← Baboe Dalima

XXXVI. LIM HO’S HUWELIJK…

Part 6 of 7 · Perelaer, M. T. H. (Michael Theophile Hubert) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #65832, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (43)
  1. Opening about 17 min
  2. I. BIJ MOEARA TJATJING about 18 min
  3. II. IN DE DJAGA MONJET about 18 min
  4. III. HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM about 20 min
  5. IV. DE DRADEN VERWIKKELEN about 18 min
  6. V. IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ about 15 min
  7. VI. EEN ECHTPAAR about 18 min
  8. VII. EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT about 17 min
  9. VIII. EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE about 18 min
  10. IX. KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL about 19 min
  11. X about 18 min
  12. XI. IN DEN RESIDENTS-TUIN about 20 min
  13. XII. ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER about 19 min
  14. XIII. OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN about 17 min
  15. XIV. EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN about 15 min
  16. XV. ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT about 23 min
  17. XVI. HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE about 21 min
  18. XVII. IN DEN DJOERANG PRINGAPOES about 16 min
  19. XVIII. DE ONSCHULD TEN VAL about 17 min
  20. XIX about 19 min
  21. XX. AAN DE RIJSTTAFEL about 24 min
  22. XXI. OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT about 15 min
  23. XXII. EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN about 18 min
  24. XXIII. EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING about 17 min
  25. XXIV. OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT about 21 min
  26. XXV. EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG about 17 min
  27. XXVI. AARDIG GEMANOEUVREERD! about 17 min
  28. XXVII about 16 min
  29. XXVIII. CORRESPONDENTIE about 19 min
  30. XXIX. VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK about 20 min
  31. XXX. BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER about 17 min
  32. XXXI. VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH about 20 min
  33. XXXII. EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT about 16 min
  34. XXXIII. IN DE REGENTS-PANDOPPO about 17 min
  35. XXXIV. EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI about 22 min
  36. XXXV. TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE about 16 min
  37. XXXVI. LIM HO’S HUWELIJK about 19 min
  38. XXXVII about 19 min
  39. XXXVIII about 21 min
  40. XXXIX. MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH about 23 min
  41. XL. HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM about 17 min
  42. XLI about 23 min
  43. XLII. NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT about 1 h 37 min

Continue:

XXXVI. LIM HO’S HUWELIJK

Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal speelt, was geheel Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het was toch de vastgestelde huwelijksdag van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon van den opiumpachter, den zoon van den millionair Lim Yang Bing, met de lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh, wellicht van geheel Nederlandsch-Indië, de eenige dochter van den schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles handel gedreven had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht, geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat.

Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te Santjoemeh, en de samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de algemeene belangstelling opwekken. Daarenboven, een dergelijk Chineesch huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald werd van de pracht, die bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten toon gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een sprookje uit de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier verstaan moet worden als tout Paris bij dergelijke gelegenheden, had dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart machtig te worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van mevrouw Greenhoed, dames die over het algemeen met hare glimlachjes, vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen, omdat vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het bediendepersoneel van Lim Yang Bing hadden, en zoo een uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er werd zelfs verhaald, dat eene nonna [240] een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer die hare ouders zoo’n kaart bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling niet willen aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de eindafrekening niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij gefluisterd, dat de onderhandelingen lang, zeer lang geduurd hadden, en dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen had, om het lieve meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen berichten, en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk gesteld had. Als het waar was, dan had die nonna de zoo innig verlangde kaart met menigen zoen betaald.

Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van opgewondenheid. En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het gebeurde met Lim Ho en baboe Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde niet, en deed niemand te huis blijven. De meest kitteloorige gewetens werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene vervolging plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied, dan zal het wel zoo erg niet geweest zijn. Er waren er zelfs, die stipt aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden, en den Chinees omtrent zijn bonne fortune benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi!

Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen. Integendeel!

Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een optocht naar den Chineeschen tempel.

Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen, [241] had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má Tsów Pô [242] die beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden te laten afsmeeken.

Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet gevormd voor het huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke door de stad trokken, voorafgegaan eerst door een talrijk korps Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten, geaccompagneerd door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen, polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil van de onwelluidendheid hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer die hen had kunnen hooren. Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne krassende, eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne valschklinkende en krijschende blaasinstrumenten met het eerste afwisseling hield, en een mengelmoes van tonen te berde bracht, die alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden, maar toch het vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven.

De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers, terwijl hij ter weerszijden door een achttal „lolleng’s” (papieren lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai getemperd licht hoog op rood beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke vormen, aan het geheel een echt Chineesch relief verleenden.

De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see” genoemd worden, wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort nangkin jasje, dat slechts tot aan den knie reikte, en waaronder de bloote beenen en voeten uitstaken. [243] Op het hoofd droegen zij kegelvormige hoeden met opliggende roode franjes versierd. Ieder hunner hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring, waarin kleine stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren, en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten.

In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van Má Tsów Pô, dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op het hoofd, als zinnebeeld van hare waardigheid van Koningin des Hemels, murmelden, zongen, en prevelden op de maat gebeden en bezweringen, terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen dat zoo omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder begeleiding van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den heenmarsch te zaam gedrongen had.

Maar den volgenden dag was de groote feestdag.

Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om de genoodigden uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af te halen. Toen het tien uren sloeg, was de élite van de ingezetenen van de residentie in de binnengalerij van de woning van Lim Yang Bing vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot tenue, òf zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht rozenkleurige rozen. Naarmate de gasten verschenen, werden bij den ingang „mertjons” [244] afgestoken, en dat in grooter aantal naar gelang de binnentredende een hooger standpunt in de maatschappij innam. Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd een evenredig grooter aantal rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk soms zoodanig, dat hooren en zien verging.

Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die plechtstatig door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid werden; terwijl intusschen buiten een geknetter en gedonder weergalmde alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest springen. Bij die gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken) afgevuurd, en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan Lim Yang Bing verzekerden dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van Krakatoea kinderspel was geweest.

Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de „Shan Sao” (booze geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot vreugdebewijs op dezen heugelijken dag te dienen.

Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps muzikanten en door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd hadden, een lange stoet van vrienden en bekenden van den bruidegom voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders te gaan afhalen.

Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als door den kapitein der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren luitenants dier natie heel galant als ceremoniemeesters dienden. Allen beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen te doen voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen vernomen te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde, en bruiste het heerlijke vocht, dat in groote zilveren kommen in een ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen kristallen kelken. Der dames werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden.

Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden bewogen zich ongedwongen door de ruime binnengalerij, die reeds in gewone omstandigheden prachtig mocht heeten, maar thans voor deze plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken, als draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar verguld, en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het huiselijk leven in China voor. De omwanding was zacht rozenrood [245] genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond, bedekt was met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd. Aan het uiteinde der galerij bevond zich het altaar van den Tao Peh Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl groote strooken van roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden daarvan prijkten.

„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent toch dat gekrabbel op die roode lappen?”

„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de Chinees galant.

„Maar, wat beteekenen zij?”

„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen over deze woning.”

„En de anderen?”

„Dat zijn de vijf zegeningen.”

„En die zijn?”

„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een einde, dat het leven kroont.”

„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat zijn die mooi!” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele lantaarns wees, die aan de zoldering en aan de balken der galerij hingen.

Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven koper in Chineeschen stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer fijn geslepen waren.

„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van zelfvoldoening. „Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?”

„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?”

De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om zijne lippen.

„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze kunstwerken meer waardeerdet.”

„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw.

„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met de vracht en inkomende rechten...”

„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende.

„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien. Wil njonja....?”

„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?”

„Bijna vierhonderd gulden, njonja.”

„En daar hangen er een dertigtal meen ik?”

„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.”

„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor tienduizend guldens aan lantaarns!”

Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s genoot hij dubbel, wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der kostbaarheden, die hij uitstalde.

„En zie eens die „how-iâ’s.””

De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer, die ineengedoken op een voetstuk van zwart marmer voor de twee hoofdpilaren der galerij voor het altaar zaten.

„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn. Is het niet?”

„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.”

„Maar, babah.”

„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien haan daar op het altaar?”

„Ja, babah; die is prachtig gesneden.”

„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd gulden.”

„Maar, gij moet rijk zijn, babah.”

„Och zoo,...” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn bescheidenheid. „Weet gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van heden avond kosten?”

„Neen, babah, zeg op.”

„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.”

„Gij moet zeer rijk zijn, babah,” vleide de residentsvrouw.

„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet, hoeveel ik mijn zoon medegeef, njonja?”

„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij, babah.”

„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot.

„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet ontzettend rijk zijn, babah Lim Yang Bing!”

„Toch niet zoo erg, njonja.”

„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?”

De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een weinig.

„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?”

Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn binnenste zijne praalzucht en snoeverij.

„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone Laurentia, die het ijzer smeedde, terwijl het heet was.

„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken.

„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit loopende jaar, nietwaar?”

„Ja, njonja.”

„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand plaats hebben, is zoo niet?”

„Ja, njonja.”

„Zijt gij van plan mede te bieden?”

„Ik denk het wel, njonja...”

„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja...” herhaalde Laurentia op kluchtigen toon. „Maar... shut! men beluistert ons.... Wat beteekenen die letters op die lollengs, babah?”

Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar eigen, giegelenden, luchthartigen toon gesproken.

„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.”

„En op die daar?”

„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.””

Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de vermeende luisteraars.

„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt het met die pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger zult hebben.”

„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift.

„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van Solo.”

„Die!” mompelde de Chinees onthutst.

„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij hem strak aankeek.

Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast de schoone vrouw voort.

„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met iets schampers in hare stem op.

„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij.

„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht innen.”

„Ho, ho!” grinnikte de Chinees.

„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens twintig ton moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het monopolie.”

„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat zou ik wel eens willen zien!... Maar een verhoogde pachtschat is onmogelijk,” voegde hij er nadenkend bij.... „Thans kost het moeite, om zonder verlies te werken.”

„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede [246]!” merkte Laurentia spottend op.

„Ja,...” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet gehoord, „werd het aantal kitten in de residentie vermeerderd... dan...”

„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er thans? Dat is mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?”

De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en scheen in berekeningen verdiept te zijn.

„Minstens tien,” antwoordde hij.

„Dat is veel;... maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract opgenomen worden, zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?”

Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling daar nog iets bij te voegen.

De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan den ingang van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan moest, zooveel mertjons werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche muzikanten, die den stoet vergezelden, eene krijschende cacophonie deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte proef stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was, dan moest die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was zelfs geen Shan Sao bestand.

Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat en zedig in haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose sjerpen om de slanke middels, te voorschijn getreden, om de bruid te verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems en eenige snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. [247] Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de lieve Ngow Ming Nio de hand te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden. Op die tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep van hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh” [248] niet ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig opengesneden, dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten blootlagen, als zinnebeeld van het groot aantal kinderen, dat men het jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een groot aantal „kaam” (oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des levens, die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan elkander gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en toch onverbreekbare eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige stekken van „koaka” (suikerriet), als zinnebeeld van het huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop, van geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt.

De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow Ming Nio [249]. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal nedergezet. Beide bekers waren met wijn gevuld, en door middel van een rooden zijden draad aan elkander verbonden. Bruid en bruidegom dronken tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden daarop van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet brak, en ledigden nu de bekers geheel en al.

„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de huwelijksplechtigheid bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim Ho is dat niets; maar dat lieve kind....”

„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg Grenits ondeugend.

„Shut!...” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de nabijheid.

„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner.

„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene.

„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?”

De Chinees lachte schalks.

„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend.

De omstanders proestten het uit.

„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,” [250] zei Grenits, die in de algemeene hilariteit deelde.

„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten.

De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone Laurentia was diep verontwaardigd over de stoornis der bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den grond willen kruipen tegenover die toornige blikken.

„Shut!... Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te zamen.

Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der bruid, hief die ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen elkander bogen.

„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits.

„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August van Beneden knikkend.

„Shut!” klonk het alweer.

„Millioenen, die voortspruiten uit... Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor fluisterend, maar uitdagend.

Onze advocaat boog verlegen het hoofd.

„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.”

„Shut!”

De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen.

Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter dikte van eene groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd, gevuld waren.

„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis.

„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden.

„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat „obat” (medicijn)?”

„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den Jang voor, het mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur...” [251]

„Shut!” klonk het allerwegen.

Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit balletje, lieten dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander. Daarna werden de schotels omgeruild en de ceremonie herhaald, waarmede, in verband met de beduiding daarvan op het dualisme der natuur, de bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken, en de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het eene stel millioenen aan het andere! Of er bij het voltrekken der plechtigheid door den bruidegom eene enkele gedachte aan zijn slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd?

Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop twee balletjes, bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van haren echtgenoot, en noodigde hem met verlokkenden lonk tot eten. Die daad was de betuiging der jonge vrouw, dat zij gereed was om alle lasten van het innerlijke huishouden te torsen. Een der oudste familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche woorden.

„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen berichtgever.

„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king, uit het Boek der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd. [252]”

„Maar, wat beteekent die aanhaling?”

„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De perzikboom is jong en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze jonge vrouw gaat naar haar toekomstig huis, en zal uitmuntend hare huiselijke zaken regelen.””

Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had, negen beiden andermaal zeer diep voor elkander, en was de huwelijksplechtigheid afgeloopen.

Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de kanonnetjes weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen mertjons, daar joedelde de kapel der Santjoemehsche schutterij, die ook verschenen was om het feest op te luisteren, hare vroolijkste deuntjes, daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst en veroorzaakten dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag zoo een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen verondersteld konden worden met buffelleder te zijn gevoerd.

Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh Kong, staken eerst een paar geurige offerstokjes [253] aan, bogen toen voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met welriekende asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod, keerden zich de jonggetrouwden om, ten einde de gelukwenschen der aanwezigen te ontvangen.

Dit gedeelte van het ceremoniëel was niet nationaal. Bij Chineesche huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben, begeven de jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne vertrekken. Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten, en onthielden de Chineezen zich dan ook, aan die felicitatiën deel te nemen; maar beijverden de meeste hunner zich om eene verdubbeling van vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen te verdrijven.

De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm, openden den optocht van Europeanen, die zich daar voor de saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want, al was de bruid ook al lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige vent” genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die plechtigheid bij te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te jonge dagteekening. Maar, nu twee millioenen van den eenen kant met twee millioenen van den anderen kant verbonden werden, nu het de zoon van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu verdrong zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar, om het hare oprechte heilwenschen aan te bieden.

Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te hebben, hen met een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken. Gelukkig voor de jonggehuwden, dat zij de Hollandsche scheepstermen, die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen kon, niet verstonden; gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia haren echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog aanmaande. De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen een einde, en nu was het een handjes-drukken, een gefleem, een geteem, zoowel ten opzichte van de rijke ouders der jonggehuwden als tegenover dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van walging moest beklemmen.

Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch Theodoor Grenits, noch August van Beneden, noch Leendert Grashuis, noch Eduard van Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de jonggehuwden te wisselen. Zij hadden van het algemeen gedrang gebruik gemaakt om naar buiten te treden. Karel van Nerekool was zelfs in het geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen overwinnen, dien hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de bizonderheden der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij voorkomende gelegenheid zoo’n ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het dan ook op bescheidener voet gevierd worden.

Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de ommegang der feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de champagnekurken knalden, alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid wilden aangaan met de buiten steeds knetterende mertjons. Weldra stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met een beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de luidruchtige toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s” (violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te voorschijn roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de slangstukjes en mertjons losbrandden, alsof het de bestorming eener vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden van dat ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden.

Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het menu zorgvuldig door een Franschen maître d’hôtel was opgemaakt Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte Chineesche gerechten voorgekomen waren, als Potage Kiemlo à la Tartare, Potage Printanier à l’ail, [254] Croquettes aux oreilles de rats, [255] Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang, [256] enz., enz.

De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een luisterrijken dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche officieren, waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen zulke trouwe en nuttige onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk Bestuur drukte op dat woord nuttig en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van toejuichingen. Die laatste toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing, die een dronk aan mevrouw en den heer Van Gulpendam wijdde, daarbij Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar echtpaar en den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die edelaardige menschen nog lang aan het hoofd der residentie te zien.

Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat de muren en zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden ongevallen plaats gegrepen bij de daverende toejuichingen, die met het geweld van een orkaan losbarstten. De grond schudde letterlijk onder de voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van het geschut en van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte door het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige hand gelicht werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift werden de woorden van den rijken opiumpachter begroet!

Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh bijgewoond werd. Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken, waarbij onze gestaarte broeders het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de pyrotechnie boven de Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste paren het dansterrein.

„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de resident een paar dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis heeft gerookt!”

„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach van voldane ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig geld gekost. Er is alleen aan champagne voor tweeduizend gulden gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd gulden. Het vuurwerk, dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.”

De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXXVII

EENE WALGELIJKE TEGENKANTING.—TWEE OPIUMKONGSIE’S IN GEVECHT.

Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen alledaagsche zaak, dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van Santjoemeh trouwde met de dochter van een niet minder rijken emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling van zoovele millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de grootste belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan.

Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat niet allen behoefte gevoeld hadden de receptie met hunne tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden ook enkelen, zooals Van Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche huwelijksplechtigheid te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te halen geweest bij het diner aan te zitten of de danspartij bij te wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de Europeesche bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool bij elkander te komen, om gezellig dien avond door te brengen.

Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen rechter nog in zijn studeervertrek onder de kap eener groote astraallamp over zijne schrijftafel gebogen.

„Nog aan den arbeid?” vroeg de een.

„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere.

„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde.

„In de ornithologie zou Karel onder de „rari aves” (zeldzame vogels) gesorteerd worden!” riep August van Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert? Hoort ze daar ginds eens toeteren en spektakel maken.”

En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der residentie’s hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter der fanfares, het geknetter der mertjons en het gedonder van het geschut vernomen.

„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits verachtelijk glimlachende op.

„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den dag ijverig besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan hij wel meende, is het in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij den raad van Justitie; toch hield iets anders mijne aandacht bezig, toen gij zoo even binnentraadt...”

„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo over zijne schrijftafel deed bukken?” vroeg Theodoor.

„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven ontvangen had, en die mij de pen heeft doen neerleggen.”

„Van Willem Verstork?”

„Hoe maakt hij het?”

„Is hij welvarend?”

„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?”

Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig uitgesproken. Een ieder van dat vijftal droeg den waardigen controleur een goed hart toe.

„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich uitmuntend in die militaire wereld daar ginds te schikken.”

„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals hij gewoonlijk de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet in zijne plaats te zijn.”

„Wat schrijft hij, Karel?” vroeg August van Beneden.

„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van Nerekool. „Daarenboven is het grootste gedeelte gewijd aan mijne particuliere omstandigheden, en treedt hij omtrent de ouders van Anna van Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet kan mededeelen. Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is voorzeker welgemeend; toch maakt dat schrijven mij diep neerslachtig, daar mij de klove, die mij van het lieve meisje scheidt, al meer en meer onoverkomelijk aangrijnst.... Waar mag zij toch zijn? Wist ik dat maar; och, dan was alles nog niet verloren.”

Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den gastheer tot weemoed moest stemmen.

„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid niet toe. Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken. Daarenboven, wie weet wat de toekomst bereidt?”...

„Maar, zij is weg... spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool.

Eduard van Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet direct op.

„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij.

Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat kan mij dat schelen?”

„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur voort, „en heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is volgens hem geruimen tijd geleden naar Karang Anjer gereisd....”

„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. „En wat?....”

„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.”

„Niets?”

„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.”

Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken.

„Een opflikkering der hoop,...” prevelde hij; „en daarna weer zwarte nacht!”

Allen keken een poos bedrukt voor zich.

„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg Van Beneden, die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending wenschte te geven.

„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon. „Kom, laten wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het meest wetenswaardige van zijn brief mededeelen. Het is hier niets gezellig voor vriendenkout.”

Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat inderdaad met zijne folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot vertrouwelijkheid verlokte.

„Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!” (Sabieio, geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden:

„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij.

En op de toestemmende beweging zijner gasten:

„Sabieio, kassi bier ajam,” [257] vervolgde hij, „sama ajer batoe,” (Sabieio, geef haantjesbier met ijs).

Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam Van Nerekool:

„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert:

„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht in den djoerang Pringapoes mededeeling deed van een recept van pilletjes om de opium te bestrijden, [258] alsook welk succes ik en anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets gesticht over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in. Zijne woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor u,” sprak hij waarschuwend. „De minister van Koloniën, die bezig is de opiuminkomsten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. Er zijn zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de Koloniën uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht.” Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst mijner familieleden een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden bij eenig nadenken slechts opnam als eene zwartgallige ontboezeming, geuit ten gevolge van ons gesprek bij den maaltijd, dat hoofdzakelijk over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen had. Grenits zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel aanduidden; want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg niet loopen zou: „maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen.”

„Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat ik deed, verrichtte ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene mogelijke belooning. Zulk streven heb ik steeds volgaarne aan anderen overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede, soms wel het tegendeel daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid met die uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond wordt. De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo dienstvaardige spierbundels in mijne lendenen te hebben, zou mij ongeschikt tot iedere poging daartoe maken.

„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch kon hij noch ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en hoe doeltreffend zijne voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op het geen volgen gaat.

„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche Secretarie gewerd. Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen omtrent sommige civiele kwestiën, b. v. inkomende rechten of zoo iets wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur niet bemoeielijken wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet door tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een geschreven stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm eener circulaire, die evenwel gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is. Dat document luidde: [259] „Te Batavia is eene poging ontdekt om pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn. Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die pillen moeten worden beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen anders dan voor rekening van het gouvernement, alsmede de verkoop, anders dan door den pachter, verboden is, behoudens de bij Indisch Staatsblad 1872, No. 170 ten behoeve der particuliere apothekers vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr. wordt verzocht aan dien last der Regeering stipt de hand te doen houden.”

„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch Bestuur.

„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen aangewend, om Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze verslaafdheid aan het heulsap af te brengen, en die pogingen waren met een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een paar honderdtallen van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de heerlijke werking van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook met een zestal vermeerderd; en ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op die werktuigen van zedelijke verwoesting viel, die daar nu als zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen, ik een gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken.

„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de regeering wars zoude zijn, het hare bij te brengen, om zoovele rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik in Indië rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was misleid, en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen beschikbaar bij de pachters stellen, moest het doel, met dat middel beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een uitvoerig stuk op, waarin ik de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook door de evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo ook door de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de laatstbedoelden legde ik authentieke verklaringen deswege over. Ten slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor, ten opzichte van de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap vervaardigd, eene uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken.

„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van mijn hart gevolgd. Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik gelooven kon, dat de regeering ook maar een klein beetje van hare prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel, zou laten varen. Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in een tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als de hoogste vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten wordt voor de bas-fonds, waarin geschraapt wordt.

„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op mijn welgemeend pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel, vervat in uw schrijven van den zooveelsten, verlangt de regeering niet te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet in den laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad in andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te zijn, om de schuivers het gebruik van opium af te leeren, dienen zij toch inderdaad om hun, die zich, hetzij wegens de hooge kosten of om andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen voorzien, het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. [260] Bestond er reeds twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, dat gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met een goed doel—de verordeningen der regeering omtrent het opium-monopolie te ontduiken, en zoo mede te werken tot benadeeling van ’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de meeste zekerheid, dat gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd hebt. Op de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de regeering onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de beweegredenen, die u genoopt hebben te handelen, zooals gij deedt, ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat uwe familie-verhoudingen mij hebben doen terugdeinzen, zou ik u als onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, voor ontslag hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te rapporteeren. Gij moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding noodig heeft, dan het gehoor geven aan ziekelijke philantropische opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van ontevredenheid, gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt...””

„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield met lezen. „En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n edelaardig karakter als onze Willem.”

„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij bederft de beste sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen, dat men de middelen weert, die bij de bestaande toestanden heil zouden kunnen aanbrengen!”

„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden.

„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te uitsluitend in onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet waar kunnen zijn, dat onder het mom van genezing aan te brengen, inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd...”

„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe Willem Verstork van sluikhandel te verdenken?”

„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis er aan toe.

„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard van Rheijn, terwijl hij driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd. Zoo iets te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een paal boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen onkreukbaar eerlijk en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet kunnen aannemen, dat onverlaten, zich achter dat geneesmiddel verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist te benadeelen?”

„Zoo iets kan wel,” zei Grenits nadenkend.

„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een zoodanigen clandestienen invoer tegenga? Onder den dekmantel van die pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote vlucht kunnen nemen....”

„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die maar gestijfd wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van het opiumverbruik zoo afkeerig niet. Integendeel!”

„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent de pillen van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk genoeg,” merkte Theodoor Grenits op. „Men kon het middel handhaven en beschermen, maar de vervalschingen daarop tegengaan. Maar, dat wil men blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken, die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot verbetering te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in den Haag gefemeld en geteemd wordt, ten ernstigste tegengegaan worden. Vrienden, gij herinnert u onze discussiën nog wel. Valt de uitspraak nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking op het arme Indië rust?”

Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas, neen, tegen die uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die overtuiging gevestigd.

„Ja, die opium!...” zei August van Beneden met een zucht. „Vrienden,... wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp prijs te geven, wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares trilt, en de grond dreunt door het gedonder van het geschut bij de feestviering van de samenkoppeling der millioenen, uit die bron verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche Rijk zijn nu zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet altijd zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij zij uiterst vinnig tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer dagen van eenige overjarige documenten, kwam mij een Kongsie-geschil in handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring gunde, waarin zich de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat mij u die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op plaatsnamen letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om de handelenden, die nog leven, te brandmerken, en dat zult gij, met het oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken. Voor den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden van personen door N. N. of P. P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen daarenboven iets stuitends heeft, zoo zal ik mij veroorloven gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden daaraan maar wilt denken.

„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren geleden,—bestond er in eene residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die wij Hok Bie zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de opiumpacht van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij Bengawan zullen heeten. Maar ter zelfder tijd had dat pachtperceel Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van een jeugdig Chinees,—dien wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de millioenen niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval was.

„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, „wanneer ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en omkooperijen, die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig te worden. Laat het u genoeg zijn te weten, dat van weêrszijden alle krachten werden ingespannen, en niet zonder reden; want het pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java, en telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal opiumkitten, waar tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking van het geheele eiland bezit.”

„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen. Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was, [261] dat de soliditeit der borgen van hare tegenpartij betwijfeld werd, waardoor deze buiten mededinging gehouden zoude worden. Tio Siong Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers met hunne eigene wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?... Och, dat zult gijlieden wel kunnen gissen.”

„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons als een klontje kandijsuiker!”

„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om. Eerst poogde zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich failliet zouden verklaren. Toen dat niet opging, deed zij den gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen gouds, wanneer hij zich terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend worden. Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de pacht van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op.

„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal mededingers geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers van de kongsie Hok Bie en Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt.

„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende stoutmoedigheid en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk ƒ 80,000....”

„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.... „Maar, dat is niet veel.”

„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden.

„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te Santjoemeh....”

„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in de rede. „Laat u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.”

„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool.

„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en daarmede gemeend zijn tegenstander te overbluffen en te verpletteren; want hij was van zestig op tachtig gesprongen.

„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?”

„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk:

„„Dan sareboe!” (nog één duizend)

„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod zijner tegenpartij eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden.

„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien laatsten sprong had hij de uiterste grens van de strekking zijner volmacht bereikt. Hij mocht niet verder.

„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” zei de resident aanmoedigend tot den aarzelende.

„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” herhaalde de secretaris, die voor afslager dienst deed.

„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „tiga kali!” (derde maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong Mo toegewezen.

„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan pachtschat! Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er overtuigd van, dat uit het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele te kloppen was. Of hij niet buiten den waard rekende?....

„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot dan ook zich te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton ter beschikking, om Tio Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar om hem zelfs een plaatsje in ’s lands gevangenis te bezorgen. Twee der oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.”

„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij zoo’n concurrentie als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte, niet ongelijk aan een jong, vurig paard, dat ongeduldig is om vooruit te schieten.

„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging August van Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner hartstochten of het botvieren hunner ijdelheid geldt, dan zijn de Chineezen volstrekt niet gierig....”

„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te gooien om een kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis.

„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. „Anders komen wij er van avond niet.”

„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene opium-geschiedenis mee te deelen en nog wat meer.”

„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits.

„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren nog niet verpacht. De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op....”

„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette perceel Bengawan, een paar ietwat magerder, dat compenseert.”

„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August onverstoorbaar voort, „en besteedde voor die beide perceelen ƒ 40,000 ’s maands, hoewel er op de vingeren uit te rekenen was, dat bij een dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.”

„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool.

„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te krijgen.”

„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging.

„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August van Beneden met een glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst ten noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet uit. De kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De smokkelvaartuigen voeren ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali op en neer; de smokkelwaar vond haren weg door hare pachtperceelen en binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met gesloken opium overstroomd, die tegen acht duiten [262] willig van de hand gezet werd, een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk slijten kon. Toch trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon met stipt aan zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat op de gestelde datums in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de Europeesche ambtenaren hem steunen zouden, tegenover den sluikhandel, die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg zijne vertoogen bij de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën hadden?.... Schwamm darüber.... En, mocht hij ook van een enkelen hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de mindere opiumbeambten ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al op de hand van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen, onbeloond liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed, zoolang Tio Siong Mo geld had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was, het was ook hier: waar steeds veel van afgaat en schier niets bijkomt, daar is het einde slechts een quaestie van tijd. In de tweede helft van het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij kon onmogelijk zijne onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s lands kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het wichtig oogenblik naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne bezittingen omgesprongen hadden, dat zij niets dan schulden achterlieten.

„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de Directeur van Financiën, en liet uit naam van diezelfde regeering, die door doeltreffende maatregelen, zoowel in haar als in des pachters belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust van Java geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had, den armen Tio Siong Mo in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang zuchtte, en waaruit hij eerst kort geleden, toen men zag, dat die gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op het gebied van belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze épisode, dat zij die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen zijn.”

„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.

„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo binnenstijds herverpacht worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn, blijkt niet uit de stukken; wel uit eene teemende jeremiade van den Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters tot groote gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij die herverpachting slechts ƒ 41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve de achterstallige tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk nadeel van veertigduizend gulden ’s maands had.”

„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met alle pachtperceelen gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden worden, om aan dat opiumverbruik een einde te maken!”

„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen langs de noordkust?” vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van aspirant-controleur het naadje van de kous wilde weten.

„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies op. Toen het doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene bevriende kongsie, natuurlijk tegen groot verlies over. Hok Bie wilde er niets meer van weten....”

„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis.

„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij ook de opiumpacht bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik verleent.”

„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der Nederlanders!”

„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke lauwheid der natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd opgevoerd worden!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXXVIII

DE AMBTENAREN EN DE OPIUM.—DE VOGELNESTPLUK TE KARANG BOLLONG.

Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren harde waarheden voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken hadden; maar het waren waarheden, die niet weg te cijferen of weg te redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar op hunne „karossi gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne manilla-sigaren ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een verdubbeld gebulder van het geschut vernomen werd, en een verdubbeld geknetter der mertjons, schier verdoofd door een uitbundig gejuich, hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde, en door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op het vuurwerk te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel was waarschijnlijk veroorzaakt door den toast van Lim Yang Bing op den resident Van Gulpendam.

„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich aan zijne zwaarmoedige gedachten ontwringende, die door het verhaal van Van Beneden niet verdrongen waren.

Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat evenwel ook weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard van Rheijn het gesprek.

„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio Siong Mo geene medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat die integendeel geheel en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie waren. Die uitspraak zal u wel niet ontvallen zijn; maar zult gij wel degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel, het is mij niet duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is zwaar.”

Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een paar seconden, alvorens hij antwoordde:

„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde het beste. En gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet ondoordacht uitsprak. Wien zij geldt? Inlandsche of Europeesche beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust in dezelfde beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik vooral de blanken op het oog had....”

„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van Rheijn diepbewogen.

„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal processtukken, die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene nota aan van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook gevraagd was. [263] Zie hier, wat die nota ongeveer inhield:

„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel in opium zijn uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun zeer moeielijk bedrijf ten dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat zeer weinig geschikte sujetten zich voor dat baantje aanbieden. Hoe geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden eenige individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen resident. Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden achter zich hebben, en van den opiumsluikhandel een zeer beperkt denkbeeld hebben, worden dan op een traktement van ƒ 150 ’s maands geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene opium ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar. Hunne stations bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke moerassen, en de schier ondoordringbare wildernissen van Java’s noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige huren tegen 25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen kosten een.

„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets! Daarvoor is geen geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp vragen, als er wat aan de hand is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in den regel bij den duivel te biecht.

„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te houden, en genieten daarvoor aan fouragegelden ƒ 10 ’s maands per paard. Fondsen tot het aanschaffen dier paarden worden eenvoudig niet verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te maken van de bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent men nu de korting voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de ongelukkigen ƒ 102 in handen, waarvan huishuur en bediendeloon afgaat, zoodat hun slechts 67 gulden overblijven om veelal met een gezin van te leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook maar eene schamele inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen volgaarne als geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer niet opgedrongen: uit hun baantje te halen, wat er uit te halen is?”

„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle opiumbeambten direct of indirect onder de afhankelijkheid van de pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen daarvan liggen, dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de belangen der pachters verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot. Anderen waren ledepoppen van de pachters en durfden zich niet tegen den sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie kwam in die nota voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, dat de pachters als smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve die pachters even ijverig controleerden. Maar.... Maar... dezen hielden het niet lang uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd dan door de residenten ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was toch eenmaal eene klacht ingediend, dan moest het recht zijn loop hebben, en... de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare pachters bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne financiëele verplichtingen jegens de Staatskas vervullen...”

„Maar... waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare herhaalde verzekering van den Minister van Koloniën in de vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig, „dat het opiumverbruik zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt, zooals wij hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren aan den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen het vreeselijke heulsap op.”

„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat geen fatsoenlijk man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot tegengang van den sluikhandel, men moet dus de toevlucht tot personen van minder gehalte nemen. En... vandaar, beste vrienden, dat de kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo mogelijk waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik mededeelde....”

„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht geschapen,” zei Van Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten. Zeide Van Rheijn straks niet, dat ook hij een opiumgeschiedenis te vertellen had?”

„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.”

„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te weten, maar telkenmale openen zich nieuwe gezichtspunten.”

„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer uitnoodigend. „Wij zijn geheel en al gehoor, Eduard.”

„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn.

„Van Murowsky, onzen dokter?”

„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?”

„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en hij daarenboven aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in tegenstelling van de gedragslijn, door onzen gastheer gevolgd, in zijn geheel voorlezen.”

„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.”

„Komt er iets over kapellen in voor?”

„Ja.”

„En over kevers en slangen?”

„Misschien ook.”

„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig zijn; zij schenken je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet), geen dekschild, geen...”

„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen glimlachend. „Luistert maar:

„„Hoe ik het te Gombong uithoud?” vroegt gij mij in uwen laatsten brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het er dienaangaande somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha van Bemmelen een goed hart toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep, wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne komst hier, dacht ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe omgeving en vloekte den chef, die mij de poets gebakken had, mijne overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie geen sprake. De enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één beeld, dat der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en bekoorlijke koonen, en vergat ik mij zoodanig, dat de fraaiste vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder dat ik er aan dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de officieren, daar aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de pupillen-inrichting aangewezen, en hadden het druk genoeg. Ik daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel te Gombong is wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder handen te krijgen, merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.....”

„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit. „Bidden om eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten, of op zijn minst in het nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een plaatsje bezorgen.”

„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard. „Verlangt hier onze August niet naar processen? En is een geding niet erger dan eene epidemie? Maar, laat mij voortgaan.”

„Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of beter ik wisselde het een met het ander af. Ik bezong haar, die afwezige, in alexandrijnen, in jamben, in pentameters, in hexameters, in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten, in stanzen, in het Duitsch, in het Poolsch....”

„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in.

„In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn....”

De vrienden schaterden het uit.

„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?”

„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide, „eene ode van haar aanbidder ontving, getiteld: „Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus. [264] Ik wou dan haar bakkesje wel zien.”

„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die evenals de anderen hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen had.

„...En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik eensklaps vernam, dat Agatha van Bemmelen geëngageerd was, en al heel spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne dichterlijke producten, stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp om de muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de officieren van het garnizoen bij elkander, gaf een flinke champagne-fuif, en was na een nacht, dien ik doorbracht, alsof ik de Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende concurrentie wilde aandoen, totaal genezen.”

„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor je Karel!”

„Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de hemidiptera, de diptera, de hymenoptera, de lepitoptera, de coleoptera....”

„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen, niet overslaan?” vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog door; die weet niet beter. Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt, is onvergeeflijk.”

„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.... de coleoptera, de crustaceeën [265] mijne beste vrienden waren, en mij de meeste verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof het gelukkig. Zieken waren er geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier van gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof bekomen had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel van eene beginnende miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om mij bij voorkomende ziektegevallen te kunnen vervangen, al ware het ook om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar ten prooi was. Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan den militairen kommandant permissie, om mij gedurende acht dagen in het Karang Bollongsche gebergte, dat hier in de nabijheid gelegen is, aan den entomologischen hartstocht te mogen wijden.

„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige kapitein. „Zorg echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk krijgt, en dat ge op uw tijd weer present zijt.”

„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de weitasch om en de blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op het pad, terwijl mijn bediende mij met het overig benoodigde volgde. Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati, Ringodono naar Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het woeste gebergte was. Ik legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim twee dagen over.

„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou parelen voor de zwijnen geworpen zijn....”

„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert niet door beleefdheidsvormen.”

„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van straks,” lachte Van Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u mededeelen, dat ik redenen te over heb tot tevredenheid. Ik heb onder meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en eenen schoonen Priamos. Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas, die met zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het vierkant beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij daaraan? Neen, ik heb een onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming met het opiumschuiven heeft mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog lang niet ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden. Die hebben mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne opmerkingen te maken, waar mij bizonderheden van het opiumverbruik onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk goed terecht gekomen.

„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche gebergte in aanraking met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat middel van inkomsten van den Nederlandschen Staat op de hoogte zijt of niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp: het opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een vluchtig overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.”

„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!”

„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,” meende Grashuis. „Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan onuitstaanbaar pedant zijn.”

„Toch niet,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Ik voor mij heb tal van wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen. Maar, laat mij voortgaan:”

„Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel weten zult, een uitlooper van den Goenoeng Djampong [266], die een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen. [267] De hoofdmassa van het Karang Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken, die eene hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een breeden band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den Indischen Oceaan opstijgen. In dien rotsmuur heeft de wereldzee met hare machtige deininggolven, die ongehinderd van de Zuidpool aanrollen, om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld, waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. [268] In het binnenste gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders „manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten...”

„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in, „daar begint de Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen weet, wat ons nog te wachten staat!”

„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen, maak je maar niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort:

„„....Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale rotswanden. Die nesten bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid, welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen wordt. Die vogeltjes bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben om hun nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat droog en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over, dat eveneens drogen moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan. Zoo wordt voortgegaan, totdat het nestje voltooid is. Is dat het geval, dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje van geringe middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots gehecht zoude zijn. De nestjes bestaan dus uit een geleiachtige massa, die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer zij van supérieure qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend...”

„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers zouden zij daaraan vinden?”

„Laat mij voortgaan.”

„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een délicatesse. Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid vertegenwoordigt voor hen het fijnste, hetwelk het verhemelte strelen kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote geneeskracht aan toe, en prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon aan. Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan die nestjes verleent....”

„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche Gouvernement!” [269] riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der vogelnestjes uiterst beperkt is, anders zou men die Chineezen, welke er afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten op te dringen, zooals men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit te drijven.”

„„.... De inzameling der nestjes,” ging Eduard van Rheijn met lezen voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in het laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint half Augustus en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat” heeft in December plaats.

„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes gun, welke zich daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen der grotten te bereiken, men middels ladders langs den loodrechten wand der rotsen naar beneden moet. De ladder, b. v. die naar de Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn hart popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken. Maar, als ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand bracht, terwijl een paar Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik dan die bengelende rottanladder zag, die onder den invloed der bries heen en weêr bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan eens buigende onder een inspringend gedeelte, en zich daar voor het oog verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder mij de lange deiningbaren zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een woest en wild tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in verblindend wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn oor den donder van die onmetelijke branding vernam, en ik de rots, waarop ik lag, onder mij voelde dreunen, vrienden dan bekroop mij zoo’n gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde, en de hand niet uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen.

„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan den voet dier steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die als eene beweegbare heuvelreeks over het prachtig azuurblauw van den Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen van de baar in een machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet der rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje tooide; dat neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende melkzee veranderde, waarin iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de zonnestralen als een diamant fonkelde; dat fijn verdeeld waterstof, dat die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig zilverwaas hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een hooge baar aangerold kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten geheel en al, en drong er met kracht in, om den uitspoelingsarbeid voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die holen verdwenen waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den aandrang der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n spelonk, spoot het water met een machtigen straal van vijf- of zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke horizontale fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar dwarrelende kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte.

„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden. Toch ben ik besloten bij een volgenden keer in zoo’n grot in te dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in het zuider halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s zuidkust verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid bestaat, de Goewah (grot) Temon met een niet diepgaand schuitje binnen te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft mij beloofd, wanneer ik hem vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid te zullen houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou aanschouwen, moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der werkzaamheden daarvan, welke mij door de hoofden medegedeeld werd, te vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam:

„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages van rottantouwen langs de wanden met „tali doek” [270] vastgemaakt. Een dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met ééne hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de wanden worden afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt kunnen worden, en in het algemeen die, welke zich aan het plafond der grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan een ijzeren haak bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen.

„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes een zeer gevaarlijke arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte langs die loodrechte rotsmassa’s boven die kokende zee afklimmen; dan in die holen dringen, waarin de oceaan zijne golven stuwt [271]. Bij onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt het wel, dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen verbrijzeld worden of ellendig verdrinken.

„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling bezighouden, zult ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is aan zijn geboortegrond dan de Javaan. Zoo ook hier. Er bestaat geen woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek in het Karang Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. De kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden, hebben niets te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de overlevering steeds met de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden, en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat de Nederlandsche regeering zich de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter of slechter betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen. Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken [272], waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin tachtig nestjes gaan, in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15, zegge in letters VIJFTIEN CENTEN erlangt...”

„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te vervolgen, dienen wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes hebben.”

„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De Chineezen geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel vogelnestjes, en daar honderd nestjes ongeveer één katie wegen, en een pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt ons gouvernement vierhonderd gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen afscheept. Het is bij God schandelijk!”

„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden.

„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard van Rheijn. „Uwe vraag, August, zal dan ook beantwoord worden.”

„Welnu, vervolg!”

„.... Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, wanneer het hem meêloopt, twaalf zakken kan afleveren....”

„Dat is ƒ 1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog meêloopen! God betere het!”

„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig.

„.... Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som herhaaldelijk in doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te verwerven, moet de arme drommel zeer dikwijls naar beneden naar het hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk toch duurt nog altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen zweven. Luistert: Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen. Gij kent de aanhankelijkheid van den inboorling voor hen. Deze worden dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider slechts ƒ 1,80 in handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te werken, maar om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de eerbied en de gehoorzaamheid van den Javaan voor zijne hoofden, zouden bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort geschoten zijn. Men heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel, vrienden, is....de opium!

„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het gouvernement niet alleen toelaat, maar betaalt, ter zake van die vogelnest-inzameling; alsook de afgodische eeredienst aan Njahi Ratoe Segårå Kidoel [273] gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde staatskas bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen wordt, en waarvan wij de werking, bij eenigszins aanzienlijke hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan. Welnu, bij alles wat die pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan worden vijf „bekels” (kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen de eersten daarvoor ieder 1 en de laatsten ieder ½ „kedawang” [274] amfioen. Voor het schoonmaken van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd, die respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang- en toppengspelers ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4 voor „sadjen” of offerande, en bij hun heengaan nog ieder 16 kedawangs amfioen.

„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en daartoe sapies of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van elk dier worden 8 kedawangs amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van elken achterbout dier geslachte dieren, die ieder begeleid en gedragen worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder bekel 1 en iedere sekep ½ kedawang amfioen. Bij het naar de klippen brengen der ladders, iedere ladder begeleid en gedragen door twee bekels en twee sekeps, ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste ½ kedawang amfioen.

„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel verdere strekking. Vrienden, leest maar verder:

„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen loerah en iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige feestvierenden ieder 1 kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk: [275]

„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen, hetwelk bij die feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der aanwezigen amfioen wordt verstrekt, laat het zich denken, dat niemand, die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal blijven.”

„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs amfioen, en voor het vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8 kedawangs verstrekt.”

„Gedurende de inzameling der nestjes”.... och, hoe zal ik dat ten einde brengen? Laat het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt 76, die van de Goewah Dahar 64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De „toekan’s” van die genoemde grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs.

„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der ladders belast zijn, worden in opium betaald; de personen, die de geplukte nestjes moeten bewaken, ontvangen opium. Het verzenden van het product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen der ladders, het bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het geschiktste middel om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum zooveel mogelijk op te zweepen.

„Maar,.... waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is toch al lang genoeg, en ik heb ulieden nog het een en ander te vertellen...”

„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis.

„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard van Rheijn.

„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”, meende Van Beneden.

„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen kijken goed uit hun oogen.”

„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun oogen.”

„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen, Frankrijk veel beter te kennen dan de Franschen zelven.”

„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het allerinteressantste komt eerst aan.”

Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel van Nerekool vergezeld.

„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits.

„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.”

„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen).

Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene nieuwe sigaar op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en neêr, en waren daarna, weêr geheel gehoor.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XXXIX. MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH

„.... Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort.

„Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn garnizoen te Gombong terug moest zijn, was ik des morgens, voor het aanbreken van den dageraad van de dèsa Ajo, waar ik overnacht had, op weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng Poleng te exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een prachtigen en ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote beeldschoone kapel met groengouden vleugels, puntig uitloopende en met een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord. Eene zeldzaamheid! O, ik was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een dèsaman van Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid gekocht, dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken langs de Zuidkust van het eiland Noesa Kambangan [276] gevonden te hebben. Het is eene prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den vorm eener ineengedrongene evoluta....

„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor dag en dauw op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen het morgenrood de geheele bergmassa van Karang Bollong in gloed zette. Mijn pad liep dwars over de ribben van den Goenoeng Poleng, en doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms erg kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte vervloot, welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte. Hoe hooger ik kwam, hoe fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche morgenuur geheel en al verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen, om mij slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op een wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen uitstrekte, en stond een oogenblik stil om uit te blazen van de inspanning, veroorzaakt door de beklimming van de zeer steile helling, waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden beekjes, die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend zeewaarts spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een paar zilveren linten voordeden, die kronkelend en wentelend, bevallig en als het ware achteloos, daar in de diepte door de morgenbries waren uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had, lagen trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen verspreid. Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik afdalen moest; maar tusschen die rotsen en de struiken werd ik, een honderd voeten beneden mij, het atappen dak gewaar eener Javaansche woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij kon waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte en op eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht. Zou het een menschenhater zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog kon door een geopend raam in een der vertrekken dringen, en meende ik eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder den invloed der morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende ik een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft, of gebruikt hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit bontkleurig katoen....”

Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier te genieten; maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op Van Nerekool, die in zijn wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat het voorkomen had, alsof hij niet hoorde, maar met zijn gedachte elders was.

„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard.

Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak.

„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om Murowsky’s brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke ambtenaar te mijmeren, en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar, maar niet in de nabijheid van de dèsa Ajo. Wacht maar een oogenblik, dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt nu. Luistert maar.”

Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne sigaar, zette zich rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van Rheijn vervolgde:

„.... Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik daar diep, zeer diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in één woord de zilvertonen van een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den hals uit en keek in de richting, vanwaar dat vriendelijk geluid kwam; maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde ik, dat daar ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon ieder onbescheiden oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken den blik van terzijde afweerde. Intusschen ging het geginnegap voort, thans vermengd met geplons en geplas van water, waartusschen nu en dan een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes zich daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter verschooning mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders aanhalen, dan het hier te lande zoo algemeen gezegde: een mensch is geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde naar beneden naar de aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen ik deed, was ik weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te volgen. Het is waar, dat ik er volstrekt niet op rekende, eene Diana, eene godin, te bespieden.

„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te maken, ten einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk daalde het pad rechttoe rechtaan naar den Wariengien af, die eene groote oppervlakte overschaduwde. Als dat zoo voortging, dan zou ik binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar bij eene groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en scheen, den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek te voeren, alwaar de overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk aan den overkant het pad langs de tegenovergelegen helling van het ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne nieuwsgierigheid werd nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in mijne nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en verliet het pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was mij gunstig. Van af de bedoelde sperrots strekte zich eene hellende terreinstrook uit, die geheel en al met struiken begroeid was, waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots achtergelaten, om meer ongedwongen in mijne bewegingen te zijn. Ik sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van struik tot struik.....”

Allen schreeuwden het uit van lachen.

„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden toesluipen!” grinnikte Grenits.

„Met slechts een „ewah” [277],” schreeuwde Van Rheijn.

„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je wel, Karel?”

„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast je maar.”

„.... Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk stond ik voor een soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder doordringen ondoenlijk maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den rand van een waterbekken, dat bijna ovaalrond in de grauwe trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht door menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang en vijftien breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien heerlijk overschaduwd. Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een kleine komvormige baai uitmaakte, gevoed; het water was diep, maar zoo helder, dat men de kleinste steentjes op den bodem zien kon. Maar, dat alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden kwamen mij eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne aandacht. Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne heg verborgen, ter hoogte van een twintigtal voeten beheerschte, zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens. Hoe zal ik u beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van een uwer op zijne wangen te jagen...”

Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan.

„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te hebben.

„.... Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen gekleed, dat wil zeggen: zij hadden slechts den sarong om de lendenen geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch hoe kiesch de Indische schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij dat tot onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems kunnen vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral wanneer de sarong nat is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden. Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel in ieder harer een verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde de type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare ronde wangen en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging zij in een ondiepe plaats van het bekken staan, sloeg zich den sarong, die bij het zwemmen losgegaan was, vaster om de heupen, en was het mij duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke in gezegende omstandigheden verkeerde....”

Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel te werpen. Deze zat hijgende van ongeduld, hem de woorden uit den mond te kijken.

„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij.

„...De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig fraai onder den natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het Europeesche corset in aanraking was geweest. Haar gelaat duidde ook op eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware de huid ook niet bruin getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen zijn geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch zijdeachtig van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en haar bij het zwemmen in sierlijke en weelderige krullen op de watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende ik de Arabische type in het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet; want ik meende dat gelaat te herkennen.

„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige tafereel, dat zich daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen, hetwelk de werkelijkheid eenigszins nabij zou komen. De pen kan zoo iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden schilder, van een die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een woord, noodig zijn.

„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte wildernis, ver van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een onbescheiden oog bespied werden, zwommen, dartelden, stoeiden de bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander, smeten elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere vocht onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had om te beletten, dat de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de boezemwelving losging. Dat spel duurde lang, zeer lang; het scheen dat de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet konden losrukken.

„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee:

„„Soedah! moesti poelang, boe!”” (genoeg, wij moeten naar huis terugkeeren, baboe).

„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?” vroeg Grashuis.

„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, andermaal een blik op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping is nabij.

„...De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen oever zitten, waarbij zij hare lieve kleine voetjes in het water liet hangen, en begon haren weelderigen haardos uit te wringen. Zij zat met het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt, waar ik mij bevond, kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een kondeh op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug ontwaren. Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?... Maar ik meende, dat de huid van dien rug niet zoo donker getint was als wel het gelaat en de handen. Ten uiterste nieuwsgierig, wilde ik scherper toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende struiken en boog mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.... of beter: de hemel zij geprezen! Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder mijn voet los, rolde de helling af en viel met een geweldigen plons vlak naast en rechts van de schoone baadster in het water. Het scheelde waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou het lieve kind geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen maakte, stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar de linkerzijde, alsof zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan eenige oneffenheden vasthakende, losgleed, en....

„Bij alle Goden!... het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al gelaat, hals, schouders, armen, handen en voeten bruin getint, de rug, de rugholte, de dijen, in een woord alle deelen, die gewoonlijk bedekt zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden, waren lelieblank, van dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht op... Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was... Dat gelaat, hetwelk ik meende te herkennen.... O, ik kon mij niet vergissen, zij was het!... Nu herkende ik haar in weerwil van de bruine kleur... De verschrikte meisjes, die mij achter de dichte heg niet zien konden, waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen, en een paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik kon evenwel de kleine Javaansche nog hooren zeggen:

„„Tida takoet, Nana, tida ada orang!” (Wees niet bang Nana, er is daar geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat zij het losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of aan het toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden beiden zich voort, en ik zag haar weldra onder het beschermend dak van het huisje verdwijnen.

„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook om het kiesche gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang mogelijk in mijne schuilplaats. Toen ik berekenen kon, dat zij het opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik zoo langzaam mogelijk, gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte van het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het oog verloor, en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare bewoonsters onzichtbaar was.

„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te schrijven. Ik weet, hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal maken. Raad vermag ik niet te geven. Ik stel mij evenwel ter beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen....”

„Anna!... Anna weêrgevonden!” kreet Karel van Nerekool, terwijl hij onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij opgewonden op en neer liep.

„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden.

„Wat ik doen wil?... Ik vertrek morgen ochtend!... Ik zal...”

„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis.

„Geen overijling, zegt ge? ... En als zij intusschen weêr verdwijnt?”

„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De meisjes, van hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de meening verkeerd hebben, dat zij door een loos alarm op de vlucht gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben, die eenzame plek te verlaten.”

„Vrienden,” sprak August van Beneden, „ik geloof, dat wij het beste doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat. Laten wij de zaak overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen valt. In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou zoodoende zijne geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats verwijderen.”

„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag om verlof schrijven.”

„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om te overleggen. Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne hand. Ik vergezel u bij dien tocht.”

De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning, terwijl de feesttonen der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen werden.

Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet verkrijgen.

Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie aanhangig, daartoe genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong. De voorzitter was verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In afwachting grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den loop van ons verhaal uitoefenen, en derhalve hare mededeeling vereischen.

Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke Ngow Ming Nio moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren 18.., 18.. en 18.. plaats hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis voor de ambtenaars-wereld, die bij de bestaande fiscalische neigingen, waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan den dag legde, van hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te Batavia als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal millioenen als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij en met hem zijn mederegeerders zich vaster op het kussen gevoelen, daar zij meenden en niet ten onrechte, dat bij zoo’n behandeling van zaken, zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor zouden hebben. En zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken.

Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere drijfveer, om de gegadigden voor de opiumpacht tot eene zeldzame inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd. Door tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen verlokken, bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter de schermen en door tusschenkomst van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor de trotsche residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen.

Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert maanden, voor dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de grootste activiteit aan den dag gelegd geworden. Allerwegen was het toezicht op den sluikhandel, die niet van den pachter uitging, verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans en politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis en aan den lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij hunne vervolgingen van hen, die geen opium of het heulsap slechts matig gebruikten. Het succes was volkomen. Onder den invloed van de genomen maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon en stegen de detailprijzen van het vergift in evenredigheid.

„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet altijd zijn tong aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht gesproken werd.

Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had dien uitslag wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als onder het beheer zijner kongsie stonden, was dat onmogelijk.

Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij liet door zijne gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden, dat het aantal opiumkitten in de residentie belangrijk opgevoerd zoude worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand eene koortsachtige opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen.

Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den vlaggestok, die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe driekleedsvlag, [278] de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden was geweest, en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de morgenbries. De oppassers, die heden allen present waren en zeker een korps van een twintigtal uitmaakten, waren, in nieuwe pakjes gestoken en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken en met gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken, waren in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der twee schildwachten, die voor het perron der voorgalerij op en neer drentelden, onmiskenbaar te bespeuren, dat zij zich van den gewichtigen dag, dien zij beleefden, bewust waren.

De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een paar assistent-residenten en een paar controleurs uit de naburige afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis. Allen waren in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en eikentakken, die emblemata van onkreukbare reinheid en fieren mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd, met de wit cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm.

Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk zindelijk wit baadje en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen gekleed, het hoofd zorgvuldig glad geschoren en glimmend gepoetst, terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst zorgzaam behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden koord, die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw waren, kunstvaardig, haast wiskunstig ineengestrengeld was.

Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen nemen; weldra verschenen echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden, eindelijk de rijken, zij, die als ernstige mededingers konden aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en Lim Ho, die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen van hunnen landaard met een uitvorschenden blik monsterden.

Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de ambtenaren, en vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en handjesdrukken plaats hadden, die van de innigste verstandhouding moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht, om aan te duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn schilderhuis geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam, vergezeld van zijn secretaris, beiden ook in galacostuum, de voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van Rheijn gearmd, ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen.

Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten presenteerden de schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich in één gelid naast den pajoengstandaard, waarin thans een fonkelnieuw waardigheidsemblema prijkte.

Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om hulde te bewijzen aan den Vertegenwoordiger van den Gouverneur-Generaal, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van Neêrlands Koning in die verre Aziatische gewesten is.

Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te verrichten; waarna de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden bleven.

Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden op de schoone Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De lieftallige vrouw reikte ieder hunner en ook aan sommigen der naastbij staanden eene hand en noodigde al de babahs even naar binnen te treden, om zich te laven aan een verfrisschenden dronk.

„Het was toch zoo ontzettend warm in dit seizoen te Santjoemeh,” betuigde zij.

De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen dankbaar, wierpen elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden de schoone vrouw door de binnengalerij naar de pandoppo. Daar stonden op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met kelken beladen, terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt waren.

„Boeka anggoer poeff!” (maak champagne open) beval Laurentia aan een viertal bedienden.

De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een schuimend glas in de hand en stelde er eene eer in met de njonja-resident te mogen klinken. Als de Chineezen champagne drinken, dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over het algemeen zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere andere gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine teugjes gelept zouden hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen bij officiëele gelegenheden gezien hadden, gedroegen zij zich nu anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de eer genoten, met eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden.

„De toean toean noemen dat ad fundum,” merkte de majoor-Chinees op.

„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet.

In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg.

„Isi glas lagie!” beval zij.

En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van Gulpendam, dat de glazen telkens geleêgd werden; terwijl zij met fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig met de champagneflesschen rondliepen om in te schenken.

Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in de voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten.

„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,” vervolgde hij met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons berouwen zullen, wanneer wij hen gaan opzoeken. Het is ontzettend heet; vindt ge niet?”

Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten zakdoek afveegde, stapte hij aan het hoofd der beborduurde en gegalonneerde landsdienaren naar binnen.

„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de bedienden:

„Lakas, kassie glas sama toean toean!”

Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet de heeren der schepping met elkander. De resident fluisterde een paar woorden met Kwee Sioem Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende dat korte gesprek eenen onderzoekenden blik op Lim Yang Bing trachtte te werpen.

„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „tapeh saja takoet” (maar ik vrees).

„Tida takoet!” (vrees niet) stelde de resident hem gerust.

„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!”

„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het pachtcontract opgenomen zijn.”

„Dat is zoo Kandjeng toean; maar...”

Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den steek van het hoofd, hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een der bedienden was aangereikt.

„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een luid gejuich aan de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van de Veuve Cliquot blijkbaar zijn invloed begon uit te oefenen.

„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van politie.

„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar.

Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid gedaan. Waarachtig, hier en daar begonnen de scheef staande oogen der babah’s wonderlijk zonderling te kijken.

Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door de lucht.

„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze pacht niet slagen mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de verpachting van het opiummiddel voor het pachtperceel Bengawan en een paar dagen later voor het perceel eener andere residentie zal geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.”

Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij in, en groepeerden zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren blad, waarop een massa paperassen uitgespreid lagen. Aan het boveneinde plaatste zich de resident, omgeven door zijn fonkelenden staf van ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door de tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing een keurige schilderij, een borstbeeld in levensgrootte van Koning Willem III, die nu als het ware het middelpunt uitmaakte van de beide groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande.

„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract voorlezen,” sprak de resident plechtig.

Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier onverstaanbaar, de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te kennen. Het was ook maar eene bloote formaliteit. De gegadigden voor dat contract kenden den inhoud op hun duimpje. Alleen den aanhef: in naam des Konings! waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle aanwezigen het hoofd diep voor het borstbeeld bogen, sprak de secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij bepaald was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal opiumkitten meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract bepaald was, werd met verheffing van stem en met statigen nadruk voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden te treffen.

Toen die lezing ten einde was, sprak de resident:

„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf honderd twee en dertig duizend gulden!.... Twaalf honderd twee en dertig duizend gulden!.... Wie biedt hooger?”

„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem.

„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere.

„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek.

„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen.

Er had eene poos verademing plaats.

„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam kalm en afgemeten.

„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van de tafel hield.

Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op.

„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd mengende.

„Vijftien honderd duizend!”

Het gevecht was in vollen gang.

„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter.

Andermaal trad eene stilte in.

„Panas ini hari,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem.

De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne nabijheid ophielden. Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe met hunne groote presenteerbladen, waarop de heerlijk afgekoelde champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten de Chineezen toe. Het was toch ook zoo snikheet.

„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident.

In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der aangeboden kelken en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid naar binnen.

„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij.

„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter.

Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken werd, alsook door het getik der glazen, welke van nu af door de bedienden, hiertoe door de schoone Laurentia aangezet, die achter eene zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond gade te slaan, onafgebroken aangeboden of gevuld werden.

„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam.

„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent van Lim Yang Bing.

„Achttien honderd duizend!” riep deze.

Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot riposteeren aan te moedigen.

„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit op een toon zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf.

„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter.

De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel met een schier onhoorbare stem uit te brengen:

„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!”

„Doea millioen!” riep Lim Yang Bing zegevierend uit.

Doodsche stilte volgde op dat bod... Men zou eene speld hebben kunnen hooren vallen. Men voelde, dat de tegenstand daarbij gebroken was. De kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten trokken hem achteruit en beletten hem te spreken.

„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er op volgen: „ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal opiumkitten bij dit contract aanzienlijk vermeerderd is.”

Maar het mocht niet baten... De bedienden vulden steeds ijverig de glazen... Maar niets, niets meer hielp.

„Twee millioen guldens... eenmaal!....”

„Twee millioen guldens... tweemaal!....”

„Twee millioen guldens... Biedt niemand hooger?.... Twee millioen guldens... driemaal!”

Boum! daar viel onherroepelijk de hamer.

„Behoudens de nadere goedkeuring van de Nederlandsch-Indische Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan babah Lim Yang Bing de opiumpacht toegewezen!”

Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk bestuur en wenschten hem geluk met den afloop der verpachting. Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen Lim Yang Bing, om hem de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste glas champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een oogenblik heerschte daar in die groepen veel geestdrift en opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte aan de bevolking gewijd werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren welvaart zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden.... Ja, toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het beeld van Neêrlands Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke wil was, dat zoo gehandeld werd? Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig waarde de blik van den Vorst op die joelende menigte.

Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde met stralend gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten met twee telegrammen in de hand, nagenoeg van denzelfden inhoud: „Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht twee millioen—Van Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den Haag.

Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het telegraafbureau te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom zich en toen zijn oog op Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich bevallig loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het noordwesten, naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en prevelde:

„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!”

Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend aan.

„Gij nog hier?” vroeg hij.

Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem met zacht geweld in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder onbescheiden oog verborgen, sloot zij hem met krachtigen arm aan haren zwoegenden boezem.

„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!”

„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen geloodst, al zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet ondankbaar zal wezen.”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XL. HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM

Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren voorbijgesneld, of de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z. M. den Koning behaagd had, den resident Van Gulpendam te benoemen tot ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later de bizonderheden van die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men, dat onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der opiumverpachting te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in buitengewone vergadering samengekomen waren, waarin de Minister van Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid, gewezen had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de groote voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer andere residenten tot dergelijke plichtsbetrachting opgewekt konden worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat, nu de baten uit de gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans reeds de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het zaaks was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals hij zich dan ook beijverd had te doen, sedert hij door den Koning vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven voor de Koloniën met de inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets nieuws verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de koffiecultuur, die, mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie gebracht, steeds ruime baten had kunnen blijven afwerpen, terwijl zij welvaart onder de bevolking verspreidde, thans door wanbeheer en ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds meer en meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten vloek van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne medebestuurders dan ook hunnen bijval te kennen en ondersteunden de voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde, waaraan helaas! de constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden.

Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming, was toch schier geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het heugelijke telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en telegrammen van gelukwenschen stroomden van alle kanten, zoowel uit Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die de familie Van Gulpendam ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met het algemeen gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van belangstelling te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst toegeschreven worden.

Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en dansrecepties werden allerwege georganiseerd, om de heugelijke gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende de rij en werd daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de sociëteit Eensgezindheid, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als slotbouket van al die feestelijkheden had er ten residentiehuize een luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren, waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh tegenwoordig moest wezen, en ook was.

Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden, gelegenheidsgedichten opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en dat alles om den man te verheerlijken, wiens borst zoo waardig met het „virtus nobilitat” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk schoonheidsgevoel gewild, dat haar Gulpie op al die feesten verschenen zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje, aan een miniatuur strikje van Nassausch blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van goeden smaak getuigd zoude hebben. Maar Van Gulpendam had zich daaraan niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis van Batavia laten komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap lint.

„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet hij ook op een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten uitwaaien.”

Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest.

De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude onvermengd geweest zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden, dat er aan de rust en de tevredenheid onder de bevolking, waarvan hij steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde, meer ontbrak dan hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van samenscholingen, van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd, dat meer aan staatkundige woelingen te denken viel, dan aan beramingen van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad van die bewegingen in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht te zijn. Dat blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne rustige rust opgejaagd te hebben, werd op zijn vingeren getikt. De drukkerij werd gesloten, en de redacteur verbannen, om te bewijzen: dat de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was.

Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam gegeven, dat hij alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat de toestand werkelijk bevredigend was, en de artikelen der dagbladen slechts onrustbarende praatjes bevat hadden.

Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige tochten gemaakt naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles rustig bevonden. Onder den prikkel van de Europeesche ambtenaren, hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting bij den Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching geuit, ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen was.

Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden had hij dan ook een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om tot spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan.

Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen over rust een kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch ingezetene, een industrieel, wiens suikerfabriek aan de uiterste grens van de residentie Santjoemeh gelegen was. Deze verzekerde, dat hij vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats vonden, en hij beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te kennen. Overigens zeide hij, dat hij met het doeleinde der samenkomsten niet bekend was, maar dat zij hem verdacht en, zelfs bij de meest onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen.

„En die namen?” had de resident smalend gevraagd.

„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon zijn, Pak Ardjan en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige, doortastende vent zijn, en beiden zouden in de dèsa Kaligaweh van de afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.”

De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen. Hij greep zijn zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd parelden, af te vegen, meer echter om zijne aandoening te verbergen.

Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig, en, alsof hij er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer die opgemerkt mocht zijn, te vernietigen, hernam hij:

„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal gevlucht. Die zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied vertoonen. Nog niet lang geleden zijn zij te Singapore gezien, daaromtrent zijn mijne berichten stellig.”

„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik hier niet gerust. Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der Europeesche nederzettingen gewoonlijk het slachtoffer, en worden dan de Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord. Mijne fabriek ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht haar bereiken kan. Ik wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel op de onderneming te plaatsen, waarop ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal ze wel wapenen.”

„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die zijne geheele zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij schept u herschenschimmige angsten. Het is al te dwaas!”

„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor uit: de mij medegedeelde berichten komen mij volstrekt niet ongeloofwaardig voor.”

„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch.

„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze eenzame buurt, dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders spreken.”

Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit de helden groeien, zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij begreep, dat het oogenblik gekomen was pour payer de sa personne. Wat zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid vernomen werd?

„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit. „Kom, om u te toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand is, noodig ik mij en mijne echtgenoote uit, om een veertiental dagen op de fabriek te komen logeeren. Ik weet, dat de kombuis goed is... Neemt gij aan?

„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur.

Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de hoede van een sterk korps politiedienaren zou stellen.

„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh afgeloopen zijn, zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar vertrekken voor ons klaar.”

„En gij brengt eenige oppassers mede?”

„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten zien, dat ik ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor niets bevreesd ben. Dat is dus afgesproken, nietwaar?”

Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was, drentelden een paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean op en neêr. Als iemand op een dier twee mannen gelet had, dan had hij opgemerkt, dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij steeds in de nabijheid der pratenden bleef; ook dat hij scherp toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens woest en onheilspellend flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde zich een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene westersche klassieke opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld hebben: Jupiter, quem vult perdere, prius dementat. (Wien de goden ten verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand).

Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij allerwegen, dat hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende feestvieren uitgeput waren, dat zij rust noodig hadden, en dan ook besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een veertiental dagen te gaan uitblazen.

En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide echtgenooten, die zich slechts door de lijfmeid van de schoone Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden lieten vergezellen. Op den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats. Die moest den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in het rijtuig zat.

„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de pajoeng voldoende om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot zijne wederhelft gezegd.

Denzelfden dag vertrokken ook Karel van Nerekool en Theodoor Grenits naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky, Anna van Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen kruisten elkander bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat, waarboven de gouden pajoeng prijkte, sloeg oostwaarts in; het andere, waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts.

Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren, hadden zij het niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen badplaats te gaan. Wel meenden zij verzekerd te zijn, dat geen menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die naast Anna in het water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden hadden, had hen toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna overreedde eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje te nemen. Die zou dan telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl de jonge meisjes in het frissche water zouden dartelen, tegen onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van de nadering van menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier nènèh had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele huiselijke werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere meisjes meer tijd zouden hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of bij hare verfkuip door te brengen. Hoe meer zij toch werkten, hoe meer geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s, die zij weefden, en de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel hadden zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg daarvan was, dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut heerschte, en.... was het daaraan te wijten, of kon niemand ongevoelig blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes; maar wanneer zij eens een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen vrees van herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de jongelingschap van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook wel eens een liefdevol woord toegefluisterd. De deerns hadden er dan pret in, en lachten er hartelijk om. Op een dag zei Dalima snaaksch en spottend:

„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een Kandjeng toean voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit stuiven.”

„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij weet, dat ik daarover niet wil hooren reppen. Ik ben geene residentsdochter meer.”

Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde, liet zij er met een glimlach op volgen:

„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!”

„Op wie anders, Nana?”

„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te goed. Al die lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u, Dalima.”

„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos.

„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!”

„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså [279] gelet, Nana? Die heeft slechts oogen voor u.”

„Neen, voor u, Dalima!”

„Neen, voor u, Nana!”

Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken, wie harer dan het laatste woord behield.

„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had....,” zei Anna eens, terwijl zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was.

„Wat bedoelt ge, Nana?”

„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.”

„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani” (stoutmoedig) genoeg voor. En hij wel het minst.”

„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes, zou ik meenen.”

„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft ons bespied. Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij het pad rechts en links over eene groote uitgestrektheid konden gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.”

„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.”

„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.”

„Een blanke, Dalima?”

„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger zou ik u slechts noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het gebeurde met dien steen, is een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en heeft daar bij den loerah overnacht.”

„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld.

„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen vernemen, dan dat hij zich bezighield met „tangkap koepoe koepoe” (kapellenvangen) Poeah. [280]”

„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?”

„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is hij gezien te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke richting.”

„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?”

„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.”

Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde, dat Anna over haar ontevreden was, vroeg bedroefd:

„Zijt gij boos op mij, Nana?”

„Neen, Dalima.”

„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?”

„Ik zou wel willen verhuizen.”

„Verhuizen?”

„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de landstreek nog eenzamer, nog woester is, daar dicht bij de vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een dier grotten willen nemen.

„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt.

„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam Anna met een zucht.

„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige kleinachting in haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.”

„En Ardjan dan?”

Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam.

„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij zich ophoudt, en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,” (verloofde) niet meer. Voor hem ben ik slechts een gevallen meisje.”

Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna gevoelde spijt, dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een oogenblik van stilzwijgen hernam Dalima weêr:

„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het spoor was...?”

„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen vluchten!”

„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang.

„Zwijg, Dalima!”

„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen...? Nu?”

„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem houden?... O, als dat zoo ware!.... Uit mijn hart gebannen?... Er gaat geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem denk.”

„Maar, Nana,” hernam de argelooze Javaansche, „waarom dan zoo wreed?”

„Zwijg, Dalima!”

„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?”

„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander toebehooren!”

Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk te raden. Op haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In hare oogen was te lezen:

„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s”! (grillen.) Hoe lastig maken zij zich het leven toch.”

Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en opende daartoe reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden naar de dèsa geweest, en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen doen. Dat gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht zij groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde toch, dat drie blanken in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij den loerah genomen hadden.

„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit.

„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij eene rasgenoote voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en de residentsdochter met den naam Nana aansprak.

„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima.

„Neen,” was het antwoord.

„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?”

„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde de nènèh. „De een vertelt, dat het „wong spor” [281] (lieden van den spoorweg) zijn, die zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben zij geweren bij zich. Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen zij hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor welang” [282] op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds bemerkte, anders had ik er op getrapt, en dan was ik dood. Een derde vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen bezichtigen.”

„Hebt gij niets anders gehoord?”

„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd. Die blanken doen niemand kwaad. Ziet... daar komen zij het pad op....”

Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden kreet. In de grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij over het hoofd sloeg, en, gevolgd door Dalima, die evenals zij Van Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde zij het pad op, dat in tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn treden, en heênvluchten.

„Daar is zij!” riep Murowsky.

„Anna!... Anna!...” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem.

Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra achter de rotsen verdwenen.

Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij verplicht andermaal eene schrede achterwaarts te doen.

Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van waar de twee vrienden den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij hadden geen tijd, geen oog om de heerlijke landschappen, de verheven bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen of te bewonderen. Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende, wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts een kreet in den mond:

„Voort! Theodoor, voort!”

Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den officier van gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar zijn collega nog steeds te Gombong vertoefde, had de militaire bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal een verlof voor vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den namiddag aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den flinken rit; zoodat besloten moest worden den tocht eerst den volgenden morgen voort te zetten. Van dat gedwongen oponthoud werd gebruik gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky af te leggen.

„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige krijgsman, terwijl hij hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en snuitkevers zich wel verdekt opstellen. Dan zal er eene slachting onder gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden genoeg, om de arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle succes.”

Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te genieten, bracht een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze greep het papier.

„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega.

„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,” antwoordde de gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt. Als uwe kapellenvangst daarmede maar niet in gevaar wordt gebracht.”

Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening.

„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden... „God in den hemel!” riep hij vervolgens in de grootste ontsteltenis uit.

„Wat is er? Wat is er?” riepen alle aanwezenden.

„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega, door eene bende ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las de dokter voor.

Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep koortsachtig het telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich daarna de oogen, alsof hij die niet vertrouwde.

„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk.

„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw des huizes aan Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen zag verraden.

„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh tegelijkertijd met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den gruwzamen moord op personen gepleegd, die wij gedurende de feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen, is wel geschikt om ons te doen ontstellen.”

De dame knikte toestemmend.

„Het is ontzettend!” prevelde zij.

„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal eenige uren uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven omstandigheden moet ik noodzakelijk mevrouw Steenvlak spreken. Hoever is Karang Anjer hier van daan, kapitein?”

„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.”

„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen bekomen?”

„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?”

„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu ongeveer zeven uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met het krieken van den dag begeef ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong te vervolgen. Wees gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.”

„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de Steenvlaks vindt het een goeden stal.”

En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven.

„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de vrouw des huizes, ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek van Van Nerekool naar Karang Anjer.

„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw Steenvlak, waar dat jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar treft, voorbereid worden.”

Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te doen.

„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In zulke omstandigheden kan de raad van eene beproefde vriendin veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet goed?”

Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand.

Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags den weg naar Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de gruwzame gebeurtenis in de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De assistent-resident had ook een telegram ontvangen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us

XLI

DE KETJOE’S TE SOEKA MANIESAN.—EENE ONTZETTENDE TERECHTSTELLING.

De noodlottige tijding was maar al te waar!

Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de eigenaar dier suikerfabriek niet anders verklaren, dan dat in den laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken was; dat hij meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel daar iemand ontmoet was geworden; zoodat hij tot de meening was gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht geweest, òf dat de bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden.

Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der afdeeling stond, waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook den regent en de wedono’s in die afdeeling, maar vernam niets onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden, dat de streek de meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde, dat er wel armoede heerschte.

„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih? [283]” had de resident gevraagd.

Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen vrijgesteld zijn van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord zich wachten liet, vroeg Van Gulpendam:

„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende fabrieken behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?”

„O, ja, Kandjeng toean.”

„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan waarop gerekend werd?”

„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de landbouwers hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng” (schuur) kunnen binnenbrengen.”

„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?”

„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met een zucht.

Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij was, dat hij, wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den resident zoude opwekken. Hij wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de oogst was overvloedig geweest; maar de paddie was niet in de schuren terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst was verkwanseld geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van Chineesche opkoopers overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar de opiumkit, naar het speelhol, naar het pandjeshuis, naar de lade van die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag van de Nederlandsche inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de borst van den resident prijkte, en herhaalde met een zucht:

„Ik weet het niet, Kandjeng toean.”

Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere kamers te willen betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich volgaarne vergenoegen met de gewone logeerkamers [284] van de fabriek.

„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het hoofdgebouw zijn klaar.”

„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik wil u bewijzen, dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat ik daar buiten even gerust zal slapen als in uw hoofdgebouw.”

Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad, hij scheen gelijk te hebben. De berichten, die van allerwegen binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden aard, dat de eigenaar van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te hellen, dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in hare vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten de echtelingen een heerlijke rust.

De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging van de suikerfabriek, die evenwel op het punt was hare jaarlijksche campagne te sluiten, daar de maaltijd op zijn eind liep. In den namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij het residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de ontmoet wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon was; het tegendeel kon beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs toen hij nog controleur was, stipt en streng geëischt, dat terwijl hij in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die hem ontmoette, moest hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat moest afwenden [285]. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van schuchterheid, dat die voor bewijzen van diep ontzag en van eerbied door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, hier in deze streken was niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter meende Van Gulpendam wel opgedaan te hebben.

Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka maniesan had eenige familiën van de rondom liggende ondernemingen uitgenoodigd, waaraan allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en ook sommige dames maakten een gezellig partijtje; terwijl anderen zich met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al eenige onprettige gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo werden die geheel verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele landschap, hetwelk zich daar voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan stond hoog aan den hemel, en overgoot alles met haar liefelijk licht. Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen, die het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte, die in een tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo genotrijk mogelijk te maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk voorbij, en sloeg het middernachtuur, alvorens de rijtuigen voorkwamen, die de gasten huiswaarts moesten brengen.

Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter ruste wilden leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek rapporteeren, dat men eene gedaante achter de tuinomheining had zien sluipen.

„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene niet ongewone gebeurtenis was.

„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een geweer greep, en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een gebaar weigerde.

Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten, terwijl de dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd is, was het zacht en kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar bespeurden niets verdachts. Door de frissche nachtlucht verlokt, strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk hun plan was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een paar rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan de rietstekken gedeeltelijk geoogst waren. Het gekapte riet was reeds naar de fabriek vervoerd; maar over een groote uitgestrektheid stonden de stengels nog overeind en wachtten op de hand der arbeiders. Op de ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen „dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en bestemd waren, om ook naar de fabriek vervoerd te worden; ten einde daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van Soeka maniesan was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne betrekking van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de suikerindustrie op Java in aanraking geweest; zoodat het gesprek tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd door den opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de verschillende rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende, dat de „teboe-njamploong” het meeste suikergehalte bevatte; de andere verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd had, dat zulks met de teboe-itam [286] het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de discussie daaromtrent werd vrij levendig; toen plotseling een gil weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels gewapend, en met zwart gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn sprongen, en recht op de wandelenden lossprongen. Het drietal, onthutst door die plotselinge verschijning, zette het op een loopen; maar nog hadden zij slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op het hoofd deden neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag had kunnen brengen. Op het erf werd de resident ingehaald, maar in stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, op den grond geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich achter een hoop bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van Gulpendam gebonden werd, kon hij nog zien, hoe een twaalftal mannen op het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer van zijne echtgenoote aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige vuist drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe de aanvallers de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne knodsen uit hare hengsels sloegen, toen zij haar gesloten vonden. Hij zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer steeg op, dat door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen werd.

Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien dier slaapkamerdeur de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige arbeiders, die bij de stoomwerktuigen in de fabriek de wacht hadden, deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot redding zou hebben kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug, die Van Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te omzwachtelen, zeide:

„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.”

„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard.

„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den spreker van wraakzucht trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op, of wij krijgen de werklieden der fabriek op het lijf. Ik zou dien hond dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.”

Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van Van Gulpendam gestoken.

„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen.

Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van zijn gemompel was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd, die den prop nog dieper in de mondholte deed dringen.

„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald.

Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en draafden met hunnen last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder die behandeling; maar dat werd niet gehoord, en hoorde het ook al iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen.

Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op een daarvan werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was, werden de andere paarden bestegen en voort ging het.

„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden.

„Engèh! Engèh!” kreten de overigen.

Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de overige aanvallers het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra ten hemel en loeiden vreeselijk, waarbij zich het knappen van het riet mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna uit de voeten maakte, begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van de fabriek te weêrklinken.

Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er op hetzelfde oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag bekroond werd.

Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag een vreemdsoortig gebouw in de plooien van het oploopend terrein alleraangenaamst verscholen. Ware het van Italiaansche of Zwitsersche bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een chalet hebben kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te vergissen viel. Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich daar verhief, en eerst sedert weinige weken in eigendom op Lim Ho, den zoon van den opiumpachter van Santjoemeh overgegaan was.

Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer geregelde levenswijze zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een bezoek aan bedoeld lusthuis zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn. Dat eenzaam gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken daarvan waren weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste divans werden in alle kamers aangetroffen; terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van pornografische strekking, versierd waren. [287]

In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s aangetast was, werd ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier gelukte de onderneming nog gemakkelijker dan bij de suikerfabriek. Lim Ho, die met misdadige oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en ongeduldig de prooi zat af te wachten, die zijne driften gaande gemaakt had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts van een paar Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De babah, overspannen van het wachten, en, in de meening dat ’t het slachtoffer was, beval te openen. Toen het slot evenwel omgedraaid en de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar gewapende en zwart gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn ras getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen. Fluks keek hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen ontvluchten; maar toen hij de beide deuren van het vertrek, waarin hij zich bevond, door de aanvallers bezet zag, poogde hij in zijn lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd evenwel gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en weggevoerd.

Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles onaangeroerd gelaten. Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt; maar zich bepaald tot den moord op mevrouw Van Gulpendam en de ontvoering van den resident en van den pachterszoon. Dat de eigenaar van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de fabriekswerklieden hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter vervolging te stellen. Dat mocht niet! De slag was evenwel niet gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over den gepleegden moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok, om den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van Soeka maniesan even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht men, dat ook hij dood was, daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen hij evenwel binnen de woning gebracht was, bespeurde zijne echtgenoote al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van leven gaf. In allerijl werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen, wat evenwel eerst laat slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de politie op Soeka maniesan verscheen. Er viel niets anders te doen, dan den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig werd onderzocht, het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van Gulpendam. Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden ontdekt, maar dat gaf niets; want door de geheerscht hebbende droogte, waren die spoedig door den morgenwind met eene stoflaag overdekt, zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters zich gewend hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat hij eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien springen, dat hij had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en daarbij een slag op het hoofd had gekregen, die hem bewusteloos had doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist hij natuurlijk niet. De verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon. Deze zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een grooten hoop dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn te zijn gekropen, toen het rietveld in brand geraakte, en hij beducht was, dat zijne schuilplaats ook door de vlammen aangetast kon worden. En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets kunnen waarnemen.

Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie was ten einde raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en vol afgrijzen bij de gedachte aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben. Maar, wat men ook deed, of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid, totdat een visscher, die, met zijne schuit de Moeara Tjatjing willende instevenen, buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan aantrof, dat in zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van den Kandjeng toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend hebben en tot zijne visschersgezellen gepreveld hebben:

„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!”

Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en onaangenaamheden hij voor zich zelven opende, dan zou hij zich wel gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De boeaja’s (kaaimannen) zouden wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben.

Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij ontelbare malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den regent, door den controleur, door den assistent-resident van politie, door den rechter van instructie. Al die autoriteiten meenden in hem den draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden den armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing kapala” (ijlhoofdig) en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn.

Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was niet geoorloofd geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die deelen van het lichaam evenwel, die door de zeemonsters gespaard werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken bevonden en was het blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven was, hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp aangewend was geworden, om hem van het leven te berooven.

Wat was er met hem gebeurd?

„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid.

En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing, waarmede de lezer in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de ruiterbende in woesten ren heenijlde. Zorgvuldig werden de dèsa’s vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd ook eene gardoe geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen. Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen het wortelboombosch bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was.

Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen werd, was Lim Ho daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten gebonden, op den vloer uitgestrekt. Op een teeken van den aanvoerder, een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden geslaakt, en den prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden een twintigtal Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik zijner ledematen gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van trotsche hooghartigheid:

„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?”

„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die van gemaakte onderdanigheid getuigde.

„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen van de hoogste gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne Leeuwenorde wijzende, die nog in groot formaat op zijnen lichtblauwen residents-rok bengelde.

„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah ten teeken van eerbied maakten.

„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar op het hoofd gekrenkt wordt!”

Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het gevest hunner krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren weer stom.

„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan, „zult gij beiden dood zijn.”

„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit.

„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou vreeselijk gewroken worden!”

„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard. „Dat vonnis, wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;... daarna kan men met ons doen wat men wil,... als men ons ten minste in handen krijgt.”

„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop.

„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had, dan dat hij zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het wellustige oog op geworpen hadt, hier bij deze hut, de folterendste mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt? Gij hebt datzelfde meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met list in uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar botgevierd hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!”

Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die woorden vernam. Hij begon te begrijpen, in wiens handen hij zich bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover die dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet begrijpen, dat die Javanen de hand aan hem, den Kandjeng toean, zouden durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te moeten spreken.

„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het opperhoofd, „dan is Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker alles doen, om hem zijn straf te doen geworden; maar wat heb ik gedaan?”

„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende stem, „gij hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt! Gij hebt den man, waarvan ik straks sprak, in de gevangenis laten werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke straf veroordeeld; terwijl gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel van dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan de hand gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig veroordeelde in de onmogelijkheid te stellen, zijn kind te verdedigen bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op haar te ondernemen! Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is reeds gedeeltelijk voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang hebben!”

„Wa... wat? gedeeltelijk voltrokken....” kreet de resident. „Mijne vrouw...?”

„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de aanvoerder zich tot een van zijn gevolg.

„Njonja mampoes!” was het korte antwoord.

„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar genadig geweest, een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt leven. Zie hier op deze kris, die vlekken werden veroorzaakt door haar bloed!”

„Die gil, dien ik dus gehoord heb....”

„Was haar laatste geluid op deze aarde.... Maar...” ging de Javaan, ontembaar hartstochtelijk voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen omspringen. Met eene vrouw konden wij kassian hebben! Gij, gij evenwel zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen, die gij anderen aangedaan hebt!”

„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij weten te wreken!”

„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!”

„Gerechtigheid uitoefenen!... Wie zijt gij dan, die beweert gerechtigheid te willen uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie zijt gij?”

„Wie ik ben?... Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld van allen, die onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige ziel verschenen?... Wie ik ben?... Gij zult het weten!”

In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan greep den gevulden klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het gelaat af.

„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte voor de beide gevangenen ophief.

„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet.

„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt.

Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De te vereffenen rekening was verschrikkelijk.

„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze nederknielden en klappertandend het hoofd op den bodem bogen.

„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden met Dalima en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!... Hebt gij medelijden met mij en mijn vader gehad?... Spreek dan toch!... Dalima geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van jaren tot dwangarbeid veroordeeld te worden!... En ik zou medelijden met u hebben?... Ha! ha!... Dan was ik wel de grootste „bodohk” (domkop) der geheele wereld!... Daarenboven... zeg... wat zoudt gij doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij Kandjeng toean, wat zoudt gij doen?”

Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder scheen na te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een sprankje hoop te ontwaren. Bibberend van angst klemde hij zich aan dien stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn wankelende knieën overeind, en handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen biggelden:

„O, vrees niets!... Ik zal alles vergeven... Ik zal Kandjeng Gouvernement smeeken ook zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal mij verhooren... Al het onrecht, dat gepleegd is, zal hersteld worden... Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling zult erlangen... Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof mij, al wat gebeurd is, zal gebeterd worden....”

„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den aanvoerder hooren. „De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien ons Javanen al voor zeer onnoozel aan!”

Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die hem scheen overmeesterd te hebben en hem als het ware in boeien geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof hij eene onwelkome gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek los en zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug.

„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in mijne macht zijt, kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het vreesachtigste dier. Hebt gij ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig zien handelen, al gold het ook zijn leven? Gij hebt er genoeg naar de galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken, de bruine menschen weten te sterven. Medelijden!... Ha, ha, ha!... Thans doet gij beloften, en... wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die zult kunnen verkrachten! Beloften van een blanke!... Ha, ha, ha! Alsof wij de waarde daarvan niet kennen... Wanneer heeft ooit een blanke zijn woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer...”

Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor.

„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden! Integendeel, een wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de „hoekoem madoe” [288] toegedacht...”

Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden.

„Ampoen! Ampoen!” huilde hij.

„....maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm. „Wij zouden, voor dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden, en dat zou jammer zijn. Neen, daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de „hoekoem Kamadoog” [289] ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten toepassen; toen ik niets misdaan had, en de Kandjeng toean vond goed, die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet kunnen zeggen, dat ik wreeder ben dan gij waart.”

„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen.

„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne makkers gevende, vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar beneden!”

In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van Gulpendam met hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon, hemd, enz. volgden aan flarden. Het „virtus nobilitat” lag weldra vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De handen werden hen op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen eenvoudig den trap afgesmeten werden. De aanvoerder herinnerde Lim Ho, hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den dag gelegd had, toen Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling van boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen gebonden, die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde Chineezen en Ardjan gekneveld geweest waren.

„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den boom, waarmede hij in herinneringsvolle aanraking geweest was, wijzende.

„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden.

Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk het bevel:

„En, nu er op los!”

Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de vreeselijke netels gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op de huid van de twee misdadigers. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam van pijn weg.

De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer hooren. Aanvankelijk wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de Westerlingen bezitten de taaie zielskracht der Oosterlingen in gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te kermen; daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne beulen verteederen.

„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij.

Op dat gehuil klonk tot antwoord:

„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!”

En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam. Even schrikkelijk, misschien nog schrikkelijker dan de anderen:

„Meidema! Meidema!”

„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend.

Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet verstaanbaar meer, en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het regende voortdurend slagen met de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder alle bewustzijn verloren had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen en dus aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust stralend gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende blikken aan te staren. Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste, zijne vuisten balden zich krampachtig, terwijl de vreeselijke strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich weêrhouden, om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een, om hem dezelfde mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne dierbaarste genegenheid te krenken, beiden om hem wegens opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen. Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen, die zijn geheele bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen bij de herinnering aan hetgeen hij onder diezelfde mishandeling geleden had. En, zou er nog plaats voor deernis in zijn ziel geweest zijn, dan ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter hem stond en hem aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!”

De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch dacht Ardjan er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij iederen slag, bij iedere aanraking met de vreeselijke bladeren, kromp de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid, pijnlijk weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot knoesten en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede, die overigens op hunne beenen niet meer vermochten te staan, en als levenlooze voorwerpen, als zakken in de touwen hingen, die hen aan de boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo vreeselijk gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan verschenen die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en verrieden door de wezenloosheid van hunnen blik het ontzettende lijden, waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende sloegen beide lijders met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts en links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen Niboeng-stam bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen kroonden, her- en derwaarts vlogen.

Maar!... aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden. Langzamerhand namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en hingen de lichamen roerloos in hunne banden. Het was, alsof de ziel het lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak Ardjan op den meest onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los); terwijl hij daarbij zonder een woord verder te spreken, met den vinger naar de zee wees. In een ommezien waren de touwen doorgesneden, en ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val opende Van Gulpendam nog eens de oogen.

„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!”

De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier ongeluk hij veroorzaakt had, benauwde zijne ziel in dien uitersten stond. Met dien naam op de lippen blies hij den laatsten adem uit. Ook Lim Ho gaf geen teeken van leven meer.

De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den stroomdraad der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige minuten de wateren der Java-zee toevoerde.

En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de Chineesche schoenerbrik Kiem Ping Hin te bespeuren, die, hare zending getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche vlag in top, voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de kongsie Lim Yang Bing aan wal te brengen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us