← Baboe Dalima

VIII. EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE…

Part 2 of 7 · Perelaer, M. T. H. (Michael Theophile Hubert) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #65832, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (43)
  1. Opening about 17 min
  2. I. BIJ MOEARA TJATJING about 18 min
  3. II. IN DE DJAGA MONJET about 18 min
  4. III. HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM about 20 min
  5. IV. DE DRADEN VERWIKKELEN about 18 min
  6. V. IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ about 15 min
  7. VI. EEN ECHTPAAR about 18 min
  8. VII. EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT about 17 min
  9. VIII. EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE about 18 min
  10. IX. KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL about 19 min
  11. X about 18 min
  12. XI. IN DEN RESIDENTS-TUIN about 20 min
  13. XII. ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER about 19 min
  14. XIII. OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN about 17 min
  15. XIV. EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN about 15 min
  16. XV. ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT about 23 min
  17. XVI. HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE about 21 min
  18. XVII. IN DEN DJOERANG PRINGAPOES about 16 min
  19. XVIII. DE ONSCHULD TEN VAL about 17 min
  20. XIX about 19 min
  21. XX. AAN DE RIJSTTAFEL about 24 min
  22. XXI. OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT about 15 min
  23. XXII. EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN about 18 min
  24. XXIII. EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING about 17 min
  25. XXIV. OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT about 21 min
  26. XXV. EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG about 17 min
  27. XXVI. AARDIG GEMANOEUVREERD! about 17 min
  28. XXVII about 16 min
  29. XXVIII. CORRESPONDENTIE about 19 min
  30. XXIX. VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK about 20 min
  31. XXX. BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER about 17 min
  32. XXXI. VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH about 20 min
  33. XXXII. EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT about 16 min
  34. XXXIII. IN DE REGENTS-PANDOPPO about 17 min
  35. XXXIV. EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI about 22 min
  36. XXXV. TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE about 16 min
  37. XXXVI. LIM HO’S HUWELIJK about 19 min
  38. XXXVII about 19 min
  39. XXXVIII about 21 min
  40. XXXIX. MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH about 23 min
  41. XL. HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM about 17 min
  42. XLI about 23 min
  43. XLII. NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT about 1 h 37 min

Continue:

VIII. EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE

Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig voortgezet, en avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh, en herhaalden zich de geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing in den beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen. Het duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk de dobbelaars te laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar een enkele maal, om de hoop op winst niet verloren te doen gaan. Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer te verliezen, en de eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het product zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen.

Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie losgebroken, het opiumverbruik nam ten gevolge van het menschonteerende verleidingsstelsel hand over hand toe, en zes maanden waren ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat een zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan. De pachters toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen, [65] die al zeer spoedig den invloed bespeurden, welke het amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en zij waren het, die de rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden, daarop voortstuwden.

Toch was de heillooze uitwerking van het vergift zoo dadelijk niet waar te nemen. Neen, die vijand werkte in het donker, langzaam, uiterst langzaam, maar zeker. O, in den beginne was het verbruik van opium zoo gering. Een paar „mata’s” [66] daags, nog niet eens die hoeveelheid, waren voor die oorspronkelijke lieden, aan de werking van het gift niet gewoon, voldoende om de zalige rust, den heerlijken slaap met zijne betooverende droomen van overschoone en wulpsche hoerie’s, waarmede de Profeet Mohammed zijn paradijs bevolkt heeft, te genieten. Het dubbel aantal mata’s verschafte de grootste opgewektheid, de hoogst opgezweepte natuurdrift. En die zaligheid, dat genot was bij den opiumpachter te koop tegen slechts veertien cent per mata [67]. Waarlijk, het was te geefs!

Maar... maar, volstond de schuiver aanvankelijk met die geringe hoeveelheid, die toch reeds eene bres in zijn bescheiden budget veroorzaakte, omdat die uitgave vrij geregeld wederkeerde; langzamerhand gewende het gestel van de rampzaligen er aan, zoodat die hoeveelheid grooter genomen moest worden, om de verlangde uitwerking te erlangen. Vond een enkele beluste bevrediging, wanneer hij slechts nu en dan, bijvoorbeeld eens in de week de „bedoedan” (opiumpijp) ter hand nam, helaas, naarmate de zenuwen aan den prikkel gewenden, werd de behoefte daaraan grooter, en zoo waren er reeds verscheidenen aan te wijzen, die, wanneer de werking van het narcoticum opgehouden had, loom, naargeestig, zenuwachtig, ongeduldig waren, en zich derhalve hoogst ongelukkig gevoelden. Geen ander middel bestond daartegen dan om de bedoedan weer ter hand te nemen, het verdoovingsmiddel andermaal in te zwelgen, waardoor ze eindelijk bijna zonder tusschenpoozen van den eenen zwijmel in den anderen overgingen [68].

Dat daarbij de stoffelijke welvaart der dèsa-bewoners onvermijdelijk te gronde ging, wie zal dat betwijfelen? Niet alleen de uitgaven voor de zoo verleidelijke opiumballetjes overschreden reeds de draagkracht van menigeen; maar ook de opgewekte sexueele driften eischten bevrediging, en verslonden het laatste spoor van gegoedheid. Daarenboven was de lust tot arbeiden—toch al niet groot in een tropisch land—gestoord, ja vernietigd. Werkte het heulsap niet, dan was de schuiver een lodderig, vadzig, lui, slaperig wezen; geheel onbekwaam tot de geringste inspanning, waarin dan de levensvonk slechts aangeblazen kon worden door eene vernieuwde overprikkeling door het schandelijke middel.

Daarbij werden de hygiënische verhoudingen bij de bevolking van Kaligaweh dermate geschokt, dat die den meest gewonen opmerker moesten in het oog vallen. Werd de dèsa toch, hetgeen slechts uiterst zeldzaam geschiedde, door blanken bezocht, dan bespeurde die, wanneer zij die streken vroeger doorreisd en het gezonde en krachtige uiterlijk der bevolking bewonderd hadden, thans in het tijdperk, waarin het verhaal handelt, mannen en vrouwen, die door hun ellendig voorkomen hunne meewarigheid wel gaande moesten maken.

O, daarin was zich niet te vergissen. Zij hadden daar slachtoffers van den opium-hartstocht voor zich. Die grauwbleeke gezichten, waarop de Oostersche bronstint niet meer te herkennen was; die saamgeschrompelde huid, die het uiterlijk vertoonde van perkament, hetwelk zonder te verschroeien aan eene overgroote hitte was blootgesteld geweest; die hoekige gelaatstrekken, welke het hoofd op een afzichtelijk bekkeneel deden gelijken; die fletse blikken van de diep ingezonken oogen met donkerblauw omkringd; die gebogen gestalten en die ingedoken borstkassen; die wonderbaarlijke vermagering van het bovenrif, welke veroorloofde de ribben te tellen en eene gedachte aan doorzichtigheid deed opwellen, want de specimina, die ontwaard werden, hadden ternauwernood een vod, een ellendig stuk „kahin” (kleedingstuk) om de lendenen geslagen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; dat vreeselijk kuchen, hetwelk vernomen werd, en diep uit de holte klinkende van eene beklemde borst en van aangetaste longen sprak, en het geheele rif akelig deed wankelen en schudden; die spillebeentjes, zoo dun, zoo mager, welke het geheel bijna niet meer vermochten te dragen, dat alles stelde het stereotype beeld daar van het verguisde pronkstuk der schepping, en stempelde zich tot herkenningsmerk, tot onwraakbare getuige van het langdurig lijden, van de onafzienbare ellende, die daar doorstaan waren, en waardoor die lichamen gesloopt werden.

Toen Singomengolo de dèsa, waar hij het levenslicht aanschouwde, maar waar hij als dankbaarheidsbetuiging de vreeselijkste hartstochten achtergelaten had, later terugzag, mochten zijne lippen zich waarlijk bij het doortrekken van het district tot een duivelenlach omkrullen. Al wat hij daar waarnam: die met mos en onkruid overdekte klapperboomen om, en die andere verwaarloosde ooftboomen in de dèsa, die in het geheel niet onderhouden galangan’s en waterleidingen der sawah’s, die slecht bewerkte velden, die weinige buffels, welker vermagerd en ziekelijk voorkomen van onvoldoende verzorging spraken, dat alles was zijn werk! Hij was de schuld, dat bij den oogst het product schamel en schraal uitviel. Hij was de schuld, dat die armzalige oogst, nog voor dat de ani-ani, haar werk verrichtte, reeds vervreemd was. Hij was de schuld, dat kleederen, huisraad en akkergereedschap voor spotprijzen verpand werden, en in de kolk van den volksramp verdwenen.

Maar babah Lim Yang Bing, de opiumpachter en zijne vrienden Ong Sing Beh en Kouw Thang, de pachters van het pandjes- en van het speelhuis te Kaligaweh, maakten goede, zeer goede zaken, en door zulke luisterrijke tusschenkomst voer de Nederlandsche schatkist er ook goed bij, althans in vergelijking met vroeger, toen die drie middelen, zoo als de Nederlanders die bronnen van geldschrapen noemen, in die dèsa weinig of niets aan den fiscus, dien onverzadelijken Moloch, opbrachten. Vroolijk en lustig zou dan ook Neêrlands vlag in den wind hebben moeten wapperen en fier en trotsch zou het Nederlandsche wapen met het virile „Je Maintiendrai” hebben moeten prijken boven dat opiumhol, boven dat pandjeshol, boven dat speelhol, welke als aangebedene Drievuldigheid, tot eenheid van doel voerden van het meest volmaakte uitzuigingsstelsel, waarmede een rampzalig overheerd volk bedeeld is kunnen worden!

Onder de ellendige verdwaasden, die in den put vielen voor hen gegraven, behoorde Pak Ardjan, de vader van den gewezen djoeroemoedie van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, die vroeger een gegoed Javaansch landbouwer, bezitter van een span krachtige „kebo’s” (buffels) mocht heeten, in betrekkelijken korten tijd have en goed verschoven, verdobbeld en verbrast en zijn gezin in een poel van de afzichtelijkste ellende gedompeld had.

Waar was het vriendelijke huisje gebleven met zijne goudgele omwanding van plat uitgespreide bamboehalmen, met zijn donkerbruin dak van „nipah-atap” (bladerenbedekking), dat huisje waarin Pak Ardjan vroeger, met vrouw en kinderen, zijne dagen zoo genoegelijk sleet, en de toekomst met zooveel vertrouwen te gemoet zag?

Helaas! de hut, die het rampzalige gezin thans betrok, was klein, laag, bedompt en hoogst vervallen. In het eenige vertrek, waaruit zij bestond, heerschte eene onaangename muffe lucht, die door in bederf overgaande bamboe gewoonlijk verspreid wordt. Een blik op de schamele omwanding, die aan het benedengedeelte verrot, overigens half vergaan en door de „boeboek” (snuitkevertjes) aangetast was; een blik op het dak, hetwelk, door het vergaan der bamboe-dwarslatten, akelig doorboog en overigens in stof verviel; een blik op de bamboe-baleh-baleh, het eenige meubel aanwezig, liet geen twijfel over van waar die bedompte lucht kwam. Op de morsige matjes, die den nog morsiger bodem bedekten, krioelden de kinderen spiernaakt rond, terwijl de moeder en ook de vader, als hij te huis was, in lompen gehuld, die nooit gewasschen werden, en door het langdurig gebruik het lichaam aan flarden verlieten, op den bodem gehurkt, met verglaasden en dom uitzienden blik dat schouwspel aanstaarden.

Aanstaarden! Ja, als het turen van den machinalen blik zoo mag geheeten worden. Want de vader had van den rampvollen toestand zijn’s gezins geen besef meer! De ontzettende zelfzucht, die door het opiumverbruik ontwikkeld wordt, de steeds grooter wordende onverschilligheid omtrent zijne geheele omgeving, tot zelfs omtrent vrouw en kinderen toe, de hand over hand toenemende gemakzucht en de afkeer van iederen arbeid, van elke zorg, van elke inspanning, die den opiumschuiver beheerscht, waardoor hij ten laatste dag en nacht aan niets anders denkt dan aan de voldoening van zijn hoofdhartstocht en de nevenlusten daarvan, waaraan alles rondom hem ten dienste moet staan, benevelde zijn oog, en maakte hem aan den rand van den afgrond stekeblind.

Verkeerde hij in den lethargischen staat, door het gematigd opiumrooken voortgebracht, dan was hij rustig, dan was hij tevreden, dan dommelde en droomde hij, en bouwde voor zich alleen een paradijs op, waarin slechts wulpsche beelden zijn geest en oog verrukten. Had hij de opiumhoeveelheid vermeerderd en het volgend stadium van waanzin bereikt, dan, ongeacht de tegenwoordigheid zijner kinderen, vervolgde hij zijne vrouw, die hem alsdan als eene hoeri van het paradijs verscheen, met de schandelijkste handtastelijkheden; dan hadden er in die hut, op welk uur van den dag of den nacht ook, omhelzingen en handelingen plaats, die voor het oog van die onschuldige kleinen hadden moeten gesluierd worden. Helaas! de man was dan aan een dier gelijk, onbekwaam om zijne hartstochten te kunnen breidelen.

Was het paroxysme bereikt, begon de werking van het vreeselijke gift te bedaren, dan verviel de ellendeling in een staat van vernietiging die voor hem, maar nog meer voor zijne geheele omgeving een kelk van lijden was. Want dan begon de schuiver te beven, dan kwam zijn geheel zenuwstel in beroering, dan spookten allerlei vreeselijke beelden hem door het hoofd, dan was hij ongedurig en angstig, dan voelde hij pijn door het geheele lichaam, dan was hij het sterven nabij, zoo verzekerde hij met onaangenaam en zuchtend geklaag, en dan was er slechts één middel om hem uit dien onduldbaren toestand te helpen, dat was andermaal de opiumpijp ter hand te nemen, om de kwaal door het vergift te bestrijden.

En dan moest de vrouw uit om tjandoe te koopen. Van waar zij het geld vandaan haalde, moest zij maar weten.

En dan moest een kind de madatballetjes kneden en rollen; een ander de lamp verzorgen, bij dat rooken onontbeerlijk, en de pijp stoppen; een ander sterke koffie zetten, meestal afkomstig van diefstal uit de gouvernementstuinen. En als dat alles niet altijd door armoede mogelijk was, zelfs als dat voor het ongeduld van den zenuwlijder niet vlug genoeg in zijn werk ging, dan vervulde hij die rampzalige hut met kermen en klagen, met schelden en verwijtingen, waarmede hij allen radeloos en diep neerslachtig maakte.

In zoo’n midden was Ardjan opgegroeid, en hoewel hij nog niet zoo verdorven als zijn vader was, zoo hadden zijne ziel en hart in het zoo ontvangbare tijdperk der jeugd indrukken opgedaan, die het mogelijk maakten, dat hij in dienst van een smokkelvaartuig getreden was, en dat hij gevoelens omtrent zijne verplichtingen jegens de kongsie, die hem bij hare misdadige handelingen bezigde, aan den dag legde, zooals hij in de djaga monjet bij Moeara Tjatjing tegenover Lim Ho den zoon van Lim Yang Bing, den opiumpachter van Santjoemeh verkondigde.

Zoolang Ardjan, de oudste zoon van het rampzalige gezin, klein was, was dat gezin in de meest dierlijke ellende gedompeld gebleven. Toen deze evenwel, na eerst een korten tijd als matroos aan boord van een gouvernementskruisboot gediend te hebben, eene plaats aan boord van den schoener Kiem Ping Hin verwierf, braken andere dagen aan, vooral toen Ardjan, door zijn van nature helder verstand geholpen, tot djoeroemoedi opklom. Hij kwam toch toen in de gelegenheid, om in aanraking met de lading van het vaartuig te komen en van eene waar, als opium is, was geene groote hoeveelheid noodig, om reeds voor een betrekkelijke groote waarde weg te kunnen moffelen; terwijl zijne opvattingen omtrent het mijn en het dijn hem daartoe ook verlokten. Het ontvreemde heulsap leverde hij aan zijn vader af, die zoo niet alleen zijnen hartstocht ten volle bot kon vieren, maar door het van de hand zetten van het overige gedeelte nog al winst maakte, die evenwel, wel verre van het huisgezin ten goede te komen, in de grootste ongebondenheid werd verteerd.

Zoo was de stand van zaken, toen de resident Van Gulpendam den opiumpachter den wenk gaf, dat Pak Ardjan als een erge opiumsmokkelaar bij de politie aangeteekend stond.

Uit het bovenstaande valt te ontwaren, dat die bewering van het hoofd van gewestelijk bestuur waarheid bevatte; want sedert lang was de opiumpolitie den onverlaat op het spoor, zonder hem te kunnen snappen. Zoolang trouwens Ardjan aan boord van de Kiem Ping Hin diende, was daar nimmer een ernstige poging toe gedaan.

Ook was het waar, wat de resident aan den opiumpachter medegedeeld had, dat Pak Ardjan, onkundig van de verdenking, die op zijn zoon geworpen was, van de door de politie aangehaalde opium aan wal gebracht te hebben, Lim Ho aangeklaagd had wegens de vreeselijke mishandeling, die de Javaan ondergaan had. De oude opiumschuiver had dat niet gedaan, uit deernis met zijn zoon, ook niet omdat hij de mishandeling wreken wilde, nog minder uit een gevoel van recht, dat hem zoude aangespoord hebben om den euveldader zijne verdiende straf te bezorgen. Neen. Kort voor zijn wedervaren bij Moeara Tjatjing, had Ardjan bij zijn vader eenige katie’s opium bezorgd. Zoolang die voorraad duurde, zou hij zich om de mishandeling zijn’s zoons niet bekommerd hebben; maar toen die slonk, begon hij voor de toekomst te vreezen, vooral toen zijn zoon het verblijf in het hospitaal met dat in de boeien verwisselde. Met zijn versuft brein had hij gedacht de invrijheidstelling van Ardjan te kunnen bespoedigen, door een klacht tegen Lim Ho in te dienen. Die raad was hem door een pleitbezorger gegeven, die in een geding met den rijken zoon van den nog rijkeren opiumpachter eene goudader meende ontdekt te hebben. Die klacht werd bij den landraad ingediend, en de voorloopige dagvaardingen dientengevolge beteekend.

Den jeugdigen rechter Van Nerekool werd het onderzoek van die zaak door Mr. Zuidhoorn opgedragen, en vol vertrouwen om in de eerste plaats aan de eischen van zijn rechtsgevoel te voldoen, en den onverlaat, die zich zoo eene mishandeling veroorloofde, aan den wrekenden arm der justitie over te leveren, maar ook om zijne belofte aan Anna, de schoone dochter van den resident Van Gulpendam, gegeven, na te komen, namelijk om den verloofde van baboe Dalima te redden, had deze die zaak aanvaard, en meende haar tot een goed einde te kunnen brengen.

Maar op een namiddag,—de zon stond nog hoog aan den hemel,—had Pak Ardjan zijn voorraad smokkelopium, die hij in een blikken trommel verstopt, in een eenzaam naburig ravijn diep in den grond, onder een dikke laag rolsteenen verborgen had, gaan bezoeken, en bevonden dat helaas! hoogstens nog maar een paar taël over waren. Hij nam die mede naar huis; want hij had eenige toezeggingen aan opiumschuivers gedaan, waaraan hij voldoen wilde. Het gold goede klanten, die ruim betaalden.

Maar nauwelijks te huis gekomen, hoorde hij van zijne kinderen, dat Singomengolo in de dèsa verschenen was, ook dat die naar hem gevraagd had. Hoewel die verschijning, en ook die vraag, hem nu wel niet vreemd voorkwamen, zoo bekroop hem toch een onverklaarbaar gevoel van onrust, dat hem aandreef, om zijne smokkelwaar te verheimelijken. Ware hij in normalen toestand geweest, dan ware hij, terwijl hij nog niet ontdekt was, omgekeerd, om de opium weer in het ravijn op te bergen. Maar hij begon zich loom te gevoelen, zijne zenuwen speelden hem parten, zijn denkvermogen raakte in de war; in één woord, hij was het stadium nabij, dat hij weer eene overprikkeling van het heillooze narcoticum noodig had. Hij had nog even den tijd om een paar mata’s van zijn voorraad voor eigen gebruik af te zonderen, waarna hij het overige in een nipahblad wikkelde, en het tusschen de atappen van de dakbedekking der schamele hut inschoof en zoo verborg. Toen hij daarmede klaar was, begon het lieve leven, en moest het geheele huisgezin op de been, om hem bij zijn vreeselijken opiumhartstocht ter wille te zijn.

Maar, terwijl hij op de baleh-baleh uitgestrekt lag en ternauwernood aan zijne derde pijp bezig was, zoodat hij nog niet geheel onder den invloed van het papaverproduct verkeerde, verscheen Singomengolo, vergezeld van een viertal politieoppassers en van de Chineezen van de opiumkit, op den drempel der deur. De opiumjager begreep dadelijk, wat er gaande was, hoewel Pak Ardjan terstond opgevlogen was, en met eene zekere behendigheid de opiumpijp onder het smerige hoofdkussen, dat op de baleh-baleh onmisbaar behoorde, geborgen had, en twee zijner kinderen, het eene de „palita” (lampje) onder de rustbank verstopt had, en het andere den voorraad opium verheimelijkte. De weeachtige zoete lucht, die evenwel in het bedompte vertrek heerschte, kon niemand, wel het allerminst een bandoelan, zoo geslepen als de vertrouweling des pachters was, misleiden.

„Hier is opium gerookt,” sprak deze norsch, terwijl hij met zijne handlangers het huis binnendrong.

„Neen, waarachtig niet,” stamelde Pak Ardjan geheel van zijn stuk, terwijl zijne vrouw met de kinderen als eene kudde vreesachtige schapen in een hoek van het vertrek samenschoolden.

„Bezet de deur en de ramen,” beval Singo aan de dienaren der politie.

En zich tot Pak Ardjan wendende, herhaalde hij:

„Hier is opium gerookt!”

„Neen, waarachtig niet!”

„En hier is de pijp!” sprak de opiumjager triomfeerend; terwijl hij het corpus delicti van onder het hoofdkussen te voorschijn haalde. „Hier is de pijp; zij is nog warm.”

Pak Ardjan, toch al niet op zijn gemak, was bij dat bewijs geheel vernietigd.

„Waar is de opium?” vroeg Singomengolo barsch.

Geen antwoord.

„O, wij zullen haar wel vinden!” ging hij met akeligen glimlach op de lippen voort.

Hij gaf een teeken aan de beide Chineezen en aan de politiedienaren, welke deuren en ramen niet in het oog te houden hadden. En nu begon, door hem voorgegaan, een nasporing,—eene jacht mag zij wel genoemd worden,—waarvan het verhaal ongeloofelijk moge schijnen, maar die helaas! toch zoo dikwerf plaats vindt. [69]

Onder de baleh-baleh, onder de matjes, die den grond bedekten, werd gezocht; in den bodem, die den vloer der hut uitmaakte, werd gewroet; onder de „dapoer” en in de asch van dat primitieve kooktoestel werd getast; hoofdkussens met verdachte kapok-klonters werden opengesneden, en den inhoud over den vloer verspreid; de weinige kisten en „kapèk” (sluitmanden), die aangetroffen waren, werden geopend, en de lompen, die zij bevatten, uitgeschud en verachtelijk neergesmeten, het armoedige huisraad, de weinige potten en pannen, de rijstketel, het tombokhblok, de „bakoel’s”, (rijstmanden), tot de sirihdoos toe, werden doorsnuffeld; maar niets, niets werd gevonden.

Singomengolo was vertoornd. Nu gelastte hij de visitatie aan den lijve. Eerst werd Pak Ardjan gegrepen en, toen hij zich verzette, werd hem onder het toedienen van een groot aantal vuistslagen, de smerige vodden, die hij droeg, van het lijf gescheurd, en weldra stond hij daar met zijne afzichtelijke magerheid spiernaakt voor zijn gezin. Onder den aandrang van dat kiesche gevoel, hetwelk zelfs den meest verdorvene blijft beheerschen, hurkte hij jammerend neder, om zijne naaktheid voor zijne kinderen te dekken. Toen was het de beurt van de vrouw en de kinderen, waaronder meisjes van 7 tot 14 jaren. Met de grootste zedeloosheid gingen hier de onverlaten te werk, en volvoerden de gruwelijkste aanrakingen, de gemeenste betastingen. Noch het kinderlijk gevoel ten opzichte der moeder, noch de onschuld der jeugd kon hen weerhouden; zij zochten en wroetten met wulpschen vinger, terwijl hunne lippen nog met beestachtigen kortswijl de magerheid der „prawan’s” (maagden) bespotten. Het was een afzichtelijk tafereel, dat daar onder het oog der politie geschiedde, ja met hare medewerking volvoerd werd; want èn de bandoelans èn de politieoppassers wedijverden met de Chineezen in ontuchtige handelingen.

De kinderen schreiden, de meisjes zuchtten, en de moeder gilde onder die behandeling; maar niets mocht baten. Maar eindelijk, bij een nog losbandiger gebaar, door een der politieagenten gepleegd, waarbij de oudste dochter, de lieve Sarina, een meisje van veertien jaren, haar sarong ontviel, en zij een kreet van schrik slaakte, sprong Pak Ardjan woedend overeind, vloog op den lafhartigen wellusteling aan, trok hem den sabel uit de scheede, en begon den onverlaat een paar houwen toe te deelen, die dezen noodzaakten, onder het uiten vaneen akelig jammerend gehuil, het tooneel zijner heldendaden te verlaten.

Maar helaas! de tot radeloosheid getergde vader, wiens dolle woede hem blind voor hetgeen thans rondom hem voorviel, maakte, en wiens uitgeteerde arm geene inspanning van eenigen duur kon verleenen, was dadelijk gegrepen en ontwapend, alvorens hij verder nog ter verdediging van zijn zoo gehoond gezin kon optreden. Hij werd gruwelijk gekneveld. Met de meest verfijnde wreedheid werden hem de enkels aan elkander gebonden, waarbij men hem het stekelige gemoetoetouw tusschen de teenen doorreeg, hetgeen bij iedere beweging van den ongelukkige afgrijselijke smarten veroorzaakte. Om hem verder onschadelijk te maken, werden hem de handboeien aangelegd. Maar, daar de braceletten van dat werktuig van barbaarsch geweld veel te veel ruimte aanboden, en de zeer vermagerde polsen slechts gebrekkig en onvoldoende omsloten, werden zij met wiggen aangevuld, die in der haast van een paar stukjes brandhout gesneden, en tusschen den ijzeren band en den arm ingedreven werden, hetgeen den ongelukkigen zulke onduldbare pijnen veroorzaakte, dat hij in een klagend gehuil uitbarstte, dat veel van dat van een zieltogend dier weg had.

Maar nu de opium? De opium? Die was tot nu toe niet gevonden!

Singomengolo krabde zich achter het oor. Het geval was netelig.

Wat zou de Kandjeng toean residèn aangaan! Maar.... om dien lachte hij. Och, die zou bulderen, blaffen, maar zich zorgvuldig van bijten onthouden.

Wat zou echter babah Lim Yang Bing zeggen? Zou die zijn ijver niet verdenken?

En, als de „soerat soerat kabar” (nieuwsbladen) aan het praten gingen! En dat zouden die neuswijzige papieren zeker doen. Daaromtrent was geen twijfel te koesteren. En, als dan de „toean toean rakkers” (de heeren rechters) kennis van de zaak namen! Ja, dat kon reeds niet anders. Pak Ardjan had zich gewapenderhand en geweldadig tegen de politie, en nog wel tegen de opiumpolitie, verzet, een vergrijp dat niet verzwegen kon blijven, dat bovendien door de „Blanda’s” (Hollanders) ten rechte zwaar gestraft werd. Maar dan zou ook uitkomen, dat hij huiszoeking gedaan, en daarbij niets gevonden had! Dan zou wellicht nog meer te berde komen! Men was toch „terlaloe korang adjar” (te gemeen) met de meisjes omgesprongen... En de toean toean rakkers waren zoo nieuwsgierig! Die zouden dat wel te weten komen!

O, dat toch opium gevonden ware! Of beter, dat hij zijne voorzorgen maar goed genomen had!... Dan...

„En toch,” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de schamele hut doorzochten, „de inlichtingen waren zoo nauwkeurig mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan van de „Djoerang-Tjatjing” (het wormen-ravijn) terugkeerde, dan... Maar, het ware misschien verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?... Maar... neen, neen; dan zou hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden had. En die heeren rechters zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om straf op te leggen... Neen, neen... die opium moest bij Pak Ardjan aan huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs van schuld aanwezig!... Maar, dat is zij niet, niets gevonden... Eh, èh... wat is dat?”...

En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek, waar hij eene doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog kort geleden een weinig verschoven waren; en eene minder donker getinte streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de nipahblâren daar niet onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek aan een schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden bloot gestaan. De bandoelan bracht de hand tusschen de atappen, tastte en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes te voorschijn te brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het was de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had.

„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den rampzaligen Javaan toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor de tanden sloeg, dat het bloed uit de lippen van den mishandelde parelde.

Maar deze sprak geen woord.

Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was, werd de betrapte overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel) geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners, tot dien dienst geprest, gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt, naar de gevangenis van Santjoemeh overgebracht.

Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam bij den landraad te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die beschuldigd was van opiumsmokkelarij, en van gewapend verzet tegen de politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening van zijn plicht ernstig gewond was.

Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las, kon hij een bitteren glimlach niet verbergen.

„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

IX. KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL

Toen Lim Ho van zijn vader, babah Lim Yang Bing, de gevangenneming van Pak Ardjan, zijn aanklager wegens de Kamadoog-mishandeling bij den landraad, en de omstandigheden, waaronder zij plaats gevonden had, vernam, grinnikte hij van genoegen.

„Die is al vast van de baan geknikkerd,” dacht hij. „Bij een eenigszins verstandige behandeling van zaken is die veroordeeld, en de duivel weet waarheen gezonden, alvorens de opiumsmokkel-perkara van Moeara Tjatjing aan de beurt gebracht zal zijn. Die gevaarlijke getuige is dan weg.”

Hij verviel in diep gepeins.

Drommels, hij had een kostbaar kleinood aan de „njonja” (mevrouw) van den resident laten aanbieden, en had daarvoor slechts ternauwernood de ijle toezegging gekregen, dat zij trachten zou, het meisje gunstig voor hem te stemmen.

„Betoel, njonja mahal!” [70] (Waarachtig, het is eene dure mevrouw) grinnikte hij. „Bij Kong! wat zal hare daadwerkelijke hulp wel kosten, wanneer ik die bij weigering van het meisje zou noodig hebben? Astaga! dat zal naar geld ruiken!”

Maar de gevangenneming van Pak Ardjan gaf aan zijne gedachten eenen zekeren loop.

„Neen, het meisje is niet te winnen, daar ben ik zeker van; die haat mij te zeer! Maar, dat is het juist, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt. Zij is mooi, zij is lief, dat’s waar; maar daar zijn zoo vele mooie en lieve prawan’s in de dèsa’s.... Dat is flauwe, bekende kost!.... Die weerspannige deern voor mijn wil te doen bukken;.... haar, die mij verfoeit, met mijne kussen te kunnen overdekken;.... in de armen van haar, die mij veracht, de hoogste wellust te genieten;.... om haar daarna, naar lichaam en ziel verlept en verflenst, te kunnen wegtrappen,.... ziet.... dat is de „sambal”, (gepeperde toespijs) die ik bij mijn verlangen naar haar najaag! En bij Kong! Aan dat verlangen zal ik bot vieren! Hoe? Dat weet ik nog niet. Met list of met geweld? Om het even; als het noodig zal zijn, met beiden tegelijk!”

Zoo prevelde hij, terwijl hij op de weelderige kussens van eene fraai bewerkte rottanbank in het ouderlijke huis uitgestrekt lag met de lange Chineesche pijp in den mond, waaruit hij de heerlijkste tabak, die het Hemelsche Rijk oplevert, rookte.

„Met list?”.... zoo ging hij, na een paar halen gedaan te hebben, bij zich zelven voort. „Met list?.... Wat staat mij het meest in den weg? De wil van het jonge meisje. Ja, maar die zal wel te buigen zijn, wanneer de gelegenheid zich zal aanbieden.... Dat zal desnoods de taak van het geweld zijn. Maar,.... wie staat mij nog meer in den weg? De njonja resident, bij wie zij als baboe in dienst is? Neen, van die heb ik, als het er op aan komt, hulp te verwachten, vooral, wanneer ik....”

En hierbij volvoerde de aterling de eigenaardige beweging der Chineezen, wanneer zij geld tellen, welke daarin bestaat, dat zij met ieder gebaar het eene hoopje muntstukken, goudgeld, guldens of rijksdaalders, regelmatig, zonder dat het eene stuk iets meer of iets minder over het andere geschoven is, naast het andere uitstrijken, zonder ooit eene enkele munt te veel of te weinig neer te leggen.

„Is er niemand anders, die mij in den weg staat?....” ging hij voort. „Ardjan, haar verloofde? Ja, maar die zijn zaak is gezond. Hij zit in de stadsboeien, en is beschuldigd van een paar pikols opium binnen gesmokkeld te hebben. Lang voor dat dit proces uitgewezen is, en hij zijn straf zal uitgezeten hebben, moet het feit voltrokken zijn; dan moet Dalima de mijne geweest zijn! Daarna?.... Och, dan.... dan denk ik niet meer aan haar. De vraag zal dan zijn, welk lief bekje mij verder boeien zal? Dus.... Ardjan is ook niet te vreezen. En wanneer die uit de boeien komt, zal de kongsie wel raad met hem weten!.... Blijft nog over Setrosmito, Dalima’s vader.... O, die ellendige Javaan heeft mij met zijn kris gedreigd, toen ik hem vijf honderd ringgiets voor de onschuld zijner dochter bood.... Dat moet ik hem nog betaald zetten! Maar hoe?.... O, een denkbeeld!.... Die gevangenneming van Pak Ardjan is zoo van een leien dakje geloopen. Als Setrosmito ook zoo in de val kon raken; al ware het maar voor weinige weken....”

En opspringende van de bank, snelde hij naar eene kleine gong, die op een fraai voetstuk van kostbaar Chineesch aardewerk, rijk met slangen en krokodillen en relief voorzien, bij een pilaar stond, greep daar een ebbenhouten stokje in den vorm van een krokodillenkop, dat zinnebeeld van Ngoh, den Watergod, [71] gesneden, en deed daarmede een paar slagen op het klankrijke metalen instrument. Onmiddellijk daarop trad een zwierig gekleede Javaansche bediende binnen, die tot bij de rustbank naderde, daar neerhurkte, het plat zijner handen op het voorhoofd bracht, het hoofd boog en zoo zijn „sembah” (groet) eerbiedig bracht.

„Zou Singomengolo te Santjoemeh zijn, Drono? vroeg Lim Ho.

„Ik heb hem heden ochtend nog gezien, babah,” antwoordde Drono, terwijl hij zijn sembah herhaalde.

„Loop hem dan onmiddellijk zoeken. Hij zal wel in de nabijheid der opiumkit zwerven. Ik moet hem dadelijk spreken.”

„Saja, babah,” antwoordde de Javaan, terwijl hij een paar passen al hurkende achteruitschoof, toen opstond en steeds front naar den Chinees makende, achteruitstapte, en zoo door de fraai gebeeldhouwde deur van het vertrek verdween.

„Slechts voor weinige weken....” zoo ging Lim Ho met zijnen gedachtengang voort. „En in dien tijd, zou de gelegenheid wel gevonden worden, om de lieve Dalima te lokken.... O!... daarbij zou de njonja resident zeer behulpzaam kunnen zijn. Maar, dat zal duur worden!... Om het even, geld is er genoeg!”

En bij die gedachte sprong hij andermaal op om de gong te doen klinken. Toen een ander Javaan verscheen, vroeg hij:

„Is Drono al weg?”

„Nog niet, babah,” was het antwoord, „maar hij is op het punt te vertrekken.”

„Loop dan gauw en roep hem hier!” was het bevel.

Een oogenblik later trad Lim Ho’s getrouwe voor hem.

„Begeef u, voor gij Singo gaat zoeken, naar het huis van ’Mbok Karjå, en zeg haar, dat ik haar oogenblikkelijk wensch te spreken.”

„Saja, babah,” was het antwoord, vergezeld van den onafscheidelijken sembah.

„Maar, dadelijk, dadelijk!” sprak Lim Ho ongeduldig.

„Saja, babah.”

’Mbok Karjå betrad daags daarna het residentiehuis en verzocht bij de „njonja besar” (de groote mevrouw) toegelaten te worden. Dat geschiedde terstond; want het was in de ochtenduren, en de schoone Laurentia had haar „spen” (dispens) reeds verzorgd, en de benoodigdheden aan „kokkie” (kokkin) uitgegeven, en hield zich juist onledig met na die bezigheden haar ochtendkabaja tegen een fijnen baptisten, met rijk gewerkte entre-deux gefestonneerd, te verwisselen. Voor die oude „doekoen” (kwakzalfster) had zij trouwens nimmer belet. Zij ontving haar steeds, wanneer het mogelijk was, op ieder uur van den dag.

„Tabeh, njonja;” zei de oude vrouw op dien slependen toon, der Javaansche onderdanigheid zoo eigen, terwijl zij aan de voeten der Europeesche dame nederhurkte.

„Tabeh nènèh,” antwoordde Laurentia.

„Heeft de obat van laatst goed gewerkt?” vroeg het akelige wijf om het gesprek te beginnen.

„Overheerlijk nèh! Ge moet me daarvan een goeden voorraad geven.”

„Ik heb daar al aan gedacht, njonja; maar de ingrediënten zijn zoo moeielijk te krijgen. Zij zijn zoo duur.”

De njonja greep een beursje, dat in haar werkmandje lag en stopte de oude een paar rijksdaalders in de hand.

„Ziedaar, om die ingrediënten aan te schaffen. Zorg er maar goed voor.”

Het oude wijf knoopte al grinnikend de geldstukken in den punt van een smerigen zakdoek, waaraan reeds een bos sleutels bengelde, en beloofde dat de njonja tevreden zou zijn.

Daarna begon ’Mbok Karjå over sienjo Leo te babbelen en uit te weiden, „wat voor schalksch ventje dat was. Als het kind op straat wandelde, dan keek iedereen het aanvallig schepseltje na. Misschien wierp dan de een of ander ook wel een blik toe aan de baboe, die het jongetje vergezelde. Want, het moest erkend worden, dat baboe Dalima schoon, zeer schoon was. De njonja moest dat lieve meisje zoo niet laten gaan wandelen. Zij was te mooi, en er waren altijd menschen geneigd, om de onschuld te verderven. Dat wist de njonja ook wel. En het zou zoo jammer zijn, wanneer die lieve meid in verkeerde handen viel. Er was zooveel geld met haar te verdienen!”

Zoo ratelde de oude voort. En zoo verhaalde zij met horten en stooten, dat de hartstocht van Lim Ho voor het schoone meisje steeds aanwakkerde, en dat hij al meer en meer genegen was, groote opofferingen voor haar bezit te doen.

De oogen van de hebzuchtige Europeesche vrouw glinsterden. ’Mbok Karjå zag met sluwen blik, dat zij alles wagen kon. Voorover gebogen, maar toch met den loerenden blik op Laurentia gevestigd, fluisterde zij een poos, en scheen daarbij al de aandacht harer toehoorster te boeien; want deze verloor blijkbaar geen woord, en bewoog herhaalde malen het schoone hoofd als teeken van toestemming op en neer. Toen de nènèh hare mededeeling geëindigd had, antwoordde mevrouw Van Gulpendam niet dadelijk, maar dacht, zoo het scheen, ernstig na. Eindelijk sprak zij:

„Boleh; tapeh.... mentega sama ikan!”

Bij het eerste woord: boleh, dat: „het kan, het is uitvoerbaar” beteekent, was er eene glinstering in het fletsche oog van het oude wijf verschenen. Bij het overige gedeelte van de uitdrukking der njonja teekende haar blik verbazing. En inderdaad, die Nederlandsche uitdrukking, welke als would be geestigheid vaak, woordelijk in het Maleisch vertaald, gehoord wordt, ontsnapte aan haar begrip.

„Mentega sama ikan?” vroeg zij aarzelend.

„Ja zeker, „boter bij den visch!”” herhaalde mevrouw Van Gulpendam in het Maleisch. „Versta je dat niet, nènèh? Kontant, ’Mbok! kontant! Met beloften laat ik mij niet afschepen!”

„Tobat!” (Ach) zuchtte de oude, terwijl zij een doosje uit de plooien van den band te voorschijn haalde, die haren sarong om de oude verwelkte lendenen gesloten hield, en het de njonja aanbood.

Daarin waren een paar kostbare gouden „kraboe’s” (oorknoppen) van Chineesch maaksel, die van diamanten fonkelden.

„Is dat alles?” vroeg mevrouw Van Gulpendam met een minachtenden glimlach.

„Zij zijn kostbaar,” mompelde het oude wijf.

Maar de residentsvrouw schudde ongeduldig het hoofd. „Lim Ho heeft gezegd, dat hij de njonja in persoon zijne dankbaarheid zou komen betuigen, wanneer de zaak gelukt was.”

Laurentia lachte hoonend.

„Wanneer de zaak gelukt was!” herhaalde zij. „Het is wat moois!.... Neen, ik wil den babah niet zien.”

„Maar, njonja....”

„Geen woord meer. Daar, neem die „kraboe’s” maar weer meê.”

„Maar, wat moet ik Lim Ho zeggen?” vroeg ’Mbok Karjå.

„Wat ge wilt, nèh!”

„Maar, njonja....”

„Geen woord meer daarover, ’Mbok. Zorg nu maar, dat ge me eene flinke provisie van die obat brengt.”

„Tobat!....” zuchtte het wijf. „Heeft de njonja anders niets?”

„Neen.”

„Ik heb anders thuis nog een partijtje juweelen, kraboe’s, „tjientjing’s” (ringen).”

„Neen... neen... nèh...; maar toch als ge soms „gelang’s” (armbanden) weet?”

„Gelang’s, njonja?... Welke?”

„Gouden, natuurlijk, nèh... Ik heb er laatst gezien, de dochter van den Majoor-Chinees had ze aan. O, zoo fraaie. Fijn geschubde slangen, van „maas toewa” (oud goud), die zich drie of vier malen om den pols wikkelden; daarbij oogen van briljanten, terwijl zij in den mond een rosé-achtigen diamant hadden... kijk, zoo dik!”

En de njonja vertoonde het boveneinde van haren pink.

De oude ’Mbok Karjå verslond als het ware, de woorden die zij hoorde.

„Als ik zoo een paar gelang’s kon koopen,” ging de njonja voort, „voor die zou ik nog wat over hebben, er zou voor u ook wat te verdienen zijn.”

Dat laatste werd zeer achteloos gezegd, hoewel de schoone Laurentia de oude vrouw met een enkelen blik als doorboorde.

„Saja, njonja,” antwoordde deze, terwijl zij opkrabbelde. „Tabeh njonja!”

„Tabeh nèh!”

Een half uur later stootte Lim Ho een ijselijken vloek uit, en herhaalde de uitdrukking van: njonja mahal! Maar zijn hartstocht was te zeer opgezweept, om hem te doen terugdeinzen. Hij overhandigde den volgenden dag met de reeds bekende kraboe’s ook de gewenschte gelang’s aan ’Mbok Karjå.

Alvorens met het verhaal, hetwelk ons bezig houdt, verder te gaan, zal de lezer een nadere kennis moeten aangaan met Mr. Van Nerekool, den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hulp door Anna van Gulpendam voor Ardjan, den verloofde van Dalima, ingeroepen was. De gang van het verhaal vervoerde ons tot nu; het is tijd om een blik achterwaarts te werpen.

Karel van Nerekool, was—wij weten het reeds—een flink, rijzig jongman van ongeveer acht en twintig jaren, met een fraai besneden gelaat, dat wel wat ernstig door een paar hel blonde bakkenbaarden omlijst werd, terwijl het hoofd met eenen ietwat meer donkeren krullendos prijkte. Hij had zijne rechtskundige studiën te Leiden, dat Nederlandsche Athene, verricht. Maar, hoewel hij steeds zijne examina cum laude had afgelegd, zoo moest hij toch in oogenblikken van openhartigheid erkennen, dat hij niet die partij van zijne geestvermogens had getrokken, welke met eenig recht er van verwacht hadden kunnen worden. Zoowel op het gymnasium, dat hij bezocht had, als op de hoogeschool had hij bekend gestaan als een gemakzuchtige ten opzichte zijner studiën, die evenwel met betrekking tot andere zaken volgaarne uit het gareel sprong, om door die doellooze fantaisie voortgedreven te worden, welke reeds bij het kind en bij den jongeling een uitverkoren geest stempelt. Hij hield dol veel van alles, wat hem niet aanbevolen werd, en daaronder sorteerden in de eerste plaats: de muziek, dan de teekenkunst, de schilderkunst en de natuur. Als kind reeds had hij om die afwijking van het aanbevolene dikwijls moeten schoolblijven. Maar, wat nood? Dat hinderde hem minder. Hij kroop dan in een hoek van het schoollokaal en droomde. Destijds werd wel eens gemompeld, wanneer hij dan daar zoo eenzelvig terneer zat met zijn blondgelokt hoofd naar boven gekeerd, en met den blik in het onmetelijke blauwe hemelruim verloren: „arme jongen! dat draait op borstziekte uit!” Maar die voorspelling werd geloochenstraft; met hem gebeurde het als met zoovele anderen, de gezondheid gewerd hem met het intreden der manbaarheid.

Nog zeer jong zijnde, had hij zijn vader verloren. Boosaardige lieden,—van die, welke steeds eene hatelijke nieuwsgierigheid aan den dag leggen omtrent zaken, die hen niet raken,—beweerden dat die vader nimmer bestaan had, of beter uitgedrukt, nimmer bekend was. Waarop zij dat grondden? Och, op nietigheden, waarbij zelfs Karel’s familienaam te pas gebracht werd, die, zoo werd beweerd, het omgekeerde van den waren naam zoude zijn. Maar, wat kan zoo iets den lezer belangstelling inboezemen, in een tijd, waarin Goddank, de mensch het recht van bestaan alleen uit dat bestaan ontleent, en slechts waardeering geniet, wanneer hij haar door kunde, talent en eerlijkheid verdient? Een zoodanig wezen is in het bezit van de meest eervolle verwantschap der wereld, namelijk die der weldenkende lieden.

Zijne moeder had den naam gehad een vrij aardig vermogen te bezitten. De studiën van den jongen man waren niet alleen uit ruime beurs bekostigd, maar hij was ook in staat gesteld geweest, om aan de meest prettige partijen der Leidsche studeerende jongelingschap deel te kunnen nemen, en geen hunner kon er zich op beroemen, het:

Io vivat! Nostrorum sanitas!

met meer geestdrift voorgedragen, en daarbij steeds de zoo licht kwetsbare regelen der meest verfijnde wellevendheid in het oog gehouden te hebben. Toen evenwel die moeder bij het eindigen van den studietijd plotseling kwam te overlijden, bleek het, dat het vermogen, welk zij bezat, bitter klein was, ja dat zij alles voor en na te gelde gemaakt had, om de studiën, enz. van haren Karel te bekostigen. De voogd, die zich met de boedelbereddering onledig gehouden had, gaf den jongen man den raad in dienst van de rechterlijke macht in Nederlandsch-Indië over te gaan. Die wenk werd gevolgd. Na een schitterend eindexamen werd Karel van Nerekool tot rechterlijk ambtenaar benoemd en ter beschikking gesteld van den Gouverneur-Generaal. Te Batavia aangekomen, werd hij gedurende een jaar ter hoofdplaats aangehouden, om de leden van het Hoog Gerechtshof, die vooral met hunne facultatieve en verplichte, alsook met hunne antérieure en postérieure revisiën zeer achterlijk waren, in het bijwerken van dien achterstalligen achterstand, zooals de uitdrukking luidde, behulpzaam te zijn.

Dit gaf hem een goed doorzicht in den gang van zaken, de rechtspraak ten opzichte der Inlanders betreffende; want de behandeling der facultatieve revisiën van de vonnissen in zake van misdrijf door de landraden op Java en Madura gewezen, was daarbij zijn deel geworden. Later was hij tot lid van den raad van Justitie te Santjoemeh benoemd geworden, waardoor hij gelegenheid kreeg, zich nog verder te bekwamen.

Daar evenwel vond hij in Mr. Zuidhoorn, den voorzitter van den landraad in de hoofdplaats der residentie, een braaf, eerlijk man, een degelijke gids, die de heerlijke eigenschappen van den jongen rechtsgeleerde tot ontwikkeling bracht. Van dien ontving hij voorbeelden van vuurvaste beginselen, van onwrikbaarheid en degelijkheid in de uitvoering der vaak zoo moeielijke plichten in dienst van vrouwe Justitia.

Van eene andere zijde had hij te Santjoemeh kennis gemaakt met twee jongelieden, waarvan de een van zijn leeftijd was en de ander een vijftal jaren minder telde. Dat waren de heeren Willem Verstork, controleur, en Eduard van Rheijn, aspirant-controleur, beiden behoorende bij den dienst van binnenlandsch bestuur in de residentie Santjoemeh en waarvan de eerstgenoemde te Banjoe Pahit zetelde, de hoofd-dèsa van de controle-afdeeling van dienzelfden naam, waartoe ook het district Kaligaweh behoorde; terwijl de andere op de hoofdplaats ten residentie-bureele zich voor zijn aanstaande betrekking moest bekwamen. Beiden waren degelijke flinke jonge mannen, die, met een onbedorven gemoed in Indië aangekomen, steeds recht door zee trachtten te gaan, en iedere afwijking van de waarheid voor afschuwelijk hielden. In hoofdzaak kwamen zij dus met de geaardheid van Mr. Karel van Nerekool overeen. Toch liepen hunne karakters nog al uiteen; want de heer Verstork was, wellicht ten gevolge van zijn langer verblijf in Indië en zijne daardoor meerder opgedane ondervinding, meer buigzaam van karakter en, ofschoon zelf niet in staat om iets ongeoorloofds te bedrijven, toch in die mate volgzaam, dat hij voor zekere verrichtingen zijner meerderen, die niet altijd in overeenstemming met wetten en bepalingen uitvielen, of ook wel tegen de stiptste opvattingen der eerlijkheidsbeginselen aandruischten, het oog sloot, om, zooals hij zeide, zijne loopbaan niet te bederven. Menigmalen geraakte hij ten gevolge van dien karaktertrek in botsing met de overige jongelieden, maar verontschuldigde zich steeds door op zijne bizondere omstandigheden te wijzen, die inderdaad tot mededoogen stemden. Ook hij had ontijdig zijn vader verloren; maar was, minder gelukkig dan Van Nerekool, als oudste zoon van een talrijk, maar onbemiddeld gezin achtergebleven. En hoewel zijn moeder met de meeste heldhaftigheid in haar levensonderhoud en dat harer kinderen trachtte te voorzien, zoo reikten de verdiensten bij die pogingen behaald, bij lange na niet toe, om dat doel ook maar gedeeltelijk te bereiken. Hierbij kwam nog, dat, toen de oude heer Verstork kwam te overlijden, twee jonge broeders van Willem in Europa waren, om daar hunne opleiding te erlangen. De studiën dier jongelieden konden, zonder hunne toekomst totaal te verwoesten, niet afgebroken worden. En zoo gebeurde het, dat onze controleur onder zware zorgen gebukt ging, daar de toekomst van dat gezin, waarvan hij eigenlijk de kostwinner was, geheel afhankelijk was van de loopbaan, die hij zoude betreden.

Waarlijk, die toestand moest tot toegevendheid stemmen, daar hij als tegenwicht kon gelden, wanneer zijn houding in sommige gevallen als lauw mocht aangemerkt zijn, of wanneer hij in de noodzakelijkheid meende te verkeeren, om bij anderer tekortkomingen verzachtende omstandigheden te bepleiten. Voor zich zelven was hij in handel en wandel streng en veeleischend; en de toekomst zal leeren, dat, wanneer hij de gevolgen der zaken goed inzag, hij ook met klem en geestkracht kon optreden.

Eduard van Rheijn, de aspirant-controleur, telde die halfheid nog niet onder zijne gebreken. Wellicht was hij nog te jeugdig, om nu reeds zoo’n karaktervorming te hebben ondergaan, als die welke bij Verstork zich geopenbaard had; het viel evenwel niet te ontkennen, dat hij bij den resident Van Gulpendam, ter wiens beschikking hij gesteld was, op eene vreeselijke school was, om, zooals die dat uitdrukte, tot degelijk Indisch ambtenaar gevormd te worden.

De drie mannen waren vrienden in de volle beteekenis des woords, en lieten geen enkel oogenblik voorbijgaan, om elkanders bijzijn te genieten, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood. Voor Karel en Eduard bestond die gelegenheid ruimschoots genoeg, daar zij beiden te Santjoemeh woonden. Zij waren dan ook onafscheidelijk te noemen. Anders was het met Verstork gesteld. De dèsa Banjoe Pahit, zijne standplaats, was ruim twaalf palen van de hoofdplaats der residentie verwijderd, zoodat van een dagelijksch verkeer met zijne vrienden geen sprake kon zijn. Maar hij sprong iederen Zaterdag namiddag, wanneer zijn arbeid beëindigd, en het kantoor gesloten was, te paard, reed dan spoorslags naar Santjoemeh, alwaar hij zijn intrek bij een der vrienden nam. Dan bracht hij den Zaterdag avond in de „Harmonie” door, waar de zoo verdienstelijke muziek der schutterij zich liet hooren. Verder bracht hij des Zondags enkele bezoeken, ook natuurlijk bij zijn onmiddellijken chef, den resident, en vertrok weer des Maandags morgens nog voor dat de dag aan den hemel was, om, na behoorlijk gebaad en ontbeten te hebben, stipt tegen negen uur op zijn kantoor te kunnen verschijnen.

Maar zoowel bij zijne bezoeken in de „Harmonie,” alwaar hij slechts een paar glazen ijswater nuttigde, als bij zijne visites bij bekenden, was hij meestal te zamen met zijne twee onafscheidelijken, die hem dan zoomin mogelijk verlieten. Maar, het waren vooral de Zondag avonden, die aan het vriendschappelijk verkeer der drie jongelieden onderling gewijd waren. Zij kwamen dan te zamen, hetzij bij Van Nerekool, hetzij bij Van Rheijn, en dan gingen de vertrouwelijke ontboezemingen, die uit die vriendenharten ontsproten, hunnen gang.

Bij een dier gelegenheden had Karel verhaald, hoe hij, na bij een zijner bezoeken bij den resident Van Gulpendam kennis gemaakt te hebben met diens dochter Anna, die kennismaking op de daarop gevolgde danspartijen zoowel in de „Harmonie,” als bij den militairen kommandant, en ten residentiehuize zelve, aangehouden, ja gekweekt had, en daarbij betuigd, dat hij juffrouw Anna het liefste en het beschaafdste meisje der geheele wereld vond.

„Werkelijk,” had hij er bijgevoegd, „ik weet niet wat ik gevoel. Is het eenvoudige genegenheid jegens een schoon en begaafd kind? Of is het liefde, die zich in mijn hart begint te nestelen? Bij de geringe ervaring, die ik van dit laatste gevoel heb, onthoud ik mij van eene afdoende uitspraak. Maar, ik kan mij niet ontveinzen, dat ik mij uiterst gelukkig gevoel, wanneer ik mij in hare tegenwoordigheid bevind.”

„En dat gebeurt nog al eens, nietwaar?” vroeg Eduard met ondeugenden glimlach. „Sedert eenigen tijd is vriend Karel buitengewoon uithuizig. Ik heb bijna niets meer aan hem. Bijna iederen avond is hij uit, en dan is hij daar te vinden, waar juffrouw Anna met hare ouders bezoek brengen, of wel hij gaat naar het residentiehuis, of het receptie is of niet. Ik verdenk hem er zelfs van, aan de residentelijke ombertafel plaats te nemen. Hoewel ik al verscheidene malen het residentiehuis langs gewandeld ben, was dat te vergeefs; daar de voorgalerij, door bloem- en sierstruiken te zeer gedekt is; zoodat mijn onbescheiden oog zich omtrent mijne gissing niet heeft kunnen vergewissen.”

Willem Verstork schudde bij die mededeelingen bedenkelijk het hoofd.

„Is dat zoo?” vroeg hij met een doordringenden blik op Karel van Nerekool.

„Ja,” antwoordde deze zonder aarzelen. „Evenwel....”

„Dat is zeer treurig,” viel hem Willem in de rede.

„Treurig, wat?” vroeg Karel niet zonder drift. „Gij laat mij niet uitspreken.”

„Welnu dan, ga voort.”

Van Nerekool verhaalde nu, hoe hij zich tot het meisje voelde aangetrokken; maar ook, dat nog geen enkel woord aan zijn lippen ontglipt was, hetgeen den toestand zijns harten had kunnen verraden. Alles had zich nog maar bepaald tot gesprekken, die, wel is waar, hem het frissche, ongekunstelde gemoed van de lieve maagd ontsluierden, maar toch tot de alledaagsche mochten gerekend worden, tot complimentjes en vernuftige steekspelen, zoo gewoonlijk, wanneer jongelieden, wien het niet aan geest ontbreekt, en die hun licht niet onder de koornmaat wenschen te verbergen, in elkanders bijzijn verkeeren. Ja, hij was ten volle overtuigd, dat juffrouw Anna nog geheel onbewust was met hetgeen in zijn hart omging. Op een avond evenwel, het was reeds laat, had een Javaansche bediende een briefje gebracht, waarbij het lieve meisje verzocht had, ten spoedigste bij haar op het residentiehuis te komen.

Willem glimlachte even, toen hij die mededeeling vernam, hetgeen evenwel de ernstige plooi van zijn gelaat niet wegnam.

„Lach niet,” hernam Karel ernstig, „hoewel ik niet ontkennen mag, dat ook vreemde gedachten mijn brein bestormden. Het was zoo afwijkende van alle aangenomen vormen, nietwaar? dat een jong meisje zoo’n verzoek aan een jeugdig man deed. Voor het minst moest ik het voor eene onbezonnenheid, voor eene ondoordachte handeling houden. Gelukkig werd ik spoedig uit den droom gewekt. Met de meeste ongedwongenheid zag het lieve kind mij bij hare ouders verschijnen, en, daar het niet ongewoon was, dat ik met haar piano speelde, kon het niemands aandacht wekken, dat wij ook toen in de hel verlichte binnengalerij bij het klavier plaats namen. Ik vernam alras, waarvoor juffrouw Anna mij had laten roepen. Zij wenschte mijne hulp in te roepen voor een Javaan, voor den verloofde harer baboe, die van opiumsmokkelarij beschuldigd was.”

En hierbij deelde hij mede, wat de lieve Anna hem èn van de mishandeling, waaraan de Javaan bloot had gestaan, èn van de opium, die te Moeara Tjatjing aangehaald was, verhaald had.

Toen hij geëindigd had, herhaalde Willem Verstork op deelnemenden toon:

„Dat is zeer treurig.”

„Ja,” hernam Karel, die zich in de beduiding van die deelneming vergiste. „Maar, ik hoop, dat die Javaan niet veroordeeld zal worden.”

„En uwe.... genegenheid voor het lieve meisje is.... wel groot?” vroeg „Willem aarzelend.

„Sedert heb ik herhaalde malen gelegenheid gehad, zoo als Eduard u verhaalde, de lieve Anna, nu eens bij de familie Zuidhoorn, dan weer bij den militairen kommandant, dan weer bij hare ouders aan huis te ontmoeten, om een woord over die ongelukkige politiezaak te wisselen, en telkenmale kreeg ik sterker en sterker bewijzen van....”

„De onschuld des Javaans?” vroeg Eduard van Rheijn ietwat spottend.

„Neen, van de goedheid van haar hart, van het edelaardige harer ziel, van het eenvoudige en degelijke van haar karakter, en.... waardste vrienden, de bekentenis moet er uit: ik ben geheel en al onder haren betooverenden invloed.”

„Dat is zeer treurig!” herhaalde Willem Verstork hoogst ernstig.

„Maar, voor den drommel, wat dan is zeer treurig?” vroeg Karel driftig.

„Die genegenheid, beste vriend. Gij bereidt u eene vreeselijke toekomst voor.”

„Maar, waarmede dan?”

„Vriend, ik verzoek acht dagen uitstel, om deze uwe vraag te beantwoorden.”

„Het is alsof het een vonnis in een strafrechtsgeding geldt!” zei Van Nerekool neerslachtig. „Waarlijk, gij beangstigt mij. Zeg mij toch....”

„Aanstaanden Zaterdag, Karel, komen wij weer zamen... en, vertrouw op mijn woord, dan zal ik u antwoorden.”

Welke pogingen Van Nerekool ook aanwendde, er was verder niets uit den geheimzinnigen controleur te halen. Karel moest zich met de gedane toezegging vergenoegen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

X

UNE INVITATION À LA CHASSE, EN UNE INVITATION À LA VALSE.

Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden; evenwel niet op de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch van meening geweest den volgenden Zaterdag als naar gewoonte naar Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te blijven. Dat zou geheel anders toegaan.

Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel van Nerekool en Eduard van Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen.

„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het vriendentweetal. „Ik ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta, om ook eens als gastheer op te treden.... Als gastheer?.... Ik geloof, dat mijne pen mij daar parten speelt.... Ja, parten! Want.... om als gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats gastvrijheid..... neen, neen.... gastvrijheid dat is het niet, wat ik meen,... moet gastmildheid bewezen worden en, hoewel gijlieden mijn nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor lief zoudt nemen, zoo is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder dak zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi” (rijst) met „sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout) zult machtig worden. Een mooie invitatie! hoor ik u beiden pruttelen. Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen zult. Luistert:

„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden van de bewoners mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd. Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het tooneel hunner nachtelijke verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van die geduchte stroopers eene schuilplaats te vinden in de wildernissen, die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang, eene woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en zijn de dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden daarvan, evenwel op een afstand van ongeveer vijf palen van elkander, de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte, die naar zee voert, gelegen.

„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk gedierte te zuiveren, door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene klopjacht te houden. Andere dagen kan ik niet; mijne werkzaamheden verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij, en die zult gij gewis niet afslaan.

„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono” (Inl. districtshoofd) voor mijne vrienden, die de jacht zullen bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken er op, dat gij beiden zoo tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen, dat gij een uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige terrein en te midden van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat gij tegen drie uren te paard kunt zitten. Als gij nu de vurige dieren den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen zij hunne zes palen wel in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent. Is dat afgesproken?....”

„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof zij den briefschrijver te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten hooren.

„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn, „en het zal niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te nemen....”

„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe vuurwapens, dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de tjellengs zijn, wanneer zij in hun leger opgespoord worden, volstrekt geene te verachten vijanden. Behalve uwe geweren, zijn revolvers of ten minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd kan worden, onontbeerlijk....”

„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik een jachtgeweer, maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes) of musschen te schieten. En revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar aankomen.”

„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo heeft eene fraaie repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih” (plaatsvervangend regent), [72] Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s met centrale ontsteking. Gaarne zullen zij u die wapens leenen.”

„Ik zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten” (regentswoning) te brengen.”

„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche hoofdambtenaren zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij komt er zeker ook, nietwaar?” vroeg Eduard leuk.

„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou ik....”

„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten voorbijgaan,” viel hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die wapens vragen. Dat bespaart u eene vervelende visite bij die Javaansche grooten. Maar....”

„Wat, maar?”

„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?”

„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle schietoefeningen deel, en had den naam van een goed schutter te zijn. Wees gerust.”

Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht. Zoowel in de ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo, alsook in de zijvertrekken van de statige woning, schitterden rijke kronen, die met hare talrijke gasvlammen, door matte ballons getemperd, die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden, en hare stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den bloemenhof, die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen, een wedstrijd aangingen, die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin overgoot alles met haar getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en bladeren, liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het halfdonker iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld. De gasverlichting daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin wel alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen vinger aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte, waarmede de natuur-verlichting alles overgoot. Die rosse kring verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid van den stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te vervalschen; de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de overwinning, hoe verder het oog waarde, totdat zij onverdeeld heerschte en alles omhulde.

Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van Kanarie-boomen [73] uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh voerde. In dit uur, van uit de voorgalerij gezien, vertoonden zich de gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten, als groote vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den breeden, goed onderhouden grintweg de meest grillige licht- en schaduwbeelden vormden, als het ware krijgertje speelden.

In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene, blauwe, gele, bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat waren de rijtuigen van hen, die de dansreceptie zouden bijwonen, en met hunne lantaarns met verschillend gekleurde glazen hunne nadering te kennen gaven.

De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des huizes stond een oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te overzien.

„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich zelve, „is het rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat rijdt voorop. En dat blauwe, dat van den heer Zuidhoorn, en dat violette van.... Ah! daar heel in de verte, dat groene.... Ik moet weg.... Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.... Ik ben evenwel blij, dat Van Nerekool komt.... Hij mag mij evenwel hier niet op den uitkijk zien staan.”

En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing van den kapala oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte naderden, de binnengalerij ingetreden waren, en nam aan de zijde harer moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende gasten te ontvangen en te beantwoorden.

De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was eenvoudig in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering gekleed, hoewel de pajoeng-standaard opzichtelijk genoeg aan het uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de balustrade om een blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden, drentelden een paar „pradjoerits” [74], in groot tenu gekleed, op en neer, met het geweer over den schouder, en regelden hun heen en weêr wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij ontmoetten, daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne bajonetlemmen tegen elkander tikten, welk geklikklak den resident blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk. Hij liet althans een welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl hij met een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging voor zijn persoon betuigen moest:

„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!”

Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel tijdelijk opgeslagen. Ook daaraan wijdde hij een blik. De muzikanten der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu gekleed, waren reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen op de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een genadige hoofdknik tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van den gewestelijken bestuurder te kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en dochter terug.

„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t zicht.”

De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid gelijk, voor een sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe voor een kostbaar Japansch schutsel geplaatst, met in de eene hand een sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen, terwijl aan den pols van de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde, waarmede zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed in een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden harer welgevulde vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een minder dan bescheiden omvang was teruggebracht, hetgeen in de beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen, en achter op den rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit albast gemodelleerde schouders en haren boezem ontwaren, die Venus Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen maken. Nog een streepje lager, dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben kunnen bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten. Hare donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het fraaie hoofd, door middel van een prachtigen diadeem van schitterende diamanten opgehouden; terwijl eene menigte bevallige krulletjes over het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo fonkelende donkere oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten. De hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk, hetwelk haar ’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten dergelijke armbanden, in den vorm van fijn geschubde slangen van oud goud, met diamanten in den mond en met diamanten oogen, als zij zoozeer bij de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den uitroep van „betoel, njonja mahal!” afgeperst had.

Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel van hare moeder onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest, zich gedecolleteerd te vertoonen, welke machtspreuken Laurentia daartoe aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar japon van rooskleurige zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin besloten, die volgens de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid gemodelleerd werden. Van juweelen had het lieve kind een afkeer. Eene eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide in de donkere haargolven, die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst ontluikend knopje eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele tint den blik verlokte en de gedachten verstrooide, waar die, bij zoo eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk afgeronde buste, een te wilde vlucht namen.

„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene partij verschijnt,” sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij het toilet harer dochter met sarcastisch oog monsterde. „Uwe gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor de dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.”

Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in zooverre waar, dat de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne, geheel en al den smaak van mevrouw Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor een wit voetje bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan had. Wat ook van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker, dat het mademoiselle Hélène Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd, te bezoedelen, als haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder zou Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. Daar weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een paar seconden later, vertoonden zich een aantal jongelieden van verschillend ras, met blanke en met bruine wangen, met blonde lokken en met zwarten haardos, zwaar geolied, en in stijfheid met pijpestelen wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde halzen, en den gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest, zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak moesten bijzetten, maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn bij de gaffel in de hand klaar te staan, waardoor hij in zijne eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle markten thuis moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer onverhoopt dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden zij, om hun compliment bij de residentsfamilie af te steken, waarbij zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar verwierven, en een vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen met eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot feestcommissarissen ridderde:

„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia met aanmoedigende stem en innemenden glimlach.

„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident.

Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige aanbeveling, toen Laurentia plotseling uitriep:

„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!”

En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte zwerm stoven de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal hunner weer de binnengalerij in, terwijl zij den arm geboden hadden aan de gade van den assistent-resident van politie en hare twee dochters, lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren oud.

„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone Laurentia met hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw aangekomene greep, haar naar zich toe trok, en een kus op het voorhoofd drukte.

Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst.

„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik had niet durven hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn vertelde mij toch heden ochtend, dat een uwer jongere kinderen ziek was.”

„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw Meidema. „Een lichte verkoudheid anders niets.”

De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog voor de vrouw en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk met zijn chef.

Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna van Gulpendam in het oor gefluisterd:

„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.”

„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd.

Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk. Want na de familie Meidema verschenen anderen, die zich om de residents-familie verdrongen, ten einde die hare hulde aan te bieden. Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke macht, de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het garnizoen, de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de residentie, en allen vergezeld van de vrouwelijke leden van hun gezin, die de jaren bereikt hadden, om aan den dans deel te kunnen nemen. Daar verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de hoofd-„djaksa” [75] Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en allen met hunne radhen ajoe’s. [76] Daar verschenen de majoor der Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat Kong, en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing, de opiumpachter te Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die allen wemelden om het drietal der residents-familie, hetwelk voor de reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen en geknikt en geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen gesproken; inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die uitingen, die welwillendheid moesten te kennen geven, inderdaad het uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens waren, dan zou Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de schutterijmuziek de ouverture van La Dame blanche ten gehoore gebracht, hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar niemand er naar geluisterd had.

Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid, bewierookt en becomplimenteerd had, gaf de resident een teeken, dat door een der gedienstige geesten in de voorgallerij herhaald werd, waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij bewogen. Het was een deftige optocht, die veel van een defileermarsch had, waarbij de critische oogen der dames elkanders toiletten vinnig monsterden. De resident had zich aan het hoofd van den stoet gesteld, gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk op hen volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl de chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde. Dit was onze Van Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de polonaise de zoo opwekkende invitation à la valse weerklonk, en de oude geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden Anna en Karel door de binnengalerij. Het was een lust om het jonge paar te zien, het genot straalde beiden de oogen uit.

„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de wals, „nieuws omtrent Ardjan.”

„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld.

Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den jeugdigen rechtsgeleerde ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend gelaat te lezen.

„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat nu al vergeten? O, die mannen!”

„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van Gulpendam?”

„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool....”

„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool....”

„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam....” snapte het jonge meisje.

„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of nog korter: Anna, lieve dierbare Anna?”

Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen woord, maar hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk zijn. Een lichte druk, die onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den overgelukkige opgevangen. Hij hield haar leest met de rechterhand omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn blik op het aanminnige gelaat gevestigd was.

Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort.

„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?”

Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds ontwelde aan hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een bedwongen zuchtje, dat haar ontsnapte, maar den dienst van sluier moest verrichten, door hare schuchterheid aan het onuitgesproken antwoord verleend. Ja, maar,... het kon ook eene beklemde ademhaling geweest zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de onhandigheid, verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in laatstbedoelde beteekenis op.

„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats brengen?”

„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet vermoeid. Laten wij voortdansen.”

Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk.

„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den maalstroom van dansers en danseressen meetroonde.

„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?...”

Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op.

„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!”

Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder.

„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij hartstochtelijk voort, „ik bemin u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal wezen, wanneer ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde kunnen rekenen?”

Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik; maar het gold hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te eerlijk en openhartig gemoed om, wanneer het hare beginselen gold, hare gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar toch volkomen hoorbaar voor hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!”

Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij voort op de maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte, waarin zij, als in elkander opgegaan, zich eenzaam bevonden als een eiland te midden van de woelige golven van den grooten oceaan. Maar zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was er geweest, alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van zijn schat had willen nemen.

„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij van oneindige beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen formeel aanzoek doe om uwe hand bij uwe ouders?”

Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde zij:

„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne......”

„Karel heet ik, lieve Anna.”

„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa niet van u houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.”

„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?”

„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie. Hij noemt u een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het niet ver in de wereld zal brengen.”

„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?”

De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach.

„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het goede, met het schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben ik! Maar, zou het waar zijn, dat ik een onpractisch mensch, een droomer ben, die het niet ver in de wereld brengen zal? Mij dunkt, dat ik in dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht te bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij naar het hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken; maar ook, dat ik bewijzen lever, ik, wel verre van te droomen, behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij niet, lieve?”

Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te verdragen had gehad, was het antwoord op dat beroep.

„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader zoo afkeerig te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in weerwil dat hij zou zien, dat uw geluk daarmede gegrondvest werd?”

„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden, hinderpalen zullen ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.”

„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe liefde, op uwe standvastigheid. Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge, niets ter wereld zal aan mijne liefde voor u afbreuk kunnen doen! Zelfs de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog verhoogen....”

De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet Anna’s middel los, en bood haar den arm aan.

„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus morgen een bezoek aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren belet laten vragen. Dit is afgesproken, nietwaar?”

Zij knikte met een bevalligen glimlach.

Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden zij zich op een gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot de almede rijk verlichte pandoppo verleenden. Verscheidene paren, groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door, om zich naar den prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis uitstrekte, om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte te genieten. Anna en Karel volgden die beweging, en weldra bevonden zij zich te midden van de sierlijkste planten en struiken, die de keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in den bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol als een kunstenaarsgedachte slingerden.

„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen opgemerkt te hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te deelen..... Ik ben weer dadelijk bij u.”

Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn met den geliefde des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming toegefluisterd had? Of wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om de geheime mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die deelgenoot te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen, ongeduldig als het ware om het voor het volle licht te laten treden? Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van Nerekool weerhield haar met zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte, tegen zijn hart drukte.

„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,” sprak hij fluisterend, alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne woorden mocht verstaan, „om te vernemen wat Mathilde te vertellen heeft. Dit uur behoort mij.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XI. IN DEN RESIDENTS-TUIN

De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de kruinen van het hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig uitgeknipte schaduwbeelden, die, onder den invloed van de zachte bries, die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele paden of op de liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een groep Tjemårå’s, [77] sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst met de westersche lorkenboomen hebben, maar fijnere naalden dragen. Die stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een uiterst fijn kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij dichterlijke zielen van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou gezegd hebben, dat op die plekken, waar dat gezeefde licht ontwaard werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend om straalbreking of schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving.

In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden allerwege paartjes ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde heeren, die allen de frissche avondlucht opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het heerschen van het windje, dat zacht ruischend door de naalden der Tjemårå’s voer.

Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de Traviata ten gehoor. Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste bedrijf voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de erkenning van de gevoelens, die hen doortintelen, komen, toen de vertolking der woorden:

„Un jour, l’âme ravie, Je vous vis si jolie, Que je vous crus sortie Du céleste séjour. Était-ce donc un ange, une femme, Qui venait d’embraser mon âme? Las! je ne sais encor.... mais depuis ce beau jour, Je sais que j’aime d’un pur amour!”

zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest van zijne Anna, terwijl zij een boschje van Pandan rampeh gedeh [78], dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring daarstelde, omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een oogenblik ongezien te vertoeven.

„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die ik straks sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller oog op ons gevestigd was.”

Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm.

„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”

Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan zijne mannelijke borst.

„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn, steeds dezelfde lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de hoogste zaligheid wezen! O, mijne Anna, laat ik u mijne liefde, mijne onverdeelde liefde betuigen.”

Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij zij bekoorlijk het hoofdje op zijn schouder liet rusten.

„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo lief hebt? Zeg, bemint gij mij, dierbare?.... O, ik weet het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God, o, herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!”

Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar ontsnapte, terwijl zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof het tot het wonderlijk akkoord van de bries in de Tjemårå-naalden behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond.

Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover.

„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die liefdesbetuiging, die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.”

En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten twee paar lippen op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een knoop, waarbij twee harten en zielen voor dit kortstondige leven aan elkander verbonden zouden worden.

Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en in elkanders blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl hoog boven hen de breede Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl de bries door de naburige Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en terwijl daar ginds de cornet à piston herhaalde:

„... Mais depuis ce beau jour, Je sais que j’aime d’un pur amour!”

Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke bladzijde uit hun levensboek! De schoonste wellicht!... Helaas! het ontwaken was nabij.

„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn kind?”

Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden verschrikt deed opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke vrouw het geheele tooneel overzien. Met innemende stem ging zij voort:

„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze laan volgt, zult gij haar voorzeker ontmoeten.”

En toen hare dochter aarzelde:

„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn arm aanbieden, zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven. Ga gerust.”

Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige vriendelijkheid uitgesproken, ontzetten het meisje diep, en deden haar met een angstig voorgevoel heenijlen.

„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van Gulpendam tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij uwen arm aan te bieden.”

Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het hart zat hem evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had.

„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer verlicht en minder geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden niet zult te vertellen hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette. Foei, mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u...”

Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo kalme, welluidende stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij waren van achter de Pandanstruiken te voorschijn getreden, zoodat het volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts door een tullen kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de jonge man gedurende een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer opende, ontwaardde hij den diepen, donkeren blik van de schoone Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te raden, welke het gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige en voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was aanmoedigend.

„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene onwelkome gedachte verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat ik met mejuffrouw Anna eenigszins afgezonderd in den tuin wandelde...”

„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan.

„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij mocht meenen, dat wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden, dan...”

Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan.

„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach.

„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.”

„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij met iets sarcastisch in hare stem.

„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij, vóór dat oogenblik, of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij nooit een woord van liefde gewisseld...”

„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem met een spottenden glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede aanneembaar, dat twee jongelieden van beiderlei kunne elkander in een verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden van toegenegenheid, of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel is?”...

„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer onwaarheid,” viel Karel op zijne beurt met eenige drift in.

„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest... O,” ging de behaagzuchtige vrouw met zacht dwepende stem voort bij die herinnering aan die jeugd, waarvan zij noode afstand deed. „O, toen ik negentien jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij eene schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had ik een even speelschen geest...”

Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter.

„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,” ging zij met eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met meer kracht dan noodig was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht noodig om te bespeuren, dat Anna mij geheel gelijken zal...”

Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar vervoerde.

„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van het gelaat der schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte liet glijden, „het is te voorzien, dat juffrouw Anna in volmaaktheden en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen...”

„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,” meesmuilde zij met gekunstelde lieftalligheid.

„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te beduiden heeft? Ik vat niet...”

Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over de schouders daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep haar niet. Dat was duidelijk. Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een zucht.

„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde ademhaling min of meer onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar constateeren, dat ik ook jong geweest ben....”

„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant.

„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia met een glimlach van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar dat gebeurde in het volle licht, in het bijzijn mijner ouders, en niet in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.”

„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool heel ernstig. „Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts enkele malen, daarna drukker en drukker. De reden daarvan kan u als schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had uwe dochter leeren kennen en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde, hoe dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste bezoek getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde weldra, dat mijn geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar.... boezemde ik ook al juffrouw Anna geen antipathie in, meende ik ook op uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen, zoo bemerkte ik toch alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet verworven had, ja dat ik hem letterlijk tegenstond. Dat gevoel was hij, in weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen, niet altijd in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij eenigermate af. Van eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat mijn inkomen nog niet groot genoeg is, om een huishoudentje, hoe bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel onkundig liet van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen woord ontviel....”

„Maar, mijnheer Van Nerekool....”

„Laat mij uitspreken, mevrouw.... Mij daaromtrent geen woord ontviel, tot heden avond, toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat ik zoo lang, zoo trouw en zoo zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis mijner liefde geene afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder van uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen hier in den tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het betooverende van de stille natuur in deze heerlijke omgeving, door het verleidelijke van de hartstochtelijke muziek, die weerklonk en een echo in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen, den reinen engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons liefdeverbond, dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden, met een kus zoo rein, als de engelen in den hemel slechts wisselen kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos, het goddelijke nabij!”

Karel van Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat was de taal niet der conventioneele gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek onzer dagen gekweekt, als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het samenzijn een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit Georges Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden kwamen uit het onverdorven hart voort, en misten hunne uitwerking niet op de schoone begeleidster, die hij nog steeds aan den arm had. De gevoelige Laurentia sloot onder den invloed, dien zij ondervond, de oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel heerlijkheid. „Had Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en door.... En.... Maar, zij?.... zij?....” ging zij in haren gedachtengang voort. „Was zij van die euvels vrij, die haar nu als gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?” Een oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik nam het betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts; want daarna bekroop haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht jegens hare dochter. Een zweem van afgunst doortintelde haar, dat hare Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou kunnen worden, die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk gelooven. Hare geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te zijn, dat iedere liefde, iedere genegenheid van twee personen van verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken hartstocht, de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en liefde waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip van had, slechts als eene prikkeling te meer der zinnelijkheid beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd werden. Onder den aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de sarcastische woorden:

„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat Pandan-boschje! Wil ik u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk, mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts is de uiting van den aandrang naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale beteekenis kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?”

„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in zijne stem, „maar ik ben nog jong en onbedreven....”

„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord.

„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen met woordspelingen. Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het. Ik heb geen verstand van die verschillende genegenheden, die in de wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als de stalen van een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene genegenheid voor het hart, eene voor het hoofd, eene voor de zinnen. Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend; maar vooral is die liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij! Ik had gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder van haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn geheele wezen, en gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van min edele bedoelingen geheel vrij is.”

Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die vooropgestelde beginselen van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo iemand geen lichtzinnig spel te spelen was.

„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij vergetende, dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden, en dat zij het gesprek op het terrein gebracht had, dat haar thans onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl gij Anna op eene eenzame plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de lippen druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde denken? Is hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen? Komt zoo’n gedrag te pas, wanneer de ouders van het meisje van die genegenheid niets afweten?”

„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns ondanks ons verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik slechts betreuren, dat gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk van mijn karakter hebt. Maar, dàt mag mij nu niet meer weerhouden. Ik sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen belet bij u en den resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter te vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het verzoek, hetwelk ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe welwillende tusschenkomst bij den heer Van Gulpendam te willen verleenen.”

Bij dat aanzoek was Karel van Nerekool blijven stilstaan, had den arm van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich verder naar haar gewend, en haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik aangekeken. Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening te werk ging; maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden van eene ijle schaduwplek, door een groepje Tjemårå’s geworpen, en verleende deze, terwijl zij den omtrek van den bodem als met eene uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde krullen, welke zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige gestalte ten gunstigste deed uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als ware kenster van mannelijke volkomenheid, eene bewonderenden blik op den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij dien had kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen. Gelukkig dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de realistische vrouw werd afgeleid door de nadering van een paar zonen van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig loopende laan voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en zwaarwichtig plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing Gwan, de majoor der Chineezen te Santjoemeh, en de opiumpachter babah Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje in den tuin kwamen scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest vonden.

„Alleen de naakte armen, schouders, enz., van die „njonja njonja en nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak de pachter met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met zoo’n vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die schepsels welgemaakt zijn. Maar, wat streken van de echtgenooten en vaders van die wezens, om met die dingen te pronken, en wat schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich zoo in het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei).

„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange grijze knevels, welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend, haast eerbiedwaardig uitzag, met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters zoo gekleed of beter ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.”

„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die...”

„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met den toean „rakker njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij met dien te verhandelen mocht hebben?”

Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van zijn zoon Lim Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn gesprek met den resident. Van Nerekool behoorde toch tot de rechterlijke macht.

Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak gehoord; evenwel het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van den opiumpachter, dat eene herinnering aan Lim Ho en aan hare afspraken met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel bij haar zegevieren, en alle andere hartstochten zwijgen.

„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is niet zoo erg tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is alleen op practische menschen gesteld.... Laat mij uitspreken en val mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te lang.... De wereld mocht eens meenen.... maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?....”

Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar met iets vreemds in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen.

„De resident is op practische menschen gesteld en.... vergeef mij,” ging zij na eene lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische menschen niet!.... Neen,.... kijk mij zoo niet aan.... Gij beweegt u nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven ver verwijderd is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit die droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij nimmer carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot loopbaan verkozen hebt. Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er bestaan kan, en die het meest van droomerijen afkeerig is.”

Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene zekere onrust voelde opkomen, die hij ternauwernood vermocht te bedwingen.

„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia met innemenden glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare woorden met een nadruk uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe zaak bij den resident bepleiten, en... wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van zijn, dat Anna de uwe zal worden....”

„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij de hand op zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde bedwingen.

Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart gedrukt, en haar met kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield; want wie weet, welke verandering van inzichten zulk een onbezonnen daad bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht.

„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat enthousiasme. „Ik ben gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij eene belofte doen....”

„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles....”

„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te vertrekken, nietwaar? Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig die ik gaarne tot een gewenscht einde gebracht zag.”

„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den landraad niets te maken.”

„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het voorzitterschap van den landraad bekleed worden, tot de komst van den vervanger van den heer Zuidhoorn. Dat zal eene onderscheiding zijn, nietwaar?”

„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!”

„En... wie weet?... Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan, Ardjan genaamd, die opium gesmokkeld heeft....”

Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O, voorzeker wenschte de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te hulp te komen. Hij meende dan ook in haren geest te spreken.

„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij haar met zijn eerlijk gemoed in de rede.

„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.”

De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep volstrekt niet.

„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een smokkelaarsfamilie,” ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden nog betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke menschen moeten streng gestraft worden, hoort ge?”

„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de smokkelarij betreft, is....”

„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool? Diefstal van ’s lands penningen, diefstal uit den zak der belastingschuldigen!”

„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel behoorlijk bewezen?”

„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat er een soort komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den opiumpachter, in verdenking te brengen. Den zoon van den opiumpachter! die met zijn vader het grootste belang er bij heeft, dat de smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!... Het is eenvoudig bespottelijk!.... Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene aanklacht bij den landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan Ardjan met karbouwenbladeren hebben laten geeselen. Maar, nietwaar, mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen en bedrog weten te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche aanklagers onschadelijk maken!...”

„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk voorzitter van den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet zal volvoeren. Wie recht heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf heeft verdiend, zal haar niet ontgaan. Ik ben eenigszins op de hoogte van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde verzet van Ardjan’s vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee Javanen, vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen....”

„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van Gulpendam.

„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de resident heeft gelijk; gij zijt geen practisch man.”

„Mevrouw....”

„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u bereikbaar. Bedenk u wel!”

„Maar, wat eischt gij van mij?”

„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er minder op aan. Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste oord ware wellicht het meest verkieslijke.”

„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.”

„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,... of geen voorzitterschap van den landraad! Doen wat ik wil,... of geene Anna!....”

Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn geheele gemoed kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone verleidster los, en, zonder zich te bedenken, siste hij eer dan hij sprak, gejaagd:

„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen dien prijs, tegen den prijs van mijn geweten, dat nooit!”

„Nooit?”

„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam. Maar, het is geen ernst, nietwaar mevrouw?”

„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?”

„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij boven alles dierbaar. Vaarwel, mevrouw!”

En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den tuin in, naar de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste opgewondenheid rondgedoold te hebben, trad hij de binnengalerij weer binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar riep.

„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het navolgende te vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt, Ardjan’s zaak reddeloos verloren is. Al de getuigen zijn verdwenen of omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.”

„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?”

„Van mij, mijnheer Van Nerekool.”

„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?”

„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort zoo bij het vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het eenige, wat ik er bijvoegen kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb, is: doe er uw voordeel mede.”

Daarop boog zij en ijlde heen.

Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn gesprek met mevrouw Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog naar Anna rond, die echter als dochter des huizes aan tal van vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel het gelaat van het lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel een glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te lezen vermocht, duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat gezicht had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral, daar hij het niet meer wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook zijn hoed op, nam afscheid van den resident en zijn echtgenoote, en was weinige minuten later buiten.

„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone Laurentia, terwijl hij voor haar boog.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XII. ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER

Het was niet vroeg meer, en de zon stond reeds hoog aan den hemel, toen het echtpaar Van Gulpendam den volgenden ochtend aan de onbijttafel zat. Wel was de resident volgens gewoonte vroeg op geweest; de dames evenwel hadden een gat in den dag geslapen. Toen eindelijk Laurentia verscheen, vond zij haren echtgenoot reeds in zijn lichtblauwen ambtsrok met zilveren knoopen, waarop het Nederlandsche wapen prijkte, met een papier in de hand aan tafel gezeten, en overigens vrij nurksch gestemd.

„Eindelijk!” riep hij.

„Wat eindelijk? beet zij hem toe. „Dat ’s zeker mijn goeden morgen!”

„Wel mogelijk,” antwoordde hij knorrig. „Is dat een uur om te ontbijten? Ge weet, dat ik zeer vele bezigheden heb.”

„Waarom hebt ge niet vooraf ontbeten?”

„Waarom? Waarom? Dat is ulieder stopwoord altijd. Het is u overbekend, dat ik ongaarne alleen aan tafel zit.”

„Dan hadt ge Anna kunnen roepen. Die zou u trouwens nieuws te vertellen gehad hebben.”

Het scheen, dat de schoone Laurentia, na het eindigen van het feest den tijd niet genomen had, om haren echtgenoot op de hoogte te brengen. Zij had het ook als gastvrouw zoo druk gehad! En daarbij geen enkelen dans overgeslagen! De Santjoemehsche jongelieden waren verrukkelijk geweest.

„Anna!... Anna!” knorde de resident. „Die zie ik nu nog niet. Kun jullie vrouwen dan nimmer eens door den wind gaan, zonder den volgenden dag in katzjammer te liggen? Maar,.... wat is er met Anna? Welk nieuws zou die mij te vertellen hebben?”

„Och, dat zij dat zelf maar doet.... Anna!... Pangil nonna!” (roep de juffrouw) wendde Laurentia zich tot Dalima, die de pandoppo binnengetreden was.

„Nonna sebantar sedia, nja!” (De juffrouw is dadelijk gereed, mevrouw) antwoordde de baboe.

„Maar wat intusschen? Wat heeft zij mij te vertellen?” herhaalde Van Gulpendam.

„Och, ik laat haar liever zelve verhalen, hoe zij zich gisteren avond in den tuin door Van Nerekool heeft laten omarmen. Zeg gij mij liever, welk papier gij daar in de hand hebt. Gij weet, dat ik niet van paperassen aan tafel houd. Die hebben ruimte genoeg, en daarenboven volkomen verlof om op het kantoor te blijven.”

Van Gulpendam had het nieuws van het gebeurde met zijne dochter koel aangehoord, zoo koel zelfs, dat het zijne echtgenoot schier vertoornde. Daarom had zij ook eene afleiding gezocht, en bezigde daartoe dat onnoozele papier. Hij antwoordde kalm maar wrevelig:

„Dat is een telegram, die ik zoo even ontvangen heb en mij zeer ontstemt.”

„Een telegram?”

„Ja, uit den Haag. Kijk, gisteren avond ten negen uur bezorgd, en heden ochtend om acht uur reeds hier.”

„Ge drukt zoo op dat reeds, alsof dat vlug was. Ge herinnert u toch nog den brief van Amy, toen wij haar met haar engagement gefeliciteerd hadden. Onze telegram werd des morgens te elf uur op het telegraaf-bureau te Santjoemeh bezorgd, en zij schreef ons, dat zij dienzelfden ochtend ten negen uur onze felicitatie in handen had. Dat’s vlug, ja vlugger dan vlug, dunkt me.”

„Ik heb u al uitgelegd, Laurentia, dat de oorzaak daarvan in het lengteverschil gelegen is.”

„Jawel, jawel! De zon draait.... neen, de aarde draait zoo, en.... jawel, dat weet ik. Maar dat belet niet, dat het vlug was. Een telegram nog vroeger te ontvangen dan hij zelfs geschreven was. Maar wat behelst die telegram uit den Haag, die u zoo ontstemt.”

„Och, wat hebben vrouwen daar verstand van?”

„Maar nog eens. Vertel op. Van wien is hij?”

„Van mijn broeder Gerrit.”

„En wat behelst hij. Laat mij niet zoolang wachten. Dat is niet galant.”

Van Gulpendam glimlachte vreemd bij dat woord galant.

„Van de voordracht voor den Nederlandschen Leeuw kan niets komen. Tenzij....”

„Tenzij?” vroeg Laurentia uiterst nieuwsgierig.

„Tenzij de opiumpacht in de residentie Santjoemeh meer opbrenge! De begrooting van den tegenwoordigen minister van Koloniën valt niet in den smaak. Men rekent op een paar millioenen meer van dat middel.”

„Men?... Men?... Wie is die men?”

„Wel.... Sidin toeroen lajer,” (Sidin laat de zeilen neer) beval de resident voorzichtig. „De zon hindert zoo door die jaloezielatten. Wie die men is? Wel de regeering, de ministers, de Tweede Kamer.”

„Is het niet anders?”

„Niet anders?.... Weet gij wel, dat de opiumpachter reeds meer dan twaalf ton jaarlijks aan pachtschat betaalt?”

„Welnu, dan zal hij bij de volgende verpachting voor vijftien, voor achttien ton inschrijven!”

„Gij spreekt er gemakkelijk over.”

„Wanneer is die verpachting?”

„In de maand September van dit jaar.”

„Laat dat nu maar aan mij over.”

„Ja, maar....”

„Geen muizenissen.... De Javaantjes van de residentie zullen ieder maar wat meer opium rooken, en.... gij zult het „bertes knabbeldat” of hoe heet gij het?”

„Virtus nobilitat.”

„En gij zult het virtus nobilitat op de borst dragen; maar ik zal het verdiend hebben.”

„Hoe?”

„Dat is mijn geheim, Gulpie. Gij zult zien, de opiumpacht vier of zes ton meer. Dus geene muizenissen voor den tijd. Laat ons nu over iets anders spreken. Hoe komt het, dat gij het gebeurde met Anna en Van Nerekool zoo kalm opneemt?”

„Kom, laten wij maar ontbijten; Anna komt nog niet, en ik heb geen tijd.”

„Goed, wij zullen ontbijten; maar dat zal u niet verhinderen mij te antwoorden, nietwaar?”

„Dat niet,” knikte Van Gulpendam.

„Kassi koppie! nènèh!” (geef koffie nènèh) beval Laurentia aan hare lijfmeid Wong toewa.

Toen de twee geurige koppen voor het echtpaar stonden, en ieder hunner zich een sneedje brood geboterd en met een laagje dun uitgesneden „dageng assep minjagan” (gerookt hertenvleesch) bekleed had, vroeg de nieuwsgierige vrouw:

„Welnu, Gulpie?”

„Wanneer ooit de poging, om de opiumpachtschat in deze residentie te doen rijzen, slagen zal, dan zal ik waarschijnlijk de hulp van Van Nerekool noodig hebben.”

„Zijne hulp? Bij de opiumpacht?” vroeg de schoone Laurentia met loozen glimlach, alsof zij niets begreep.

„Luister. Wanneer Lim Ho in de zaak van Ardjan mocht veroordeeld worden, dan zal noodzakelijk zijn vader Lim Yang Bing van de mededinging uitgesloten moeten worden.”

„Waarom dat?”

„Om het geschreeuw der dagbladschrijvers den mond te snoeren. Welke keel zouden die opzetten, wanneer den vader van den schuldige aan opiumsmokkelarij en aan mishandeling de pacht gegund werd! Het zou nog sterker klinken, dan het spektakel bij het gangspil, als het anker gehieuwd wordt!”

„Zou men zich te Batavia aan dat gekef storen?”

„Ja en neen; men zal slechts minachting voor de schreeuwers over hebben, men zal schouderophalend met Préault prevelen: „dagbladen zijn de wereldgeschiedenis omgezet in gezanik;” maar toch uit een gevoel van zelfdekkerij een onderzoek gelasten.”

„Wat gij zelf zoudt houden, nietwaar?”

„Jawel; maar als intusschen de Nederlandsche pers met hare schreeuwzuster in zou gaan stemmen!”

„Och, die is nog al mak op het chapiter opium. Die doet slechts mede, wanneer zij daartoe genoodzaakt is.”

„Jawel; maar men weet nooit welken kant een dobberend sloepje uitgaat, ook niet welke intrigues in het spel kunnen komen. Als Lim Ho veroordeeld werd, dan zou het zeer wenschelijk zijn, dat zijn vader zich van de pacht onthield.”

„Maar, hij is de rijkste van de Chineesche kongsie.”

„Dat weet ik wel.”

„En hij geëcarteerd, dan daalt de pacht, in stede van te klimmen.”

„Zeker.”

„En dan is uw bertes knabbeldat naar de maan!”

„Juist!”

„Maar,.... dan mag Lim Ho tot geen prijs veroordeeld worden,” zei Laurentia met een sluwen glimlach.

„Zeer goed gezien! Daartoe heb ik evenwel Van Nerekool noodig. Als die onze schoonzoon werd, of hem de voorspiegeling daarvan slechts gedaan werd, dan.... Ik heb u reeds verteld, dat ik van plan ben, om hem bij het vertrek van Zuidhoorn, den landraad tijdelijk te laten presideeren.”

„Jawel, maar daarvan wil hij niets weten.”

„Wil hij daarvan niets weten?”

„Neen.”

„Hoe weet ge dat?”

„Wel, toen ik gisteren avond de twee zoenenden in den tuin verraste, zond ik Anna heen, en toen....”

„Toen?” vroeg de resident met eenige spanning.

„Toen heb ik hem gepolst.”

„Gepolst? O, die vrouwen! die vrouwen!”

„Ja, gepolst; maar met dien man is niets aan te vangen.”

En daarop verhaalde de schoone Laurentia vrij nauwkeurig het gesprek, dat zij den avond te voren onder de Tjemårå-boomen gehouden had met Karel van Nerekool; maar verzweeg zeer wijselijk, dat, wanneer zij met een losbol te doen had gehad, zij in de verleiding ware gekomen de mededingster harer dochter te worden. Toen dat verhaal geëindigd was, en de residents-vrouw zweeg, herhaalde Van Gulpendam met een zucht:

„O, die vrouwen! die vrouwen! Gij zijt veel te voorbarig te werk gegaan. Hier had gelaveerd moeten worden, in stede van te lenzen. De gelegenheid was wellicht gunstig, een echte zuid-oost passaat; maar gij hebt er geen goed gebruik van gemaakt. Gij zijt met volle zeilen op het doel afgegaan, en zijt de ankerplaats voorbij geschoten.”

„Loop naar den drommel met je laveeren, je lenzen, je passaat, je zeilen en je ankerplaats! en laat mij met rust!” zei de schoone Laurentia, verstoord, dat hare pogingen zoo weinig gewaardeerd werden.

„Maar de zaak is nu bedorven.”

„Er viel niets aan te bederven; met dien lummel is niets aan te vangen!”

Er was iets bitters in den toon der schoone vrouw, toen zij die woorden sprak. Als haar Gulpie de beteekenis van den grijnslach, welke die woorden vergezelde, had kunnen opvangen.... Maar—zou het waar zijn, wat de Fransche realistische school leert: dat er geen verblinder wezens dan de echtgenooten bestaan? Van Gulpendam zag of beter begreep dien lach niet.

„Niets aan te vangen?” zei hij. „Misschien.... Luister Laurtje. Het is na dat gesprek te voorzien, dat Van Nerekool binnenkort, heden wellicht nog of morgen, bij mij aanzoek om de hand van onze Anna zal komen doen.”

„Welnu?”

„Dan zal ik zien, welk land ik bezeilen kan. Wellicht breng ik hem tot andere gedachten, en noop ik hem de noodhaven binnen te loopen.”

„Ik hoop het! maar.... ik twijfel aan het welslagen.”

„Bewerk gij intusschen Anna. Het zou niet onmogelijk zijn, dat Van Nerekool haar nog zal trachten te praaien, alvorens mij aan boord te loopen. Als dat gebeurde, zou dat niet anders dan gunstig kunnen werken.... gij begrijpt mij;.... want Anna moet onze krachtigste bondgenoote zijn.”

„Maar, zoudt gij dan ons schoon en lief kind aan dien femelachtigen lummel willen geven?”

„Als het niet anders kan, ja! Maar dien koers gaan wij nog niet uit. Als maar eerst het doel bereikt is, en wij in den passaat zijn, dan zal er wel gelegenheid gevonden worden, om Anna over stag te doen gaan....”

Laurentia knikte. Wat kenden die ouders nog weinig hun eenig kind!

„En,” ging de resident met cynisme voort, „het verliefd uilskuiken als onnutte ballast over boord te zetten.—Sjt!.. daar komt zij... Goeden morgen, Anna! Hebt gij goed geslapen na die dansreceptie?... He, wat heeft ze het hartje opgehaald! Wat liep dat korvetje van stapel! Geen dans overgeslagen!”

Anna was verbaasd. Haren vader was dus nog volstrekt niets bekend? Want na het gebeurde in den tuin, had zij gemeend slechts ernstige gezichten te zullen ontwaren. Daarin zat wel ietwat de reden, dat zij zoolang in haar vertrek was gebleven. En ziet, zelden was haar vader haar liefelijker te gemoet getreden. Zou mama geen tijd hebben gehad om de wichtige mededeeling te doen? Dat was onaanneembaar! Hare ouders waren reeds lang in de pandoppo; dat had zij wel van Dalima vernomen. En toch.... Zij beantwoordde de lieftalligheid van papa met een hartelijken kus, en wilde tot hare moeder gaan, toen de heer Van Gulpendam zeide:

„Zie zoo, ik heb gedejeuneerd, ik heb mijn morgenzoen. Ik ben klaar. Nu aan den arbeid, die mij wacht! Ik laat de dames bij elkander. Anna, luister goed naar uwe mama. Alles, wat zij u zeggen zal, is alsof het van mij komt. Dag Anna, dag Laurentia.”

En weg ging hij de binnengalerij door naar de voorgalerij, waar hij den secretaris der residentie aantrof, die op hem wachtte. Hij bood dien eene sigaar aan, nam er zelf eene, die hij aan de tali api ontstak, door een oppasser eerbiedig aangereikt. Toen de sigaar goed rond brandde, reikte hij de lont aan den secretaris over, die de bewerking met evenveel zorg en nauwkeurigheid verrichtte; waarna de beide ambtenaren de ruime voorgalerij een poos op en neer wandelden, en de nieuwtjes van den dag en de te verrichten dienstaangelegenheden bespraken.

Intusschen had nonna Anna den gewonen morgengroet met hare moeder gewisseld, had daarna naast haar aan den disch plaats genomen; terwijl baboe Dalima haar van een kopje koffie, dat zij op de aanrechttafel ingeschonken had, voorzag.

„Ennakh, Nana! (zij is lekker, juffrouw Anna)” zei ze met een bekoorlijken glimlach tot hare jeugdige meesteres.

Deze knikte haar goedhartig tot dank toe, nam het kopje, en slurpte met wellust en met kleine teugjes het geurige vocht, waarbij zij bij wijlen het tipje harer tong over de fraaie lippen liet glijden, om als het ware tot den laatsten droppel op te vangen. Toen het kopje leeg was, gaf zij het aan de baboe over.

„Minta lagi, Dalima!” (geef mij nog een) zei zij.

„Engèh Nana,” antwoordde deze, het kopje aannemende en naar de aanrechttafel ijlende.

Anna boterde toen een sneedje brood; maar deed dat zoo langzaam en zoo opmerkzaam, dat het blijkbaar was, dat iets anders haren geest bezighield, en zij zich niet haastte het gesprek met hare moeder aan te vangen. Deze zat stilzwijgend naast haar, en sloeg haar met onafgebroken maar toch welwillenden blik gade. Zij bewonderde de frissche huid harer dochter, die hoewel het jonge meisje een groot gedeelte van den nacht gedanst, en het overige gedeelte waarschijnlijk slapeloos doorgebracht had, er even helder als altijd uitzag; zij bewonderde de slanke en toch weelderige gestalte harer dochter, die onder de sierlijke kabaja verrukkelijk uitkwam en... berekende, in hoeverre die bekoorlijkheden den koelen en bedachtzamen Van Nerekool genoegzaam zouden kunnen boeien, om hem het hoofd te doen bukken onder het juk, dat hem toegedacht werd. Blonk ook al het oog der moeder trotsch en fier bij detailleeren met onbedriegelijk kennersoog van die heerlijke vormen, zoo mengde zich toch eene weemoedige gedachte onder die bewondering. Van der Hoop zei het reeds ruim een kwarteeuw geleden:

„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”

Zelfs een ijverzuchtig gevoel brak zich baan bij haar, wanneer zij aan de edele gestalte van Karel dacht, die haar zoo onbegrijpelijk koel bejegend had. Zou zij de hoop moeten opgeven, dien jonkman, in hare netten te verstrikken, wanneer hij van het verwerven van Anna’s hand zou moeten afzien?... Maar, weg met die beelden, weg met die gedachten! De woorden van haren echtgenoot kwamen haar voor den geest. Zij moest helpen, om den zoon van den opiumpachter te redden, wilde zij de borst van haar Gulpie met het bertes knabbeldat versierd zien.

Zoo zaten dochter en moeder een oogenblik naast elkander. De eene durfde niet spreken en trachtte hare verlegenheid achter haren eetlust te verschuilen. De andere had behoefte hare gedachten te verzamelen, alvorens het gesprek in te leiden. Eindelijk begon Laurentia goedhartig:

„Zeg, Anna, hoe kwaamt gij er toe, gisteren avond met mijnheer Van Nerekool in den tuin te gaan wandelen?”

„Moeder!” stamelde het lieve meisje bedeesd.

„Bloos niet, mijn kind. Ik zag genoegzaam gisteren, wat er gaande is. Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij aan die genegenheid komt. Ik meen toch recht te hebben, Anna, op uw vertrouwen, nietwaar?”

„Och, mama, wat moet ik u zeggen? Het gebeurde is zelfs voor mij geheel onverklaarbaar.”

„Maar, Anna?”

„Ik bemin Karel, ziedaar alles, wat ik weet.”

„Zeg, Anna, hebt gij uzelve wel onderzocht? Zijt ge verzekerd, dat de gewaarwording, die gij ondervindt, dat ernstige en diepe gevoel is, hetwelk de vrouw doet neerbuigen voor den man?”

„Ja, mama!”

„Hebt ge u afgevraagd, of het eene toegenegenheid voor het leven zal zijn, die gij den man wilt wijden, die u voor een oogenblik geboeid heeft?”

„Ja, mama! Want mijne genegenheid is gegrond op het besef van de edele hoedanigheden, die hem van andere mannen onderscheiden. Het is vooral zijn eerlijk hart, dat mij getroffen heeft.”

„Dat alles is wel wuft, Anna.”

„Vindt gij dat wuft, mama; wanneer ik een open oog heb, niet voor ijdele praal, niet voor een vernis van beschaving, maar voor degelijke hoedanigheden, voor vastheid van karakter, voor eerlijkheid van grondbeginselen?”

„Tu, tu, tu! allemaal groote woorden.”

„Zoudt gij mijne genegenheid afkeuren, mama?”

„Afkeuren?.... Ik niet.”

„Ja, ik weet het, papa houdt niet van Van Nerekool.”

Mevrouw Van Gulpendam antwoordde daar niet op.

„Hebt gij hem sedert lang lief?” vroeg zij.

„Ja, mama. Ik heb hem lief gekregen, zonder dat ik het wist.”

„Och kom.”

„Zonder dat ik het bespeurde. Ik verzeker het u.”

„Hoe en wanneer dan toch hebt gij ontwaart, dat gij hem lief hadt?”

„Gij weet, mama, dat hij dikwijls, zeer dikwijls, hier aan huis kwam nietwaar?

„Welnu, ja. Maar, dat is geen antwoord op mijne vraag.”

„Bij die bezoeken bevond hij zich meestal alleen met mij. Nu eens waart gij met uw partijtje bezig; dan eens zaat gij te midden uwer vriendinnen een toiletartikel of de geheimen van een plumpudding te bespreken; een andere maal moest gij als gastvrouw, als de gade van de hoogste autoriteit, de honneurs waarnemen, en u met generaals, kolonels, voorzitters van justitieraden, inspecteurs, enz., enz. bezighouden, en hadt bij al die gewichtige bedrijvigheden geen tijd om uwe aandacht, aan uwe dochter te wijden....”

„Maar, Anna, dat klinkt als een verwijt!....”

„Laat mij uitspreken, mama. Gij hebt mij gevraagd, hoe die genegenheid mijn hart binnen geslopen is, ik wil dat hart voor u blootleggen; gij hebt daar recht op, want gij zijt mijne moeder.... Dan bevond ik mij zoo alleen in die kringen, waarin alledaagschheid, waarin zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid, middelmatigheid en wuftheid den boventoon voerden; ik vond mij dan zoo alleen te midden van die gesprekken, die mij niet boeiden, en van die personen, die mij tegenstonden....”

„Anna! Denk er om. Gij spreekt over het gezelschap uwer ouders.”

„Kan ik het helpen, dat dit gezelschap mij weinig aantrekkelijk voorkomt? Gebeurt u dat niet meermalen ook? Wees openhartig, mama.”

Laurentia antwoordde niet op dat beroep. Zij verslond als het ware hare dochter met hare oogen.

„Ga voort!” zeide zij kortaf, maar toch met zachte stem.

„Dan sloop ik naar mijn piano, gelukkig een overheerlijk middel te hebben, mij aan die menigte te kunnen onttrekken; dan....”

„Jawel, dan verdiepte zich mijne dochter in Beethoven, in Mendelssohn, in Mozart, in Chopin, en ik weet niet in welke spelbrekers nog meer, en verwaarloosde de wereld....”

„En vergat die wereld, die voor mij geen aantrekkelijkheid had, in het rijk der tonen, dat zich voor mij als een paradijs ontsloot!”

„Mooi gezegd,” hernam mevrouw Van Gulpendam met iets vochtigs in het oog; want de zoo gevoelig bewerktuigde vrouw bleef niet koud voor de geestdrift harer dochter. „Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij ontdektet, dat gij Van Nerekool lief hadt.”

„Onder al die wezens, die u daar omringden, waren er maar weinigen, die zich aan het verleidelijke van een quadrille-partijtje, van een redetwist over gedwongen arbeid in heerendienst, of aan een beschrijving van een wit damasten burnou konden onttrekken, om....”

„Om zich om de priesteres der Harmonie te scharen,” viel mevrouw Van Gulpendam met goedhartigen glimlach in.

„Om iets anders te genieten dan die beuzelgesprekken, die een samenzijn van zoogenaamde lieden van de beau monde kenmerken. Onder die weinigen behoorde mijnheer Van Nerekool, of beter, hij was de eenigste. Want, waren er ook andere jonge lieden, die zich een oogenblik om mijn piano schaarden, dan gold dat niet de muziek, die ik vertolkte, nog minder den persoon van de vertolkster....”

„He, he, hoe nederig, Anna!”

„Maar alleen de dochter van den resident, die men wel, ter wille van den vader, de beleefdheid wilde bewijzen, haar een oogenblik te omringen; maar, die men in den steek liet, wanneer het „invallen” klonk, of wanneer eene aanhaling uit het Koloniale Verslag of uit de Java-courant vernomen werd.... Dan bevond ik mij met Karel alleen, en vond in hem een kenner, die gevoelde, wat muziek beteekende! Zoo bevonden wij ons meestal te midden eener groote menigte geïsoleerd, en, zoo vonden onze gevoelens vertolking in de heerlijke tonen, die onze vingeren ontlokten.... Neen, mama, glimlach niet; bij die gelegenheden is nimmer een woord onzen mond ontglipt, dat ons ons hartgeheim kon doen vermoeden. Wellicht zou dat woord immer gezwegen zijn geworden; want ik ben overtuigd, dat Van Nerekool evenmin als ik aan liefde dacht, en wij ons onbewust tot elkander aangetrokken gevoelden. Maar gisteren avond.... gedurende de invitation à la valse is ons ons geheim ontsnapt, en.... mama, gij waart tegenwoordig bij den eersten kus, die tusschen ons gewisseld werd....”

Terwijl zij die laatste woorden sprak, had het lieve meisje het hoofd aan de borst van hare moeder gevlijd, die haar den arm om den hals sloeg, en in de verrukkelijk schoone oogen staarde.

„En nu, moeder, zult gij het uwe dochter kunnen vergeven, dat zij aan de inspraak van haar hart gehoor gaf?”

„Kindlief,” sprak Laurentia met zachtvloeiende stem, „niet alleen, dat ik u vergeven kan, wat heel natuurlijk geweest is; maar, wat meer zegt, er zouden omstandigheden zich kunnen voordoen, dat ik uwe keuze goedkeuren kon.”

Anna vloog op van hare plaats naast hare moeder.

„Mijne keuze goedkeuren!.... Mama.... gij maakt mij overgelukkig!”

En knielende, verborg het lieve kind het gelaat in den moederlijken schoot, terwijl onbedwingbare snikken het tengere lichaam deden schokken. Hare moeder, aan zoo veel hartstochtelijkheid niet gewoon, beurde haar op.

„Bedaar toch, Anna,” sprak zij. „Wat ik zeide, was toch zoo natuurlijk, nietwaar? Waarom daarover zoo te ontroeren?... Zoudt gij dan kunnen denken, dat ik uw geluk niet zou willen bevorderen?”

„Mijn geluk!... Ja, mijn geluk!... lieve, beste mama!... Ja zeker, mijn geluk!” kreet het opgewonden meisje; terwijl zij het gelaat harer moeder met kussen overdekte.

„Kom, Anna,” zei mevrouw Van Gulpendam eindelijk, om de opgewondenheid harer dochter te stuiten. „Bedaar nu, en kom naast mij zitten, zooals straks, dan kunnen wij hand in hand, en uw oog op het mijne gevestigd, die teedere zaak verder behandelen. Kom hier, en ga zitten. Hier aan mijn hart!”

En zij koesterde het engelenkopje aan haren boezem, alsof.... Het was evenwel het tegenovergestelde beeld van den landman met de slang....

„Zou papa zijne toestemming verleenen?” vroeg Anna; terwijl zij de handen te zamen vouwde, alsof zij een gebed verrichten wilde.

„Ik denk ja.”

„O, wat zou dat gelukkig zijn! Zeg, moe, zou dat geluk niet te groot zijn?”

„Neen, Anna, neen! Maar luister. Zoo heel gemakkelijk zal papa niet te veroveren zijn. Hij zal stormenderhand moeten verrast worden!”

„Verrast?... Zeg, mama, hebt gij papa nog niets gezegd?”

„Niet alleen stormenderhand verrast,” ging Laurentia voort, zonder de gedane vraag te beantwoorden; „maar er zou iets moeten kunnen gebeuren, waardoor Van Nerekool zijne geheele genegenheid won.”

„Zijne genegenheid? Spreek mama; o, ik ben overtuigd, dat hij alles zal doen om mijne hand te verwerven.”

„Alles? Is hij dan zoo verliefd?.... Alles? Schept gij u geen droombeelden?”

„Droombeelden?”

„Ja, droombeelden! Ik heb eenige redenen, om te veronderstellen, dat die Karel zoo verliefd niet is, als hij bij u wel wil doen voorkomen.”

„Mama!” zei Anna met een verwijtingsvollen blik op hare moeder.

„Luister, Anna. Gisteren avond bleef ik, zooals ge weet, met Van Nerekool in den tuin achter. Toen heb ik, na de bekentenis zijner liefde aangehoord te hebben.....”

„Mama!.... de bekentenis zijner liefde!....” kreet het jonge meisje schier ademloos.

„Bedaar,” ging Laurentia met een ijskouden glimlach voort. „Na de bekentenis zijner liefde opende ik hem het vooruitzicht niet alleen op het verwerven der toestemming van papa.....”

„O, mama!... wat zijt ge goed!” fleemde thans het jonge meisje met de veranderlijkheid van indrukken aan haar geslacht zoo eigen, terwijl zij voortging het gelaat harer moeder met kussen te overdekken.

„Laat mij voortgaan, Anna,” hernam Laurentia. „Ik opende hem niet alleen dat vooruitzicht, maar ook dat van eene verbetering van positie, waardoor een huwelijk met een meisje zooals gij meer mogelijk zou worden.”

„Een meisje zooals ik?” vroeg Anna verwonderd. „Ben ik dan anders als andere meisjes, om een huwelijk minder mogelijk te maken, mama?”

„Kindlief, gij zijt van kindsbeen af in eene zekere mate van weelde opgevoed, en het zou u zeker sterk afvallen, wanneer gij van die weelde, hoe weinig ook maar, afstand zoudt moeten doen.”

„O, mama, als het den man mijner keuze geldt, dan ben ik tot alle opofferingen in staat!”

„Dat is eene zeer mooie romanphrase, Anna, die aan de werkelijkheid evenwel niet getoetst kan worden. In die werkelijkheid is het integendeel maar al te waar, dat, wanneer gebrek of schaarschte de deur inkomt, de liefde het raam uitvliegt.”

„Dat zal met Van Nerekool en mij niet te vreezen zijn, mama!”

„Dat is alles goed en wel. Wij, uwe ouders zijn verplicht voor de toekomst van ons kind te zorgen. Wij wenschen, dat de man, dien wij uw verder levensgeluk zullen toevertrouwen, in staat zij, u eene onbekommerde toekomst aan te bieden. Wij meenden den heer Van Nerekool daartoe de hand te kunnen reiken; maar.....”

„Wat antwoordde hij toch?”

„Wat hij antwoordde? Hij had slechts één woord in den mond, en dat was: „nooit!””

„Nooit!.... Ik begrijp niet goed, mama. Hij heeft u zijne liefde voor mij bekend, en, toen gij hem het verkrijgen mijner hand in het uitzicht steldet, heeft hij geantwoord: „nooit!” Hoe kan dat?”

„Ik stelde hem eene voorwaarde.”

„Eene voorwaarde?”

„Eene huwelijksvoorwaarde, als ge wilt.”

„Eene huwelijksvoorwaarde, waarop hij antwoordde: „nooit!” Mama, ik begrijp minder dan ooit.”

„Eene kleine voorwaarde, welker vervulling uwen vader genoegen moest doen, daar die hem eer en roem zou aanbrengen, die alle hinderpalen effenen en Van Nerekool zelven tot aanzien zou brengen.”

„Och, mama, er heerscht hier slechts een misverstand. Karel is een edel mensch, en het is vooral door den adel zijner ziel, dat ik mij tot hem aangetrokken gevoel. Nog niet lang geleden heeft hij mij beloofd om den aanstaande mijner baboe te redden, en hij zou....”

„Den aanstaande uwer baboe....” kreet mevrouw Van Gulpendam.

„Ja, van baboe Dalima, Wat zou dat?”

„Maar het is juist die zaak, welke ik hem aanbeval....”

„Welnu, zei ik het niet?” hernam Anna kalm. „Er heerscht hier slechts een misverstand, wat wel te recht zal komen. Zeg mij, wat gij Van Nerekool voorgeslagen hebt?”

„Ja, juist. Gij alleen zijt in staat om de zaak te recht te helpen. Bedenk, dat het de toekomst van Van Nerekool, en met die toekomst uw huwelijk geldt.”

En nu verhaalde de eerzuchtige en trotsche vrouw, dat zij voor haren echtgenoot, voor Anna’s vader, het eereteeken van den Nederlandschen Leeuw verlangde; dat dit echter niet verkregen kon worden dan door de opvoering van de opium-inkomsten in de residentie Santjoemeh. Het virtus nobilitat zou den prijs zijn voor de stijving van Neêrland’s schatkist.

„Maar, om die vermeerdering van pachtschat te bereiken,” ging Laurentia voort, „is het noodig, dat Lim Yang Bing opiumpachter blijft, en dat kan niet, wanneer zijn zoon Lim Ho wegens opiumsmokkelarij, en daarmede gepaard gaande mishandeling veroordeeld wordt. Eene wreede noodzakelijkheid is het dus....”

Anna had die uiteenzetting eerst belangstellend, daarna met een strakken blik, op de lippen harer moeder gevestigd, aangehoord, alsof zij haar de woorden uit den mond wilde kijken. Nu vloog zij op en wild en woest viel zij Laurentia in de rede.

„Dat Ardjan in stede van Lim Ho veroordeeld wordt, om papa den Nederlandschen leeuw te bezorgen!.... Dat kan, dat mag niet gebeuren! Hoort ge, moeder?”

„Maar, bedaar dan toch, Anna. Wat zijt ge een opgewonden kind.”

„En, hebt ge die voorstellen aan Karel gedaan?.... Ja? O, dan ben ik wel ongelukkig!”

„Maar, Anna, luister dan toch!”

„Nu begrijp ik zijn „nooit!”” zei het meisje bitter. „Neen, nooit zal hij de echtgenoot van de dochter van zulke ouders worden!”

En bij die woorden vloog zij de pandoppo uit, en sloot zich in hare kamer op.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XIII. OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN

„En, zijt gij nu klaar om te vertrekken?”

Met die vraag stormde Eduard van Rheijn des Zaterdags namiddag bij Van Nerekool de kamer binnen.

„Voorzeker ben ik klaar,” antwoordde deze. „Maar zijn de paarden er reeds?”

„Daar heeft Verstork uitmuntend voor gezorgd. Mag ik uwen gedienstigen geest voor een oogenblik uitzenden, dan staan ze binnen weinige minuten trappelend voor de deur.”

En inderdaad de jongelieden hadden nauwelijks tijd een glas bier met elkander te drinken en eene sigaar op te steken, toen twee fraaie rijpaarden verschenen, echte Makassaren, [79] niet zoo bizonder fraai van bouw als Kedoeërs, of als Batakkers [80], maar voorzien van een breede flinke borst, die èn kracht èn onvermoeibaarheid aanduidden, voorzien van flink gespierde beenen, die wel slank en onbevallig, maar daarbij sterk en lenig waren.

In een oogwenk zaten de jongelieden te paard.

„En uwe buks?” vroeg Eduard.

„Sidin, kassi snaphan,” (Sidin geef mij mijn geweer aan) beval Van Nerekool.

De bediende reikte het prachtige wapen, dat de regent van Santjoemeh den rechterlijken ambtenaar op diens verzoek geleend had. Deze hing het met den cordonriem over den schouder, stak een paar revolvers in de pistool-holsters, die voor aan het zadel bevestigd waren; zoodat hij in bewapening nagenoeg met Eduard van Rheijn gelijk stond. Weldra hadden de beide jongelieden Santjoemeh verlaten, en ijlden in stevigen draf in oostelijke richting Banjoe Pahit tegemoet, hetwelk het doel van hunnen rit was.

Zij spraken niet veel met elkander; ja, zij wisselden niet meer dan nu en dan een woord. Er bestond dan ook weinig reden van opgewektheid tot een levendig gesprek. Hoewel de weg, dien zij volgden, vrij wel door Tamarinde- [81] en Kanarie-boomen beschaduwd was, liet zich de tropische warmte drukkend gevoelen, en zou die eerst temperen, wanneer de zon de kim nabij zoude zijn. Maar, het was eerst drie uur in den namiddag, de dagvorstin was dus nog ver verwijderd van dien eindpaal harer dagelijksche reis.

De paarden evenwel waren vurig en onvermoeibaar en spoedden ijverig voort; in flinken draf, wanneer de baan effen was, in galop, wanneer zij steeg. Zelden behoefden de edele dieren in stap gebracht te worden, en waren dan nog in dien gang niet te houden. Daarbij het landschap, hetwelk de beide vrienden doorsneden, was in den volsten zin des woords verrukkelijk te noemen. Eerst voerde de weg door vriendelijke dèsa’s, die met hunne bruine atap-daken, met hunne goudgele kadjang-omwandingen, eene lieve schakeering vormden te midden van het groen der vruchtboomen, die het geheel overschaduwden. Daarna volgden klappertuinen, waar die slanke palmboomen, in rij en gelid geplant, hoog in de lucht hunne wuivende bladertakken, waaruit hare kruinen bestonden, verhieven en een zonderling grillige schaduw op de groene graszoden wierpen, die den bodem bedekten. Verder doken de schaakvormige vakken van een uitgebreid sawahveld uit de diepte van een terreinplooi op, lieten de galangan’s, die haar omgaven met haar groen kleed van gras of beschaduwd door „toeri”- of „klampies”- [82]struikjes, duidelijk ontwaren, terwijl de vakken of velden in dit jaargetij als ontelbare waterbekkens in de zon glinsterden, daar zij in dit seizoen na den oogst, behoorlijk bevloeid waren, en dus aan vierkanten vloeibaar zilver, met eene groene omlijsting omgeven, gelijk waren. Achter dat sawahveld verhief zich het gebergte, dat met zijne vooruitspringende heuvelen, geheel met maagdelijk bosch overdekt, een donkergroenen band boven die glinsterende vakken vormde, die evenwel langzamerhand, naarmate de afstand voor het oog vermeerderde en de gezichtseinder zich derhalve uitbreidde, in het donkerblauwe overging, hetgeen tegen het meer lichte azuur des hemels scherp maar bekoorlijk afstak. Op sommige punten konden de ruiters, wanneer de paarden eene heuvelkling in galop bestegen hadden, en eenige verademing genieten moesten, bij het wenden van het hoofd de Java-zee bespeuren, die daar bij den horizon onder het zonlicht als een onmetelijke spiegel lag te schitteren, waarop de zeilen der vaartuigen zich als witte meeuwtjes voordeden, of als tegenstelling de zwarte rook van een stoomschip, die zich in dikke krullen somber over het watervlak omboog, ontwaard werd.

Neen, onze jongelieden hadden, als het ware, geen tijd om het drukkende der hitte te bemerken. Zij genoten nog den zoo bekoorlijken leeftijd, die hen zoo vatbaar maakte voor alles, wat heerlijk en schoon is. En de elkander opvolgende landschappen, die zich links en rechts van hen uitspreidden, waren wel geschikt, om die dichterlijke gemoederen te boeien. De tijd was inderdaad dan ook omgevlogen, toen zij bij eene kleine dèsa, Kalimatti genaamd, een viertal heeren met een talrijk gevolg, allen te paard, in de verte in het oog kregen, die hen spoorslags tegemoet reden.

„Hoera! daar is Willem Verstork!” riep Eduard van Rheijn. „Kijk, die daar op dien prachtigen ijzerschimmel, die het hoofd van den ruitergroep houdt.”

„Wie is bij hem?” vroeg Karel van Nerekool. „Zie ik goed... dan zijn het August van Beneden, Leendert Grashuis, Theodoor Grenits en.., bij God!... ook Frits Mokesuep!”

„Juist gezien! En geëscorteerd door den „wedono,” den „djoeroetoelis,” den „loerah,” den „kabajan,” den „kamitoewa,” den „tjarik,” [83] in één woord, God helpe! door het geheele district- en dèsa-bestuur van Banjoe Pahit met hun talrijk gevolg. En waarachtig! allen in groote tenue, in groot gala op hunne kleine paardjes gezeten, die met geel galon geboorde chabrakken van tijgervel versierd zijn, en waarop de goed gevulde en rijk gestikte zadels van rood laken of fluweel rusten! Hoerah! „Ramen besar”! (groote pret)” riep Eduard van Rheijn opgewonden uit, terwijl hij met zijn kurken helmhoed de tegemoet rijdenden toewuifde.

„Hoerah! hoerah! Rameh besar!” antwoordden die ook met gullen kreet, en weldra had die ruitergroep onze beide vrienden bereikt en weerklonken de begroetingen en verwelkomingen allerwegen.

„Gij zijt eenigzins afgetrokken,” merkte Willem Verstork op, terwijl hij Karel van Nerekool de hand schudde. „Scheelt er wat aan? Toch niet ongesteld?”....

„Neen, ik ben zoo gezond mogelijk. Wat mij hindert, zal ik u later wel vertellen....”

„Mijnheer Van Nerekool souffreert aan een opgeloopen blauwtje,” merkte een der jongelieden, die Verstork vergezelden, op.

De controleur sloeg bij die woorden een blik op zijn vriend, en toen hij merkte, dat de woorden van den onbezonnene raak getroffen hadden, haastte hij zich het onderwerp van het gesprek te veranderen.

„Als het geene ongesteldheid is, dan vooruit naar Banjoe Pahit! Heeren, met drieën in draf!” En een oogenblik later:

„In galop.... arrrrrsch!” kommandeerde hij, als ware hij een oud kavallerie-officier.

De zes blanken lieten de teugels op dat kommando schieten en stoven vooruit, zonder de sporen behoeven te gebruiken, de laan in, die zich voor hun oog uitstrekte en eene zachte rijbaan opleverde, daar zij met een mollig tapijt van dicht ineengegroeid fijn gras bekleed was.

„Wat een keurige weg!” kreet er een van het gezelschap. „Daaraan kun je de goede zorgen van den controleur bespeuren.”

Willem Verstork knikte, ingenomen met die bemerking goedkeurend het hoofd.

„Goede communicatie-middelen zijn de halve welvaart der bevolking,” verkondigde hij machtspreukig.

„Ja, als de bevolking er gebruik van mag maken [84],” merkte er een van het gezelschap met schamperen glimlach op.

Achter de blanke ruiters volgden op een korten, maar door de etiquette aangewezen afstand, de Javaansche hoofden met hunne volgelingen, wier moedige paardjes van zuiver inheemsch ras, die der Europeanen flink volgden en in geen gang iets toegaven.

Terwijl die ruiterstoet spoorslags op Banjoe Pahit toeijlt, nemen wij de gelegenheid te baat om met de jongelieden, die den controleur Verstork vergezelden, kennis te maken.

August van Beneden dan was een Gelderschman van geboorte, een flinke, gezonde jongen van ongeveer twintig jaren oud, wiens fijne stroogele haren, die hij krullend droeg en uitermate verzorgde, met zijn wel krachtig maar open gelaat, genoegzaam op zijne Betuwsche afkomst duidden. Hij was advocaat, en had zich kort geleden als zoodanig te Santjoemeh gevestigd.

Leendert Grashuis, een Zuid-Hollander, was als adjunct-landmeter op het kadastraal kantoor te Santjoemeh geplaatst. Hij had zeer goede wiskundige studiën gemaakt, en steeds in de geodesische en geomorphische wetenschappen uitgeblonken. Als ingenieur presteerde hij uitnemende diensten bij het vaststellen der grenzen van het individueel grondbezit in de residentie, waarbij nog zoo’n ontzettende verwarring heerschte, vooral wanneer de officiëele kaarten in kwestiën van het zakelijk recht, aan die eigendommen verbonden, te berde werden gebracht. Steeds stond hij daarbij aan de zijde van recht en billijkheid tegenover roofzucht en overdreven fiskale eischen, ongeacht de zijde van waar, al was het ook van den Gouvernements kant, zij ingebracht werden. Hij was ongeveer zeven en twintig jaren oud, had een sierlijken blonden krullebol en een aangenaam gelaat, dat van veel vriendelijkheid en volkomen openhartigheid getuigde, reden waarom hij in de kringen, die hij bezocht, zeer gezien was.

Wat Theodoor Grenits betreft, ook die was eene sympathieke natuur. Als Limburger ontleende hij wel ietwat van de ongedwongenheid van dien landaard, aan den meerderen omgang met de naburige Belgen toe te schrijven, en was dan ook een gevierde man in de gezelschappen, waar jeugd en blijheid ten troon zaten. Hij had zijne humaniora op het Athenaeum te Maastricht volbracht, was later naar Leiden getrokken, om daar op de hoogeschool in de rechten te studeeren; maar was deerlijk mislukt. Nu was hij op een handelskantoor, waar hij zich bevlijtigde, om in de koopmansloopbaan het tijdverlies in te halen, dat hij op de Universiteit ondergaan had. Ook hij was eene edele openhartige natuur, die met de twee vorige jongelieden een waardig klaverblad vormde.

Anders was het gesteld met Frits Mokesuep, die met de anderen een scherp kontrast vormde. Hij telde omstreeks dertig jaren, en bekleedde de betrekking van commies bij de controle-afdeeling van de in- en uitvoerrechten en accijnzen te Santjoemeh. Hij had in zijne jeugd slechts elementair onderwijs genoten, doordat hij, nog zeer jong zijnde, reeds door zijn vader op het kantoor van een ontvanger van de rijksbelastingen in eene kleine provinciestad geplaatst was geworden. Dat gebrek aan opvoeding had hem ieder vooruitzicht benomen, om het ooit verder op de maatschappelijke ladder te brengen dan tot controleur bij het financiewezen in het moederland. Door dat denkbeeld beheerscht, had hij aan de oproeping van would be fiscale specialiteiten, indertijd door den Minister van Koloniën gedaan, ten gevolge van de wijzigingen in de steeds zoo slecht werkende comptabiliteits-wet in Nederlandsch-Indië noodzakelijk geworden, gehoor gegeven, en was als financiëel ambtenaar met dispensatie van het afleggen van eenig examen [85] naar de overzeesche bezittingen vertrokken, in de hoop daar met zijnen buigzamen geest, in weerwil van zijne wetenschappelijke tekortkomingen, zich eene loopbaan overeenkomstig zijne aspiratiën te kunnen scheppen.

Maar bij aankomst te Batavia, als derde commies bij het departement van Financiën geplaatst, had hij daarbij weldra de maat der bekrompenheid zijner denkbeelden geleverd, en was hij dan ook spoedig naar Santjoemeh overgeplaatst in de betrekking, die hij thans bekleedde, en waarschijnlijk zijn bâton de maréchal zoude zijn. Hij was de fiscale ambtenaar op en top in de meest ongunstige beteekenis van het woord, en had die loopbaan den meest nadeeligen invloed op zijn karaktervorming gehad. Hij was sluw, listig, geveinsd en uiterst valsch van aard. Schrapen was zijn eenige wellust in dit ondermaansche, en alle middelen, zelfs leugen en bedrog, werden door hem gebezigd om dien hartstocht bot te vieren. Hoewel hij zijn particuliere welvaart volstrekt niet veronachtzaamde, zoo had zijn schrapen toch meer betrekking op de te innen belastingen, en vertolkte die zich bij zijne bekrompen denkbeelden in plagerijen van de belastingschuldigen. Een half centje naasten was het nec plus ultra van genot; maar nimmer beschermde hij de belanghebbenden tegen te hooge betaling. Integendeel, van zijne medewerking kon het Indisch bestuur verzekerd zijn, wanneer zelfs door de meest willekeurige en onrechtmatige handelingen geld afgeperst werd. Zijn uiterlijk stond in nauw verband met zijn karakter. Hij had een smal toeloopend hoofd, dat schraal gedekt werd door kastanjebruin haar, hetwelk in twee sierlijke lokken met bandolien, gom-adragant, stijfsel, vischlijm of eenig ander kleefmiddel langs de slapen geplakt was. Zijn gelaat was langwerpig en scherphoekig, en had die vaalgele tint, welk een zuinig gebruikte handdoek aanneemt, wanneer hij lang in de linnenkast heeft gelegen. Zijn neus was welgevormd, smal en scherp, maar vormde met de vooruitstekende lippen van den kleinen mond een profiel, dat het midden hield tusschen dat van eene meerkat en van een vos, in ieder geval op de geaardheid van een knaagdier duidde. Misschien was het daarom, dat zijne makkers hem gewoonlijk Muizenkop heetten. Op de wangen of lippen was geen spoor van dons of van haar te ontdekken. Een pater Jezuïet had dat fletsche gelaat kunnen benijden.

Hoe Willem Verstork aan zoo’n weinig sympathieke kennis kwam? Och, dat was eenvoudig: Mokesuep was de letter der fiscale bepalingen geïncarneerd; en daar de controleur bij het innen van belastingen in zijne afdeeling zoo weinig mogelijk met de kleingeestige muggenzifterijen der financiëele ambtenaren te doen wilde hebben, zoo had hij dien man in den arm genomen, die hem op het gebied van accijnzen wel niet altijd den besten raad gaf, maar hem vrijwaarde van onhebbelijke aanmerkingen.

Maar, terwijl de lezer deze persoonsbeschrijvingen onder de oogen kreeg, had de ruiterstoet den afstand, die de dèsa’s Kalimatti en Banjoe Pahit van elkander scheidde, afgelegd, en was op het punt laatstgenoemde plaats binnen te rijden.

Banjoe Pahit, eene groote dèsa, die vriendelijk in een licht doorsneden heuvelachtig terrein gelegen was, had heden ter eere van de verwacht wordende gasten haar feestkleed aangetrokken. Allerwegen verschenen de bewoners, zelfs de vrouwen en kinderen, in hunne beste kleederen, die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. [86] Aan den vlaggestok, die op het erf van de controleurswoning stond, wapperde een spiksplinter nieuwe Nederlandsche vlag. De wedono, de loerah, en de andere hoofden, ja zelfs de „mantri tjatjar” (vaccinateur) der afdeeling, en de „panghoeloe” (priester) hadden dat voorbeeld gevolgd, en hunnen ijver en genegenheid trachten te betoonen door ook de driekleur naast hunne woning, aan een bamboestaak, waaraan anders eene kooi met „perkoetoet’s” (tortelduif) geheschen werd, thans te ontrollen. Allerwegen klonk de gamelan en verleende aan de feestelijke stemming der bewoners, die allen op de been waren en de heeren vriendelijk begroetten, een eigenaardigen localen stempel.

„Drommels,” herhaalde Eduard van Rheijn, „rameh besar! De controleur doet de zaken goed! Dat belooft!”

„Aan die ramen heb ik part noch deel,” antwoordde Verstork. „Maar de bevolking is blij, dat wij haar van die bende tjellengs komen verlossen, die ontzettend hare velden verwoesten. Gij zult eens zien met hoeveel geestdrift zij morgen zullen uittrekken, om ons bij de klopjacht behulpzaam te zijn.”

De ruiterstoet was op het erf van het controleurshuis aangekomen en steeg af.

„Mijne heeren,” sprak Verstork tot Van Nerekool en Van Rheijn. „Ik heet u welkom in mijne woning.” En meer in het algemeen: „Wij zullen ons een oogenblik lekker maken en baden. Dan zal het tijd zijn om aan tafel te gaan.”

„Zoo vroeg?” was de vraag van een der gasten.

„Zeker; want wij zullen na den maaltijd, die slechts een jagersdiner zal mogen heeten, dat wil zeggen, voedzaam maar kort, andermaal te paard stijgen om den Djoerang Pringapoes te verkennen, en voor zonsondergang uit te maken, waar de klopjacht zal beginnen, en waar wij positie zullen nemen, om de wilde zwijnen op te wachten.”

„Wij hebben toch maanlicht, nietwaar?” vroeg Van Rheijn. „Ik meen zelfs, dat wij volle maan hebben.”

„Ja, en die zal goed te pas komen bij het naar huis rijden,” hernam de controleur. „Geloof mij, die verkenning zal een geruimen tijd vorderen. Dan zullen wij vroeg naar bed moeten gaan; want morgen ochtend moeten wij bij het aanbreken van den dag bij den djoerang zijn, om onze stelling in te nemen en de jacht te beginnen.”

En zich tot de twee voornaamste Javaansche hoofden wendende, die de blanken tot op het erf van den controleur gevolgd waren, zeide hij:

„Wedono, en gij loerah, gij beiden gaat straks mede naar den djoerang, niet waar?”

„Engèh, Kandjeng toean,” was het antwoord.

„Welnu, blijft dan met ons eten.”

Maar de Javanen bedankten op de meest hoffelijke wijze. Zij hadden te huis nog iets te verrichten; zij zouden evenwel op den bepaalden tijd present zijn. Wat zij niet zeiden, maar toch dachten, was, dat zij beducht waren, dat onder de spijzen varkensvleesch zoude voorgediend worden, of dat eenigen der schotels met reuzel of iets dergelijks, afkomstig van het verafschuwde onreine dier, toebereid zouden zijn.

De zon was juist ondergegaan, toen de jagers de voornaamste toegangen tot den Djoerang Pringapoes verkend hadden, en het plaatsen der schutters op de verschillende punten met den wedono en de beide loerah’s van Banjoe Pahit en Kaligaweh, welke laatste opontboden was, besproken hadden. Men bevond zich toen bij het beneden gedeelte van den djoerang, daar waar de beek, die het ravijn doorsneed, over haar rotsbed van vak tot vak afdalende, eene reeks van watervalletjes en stroomversnellingen vormde, die dit gedeelte van het reeds zoo schoone landschap tot het schilderachtigste der geheele residentie Santjoemeh maakten. Op een geweerschots-afstand spreidde zich de dèsa Kaligaweh in de sawahvlakte uit, en weerspiegelde zich bij de wonderlijke tinten, die den avondhemel bij het ondergaan der zon nuanceerden, in de sawahvakken, die ook hier bevloeid waren, en stelde met hare klapperboomen, met hare bamboestruiken, met hare menigte vruchtboomen, waartusschen de gele omwandingen der hutten schier niet ontwaard werden, een toovertooneel daar, hetwelk zich in den waterspiegel verdubbelde, en zoo schoon was, dat de Europeanen zich aan dat gezicht niet verzadigen konden. Alleen het verbleeken dier tinten bij het intreden van den nacht, en bij het verschijnen van de maan boven de kim, kon aan dat aanschouwen en bewonderen een einde maken.

Juist zou men afscheid van den loerah van Kaligaweh nemen, na dien aanbevolen te hebben, den volgenden ochtend met zijn volk op de afgesproken plaatsen aanwezig te zijn, en had men reeds de paarden gewend, om spoorslags naar Banjoe Pahit terug te keeren, toen plotseling van den kant van eerstgenoemde dèsa een vreeselijk gegil vernomen werd. Allen stonden dadelijk stil, en luisterden aandachtig. Dat gegil hield aan, en duidelijk werd te midden van het verwarde geschreeuw van vrouwen en kinderen het schrikkelijk klinkende „amokh! amokh!” (moord! moord!) gehoord.

„Wat mag er gaande zijn, loerah?” vroeg Willem Verstork aan het dèsahoofd, dat nog bij de heeren stond.

„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde deze, „maar wil ik gaan hooren?”

„Wacht even, daar komt een oppas aanrennen!”

En inderdaad, hijgend en schier ademloos kwam zoo’n kanarievogel [87] aangevlogen, die een pad over de galangan’s der rijstvelden in de richting van den Djoerang Pringapoes volgde. Toen hij bij den troep aangekomen was, hurkte hij in der haast voor den controleur neder, en bracht den sembah.

„Kandjeng toean,” sprak hij gejaagd, „er wordt amokh in de dèsa gemaakt. Reeds is een bandoelan onder den kris gevallen en een oppas deerlijk verwond!”

„En wie is de amokhmaker?” vroeg Verstork.

„Ik weet het niet, Kandjeng toean. Vrouwen en kinderen vluchtten gillend en huilend; toen heb ik mij gehaast om naar den loerah rapport te komen brengen. Maar bij het heenijlen hoorde ik roepen, dat Setrosmito de amokhmaker zoude zijn.”

„Setrosmito, de oude Setrosmito!” riep Verstork uit. „Onmogelijk, nietwaar, loerah?”

„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde het hoofd,

„Die man is veel te bedaard,” ging de controleur voort. „Daarenboven hij is niet aan het opiumschuiven verslaafd, nietwaar, loerah?”

„Bottèn, (neen) Kandjeng toean!” was het voorzichtige antwoord.

Het gegil hield aan. Duidelijk zag men, in weerwil van de avondschemering, menschen in de grootste verwarring binnen den dèsarand heen en weer ijlen.

„Kom, heeren,” sprak de controleur. „Mijne aanwezigheid is op de plaats des onheils noodig. Gaat gij met mij? Met een flinken galop zijn wij er in weinige oogenblikken.”

„Wij volgen u!” kreten al de jongelieden, op een na.

„Is het wel voorzichtig?” waagde Mokesuep in het midden te brengen.

Maar zijne vraag ging voor de anderen verloren. Die hadden op het voorbeeld van Verstork hunne paarden in galop gezet, en ijlden den landweg af, die naar Kaligaweh voerde. Mokesuep was evenwel te bedachtzaam om te volgen. Vreeselijke verhalen van amokhpartijen kruisten hem door zijn brein. Een oogenblik stond hij besluiteloos wat te doen. Maar daar herhaalde zich het gegil met verdubbelde kracht, terwijl de tontong’s als bezetenen weerklonken. Dat gaf den doorslag. Hij wendde zijn paard, gaf het de sporen, en ijlde in razenden ren naar Banjoe Pahit in plaats van naar Kaligaweh.

„Bij zulke voorvallen is ’t verstandigst zijne huid te bergen,” dacht hij. „Straks zullen de anderen mij wel volgen.”

Terwijl de anderen voortreden in de richting van Kaligaweh, waarschuwde hen Verstork.

„Opgepast en uitgekeken,” sprak hij. „Bij amokhpartijen is het zaak op zijne hoede te zijn, hoewel angstvalligheid niet aanbevolen kan worden, daar deze het gevaar nog vermeerdert. Houdt uwe revolvers gereed!”

De aanbeveling was evenwel overbodig. Toen de ruiters den dèsarand doorjoegen, ontwaarden zij nog wel eenige verschrikte vrouwen, die hunne kinderen in hunne armen sloten, als wilden zij ze beschermen; maar de mannen stonden allen met de lans of de kris in de hand rondom eene hut geschaard, die gesloten was, en niets merkwaardigs aanbood. Wel weerklonk de kreet:

„Als hij er uit komt, moeten wij hem op onze lansen opvangen!”

„Wat is hier te doen?” vroeg de controleur, die van zijn paard sprong, de teugels aan een der omstanders toewierp, en in den kring trad.

„Setrosmito heeft amokh gemaakt, Kandjeng toean!” was het antwoord.

„Toch Setrosmito?...” mompelde de ambtenaar onhoorbaar.

Maar de vraag was ternauwernood gedaan, en het antwoord daarop gegeven, of de deur der hut vloog open, terwijl Setrosmito op den drempel verscheen.

Het was een oudachtig man met reeds grauwende haren, die hem wild en woest om het hoofd fladderden, daar hij zijn hoofddoek scheen verloren te hebben. Zijn baatje was geheel gescheurd, zoodat slechts een vod daarvan door een der armen opgehouden werd. Aangezicht, borst en handen waren met bloed bevlekt, zoodat de rampzalige er schrikkelijk uitzag.

„Daar is hij! Daar is hij!” kreet de menigte. „Opgepast!”

Alle lansen bogen voorover tot verdediging gereed.

„Ik wil niemand kwaad doen!” riep Setrosmito zijne dèsagenooten toe. „Maar nadert mij niet om mij gevangen te nemen; want de eerste, die mij aanraakt, steek ik neer!”

En met zoo’n woest dreigend gebaar zwaaide hij den kris, dien hij in de rechterhand had, dat de menigte achteruit stoof, zoodat de controleur, die een oogenblik achteraf gestaan had, op den voorgrond kwam. Maar nauwelijks had de ongelukkige den blanke in het oog gekregen:

„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!” kreet hij, terwijl hij zijn wapen van zich afslingerde, en aan de voeten van den ambtenaar neerhurkte. „Ampon, Kandjeng toean!” herhaalde hij daar.

Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat de meesten der omringenden niet onmiddellijk vatten, wat er gaande was. Toen die met bloed bevlekte man naar den controleur ijlde, meenden velen, dat deze in gevaar verkeerde. Zijn metgezellen traden dan ook met den revolver in de hand vooruit. Ook de Javanen wilden toespringen en den thans weerloozen dorpgenoot afmaken; maar Verstork voorkwam hen, drong de voorsten met de hand achteruit, en weerhield de overigen met het bevel:

„Achteruit! Laat dien man! Ik beveel het!”

En op den hurkenden Javaan toetredende, die andermaal op smeekenden toon herhaalde:

„Ampon, Kandjeng toean!”

„Hebt gij amokh gemaakt, Setrosmito?” vroeg hij.

„Heer! ik heb een bandoelan gedood, die „koerang adjar” (onwelvoegelijk) met mijn kind handelde. Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb ook een oppas verwond, die hem daarbij hielp. Wie zou mijn kind beschermd hebben, als ik het niet deed? Maar ik heb niemand anders verwond of gedood. Dat zal de geheele negorij getuigen.”

Verstork liet de oogen over de menigte gaan. Allen stonden daar ademloos, geen woord van protest werd vernomen.

„Gij bekent een bandoelan gedood en een oppas verwond te hebben?” vroeg de controleur ernstig.

„Engèh, Kandjeng toean!” klonk het schier onhoorbare antwoord van den steeds hurkenden Javaan.

„Wedono, laat dien man binden!” klonk het bevel jegens het districtshoofd.

„Ampon, Kandjeng toean,” kreet de rampzalige bij die woorden. „Ampon, ik heb slechts mijn kind tegen vuile mishandelingen beschermd.”

„Ge hebt u tegen de openbare machten verzet, dat mag niemand doen!” sprak de controleur hoogst ernstig. „Maar, Setrosmito, de gerechtigheid der blanken zal de zaak onderzoeken, en is uw kind mishandeld, dan zal dat voorzeker in aanmerking genomen worden en uwe straf lichter maken.”

Een dof gemompel ging onder de menigte op. Zij kende bij ervaring der blanken gerechtigheid, wanneer het opiumzaken gold. Een bittere glimlach zweefde op aller gelaat. Menige verwensching jegens het onbarmhartige volk, dat het schoone Java overheert en uitzuigt, werd gepreveld. Nu men inzag, dat men met geen amokhmaker die alles in blinde en woeste drift neerstak, maar met een vader, die zijn kind tegen de snoodste mishandelingen beschermde, te doen had, nu had de geheele bevolking deernis met den ongelukkige. Een gebiedende blik van den controleur, een handgebaar van den wedono waren voldoende, om ieder gemompel tot zwijgen te brengen.

„Gij zult dien man nauwlettend laten bewaken, wedono, gij en de loerah staat mij borg voor hem,” beval de Nederlandsche ambtenaar, „en gij zult zorgen, dat hij morgen ochtend vroeg onder een geleide van gewapend dèsavolk naar Santjoemeh overgebracht wordt.”

„Ampon, Kandjeng toean,” kreet nog de ongelukkige, die door zijne dorpsgenooten gekneveld werd.

„De Kandjeng toean besar zal beslissen, Setrosmito. Ik kan en mag niets anders doen dan mijn plicht opvolgen.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XIV. EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN

Van een dadelijk terugkeeren naar Banjoe Pahit moest afgezien worden, dat zagen de jagers ras in. Verstork moest zich onledig houden met het instellen van een voorloopig onderzoek omtrent den manslag en de verwonding die plaats hadden gehad. Hij deed dat nauwgezet als altijd, en ziet hier wat uit dat onderzoek bleek:

Het was ongeveer vijf uur in den namiddag geweest, toen Singomengolo, de spion van den opiumpachter, vergezeld van een Chineeschen bandoelan, zich in de dèsa Kaligaweh vertoond had. Beide personen hadden eerst een bezoek aan de opiumkit gebracht, om daar van de gedelegeerden van den pachter de noodige inlichtingen in te winnen. Daarna hadden zij zich naar het huis van den loerah begeven en, bij afwezigheid van dat dorpshoofd, die, wij weten het, voor de varkensjacht naar Banjoe Pahit opgeroepen was, zich tot een ander lid van het dèsa-bestuur gewend, ten einde den bijstand der politieagenten te erlangen.

Door een paar oppassers vergezeld, begaf zich de Chineesche opium-spion naar de woning van Setrosmito, Dalima’s vader, en gaf, daar aangekomen, den wensch te kennen het huis van den Javaan te doorzoeken.

„Gij bezoekt nimmer de kit van babah Than Kik Sioe” zei hij. „Gij koopt er nimmer opium, zoodat de pachter tot de veronderstelling moet komen, dat gij u van sluikopium voorziet. Ik heb in opdracht uw huis ten nauwkeurigste te doorzoeken.”

„Ik schuif geen opium in de kit, en ook niet in huis. Gij zult geen opium bij mij vinden. Maar ga uw gang, babah,” was het rustige antwoord van den trouwhartigen landbouwer.

De Chinees en de beide oppassers wilden binnentreden.

„Neen,” sprak Setrosmito bedaard. „Eerst moet jullie onderzocht worden.”

En zich tot eenige dorpsgenooten wendende, die op het verschijnen van de politieagenten en den opiumjager nieuwsgierig bijgetreden waren:

„Sidin en Sariman,” sprak hij, „helpt mij den bandoelan en de oppassers te onderzoeken.”

Het drietal, te zeer gewoon aan zoo’n bejegening, [88] onderwierp zich aan de geëischte visitatie, die met de meest mogelijke nauwkeurigheid geschiedde, zonder evenwel een spoor van opium op te leveren.

Eerst daarna gebeurde het huisonderzoek, hetwelk eene herhaling mocht genoemd worden van dat, hetwelk kort te voren bij Pak Ardjan had plaats gehad. Maar, had Setrosmito bij de opiumjagers geen heulsap gevonden, evenmin vonden dezen iets, wat op sluikwaren kon gelijken, hoe dikwerf zij het huis in alle hoeken en gaten met de grootste nauwgezetheid doorzochten.

„Waar zijn uwe kinderen?” vroeg eindelijk de Chinees woedend en wanhopig, dat niets te vinden was.

„Die zijn op de gemeenteweide, waar zij op mijne twee karbouwen passen.”

De Chinees had een gemeenen grijnslach op het vuil bleeke gelaat, toen hij vernam, dat de Javaan nog twee ploegdieren rijk was. Er waren helaas! slechts weinige bewoners van Kaligaweh, die welvarende dèsa van weleer, welke nog zooveel bezaten. Hij zei evenwel niets, maar spoedde met de politiedienaren naar buiten, om zich naar Singomengolo te begeven, ten einde dien van den stand van zaken mededeeling te doen.

Die aterling glimlachte, en keek verachtelijk neer op den Chinees over zijne onhandigheid.

„Lim Ho en Lim Yang Bing hebben wat aan jou als bandoelan,” siste hij hem te gemoet. „Jij zult nimmer sluikopium vinden.”

„Maar jij ook niet, waar hij niet is.”

„Wel, „Keh” [89], voor een ringgiet wedden, dat ik er vind?”

„Onmogelijk. Ik heb het geheele huis het onderste boven gehaald. Ik heb tot de bamboestijlen der hut doorzocht, en nergens iets gevonden.”

„Hebt je ook onder den „dapoer” (vuurhaard) gezocht?”

„Ja.”

„Ook in de asch van den dapoer? Heb je den bodem der hut opgegraven?”

„Ja.”

„Ook onder de baleh-baleh? Heb je ook de „bantal’s” (kussens) onderzocht?”

„Ja, ja, ja! Ik ben geen kind!” sprak de Chinees gemelijk.

„Geen kind, maar een domkop, nog dommer dan een karbouw ben je! Kom maar meê,” ging Singomengolo voort, na die liefelijkheden, den gestaarten natuurgenoot naar het hoofd geslingerd te hebben. „Kom maar mee, dan zal ik je laten zien, dat waar jij niets vondt, ik wel wat zal opsporen! Die dèsa-honden hebben steeds opium in huis.”

De ellendeling vergat, dat hij in die dèsa het licht aanschouwd had. Maar, zoo gaat het meer in de wereld.

Het viertal maakte rechtsomkeert, en keerde naar de hut van Setrosmito terug, om het onderzoek te hervatten. Toen de Javaan de aangekomenen op nieuw wilde onderzoeken, weigerde Singomengolo botweg.

„Als je mij aan het lijf komt, ransel ik je af als een schurftigen hond!” zei hij barsch.

Setrosmito protesteerde.

„Ja, dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden,” zei hij. „Ik ken die streken! Kabajan,” zoo wendde hij zich tot een lid van het dèsa-bestuur, die onder de menigte voor het huis stond toe te kijken. „Kabajan, ik roep u tot getuige van hetgeen hier gebeurt!”

Deze echter, beducht om met de aterlingen van het opium-monopolie in aanraking te komen, antwoordde niet, maar maakte zich ijlings uit de voeten. Lachende trad Singomengolo met zijne acolyten de hut binnen. Met hen evenwel ook Setrosmito’s kinderen, twee jongetjes en een meisje, die met hunne buffels van de gemeenteweide huiswaarts gekeerd waren, en groote oogen opzetten, toen zij zooveel volk voor het huis hunner ouders verzameld zagen.

De knapen waren kinderen van acht en negen jaren. Evenals de meeste jeugdige Javaantjes hadden zij aardige lieve gezichtjes met schalks kijkende bruine oogen. Hun uiterlijk werd, wat schoonheidsgevoel aangaat, wel eenigermate benadeeld door de kaal geschoren hoofdjes, waarop slechts eene vlok haar ter breedte eener hand gespaard was gebleven, en die de een op de kruin, en de andere boven het linkeroor droeg. Hunnen landaard getrouw, hadden zij fraai gevormde en lenige ledematen, slanke lendenen en een uiterst dun middeltje, dat voortreffelijk uitkwam, daar zij, argeloos volgens ’s landswijs, op dien leeftijd spiernaakt liepen, en slechts een zilveren ring om de voetenkels droegen.

Het meisje, dat slechts zeven jaren telde, had ook een allerinnemendst gezichtje, hetwelk onder den zwarten ongeschonden haardos bevallig uitkwam. Het kind had bloote armen, maar de borst was bedekt met een van veelkleurige lappen vervaardigde „otto” (slabbertje); terwijl om de heupen een kettinkje geslagen was, waaraan een zilveren plaatje bevestigd was, om het schaamdeel te bedekken.

Bij hun binnentreden vonden zij Singomengolo druk bezig met in kisten en potten en pannen te zoeken, waarbij hij echter door Setrosmito nauwlettend op de handen gekeken werd. Dat verdroot den aterling, die daardoor in zijne snoode plannen gedwarsboomd werd. Hij gaf een teeken aan den Chinees, die met zijne scheefstaande oogen de kinderen akelig gadesloeg, en een afzichtelijken grijns vertoonde bij het detailleeren van de vormen der kleine Kembang (bloem).

Op het teeken van Singomengolo greep hij een der knapen, en onder voorwendsel van ook bij hen opium op te sporen, bevoelde en betastte hij hen achtereenvolgens het naakte lichaam, zocht op de walgelijkste wijze onder de oksels en overal waar een madat-balletje kon verborgen zijn. De jongens weerstreefden wel, trachten den gewetenloozen schurk te krabben en te bijten, maar gaven geen kik, die hun vader van het toezicht, dat hij op de handelingen van Singomengolo hield, kon afleiden.

Maar toen de Chinees het meisje greep, en haar den otto van de borst scheurde, gilde het arme kind allerverschrikkelijkst, rukte zich los, en verborg het naakte lichaampje aan de borst harer moeder, die haar omarmde, als wilde zij haar beschermen. Te vergeefs. De Chinees naderde met zijn bleek, fletsch, akelig door lage hartstochten verwrongen gelaat en, geholpen door de beide politieoppassers, sleurde hij het meisje uit de armen der vrouw, die onvermogend was haar te beveiligen.

„Straks jou beurt,” brulde de Chinees tegen de moeder „want die kleine kat heeft tijd gehad om je opium over te reiken. Blijf zitten!”

En nu werd het tooneel van betasting herhaald, dat nog walgelijker was, daar de Chinees zich tegenover een schepseltje der teedere kunne bevond, en zich alles meende te kunnen en mogen veroorloven.

„Alah! tobat!” kreet de moeder bij zoo’n ontzettend schouwspel.

Bij dien noodkreet keek Setrosmito even naar zijne vrouw op.

Van dat schier ondeelbare oogenblik maakte Singomengolo, die tot nu toe scherp op de handen gekeken was, gebruik. Fluks bracht hij de gesloten hand onder een pandan-matje, dat op de baleh-baleh lag, en reeds driemalen bij dat huisonderzoek zonder resultaat opgetild was geweest, en haalde er triomfeerend een koperen doosje onder uit, dat hij met gemaaktheid vertoonde.

„Ziet ge wel!” riep hij uit, „dat hier „tjandoe glap” (gesloken opium) in het huis aanwezig was.”

Setrosmito werd bleek bij dat gezicht. Hij begreep bij de bestaande rechtspleging der Nederlanders, in kwestie opiumgeschillen, wat hem te wachten stond. Toorn en drift kookten in zijn gemoed.

„Er was hier geen opium in huis!” riep hij in wanhoop uit, terwijl hij onwillens de hand naar den kris uitstak, naar een oud erfstuk zijner vaderen, dat tusschen de kadjang-omwanding boven de baleh-baleh uitstak. „Gij, gemeene hond, hebt die opium onder dat matje verstopt!”

Singomengolo beantwoordde die beschuldiging, welke zoo op den man af was, met een vuistslag, die Setrosmito vlak voor den mond trof. Brullend van woede rukte deze den kris uit de schreede. En juist in dit oogenblik stiet Kembang plotseling een hartverscheurenden gil uit, die Singomengolo het leven redde. De vader keek verbijsterd rond, maar toen hij ontwaarde, welke afgrijselijke grijnslach op het walgelijk gelaat van den Chinees zetelde, welk gemeen gebaar deze zich tegenover zijne lieve aanminnige Kembang veroorloofde, steeg hem het bloed onweerstaanbaar naar het hoofd, en veranderde zijn toorn van richting. Een roode nevel, zoo rood als bloed, trok voor zijne oogen.

„Toeloeng! toeloeng! Sakit! sakit!” (help! help! pijn! pijn!) gilde het kind.

Blind van drift en woede stortte zich de vader met den noodlottigen kris in de hand naar den kant van den onverlaat.

„Amokh! Amokh!” (moord! moord!) kreet een der politiedienaren bij het zien van den gevlamden kris in de vuist van den waanzinnig vertoornden vader.

„Amokh! Amokh!” herhaalde de menigte buiten, zonder nog te weten, wat er gaande was.

Vrouwen en kinderen vlogen gillend weg.

„Amokh! Amokh!” klonk het weldra van alle kanten.

De mannen ijlden naar huis, om hunne lansen te halen, onbewust wien het gold.

„Amokh! Amokh!” herhaalden de „kedjinemans” [90] en stormden naar de „gardoe” (wachthuis), waar zij de alarmtonen op de tongtong akelig lieten weerklinken.

De oppasser, die het eerst het woord amokh uitgeroepen had, had eene poging willen aanwenden om zijn sabel te trekken. Het lem was evenwel zoodanig in de scheede geroest, dat het wapen niet te ontblooten was. De andere, geen tijd hebbende om zich te wapenen, wilde den verdoolde bij den strot grijpen, maar ontving bij die poging een deerlijke sneede over het aangezicht en borst, die wel is waar slechts eene niet gevaarlijke vleeschwonde, maar eene aanmerkelijke verbloeding veroorzaakte, en daarenboven zooveel pijn teweegbracht, dat de gekwetste kreunend afliet en een goed heenkomen zocht. Zijn makker koos op het gezicht van zooveel bloed ijlings het hazenpad.

Nu bevond zich de woedende vader tegenover den Chinees, die nog steeds het meisje omkneld hield, en wiens walgelijke handtastelijkheden omtrent zijne onkuische bedoelingen geen twijfel overlieten.

„Laat los! laat los!” schreeuwde de van woede ziedende vader bekschuimend.

Was de Chinees beteuterd op het gezicht van het gevaar, of zag hij in zijne overspanning de aanwezigheid daarvan niet in? Genoeg zij het, hij voldeed niet aan dat uiterste bevel des vaders. Hij stond daar met zijn fletsch gelaat, dat, hoewel nog van hartstocht getuigende, toch een wezenloozen glimlach verried. Zijne handen lieten niet los, herhaalden integendeel als krampachtig de ontuchtige beweging, en trachtten alleen het naakte meisje voor zich te duwen, om zich achter haar te dekken.

„Amokh! Amokh!” klonk het in het rond.

„Laat los!” kreet de vader nogmaals, dat door den onverlaat met een dommen lach beantwoord werd.

„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong dreigend.

„Laat los!.... Niet?.... Sterf dan als een hond!” riep de ongelukkige vader.

En bliksemsnel de gewapende hand omlaag brengende, haalde hij, alvorens de Chinees tijd had achter het meisje, dat veel kleiner was dan hij, te bukken, hem het gevlamde lem door de keel.

„Adoe! Matti saja!” (O, wee! ik ben dood!) gilde de Chinees met woest rollende oogen. Het waren zijne laatste woorden. Met krampachtige hand trachtte hij de vervaarlijk gapende wond aan zijn hals te sluiten. Te vergeefs. Het bloed spoot met kracht in fijne straaltjes als zoo vele fonteintjes tusschen de gesloten vingeren door. Een akelige hoest overviel hem, en een breede bloedgulp, die zijn mond ontsnapte, overdekte de arme Kembang van het hoofd tot de voeten. Wankelend en zich steeds met de eene hand aan het meisje vastklemmende, poogde de doodelijk verwonde overeind te blijven staan. Vergeefsche poging! Hij wankelde, alsof hij beschonken was, en viel eindelijk stervend neer.

„Amokh! Amokh!” klonk het rondom de hut.

„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong.

Setrosmito keek na zijne vreeselijke daad een oogenblik rond. Hij veegde zich met de linkerhand de oogen af, en scheen langzamerhand tot besef te komen. Eindelijk kreeg hij inzicht in den toestand.

„Amokh! Amokh!” klonk het dreigend.

Aan zijne voeten lag de Chinees in den doodstrijd nog te stuiptrekken, maar bewoog zich weldra niet meer. Dat alles was in een ondeelbaar oogenblik, met de bliksemsnelheid der gedachten geschied. Het vertrek was overigens leeg, want gelijktijdig met den politieoppasser had ook Singomengolo het hazenpad gekozen. Zelfs de knapen van Setrosmito, die eerst dat geheele tooneel wezenloos hadden aanschouwd, waren voor den dreigenden kris huns vaders gevlucht; zelfs de gade was beducht heengeijld, en had haar naakt dochtertje met zich meegesleurd.

„Amokh! Amokh!”

Die kreet drong den ongelukkige, die al meer en meer tot bezinning kwam, als eene bedreiging voor zijn leven in het oor. Want hij kende er maar al te goed de schrikkelijke beteekenis van. Hij wist, dat wanneer dat woord weerklinkt, de geheele bevolking te wapen vliegt, en zonder onderzoek, zonder te weten wat en wien het geldt, den moordenaar te lijf gaat, die soms niet anders deed, dan eigen lijf te verdedigen, of zooals hier, als beschermer zijner kinderen op te treden.

Daar drongen eenige gewapenden de hut binnen met de lansspitsen vooruit.

„Achteruit!” riep Setrosmito nog verwoed. „Die mij nadert, steek ik neer, zooals ik dezen keh gedaan heb.”

Verschrikt stoven allen de hut uit, en vormden daaromheen een dichten kring, waarin druk gepraat, geschreeuwd en beraadslaagd, maar volstrekt geen ijver aan den dag gelegd werd, om andermaal de hut binnen te dringen.

Het was toen, dat de controleur Verstork met zijn gezelschap aankwam, en de moordzaak met de gevangenneming van den ongelukkige beëindigde.

Gedurende den loop van het verhoor vertoonde Singomengolo de opium, die hij zeide in het huis van Setrosmito gevonden, en in beslag genomen te hebben. Het was eene kleine hoeveelheid, die, in de opiumkit gewogen wordende, bleek schier vijftig mata’s, dus ongeveer achttien milligrammen te bedragen. Het was eene bruin zwarte, kleverige massa, die in een klein koperen doosje bevat was, hetwelk gemakkelijk in de hand geborgen kon worden. De controleur nam dat doosje in beslag en verzegelde het behoorlijk in tegenwoordigheid van den opiumjager.

„Heeft iemand gezien,” vroeg hij dezen, „dat gij dat doosje onder het matje op de baleh-baleh gevonden hebt?”

„Ja, zeker, de Chinees....”

„Die dood is? Anders niemand?”

„Ja, en de beide oppassers?”

„Die eerst geen opium gevonden hebben?”

„Traberdoeli!” (om het even) zei de opiumjager onbeschaamd. „Ik, Kandjèng toean, ik, beëedigd bandoelan, heb het gevonden. Mijn woord is genoeg. De getuigenis dier twee oppassers is overbodig.”

De controleur gunde hem een blik vol verachting. De opiumjager scheen er zich echter niet veel van aan te trekken; maar vertrok na een huichelend nederigen groet gebracht en gepreveld te hebben:

„Ik ga rapport uitbrengen bij den opiumpachter en bij den assistent-resident van politie.”

Hij steeg daarop te paard, en verwijderde zich oogenschijnlijk langs den grooten weg naar Santjoemeh. Oogenschijnlijk; omdat het later wel blijken zal, waarheen hij zijne schreden wendde, en wat hij daar te verrichten had. Intusschen sloeg hij dadelijk, na de dèsa verlaten te hebben, een pad rechts in, dat door de sawahs liep, en dwars door het heuvelterrein voerde, maar een verkorten weg naar de hoofdplaats aanbood. Zijn paard, met den weg bekend, stapte flink door, en middernacht was nog niet voorbij, toen hij een eenzaam staand hutje bereikt had, wiens bewoner hij opklopte, en dien hij met eene boodschap verder naar Santjoemeh zond.

Toen de controleur Verstork met den wedono en den loerah, die hem beiden bij dat lastige onderzoek in die netelige zaak ijverig bijgestaan hadden, in de woning van den laatstbedoelde terugkeerde, was het ongeveer negen uren in den avond. Hij vond zijne vrienden daar vereenigd, die hem met ongeduld verbeidden.

„Drommels!” pruttelde August van Beneden, ontstemd als hij was, nu hij, na zich van het in verschiet zijnde jachtvermaak de meest overdreven voorstellingen gemaakt te hebben, de geheele partij in gevaar gebracht zag, waarbij nog kwam, dat hij zich in afwachting op den controleur gruwelijk verveeld had. „Drommels, wat zijt gij lang weggebleven!”

„Ik kon niet anders. Ik viel hier met den neus in de boter. Daarenboven, wat ik heden avond afdoen kan, heb ik morgen niet te verrichten.”

„Morgen?”

„Ja, morgen. Verbeeld u, dat ik, om u gezelschap te houden, en naar Banjoe Pahit terug te rijden, dat onderzoek niet gehouden had, dan zou dat morgen toch moeten geschieden, en dan was onze geheele jachtpartij naar de maan.”

„Morgen?” vroeg Eduard van Rheijn. „Zou Maandag ochtend ook nog niet tijd genoeg zijn?”

Verstork keek den adspirant-controleur verstoord aan. Hij had een bits antwoord gereed; maar hij weerhield het en antwoordde bedaard:

„Neen, Maandag ware het in het belang der zaak te laat. Het is eene moordzaak, verwikkeld met eene opium-perkara; het zal moeite genoeg kosten om de zaak tot helderheid te brengen.”

„En zijt gij nu gereed.”

„Ja”

„Zoodat gij morgen niets meer te verrichten hebt?...”

„Niets.”

„En de jacht aanvoeren kunt?”

„Ja, wees gerust. Ik heb nog maar een paar brieven te schrijven.”

„Een paar brieven?”

„Een kort verslag aan den resident en eene uitnoodiging aan den djaksa (Inlandsch rechter van instructie) en aan den stadsgeneesheer om het lijk te schouwen, en het visum repertum op te maken. Is ’t niet zoo Van Nerekool,” zoo wendde hij zich tot den rechterlijken ambtenaar, „dat moet immers zoo?”

„Wat zegt ge?” vroeg deze, als uit een droom ontwakende, en zich het voorhoofd wrijvende.

In zijne gedachte verzonken, had hij niet gehoord. De vraag werd herhaald en bevestigend beantwoord.

„Wij hebben nog een flinken rit af te leggen, om terug te keeren naar Banjoe Pahit,” merkte Theodoor Grenits op. „En morgen ochtend zal het vroeg dag zijn, nietwaar?”

„Dat laatste voorzeker; maar er valt aan geen terugkeeren naar Banjoe Pahit te denken,” sprak Verstork, op zijn horloge kijkende. „Het is nu reeds negen. Hoe helder de maan ook schijnt, zal het toch niet wel mogelijk zijn, anders dan stapvoets te rijden; zoodat wij niet vóór het middernachtuur in de „controliran” (controleurswoning) aankomen zullen. Neen, ik zal hier bij den tjarik mijn officiëele paperassen schrijven, die dan dadelijk door den loerah verzonden kunnen worden. De wedono zal naar Banjoe Pahit terugrijden, om voor de jacht van morgen alles te bezorgen. Hij zal de klopjagers daar aanvoeren. Dat alles is behoorlijk besproken en behoeft geene wijziging, nu wij van slaapplaats wisselen, nietwaar?”

„Maar, waar zal mijn slaapplaats zijn?” vroeg August van Beneden bezorgd.

„Ja, wij moeten ons thans behelpen. Het zal zijn: à la guerre comme à la guerre! Er is hier in de dèsa eene kleine „passangrahan” (passantenhuis) voorzien van eene eenvoudige baleh-baleh. Wij zullen den loerah verzoeken haar ietwat te meubileeren.”

„Te meubileeren?” vroeg Theodoor Grenits. „Bestaat in dit afgelegen oord een meubelmagazijn?”

„Neen, waardste volgeling van Mercurius,” gaf Verstork lachend ten antwoord, „zoo’n inrichting zou hier slechte zaken maken. Als we de noodige hoofdkussens en een paar bultzakken machtig kunnen worden, dan zal het wel zijn.”..

„Slechts één paar bultzakken voor ons zevenen? Dat is weinig,” sprak Van Beneden, die als jurist wel wat op zijn gemak gesteld was.

„Wat mij betreft, ik doe van mijn aandeel afstand,” zei de controleur. „Ik prefereer de baleh-baleh. Ik heb daar meer op geslapen en overheerlijk ook. De overigen kunnen er om loten. Maar....”

„Maar wat?” vroeg Eduard van Rheijn.

„Er werd gesproken van ons zevenen?... Ik tel er maar zes.... Wie mankeert er?.... Te drommel, waar is Mokesuep?”

„Ja, waar is Muizenkop?” vroegen een paar der anderen.

„Die heeft zijn hielen gelicht, toen er amokh geroepen werd,” antwoordde Van Rheijn.

„Zijn hielen gelicht?”

„Ik heb gezien, toen wij naar Kaligaweh trokken, dat hij spoorslags naar Banjoe Pahit terugreed.”

„Dat heet ik voorzichtig zijn,” merkte Grenits op.

„Is voorzichtig wel het ware woord?” vroeg er een.

„Om het even. Ik ben blij, dat de vent voorloopig weg is,” merkte een ander op. „Verstork, hoe kom je toch aan dien gluipert.”

„Och, ik heb dien man nog al noodig. In de belastingordonnantiën is hij doorkneed; ik moet hem dus te vriend houden, dat begrijpt gijlieden?”

„Ik wilde maar, dat hij morgen ochtend naar Santjoemeh doorreed.”

„Dat zal hij wel niet. Wedono, zult ge morgen ochtend den heer Mokesuep laten wekken?”

„Engèh Kandjeng toean!”

„En nu, heeren, laat ik u een half uurtje onder de hoede van den loerah, die het u zoo aangenaam mogelijk zal maken, nietwaar, loerah?”

„Engèh Kandjeng toean!” antwoordde ook deze.

Weinige minuten later hadden de jagers bezit van de passangrahan genomen, en zat de controleur in het voorgalerijtje van de tjariks-woning ijverig te schrijven.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us