← Baboe Dalima

XV. ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT…

Part 3 of 7 · Perelaer, M. T. H. (Michael Theophile Hubert) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #65832, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (43)
  1. Opening about 17 min
  2. I. BIJ MOEARA TJATJING about 18 min
  3. II. IN DE DJAGA MONJET about 18 min
  4. III. HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM about 20 min
  5. IV. DE DRADEN VERWIKKELEN about 18 min
  6. V. IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ about 15 min
  7. VI. EEN ECHTPAAR about 18 min
  8. VII. EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT about 17 min
  9. VIII. EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE about 18 min
  10. IX. KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL about 19 min
  11. X about 18 min
  12. XI. IN DEN RESIDENTS-TUIN about 20 min
  13. XII. ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER about 19 min
  14. XIII. OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN about 17 min
  15. XIV. EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN about 15 min
  16. XV. ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT about 23 min
  17. XVI. HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE about 21 min
  18. XVII. IN DEN DJOERANG PRINGAPOES about 16 min
  19. XVIII. DE ONSCHULD TEN VAL about 17 min
  20. XIX about 19 min
  21. XX. AAN DE RIJSTTAFEL about 24 min
  22. XXI. OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT about 15 min
  23. XXII. EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN about 18 min
  24. XXIII. EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING about 17 min
  25. XXIV. OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT about 21 min
  26. XXV. EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG about 17 min
  27. XXVI. AARDIG GEMANOEUVREERD! about 17 min
  28. XXVII about 16 min
  29. XXVIII. CORRESPONDENTIE about 19 min
  30. XXIX. VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK about 20 min
  31. XXX. BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER about 17 min
  32. XXXI. VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH about 20 min
  33. XXXII. EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT about 16 min
  34. XXXIII. IN DE REGENTS-PANDOPPO about 17 min
  35. XXXIV. EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI about 22 min
  36. XXXV. TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE about 16 min
  37. XXXVI. LIM HO’S HUWELIJK about 19 min
  38. XXXVII about 19 min
  39. XXXVIII about 21 min
  40. XXXIX. MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH about 23 min
  41. XL. HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM about 17 min
  42. XLI about 23 min
  43. XLII. NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT about 1 h 37 min

Continue:

XV. ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT

Bij inspectie viel de passangrahan nog al mee. Waarachtig, het gelukte den loerah niet alleen zes hoofdkussens, maar ook zes bultzakken en zelfs zes rolkussens bijeen te brengen. Of ze zindelijk waren, kon bij het armoedige licht van het lampje, hetwelk in het midden van het vertrek hing, niet onderzocht worden. Maar de loerah had zichzelven overtroffen, want hij had ook nog voor zes stoelen gezorgd, die wel is waar kreupel en gebrekkig, maar toch bruikbaar waren, en als een weelde-artikel in eene dèsa als Kaligaweh aangemerkt moesten worden.

Om nu evenwel al te gaan rusten, daartoe bestond weinig aandrang. De opgewektheid van zenuwen, ten gevolge van de spanning door die amokhzaak teweeggebracht, liet zich nog te veel gevoelen, dan dat aan slapen kon gedacht worden. Men greep de stoelen, bracht die op de aloon-aloon voor de passangrahan, schikte hen in een kring en nam nu, na eene geurige manilla-sigaar opgestoken te hebben, plaats. Van het verkrijgen van wijn of bier, was natuurlijk geen sprake geweest, nog minder van een grogje, hetzij van jenever of van brandy. Zoo iets treft men in geen Javaansche dèsa in de binnenlanden, als er tenminste geen Europeanen gevestigd zijn, aan. Maar de loerah had voor klapperwater gezorgd, en dat werd een overheerlijke drank bevonden, vooral wanneer hij afkomstig was van eene jonge noot, waarvan het vruchtvleesch zich nog slechts in den staat van witachtige gelei langs de wanden van den harden bast afgezet heeft.

Het kringetje was ras onder een kolossalen Wariengienboom [91] gevormd, welks knoestige takken zich hoog en zeer ver uitspreidden, en zoo eene kruin vormden, die het grootste gedeelte der oppervlakte van de vrij ruime aloon-aloon overdekte en schaduw verleende, wanneer de zon of de maan in het zenith stond, en zoo den omvang van die kruin op den bodem nauwkeurig bepaalde. Van verreweg het meerendeel der horizontaal uitgespreide takken daalden bundels luchtwortels naar beneden, nu eens als een vinger, dan weer als een pijpesteel zoo dik, soms zoo fijn als een dun touw, die evenwel, bij het aanraken van den bodem, daarin doordrongen, om hulpstammen te vormen, die den reus zijnen last hielpen torsen. Van die bijstammen waren er velen te bespeuren, die rondom den hoofdstam een zuilengewrocht daarstelden, en den schoonen boom eene zekere mate van betoovering bijzetten.

Het uitspansel was donkerblauw en buitengewoon helderrein. De sterren fonkelden aan den hemel, hoewel het zachte maanlicht haar veel afbreuk deed, en haren glans aanmerkelijk verbleekte.

Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische gewesten doorgebracht, was het volstrekt niet stil in de natuur. Een zacht windje deed toch de millioenen bladeren van den kolossalen wilden vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige geluiden, die vernomen werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd koerde in weerwil van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in de onmetelijke kruin van den Wariengien, en werd door haar gaaiken beantwoord; nu en dan liet zich een haan door de heldere maanstralen verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit volle borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en daar weerklonk het scherpe gepiep van de vele vleermuizen, die rondom onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten, een waren doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen, enz. beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar „kalongs”, [92] die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of anderen vruchtboom van de dèsa waren neergestreken, en daar om het ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of „kwennie” [93] plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als solopartijen beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal heerschte, hoewel de uitvoerders daarvan niet te bespeuren waren. In dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen, waarheen men het oor ook wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens zóó sterk liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan, dan weer zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar briesje langs een graanveld, soms plotseling als op een gegeven teeken ophield, alsof het ’t zacht lispelen der Wariengienbladeren wilde laten vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde kracht in koor te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „tongeret oetan,” [94] eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere grasspriet van de aloon-aloon, op iedere bladpunt van den onmetelijken Wariengienboom gezeten, dat schril concert ten gehoore, en in letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten.

Of deze verschillende geluiden de aandacht onzer jagers boeiden? Of zij gehoor verleenden aan die tonen, welke een intertropischen nacht meer levendigheid schenken, dan aan het middaguur, wanneer de zon in het toppunt staat, en alles in de natuur aamechtig doet zwijgen? Of zij oog hadden voor den heerlijken nacht met zijn verkwikkend windje, met zijnen schitterenden sterrenhemel, met zijn fraai en zacht maanlicht, dat zulke grillige maar bevallige schaduwen vormde? Het is te betwijfelen. Het gesprek dier jonge mannen liep toch—en zulks kan geene verwondering baren—over de gebeurtenissen van den dag. Het tooneel van maatschappelijke ellende, dat men onder de oogen had gehad, was te aangrijpend geweest, om nu reeds verdrongen te worden. Die moordzaak werd van alle kanten bekeken; maar, nadat men het verhaal van het gebeurde vernomen had, hetwelk Verstork, alvorens te gaan schrijven, medegedeeld had, was de deernis met Setrosmito en zijn gezin groot.

„Welke ellende baart die gevloekte opiumpolitiek toch niet op dit overigens zoo gezegende eiland,” sprak Grashuis. „Is het niet om zich van schaamte het aangezicht te moeten sluieren, dat onder de inkomsten van het Nederlandsche budget zoo’n bron aangetroffen wordt?”

„Tu, tu tu!” antwoordde Van Beneden. „Die bron—ge bedoelt toch de opiumpacht niet waar—is geheel en al gelijk te stellen met eene verbruiksbelasting op een weelde-artikel.”

„Accoord,” zei Grashuis, „maar wie leerde den bewoners van den Indischen archipel dat weelde-artikel kennen?”

„Wel, dat weet ik niet. Het zal daarmee gegaan zijn als met den sterken drank. Van waar is dat distillatieproduct afkomstig? Wie vond het uit? Ik geloof dat daarop moeielijk een bevredigend antwoord te geven is. Dat kan met zekerheid verklaard worden, dat de uitvinding van de opium niet op rekening van de Nederlanders kan gesteld worden.”

„Zeer juist, ofschoon ik aarzelen zou, dat negatieve certificaat, als bewijs van goed gedrag aan te nemen,” antwoordde Grashuis gemelijk.

„Te minder,” merkte Grenits op, „daar het Nederlandsche geweten, is het dan ook onschuldig aan de ontdekking van de opium, niet vrij te pleiten is, van met den invoer van de opium begonnen te zijn, en...”

„Kom, gekheid!” viel Van Rheijn in. „Dat is eene bewering, die wel den toets van het onderzoek niet doorstaan kan! Neemt men Baud’s bekende Proeve [95] ter hand. dan leeren wij, dat de Oostersche volkeren als Turken, Perzen, Arabieren en Hindoe’s al reeds sedert vele, zeer vele eeuwen aan het opiumverbruik verslaafd zijn. Het is dus aannemelijk, dat toen de Nederlanders voor het eerst in Indië kwamen, zij er de gewoonte om opium te schuiven reeds vonden...”

„Mis, waarde ambtenaar,” viel hem Grenits in de rede. „Diezelfde Baud, dien ik evenals gij als eene autoriteit beschouw, verklaart niet te hebben kunnen ontdekken, wanneer het gebruik van opium in Nederlandsch-Indië is aangevangen. Mij dunkt, dat zoo’n bekentenis in den mond van dien Staatsman kenmerkend is. Had hij toch in zijne geschiedenis kunnen staven, dat het gebruik van de opium bij de komst der Nederlanders in Indië reeds ongeveer verbreid was, geloof dan vrij, dat hij die wichtige bizonderheid voor de eer onzer natie niet zou verzwegen hebben. Ik ga verder. Baud zelf komt later in zijne Proeve tot de meening, dat toen de Europeanen zich in den loop der XVIde eeuw in de Indische wateren begonnen te vertoonen, het opiumverbruik slechts in de Molukken bekend was, en dat voor het overige gedeelte van den Indischen Archipel kan aangenomen worden, dat dit verbruik zich bepaalde tot eene zeer geringe hoeveelheid ten dienste van vreemde oosterlingen, die zich in sommige havenplaatsen gevestigd hadden.”

„Is die uiting niet als een personeele opvatting van Baud te beschouwen?” vroeg Van Rheijn. „Wat zegt gij er van?” vervolgde hij zich tot Van Nerekool wendende. „Baud was toch een tegenstander van het opiumgebruik.”

Maar de aangesprokene, afgetrokken en in zijne overpeinzingen verdiept als hij was, antwoordde hem niet. Het stond te bezien, of hij de vraag wel gehoord had. Grenits haastte zich evenwel te antwoorden:

„Baud een tegenstander van het opiumgebruik!... Waaruit hebt gij dat gehaald? Toch niet uit zijne Proeve? Die is met de meest mogelijke onpartijdigheid samengesteld. Hij behandelt slechts de nadeelige uitwerking van het heulsap met de meeste omzichtigheid, en in zijn geheelen arbeid wordt geen spoor van een schema van een ontwerp ontdekt om dat verbruik tegen te gaan. Gij spreekt evenwel van Baud’s personeele opvatting?..... Maar die opvatting omtrent het verschijnen van de opium in Indië wordt geschraagd door de reisverhalen van eene menigte merkwaardige zeereizigers uit die dagen. Ziet de Itinerario’s ofte voyages b. v. van Van Linschoten, van Cornelis Houtman, van Wybrand, Van Warwijck, van den admiraal Matelief en van zooveel andere verdienstelijke vaderlanders uit ons heldentijdvak, dan zult gij bemerken, dat Baud in die opvatting volstrekt niet alleen staat.”

„Wat drommel, vanwaar komt gij als koopman aan al die wetenschap?” vroeg Van Rheijn niet zonder scherpte. Bij zoo’n discussie trad toch de gewapende vrede tusschen den koopmans- en den ambtenaarstand, die in Indië meer nog dan elders op die van kat en hond, welke genoodzaakt zijn te samen op een erf te leven, gelijkt, eenigszins op den voorgrond.

„Wel, juist als koopman, heb ik eene studie gemaakt niet alleen van de voortbrengselen van den Archipel, maar ook van de artikelen, die voordeelige uitkomsten beloven,” antwoordde Theodoor.

„En dat doet de opium voorzeker. Daarom zou die handelsstand dat artikel wel in zijne handen wenschen,” hernam Van Rheijn vinnig.

„Wat sommige handelaren wenschen, weet ik niet, en wil ik niet weten,” antwoordde de andere koeltjes. „Maar ik zou uit zoo’n bron geen voordeel willen hebben, en ik ben er zeker van, dat vele, zeer vele vakgenooten daaromtrent eenstemmig met mij denken. Het bewijs, dunkt me, ligt kenmerkend in de omstandigheid, dat voor zoover mij bekend is, nimmer eene Europeesche firma als opiumpachter opgetreden is.”

„En de Nederlandsche Handelmaatschappij dan?” vroeg Van Rheijn ietwat hoonend.

„De Nederlandsche Handelmaatschappij is als eene laatgeboren spruit der Oost-Indische Compagnie, onzaliger nagedachtenis, te beschouwen, en als het ware geïdentifiëerd met de Nederlandsche Regeering, wier winkelier zij is in de kruideniersaffaire, aan te merken. Het opiummonopolie wordt door den Staat gedreven; was het wonder, dat de „Companie ketjil” [96] als opiumpachter optrad? Toch heeft het niet lang geduurd, dat dit Europeesch handelslichaam, die eervolle betrekking behield. Volgens Baud, trok de Regeering niet genoeg winsten uit die verpachting, zoodat zij het andermaal met Chineezen wilde beproeven, die meer tuk op voordeel, dien heilloozen handel tot zijnen hoogsten bloei zouden brengen. Van een anderen kant, wanneer ik de namen der Nederlandsche geslachten zie, wier hoofden toen der tijd de bestuurders en leden van de Nederlandsche Handelmaatschappij waren, dan vermag ik de gedachte niet te onderdrukken, dat die voorname lieden geen leedgevoel zullen ondervonden hebben, toen die vuile bron van winstbejag voor hen verstopt werd.”

„Wat leutert ge toch van vuile bron van winstbejag,” viel Van Rheijn korzelig in. „Drijft de Handelmaatschappij geen handel in jenever? Verkoopt uwe firma dien drank niet? Zult gij, als gij eenmaal aan het hoofd van een huis zult staan, iederen handel in sterken drank laten varen?”

„Evenals zoovele anderen stelt gij dus het opium-verbruik met het jenever-verbruik gelijk?” viel Grenits in. „Ziet, gij en de velen, die dat hier te lande en daar ginds in Nederland verkondigen, doen veel meer kwaad, dan zij wel gissen kunnen, hoewel er verscheidene onder zijn, die met behoorlijke kennis van zaken toegerust spreken, en bijgevolg den omvang hunner woorden peilen kunnen; maar daarbij een doel najagen, waaraan eerzucht in den regel niet vreemd is; terwijl de anderen slechts praten, om hunne toehoorders aangenaam te stemmen. Want o! het klinkt zoo verkwikkend voor Nederlandsche ooren, wanneer menschen, die in de Oost geweest zijn, en het dus weten moeten, met zoetsappige spraak verkondigen: „och, de opium is zoo’n groot kwaad niet. De mensch heeft soms een prikkel, eene opwekking noodig. Ziet, de heer Schaepman, die het toch wel goed met zijne schaapjens zal meenen, misgunt den man een paar borrels jenever niet. Laten wij dat geestelijke voorbeeld volgen, en den Javaan zijne opiumpijp niet misgunnen. Opium en jenever staan op dezelfde lijn!” Ziet, dan openen zich de ooren, die anders vrij wel gesloten bevonden worden, en dan volgt menig beamende hoofdknik; want.... men acht zich dan van de verplichting ontheven, om een einde te maken aan een zoo smerige bron van inkomsten als het opium-monopolie is.”

„Welnu, mijn waarde Grenits, vergeef mij, maar ik behoor ook tot de lieden, die niet alleen die stelling met een beamenden hoofdknik bevestigen, maar haar ook luide verkondigen durven. Ik houd staande, dat beide artikelen: jenever en opium, als bedwelmings-middelen op gelijke lijn staan, dat beide nadeelig te noemen zijn; het eene wellicht niet in zoo’n hoogen graad dan het andere.”

Het was Van Beneden, die zoo Van Rheijn te hulp kwam. Deze laatste keek zegevierend rond en riep uit:

„Ziet ge wel? Ik sta met mijne meening niet alleen. Bravo, August!” „Zeker is ook het gebruik van jenever nadeelig te noemen....”

„Pas op, dat de leden der Witte sociëteit in den Haag dat niet hooren!” viel Grashuis lachend in.

„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „dat gebruik vloeit voort uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil, die het bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk geluk en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father Mathews, den Ierschen matigheids-apostel en van andere afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat over het hoofd te zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne lijn stelt, gij niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de hoogte der koloniale litteratuur in zake opium zijt. Vaderlandsche mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud, Van Dedem en zoo vele anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker als een middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in zijne reisbeschrijving openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van het opiumverbruik mede, die van zoo’n aard zijn, dat, hoewel wij slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins die bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel volkomen. Een beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is, [97] schreef reeds in de XVIde eeuw, dat het gemeene volk in China de opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde Von Miclucho Maclay [98] schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te Hongkong genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik uwe ooren besparen wil. Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse, [99] en zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als Minister van Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden, in de volle Vertegenwoordiging, van de opium spraken als van een kwaad, van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging, van eene verpesting, dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking en de gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig heilloozer zijn, dan die van het alcohol-verbruik.”

„Zou niet eens eene proef met opium schuiven te nemen zijn?” vroeg Van Beneden. „Ik zou die uitwerking wel eens willen ondervinden.”

„Ik ook,” antwoordde Van Rheijn. „En die wensch zal wel te volbrengen zijn.”

„Hoe zoo?” vroeg Grashuis. „Opium is toch zoo gemakkelijk niet te verkrijgen voor ons Europeanen. Wij kunnen toch niet in eene kit gaan schuiven tot spot van het volk.”

„Luister. Ik tel onder mijne kennissen Lim Ho, de zoon van den opiumpachter. Die zal mij wel eenige madat-balletjes verschaffen.”

„Clandestiene?” vroeg Grenits lachende. „Gij weet de opiumpachters zijn de grootste smokkelaars.”

„Om het even. Opium is opium. Ik zal ook wel eene pijp machtig worden. Zoodra ik die dingen heb, zal ik ulieden waarschuwen, dan vergaderen wij ten mijnen huize. Wij zullen hartenazen, wie zich aan de proef zal onderwerpen. Die door het lot aangewezen wordt, zal schuiven, terwijl de anderen toezien en hunne opmerkingen maken zullen. Is dat afgesproken?”

„Ja, ja!” was de algemeene kreet, waarmede Van Nerekool, steeds afgetrokken als hij was, niet instemde.

„In afwachting van den uitslag der proef evenwel,” ging Van Rheijn voort, „kan ik niet nalaten te betuigen, dat vriend Grenits zijne stelling uitstekend verdedigd heeft. Waarlijk, ik had zoo veel zaakkennis omtrent het opium-monopolie niet bij een handelsman verwacht....”

Deze glimlachte bitter. Och, zoo’n oordeelvelling vanwege iemand uit het ambtenaarskorps was voor hem niets ongewoons.

„Maar,” ging de aspirant-controleur voort, „hij zal mij nimmer overtuigen, dat de opium meer onheilen sticht, meer rampen over het volk uitstort, dan sterke drank zou doen.”

Verstork, die gedurende dat gesprek zijne beknopte berichten aan de autoriteiten te Santjoemeh beëindigd en verzonden had, was intusschen nabij getreden en had zoowel de tirade van Grenits omtrent het heillooze van het opium-verbruik als ook de laatste bewering van Van Rheijn gehoord. Hij mengde zich terstond in het debat.

„Kom,” sprak hij, „de gelegenheid om ons te overtuigen, omtrent hetgeen Grenits beweert, is te schoon, om niet te worden benuttigd. Wij bevinden ons in een der meest rampzalige dèsa’s, in een der meest waarneembare slachtoffers van het opium-monopolie. Het is nog zoo lang niet geleden, dat Kaligaweh als een der welvarendste en netste dorpen kon aangemerkt worden. De opiumkit is gekomen en.... kijkt rondom u; alles is even vervallen en verwaarloosd. De hutten storten schier in; de wegen naar en door de dèsa zijn modderpoelen gelijk; van de sierlijke heggen, welke die wegen en de erven der ingezetenen vroeger omzoomden, is geen spoor meer te vinden. Kom, het is nog pas tien uur, de kit is nog open [100]; daarenboven de bewoners, door die moordzaak opgewekt, door de tegenwoordigheid van zooveel blanken in hunne dèsa verontrust, zijn nog allen wakker. Wij kunnen dus de oogen den kost geven, en onze weetgierigheid bevredigen.”

Allen waren opgesprongen om den controleur te volgen. Alleen Van Nerekool bleef met het hoofd in de handen rustende, wezenloos zitten.

„Kom meê, Karel,” sprak Verstork, terwijl hij hem de hand op den schouder legde.

De jeugdige rechterlijke ambtenaar sprong schier verschrikt op.

„Waarheen?” vroeg hij zoo onthutst, dat het blijkbaar was, dat hij met zijn brein elders gedwaald had.

„Kom, naar de opiumkit.”

„Naar de opiumkit?” vroeg Van Nerekool ontsteld. „Om wat te doen? Ge wilt toch niet....”

„Schuiven, nietwaar? Neen,” vervolgde Verstork bij zijne aarzeling. „Neen, wij gaan maar kijken. Maar, bereidt u voor op onsmakelijke gezichten; want ik geloof, dat het bezoek aan de kit heden nacht talrijk is. Maar.... wacht, willen wij volledige kennis betreffende land- en volkenkunde opdoen, dan....”

En zich tot een der oppassers wendende, die steeds in de nabijheid van den ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur verwijlden:

„Sariman,” sprak hij, „roep dadelijk de twee Chineezen van de opiumkit hier. Maar dadelijk, ik moet hen noodzakelijk terstond spreken.”

„Engèh Kandjeng toean!”

„Een oogenblik wachten, heeren! Anders zou het meest interessante schouwspel voor onze land- en volkenkundige nasporingen een gesloten boek wezen.”

Het wachten duurde evenwel slechts zeer kort. De beide Chineezen kwamen ijlings aangeloopen, door den politie-agent tot spoed aangezet, met een ijverig:

„Eo! lakas! lakas! Kandjeng toean pangil!! (Kom! gauw! gauw! de verheven heer roept).”

Toen de Chineezen bij den groep Europeanen aangekomen waren, sprak de controleur tot zijn gezelschap:

„Laat ons nu gaan.”

„Maar, mijnheer heeft ons laten roepen,” sprak een der Chineezen brutaal, toen hij zag, dat de controleur zich niet om hen bekommerde.

„Stil, babah!” zei de heer Verstork. „Wij willen de opiumkit bezoeken. Wees ons geleide.”

„De opiumkit bezoeken?” kreet de babah. „Maar dan zal ik gaan...”

„Hier, bij mij blijven! Alle twee!” sprak de controleur op bevelenden toon.

De beide Chineezen wisselden een blik met elkander; maar kikten geen woord, en volgden de blanke heeren.

De kit lag achter de missighiet, die zich aan de oosterzijde van de aloon aloon bevond; zoodat de bezoekers slechts een honderdtal passen af te leggen hadden, om die philantropische inrichting der Nederlandsche overheerschers te bereiken.

Neen, het was geen gebouw, dat, in het bewustzijn een der talrijke zuigers te zijn, waardoor de Nederlandsche schatkist gevuld heet te worden, trotsch en fier zich verhief!

Neen, aan het uiterlijke was niet te ontdekken, dat het een der toevoerbuizen was van het opium-monopolie, die vreeselijke zuig- en perspomp, die millioenen en nog eens millioenen in de Nederlandsche schatkist doet stroomen.

Neen, driemaal neen! Het was slechts een armzalig, vuil, smerig bamboegebouwtje, meer aan eene keet of schuur gelijk, waarvan de omwanding bij den grond gedeeltelijk verrot was, en die eigenaardige muffe lucht van in verderf verkeerende bamboe verspreidde, waarvan het atappen-dak zichtbaar onder den last der jaren doorboog, en op het hoofd der bezoekers dreigde neer te komen. Het innerlijke beantwoordde volkomen aan het uiterlijke. Zeer laag van verdieping, was de binnenruimte tusschen die muffe wanden en onder dat half vergane dak uiterst bedompt; terwijl daarenboven de vochtige atmospheer, die er heerschte, nog doortrokken was met die akelig weeë zoete lucht, die verbrand wordende opium steeds en onbedriegelijk kenmerkt. De naakte bodem diende tot vloer, maar was niet aangestampt, zooals gewoonlijk in Javaansche huizen geschiedt. Integendeel, die vloer was hobbelig, hier en daar met zwart-glimmende bulten bezaaid, die onder den naakten voet der Javaansche, of onder het hardlederen schoeisel der Chineesche bezoekers akelig glanzend gepolijst waren. Hier en daar was bij het zwakke schijnsel eener onzindelijke petroleum-lamp eene vochtige plek, soms een poeltje te ontdekken, gevuld met groenachtig bruin water van zeer verdachte herkomst, dat er het zijne toe bijdroeg, om èn de gezichts- èn de reukorganen uiterst onaangenaam aan te doen. Bij het binnentreden door de lage deur wilde een der Chineezen iets uitroepen; maar Verstork, die hem in het oog hield, greep hem bij den arm en fluisterde hem dreigend toe:

„Diam, (stil) babah!”

Eene smalle vierkante ruimte strekte zich thans voor de bezoekers uit, die begrensd werd door een wand, waarin twee deuren en eene loketopening op te merken waren.

„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een vertrekje, waarin een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die loketopening roode papiertjes, overdekt met Chineesche karakters, aan de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet zich daar tegen kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig is. Met dat papiertje verdwijnt hij door die deur.”

„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op.

„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt mij.”

Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren draaide, maar krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout gleed. Men trad nu een gang binnen, die volkomen donker zou geweest zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door de zwakke stralen van ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der bamboeomwanding drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was hier nog bedompter, de akelige geur der madat nog weeër. De vloer was hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig, dat er veel behoedzaamheid noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den zeeperigen modder uit te strekken. Die gang maakte het middengedeelte van het gebouw uit, en strekte zich langs twee rijen vierkante hokjes, ieder twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet afgedeeld was. De onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer anderhalven meter opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere te zien was. Door middel van bamboedeuren hadden die hokjes met den gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap.

„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand daartoe uitstak.

„Tida bolèh, toean!” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die de beweging bespeurde en daardoor de vraag begreep.

„Diam loe!” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga buiten den gang!”

En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd had, vervolgde hij:

„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de deuren en van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te slaan. De bespieding zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n opiumkit omgaat, meer bevorderlijk zijn dan een openlijk binnentreden. Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste stadium der narcotische bedwelming.”

En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder hokje der opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn hoofddoek had hij afgesmeten, zoodat zijn lange haren over het walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank aangetroffen werd, zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden, half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de opiumpijp aan de vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun pitje voorzien, flikkerde, waarbij het hoofd, eenigermate door de linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel van de pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook van de verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den steun der linkerhand varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los liet, op den rug, waarbij het hoofd, achterover gebogen op het kussen kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel, en deed zichtbare poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt scheen, bleef hij rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van genieten zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril contrast met het overige uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat, waarop het zetelde. Alvorens toch op de baleh-baleh plaats te nemen, had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts met zijn sarong, een walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt.

De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in den Danse Macabre kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de kleine palita waren zijne ribben gemakkelijk te tellen, en vertoonden die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren lieten, hoe diep de vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine lederhuid overtrokken zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong niets te bespeuren; maar dat zij even dun en even vleeschloos waren als de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder dat kleedingstuk uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige in verrukking zouden hebben gebracht.

Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had, liet hij hem in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten ontsnappen, hetgeen een zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij zich op zijde, en scheen in een diepen slaap gedompeld te zijn.

Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren hoek van het hokje neergehurkt had gezeten en door onze bespieders onopgemerkt was gebleven, naar buiten. De ongelukkige was daar aanwezig geweest om.... Bij haren spoed om het vertrekje te verlaten, liep zij haast de Europeanen tegen het lijf.

„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in dien donkeren gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend vertrek binnen.

Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude Javaan lag daar ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en uitgeteerd was hij als de eerste, die gadegeslagen werd. Hij had meer dan één balletje madat verrookt, en bevond zich dan ook in een anderen zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon vuur, zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach, waardoor de onderkaak ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd, en er den stempel van de onedele natuurdrift, die hem beheerschte, op zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den hartstocht, die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong losgeworpen, en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken aartsvader Noach door zijn zonen aangetroffen werd.

Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet hij haar toe:

„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp klaar!”

Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de baleh-baleh toe, nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam van de palita eenigszins week worden, vermengde het daarna met wat uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen hare vingeren een pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne hartstochtelijke opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen opengerukt, en zich aan de meest onkiesche betastingen overgegeven, die zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij zich voorover boog, om hem de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar middel met den eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf, trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van koortsachtigen hartstocht uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare borst, met snuivende kussen. Hij....

„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat ons weggaan!”

„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is infaam! Gebeurt zoo iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden! Anders valt het vuur des hemels op ons!”

Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang getreden was, en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar buiten en trok zijne vrienden met zich mede.

„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits.

„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde August gejaagd. „Kom, voort!”

„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, „wij zijn gekomen, om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten kunnen hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?”

„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.... Zoo iets laat zich niet vertellen. En het slachtoffer van.... was een kind.... dat zich hevig verzette....”

„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn.

„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten! Kom, Verstork, gij, als controleur....”

Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden dringen.

„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,” sprak deze hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als ongeschikt voor Binnenlandsch Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn chef den resident Van Gulpendam geen steun zou vinden, hoe groot de gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken zijn. Ik ben dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over Gods dijk te laten loopen....”

„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal....”

„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om andermaal de kit in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al traadt gij alleen binnen, gij zoudt niet verhinderen kunnen, dat ik in de zaak betrokken zou worden.... Ik bid u dus.... Daarenboven, daar komt het kind reeds naar buiten....”

En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten, en liep de Europeanen snikkende voorbij.

„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken werkeloos te moeten blijven! Ik zou willen.... Maar....” wendde hij zich tot Van Beneden, „zult gij nu nog blijven beweren, dat de opium in uitwerking aan den jenever gelijk is?”

August antwoordde niet, maar zijn gelaat teekende diep-gevoelde verontwaardiging.

„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier niet blijven staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds....”

„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke tooneelen gade te slaan,” viel hem Grenits in de rede.

„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met een grijnslach aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.”

„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer onder den Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot een der politiedienaren in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden, dat zij naar huis moeten gaan, het is tijd om te gaan slapen.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVI. HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE

De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze Europeanen alleen onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen wilden vijgeboom. Maar, hadden zij een poos te voren geen oogen gehad voor de schoonheden van den keerkringsnacht, die hen omringde; thans na dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het gesprek liep natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene.

„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak Grashuis, die als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke gesteldheid te overzien, „dus ook vier en twintig van die hokken. Als allen... Het is jammer, dat wij ons hebben laten afschrikken, en ons onderzoek niet hebben doorgezet.”

„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die hokken waren onbezet, en de tafereelen die gij onder het oog bij verder onderzoek zoudt gekregen hebben, zouden slechts in verscheidenheid van beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik herhaal het, het is beter zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh ongeveer 80 huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130 werkbare mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van de vier en twintig uren, die het etmaal vormen, geopend is, en wij bovendien bij het binnentreden der schamele hutten, nog menigen opiumschuiver zouden aantreffen dan kunt gij u een denkbeeld vormen van de uitgestrektheid van het opiumverbruik.”

„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg Grashuis die van cijfers hield.

„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n rekening niets anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers der statistische tabellen in l’art de grouper les chiffres.”

„En... wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo iets voor niets terugdeinzen!”

„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge zoudt dien eens vuur zien vatten.”

„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik durven beweren, dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van opium-verbruik zijn...”

„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde, nog al met statistische cijfers solde.

„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van den loerah moest overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal ongeschikt was geworden, en ik er op stond dat een opiumvrije gekozen werd.”

„Is dat gelukt?” vroeg Grenits.

„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito, den armen drommel, die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen. De omstandigheid, dat hij niet lezen of schrijven kon, heeft mij weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek is mij gebleken, dat ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben [101] om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. [102]

„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van Beneden.

„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele residentiën gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf beweren, dat de toestanden op opiumgebied daar aan die in de residentie Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s als Kaligaweh zijn er bij honderden te tellen.”

„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits.

„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork.

„En werkt die maatregel daar goed?”

„Uitstekend.”

„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den maatregel op geheel Java in te voeren?” vroeg Grashuis.

„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef als proef veel te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent reeds van 1824 [103]; dan ook werd die maatregel niet genomen om het opiumverbruik tegen te gaan, maar wel, omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. [104]

„Nog al leuk,” meende Van Rheijn.

„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de bevolking demoraliseert?” stoof Grashuis op.

„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, „wanneer gij die bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd en door Van Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met het alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het is oneindig afschuwelijker, dat is mijne meening!”

„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van het opiumschuiven te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene veel grootere daad van menschenmin gerekend worden, dan elke poging der afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking tot den sterken drank. Maar....”

„Maar wat?”

„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op het Nederlandsche budget gedaan.”

„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den Haag erg doof,” grinnikte Grenits.

„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de millioentjes, die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.”

„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij zeggen van den dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de bewering, dat hij het tientje hetwelk hij stal, noodig had om naar de bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde, dat hij zijn oom vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest, om.... zijne maitresse te onderhouden?”

„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!”

„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork. „Zoolang Nederland zich eene weelderige administratie als de hare veroorlooft en den opiumhandel, zooals hij bestaat, handhaaft, verdient het geen ander beeld dan dat van den man, die een tientje wegkaapt om naar den biertempel te gaan.”

„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne duiten machtig te worden. Dat beeld is juister,” voegde Grenits er aan toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië steeds als eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te buiten gaat.”

„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van Beneden als om te protesteeren.

„Overdrijf ik? Zeg?.... Gaat men niet alle palen en perken te buiten met de belastingen, die men op de schouders van nijveren en handelaren gelegd heeft?”

„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden.

„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!... Gaat men niet alle palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds zoo zwaar zijn, te verscherpen?”

„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork.

„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht, het Indische leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort.

„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel.

„Met vrede te Atjeh te decreteeren, [105] die nog in de verste verte niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden gladweg het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.”

„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?”

„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der Billiton-maatschappij den buit te laten behouden, die, als gij de debatten daarover gelezen hebt, in de Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s lands kas behoorden te vloeien?”

„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn.

„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de beschuldiging schragen, die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie van Regeering, van Vertegenwoordiging, van kieskollegiën, van kiezers, van de geheele natie ten top gestegen is.”

„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel, die uit het water komt.

„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het opiumverbruik....”

„Opzweepen!... Dat gaat te ver!.... Die beschuldiging is onbillijk!...” viel Van Beneden in.

„Zoo! Dunkt u dat?... Welnu, neem Baud’s Proeve ter hand. Daarin zult gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op uit geweest is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie millioen, in 1842 bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880 bijna dertien millioen had opgebracht, werd voor 1885 op bijna negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan. [106] Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland geteemd en geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat men de bestuurders volkomen de handen vrij, om volgens de geijkte uitdrukking: er uit te halen, wat er uit te halen is.”

„Maar,.... vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene belasting zoo productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn.

„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het opium-monopolie. Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt het verbruik aangemoedigd, worden de inlanders naar de kit gedreven door alle middelen, door de minst geoorloofde het liefste! Leest de Indische dagbladen maar geregeld, [107] dan zult ge voldoende gesticht worden over den gruwelijken last, die de Chineesche kithouders den niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot inkeer gekomen, hun verbruik verminderen.”

„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in.

„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit artikel te stellen onder het bereik van het geringst aantal personen; zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te verkrijgen. [108] Nu, kort geleden, is zij door een Minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel verheven [109]. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn, dan moet het oordeel klinken; onze Regeering en onze Vertegenwoordiging zijn overtuigd van het diep rampzalige van het opium-verbruik bij hun Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen van de gelden, welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden.”

„Tu, tu, tu.... Vergiftiging!.... Wat voor woord!...” viel Van Beneden in.

„Vergiftiging, ja.... Wanneer bij een apotheker in Nederland opium buiten zijne vergiftkas bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer hij opium aflevert zonder recept van een geneesheer, dan wordt hij beboet, [110] nietwaar, vriend Van Nerekool?”

Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan, en knikte ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te betwijfelen. Grenits echter, met dat toestemmend hoofdknikken tevreden, ging voort.

„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle te koop, ja wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder het medeweten, onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!”

„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn meesmuilend. „Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van ontevredenheid overgoten als de overige handelaren en industriëelen hier in Indië.”

„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden van het meerendeel hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair verbonden aan hen, waar het de dierbaarste belangen van handel en nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik met hetzelfde sop overgoten ben.”

„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis met leuke stem.

„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet alleen gevild, maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken voorzeker de hand naar de wapens zou doen uitstrekken. De Nederlanders hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de Belgen bij den hunnen tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!”

„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen.

„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de Xde penning, die onze voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden. En welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als persiflage zou kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht te bezitten. Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is daarvan slechts een akelig masker; vooral wanneer het geldt fiscalische onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend dier op zijne prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft; vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in den Staat!”

„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit.

„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar neemt het gruwelijke boek: Macht tegen Recht ter hand, dat boek afkomstig van een lid van het Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat hof was, schier een half menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van Justitie, enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij daarna nog dat ik overdrijf!”

„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts één doel stelt, de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur in het harnas te jagen.”

„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die in mijn oog den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den toestand onbewimpeld onthuld te hebben. Dat is in den regel de dankbaarheid van ons Nederlanders!”

„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,” riep Van Rheijn smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op de molen!”

„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid gegeven, vriend Van Rheijn.”

„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten zal zijn.”

„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche pers gebruikt, toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden met wettige middelen tegen de daden van willekeur en tegen de afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme oproerlingen!...” ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme oproerlingen!... laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij God! bij een anderen staat van zaken zou men daar wel met de handen in het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen klaar te komen! Dat zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa saamgewield is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren; want de Hollandsche heldenaard gaf in onze steden den weinigen, die daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie refrein in den mond:

„Ik ben mijn leven moe! Ik ga naar Atjeh toe!”

„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden.

„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij ondoordachte „tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel gegist kan worden; want men heeft er hier het bewijs door verkregen, dat men in den wettelijken kamp van recht en billijkheid tegenover gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond, dat wanneer een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den takt paarde, om de onderling verdeelde ontevredenen om zich te scharen, een man, die van de radeloosheid daar ginds gebruik zou weten te maken, het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.”

„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel weten te doen!”

„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft de Regeering het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij op de meest hondsche wijze tegenover dat leger haren plicht verzaakt heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat het officierskorps, in weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen. [111] Maar.... kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men herwaarts bracht, en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak, met wapens en munitie overloopen, en dan bij geheele kompagniën zouden overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook verwachten van de Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld werden? Zeg, zou dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u niet....”

„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk.

„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den vinger op den wonde leg?”

„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het tijd is om de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het bloed warm, en.... Daarenboven, het is bijna middernacht. Wij moeten gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg dag, en dan wacht ons eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes, dien wij heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij wel bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!”

Allen stonden op, behalve Van Nerekool.

„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei Grashuis. „Drommels, morgen avond zou de resident het—wie weet hoe verfraaid en verrijkt—reeds vernemen. En dan, vriend Grenits, zoudt gij een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie weet of ze je niet naar Atapoepoe of de Tomini-baai [112] verbanden; wellicht zetten ze je wel heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den advocaat Winckel.” [113]

Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders.

„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen hij dien nog buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de anderen den passangrahan reeds waren binnengetreden.

De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en keek zijn vriend met een verbijsterd oog aan.

„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de hand op den schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij waart den geheelen dag zoo stil, zoo afgetrokken.”

„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo ongelukkig!”

„Ongelukkig?... Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed drukt slechts ten halve.”

„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt kunnen torschen? Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van verleden Zaterdag te Santjoemeh?”

„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te geven, waarom ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor Juffrouw Anna van Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?”

„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht dagen is veel gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van Gulpendam mij niet genegen was?”

Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op mededeeling van het gebeurde aan.

„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij weet het: uw hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart. Komaan, vooruit!”

„Maar, gij wildet gaan slapen?... En... dan, morgen die jacht?...”

„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements koffietuinen overkomen, dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten doorbracht; terwijl mij toch den volgenden morgen een inspanningsvolle dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een vriend over, dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.”

Karel van Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan mededeelzaamheid, hij had behoefte zijn hart in dat eens vriends uit te storten.

En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man aan zijne aangebedene bij gelegenheid van de dansreceptie ten residentiehuize. Met de levendigste kleuren schilderde hij het betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende den zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij de betuiging der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider lippen daar in den tuin elkander voor het eerst zochten en vonden.

„Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit, Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat” [114]

mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had, het tweeregelig vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met een glimlach. Maar, toen hij zijn vriend weemoedig het hoofd zag schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart gewond was.

Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken, daar in den residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht, volgde dat der ontnuchtering. Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam het tête à tête verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij daarop met de schoone Laurentia gehad had. Een bittere glimlach zweefde om den mond van den controleur, toen hij vernam, welke verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had.

„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?”

„O, neen,” antwoordde Van Nerekool.

„Welnu, ga voort.”

„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar het residentiehuis, om de hand van het lieve meisje aan haren vader te vragen. Het kostte mij veel moeite om gehoor te krijgen, en het was niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had, dat ik in de tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd.

„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij het kantoor, waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje gauw van stapel, ik ben gehaast.”

„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met juffrouw Anna, en...”

„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het, ik heb geen tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets vernomen. Ik kan het niet kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar, met een jong meisje een geheim oppertje te zoeken. Recht door zee! is mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle zeilen op zijn doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.”

„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij verrast hebben. Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de hand uwer dochter te doen. Van geheimzinnigheid kan dus geen sprake zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer Van Gulpendam, geene andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden, en u te verzoeken haar mij als gade te geven.”

„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt gij wel gissen, wat ik in het logboek zal invullen? Niet?”

„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik, verbaasd over die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen. Ik heb de eer u om de hand van uwe dochter te verzoeken.”

„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij ietwat geraakt. Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen enkele scheepsterm meer over zijn lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken, scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij gissen kunt, welke beslissing ik zal nemen?”

„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin juffrouw Anna onuitsprekelijk!”

„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd worden. Is uwe liefde u ernst?”

„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk.

„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek met mijne echtgenoote gehad?” vroeg hij mij.

„„Ja, resident,” was mijn antwoord.

„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?” was zijne tweede vraag.

„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat hij en zijne vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?”

„Waarom niet?” vroeg Verstork.

„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds evenwel, dat hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner echtgenoote niets te maken had.”

De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur overtoog, ging onder de dichte schaduw van den Wariengienboom voor Karel verloren.

„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne gemoedsstemming onmogelijk kon verraden.

„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw gedaan.”

„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij verder.

„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd.

„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij verder. „En, dat gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat gij nog eenmaal een practisch mensch in onze maatschappij zult worden.”

„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik deed, en waarvan mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik den grond, als het ware, onder mij wegzinken.

„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw mij voorgesteld heeft?”

„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en met ietwat spottende stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de opvolger te worden van den tegenwoordigen voorzitter van den landraad te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd tijdstip tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand niet geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij ziet, dat ik op de hoogte der gedane toezeggingen ben, en als gij u daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen de daad van een inderdaad practisch man zou zijn, weest dan gerust....”

„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele roerselen gingen toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig in de rede:

„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident, ook was het niet, om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de vraag deed, of gij wist wat mevrouw mij voorgesteld heeft!”

„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde hij koel. „Wat bedoeldet gij dan wel met die vraag?”

„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat mevrouw Van Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?”

„„Och, kom?” zei hij spottend.

„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te brengen, om een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging ik voort.

„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig.

„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs uitzicht op de hand uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs van een menschenleven eer en bevordering werd aangeboden?”

„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten toorn. „Ik verbied u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te uiten! Wat? Gij komt hier om de hand mijner dochter te vragen en gij hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van het meisje, dat gij zegt lief te hebben!”

„„Hoon en laster!” riep ik uit.

„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat is wellicht te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van een misverstand,” en met koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool. Het komt mij evenwel zeer onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om over die aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er is bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan een huwelijk te denken.”

„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik zijn hand greep.

„Hij keek mij met een verbaasden blik aan.

„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij ontwijkend. „Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten, alvorens aan een verbintenis voor haar leven te denken. En die dan leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen...”

„Hier haperde hij.

„„Intusschen?...” vroeg ik schier ademloos.

„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe bezoeken op het residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf meisje niet in opspraak willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet anders dan bij officiëele receptie’s ten mijnent te zien!”

„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.”

Verstork keek zijn vriend met deelneming aan.

„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei hij. „Herinner u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen opnam.”

„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom....”

„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam kunnen peilen, in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen, wanneer uw aanzoek ingewilligd ware geworden.”

„Maar Willem, Anna is....”

„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan aangetroffen worden. Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke bloem in zoo’n midden heeft kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.... laat dat meisje zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou het toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan hare ouders, die de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens genoemd moeten worden, die in een fatsoenlijken kring plaats kunnen nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene omgeving rampzalig gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.”

Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij zat daar met het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog als verdwaald hoog daarboven de openingen aanstaarde, die in de bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren waren, en waardoor de maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet schijnen.

Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak hij:

„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de hoogte gebracht van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid in den slaap zoeken. Gij hebt heden een voor u ongewonen en dus vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom zijn. Morgen wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken er op, dat ook die heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van morgen bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!”

Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op en volgde zijn vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds in diepe rust vonden en zich dan ook naast hen op de baleh-baleh uitstrekten.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVII. IN DEN DJOERANG PRINGAPOES

„Toeaan!... Toeaaan!... Toeaaaan!”

Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze vrienden te snurken lagen.

Och, de slaap had zich ook over Karel van Nerekool erbarmd. Het had wel lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij zich op de baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August van Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een enkele maal een toornige uitroep ontlokt was van:

„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te worden!”

Of wel van:

„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën, buitengewoon onrustig van nacht!”

„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!”

„Of een boos geweten!”

„Of een blauwe scheen!”

Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts voor korten tijd.

„Toeaaan!... Toeaaaan!”...

Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s bediende, die zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken, en die thans op zijne beurt zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren Javaan in dergelijke omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken uiterst nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap ontijdig opgewekt worden. Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst op een betamelijken afstand; want eene oorvijg van den slaapdronken toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder vlug met de gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de Inlandsche bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar... in zoo’n verbijsterden toestand is een klap gauw opgeloopen, en het was maar beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht de gedienstige geest.

„Toeaaan!... Toeaaaan!...” liet zich andermaal het gedempte maar langgerekte geroep vernemen.

Maar Verstork hoorde niet.

„Toeaaan!... Kandjeng toeaaaan!”...

Geen woord.

De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde hij evenwel thans nog meer gedempt en gerekt:

„Toeaaan!... Toeaaaan!”...

Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate onrustig.

Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op, die zijn heer toedekte. Bij de vierbekkige palita, [115] die met een kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot had, begon hij diens grooten teen te kriewelen.

„Toeaaan!... Toeaaaan!...” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer zacht, alsof hij door de deemoedigheid van zijn stem vergeving verzocht voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking van den teen van den Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog verschrikt overeind.

„Siapa itoe?” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met een angst, alsof hij eene slang gevoeld had.

En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt er toe, om zich, vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te vergissen.

„Siapa itoe?” riep hij andermaal.

„Saja, Kandjeng toean!” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst verwijderden hoek van den passangrahan, vlak bij de deur.

De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het bereik van den blanken man gesteld.

„Maoe apa?” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid woedend.

„Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.” (het is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op).

„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne nachtrust wel wat kort vond.

Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende verbijstering zou gegeven hebben; maar August van Beneden, die naast hem sliep, was door dat toeaaan! toeaaaan! van den bediende ook gewekt geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”, zooals de resident Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben.

„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen van de baleh-baleh afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof het door eene aardbeving heen en weer bewogen werd.

„Wat is er?.... Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld.

De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed.

„Wat is er?... Wat is er?”

„Wat er is?... Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren. Het dèsavolk staat reeds gereed voor de jacht!”

De jacht!... Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat men uitgetogen was.

In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen, gekamd, geschuierd.... zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de binnenlanden van Java plaats kan hebben, wanneer Europeanen in eene passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één waschtoestel aanwezig en daarvan was de kom niet meer dan een scherf. Hoe zich de jagers behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren er die de methode van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden, door een flinken teug water in den mond te nemen, dat in de saamgehouden handen te spuiten, en zich daarmeê het aangezicht te verfrisschen.

Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door Diogenes van Sinope, den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n afkeer van omslag had.

Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die verstrooiing voor zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken.

Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke bevolking op de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner zich tegen de morgenlucht met zijn sarong trachtte te dekken, door dat kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders heen te trekken. Allen hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken rechtop hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet ongelijk aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige gedeelten van het vaderland, voorheen de vreedzame bewoners den slaap uit de oogen dreven, onder voorwendsel over hunne rust te waken. De maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien de lezers wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die evenwel, zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen hadden, en aan Darwin’s stelling eigenaardig veel kracht bijzett’en.

„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd.

„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen.

„Zijn zij reeds afgedeeld?”

„Engèh, Kandjeng toean!”

„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa omtrekken. Het tweede gedeelte moet zich langs den westkant over den nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden, terwijl het derde gedeelte het ravijn intrekt.”

„Engèh, Kandjeng toean!... tapeh...” (maar)

„Tapeh wat?” vroeg de controleur de aarzeling van het dèsahoofd opmerkende.

„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang ontsnappen?”

„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit dien kant en ook nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken? Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen. Wij gaan dadelijk te paard stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten, waar alle varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten komen. Luister nu goed, loerah.”

„Engèh, Kandjeng toean.”

„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben, zullen wij een schot lossen.”

„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?”

„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah. Weet ge wat? Wij zullen nu afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken, evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de djagoengvelden omgeven hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel, dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs vrij blijft.”

„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den eerbiedvollen loerah.

Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de ruiters den weg naar Banjoe Pahit insloegen.

Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen onder die omstandigheden te eerder geboden werd, daar de weg aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet zeer breed was; zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te ontwikkelen, eerst schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel, dat bij den horizon waargenomen werd. Die streep werd langzamerhand breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna purper, eindelijk vurig op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren, die in het zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken.

De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan Kaligaweh, dat eigenlijk tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men er op los; terwijl de dagende streep al breeder en breeder werd, en de ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden opmerken, die door het rijzende licht veroorzaakt werden. Naarmate de dag vorderde, kon men de paarden den teugel meer vieren, die dan ook weldra in stevigen draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk zij bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden.

Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar stegen zij van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers van Banjoe Pahit, die men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook Mokesuep aangesloten had, overgenomen en naar huis geleid werden. Het was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er nog donkerblauw uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van den dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken en boomen, die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten, kweelden en floten eene menigte vogels, die zoo hun lofgezang den Schepper brachten. De bladeren, de takken, de twijgen, de bloemen, de grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes overdekt, die in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen uitzien.

Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het nog prachtiger van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen plotseling heel in de verte een vreeselijk leven ontwaard werd.

„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de controleur.

En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken bamboe geklopt, werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in de natuur, die trouwens in dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst heel verwijderd zich liet hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat zelfs Van Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde, en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het gezelschap, die hun wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te schieten.

„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders gebeuren er nog ongelukken met die vuurwapenen.”

„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis.

„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden.

„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de controleur.

Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil voetpad, dat te midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden slingerde, terwijl vlak naast dat pad, de beek Banjoe Pahit hare afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding begon, om van trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op den bodem liet ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of een stortvloed te vormen, om elders tusschen rotsblokken en onder struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar ginds klaterend en vroolijk weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten.

Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare schilderachtigheid het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de helling afgedaald was, weken de rotswanden, die tot nu den ingang nauw omsloten en tot eene spleet vervormd hadden, trechtervormig achteruit, terwijl zij statig en fier omhoog rezen.

Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren de sporen zichtbaar, dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was. De dooreen geworpen rotsblokken, de akelig verwrongen boomstammen, wier bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras en verdroogde takken torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot, en de krachten van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe Pahit hier in woeste golven, in driftige stroomen en tegenstroomingen, in vreeselijke kolken hotste, klotste en woelde, huilde en loeide, en dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn te bevinden.

Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het spektakel der drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer verwijderd mocht heeten. Geen enkel opgejaagd stuk wild had zich nog vertoond.

„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August van Beneden, „ik dacht, dat wij dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen ons de tjellengs, als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?”

„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal schier loodrechte wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op kunnen. Slechts op een paar plaatsen zijn die wanden minder steil en derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe Pahit en van Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de benedenzijde drijven de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de varkens naar het ravijn toe, die er te eerder een toevlucht in zoeken zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats is.”

„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel plaats om kiekeboe te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij hier tot den dag des oordeels staan wachten.”

„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach, „wanneer de drijfjagers met hunne ratels het ravijn niet van den benedenkant binnendrongen, om het wild naar ons toe te jagen. Dat zult ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel maken! Het is of zij bezeten zijn!”

En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en flegmatiek in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig wezen. Hij gilt, hij schreeuwt, hij fluit, hij sist, hij kraait, roept en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles, wat hij in de hand heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen, op steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij zou op den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette. En dat alles, om het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor het wild, dat zoo heel mak niet is, vrees aan te jagen, en den kant uit te drijven, werwaarts men wenscht, dat het vlucht.

„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen wij aan den Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh, zich in de Banjoe Pahit stort, en waar die te zamen door een vernauwing van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde gedeelte, dat slechts een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en door loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om het bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.”

„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het schijnt hier wel een voorspel van de verwoesting van het heelal.”

En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande, torenden steil hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok in de helling was blijven liggen, waarop wat teelaarde neergekomen was, en zoo een groen eilandje in die steenenmassa schiep. De rotsblokken, die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig te noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden kerbo, en de Oering aring [116] en slingerplanten als de Oeweh lilin [117] met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke knoestige stammen van den Djatie doerie [118] en van den Siwallan [119] staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden, door dat zij tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de bergstroom bij bandjir er tegen en tusschen door gesleurd had, de moeielijkheden van dat terrein.

„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal hier met Van Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post vatten. Gaat gij, Leendert met August, boven op die rots, die daar rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits, daar op die afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt gij den ingang met uw vuur bestrijken, en... zijt gij inderdaad zulke goede schutters, als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele tjelleng den dood ontkomen. Maar, haast u; want hoort het spektakel eens naderen.”

En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en meer duidelijk. Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren.

Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker aangewezen was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige aanmerking over die samenkoppeling met dien hem niet sympathieken persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers zich naar de hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog, gekozen waren. De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren, zoodat geen gevaar bestond, dat zij ongelukken konden aanrichten; terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé voor allen zichtbaar was, en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een aanval der dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren.

Maar... men tuurde, tuurde... en, hoewel de zool van dien uitgang slechts met eenige dwergachtige struiken, te klein om een varken te kunnen maskeeren, en met nog korter gras bedekt was, werd van het wild niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden vrij lang voor de ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders bij zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan een standbeeld gelijk.

„Ik zie niets komen!” riep August van Beneden den controleur toe, waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond had gebracht. „Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben gemaakt, en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.”

„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien het lange wachten nog onaangenamer viel dan de anderen.

Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die naast hem met het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets mogelijk was?

„Bolèh..., tapeh... brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan... maar... misschien is het zoo niet geschied.) was het bedachtzame antwoord van het districtshoofd.

Men wachtte... wachtte... Het geraas der drijfjagers naderde al meer en meer, en werd duidelijker en duidelijker. Als dat nog zoo eenige minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar blijken, dat het ravijn leeg was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot bij de kloof genaderd zijn.

Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers elkander toeriepen, maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van geene onwelwillendheid getuigden. Alleen Mokesuep, zijne geaardheid getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige stem uit te roepen.

„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten zullen, controleur!”

„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet jij altijd hatelijkheden debiteeren?”

„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te vervelen.... Men inviteert de menschen niet op eene varkensjacht, als er geene varkens zijn.”

„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan Verstork het helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?”

„Het zou....”

Pang!... pang!... pang! barstte het geweervuur los, en brak de hatelijkheden van den fiscalen ambtenaar af. Het waren Verstork, Van Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang der kloof geposteerd waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien naderen, hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden. Voor de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het geratel en het gegil der drijvers verdubbelde als het ware bij het vernemen der schoten, en overstemde ieder ander geluid. Zonder dat had men het geknor en het gegrom der aankomende bende moeten hooren, en zou daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de uitkomst der jacht gemaakt zijn.

Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste tjellengs, drie mannetjes, waarvan een kolossaal groote, getroffen en neergestort. Dat deed de geheele aanstormende bende feitelijk stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk schreeuwden, spartelden en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten, den nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. Dat was slechts eene korte verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend spectakel al meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven de voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der gevallenen voorwaarts. Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven en de geweren weer „vaardig” had, èn de rechts en links geplaatste schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog te krijgen, heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van verwarring, dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver of deden nog eenige passen, om elders neer te storten.

De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij baan te maken. Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen, en waren niet het minst verbitterd tegen de gevallenen, die den weg versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de verwoedheid hunner geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds de voorsten en maakte den slagboom in de nauwe engte nog onoverkomelijker.

Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de achter-opdringende tjellengs de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die onder de wisse schoten der uitmuntende vuurwapenen in niet onervaren handen noodlottig getroffen werden.

„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van Nerekool aan Verstork.

„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de instructies houden, die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets verder een elleboog, zoodat alle onze projectielen, die niet raken of door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan, in den rotswand een ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.... de drijvers hebben volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt. Die zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij te komen, en zoo aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen te worden, bloot te staan.”

Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was het vuur onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde de grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te geraken, steeds velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de verwarring ten toppunt gevoerd. Eindelijk, na een poos in de grootste radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij het geweervuur nieuwe offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer waren, en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling zwijgen der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn weer in, waaruit zij getracht hadden te ontvluchten.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XVIII. DE ONSCHULD TEN VAL

„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!”

Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch gevreesd, dat de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een gevecht met de sabelbajonet niet onmogelijk geweest. Angstig had hij toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen tegen den steilen rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels waren zelfs over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen; maar hadden gelukkig niemand der daarachter opgestelde Javanen gedeerd. Het eigenaardig fluiten der projectielen uit zijne buks had dezen evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat te vroeg de drijfjacht en hun spektakel gestaakt hadden.

„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in de wieg gelegd werdt om een Nimrod te worden.”

„Het is beter zoo...” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van angst waren.

„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom, vooruit! Zij vluchten, wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!”

Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien afloop. Op den kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het geweer in de hand de kloof in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam achter. Wel poogde de wedono hem meê te troonen met het aanmoedigend: „lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte een afwijzend gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog verloren had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den schouder, en sloeg het pad naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde:

„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd! Neen, ik wil zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok van Verstork kan krijgen. Een aardig bekje!... dat vrouwtje!... Een slimmert, die controleur!... Als ik hem eens onder zijn duiven kon schieten!...”

Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den boveningang van den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim vergezicht over de terrasgewijs oploopende sawahvelden, die met hunne bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels in de zon glinsterden. Het was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom zich, maar niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen weinig gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst over de eenzaamheid, waarin hij zich na al het spektakel van straks bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw en gegil in de verte, waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde zich al meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke stilte, die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd gevoel van verlangen, om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van angst, dat hij Inlanders ontmoeten kon. Hij had toch zooveel van „ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden van sommige streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het geweer gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe was hij van te lafhartigen aard.

Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij den voetrand eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was, maar zich nog bij het bergstelsel, dat den Djoerang Pringapoes vormde, aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut, die in de struiken der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag, en, in welker nabijheid een paar buffels langs het pad liepen te grazen. Hij zag nog verder rondom zich, en ziet, daar... op het pad, hetwelk uit het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden slingerde, zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te begeven. Hij keek scherp uit. Het was een vrouwelijk wezen, dat was buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover eene vrouw, en dan nog wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij zou haar inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan zoo gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan.

De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s, waarboven hare omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten afspiegelden.

„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos uitgekeken te hebben. „Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene zeer aangename wandeling zijn.”

Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want dat was het,—een zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de sawah-terrassen afdaalde en naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde hem teleur, en hij was op het punt om het lieve kind toe te roepen, toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje wenkte.

„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat komt die hier doen?”

Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg stonden.

Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te voren Kaligaweh hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen hut te begeven. Nogmaals wenkte deze, en riep, toen dat gebaar onopgemerkt bleef:

„Dalima!”

Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve kleine baboe van de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik stil, hoewel hare wezenstrekken onverholen angst uitdrukten, bij het ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend was. Maar dat stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij met rappen voet voortmaken.

„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?”

„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd.

„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe.

„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl zij voortijlde.

„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.”

„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom heb ik zoo’n haast.”

„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.”

Het meisje stond eensklaps stil.

„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?”

„Neen... veel erger.”

„Bij Allah! wat is er dan?”

„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet uitschreeuwen kan.”

Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen zat, rakelings voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed, droeg een gebloemde sarong om het middel, was verder met een baadje van licht rooskleurig katoen getooid, terwijl over haren schouder een ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, aan een der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh” (haarwrong) droeg zij een dubbelde melati-bloem, [120] die daar te midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die, hoewel niet koud, toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het zachte brons harer wangen paarde.

Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den verscholen fiscalen ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen wel eenig gevoel voor het schoone; hoewel dat dan meestal booze neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige ontwerpen aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen met Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de tegenwoordigheid van Singomengolo voldoende, om hem te noodzaken zich schuil te houden.

Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal:

„Wat is er dan?”

„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen, waarom uw vader gevangen is genomen.”

Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich, dat het uit wanhoop was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld mededeelde. Maar eensklaps draaide het Javaansche meisje zich om, en wilde heenvluchten.

Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van hartstocht glinsterende oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij keerde om en ijlde heen; maar nog had zij geen tien passen afgelegd, of Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar ingehaald. Hij greep haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken. Het meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte naar haren belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen omkneld hielden. In één woord, zij stelde zich te weer als eene wilde kat, en was vast besloten, zich tot het uiterste te verdedigen. Inmiddels had zij hoop, dat haar hulpgeschreeuw gehoord zou worden. Zij had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare kruiste.

Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie weet, waartoe hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel van meêwarigheid of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op... Ja, waarop? In het brein van zulke wezens ontkiemen de onedelste gedachten, even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen bodem. Maar,... ook hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim Ho ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te houden, om van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken. Lim Ho’s vader was toch onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen zoon gold, op geen papiertje van duizend gulden zien. Arme Dalima! Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk haar: „toeloeng! toeloeng!” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling, die haar helpen kon, hield zich schuil, zag de worsteling met een cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer vormen, die bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met welgevallen gedetailleerd werden.

Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en Singomengolo er aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te hulp. Deze kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en zoo verder dragen. Toen hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in het oor kreeg, werd de ellendeling woedend; hij greep haren kondeh, die reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt was, en zich nu geheel ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte nu, terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje binnen de hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „toeloeng!.... toeloeng, toean!” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de verte klonken geweerschoten, evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje die ook in de hitte van den strijd vernomen, zij wel begrijpen moest, hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat de hulp, wanneer die opdaagde, te laat zou komen.

Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek?

De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in de dèsa Kaligaweh uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut begeven, en den bewoner daarvan naar Santjoemeh gezonden had. Deze laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij moest eerst een briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader plotseling bedenkelijk ziek was geworden, en hij haar nog voor het laatst wenschte te zien. De boodschapper, een slimme kerel, steeg op een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, die met hunne stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen. Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah Lim Yang Bing stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar ondervond hij geen oponthoud. Lim Ho lag behagelijk op eene weelderige rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche pijpenroer in den mond, met een kommetje „tjoe” [121] op een knaapje bij zich, en luisterde met een soort verrukking naar een paar zijner bedienden, zonen van het Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen op een stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en aan dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet alleen een Vieuxtemps of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de buurt, die anders op het gebied van muzikalisch gevoel niet zeer kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven hebben. Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op, greep het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die een ervaren telegraaf-correspondent alle eer zouden aangedaan hebben:

„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier zijn om zeven uur in den ochtend).

De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den boodschapper welk weer het was.

„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord.

Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de aanbeveling zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te komen berichten. Daarna deed hij zijn paard zadelen en wachtte.

In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk zich van zijnen last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne gade met nog ettelijke gasten rondom de speeltafeltjes; maar de dochter des huizes, de lieve Anna, was reeds naar haar slaapvertrek gegaan, en had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten. De boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der bedienden, dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken.

Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was. Zij vloog de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer meesteres, die gelukkig nog niet te bed was.

„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen Anna de deur opengemaakt had.

„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje, die de ontsteltenis van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren.

De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh was aangekomen, en haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht zijne oudste dochter nogmaals te zien.

„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan!

„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?”

En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond, vervolgde zij.

„Bijna middernacht!... Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo ver durven gaan?”

„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad inslaan. Daarop ontmoet ik geen mensch.”

„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een tijger of een tjelleng tegenkomen.”

„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van gehoord hebben. En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien niet aanvalt, gaat hij voor een mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.”

„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?”

„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama vragen.”

„Zij doet het toch niet.”

„Waarom niet?”

„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk zal overkomen. Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?”

„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat geeft mij moed. Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol „pontianaks,” (spoken) al ware er achter iederen boom een. En toch ben ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana, ik smeek u, vraag uwe mama!”

„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.”

Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt had, en waarop zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze gekruiste beenen plaats genomen had, en stak de reeds ontbloote voetjes in de snoeperige slofjes, die achteloos ter neer geworpen waren. Het lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even: zij trok snel een rijk gefestonneerden peignoir aan, bond zich met vlugge en bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar in een dikken wrong tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de spelers nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het lieve kind willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek in; maar beval, dat baboe Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden dag zou moeten afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op de hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging. Zij vond het zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij zooveel van hare ouders hield. Een honigzoete glimlach teekende zich op haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak, en niemand, en wel het allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken afgrond die woorden en glimlach verborgen.

Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in de goedheid haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer nachtrust, om de baboe bij haar naaiwerk te helpen. Met het stellen van dien eisch had de schoone Laurentia beoogd, dat Dalima niet in het holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de noodlottige hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was het de baboe mogelijk om zoo omstreeks drie uren den tocht te aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige meesteres gewisseld te hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door, en verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij bevond zich toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door de sawahs naar Kaligaweh voerde. De maan stond helder aan den hemel. Moedig en vastberaden stapte zij voort, en had weldra Santjoemeh uit het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig gevaar haar brein kwelde, of haar hart verontrustte.

Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de lieve baboe de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar vader zou verkeeren,—de lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere ramp trof,—vernomen had.

„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden, „gij zult wel moede zijn en niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?”

„Engèh, babah,” was het antwoord.

„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan kunt ge uitrusten. Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.”

Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge.

„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En overluid vroeg hij natuurlijk in zijn landtaal:

„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?”

Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij op, zette een soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan een Schotsch hoofddeksel was, greep eene karwats, trad naar buiten, en wipte in het zadel.

„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan.

En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende bedienden verdwenen.

Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan het voetpad, hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door zoo vroeg te vertrekken, zou hij reeds dadelijk een grooten voorsprong op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar haren vader te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben, en meende integendeel, dat zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn paard, een bastaard-Perziaan was echter een uitmuntende klepper, die hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen.

Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar Singomengolo hem wachtte.

Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen moest, waarbij Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van Dalima. Onder dat gekout brak eindelijk de dag aan, en was weldra zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij was, toen plotseling heel in de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep vernomen werd, alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop hij naast den opiumjager gehurkt zat.

„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld.

„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe Pahit heeft eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de dèsalieden van die plaats en van Kaligaweh de drijfjacht.”

„Hoe weet gij dat?”

„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean controleur met zijn gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor de jacht kwamen nemen.”

„Te Kaligaweh?...”

„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te betrappen,” antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach.

„Dat’s waar ook.”

Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke toch den vader van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem geheel en al ontgaan was.

„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder.

„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!”

„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de vader van Dalima is voor ettelijke weken goed verzorgd.”

„O, langer als voor enkele weken!”

„Langer? Is er dan iets gebeurd?”

„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang neêrgestooten, en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik was er ook om koud. Maar ik poetste hem bij tijds.”

Lim Ho wreef zich de handen.

„Zoodat....” vroeg hij.

„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet opgehangen wordt, wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld worden.”

„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen wrijvende. „Maar... wat is dat?”

Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was begonnen.

„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op tjellengs schieten. Dat Allah hunne jacht zegene!”

„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet ver hier van daan.”

„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan dat zij aan andere beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar in de nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat ze op hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de hand is meer te vreezen, en ook gevaarlijker dan met een geweer gewapend.”

Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te luisteren. De tijd vloog heen.

„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig.

„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen. Dat kan niemand anders zijn dan zij.”

„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu is alles verloren!”

Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden, toen hij zag, dat de Chinees waarheid sprak.

Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat zijn kon. Dien toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh gezien. Het was toch een jager, want hij had een geweer in de hand, en kwam van den kant van het ravijn en volgde het pad, dat langs de hut voerde.... En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich met Dalima kruisen!... Het was om des duivels te worden!... Alle maatregelen waren zoo goed genomen!.... En.... nu.... door dien ellendige!....

„Maar.....” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „toean kapala tikoes”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de baboe maar roepen. Ik zal het wel met den blanke afmaken.”

Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van Santjoemeh Muizenkop geheeten werd, welken naam door grappenmakers in „kapala tikoes” (kapala = hoofd en tikoes = muis) vertaald was. Nu herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep dat hunne snoode plannen niet veel gevaar liepen. „Perkara oeang sadja,” (eene geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees.

Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde inslaan, trad de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den blanke zich ijlings achter de struiken verschuilen. Op dat gezicht waren de beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag het aanvankelijk verloop, dat de lezer kent.

Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op het lieve meisje als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel door het verschijnen van Lim Ho op de plaats der worsteling geheel verstikt.

Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de struiken en prevelde:

„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar af te wijzen.”

Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput als het arme meisje was, met hare krachten weg.

„Toeloeng!... Toeloeng, toean! toeloeng!” was de laatste schelle kreet, die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander antwoord kwam daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XIX

„TOELOENG! TOELOENG, TOEAN!”

Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord geworden. Te laat, helaas evenwel om redding aan te brengen.

Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de vluchtende tjellengs in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang, een vijftienhonderd meters hoogstens. Hare zool echter was uiterst bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali Banjoe Pahit voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van donkergrauwen trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig meters schier loodrecht verhieven.

De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw der wilde varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de rotsen buitelden en tuimelden, in het riviertje een toevlucht zochten, maar daarin door de woest voortschietende wateren medegevoerd en onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht werden. Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van de kloof het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de achterwaartsche beweging der tjellengs hun spektakel hervat hadden, en van den anderen kant het moorddadige geweervuur der Europeanen, dat onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en gegil hen bij ondervinding minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden ettelijke der dèsabewoners, toen de drom in de nabijheid kwam, zich ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg geheel en al op de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische kogel van de hedendaagsche draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit bij het afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te jagen. In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de aanrennende zwijnenschaar als de nevel voor de morgenzon verdwenen. Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken geklommen; het andere was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had zich achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden der tjellengs bereiken konden.

De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die den doorbraak der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte was in de kloof onder de kogels der Europeesche schutters gevallen. Het was eene ware slachting, die daar plaats gehad had. Een vijftiental lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs, die met een kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden [122].

„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken goeden uitslag van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen enkele van dat schadelijk gedierte ontsnapt!”

Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd.

Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen achterna. Wel werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een slachtoffer viel; maar de varkens waren vlugger ter been, en nu de insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig in de schier onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen geworpen boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn overdekt was, uit het oog verdwenen. De jagers spanden alle krachten in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid en de lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die de vervolging niet had moeten opgeven.

Opgeven?... Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers daar met gescheurde kleedingstukken, met verwonde handen door de doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop, hijgende naar hun adem. Op het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand te zamen.

„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur.

„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn.

Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte gaven te kennen, dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven hadden.

„Wij dienen hen te volgen,” sprak Verstork. „Men kan niet weten, wat er gebeuren kan, en hoezeer hulp noodzakelijk kan zijn. In welke richting hebben die schoten weerklonken?”

Alle handen gingen omhoog; maar allen in verschillende richting. Als er handen genoeg geweest waren, zouden alle streken van de kompasroos aangewezen zijn.

„Daar!”

„Neen, daar!”

„Gij vergist u, het was daar!”

„Mis! het was in die richting!”

„Drommels,” zei Verstork „dat ’s lastig. En zelf heb ik er niet zoo op gelet, dat ik de richting zou kunnen aanwijzen. Die schoten hebben mij verrast. Wij zullen wat wachten; er zullen nog wel schoten vallen.”

„Dat ’s juist goed,” antwoordde August van Beneden, „dan kunnen wij wat rusten en tot adem komen. Ik ga hier op die rots zitten.”

Die rust duurde kort; want nog geen tien minuten later weerklonk andermaal een schot, dat een poos later door een tweede gevolgd werd. Dat geknal klonk verder verwijderd dan straks; maar de richting was thans behoorlijk waargenomen.

„Komt, heeren, daar heen!” sprak Verstork, terwijl hij zijn geweer opnam.

„Zouden wij nog niet een oogenblik toeven?” vroeg Van Beneden. „Drommels, ik ben nog zoo moe!”

„Ik zal onderwijl in dien boom klimmen,” sprak de wedono, op een gladden Komessoe [123] wijzende. „Misschien zal ik de verdwaalden ontdekken.”

Het Javaansch districtshoofd, een vlugge jonge kerel was in een oogwenk boven. Bij het klimmen ging hij geheel en al volgens zijn landaard te werk. Hij omvatte den slanken boom met beide handen en steunde met de voeten tegen den stam. Zoo kon hij afwisselend handen en voeten verzetten, en was dan ook vlug in de kruin.

„Ziet ge wat, wedono?” vroeg Verstork.

„Nog niet, Kandjeng toean.... maar wacht!.... ja, daar ginds zijn ze. Zij klauteren langs de helling van het ravijn op en zetten eenige tjellengs na. Maar, dat is zeer ver.”

„Kom heeren, nu op het pad! Wij zullen trachten onze vrienden in te halen!”

Inderdaad, Leendert Grashuis en Theodoor Grenits waren voortgespoed en vervolgden met het ontembaar vuur, hetwelk moedige jongelieden kan bevangen, die eene zoo opwekkende jacht bijwonen, een troepje wilde varkens, hetwelk uit een kolossalen grooten beer, een vrouwtje en vier biggetjes bestond. In woeste vaart ging het zoowel bij vervolgers als vervolgden over en onder rotsen heen, door en over struiken, soms in het riviertje, waarin de varkens onder de watervlakte verdwenen, krachtig voortzwommen, en te midden van het wielende schuim voortspoedden. Soms kregen de jagers het troepje varkens in het gezicht, terwijl het over een rotsblok heenworstelde, dan trachtten zij vast te staan op den moeielijken bodem om goed te kunnen mikken. Maar, nog voor dat zij het geweer aan den schouder gebracht hadden, waren de tjellengs òf onder een overhangend woest daar heen geworpen rotsgevaarte, òf achter een struik verdwenen, en dan hervatten de jagers de vervolging, die zij een oogenblik gestaakt hadden.

Zoo ging het een poos voort, totdat de beer op zeker punt zijn gezin tegen de helling van den ravijnwand wilde opvoeren, om zoo het vrije veld te bereiken, waar de vlucht met meer spoed zou kunnen geschieden. Helaas, maar ook daar zou de uitwerking der vuurwapenen van de twee vervolgers haar voordeel hernemen. Reeds dadelijk bij het bestijgen van de helling, waarbij het troepje een oogenblik op het korte gras voor het oog zichtbaar werd, knalden twee schoten, en buitelde een der biggetjes achterover en rolde de helling weer af. Grimmig snelde de moeder te hulp. Maar, welke moeite zij ook deed om haar jong voort te krijgen, het was te vergeefs. Voort moest zij, wilde zij niet onder de wisse kogels vallen. Een oogenblik later stortte een ander biggetje, thans evenwel ongewond, van de scherpe helling omlaag. Fluks was de moeder weêr bij de hand om het diertje, dat slechts uitgegleden was, op de been te helpen. Voor onpartijdige toeschouwers ware het aandoenlijk geweest te zien hoe die moeder haar jong verzorgde, hoe zij het met hare snuit liefderijk maar toch krachtig voortstootte, terwijl zij daarbij een aanmoedigend geknor liet hooren. Helaas! jagers hebben geen medelijdende harten! Nog was de moeder met haar jong niet bij den hoofdgroep aangekomen, of daar knalden weer twee schoten, èn jong èn moeder rolden de helling af naar beneden. Nog een zielsvol oog voor het jong, waarna die goede moeder nog een woesten, wraakzuchtigen blik op de jagers wierp, en een schrillen kreet uitte, om den vader te waarschuwen. Daar klonk weer een schot, en een der kleinen rolde de beide blanken te gemoet. De beer gromde vreeselijk, zette zich in postuur met overeindstaande borstels en opgetrokken lippen, waardoor niet alleen de slagtanden, maar ook de snijtanden, die er als beitels uitzagen, schrikkelijk tegendreigden. Een tweede schot knalde dadelijk daarop, maar miste. Toen de kruitdamp opgetrokken was, waren beer en het laatste overgebleven biggetje in eene terreinplooi voor het oog verdwenen. Maar Grenits en Grashuis gaven de vervolging niet op, en voort ging het langs de wandhelling op. Inspanningsvol waren de pogingen die de beide jagers aanwendden om den ravijnnok vóór het wild te bereiken. Maar, al gaven zij het niet op en al klommen zij ook met taaie voortvarendheid omhoog, zoo moesten zij zich toch bekennen, dat eene rotshelling, waarop de gespleten en spits toeloopende hoeven van een wild zwijn plaats en vat vonden, geen wandelpad was voor den geschoeiden voet van Europeanen.

Eindelijk waren de twee jagers na een onmenschelijk klimmen op den nok van den steilen ravijnwand aangekomen. Hijgend keken zij rond, maar ontwaarden van de vluchtelingen geen spoor. Die waren hen voorzeker voor geweest, en thans in het struikgewas van de onafzienbare vlakte verdwenen. Waarheen hen te zoeken? Dat zou immers noodeloos werk zijn. Doodmoede als zij waren, wilden zij zich in de schaduw van eenige struiken op het gras uitstrekken, om van hunne inspanning wat te bekomen; toen Grenits plotseling een schreeuw uitstiet. Hij zag zich aangevallen door den beer, die evenzeer uitgeput, daar met zijn jong zich ook uitgestrekt had om te rusten. In zijn leger als het ware thans bestookt, zag het woedende dier van de vlucht af en sloeg, zooals zijne soortgenooten gewoonlijk doen, ten aanval over. Grenits had waarlijk nauwelijks den tijd, om met een sprong uit te wijken en zijn geweer, dat met den riem over den schouder hing, in tot verdediging gereede positie te brengen. De beer ontweek behendig een bajonetsteek, dien hem Theodoor toebracht, en rende op zijn tegenstander in. Gelukkig, dat diens rechterbeen, door hooge lederen beenbekleeding beschermd was, anders zou de jager deerlijk door de slagtanden van het woedende dier verwond zijn. Nu evenwel was de slag, welke het zwijn door middel van eene krachtige kopbeweging met den snuit toebracht, toch nog zoo hevig dat Grenits het evenwicht, verloor, achterover tuimelde en in groot gevaar verkeerde. Ware hij alleen geweest, dan voorzeker zou de beer zich op hem gestort en, weerloos als de jager was, hem met zijne machtige slagtanden den buik opengereten hebben. Grimmig en met bloed beloopen oogen schoot hij reeds op den gevallene toe. Theodoor voelde reeds in zijn aangezicht den brandend heeten adem van het monster, en wachtte met dichtgeknepen oogen den noodlottigen schok af; toen op eenmaal de tjelleng een gebrul van woede uitstiet en front naar een anderen aanvaller moest maken. Hoe bliksemsnel het verhaalde toch in zijn werk was gegaan, zoo had Leendert Grashuis evenwel tijd gehad om snel eene patroon in zijn achterlaad-buks te schuiven en zijne bajonet in aanvallende positie te brengen. Zooals hij zich evenwel tegenover de strijdenden bevond, was er aan schieten niet te denken, daar hij meer kans zou gehad hebben om zijn vriend dan den beer te treffen. De minuten, ja de seconden waren goud waard. Theodoor lag reeds op den grond uitgestrekt, en de noodlottige ontknooping kon niet uitblijven. Toen bracht Grashuis het zwijn een bajonetsteek in de zijde toe, die wel eene pijnlijke wonde veroorzaakte, maar op het rechter schouderblad afschampte. Het monster keerde toen zijne geheele woede op den nieuwen aanvaller, wilde hem een slag met de vooruitstekende tanden toebrengen, maar die werd behendig op de bajonet opgevangen. Door den schok als eene hoepel kromgebogen, drong evenwel het wapen, tot bij de geweertromp in de keel van het dier door. Een oogenblik dacht Leendert er aan, om zijn wapen terug te trekken; maar de onmogelijkheid daarvan inziende haalde hij snel den trekker over, zoodat het dier de losbrandende lading met den kogel door den kop kreeg. Het sprong met reuzenkracht terug,—waarbij Grashuis zich zijn wapen uit de handen gerukt zag,—draaide eenige malen in de rondte, en viel toen stuiptrekkend neder. Weinige seconden later was de doodsstrijd volstreden.

Onthutst en beteuterd stonden de beiden Europeanen die stuiptrekkingen een oogenblik aan te kijken. Alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat zij nog geen volkomen besef van het gebeurde en van de uitkomst hadden. Maar, na een poos begrepen zij wat er gebeurd was; en toen vielen zij in elkanders armen en feliciteerden elkander hartelijk. En, waarlijk, zij hadden een bang oogenblik doorgestaan. Voor beiden was het gevaar groot, maar voor Theodoor Grenits dreigend geweest.

Toen aan de inspraken van het hart voldaan was, hernam de zwakke menschelijke natuur hare rechten. De vervolging van het wild, de beklimming van den steilen ravijnwand, het dadelijk daarop gevolgde gevecht met al zijne aandoeningen hadden onze vrienden zoodanig uitgeput, dat zij schier ademloos en met heftig zwoegende borstkast op den bodem vielen, om tot verademing te komen. Zij konden zoo omstreeks een tiental minuten gelegen hebben, toen Grenits het laatst overgebleven biggetje in de nabijzijnde struiken meende te ontwaren. Zonder op te staan, gleed hij eene patroon in het kamerstuk zijner achterlaadbuks, bracht het wapen aan den schouder en vuurde af in de richting, waar het varkentje onder de struiken verdwenen was. De echo weerkaatste statig den knal van het schot, dat door de nabijheid van het rotsachtige ravijn als de donder rolde.... Machtig als de geest des onweders duurde dat een poos, waarna dat gedonder langzamerhand afnam, zachter vernomen werd en eindelijk heel in de verte in eene zachte rommeling wegstierf. Nog was het geluid waarneembaar, toen Grashuis zich plotseling, als door eene machtige veer bewogen, op zijn ellebogen ophief.

„Hebt ge dat gehoord?” vroeg hij, terwijl verbazing zijne stem kenmerkte.

„Wat?... Het geratel van mijn schot? Ja, dat heb ik gehoord.”

„Neen, niet uw schot. Het was, alsof ik eene menschenstem hoorde roepen... Hoor!...”

En werkelijk daar klonk heel verwijderd, maar toch vrij duidelijk:

„Toeloeng!... Toeloeng, toean!”

„Dat is eene vrouwenstem!” zei Grenits opspringende.

„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het weer.

„Eene vrouwenstem die ons te hulp roept,” zei Grashuis. „Hoor...”

„Toeloeng! toeloeng, toean!”

„Ik zie geen andere toeans, dan wij. Onze makkers zijn ver weg... en in het ravijn... En, van daar komt de stem niet,” merkte Grashuis verder op.

„Maar ik zie niets, Leendert,” zei Grenits, die aandachtig den geheelen omtrek opnam.

„Ik ook niet, hoe ik al tuur.”

„Het weerkaatsen van de zonnestralen in de oppervlakte van het water der sawahs doet mijne oogen zeer.”

„Daar ginder, bij dat boschje, meen ik eene hut te zien. Het geroep kan niet anders dan van daar komen.”

„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het.

„Het is onmiskenbaar eene vrouwenstem, die om hulp roept.”

„Maar, welke heeren kan zij roepen?”

„Om het even. Vooruit! Onze bijstand wordt ingeroepen. Vooruit! Ik ben niet moê meer!”

Alvorens evenwel voort te snellen, wierpen de twee Europeanen eerst een blik terug in het ravijn, waaruit zij een poos te voren geklauterd waren, en zagen toen, dat hunne makkers hen volgden, en gereed waren de helling van den ravijnwand op hunne beurt te beklimmen. Grenits schoot zijn geweer af, om hunne aandacht te trekken, en toen aller oogen naar boven gericht waren, riep hij hun zoo luid toe als hij kon, terwijl hij den arm in de richting van het westen uitstrekte:

„Daar! daar!”

En daarop ijlden beiden voort.

„Hebt gij verstaan, wat Theodoor riep?” vroeg Verstork aan Van Nerekool.

„Neen!” antwoordde deze. „De afstand was daartoe te groot; maar er schijnt iets buitengewoons voorgevallen te zijn.”

„Kom! laat ons voortspoeden.”

En het troepje jagers beklom den bergwand. Zij waren evenwel niet zoo bezield als straks hunne makkers; zoodat die bestijging wel driemaal meer tijd kostte. Toen zij boven op den nok waren, zagen zij Grenits en Grashuis, die te midden van de sawahvelden voortspoedden. Laatstgenoemde keerde zich om en wenkte, toen hij zijne makkers ontwaarde, om voort te maken.

„Toeloeng! toeloeng, toean!” weerklonk het nogmaals, maar nu zoo zwak, dat dit hulpgeroep bijna niet meer waarneembaar was. Toch waren de beide Europeanen de hut meer nabij gekomen.

„Voort! voort!” riep Grenits, zijn makkers tot spoed aanzettende.

„Is het wel in deze richting, dat wij voortspoeden moeten?” vroeg Grashuis. „Mij dunkt, dat wij ons van het geluid verwijderen.”

Maar tijd tot bedenken was niet meer mogelijk. Daar vloog eene vrouwengedaante de hut uit, en ijlde op hen toe.

„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” kreet zij, terwijl zij aan hunne voeten nederstortte.

Het was een Javaansch meisje, dat door geen van beiden herkend werd, hetwelk met loshangende haren, spiernaakt en geheel bebloed aan hunne voeten in het gras wentelde, en zich het gelaat met beide handen bedekte.

„Toeloeng, toean toean! Toeloeng!” kreunde zij.

Onthutst door die onverwachte vreemdsoortige verschijning, keken de twee jagers het meisje aan. In hunne verbazing wisten zij niet wat te doen. Grenits geërgerd, een menschelijk wezen aan zijn voeten te zien, vatte het meisje bij den arm en poogde haar overeind te helpen, maar schuchter weerde zij hem af:

„Maloe saja!” (ik ben beschaamd) prevelde zij, terwijl zij hare loszwierende haren over haren boezem schikte, en zich verder daarin zocht te dekken.

Plotseling schoot eene mannengedaante, een Javaan, de hut uit, en op het meisje toe. Met ruwe hand greep hij haar bij den arm, om haar overeind te sleuren.

„Adoe! (O wee!)” riep zij uit.

En den kerel herkennende, rukte zij zich met verschrikt gebaar los.

„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” smeekte zij zich tot de beide Europeanen wendende.

„Wilt gij die vrouw eens loslaten!” zeide Grenits gramstorig.

„Wat wilt ge van haar?” vroeg Grashuis aan Singomengolo, dien hij herkende.

„Zij is eene opium-smokkelaarster,” antwoordde deze. „Kom, a. s. [124] voort!”

„Kassian, toean toean!” (Heb medelijden met mij, heeren) kreet het rampzalige meisje.

„Kom voort!” riep Singomengolo woest en haar voortsleurende.

„Die vrouw loslaten, of... ik sla je de hersens in,” dreigde Grenits, zijn geweer bij den loop opnemende.

Grashuis had inmiddels Singomengolo bij het middel gevat en trok hem achteruit.

„Ik ben bandoelan,” (opiumspion) sprak de Javaan trotsch. „Het zal den heeren berouwen, mij gedreigd of aangeraakt te hebben!”

En tot het vrouwelijk wezen:

„Kom, voort!” sprak hij.

„Nogmaals, laat die vrouw los!” zeide Grenits met dreigende stem.

En, werkelijk, hij was op het punt, om den kolf van zijn geweer op het hoofd van den ellendeling te doen nederkomen, toen hij zich bij den arm gegrepen gevoelde, en eene stem hoorde fluisteren:

„Pas op, Thedoor! het is katjesspel, het met lieden van den opiumpachter aan te leggen.”

Grenits keek om. Het was Mokesuep, die tot hem sprak.

„Jij, Muizenkop? Waar kom jij vandaan?”

„Ik ben op de jacht verdwaald. Maar bedaar... anders komt ge in ongelegenheid.”

„Er valt niet te bedaren, laat mijn arm los; dan zal ik dien opiumjager noodzaken, die vrouw los te laten.”

Singomengolo had de hand aan het gevest van zijn kris geslagen. Trotsch en oploopend van aard, als hij was, zou hij iedere gewelddaad van den blanke met een dolkstoot beantwoord hebben, ten minste, wanneer een eerste kolfslag hem niet buiten gevecht had gesteld. Een oogenblik keek hij met vonkelende en tartende oogen naar de beide blanken op. Toch liet hij plotseling den arm van het vrouwelijke wezen los. Over de sawah zag hij een anderen troep aankomen, waaronder zich niet alleen de controleur van Banjoe Pahit, maar ook de wedono van het district bevond. Als het kon, zou zijn bruin gelaat verbleekt zijn op dat gezicht.

„Wat is hier te doen?” vroeg Verstork toen hij nader getreden was.

„Die vrouw heeft opium gesmokkeld, Kandjeng toean,” antwoordde Singomengolo.

„Die vrouw?...”

„Maar,... dat is Dalima!” riep Van Nerekool uit.

„Dalima?...”

„Ja, Dalima, de baboe van den resident!”

„Mooi zoo!” lachte Van Rheijn. „Nu hebben de residenten ook al baboe’s! Misschien ook wel zuigflesschen!”

Van Nerekool bloosde. Hij had vermeden te zeggen: de baboe van de dochter van den resident.

Verstork trok eene der handen van het gelaat der vrouw weg.

„Ja,... het is Dalima!... En, die zou opium gesmokkeld hebben?” vroeg hij verder, na een teeken aan een der volgelingen van den wedono gegeven te hebben, die haar een slendang (een soort sjerp) toewierp, waarin zij zich wikkelde.

„Soengoe mattie!” (voorzeker) [125] antwoordde de bandoelan. „Ik heb haar gevisiteerd...”

„En haar de kleêren van het lijf gescheurd?” vroeg de controleur streng.

„Zij wilde het niet toelaten...”

„En haar zoo toegetakeld?” vervolgde Verstork.

„Apa boleh boeat, (wat is er aan te doen) Kandjeng toean? Zij verzette zich. En... zie, dat heb ik gevonden.”

Singomengolo vertoonde daarop een doosje, dat bijster veel overeenkomst had met datgene, hetwelk den vorigen avond door den bandoelan aan den controleur overgegeven was. Als deze het zelf niet verzegeld en naar Santjoemeh opgezonden had, zou hij hebben kunnen gelooven, dat het hetzelfde was.

„Hebt gij dat doosje bij dat meisje gevonden?” vroeg de controleur met nadruk.

„Ja!”

„Ik heb geen opium gesmokkeld,” kreet Dalima, steeds op den grond gehurkt. „Ik ben in die hut gesleept geworden, en daar ben ik op de gemeenste wijze mishandeld geworden...”

„Maar, hoe komt ge hier?” vroeg Verstork.

„Ik was op weg naar Kaligaweh. Iemand heeft heden nacht op het residentiehuis komen berichten, dat mijn vader erg ziek was. Toen heb ik èn van de njonja èn van nonna Anna verlof gekregen om naar den zieke te mogen gaan....”

„Verlof van de njonja en?...”

„En van nonna Anna, ja, Kandjeng toean!”

„Die kunnen dat dus getuigen?”

„Ja, Kandjeng toean!”

„Ik heb getuigen, die gezien hebben, dat dat meisje smokkel-opium bij zich had.”

„Wie zijn dat?”

Singomengolo liet den sluwen blik rondom zich gaan. Hij zag Mokesuep de hut binnentreden. Deze had van het kabaal gebruik gemaakt, om zich achteraf te houden, en op het geschikte oogenblik de hut binnen te sluipen. Hij had zijn redenen daartoe. Een glimlach krulde de lippen van den Javaan.

„Straks,” sprak hij, „was een „toean blanda” (een hollandsch heer) hier.”

„Een toean blanda? Hou je mij voor den gek? Pas op? Die onbeschaamdheid zou ik je betaald zetten!” zei de controleur vertoornd.

„Muizenkop was straks hier,” viel Grenits in.

„Muizenkop?... Ik heb hem den geheelen ochtend niet gezien!... Waar kwam die van daan?”

„Ik weet het niet. Hij zeide, dat hij op de jacht verdwaald was.”

„Maar, waar is hij nu?”

„Dat weet ik niet. Zoo even stond hij daar nog.”

„Maar,” ging Verstork voort, zich tot Singomengolo wendende:

„Gij zeidet twee getuigen? Wie is de andere?”

„Lim Ho,” was het antwoord.

„Lim Ho, de zoon van den opiumpachter?” riep Van Nerekool ontzet uit. „En, Dalima... in dien toestand?... O, nu begrijp ik alles!”

„Lim Ho heeft mij vreeselijk mishandeld, en...” snikte het meisje, maar kon niet meer voort.

Dalima gebruikte in hare meer oorspronkelijke taal een andere uitdrukking dan „mishandeld”, die evenwel niet weer te geven is. Toch aarzelde zij om voort te gaan.

„En?” vroeg de controleur.

„Hij en die man daar,” zeide zij, „hebben mij vastgebonden.”

„Ellendeling!” kreet Van Nerekool verontwaardigd uit, terwijl hij Singomengolo met zijne vuist dreigde.

„Zij heeft opium gesmokkeld, en die heb ik achterhaald. Dat is alles!” antwoordde deze onbeschaamd. „De heeren moeten zich niet boos maken. Die gemeene meid liegt!”

„Ik lieg niet, en ik heb geen opium gesmokkeld!” antwoordde Dalima. „Overigens verraadt mijn toestand genoegzaam, hoe men met mij gehandeld heeft.”

Op een wenk van den controleur, tilden haar een paar oppassers op, waarbij zij hare handen noodig had, om zich zedig in tegenwoordigheid van al die mannen te dekken. Van Nerekool hielp haar daarbij, en verzocht een tweede slendang om het meisje in te wikkelen.

„Hier heeft de snoodste misdaad plaats gehad,” sprak hij daarna tot den controleur. „Het is schandelijk, hoe het meisje mishandeld is.”

Na die voorloopige verpleging trad het gezelschap de hut in. Daar vond men Mokesuep, die vriendschappelijk met Lim Ho eene sigaar zat te rooken. Het oor van dezen laatsten was verbonden.

„Zoo gij hier?” vroeg Verstork, zonder den Chinees een groet waardig te keuren.

„Ja, ik ben heden ochtend van de jacht afgeraakt, en heb rondgedwaald, totdat ik deze hut aantrof, waar ik voor eene poos eene schuilplaats tegen de zonnestralen gezocht heb. Foei, wat is het heet in die sawah’s!”

Dat werd op den meest mogelijk kalmen toon gezegd. Bij den laatsten volzin blies de aterling, alsof hij het werkelijk zoo ondragelijk warm gehad had.

„Gij zijt dus al geruimen tijd hier?”

„Ja, een half uur, als gij dat een geruimen tijd noemt.”

„Uwe getuigenis wordt ingeroepen.”

„Waarbij?”

„Er is hier eene schandelijke misdaad gepleegd op dat meisje,” ging Verstork voort.

„Eene misdaad?” vroeg Mokesuep verwonderd. „Ik weet van niets.”

„Hier is niets geschied,” mengde zich Singomengolo, die Hollandsch verstond, maar Maleisch sprak, in het gesprek, „dan eene aanhaling van opium, nietwaar babah?”

De Chinees, die opgestaan was, toen de heeren binnengekomen waren, wisselde een blik met Mokesuep, maar antwoordde terstond:

„Niets anders, Kandjeng toean.”

„Ik vraag u beiden niets,” sprak de controleur tot den Javaan en den Chinees. En zich tot Mokesuep wendende, vervolgde hij:

„Dat meisje, de baboe van den resident, beschuldigt die beiden van eene vreeselijke misdaad.”

Muizenkop, die Dalima niet kende, stond onthutst, toen hij die bizonderheid vernam. De baboe van den resident! Als die machtige zich eens partij voor zijne dienstbare stelde. Waarlijk, hij aarzelde...

„Hoort ge, wat ik zeg?” vroeg de controleur hoogst ernstig, maar ongeduldig.

De aterling ving een blik op van Lim Ho, die daar onbeschaamd zijne sigaar stond te rooken.

„Ik heb niets gezien, controleur,” antwoordde hij.

„Maar, ik beschuldig die baboe, opium gesmokkeld te hebben!” zei Singomengolo sarrend. „Ik heb die bij haar gevonden! Dat heeft de babah en dat heeft de toean gezien.”

„Is dat waar?” vroeg de controleur.

De Chinees antwoordde niet dadelijk. Hoe bedorven hij ook was, aarzelde hij toch het meisje, dat hij onteerd had, in het verderf te storten. Maar Singomengolo deed een schier onmerkbaar teeken.

„Het is waar!” antwoordde Lim Ho.

„Is dat waar?” vroeg de controleur aan Mokesuep.

„Ja, het is waar!” was diens vastberaden antwoord.

„Hebt gij gezien, dat de bandoelan dit doosje bij dat meisje gevonden heeft?”

De controleur vertoonde het doosje, dat hij straks van Singomengolo in ontvangst genomen had.

„Ja!” antwoordde de aterling.

Dalima viel in zwijm. De overige aanwezigen konden een gebaar van verachting niet onderdrukken; want allen waren van de onschuld van het meisje overtuigd.

„Ellendeling!” kreet Theodoor, die zijn toorn niet bedwingen kon.

Een hoonlach was het antwoord daarop, die daarenboven door een gebaar van minachting vergezeld ging.

Dat was te veel voor Grenits.

„Daar!... daar!...” riep de getergde in de hoogste woede uit, terwijl hij den onmensch een, twee klappen om de ooren gaf.

„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u. Maak mij mijne taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XX. AAN DE RIJSTTAFEL

Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de pandoppo van de controleurswoning te Banjoe Pahit.

De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd!

Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te mengen, had ditmaal den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat individu bij hem opwekte. Toen de arme Dalima verpleegd, en in eene tandoe onder begeleiding van een politie-agent als gevangene naar Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven, dat, in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder gewenscht was.

„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger zou moeten zijn, die het veld ruimde.”

„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige koelte voort; „maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen, zult gij mij afdoende ophelderingen te geven hebben, hoe het komt, dat gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt op het oogenblik, dat dit jonge meisje mishandeld is...”

„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in.

„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij hebben haar naakt en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep. Er heeft dus mishandeling plaats gehad in de tegenwoordigheid van u, die aanspraak maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal het: zoolang gij mij niet afdoende ophelderingen zult gegeven hebben, dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger van dat meisje op te werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.”

„Mijnheer Verstork!...”

„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten onrechte op u rust; niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u. Ik zal de eerste zijn, om u de hand te reiken, wanneer Theodoor Grenits mij dan niet voor zal zijn.

„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen moogt!” sprak deze hoogst ernstig.

„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening weten te verschaffen!”

„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork.

„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den resident verschaffen.”

„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de controleur met eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.”

Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met den riem over den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim Ho en van Singomengolo, die dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien, maar waarvan zij niet veel begrepen hadden, in de richting van Santjoemeh, met den uitroep:

„O! ik zal mij wreken!”

Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is, zaten zij eenige uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de controleur van Banjoe Pahit.

Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij die van het residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare meerdere beknoptheid was zij des te gezelliger. Zij miste die holheid tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge dakwerk, dat aan eene kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe het smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En, inderdaad, zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met jaloezie-ramen naar alle windstreken toegang aan de buitenlucht kon verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden, waardoor er steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog bevorderd werd door de aangename schaduw der boomen, die de geheele pandoppo als in een loofkring omsloten hielden en het schelle licht der keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork gedurende de uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des ochtends bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet hij; daar dineerde hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne tijdschriften te genieten, terwijl hij des namiddags zijn kopje thee dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich soms af te vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid alleen bleef?

Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen stond, nu de gastheer zich door goede vrienden rondom den disch omringd zag! En die disch bracht het zijne aan het gezellige van het samenzijn bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst, hagelwit en droog van korrel in de „koekoesan” [126] gekookt; daarop stonden toch schalen en schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s, sambalan’s, atjaran’s [127] als: kerri ikan, [128] piendang ajam, piendang klowek, [129] rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado, [130] sambal oelak, sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh, sambal badjak, [131] atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek, [132] enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi, met dendeng minjangan, [133] met sasateh, met besengeh, met petjiel, [134] met ajam goreng, met ajam pangang, [135] met ikan goerami, met ikan bandeng assep, [136] met telor troeboek, met kroepoek oedang, [137] enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene volledige rijsttafel onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om ze heerlijk te doen smaken. Maar, wat vooral de aandacht der Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken had, en hen bij voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit, op een grooten schotel, in het midden van den disch stond te prijken. Dat was een product van de jacht, een biggetje, hetwelk als een der eerste slachtoffers onder de kogels der blanken gevallen was, en door een van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de hoofdrol op den jagersdisch te vervullen.

Ieder der gasten weerde zich goed.

Maar... de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte der smulbroers lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen indommelen. Het gekout aan dien disch was dan ook levendig, en de lezer zal moeten erkennen, dat daartoe wel redenen voorhanden waren.

„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit mijn humeur gebracht hebben!”

„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.”

„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng” (varkenstelg) lekker!” zei August van Beneden.

„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij wel neêrgelegd hebben?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork.

„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze jacht het beoogde doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te vernemen?”

„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork.

„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten te komen? ik heb nog al ettelijke lijken zien liggen.”

„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.”

„De wedono?.... Wat bliksem! waar is die gebleven?”

„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang Pringapoes te onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht komen mededeelen.”

Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen een der oppassers de komst van het districtshoofd aankondigde.

„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel.

„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze rijsttafel deelen? Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte een gebaar van schrik. Hij deed een pas achterwaarts. Het gezicht van het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem ontzetting in. Ware de rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een kruis geslagen! Nu prevelde hij schuchter:

„Ampon, Kandjeng toean! Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch eten.”

„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat rundvleesch, kip, eend, visch, al wat gij maar wilt.”

„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde keuken klaar gemaakt [138], als die andere spijzen. En, gij weet, dat verbiedt onze godsdienst.”

„Het spijt mij, wedono.”

„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.”

„Welnu, wedono?”

„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De Chineezen van Kaligaweh en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de bevolking opgekocht, en zijn bezig met het vervoer.”

„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.”

„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat gedwongen glimlach.

„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende uitgeroeid zijn?”

„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking heeft de overblijvenden nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het overschot heeft eene toevlucht in het hooge gebergte, hetwelk het district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen last meer van die verwoestende dieren zullen hebben.”

„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht volkomen gelukt! een glas daarop!”

Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn stopte den wedono fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe Pahit, welke van die lastige gasten verlost was.

„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono. „Anders wenschte ik wel mij te verwijderen.”

„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote „tjelleng laki-laki” (beer) gevallen. Het is er een met zeer lange slagtanden. Diens hoofd wenschte ik wel te hebben.”

„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „Une hure de sanglier à la sauce piquante zou lekker zijn!”

„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende: „En dan draag ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak van Dalima te beginnen.”

„Saja, Kandjeng toean!”

„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.”

„Saja, Kandjeng toean!”

„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.... Niet waar vrienden:

Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!”

Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in. Toen het ietwat bedaarde, vervolgde Verstork:

„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen, en daarna zult gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono voortzetten. Ik vertrek heden avond nog met ulieden naar Santjoemeh; want morgen ochtend wensch ik den resident al heel vroeg te spreken.... Hebt gij mij verstaan, wedono?”

„Saja, Kandjeng toean!”

„Welnu, laat ik u niet weerhouden.”

Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid.

Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had de feestvreugde der jagers wel getemperd. De herinnering aan het gebeurde had iets kils teweeg gebracht, dat iedere vroolijkheid als het ware verstijfde.

„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de vingeren, na een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld hebben?”

„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene smokkelaarster uit?”

„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten leiden,” zei Van Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?”

Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig eene heerlijke moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik van bedenking, antwoordde hij evenwel:

„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.”

„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!”

„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn op.

„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een.

„Maar de getuigenis van Muizenkop?”

„Van dien ellendeling?....”

„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork.

„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna invloed genoeg op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te krijgen.”

Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel niets.

„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak betrokken was,” sprak Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben, dan zou er een mouw aan te passen zijn, nu evenwel...”

„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede, „dat de rechterlijke macht....”

„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst rechtsgeleerde hier in Nederlandsch-Indië heeft ergens gezegd: „de opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!” [139] Nietwaar, Karel?”

Deze knikte bevestigend.

„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend. „Maar het ergste is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk maakt.”

„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig.

„Maar, Theodoor!....”

„Maar, Eduard!....”

„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat moet ge toch toegeven?”

„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar tegenoverstelde, dat wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n vlucht genomen zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is gemakkelijker aan te toonen.”

„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan, dat is achterwege gebleven.”

„En de geschiedenis dan?”

„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de persoonlijke uiting van den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de blanken de opium in het land gebracht hebben, anderen beweren weer anders.”

„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik, Eduard?”

„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?”

„Als ik mij wel herinner [140], niets meer en minder, dan dat de opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der Regeering heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere opbrengst van die pacht voeren kan, gretig werd ter hand genomen.”

„Ja, maar, is dat alles waar?

„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?”

„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed ingelicht, toen hij dat advies ter neer stelde?”

„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen worden betaald en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve dat advies, wat gij wantrouwt, waarborgt u de voortdurende stijging van de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat het advies van den Raad vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere som geraamd....”

„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.”

„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden losgelaten, om het cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld is, en de minst kiesche middelen, ja, zelfs misdadige worden gebezigd, om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche Leeuwen zijn niet uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel meer opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „virtus nobilitat” keurig op zoo’n borst!”

„Maar,” vroeg August van Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo verderfelijk voor het lichaam, als beweerd wordt? Gisteren avond zagen wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig is. Maar voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is die beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden bij die vergiftiging oud kunnen worden, even als bij het gebruik van een of meer bittertjes.”

„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als degelijke vertrouwbare mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten spreken. Ik kan dus zonder achterdocht u een blik gunnen in de rijke ervaring door mij op dat gebied opgedaan. [141]

„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb:

„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal een eigenaardig bederf van het bloed en van al de vochten, en verstoppingen in de vaten en wegen, waaruit op den duur ontstaat een slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke dysenterie of aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen, behalve de verdoovende in grootere giften,—tenzij met deze te zamen. Die toestand dringt tot het palliatief van steeds vermeerderde nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld is, zoolang hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En juist door de zoo lang volgehouden verkwisting is dit den meesten lijders op verre na niet mogelijk. Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven; en menigeen is er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend gebruik van het verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak een anders licht verloopend toeval door het voorhanden bloed- en vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin en dergelijke, een kwaadaardige hoedanigheid aannemen, en tot een doodelijken afloop komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere kwalen, die van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig vertoonen, door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden?

„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij weten echter al te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer weinigen op de massa der Inlanders in dat voorrecht op den duur zich verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe schraal over ’t algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden, en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig werk maakt van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe veel of hoe weinig deugdelijks die bevat, moet zij niet bij verre de meesten al minder en minder worden, waar een belangrijk, en steeds belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt, zoodat juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel bij te bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt?

„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik dan ook wegens hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en zij ondervinden er te minder nadeel van. Niet bij allen is dit het geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens hunne welgesteldheid zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of gedwongen onthouding zijn moeten komen, en de ellende daarvan ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de ondervinding bewijst overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan eene kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar of daarboven reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen laboreerden, meest aan dysenterie. Ik zelf heb te Berbek, te Trenggalek, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal van zulke lijders met geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid te over, om mij omtrent alle bizonderheden te vergewissen.

„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie bittertjes daags drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog, hoeveel verderfelijker de opium werkt dan de sterke drank. De eerste toch is veel meer bedwelmend en bovendien verdoovend, en daardoor ook spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij ’t voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke schuivers verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun gewoonte, bij elken maaltijd niet meer dan eenige greepjes rijst konden nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp van een middel, dat ik hun aan de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd hadden, ze wel tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het lichaam veroorzaakt, en waarmeê zij ook den geest tot wellustige droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel van aanwezige kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht (reeds zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de telkens herhaalde verdooving, waardoor de patiënt te zekerder in de kluisters van den hartstocht gevangen blijft, ook al staat hij nog maar gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker.

„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed, dan moeten hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die bij den opiumrooker in ontzettende mate toenemen; de steeds meer lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving, tot eigen vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen arbeid, van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en dag aan niets anders denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al zijn nevenlusten, waar alles rondom hem aan moet ten dienste staan. Een jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen dienst, dan dat soms de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen; maar voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen, moet alles in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te verschaffen, de ander om zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn pijpjes te stoppen, een vierde om zijn koffie en andere versnaperingen te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder en stiller dan van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen en smarten zich weêr laten voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn lust ter wille is, dan vervult hij huis en hof met kermen, en klagen, schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de keel wordt gehaald!

„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die de aan opium verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt, terwijl meerderen hunner reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn tot geslachtsvoortplanting. Wat zal alzoo van de tweede of derde generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?!

„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine verademing voort: „Hoe ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog altijd door dat ziel en lichaam verdervend gif verslonden! Al heel spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover, dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen naar aangenaam prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes vergezelt, doet daar ook nog het zijne aan toe. Ze zijn legio, de huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet winnen, soms nog bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak of ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te werken, daar is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat is veel, zeer veel algemeener dan in Europa door den sterken drank.

„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu door de opium worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en nijverheid. Wanneer die allen daarvoor besteed werden, hoeveel grooter zouden de welvaart en het vertier zijn! En zou niet ook de rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de middelen, de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te bearbeiden of te leeren bewerken, of om in handwerk vorderingen te maken of het voor kwijning te behoeden; omdat ze nu eenmaal dat alles aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn niet landbouw en nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met allen ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang te brengen!”

Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange tirade had hij behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven. Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog volgen zou. Onmiskenbaar maakte het gesprokene grooten indruk op hen, want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die daar klonk, en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook waren, die taal maakte hunne belangstelling gaande, en vond ingang tot hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur, na nog eens adem gehaald te hebben, aldus:

„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh doorgebracht heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van de residentie Kediri, als controleur tweede klasse was ik te Berbek en te Trenggalek. Ik kan dus met kennis van zaken ook omtrent die residentie spreken. Luistert:

„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen [142]; meerendeels zijn de menschen arm.

„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling van de verstrekte opium, en de administratiekosten en de winst van den pachter, dan mag het cijfer van 2½ millioen gerust worden aangenomen als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks vrijwillig betaalt, om dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig bestaan te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige opium; dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer.

„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve nog cultuur- en heerendiensten, winst op het zout, landrente, bedrijfsbelasting, invoerrechten, enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft.

„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt. Huisraad vindt men er niet; een mat, uitgespreid op een bank van bamboe, en een klein kussen van kapok, dienen om op te slapen. Gekookt wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen, gegeten wordt er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de kleederen worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als lompen van het lijf vallen; de kinderen loopen naakt, en groeien met de karbouwen in de modder op. ’s Morgens om 5 uur staat men op, en gaat naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij in de rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen, rietvelden, enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij particulieren op een dagloon van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt er wat gegeten, en de helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder al in diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje, waarin wat stinkende olie en een katoenen pitje.

„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den Javaan-opiumschuiver. Niets, niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan geven aan den dagelijkschen sleur, altijd maar werken, en den meesten tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En dan nog zooals gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het niet wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten voor hunnen medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat eindelijk eens een einde kwam aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid, en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid van den Javaan? Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken toestand. Ieder Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te gewillige Javaan op zoodanige brutale wijze zal geëxploiteerd blijven.

„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen vrijen tijd, moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den moloch, genaamd ’s lands kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog niet genoeg voor het geheele jaar...”

„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt hij troost en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in Nederland onder dergelijke ellende het volk naar de flesch grijpt. Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende doet hunkeren naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken ellende; er behoort wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en jenever, en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht.

„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering verwacht worden, de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich heen; doch de Overheid moet die arme schepsels met krachtige hand uit dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen zij het uit van de pijn, en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder welgeaard burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en een ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt. Zoo Nederland en Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever gezegd hunne huishouding dekken, zonder revenuën uit zulke immoreele bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen onbetaalde arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit eerlijk verkregen middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.”

Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de waarheid, de volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste gevolgtrekking hunne Nederlandsche harten pijnlijk aandeed.

Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep zijne hand en drukte die hartelijk.

„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, „voor het inzicht, dat gij mij in de zoo noodlottige werking van de opium verleend hebt. Ik ben nog slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om in eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen over de opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer veel gisteren avond bij ons samenkomst onder den Wariengienboom op de aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch bezielende taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller tegenwoordigheid beloof ik plechtig, dat ik van de ons medegedeelde ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!”

„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke oratie een daadwerkelijk en.... een dadelijk nut hebben. Ja, een dadelijk!... Vrienden, ik heb een voorstel te doen....”

„Laat hooren!” riepen allen.

„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh plaats had. Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen hadden de snoodste misdaad te aanschouwen gekregen. Ik wil niet ontleden, wat in ons aller hart omging bij die twee tafereelen, waarbij de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd; maar beide gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw aller naam zeg ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden, laten wij in edelmoedigheid niet bij hem achterstaan! Dalima en haar vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig bij het geding, dat gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide beschuldigden zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen met warmte zal ter harte nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne maidenspeech bij de verdediging van...? te hooren! Dat zal subliem zijn......”

„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De vrienden zullen geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid tot het verleenen van hulp gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!”

„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede werk hebben; nietwaar?”

„Ja! ja!” riepen allen.

„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake zijn van het toewijzen van eenig honorarium aan onzen advocaat. Dat zou hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n proces komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij allen weet, vrouwe Justitia is in Indië een dure, zeer dure deern! Welnu, laten wij de handen in elkander slaan, en August voor al te maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen die twee gedingen met alle klem gevoerd worden!”

„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August! aan den gang!”

„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte ik onzen gastheer eene vraag te doen.”

„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork.

„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap. [143] In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig....”

„Ter zake, ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je langdradig met je warenkennis!”

„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van geneesmiddelen gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om ongelukkigen van het opiumverbruik te genezen. Zijn dat geheimmiddelen?”

„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend.

„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn het dan?”

„Het zijn pilletjes, [144] die mij door een zendeling aan de hand gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix rheï of rhabarberwortel, en wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie grein opium en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den eersten keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst zelden wordt die derde dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen zijn.”

„En.... kunt gij genezingen constateeren?”

„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een twaalftal bedoedans, die mij door de gebruikers gebracht zijn met de gelofte nimmermeer de opiumpijp aan te raken. De zendeling, die mij het middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen van genezing constateeren.”

„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van u?” vroeg Grenits.

„Ga je gang.”

„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig is de opiumkosten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding van het Gouden Kalf zien. En er zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd, er zijn menschen de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden, die veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!” [145].

Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid erkende. Een oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare wezens, die zijnen steun nog zoo noodig hadden. Of hij zijne rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren of ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene lastige gedachte wilde wegvegen:

„Zoo erg is het niet,” sprak hij.

„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,” lachte Theodoor.

„Om het even,” vervolgde de controleur. „Fais ce que dois, advienne que pourra! Ik zal er geen pil minder om uitreiken!”

En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd was,—allen hadden toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag gelegd,—vervolgde hij:

„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van gisteren en heden, en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh doorgebracht hebben, naar rust verlangen. Hier, de bedienden zullen u uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken is, vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene aangename middagrust!”

Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur joeg het vijftal jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXI. OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT

Verstork kwam veel te laat.

Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang Pringapoes te paard moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware het wellicht mogelijk geweest het onweder, dat zich boven zijn hoofd samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten voorkomen, dat zou hij al ras ondervinden.

„Zoo!... Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van Gulpendam op smalenden toon, toen de controleur na heel lang geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare malen de voorgalerij van het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn chef toegelaten werd. „Zoo!... is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er gisteren ochtend voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke rijsttafel voor mij, als zulke zaken in de residentie gebeuren kunnen! Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en dan... ja, dan kan alles gebeuren, dan zien zij niets....”

„Maar, resident!....” waagde Verstork in het midden te brengen.

„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat vragen zal, dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het ervaren, dat het antwoord zich dan zal laten wachten.”

Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en ontdaan, met de lippen op elkaar geklemd van verbeten woede.

„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer Verstork, om mij op de hoogte te stellen...”

„Resident, ik...”

„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een toornigen en minachtenden blik op zijn ondergeschikte wierp.

„Mij dunkt toch, resident, dat...”

„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!”

„...Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport maaktet. En dan is het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork steeds doodsbleek, maar met onverschrokken moed voort.

„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons...”

De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd; maar hij hervatte:

„...den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.”

„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman van de wacht ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat, wanneer dat gesprek zoo voortgaat, ik mij over zoo’n bejegening bij den directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter nog, bij den Gouverneur-Generaal zal beklagen.”

Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was gegaan. Hij was ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij als een zachtaardig mensch had leeren kennen, voor hem boog en zijne luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde zoetsappig:

„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van gestel ben. Daarbij was ik ontstemd, dat mij de tijding van het gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren gewerd. Kom, ga zitten. Ik zal dat rapport even doorloopen.”

De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn schrijflessenaar zich met den rug naar het licht wendde, ten einde het geschreven stuk in te zien. Buiten het kantoor drentelden in de voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij heftige woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was alles stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident evenwel weer op.

„Jawel! Dacht ik het niet?... Ik was gewaarschuwd...”

Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen.

„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij gewaarschuwd waart?”

Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den controleur aan, wiens gelaat in het volle licht gekeerd was.

„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij moet die minder passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te ondervragen. Dat maakt, geloof mij, een fatalen indruk.... Ik wil u wel zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet omdat gij mij dat vraagt; maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt; wellicht zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen...”

„Mijn rapport te wijzigen, resident?”

„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te doen voorkomen, alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche deern zoude voltrokken zijn.”

„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is, die de baboe, bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst ernstig.

„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw oordeel. Maar, dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een geheelen nacht aan het passagieren geweest, en had toen een geheelen roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer was zij ’s nachts buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond die amokhpartij heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig bericht zondt; zij is de verloofde van een opiumsmokkelaar, en zij zelf heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij zit nu in de boei, dat zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster van mijn erf te laten wegjagen!”

„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg om adem te halen, „toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij geheel naakt, met bloed bevlekt, en had zij loshangende haren. Alles duidde op...”

„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij haar onderzocht?”

„Neen, maar....”

„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen... En ziet...” ging de resident voort, terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb, houdt daar het rijtuig van den dirigeerenden officier van gezondheid voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen, wat er van aan is.”

Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan, die dan ook verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen handdruk wisselde, en diezelfde plichtpleging maar luchtiger ook bij den controleur verrichtte.

„Zoo, Verstork! Gij hier?”

Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident in:

„Ga zitten, overste!... En wel?...”

„Geen kwestie, resident!”

„Zoo, dat zeide ik u immers reeds... Maar de deern was toch verwond?”

„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op...”

„Dus geen stu.., stu... Hoe noemdet gij het ook?”

„Stuprum violentum... geen denken aan! Hier is overigens het visum repertum, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.”

„Overste, ik dank u!”

„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen. Dag, resident, dag, Verstork!”

„Geen excuses, overste; ik groet u!”

Toen was de geneeskundige verdwenen.

„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?”

„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het wankelen.”

„Niet?”

„Neen, resident!”

„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, „om bakzeil te halen, om bij te draaien.”

„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep.

„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik geef u in beraad dit rapport terug te nemen.”

„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die raad?”

„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te eenzijdig voorgesteld zijn...”

„Resident!”

„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar voort. „Dan komen er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge Regeering aangenaam kunnen stemmen. Bij voorbeeld deze:”

Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las vervolgens:

„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in mijne twaalfjarige loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren begrijpen, dat de opiumpacht is een Staat in den Staat; dat om der wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben of eerbiedigen kan, met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne satellieten dringen de woningen binnen en schenden het huisrecht der bevolking; zijne spionnen en zijne, althans de door hem betaalde oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou streng gestraft worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel van het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die bevolking aandoet. Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het meisje. In de woningen, op den publieken weg houden ze den eenen en de andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote lijf, zonder zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die lieden uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen, of hun haat te koelen [146]. Het gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig bewijs.””

De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte met doordringenden blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet neersloeg.

„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij bracht de hooggeplaatste den wijsvinger aan het voorhoofd,—„dan twijfel ik of het bij u daar wel goed in orde is...”

„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!...”

„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in uwe afdeeling die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg noodig zijn, om den smokkelhandel in opium tegen te gaan. Gij weet even goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene aanhalingen van gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in herinnering te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze nu weer bij Setrosmito en bij zijne dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening, dat de afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt gij die meening door uwe onbesuisde taal....”

„Resident, hoeveel ontzag ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel heb, moet ik thans toch protest aanteekenen, wanneer gij te verstaan geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht zoude tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot een brandpunt van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te doordrongen van het voorgeschrevene bij Staatsblad No. 136 [147] van 1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om die te verwaarloozen....”

„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet....” wilde Van Gulpendam invallen.

„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij. Dat is mijn recht. Van eene andere zijde is het onwaar, dat de afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel zoude wezen....”

„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik aanhaalde?”

„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen beter weten in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan de overal genaakbare oevers van de Javazee gelegen, en bij de zeer onvoldoende middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in het werk gesteld, maar nog niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt het voor de hand, dat de smokkelaars, waartoe—en dat weet gij even goed als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren, daarmede hun voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van aangrenzende afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen zijn, dan valt er te constateeren, dat Banjoe Pahit, wel verre van een brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan aangehaald worden: als eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend mag genoemd worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek als mijne gemoedelijke overtuiging uit, dat de partij opium die te Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig is van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de overige aanhalingen zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet gevonden zouden geworden zijn, wanneer de bandoelans vooraf waren gevisiteerd geworden.”

„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig voor het oogenblik,” antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne welgemeende raadgeving: „gaat over stag, en neem dit rapport terug!””

Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen, als vreesde hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als een gloeiend ijzer voer hem de gedachte aan zijne moeder, aan zijne zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning niet konden ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het gehoorde. Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging weerklonken. Bedreiging in den mond van den machtigen meerderen tegen den machteloozen minderen! Een oogenblik, maar ook slechts een enkel aarzelde de gewetensvolle ambtenaar... toen hernam zijn natuurlijk rechtsgevoel zijne opperheerschappij.

„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw oordeel over mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat rapport terugnam? Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen....”

„Mijnheerrr!....” riep de resident toornig uit.

„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking? Zoudt gij niet minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw geweten u niet dwingen, mij tot ontslag uit ’s lands dienst voor te dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk nog vertrouwen in mij kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed, is dat vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!”

De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de woorden van den controleur waren.

„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon. „Hoor, hoe ik die zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende jacht gemaakt, en daarbij zal de veldflesch wel een enkele maal aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht, eene jolige rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn, misschien wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is zoo aannemelijk, zoo natuurlijk bij jongelieden. In die gemoedstemming hebt gij uw rapport geschreven....”

„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk bij u achtergelaten dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat ik bij het schrijven daarvan onder den invloed van drank was?”

„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van eene dwaasheid te weerhouden. Gij moet weten, of gij dat rapport al of niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene waarschuwing bij het gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van uwe beslissing afhangt.”

Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook handelde, de toestand netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op de baan, die hij voor het rechte pad hield.

„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet terug,” sprak hij bedaard maar beslist.

„Is dat uw laatste woord?”

„Ja, resident!”

„Bedenk u wel! Uw laatste woord?”

„Ja, resident!”

„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.”

„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!”

„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge beslissen!”

Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud geëindigd was.

„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik heb nog een andere logrol af te laten loopen.”

„Wat hebt gij, resident?...” vroeg de controleur.

„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten. Gisteren ochtend zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd, en is hij mishandeld geworden; omdat hij op uwe vraag getuigenis der waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en die mishandeling is in uwe tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt hebt, om dat te keer te gaan, om dat te verhoeden...”

„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat toegevoegd werd, werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd, kwam zoo onverwachts aan, dat niemand, zelfs gij niet, resident, wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt kunnen verhoeden. Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter voorkomen hebben, dat verzeker ik u.”

„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen gevallen; terwijl gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat die zaak! Had ik er nu den glimp aan kunnen geven, dat de jeugdige jagers opgewonden waren, dat de handeling onder den invloed daarvan gebeurd was...”

„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de opgewondenheid, die gij te kennen geeft.”

„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware die zaak nog te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de gelegenheid, en ik meen, dat dit niet in uw belang is, en betwijfel of uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging, u daarvoor dankbaar zal zijn.”

„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?”

„Wat die daarmede te maken heeft?... Dat zal hij genoeg bemerken. Ik heb hier een proces-verbaal voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden wilde; maar nu aan den officier van justitie moet doorzenden. Dat alles hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.”

„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet verbeuzeld heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat luttele gebeurde vervolgd moet worden? Welnu, het recht hebbe zijn loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in die zaak op te treden.”

De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet.

Verstork stond op.

„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende.

„Niets meer, mijnheer Verstork.”

„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!”

Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn schrijflessenaar bleef zitten, was het antwoord op die begroeting. Het oogenblik daarna daalde Verstork de trappen van het perron van het residentiehuis af.

„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij.

„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor gemompeld. „Nu die ezelachtige lummel niet tot bijleggen te bewegen is, zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!... Maar... ik tel menschen te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige haven wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de kluisgaten deden verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen zullen zitten... Vooruit! Op het einde der baan is het „virtus nobilitat” te verwerven!”

Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen thuis bevond,—daar Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor, niet zou komen eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident gebracht. De controleur scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel hijzelf geen zonneschijn in het hart koesterde, zich genoopt gevoelde, hem op te beuren en moed in te spreken.

„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt mij haast tot de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de gevolgde gedragslijn.”

„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met eenige drift. „Als het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde wijze te werk gaan. Maar... o, mijne arme moeder! Mijne arme zusters!”

„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?”

„Te zwart!... Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik overgeplaatst, dat ik hier uit mijn werkkring weggerukt word...”

„Welnu?”

„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten eene overplaatsing hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag: waarheen ik verplaatst zal worden. Dat ik eene lucratieve controle zal bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen onder den druk van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk voor mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.”

„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel van Nerekool. „In dat geval zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen voorspellen.”

„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten staat. Ieder ander geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens eenvoudig ontslagen werd!”

„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre van ontslag te verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder eerlijk man gewaardeerd worden!”

„Eerlijk man?... Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!”

Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds ervaren met wien zijn vriend in botsing kwam.

„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is zelfs dat meest gunstige geval niet te ontloopen?”

„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.”

„Hebt gij ook kennissen te Batavia?”

„Kennissen?... Een enkele. De heer Reijnael...”

„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?... Ja? Wel dan zijt gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael, terwijl ik van mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal schrijven, die niet zonder invloed zijn. Kom, onverschrokken den strijd aanvaard!”

Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard van Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op de post bezorgd, die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een eenvoudigen brief. De aspirant-controleur zag er somber uit.

„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?”

„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.”

„Is er iets bizonders aan de hand?”

„Bizonders niet. Maar veel drukte!”

„Waarmede?”

„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat zijn ambtsgeheimen. Die mag ik niet vertellen.”

Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op Willem Verstork geworpen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us