← Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 7 of 7)

Part 7 of 7 · Dr. J. G. Schlimmer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #34955, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 7 of 7)

Tragoedia, tragodia. Het grieksche treurspel heeft zijn oorsprong te danken aan den dithyrambus, en is dus een onderdeel van de Dionysusfeesten, de naam tragodia is afgeleid van den bok (tragos), die gedurende het feestgezang geofferd werd. Thespis wordt algemeen als de schepper van het treurspel genoemd: terwijl namelijk vroeger de dithyrambische koorzangen afgewisseld werden door voordrachten van den koorleider, verving Th. in zijne werken, die overigens in inhoud en waarschijnlijk ook in vorm niet veel van den dithyrambus verschilden, deze verhalende voordrachten door gesprekken tusschen een tooneelspeler en het koor. Daarmede was de eerste stap van lyrische tot dramatische poëzie gedaan; daar dezelfde tooneelspeler door verandering van kleeding en masker in verschillende rollen konde optreden, was het reeds nu mogelijk sommige zeer eenvoudige handelingen af te spelen. Op dezen grondslag werd nu door sommige dichters na Thespis (Phrynichus, Choerilus, Pratinas e. a.) voortgebouwd, en eindelijk bereikte het treurspel zijn hoogsten bloei onder de handen van Aeschylus, Sophocles en Euripides. Niet slechts dat hunne stukken als dichterlijke voortbrengselen, volgens de meening der ouden en voorzoover wij het kunnen beoordeelen, zoowel die van hunne voorgangers als van hunne tijdgenooten en navolgers overtroffen, maar door het laten optreden van meer tooneelspelers (waarbij echter de regel gold, dat niet meer dan drie tegelijk op het tooneel mochten zijn) en ook door het vereenigen der stukken tot trilogieën en tetralogieën, werd het hun mogelijk de handeling meer omvangrijk en afwisselend te maken, aanvulling door verhalen werd steeds minder noodig, terwijl voor de opvoering gewichtige hulpmiddelen gevonden werden in zorgvuldig gekozen decoraties en costumes. Voor het koor is echter onder deze omstandigheden geen plaats meer als medewerker, zijne gezangen verminderen in omvang en beteekenis en dienen nog slechts om den dialoog door zang en dans af te wisselen, zij vormen niet meer een bestanddeel van de handeling zelve, maar begeleiden haar met de opmerkingen en raadgevingen van een "ideaal toeschouwer". Den inhoud hunner stukken ontleenen de treurspeldichters aan de oude mythen, deze behandelen zij zoo, dat uit een gegeven toestand de gebeurtenissen zich volgens de wetten der noodzakelijkheid en in overeenstemming met de karakters der handelende personen ontwikkelen, totdat de catastrophe bereikt wordt, een keerpunt, dat den overgang van geluk tot ongeluk of omgekeerd vormt. In de richting, door de drie groote meesters aangewezen, werkten gedurende de geheele oudheid talrijke navolgers, doch geen van hen schijnt meer dan een kortstondigen bijval gevonden te hebben, terwijl de stukken van Aeschylus, Sophocles en vooral Euripides nog vele eeuwen na hun dood herhaaldelijk werden opgevoerd.--Het rom. treurspel, waarvan Livius Andronicus de eerste dichter was, is op weinige uitzonderingen na in vorm en inhoud eene navolging van het grieksche gebleven, sommige Rom. schreven zelfs stukken in het Grieksch.

Traiana (via), een nieuwe weg, door Traianus in 109 n. C. aangelegd, van Beneventum over Aequum Tuticum, Aecae en Canusium naar Brundisium.

Traianopolis, Traïanopolis, 1) latere naam voor Doriscus, in Thracia aan den mond van den Hebrus gelegen.--2) latere naam voor Selinus, zeestad in het W. van Cilicia.

Traianus (M. Ulpius), rom. keizer 98-117 na C., was in 53 na C. te Italica in Hispania geboren. In den parthischen oorlog diende hij onder zijn vader (zie Ulpii no. 1), in 91 werd hij consul en vervolgens werd hij door Nerva (einde 96 of begin 97) tot legatus van Germania Superior benoemd. Kort daarop (herfst v. 97) nam Nerva hem tot zoon en troonsopvolger aan. Toen Nerva stierf (Jan. 98), was Traianus in Germania; hij bleef daar tot 99, en kwam toen naar Rome. Ofschoon in het leger opgegroeid, was Traianus een uitstekend vorst. In 101 trok hij te velde tegen de Daciërs, die hij in 102 tot vrede dwong; koning Decebalus schond echter zijn woord, zoodat in 105 de strijd opnieuw ontbrandde, om in 107 met de onderwerping van Dacia en den zelfmoord van Decebalus te eindigen. Deze oorlog werd vereeuwigd door het beeldwerk aan de columna Traiani (z. a.) te Rome. In 114 trok Trai. te velde tegen de Parthen, veroverde Armenia en Mesopotamia in 115 en 116, nam de stad Ctesiphon in en zakte met een vloot den Tigris af tot aan den mond. Ziekte noopte hem tot den terugtocht; hij droeg het opperbevel over aan den landvoogd van Syria, Hadrianus (z. a.) en overleed in 117 in Cilicia, te Selinus, welke stad ter gedachtenis hieraan den naam ontving van Traianopolis. Behalve veldheer, was Trai. ook een voortreffelijk regent. Aan alles wijdde hij zijn aandacht, de briefwisseling met Plinius minor, stadhouder van Bithynia, levert er bewijzen van. Alom liet hij wegen, kanalen, havens, waterleidingen aanleggen. Ook aan de opvoeding van arme knapen liet hij zich gelegen liggen. Hij ondersteunde kunstenaars en geleerden en beschreef zelf den dacischen oorlog. Te Rome legde hij het prachtige forum Traiani aan met de basilica Ulpia. Bij het volk was hij zeer bemind, zoodat het hem den eernaam optimus gaf. Later werd het wel als welkomstgroet bij de intrede van een nieuwe keizer gebezigd: "Wees nog gelukkiger dan Augustus en nog beter dan Traianus!"

Traiectum, later met de bijvoeging ad Rhenum, stad der Batavieren, thans Utrecht.

Trais, Traeis, kustrivier in het land der Brutii, waaraan in ± 440 Sybaris nova gesticht werd.

Tralles, Tralli, volksstam in Illyria.

Tralles, Tralleis, vroeger Anthea, Antheia, geheeten, bloeiende koopstad in het N. van Caria, op eene hoogte aan den voet van den Messogis ten N. van den Maeander gelegen, met een nog hooger gelegen burcht. Het riviertje Thebais stroomde er door, de Eudon er langs. In den tempel der Nice of Victoria stond een standbeeld van Iulius Caesar. Onder de regeering van Augustus en Tiberius werd Tralles bij herhaling door aardbevingen geteisterd.

Transvectio equitum, plechtige optocht der romeinsche equites in feestgewaad (de trabea) van den tempel van Mars of Honos naar den Castortempel en daarna naar het Capitool, op 15 Juli. Hieraan namen alleen de equites equo publico deel. In den keizertijd had de transvectio steeds met veel luister plaats.

Trapezites, z. argentarius.

Trapezus, gen. -untis, Trapezous, 1) stad in het Z. van Arcadia aan den Alpheus.--2) stad aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee) in het O. van Pontus, thans Trebisonde, kolonie van Sinope. Door de Rom., waarschijnlijk door Pompeius, tot een vrije stad verklaard, door Traianus en Hadrianus begunstigd, bereikte het een hoogen bloei.

Trasimen(n)us of Trasumen(n)us lacus, thans meer van Perugia, in het O. van Etruria, tusschen de steden Cortona, Clusium en Perusia. In de engte tusschen dit meer en de cortonensische bergen sneuvelde de consul C. Flaminius in 217 tegen Hannibal.

Traulantii, volksstam in Illyria, ten O. van Dyrrachium en Apollonia.

Trausi, Trausoi, thracisch volk in het O. gedeelte van het Rhodopegebergte.

Treba, stadje in Latium in het oude gebied der Aequi nabij de grenzen der Marsi.

Trebatius Testa (C.), jurist en schrijver van rechtsgeleerde werken ten tijde van Augustus, bij wien hij in hooge achting stond. Als jongmensch reeds had hij zich mogen verheugen in de welwillendheid van Cicero en de gunst van Caesar. Later behoorde hij ook onder de vrienden van Horatius.

Trebellii. 1) L. Trebellius, volkstribuun, verzette zich in 67 vruchteloos tegen de lex Gabinia.--2) L. Trebellius, volkstribuun in 47, bestreed aanhoudend de voorstellen van zijn ambtgenoot P. Cornelius Dolabella, en werd later tot aediel verkozen door de hulp der optimaten, die Caesar wegens zijne bescherming van Dolabella wilde ergeren. Na Caesars dood ging hij tot Antonius over.--3) M. Trebellius, streed in 36 na C. tamelijk voorspoedig in Azië.--4) L. Trebellius Maximus, onder Nero consul, later stadhouder van Britannia, maakte zich door zijne hebzucht zóó gehaat, dat hij de vlucht moest nemen.--5) Trebellius Pollio, een van de schrijvers der historiae Augustae, levensbeschrijver van de beide Valeriani, de beide Gallieni, de 30 tyrannen, Claudius II. Hij leefde onder Diocletianus en Constantius Chlorus.

Trebia, Trebias, zuidelijke bijrivier van den Padus (Po), waarmede hij zich bij Placentia vereenigt. Aan deze rivier behaalde Hannibal in 218 de overwinning op den rom. consul Tib. Sempronius Longus.

Trebianus, vriend van Cicero en aanhanger van Pompeius, in 45 door Caesar weder in genade aangenomen.

Trebonia (lex) van den volkstribuun L. Trebonius in 448, tot afschaffing der coöptatie, die er plaats had, wanneer de verkiezing van volkstribunen niet in één dag afliep. Bij de coöptatie n.l. kwamen wel eens misbruiken voor, daar de patriciërs gemakkelijker op de coöpteerende tribuni dan op de plebs konden inwerken.

Trebonia (lex) van den volkstribuun C. Trebonius in 55, om aan de beide consuls van dat jaar een stadhouderschap voor den tijd van vijf jaar op te dragen, en wel aan Pompeius over Hispania en aan Crassus over Syria. Tevens werd door diezelfde wet Caesars bewind in Gallia voor vijf jaar verlengd.

Trebonius (C.), in 55 volkstribuun, was de voorsteller der lex Trebonia (z. a.), in 54 was hij legaat van Caesar in Gallia, waar hij tot 49 bleef. In 48 was hij praetor en in 47 werd hij als propraetor naar Baetica gezonden, doch door de Pompejanen verdreven. In 45 werd hij consul suffectus, terwijl Asia hem als provincie werd toegewezen. In 44 was hij heimelijk tot de saamgezworenen tegen Caesar toegetreden. Naar Azië vertrokken, ondersteunde hij Cassius, doch werd in 43 door Dolabella te Smyrna in zijn bed vermoord. Hij was zeer met Cicero bevriend.

Trebula, naam van drie steden, 1) in Campania op de grens van Samnium, ten O. van Cales.--2) Mutusca (Mutuesca) bijgenaamd, in het sabijnsche land aan de via Salaria ten Z. van Reate.--3) Suffenas bijgenaamd, ook bij de Sabijnen, onzeker waar.

Tremellii. 1) Cn. Tremellius Flaccus bracht in 204 het beeld der Magna Mater uit Pessinus in Galatia naar Italië over.--2) Cn. Trem. Scrofa, vriend van Cicero, Atticus en Terentius Varro Reatinus, schreef over landbouw.

Treres, Treres, thracisch volk aan den berg Scomius, later verdwenen.

Trerus, rivier in Latium in het land der Hernici, stroomt bij Fregellae in den Liris uit; tgw. Tolero of Sacco. Misschien is de naam Tolerus juister.

Tresviri of Triumviri, commissiën van drie leden, tot de magistratus minores behoorende (met uitzondering van no. 4 en no. 8). Meerendeels waren het commissiën van tijdelijken aard, wier werkkring genoegzaam blijkt uit hun titel.--1) Tr. agris dandis assignandis, wanneer er ager publicus te verdeelen viel.--2) Tr. capitales of nocturni, sedert het jaar 289. Zij werden oorspronkelijk door den praetor urbanus benoemd, maar na 242, ingevolge eene lex Papiria van den volkstribuun L. Papirius in de comitia tributa gekozen. Zij waren belast met het toezicht op de kerkers en met het voltrekken der strafoefeningen binnen de muren daarvan; ook oefenden zij politietoezicht uit en konden aan slaven en vreemdelingen politiestraffen opleggen, zelfs laten geeselen, hetgeen dan plaats had bij de columna Maenia (z. a.).--3) Tr. coloniae deducendae, zie colonia op het einde.--4) Tr. epulones, niet tot de magistraten behoorende, doch een priestercollege, zie epulones.--5) Tr. locorum publicorum persequendorum, enkele malen benoemd om te onderzoeken, wie zich wederrechtelijk stukken van het staatsdomein hadden toegeëigend.--6) Tr. mensarii, commissarissen der tijdelijke staatsbank, die door de lex Minucia in 216 na den slag bij Cannae werd opgericht, om in de oogenblikkelijke geldcrisis te voorzien. Zie ook onder Quinqueviri.--7) Tr. monetales of IIIviri A. A. A. F. F. (aere argento auro flando feriundo), de muntmeesters, zie Moneta.--8) Tr. rei publicae constituendae, het bekende driemanschap van Octavianus, Antonius en Lepidus, in 43. Door eene lex Titia van den volkstribuun P. Titius kregen zij den bovengemelden titel voor den tijd van ongeveer vijf jaar (27 Nov. 43-31 Dec. 38), welke termijn in 38 met nog vijf jaar verlengd werd. Hunne macht was zoo goed als onbeperkt; o.a. ontleenden zij aan de lex Titia het recht om de magistraten te benoemen; het was eene driehoofdige dictatuur. Het driemanschap van Caesar, Pompeius en Crassus was nooit door eene wet bekrachtigd en was dus geen eigenlijk triumviraat.

Tretus, Tretos, berg en pas, waardoor de wegen van Argos naar Cleonae en van Mycenae naar Nemea liepen, aldus genoemd naar de vele holen en spelonken. Hier zou de nemeïsche leeuw zich hebben opgehouden.

Treveri, -iri, machtig en dapper volk in Belgica, met de hoofdstad Augusta Trevirorum (Trier) aan de Mosella (Moezel). Zij hadden eene voortreffelijke ruiterij. Met de Rom. waren zij trouw verbonden, met de Germanen waren zij meest in oorlog. Het waren Kelten, maar zij beweerden van de Germanen af te stammen.

Triakas, 1) de dertigste dag na eene begrafenis, waarop de rouw ophield, werd met een offer en maaltijd gevierd.--2) oude naam voor een atheensch geslacht, hetzij omdat 30 geslachten eene phratria vormden, of v. s. omdat een geslacht gemiddeld 30 personen bevatte.--3) afdeeling der Spartaansche burgerij, waarschijnlijk gevormd uit twee tafelgezelschappen (z. syssitia).

Triakonta. Toen Athene zich na afloop van den peloponnesischen oorlog aan Lysander had moeten overgeven, werd in eene volksvergadering door Theramenes het voorstel gedaan, 30 mannen te kiezen, die de wetten zouden herzien en in overeenstemming met de tijdsomstandigheden zouden wijzigen. Het volk, dat in den laatsten tijd de hevigste voorstanders der democratie, bijv. Cleophon, door allerlei kunstgrepen had zien uit den weg ruimen, durfde zich, nu Lysander nog met zijn leger en vloot aanwezig was, niet tegen dit voorstel verklaren, en verkoos 30 mannen van bekende oligarchische gezindheid. Hoewel met een bepaalde opdracht gekozen, schijnen de 30 nooit gepoogd te hebben zich daarvan te kwijten, maar maakten zij van de macht, die hun gegeven was, zulk een misbruik, dat de acht maanden van hunne regeering lang als de verschrikkelijkste tijd in de geschiedenis van Athene genoemd werd. In het eerst hielden zij, naar het heette, eene zuivering onder de burgerij, en lieten zij erkende sycophanten en andere dergelijke algemeen gehate personen door den raad, dien zij evenals de overheidsambten met hunne handlangers bezetten, ter dood veroordeelen, maar steunende op eene spartaansche bezetting, op spartaansch geld, en vooral op den invloed van Lysander, gingen zij weldra op dien weg verder en meenden zij zich alles te kunnen veroorloven. Slechts aan 3000 burgers (hoi en to katalogo), en aan deze nog slechts in schijn, werd eenig aandeel aan de staatszaken gegund, de overige werden ontwapend, onderwijs in welsprekendheid en wijsbegeerte werd onder streng toezicht gesteld, de kostbare werven werden voor 3 talenten als afbraak verkocht, enz. Doodvonnissen, verbanningen, verbeurdverklaring van goederen waren aan de orde van den dag; in het geheel werden, naar verhaald wordt, 13-1500 personen ter dood gebracht en meer dan 5000 verbannen. En niet alleen politieke tegenstanders werden getroffen, maar om zich geld te verschaffen, ten einde de spartaansche bezetting te kunnen betalen, lieten zij velen ombrengen alleen om zich hunne bezittingen toe te eigenen; zoo besloten zij eens, onder voorwendsel dat er onder metoikoi een oproerige geest heerschte, 30 (v. a. 10) van hen te dooden en hunne goederen verbeurd te verklaren. Wel verzetten zich sommige meer gematigden onder hen, vooral Theramenes, tegen deze geweldadigheden, maar de tegenpartij, onder welke Critias de voornaamste was, behield de overhand; en toen de oppositie van Theramenes gevaarlijk begon te worden, werd hij op wederrechtelijke wijze als verrader ter dood veroordeeld. Doch wat hij voorspeld had gebeurde: de ballingen vereenigden zich en onder leiding van Thrasybulus bezette een zeventigtal van hen eerst het fort Phyle, en nadat zij de troepen van de 30, die hen trachtten te verjagen, teruggeslagen hadden, nam hun aantal met den dag toe, en weldra konden zij zich van den Piraeus meester maken. Toen zij nu ook in een slag bij Munychia, waarin o. a. Critias sneuvelde, overwinnaars gebleven waren, trokken de 30 zich naar Eleusis terug, waarvan zij zich kort te voren verzekerd hadden door de geheele weerbare bevolking met list gevangen te nemen en ter dood te laten brengen. Daar wachtten zij vooreerst den loop der gebeurtenissen af, maar toen kort daarna, in weerwil van Lysanders tusschenkomst, door toedoen van Pausanias (no. 2) de democratie hersteld was, en men in de stad vernam dat zij te Eleusis een leger van huurlingen op de been trachtten te brengen, trok de geheele bevolking van Athene tegen hen te velde, en nog voor het tot een gevecht kwam, vielen de meesten van de 30 in handen hunner vijanden en werden gedood.

Triarii of pilani, zie de artikels centuria, cohors, hastati en legio.

Triarius (C.), legaat van L. Licinius Lucullus in den mithradatischen oorlog, behaalde eerst overwinningen op den koning, maar werd in 67 bij Zela door hem geheel verslagen.

Triballi, Triballoi, machtige thracische stam in Moesia inferior, naburen van de Treres. Zie Abdera.

Triboc(c)i, -es, germaansch volk op den linker Rijnoever, omstreeks Argentoratum (Straatsburg).

Tribon, een korte mantel van grove stof, oorspronkelijk door de Spartanen gedragen, maar ook in andere staten door hen, die spartaansche zeden en kleederdracht wilden nabootsen; in latere tijden was tr. als een uiterlijk kenmerk van armoede en eenvoud de gewone kleeding van stoicijnen en cynici en van hen, die daarvoor wilden gehouden worden.

Tribunal, eene verhevenheid van hout of steen, desnoods van aarde of zoden, waarop de praetor zat, wanneer hij zitting hield om zijne ambtsbezigheden uit te oefenen. Tot het ius dicere was het niet bepaald noodig, dat hij op zijne sella curulis op het tribunal had plaats genomen: hij kon, als hij iemand wilde gerieven, dat evengoed onderweg of van den beganen grond (de plano) doen. Te Rome stonden vaste tribunalia op het forum, eerst één, later meer, toen er onder verschillende praetoren verschillende zaken tegelijk konden worden behandeld. Deze tribunalia stonden in de open lucht, de iudices zaten op subsellia op den vlakken grond. Toen men echter de rechtszaken naar de basilicae overbracht, maakte men eene ruimere verhevendheid aan het einde der zaal, waarop de rechters zaten; misschien echter zat de praetor dan toch nog iets hooger.

Tribuni aerarii of Curatores tribuum. Aan het hoofd van elke tribus stonden tien in Rome wonende bestuurders, die door de censoren voor een lustrum benoemd werden. Zij hadden elk eene lijst van de tot hunne tribus behoorende burgers, van welke lijst een tweede exemplaar in het aerarium berustte. Tot ± 250 inden zij het tributum (z. a.), en betaalden de soldij uit (vandaar hun naam, van aes afgeleid); na dien tijd kwam die functie aan de quaestoren. Ook indien zij het aes equestre en het aes hordearium, dat door de orbi et orbae (z. a.) werd opgebracht. Door de lex Aurelia iudiciaria van 70 kregen zij met senatoren en ridders aandeel aan de iudicia.

Tribuni militum. Aan het hoofd van elk legioen stonden zes krijgstribunen. A en B kommandeerden het legioen twee maanden lang afwisselend om den anderen dag; daarna ging het bevel voor twee maanden op C en D over, dan op E en F, waarna A en B weder aan de beurt kwamen. In den bloeitijd der republiek bestond een consulair leger uit twee legioenen rom. burgers, behalve de socii. Wanneer dus de consuls hunne legers wierven, waren er 24 krijgstribunen noodig. Tien hunner moesten tien dienstjaren tellen en werden seniores genoemd; de 14 andere moesten vijf dienstjaren hebben en werden iuniores geheeten. Het eerste en het derde legioen telden elk 2 seniores en 4 iuniores, het tweede en het vierde elk 3 seniores en 3 iuniores. Eerst kozen de veldheeren zelven hunne tribunen, doch in 366 vindt men voor het eerst 6 van de 24 door het volk gekozen, en in 311 bepaalde de lex Atilia Marcia (z. a.), dat er seni deni, dus 16 van de 24 door het volk moesten gekozen worden. Nog vóór den 2den Punischen oorlog werd dit getal op 24 gebracht. In 171, bij het uitbreken van den oorlog met Perseus, liet het volk de keus geheel aan de consuls over, en dit kan wel meer gebeurd zijn. De door de consuls gekozen heetten rufuli, de andere a populo. De tribunen waren belast met de werving, waartoe de dienstplichtigen tribusgewijze werden opgeroepen; het lot bepaalde, welke tribus het eerst aan de beurt kwam. De dienstplichtigen werden vier aan vier opgeroepen. Uit het eerste viertal hadden de tribunen van het eerste legioen de eerste keus, uit het tweede die van het tweede legioen, enz. De hervormingen van Marius gaven een geheel anderen loop aan de zaken, daar van dien tijd af uit de proletariërs vrijwilligers in massa toestroomden. De Grieken vertalen tribunus militum door chiliarchos.

Tribuni militum consulari potestate. Toen in 449 de eene lex Canuleia (z. a.) doorging, werd het andere wetsvoorstel, dat n.l. één der consuls uit de plebs zou mogen gekozen worden, terzijde geschoven door bij wijze van proefneming het consulaat te schorsen. Daar het krijgstribunaat zoowel voor plebejers als voor patriciërs toegankelijk was, besloot men zulke tribunen te kiezen, die dan met consulaire macht zouden worden bekleed. Voor het jaar 444 werden er nu 3 gekozen, allen patriciërs, die evenwel, als zijnde vitio creati, hun ambt moesten nederleggen. Toen liet de senaat weder consuls kiezen, evenals de volgende vijf jaren. Dit geheele verhaal is verzonnen; vast staat alleen, dat in 438 de eerste 3 consulairtribunen in de Fasti consulares (z. a.) voorkomen. De vele oorlogen en de uitbreiding van den staat maakten waarschijnlijk nu en dan een vergrooting van het aantal ambtenaren noodig. Van 437 tot 435 vindt men consuls, van 434 tot 432 tribunen en zoo gaat het afwisselend voort, totdat er van 391 tot 367 (het jaar der lex Licinia Sextia de consulatu, z. a.) geen consuls meer gekozen werden. Van 426 af vindt men 4 consulairtribunen, van 405 af 6, in 381-379 telkens 8, dan weder 6 en een enkele maal 5. Vóór 400 werd geen enkele plebejer gekozen, en uit enkel plebejers hebben de consulairtribunen nooit bestaan. Met de aanneming der licinisch-sextische wet verviel de reden van hun bestaan. De consulairtribunen hadden den werkkring der consuls, doch voor het houden van den census werd in 445 een afzonderlijk ambt, de censuur, ingesteld.

Tribuni plebis, demarchoi, volgens de overlevering in 494 na de secessio plebis als auxilium voor de plebs ingesteld, sacrosancti en alleen uit de plebs verkiesbaar. Waarschijnlijk zijn voor het eerst 4 tribunen gekozen in het jaar 471 (v. a. 466) volgens de lex Publilia, door de 4 stedelijke tribus. In 457, toen waarschijnlijk de landelijke bevolking vrij gemaakt werd, en er 16 (17) landelijke tribus bij kwamen, werd het getal op 10 gebracht. Liep de verkiezing niet in één dag af, dan vulden de gekozenen hun getal door coöptatie verder aan, totdat de lex Trebonia (z. a.) dit verbood. In den beginne hadden zij geen toegang tot den senaat, totdat de lex Atinia, van ± 102, hen in den senaat opnam. Op hunne onschendbaarheid steunende, ontzagen de volkstribunen zich dikwijls niet, geweldige maatregelen te nemen wanneer de aristocratie van geen toegeven wilde weten. Er zijn voorbeelden, dat zij volksvergaderingen en verkiezingen beletten, dat zij de lichting van troepen verhinderden, enz., maar ook dat zij na afloop van hun ambtsjaar door de plebs zelve tot geldboete veroordeeld werden. De tribuni plebis vervolgden vergrijpen tegen hun persoon of tegen de plebs. Daar zij aan de provocatie onderworpen waren, werden, sedert de leges XII tabularum, bij een halszaak voor hen door tusschenkomst van een magistratus cum imperio de comitia centuriata bijeengeroepen. Vóór dien tijd brachten zij, volgens de overlevering, halszaken voor het concilium plebis. Sedert de lex Hortensia (287) werden de tribunen competent voor politieke misdrijven, waarvoor vroeger II viri perduellionis benoemd werden. Auspiciën hadden zij in den beginne niet, later echter kregen zij het ius de caelo servandi, maar werden daarmede ook onderworpen aan obnuntiatio (zie servare de caelo). De hulp van een volkstribuun inroepen, heette tribunum appellare; hunne woningen moesten daarvoor dag en nacht openstaan en zij zelven mochten geen etmaal buiten Rome doorbrengen, evenwel vindt men eene enkele keer volkstribunen in een rom. leger. Terwijl uit het ius auxilii zich de intercessio of ongeroepen tusschenkomst ontwikkeld had, ontnam Sulla door zijne lex Cornelia tribunicia (z. a.) hun de bevoegdheid tot intercessie alsmede het recht om wetten zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat voor te stellen, terwijl volgens die wet het bekleeden van het volkstribunaat iemand voor goed van alle verdere ambten uitsloot. Deze laatste bepaling werd reeds in 75 door de lex Aurelia tribunicia opgeheven, terwijl Pompeius, die de volkstribunen tot bereiking zijner oogmerken noodig had, hun in 70 door zijne lex Pompeia het ius legum ferendarum teruggaf. De tribuni plebis aanvaardden hun ambt op den 10den December.--Van de keizers gaf reeds Augustus het voorbeeld, dat hij zich met de tribunicia potestas liet bekleeden. Het volkstribunaat overleefde zich zelf en bestond nog na Constantijn den Gr., natuurlijk zonder macht tegenover den keizer. De volkstribunen hadden geene insignia; hunne boden heetten viatores.

Tribuni vigilum. Over elke der zeven door Augustus ingestelde cohortes vigilum (nachtwacht en brandweer) stond een tribunus, over alle zeven een praefectus.

Tribunus celerum, bevelhebber van het rom. ruiterkorps (zie celeres), waarvan de instelling op naam van Romulus is geboekt.

Tribus. Evenals phyle bij de Atheners, heeft ook tribus bij de Rom. eene dubbele beteekenis. Vooreerst wordt het woord gebezigd van de drie stamtribus, waaruit de rom. staat schijnt ontstaan te zijn: Tities of Titienses (deze worden altijd voorop genoemd), Ramnes of Ramnenses, Luceres of Lucerenses. Zie echter Tities. Na de indeeling van het rom. gebied door Servius Tullius in tribus en regiones krijgt het woord eene plaatselijke beteekenis. De namen der vier tribus urbanae (binnen Rome's muren) waren: Suburana, Esquilina, Collina, Palatina. De namen der regiones, bij analogie tribus rusticae geheeten, die volgens de overlevering in 505 bestonden, zijn: Aemilia, Camilia, Cornelia, Fabia, Galeria, Horatia, Lemonia, Menenia, Papiria, Pollia, Pupinia, Romilia, Sergia, Veturia, Voltinia. Het aantal regiones, 26 onder Servius Tullius, was dus verminderd, men kan aannemen door afstand van grondgebied aan Porsena. Uit de overeenkomst van verschillende namen met nomina gentilicia mag men ook tot samenhang besluiten; zoo zal b.v. in de tribus Aemilia het grondbezit der gens Aemilia hebben gelegen. Allengs kwamen er weder nieuwe tribus bij: in 504 als 20ste de tribus Claudia, sabijnsch, ten N. van den Anio,--in 495 als 21ste de tr. Crustumina, de eerste die een plaatselijken naam droeg naar de oude latijnsche stad Crustumerium,--in 387 in Zuid-Etruria de vier tr. Stellatina om Falerii, Tromentina, Sabatina om Sabate en Arnensis aan het riviertje Aro, dat uit het meer Sabate stroomt en bij Fregenae in zee uitmondt (dit zijn de eerste tribus, waarvan de stichting historisch vaststaat),--in 358 in het volscische land Pomptina rondom Antium en Publilia (Poplilia),--in 332 in Noord-Latium Maecia en Scaptia,--in 318 Falerna (in den ager Falernus in Campania) en Ufentina aan den Ufens in Latium,--in 299 Aniensis, rondom Tibur en Praeneste, en Terentina, ook in het aequisch gebied, in 241 Velina in het sabijnsche land om Reate, en als 35ste Quirina om Cures, v. s. echter zonder afgebakende grens, als algemeene tribus met het oog op latere inlijvingen. Bij deze 35 is het gebleven. Toen na den marsischen oorlog Italia het burgerrecht kreeg, werden de nieuwe burgers oorspronkelijk bij 8 der bestaande tribus ingedeeld. Zoo behoorden de steden Hadria, Neapolis en Brundisium tot de tribus Maecia, die haren naam droeg naar het vlek Maecium bij Lanuvium. Reeds in 87 (z. Corneliae leges van L. Cornelius Cinna) werden echter de nieuwe burgers over alle tribus verdeeld. De tribus rusticae stonden meer in eere dan de urbanae; vrijgelatenen werden dan ook gewoonlijk alleen in de laatste ingeschreven. Om stemrecht te hebben moest men in eene tribus ingeschreven zijn (zie aerarii), ook om eene tessera frumentaria te bekomen (zie annona).

Tributum, 1) de belasting, volgens het belastbaar vermogen (ex censu) door rom. burgers te betalen, wanneer de staat geld noodig had, b.v. tot het voeren van een oorlog, en die teruggegeven werd, wanneer de middelen daartoe aanwezig waren, b.v. uit de oorlogsschatting van overwonnen vijanden. Deze belasting werd oorspronkelijk slechts geheven van res mancipi (z. a.), totdat Appius Claudius (Claudii no. 5) als censor het geheele vermogen tot grondslag voor de belasting aannam. Het tributum simplex was 1 per mille, duplex 2 p. m.; het hoogst bekende is triplex. Sedert de verovering van Macedonia in 167 werd het tributum tijdens de republiek niet meer uitgeschreven; slechts éénmaal komt het vóór, tijdens het consulaat van Hirtius en Pausa, in 43. Een paar malen wordt er, in tijden van grooten nood, van een tributum temerarium gesproken, waarbij ieder inbrengt, wat hij te missen heeft.--2) de directe belasting in de provinciën Asia (van de lex Sempronia tot Caesar) en Sicilia, een soort grondbelasting, tributum soli of agri. Ook het stipendium der andere provincies wordt wel eens tributum genoemd.

Tricaranum, Trikaranon, drietoppige berg met kasteel op de grenzen van Argolis en Phliasia, een twistappel tusschen beide staten.

Tricasses, volk in Gallia Transalpina aan de Sequana (Seine) en den Matrona (Marne) met de stad Augustobona (Troyes).

Tricastini, volk in Gallia Narbonensis aan den Isara (Isère). Stad: Augusta Tricastinorum.

Tricca, Trikka, stadje in het thessalische gewest Hestiaeotis, met een zeer beroemden tempel van Asclepius, aan den voet van den Pindus. Thans Trikkala.

Trichonium, Trichonion, vlek in Aetolia ten Z. van het meer Trichonis, Trichonis limne.

Tricesima, zie Castra.

Tricipitinus, familien. in de gens Lucretia (Lucretii no. 1-3).

medius lectus. +-------------+-------------+-------------+ | imus locus | medius | summus | |(consularis).| locus. | locus. | | | | (Servilius | | (Maecenas). | (Vibidius). | Balatro). | | | | | +-------------+-------------+-------------+-------------+-------------+ |summus. | 1 2 3 | | |(Nomentanus, | +-----------------------------+ | imus. | s i |anders | 7 | | 6 | | u m |de gastheer).| | | | (Varius). | m u | | | | | | m s +-------------+ | | +-------------+ u | medius. | | | | medius. | s l | | 8 | | 5 | | e |(Nasidienus).| | Mensa. | | (Viscus | l c | | | | | Thurinus). | e t +-------------+ | | +-------------+ c u | imus. | | | | summus. | t s | | | | | | u . | (Porcius). | 9 | | 4 | (Fundanius).| s | | | | | | . +-------------+ +-----------------------------+ +-------------+

Triclinium.

Triclinium, eene tafel om te eten, met drie aanligsofa's, ook wel het eetvertrek zelf. Op elke sofa behoorden, althans wanneer men gasten had, niet meer dan drie personen aan te liggen. De dischgenooten lagen met den linkerarm op kussens gesteund. De drie sofa's of lecti werden summus, medius en imus geheeten, terwijl men ook op iederen lectus een locus summus, medius en imus onderscheidde. Aan de linkerzijde (het boveneind) van elken lectus was somtijds eene leuning om dáár het afschuiven der kussens te voorkomen. De eereplaats was het benedeneinde (locus imus) van den lectus medius, deze plaats werd ook locus consularis geheeten. Op de beide andere lecti was de locus summus de eerste plaats. De plaats van den gastheer was de locus summus op den lectus imus, in de onmiddellijke nabijheid van den voornaamsten gast. De cijfers op nevenstaande teekening wijzen de volgorde der plaatsen aan; tevens is de plaatsing der gasten bij den maaltijd van Nasidienus aangegeven (Hor. Sat. II 8), waarbij Nomentanus op verzoek van den gastheer diens plaats heeft ingenomen. Of de lecti nu evenwel juist zoo geplaatst waren, is eene andere vraag, daar de dischgenooten in de schuinte aanlagen. Te Pompeii heeft men afbeeldingen en gemetselde onderstellen gevonden, waardoor de volgende plaatsing aangewezen wordt. Het in gebruik komen van ronde tafels voerde tot den doorloopenden lectus, in den vorm van een hoefijzer, sigma geheeten (z. a.).

+===================+ +=========-+ | | | | | Medius. | | | | | | | +===================+ | | | Summus. | +=======+ +========+ | | | | | | | | | | | Mensa. | | | | | | | | | | Imus. | +========+ +=========-+ | | | | | | +=======+

Triclinium.

Tricorii, volksstam in Gallia Narbonensis aan den voet der Alpen.

Tricostus, familienaam in de gens Verginia (Verginii no. 1-4).

Tridentum, tgw. Trente, aan den Athesis (Adige, Etsch), oorspronkelijk een raetische stad, kwam later aan de keltische Cenomani. De bevolking is raetisch gebleven. In 24 werd het door de Romeinen bezet. De bewoners der omstreken heeten Tridentini.

Triens, als munt en als gewicht = 4 unciae = 1/3 as.

Trierarchia, trierarchia, de kostbaarste van alle liturgieën, was de verplichting om een door den staat aangewezen oorlogsschip van tuig te voorzien, een jaar lang te onderhouden en de bemanning te werven. De triërarch voerde gewoonlijk het bevel over het door hem uitgeruste schip en moest ook zorgen voor de uitbetaling der soldij en de verdeeling der levensmiddelen, die door den staat verstrekt werden. De kosten beliepen soms een talent. Zie verder symmoriai.

Trieteris, trieteris, de helft eener pentaëteris, het vierde deel eener ennaëteris.

Trifanum, vlek in de buurt van Sinuessa, waar in 340 de tegen Rome verbonden Latijnen door den consul T. Manlius Torquatus Imperiosus (Manlii no. 10) verslagen werden.

Trifolinus ager, vruchtbare landstreek in Campania, rijk aan wijn.

Triginta tyranni.--1) De 30 tyrannen te Athene, zie triakonta.--2) Naar het voorbeeld van Trebellius Pollio worden de verschillende pretendenten naar de rom. keizerskroon, die onder en na het bewind van den zwakken Gallienus allerwege opdoken, ook met den naam van 30 tyrannen bestempeld. Trebellius Pollio heeft er 32 opgenoemd, waaronder twee vrouwen, Zenobia en Victoria. Verschillende echter kunnen niet eens keizers genoemd worden.

Trilogia, trilogia, z. tetralogia.

Trimerus, Trimetus, het grootste der Diomedeae insulae, z. a.

Trinacria, Trinacris, Trinakria, Trinakris = Sicilia.

Trinobantes, volksstam in Britannia, ten N. van den Theemsmond, die zich vrijwillig aan Caesar onderwierp. Hoofdstad: Camalodunum (Colchester).

Trinundinum of Trinum nundinum, een termijn van drie nundina of weken van 8 dagen, dus 24 dagen (v. a. een tijd, waarin drie nundinae (marktdagen) vallen, dus van 17-23 dagen), die voor het samenroepen der comitia moest in acht genomen worden. Werd de vergadering bijeengeroepen om te stemmen over een wetsvoorstel, dan werd dit wetsvoorstel tegelijkertijd bekend gemaakt (promulgatio rogationis). Zie Caecilia Didia (lex).

Triobolon, z. dikastikon.

Triocala, Triokala, sterke bergvesting in W. Sicilia aan de rivier de Triocala, die ten W. van Heraclea Minoa in zee valt.

Triones (Septem), ook Septentrio, eig. de zeven ploegossen, z. Arctus.

Triopas, Triopas, Triops, koning van Thessalië, die naar Carië verhuisde en daar Cnidus stichtte. Hij liet een heilig woud van Demeter omhakken om op de plaats een paleis te bouwen. Tot straf werd hij door een slang gedood en met de slang als Ophiuchus (z. a.) onder de sterren geplaatst. Hij was de vader van Erysichthon no. 2.

Triopium, Triopion, kaap in Caria op de Chersonesus Cnidia; hier werden wedstrijden gehouden ter eere van Apollo Triopius. Zie Cnidus.

Triphylia, Triphylia, Z. gedeelte van Elis (z. a.).

Tripolis, Tripolis, 1) stadje in Asia aan den Maeander, op de grenzen van Phrygia, Lydia en Caria.--2) stad aan de kust van Pontus aan een gelijknamig riviertje, tusschen Polemonium en Trapezus.--3) stad op de phoenicische kust, gesticht door de drie steden Sidon, Tyrus en Aradus, en eigenlijk bestaande uit drie steden, wel zeer dicht bij, doch niet onmiddellijk aan elkander en elk met haar eigen muren.--4) thessalisch distrikt met de steden Azorus, Pythium en Doliche, in het N. van Perrhaebia.--5) arcadisch distrikt met de steden Callia, Dipoena en Nonacris, in het midden van Arcadia.--6) laconisch distrikt aan de arcadische grenzen.--7) kust van Libya (Afrika) tusschen de beide Syrten, met de steden Leptis, Oea en Sabathra.

Triptolemus, Triptolemos, zoon van Celeüs en Metanira, uitvinder van den ploeg. Uit dankbaarheid voor de goede ontvangst, die zij bij Celeüs genoten had, gaf Demeter, nadat hare plannen met Demophon (z. a. no. 1) mislukt waren, aan Tr. een met draken bespannen wagen en een aantal graankorrels, met opdracht de kennis van den landbouw over de geheele aarde te verbreiden. In de vele gevaren, die deze tocht opleverde (z. Carnabon, Lyncus), genoot hij de bescherming der godin, en toen hij na zijne terugkomst door zijn vader met den dood bedreigd werd, dwong zij dezen van de regeering afstand te doen. Tr. volgde hem op en stelde de Thesmophoria in. Hij had op verscheiden plaatsen altaren en te Eleusis een tempel.--Soms wordt van hem hetzelfde verhaald als van Demophon, of wordt hij een zoon van zekeren Eleusis genoemd.

Tripudium, 1) een godsdienstige wapendans, zooals o. a. de Salii uitvoerden, hetzij met herhaald driemaal stampen of door telkens drie passen voorwaarts en dan weder één of twee achteruit te doen.--2) zie auguria no. 3.

Triquetra (= driehoekig sc. insula) = Sicilia.

Tritaea, Tritaia, eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de arcadische grenzen aan den voet van den Erymanthus.

Tritea, Triteia, Triteai, stad in Phocis aan de locrische grenzen, ten N. van den Cephisus.

Trito, Trito, Tritogeneia, bijnaam van Athena, naar hare geboorteplaats bij het meer Tritonis in Libye of bij de rivier Triton in Boeotië.

Triton, Triton, zoon van Poseidon en Amphitrite of Salacia, die met zijn vader en moeder in een gouden paleis op den bodem der zee woont. In latere verhalen wordt meestal gesproken van een groot aantal Tritons, wezens van monsterachtig voorkomen, met een lichaam dat in een grooten staart uitloopt, groen haar, breeden mond met groote tanden, schubben en kieuwen, enz. Gewoonlijk hebben zij een groote schelp in de handen, die zij als trompet gebruiken (T. canorus); en door welker geluid zij op bevel van Poseidon de onstuimige golven tot bedaren brengen.

Tritonia = Trito.

Tritonis, een van de zoutzeeën in Libye, in de nabijheid van de kleine Syrte.

Tritopatores, drie zeer oude daemonen, die in Attica vereerd werden. Zij worden zonen van Zeus en Persephone genoemd, hunne namen worden zeer verschillend opgegeven. Soms heeten zij de eerste schepselen, soms goden van den wind of goden van het huwelijk en den kinderzegen.

Trittys, het derde gedeelte eener attische phyle, vóór Clisthenes, naar het schijnt, hetzelfde als phratria. Clisthenes verdeelde het grondgebied van Athene in 30 trittyes, 10 in en om de stad, 10 in Paralia en 10 op het land. Iedere phyle bevatte drie trittyes, eene van ieder tiental. Vier naukrariai vormden een trittys.

Triumphus, thriambos. De hoogste eer voor een overwinnend veldheer was, een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Daar hij, op straffe van zijne aanspraken als imperator (z. a.) te verliezen, niet binnen de stad mocht komen, verleende de senaat hem gehoor buiten het pomerium, meest in den tempel van Bellona. Werd het verzoek toegestaan, zoo had de zegetocht ongeveer op deze wijze plaats. Voorop ging eene afdeeling cornicines, daarop volgden priesters en offerknechten met offerdieren met vergulde horens en omkranst, hierachter volgden wagens, lastdieren en dragers met behaalden buit, goud, zilver, kostbaarheden, standbeelden, met borden, waarop de namen der veroverde plaatsen, de gewonnen veldslagen, het getal der gedoode vijanden vermeld waren. Hierna kwamen de gevangenen geboeid, gevangen vorsten met hunne familie in hun volle praal met de kroon op het hoofd en met gouden ketenen gekluisterd, dan de lictoren met omlauwerde fasces, en achter hen de veldheer op zijn zegewagen. Een beeld der overwinning, dat achter op zijn zegewagen stond, hield een gouden krans boven 's veldheer's hoofd. Naast den wagen gingen zijne bloedverwanten en achter den wagen de staf- en hoofdofficieren, terwijl de troepen den trein sloten. Tot de bijzonderheden behoort nog, dat op den zegewagen ook een slaaf stond, die den triumphator gedurig toesprak: Bedenk dat gij een mensch zijt. De stoet trok de stad door en langs de sacra via den weg op naar het Capitool. Op het forum splitste zich de stoet, de gevangenen werden weggevoerd, het leger ging uiteen, de veldheer bracht in den capitolijnschen tempel een plechtig offer aan Jupiter. Op het feestmaal, dat den dag besloot, waren ook de consuls genoodigd, doch dezen verschenen nooit, omdat de etikette dan zou gevorderd hebben, dat zij, daar hun imperium het hoogste was, als hoofdpersonen de eereplaats innamen.--Eene ovatio is eene kleine zegepraal, z. a.

Triumviri, zie tresviri.

Trivia, bijnaam van Hecate of Diana, als godin der driesprongen.

Trivicum, een vlek in Z.-Samnium in het land der Hirpini, aan de via Appia nova.

Troas, Troas, het land van Troje, het N.W. deel van Mysia, aan den Hellespont. Het land was golvend, doorsneden door de uitloopers van het Idagebergte en door de riviertjes Satnioïs, Rhodius, Simoïs, Scamander, Thymbrius. Vóór de kust lag het eiland Tenedos.

Trocmi, een der drie gallische stammen in Galatia en wel in het O., hoofdstad Tavia.

Troesmis, Troismis, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, tgw. Iglitza.

Troezen, Troizen, stad in het Z.O. van Argolis, met eene havenstad Pogon tegenover het eiland Calauria. Oorspronkelijk was de stad waarschijnlijk ionisch, later dorisch. Theseus was hier geboren en opgevoed.

Trogilium, Trogilion, uiterste punt van het voorgebergte Mycale tegenover Samus. Ook een eilandje, dat daarvoor ligt.

Trogilus, Trogilos, baai en haven ten N. van Syracuse.

Troglodytae, Trogodytae, Troglodytai, "holbewoners", zooals men in verschillende streken der aarde aantrof, in den Caucasus, in Lybia en elders. In het bijzonder komen onder dezen naam bewoners der aethiopisch-aegyptische kust aan de Arabische golf voor.

Trogus (Pompeius), uit een gallisch geslacht, dat door Cn. Pompeius Magnus het rom. burgerrecht had verkregen, leefde ten tijde van Augustus en schreef een uitgebreid geschiedkundig werk, waarvan later Justinus (z. a.) onder den titel Historiae Philippicae een uittreksel vervaardigde. Ook moet Trogus over natuur- en dierkunde hebben geschreven.

Troia, Troie, -a, of Ilium, hoofdstad van Troas, door de Grieken tien jaar lang belegerd en eindelijk door list genomen en verwoest (1184). De stad lag in de vlakte tusschen de stroompjes Simoïs en Scamander. Op den burcht Pergamum (ook -mus en -ma) vond men tempels van Pallas Athena en Apollo en andere heiligdommen. Slechts ééne poort is bij name bekend, de Scaeïsche, pylai Skaiai = linkerpoort. Later is door Aeoliërs een nieuw Troje, novum Ilium, neon Ilion, gebouwd. Schliemann en Dörpfeld hebben bij Hissarlik sporen van het oude Troje teruggevonden: van de vele nederzettingen, die opgegraven zijn, is de zesde van onderen, het homerische Troia, de belangrijkste. De muren, die nog gedeeltelijk over zijn, stemmen overeen met die van Tiryns en Mycenae; men vindt er 3 torens, 3 poorten en een uitvalpoortje.--2) stad in het kustland van Epirus tegenover Corcyra, door Helenus gesticht.--3) stad in het land der Veneti, ten N. der Adriatische zee, gesticht door Antenor.

Troiae (ludus of ludicrum), z. Ludus Troiae.

Troilus, Troilos, zoon van Priamus of Apollo en Hecabe, uitmuntende door dapperheid, werd door Achilles gedood.

Trojaansche oorlog, de oorlog, door de Grieken tegen Troje gevoerd om de schaking van Helena door Paris (z. a.) te wreken. Hetzij uit zucht naar roem, hetzij gebonden door een eed (z. Helena), namen de meeste grieksche vorsten aan den krijgstocht deel en brachten zij een leger op de been van 100.000 man, dat in 1186 schepen naar Azië overgebracht werd. Als opperbevelhebber werd Agamemnon verkozen, nevens hem onderscheidden zich Menelaus, de beide Aiaxen, Diomedes, Nestor, Odysseus, maar vooral Achilles, aan de zijde der Trojanen en hun bondgenooten boven allen Hector, verder Aeneas, Sarpedon e. a. Daar telkens groote afdeelingen van het leger op plundertochten uitgezonden moesten worden, om in de behoefte aan levensmiddelen te voorzien, vorderde men met het beleg slechts weinig. In het 10de jaar scheen de overgave der stad nog even ver verwijderd als bij de aankomst der Grieken, zelfs scheen zich de krijgskans ten gunste van de Trojanen te wenden, toen Achilles, door Agamemnon beleedigd (z. Briseis) zich een tijd lang aan den strijd onttrok. Maar toen hij, om den dood van Patroclus te wreken, zich weder onder de strijders mengde, viel Hector reeds denzelfden dag onder zijne handen, en hoewel hijzelf ook kort daarna sneuvelde, was nu het lot der belegerde stad beslist. Eerst werden ingevolge orakelspreuken Neoptolemus en Philoctetes naar het oorlogstooneel gehaald en het Palladium geroofd, en toen ook nu nog geweld niets vermocht, nam men list te baat. Het grieksche leger trok in schijn af, maar liet een groot houten paard, door Epeus vervaardigd, achter, waarin zich Odysseus met een aantal strijders verborgen hielden. Door zekeren Sinon (z. a.) lieten de Trojanen zich, hoewel tegen den raad van velen hunner, overreden het houten paard binnen de muren te halen, des nachts kwamen de Grieken uit het paard te voorschijn en openden de poorten voor het inmiddels teruggekeerde leger, waarop de stad verwoest en de meeste inwoners gedood werden.--De trojaansche oorlog en de lotgevallen der grieksche helden op hun terugtocht naar het vaderland hebben aan Homerus en de cyclici rijke stof voor hunne gedichten geleverd, en zijn daardoor de meest algemeen bekende gebeurtenissen uit het grieksche heldentijdperk geworden.

Tropaeum, tropaion, een zegeteeken, door een leger op het slagveld opgericht, wanneer het de vijanden op de vlucht geslagen had. Door na den slag de oprichting van een tropaeum toe te laten en verlof te vragen om de gesneuvelden van het slagveld te halen en te begraven, erkende men als het ware de nederlaag geleden te hebben. Het tropaeum bestond uit een hoop buitgemaakte wapenen soms aan een boomstam opgehangen, waaraan men vooraf min of meer een menschelijke gedaante gegeven had. In latere tijden waren tropaea in het algemeen gedenkteekenen, ter eere eener overwinning of van een overwinnaar opgericht.

Trophonius, Trophonios, broeder van Agamedes (z. a.). Oorspronkelijk is hij geen heros, maar een orakelgod (v. d. ook Zeus Trophonios geheeten), die evenals Amphiaraus (z. a.) in een onderaardsch hol huist. Hij had een orakel in een hol nabij Lebadea, dat vooral in latere tijden in hoog aanzien stond. Na verscheiden dagen van vasten, reinigingen, enz., werd men des nachts met een honigkoek in de handen in dit hol nedergelaten, en kreeg men daar in den slaap de gevraagde openbaringen.

Tros, Tros, 1) zoon van Erichthonius no. 2 en Astyoche, naar wien de stad Troje genoemd is. Hij was de vader van Ilus, Assaracus en Ganymedes.--2) Trojaan, door Achilles gedood.

Trosmis, Trosmis, = Troesmis.

Trossuli, v. s. een woord van etruscischen oorsprong = equites. Het verdrong voor de ridders in actieven dienst het woord celeres en was ten tijde der Gracchen nog in gebruik. In later tijd beteekent trossulus een fat, een pronker.--Een plaatsje Trossulum komt in Etruria voor, ten Z. van Volsinii.

Trotilum, Trotilon, stadje op Sicilia, ten N. van Syracuse, aan de kust.

Truentum, stad in Picenum aan den mond van den Truentus, de rivier die langs Asculum stroomt. De stad heet ook castrum of castellum Truentinum.

Trutulensis portus, haven op de kust van Britannia, van waar Agricola uitvoer om het eiland rond te varen, ten N. van de Firth of Forth.

Tryphon, Tryphon, 1) veldheer van Alex. Balas, verdedigde de aanspraken op de regeering van diens zoon Antiochus VI tegen Demetrius Nicator. Later liet hij Antiochus vermoorden en besteeg hij zelf den troon (142), wat de Rom., door zijne schitterende geschenken bewogen, oogluikend toelieten. Toen echter Antiochus Sidetes door de Rom. begunstigd werd, moest Tr. vluchten, hij ging naar Armenië, waar hij weldra den dood vond (137). Zijn eigenlijke naam was Diodotus, Tr. werd hij genoemd om zijn weelderig leven.--2) bijnaam van Ptolemaeus IV.--3) aanvoerder in den slavenopstand op Sicilia van 104; zijn eigenlijke naam was Salvius. Na zijn dood werd zijn onderaanvoerder Athenio (z. a.) zijn opvolger.--4) grammaticus in Alexandria, ten tijde van Augustus, schrijver van verscheiden werken over grieksche dialecten.--5) uitgever van de gedichten van Martialis.

Trysa, Trysa, stad in het Z. van Lycië, in het binnenland, in de nabijheid van Myra, met het uit de 4de eeuw stammende Heroon, Heroon, van Gjölbaschi, waarvan het beeldhouwwerk naar Weenen is overgebracht.

Tuba, een metalen blaasinstrument, recht van vorm op de wijze eener bazuin of lange spreektrompet. Zij gaf een dieperen klank dan de gebogen hoorn.

Tubantes, een germaansch volk, bevriend met de Cheruscers, dat zijn naam heeft nagelaten in Twente (= Tubantia) in Overijsel. Ten tijde van Germanicus waren zij naar de streek tusschen Lippe en Ruhr verhuisd en trokken nog verder Z.O.waarts. Zij losten zich op in den bond der Franken.

Tubero, familienaam in de gens Aelia.

Tubertus, familienaam in de gens Postumia.

Tubilustrium, de vijfde of laatste dag der Quinquatrus (z. a.), waarop de tubae der tubicines sacrorum gewijd werden, omdat de tuba aan Minerva geheiligd was. Een ander tubilustrium wordt op 23 Mei vermeld.

Tucca, familienaam in de gens Plotia.

Tuder, oude stad in Umbria, rom. kolonie op een heuvel aan den Tiber.

Tuditanus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 18-21).

Tuisco, god en stamvader der Germanen, uit de aarde geboren.

Tulingi, volksstam in Gallia, naburen der Helvetii.

Tullia, de gemalin van Tarquinius Superbus, de ontaarde dochter van Servius Tullius, die over haars vaders lijk zou gereden zijn. Zie over andere van dezen naam het art. Tullii.

Tulliae (leges) van M. Tullius Cicero, consul in 63. 1) de ambitu, tot verscherping der bestaande strafbepalingen. O. a. verbood deze wet, binnen den termijn van twee jaar voor het dingen naar eenig ambt zwaardvechtersspelen aan het volk te geven, tenzij om aan testamentaire bepalingen te voldoen. De straf na veroordeeling was tienjarige ballingschap.--2) de liberis legationibus, waarbij de duur er van tot een jaar werd beperkt, zie legatio libera.

Tullianum, ondergrondsch kerkergewelf, dat slechts licht en toegang had door eene opening in de zoldering. Zie carcer.

Tullii, een oud geslacht, althans 1) M. Tullius werd onder Tarquinius Superbus met verdrinking gestraft wegens het mededeelen van geheimen.--2) M'. Tullius Longus, consul in 500.--3) M. Tullius Cicero, die dezen bijnaam kreeg wegens het verbouwen en verkoopen van erwten, een man van strenge, ouderwetsche zeden, was de grootvader van den redenaar. Hij stierf in 106, kort na diens geboorte.--4) M. Tullius Cicero, zoon van no. 3, woonde deels te Rome, deels te Arpinum. Hij was een wetenschappelijk man, die zich aan de opvoeding zijner zoons veel liet gelegen liggen.--5) M. Tullius Cicero, zoon van no. 4, werd den 3den Jan. 106 op een landgoedje bij Arpinum geboren. Hij genoot van den dichter Archias (zie Licinii no. 37) onderwijs in de letteren, en later van den rechtsgeleerde Q. Mucius Scaevola (zie Mucii no. 6) in de studie van het recht. Ook de redenaar L. Licinius Crassus (zie Licinii no. 12) had nog een aandeel in de vorming van den jongeling en hield een oog op diens opvoeding, doch overleed, toen Cicero eerst 15 jaar was. In de philosophie volgde Cicero de lessen van den epicurist Phaedrus, vervolgens van den academischen wijsgeer Philo van Larisa, die in 88 naar Rome was gekomen, en van den stoicijn Diodotus, in de welsprekendheid die van den griekschen rhetor Molo (zie Apollonius no. 3). Na ernstige, onverpoosde oefening trad hij in 81 in een civiel proces voor P. Quinctius op en in 80 in eene causa publica voor Sex. Roscius van Ameria (zie Roscii) tegen Sulla's vrijgelatene en gunsteling Chrysogonus. Wegens redenen van gezondheid ondernam hij nu eene reis naar Griekenland, en vertoefde een paar jaren (79-77) te Athene, in Klein-Azië en op Rhodus, en hoorde de lessen van den academicus Antiochus van Ascalon (zie Antiochus no. 21), den epicurist Zeno (z. Zeno no. 5), den rhetor Demetrius Syrus (zie Demetrius no. 10), den stoicijn Posidonius (z. a.) en zijn vroegeren leermeester Molo. Geoefend en hersteld kwam hij te Rome terug en werd in 75 quaestor te Lilybaeum op Sicilia, in welke betrekking hij het bewijs gaf van onkreukbare eerlijkheid en zich ook jegens Rome verdienstelijk maakte door bij de heerschende schaarschte voor ruimen toevoer van koren uit Sicilia te zorgen. In 70 nam hij het proces op zich tegen C. Verres (z. a.), ofschoon deze den steun genoot der machtige Metelli (zie Caecilii no. 19, 20 en 21) en verdedigd werd door den beroemden pleiter en consul designatus Q. Hortensius Hortalus (zie Hortensii no. 3). In 69 was Cicero curulisch aediel, in 66 praetor (repetundarum), in 63 consul. In dien tusschentijd hield hij zijne studiën bij en trad hij bij herhaling als redenaar en pleiter op. Als praetor hield hij de oratio de imperio Cn. Pompei (pro lege Manilia). Als consul gelukte het hem, de samenzwering van Catilina (z. Sergii) te onderdrukken, wiens medeplichtigen hij, als op heeterdaad betrapt (zie o. a. Cornelii no. 48), zonder vorm van proces ter dood liet brengen. De senaat kende hem den eerenaam pater patriae toe, doch in 58 werd hij door den woelzieken volkstribuun P. Clodius Pulcher (zie Claudii no. 17) met eene uitsluitend tegen hem gerichte wet getroffen (zie Clodiae leges no. 5) en moest hij in ballingschap gaan, terwijl zijn huis door het volk werd omvergehaald. De lex Cornelia van den consul P. Corn. Lentulus Spinther riep hem in 57 terug; zijn huis werd op kosten van den staat herbouwd. Vooreerst trok Cicero zich nu van de staatszaken terug; in 52 verdedigde hij T. Annius Milo, beschuldigd wegens den moord van Clodius, doch zonder gunstig gevolg; in 51 werd hij zeer tegen zijn zin als proconsul naar Cilicia gezonden. Bij zijne terugkomst brak juist de strijd uit tusschen Caesar en Pompeius; na lange aarzeling koos Cicero de partij van den laatste. Na den slag bij Pharsalus en Pompeius' dood ontving hij zijdelings van Caesar eene uitnoodiging om terug te keeren en werd met welwillendheid en voorkomendheid ontvangen. Huiselijk leed en droefheid over den ondergang der republiek bogen Cicero ter neder en hij trok zich op zijne landgoederen terug, waar hij in de studie der wijsbegeerte troost zocht. Na Caesars dood evenwel (44) meende hij, dat er een nieuwe dag van vrijheid zou aanbreken en kantte hij zich met hevigheid (in zijne zoogenaamde orationes Philippicae) tegen de willekeurige handelingen van Antonius (no. 4). Toen nu, wat Cicero niet schijnt verwacht te hebben, Octavianus en Antonius de handen ineensloegen en zich met Lepidus tot IIIviri rei publicae constituendae lieten benoemen (43), was ook Cicero's lot beslist, hij werd vogelvrij verklaard; dit bericht ontving hij op zijn landgoed bij Tusculum, hij maakte zich wel op tot de vlucht, doch werd onderweg nabij zijn Formianum door ruiters onder den krijgstribuun Popilius Laenas, dien Cicero vroeger in een proces met goed succes verdedigd had, achterhaald en, toen hij zijn hoofd buiten den draagstoel stak, door den centurio Herennius doorstoken (Dec. 43). Hoofd en hand werden hem afgehouwen en op last van Antonius aan de rostra te Rome genageld. Cicero is tweemaal gehuwd geweest, doch van beide vrouwen gescheiden, van Terentia (zie Terentii no. 8) om geldelijke redenen, van Publilia (zie Publilii no. 4) wegens verschil van leeftijd en aard. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon en eene dochter, die vóór hem stierf en wier dood hij zich sterk aantrok. Cicero is voorzeker de grootste redenaar der Rom. geweest, als staatsman was hij niet zelfstandig genoeg; in voorspoed kinderachtig ijdel, was hij in tegenspoed zwak en terneergeslagen. Hij was de eerste zijner familie, die een curulisch ambt bekleedde, een homo novus. Ofschoon uit eene ridderlijke familie, was hij bij zijn optreden niet rijk, hij verwierf zich echter (steeds door eerlijke middelen) een groot vermogen, zoodat hij niet slechts een prachtig huis te Rome bezat, maar ook verschillende landgoederen, waarvan zijn Tusculanum het meest bekende is. Zijne werken zijn van verschillenden aard: a) redekundige werken: Brutus de claris oratoribus (in 46 uitgegeven), Orator, een beeld van den idealen redenaar (46), de Oratore (55), en een paar kleinere werkjes. Van zijne redevoeringen, omstreeks 120 in getal, is de grootste helft geheel of grootendeels bewaard. b) staatkundige werken zijn de Republica (54), en de Legibus (51). c) zedekundige werken: de Officiis (44), Cato maior de senectute (44), Laelius de amicilia (44). d) wijsgeerige geschriften: Academica, de Fato, de Finibus bonorum et malorum (45), Tusculanae disputationes of quaestiones (44). e) den eeredienst betreffende: de Natura deorum en de Divinatione (44). f) Zijne uitgebreide correspondentie is na zijn dood door zijn vrijgelatene Tiro (z. a.) uitgegeven en vormt de volgende bundels: Epistulae ad diversos of ad familiares (16 b.), ad Atticum, met wien hij tijdens zijn verblijf te Athene eene innige, levenslange vriendschap had gesloten (16 b.), ad Q. fratrem (3 b.), ad M. Brutum (2 b.) en één brief ad Octavium. Veel van hem, ook gedichten en grieksche geschriften, is verloren gegaan.--6) Tullia, de innig geliefde dochter van no. 5, geb. in 76, eerst verloofd met Piso Frugi (zie Calpurnii no. 11), later (50) gehuwd met den lichtmis Dolabella (zie Cornelii no. 38), welk huwelijk in 46 ontbonden werd; ze stierf in 45. Haar vader noemt haar effigies oris, sermonis, animi mei, ook deliciae nostrae. Na den dood van Piso (57) is Tullia ook een tijd lang verloofd geweest met Furius Crassipes.--7) M. Tullius Cicero, zoon van no. 5, veroorzaakte door zijne lichtzinnige leefwijze zijn vader veel zorg en kommer. Aan zijne opvoeding werd de meeste zorg besteed; hij hoorde de beroemdste wijsgeeren en rhetoren. Na den slag bij Philippi (42), waarin hij onder Brutus diende, sloot hij zich bij Sex. Pompeius aan, doch hij verzoende zich later met Octavianus en werd in 30 consul.--8) L. Tullius Cicero, broeder van no. 4 en dus een oom van den redenaar, en zijn zoon, ook L., wijdden zich ook aan de studie van welsprekendheid en wetenschappen.--9) Q. Tullius Cicero, jongere broeder van no. 5, aediel in 65, praetor in 62 en daarna (61-58) propraetor in Asia, diende 54-52 onder Caesar in Gallia als legaat en in 51 in Cilicia onder zijn broeder. In 48 streed hij bij Pharsalus aan de zijde van Pompeius. In 43 vielen hij en zijn zoon als slachtoffers der driemannen. Q. hield zich, evenals zijn beroemde broeder, met litterarische studiën bezig; hij schreef annales en tragoediae. Nog over is een verhandeling de petitione consulatus. De zoon, ook Q., was meer op de hand van Caesar geweest. Op zijn gedrag was veel aan te merken en zijne wispelturigheid was oorzaak, dat hij, zoodra hij zich teleurgesteld zag, van de eene partij naar de andere overliep.--10) Er komen nog verschillende Tullii voor, M. Tullius Decula, consul in 81, L. Tullius, een van Cicero's legaten in Cilicia en een vriend van Atticus, e. a. Over Cicero's vrijgelatene M. Tullius Tiro, zie Tiro.

Tullius (v. a. Iulius) Valentinus, aanvoerder der Treviri in den opstand tegen Domitianus, door de Rom. gevangen genomen en ter dood gebracht.

Tullum, hoofdstad der Leuci, tgw. Toul.

Tullus, familienaam in de gens Volcatia.

Tullus Hostilius, derde koning der Rom. (679-640), breidde door gestadige oorlogen zijn gebied uit (o. a. onderwerping van Alba Longa, na den strijd der Curiatii, later verwoesting der stad en straf van Mettius Fuffetius). Volgens de sage werd hij door den vertoornden Jupiter Elicius, dien hij door bezweringen wilde dwingen, met den bliksem getroffen.

Tumultus, alarm, plotseling oorlogsgevaar door onverhoedschen aanval, een niet vooraf aangekondigde oorlog, akeryktos polemos, ook een plotseling oproer. Milites tumultuarii, in haast bijeengeraapte soldaten, ongeregelde troepen.

Tunes, gen. -etis, Tunis, Tynes, versterkte stad ten W. van Carthago, aan den mond eener thans geheel verdwenen rivier. Door aanslibbing en duinvorming is Tunis thans geheel van de zee afgesloten geraakt.

Tungri, germaansch volk in Belgica, waarschijnlijk ontstaan uit de samensmelting van Eburonen, Aduatucers en andere stammen tusschen Scaldis (Schelde) en Mosa (Maas). Hoofdstad: Aduatuca, later Tungri geheeten (Tongeren in belgisch Limburg), waarschijnlijk verschillend van het Aduatuca, bij Caesar vermeld (z. a.).

Tunica, chiton (z. a.), het onderkleed bij de Rom., een soort van hemd. Men onderscheidde de tunica interior of subucula, het onderhemd, en het indusium of intusium, dat over het andere werd gedragen. De vrouwen droegen om het middel een gordel. Men had dit kleedingstuk in verschillende lengten, met en zonder mouwen, terwijl men bij koud weder er zelfs nog meer dan twee over elkander kon aantrekken, Augustus droeg er soms vier. De mannen in huisgewaad en de arbeiders aan het werk droegen slechts de tunica, geen toga. De senatoren droegen eene tunica met breede purperstreep van voren van den hals tot aan den zoom (latus clavus, tunica laticlavia), de ridders eene met twee smalle strepen (angustus clavus, tunica angusticlavia).

Turdetani, Tourditanoi, voornaam volk in Baetica, aan beide oevers van den Baetis (Guadalquivir), ongeveer van den Singulus (Xenil) tot in het Z. van Lusitania (Portugal). Zij waren zeer beschaafd, hadden geschiedboeken, dichtkunst, beoefenden wetenschappen, enz. Zij waren geen krijgshaftig volk. Voornaamste stad: Hispalis (Sevilla). Zie Tartessus. Ook over de Zuidkust van Lusitania (den Cuneus) zijn ze verbreid. Verder komen er Turdetani voor in de omstreken van Saguntum, die echter door sommige schrijvers Torboleti genoemd worden.

Turduli, Tourdouloi, volk in Baetica, verwant met de Turdetani en oostwaarts van hen wonende. Voornaamste stad: Corduba (Cordova). Zie Tartessus.

Turia, kustrivier in het O. van Tarraconensis, die door het gebied der Edetani liep en bij Valentia in zee viel; thans de Guadalaviar.

Turma, oorspronkelijk een afdeeling van 30 man rom. ruiterij, in 3 decuriën verdeeld en onder 3 decuriones, van wie de eerste de geheele turma kommandeerde; later eene schaar, een escadron ruiterij uit de auxilia, zonder bepaalde getalsterkte.

Turnus, 1) zoon van Daunus en Venilia, kleinzoon van Danaë, koning der Rutuliërs. Lavinia, de dochter van Latinus, was met hem verloofd, en toen nu haar vader hare hand aan Aeneas schonk, trachtte T. zich met geweld van wapenen hierover te wreken. Hij voerde den oorlog met groote dapperheid, maar viel eindelijk in een tweegevecht tegen Aeneas.--2) rom. satirendichter onder en na Nero, die door lateren met lof vermeld wordt.

Turones of -ni, volk in Gallia aan den Liger (Loire), met de hoofdstad Caesarodunum (Tours).

Turpilii. 1) Sex. Turpilius, rom. blijspeldichter, een tijdgenoot van Terentius, die ook grieksche modellen, vooral Menander, volgde. Van 15 zijner stukken zijn fragmenten over. Hij overleed in 103.--2) T. Turpilius Silanus was praefectus fabrum in 108 onder Q. Caecilius Metellus (Numidicus). Bij de verovering van Vaga door Jugurtha was hij de eenige Romein, die gespaard bleef; hij werd daarom later van verraad beticht en ter dood gebracht.

Turpio, zie Ambivius.

Turrigera, Turrita, bijnaam van Rhea Cybele, naar de muurkroon, waarmede zij gewoonlijk afgebeeld wordt.

Turris, 1) ambulatoria, belegeringstoren, zooals de Rom. in den regel bouwden, wanneer zij voor eene stad het beleg hadden geslagen. Zij hadden onderscheiden verdiepingen, inwendig door trappen verbonden, met eene valbrug en met borstweringen, zooals dit beschreven is bij Helepolis. Zij waren op raderen of op rollen en waren dus verplaatsbaar, vandaar de naam.--2) als eigennaam, b.v. Turris Stratonis = Caesarea Palaestinae, Turris Hannibalis op de Oostkust van het carthaagsche gebied.

Tuscia, Tusci = Etruria, Etrusci.

Tusci, villa van Plinius Secundus (minor), zie Tifernum no. 1.

Tusculum, thans Frascati, sterke latijnsche stad, ten O.Z.O. van Rome op een hoogen rug van den mons Algidus gelegen, volgens de mythe door Telegonus, zoon van Ulysses en Circe, gesticht, reeds vroeg (380, v. a. echter eerst 338) rom. municipium. In den omtrek waren tal van buitenplaatsen van rom. grooten, o. a. had Cicero er zijn Tusculanum.

Tuscus (vicus), eene straat te Rome, die van het Velabrum naar het forum Romanum (Zuidzijde) liep.

Tusdra = Thysdrus.

Tutanus Rediculus, zie Rediculus Tutanus Deus.

Tutela. Bij de rom. tutela onderscheidt men de tutela impuberum en de tutela muliebris. De eerste wordt uitgeoefend over kinderen beneden 15 jaar. De voogd had alleen het beheer over het vermogen van den pupil, maar niet krachtens zijne voogdij het bestuur over de opvoeding. Het volledig geldelijk beheer heet gestio en had plaats zoolang de pupil niet ouder dan 7 jaar was, doch dan verkreeg de pupil zelf bevoegdheden, mits onder bekrachtiging (auctoritas) van den voogd. De tutela mulierum was van anderen aard. Daar eene vrouw geene rechtspersoonlijkheid had, had eene, die niet in potestate patris, noch in manu mariti was, een tutor noodig, wiens bekrachtiging (auctoritas) vereischt werd bij handelingen, die in rechten geldig moesten zijn, b.v. vervreemding van res mancipi, het maken van een testament, het aangaan van een huwelijk door confarreatio en coëmptio. De vestaalsche maagden, als zijnde sui iuris, waren vrij van tutela, evenzoo die vrouwen (sedert Augustus), die volgens de lex Iulia et Poppaea het ius liberorum hadden. De voogdij was een recht van den naasten bloedverwant (proximus agnatus), tenzij de overledene bij testament er anders over beschikt had. Daar de agnatenvoogdij voor beide partijen somtijds veel onaangenaams had, verzon men een middel om daaraan te ontkomen. Men kon de voogdij overdoen, b.v. door eene in iure cessio voor den praetor, de nieuwe voogd heette dan tutor cessicius. Doch ook de coëmptio per aes et libram liet zich er op toepassen, de vrouw ging dan door coëmptio in de macht van een ander, een emptor fiduciarius, over, doch niet om te huwen--want de coëmptio op zichzelve zonder nuptiae constitueerde nog geen huwelijk. De emptor had nu de vrouw in mancipio en kon haar vrijlaten en haar haar vermogen in eigen beheer laten. Dit is de coemptio cum extraneo fiduciae causa.--Eene tutela is dativa, wanneer bij testament een voogd is aangewezen, optiva, wanneer de vrouw er zelve een mocht kiezen. Was er geen rechthebbende op de voogdij, dan benoemde de praetor urbanus onder medewerking van de grootste helft der volkstribunen een voogd (tutela Atiliana, zie lex Atilia en lex Iulia Titia).

Tutunus (Mutunus), zie Mutinus Tutunus.

Tyana, ta Tyana, oude, sterke stad in het Z.W. van Cappadocia aan den voet van den Taurus gelegen, aan den weg naar de Ciliciae portae. Het was de geboorteplaats van Apollonius no. 7. Misschien is dit wel dezelfde stad, die elders Dana (z. a.) of Thoana heet.

Tyche, Tyche, of Fortuna, dochter van Oceanus en Tethys of van Zeus en Promethea, godin van toeval en geluk. Zij wordt afgebeeld met verschillende attributen: gewoonlijk heeft zij een muurkroon op het hoofd en een horen van overvloed in de hand, soms heeft zij een roer of een bol in de handen of staat zij op een bol.--In latere tijden werd zij op verschillende plaatsen als beschermster van den staat vereerd.

Tyche, Tyche, een der onderdeelen van de stad Syracusae (z. a.).

Tydeus, Tydeus, zoon van Oeneus en Periboea, moest wegens een moord uit zijn vaderland vluchten. Hij ging naar Argos, waar Adrastus hem van den moord reinigde en hem zijne dochter Deipyle ten huwelijk gaf. Met Adrastus (z. a.) ondernam hij nu den tocht tegen Thebe, waar hij zich door groote dapperheid onderscheidde; eens doodde hij alleen 50 Thebanen, die hem een hinderlaag gelegd hadden, alleen hun aanvoerder Maeon liet hij in leven. Hij werd door Melanippus doodelijk gewond, en toen hij op het punt was te sterven, verscheen Athena om hem met goedvinden van Zeus onsterfelijk te maken. Amphiaraus echter hieuw Melanippus het hoofd af en bracht dit aan T., die het doorsneed en het vleesch of de hersens verslond. Vol afschuw over zoo groote ruwheid wendde Athena zich af en liet hem sterven. Hij werd door Maeon begraven.

Tydides, Tydeides, Diomedes, zoon van Tydeus.

Tyle, Tyle, stad in het N. van Thracia, aan de Z.-zijde van den Haemus.

Tylus, Tylos, eiland in de Arabische golf nabij de arabische kust, met parelvisscherij.

Tympaneae, Tympaneai = Typaneae.

Tymphe, Tymphe, gebergte in het N.O. van Epirus, evenwijdig aan de macedonische grens loopende. Het achterliggende land heette Tymphaia, de bewoners Tymphaioi.

Tymphrestus, Tymphrestos, gebergte op de grenzen van Aetolia en het gebied der Dolopes, met de bronnen van den Spercheus. Het verbindt den Oeta met den Pindus.

Tyndareüs, Tyndareos, -reos, zoon van Perieres en Gorgophone of van Oebalus en Batea, werd door zijn broeder Hippocoon uit Sparta verdreven en vluchtte naar Aetolië, waar koning Thestius hem zijne dochter Leda ten huwelijk gaf, bij wie hij vader werd van Castor, Pollux, Helena, Clytaemnestra e. a. (z. Leda). Hij werd door Heracles op den troon van Sparta hersteld, en toen Castor en Pollux onder de onsterfelijken waren opgenomen, gaf hij de regeering aan zijn schoonzoon Menelaus, of v. a. liet hij zijn rijk uit dankbaarheid aan Heracles.

Tyndarides, Tyndarides, Castor en Pollux, zonen van Tyndareüs.

Tyndaris, Tyndaris, Helena en Clytaemnestra, dochters van Tyndareüs.

Tyndaris of -rium, Tyndaris, Tyndarion, stad op de Noordkust van Sicilia, ten W. van Messana, omstreeks 400 door Grieken gesticht, later gedeeltelijk door de zee verzwolgen.

Typaneae, Typaneai, stad in Elis Triphyliaca, ten N. van Pylus, bij de grens van Arcadia.

Typhoeus, -phon, Typhoeus, -phos, -phon, -phaon, jongste zoon van Tartarus en Gaea, een verschrikkelijk monster met 100 vuurspuwende drakekoppen, fonkelende oogen en geweldige stem, zoo groot, dat hij met het hoofd tot aan de sterren reikt. Bij Echidna (z. a.) was hij de vader van een aantal monsters. Hij deed een aanval op de goden om hun de heerschappij der wereld te ontnemen, en daar zij zich niet tegen hem opgewassen achtten, vluchtten zij naar Aegypte, waar zij zich verborgen hielden of de gedaante van dieren aannamen. Alleen Zeus durfde den strijd aangaan, maar T. overwon hem, sneed hem de pezen van handen en voeten uit, en legde hem daarop in een hol in Cilicië; Hermes en Pan roofden echter de pezen en brachten ze weder in het lichaam van Zeus, waarop deze zich oprichtte, T. met den bliksem (Typhoia tela) verpletterde en in het land der Arimi in Cilicië onder den grond bedolf, of hem tot in Sicilië vervolgde, waar hij eindelijk den Aetna (Typhois Aetna) op hem wierp.

Tyrannio, Tyrannion, 1) eigenlijk Theophrastus, grieksch grammaticus van Amisus, werd door Lucullus als krijgsgevangene uit den mithradatischen oorlog naar Rome gebracht, doch werd later vrijgelaten en verwierf door zijn onderwijs roem en rijkdom. Hij ordende ook de bibliotheek van Apellicon (z. a.), die door Sulla naar Rome was overgebracht.--2) eigenlijk Diocles, een Phoeniciër, leerling van den vorigen. Hij was slaaf geweest van Terentia, de vrouw van Cicero, en stond ook later nog met Cicero in betrekking. Hij maakte vooral veel studie van de werken van Aristoteles, waarover hij verscheiden werken schreef.

Tyras, Tyras, 1) later ook Danastris, riv. van Sarmatia, thans Dniëster.--2) stad aan den mond daarvan, thans Akkierman. Zie Tyritae.

Tyriaeum, Tyriaion, stad in Lycaonia, nabij de phrygische grenzen.

Tyrii, Tyrioi, 1) de inwoners van Tyrus.--2) bij rom. dichters de Carthagers, als van tyrischen oorsprong, zie Dido.

Tyritae, Tyritai, milesische kolonisten aan den mond van den Tyras.

Tyro, Tyro, dochter van Salmoneus en Alcidice, bij Poseidon moeder van Pelias en Neleus (z. Enipeus), bij Cretheus van Aeson, Pheres en Amythaon.

Tyrrheni, Tyrseni, Tyrrenoi, Tyrsenoi, z. Etruria. Op Lemnus en Imbrus komt een volksstam voor, die door de Grieken Tyrseni genoemd werd. Herodotus noemt dezen echter Pelasgi.

Tyrrhenia, Tyrrenia = Etruria. Tyrrhenum mare = mare inferum, de Tyrrheensche of Toscaansche zee.

Tyrrhenus, Tyrrenos, Tyrs., zoon van den lydischen koning Atys, bracht eene pelasgische kolonie uit Lydië naar Italië en gaf zijn naam aan Tyrrhenië (Etrurië); v. a. is hij een zoon van Heracles en Omphale of van Telephus en eene Amazone Hiera.

Tyrrh(e)us, herder van koning Latinus. Ascanius doodde op de jacht een tam hert, dat aan T. behoorde, wat aanleiding gaf tot den oorlog tusschen Aeneas en de Latijnen. In de hut van T. werd Silvius, de zoon van Aeneas en Lavinia geboren.

Tyrtaeus, Tyrtaios, elegisch dichter, die ten tijde van den tweeden messenischen oorlog te Sparta leefde. Hij wordt soms een Spartaan of een Milesiër genoemd, maar volgens het meest bekende, doch weinig geloofwaardige, verhaal was hij een Athener. De Spartanen zouden namelijk van het delphische orakel den raad gekregen hebben, te Athene een aanvoerder tegen de Messeniërs te vragen, waarop de Atheners hun T., een kreupelen schoolmeester, zouden gezonden hebben, die echter door zijne liederen den gezonken moed der Spartanen deed herleven, zoodat de krijgskans spoedig keerde. De gedichten van T. werden langen tijd door de Spartanen en andere Doriërs hoog in eere gehouden, wij bezitten er van nog slechts weinige overblijfsels.

Tyrtamus, Tyrtamos, de oorspronkelijke naam van Theophrastus.

Tyrus, Tyros, de meest vermaarde stad van Phoenicië, overvleugelde hare moederstad Sidon. De stad lag eerst op het vasteland, doch op zekeren tijd bouwden de Tyriërs eene nieuwe stad (in het O. T. Zor genaamd = rotsen) op de vóór de kust liggende eilandjes, die door koning Hiram reeds door een dam onderling verbonden waren. De stad is belegerd door den Assyrischen koning Salmanezer IV (727-723), en toen is Oud-Tyrus, Palaityros, ingenomen. Door Sanherib (705-682) is ook Tyrus zelf ingenomen en schatplichtig geworden. Na den val van Niniveh kwam het in de macht van Nebukadrezar. Het stond toen op met al de naburige staten, en werd 13 jaar (586-573) te vergeefs belegerd. Later kwam het onder Perzische heerschappij, maar bleef nu bloeiend. Ook Palaetyrus bleef als voorstad van Nieuw-Tyrus bestaan. In 387 werd Tyrus door Euagoras no. 1 stormenderhand ingenomen. Alex. de Gr. belegerde Tyrus 7 maanden lang, en wierp een zwaren dam door de engte, die Nieuw-Tyrus van het vasteland scheidde. In 332 nam hij de stad in en beval niemand te sparen behalve hen die in de tempels de wijk hadden genomen; 2000 Tyriërs werden gekruisigd, 30000 werden als slaven verkocht, doch de Sidoniërs wisten nog 15000 aan boord hunner schepen te bergen en te redden. Wel herstelde Tyrus zich gedeeltelijk van den slag en bleven de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken bloeien, ook onder rom. heerschappij, doch het kreeg in Alexandria eene mededingster, die het in de schaduw stelde. De dam, door Alexander aangelegd, is door aanslibbing eene landengte geworden. Van de tyrische volkplantingen is Carthago de beroemdste geworden.

U.

Ubii, germaansch volk, met de Rom. bevriend en bij hunne naburen, de Sueven, gehaat, op den rechter Rijnoever van den Laugona (Lahn) tot beneden het tegenw. Keulen. Octavianus liet hen in 38 door zijn legatus pro praetore M. Vipsanius Agrippa naar den linkeroever overbrengen, waar hun oppidum Ubiorum later (50 n. Chr.) den naam Colonia Agrippina (z. a.) kreeg, waarna zij zelven Agrippinenses werden geheeten. De hun ingeruimde grond behoorde vroeger aan de Treveri.

Udaeus, Oudaios, een van de Sparten, z. Cadmus.

Ufens, riviertje in Latium, dat met den Amasenus vereenigd nabij Tarracina in zee valt en door gebrekkige uitwatering de pomptijnsche moerassen heeft gevormd. De een noemt den Ufens een zijtak van den Amasenus, de ander juist omgekeerd.

Ulixes, Ulysses = Odysseus.

Ulpia Traiana, zie Castra Vetera.

Ulpia Noviomagus, zie Noviomagus no. 4.

Ulpiani. 1) Domitius Ulpianus, uit Tyrus, beroemd jurist ten tijde van keizer Alexander Severus, wiens vriend en raadsman hij was en onder wien hij hooge ambten bekleedde. In 228 n. C. werd hij als praefectus praetorio des nachts in het paleis overvallen en vermoord door de soldaten, die over de strenge tucht ontevreden waren. Van zijne talrijke geschriften (o. a. ad edictum praetoris in 81 boeken, ad edictum aedilium curulium in 2 boeken, en ad Masurium Sabinum, in 51 b.) zijn slechts weinige fragmenten over, doch in de pandecten zijn vele uittreksels overgenomen.--2) Ulpianus van Emesa, schrijver van rhetorische werken en o. a. ook van scholia op Demosthenes, onder Constantijn den Gr.

Ulpii, rom. geslacht uit Italica in Baetica. 1) M. Ulpius Traianus, vader van den keizer, was door adoptie onder de Ulpii gekomen. Hij onderscheidde zich onder Vespasianus als generaal in den joodschen oorlog en later als stadhouder van Syria tegen de Parthen (76 n. C.).--2) M. Ulp. Traianus, rom. keizer 98-117 na C.; zie Traianus.--3) Ulp. Marcellus, bekwaam jurist in het tijdperk der Antonijnen.--4) Ulpius Crinitus, adoptiefvader van Aurelianus.

Ultor, wreker, 1) bijnaam van Jupiter als straffend god.--2) bijnaam van Mars, wien door Octavianus bij Philippi een tempel beloofd werd voor de wraak op de moordenaars van Caesar. Van dezen tempel, die eerst in 2 ingewijd kon worden en aan het Forum Augusti stond, zijn nog eenige zuilen overgebleven.

Ulubrae, onbeduidende plaats in Latium, aan de Pomptinae paludes, slechts bekend door de scherts van Cicero over de menigte kikvorschen, die in den omtrek kwaakten.

Umbilicus. De bladen der boekrollen werden geplakt aan een hollen stok of dunnen houten cylinder, waarom zij bij het wegbergen werden opgerold. Door dezen cylinder liep een andere stok, die aan beide zijden uitstak en daar van knoppen (cornua, umbilici) was voorzien. Aan den knop kon men het handschrift vasthouden bij het lezen.

Umbra. Een genoodigde bij een feest of maaltijd mocht bij de Rom. een ongenooden gast medebrengen, die dan zijne umbra werd genoemd. Een aanzienlijke gast bracht er wel eens twee mede.

Umbria, Ombrike, gewest van Midden-Italia tusschen Cisalpina, Etruria, het sabijnsche land en de Adriatische zee. De Umbrii, Ombrikoi, hadden vroeger ook Etruria bewoond, doch waren door de Etruscers daaruit verdrongen, terwijl later de gallische Senones aan den anderen kant hun land binnendrongen. In 308 werd Umbria door de Rom. onderworpen en na de uitroeiing der Senones in 280 weder met hun gebied vergroot.

Uncia, als munt en gewicht 1/12 as. Ook dikwijls gebruikt voor 1/12 in het algemeen, b.v. heres ex uncia, erfgenaam voor 1/12.

Unelli = Venelli.

Unxia, bijnaam van Juno als huwelijksgodin; de naam heeft betrekking op de gewoonte, om de deurposten van het huis, dat door een jonggehuwd paar betrokken zou worden, te zalven.

Upis, Oupis, 1) bijnaam van Artemis als helpster van barende vrouwen.--2) bijnaam der rhamnusische Nemesis.

Urania, Ourania, 1) muze van de sterrenkunde, gewoonlijk afgebeeld met een hemelbol in de hand.--2) bijnaam van Aphrodite (z. a.).--3) nimf, dochter van Oceanus en Tethys.

Uranidae, Ouranidai, de Titanen, zonen van Uranus.

Uranus, Ouranos, oudste zoon en later echtgenoot van Gaea, werd bij haar vader van de Titanen, Cyclopen en Hecatonchiren. Hij was de eerste beheerscher van het heelal, en daar hij vreesde door zijne kinderen van de heerschappij beroofd te zullen worden, wierp hij de Cyclopen en Hecatonchiren in den Tartarus. Doch Gaea, hierover vertoornd, zette de Titanen tegen hun vader op, en onder leiding van Cronus (z. a.) ontnamen zij hem de heerschappij. Het bloed, dat uit de wonden vloeide, die Cronus zijn vader toebracht, viel deels in zee en verwekte daar het schuim, waaruit Aphrodite geboren werd; uit dat, wat op de aarde viel, ontstonden de Erinyen, Giganten en melische nimfen.

Urbigenus = Verbigenus.

Urbinum, naam van twee umbrische steden. 1) Metaurense, ten N. van den Metaurus in het binnenland gelegen, thans Urbino.--2) Hortense, rom. municipium, ten Z. van Vettona, en in de nabijheid van Mevania.

Urbs Salvia, stad der Pollentini, in het N. van Picenum, zie Pollentia no. 1.

Uria, Ouria, bij Herod. Hyria, oude hoofdstad van Iapygia aan den weg van Brundisium naar Tarentum = Hyria no. 3.

Urium, Ourion, zeestad in het landschap Daunia, in Apulia, ten N. van den Mons Garganus, aan den Sinus Urias, wel te onderscheiden van Uria of Hyria, dat in het binnenland ligt.

Urius, Ourios, bijnaam van Zeus, den schenker van gunstigen wind op zee.

Uscana, versterkte hoofdstad der Penestae in Illyris graeca, aan den bovenloop van de rivier Drilon.

Usipetes, germaansch volk, verbonden met de Tencteri, deelden in de lotgevallen dezer laatsten.

Usipii = Usipetes.

Ustica, 1) kleine heuvel in het sabijnsche, nabij het landgoed van Horatius.--2) = Osteodes, Osteodes, eilandje ten N. van Sicilia.

Usucapio, usus, verkrijging van eigendom (dominium) door verjaard bezit (possessio).--Usucapio pro herede. Eene onbeheerde erfenis werd als gemeen goed beschouwd, waardoor de erfgenamen genoodzaakt waren ze ten spoedigste te aanvaarden; zoolang dit niet was geschied, kon ieder zich zaken er van toeëigenen. Onder de keizers hield dit op.

Utica, Ityke, oude tyrische volkplanting, aan denzelfden inham gelegen als het jongere Carthago. Het was omstreeks 1170 gesticht, het omringende land was zeer vruchtbaar en de nabijzijnde bergen waren rijk aan metalen. Utica bleef tegenover Carthago een onafhankelijke stad, hoewel het natuurlijk den druk der machtige zusterstad niet ontgaan kon. In den tweeden punischen oorlog stond het Carthago bij, doch in den derden koos het beslist partij voor Rome; daarvoor kreeg het een aanzienlijk gedeelte van het carthaagsche gebied en werd het tot hoofdstad der provincie Africa verheven. In de burgeroorlogen koos Utica de zijde van Caesar; Cato (Uticensis), die er het bevel voerde en van geene overgaaf wilde hooren, bracht zich toen om het leven (zie Porcii no. 8). Door Augustus zeer begunstigd, genoot Utica lang een grooten bloei. Later is het verwoest door de Arabieren, doch er zijn nog uitgebreide ruïnen van overgebleven.

Uxellodunum, sterke stad der Cadurci in Aquitania, op eene steile rots, die van drie zijden door den Oltis (Lot) werd omspoeld. Omtrent de juiste ligging is men het niet geheel eens.

Uxentis, eiland aan de W.punt van Gallia, thans Ouessant.

Uxentum of Uzentum, stad der Sallentini in Calabria, geheel in het Z. op den weg naar het promunturium Sallentinum.

Uxii, Ouxioi, een der roofzuchtige stammen in het gebergte, dat Susiane van Persis en Media scheidt. Zij betwistten Alex. den Gr. den doortocht.

Uxor is elke wettig gehuwde rom. vrouw. Om mater familias te wezen, moest de vrouw in manu mariti zijn, anders was zij uxor tantummodo.

V.

Vacalus = Vahalis.

Vacatio munerum, zie Beneficiarius (miles) en Commeatus.

Vacca, Vaga, Ouaga, 1) aanzienlijke handelsstad in de provincie Africa, op de grenzen van Numidia, ten Z.W. van Utica, waarvan het eene goede dagreis verwijderd was. Tijdens den Jugurthijnschen oorlog behoorde het aan Jugurtha, en werd het door Metellus verwoest, later werd het eene rom. kolonie.--2) stad in Byzacene, ten Z.W. van Hadrumetum.

Vaccaei, volk in Hispania Tarraconensis aan den bovenloop van den Durius (Douro) tusschen de Celtiberiërs en de Asturiërs. Zij bebouwden den grond in gemeenschap. Zij waren een dapper volk, waarmede de Carthagers veel last hadden. Hoofdstad: Pallantia.

Vacuna, sabijnsche godin van den landbouw. Men bracht haar offers, wanneer men in het begin van den winter van den arbeid op het veld of uit den oorlog huiswaarts keerde, daardoor kreeg zij de beteekenis van eene godin van rust en verpoozing van den arbeid (litare Vacunae = vacuum esse). Soms wordt zij geïdentificeerd met Ceres, Minerva, Venus, Diana of Bellona, soms ook met Victoria. Zij werd vooral te Reate en Tibur vereerd.

Vada, 1) gen. -ae, sterkte der Batavieren, die op zeer verschillende plaatsen wordt gezocht, aan de Waal bij Wamel of Druten, of bij Wadenoijen in den Tielerwaard. Wageningen is het stellig niet (zooals men weleens gemeend heeft), daar geen Rom. plaatsen ten N. van den Rijn gevonden worden.--2) gen. -orum = wadden, naam van enkele kustplaatsjes, als: Vada Volaterrana op de etruscische kust in het gebied der stad Volaterrae aan de door het riviertje Caecina gevormde moerassen,--Vada Sabatia, op de kust van Liguria, haven of reede der stad Sabata of Savo (Savona).

Vadimonis lacus, een klein rond meer in Etruria nabij den Tiber, een eind boven Horta. Het water was zwavelig en droeg kleine drijvende eilandjes. Het was eene heilige plek, die den Etruscers tot vergaderplaats diende. Bij dit meer werden zij in 309 door den dictator L. Papirius Cursor (Papirii no. 6) en in 283 door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus (Cornelii no. 35) verslagen.

Vadimonium, borgstelling, de belofte om op den bepaalden dag voor den praetor of den rechter te verschijnen, waarbij oorspronkelijk, ten einde preventieve hechtenis te ontgaan, het stellen van een borg werd gevorderd, die bij wegblijven voor een zekere som gelds aansprakelijk bleef. De grootte der borgstelling hing af van den aard van het geding, doch mocht het bedrag van 100000 as niet te boven gaan. Hieraan zijn verschillende uitdrukkingen ontleend: vadimonium sistere, zijn borgtocht gestand doen, verschijnen; vad. deserere, den borgtocht in den steek laten, wegblijven; vad. imponere, borgstelling eischen; vad. concipere, de borgstelling formuleeren; vad. differre, de vervulling der belofte op de lange baan schuiven.

Vaga = Vacca.

Vagienni of Bagienni, ligurisch volk ten Z. der Taurini, met de hoofdstad Augusta Vagiennorum (Bagiennorum).

Vahalis, de tegenw. rivier de Waal.

Valens (Flavius), rom. keizer in het O., 364-378 na C. Na den dood van Iovianus in 364 werd Flavius Valentinianus I, zoon van zekeren Gratianus, een Pannoniër, tot keizer uitgeroepen. Hij nam zijn jongeren broeder, den bovengenoemden Valens, tot medekeizer aan en vertrouwde hem het O. deel des rijks toe. Valens had met vele moeielijkheden te kampen; aan de eene zijde bedreigden de Perzen zijn gebied, aan den anderen kant de Gothen, terwijl een bloedverwant van den vroegeren keizer Iulianus, met name Procopius, die waarschijnlijk zelf op den troon had gehoopt, in opstand kwam, en tot overmaat van ramp eene hevige aardbeving in 365 groote streken van zijn rijk teisterde. De opstand werd in 366 onderdrukt, Procopius werd onthoofd en de Gothen in 369 tot vrede gedwongen. Met Perzië bleven de grensgeschillen slepende. Valens zelf was vrij goedhartig, doch zijn schoonvader Petronius maakte zich zeer gehaat en de ontevredenheid hierover uitte zich in samenzweringen tegen den keizer. In 375 verzochten de Westgothen, door de Hunnen opgejaagd, om eene wijkplaats ten Z. van den Donau. Onder Fritigern en Alavisus trokken 200000 strijdbare mannen met hunne gezinnen de rivier over en kregen woonplaatsen in Thracia. Eene schaar Oostgothen onder Alatheus en Saprax volgde hen. De hebzucht en trouweloosheid van den rom. stadhouder Lupicinus, die de Gothen aan den bittersten hongersnood prijs gaf en hunne aanvoerders op een maaltijd te Marcianopolis poogde om te brengen, hadden een opstand ten gevolge. Valens snelde van Antiochië naar Constantinopel om zich in persoon aan het hoofd van het leger te stellen; hij werd echter bij Hadrianopolis geheel verslagen en moest gewond de vlucht nemen in eene boerenhut, die door de Gothen in brand werd gestoken, zoodat de gewonde keizer in de vlammen omkwam (378). Zijn eenig zoontje Valentinianus was reeds in 372 overleden. Zijn opvolger was Theodosius de Groote.

Valentia, 1) stad der Edetani in Hispania aan de Middellandsche zee, door D. Brutus in 138 gesticht, door Pompeius in den oorlog tegen Sertorius verwoest, later herbouwd, thans Valentia.--2) stad der Cavari in Gallia Narbonensis, rom. kol., aan den Rhodanus (Rhône), thans Valence.--3) stadje in Calabria ten Z.Z.O. van Brundisium, ook Valentium, Valetium of Balesium geheeten.--4) Vibo Valentia, lat. kol. op de kust van het land der Bruttii, het oude Hippo of Hipponium, onder Augustus met uitgebreide werven en tuighuizen voorzien.--5) het zuidelijk gedeelte van Britannia barbara of Caledonia (Schotland), waarschijnlijk de streek tusschen de twee wallen (zie Britannia), door Theodosius den Gr. (379-395 na C.) voor korten tijd tot rom. prov. gemaakt.

Valentinianus, naam van drie rom. keizers. 1) Val. I (L. Flavius), zoon van Gratianus, een Pannoniër, werd in 364 na den dood van Iovianus keizer en nam zijn broeder Valens tot mederegent voor het O. aan, terwijl hij zelf het W. bleef besturen. Hij had tot nog toe meest in lagere officiersrangen gediend, o. a. in Gallia, onder Julianus; hij was een man van een indrukwekkend uiterlijk, een rechtschapen mensch, een wakker krijgsman, in weerwil zijner gestrengheid bij het leger zeer gezien. In 367 benoemde hij zijn zoon Gratianus tot medekeizer voor het W. Hij had veel te doen met de grenzen te beschermen en de invallen der Alemannen, Quaden, Sarmaten, Saksers, Picten en Scoten af te slaan. Hij versterkte inzonderheid door eene linie van verschansingen de open ruimte tusschen Rijn en Donau. In 375 overleed hij aan eene beroerte te Brigetio in Pannonia. Hij was een begunstiger der wetenschappen en stichtte scholen.--2) Val. II, zoon van no. 1, geb. in 371, werd bij zijns vaders dood door de hovelingen tot keizer uitgeroepen onder den invloed zijner moeder Iustina, en door zijn halfbroeder, den edelen Gratianus, bereidwillig als medekeizer erkend. In 383 werd Gratianus door Maximus (Magnus Clemens) omgebracht, die hem opvolgde onder voorwaarde, dat Italië en Africa aan den twaalfjarigen Val. zouden blijven. Toen Maximus echter ook dezen bedreigde, zond Theodosius de Gr. een leger te hulp onder den Frank Arbogastes, die Maximus versloeg en ter dood liet brengen. In 392 evenwel bracht Arbogastes ook Valentinianus om, te Vienna (Vienne aan den Rhône), toen de jonge keizer aan de willekeurige handelingen van den heerschzuchtigen Frank paal en perk wilde stellen. Arbogastes plaatste daarop Eugenius op den troon, die echter in 394 bij Aquileia door Theodosius werd verslagen, gevangen genomen en ter dood gebracht, terwijl Arbogastes de hand aan zichzelven sloeg.--3) Val. III (Flavius Placidus), rom. keizer 425-455 na C., zoon van Constantius III en van Placidia, de zuster van keizer Honorius. Constantius had zich in 420 door Honorius tot medekeizer laten aannemen, doch was reeds in 421 gestorven, waarna Placidia en haar zoon door Honorius verbannen werden en naar Constantinopel trokken. Toen Honorius in 423 stierf, maakte een der hooge ambtenaren, Johannes, zich van den troon meester. Ardacurius echter en Aspar, generaals van den oost-rom. keizer Theodosius III, brachten den vierjarigen Val. met diens moeder naar Rome en plaatsten hem op den troon. Placidia werd regentes. De voornaamste steunpilaar harer regeering was de veldheer Aëtius, die het wankelende rijk tegen Westgothen en Vandalen verdedigde. Sedert 427 leefde Aëtius in hevigen twist met een ander generaal, Bonifacius, stadhouder van Africa. Het gelukte Aëtius zijn mededinger den voet te lichten, die in 429, door wraakzucht gedreven, de Vandalen onder Geiserik naar Africa riep, waarop aldaar het vandaalsche rijk ontstond. De keizer zelf zag zijn leven lang met onverschilligheid het rijk afbrokkelen en leefde slechts voor zijne uitspattingen. Gallia, Hispania en Britannia waren reeds onder zijn vader verloren gegaan. In 450, na den dood zijner moeder, werd het west-rom. rijk door de Hunnen bedreigd, doch het gelukte Aëtius, met behulp der Westgothen en Franken Attila bij Châlons-sur-Marne in 451 te verslaan. Aëtius werd uit wantrouwen in 454 op last van Val. omgebracht, doch reeds in 455 onderging de keizer hetzelfde lot door de hand van Petronius Maximus (z. a.), wiens vrouw hij onteerd had.

Valentinus (Tullius of Iulius), zie Tullius Valentinus.

Valeria, 1) stad der Celtiberi in Hispania, aan den Sucro.--2) = Varia (z. a.).--3) sedert keizer Galerius de oostelijke strook van Pannonia langs den Donau, welk stuk als eene afzonderlijke provincie Valeria van Pannonië gescheiden werd.

Valeria (lex) de provocatione van den consul M. Valerius Corvus (Valerii no. 13) in 300, zie Valeriae (leges) de provocatione.

Valeria (lex) van den volkstribuun Valerius Tappo, (188), waarbij aan de steden Formiae, Fundi en Arpinum, die de civitus sine suffragio hadden, het volle burgerrecht verleend werd; de inwoners van Formiae en Fundi werden in de tribus Aemilia, die van Arpinum in de tribus Cornelia opgenomen. Langzamerhand werd dit voorrecht ook aan de andere municipia (z. a.) verleend.

Valeria (lex) de aere alieno, van den consul L. Valerius Flaccus (Valerii no. 24) in 86, waarbij de schuldenaars hunne schulden konden afdoen door betaling van 1/4 der hoofdsom.

Valeria (lex) de Sulla dictatore, van den interrex L. Valerius Flaccus (Valerii no. 22) in 82, om Sulla tot dictator voor zijn leven te benoemen. Hierbij werden alle handelingen van Sulla als consul en proconsul, en wat hij in het Oosten had vastgesteld, goedgekeurd, tevens de proscriptiones, bonorum sectiones, en agrorum assignationes. Hem werd alle macht over leven en goed zijner medeburgers verleend, en de macht om wetten te maken en het staatsbestuur te regelen, onder den titel dictator legibus scribundis et reipublicae constituendae.

Valeria (via), van Rome over Tibur (welk eerste gedeelte via Tiburtina heette), Carseoli, Alba Fucentia naar het gebied der Paeligni, en verder langs den Aternus tot aan de Adriatische zee.

Valeriae (leges) van den consul P. Valerius Poplicola in 509 na de verdrijving der koningen. 1) de provocatione: ne quis magistratus civem Romanum adversus provocationem, necaret neve verberaret.--2) dat aan den slaaf Vindicius, die de samenzwering ten gunste van Tarquinius ontdekt had, vrijheid en burgerrecht zouden geschonken worden.--3) de perduellione, waarbij het streven naar alleenheerschappij met doodstraf werd bedreigd. Deze wetten zijn verzonnen, daar P. Valerius Poplicola, zoo hij al bestaan heeft, toen geen consul geweest is. Zie Valerii no. 1.

Valeriae (leges) de provocatione. Het verdient opmerking, dat er drie wetten hierover bestaan van drie verschillende Valerii. De eerste (509) stelde wel het ius provocationis ad populum in, doch bevatte geen voldoende strafbepaling tegen schending daarvan. De tweede (lex Horatia Valeria, 449) verbood voor het vervolg ooit weder eenig nieuw ambt zonder provocatio in het leven te roepen. De derde (300) van den consul M. Valerius Corvus onderwierp misschien den dictator aan de provocatio. De eerste wet is apocryph, daar er toen geen Valerius consul geweest is, maar ze heeft bestaan vóór de lex Aternia Tarpeia van 454. V. s. bestond de provocatio reeds in den koningstijd, en benoemde daarom de koning, om zich niet aan de vernedering bloot te stellen, dat zijn uitspraak door het volk werd vernietigd, voor elke kapitaalzaak afzonderlijk twee mannen, qui de perduellione iudicarent (II viri perduellionis). V. a. is de provocatio eerst ingesteld door de wet van Valerius Corvus, en zijn beide vorige wetten, evenals de lex Aternia Tarpeia, verzonnen.

Valeriae Horatiae (leges), zie Horatiae Valeriae (leges).

Valerianus. 1) P. Licinius Valerianus, rom. keizer 253-259 na C., had zich onder Alexander Severus en diens opvolgers in den oorlog onderscheiden en was stadhouder van Raetia, toen hij in 253 door zijne soldaten tot keizer werd uitgeroepen. In de laatste 18 jaren, na de vermoording van Alex. Severus door C. Julius Verus Maximinus, had het rijk niet minder dan 11 keizers en tegenkeizers gekend: Maximinus, Gordianus I en II, Pupienus Maximus, Caelius Balbinus, Gordianus III, Philippus Arabs, Decius, Trebonianus Gallus, Hostilianus, Aemilianus. Het was ook Valerianus niet gegeven, orde te brengen in den toestand van verwarring. In 259 werd hij bij een onderhoud met den perzischen veldheer verraderlijk gevangen genomen en tot zijn dood toe (268) gehouden. Het verhaal luidt, dat hij den perzischen koning tot voetbank moest dienen, wanneer deze te paard steeg.--2) Valerianus, jongere zoon van no. 1, werd met zijn halfbroeder Gallienus in 268 voor Milaan vermoord.--3) P. Licinius Cornelius Valerianus, zoon van Gallienus, werd door het krijgsvolk te Colonia Agrippina aan den tegenkeizer Postumus in handen geleverd en op last van dezen omgebracht (259).

Valerii, een patricisch geslacht van sabijnschen oorsprong; onder Romulus en Titus Tatius zou een zekere Volusus Valerius naar Rome gekomen zijn. 1) P. Valerius Poplicola, waarschijnlijk eene geheel legendaire figuur, waarvan zeer jonge berichten het volgende vertellen: hij was een der mannen, die het koningshuis hielpen verdrijven. Reeds in het eerste jaar (509) der republiek nam hij als consul de plaats in van L. Tarquinius Collatinus en bekleedde dezelfde waardigheid nogmaals in 508, 507 en 504. Zijn bijnaam had hij te danken aan zijn eerbied voor de rechten en de souvereiniteit des volks, die hij o. a. betoonde door de instelling der provocatio ad populum en het weglaten der bijlen uit de fasces binnen het pomerium. Hij streed roemrijk tegen de Etruscers, Vejenten en Sabijnen en stierf in 503. Zie Valeriae (leges) de provocatione.--2) M. Valerius Volusus, broeder van no. 1, nam ook deel aan de oorlogen tegen Porsena, de Sabijnen en de Latijnen, was in 505 consul en in 494 dictator, in welke hoedanigheid hij alles aanwendde om eene schikking tusschen de patriciërs en de uitgeweken plebs tot stand te brengen. Dit geheele verhaal is verzonnen, zie secessio plebis, tribuni plebis, Menenii no. 1.--3) P. en M. Valerius, zoons van no. 1, onderscheidden zich in den slag bij het meer Regillus in 496.--4) L. Valerius Volusus Potitus, verzette zich tegen de lex Cassia agraria in 486, zie Agrariae leges en Cassii no. 1. Hij was consul in 483 en 470.--5) P. Valerius Poplicola, consul in 475, zegepraalde over de Vejenten en Sabijnen. In 460 sneuvelde hij in zijn tweede consulaat bij de herovering van het Capitool, dat door den Sabijn Herdonius des nachts door overrompeling ingenomen was.--6) L. Valerius Poplicola Potitus, zoon van no. 5, legde in 449 met zijn ambtgenoot M. Horatius Barbatus de geschillen bij, die door de willekeur der tienmannen ontstaan waren en zegepraalde over de Aequers.--7) C. Valerius Potitus Volusus, consulairtribuun in 415, 407 en 404, en consul in 410.--8) L. Valerius Potitus, zoon van no. 6, consulairtribuun in 414, 406, 403, 401 en 398, streed bij herhaling overwinnend tegen Vejenten, Volscen en Faliscers.--9) L. Valerius Potitus, nog jong, in 392 tot consul gekozen, overwon de Aequers bij den berg Algidus.--10) L. Valerius Poplicola, consulairtribuun in 394, 389, 387, 383 en 380.--11) P. Valerius Potitus Poplicola, consulairtribuun in 386, 384, 380, 377, 370 en 367.--12) M. Valerius Poplicola, consul in 355 en 353, streed tegen de Tiburtijnen en Volscen.--13) M. Valerius Corvus verkreeg zijn bijnaam door een tweegevecht in 349 met een reusachtigen Galliër, dien hij overwon doordat zich op diens helm een raaf nederzette en hem in het gezicht met vleugels en snavel sloeg en pikte. In 348 was hij consul, schoon eerst 23 jaar oud, en later nog in 346, 343, 335, 300, en als suffectus voor de zesde maal in 299, terwijl hij tweemaal dictator was, in 342 en 301. Hij behaalde verscheidene overwinningen op naburige volken, o. a. op de Samnieten in 343 bij den berg Gaurus. Deze overwinning is echter verzonnen, evenals de geheele eerste samnietische oorlog. Zoo groot was het ontzag voor zijn naam, dat zijne benoeming tot consul in 300 de Etruscers van een oorlog afschrikte. Toch was hij meer een voorstander van zachte dan van strenge maatregelen. Hij stierf algemeen geacht en bemind in den ouderdom van 100 jaar.--14) M. Valerius Maximus, consul in 312, streed in dit jaar, en ook later als legaat, met roem tegen de Samnieten.--15) P. Valerius Laevinus, consul in 280, verloor den slag bij Heraclea tegen Pyrrhus.--16) M. (M'.) Valerius Maximus Messalla of Messala, consul in 263, behaalde met zijn ambtgenoot M. Otacilius Crassus op Sicilia eene zegepraal op de Carthagers en hun bondgenoot Hiero van Syracuse. Hij bracht van Catana den eersten zonnewijzer naar Rome. Omtrent zijn censuur zie Sempronii no. 17.--17) P. Valerius Falto, consul in 238, werd in Gallia Cisalpina eerst door de Bojers en Liguriërs verslagen, doch eindigde met hen te overwinnen.--18) M. Valerius Laevinus, streed in 215 als praetor tegen de Carthagers, en werd in 214 tegen Macedonië uitgezonden, in 210 was hij consul en veroverde hij Agrigentum op de Carthagers, terwijl hij in 208 en 207 met eene vloot op 's vijands kusten stroopte. In 205 bracht hij het beeld van de Magna Mater van Pessinus naar Rome.--19) L. Valerius Flaccus, in 195 consul met M. Porcius Cato (maior), overwon de Bojers en Insubriërs in Cisalpina en woonde in 191 onder M'. Acilius Glabrio den slag bij aan de Thermopylae tegen Antiochus III van Syria. In 184 was hij censor met zijn vriend Cato.--20) C. Valerius Flaccus, broeder van no. 19, een losbol, werd tegen zijn zin tot flamen Dialis gekozen en gewijd, en wijzigde toen zijne manier van leven geheel en al, zoodat hij een ingetogen mensch werd. Het was in onbruik geraakt, dat de flamen Dialis in den senaat zitting nam; gesteund door de volkstribunen, doch met hevige tegenkanting van de senaatsleden, nam Flaccus weder zitting. In 199 werd hij aedilis curulis; daar de priester van Jupiter geen eed mocht zweren, legde zijn broeder dezen namens hem af.--21) C. Valerius Laevinus was in 189 de voorspraak der Aetoliërs, toen het de vaststelling der vredesvoorwaarden gold; in 176 bestreed hij als consul de Liguriërs.--22) L. Valerius Flaccus was in 100 consul met C. Marius, met wien hij echter volstrekt niet samenwerkte. Hij was in den Sullaanschen tijd princeps senatus, en werd in 82 na den dood der consuls tot interrex benoemd, zie Valeria lex de Sulla dictatore.--23) C. Valerius Flaccus, consul in 93, bestuurde Gallia en overwon de Galliërs; hij was later een aanhanger van Sulla, en bracht in 81 den Celtiberiërs eene zware nederlaag toe.--24) L. Valerius Flaccus werd in 99 aangeklaagd door C. Appuleius Decianus, was consul suffectus in 86 in plaats van C. Marius (z. lex Valeria de aere alieno) en liet zich ook het bevel in den mithradatischen oorlog opdragen tegenover Sulla. Hij werd echter in 85 te Nicomedea door zijn legaat C. Flavius Fimbria vermoord.--25) L. Valerius Flaccus, zoon van no. 24, vergezelde zijn vader naar Azië, en diende later in Cilicië en op Creta. In 63 maakte hij als praetor zich verdienstelijk jegens den staat tegenover de Catilinarii. Hierop kreeg hij Azië als provincie. In 59 wegens afpersingen aangeklaagd, werd hij schitterend door Cicero verdedigd en vrijgesproken.--25a) L. Valerius Praeconinus, legatus van L. Mallius (Manlii no. 15), sneuvelde in 78 in een strijd tegen de opgestane Aquitaniërs.--26) M. Valerius Messala Niger, consul in 61, een uitstekend redenaar.--27) M. Valerius Messala, neef van no. 26, werd, ofschoon met veel bedekte en openlijke tegenwerking, tot consul voor het jaar 53 gekozen. In 51 werd hij door toedoen van Pompeius van omkooping beschuldigd, doch door den redenaar Q. Hortensius Hortalus vrijgepleit. In den burgeroorlog koos hij Caesars partij.--28) M. Valerius Messala Corvinus, uitstekend redenaar en goed letterkundige, streed bij Phillippi aan de zijde van Cassius en Brutus, doch ging later over tot Octavianus. In 34 onderwierp hij de Salassers in de Alpen, in 31 was hij consul, in 27 overwon hij de Aquitaniërs, waarna hij praefectus urbi te Rome werd. Hij was zeer bevriend met den dichter Tibullus, die hem in 31 zou vergezellen in den oorlog van Octavianus tegen Antonius, doch ziek te Corcyra moest achterblijven. Ook had hij met Horatius omgang. Hij zelf schreef ook, o. a. in het grieksch over de burgeroorlogen, en latijnsche redevoeringen; ook schijnt hij verzen te hebben gemaakt.--29) M. Valerius Messala Messallinus, zoon van no. 28, aan wien Ovidius van Tomi uit eenige gedichten heeft gericht, consul in 3, werd naar Germania gezonden, en later naar Dalmatia om den opstand van Bato te onderdrukken. Omtrent zijn broeder, door adoptie tot de Aurelii overgegaan en M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus genoemd, zie Aurelii no. 8.--30) C. Valerius Triarius was admiraal van Pompeius in den oorlog tegen Caesar en sneuvelde in 48 bij Pharsalus. Cicero voert hem in zijn werk de Finibus bonorum et malorum sprekende in.--31) Valerius Asiaticus uit Gallia was een hoofdpersoon bij den moord van Caligula, die hem zwaar had beleedigd. Door zijn rijkdom werd hij onder keizer Claudius het slachtoffer der beruchte Messalina (Valerii no. 33). Hij liet zich de aderen openen (47 n. C.).--32) Valerius Asiaticus, zoon van no. 31, ondersteunde tijdens Nero den gallischen opstand van Vindex. Later sloot hij zich aan bij Vitellius, wiens schoonzoon hij werd.--33) Valeria Messalina, echtgenoote van keizer Claudius, eene der meest zedelooze en gewetenlooze vrouwen, die de geschiedenis kent, wilde ook de aanzienlijkste rom. vrouwen dwingen haar ontuchtig voorbeeld te volgen. Zij spaarde niemand, die haar hebzucht of haar haat had opgewekt, ook hare verwanten niet. De zwakke Claudius liet zich geheel door haar leiden, totdat eindelijk haar ontrouw hem de oogen opende en hij haar ter dood liet brengen (48).--34) L. Valerius Catullus Messalinus, een berucht verklikker onder Domitianus, die zelfs toen hij blind was dit bedrijf nog voortzette.

Onder de schrijvers, die den naam Valerius dragen, komen de volgende in aanmerking.--35) Q. Valerius Soranus, uit Sora in Latium, redenaar en, naar het schijnt, een dichter van naam, door Cicero echter om zijne uitspraak van het Latijn berispt. Hij werd door Pompeius in 82, toen hij volkstribuun was, terechtgesteld.--36) Valerius Antias, uit Antium in Latium, leefde ten tijde van Sulla en schreef zeer onbetrouwbare annales van Rome's stichting af tot op diens tijd. Livius heeft er veel uit geput.--37) Valerius Cato, uit Gallia Cisalpina, had in den sullaanschen burgeroorlog zijn vermogen verloren en moest, om in zijn onderhoud te voorzien, les geven in taal- en dichtkunde. Hij is met C. Licinius Macer Calvus (Licinii no. 6) de aanvoerder van de nieuwe richting in de poëzie, de neoterici, waartoe ook Catullus behoorde. Of de gedichten Dirae en Lydia, die op zijn naam staan, van hem zijn, is niet uit te maken.--38) Q. Valerius Catullus, rom. dichter, werd ongeveer in 84 te Verona geboren uit eene vermogende familie. Van zijn leven is weinig bekend. Hij leefde op vriendschappelijken voet met Cicero, Hortensius, Cornelius Nepos e. a. In 57 vergezelde hij den praetor C. Memmius Gemellus naar Bithynia en bezocht op deze reis in Troas het graf van zijn diep door hem betreurden broeder. Hij bezat eene villa bij Tibur en eene te Sirmio bij Verona aan den lacus Benacus (Garda-meer). Onder den naam Lesbia bezingt hij Clodia, de zuster van den tribuun P. Clodius Pulcher en echtgenoote van Q. Metellus Celer (zie Claudii no. 18), die hij hartstochtelijk beminde totdat haar wangedrag hem afstiet. Hij stierf waarschijnlijk in 54. Wij hebben van hem nog 116 grootere en kleinere lyrische gedichten en epigrammen. Het meest munt hij uit in erotische poëzie. Zijn verzen, soms wat ouderwetsch getint, zijn rijk aan gevoel en liefelijke gedachten, eenvoudig doch keurig van taal. Hij was de eerste rom. lierdichter, die grieksche versmaten bezigde.--39) Valerius Maximus, niet tot de patricische gens Valeria behoorende, verkeerde in behoeftige omstandigheden, totdat Sex. Pompeius (consul 14 n. C.) zich zijn lot aantrok. Tusschen 26 en 32 na C. schreef hij zijn eenig werk Factorum et dictorum memorabilium libri IX, een werk zonder letterkundige waarde wat den stijl betreft, waarin daden en gezegden onder verschillende rubrieken gesorteerd zijn. Zie Cornelius Nepos (Cornelii no. 58). Toch is het werkje in verschillende tijden veel gelezen en hebben anderen er uit geput en er weder uittreksels van gemaakt.--40) M. Valerius Probus, zie Probus no. 2.--41) C. Valerius Flaccus (Setinus Balbus), episch dichter uit den tijd van Vespasianus. Hij heeft 8 boeken Argonautica gedicht, bewerkt naar het gedicht van Apollonius Rhodius (z. a. no. 1). Hij is gestorven, kort voor 92 na C.--42) M. Valerius Mutines z. Mut(t)ines.

Valgii 1) A. Valgius streed in Hispania onder Caesar, doch liep tot de pompejaansche partij over.--2) C. Valgius Rufus, een vertrouwd vriend van Horatius, een geleerd en veelzijdig ontwikkeld man, ook schrijver en elegieëndichter. Uit zijne werken de tralatione (van rhetorischen aard), de rebus per epistulam quaesitis (taalkundige onderzoekingen) hebben Plinius, Gellius e. a. veel geput en aangehaald. Ook schreef hij een onvoltooid leerdicht de herbarum viribus, dat door Plinius met lof vermeld wordt. Horatius ontried hem het dichten van elegieën en, ofschoon Tibullus vleiend van hem zegt: aeterno propior non alter Homero schijnen de ouden hem toch slechts eene zeer bescheiden plaats onder de dichters te hebben aangewezen.

Vallis Poenina, de Zuidkant van het meer van Genève en het Boven-Rhône-dal (tgw. Wallis, Valais). De streek vormde een onderdeel van de kleine provincie Alpes Graiae et Poeninae, die later tot Raetia behoorde. Hier woonden vier, waarschijnlijk ligurische of raetische stammen: Nantuates, Veragri, Seduni en Viberi of Uberi.

Vallum Antonini, grenswal in Schotland tegen de invallen der noordelijke volkeren aangelegd door keizer Antoninus Pius in 142 n. C., tusschen de Firth of Clyde en de Firth of Forth, zie Bodotria en Britannia.

Vallum Hadriani, grenswal in Noord-Engeland tegen de invallen der Caledoniërs aangelegd door keizer Hadrianus in 122 n. C., tusschen den Solway Firth en den mond van de Tyne. Z. Britannia.

Vandali of Vandili, Ouandaloi, een germaansch volk, dat een tijd lang aan het tegenw. Reuzengebergte woonde, dat dan ook wel Vandalici montes wordt genoemd. Vervolgens trokken zij naar Dacia en ten tijde der groote volksverhuizing naar Hispania, waar zij nog hun naam in (W)andalusië hebben achtergelaten. In 429 n. C. staken zij (zie Valentinianus III) naar Africa over onder hun koning Geiserik en stichtten er een vandaalsch rijk met Carthago tot hoofdstad. Geiserik schiep eene vandaalsche zeemacht, die de schrik werd der Middellandsche zee, veroverde Sardinia, Corsica en Sicilia en deed in 455 eene landing in Italië, zie Maximus (Petronius). Bij deze gelegenheid werd Rome vreeselijk geplunderd; wat waarde had, werd meegesleept, doch de schepen met Rome's kunstschatten beladen, vergingen door storm voor zij Carthago hadden bereikt. Na Geiseriks dood in 477 verzwakte de macht der Vandalen voortdurend, totdat hun rijk onder den laatsten koning, Gelimer, in 534 door Iustinianus' veldheer Belisarius vernietigd werd.

Vangiones, germaansch volk op den linker Rijnoever in Belgica. Hoofdstad: Borbetomagus, thans Worms.

Vannius. Na de verdrijving van Maroboduus (zie Marcomanni), werden aan een gedeelte van zijn volk in de streek tusschen Marus (March) en Cusus (Waag) woonplaatsen aangewezen, onder een koning uit het volk der Quaden, genaamd Vannius (18 n. C.). Deze breidde zijn rijk voortdurend uit, tot hij in 50 door Vibilius, den koning der Hermunduren en door Vangio en Sido, de zonen zijner zuster, verdreven werd, en een toevlucht vond in het Romeinsche rijk. Het Rijk van Vannius bleef echter bestaan, en kwam nu aan de bovengenoemde neven, die aan het Rom. rijk trouw bleven. De onderdanen worden gewoonlijk Suevi genoemd, hetgeen de algemeene stamnaam is.

Varagri = Veragri.

Vardaei, z. Bardiaei.

Vargunteii. 1) L. Vargunteius, rom. senator, handlanger van Catilina, belastte zich met de taak, Cicero te vermoorden.--2) Vargunteius, legaat van Crassus, sneuvelde in den parthischen oorlog.

Varia, schilderachtig gelegen vlek aan de via Valeria ten N.O. van Tibur, op een heuvel aan den Anio. Tot de buurtschap behoorde het landgoed van Horatius.

Varia (lex) de maiestate van den volkstribuun Q. Varius Hybrida, dat een gerechtelijk onderzoek moest worden ingesteld, wie de italische bondgenooten tot het opvatten der wapenen hadden opgeruid (91). Dit was olie in het vuur, en hierop ontbrandde dan ook de marsische oorlog.

Varii. 1) Q. Varius Sucronensis, uit Sucro in Hispania, meer bekend onder den bijnaam Hybrida, dien het volk hem gaf, omdat zijn burgerrecht door sommigen werd betwijfeld, stelde als volkstribuun in 91 de heillooze lex Varia de maiestate voor, waardoor de italische bondgenooten, die zich reeds gewapend hadden om Rome het burgerrecht af te dwingen en die op enkele plaatsen reeds tot oproer waren gekomen, zóó verwoed werden, dat zij Rome den ondergang zwoeren. Hij was een goed redenaar. Hij was, naar men zeide, medeplichtig aan den moord van zijn ambtgenoot M. Livius Drusus en werd ook beschuldigd van vergiftiging van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii no. 13). Later werd hij krachtens zijn eigen wet veroordeeld, ging in ballingschap en werd op wreedaardige wijze vermoord; hoe, is niet bekend.--2) Varius Cotyla (= wijnvat) was een deelgenoot der drinkgelagen van Antonius, die hem echter eens aan een maaltijd door zijne slaven liet geeselen. Later komt hij als bevelhebber eener legerafdeeling in den mutinensischen oorlog voor.--3) L. Varius Rufus, rom. dichter uit den kring van Maecenas, een vriend van Catullus en Vergilius en ook van Augustus. Aan hem en Plotius Tucca droeg Vergilius op zijn sterfbed de uitgaaf zijner Aeneis op. Varius was ook werkzaam voor de toelating van Horatius in den kring van Maecenas. Als treurspeldichter stond hij hoog aangeschreven; zijn Thyestes werd opgevoerd bij de spelen ter viering van de overwinning bij Actium en door Octavianus met een geschenk van een millioen sestertiën beloond. Hij was vooral beoefenaar der epische poëzie, Maeonii carminis ales, zooals Horatius hem noemt. O. a. schreef hij een gedicht de morte en een Panegyricus Augusti. Nagenoeg alles van hem is verloren gegaan.--4) Varius Avitus Bassianus = Heliogabalus.

Varini, volk in Germania aan de kust der Oostzee, in het tegenw. Mecklenburg, behoorende tot die volkeren, die de godin Nerthus vereerden.

Varinii, een onberoemd geslacht.

Varisti, zie Naristi.

Varro, familienaam in de gens Terentia en de gens Visellia.

Varus (= krombeen), familienaam in verschillende gentes. Zie Alfen(i)us, Attii (no. 4), Quinctilii.

Varus, thans Var of Varo, tusschen Nicaea (Nizza, Nice) ten O. en Antipolis (Antibes) ten W., grensrivier tusschen Gallia Narbonensis en Italia (Liguria).

Vas, hij die borg blijft, dat een gedaagde ter terechtzitting zal verschijnen; zie vadimonium. Een borg voor het nakomen eener aangegane verbintenis wordt praes genoemd.

Vasarium, eigenlijk gereedschapsgeld, de som, die aan den stadhouder eener provincie werd uitgekeerd voor zijne uitrusting.

Vascones, volksstam tusschen den Iberus (Ebro) en de Pyrenaeën, in de tegenw. baskische gewesten (Biscaye, Guipuscoa, Navarre). Hoofdstad: Pompelo (Pampeluna). Als eene bijzonderheid vindt men opgeteekend, dat zij blootshoofds ten strijde togen. Ook in Aquitania woonden stamgenooten, ofschoon onder andere namen. Hun naam leeft nog voort in de namen Basken en Gascogne. Het W. deel der Pyrenaeën heette naar hen Vasconum saltus.

Vaticanus (mons), een berg aan de rechterzijde van den Tiber, doch nooit in den kring van het oude Rome opgenomen. De wijn, die er groeide, was bekend als slecht.

Vatiniae (leges) van den volkstribuun P. Vatinius in 59. 1) de imperio C. Caesaris, waarbij aan Caesar bij plebisciet Illyricum en Gallia Cisalpina als provinciën toegewezen werden. Deze wet werd doorgedreven niettegenstaande heftig verzet van den consul M. Calpurnius Bibulus, wiens ambtgenoot Caesar zelf was. De senaat voegde er nog Transalpina bij, uit vrees, dat ook deze provincie (die destijds nog alleen uit Narbonensis bestond) anders ook nog door het volk aan Caesar ten deel zou vallen.--2) de alternis consiliis reiciendis, waarbij vermoedelijk aan den aanklager en den beklaagde nog eene tweede wraking van rechters werd toegestaan, wanneer de eerstgewraakte reeds door andere vervangen waren (zie iudex).--3) omtrent de uitzending eener kolonie door Caesar naar Comum, als voorpost tegen de Alpenbewoners.--4) rogatio de L. Vettii iudicio; deze ging niet door, zie Vettii no. 3.

Vatinii. 1) P. Vatinius uit Reate beweerde in 168 van de Dioscuren de gevangenneming van koning Perseus vernomen te hebben.--2) P. Vatinius, afstammeling van no. 1, een der fortuinzoekers uit Caesars tijd, had in 63 de quaestuur op niet zeer eervolle wijze bekleed en was in 59 volkstribuun. Als zoodanig diende hij Caesar (zie Vatiniae leges), met wien hij in 58 naar Gallia ging. Later te Rome wegens knevelarij aangeklaagd, die hij als quaestor had bedreven, wist hij met behulp van Clodius de rechters door geweld schrik in te boezemen. In 56 trad hij in de zaak van P. Sestius tegen dezen en diens verdediger Cicero op, doch werd onmiddellijk daarna door Cicero in eene opzettelijke redevoering ontmaskerd. In 55 werd hij praetor; in 54, wel niet ten onrechte, van omkooping hiertoe beschuldigd, werd hij ter wille van Caesar door Cicero verdedigd. Ook in het vervolg bleef Vatinius Caesar trouw. In den burgeroorlog versloeg hij in het begin van 47 de Pompeiani bij het eiland Tauris, en verjoeg ze uit de Adriatische zee. In 45 ging hij als proconsul naar Illyria, maar na Caesar's dood gaf hij de provincie over aan Brutus.

Vecta of Vectis, eiland op de Zuidkust van Britannia, thans Wight.

Vectigal. Onder vectigalia verstaat men de indirecte belastingen en wat men betaalt voor het gebruik van staatseigendommen. Hiertoe behoorden o. a. 1) portorium, haven-, brug- en weggelden en in- en uitvoerrechten.--2) scriptura, het weidegeld dat bij het inscharen van vee op de weidegronden van het staatsdomein (pascua publica) werd betaald.--3) verpachtingen van het vischrecht en van houtkap in de bosschen van den staat, van concessies voor ontginning en exploitatie van mijnwerken, krijt-, zout- en steengroeven.--4) vicesima manumissionum, 5% van de getaxeerde waarde, bij vrijlating van slaven te betalen. Deze belasting was ingevoerd door de lex Manlia van 357.--5) sinds den keizerstijd, vicesima hereditatum, een successierecht van 5% bij erfenis, wel te verstaan van erfenissen ex iure Quiritium; daarom gaf Caracalla in 212 na C. aan alle vrije inwoners het burgerrecht, om over het geheele rijk dit recht te kunnen heffen.--6) de pacht voor het gebruik van ager publicus en in de provinciën de decumae van tiendplichtige landerijen.--7) centesima rerum venalium, een verkooprecht op alles wat binnen Italië werd verkocht, eene instelling van Augustus.--8) accijns op eetwaren, door Caligula ingesteld.--9) quinguagesima mancipiorum venalium, een overgangsrecht bij verkoop van slaven, van 2%, door Augustus ingevoerd, door Claudius verdubbeld.--10) een entreegeld voor de publieke privaten, onder den naam vectigal foricarum et urinae, ingevoerd door Vespasianus.--11) eene belasting op de nijverheid, patentbelasting, van Alexander Severus.--12) vectigal ex aquaeductibus voor het uit de waterleidingen naar de huizen afgevoerde water; cloacarium voor het recht van waterloozing in de openbare riolen, enz.--Voorzoover zij er toe geschikt waren, werden de vectigalia door de censoren verpacht summis pretiis. Ominis causa werd een begin gemaakt met de oesterbanken in den lacus Lucrinus. Neemt men vectigalia in den meer algemeenen zin van staatsinkomsten, dan kan hiertoe ook de rechtstreeksche belasting, stipendium (z. a.), uit de provinciën worden gebracht. In de provinciën Sicilia en Africa was het stipendium geheel vervangen door tienden. Italia was van grondbelasting geheel vrij (zie ook ius italicum). Over het tributum der rom. burgers, dat niet tot de eigenlijke belastingen kan gerekend worden, zie tributum.

Vectones = Vettones.

Vedius Pollio, vrijgelatene, rom. ridder, een nietswaardig mensch, ontzaggelijk rijk, verkwistend en meedoogenloos. Bij zekere gelegenheid, dat Augustus bij hem te gast was, werd diens bescherming ingeroepen door een slaaf van Vedius, die wegens het breken van een voorwerp van murrha (z. a.) door zijn meester veroordeeld was om in den vischvijver geworpen te worden en tot spijs voor de alen te dienen. Augustus gelastte toen aan zijne lictoren, alle murrha in het huis stuk te slaan. Vedius Pollio stierf in 15, na Augustus tot erfgenaam van het grootste gedeelte zijner bezittingen benoemd te hebben, o. a. van zijne prachtige villa Pausilypum (Zonderzorg, Sans-Souci) tusschen Neapolis en Puteoli.

Vegetius Renatus (Flavius) schreef aan het einde van de 4de eeuw na C. een epitome rei militaris, eigenlijk eene compilatie, zooals de schrijver zelf erkent, van verspreide berichten en mededeelingen, die hij bij verschillende oudere schrijvers heeft aangetroffen, aangevuld met hetgeen hij aan de keizerlijke verordeningen heeft ontleend. Ofschoon dikwijls oud en nieuw zijn dooreengeward, heeft het werk, bij gebrek aan andere en betere krijgskundige geschriften, voor ons eene niet geringe waarde. Waarschijnlijk moet een werk over veeartsenijkunde van een zekeren P. Vegetius Renatus, uit denzelfden tijd, ook aan hem worden toegeschreven.

Veiento (A. Fabricius), werd onder Nero in 62 n. C. verbannen, omdat hij in schotschriften senatoren en priesters beschimpt had. Onder Domitianus was hij als delator berucht. Hij was consularis.

Veii, Oueioi, oude en machtige etruscische stad op eene hoogte aan de rivier de Cremera, met flinke muren, waarvan nog sporen aanwezig zijn. Het uitgebreide gebied werd ager Veiens of Veientanus genoemd. Daar Veii en Rome slechts ruim drie uren van elkander lagen, moest Rome's opkomst spoedig eene botsing uitlokken. Reeds onder de regeering van Romulus wordt een oorlog met Veii vermeld. Ten laatste werd het in 396, volgens de overlevering, na een tienjarig beleg, door M. Furius Camillus ingenomen, geplunderd en verwoest. Het gebied der stad werd ager publicus, maar reeds in 387 werden hier 4 nieuwe tribus ingericht, n.m. de tribus Stellatina, Tromentina, Sabatina en Arniensis. Veii had een beroemden Juno-tempel.

Veiovis, Vediovis, Vedius, een rom. god, wiens naam door de ouden verklaard wordt als jonge Jupiter of verdervende Jupiter. Hij had sedert 192 een heiligdom tusschen het Capitolium en den burcht, op de plaats van het oude asyl van Romulus, en, sedert 194, een op de insula Tiberina. In eerstgenoemden tempel stond zijn beeld van cypressenhout, jeugdig van gestalte, met een bundel pijlen in de hand en een geit naast zich. Den 7den Maart werd hem een geit geofferd. Wegens de pijlen, die tot zijne attributen behooren, werd hij soms met Apollo geïdentificeerd; in werkelijkheid behoorde hij tot den kring der onderaardsche godheden.

Velabrum, straat of buurt in Rome van den mons Palatinus in de richting naar den Tiber, door den vicus Tuscus met het forum Romanum verbonden. Op het Velabrum waren winkels van fijne gerechten of lekkernijen, waar men ook koks kon huren.

Velauni of Vellani = Vellavi.

Veleda, profetes uit den stam der Bructeren ten tijde van Vespasianus. Bij hare landslieden en de omringende stammen werd zij vereerd als een hooger wezen. In den opstand van Civilis oefende zij een grooten invloed uit. Later werd zij door de Rom. gevangen genomen en naar Rome gevoerd.

Velia, Ouelia, ook Helia en Elea, bij Herodotus Hyele genoemd, op de kust van Lucania. Zie Elea.

Velia, buurt van Rome, eigenlijk een rug, die den mons Palatinus met den mons Esquilinus verbond. Van de Velia daalde de Sacra via af naar het forum Romanum. De Velia maakte een deel uit van Roma quadrata (zie Palatinus (mons)).

Velinus (lacus), meertje in het Sabijnsche land, tgw. Lago di Piedilugo, gevormd door den Avens (z. a.).

Velinus (portus), de haven van Velia of Elea.

Velites, lichtgewapenden in het rom. leger, zie centuria. Zij werden uit de arme burgers gelicht, hadden harnas noch helm, maar slechts een mantel en een vilten muts, en waren gewapend met een klein rond ruiterschild (parma), een zwaard en een aantal (soms zeven) lichte werpschichten (hastae velitares, veruta) met dunne, scherpe stalen punt. Zij deden dienst als tirailleurs en namen ook de plaats en de wapenen der gesneuvelden over. In het legerkamp waren zij des nachts onder den blooten hemel langs den binnenkant van den wal en vóór de poorten gelegerd. Sedert Marius ook de capite censi in de gelederen der geregelde troepen opnam, hing het van lichamelijke geschiktheid af, of men bij deze of bij de velites werd ingedeeld, hoewel uit den aard der zaak deze toch uit de geringeren werden genomen.

Velitrae, thans Velletri, latijnsche stad ten Z. van het albaansch gebergte, langen tijd in handen der Volsci, sedert 393 of 338 municipium sine suffragio. Het is de stamplaats der Octavii.

Vellaunodunum, stad der Senones in het midden van Gallia, tusschen Genabum (Orléans) en Agedincum (Sens).

Vellavi, volksstam in de bergstreek der Cevennes.

Velleda = Veleda.

Velleii. 1) C. Velleius, rom. senator, door Cicero in zijn werk de natura deorum als vertegenwoordiger der epicureïsche wijsbegeerte ingevoerd.--2) C. Velleius Paterculus, een vriend van Pompeius, benam zich het leven, in 41, toen Octavianus tegen zijne woonplaats Neapolis (Napels) optrok.--3) C. Velleius Paterculus, rom. geschiedschrijver, kleinzoon van no. 2, uit een rij van aanzienlijke voorouders gesproten, diende onder C. Caesar en onder Tiberius in verschillende veldtochten, werd in 6 na C. quaestor en in 15 praetor. Hij schreef eene beknopte rom. geschiedenis in 2 boeken (ad M. Vinicium consulem) in 30 na C., van Rome's stichting tot op dat jaar. Dat dit werk niet anders dan hoogst oppervlakkig zijn kan, spreekt van zelf. De tekst berust op slechts één enkel handschrift, dat na de verschijning der eerste uitgaaf weder is zoek geraakt. Van het tweede boek is ook slechts een gedeelte over.

Vell(i)ocasses, gallisch volk aan den mond der Sequana (Seine). Havenstad: Rotomagus (Rouaan).

Venafrum, stad in Samnium ten O. van Casinum (in Zuid-Latium) gelegen, wordt sedert Augustus tot Campania gerekend. De stad lag op eene hoogte, 5 kilometer van den Vulturnus, te midden van olijfbosschen. De olijfolie van Venafrum was om hare fijnheid beroemd.

Venatio. Onder de geliefkoosde schouwspelen der Rom. behoorden de dierengevechten in het amphitheater. Met ontzaggelijke kosten werden hiertoe uit verschillende gewesten wilde dieren aangevoerd, als: leeuwen, tijgers, olifanten, rhinocerossen, enz., die men tegen elkander liet vechten. Zoo bracht Pompeius bij één feest o.a. 600 leeuwen in de arena. Ook liet men menschen tegen dieren vechten, zulke menschen werden bestiarii genoemd en waren soms voor loon gehuurd, auctorati, soms veroordeelden, ad bestias damnati. Gehuurde vechters waren natuurlijk gewapend, veroordeelden nu en dan. Gedurende de christenvervolgingen werden gewoonlijk de veroordeelden bij hoopen weerloos in het strijdperk gedreven, soms wel aan palen vastgebonden, en werden vervolgens de wilde dieren op hen losgelaten, om hen voor de oogen der duizenden van toeschouwers te verscheuren.

Venedae, -di, Ouenedai, aanzienlijk sarmatisch volk ten O. der Vistula (Weichsel) aan den sinus Venedicus, Ouenedikos kolpos (golf van Riga). Nog in de middeleeuwen komt dit volk in Polen en Oostpruisen en ook westelijker voor onder den naam van Wenden.

Venelli, volksstam in Gallia aan het Kanaal op het tegenw. schiereiland Cotentin.

Veneti, Ouenetoi, 1) gallisch volk op de kust van het tegenw. Bretagne, met de stad Dariorigum of Venetae (Vannes), en op de kust de insulae Veneticae (Ré, Oléron enz.). Zij waren een zeevarend en handeldrijvend volk en onderhielden een levendig verkeer met Britannia.--2) een volk in het N.O. van Italië, ook Enetoi genoemd, waarvan de afkomst den ouden onbekend was. Men meende in hen het verdwenen paphlagonisch volk der Heneti (z. a.) terug te vinden. Waarschijnlijk waren zij van illyrischen stam. Hun land, o. a. met de steden Patavium (Padua), Altinum en Aquileia, was buitengewoon welvarend door nijverheid en handel. Zij waren niet krijgszuchtig en onderwierpen zich reeds vroeg (215) aan de Rom., om bij hen steun te vinden tegen hunne gallische naburen. Hun gebied, Venetia, komt in het algemeen, wat de ligging betreft, overeen met dat der latere republiek Venetië. De invallen van Gothen en Hunnen waren voor hen een groote ramp, zie hieromtrent Altinum.

Venetus lacus = Brigantinus lacus.

Venilia, moeder van Turnus, zuster van Amata, gemalin van Neptunus of Faunus.

Vennones, een woest Alpenvolk in Raetia aan de bronnen van den Athesis.

Vennonius, geschiedschrijver ten tijde der Gracchen.

Venta, naam van enkele steden in Britannia. 1) V. Belgarum, in het Z., thans Winchester, nabij Clausentum (Southampton).--2) V. Icenorum, in het O., nabij het tegenw. Norwich.--3) V. Silurum, in Wales, ongeveer tegenover het tegenw. Bristol.

Ventidius Bassus (P.), een man van geringe afkomst, doch van groote bekwaamheid. In den marsischen oorlog waren zijne ouders onder de gevangenen uit Picenum, die in 89 den triumftocht van den consul Cn. Pompeius Strabo moesten opluisteren. Zijn vader werd vervolgens ter dood gebracht. Toen Bassus een man was geworden, voorzag hij eerst in zijn onderhoud door aan overheden, die naar de provinciën gingen, paarden, muildieren en wagens te leveren. Caesar, die hem had leeren kennen, hief hem uit zijn stand op en bracht hem in den senaat. Hij diende onder Caesar in Gallia en in den burgeroorlog, koos na Caesars dood de zijde van Antonius, drong bij Cicero aan dat deze zich tijdig uit de voeten zou maken, en wierf in Picenum een leger om Antonius te steunen. Na het sluiten van het driemanschap in 43 werd hij consul (als suffectus voor Q. Pedius). In 39 ging hij als legaat van Antonius naar Syria en bracht in dit en het volgende jaar den Parthen drie gevoelige nederlagen toe, waarbij de parthische prins Pacorus, zoon van Orodes I, sneuvelde. Hij genoot daarvoor de eer van een zegetocht. Z. ook Labieni no. 2.

Venus, italiaansche lentegodin, vooral beschermster der tuinen en van de groenteteelt, onder griekschen invloed geheel vereenzelvigd met Aphrodite en dus geworden tot eene godin van schoonheid en liefde. Haar dienst was afkomstig uit Ardea. Oorspronkelijk had zij te Rome twee tempels, één in den lucus van Libitina (z. a.), één bij het Circus maximus, en de stichtingsdag van den laatsten is de 19de Augustus, de feestdag der holitores (groenteboeren), die Venus speciaal vereeren. In den tweeden punischen oorlog werd, volgens voorschrift van de Sibyllijnsche boeken, de geheel grieksche eeredienst van V. Erycina (Erucina) uit Sicilië naar Rome overgebracht; men offerde haar den 23sten April; een eeuw later werd de dienst ingesteld van V. Verticordia (feestdag 1 April). Sulla vereerde haar onder den naam V. Felix (dit is de V. Pompeiana, de stadsgodin van Pompeii), Pompeius als V. Victrix, maar haar dienst kwam vooral in hoog aanzien en het aantal aan haar gewijde tempels nam aanmerkelijk toe, sedert zij als de moeder van Aeneas en dus als de stammoeder van het rom. volk beschouwd werd, en nog meer toen Caesar en Augustus, en naar hun voorbeeld ook latere keizers, haar als de moeder van de gens Iulia vereerden. Omtrent V. Cloacina en V. Murcia, zie Cloacina en Murcia. Zie verder Aphrodite.

Venusia, schilderachtig gelegen stad van Apulia, dicht aan de lucanische grenzen nabij de rivier Aufidus en den mons Vultur gelegen, geboorteplaats van Horatius. Oorspronkelijk was V. eene stad der Samnieten geweest. Sedert 291 lat. col.

Ver sacrum. Bij italiaansche volken, vooral bij de Sabijnen, gebeurde het meermalen, dat in tijden van pest, misgewas en andere rampen al wat in de eerstvolgende lente zou geboren worden, aan de goden werd gewijd. De dieren, die in zulk eene gewijde lente geboren werden, werden geofferd, de menschen echter, als zij volwassen waren, over de grenzen gezonden om zich elders als volksplanters neer te zetten. Als de romeinsche senaat tot een ver sacrum besloot, moest dit besluit door het volk bekrachtigd worden.

Veragri, raetisch of ligurisch volk aan de poeninische Alpen in Helvetia, in het tegenw. kanton Wallis. Hoofdplaats Octodurus (Martigny).

Veranii. 1) Veranius, een vriend van Catullus, die zijn geluk vruchteloos in Hispania ging beproeven.--2) Q. Veranius, legaat van Germanicus, klaagde Cn. Piso (Calpurnii no. 7) aan.--3) Q. Veranius, consul in 49 na C. en in 58 stadhouder van Britannia, waar hij stierf.

Verbanus lacus, Ouerbanos limne, thans lago Maggiore, waardoor de Ticinus stroomt, in Gallia Transpadana.

Verbena = herbena, heilige kruiden, op het Capitool gegroeid, ook sagmina geheeten. Ook takken van heilige boomen, als myrten, olijf- en laurierboomen, geplukt tot eenig heilig gebruik, werden verbena geheeten. Smeekelingen, gezanten en vooral de fetiaal-priesters omkransten zich het hoofd met zulke heilige kruiden of gewassen; ook bezigde men ze tot het versieren van altaren, godenbeelden, offerdieren, enz.

Verbigenus pagus, zie Helvetii.

Vercellae, thans Vercelli, hoofdstad der Lebecii in Gallia Transpadana, sedert 89 met het ius Latii, sedert 49 rom. municipium. Op de nabijgelegen Campi Raudii vernietigde C. Marius in 101 de Cimbren.

Vercingetorix, een aanzienlijk Galliër uit de Arverni, het hoofd van den grooten gallischen opstand tegen Caesar in 52. Hij versloeg Caesar bij Gergovia, maar daarna sloot Caesar hem met zijn leger op in Alesia. Hij moest zich overgeven en werd te Rome na Caesar's triumphus in 46 ter dood gebracht.

Veretum, Ouereton, stadje in Calabria, nabij het promunturium Salentinum.

Vergelius of Vergellus, een beek, die door het slagveld van Cannae stroomde.

Vergiliae, z. Pleiades.

Vergilii. 1) M. Vergilius, volkstribuun in 87.--2) C. Vergilius, 61-58 propraetor van Sicilia, een groot vriend van Cicero. Later (47) verdedigde hij Thapsus tegen Caesar.--3) P. Vergilius Maro, de beroemde dichter der Aeneis, was in 70 op een landgoed zijns vaders, te Andes bij Mantua geboren. Eerst ging hij in het naburige Cremona school, later als jongeling volgde hij lessen te Mediolanium (Milaan), vervolgens ging hij in 53 naar Rome, waar hij met Alfenus Varus (zie Alfenus) het onderricht genoot van den epicureïschen wijsgeer Siro. Daarna keerde hij naar zijn vaderlijk landgoed terug en dichtte hij enkele zijner Eclogae of herderszangen. Toen echter Octavianus na den slag bij Philippi (42) de veteranen door eene toewijzing van landerijen beloonen wilde en daartoe ook de omstreken van Cremona en Mantua had uitgekozen, zag ook Vergilius zijn goed door een vreemde in bezit nemen (41). Door bemiddeling echter van C. Asinius Pollio, die met 7 legioenen in het gebied der Veneti stond en de landverdeeling bestuurde, had deze inbezitneming geen verder gevolg en beloofde Octavianus aan Vergilius, dat zijn landgoed ongemoeid zou blijven. Doch op Asinius Pollio volgden Alfenus Varus en Antonius Musa, en opnieuw zag V. zich in zijn bezit bedreigd. Hij beloofde Varus te zullen bezingen, als deze zijn grondbezit spaarde. Uit de omstandigheid, dat de 6de Ecloga aan Varus is gericht en dat V. toch van zijn landgoed werd beroofd, mag men misschien het besluit trekken, dat Varus zelf het hem wel liet behouden, maar niet verhinderde dat een ander het hem ontnam. Het gedicht van Verg. getuigt dan ook niet van groote geestdrift. Hij ging naar Rome, doch Octavianus was elders. Door tusschenkomst van aanzienlijke vrienden (misschien bij Varus) werd hem de teruggaaf van zijn goed beloofd, doch toen hij er heen was gegaan, zou hij door den nieuwen bezitter, zekeren centurio Arrius, doodgestoken zijn, ware hij niet ijlings in den Mincius gesprongen (40). Eenige maanden bleef hij te Rome en in den omtrek, tot hij eindelijk, vermoedelijk door tusschenkomst van Maecenas, zijne goederen terug kreeg. Het is ook niet onwaarschijnlijk, dat Varus hem nu ten slotte het rustig bezit waarborgde en daarvoor met een gedicht door den dichter werd beloond. Na door zijne Eclogae of Bucolica naam gemaakt te hebben, begon V. te Rome zijne Georgica in 4 boeken, een leerdicht over akkerbouw, boomkweekerij, vee- en bijenteelt, dat eigenlijk zijn meesterwerk is, waaraan hij 7 jaar werkte, 37-30. Hij voltooide het te Napels, een geliefkoosd verblijf voor hem, uit hoofde zijner zwakke gezondheid. Intusschen of onmiddellijk daarna begon hij aan zijn epos Aeneis, waarvan hij in 23 het 2de, 4de en 6de boek voor Augustus en diens omgeving voordroeg. Voor zijne gezondheid en tot ontspanning ondernam hij in 19 eene reis naar Griekenland, ontmoette daar Augustus en keerde met dezen naar Italië terug. Te Brundisium aangekomen, was hij zóó ziek, dat hij daar moest blijven en er binnen weinige weken overleed. Volgens zijn verlangen werd zijn lijk naar Napels vervoerd en is hij aan den weg naar Puteoli begraven. Hij had eerst gelast, dat zijn onvoltooid epos (zie over den inhoud het art. Aeneas) verbrand moest worden, doch liet zich verbidden om de uitgaaf aan zijne vrienden Plotius Tucca en Varius Rufus toe te vertrouwen, onder voorwaarde dat zij het geheel onveranderd zouden laten, opdat ieder zou kunnen zien, dat de dood hem belet had er de laatste hand aan te leggen. Menige plaats komt er in voor, die de dichter, zoo de tijd hem gegeven ware, aangevuld of gewijzigd zou hebben. V. bleef bij zijn volk steeds in hooge eer; in de middeleeuwen hield men hem voor een toovenaar en, voor zoover dit voor een heiden mogelijk was, voor een heilige. Aan het gewaande graf van V. werden zelfs wonderen vastgeknoopt. De groote verdienste der Aeneis is deze, dat daarin met onmiskenbaar talent van vorm en uitdrukking een nationaal-rom. epos op homerische leest is geschoeid. Bovendien diende het tot verheerlijking van Augustus en zijne familie. Het werd dan ook met vooringenomenheid op de rom. scholen gelezen en verklaard. Op de Bucolica en Georgica schreef Valerius Probus (1e eeuw na C.) een commentaar, terwijl wij ook den rijken commentaar op Vergilius van Servius Maurus Honoratus (4de eeuw na C.) (z. Servius no. 3) bezitten. Zie ook Donatus (Tiberius Claudius). Enkele kleinere gedichten op naam van Vergilius (Culex, Moretum e. a.) worden door sommigen niet aan hem toegeschreven.

Verginii, een deels patricisch, deels plebejisch geslacht. 1) Opiter Verginius Tricostus, consul in 502, streed tegen de Latijnen en sneuvelde in 487 tegen de Volscen.--2) T. Verginius Tricostus Caeliomontanus, consul in 496, nam deel aan den slag bij het meer Regillus.--3) Proculus Verginius Tricostus Rutilus, consul in 486, was een tegenstander der akkerwet van zijn ambtgenoot Sp. Cassius Viscellinus (zie Cassii no. 1).--4) verder komen er tot 435 nog een achttal Verginii Tricosti onder de consuls voor met de toenamen Rutilus, Esquilinus, Caeliomontanus, waarbij ook de vóórnamen Opiter en Proculus nog eenmaal terugkomen. Ook vindt men er twee onder de consulairtribunen.--5) A. Verginius bewerkte in 457, dat het getal volkstribunen op 10 werd gebracht. Hij zelf bekleedde dit ambt 5 jaar achtereen.--6) L. Verginius doodde volgens de overlevering in 449 zijne dochter Verginia, opdat zij niet in handen van den tienman App. Claudius zou vallen, en gaf hiermede het sein tot de tweede secessio plebis. Daarop werd hij tot volkstribuun verkozen.--7) A. Verginius, rom. rechtsgeleerde, omstreeks 100.--8) L. Verginius Rufus, legatus pro praetore van Germania Superior onder Nero en Otho, wees na den dood van Vindex (z. a.) en in 69 na C. na den dood van Otho het aanbod zijner troepen van de hand, hem tot keizer uit te roepen. In zijn sterfjaar, 97, was hij met keizer Nerva consul. Tacitus hield eene lijkrede op hem. Hij was een vaderlijke vriend voor den jongeren Plinius. Hij maakte ook gedichten.

Verna of vernaculus is een slaaf, die in zijns meesters huis geboren is. Uit den aard der zaak waren zij in den regel vrijpostiger dan gekochte slaven.--Vernaculae legiones zijn troepen, bestaande uit personen, die bij de werving nog geen Romeinsche burgers waren, maar dit recht verkregen, zoodra zij ingelijfd waren; dus = milites libertini.

Verolamium, hoofdstad der Catuvellauni, ten N.W. van Londinium (Londen), thans Old-Verulam, rom. municipium.

Veromandui, zie Viromandui, welke schrijfwijze beter is.

Verona, stad in Gallia Transpadana aan den Athesis, eerst aan de Euganei, later aan de Cenomani toebehoorende, sedert 89 met het ins Latii, sedert 49 een bloeiend rom. municipium, geboorteplaats van Catullus en Vitruvius. Verona, thans nog aldus geheeten, was de schoonste stad van Cisalpina. Het marmeren amphitheater, onder Diocletianus gebouwd, dat 22000 toeschouwers bevatten kon, is nog vrij goed bewaard gebleven.

Verres (C.) was in 82 quaestor van den consul Cn. Papirius Carbo in Cisalpina, doch liep tot de partij van Sulla over, de kas medenemende. Toch kreeg Sulla van het geld niet veel te zien, daar Verres beweerde dit te Ariminum (Rimini) te hebben achtergelaten, waar het bij de verwoesting der stad verloren zou zijn gegaan. Zijne verantwoording was merkwaardig. "Ontvangst HS 2235417; uitgaaf aan soldij, koren enz. HS 1635417; saldo te Ar. achtergelaten HS 600000." In 80 ging Verres als legaat van Cn. Cornelius Dolabella naar Cilicia, waar hij weldra na den dood van den quaestor C. Malleolus proquaestor werd. Zijn reis daarheen was een rooftocht. In Griekenland en Azië liet hij, zelfs bij dag, de tempels openbreken en beelden en kostbaarheden er uit wegvoeren. Toen Dolabella later van afpersingen was aangeklaagd, had V. de onbeschaamdheid als getuige tegen hem op te treden. Met een deel van den geroofden buit wist hij zich tegen 74 tot praetor te doen verkiezen. Zijne praetuur (de praetura urbana) was, zooals men denken kan, eene bespotting van het recht, eene onafgebroken reeks van rechtsverkrachtingen. In 73 werd hij propraetor van Sicilia, waar hij drie jaar bleef. In die drie jaar mergelde hij de provincie uit. Behalve dat hij den landbouwers hun koren afperste en hun dan het graan, dat zij moesten leveren, uit hun eigen voorraad duur verkocht, om ten slotte nog het geld, dat de senaat hem tot aankoop van koren toezond, in zijn eigen zak te steken, waren ook geen kunstwerken of kostbaarheden voor hem veilig. Hij hield er spionnen op na om na te speuren, wie iets in bezit had, wat van zijne gading kon zijn. Op verzoek der Siciliërs trad Cicero in 70 als aanklager op en beschuldigde Verres voor 40 millioen sestertiën op Sicilië gestolen en afgeperst te hebben. Ten spijt van alle kuiperijen van Verres en diens machtige vrienden (zie Tullii no. 5), handelde Cicero met zooveel voortvarendheid en doortastendheid en overstelpte hij Verres met zooveel onwederlegbare bewijzen, dat diens verdediger Hortensius het pleit opgaf en Verres zich in ballingschap naar Massilia (Marseille) begaf.

Verrius Flaccus (M.), rom. taalgeleerde onder Augustus en Tiberius, leermeester van de kleinzonen van Augustus, schrijver van een groot alphabetisch geordend werk de verborum significatu (zie Festus no. 2), ook geciteerd als libri rerum memoria dignarum, en van de Fasti Praenestini, waarvan nog fragmenten over zijn.

Verticordia, bijnaam aan Venus (z. a.) gegeven, wegens haar invloed op het menschelijk hart. In 114 werd haar een tempel gewijd met de bede, dat zij de vrouwen van onkuischheid zou afhouden.

Vertumnus of Vortumnus, god van verandering of afwisseling, in het bijzonder van de afwisseling der jaargetijden, die de vruchten doet rijpen, maar verder ook van de veranderingen in de gezindheid der menschen, van ruilhandel, enz. Hij zelf bezat het vermogen allerlei gedaanten aan te nemen en maakte daarvan gebruik, toen hij de liefde van Pomona trachtte te winnen, wat hem eerst gelukte, nadat hij, als oude vrouw vermomd, gehoor bij haar had gekregen. Hij had een beeld in den vicus Tuscus, waarom hij voor een oorspronkelijk etrurisch god gehouden werd, en een tempel aan den voet van den Aventinus; deze tempel was door M. Fulvius Flaccus na zijn verovering van Volsinii gesticht. Vortumnus was waarschijnlijk de hoofdgod van Volsinii; zie ook Voltumna. Men bracht hem offers op den 13 Augustus. Men verwarre dezen god niet met Volturnus (z. a.).

Verulae, hooggelegen stad der Hernici in Latium.

Verulamium = Verolamium.

Verus (L. Aurelius), zoon van L. Aelius Verus (zie Annii no. 6), jongere broeder en mederegent van keizer Marcus Aurelius en indertijd met dezen door Antoninus Pius tot zoon aangenomen. Vóór zijn adoptio heette hij L. Ceionius Commodus, en hij wordt nog vaak door de schrijvers Commodus genoemd. Hij was te veel overgegeven aan een weelderig en gemakkelijk leven om iets te beteekenen. Zijne regeering (als zij dezen naam verdient) duurde van 161 na C. tot 169, toen hij stierf. In 162 trok hij naar het Oosten, om tegen de Parthen te strijden, die in het rijk gevallen waren. Hij bleef echter in Antiochia achter, en liet den oorlog, die van 161-166 duurde, door zijne legaten voeren. Door de verovering van Artaxata (163) werd Armenia tot een rom. vazalstaat. Ten gevolge van de veldtochten van Avidius Cassius (zie Cassii no. 18) werd in 166 de vrede met Vologeses gesloten, kwam Osroene onder rom. invloed en werd Carrhae rom. kolonie. Daarna trok Verus met M. Aurelius tegen de Marcomannen, maar stierf in 169 te Altinum.

Vesbius, Vesevus = Vesuvius.

Vescelia, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis, in het gebied van den Anas (Guadiana).

Vescia, verdwenen stad der Aurunci of Ausones in Latium in eene liefelijke streek, ager Vescinus, die tusschen den Liris en den mons Massicus lag.

Veseris, een vlek of een riviertje (dit is onzeker) in Campania aan den Vesuvius.

Vesevus = Vesuvius.

Vesontio, thans Besançon, hoofdstad der Sequani in Gallia aan den Dubis (Doubs), die zoo de stad omspoelde, dat hij haar bijna geheel insloot, terwijl het openliggende gedeelte afgesloten werd door een berg, waarop de burcht lag. Er zijn tal van overblijfsels uit den rom. tijd aanwezig.

Vespasianus (T. Flavius), romeinsch keizer 70-79 na C., in 9 na C. te Reate in het sabijnsche land geboren, was de zoon van Flavius Sabinus en Vespasia Polla. Hij ging reeds vroeg in krijgsdienst, was krijgstribuun in Thracia, quaestor van Creta en Cyrenaica, daarna te Rome aediel en vervolgens praetor, en werd door Claudius als legatus legionis naar Germania en in 43 naar Britannia gezonden. In 51 was hij consul, trok zich toen uit vrees voor Agrippina een tijd lang uit het openbare leven terug, totdat in 59 Nero hem als proconsul naar Africa zond. In 66 werd hem door Nero opgedragen, den opstand in Judaea te dempen, en deze taak was nog niet volbracht, toen hij in den zomer van 69 door zijn leger tot keizer uitgeroepen en door het geheele Oosten erkend werd. Na de overwinning bij Cremona en den dood van Vitellius kwam V. in 70 onder groot gejuich van het volk te Rome. Hij regeerde zacht en gematigd, wat het inwendig bestuur betreft, doch krachtig, wat de bescherming der grenzen en de tucht in de legers aangaat. De Parthen ontzagen hem en lieten hem met rust, zijn zoon Titus voltooide de onderwerping der Joden en zijn veldheer Petillius Cerealis dempte den gevaarlijken opstand der Batavieren. Door eene naar den zin der Rom. te groote zuinigheid (zie mimus) stijfde hij de uitgeputte schatkist. Hij heeft veel gebouwd, zie o.a. Amphitheatrum aan het einde. Na den terugkeer van Titus hield V. met dezen een luisterrijken zegetocht over de Joden. Door hem werd in 76 of 77 Agricola naar Britannia gezonden. In 79 stierf V. op de badplaats Aquae Cutiliae. Zijn zoon Titus volgde hem op.--V. had twee broeders. Omtrent Flavius Sabinus, zie Sabinus no. 3. De andere broeder, Flavius Clemens, huwde met zijne nicht Domitilla, eene dochter van Vespasianus en van de vrijgelatene Flavia Domitia. Domitianus liet hem later ombrengen, evenals den zoon van Sabinus.

Vesperna, avondeten in den ouden tijd, z. coena.

Vesta, godin van den huiselijken haard en het haardvuur, in beteekenis gelijk aan de grieksche Hestia, maar door de Rom. hooger in eere gehouden dan deze door de Grieken. Zij werd in ieder huis gemeenschappelijk met de Laren en Penaten vereerd, maar had bovendien een zeer heiligen tempel bij de regia, waar op haar altaar een eeuwig vuur brandde, dat als het haardvuur van den geheelen staat beschouwd werd, en waarheen de rom. vrouwen jaarlijks den 9den Juni (Vestalia) in processie trokken. Deze Vestalia werden echter niet alleen door de rom. vrouwen gevierd, maar het was ook de feestdag der bakkers en molenaars. Het heilige vuur werd jaarlijks den 1sten Maart met bijzondere plechtigheid vernieuwd, ging het bij ongeluk eens uit, dan werd dit als een zeer slecht voorteeken beschouwd, en moest het door het wrijven van hout opnieuw ontstoken worden. In het binnenste van den tempel van Vesta, de penus Vestae geheeten, werden behalve den door de Vestaalsche maagden bereiden offervoorraad (zie hieromtrent onder Vestales), ook volgens de overlevering het Palladium en de Penaten van den staat bewaard, die door Aeneas van Troje naar Lavinium gebracht waren; ook in deze stad had zij een zeer oud heiligdom, waar de hoogere rom. magistraten kort na de aanvaarding van hun ambt gingen offeren. Te Rome werd de dienst van Vesta met groote nauwgezetheid waargenomen door zes maagdelijke priesteressen, die aan zeer strenge tucht onderworpen waren, maar daarentegen in hoog aanzien stonden en buitengewone voorrechten genoten (z. Vestales).

Vestales, ook virgines Vestae geheeten, vestaalsche maagden. In den Vesta-tempel, de heilige haardstede van den rom. staat, werd de dienst door zes priesteressen waargenomen. De voornaamste taak der dienstdoende Vestalin was te zorgen dat het vuur in den tempel niet uitging; doch bovendien hadden de priesteressen nog andere plichten te vervullen, o. a. het bereiden van het gezouten offermeel (mola salsa), waarmede de offerdieren bestrooid werden, het bewaren van bloed en asch van sommige offers, die later als reinigingsmiddelen dienst moesten doen, het opzenden van gebeden voor volk en staat, later ook voor den keizer en diens gezin, enz. Ging het vuur uit, dan werd de nalatige priesteres door den opperpontifex gegeeseld. Slechts éénmaal 's jaars, den 1en Maart, den dag waarop oudtijds het jaar begon, moest het vuur uitgaan, om dan vernieuwd te worden. Nooit mocht het van buiten ingebracht worden, het moest in den tempel zelf door wrijving van hout ontstoken worden. Evenals het vuur een zinnebeeld van reinheid is, moesten ook Vesta's priesteressen hare maagdelijke kuischheid bewaren; anders werden zij levend in een graf ingemetseld, terwijl ook haar verleider met den dood gestraft werd. Volgens de lex Papia (z. a.) koos de pontifex maximus, wanneer er een plaats als Vestalin te vervullen viel, naar goedvinden 20 meisjes uit, niet jonger dan zes en niet ouder dan tien jaar; deze moesten vrij van lichaamsgebreken zijn, hare ouders, vader en moeder, nog in leven zijn en per confarreationem gehuwd zijn. Uit deze 20 werd door het lot ééne aangewezen en door den pontifex maximus als vestaalsche maagd aangenomen (virginem capere). Hoewel er enkele redenen tot vrijstelling waren, b.v. wanneer reeds eene zuster in Vesta's dienst was of wanneer het kind reeds aan een pontifex verloofd was of wanneer de vader tot de flamines, augurs, XV viri sacris faciundis of septemviri epulones behoorde, kon men zich zonder zulk een reden niet aan de keus onttrekken. Ook konden ouders hunne dochters aanbieden. Tien jaar lang bleef de Vestalin leerlinge in den dienst, daarna moest zij tien jaar dienst verrichten, vervolgens tien jaar als leermeesteres der nieuwelingen werkzaam zijn. Na die 30 jaren mocht zij huwen, hetgeen echter ongaarne gezien werd. De virgines Vestales genoten groote eer. Zij waren sui iuris, zij alleen mochten te Rome op een wagen rijden, bij openbare feesten en spelen hadden zij de eereplaats. Op straat werden zij voorafgegaan door een lictor, zelfs de consul week voor haar uit, terwijl zijne lictoren hunne roedenbundels naar den grond gericht hielden (fasces submittere). Wanneer zij een veroordeelde ontmoetten, was deze vrij. Zie ook Claudii no. 12. De vestaalsche maagden droegen over het gewone vrouwengewaad een soort van linnen jakje, verder het suffibulum en de infula. Aan haar hoofd stond de virgo maxima.

Vestibulum, een voorplein voor een aanzienlijk rom. huis, aan drie zijden door muren ingesloten. In de teekening op bl. 241 is wel eene kleine inspringende ruimte als vestibulum aangegeven, doch men vergete niet, dat daar slechts een woning van zeer matigen omvang in eene landstad is voorgesteld, die niet te vergelijken is met de paleizen der rijken te Rome.

Vestini, rom. geslacht uit den keizerstijd. 1) L. Vestinus, uit Vienna (Vienne) aan den Rhodanus (Rhône) in Gallia, bij keizer Claudius zeer gezien.--2) M. Vestinus Atticus, zoon van no. 1, eerst een vriend van Nero, later van hem afkeerig. Hij bespotte en beleedigde zelfs den keizer, die hem eerst vruchteloos in de samenzwering van Piso zocht te betrekken, en hem ten slotte, omdat hij met Statilia Messalina getrouwd was, in zijn eigen huis liet overvallen en om het leven brengen (65 na C.).--3) L. Vestinus, ook een zoon van no. 1, herbouwde voor Vespasianus het afgebrande Capitool.

Vestini, Ouestinoi, kleine sabellische volksstam aan de Adriatische zee, gewoonlijk in éénen adem genoemd met de verwante Marsi, Marrucini en Paeligni, met wie zij verbonden waren. Zij werden in 301 onderworpen door de Rom. en namen in 90 deel aan den opstand der bondgenooten.

Vestricius Spurinna, z. Spurinae no. 2.

Vesulus mons, thans Monte Viso, in de Cottische Alpen, een der weinige Alpentoppen, waarvan een rom. naam bekend is. Op dezen berg ontspringt de Padus (Po).

Vesuvius, Vesevus, Vesbius, Ouessouios, Besbios, thans nog Vesuvius, de bekende vulkaan bij Napels. Gedurende den geheelen tijd van Rome's bestaan schijnt de berg in rust te hebben verkeerd tot aan de vreeselijke en geheel onverwachte uitbarsting van 79 n. C., waardoor o. a. Herculaneum en Pompeii bedolven werden. Door deze en latere uitbarstingen is het uiterlijk van den berg geheel veranderd.

Vetera, voluit Castra Vetera, rom. sterkte, in de geschiedenis van den bataafschen opstand bekend, zeer nabij het tegenw. Xanten aan den Rijn. Zie verder onder Castra.

Vettii. 1) T. Vettius, romeinsch ridder, veroorzaakte in 104 in Campania een slavenopstand.--2) P. Vettius Scato (Cato), een van de aanvoerders der bondgenooten in den marsischen oorlog, die den Rom. eenige nederlagen toebracht (90), doch op den duur het onderspit moest delven. Toen de bondgenooten zich langzamerhand aan de Rom. onderwierpen, kon Vettius er niet toe besluiten de wapens neer te leggen, en toen zijne eigene soldaten hem aan den rom. consul Cn. Pompeius Strabo wilden uitleveren, liet hij zich door een slaaf dooden.--3) L. Vettius, rom. ridder, behoorde tot de Catilinarii, maar verried daarna zijne medeplichtigen (63). Later liet hij zich door Caesar gebruiken, om eene samenzwering tegen Pompeius te verdichten en o. a. Scribonius Curio en diens zoon (Scribonii no. 5 en 6) en anderen er van te beschuldigen (59). De volkstribuun P. Vatinius kwam hierop met een wetsvoorstel voor den dag om tegen de door Vettius genoemde personen een gerechtelijk onderzoek in te stellen. Intusschen, zóó ver kwam het niet. Vettius was in zijne verklaringen zoo met zichzelf in strijd, dat hij zelf in de gevangenis werd geworpen. Daar vond men hem op zekeren dag dood, waaraan Caesar of Vatinius verdacht wordt niet vreemd te zijn geweest.--4) Vettius Valens, beroemd geneesheer onder Claudius.--5) Vettius Polanus, diende onder Domitius Corbulo in Armenia, werd door Vitellius als stadhouder naar Brittannia en door Vespasianus naar Asia gezonden.

Vettona, klein plaatsje in Umbria, aan den bovenloop van den Tiber, ten Z. van Perusia, tgw. Bettona.

Vettones, Ouettones en Ouettones, aanzienlijk volk in Lusitania tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag). Hoofdstad: Salmantica (Salamanca). Van hen wordt verhaald, dat zij in het eerst de rom. officieren, die zij zagen wandelen, met geweld naar het kamp terugbrachten, omdat zij meenden dat men krankzinnig moest wezen, om zich noodeloos zoo te vermoeien.

Vetulonia, Ouetoulonion, eene der 12 etrurische bondssteden, niet ver van de kust, ten N. van Rusellae. De stad is vroeg vervallen; ze lag in de beruchte koortsstreek der Maremmen. In de nabijheid waren warme bronnen, aquae Vetuloniae. Volgens het verhaal zouden de Rom. de fasces, sella curulis, toga praetexta en tuba aan de Vetuloniërs ontleend hebben.

Veturii. 1) Veturius Mamurius, beroemd wapensmid, zie ancile.--2) P. Veturius Geminus Cicurinus, consul in 499, overwon de Fidenaten, en zijn broeder T., consul in 494 de Aequers.--3) T. Vetur. Gem. Cicurinus, consul in 462, hield een ovatio (z. a.) over Aequers en Volscers.--4) C. Vetur. Cicur., consul in 455, overwon ook de Aequers.--5) onder de decemviri en consulairtribunen komt een vijftal Veturii Crassi Cicurini voor.--6) T. Veturius Calvinus was een der consuls, die in 321 bij Caudium door de Samnieten werden ingesloten. Hij en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albinus (Postumii no. 7) werden door den senaat, die het gesloten verdrag verwierp, aan de vijanden uitgeleverd, doch de Samnieten zonden hen naar Rome terug. In 334 waren beiden ook te zamen consul geweest.--7) L. Veturius Philo was consul in 220. In 217 tot dictator comitiorum habendorum causa benoemd, moest hij als vitio creatus aftreden. In 210 was hij censor, maar stierf tijdens de censuur.--8) L. Veturius Philo, misschien een zoon van no. 7, onderscheidde zich in 207 als legaat in den slag bij den Metaurus, in 206 was hij consul en onderwierp Lucania weder. In 202 diende hij onder Scipio in den slag bij Zama, en bracht daarna het bericht van de overwinning naar Rome over.--9) Veturia, moeder van Coriolanus, zie Marcii no. 3.

Vexillum, zie signum no. 2.

Viadus, rivier in Germania, thans Oder.

Viatores, staatsboden in dienst van sommige rom. overheden, als: consuls, praetoren, censoren, volkstribunen, aedielen e. a. Zij werden gebruikt om boodschappen over te brengen, oproepingen te doen, iemand in hechtenis te nemen. Zie verder apparitores.

Vibii, rom. gesl. van samnietischen oorsprong. 1) C. Vibius Pansa Caetronianus, eerst uit Rome om zijne mariaanschgezindheid verbannen, sloot zich na zijn terugkeer bij Caesar aan, onder wien hij ook in Gallia diende. In 51 werd hij volkstribuun, in 47 en 46 stadhouder van Bithynia, in 45 van Gallia Cisalpina. Na Pompeius' dood was hij voor een aantal personen bij Caesar voorspraak. Na Caesars dood was hij in 43 consul met A. Hirtius (z. a.). In den mutinensischen oorlog tegen M. Antonius sneuvelden Pansa en Hirtius beiden in de nabijheid van Mutina.--2) Vibius Gallus, rom. rhetor onder Augustus, oefende zich zoolang in het nabootsen van krankzinnigen, tot hij zelf krankzinnig werd.--3) C. Vibius Postumus streed met goed gevolg 9 na C. tegen de opstandelingen in Dalmatia.--4) C. Vibius Marsus was legaat van Germanicus in het O. en bracht na diens dood Agrippina naar Rome. Onder Claudius was hij stadhouder van Syria.--5) Vibius Serenus was in 16 n. C. één van de aanklagers van Scribonius Libo (Scribonii no. 9); hij werd in 24 door zijn eigen zoon bij Tiberius aangeklaagd van hoogverraad, doch door den keizer begenadigd.--6) Q. Vibius Crispus, redenaar ten tijde van Domitianus.--7) C. Vibius Trebonianus Gallus, uit Perusia, rom. keizer 251-253 na C. Zie Gallus.--8) C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus Volusianus, gewoonlijk Volusianus genoemd, zoon van no. 7 en door zijn vader tot Caesar aangenomen; zie Gallus.--9) Vibius Sequester, schrijver van een saai werkje de fluminibus, fontibus, lacubus, nemoribus, paludibus, montibus, gentibus, quorum apud poëtas mentio fit, leefde in de 4de of 5de eeuw na C.

Vibisci, zie Bituriges.

Vibo, zie Valentia no. 4 en Hippo no. 4.

Vibullius Rufus (L.), aanhanger van Pompeius, eerst door dezen als onderhandelaar met Caesar gebruikt, werd in den burgeroorlog tweemaal door Caesar gevangen genomen doch weder vrijgelaten en de tweede maal met vredesvoorstellen tot Pompeius gezonden.

Vica Pota, v. s. een andere naam voor Victoria, de rom. godin der overwinning; anderen leiden haar naam af van victus en potus, zoodat ze op eten en drinken betrekking zou hebben. Zij had een heiligdom aan de Velia.

Vicarius heette de slaaf van een slaaf. Wanneer toch aan een slaaf door zijn meester het genot van eenig vermogen was toegestaan, b.v. een deel van zijne verdiensten (zie peculium), hetgeen meermalen het geval was met slaven, die een ambacht beoefenden en op zichzelf woonden, dan kon zulk een slaaf op zijne beurt ook soms weder een slaaf koopen en in zijn dienst gebruiken.--Onder Constantijn den Gr. was vicarius de titel van een stadhouder over eene der dioecesen, waarin elke praefectuur verdeeld was. Zie praefectura.

Vice(n)tia, thans Vicenza, stad der Veneters tusschen Patavium (Padua) en Verona.

Victor, Victrix, bijnaam van Jupiter, Mars, Hercules, Venus en Minerva. Ook sommige rom. legioenen kregen den bijnaam Victrix.

Victor. 1) C. Iulius Victor, schrijver van een klein werkje, ars rhetorica Hermagorae etc. Hij leefde in de 4de eeuw n. C.--2) S. Aurelius Victor, zie Aurelii no. 12.

Victoria, Victorina, zie Victorinus.

Victoriati, z. Bigati.

Victorinus (M. Piavonius), een Galliër, die onder de regeering van Gallienus, in het zoogen. tijdperk der 30 tyrannen, in het begin van 268 n. C. door Postumus (z. a.) tot mederegent werd aangenomen, maar in 269 of 270 te Colonia Agrippina (Keulen) met zijn zoon vermoord werd. Een grooten invloed had tijdens zijn regeering en daarna zijne moeder Victorina (Victoria), die eerst M. Aurelius Marius tot keizer liet uitroepen, en toen deze door zijne soldaten vermoord was, Tetricus (z. a.). De berichten omtrent dezen tijd zijn echter zeer verward en onzeker.

Victumalae, plaatsje ten W. van den Ticinus, waar in 218 P. Cornelius Scipio (Cornelii no. 11) door Hannibal verslagen werd.

Vicus. 1) onderafdeeling eener tribus urbana (zie tribus), dus eene wijk. Aan het hoofd daarvan stond een magister vici. De bewoners eener wijk hadden gemeenschappelijke godsdienstige feesten, compitalia (z. a.), en gemeenschappelijke lares compitales.--2) naam van sommige straten te Rome, als: vicus Tuscus, vicus Iugarius, vicus Longus e. a.--3) buiten de stad beteekent het woord een dorp of een vlek. Deze vici droegen den naam van fora en conciliabula, als het markt- en gerechtsplaatsen en centra voor de lichting waren. Zij hadden niet de rechten van een municipium; waren zij versterkt, dan heetten zij castra of castella.

Viduus, een god, door wien de ziel van den mensch bij zijn dood van het lichaam gescheiden wordt. Hij had een tempel buiten Rome.

Vienna, thans Vienne, hoofdstad der Allobroges aan den Rhodanus (Rhône), ten Z. van Lugdunum (Lyon).

Vigintisexviri, gemeenschappelijke naam van eenige magistraten van lageren rang: Xviri stlitibus iudicandis, IVviri iuri dicundo of praefecti Capuam Cumas, IIIviri monetales, IVviri viis in urbe et IIviri viis extra urbem purgandis, IIIviri capitales. Nadat Augustus de IVviri iuri dicundo en de IIviri viis extra urbem purgandis had afgeschaft, werden de overigen gezamenlijk vigintiviri genoemd.

Vigintiviri, zie vigintisexviri.

Villa. Uit den aard der zaak waren er groote en kleine buitenverblijven. Over het algemeen waren zij minder gebouwd met het oog op regelmaat, dan wel op gemak en zooveel mogelijk er op ingericht om in verschillende jaargetijden aan verschillende zijden bewoond te worden. Men onderscheidde de villa urbana of het heerenhuis en de villa rustica of boerderij. Het buitenverblijf van een rijken Romein vereenigde alle gemakken in zich. Behalve woon-, slaap-, eet-, studeer- en ontvangvertrekken had men er de onmisbare badkamers, sphaeristeria of zalen voor het balspel, gesloten en open gaanderijen om met alle weer beweging te kunnen nemen (zie ook cryptoporticus), soms een of meer torens om een ruim uitzicht te genieten, verder een wandelpark met boschjes, vijvers, volières, meermalen eene diergaarde enz. De groote buitenplaatsen aan zee hadden dikwijls vijvers voor zeevisch, die met eene sluis waren afgesloten. Ook gebeurde het wel, dat er van de kust uit dammen in zee werden aangelegd om op de daartusschen aangeplempte ruimte het heerenhuis te kunnen bouwen met een onbelemmerd uitzicht.--De boerderij bestond in den regel uit een of meer binnenpleinen, waaromheen de woning, de stallen en schuren stonden. In het midden dezer binnenplaatsen (cohortes, cortes) waren waterbekkens. In het hoofdgebouw was de woning van den opzichter of meier (villicus), in de bijgebouwen de vertrekken voor de slaven (zie cella), de wijn- en oliepersen (torcularia), de wijn- en oliekelders (cella vinaria, olearia) enz. Dan behoorde er een hoenderhof bij met allerlei soorten van hoenders, ook fazanten en pauwen, en een duiventil. Op de boerderij was ook het ergastulum of de slavengevangenis, een groot vertrek, niet geheel onder, maar toch in den grond gebouwd, dat zijn licht ontving door getraliede vensteropeningen boven in den muur.--Villa publica is de naam van het ambtslokaal der censoren op het Campus Martius.

Villia (lex) annalis, van den volkstribuun L. Villius in 180, waarnaar de familie den bijnaam van Annalis kreeg. Zij bevatte bepalingen omtrent den leeftijd, waarop men naar eenig ambt mocht dingen en de volgorde, waarin de ambten bekleed moesten worden. Uit het voorbeeld van Tib. Gracchus, die reeds vóór zijn 17de jaar in dienst ging en op zijn 27ste jaar quaestor werd, en dat van Cicero, die drie jaar in Griekenland doorbracht en op zijn 31ste jaar quaestor was, en uit enkele andere gegevens, mag men vermoedelijk het volgende opmaken. In den regel ging men na zijn 17den verjaardag in dienst en moest men 10 dienstjaren hebben. Had men die jaren nu achtereen uitgediend, dan kon men reeds op zijn 27ste jaar naar de quaestuur dingen, anders eerst later. Zes jaar na de quaestuur kon men de aediliteit of het volkstribunaat bekleeden, drie jaar daarna de praetuur en nog drie jaar later het consulaat. Cicero was quaestor op zijn 31ste, aediel op zijn 37ste, praetor op zijn 40ste, consul op zijn 43ste jaar. De genoemde ambten moesten in deze volgorde worden doorloopen. Aediliteit en volkstribunaat schijnen op ééne lijn te hebben gestaan, zoodat men kiezen kon, naar welk van beide men wilde dingen.

Villicus, de opzichter der boerderij, meestal een vrijgelatene. Zie villa.

Villii, een plebejisch geslacht. 1) P. Villius Tappulus, consul in 199, kreeg het opperbevel in den macedonischen oorlog, doch kon niet veel uitvoeren. Hij werd opgevolgd door T. Quinctius Flamininus. In 192 volbracht hij eene zending bij koning Antiochus van Syria, bij welke gelegenheid hij Hannibal te Ephesus ontmoette.--2) L. Villius, volkstribuun in 180; zie Villia lex.--3) C. Villius, deelgenoot der plannen van Ti. Gracchus, verloor met dezen het leven.--4) L. Villius Annalis, in 43 door de driemannen vogelvrij verklaard, werd verraden door zijn eigen zoon, die tot belooning quaestor werd, doch later zelf werd omgebracht door de soldaten die zijn vader hadden gedood.

Viminacium, vesting aan den Donau, en hoofdstad van Moesia Superior.

Viminalis (collis) = biezenheuvel, een der bergen, waarop Rome gebouwd was, gelegen tusschen den Collis Quirinalis en den Mons Cispius.

Vinalia, wijnfeesten.--1) V. priora, een feest, den 23sten April te Rome gevierd, waarbij men aan Jupiter offerde en bij den tempel van Venus jongen wijn uitgoot. Het werd later beschouwd als een herinnering aan eene gelofte van Aeneas (z. Mezentius).--2) V. rustica, een feest, dat den 19den Augustus in de wijnbergen gevierd werd, en waarbij de flamen Dialis aan Jupiter een lam offerde.

Vindelicia, Ouindelikia, sedert 15 rom. Donauprov., ten N. door den Donau begrensd, en zich van den Aenus (Inn) in westelijke richting uitstrekkende tot aan het land der Helvetii (de lacus Brigantinus, meer van Konstanz of Bodensee, lag nog in Vindelicia). Ten Z. grensde het gewest aan Raetia, waarmede het ééne provincie uitmaakte. In later tijd maakte V. de provincie Raetia II uit. De Vindelici waren Kelten. Hoofdstad: Augusta Vindelicorum, thans Augsburg, aan den Licus (Lech). Aan de samenvloeiing van Donau en Inn lag Batava Castra, thans Passau.

Vindex (C. Iulius), een Galliër, uit een vorstelijk aquitanisch geslacht gesproten, generaal in rom. dienst, werd door Nero als propraetor over Gallia Narbonensis aangesteld. Over Nero's onwaardigheid en dwingelandij verbitterd, kwam hij in 68 n. C. tegen hem in opstand, doch niet met de bedoeling zichzelf te verheffen. Hij droeg den Galliërs zelfs op, hem te dooden, zoo hij naar de heerschappij streefde. Hij omhelsde de zaak van Galba. Met Verginius Rufus, stadhouder van Germania Superior (zie Verginii no. 8), sloot hij eene overeenkomst, doch door een misverstand geraakten beider troepen bij Vesontio (Besançon) slaags; Vindex werd overrompeld en benam zichzelf het leven.

Vindex, qui vim dicit, die met geweld dreigt, n.l. in goeden zin, als men iemand wil aanranden, dus: handhaver van het recht, wreker, beschermer, verdediger. In rechten is vindex degene, die bij eene in ius vocatio zich in plaats van den gedaagde stelt en bij de manus iniectio door zijne tusschenkomst de inhechtenisneming verhindert en de zaak van den gegrepene tot de zijne maakt, dus: bevrijder, redder, borg. Vandaar komt vindex ook in de beteekenis van plaatsvervanger voor. Overdrachtelijk ook: iemand die den knoop doorhakt.

Vindicare, vindicatio. Vindicatio is oorspronkelijk de handhaving van zijn recht (vgl. vindex), een zinnebeeldige handeling bij strijd over eigendomsrecht. Beide partijen betraden b.v. den betwisten grond in tegenwoordigheid van den praetor en van getuigen (superstites); later bracht men slechts eene kluit aarde mede, die men van den grond in kwestie had medegenomen en die vindiciae genoemd werd, omdat zij gevindiceerd werd. Elke der partijen raakte de kluit met het zinnebeeldige roedje, vindicta of festuca (eigl. een grashalm, op de betwiste plaats geplukt) aan en verklaarde deze voor zijn eigendom (vindicatio en revindicatio). In ruimeren zin is vindicatio de actie over eigendomsrecht in het algemeen. Zij had ook plaats bij geschillen over eigendomsrecht, alsmede in processen over vrijheid of onvrijheid, causae liberales (zie assertor, vgl. ook manumissio). Vandaar de uitdrukking aliquem in libertatem vindicare, iemands vrijheid eischen, iemand bevrijden. Ook komt vindicare in de beteekenis voor van straffen, wreken (aliquid, in aliquem); in het latere Latijn ook: se vindicare ab aliquo, zich op iemand wreken.

Vindicius, een slaaf te Rome, die de samenzwering ten gunste van den verdreven koning Tarquinius Superbus aan het licht bracht en met vrijheid en burgerrecht werd beloond; zie Valeriae leges no. 2.

Vindicta = festuca, zie vindicare.

Vindili = Vandali.

Vindius mons, gebergte langs de Noordkust van Hispania, het tegenw. Cantabrisch gebergte.--2) Ouindion oros, gebergte in India dat Noord-Indië van Dekhan scheidt, tgw. Vindhja.

Vindobona, keltische stad, rom. municipium in Pannonia, ligplaats der Donauvloot; thans Weenen. Keizer Marcus Aurelius overleed hier, 180 na C.

Vindonissa, stad der Helvetii, aan den Arurius (Aar), thans Windisch, met belangrijke overblijfsels, o. a. van eene waterleiding en een amphitheater.

Vineae, schutdaken, als het ware kramen, van een stevig dak voorzien en die aan de zijden naar verkiezing konden geopend en gesloten worden. In den regel waren zij bij de 5 meter lang. Door een aantal zulke vineae aan elkander te schuiven, vormden de belegeraars een overdekten gang, waarin zij schotvrij waren en waar de stormram (zie aries) werken kon. Van boven werden zij gedekt met gelooide of ongelooide huiden, om te voorkomen dat zij vuur zouden vatten door de brandbare stoffen, die de belegerden er op wierpen.

Vinicii. 1) P. en L. Vinicius, twee broeders, van wie de eerste een middelmatig, de tweede een goed redenaar was, vooral bedreven in het spreken voor de vuist. De laatste was in 51 volkstribuun, in 33 consul.--2) M. Vinicius, consul in 19, diende onder de regeering van Augustus in Germania en Pannonia.--3) L. Vinicius, zoon van L. Vinicius no. 1, een edel jongeling, gunsteling van Augustus.--4) M. Vinicius, wiens vrouw eene zuster van Caligula was, hoopte te vergeefs dezen op te volgen. Later werd hij door Messalina, wier verleiding hij afwees, vergiftigd (46 n. C.). Velleius Paterculus droeg aan hem zijn geschiedwerk op.

Vinii. 1) T. Vinius werd van de proscripties der driemannen gered door zijne vrouw en door de trouw van een vrijgelatene, T. Vinius Philopoemen, die later door de gunst van Augustus rom. ridder werd.--2) C. Vinius Fronto Asella, buurman van Horatius.--3) T. Vinius Rufinus, legaat en medeconsul van keizer Galba (68 na C.), gehaat om zijne laagheden en hebzucht, werd met Galba vermoord.--4) Vinia Crispina, dochter van no. 3, bij haars vaders leven verloofd met Otho (keizer in 69), kocht voor hoogen prijs het hoofd haars vaders van diens moordenaars.

Vipsanii. 1) M. Vipsanius Agrippa werd in 63 uit een onaanzienlijk geslacht geboren. Door gemeenschappelijke studiën in nauwere aanraking met Octavianus gekomen, werd hij diens boezemvriend en intieme raadsman. Eerst onderscheidde hij zich in den perusijnschen oorlog (zie Antonii no. 6), waarna hij praetor werd. Vervolgens bedwong hij een opstand in Gallia, drong ook over den Rijn en werd in 37 consul. Hij legde vervolgens een oorlogshaven bij Baiae aan (zie Avernus lacus) en bouwde een nieuwe vloot voor de Tyrrheensche zee. In 36 bracht hij aan Sex. Pompeius gevoelige nederlagen ter zee toe op de sicilische kust bij Mylae en Naulochus. Met Octavianus streed hij nog voorspoedig in Illyria en Dalmatia, en werd in 33 aediel. Aan de overwinning bij Actium in 31 (zie Antonii no. 4) had Agrippa als admiraal het grootste aandeel; ook de nieuwe indeeling van Italia in het jaar 30 was zijn werk. Nog tweemaal bekleedde hij het consulaat, terwijl hij nog verschillende veldtochten ondernam en opstanden dempte, o. a. andermaal in Gallia, in Hispania, in Pannonia, totdat hij in 12 overleed. Augustus liet zijne uitvaart op prachtige wijze vieren. Agrippa is driemaal gehuwd geweest, eerst met Pomponia, de dochter van Atticus: uit dit huwelijk is no. 5 geboren; daarna met Marcella, zijne nicht (zie Claudii no. 38), wier broeder M. Claudius Marcellus (Claudii no. 37) door Augustus tot zoon was aangenomen en met diens dochter Iulia was gehuwd. Hij scheidde echter van Marcella en huwde na den dood van Marcellus diens weduwe, waardoor hij nu de schoonzoon van Augustus werd (22). Zijne beide zoontjes uit dit laatste huwelijk, Gaius en Lucius, werden door Aug. aangenomen; een derde zoon werd na 's vaders dood geboren en daarom Agrippa Postumus genoemd. Zie de genealogie aan het einde van het art. Iulii. Agrippa was ook een uitstekend schrijver en zeer bedreven in de aardrijkskunde. Hij liet eene groote kaart vervaardigen van alle heerbanen en kusten in het rom. gebied, waarvan talrijke copieën gemaakt werden (vgl. no. 4). Rome had voor zijne verfraaiing veel aan hem te danken door den aanleg van waterleidingen, baden, zuilengangen, tuinen, zijne grootste schepping echter is het Pantheon (z. a.) met zijn ontzaggelijk koepeldak. Het tegenwoordig Pantheon is echter niet van hem. Ook in de provinciën legde hij heerwegen en bouwwerken aan, o. a. te Lugdunum (Lyon) en te Nemausus (Nîmes).--2) Agrippa Postumus, derde zoon van no. 1, werd door Augustus naar het eil. Planasia verbannen en later na 's keizers dood op last van Tiberius omgebracht, 14 na C.--3) L. Vipsanius, oudere broeder van no. 1, door Caesar in den burgeroorlog gevangengenomen, had aan de voorspraak van Augustus zijne vrijheid te danken.--4) Polla Vipsania, zuster van no. 1 en 3, legde den grondslag tot de grootsche galerij, waarin haars broeders kaart op den muur was afgebeeld.--5) Vipsania Agrippina, dochter van no. 1 uit zijn eerste huwelijk, was gehuwd met Tiberius; op bevel echter van Augustus moest haar huwelijk na haars vaders dood verbroken worden, opdat Tiberius (tegen zijn zin) met Iulia zou kunnen huwen. Zij hertrouwde met C. Asinius Gallus. Zij stierf in 20 na C.

Vipstani. 1) C. Vipstanus Apronianus was consul in 59 na C. en in 69 stadhouder van Africa.--2) Vipstanus Messala, in den aan Tacitus toegeschreven dialogus de oratoribus voorkomende, diende in den oorlog van Vespasianus tegen Vitellius en onderscheidde zich door dapperheid, onpartijdigheid en welsprekendheid. Hij beschreef ook de geschiedenis van zijn tijd.

Virbius, z. Hippolytus. Bij Egeria had hij een zoon, die eveneens V. heette en onder Turnus tegen Aeneas streed. Oorspronkelijk is het een mannelijke godheid, die met Egeria hulp verleende bij geboorte.

Virdumaras = Viridomarus.

Virgilii = Vergilii.

Virginalis, Virgo, bijnaam van Juno, Fortuna, Minerva, Diana, Vesta en Victoria.

Virginii = Verginii.

Virgo, Parthenos, het sterrenbeeld de Maagd, z. Astraea.

Viriathas, een lusitanisch herder, een ware heldennatuur, was een der weinigen, die aan het verraderlijke bloedbad van 150 ontsnapten (zie Sulpicii no. 11). Hij werd nu eerst rooverhoofdman; door zijn lichaamskracht en zijn beleid kreeg hij zulk een aanhang, dat hij spoedig aan het hoofd der geheele lusitanische krijgsmacht stond en jaren lang aan de rom. legers het hoofd bood, totdat in 141 de consul Q. Fabius Maximus Servilianus hem eene nederlaag toebracht en in 140 vrede met hem sloot. Doch Fabius' broeder en opvolger Q. Servilius Caepio (consul in 140) verbrak verraderlijk den vrede en wist onder de vrienden van V. eenigen om te koopen om dezen te vermoorden (139). Met zijn dood was de kracht der Lusitaniërs gebroken.

Viridomarus, aanvoerder van de door de insubrische Galliërs te hulp geroepen Gaesaten, in 222 door den rom. consul M. Claudius Marcellus eigenhandig in den strijd doorstoken.

Viriplaca, misschien een bijnaam van Venus, eene godin, die vrede sticht tusschen twistende echtgenooten.

Viromandui, gallisch volk in het tegenw. Vermandois. Hoofdstad: Augusta Viromanduorum (St. Quentin, ten N.N.O. van Parijs).

Visceratio, uitdeeling van vleesch, later ook van geld onder het volk bij de begrafenis van aanzienlijke Romeinen. Soms gaf men bij zulk eene gelegenheid openbare maaltijden, ook wel gladiatorenspelen.

Visellii, 1) C. Visellius Aculeo, familie van Cicero, een scherpzinnig jurist, een vriend van den redenaar Crassus (Licinii no. 12).--2) C. Visellius Varro, een neef van Cicero, een talentvol redenaar, die zijn best deed om Cicero uit de ballingschap te doen terugroepen.--3) C. Visellius Varro, was in 21 na C. legaat in Germania in den oorlog tegen Sacrovir.--4) L. Visellius Varro, zoon van no. 3, consul in 24 na C.

Vistula, grensrivier tusschen Germania en Sarmatia, thans Weichsel.

Visurgis, riv. in Germania, thans Weser.

Vitellia, oude stad in Latium, lid van den ouden Albaanschen bond, ten N.O. van het Albaansch gebergte.

Vitellii. 1) P. Vitellius was onder Germanicus legaat, eerst in Germania, later in het Oosten. Na Germanicus' dood trad hij op als aanklager van Piso. Na den val van Seianus werd hij aangeklaagd, opende zich de aderen, maar liet ze weer toebinden, en stierf in de gevangenis.--2) L. Vitellius was reeds onder Tiberius stadhouder van Syria en hield de Parthen onder streng bedwang. Hij stond ook in gunst bij Caligula en Claudius, doch was al te gedienstig jegens Messalina en later jegens Agrippina. Hij bekleedde samen met keizer Claudius de censuur in 47 na C. en volgende jaren.--3) A. Vitellius, rom. keizer, zoon van no. 2; zie Vitellius.--4) L. Vitellius, ook een zoon van no. 2, was nog slechter dan zijn broeder de keizer. Bij de inneming van Rome door de troepen van Vespasianus werd hij op last van diens veldheer M. Antonius Primus (zie Antonii no. 15) gedood.

Vitellius (A.), rom. keizer, in 69 n. C. door de legioenen aan den Rijn als zoodanig uitgeroepen. Hij had bij Tiberius, Claudius, Caligula en Nero in groote gunst gestaan. Door Galba naar den Rijn gezonden, bracht hij door te groote toegevendheid de soldaten op zijne hand en werd den 2 Jan. 69 te Keulen tot keizer uitgeroepen, 13 dagen voordat Galba door Otho werd onttroond. Zijne troepen (zie Caecinae no. 5) wonnen den slag bij Bedriacum op Otho's leger, waarop Otho zich van kant maakte. Vitellius liet het bestuur over aan onwaardige hovelingen en leefde alleen voor zijne zinnelijke lusten, waaronder onmatigheid en zwelgerij de hoofdrol vervulden. De praetoriaansche garde werd door hem ontbonden en een nieuwe van 20000 man gevormd. Intusschen bleven de soldaten zonder soldij. Op eens kwam te Rome het bericht der verheffing van Vespasianus. Vitellius scheen het gevaar gering te achten, hoewel generaals en troepen van hem afvielen en hij den slag bij Cremona (einde Oct. 69) verloor. Eindelijk gegrepen, werd hij door de soldaten van Antonius Primus (zie Antonii no. 15) met een strop om den hals door de straten gesleurd en werd zijn lijk in den Tiber geworpen (21 Dec. 69).

Vitruvius Pollio (M.), architect te Rome, tijdgenoot van Caesar en Augustus, de eenige rom. schrijver over bouwkunst, die ons een werk de architectura in 10 boeken heeft nagelaten, opgedragen aan Augustus.

Vivarium, bewaarplaats van levende dieren, ook tot aanfokking daarvan, zooals voor vogels en hoenders (vivarium avium of aviarium), voor hazen (leporarium), voor veldmuizen (glirarium), slakken (cochlearium), oesters (vivarium ostrearum), vijvers voor visschen (vivarium piscium of piscina), enz.

Vocates, volk in Aquitania niet ver van de spaansche grenzen.

Vocetius mons, boschrijk gebergte, oostelijk gedeelte van den Jura.

Voconia (lex) van den volkstribuun Q. Voconius Saxa in 169, tot beperking van het erfrecht van vrouwen. Zij bepaalde o. a. dat iemand, die op 100000 as gecenseerd was, geen vrouw tot heres kon benoemen; wel kon hij haar een legaat vermaken, doch de som der legaten mocht het aandeel van den heres of de heredes niet te boven gaan. Het doel was, te voorkomen dat groote fortuinen in handen van vrouwen kwamen; toch was de wet gemakkelijk te ontduiken, b.v. door een testamentum per aes et libram.

Voconii, een plebejisch geslacht, waartoe behooren een volkstribuun in 169 (zie lex Voconia), een legaat van Lucullus in den mithradatischen oorlog, een rechter in het proces van Cluentius in 66.

Vocontii, machtige keltische volksstam in Gallia Narbonensis, met de Rom. verbonden, doch volgens eigen wetten levende, in het tegenw. Provence en Dauphiné.

Vogesus mons = Vosegus.

Volaterrae, Oualaterrai, machtige etrurische zeestaat met de beide havens Luna en Populonia. Zij was een der 12 bondssteden, en lag op eene steile rots, waarvan de kruin slechts langs één moeielijken weg te genaken was. De hooge en zware muren zijn nog aanwezig. In den burgeroorlog hield de stad, die met meer andere etrurische steden sterk mariaansch gezind was, het beleg van Sulla's troepen tot 79 uit. Sulla zond er eene kol. van veteranen heen. Van dien tijd af verviel de stad. De stad zelve lag een eind landwaarts in; de kust was moerassig en gedekt door wadden, zie Vada.

Volcae, aanzienlijke keltische volksstam in Gallia Narbonensis tusschen de Pyrenaeën en den Rhodanus (Rhône), oudtijds zelfs over deze rivier. Er waren twee hoofdstammen, de Arecomici ten O. met de hoofdstad Nemausus (Nîmes) en de Tectosages met Tolosa (Toulouse) ten W. Tectosages vond men ook in het aziatische Galatia (z. a.).

Volcanal, Volcanalia, zie Vulcanus.

Volcanus, betere, doch minder algemeene schrijfwijze voor Vulcanus (z. a.).

Volcatii. 1) een vriend van Verres.--2) Volcatius Sedigitus (zesvingerige), ± 130, schrijver van een dichterlijken canon.--3) L. Volcatius Tullus, consul in 66, weigerde Catilina als candidaat naar het consulaat aan te nemen en verijdelde diens eerste samenzwering. Een naamgenoot, misschien zijn zoon, was consul in 33.--4) C. Volcatius Tullus, diende in 53 onder Caesar in Gallia, en in 48 bij Dyrrhachium.

Volcei, Oulkoi, stad in Lucania, zie Volcentes.

Volcentes, bewoners van het gebied der stad Volci, Volcei of Vulci in het binnenland van Lucania, nabij de rivier Silarus.

Volci, Vulci, 1) stad in Etruria ten N.W. van Tarquinii met uitgestrekte grafgewelven. Bij Volci heeft men een groot aantal vazen en andere voorwerpen van grieksche kunst in den grond gevonden. De stad werd in 280 door de Romeinen onderworpen, en op haar gebied Cosa (z. a.) gesticht.--2) stad der Volcentes (z. a.) in Lucania.

Volero, familienaam in de gens Publilia.

Vologeses of Volagaeses, naam van een vijftal parthische koningen uit den tijd van Parthië's verval.--1) Arsaces XXIII (XXIV) Vol. I, 51-78 na C., veroverde Armenia voor zijn broeder Tiridates (z. a.), doch deze moest de kroon uit de hand van keizer Nero aannemen en daarvoor naar Rome komen. Onder de regeering van Vol. I had Parthië veel te lijden van invallen der Alanen, zoodat hij zich zelfs tot Vespasianus om hulp wendde, die echter niet verleend werd. Commagene werd tijdens zijn bestuur door de Rom. ingelijfd (72 n. C.).--2) Ars. XXVI (XXVII) Vol. II, 130-148, van wien geene oorlogen bekend zijn.--3) Ars. XXVII (XXVIII) Vol. III, 148-190, viel in 161 in Armenia en versloeg eerst de uit Cappadocia te hulp gesnelde Rom., doch werd ten slotte in 163 door L. Verus in de engte gedreven; Seleucia en Ctesiphon werden ingenomen en Mesopotamia was veroverd, toen op eens een vreeselijke pest uitbrak, die een eind aan den oorlog maakte (166). Zie Verus.--4) Ars. XXVIII (XXIX) Vol. IV, 190-209, leed zware verliezen tegen Septimius Severus, die Ctesiphon innam en plunderde, de mannelijke bevolking afmaakte en vrouwen en kinderen wegvoerde (198). Wederom kwam ziekte den Parthen te hulp.--5) Ars. XXIX (XXX) Vol. V, regeerde met zijn broeder Artabanus IV van 209 tot 226, hoewel Vol. waarschijnlijk niets te zeggen had. Zij waren de laatste Arsaciden in Parthië.

Volscens, veldheer in het leger van Turnus, die door dapperheid uitmuntte, maar door Nisus gedood werd.

Volsci, oud volk in Latium, aan beide oevers van den Liris, verbitterde vijanden der Rom., tusschen de zee en de grenzen van Samnium. Na ruim anderhalve eeuw van telkens hernieuwden strijd moesten zij eindelijk in 329 zich onderwerpen aan de Rom., waarna de naam der Volscen verdwijnt. Suessa Pometia was hunne hoofdstad. Zie ook Latium.

Volsinii, welvarende bondsstad van Etruria, op een steilen berg gelegen. In 265 werd de stad door de Rom. verwoest, waarna de inwoners eene nieuwe stad moesten bouwen aan den Lacus Volsiniensis (Lago di Bolsena). Ook deze nieuwe stad werd rijk en bloeiend. In de middeleeuwen is de oude plaats weer opgebouwd, tgw. Orvieto.

Voltacilius Pitholaus (L.), leermeester van Pompeius, onderwijzer in de rhetorica, de eerste vrijgelatene, die als geschiedschrijver opgetreden is. Zijn biographieën van Pompeius en diens vader zijn verloren gegaan. Z. ook Pitholeon.

Voltumna, godin van den etrurischen statenbond, bij wier tempel de bondsvergaderingen gehouden werden, waarmede offers, feesten en jaarmarkten verbonden waren. De tempel lag tusschen Ameria, Volsinii en Falerii. Deze godin is verwant met Vertumnus (z.a.).

Voltur (mons), aan de grenzen van Samnium en Apulia en nabij die van Lucania.

Volturcius (T.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, die gevangen werd genomen en onder belofte van vergiffenis alles bekende.

Volturnalia, zie Volturnus.

Volturnum, 1) oude naam van Capua.--2) stad aan den mond van den Volturnus, in 194 door de Rom. aangelegd op het gebied van Capua.

Volturnus, thans Volturno, hoofdriv. van Campania, ontspringt diep in Samnium en stroomt langs Casilinum naar de Tyrrheensche zee. De vlakte ten N. heet ager Falernus, die ten Z. ager Campanus, het grondgebied van Capua.--Volturnus is oorspronkelijk de naam van een riviergod, die een afzonderlijken flamen had, en wiens feest, de Volturnalia, op 27 Augustus gevierd werd. Het woord is afgeleid van volvere, het wentelen der golven. Men verwarre dezen god niet met Vertumnus.--Volturnus is ook de naam voor den Zuid-Oosten wind (Eurus, tgw. Sirocco, zie Windstreken), die in Mei en Juni in Apulië zeer heftig optreedt, en den Romeinen volgens Livius in den slag bij Cannae veel stof in het gezicht woei. De Volturnus brengt soms regen.

Volumnii. 1) Volumnia, echtgenoote van Coriolanus; zie Marcii no. 3.--2) P. Volumnius Amintinus Gallus, consul in 461.--3) L. Volumnius Flamma Violens, consul in 307 en 296, beide malen met App. Claudius Caecus, streed (296) zeer voorspoedig tegen de Samnieten.--4) P. Volumnius Eutrapelus, aanhanger van Antonius, van wiens bemiddeling Cicero poogde gebruik te maken.--5) P. Volumnius, geschiedschrijver en boezemvriend van M. Brutus.

Volusianus (C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus), rom. medekeizer 251-253 na C.; zie Gallus.

Volusii. 1) Q. Volusius, een van Cicero's beambten in Cilicia.--2) L. Volusius Saturninus, een man van groote rijkdommen en groot aanzien, was consul in 12 en oefende later de censoria potestas uit. Zijn zoon en naamgenoot hield het erfgoed zijns vaders goed bijeen en stierf in 56 na C. als praefectus urbi.--3) Volusius Proculus kreeg van Nero de opdracht, diens moeder Agrippina uit den weg te ruimen. Tot belooning werd hij admiraal van de vloot der Tyrrheensche zee.--4) L. Volusius Maecianus, goed jurist onder Antoninus Pius, leermeester van M. Aurelius.--5) Door Catullus wordt een dichter Volusius uit Noord-Italië bespot wegens zijn boersche Annales. Door sommigen wordt deze Volusius geïdentificeerd met Tanusius Geminus (z. a.), waarschijnlijk ten onrechte.

Vonones, parthische koningsnaam. 1) Arsaces XVIII Von. I, 6-16 na C., was als gijzelaar te Rome opgevoed. Na den dood van Orodes II werd V. tot den troon geroepen, doch door zijne rom. zeden verbeurde hij de achting van zijn volk en moest naar Armenië en later naar Syrië vluchten, terwijl Artabanus III koning der Parthen werd.--2) Vonones, die met zijn zoon Meherdates te Rome leefde als gijzelaar, totdat Meh. in 50 na C. onder den naam Arsaces XXII vruchteloos de kroon van Parthië trachtte meester te worden.--3) Ars. XXII (XXIII) Von. II, 51 n. C., regeerde slechts weinige maanden.

Vopiscus (Flavius) van Syracusae, een van de schrijvers der Historia Augusta, omstreeks 300 na C. Hij beschreef de levens van een aantal keizers, van Aurelianus tot Carinus.

Vortumnus = Vertumnus.

Vosegus, beter dan Vogesus, gebergte in Gallia, de tegenw. Vogezen (les Vosges).

Votivi (ludi), zie Ludi.

Vulcaniae insulae = Aeoliae insulae.

Vulcanal (Volcanal), zie Vulcanus.

Vulcani insula = Hiera no. 1.

Vulcanus, Volc., rom. god van het vuur. Daar hij een god is, die brand veroorzaakt, maar ook afweert (Mulciber = de verzachter), trachtte men, door zekere formulieren op de muren der huizen te schrijven, zich tegen zijn verderfelijken invloed te vrijwaren en zich van zijn hulp te verzekeren. Om dezelfde reden bouwde men zijne tempels liefst buiten de stad, doch in Rome zelf was hem het Volcanal gewijd, eene verhevenheid bij het Comitium, die evenals de tempel van Vesta als het zinnebeeld der eendracht van den staat beschouwd werd. Vandaar sprak, volgens de traditie, de koning de volksvergadering op het comitium toe. Overigens werd hij geheel en al met Hephaestus vereenzelvigd. Op zijn feestdag, Vulcanalia (23 Augustus), werden in den keizertijd spelen in den Circus Flaminius gehouden. Zie ook Maia no. 2 en Stata mater.

Vulcatii = Volcatii.

Vulci = Volci.

Vulgivaga, Volg., bijnaam van Venus, = Pandemos.

Vulsinii = Volsinii.

Vultur = Voltur.

Vulturcius = Volturcius.

Vulturnum = Volturnum.

Vulturnus = Volturnus.

W.

Windstreken. Oorspronkelijk had men slechts voor de vier hoofdwinden bepaalde namen. 1) Boreas, Boreas, was de Noordenwind, koud maar gezond voor de landen ten N. der Middellandsche zee, voor Afrika dikwijls regen aanbrengend. De Boreas was vooral geducht in het Noorden van de Adriatische zee, tgw. de bekende Bora.--2) Tegenover Boreas staat Notus, Notos, ook Auster geheeten, de Zuidenwind, die aan Griekenland dikwijls nevel en regen aanbracht en stormen verwekte.--3) Eurus, Euros, ook Volturnus, was de Oostenwind, dikwijls stormachtig.--4) tegenover Eurus stond Zephyrus, Zephyros, de Westenwind die uit de streek der duisternis (zophos) waait, waar de zon ondergaat, en die vooral in het voorjaar heerschte en na de winterkoude zachter weder, maar ook vochtigheid aanbracht. Bij Hesiodus heet hij Argestes. De Rom. noemden hem ook Favonius.--Homerus kent slechts deze vier winden. Later echter had er eene verschuiving der vier windstreken plaats, en kreeg men acht hoofdwinden, n.l. 1) Septentrio, Aparktias, die rechtstreeks uit de hemelstreek der Triones of der arktos woei, dus als Noordenwind gold.--2) Boreas of Aquilo, die een Noordoostenwind was geworden.--3) Apeliotes, Apeliotes (van de zon, d. i. van het Oosten, komende), de oostenwind, ook Solanus of Subsolanus geheeten.--4) Eurus of Volturnus, die een Zuidoostenwind geworden was.--5) Notus of Auster, die Zuidenwind bleef. In Apulia wordt de Zuidenwind Atabulus genoemd.--6) Africus, de Zuidwestenwind.--7) Zephyrus, Westenwind.--8) Argestes, Iapyx, Noordwestenwind, waarop de naam Favonius overging.--Dichters evenwel bezigden nog zeer dikwijls de namen in de oorspronkelijke beteekenis. Van acht winden klom men tot twaalf op, door tusschen 2 en 3, 4 en 5, 5 en 6, 8 en 1 nog vier winden in te schuiven, waardoor, met verdeeling van den horizon in twaalf gelijke deelen, de hiervóór geplaatste windroos ontstond.

Septentrio, Aparktias. | Circius, Corus of | Caurus, Thraskias. | Boreas, Aquilo, Borras. | Favonius, Iapyx, Argestes, Iapyx. | Caecias, Kaikias. | Zephyrus, Zephyros. ---------------+----------- Apeliotes, Apeliotes. | Africus, Lips. | Eurus, Volturnus, Euros. | Libonotos, Libophoinix. | Albus Notus, Leukonotos, | Phoinikias. | Notus, Auster, Notos. Atabulus.

De Libonotus wordt ook wel Libophoinix genoemd, de Albus Notus Phoinikias, terwijl Aquilo ook wel voor den Noordenwind wordt gebruikt.

X.

Xanthippe, Xanthippe, vrouw van Socrates, wien zij, naar men zegt, door knorren en kijven dikwijls het leven verbitterde.

Xanthippus, Xanthippos, 1) Athener, die met en na Clisthenes als staatsman optrad, was een van de aanklagers van Miltiades, volgde Themistocles op als bevelhebber van de vloot, en behaalde met Leotychides de roemrijke overwinning bij Mycale. Hij was de vader van Pericles.--2) Lacedaemoniër, die in den eersten punischen oorlog aan het hoofd van een troep huurlingen naar Carthago kwam en wegens zijne bekwaamheden het opperbevel over het leger kreeg. Hij bracht aan de Rom. eene groote nederlaag toe, maar keerde spoedig naar zijn vaderland terug, toen hij zag dat zijn geluk de afgunst der Carthagers opwekte. Men zeide, dat hij op de terugreis door de carthaagsche schippers gedood was.

Xanthus, Xanthos, 1) z. Balius.--2) koning van Thebe, door Melanthus (z. a.) in een tweegevecht gedood.--3) van Sardes, tijdgenoot van Artaxerxes I, schrijver eener lydische geschiedenis (Lydiaka).

Xanthus, Xanthos, 1) riv. bij Troje, dezelfde als de Scamander.--2) riv. in Epirus, door Helenus aldus genoemd.--3) hoofdrivier van Lycia. Acht uren gaans boven den mond lag de stad Xanthus, met beroemde tempels van Apollo, Leto en Sarpedon. Cyrus liet haar door zijn veldheer Harpagus belegeren; de inwoners, geene kans op redding ziende, brachten hunne tilbare have, vrouwen en kinderen op den burg, staken dezen in brand en sneuvelden zelven tot den laatsten man tegen de Perzen. Later is de stad steeds zetel van de bondsregeering, zie Lycia. In 42 veroverden Brutus en Cassius de stad; doch de inwoners staken ze in brand en brachten zichzelven om het leven.

Xenarchus, Xenarchos, 1) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Demosthenes, van wiens werken nog eenige smaakvolle fragmenten bestaan.--2) zoon van Sophron, en evenals zijn vader mimendichter. Hij leefde onder den ouden Dionysius.--3) van Seleucia, peripatetisch wijsgeer, die omstreeks het einde der 1e eeuw te Alexandrië, Athene en Rome onderwijs gaf. Tot zijne leerlingen behoorde de geograaf Strabo.

Xenelasia, eene wet, waarbij een staat aan vreemdelingen verbiedt, zich binnen zijn grondgebied te vestigen. Zulk eene wet bestond o. a. te Sparta.

Xeniades, Xeniades, 1) van Corinthe, een sophist, die dikwijls onder de sceptici genoemd wordt, daar hij het bedriegelijke der zinnelijke waarneming en de onmogelijkheid om tot de kennis der waarheid te geraken betoogd had.--2) z. Diogenes no. 2.

Xenias graphe, aanklacht tegen iemand, die wederrechtelijk zijn naam in de lijsten der burgers had doen opnemen. De zaak kwam voor de nautodikai, later voor de thesmotheten.

Xenios, bijnaam van Zeus, als beschermer van het gastrecht.

Xeno, Xenon, 1) thebaansch legeraanvoerder in den peloponnesischen oorlog (413).--2) tyran van Hermione, die zich door Aratus liet overreden de heerschappij neer te leggen en tot het achaeïsch verbond toe te treden.--3) een van de Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome gezonden werden.--Een andere X. deed te Rome moeite om de vrijlating van die gijzelaars te bewerken.--4) Athener, epicureïsch wijsgeer uit Cicero's tijd, door hem met lof vermeld.

Xenoclea, Xenokleia, priesteres van Apollo te Delphi, die weigerde aan Heracles een orakel te geven, omdat hij niet gereinigd was van den moord van Iphitus. Heracles roofde echter haar drievoet en dwong haar daardoor hem te antwoorden.

Xenocles, Xenokles, 1) zoon van Carcinus, door de blijspeldichters van zijn tijd bespot om zijne slechte treurspelen, ofschoon hij eens tegen Euripides den prijs won.--2) aanvoerder der ruiterij bij het leger van Agesilaus in Azië.--3) van Adramyttium, een redenaar, met wien Cicero tijdens zijn verblijf in Azië veel omging.

Xenocrates, Xenokrates, 1) broeder van Theron van Agrigentum, overwinnaar in de pythische en isthmische spelen, vriend van Pindarus.--2) van Chalcedon, geb. 396, leerling en vriend van Plato, dien hij op de reis naar Sicilië vergezelde. Na Plato's dood verliet hij Athene, hij keerde echter spoedig terug, volgde Speusippus als hoofd der academie op (339), en bleef dit tot zijn dood (314). Hij ontwikkelde de leer van Plato op eigenaardige wijze, zoodat sommigen hem een vervalscher van die leer noemden, daar hij stellingen van Pythagoras er in opnam en in onderwijsmethode zeer van Plato afweek; hij was de eerste die een streng onderscheid maakte tusschen waarnemen, meenen en weten en tusschen logica, physica en ethica. Bij voorkeur houdt hij zich bezig met de studie der daemonen, die volgens hem zielen van afgestorvenen zijn: zijne meer mystieke dan wijsgeerige leerstellingen op dit gebied schijnen van grooten invloed op lateren geweest te zijn. Hoewel hij in uiterlijk en manieren iets terugstootends had, werd hij algemeen geacht als een streng rechtschapen man, ook werd hij meermalen, hoewel hij een vreemdeling was, als gezant naar Philippus en Antipater gezonden. Van zijne talrijke werken is bijna niets over.--3) van Aphrodisias, grieksch geneesheer en schrijver over geneeskunde in de 1ste eeuw na Chr.

Xenoetas, Xenoitas, Achaeër, veldheer van Antiochus d. G., werd door dezen met een leger tegen den afgevallen stadhouder van Medië uitgezonden, maar werd door de vijanden overvallen en met het grootste gedeelte van zijn leger gedood (221).

Xenophanes, Xenophanes, van Colophon, geb. omstreeks 579, verliet vroeg zijne geboortestad en zwierf door Griekenland, Sicilië en Italië, het meest schijnt hij zich echter te Elea opgehouden te hebben. Zijn lang leven--hij werd meer dan 92 jaar oud--wijdde hij geheel aan het bestrijden van het volksgeloof en de algemeen aangenomen mythologie; in zijne met innige overtuiging geschreven en door hemzelf op de wijze der rhapsoden voorgedragen gedichten ontkende hij ten sterkste het bestaan van goden, zooals die in de gedichten van Homerus en Hesiodus voorkomen, die in hun handelen en streven, en ook in hun ondeugden, geheel op menschen gelijken; ook paarden en koeien, zeide hij, zouden, indien het hun mogelijk was godenbeelden te vervaardigen, deze maken naar hun evenbeeld. Tegenover deze voorstellingen plaatst X. zijn eigen leer, de eleatische, waarvan niet veel meer bekend is, dan dat zij de eenheid, ondeelbaarheid en onvergankelijkheid van heelal en godheid verkondigde, en die door Parmenides (z. a.) verder ontwikkeld is. Van zijne gedichten is het een en ander bewaard gebleven.

Xenophantus, Xenophantos, 1) Athener, vader van den dithyrambendichter Hieronymus.--2) van Thasus, beeldgieter, die voor de Atheners een beeld van Hadrianus maakte.

Xenophilus, Xenophilos, bevelhebber van den burcht van Susa, die zich na eene langdurige verdediging aan Seleucus overgaf en zich bij hem aansloot (316).

Xenophon, Xenophon, 1) Athener, zoon van Gryllus, geb. omstreeks 430, was in zijne jeugd de leerling en een van de trouwste aanhangers van Socrates, ook kreeg hij van Prodicus onderwijs in de welsprekendheid. Na den peloponnesischen oorlog noodigde zijn vriend Proxenus hem uit, om met hem deel te nemen aan den tocht van den jongen Cyrus. X. gaf gaarne, hoewel niet geheel met goedvinden van Socrates, aan die uitnoodiging gehoor, maakte den tocht van Cyrus tegen Artaxerxes mede en streed mede in den slag bij Cunaxa. Toen op de terugreis de veldheeren der Grieken verraderlijk door Tissaphernes gevangen genomen waren, was X. de eerste die het leger moed insprak en tot volharding aanspoorde. Hij werd dan ook met vier anderen verkozen om de Grieken op hun terugtocht te leiden en verwierf zich den grootsten roem door den moed, het beleid, de zelfverloochening en volharding, waarmede hij deze taak vervulde. In weerwil van de groote moeielijkheden, hem door Perzen e. a. barbaarsche volken in den weg gelegd, zonder hulpmiddelen tegen de natuurlijke hindernissen, die zich op dien langen tocht voordeden, bracht hij het leger in vier maanden van het binnenste van Azië naar Trapezus, van daar naar Byzantium, waar zij bij Seuthes in dienst traden en eindelijk vereenigden zij zich met het spartaansche leger, dat toen onder Thibron tegen Tissaphernes en Pharnabazus oorlog voerde. Bij dit leger bleef X., ook onder Dercylidas en Agesilaus, met wien hij zeer bevriend werd en in wien hij het ideaal van een vorst en veldheer zag. Toen Agesilaus naar Europa teruggeroepen werd, ging X. met hem mede en in den slag bij Coronea streed hij onder zijn bevel tegen de Atheners en Thebanen (394). Uit Athene verbannen--misschien wel juist om zijn deelnemen aan dien slag--ging hij naar Sparta, en kreeg hij van de Spartanen een landgoed bij Scillus, waar hij nu vele jaren rustig leefde, zich bezighoudende met jacht en landbouw, en waar hij ook bijna al zijne werken schreef. Na de nederlaag van Sparta bij Leuctra, werd hij als vriend der Spartanen door de Eleërs uit zijne woning verdreven. Toen later Athene en Sparta zich tegen Thebe vereenigden, werd X. uit zijne ballingschap teruggeroepen (369), of hij toen naar Athene teruggekeerd is, is niet zeker, hij stierf te Corinthe (354, v. a. reeds vijf of zes jaren vroeger). Als schrijver munt X. uit door duidelijkheid en eenvoud, ofschoon deze laatste eigenschap in zijne geschiedkundige werken soms wel wat overdreven wordt; de ouden prezen hem zeer hoog, men gaf hem den naam van Attike melissa en zeide dat de godin der overreding op zijne lippen zetelde. Ten gevolge van zijn lang verblijf buiten Athene is zijn taal niet vrij van onattische uitdrukkingen en vormen. Zijne voornaamste werken zijn: Kyrou Anabasis, eene uitvoerige geschiedenis van den tocht van Cyrus en den terugtocht der 10000 Grieken, een werk, dat wegens de groote bescheidenheid, waarmede de schrijver van zichzelf spreekt, door sommigen ten onrechte aan een ander toegeschreven is (z. Themistogenes); Hellenika, een geschiedenis van Griekenland, begonnen als vervolg op Thucydides en voortgezet tot den dood van Epaminondas, een werk van groot belang voor de geschiedenis van dien tijd, hoewel geschreven met duidelijk merkbare voorliefde voor spartaansche politiek en instellingen en vooral voor zijn held, Agesilaus; Kyrou paideia, een meer wijsgeerig dan geschiedkundig werk, waarin de oude Cyrus als het ideaal van een volmaakt vorst naar socratische zienswijze voorgesteld wordt; Apomnemoneumata Sokratous, herinneringen aan Socrates, eene verzameling gesprekken van den meester, bijeengebracht met het doel om zijne nagedachtenis te verdedigen tegen den sophist Polycrates (z. a. no. 2); Symposion, een tafelgesprek, waarbij vooral Socrates het woord voert. Verscheiden kleinere werken, die den naam van X. dragen, zijn deels van minder belang, deels waarschijnlijk onecht.--2) zoon van Euripides, een van de aanvoerders der Atheners bij het beleg van Potidaea (429).--3) van Cos, geneesheer van keizer Claudius, dien hij ter wille van Agrippina vergiftigde.--4) van Ephesus, schrijver van een griekschen roman onder den titel Ephesiaka, ta kata Anthian kai Abrokomen; hij leefde waarschijnlijk in de 3de eeuw na C.

Xenos, vreemdeling, gast, gastvriend, huurling. Het gastrecht werd door de Grieken hoog in eere gehouden; niet alleen dat men zijne gasten zoo goed mogelijk ontving, hun geschenken gaf, enz., maar tusschen een gastheer en zijn gast bleef eene betrekking van vriendschap bestaan, die soms gedurende verscheiden geslachten aangehouden werd. Tegenover aanzienlijke vreemdelingen, gezanten e. dgl. trad soms de staat als gastheer op.--Zij, die zich in een vreemden staat vestigden, wat te Sparta e. e. niet geoorloofd was (z. xenelasia), werden metoikoi, (z. a.) genoemd.

Xerxes, Xerxes, 1) zoon van Darius Hystaspis en Atossa, werd door zijn vader als troonopvolger aangewezen, hoewel hij een ouderen broeder had, daar deze geboren was, voordat Darius aan de regeering gekomen was. Na den dood van zijn vader (485) bedwong hij een opstand van Aegypte, daarna rustte hij zich toe tot een veldtocht tegen Griekenland, van verschillende kanten, vooral door Mardonius, daartoe aangedreven. Nadat hij den Hellespont had laten overbruggen en den berg Athos had laten doorgraven, ondernam hij in het voorjaar van 480 met eene ontelbare legermacht en vloot den tocht. Hij ging door Macedonië en Thessalië, drong in weerwil van den tegenstand van Leonidas door de Thermopylae en trok al plunderend tot Athene voort, dat in brand gestoken werd, terwijl zijn vloot de haven van Phalerum binnenliep. Doch na de verpletterende nederlaag bij Salamis, die hij van een op het strand opgerichten troonzetel aanzag, vluchtte hij haastig naar Azië terug, en toen in het volgende jaar Mardonius bij Plataeae en zijn vloot bij Mycale verslagen waren, zag hij van de verovering van Griekenland voor goed af. Naar Susa teruggekeerd, gaf hij zich aan allerlei wreedheden en uitspattingen over, totdat hij door Artabanus vermoord werd (465).--2) X. II, zoon van Artaxerxes I, volgde zijn vader in de regeering op (425), doch werd na weinige weken door zijn halfbroeder Sogdianus vermoord.

Xois, Xois, oude aegyptische stad in de Delta tusschen den Bolbitischen en den Sebennytischen Nijlarm, zetel der 14de dynastie.

Xuthus, Xouthos, zoon van Hellen en de nimf Orseis, werd door zijne broeders uit Thessalië verdreven en vluchtte naar Attica, waar hij met Creusa, de dochter van Erechtheus, huwde, bij wie hij twee zonen kreeg, Achaeus en Ion, de stamvaders der Achaeërs en Ioniërs. Toen hij na den dood van Erechtheus als scheidsrechter over de troonopvolging moest beslissen en de regeering aan Cecrops toewees, werd hij ook uit Attica door zijne zwagers verjaagd, waarop hij zich in Aegialea vestigde.

Xynia, Xynia, stad in het Z.W. van het thessalische landschap Phthiotis, aan het meer van gelijken naam.

Xystus, -tum, xystos, -ton, in de grieksche gymnasia een overdekte zuilengang, waar de athleten zich des winters oefenden, ook een beplante wandelplaats voor de zuilengalerij der rom. landhuizen.

Z.

Zabatus, Zabatos, ook Lycus geheeten, rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ontspringt in de bergen van Armenia.

Zacynthus, Zakynthos, thans Zante, een der Ionische eilanden, in de Ionische zee tegenover Elis gelegen, vruchtbaar en boschrijk (thans niet meer). Het behoorde tot het gebied van Ulysses. Het eiland leverde aardpek. De hoofdstad, ook Zacynthus geheeten, was eene belangrijke plaats.

Zadracarta (plur.), ta Zadrakarta, hoofdstad van het perzische gewest Hyrcania.

Zagreus, Zagreus, bijnaam van Dionysus, waaronder hij in de orphische mysteriën vereerd werd. Hij wordt de zoon van Zeus en Demeter of Persephone genoemd en was door Zeus tot beheerscher van het heelal bestemd, doch Hera zette de Titanen tegen hem op, die hem verscheurden en verslonden. Alleen zijn hart werd door Athena gered en aan Zeus gebracht, die het verslond en daarna Dionysus voortbracht, vlg. Sabazius. De schuldige Titanen werden door den bliksem tot asch verteerd, en uit deze asch, vermengd met het bloed van Zagreus, waren de menschen ontstaan.

Zagrus, Zagros, gebergte tusschen Media ten O. en Susiana en Assyria ten W. Het noordelijk gedeelte wordt ook Choathras genoemd.

Zakoros = neokoros.

Zaleucus, Zaleukos, wetgever der epizephyrische Locriërs, leefde waarschijnlijk in het midden der 7de eeuw. Zijne wetten waren, naar men verhaalde, de eerste die op schrift gebracht werden en hadden evenzeer betrekking op het bizonder leven der burgers als op de staatsregeling.

Zama, bijgenaamd Regia, vesting in de provincie Africa, in het N. van Byzacene, op de grenzen van Zeugitana, 4 of 5 dagreizen ten Z.W. van Carthago. In den omtrek werd in den herfst van 202 de beslissende slag tusschen Scipio en Hannibal geleverd.

Zamolxis, Zamolxis, Zalmoxis, een Gete of Thraciër, wiens geschiedenis met vele verdichtsels doorweven is. Hij was slaaf geweest bij Pythagoras, doch werd door dezen vrijgelaten, reisde door Griekenland, en keerde als een wijs en rijk man naar zijn vaderland terug, waar hij den grondslag legde van godsdienst en hoogere beschaving. Na zijn dood werd hij als daemon vereerd.

Zancle, Zankle, oude naam van de stad Messana op Sicilia. Zie Messana.

Zarangae, Zarangai, bewoners van Drangiane (z. a.).

Zariaspa (gen. -ae), ta Zariaspa, zie Bactra.

Zea, Zea, een van de oorlogshavens van den Piraeus, aan de Oostzijde gelegen.

Zeilas, Zeilas, Zelas, oudste zoon van Nicomedes I. Daar zijn vader een jongeren broeder als troonopvolger had aangewezen, ging hij naar Armenië, van waar hij na zijn vaders dood terugkwam en zich met geweld van de regeering meester maakte. Hij werd omstreeks 236 bij een feestmaal door gallische soldaten vermoord.

Zela, ta Zela, sterkte in het binnenland van Pontus, ten Z. van Amasea, met verschillende tempels. Hier behaalde Mithradates in 67 de overwinning op Lucullus' legaat Triarius en Caesar in 47 op Pharnaces.

Zelia of -ea, Zeleia, oude stad in Noord-Phrygia, aan den Aesepus. Hier trok Darius III zijn eerste leger tegen Alexander d. Gr. bijeen.

Zeno, Zenon, 1) zoon van Polemo no. 4, door de Armeniërs tot koning verkozen en door Germanicus als zoodanig bevestigd.--2) van Elea, geb. omstreeks 490, leerling en vriend van Parmenides, met wien hij naar Athene reisde. V. s. had hij een aanslag tegen een tyran, Nearchus of Diomedon, met den marteldood moeten boeten. Hij verdedigde in verscheiden geschriften, die alle verloren zijn, de eleatische leer door de indirecte bewijsvoering uit het ongerijmde.--3) van Citium, zoon van Mnaseas, geb. 336, v. a. 362. Zijn vader, die koopman was, had ook hem voor den handel bestemd, ofschoon hij reeds vroeg de wijsgeerige geschriften van Xenophon en Plato ijverig bestudeerd had. Toen hij nu op den leeftijd van 22 jaar ten gevolge van een schipbreuk te Athene gekomen was, besloot hij daar te blijven en zich geheel aan de studie der wijsbegeerte te wijden. Hij sloot zich eerst bij Crates, den cynicus, aan, van wiens invloed de oudere werken van Z. talrijke blijken moeten gegeven hebben, wendde zich later tot Stilpo, Xenocrates en Polemo, en trad omstreeks 310 met een eigen leer op, die naar de poikile stoa, de plaats waar hij zijne voordrachten hield, de stoische genoemd wordt. Hij stond te Athene in hoog aanzien, vormde vele leerlingen, en werd van staatswege met een gouden krans, en toen hij in 264 (v. s. door zelfmoord) gestorven was, met een metalen grafteeken en een standbeeld vereerd. Van zijn werken zijn slechts weinige fragmenten tot ons gekomen.--De bron van alle kennis is volgens Z. zinnelijke waarneming; alleen wat zóó waar te nemen is bestaat, terwijl eerst herhaalde waarnemingen ons in staat stellen van het bizondere tot het algemeene te besluiten. Alles bestaat uit twee elementen, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn: stof en kracht. De kracht, die zich in het heelal werkzaam toont, is de godheid. De stof bestaat oorspronkelijk als een zeer fijn vuur, waaruit door verdichting lucht, water en aarde ontstaan, en waarin eens de geheele wereld weder moet opgaan (ekpyrosis), om later opnieuw er uit voort te komen. De ziel is aan het vuur verwant en niet onsterfelijk, hoewel zij langer leeft dan het lichaam. Het hoogste goed is de deugd, die men niet bereikt door bespiegeling, maar door te leven in overeenstemming met de natuur of den goddelijken wil. Deugd alleen is goed in den volsten zin van het woord, evenals de ondeugd slecht is, alle andere dingen zijn onverschillig, hoewel niet alle in gelijke mate. Genot is niet het doel van het leven, maar is van nature met deugdzaam handelen verbonden. De ware wijze is het volmaakste van alle wezens, hij kan zich door deugd zelfs tot de hoogte van Zeus verheffen, hij alleen is vrij, is heer en koning, en kan naar verkiezing ook over zijn leven beschikken.--Vooral onder de Rom., die in 155 door Diogenes den Babyloniër met de stoische leer kennis maakten, vond zij in de laatste tijden der republiek en onder de keizers vele aanhangers.--4) van Tarsus, leerling van Chrysippus en na diens dood hoofd der stoicijnsche school.--5) van Sidon, geb. ± 150, hoofd der epicureïsche school, wiens voordrachten Cicero en Atticus gaarne hoorden.--6) van Rhodus, schrijver eener rhodische geschiedenis, omstreeks 200.

Zenobia, Zenobia, 1) echtgenoote van Odenathus (z. a.), nam na diens dood in 267 na C. zelve het bewind over Palmyra in handen als regentes voor hunne twee onmondige zoons. Te midden der verwarring in het rom. rijk, breidde zij haar gebied uit over Syrië, Aegypte, Vóór-Azië, totdat zij in 272 door keizer Aurelianus werd gestuit. Bij Emesa werd de beslissende slag geleverd. Zenobia moest naar Palmyra vluchten, dat belegerd en ingenomen werd (272), zij moest den zegetocht van Aurelianus te Rome opluisteren, doch kreeg vervolgens een landgoed bij Tibur, waar zij met hare kinderen hare verdere dagen sleet. Zij was eene vrouw van zeldzame schoonheid en buitengewone gaven, zij sprak verscheiden talen, o. a. Latijn, Grieksch, Syrisch, Aegyptisch. Zij was een stoute paardrijdster, maar trok ook meermalen mijlen ver te voet aan het hoofd harer troepen op. Vermoedelijk behoorde zij tot het israëlietische geloof.--2) armenische koningsdochter, gehuwd met haar neef Rhadamistus, die den troon van Armenië overweldigd had. Toen in 54 na C. de Parthen onder Vologeses I en Tiridates Armenia veroverden en Rhadamistus moest vluchten, smeekte zij haar echtgenoot haar te dooden, opdat zij niet in handen der Parthen zou vallen. Rhadamistus bracht haar met zijn zwaard eene wond toe en wierp haar in den Araxes. Zij werd echter door herders gered en viel nu toch in handen van Tiridates, die haar echter met grooten eerbied behandelde.

Zenobius, Zenobios, grieksch sophist omstreeks 200 na C.; hij schreef eene verzameling spreekwoorden en vertaalde de geschiedenis van Sallustius in het grieksch.

Zenodotus, Zenodotos, van Ephesus, leermeester der zonen van Ptolemaeus Lagi en onder Ptolemaeus Philadelphus hoofd der bibliotheek van Alexandrië, was een geleerd taalkundige en criticus, die vooral aan Homerus veel studie wijdde.--Nog twee personen van denzelfden naam komen voor als schrijvers van werken over Homerus en zijne gedichten.

Zephyrium, Zephyrion, Westkaap, naam van onderscheidene voorgebergten, o. a. 1) een der kapen aan de Z.O. punt van Italië, waarnaar de stad Locri Epizephyrii, die ten N. daarvan ligt, haar naam draagt.--2) aan de Z.W. kust van Cyprus, bij Paphus.--3) in Cilicia bij Soli.--4) in Cyrenaica.--5) in Aegypte.

Zephyrus, Zephyros, de Westenwind, zie Windstreken.

Zerynthus, Zerynthos, stad op de Zuidkust van Thracia, bij Aenus, met een Apollo-tempel en een grot van Hecate in de nabijheid. De stad behoorde tot het vastelandsgebied van Samothrace.

Zetes, Zetes, z. Calais.

Zetetai, te Athene buitengewone commissarissen, die benoemd werden, wanneer er vermoeden bestond dat een misdaad gepleegd was, zonder dat iemand als aanklager optrad; zij moesten de zaak onderzoeken en haar, wanneer zij daartoe grond vonden, voor den bevoegden rechter brengen. Vooral geschiedde dit, wanneer men vermoedde dat gelden van den staat verduisterd waren.

Zethus, Zethos, tweelingbroeder van Amphion (z. a.). Geheel verschillend van dezen, was hij ruw van aard en hield hij zich bij voorkeur als jager in de bergen op. Hij was gehuwd met Aedon (z. a.).

Zeugitai, atheensche burgers der derde klasse volgens de indeeling van Solon, zij die jaarlijks van hunne goederen 200-300 medimnen of metreten oogstten. Tot 458 konden zij alleen lagere ambten bekleeden, eerst toen werd ook het archontaat voor hen toegankelijk.

Zeugitana, Zeugitane, het noordelijk gedeelte der rom. provincie Africa propria.

Zeugma, Zeugma, stad in het Syrische distrikt Cyrrhestica, aan den Euphraat tegenover Apamea. Alexander de Gr. had op dit punt eene schipbrug over den stroom geslagen, waardoor Thapsacus (z. a.) als punt van overgang minder gebruikt werd. Aan de syrische zijde dezer brug stichtte Seleucus Nicator de stad Zeugma.

Zeus, Zeus, Jupiter, zoon van Cronus en Rhea (Kronides, Kronion, Saturnius), de hoogste god der Grieken, beheerscher van het heelal. Van zijne oorspronkelijke beteekenis als natuurgod getuigden in lateren tijd nog de wijze, waarop hij te Dodona, op Creta, in Arcadië e. e. vereerd werd. Te Dodona bestond sedert zeer oude tijden een heiligdom van Zeus (Dodonaios, Pelasgikos), met een orakel, dat later wel door het delphische overvleugeld werd, maar toch steeds in hoog aanzien bleef; de god verkondigde daar zijn wil door het ruischen der bladeren van den heiligen eik, dat door zijne priesters, de Selli (z. a.), verklaard werd; zijn dienst was nauw verbonden met dien van Gaea, terwijl Dione (z. a.) zijne gemalin genoemd werd. Op Creta was de jonge Zeus volgens het verhaal geboren, voor zijn vader verborgen gehouden en door nimfen opgevoed, ook toonde men er zijn graf; ieder jaar werd daar zijn dood en opstanding, zinnebeelden van het jaarlijksche sterven en herleven der natuur, op orgiastische wijze gevierd, waarbij de Cureten wapendansen uitvoerden (z. Rhea Cybele). Hier, evenals in Arcadië, Boeotië en Thessalië werden hem in de oudste tijden menschenoffers gebracht. Maar sedert hij de regeering aan Cronus (z. a.) ontnomen en de Titanen (z. a.) overwonnen heeft, is hij de god, die de orde in natuur en maatschappij in stand houdt, hij troont op den top van den Olympus, die zich tot in de wolken verheft en beheerscht van daar de natuurverschijnselen; als hij de aegis zwaait (aigiochos), verwekt hij storm en onweder (nephelegereta, kelainephes, hypsibremetes, erigdoupos), de bliksem is zijn vreeselijk wapen (terpikeraunos, asteropetes), maar aan den anderen kant jaagt hij ook de wolken uiteen en geeft hij helder weder en gunstigen wind (aithrios, ourios), de Horen zijn zijne dochters en dienaressen. Onder de menschen staat alles wat voor de heerschappij van orde, wet en recht bevorderlijk kan zijn, onder zijne hoede; hij beschermt het huisgezin (herkeios, ephestios), het huwelijk (gamelios, teleios, zygios), den gast (xenios) en den hulpbehoevenden vreemdeling (hikesios), evenals de geheele burgerij (polieus, phratrios), en de vergaderingen, waarin zij over hare belangen beraadslaagt (agoraios, boulaios), hij straft ongerechtigheid (alastor), waakt tegen het schenden van den eed (horkios), kortom, hij is het die alle kwaad van den mensch afweert (soter, alexikakos); zelfs vergunt hij hem een blik in de toekomst te slaan en verkondigt hij hem zijn wil door orakels, natuurverschijnsels en wonderteekens (panomphaios). Zijne macht is grooter dan die van alle andere goden, en wanneer sommige van hen, zooals vooral zijne zuster en gemalin Hera, zich tegen hem trachten te verzetten, boeten zij dit met zware straffen. Alleen aan de beschikking der Moera is ook hij onderworpen, waar deze hem niet in den weg staat, is hij almachtig. Meer dan van eenig ander god is zijn dienst door geheel Griekenland verbreid (Hellenios, Panellenios), en het groote nationale feest te Olympia wordt ter eere van hem gevierd (Olympios, enagonios), bijna ieder deel van Griekenland had als heros een zoon van Zeus, vandaar de verhalen van zijne talrijke minnerijen met sterfelijke vrouwen (Semele, Io, Danaë, Leda, e. a.), en van de vele kinderen bij haar verwekt (Dionysus, Heracles, Perseus, Castor en Pollux, enz.). Bij Hera is hij vader van Ares, Hephaestus en Hebe, bij andere godinnen van Apollo, Artemis, Hermes, Persephone, Aphrodite, de Muzen, de Charites, de Horen en de Moeren; Pallas Athena is door hem alleen voortgebracht. De arend, de eik en de toppen der bergen zijn hem gewijd. Hij werd afgebeeld als eene krachtige, majestueuze gestalte, met vriendelijke trekken, vollen baard, dicht hoofdhaar, gewelfd voorhoofd en groote oogen. Bovenal beroemd was het door Phidias (z. a.) vervaardigde, tallooze malen nagevolgde, maar nooit geëvenaarde beeld van Zeus te Olympia.

Zeuxidamus, Zeuxidamos, 1) kleinzoon en opvolger van den spartaanschen koning Theopompus (720).--2) vader van Archidamus II.

Zeuxippus, Zeuxippos, Boeotiër, streed onder de Rom. tegen Philippus III van Macedonië. Hij werd uit zijn vaderland verbannen en in weerwil van de bemoeiingen der Rom. niet teruggeroepen.

Zeuxis, Zeuxis, 1) veldheer van Antiochus d. G., na den oorlog tegen de Rom. als gezant naar Rome gezonden.--2) van Heraclea in Italië, een van de beroemdste grieksche schilders, leerling van Apollodorus (± 400). Hij muntte vooral uit in het schilderen van vrouwenbeelden, bovenal beroemd waren onder zijne werken eene Penelope en eene Helena, die in den tempel van Hera Lacinia opgehangen werd. Z. Parrhasius.

Zipoetes, Zipoites, 1) bithynisch vorst (326-281), die ten tijde van Alexander den Gr. zijn gebied door de onderwerping van verscheiden grieksche koloniën uitbreidde, zich ook tegen Lysimachus en Seleucus staande hield en eindelijk (297) den titel van koning van Bithynië aannam.--2) zoon van den vorigen, trachtte de regeering aan zijn broeder, Nicomedes I, te ontrukken, maar werd overwonnen en gedood (277).

Zoilus, Zoilos, grieksch rhetor van Amphipolis, in de vierde eeuw. Wegens zijne kleingeestige vitterijen op Homerus kreeg hij den bijnaam Homeromastix.

Zone, Zone, kaap en stad op de Zuidkust van Thracia in het gebied der Cicones.

Zopyrus, Zopyros, 1) zoon van Megabyzus, een voornaam Pers, diende in het leger van Darius Hystaspis, toen deze Babylon belegerde. Daar de stad niet genomen konde worden, verminkte Z. zich op gruwelijke wijze, liep toen, onder voorwendsel dat hij door Darius zoo mishandeld was, tot de Babyloniërs over, en nadat hij hierdoor het vertrouwen der inwoners gewonnen had en aan het hoofd van de troepen gesteld was, gaf hij de stad verraderlijk over. Darius beloonde hem door hem levenslang satraap van Babylon te maken, hij werd echter later bij een opstand gedood.--2) kleinzoon van den vorigen, nam deel aan de samenzwering van zijn vader Megabyzus (no. 2) en vluchtte naar Athene.--3) gelaatkundige, die beweerde dat volgens zijne wetenschap Socrates met verscheiden ondeugden behept moest zijn, wat deze volstrekt niet tegensprak.

Zoroaster, Zoroastres, stichtte in zeer oude tijden den perzischen Ormuzdienst. Sedert de Grieken met zijne leer bekend werden, gold hij dikwijls als de eerste sterrenkundige, sterrenwichelaar en toovenaar.

Zosimus, Zosimos, grieksch geschiedschrijver in de 2de helft der 5de eeuw n. C., schreef eene geschiedenis van den rom. keizertijd, die niet zonder verdiensten is, maar ontsierd wordt door zijne partijdigheid tegen het Christendom en christelijk gezinde keizers.

Zoster, Zoster = gordelkaap, op de Westkust van Attica, een uitlooper van den Hymettus, met altaren van Athena, Leto, Apollo, en Artemis.

Zygia, bijnaam van Hera als godin van het huwelijk.

MEEST VOORKOMENDE VERKORTINGEN.

VOORNAMEN.

A. Aulus. Ap. of App. Appius. C. Caius of Gaius. Cn. Cnaeus of Gnaeus. D. Decimus. K. Kaeso. L. Lucius. M. Marcus. M'. Manius. N. of Num. Numerius. P. Publius. Q. Quintus. S. of Sex. Sextus. Ser. Servius. Sp. Spurius. T. Titus. Ti. of Tib. Tiberius.

Voor enkele andere, verouderde en buiten gebruik geraakte voornamen, als Agrippa, Postumus, Proculus, Opiter, Vopiscus, zijn geene afkortingen bekend.

TITELS.

Aed. Aedilis. Cen. Censor. Cos. Consul. Cos. Des. Consul designatus. Cos. II, III. Iterum, tertium consul. D. Divus. Dict. Dictator. Eq. Rom. Eques Romanus. Fl. D. Flamen Dialis. Fl. M. Flamen Martialis. Fl. Q. Flamen Quirinalis. Imp. Imperator. M. Eq. Magister equitum. P. C. Patres conscripti. Pr. Praetor. Praef. Praefectus. Proc. Proconsul. P. M. of Pont. Max. Pontifex maximus. Q. Quaestor. Tr. pl. Tribunus plebis.

IN FORMULIEREN EN OPSCHRIFTEN.

A. Augustus. A. Antiquo. A. Absolvo. A. D. Ante diem. A. U. Anno Urbis. B. Bonus, bene. B. D. Bona Dea. B. M. Bona mente of bona memoria. B. M. P. Bene merenti posuit. B. V. Bene vale. C. Condemno. D. D. Dono dedit. D. D. A. Do, dico, addico. D. D. D. Dat, dicat, dedicat. D. M. Dis Manibus. E. I. Q. Ex iure Quiritium. F. Filius. F. C. Faciendum curavit. F. F. Fecerunt of fieri fecit. F. M. Fecit monumentum. H. F. Heres fecit. I. O. M. Iovi optimo maximo. N. L. Non liquet. O. E. B. Q. Ossa eius bene quiescant. Pop. Populus. P. R. Populus Romanus. P. P. Posuerunt of publice posuit. P. S. Plebiscitum. Q. B. F. F. S. Quod bonum felix faustum sit. Q. D. E. R. F. P. D. E. R. I. C. Quod de ea re fieri placet, de ea re ita censuerunt. R. P. Respublica. S. Sacer. S. Senatus. S. P. Q. R. Senatus populusque Romanus. S. C. Senatus consultum. V. R. Uti rogas.

IN BRIEVEN.

S. Salutem. S. D. Salutem dicit. S. P. D. Salutem plurimam dicit. S. T. V. B. E. E. V. Si tu vales, bene est, ego valeo. S. T. E. Q. V. B. E. E. V. Si tu exercitusque valetis, bene est, ego valeo.

JULIAANSCHE KALENDER.

D. = Dies.

==+==============+===============+===============+==============+============== | M. Martius. | M. Ianuarius. | M. Aprilis. | | | ,, Maius. | ,, Augustus. | ,, Iunius. |M. Februarius.|M. Februarius. D.| ,, Iulius. | ,, December. | ,, September. |(gewoon jaar) |(schrikkeljaar) | ,, October. | | ,, November. | | ==+==============+===============+===============+==============+============== 1|Kalendis. |Kalendis. |Kalendis. |Kalendis. |Kalendis. 2|VI } |IV } (ante) |IV } (ante) |IV } (ante) |IV } (ante) 3|V } (ante) |III} Nonas. |III} Nonas. |III} Nonas. |III} Nonas. 4|IV } Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas. 5|III} |Nonis. |Nonis. |Nonis. |Nonis. 6|Pridie Nonas. |VIII} |VIII} |VIII} |VIII} 7|Nonis. |VII } |VII } |VII } |VII } 8|VIII} |VI } (ante) |VI } (ante) |VI } (ante) |VI } (ante) 9|VII } |V } Idus. |V } Idus. |V } Idus. |V } Idus. 10|VI } (ante) |IV } |IV } |IV } |IV 11|V } Idus. |III } |III } |III } |III 12|IV } |Pridie Idus. |Pridie Idus. |Pridie Idus. |Pridie Idus. 13|III } |Idibus. |Idibus. |Idibus. |Idibus. 14|Pridie Idus. |XIX } |XVIII} |XVI } |XVI } 15|Idibus. |XVIII} |XVII } |XV } |XV } 16|XVII} |XVII } |XVI } |XIV } |XIV } 17|XVI } |XVI } |XV } |XIII} |XIII} 18|XV } |XV } |XIV } |XII } |XII } 19|XIV } |XIV } |XIII } |XI } |XI } 20|XIII} |XIII } |XII }(ante) |X }(ante) |X }(ante) 21|XII } |XII }(ante) |XI }Kalendas.|IX }Kalendas.|IX }Kalendas. 22|XI }(ante) |XI }Kalendas.|X } |VIII} |VIII} 23|X }Kalendas.|X } |IX } |VII } |VII } 24|IX } |IX } |VIII } |VI } |VI } 25|VIII} |VIII } |VII } |V } |VI } 26|VII } |VII } |VI } |IV } |V } 27|VI } |VI } |V } |III } |IV } 28|V } |V } |IV } |Pridie Kalen- |III } 29|IV } |IV } |III } | das Martias. |Pridie Kalen- 30|III } |III } |Pridie | | das Martias. 31|Pridie |Pridie | Kalendas | | | Kalendas | Kalendas |Maias, | | |Apriles, |Februarias, |Iulias, | | |Iunias, |Septembres, |Octobres, | | |Augustas, |Ianuarias. |Decembres. | | |Novembres. | | | |

GRIEKSCHE FEESTKALENDER.

Hecatombaeon.

11-15 Olympia. 12 Nemea. ,, Cronia. 16 Synoecia. 24-28 Panathenaea. 27-28 kleine Panathenaea. Hecatombaea. Isthmia. Hyacinthia. Gymnopaedia.

Matagitnion.

7 Carnea. Metagitnia.

Boëdromion.

2 Eleutheria. 5 Genesia. 6 Marathonia. 7 Boëdromia. 12 Charisteria. 13 Proërosia. 15-23 groote Eleusinia. Aglauria.

Pyanepsion.

6 Cybernesia (of in Munychion). 7 Pyanepsia. ,, Oschophoria. 8 Thesea. 9-13 (10-14) Thesmophoria. 19-21 of 27-29 Apaturia. 30 Chalcea (z. Hephaestus).

Maemacterion.

20 Maemacteria.

Posideon.

kleine Dionysia. Posidonia.

Gamelion.

8-11 (v. a. 12-15) Lenaea. 12 Nemea. 27 Gamelia.

Anthesterion.

1 Hydrophoria. 11 Pithoegia. Anthesteria. 12 Choës. 13 Chytri. 19-21 kleine Eleusinia. 23 Diasia.

Elaphebolion.

8 Asclepia. 8-13 groote Dionysia. 14 Pandia. Elaphebolia.

Munychion.

1 (?) Pythia. 6 (7) Delphinia. 16 Munychia. 19 Diasia of Olympiea (?). Adonia (v. a. in Thargelion). Cybernesia (v. a. 6 Pyanepsion). Isthmia (v. a. in Thargelion).

Thargelion.

6-7 Thargelia. 7 Daphnephoria. 19 Callynteria. 19-20 Bendidea. 25 Plynteria. Apollonia of Delia, z. Delus.

Scirophorion.

12 Scirophoria. 13 Arrhephoria. 14 Diipolia. 28 Heraclea.

VOORNAAMSTE ROMEINSCHE VASTE FEEST- EN GEDENKDAGEN TEN TIJDE VAN AUGUSTUS.

Januari.

1. Kalendae. Solemnis votorum nuncupatio. Stichtingsfeest der tempels van Aesculapius op het Tibereiland en van Veiovis.

5. Nonae.

7. Octavianus aanvaardt voor de eerste maal het imperium (eo die primum Caesar fasces sumpsit), 43, in den mutinensischen oorlog.

9. Agonium of Agonalia.

11. Carmentalia, Iuturnalia. De tempel van Janus gesloten, 29.

13. Idus.

15. Carmentalia (2de dag).

16. Octavianus krijgt den titel van Augustus, 26. Wijdingsdag van den Concordia-tempel.

21-23. Ludi Palatini, ter eere van het huis van Augustus ingesteld.

24. Lustratio pagorum.

27. Wijding der aedes Castorum (z. Dioscuri), 6 na C.

30. Wijding der ara Pacis, 9.

De fasti van Ovidius geven als dies comitiales aan: 3, 4, 7, 8, 12, 16, 28 en 31 Jan.

Februari.

1. Kalendae. Wijding van den tempel van Juno Sospita aan het forum holitorium.

2. Amburbium.

5. Nonae. Augustus krijgt den titel van pater patriae, 2. Wijding van den Concordia-tempel op de arx.

13. Idus. Faunalia (lentefeest van Faunus). Wijding van den Faunustempel op het Tibereiland.

13-21. Dies Parentales.

15. Lupercalia.

17. Quirinalia. Stultorum feriae.

21. Feralia (laatste der dies parentales).

23. Terminalia.

24. Regifugium.

27. Equirria.

Dies comitiales: 18-20, 22, 25 en 28 Febr.

Maart.

1. Kalendae. Matronalia. Begin van den rondgang der Salii. De Vestatempel wordt met nieuw lauriergroen getooid en het vuur vernieuwd.

6. Augustus wordt pontifex maximus, 12.

7. Nonae.

14. Equirria.

15. Idus. Feest van Anna Perenna.

16, 17. Rondgang en offers bij de Argei.

17. Agonium. Liberalia.

19. Wijding van den Minervatempel op den Aventinus.

19-23. Quinquatrus.

22-27. Feesten ter eere der Magna Mater en van Atys.

23. Tubilustrium (laatste dag der Quinquatrus).

24. Q. Rex C. F. Zie Regifugium.

25. Hilaria (vreugdefeest over Atys).

27. Lavatio, slot der feriae Magnae Matris.

Dies comitiales: 3-5, 9-12, 18, 20, 21, 25, 26, 28-31 Maart.

April.

1. Kalendae. Vrouwenfeest ter eere der Fortuna civilis.

4-10. Megalesia.

5. Nonae, stichting van den tempel der Fortuna publica op den Quirinalis.

10. Wijding van den tempel der Magna Mater.

12-19. Ludi Cereris (Cerealia).

13. Idus. Wijding van het Atrium Libertatis en van den tempel van Jupiter Victor.

15. Fordicidia.

16. Octavianus neemt den blijvenden titel van imperator aan, 29.

21. Palilia of Parilia.

23. Vinalia.

25. Robigalia.

28. Begin der Floralia (tot 3 Mei). Stichtingsdag van den Vestatempel op den Palatinus, 12.

Dies comitiales: 3, 4, 24, 27, 29 en 30 April.

Mei.

1. Kalendae. Laralia. Wijdingsdag van het altaar der Lares praestites en van den tempel der Bona Dea.

1-3. Laatste dagen der Floralia.

7. Nonae.

9, 11, 13. Lemuria.

12. Ludi Martis in circo. Wijdingsdag van den tempel van Mars Ultor in Capitolio.

15. Idus. Offer bij de Argei. Dies Mercurii et Maiae.

21. Agonalia.

23. Tubilustrium.

24. Q. Rex C. F. Zie Regifugium.

25. Wijdingsdag van den tempel der Fortuna primigenia op den Quirinalis.

29. Ludi Honoris et Virtutis. Dies comitiales: 3-6, 10, 14, 17-20, 25-31 Mei.

Juni.

1. Kalendae. Geboortefeest van Juno Moneta. Dies Carnae (daar aan Carna boonenbrij werd geofferd, werd 1 Juni ook wel Kalendae Fabariae genoemd). Wijding van den Marstempel bij de porta Capena en van het delubrum Tempestatis.

3. Wijding van den Bellonatempel in de regio Circus Flaminius.

4. Wijding van den tempel van Hercules Magnus Custos in de regio Circus Flaminius.

5. Nonae. Wijding van den tempel van Dius Fidius op den Quirinalis.

7. Ludi Piscatorii.

8. Wijding van den tempel van Mens op het Capitool.

9. Vestalia.

11. Matralia (ter eere van Matuta). Wijding van den door Servius Tullius gestichten Fortuna-tempel en van den Concordia-tempel bij de porticus Liviae.

13. Idus. Quinquatrus minusculae (met gemaskerde optochten der tibicines). Wijding van den tempel van Jupiter Invictus.

15. Q. S. D. F. (quando stercus delatum fas), reiniging van den Vesta-tempel. Eerst wanneer het vuil uit den tempel naar eene bepaalde plaats was weggebracht, werd de dag fastus.

19. Wijding van den Minervatempel op den Aventinus.

20. Wijding van den Summanustempel bij den Circus maximus.

23. Dies ater (slag bij het trasimeensche meer, 217).

24. Feestdag der Fors Fortuna. Wijding van haar tempel.

27. Wijding van den tempel der Lares aan het bovengedeelte der Sacra via en van den tempel van Jupiter Stator.

29. Wijding van den Quirinus-tempel.

30. Wijding van den tempel van Hercules en de Muzen. Dies comitiales: 3, 4, 16-28 en 30 Juni.

Juli.

1. Kalendae. Wijding van den door Caesar gestichten tempel der Felicitas op het Capitolium.

4. Wijding der ara Pacis, 13.

5. Poplifugia, ter gedachtenis, zooals men later meende, aan eene nederlaag en vlucht in ouden tijd. Zie 8 Juli. De werkelijke beteekenis van het feest is niet bekend.

6-13. Ludi Apollinares.

7. Nonae. Offer bij het altaar van Consus. Nonae Caprotinae.

8. Vitulatio, offer van een vitulus ter herinnering aan eene overwinning, die op de Poplifugia was gevolgd. Zie 5 Juli.

12. Geboortedag van C. Iulius Caesar, 100.

14-19. Mercatus, jaarmarkt.

15. Idus. Transvectio equitum voor den tempel van Castor en Pollux.

18. Dies ater (slag aan den Allia, 390).

20-30. Ludi victoriae Caesaris, door Caesar vóór den slag bij Pharsalus (48) aan Venus Genetrix beloofd en in 44 ingesteld.

23. Neptunalia.

25. Furrinalia.

Dies comitiales: 10-14, 17, 18, 20, 22, 26, 31.

Augustus.

1. Kalendae.

5. Nonae. Stichtingsdag van den tempel der Salus op den Quirinalis.

9. Offer aan Sol Indiges op den Quirinalis.

13. Idus. Feest van Diana op den Aventinus, een feestdag voor de slaven.

17. Portunalia.

19. Vinalia rustica.

21. Consualia.

23. Vulcanalia.

24. Mundus patet.

25. Opiconsivia, feest van Ops Consiva.

27. Volturnalia.

28. Wijding der ara Victoriae in de curia.

Dies comitiales: 3, 4, 7, 8, 10-12, 15, 16, 18, 20, 24, 26, 28, 31.

September.

1. Kalendae. Wijding van den door Augustus gestichten tempel van Jupiter Tonans.

2. Slag bij Actium, 31.

4-19. Ludi Romani.

5. Nonae.

13. Idus. Inslaan van den gouden jaarspijker. Epulum Jovis. Ceresfeest.

17. Consecratio van Augustus.

20. Geboortedag van Romulus.

20-23. Mercatus, jaarmarkt.

23. Augustus geboren, 63.

Dies comitiales: 4, 7-11, 15-22, 24-28, 30.

October.

1. Kalendae. Offer aan de Fides populi Romani op het Capitool.

3-12. Augustalia, ludi Divo Augusto et Fortunae Reduci.

4. Ieiunium Cereris.

5. Mundus patet.

6. Dies ater (nederlaag van Q. Servilius Caepio tegen de Cimbren, 105).

7. Nonae.

9. Wijding van den Apollotempel door Augustus gesticht.

Offer aan Genius Publicus, Fausta Felicitas en Venus Victrix op het Capitool.

13. Fontinalia, bronnenfeest met bloemoffers aan de bronnen.

15. Idus. Ludi Capitolini, ter eere van Jupiter Capitolinus.

18. Augustus neemt de toga virilis aan, 48.

19. Armilustrium.

26-1 Nov. Ludi Victoriae Sullae (vóór de porta Collina, 82).

Dies comitiales; 3-6, 9, 10, 12, 17, 18, 20-31.

November.

1. Kalendae. Voornaamste dag der ludi Victoriae.

4-17. Ludi plebeii, misschien reeds ingesteld na de tweede secessio plebis, 449.

5. Nonae.

8. Mundus patet.

13. Idus. Epulum Jovis.

18-20. Mercatus, jaarmarkt.

Dies comitiales: 3, 4, 7-12, 15-28, 30.

December.

1. Kalendae.

3. Offer aan de Bona Dea. Het feest hoort tot de feriae conceptivae, zoodat de dag niet vaststaat. Zie Bona dea.

5. Nonae. Faunalia.

8. Offer aan den Deus Tiberinus op het Tibereiland.

11. Agonalia.

12. Offer aan Consus op den Aventinus.

13. Idus.

15. Consualia.

17. Begin der Saturnalia. Vóór de invoering der juliaansche tijdrekening duurde dit feest officieel slechts één dag, en viel op 19 Dec. In 46 werd het op drie dagen gesteld, 17-19 Dec., waarop dan 21-22 Dec. de Sigillaria volgden. Doch privatim had men reeds vroeg het feest tot een zevendaagschen feesttijd uitgebreid, 17-23 Dec., zoodat de Sigillaria bij de Saturnalia als het ware werden ingelijfd.

22. Feestdag der Lares permarini.

23. Larentalia.

25. Geboortefeest van Sol Invictus.

Dies Comitiales: 4, 7-10, 16, 18, 20, 22, 24-27, 30, 31.

LIJST DER ARTIKELS WAARBIJ EENE OF MEER AFBEELDINGEN ZIJN GEVOEGD.

Amphiprostylus. Fasces. Amphitheatrum 3. Gigantes. Amphora. Gladiatores. Ancile. Gymnasium. Anguis. Hera. Antae. Heracles. Aphrodite. Hermes 2. Apollo. Hestia. Ara. Hippodromus. Arcus 2. Ianus. Ares. Isis. Ariadne. Iugum. Artemis. Labarum. Athena. Laocoön. Athenae 4. Legio. Atrium 2. Lyra. Auguria. Macellum. Aurelianus. Mausoleum. Auriga. Mycenae. Balneum. Niobe. Balteus. Oikia 2. Basterna. Pallium. Buccina. Pantheon. Caduceus. Persona. Caestus. Pilum. Calceus 2. Poseidon. Castra 2. Scutum. Catillum. Signum. Cella. Silenus. Centauri. Sistrum. Cera 2. Strigilis. Chlamys. Templum 3. Circus 2. Theatrum 2. Cohors. Thermae. Columbarium. Tibia 2. Columna 5. Triclinium 2. Corona 3. Triumphus 2. Crater. Tropaeum. Crepida 2. Vestalis. Demeter. Villa. Dionysus 2. Vineae. Diskobolia. Zeus. Domus 2.

AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN.

Aemilii, in te voegen tusschen no. 8 en 9: 8a) M. Aemilius Paulus, consul in 255 met Ser. Fulvius Paetinus Nobilior (Fulvii no. 10) z. a.

Agones, 12de regel: altha lees: athla.

Agrariae (leges), bl. 28, kolom 2: Lex Plautia of Plotia agraria, van onbekenden datum, moet zijn: van den volkstribuun M. Plautius Silvanus, van 89.

Antonii no. 13, regel 5: (52-60 n. C.) moet zijn: (52-59 n. C.), en in den volgenden regel: In 58 liet hij, lees: in 57.

Aretas, aan het einde. De ethnarches van Aretas is naar alle waarschijnlijkheid geen stadhouder geweest, maar een arabisch nomadenhoofdman of scheich.

Arrius (Q.). Bijvoegen achter: zijne verkiezing tot consul: Hij wordt door Catullus bespot om zijn slechte uitspraak van het Latijn.

Asinii. Achter 1) bijvoegen: Een broer van hem wordt door Catullus om zijn kleptomanie gehekeld.

Calvisii. Bijvoegen: 3) Calvisius Sabinus, vrijgelatene ten tijde van Seneca, rijk parvenu, die servi litterati hield, opdat hij met hun geleerdheid bij gastmalen zou kunnen pronken.

Nieuw artikel na Groma:

Grosphus, z. Pompeii no. 16.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us