam lachende:

„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve kindermeisje geteekend heb.”

„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”

Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.

Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit:

„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar? Maar.... hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar gestreden, welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de inboorlingen bedekte.”

Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.

Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van de Opiumpacht, door mij in den Opium-roman Baboe Dalima door mij onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is.

En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de Opium-pacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!

Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn.

De Schrijver.

Nijmegen, October 1898.

INHOUD.

Bladz. Voorwoord Eerste druk V Voorwoord Tweede druk VII Voorwoord Derde druk VIII I. By Moeara Tjatjing 4 II. In de djaga monjet 15 III. De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam 29 IV. De draden verwikkelen 45 V. In de voor- en binnengalerij 60 VI. Een echtpaar 72 VII. Een verraderlijk dèsa-genoot 88 VIII. Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie 104 IX. Kuiperijen.—Een vrienden-drietal 118 X. Une invitation à la chasse et une invitation à la valse 132 XI. In den residentstuin 146 XII. Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter 161 XIII. Op den weg naar het jachtterrein 176 XIV. Een huiszoeking met hare gevolgen 191 XV. Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit 203 XVI. Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje 221 XVII. In den Djoerang Pringapoes 239 XVIII. De onschuld ten val 252 XIX. Toeloeng! Toeloeng, toean! 265 XX. Aan de rijsttafel 280 XXI. Op het kantoor van den resident 300 XXII. Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden 312 XXIII. Eene verhinderde landraadzitting 1 XXIV. Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht 15 XXV. Eva’s dochteren en de slang 31 XXVI. Aardig gemanoeuvreerd! 45 XXVII. Summum jus summa injuria.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord 58 XXVIII. Correspondentie 71 XXIX. Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak 85 XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer 102 XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh 116 XXXII. Eene wetenschappelijke opiumkit 133 XXXIII. In de regents-pandoppo 147 XXXIV. Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi 162 XXXV. Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche 179 XXXVI. Lim Ho’s huwelijk 193 XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s in gevecht 211 XXXVIII. De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong 226 XXXIX. Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh 243 XL. Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram 261 XLI. De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling 275 XLII. Naar en in de Goewah Temon.—Besluit 293

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

I. BIJ MOEARA TJATJING

Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*.

De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust, joeg, tierde, gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in allerijl voortstuivende zwarte zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij deed de verbolgen wateren der Java-zee in huizenhooge baren opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en woest te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig bleek phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare onmiddellijke omgeving verlichtten, dadelijk daarop in een fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene duisternis achter te laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte.

Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen Java-wal. Zij braken in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met haar zwak lichtend schuim langs de flauwe helling op, om achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze, in haar aandrang vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts ijlende eene dwarrelende massa van water en schuim, welke tot eene donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk te zamen in een lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere gedeelte te overstroomen.

Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier verhaald worden, een aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van Java’s noordkust, een uitgestrekt moeras, dat, uit vet kleislib bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen, met zoo een rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor gevormde wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de zwak glooiende strandvlakte met Tandjang-soorten [2] overdekt, die steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen de keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige palissadeering doen gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn.

Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog duizende en nog eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die in elkander smeltende, zich op ongeveer dertig voeten boven den grond verhieven op korte stammen, die zelf den bodem niet bereikten, maar gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels. Deze splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere boom met een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of beenen met die zijner naburen in en door elkander groeiden en vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden van wortelstengels en wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken van wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die stronken als met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de boomkruinen verborgen.

Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund zijn, waar tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een uitgestrekten doolhof vormden, een gewriemel van levende wezens plaats had, dat den opmerker met een gevoel van walging had moeten vervullen. Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen hare prooi te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit, bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige „kapiting’s” bij duizenden, en „oedang’s” [3] in alle grootten, van den omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar te nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk beperkten gezichtskring, in den afzichtelijken modder, die door immer en immer aangevoerden plantendetritus, van dat vreemdsoortige woud afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die zich tusschen de tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel bijdroeg, wentelden en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet eendrachtelijk, dan toch in eene soort van gewapende overeenkomst, die hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene prooi te bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht.

Maar.... halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al die gedrochten waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest, verscholen als zij zich hielden, nu de noordwester storm zijnen oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der zee in beroering was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen stormgeweld der wateren rust kon verstoren.

Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten alle tijde land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te midden van een groep Saoe-boomen [4] welke tusschen het Tandjang-bosch als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, dat van de landzijde, door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur omgeven, niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een ruimen blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat het door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik van die zijde gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een wachthuisje en eigenaardig „djaga monjet” (apenwacht) geheeten, was hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, met „atappen” [5] gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen gebouwd; zoodat de golven, die soms het strand schenen te willen verzwelgen, er onder door konden stroomen, waarbij zij met een onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop het gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van inkervingen voorzien, deed de dienst van trap of ladder, en verleende toegang tot het hutje, waarin dikke duisternis heerschte, hoewel het niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren zich verbeeldden fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den storm langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op gillen dan op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel kon plaats hebben, daar het niemand in de hersens kon komen in dat weer en op dat uur op deze plek te verschijnen. De meest ijverige kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar behoorden klaarblijkelijk aan Chineezen, af te leiden uit de keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de omstandigheid, dat zij de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne uitspraak een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden tongval bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in het hutje in de omlijsting der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe zwart de nacht ook was, met loerenden blik het oog over de oppervlakte der zee lieten waren.

„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te zien. Met dat weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien, dat de Kiem Ping Hin hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n storm niet verlaten heeft.”

„En toch luidden de bevelen van den „babah” [6] stellig”, antwoordde de andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de Kiem Ping Hin bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.”

„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij niet ontgaan; maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor den wind huilen, de branding donderen; voel onze djaga monjet schudden! Zoudt gij thans op zee willen zijn?”

„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld! Maar.... gij weet, de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die zich door geen noodweer...”

„Wacht.... daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting. Kijk, daar.... daar krult een groote golf... Kijk, bij het schijnsel van het schuim.... Bij Kong!... eene „djoekoeng!” (uitgeholde boomstam) waarin twee.... weg is ze weer!”

„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook gezien. Er zaten twee personen in, twee Javanen, een man en eene vrouw.”

„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de handen voor de oogen.”

„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de branding geraken.”

„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing. [7] Als zij in die richting kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.”

„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.”

„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng evenwel was eene „prahoe sajab” [8] en ge weet, er moet veel gebeuren, eer zoo eene zinkt.”

„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.”

„Kijk.... kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers naar de Moeara. Als het de „sero’s” [9] bereikt, dan is alle gevaar geweken.”

„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar... maar....”

„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken in!”

Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het laatstbedoelde vaartuig in de richting van de djoekoeng. Maar met welken uitslag? Dat was onmogelijk na te gaan. De beide vaartuigen waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene groote baar voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te bespeuren viel, hoe scherp zij ook uitkeken.

Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep:

„Eene stoomboot!”

En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het roode licht eener stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht in den mast.

„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de Matamata [10]. Als de Kiem Ping Hin werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare lichten wel gedoofd, en zich uit de voeten gemaakt hebben. Kom, wij kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal wel geen smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.”

Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie lichten zichtbaar waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust aanhield, alsof zij op den wal wilde zetten. Dat duurde evenwel een korte poos, toen verdween het groene licht plotseling, wat een teeken was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode licht nog zichtbaar; maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht alleen zichtbaar bleef. Daar dit laatste niet van plaats scheen te veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van het Hemelsche rijk tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind, zonder te deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden.

„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten Matamata zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons gaan.”

„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we daar iets van de djoekoeng vernemen.”

Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en stapten, terwijl de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels van het Rhisophoren-woud huilde, langs een pad, dat zij op den tast in de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad werd bij wijlen door een golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door het zilte vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het pad zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog zwarter geweest, zij even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven het pad, dat zij door dat strandbosch af te leggen hadden, was niet lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier Tjatjing bereikt, die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de beide Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het, alvorens zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne schreden wilde terugkeeren. Daar ter plaatse weken de wortelboomen terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook ontwaren, die met kort gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt; maar, of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te bespeuren.

„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten aangekomen zijn,” bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier alleen bevaarbaar is, en verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.”

„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.”

En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht gekreun gehoord. Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden zich, stapten met zachte schreden in de richting van dat geluid voort en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter halverwege uit het water met zijn voorste gedeelte op het droge lag.

„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan.

Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden boomstam voort, welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld lagen, en ontdekten op een korten afstand een paar menschelijke wezens, die in het gras lagen.

„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad.

„Ik,” antwoordde een zwakke stem.

„Wie is ik?”

„Ik, Ardjan.”

„Ardjan, van de Kiem Ping Hin?”

Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der schipbreukelingen.

„Diam!” (stil) fluisterde de andere.

Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had. Iemand te herkennen, was bij de heerschende duisternis evenwel onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje uit den zak, streek een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den naastbijzijnde verkend had, riep hij uit:

„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?”

„Ik ben overboord gevallen.”

„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon.

„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.”

„En die vrouw ook? Wie is zij?”

„Dat is Moenah, mijne zuster.”

„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner stem. „Is die ook over boord gevallen?”

En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat van de beweerde zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de lieve gestalte van een bekoorlijke zestienjarige Javaansche maagd, welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp), die, evenals haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te verschuilen.

„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than Khan, haar den slendang van het gelaat trekkende.

Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen.

De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de naam van Lim Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in dit oogenblik gade kunnen slaan, dan voorzeker had men bij het hooren van dien naam de grootste ontsteltenis daarop kunnen lezen. Lim Ho was de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in lichten laaie van onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was. Hij had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter te vergeefs. Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit de dèsa Kaligaweh, nabij de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met even ongunstig gevolg. De aterling had gezworen, dat hij de lieve maagd zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene misdaad moeten bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde.

Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien gehaten naam? Zij kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in wier macht zij zich bevond.

Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten daarbij nog voorzichtigheidshalve de Chineesche taal, die geen der beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. En, nog voor dat de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide Chineezen zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden met een dun „gemoetoe-touw,” [11] dat Liem King uit den diepen zak zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel zoodanig, dat de Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had de tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan onmogelijk geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij het ondernemen toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing bracht, had hem zelfs de gelegenheid ontbroken, om zijn „badeh” (kleine dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige pagaaien, om de djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in ieder geval onbekwaam was eenige krachtsinspanning te kunnen uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, had hij geslaakt bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen.

Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de enkels bij elkander, en legden haar in het gras neder, haar aanbevelende onbewegelijk te blijven liggen, met bedreiging haar anders te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het gelaat van het meisje bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan had de minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en voorzeker had die hun ernstig te denken gegeven.

Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe sajap, staken die onder de armen van Ardjan door, tilden dien draagstok, met den last daaraan hangende, op hunne schouders, en liepen op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik te voren afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij werd gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte zijns lichaams, die zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die ledematen werden daarenboven nog deerlijk gekneusd tengevolge van de zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok, door den sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de bovenarmen, waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten worden. Maar de twee Chineezen stoorden zich aan dat geschreeuw niet, en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte Ardjan hen, hem te willen dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte hij, toen dat niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de aterlingen slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina” (chineesche hond), dat hen naar het hoofd geslingerd was, zette Than Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand toegebracht, die het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts vermeerderde.

Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet aangekomen. Daar ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de touwen; maar lieten zijne armen gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten hem daarbij de punten hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand hem het leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder wanhopige opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee aan den last, en was in een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden, en, om iedere poging tot ontvluchting ijdel te maken, werd hem de bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening der elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug gestoken, zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden waren, de geringste beweging de meest ondragelijke pijnen aan zijne deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken. Toen ook zijne voeten gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt, en uit overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje vastgebonden.

Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij met haar voor hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King stelde voor, om het bezit van het meisje tot prijs van eene dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig, rekende zijn makker voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer hem het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog niet tot verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij het meisje behoorlijk gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras in, dat verder twisten overbodig was; want die plek was ledig. Hoe zij ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden. Geen spoor? .... Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden, waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar mogelijk geweest, de handen bij den mond te brengen en was zij er in geslaagd te touwen met hare tanden door te knagen. Toen zij de handen vrij had gehad, was het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van de boeien te ontslaan.

„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is voor ons verloren!”

„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje kwijt! Zij zou Lim Ho veel waard geweest zijn.”

„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen reppen, denk ik.”

„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk zijn.”

„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar laten loopen. Hij moest eens over Dalima klappen.”

„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er van door geweest is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.” [12]

„Ik ben van meening hem te laten loopen.”

„Hm!... Waarom?.... Hij moest aan boord van de Kiem Ping Hin zijn... Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.... Geloof mij, daar zit iets achter.... Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.”

„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan hebben,” zei Than Khan.

„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden hebben, wanneer wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?”

„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen. Waarheen?”

„Ja, waarheen?.... Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de andere ook. En, er is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene goede vangst gemaakt hebben.”

Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan er nog. Hij lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden. Hij had geen lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag terugkomen, verhelderde zijn oog.

„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur.

De Chineezen antwoordden niet.

„Is zij ontvlucht?”

Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der dievenlantaarn zoo droefgeestig, dat Ardjan aan de waarheid dier bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich gerust. O, dat hij toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was alsof die gebroken waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar zou het lieve meisje thans zijn? O, daaromtrent bekommerde hij zich weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen. Daar woonden hare ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans nabij zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de residentsfamilie woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog een goed eind weg af te leggen hebben. De dag zou wel aangebroken zijn, alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar alles dadelijk vertelde... ja, dan was voor hem nog redding mogelijk.....

Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg, waar hij zoo in ’t holle van den nacht van daan kwam.

„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van daar naar hare ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden wij zeewaarts gevoerd. Ik heb geroeid uit alle macht om de Moeara Tjatjing te bereiken.”

„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je daar te verrichten? Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is het zoo niet?”

Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard:

„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven. Ik moest dus trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.”

„Maar je werd achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!”

„Dat was de barkas van dien ellendigen Matamata, die mij voor een smokkelaar aanzag.”

„Had je geen sluikwaren bij je?”

Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden gekend hadden, dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan.

„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de Kiem Ping Hin; moest je niet aan boord zijn?”

De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij:

„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal door te brengen.”

„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in vollen gang zijn?”

„Het is toch zoo.”

„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.”

Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig stilzwijgen. De Chineezen wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten gedoken op den vloer, met het hoofd op de borst, op het punt van in eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst pijnlijk aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was donker in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille morgenlucht zooveel mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd rechts en links wendde, dan kon hij evenwel door de reten der „Niboeng” [13] latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak. Een grauw licht toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar den walgelijken modder, waarin een menigte dieren als alen, moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds rondkrioelden, om op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, te azen.

Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte weerklonk, dat de beide Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een sein. Than Khan vloog naar de deur. Toen die geopend werd, was het buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen, en kleurde de oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

II. IN DE DJAGA MONJET

Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid geslagen waren. De pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer uitgezet, werd pijnlijk aangedaan door het schelle licht, en moest tijd hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien konden. Maar, toen zij zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken, ontwaarden zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt hadden, gescheurd, gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren, en het blauwe azuur des hemels overal door lieten. In het oosten was de hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen luister boven den horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de golven op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren van de kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht hadden onze Chineezen geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met scherpen blik de oppervlakte der zee, niet om het wentelen der golven, of het breken der branding van den nog steeds verbolgen oceaan gade te slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud, getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te bespieden, wat op die oppervlakte voorviel, hetgeen hunne belangstelling meer gaande maakte.

Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de aanrollende golven danste en stampte. Met het bloote oog was te zien, dat het een schoenerbrik was, die onder klein zeil scherp bij den wind lag, en de kust niet scheen te willen naderen. Aan den voortop woei een seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden was. Liem King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene bergplaats vond in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen en de latten, die deze laatsten droegen. Na een poos turens, waarbij hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot zijn makker:

„Het zijn de letters T. F. N. W., die daar op een rooden achtergrond wapperen. Het is ongetwijfeld de Kiem Ping Hin, die gisteren avond had moeten aankomen en die....”

„Nu ten anker zal willen komen.”

„Neen, die buiten den smokkel-rayon [14] wil blijven. Ziet ge, nu gaat zij over stag.... loopt meer uit den wal.... Thans bergt zij hare zeilen, gaat voor anker....”

„Dat’s brutaal! De Matamata was van nacht nog hier.”

„Waar de Kiem Ping Hin thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets doen. Daarenboven van dien is niets meer te bespeuren. De schoener voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche vlag. Onder die is hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s” (Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.”

„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.”

„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten spoeden.”

„Gij!”

„Neen, gij!”

„Waarom niet beiden te zamen?”

„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en onbewaakt te laten,” antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende.

„Laat er ons dan om dobbelen.”

„Mij goed.”

Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor den dag, waaronder ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere behendigheid op eene houten plank, die voor dat spel bestemd scheen. Na den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes in een groep bij elkander lagen. Daarop wierp Khan Than.

„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij elkander. Gij teldet maar vijf.”

„Nu, dan ga ik.”

„Maar, mondje dicht over Dalima!”

„Natuurlijk,” was het antwoord.

Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling.

Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo, dat, terwijl hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen enkele beweging van den Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte der zee voorviel. De djaga monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand der kleine baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets aan zijne waarneming ontsnappen kon.

Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een vijftal Chineezen langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen; hij zag dat vaartuig afsteken, over de oppervlakte der deinende zee glijden, in de branding geraken, daarin stampen, slingeren en worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat moeielijke punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van hem, die het roer in de hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de golf gericht hield.

„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij.

Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam.

„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried.

„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar schiet de sloep de Moeara in.”

Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog door het water, toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven gekomen was. Achter de sero’s en in de baai trof de sloep glad water aan; zij schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de aanlegplaats bereikt, waar Liem King het gezelschap wachtte, en het onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde.

Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig verlaten, of de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van een hunner, om eenige blikken en vaatjes, die op den bodem der sloep opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in allerijl achter eenige struiken te verbergen.

„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende, die er uitzagen, alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten hadden, en allen het cachet van Van der Leeuw [15] in groen lak vertoonden.

„Ik wou, dat ik maar een paar taël [16] van die boter had,” antwoordde een ander lachend.

„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling toe. Daar kunt ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw zuur verdiende gagie verlost zijn.”

„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die...”

„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.”

Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog verborgen, waarna de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven.

Daar vond intusschen een ander tafereel plaats.

Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd onmiddellijk een aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die steeds zwaar gekneveld op den bodem uitgestrekt lag. Liem King had onder weg de bizonderheden van de gevangenneming van den Javaan verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op Dalima doelde.

Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de aanvoerder der overigen, ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene geel fletse gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande oogen, aandachtig toegeluisterd. Hij had een glimlach van tevredenheid niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi” Ardjan was, die gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was, vroeg hij op onverschilligen toon:

„Was de Javaan alleen?”

„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King.

Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho.

„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij.

„Ja, babah.”

„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?”

„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de djoekoeng vonden, lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof hij in het water gelegen had, en waren de bamboezen der sajab verbrijzeld.”

„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam.

Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem evenwel met een blik te verwaardigen:

„Waarom ben je ontvlucht?”

„Ik had „sakit hatie” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij aan boord en wilde naar de dèsa terug.”

„En daarom heb je Dalima meegenomen.”

Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten.

„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder.

„Verdronken!...” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar verdronken?”

„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van de Kiem Ping Hin ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat gebeurd? Misschien heeft Dalima zich nog kunnen redden.”

„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet Ardjan. „Wij zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het noodweer, ik zeer vermoeid van het pagaaien.”

„Maar, waar is zij dan gebleven?”

„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.”

Die twee stonden te bibberen van angst.

„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op antwoord!”

„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan.

„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King.

„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan, terwijl hij van ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut dreunde en schudde.

„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima armen en beenen gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en zijn daarna het meisje gaan halen. Zij zijn evenwel zonder haar teruggekomen.”

Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan.

„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem King.

„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan.

Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid weerklonk. Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut aangekomen waren, trad binnen.

„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel.

In een oogwenk waren allen binnen.

„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than Khan wees.

Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die twee Chineezen mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De touwen werden zoo strak mogelijk aangehaald! De slachtoffers kermden. O, als het eens op Java tot eene uitbarsting mocht komen! Dan wee, de zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene andere natie ook niet in de klem zou geraken?

Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho:

„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht! Vijfhonderd „ringgiet’s” (rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind opspoort en mij uitlevert!”

Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende naar buiten.

Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich door een zijner volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan een langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak, met goudgeele haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige halen, waarbij hij den rook door de neusgaten uitblies. Hij zette zich toen neder op den eenigen stoel,—een lomp onbehouwen meubel, met de „gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig, terwijl de overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan.

„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de Kiem Ping Hin ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje haakte?.... Maar, pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand, dat begrijp je!”

Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden. Zooals hij gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij.

„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. „Daarna zal ik zien.”

Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden Javaan van de bamboe te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen hield. Toen dat marteltuig verwijderd en Ardjan wat tot verademing gekomen was, beval de Chinees:

„Komaan, spreek; ik luister.”

„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de Kiem Ping Hin ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe Kalajan niet ver van Santjoemeh ten anker, toen eene djoekoeng op zij schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten waren. Aanvankelijk dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den schoener behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen bij het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets kwamen halen, brachten zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den vorm had van een menschengedaante. Dat ging mij echter niet aan; zoo iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf dat pak in de hut van den kapitein brengen. Ik lachte en schertste zelfs met de twee Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein Awal Boep Said wachtte.

„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat hem, zooals ik meende, genoegen moest doen. Maar, in stede van naar zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en beval mij zorgvuldig uit te kijken, daar hij gasten verwachtte.

„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar uwer vrienden aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet; want het was reeds nacht geworden, en de noordwester storm was in aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan boord, of hij brak los. Toen ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig dacht ik aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep Said op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje te nemen; maar de kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg, deed de brassen strak zetten, en een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek niet verlaten.

„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank uitgestrekt, en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen en zwelgdet met blijkbaar genoegen den rook in. Naast u stond een uwer volgelingen, die bezig was een balletje „madat” klaar te maken en te kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe” [17] zich in uwe nabijheid in een doosje bevond.

„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door overmatige prikkeling verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig. Een duifje was in uwe macht, gij moest uwe uitgeputte krachten opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke genietingen van uw slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium en weet er gebruik van te maken.

„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een hadji heeft mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed is, en dat de gelukzaligen in den hemel slechts door dat middel hunne krachten schragen, en ten gevolge van dat middel zoo door de hoeri’s geliefd worden.

„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot nieuwsgierigheid dwong. Sedert lang is Dalima mij door hare ouders tot vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen, om de som bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen. Als ik die zal bezitten, dan is de huwelijksdag daar. Maar, ik weet ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk schier dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje haakt;.... ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;.... ik weet, welke som gij haren vader voor hare onschuld geboden hebt.... Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten was. Toch had ik nog geen erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen. Haar vader had u met zijn kris gedreigd.... Hoe zou de baboe van den toean resident in uwe macht geraakt zijn?.... Dat was immers onmogelijk....”

„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door het verhaal van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!.... Vertel eens, Ong Kwat, hoe zij je in handen kwam.”

„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de djoekoeng verhaald. Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van haren heer, in de Salak-laan [18] achter het residentiehuis. Het kind wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima bad een Chinees, die daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij voldeed aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven, wierp hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind liep juichend den bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje toe, dat zonder erg het kind natuurde, stopte haar, voor dat zij een gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar een zak over het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig stelde zich in beweging, en een uur later was zij aan boord van de Kiem Ping Hin....”

„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho.

De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en antwoordde:

„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!”

„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw je voor leugens!”

„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho, waart geheel versuft van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog niet bereikt, dat de opium iemand in woestwilden hartstocht doet ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed, wijdde zijne geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u beiden was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het licht der lantaarn, die er brandde, herkende ik in een oogopslag Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong op haar toe, en sneed in een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met lichten tred uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het voorschip achter een hoop zeilen geborgen, die daar lagen.

„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien daaraan te danken, dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De kapitein Awal Boep Said liep met angstige schreden het achterdek op en neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer door de vingers glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar! (God is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere opvarenden schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen zeeziek in hunne kooien lagen.

„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng, waarmeê Dalima aan boord was gebracht, en die op zij van het schip op de golven lag te dansen, naar mij toe. Het meisje gleed langs een touw er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai) en weldra dreven wij, door den wind voortgezweept, ver van de Kiem Ping Hin.

„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het residentie-huis lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit kwam, grepen haar wind en stroom en dreven wij op Allah’s genade heen.

„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig lagen. Die hebben belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in de branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle macht. Als wij die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het gelukte mij eindelijk die branding te doorworstelen. Nog een poging.... en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij geland waren, viel ik uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen, hadden Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd hierheen gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb haar niet meer terug gezien. Ziedaar, de volle waarheid.”

Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim Ho nadacht en niemand durfde zijn gedachtengang storen.

Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King wendde:

„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?”

Geen van beiden antwoordden.

„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl hij zijne twee gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer uitgestrekt lagen, een schop met zijne harde sandalen in de zijde gaf.

„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij hebben geen meisje gezien.”

„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij bij hem aankwamen.”

„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk. „Maar, ik lag uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet kunnen verdedigen. Babah, ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten, wat er van het meisje geworden is.”

Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken, wat hem te doen stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der hut eenige stemmen. Het waren de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne pogingen vruchteloos geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden.

Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van Ardjan.

„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der roeiers, terwijl hij een bundel touwwerk liet zien. „Dat heb ik bij een struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland is, gevonden.”

„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de polsen en de enkels van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig en bedaard.

Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat stomme bewijs hunner leugentaal snoerde hen den mond.

Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn Liem King van angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel doof voor hunne kreten, verwaardigde hen ter nauwernood met een blik; terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen met koele woede een schop toebracht.

In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de Javaansche roeiers met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner stoven naar buiten; terwijl de anderen de twee gebonden Chineezen, alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed maakten hen naar buiten te brengen.

„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan.

„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht.

„Wij weten het niet.”

„En gij?” was de vraag tot Ardjan.

„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den toean resident teruggekeerd zijn.”

„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt.

„Geen medelijden met kerels als gij!”

„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen.

„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!” antwoordde Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste.

„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan wendde. „Gij, die u vermeten hebt, dat meisje van boord te ontvoeren....”

„Zij is mijne bruid!” kreet deze.

„Uwe bruid!... Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen hond zou kunnen zijn! Maar .... ge zijt gisteren avond van de Kiem Ping Hin ontvlucht. Is er in de djoekoeng?...”

Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich bij die half uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho.

„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt. [19] Daarenboven ik had in die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders te doen dan te minnekoozen.”

„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt, dan was je den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist hebben! Nu zal ik je alleen maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik wil de geschiedenis met Dalima vergeten.... Maar,” ging hij met een grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers kennis van de oogmerken van de Kiem Ping Hin te geven....”

„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit.

„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho voort, zonder op de ontkenning van den Javaan acht te slaan.

„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben ontvlucht, om Dalima te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen verrader!”

„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!” ging de Chinees onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze vereeniging, nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar krijgen; daarna zal ik je aan boord van de Kiem Ping Hin laten brengen, niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen terugkeeren, blijven zult, zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.” [20]

„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens de kongsie gepleegd. Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan waar Dalima woont!”

Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren jegens den medeminnaar, die de genegenheid van het lieve meisje bezat, dat wist hij. Hij verwaardigde zich tot geen enkel antwoord; maar gaf een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden, en hen met slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden afklimmen; maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en zich dus niet grijpen konden, een voor een naar beneden ploften en liggen bleven, tot dat zij weer overeind geholpen werden.

Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de pret, terwijl deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de roeiers nog meer aanzette, om hunne hardhandige geestigheden op de slachtoffers bot te vieren.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

III. HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM

Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel, dat de menschen op dat plekje daar voorbereidden.

De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene luwe bries overgegaan. Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de wortelboomen op het strand; met een harmonisch gemurmel kwamen de golven, die als het ware aan de branding, welke de kust met een zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen oploopen, om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik later weer te hervatten. Van de strandhut werd tusschen de beide kapen door, die de Moeara Tjatjing omzoomd hielden, een vergezicht op de volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht worden. Onder de schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander nog na, alsof zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een golf met eene kuif van verblindend wit schuim, maar de geesel van den noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer begreep, dat wat hij daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem van Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de opening, door de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van groen gevat, de schoenerbrik Kiem Ping Hin zichtbaar, die daar op een kanonschots-afstand van den wal voor anker lag, en op de aanrollende deining bevallig op en neer bewoog, terwijl de Engelsche vlag aan haren gaffel in sierlijke plooien wapperde.

Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag, stond een groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een kaars, met hare bevallige kruinen van gevinde bladeren, die daar boven hoog in de lucht onder de zachte bries wuifden. Overigens sloot het Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de hut, die slechts aan de zeezijde open was.

Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf gerukt, en werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een dier palmen recht overeind, met het gelaat naar den boom gekeerd, gebonden. De touwen, die gediend hadden om de handen en voeten van Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan den boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden.

Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun ontsteld oog bespeurde evenwel nog niet, wat zij zochten en toch vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende, hoewel de stralen der tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog boven het hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de kniegewrichten, die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden gepaard, gedoogde. Die touwen toch waren van gemoetoe geslagen en bijgevolg hard, ruw en stekelig.

Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig rondkijken had hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren gewapend, zien naderen. Hij wist dus, dat het folteruur gekomen was.

Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er voor het oog breed hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen bezaten, en wier beide oppervlakten zich wit donzig vertoonden, werden met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden, een drietal bossen gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed hadden, de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de zitvlakken, de dijen en de kuiten met die bladeren te slaan. Het was eigenlijk geen slaan, wat geschiedde; het was meer een wuiven, een streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van die naakte lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik toegebracht, alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde verlaten, verjaagd moest worden. Het was een zeldzaam schouwspel, dat daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen teekende onmiskenbaren angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen gadeslaan, geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren frischheid toe te wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen van pijn te vertoonen. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen, de spieren te werken en te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte slagen, ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al meer en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de beenen, den rug en den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden verwrongen, de oogen puilden uit hunne kassen. Toch gingen de beulen met hunne streeling voort. De ademhaling der ongelukkigen werd korter, werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond. Zij knarsten op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten!

„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond ontvlood.

Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een teeken aan de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling door eene geregelde afranseling lieten volgen. Het regende toen slagen op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid weerklonk onder het gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen, die hen bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die slagen begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten hooren; het was een gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan hunne lippen ontwrongen; het was als het geluid van een wild dier, dat doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende krachten verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen niet meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen en beenen als slangen, die er zich om wriemelden; zij drukten zich tegen die stammen aan, alsof zij zich er indringen, in verbergen wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding, geene kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet, zag er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de onmenschelijke inspanning, door de pijn veroorzaakt, drongen de bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en verscheurden de weefsels onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het bloed in stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de beenen en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem.

Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij de onduldbare pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht!

Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd. Het waren nog maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad voorzien. De andere overblijfselen lagen verlept, verreten, vernietigd rondom de drie lijders op den grond verspreid, en nog dacht Lim Ho er niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij zijne slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een oogenblik halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen der ongelukkigen met water te doen besproeien, waardoor de reeds zoo onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden. De onmensch was op het punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling een alarmkreet vernomen werd.

„Orang oppas! orang oppas!” [21] klonk het.

Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de beide gemartelde Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de Niboeng-palmen gebonden hielden, en sleepten de halfbewustelooze rampzaligen, die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden, langs het pad voort, dat naar de aanlegplaats der sloep voerde. Een paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook op Ardjan toetreden; maar de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten van de naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de sloep bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen, en was het vaartuig afgestoken, of een viertal agenten geleid door Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners, verschenen al schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet.

„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog altijd aan den boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als eene levenlooze massa aan de touwen hing, die hem omknelden.

„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch gedaan?”

Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde hem op een matje, dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de rampzalige kon geen woord spreken. Hij brulde en raasde van de pijn en wentelde over den grond met kronkelingen als een worm, die vertreden was.

„Allah!... Adoe!... Sakit, sakit!” (O God... o wee!... Pijn, pijn!) kreet hij.

„Sakit apa?” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast hem gehurkt zat.

„Sakit Kamadoog!” brulde de lijder tusschen twee smartkreten.

„Sakit Kamadoog!” riepen de omstanders ontzet.

En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden bladeren op, die tot foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de menigte de vreeselijke brandnetel, die de meesten deed verbleeken.

En inderdaad, de Kamadoog [22] is een vreeselijk gewas in den volsten zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige branderige jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den lijder gedurende minstens zeven dagen ondragelijke pijnen en verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen, doet ondervinden.

„Heeft ook iemand sirihkalk [23] bij zich?” vroeg Dalima smeekend.

Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte sirihpruimpjes, die zij bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het sirihblad, waarin de pinangnoot [24], de kalk en de tabak besloten was, waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk daarvan aan het meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali in te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den lijder, die in aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de vreeselijke netel, was zoo groot en de voorraad sirihkalk zoo klein, dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken niet met het beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden.

Het meisje was wanhopig.

De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende zonnestralen bevrijd te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als den koortsgloed, die hem naar het hoofd steeg, vermeerderden. Toen snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige kalk als wat olie te halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den avond hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de lijder vervoerd zoude kunnen worden.

Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga monjet voorbij en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de opvarenden toe, terug te keeren en den wal aan te doen. Niemand stoorde zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen vuurwapens bij de hand om die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren. Het antwoord was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw.

Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend, welke bij hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen en weer, in en uit liep. Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich opwellen. Hij wilde naar den wal;.... maar voordat hij daartoe de noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het zou toch als krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de gegeven omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht van zijn geld mocht kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten aanschouwe van al die dèsabewoners zoude de omkooping der politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten woede de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra buiten de Moeara Tjatjing, en zette koers op de Kiem Ping Hin, waarop de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen vertrekken.

Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem melden, dat de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien was.

„Zeer waarschijnlijk is het de Matamata, die hier de kustwacht uitoefent,” zeide hij.

„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de lippen. „Bij nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te voren hunne nadering. Bij dag jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is, en niemand onzer bedriegen kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl zij voor ons niet onopgemerkt bleven.”

„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn uwe bevelen?”

„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel, dadelijk onder zeil en koers naar het eiland Bali.”

Een kwartier later boog de Kiem Ping Hin bevallig stuurboord over onder den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven naar het oosten. Toen de Matamata ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler, de kim zeer nabij. Het vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw des hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige gelegenheid slechts zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon brengen, wanneer de vuren flink opgepookt en de veiligheidskleppen bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den ranken schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond, gemakkelijk elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide vaartuigen dan ook elkander uit het gezicht verloren.

Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om haren Ardjan van een gedwongen ballingschap te redden?

Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld had, wat haar met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd gekost had, had zij zich beijverd, de banden te ontknoopen, die hare voeten omkneld hielden. Dat was ook snel geschied, en met een verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort. Een oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou naderen. Misschien zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar hoorde zij de stemmen van de beide Chineezen, die het pad afkwamen om haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het hart, en zonder te bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren, zij zou die smeeken; ja, maar... zou die?... Dan zou zij zich tot den resident wenden om hulp, en die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel als eene gejaagde hinde ijlde zij voort. Als echt natuurkind was zij in dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den weg te kennen, en ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen.

Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant binnentrad, was het zeer vroeg in den ochtend. Het heerenhuis naderbij komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen in de groote „pandoppo” [25] met een boek in de hand op een „krossi gojang” (wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare lectuur verdiept was. Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige beweging in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder, kruiste de beenen onder zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu met zacht schuivende bewegingen, waarbij zij zich met de linkerhand opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed) in bedwang hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog altijd onafgebroken op en neer ging.

„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht hare lippen ontvlood.

Het aangesproken meisje, in hare lectuur gestoord, vloog bij het hooren van haren naam verschrikt op. „Siapa ada?” (Wie is daar?) kreet zij met een lichten gil.

Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van haren stoel opgerezen was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde in de stralen der morgenzon, welke door de jaloezie-ramen binnendrong, die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht in de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette met een matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere krullen; met prachtige bruine oogen, die met hunnen lieftalligen blik van eene zachtmoedige geaardheid getuigden; met frissche ronde wangen, waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde, dat een beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn gevormde lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en waaronder eene kleine afgeronde kin prijkte, die evenwel een kuiltje vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn teeder rozenrood den blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve kind was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die evenwel zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de bewering niet te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een der meest volmaakte meesterstukken van de schepping verscholen was. Zoo als zij daar stond, was een der slippen van de kabaja bij haar verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend modelleerde, verder over het been afviel en een allerliefst blank rooskleurig voetje schalks zichtbaar liet, dat met de teentjes even in een geborduurd snoeperig slofje verscholen was. Hoewel het uiterlijk van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare zacht blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen, met haren zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat zij een Makart gerust tot model had kunnen strekken.

„Siapa, ada?” was haar verschrikte kreet geweest.

„Saja, Nana,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar.

Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten te ontwerpen, heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden met het gebruikelijke „nonna” (juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima, die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare lieftalligheid, een schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna, eindelijk tot Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana met de roman van Zola geen punt van overeenkomst heeft; ook niet met het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow in Engelsch Indië zoo’n treurige vermaardheid kreeg.

Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij daar Dalima gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van haren schrik. Zij wilde het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding zitten bleef.

„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van daan? O, mama is zoo boos op u.”

„Nana, ik ben ontvoerd geworden.”

„Door wien?”

„Door lieden van Lim Ho.”

„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht geweest?”

„Ja.”

„Den geheelen nacht?”

„Neen; Allah heeft mij beschermd, en...”

„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de meisjes schrikken deed.

Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat de twee jonge meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de badkamer, zoo als haar rijke zwarte haardos bewees, die in prachtige golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt had, hoewel zij rug en schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij nu onder het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan eene „nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden onmiddellijk volgde, overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten drogen.

Mevrouw Laurentia van Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige matrone, van ruim zeven lustra, wier uiterlijk nog zeer bevallig was en niet te veel door het moederschap geleden had. Zij had maar een kind, de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien verwelken, aan de zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo veel voorzorgen deed zich toch de invloed van den tijd gelden, en al moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast met eere torschte, zoo waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog andere toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje te „breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd veel met marinezaken had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der zeemanswereld bij alles, zoowel in zijne officiëele omgeving, als in de huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat te helpen, nog de frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele zilverdraad in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden; wanneer nènèh Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat verraderlijke haar uit te trekken. De nog steeds fraai gevormde lippen begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; ook de mondhoeken volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende beweging, die eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong toewa had ook voor het mondtoilet eene zuurachtige vloeistof, welke door eene soort van „semoet api” [26] geleverd werd, en als vinaigre de toilette dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje uit vet van „tjitjaks” en „gekko’s,” [27] waarin in gesmolten toestand ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood gestorven waren. Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen” [28] nog meer wondermiddelen ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia nog steeds haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen, dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten haar middel, hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed op eene dansreceptie verscheen, nog steeds afwijkende gedachten bij het mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij het vrouwelijke gedeelte van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den eereprijs toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot, wanneer zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en opmerken kon, hoe gevierd en aangebeden deze werd.

Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig meisje, toen zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen zeventien jaar oud—in het huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die destijds controleur bij het binnenlandsch bestuur en de rechterhand van haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar uit volbloed Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding hadden gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het onderwijs in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun kind voor een paar jaar naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven. Onder gewone omstandigheden zou zij dan ook tot eene uitstekende vrouw gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel ontbroken; omdat papa en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven, of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de zucht tot grooten sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel geld, zeer veel geld zelfs, en de middelen, die gebezigd werden, om dat aardsche slijk machtig te worden, konden niet altijd den toets van welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia gesprekken opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen bijgewoond, waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den voorrang twistten, en zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij kiemen van verderf in zich opgenomen, die de grootste verwoestingen zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen terecht gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar was het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar gebezigd als eene bron van financiëele inkomsten, die terdege geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover slechts een uiterlijk vernisje van goede manieren, un jargon de bon ton moest aangebracht worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest.

Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in geslaagd zijn, om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar deze, naar Indië gegaan om carrière te maken, en dan zoo spoedig, maar vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug te keeren, was zelf van geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool bij den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op beteren weg te brengen. Daar had hij den stelregel: make money... but make money als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone Laurentia had het hare bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen schieten.

Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor zorgde steeds uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der residentie van zijn schoonvader te erlangen. Zoo was hij controleur te Brandowo geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen waar nagenoeg geen Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin had kunnen gadeslaan. Hoe hij daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den regent van wege de cultuurprocenten [29], èn met den gedelegeerde van den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen van de Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe zij geld uitleende tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als juweelen, poesaka-wapens [30] enz. in onderpand aan te nemen, was een diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam niet verhinderd tot resident op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen gunstige uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de gedurige aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds voor hen bogen, was vooral het humeur van Laurentia onverdragelijk geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw verpersoonlijkt, en dat karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat zij, wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met vorstelijk voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus vertoonde, voor een uitmuntend beeld van Juno, die meest trotsche van alle godinnen, zou hebben kunnen dienen.

Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van baboe Dalima gramstorig uitriep:

„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je geweest? Zeker, jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan” (vrijer).”

„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik ben niet weggeloopen.”

„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?”

„Ik werd ontvoerd.”

„Door wien?”

„Door vreemde Chineezen.”

„Hoe heeft zich dat toegedragen?”

Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds vernam. Alleen dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een kind van den broeder van den resident was, dat sedert geruimen tijd bij de familie logeerde, daar de vader, sedert jaren weduwnaar, zich op Billiton bevond.

„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder aandoening in hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die schaking.

„Aan boord van een groot schip.”

„Van wie was dat schip?”

„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”...

„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang Bing, den opiumpachter?”

„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna Anna gehurkt zat, bedeesd.

Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare oogen een bizonder vuur vertoonden.

„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie verlangt, en bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter.

Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg Laurentia haastig en met hijgenden boezem:

„En?”....

O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de wereld was. Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was.

„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm.

„Dat kan ik begrijpen,” [31] fluisterde de njonja meer dan zij sprak, terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik begrijpen, alvorens....”

Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw van Gulpendam bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild glinsterende oogen, die vooruitdringende, licht trillende onderkaak, die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling sissend doorgang verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op dat gelaat was alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam zich niet aan het opiumschuiven overgaf.

„En,.... wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos aangestaard te hebben.

„Niets,” was het rustige antwoord.

„Niets!.... Je liegt, anak s...... [32] Lim Ho zou je aan boord van een vaartuig gelokt hebben, om....”

„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het meisje snel in.

„Gered!... Gered!... Door wien?”

„Door Ardjan!”

„Door Ardjan!??? Door Ardjan!... O, jou slecht schepsel!” kreet de njonja. „Nu begrijp ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten, om een slippertje te maken met jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim Ho verschuilen!... Wacht, ik zal jou!... Gulpendam!... Gulpendaaam!!...”

Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en schril door de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in den waan dat er onraad was.

„Pangil toean besar!” (roep den grooten heer) klonk het bevel.

„Ampon, njonja, ampooon!” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het meisje op langgerekten toon.

„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

IV. DE DRADEN VERWIKKELEN

De heer Van Gulpendam kwam aangevlogen. Als de schoone Laurentia riep, dan, hoewel hij de Kandjeng toean residèn (de hoogmogende heer resident) was, mocht hij de vlugheid in persoon geheeten worden. De booze wereld fluisterde, dat hij het niet mocht wagen, minder rap te zijn.

Ook hij was nog op voet van vrede, dat wil zeggen: in slaapbroek en kabaja gekleed, en was juist bezig, in de voorgalerij van het prachtige residentiehuis gezeten, zijn kop koffie te slurpen en een sigaar te rooken, toen de stem van zijne vrouw door de geheele woning weerklonk.

„Gulpendam!.... Gulpendaaam!”

Bij het langgerekte van die laatste lettergreep vloog hij van zijn wipstoel met zoo’n vaart op, dat die wiegelmachine, onder den druk, daarbij ontvangen, vier voeten achteruit vloog.

„Oppas!.... Pajoeng!.... lakas!” (oppasser!.... de zonnescherm!.... Gauw!)

Behalve het gebruiken van zeemanstermen had de man nog een zwak, namelijk steeds den pajoeng, dat emblema van gezag in het Oosten, in zijne nabijheid te willen hebben. In de voorgalerij stonden steeds een viertal van die zonneschermen in eene stelling naast den stoel, waarop de resident placht te zitten. In het kantoor stond er een vlak naast den schrijflessenaar van den hoofdambtenaar. In de residentelijke slaapkamer stond een ander recht zichtbaar naast het hoofdeneind van de echtelijke bedkoets. Er mochten eens dieven des nachts komen, die zouden vol ontzag voor het prestige van den pajoeng terugdeinzen! De heerschzuchtige Laurentia was voor die machtspreuk gezwicht en had het teeken des gezags van haren echtgenoot in haren troonzaal geduld. Maar zij had er met hand en tand aan vastgehouden, dat geen pajoeng in de pandoppo, waar zij als huisvrouw uitsluitend de macht in handen wilde hebben, verscheen. Wilde de resident eene wandeling maken, dan klonk het onveranderlijk: „Oppas!.... Pajoeng!” en dan volgden de zonnescherm, met den sigarenkoker en de „tali api” [33] (brandende lont) gedwee achter aan. Soms droeg de oppasser ook, wanneer de hooge wandelaar zijn voorhoofd door het frissche windje wilde laten afkoelen, de residentspet met breeden galon, eerbiedig in de hand, zooals een roomsch priester het sacrament zou gedragen hebben.

Toen Van Gulpendam in de pandoppo verscheen, klonk hem vrij barsch in het oor:

„Wat moet die pajoeng hier? Gij weet, dat ik dat ding niet zien wil hier!”

En tot den oppasser klonk nog barscher:

„Moendoer! lari! lakas!” (Achteruit! weg! gauw!)

Een wenk van den resident aan zijnen onafscheidelijken oppasser deed dezen verdwijnen.

„Hier; Dalima is terug,” begon mevrouw. „Raad eens, waar dat slechte schepsel geweest is.”

„Hoe kan ik dat raden? Zij zal in de dèsa haar anker hebben laten vallen.”

„In de dèsa!.... Het mocht wat!.... Zij is met haren Ardjan er van door geweest!”

„Ampooon, njonjaaa!” kreet het arme meisje, dat genoeg Hollandsch verstond, om geen woord te verliezen.

„En nu heeft ze een geheelen roman te vertellen,” ging mevrouw in een’ adem voort. „Ze zou door Lim Ho ontvoerd zijn; en zij zou den nacht aan boord van een schip doorgebracht hebben! Denk eens aan!”

Bij den naam van Lim Ho, en bij het gewagen van een schip, spitste de resident de ooren. Hij had toch rapport van den gezagvoerder van de Matamata ontvangen, dat de Kiem Ping Hin op de kust gezien was. Die schoenerbrik was het eigendom van den opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het heulsap. [34]

„Welk schip?” vroeg hij met eenige drift.

„Weet ik het?” was het antwoord van mevrouw. „Vraag het die slechte meid.”

„Ampooon, njonjaa!” kreet Dalima, die steeds op den grond gehurkt zat. „Ampooon, njaa!”

„Kom, vertel, wat er gebeurd is, Dalima,” vroeg de resident op goedigen toon.

„Allah, toean!” (O, God, mijnheer). „Zij hebben Ardjan gevangen genomen! Kassian!” (heb medelijden).

„Ardjan gevangen genomen?.... Maar, wie....?”

„Babah Than Khan en babah Liem King,” antwoordde het meisje weenend.

„Een paar handlangers van den pachter,” prevelde Van Gulpendam binnensmonds en overluid. „Waar werd hij gevangen genomen?”

„Bij de Moeara Tjatjing toean!”

„Hoe kwam hij daar?”

„Hij was met mij ontvlucht!”...

„Hoort ge wel?” gilde mevrouw.

„Van het schip,” vulde Dalima snikkend aan.

„Van het schip!... van het schip!” kreet Laurentia. „Ontvlucht van hier uit het huis! Dat zal meer de waarheid zijn!”

„Laat haar toch van wal steken, anders bezeilen wij nooit geen land”, bromde de resident. En zich tot het meisje wendende. „Vertel nu eerst, hoe ge aan boord van dat schip gekomen zijt.”

Dalima, steeds met gekruiste beenen op den vloer zittende, verhaalde thans hare lotgevallen, van af dat ze uit den tuin der residentswoning ontvoerd werd, totdat ze, na de touwen doorgebeten en zich zelve bevrijd te hebben, ontvlucht was. Reeds bij het begin van dat verhaal was nonna Anna de pandoppo weer binnengetreden en had daarvan alles aangehoord.

„Ardjan is dus daar aan de Moeara Tjatjing achtergebleven?” vroeg de resident.

„Hij was gebonden, toen hem de twee Chineezen aan een „pikolan” (draagstok) wegdroegen. Ver hebben zij hem evenwel niet gebracht; want ik had ternauwernood mijne voeten ontslagen van de touwen, die mij bonden, toen ik het licht hunner lantaarn tusschen de bladeren zag schitteren, en ik hunne stemmen hoorde naderen. Ware het dag geweest, dan zouden zij mij hebben moeten zien vluchten. Waarschijnlijk zou ik dan niet ontkomen zijn.”

„Zou Ardjan daar nog zijn?” vroeg de resident met nadruk.

„Dat weet ik niet, toean. Ik hoorde hen zeggen, dat zij eerst hem en daarna mij naar de djaga monjet wilden brengen.”

„Naar de djaga monjet?... Oppas!... Oppas!...” riep Van Gulpendam.

„Ik zou den pajoeng maar weglaten!” sprak zijne echtgenoote vrij schamper.

„Oppas,” beval de resident, zonder op die liefelijke aanmerking te letten, aan den binnengetreden dienaar: „Oppas, ga onmiddellijk met een paar van uwe makkers naar de Moeara Tjatjing. Roep volk van de naburige dèsa op. Neem dan genoegzaam lieden tot assistentie mede, en tracht den Javaan Ardjan te arresteeren. Hier, baboe Dalima zal u tot gids verstrekken.”

„Gelooft ge dus het verhaal van die deern?” vroeg zijne vrouw.

„Niet geheel en al. Ik heb er evenwel belang bij, die zaak tot helderheid te brengen.”

En zich tot den oppasser wendende:

„Voldoe stipt aan het bevel, en breng mij zoo spoedig mogelijk rapport. En nu ga, neem Dalima mede.”

Toen de oppasser met het Javaansche meisje vertrokken was, fluisterde hij tot zijne vrouw:

„In die geheele zaak ligt een opium-schandaal, weest er verzekerd van. Waar Lim Ho in betrokken is, kan niet anders dan eene zaak zijn, die het licht niet mag zien. En is mijne peiling juist.... dan zal de rijke pipa moeten over de brug komen.”

Bij die laatste woorden maakte de resident met den duim en voorsten vinger der rechterhand eene beweging, die geldafschuiven moest beteekenen. Mevrouw Van Gulpendam trachtte dat gebaar, door met een blik op hare dochter Anna te wijzen, te stuiten.

„Kom, kom,” sprak de heer gemaal ietwat hoonend, „zij is geen kind meer. Op haren leeftijd hadt gij bij uwe ouders al veel meer gezien. Langzamerhand zal zij ook moeten leeren begrijpen, van waar het geld komt, dat het huishouden kost. Niet waar Anna?” ging hij voort, terwijl hij het meisje onder de kin streelde. „Als ge later getrouwd zult zijn, zult ge ook wel gaarne in eene fraaie woning gehuisvest zijn, zult ge ook gaarne veel juweelen, de prachtigste japonnen, de elegantste rijtuigen, de fraaiste en de vurigste paarden hebben?”

„Wie zou dàt niet?” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken glimlach... „hoewel”... ging zij aarzelend voort, „ik aan juweelen en prachtige japonnen niet bizonder hecht...”

„Jawel, jawel,” zei de resident lachend. „We kennen dat. Op dien leeftijd denken alle meisjes: most adorned, when unadorned. Dat verandert evenwel later, en dan begrijpen alle vrouwen, dat het een levenskwestie is, zich zoo schoon mogelijk te maken... En nu Anna, ga eens kijken of mijn ontbijt in de voorgalerij gereed gezet is. Zorg voor kalkoeneitjes. De heer Van Nes, mijn secretaris, zal ze komen keuren. Zorg voor de eer van de kombuis.”

Toen het meisje weg was, ging hij voort tot Laurentia:

„Over een paar dagen moet ik onzen beer aan John Pryce te Batavia betalen. Dat zijn 20.000 gulden, waarvan ik het eerste duizendtal niet eens bij elkander heb. Is mijn bestek omtrent die zaak van Lim Ho goed, och, dan zeilt die duitenkwestie koers; ja dan zal nog wel wat meer gelogd worden, en een sommetje overschieten. En dat kan te pas komen, nietwaar?”

„Maar, dat wegloopen van Dalima?....”

„Niet te vlug van stapel! Is het anker te water gegaan, zoo als zij verhaald heeft, dan.... Ja dan vrees ik, dat Lim Ho achter het net gevischt heeft. Maar.... dat zal hem nog meer zeil doen bijzetten.... En goed beschouwd, als wij het roer onwrikbaar houden, dan zal ons die zaak geen labberkoeltje zijn; want zoo’n Chinees heeft voor het bevredigen zijner hartstochten veel, zeer veel over. Laat mij nu het zeil naar den wind brassen, en zorgt gij alleen, dat gij mij de loef niet afsteekt.”

Het was zoo heel vroeg niet meer,—ongeveer half acht des avonds,—toen de uitgezonden oppasser den resident rapporteeren kwam, dat hij Ardjan op aanwijzing van Dalima gevonden had.

Toen de heer Van Gulpendam die mededeeling ontving, was hij pas van het diner opgestaan, en zat met ega en dochter in de voorgalerij der prachtige residents-woning de vrienden en bekenden af te wachten, die den na-avond van dien dag in den gezelligen kring van de gastvrije familie wenschten door te brengen. Ja, in den gezelligen kring van die gastvrije familie! Want in weerwil van de gebreken, welke de echtelieden aankleefden, verdienden zij die euphemistische waardeering ten volle. De zucht tot schitteren droeg, wel is waar, het hare daartoe bij, maar werd door le bon ton van mevrouw en mijnheer zoodanig getemperd, dat de gezelligheid eer bevorderd dan benadeeld werd.

Iedereen had evenwel op zulke avonden geen toegang tot het residentie-huis. Neen, de algemeene receptiën hadden slechts eenmaal des weeks en wel op Woensdag plaats. Dan werden de kleine ambtenaren, de subalterne officieren, de leden van den handelsstand, de planters, de vreemden, de onverschilligen in één woord, ontvangen. Dan troonde de resident, in zijn rok van lichtblauw laken met zilveren knoopen, en wit cachemiren pantalon gekleed, in al den luister, dien een residentelijk ambt aan een sterveling verleenen kan. Dan was de schoone Laurentia met al hare juweelen getooid, aan eene schitterende pauw gelijk. Maar, dan was ook tusschen de zuilen van die woning geen zweem van gezelligheid te vinden. Dan waren trotschheid, verwaandheid, laatdunkenheid en hooghartigheid aan den eenen kant, en deemoed en gedweeheid, soms vermengd met nauwelijks bedwongen spotzucht, aan den anderen, schering en inslag van het samenzijn.

Neen, de gewone avonden waren voor de intimes of voor de hooggeplaatsten, die door hunne traktementen of inkomsten den residents-troon nabij kwamen. Dan verschenen de Afdeelings-Kommandant, die minstens kolonel was, de President van den raad van Justitie, de Chef van den geneeskundigen dienst, de Voorzitter van den landraad, de Secretaris der residentie, de Vertegenwoordiger der Kompanie ketjiel (Handelmaatschappij), enz. Die kwamen dan zonder omstand, zonder bizondere plichtplegingen, koutten een oogenblik met mevrouw en met de lieve Anna, behandelden dan de nieuwtjes van den dag, waarna zij aan de speeltafeltjes plaats namen, om een ombertje te leggen. Gewoonlijk maakte mevrouw Van Gulpendam haar partijtje dan mede, en was in den regel niet de minst gelukkige, vooral wanneer in den naävond een fijntje tegen een gulden het fischje met een pot gespeeld werd. Het jonge meisje maakte dan van die speelzucht gebruik om, wanneer voor de behoorlijke bediening der spelenden gezorgd was, naar binnen te sluipen, aan de piano in de binnengalerij plaats te nemen, en daar het hartje op te halen aan de melodieën van Chopin, van Beethoven, van Mozart en van zooveel andere virtuozen, wier meesterstukken door het lieve kind met eene ware geestverrukking beoefend werden.

Zoo zou het heden avond ook geschieden, hoewel aan het pianospel een andere dienst zou opgedragen worden.

Toen toch de oppasser den resident het wedervaren van Ardjan tot in de kleinste bizonderheden medegedeeld had, ook dat hij den Javaan, die in ijlende koorts verkeerde, naar het hospitaal ter behandeling gebracht had, helderde het gelaat van den hoofd-ambtenaar op.

„Te drommel,” prevelde hij tusschen de tanden. „Die gekheid met die duivelsnetels kan den pipa van Lim Ho duur te staan komen.”

Met de meeste aandacht volgde mevrouw Van Gulpendam van verre de aandoeningen, die zich op het gelaat van haren echtgenoot weerkaatsten. Wat evenwel de goede luim van den resident ten top voerde, was dat de oppasser rapporteerde, dat zijne lieden, geholpen door het dèsavolk, eenige vaatjes en eenige blikken gevonden hadden, die onder dik struikgewas ingegraven waren, en waarschijnlijk opium bevatten.

„Wie hebben die vaatjes en blikken gevonden?” vroeg de resident.

„Wij allen, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die voor zijn heer met gekruiste knieën zat.

„Ook het dèsavolk?”

„Engèh (ja) Kandjeng toean.”

Dat antwoord stond den resident niet erg aan, dat was op zijn gelaat genoeg leesbaar.

„En waar hebt ge die vondst gelaten? Hebt ge haar hierheen meegebracht?” vroeg hij verder.

„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean! Ik heb die vaatjes en die blikken bij den assistent-resident van politie afgegeven.”

„Ezel!” bromde de resident tusschen de tanden.

„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die het epitheton niet begreep.

Het woord „engèh” ligt den Javaan in den mond bestorven, wanneer hij tot een Europeaan spreek. Het is het antwoord, wat hij ook geeft, wanneer hij het hem toegevoegde niet begrijpt. Het moet niet zoozeer opgenomen worden als de uitdrukking van eigen meening, als wel als een beleefd toegeven aan de meening van de boven hem gestelden. Van Gulpendam kende het Javaansche karakter te goed, om over het antwoord verbaasd te zijn.

„Ga naar den assistent-resident,” zei hij, en „zeg, dat ik hem verzoek dadelijk bij mij te komen.”

De oppasser schoof op zijn zitvlak eenige passen achteruit, stond toen op, en ijlde heen om den ontvangen last te volvoeren. Nauwelijks was hij weg, of een paar der verwachte gasten kwamen opdagen. Een oogenblik later was, na de gewone begroetingen, en plichtplegingen, het gesprek algemeen.

Anna maakte van die gelegenheid gebruik, om naar achteren te gaan. Dalima was terug, en zij was nieuwsgierig, hoe het met Ardjan was afgeloopen. Zij had wel eenige woorden van haren vader met den oppasser opgevangen; maar het rechte was haar toch ontsnapt.

Toen zij achter in de pandoppo kwam, vond zij het lieve Javaansche meisje daar gehurkt zitten, terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden.

„Wat is er gebeurd, Dalima?” vroeg Anna. „Kom vertel mij.”

„O Nana!... zij hebben mijn Ardjan zoo mishandeld!”

En daarop verhaalde het meisje in welken deerniswaardigen toestand zij den Javaan teruggevonden had.

„O, had ik maar eerder kunnen aankomen!” kreet zij.

„Maar, wie heeft hem zoo mishandeld?” vroeg Anna.

„Lim Ho,” antwoordde Dalima.

„Lim Ho? Hoe kwam die daar?”

„Dat weet ik niet; maar ik heb hem goed herkend, toen hij voorbij de djaga monjet de Moeara Tjatjing uitvoer.”

„Kunt ge u niet vergist hebben, Dalima?”

„Neen, Nana; ik zag hem de vuist ballen, toen hij voorbij voer. Ik ben zeker, dat hij teruggekeerd zou zijn, als hij maar gedurfd had. Ook sprak Ardjan eenige woorden, die mij zekerheid verschaften.”

„Maar, waarom heeft hij Ardjan zoo met de Kamadoog mishandeld?”

„Weet ik het? Waarschijnlijk omdat hij mijn verloofde is; misschien ook, omdat hij mij van de Kiem Ping Hin, ontvoerd en gered heeft. O, Nana, de arme Ardjan is waanzinnig. Hij spreekt slechts wartaal.”

„En waar is Ardjan nu?”

„In het hospitaal, waar de oppassers hem gebracht hebben, nadat zij bij den assistent-resident van politie geweest zijn.”

„Bij den assistent-resident? Wat moesten zij daar doen?”

„Daar hebben zij eenige vaatjes en ettelijke blikken met opium afgegeven,” antwoordde Dalima.

„Opium?” vroeg Anna verschrikt. „Waar hebben ze die gevonden?”

„In de nabijheid der hut, waar Ardjan gemarteld werd.”

„In de nabijheid der .... Dus te gelijk met hem gevonden?”

„Ja, Na!”

Het blanke meisje dacht een oogenblik na.

„Als dat maar niet noodlottig voor Ardjan zal zijn!” prevelde zij binnen’smonds.

En na een oogenblik het stilzwijgen bewaard te hebben, als om hare gedachten te verzamelen, vroeg zij:

„Waart ge alleen met Ardjan, toen gij met de djoekoeng het schip verliet?”

„Ja, Nana!”

„Was niets in die djoekoeng? Herinner je goed.”

„Neen, niets! Wat zou er in hebben kunnen zijn? Wij hebben ons langs eene „tali” (touw) er in laten zakken, terwijl de storm bulderde, en waren blij van het schip zoo spoedig mogelijk verwijderd te geraken.”

Nonna Anna dacht nog een oogenblik na. Daarna sprong zij op, liep naar hare kamer, die in de binnengalerij uitkwam, en was in een oogwenk weer terug met hare schrijfcassette in de hand. Zij zette zich neder bij een der lampen, die de pandoppo verlichtten, en schreef ijverig een briefje. Toen dat klaar was, zei ze tot de baboe:

„Gij wilt het welzijn van Ardjan, nietwaar, Dalima?”

„Zeker, Nana!”

„Breng dan dat briefje bij den heer Van Nerekool, ge weet wel?....”

„Ja, die in Gang Aboe, dicht bij de Roomsche kerk woont. Maar, dat is zoo ver. En het is reeds zoo laat.”

„Zeg dat Sodikromo, de tuinjongen met je meegaat. Neem een „sâdos” (dos-à-dos), dan is de boodschap spoedig volbracht. Spoedig, haast je!”

Een oogenblik later waren Dalima en Sodikromo in zoo een voertuig, om de boodschap der nonna uit te voeren.

Middelerwijl hadden mevrouw en de resident Van Gulpendam hunne gasten, die reeds aangekomen waren, met al de beleefdheid en minzaamheid, die zij ontwikkelen konden, ontvangen.

„Wel, dat is lief van u, kolonel, dat gij heden avond ons partijtje getrouw blijft,” sprak de schoone Laurentia tot een der nieuw aangekomenen, die hoewel niet in uniform gekleed, toch door zijne houding, maar wel het allermeest door zijn borstelig geknipt wit hoofdhaar en zijnen stekeligen grauwen knevel, den militair verried.

„Wel, mevrouw, waarom zou ik ons partijtje heden avond niet getrouw gebleven zijn?” was de vraag van den hoofdofficier.

„Van Gulpendam heeft mij verteld, dat er weer nare tijdingen van Atjeh zijn, en dat vele troepen uit deze militaire afdeeling derwaarts moeten vertrekken. Nu dacht ik, dat bezigheden u soms zouden verhinderd hebben, om...”

„Om mijn ombertje te leggen? Toch niet, mevrouw. Er zou al heel veel moeten gebeuren, dat mij er toe brengen zou, zoo’n lief gezelschap te leur te stellen. Neen, ik heb mijne bevelen gegeven, en voor de rest zorgt mijn chef van den staf.”

„En gij, overste,” wendde mevrouw zich tot een ander harer gasten. „Hadt gij het heden niet druk met die nare tijdingen. Er zal ook wel weer eene belangrijke ambulance meê moeten, nietwaar? Ik heb ten minste als gedelegeerde van het Roode Kruis van het Centraal Comité te Batavia in dien zin eene mededeeling ontvangen.”

„Och, neen, mevrouw, over drukte heb ik niet te klagen,” antwoordde deze, die chef van den geneeskundigen dienst te Santjoemeh was. „De voorzieningen voor de versterking naar Atjeh zijn allen getroffen, en heb ik daaraan mijne aandacht niet meer te wijden. Toch is het gevaar groot geweest, dat ik heden avond geen deel aan ons partijtje had kunnen nemen.”

„Ei zoo! Toch geen gevaarlijke zieke onder onze kennissen?” vroeg mevrouw Van Gulpendam deelnemend.

„Gelukkig, neen. Maar, terwijl ik aan het dineeren was, kwam mij de geneesheer van de wacht uit het hospitaal verwittigen, dat er een Inlander door politie-agenten binnen gebracht was, die ziekteverschijnselen vertoonde, welke hem uiterst vreemd voorkwamen, en waaromtrent zijne diagnostika hem in den steek liet.”

„Zijne... Wat liet hem in den steek?” vroeg mevrouw Van Gulpendam.

„Zijne diagnostika, mevrouw. Vergeef mij dat barbaarsche woord,” antwoordde de overste. „Maar dat is de leer van de herkenning der ziekten. Daar de lijder in het oog van den jeugdigen arts in extremis was, bleef mij niets anders over, dan met hem naar het hospitaal te gaan. Gij weet de toewijding van een geneesheer moet die eens priesters zijn.”

„Jawel, jawel; maar ga voort.”

„Ik kwam bij den lijder. En raadt eens wat het was? O, die jeugdige artsen van de hedendaagsche school! Die man had den mond vol van absente diaeresis; van aanwezige efflorescentia en formicatie, gepaard aan hemiantropie; maar zag niet, dat hij met eene eenvoudige maar toch flink toegepaste urticatie te doen had.”

„Met eene flink toegepaste wat?” vroeg de residentsvrouw.

„Urticatie, mevrouw, of zooals dat hier genoemd wordt: met eene flink toegepaste geeseling met karbouwbladeren.”

„Met karbouwbladeren?” vroeg de resident, die bij dat woord aandachtig werd. „Die worden immers in het Javaansch Kamadoog geheeten?”

„Juist, resident.”

„Nu, overste. Laat vieren je verhaal. Loop van stapel alsjeblieft. Een tienmijls vaart!”

„Wel. Die oolijke arts had mij wel kunnen thuis laten. Er viel niets anders te doen, dan wat de Javanen reeds voor den lijder gedaan hadden, namelijk de pijnlijkste plekken met sirihkalk in te smeeren, en de overige met versche klapperolie. De man lag in een hevige ijlende koorts; maar daarvoor had ik niet moeten geroepen zijn. Daarvoor heeft die arts zijne antifebrilia en zijne antidinika.”

„Hoelang duren de gevolgen van zoo’n urticatie, zoo als gij dat noemt, overste?” vroeg de resident.

„Ja, dat’s ongelijk, dat hangt er van af, hoelang de geeseling geduurd heeft. Het onderhavige sujet heeft er duchtig van langs gehad. Ik denk, dat de ijlende koorts nog wel twee maal vier en twintig uren zal duren. Daarna zal zij afnemen. Maar, het zal wel veertien dagen duren, alvorens die man weer op de been zal zijn.”

„Drommels, zoo lang?” vroeg Van Gulpendam.

„Ja, en dat nog wel in het gunstigste geval, resident.”

„En blijven geen nadeelige gevolgen later over?”

„Als de lijder de koorts goed doorstaat, neen.”

„Ook geen litteekenen, geen huidverkleuring?”

„Neen, resident.”

„Zoodat later na genezing, de mishandeling niet te constateeren is?”

„Neen, volstrekt niet.... Maar, resident, die vragen.... Stelt gij belang in den lijder?”

„Neen, hoe zou ik dat kunnen? Ik ken hem niet eens. Ik weet van het geval niet eens af; maar ik heb wel eens van die eigenaardige Hoekoem Kamadoog gehoord en was begeerig iets van hare gevolgen te vernemen.”

Andere gasten verschenen, waardoor dat gesprek afgebroken werd. Na de gewone plichtplegingen werd vier en vier plaats aan de speeltafeltjes genomen, terwijl de lieve Anna zich met de thee onledig hield. Maar nog waren de omberpartijtjes niet begonnen, toen de assistent-resident van politie verscheen. Na zijne eerbiedige hulde aan de dames des huizes gebracht, en met de aanwezigen een handdruk gewisseld te hebben, sprak hij tot den huisheer:

„Vergeef mij, resident, dat ik u stoor; maar ik kreeg de boodschap dadelijk bij u te komen.”

„Juist, mijnheer Meidema,” antwoordde de heer Van Gulpendam opstaande, en tot zijne partners: „Heeren,” zei hij, „gij zult een oogenblik met u drieën moeten spelen.... Kom, Meidema.”

De twee ambtenaren traden een zijvertrek in van de binnengalerij.

„Mijnheer Meidema,” begon de resident dadelijk, nadat hij de deur van het vertrek zorgvuldig gesloten had. „Er is heden eene belangrijke opium-aanhaling gedaan, nietwaar?”

„Ja, resident. Er zijn bij mij afgegeven drie botervaatjes en vijftien blikken. In de botervaatjes is de opium verpakt evenals boter, d. w. z. er is een vaatje van tien kilo in een ander geplaatst, en met grof zout omgeven. De blikken bevatten ieder vijf kilo ongeveer. Zoodat de aanhaling nagenoeg anderhalve pikol bedraagt.”

„Zoo, nog al aardig,” meende de resident.

„Die ongeveer negen duizend gulden waard is,” vulde Meidema aan.

„He! he! mijnheer Meidema. De regeering verstrekt de ruwe opium tegen dertig gulden het katie aan de pachters. Derhalve 150 × 30 is volgens mij nog maar vier duizend vijf honderd gulden. Is ’t niet?”

„Ja, resident, U hebt gelijk. Maar de aanhaling betreft geen ruwe opium, maar tjandoe. En gij weet wel, dat van een katie opium slechts 15⁄32 tjandoe na zuivering gewonnen wordt.”

„Zoo?” sprak de heer Van Gulpendam met een doordringenden blik op den assistent-resident. „Maar is het wel opium?”

„Het is beter dan dat,” antwoordde deze zonder den wenk te begrijpen. „Het is tjandoe, zooals ik zei. Zie, hier heb ik een monster. Het is zuiver Bengaalsch product.”

„Zouden we dat monster niet eens in handen van een scheikundige stellen?”

„Zoo als ge wilt, resident. Maar, mij dunkt, dat het geheel overbodig is. Het is tjandoe, die op zijn minst vijf en twintig à dertig percent morphium [35] bevat.”

„Zoo!.... Ik meen maar.... Enfin, gij moet het weten. De smokkelwaar is u in handen gesteld.... Gij kent de herkomst van die vaatjes en blikken, nietwaar?”

„Ja, resident. Uw „kapala oppas” (hoofd der oppassers) heeft mij gerapporteerd, dat die opium afkomstig is van de Kiem Ping Hin, en gij weet wie....”

„Van de Kiem Ping Hin?.... Hoe komt gij er aan?”

„Hoe ik er aan kom, resident? Wel, ik zeide het u reeds. Van uw kapala oppas.”

„Oppas! Oppas!!” riep de heer Van Gulpendam met uitgezette stem.

Als een stormwind kwam zoo’n gedienstige geest aangevlogen.

„Is dat de man, die bij u geweest is?” vroeg de hoofdambtenaar aan den assistent-resident.

„Ja, resident.”

„Oppas,” sprak de heer Van Gulpendam, terwijl hij den Javaanschen bediende met strakken blik aankeek, „die opium, die gij bij den toean assistent bracht, is immers bij Ardjan gevonden?”

„Engèh, Kandjèng toean!” antwoordde de oppasser; „tapèh (maar)....”

„Niets van tapèh! Eenvoudig, ja of neen!” hernam de resident op strengen toon.

„Engèh Kandjèng toean!”

„Hoort gij het, mijnheer Meidema?”

„Ja, resident, ik hoor het,” antwoordde deze met strak gelaat.

„Gij zult dus dienovereenkomstig de verbalen laten opmaken.”

„Maar, resident....”

„Geen maren, mijnheer.. Ge hebt slechts stipt uwen plicht te vervullen.”

„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?”

„Dank u.”

Een oogenblik later waren de twee omberpartijtjes in vollen gang, en hief de schoone Laurentia een juichkreet aan. Zij had vier matadors zesde schoppen, met groot mariage klaveren en harten zeven in de hand.

„Vole déclarée, schoppen!” riep zij.

„Begint ze nu al met hare rafelbuien!” bromde haar echtgenoot, die aan het andere tafeltje zat. „Dat’s vroeg.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

V. IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ

Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed juist een ander voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die toegang tot de voorgalerij verleenden, waarin de spelers gezeten waren.

Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig, fijngevoelig, beschaafd meisje, als Anna van Gulpendam was, een briefje aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman zoo dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet vergeten worden, dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef, geheel aan den aandrang van baboe Dalima gehoorzaamde, en om redding aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar hart gehoor gaf, zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten kon worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden wel geen liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking jegens elkander ontstaan was, geboren uit overeenkomstige gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne wederzijdsche aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen stempel, wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat waren, elkander van berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene genegenheid bestond tusschen hen, dat viel niet te miskennen. Maar voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen van hunnen stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid een meer teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat wellicht ontsluieren.

„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid vernemen?”

„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde de resident tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo aanminnig mogelijk antwoordde:

„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen. Waarlijk, gij verwent ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.”

„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam de pas aangekomene, „maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op zijn minst genomen, ik zou het haast noemen, fâcheux troisième.”

Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie hij zocht. Zich tot de heeren wendende:

„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u, kolonel, en u, overste, evenmin. Gij allen zijt de gezondheid gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met het partijtje? Wel, heer secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere tafeltje.

„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.”

„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een oogenblik te laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld en gewonnen!”

„Een vole, mevrouw?”

„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de schoppen, groot mariage klaveren en harten zeven.”

„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?”

„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen waren de troeven er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen door met twee troeven...”

„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had klaverenboer derde en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw, boer, aas, enz., enz., dat viel achter elkander. Op die troeven speelde mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens troef. Ja, ik had de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog niet gevallen. En.... waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en....”

„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?” brak eene lieftallige stem, die omberverhandeling af.

De aangesprokene keerde zich met drift om.

„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend. „Maar, waartoe dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken Devonshire-roos, zoo lieftallig, zoo....”

„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een schalkschen glimlach zweefde bij die komplimentjes.

„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?”

„Neen, de kokkie deed dat.”

„En de thee?”

„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.”

„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?”

„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger mannetjes-boonen gezet,” riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe.

„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten van uwe kokkie, mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee prefereeren. Dat heeft nog zoo iets vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik u bidden mag, een kop thee.”

„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje.

„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?”

„Dat gij straks de fleurs d’oranger, gij weet wel die keurige quatre-mains van Ludovic met mij speelt...”

Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht.

„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat baat u ziet zooveel niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met den rose nagel van haar allerliefst gevormd duimpje een knappend geluid tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes veroorzaakte en een spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „les fleurs d’oranger! of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de voorwaarde, die onmiddellijk de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar, kolonel?”

„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, die geen woord van de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van een gewaagden sans-prendre, dien hij ondernomen had.

„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den oorlog durven verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden, speel ik den geheelen avond les fleurs d’oranger. Kom, dadelijk!”

„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,” spotte het meisje. „Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht overal en in alles steeds hetzelfde als in hun gerechtszaal, waar zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld, of slechts afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?”

„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.... zoudt gij mij toestaan hier achter de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama te ontvangen?”

„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen, vervolgens voor de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van Beethoven spelen....”

„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus 36, verzoeken?”

„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken glimlach. „Nu goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas op, dan de fleurs d’oranger! En,.... ga nu maar les nemen in het omberen.”

Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar fijn en gesloten spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam en bedrijvig heen en weer trippelde, om toe te zien, dat de bedienden stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd lieten.

Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en aandachtig in hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de uitstraling der prachtige en overdadige gaslampen, die de galerij met een zee van licht overstroomden, heerlijk af. Karel van Nerekool was een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden in de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie te Santjoemeh geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van Batavia aankwam. Hij was een rijzig man, met blonde haren, die hij uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden gelaat, waarvan de Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht gevulden knevel ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was iets blonder dan het hoofdhaar, ja mocht op eene zekere mate van vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet misstond. Zijne beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten volle verdiende. In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij was een rechtsgeleerde in de zuivere beteekenis van het woord. Een geleerde, een beoefenaar van het recht! Noch de studie der Pandecten, noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis in een woord, noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van het Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de casuïstiek eenige aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet om daaruit casus positiones of juridische subtiliteiten te smeden; neen, dan diende zij hem in tegendeel als gewetens-dialektiek, die hem voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht door zee, eerlijk als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen op hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke door een soort van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij daarbij steeds den stempel van man van opvoeding en beschaving bleef bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar het geringste te omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik in de verdorvenheid der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan. Stipte rechtvaardigheidsbeginselen, rondborstigheid van uitdrukking, gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen faktoren om in de tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld vooruit te komen!

Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als rechterlijk ambtenaar uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan hem en had dat dikwijls aan zijn chef, den voorzitter van den raad van Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde, te kennen gegeven.

„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool is nog een jeugdig borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben [36], zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd zijn. Wie onzer had, bij het begin zijner loopbaan in zijne jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als hij?”

De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch voelde zijn geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische denkbeelden gekoesterd te hebben, althans met zoodanige, als waarmede de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was.

De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te turen.

„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter mij zijt komen zitten, heb ik geen spel meer in handen gekregen. Ga aan ginds tafeltje bij den resident eens kijken.”

„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!”

Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs.

Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de woorden van den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de stem van de dochter des huizes weerklonk:

„En mijn fleurs d’oranger, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom, het is tijd.”

„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog niets gehoord!”

„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij omslaan.”

„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij de twee jongelieden even natuurde, maar terstond weer naar haar spel keek. „Kijk, daar hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap heel andere kaarten op.”

„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van Gulpendam van zijn kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch hier doen?”

„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel.

„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen zin.”

„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad van Justitie, „en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen niet ver.”

„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een afdoenden toon in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit aan de voorhand, welnu: sans prendre. Harten!”

De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet zoodra waren zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool begon:

„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik dadelijk gekomen.”

„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje. En hardop vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.”

En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de sierlijk gesneden étagère, die naast de piano stond, haalden en bekeken, fluisterde het jonge meisje:

„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd... Stil! onderbreek mij niet, anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier Lim Ho. Zij werd echter bevrijd door Ardjan, haren aanstaande. Die is evenwel op last van den Chinees vreeselijk met karbouwen-bladeren gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal...”

„Zie, hier heb ik de fleurs d’oranger, juffrouw Anna,” sprak van Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel had hooren opstaan, overluid.

„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O, hier heb ik ze! Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op de piano, als ik u bidden mag.”

„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach.

„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal kunnen spelen en tevens mijn verhaal voortzetten.”

Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de bladen om te slaan.

„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den prachtigen aanvang aansloeg van dat in alle zijne deelen op groote schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk, „dat Ardjan in het hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat briefje te schrijven.”

„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.”

„Luister aandachtig.”

En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste gewaarwordingen des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling lieten komen; terwijl zij al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen der jeugd, in den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen kunnen, tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen des toondichters, doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die den zonneschijn van zijn gemoed bedreigden, heerlijk lieten uitkomen, vertelde het lieve kind de ontvoering en de redding van Dalima, in welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden was; maar ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium ontdekt werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was.

Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en zich geen enkelen keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo aandachtig toe, dat geen woord hem ontsnapte. Bij de laatste woorden betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas zeer goed opmerkte, vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin een verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die van alle kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste blijdschap op te wekken, tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers, in de voorgalerij, die onder den invloed van het kunstvaardige spel een oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne toejuichingen liet hooren.

„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool, terwijl de bravo’s voor nog weerklonken, fluisterend.

„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op gedempten toon.

„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?”

„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van dien aard.”

„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?”

„Dat wist Dalima niet... En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu de fleurs d’oranger!”

„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal worden, die opium aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe bestaat niet de minste aanleiding; tenzij....”

„Sjtt.... straks!”

En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne sprankelende noten, die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in ware trossen, in ware bouquetten van melodiën naar buiten ruischten, en zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg van levenslustige opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge meisje de laatste vraag van Van Nerekool:

„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en....”

Het lieve kind aarzelde.

„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles mededeelen.”

„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.”

„Een weinig geluisterd?”

Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare oortjes.

„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa den oppasser hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon de gedachte niet van mij zetten, dat dit in verband stond met Ardjan. Toen de assistent-resident kwam, sloop ik dan ook achter het schutsel, hetwelk de deur maskeert, en....”

„Nu, en...? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,”

„En, toen heb ik alles gehoord....!”

„Alles, wat?”

„Wat zij verteld hebben....”

„Ja, maar, wat hebben zij verteld?”

„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.”

„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?”

„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen....”

„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag u dat af.”

„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.”

„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat doen, als ik de toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er geen schijn van gevaar, dat Ardjan van smokkelarij beschuldigd zal worden. Wees openhartig met mij.”

„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het is zoo moeielijk.”

„Waarin bestaat die moeielijkheid?”

„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar... komaan... gij hebt gelijk. Ik zal openhartig zijn en u alles vertellen.”

En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide ambtenaren gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte waarde van de opiumpartij, noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema bekend gesteld, noch het verhoor van den kapala oppas. Toen zij mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood hare wangen en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den gemoedstoestand van de lieve maagd, die zich voor de daden van haren vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte dat gesprek ter wille van het meisje te bekorten.

„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had, waarvan die opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat schip genoemd?”

„Ja, ik geloof de Hing Kim Lin of de Lim King Him of zoo iets dergelijks.”

„Kan het ook de Kiem Ping Hin zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar met nadruk. „Bedenk u wel.”

„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.”

Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht aan zijne lippen ontgleed.

„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij.

„Weet gij wien de Kiem Ping Hin toebehoort?”

„Neen.”

„Aan Lim Ho!”

„Aan Lim Ho?.... den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij de handen voor het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen.

„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg.

Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare ouders, waarbij zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van schaamte ontsprongen hare oogleden, droppelden tusschen hare vingeren door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl zij angstig prevelde:

„Ach God! Ach God!”

„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen, „laat de hoop niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat in mijn vermogen is, om den onschuldige te redden. Dat beloof ik u.”

„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle beweging hare oogen met haren zakdoek afdroogde.... „Maar mijn vader?”....

„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.”

„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die zaak gecompromitteerd worden?”

„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij ongemoeid blijft. Wees gerust.”

„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn ontroering te verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.”

„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap nemen.”

Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de ombreurs. Die waren evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige oogenblikken later het kaartspel geëindigd was.

„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel, terwijl hij met bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde.

Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam vertrokken, en stond de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na te turen.

„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets te zeggen) klonk eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar.

Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten.

„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen.

„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.”

„Vergist, waarmede?”

„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij Ardjan gevonden was.”

„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft in te trekken, dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran” (gevangenis) stoppen! Begrepen?!!”

„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en onbegrijpelijk strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan zijn voorhoofd brengende, de „sembah” (groet) eerbiedig volbracht.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

VI. EEN ECHTPAAR

Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen zouden zij hem veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en daardoor nog zoo onervaren in de doolhoven van ongerechtigheden, die in Nederlandsch-Indië door de rechterlijke zoowel als door de administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking komen met zaken, welke het opiummonopolie gelden.

Eenige weken na zijn onderhoud met Anna van Gulpendam, vernam hij van haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de gevangenis overgebracht was. Hij won toen inlichtingen in bij den rechtsgeleerden voorzitter van den landraad [37] te Santjoemeh, die hem mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd was, en dat nog wel van eene vrij belangrijke partij.

„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid voor,” vervolgde Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de strekking niet begrijp.”

„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool.

„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij mij mededeeling doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt, dat de aanhangige overtredingszaken door den landraad zouden worden afgedaan.”

„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch reglement, en met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke organisatie.”

„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat lijstje komt de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?”

„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben overtuigd, dat die Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de preventieve gevangenis zoodanig, dat wanneer eene vrijstelling volgt, de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening kan uitroepen: „hij heeft in allen gevalle voor mijn pleizier zoo vele maanden gezeten.”” [38]

Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met doordringenden blik aan.

„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere meening voor.”

„En die is?”

„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid heb gevraagd?”

„Ja. Maar, wat zou dat?”

„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te berechten zijn, zou de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst over zes of acht weken ongeveer aan de beurt zijn.”

„Welnu?”

„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.”

„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een ander rechterlijk ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den landraad te presideeren.”

Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn.

„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het reizen niet vlug. Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr. Nellens van Makassar, dan gaan er minstens twee maanden voorbij, alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is. En inmiddels....”

„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de afdoening der landraadzaken belasten.”

„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat krachtens de eerste alinea van artikel 93 van het reglement op de rechterlijke organisatie en het beleid der Justitie in Ned.-Indië, de resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter van den landraad kan optreden.”

„Welnu?”

„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik weg zal zijn, berecht de resident de zaak Ardjan.”

„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?”

„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef [39], dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de grootste opiumsmokkelaars zijn, stelselmatig omgekocht worden, en dat zoodoende het gezag der uitvoerders van het gezag der regeering ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken dan gij, en als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van Ardjan te verdagen, dan kan ik de gedachte niet van mij zetten, dat hier eene poging aanwezig is, om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te onttrekken.” [40]

„Maar, dat is afschuwelijk!”

„Zeker is het dat.”

„En wat hebt gij gedaan?”

„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die zaak te verdagen. Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien dagen voor komen.”

Dat zou zij niet.

Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke ambtenaren plaats vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het onverwachts een bezoek.

Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in den namiddag; twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op bezoeken gesteld is.

Als populair man had de resident tegen half elf de „Sociëteit” bezocht, en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had, dat, al had hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel een bal in de milieu snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had. Hij was zoo omstreeks half één te huis gekomen, had met smaak gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den dag des Heeren verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan snoepen. Hij had reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand, toen de kapala oppas hem naderde, zich op den grond liet glijden, den „sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde, dat babah Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht.

„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de opiumpachter) vroeg hij.

„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser.

„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond) luidde het bevel.

„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?”

„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja...”

En een anderen oppasser wenkende:

„Bowah bekakas pajoeng di sini,” (breng de pajoengstandaard hier) beval hij.

De schoone Laurentia trok de schouders op:

„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en kabaai, en de gouden pajoeng naast hem!”

„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De wind is aan het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.”

„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren innemendsten glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!”

„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den beer aan John Pryce...”

Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen influisteren, dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te spreken. ’Mbok Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en nagenoeg even oud als deze, maar had nog andere koorden op haren boog dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw. Behalve doekoen, was zij o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen).

„Die komt te pas en ook te onpas,” prevelde mevrouw Van Gulpendam met een zweem van teleurstelling, „maar wat er aan te doen?”

Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te hebben de oude vrouw derwaarts te brengen.

Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het Javaansche wijf. Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde een glimlach op de lippen van den babah. Voor ieder ander dan voor ’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke op het gele gelaat van iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid van machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach evenwel eene tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den bediende, trad zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja, terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel zat te wiegelen, waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen omgaf [41].

„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar een stoel gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag naar herwaarts?”

De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met een knipoogje: „Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den Kandjeng toean te vernemen.”

„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen doen.”

„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het lichaam en de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder een goede plaats vindt...”

„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident glimlachend.

„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het residentiehuis insloop.”

Van Gulpendam spitste de ooren.

„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?”

„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.”

„Nu, laat hooren, babah.”

Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische vertaling dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied zijn. Bij tijds bedacht hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch niet zou begrijpen.

Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de partij opium bij de djaga monjet in de Moeara Tjatjing, en trachtte den resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen daar gecalangeerd was, geen opium was.

„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam.

„Niets anders dan „pretto” [42] vermengd met verschillende „gettahs” (verdikt plantensap).”

„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan bestaat er geen overtreding.”

„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium is.”

„Drommels!”

„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet wetende, van waar of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben verklaard, dat het is uitmuntende tjandoe, „roepanja bahoenja dan rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter dan die door het Gouvernement aan de pachters verstrekt...”

„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam verbaasd.

„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster in handen gesteld van den apotheker.”

„En wat heeft die beslist?”

„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat het tjandoe is met een gehalte van 32 percent morphine.”

„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de zaak haren loop hebben.”

„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde....”

„Neen, babah, neen,...” sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij aan iets anders dacht. „Neen, er is niets aan te doen.”

„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de stereotype glimlach van zijn gelaat niet week.

En met een soort tact het onderwerp van het gesprek wijzigende, bleef hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep:

„Gisteren kwam de Wijberton van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren gekregen. Er is een kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die zijn zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens bezichtigen?”

De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die wat vorm betrof, snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak een borduurwerkje vertoonde, hetwelk een lief frisch bouquet rozen voorstelde.

De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf onberispelijk fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde dan ook door den heerlijken geur, die zich verspreidde, dat daar uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen was. En gedurende het gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest. Blijkbaar waren zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den Chinees weer over met de woorden:

„Zeer fraai, inderdaad.”

„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?”

„Wat, gij wilt?....”

„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene heerlijke sigaar rooken, dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot genoegen met dat luttele geschenk van mij aan te nemen.”

Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet de resident geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje vallen, dat naast hem stond, en vervolgde, als ware er niets gebeurd, het gesprek van straks:

„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den oever?”

„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.”

„Kunt gij die vertrouwen?”

„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de Chinees met een valschen glimlach.

„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan gevonden werd?”

„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.”

„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen is, nietwaar?”

„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.”

„Dan weet ik genoeg, babah.”

De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te verwijderen. De resident wenkte hem om nog te blijven zitten.

„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos.

„Van welke?”

„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.”

„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,” betuigde de Chinees.

„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal opgemaakt, dat zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees....”

„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean. Is er geen middel, om dat met dien toean dokter te schikken?”

„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan....”

„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u....”

„Ik zal zien.... Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt zwaar, zeer zwaar gestraft!”

De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den zak, en haalde een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te voorschijn.

„Ik ontving ook met de Wijberton een stel prachtig zilverwerk uit Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van Kempen in Den Haag het zoo kunnen?”

„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident bewonderend.

„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar Europa verzonden, en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng toean.”

De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens den blik er in vallen.

„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die soort thee zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan” (leverancier).”

„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te nemen?”

„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk genoegen.”

Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet in den stijgbeugel te hebben.

„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal....”

„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat ik doen kan.”

De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was. Plotseling bedacht hij zich:

„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd heeft?”

„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.”

„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de kaars vliegen.”

De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord.

„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident achteloos. „Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.”

Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en reikte hem ongedwongen de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik kwam Anna’s lieveling-hond, een fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en sprong kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot van den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van den babah.

„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog Edele Heer) betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de lippen, terwijl hij hartelijk den hondenpoot schudde.

Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „O! sama djoega, Kandjeng toean” [43] van den Chinees begreep? Toen hij zich alleen in de pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen blik, en schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas van verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van duizend gulden gewikkeld, echter zoo, dat de punteinden der sigaren onbekleed waren gebleven, en dus bij het openen van den sigarenkoker van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in de theedoos, en stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende, borg hij de kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar zijn kantoor, waar hij den bekenden brief over de regeling der volgorde van de gedingen aan den voorzitter van den landraad van Santjoemeh schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne ega in de binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam.

„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in het oor.

Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede.

„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde, door haren arm om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen aan te kijken.

In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los te laten, de deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar verlevendigde nog meer, als het kon, de nieuwsgierigheid van haren blik. Met een bevallige beweging sloot zij zich nog inniger tegen hem aan, en drukte hem een kus op de lippen.

Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den sigarenkoker en het theedoosje daarop leeg, en liet de schoone Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren, waaromtrent zich niet te vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige oppervlakten te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden vertegenwoordigde.

Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone vrouw. Maar, dat was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die zag haar integendeel met verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel, de bankbiljetten, die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg verkreukeld waren, gladstrijken en om hare vingeren winden.

„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig sommetje!.... Waarlijk, het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij wat ik heb....”

„Wat gij hebt?”

„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.”

„Maar, wat dan toch?.... Vertel....”

„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat....”

Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag, naast eene kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn geweest. Toen zij de pisangbladeren, dien de boengkoesan omsloten, opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje van gemeen aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer vies uitzag, ontwaard werd.

„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen lepeltje eene hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene hazelnoot schepte, en hem dat voor den mond hield, alsof zij hem voeren wilde. „Eerst dat, Gulpie!”

Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker. Zijn gelaat gaf walging te kennen.

„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.”

„O, dat is een geheel nieuwe „obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,” „oendoek”, „oerat minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet” [44]met „daoen gettal” [45], tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.”

„En wil je me dat laten slikken?”

„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig schitterende oogen, terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor den mond hield, en met de andere den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens ondervinden, welke heerlijke uitwerking.... Toe.... kom, slik! daarna zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als gij... Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig....”

Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of wel de toezegging van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten? Genoeg zij het, dat hij de oogen sloot, den mond opende; terwijl zij hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en den vaal groenachtigen inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde, zoo een gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende beweging volvoerde.

„Slikken!... Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem zachtkens met de mollige vlakke hand op den rug. „Slikken!... Toe, slikken!... Zoo!... zoo is het goed! En nu aflikken! Toe, het goedje is te kostbaar!”

En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje van het vieze goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te likken en in te zwelgen, totdat hij eindelijk daarmeê klaar was.

„En nu het verhaal?” vroeg hij.

„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je alles vertellen.”

Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare nabijheid op den divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats, en sloeg de beenen kruiselings onder haar lijf, waarbij de bovenopening der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om een blik te gunnen aan een boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en nog wel geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te zetten.

En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim medegedeeld had, dat Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe Dalima en,—alsof zij dat niet reeds wist, voegde zij er met een vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor over had, om het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten, dat hij toen zijn doel niet bereikt had.

Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen, de schoone Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd behoorlijk waar, en wist de noodige nuanceering aan te brengen, hier en daar van eenige schuchtere terughouding te doen blijken, dan weer eene vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke, ja het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot van het verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken Chinees tegenover de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een vuurwerkbouquet eindigde, op het verbeide oogenblik plaats had.

Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk gekleurde verhaal had hem geboeid. Maar,... was ’t het mixtum compositum, hetwelk hij geslikt had, dat begon te werken? Of was het de fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening der schoone Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of waren andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken op haar kompas. Bij haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in hetgeen zij uitsprak; wel meestal in hetgeen zij behendig weerhield, in hetgeen zij met een schier niet waar te nemen gebaar te kennen gaf, in het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van eene pruilende beweging der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die dien der engelen in naïeviteit kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten of aan den invloed van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd en hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij het te weten, dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te hebben, zichtbaar onrustig werd; dat hij zachtkens naar zijne levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk genaderd was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam, leunde met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare weelderige donkere krullen, snoof met kracht en met wellust den bloemengeur, waarmede zij doortrokken waren, daaruit op, en sloeg zijn arm om de aanvallige leest, die hem als het ware daartoe uitnoodigde. In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden:

„’Mbok Karjå,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor haren beschermeling, voor den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft mij verzocht te pogen Dalima gunstig voor haren aanbidder te stemmen. Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik zou maken, heeft zij mij dit aangeboden.”

En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit een fraai bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van edelgesteente tot sluitstuk had.

„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden waard.” Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De prachtig roode koralen, met haren rooskleurigen weerschijn, deden inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in hare bedwelmende vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het briljante sluitstuk tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja daalde, waar het zijne naaste omgeving met zijne schitterende lichtstralen overtoog.

Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte het middel zijner echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde haar onstuimig aan de borst, overdekte hare wangen, haar voorhoofd, hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding met kussen, met brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit:

„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!”

„De obat!... De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met hare schoone oogen diep in de zijne staarde, en hem als het ware verslond. „Zie je wel! De obat!... Ditmaal heeft ’Mbok Karjå, zich zelve overtroffen!... Zie je wel, Gulpie!... Zie je wel...”

„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!... Ik voel het. Ik steven met volle zeilen! Klaar bij het anker!... Betoel, betoel! (inderdaad) Hari ontong!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

VII. EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT

Op een twaalftal palen [46] afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh, lag in een schilderachtig, heuvelachtig terrein, hetwelk veelvuldige, maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood, de dèsa Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een breeden smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke van eene nabij gelegen hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen vormden, die zich, onder den invloed der zachte bries, als van grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde.

Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want zij zelve lag verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de heerlijkste „manga’s,” de lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste „assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de geurigste „djeroek’s” en de meest verfrisschende „djamboe’s” [47] en nog zooveel andere gaven van de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd waren. Hier en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de ruimten tusschen de hutten en de boomen en vervulden de „katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” de „poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra kombala” [48] en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare liefelijke geuren, of streelden het oog met hare schitterende, maar aangename verscheidenheid van kleuren.

De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen, van die dikke en lange bamboe-betong- [49] soort, die zoo kostbaar bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar als afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die als het ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht der loofpluim, welke zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo een heerlijk beschaduwd terrein leveren.

Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest schilderachtige wanorde in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de eigenlijke kom der gemeente. De bewoners hielden zich voornamelijk bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend leenden, en vruchtbare „sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs langs die heuvelhellingen vormden. In het lagere gedeelte dier gronden, werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,” „djampal’s”, „batak’s” „gaboes” [50] en meer anderen vischsoorten opleverden, die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer gewild waren, en derhalve goede prijzen opbrachten. De bewoners van Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen zijn, richtte een hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht was de opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar ook de gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het verderfelijke heulsap hadden overgegeven. Helaas, het moest erkend worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren. En toch velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen enkele bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans!

Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in zijne jeugd uitgeweken was, om elders een bestaan te vinden, te Kaligaweh teruggekeerd was.

Met dien man, die Singomengolo heette, maar in de wandeling Singo genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger zoo gelukkige dèsa losgebroken.

Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. [51] Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik te maken, door hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te wijden, was het die zielenverkoopers gelukt van een dommelend oogenblik misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te laten verbinden. Het handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig mogelijk in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten afhandig te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat.

Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel geen onwaardig figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij een controleur van het binnenlandsch bestuur in een der binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een zeker talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam van zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok hij de aandacht van den gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem eene aanstelling als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van gewestelijk bestuur te Santjoemeh te bezorgen. In die betrekking legde hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den dag, dat hij niet alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij andere voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing weldra in blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook bij voorkeur in die gevallen, waarin zijne sluwste acolijten te kort schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, door bij die personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg stonden, steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer heulsap gezien.

In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht van geld, dat het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh met een tiental vermeerderd werd. [52] Onder de rampzalige dèsa’s, die door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd werden, behoorde ook Kaligaweh. Maar... tusschen het oprichten van zoo’n opiumhol en dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene wijde kloof, die noodzakelijk aangevuld moest worden. Althans zoo begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo smerig mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel prijkte boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met duidelijke witte letters: opiumverkoopplaats te lezen stond, welk Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch, met de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden de twee Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met hunne innemendste glimlachjes, waarbij hunne gelaatstrekken met de schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid daarstelden; maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken zelfs van een eerste bezoek.

Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk was. Het was toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was, maar het geheele onderdistrict, waartoe die dèsa behoorde, in vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. Ook het gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de flinke gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de bevallige ronding van heupen en schouders bij de vrouwen, hare welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam baan brak door de lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders aangetroffen werden. Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen opiumpachter niet ontging, waren de rijke rijstvelden, die het geheele district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s met haar donkergroen loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van zacht getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de frissche halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid bijzetten; of die dèsa’s als in goud omklonken hielden, wanneer de gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, in den oogsttijd het zware hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje golfden, en met hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog treffender maakte.

In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook naderde, steeds getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel bij de diepgrondbewerking van de velden als bij het onderhoud en het doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s” (dijkjes) [53]. De gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die scherp afstak bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken gesleten werd.

Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart wegens het voorbeeld een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was; maar met het hebzuchtig karakter zijnen landaard eigen, wenschte hij zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige bewoners toe te eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon” (opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest anders worden!

Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd [54]—keerde de bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen van den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani (snoeimesjes) gehanteerd hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te snijden, en de mannen vlijtig bezig geweest waren met het overnemen der „potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die tot „gedeng’s” (grootere bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid te lezen; want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen) hadden het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols product konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de helpers rijkelijk mocht genoemd worden. Dat was reeds eene verklaarbare reden van vreugde en opgewondenheid, welke dien voor de Javanen zoo feestvollen dag kenmerkte.

„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt nationale feestdag voor de landbouwende bevolking van het schoone Java, een dag van vreugde, van meerder beteekenis voor die primitieve gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen. Het is dan voor haar eene ware kermis. [55] In bonte massa’s komen de vrouwen en de meisjes op het veld; menig hart begint daar voor het eerst van minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand, menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte graanvelden leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel minnespel. En.... valt het niet te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat; wordt ook al een offer op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet verzwegen worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den „panghoeloe” (priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat de gevolgen nimmer tot zoo huiveringwekkende misdaden voert, als in meer verfijnde maatschappijen voorvallen.

Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde, klonken haar de opwekkende tonen van de „gamelan” [56] tegen. Men keek elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had.

Maar op de „aloon aloon” [57] aangekomen, zag men daar onder de prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche vlaggen getooid waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten was. In de andere evenwel waren op den achtergrond de muzikanten met gekruiste beenen op den grond bij hunne instrumenten gezeten, en deden hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond der loods was ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het gezicht daarvan onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij op meer genot dan op een eenvoudig concert vergast zouden worden.

Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar Kaligaweh afgevaardigd was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen een der bamboestijlen, die het dak der loods torsten, geleund, en knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het meerendeel tot zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet verwelkomden.

De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten dienen, de rijstbossen zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de „toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke hoofdbedekking gediend hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; en weldra vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte stoeiend en dartelend op het mollige grastapeet neder.

Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele sterren flonkerden hoog boven in de donkerblauwe lucht met zachten glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol boven den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der Wariengiens door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte wierp. Rondom de loofkruinen beschreven ontelbare „kamprits” een doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en stieten daarbij hunnen scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven ettelijke „kalongs” [58] al krijschende in geheimzinnige kringen rondvlogen, als zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks in dien rijk voorzienen gaard zouden neervallen.

Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken, en daar weerklonk de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met hare welluidende tonen.

„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers.

En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon het best met eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de instrumenten, waaruit het Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en oorverdoovend klonken soms de bekkens, maar gingen bij wijlen in solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar waren de muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller aandacht te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die onder de jolige menigte heerschte.

Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de bekkens zwegen, een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking der toehoorders moest beduiden en voor handgeklap, bij Oosterlingen ongebruikelijk, moest gelden.

Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide Chineezen, houders der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s” (sigaren in bladeren gewikkeld) aan, terwijl bij de vrouwelijke voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk en gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden eenige „warong’s” (kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren snoeplust kon voldoen. Een daverend gejuich ging op, toen de belusten van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen kosteloos te verkrijgen waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had, die zoo zijn terugkeer in zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des milden gevers hand werd allerwege hartelijk gedrukt. De verlokker verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s gerold waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de „sedap malam” [59] gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere lekkernijen. Een ieder liet zich de versnaperingen goed smaken, en had een woord van dank voor den milden Singomengolo.

Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder hernam zijne plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste muziektonen begroet.

„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond.

Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder dèsa-bewoner het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten klankrijk borduurden, luisterde men toch in menigen groep gaarne naar den een of anderen oude van dagen, die de legende verhaalde, welke daar door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek toch is de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare sprookjes, verhalen en legenden in die streken. Zij is er een integreerend deel van, zooals de toonbuiging der stem en de gebaren dat bij rederijkers-voordrachten zijn. De legende van Taroe Polo was een der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt om de gemoederen voor liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar toch verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen:

Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het dichte tropische woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk verblijf), welks bestaan niemand zelfs vermoedde, vond. In weerwil van de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, drong hij er in door, en vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en zeer goed onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van jeugdige vrouwelijke bedienden omgeven was, die wel niet met hare gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar toch als toonbeelden van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder geplaatst was, omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen bejaarden, maar machtigen vorst, dien zij zelve voor hare dochter uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde bij den eersten aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen. Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor, hoe de kleine „pernakh-an gedang” en de „gambang” [60] met hare zachte zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister, hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl de jongeling voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt niet ongevoelig voor die uitingen van genegenheid, van liefde. Haar boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt de „soelieng” (fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer moeder, deze innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts stokkend, met kort afgebroken woorden, ja met enkele lettergrepen uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende harp) duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare gezelschapsdames voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt was, barstte een concert van hartstochtelijke juichtonen van de beide verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,” [61] de soelieng en de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens betuigd te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er aan het vermurwen der heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet te denken viel, dat de omgeving der vorstin onomkoopbaar was, en dat niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten.

De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor dien uitersten stap terugdeinzen. Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu eens smachtend als het suizend windje, dat door de Wariengien-kruinen ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne boeien slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen. Haar eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en behaalde eene volledige overwinning op hare besluiteloosheid, maar het was vooral de vrees, dat hare moeder van hare liefde voor Taroe Polo kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, neergeslagen blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen, te gemoet.

Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en duidt met bekkenslag in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van het jeugdige paar aan; om ten slotte met eene zachte maar toch genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning geslaakt, te eindigen.

Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren, terwijl de laatste klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte wegstierven.

De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne bloedroode kleur verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door de Wariengien-kruinen op die landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen, die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot.

Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar een groep mannen, op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten hanteeren.

De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste hartstocht, ja de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk voor hem zouden zijn, wanneer die eerste niet opgewekt werd.

Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het verleidelijke spel deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan en van de topeng, [62] die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan Singo en diens handlangers andermaal van die rôkô’s vroegen, die hen zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren erg belust op de lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan, dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn. Maar...., daar wachtten hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang Bing. Met een innemenden glimlach werd beduid, dat de voorraad, die tot geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens te kennen werd gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij werd nu kontant geld gevorderd; en.... al waren de bewoners van Kaligaweh welvarend te noemen, van het slijk der aarde was onder hen niet veel te vinden.

Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig gebaar naar het geopende speelhol.

„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s” (kwartjes), „roepiah’s” en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor de gelukkigen te krijgen,” grinnikte hij.

Dat was olie in het vuur geworpen.

„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der omstanders.

„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen duivelen-lach.

Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen vergeten!

„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?”

„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de verleider. „En”, liet hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari ontong is, kunt gij daar zien. Kijk Kromomidjo eens de ringgiets laten klinken!”

En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en te springen van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden handholten drie rijksdaalders liet rinkelen.

Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand arbeidens! En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde maar wat stoutmoedigheid toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo verzekerde althans de rampzalige, die in de loos gespannen netten verstrikt was.

Maar.... was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel bossen paddi vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.... daar maakten èn Kaseran en Wongsowidjojo èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. Ook zij tandakten en gilden van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, de eene twee, de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave vriend, die zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te leeren, gauw en gemakkelijk geld te verdienen!

Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele speelloods vol, en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl buiten de gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s” [63] vernomen werden.

Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de bevolking van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen, slechts een zeer klein gedeelte van den oogst was in hunne handen overgegaan; want, sloeg men de gelukkige en opgewekte gezichten der spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel verliezers onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het slechts dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de croupiers maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor zorgden, nu de indruk gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, en de guldens tot kwartjes in de handen der spelers bij het op en neergaan van het geluk geslonken waren. Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd te zijn.

Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het dèsa-hoofd op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden de spelbazen, dat zij wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) was. En werkelijk de kaarten werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen.

Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd de zucht voor de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de waronghouders goede zaken, en daar die ook al weer acolijten van babah Lim Yang Bing waren, keerden de bij het spel prijsgegeven gelden gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering niet te groot was.

Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al niet te groot genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne handlangers met eenen onbeschrijfelijken gemeenen grijnslach de belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op de „baleh-baleh’s” (rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden met bevallige vingeren de balletjes madat, en wierpen vurig verlokkende blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar tot de arme slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden.

Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het gift, dat reeds met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de uitnoodiging tot wellust van die schoone jeugdige vrouwen, bezweek al ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien eersten avond niet alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen, die haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid. [64]

Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien uitslag vernam:

„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet houden!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us