← Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 1 of 7)

Part 1 of 7 · Dr. J. G. Schlimmer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #34955, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID

Door Dr. J. G. Schlimmer en Dr. Z. C. de Boer.

Tweede Druk

Herzien door Dr. Z. C. de Boer en Dr. C. G. Th. W. Koch.

Derde Druk

Herzien door Dr. C. G. Th. W. Koch, Conrector van het gymnasium te Tiel.

Met houtgravures tusschen den tekst.

Haarlem, De Erven F. Bohn. 1920.

VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK.

In den zomer van het jaar 1887 wendden De Erven F. Bohn zich tot mij met de vraag, of ik de bewerking op mij wilde nemen van een nieuw zoogenaamd klassisch woordenboek, meer in het bijzonder bestemd voor leerlingen aan de nederlandsche gymnasiën, van minderen omvang en lageren prijs dan het bekende werk van Lübker en ook dan de nederlandsche bewerking daarvan door wijlen Mr. J. D. van Hoëvell, omstreeks 30 jaar geleden bij den heer Braat te Dordrecht verschenen. Alleen durfde ik echter deze taak niet op mij te nemen en ik verzekerde mij dus van de hulp van mijn ambtgenoot Dr. Z. C. de Boer, die zich bereid verklaarde den arbeid met mij te deelen.

J. G. Schlimmer.

Waaraan dit woordenboek zijn ontstaan verschuldigd is, is in bovenstaande regelen medegedeeld. Er blijft nog over, rekenschap te geven van de bewerking. Het boek was in de eerste plaats bestemd voor de gymnasiën, doch het belang van de uitgevers bracht mede, dat het debiet niet uitsluitend daartoe wordt beperkt, maar dat het boek ook geschikt zou wezen voor beoefenaars der klassieke letterkunde en der oude geschiedenis, ook buiten het gymnasiaal onderwijs staande. Met het oog op het hoofddoel kwam het ons voor, dat wij zooveel mogelijk lange monografieën moesten vermijden en wel in het oog moesten houden, met welk doel een gymnasiast een artikel zou opslaan. Wanneer hij b.v. den naam van een land opzocht--zoo meenden wij--dan zou dit niet wezen om er eene uitvoerige aardrijkskundige beschrijving in te vinden, met opgaaf van bergen, rivieren, steden, enz. Toen eenmaal het plan van bewerking was vastgesteld, moest de arbeid worden verdeeld. De eerste ondergeteekende nam datgene voor zijne rekening, wat tot Italië behoorde of zich daarbij aansloot, om het zoo eens uit te drukken, het rom. gedeelte, benevens de geheele geografie der oude wereld, terwijl de tweede ondergeteekende zich met het grieksche gedeelte en de geheele mythologie en godenleer belastte. De lijst der op te nemen artikels werd telkens door ons gemeenschappelijk opgemaakt en daarbij werd met zorg overwogen, of naar onze meening te verwachten was, dat de leerling dit of dat woord in ons woordenboek zou opzoeken. Wij meenden verder, ons te moeten beperken tot het gebied der oude geschiedenis en niet op dat der middeleeuwen te moeten treden.

Een ander punt van ernstige overweging was de spelling der grieksche namen, wanneer zij met latijnsche letter worden geschreven. Al ras bleek het, dat een dubbel stelsel--n.l. voor latijnsche en grieksche woorden afzonderlijk--met het oog op de alphabetische volgorde niet houdbaar was, al ware het alleen reeds hierom, dat de volgorde van het alphabet in beide talen niet dezelfde is. Het gevolg zou slechts verwarring en last voor de gebruikers zijn geweest. Zoo kwamen wij tot het besluit, in alles de latijnsche spelling te volgen. Nu was het echter consequent, ook de latijnsche volgorde der letters in acht te nemen. Dientengevolge [1] staan ook de woorden, die met grieksche letters geschreven zijn, dáár waar zij naar het latijnsche alphabet behooren te staan. Zoo staat b.v. Autonomia tusschen Autonoë en Autonoüs, Eukleia tusschen Euïus en Eulaeus, doch nu moest, om geen verwarring te stichten, overal de y op ééne lijn gesteld worden met u, ten minste in de grieksche woorden, die geen eigennamen zijn en daarom in grieksche letters zijn gespeld. Zoo staat b.v. symmoriai na Summanus en niet na Symmachus. Woorden, die met een geaspireerden klinker beginnen, vindt men onder H. Een ander gevolg van deze regeling is geweest, dat wij zooveel mogelijk de latijnsche uitgangen hebben verkozen en men b.v. niet Delos moet opzoeken, maar Delus. Moge ook deze of gene hiertegen bezwaren koesteren, het gemak der gebruikers stond op den voorgrond.

Thans nog enkele opmerkingen [2]. De romeinsche wetten, voorzoover zij zijn opgenomen, staan niet vermeld onder een algemeen artikel lex, maar naar haren naam. Zoo moet b.v. eene lex Aemilia onder Aemilia (lex) gezocht worden. De romeinsche familiën staan, althans wat den tijd der republiek betreft, zooveel mogelijk naar gentes gerangschikt. Voor den keizertijd was dit om zeer begrijpelijke redenen niet vol te houden. De keizers vindt men geboekt onder den naam, waaronder zij in de geschiedenis gewoonlijk voorkomen. Niet alle eigennamen, welke bij oude schrijvers voorkomen, worden in dit woordenboek aangetroffen. Namen, die slechts op eene enkele plaats voorkomen en waarvan niets anders te vermelden was dan wat op die plaats wordt gevonden, hebben wij in den regel als onnutten ballast beschouwd, tenzij vermelding noodig scheen om verwarring met anderen te voorkomen. Wat het geografische gedeelte aangaat, hebben wij ons tot het, in ons oog, noodzakelijke beperkt. Wie b.v. Sequana opzoekt, dien zal het wel voldoende zijn, te weten dat dit de Seine is, en hij zal niet vragen, waar deze ontspringt en welke rivieren zij opneemt. Als men vindt, dat Abnoba mons het tegenwoordig Schwarzwald, of dat Baetis de oude naam is van den Guadalquivir, dan zal zulks voor den gebruiker van dit woordenboek wel voldoende wezen. Bij de stedennamen is er naar gestreefd, zoodanige aanwijzing te geven, dat het opzoeken op de kaart gemakkelijk werd gemaakt. Ook moest er eenige rekening worden gehouden met hetgeen op de gymnasia al of niet gelezen wordt, en zoo wij b.v. Pausanias en Plinius veronachtzaamd hebben, dan zal men ons toch moeten toestemmen, dat hieraan weinig is gelegen, daar men bij het lezen van zulke schrijvers vanzelf weet in welken hoek der wereld men zich bevindt. Nu en dan is naast den ouden ook de tegenwoordige naam vermeld, wanneer b.v. deze laatste een algemeen bekende naam is of waar de naam van een volk nog voortleeft in dien van hunne vroegere hoofdstad.

En hiermede--habeat sua fata libellus.

Tiel, Juni 1890. J. G. S. Z. C. de B.

[1] Een voorbericht wordt zeer dikwijls niet gelezen. Toch zal het bij het opzoeken van een woord dikwerf moeite besparen, wanneer men althans van deze mededeeling nota neemt.

[2] Ook van belang voor den gebruiker.

VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.

Hoewel wij in deze tweede uitgave, waarbij de tweede ondergeteekende dat deel voor zijne rekening heeft genomen, dat in den eersten druk door den heer Schlimmer is bewerkt, zooveel mogelijk getrouw zijn gebleven aan het hierboven uiteengezette werkplan, konden toch de resultaten van het wetenschappelijk werk van twintig jaren niet zonder invloed blijven op de behandeling van verscheiden artikelen. Gewijzigde opvattingen omtrent oude geschiedenis, rom. eeredienst, antiquiteiten, enz. moesten, voor zoover zij door ons gedeeld werden, ook hier uitdrukking vinden, zoude het boek op de hoogte van zijn tijd blijven, en ook onder de meeningen, die wij niet als met zekerheid juist durfden aannemen, waren er niet weinige die ons in ieder geval vermelding waard schenen. Bovendien is het geografisch gedeelte in vele gevallen uitgebreid door uitvoeriger aanwijzingen, om het zoeken op de kaart gemakkelijker te maken, en met hetzelfde doel is een aantal minder bekende plaatsen opgenomen, die in de eerste uitgave niet vermeld waren.

Andere wijzigingen dienen tot het verbeteren van onjuistheden, bij het gebruik opgemerkt, of danken hun ontstaan aan opmerkingen van anderen, die wij ons dankbaar hebben trachten ten nutte te maken. Zoo is het art. acies, dat in den eersten druk weggelaten was, nu wèl opgenomen, de leges agrariae tot één art. vereenigd, enz. Het een en ander, waarbij nog komt de toevoeging van een aantal nieuwe afbeeldingen, heeft de uitbreiding van het werk met een viertal vellen druks ten gevolge gehad.

Lange klinkers zijn alleen in de voorlaatste lettergreep van meer- dan tweelettergrepige woorden van een teeken voorzien, korte op enkele bizondere gevallen na in het geheel niet; dit scheen ons voldoende om de juiste uitspraak, vooral van eigennamen, aan te geven.

Wat hierboven over het volgen van de latijnsche spelling gezegd is, bracht onzes inziens mede dat geen trema geplaatst werd op een klinker, die met den voorgaanden klinker in het Latijn geen tweeklank kan vormen, dus niet meer Nausicaä, Antinoüs e. dgl. Eu moet in grieksche eigennamen als een tweeklank gelezen worden, behalve natuurlijk wanneer het tegendeel blijkt, in latijnsche woorden niet; zoo zijn bijv. Erechtheus, Creusa en balneum, alle van drie lettergrepen.

Mogen de aangebrachte veranderingen blijken verbeteringen te zijn!

Tiel, September 1910. Z. C. de B. C. G. Th. W. K.

VOORBERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK.

Terwijl er tusschen het verschijnen van den eersten en den tweeden druk twintig jaren verloopen zijn, volgt deze derde druk reeds na ruim negen jaren. Het spreekt dan ook bijna van zelf, dat deze druk veel minder afwijkt van den vorigen, dan de tweede van den eersten, daar in de laatste vijf jaren het wetenschappelijk onderzoek vrij wel stil gestaan heeft. Wegens het overlijden van mijn betreurden ambtgenoot Dr. Z. C. de Boer, heb ik ook het Grieksche gedeelte van het werk op mij genomen. Zijn werk echter bleek bij nauwkeurig onderzoek zoo verdienstelijk in elkaar te zitten, dat in dat gedeelte slechts weinig veranderingen, voornamelijk op het gebied der literatuurgeschiedenis, behoefden aangebracht te worden. Waar dit niet het geval was, heb ik bij de belangrijkste Grieksche schrijvers de voornaamste werken opgesomd, met bijvoeging zoo mogelijk van het jaar van verschijning. Verder heb ik nieuw opgenomen al wat de praktijk van het lesgeven mij als leemte had doen gevoelen: het werk behoort in hoofdzaak voor schoolgebruik bestemd te blijven, al maken ook, naar mij gebleken is, vele studenten en jongere collega's er gebruik van.

Van nieuwigheden noem ik behalve taxis, dat de vorige maal uitgevallen was, o. a. eranos, agones en ludi; verder woorden als koine, Hellenismus, proselytoi; ook een klein artikel over Paulus--de Romeinsch-Grieksche cultuur der 1ste eeuw n. C. is zonder hem niet te begrijpen--en in verband hiermede, eene bijvoeging onder Galatia.--Verder heb ik de voornaamste Attische vazenschilders en fabrikanten opgenomen; ze komen zoo vaak bij het onderwijs te pas, dat een aanwijzing van den tijd, waarin ze thuis hooren, niet ongewenscht leek. Van één dezer kunstenaars, Brygus, wist ik het accent niet--de naam schijnt later niet meer voor te komen, en in zijn dagen schreef men geen accenten; ik heb er dus maar wat van gemaakt.

Nieuwe houtgravures zijn ditmaal niet opgenomen, ééne, afschuwelijke, Equuleus, die bovendien onjuist was, heb ik weggelaten.

Ten slotte is het mij een behoefte dank te zeggen aan de Bestuurders der Buma- en der Leidsche Bibliotheek, zonder wier liberaliteit in het uitleenen een dergelijk werk moeilijk had kunnen tot stand gebracht worden.

Moge het werk ook ditmaal zijn weg vinden.

Tiel, Maart 1920. C. G. Th. W. K.

VERKORTINGEN IN DEN TEKST.

v. s. = volgens sommigen. v. a. = volgens anderen. e. a. = en andere(n). e. e. = en elders. d. Gr. = de Groote. rom., Rom. = romeinsch, Romeinen.

Waar niet bepaald het tegendeel blijkt, zijn de jaren gerekend vóór C.

A.

Abacus, abax, abakion, 1) Soort van rekenbord of telraam.--2) Vierkant bord, met zand bestrooid, voor het teekenen van wiskunstige figuren.--3) Soort van speeltafel of speelbord.--4) Pronktafel of buffet, meest vierkant, zelden rond, meestal zeer kostbaar van blad en pooten. Men bezigde hiertoe marmer, soms ook zilver, of wel zeer kostbare houtsoorten.--5) Marmeren paneelplaat aan de muren, ook wel de bonte vakken in een vloer van mozaïekwerk.--6) Dekplaat eener zuil (zie Columna).

Abae, Abai, zeer oude stad der Abanten in Phocis, op de grenzen van Boeotië, met een tempel en een orakel van Apollo.

Abalus, een Noordzee-eiland, waar veel barnsteen gewonnen werd, waarschijnlijk Burchana (Borkum), zie verder Glaesariae insulae.

Abantes, Abantes, oud-grieksche volksstam, de oudste bewoners van Euboea. Nog vroeger hadden zij in Phocis gewoond en daar de stad Abae gesticht.

Abantiades, Abantiades, Acrisius, Perseus, e. a. afstammelingen van Abas.

Abantias, Abantias, -tis, 1) vrouwelijke afstammeling van Abas, bijv. Danaë.--2) Euboea, oude woonplaats der Abanten.

Abaris, Abaris, priester van Apollo bij de Hyperboreërs of Scythen, van wien vele wonderen verteld worden, bijv. dat hij van Apollo een gouden pijl had gekregen, waarop hij door de lucht reed, dat hij zonder voedsel leefde, de toekomst voorspelde, ziekten genas, enz. Hij leefde v. s. in de 8ste, v. a. in de 6de eeuw.

Abas, Abas, 1) zoon van Lynceus en Hypermnestra, koning van Argos. Hij was in het bezit van het schild van zijn grootvader, Danaüs, waarvan het gezicht een oproerig volk tot bedaren kon brengen. V. s. is hij de stichter van Abae, v. a. is dit een naamgenoot van hem, zoon van Poseidon en Arethusa. Hij was de vader van Acrisius.--2) zoon van Metanira, die Demeter bespotte, toen zij met gretigheid dronk, en daarom door de godin in een hagedis werd veranderd.

Abdalonymus, afstammeling van de oude koningen van Sidon, die in groote armoede leefde, totdat Alexander hem in de waardigheid zijner voorouders herstelde en zijn gebied zelfs vergrootte.

Abdera, ta Abdera, stad op de thracische kust aan den mond van den Nestus, eene volkplanting van Clazomenae, doch vervolgens door de Thraciërs verwoest (653), en ruim een eeuw later (545) door inwoners van Teos, die zich niet aan Cyrus onderwerpen wilden, weder opgebouwd en bevolkt. Abdera had in de perzische oorlogen zware offers aan de legermacht van Xerxes te brengen, doch kwam daarna, als lid van den delisch-attischen bond, tot grooten bloei. In de 4de eeuw verloor de stad haar beteekenis tengevolge van een ongelukkigen strijd tegen de Triballers, een thracischen stam aan de Donau, die in 376 plunderend het eigenlijke Thracië binnenviel, en de Abderieten versloeg. In den oorlog der Romeinen tegen Perseus werd Abdera door den praetor L. Hortensius stormenderhand ingenomen en geplunderd (170), en werden de inwoners omgebracht of als slaven verkocht, omdat zij aan de hebzucht van den romeinschen veldheer niet spoedig genoeg voldeden. De rom. senaat schonk hun de vrijheid terug en verklaarde Hortensius' handeling voor onbillijk. In den lateren tijd hadden de Abderieten den naam van stompzinnig te zijn en allerlei dwaasheden te doen. De wijsgeeren Democritus en Protagoras en de geschiedschrijver Hecataeus waren te Abdera geboren.

Abderus, Abderos, een gunsteling van Heracles, die door de paarden van Diomedes (z. a. no. 1) verscheurd werd. Te zijner nagedachtenis bouwde Heracles de stad Abdera.

Abella of Avella, stad in Campania in de bergen ten O. van Nola, met beroemde ooftteelt, vandaar malifera genoemd.

Abellinum, stad op de grenzen van Campania en Samnium, t. O. van Abella.

Abelux, Abilyx, een voorname Spanjaard, die de spaansche gijzelaars, door Hannibal te Saguntum opgesloten, aan de twee Scipio's in 217 in handen speelde. Zie Bostar.

Abia, Abia, stad in Messenia aan de oostzijde van de messenische golf.

Abii, Abioi, scythisch nomadenvolk, volgens Homerus een van de rechtvaardigste volken. Ook in den tijd van Alexander d. G. worden zij genoemd.

Abila, ta Abila, stad in Coele-Syria, ten N. W. van Damascus.

Abisares, Abisares, indisch vorst, die zich aanvankelijk vijandig tegen Alexander gedroeg, en zich later met Porus tegen hem wilde vereenigen. Hij onderwierp zich echter tijdig, waarvoor Alexander hem de regeering liet en zelfs zijn gebied vergrootte.

Abnoba mons, later Marciana Silva, het tegenwoordige Schwarzwald.

Abobrica, stad in Hispania Tarraconensis, in Gallaecia, aan de Westkust, ten N. van den Minius (Minho), tgw. Bayona.

Abolla, een mantel van dubbel linnen, oorspronkelijk een soldatenmantel. In den keizertijd was deze dracht vrij algemeen. Dat de abolla destijds nauwsluitend was, bewijst een epigram van Martialis de abolla Crispini, waarin hij den dieven aanraadt, liever eene toga om te slaan. Abolla maior was een wijdere mantel, waarin de grieksche wijsgeeren, vooral de cynische, zich plachten te wikkelen.

Abonitichos, Abonou teichos, stad in Paphlagonia, ten O. van Sinope, met het orakel van den door Lucianus gehekelden leugenprofeet Alexander.

Aborigines, doch gr. aborigines, een oud-italische volksstam.

Absis, hapsis, ion. apsis, -idos, halfrond uiteinde eener overigens rechthoekige zaal, vooral bij basilicae en aan romeinsche tempels van den keizertijd voorkomende.

Absyrtides insulae, twee eilandjes aan de illyrische kust, waarvan het grootste later Apsorus, Apsoros, heette.

Absyrtus = Apsyrtus.

Abulites, Aboulites, satraap van Susiana onder Darius Codomannus. Hij onderwierp zich vrijwillig aan Alexander (331) en behield daarom zijn satrapie; maar daar hij zich gedurende Alexanders tocht naar Indië aan plichtverzuim schuldig maakte, werd hij met zijn zoon ter dood gebracht.

Abus, Abos, 1) rivier aan de Oostkust van Britannia, misschien de Humber.--2) berg in Armenia, tgw. Ararat of Arghatagh, met de bronnen van den Euphraat.

Abydus, Abydos, 1) stad aan den Hellespont op de aziatische kust, tegenover Sestus, kolonie van Miletus. Te Sestus woonde Hero, te Abydus Leander. Hier hield Xerxes zijne legertelling. Spreekwoord: ne temere Abydum (sc. eas), omdat de stad wegens hare zedeloosheid berucht was.--2) stad in Boven-Aegypte, ten noorden van Thebae, beroemd door het graf en een tempel van Osiris, alsmede door het nabijgelegen Memnonium. De tabula Abydena is eene onder de puinhoopen der stad gevonden geslachtslijst van de koningen der 18de dynastie. Later, in 1864, is er nog een tweede geslachtslijst gevonden, die veel belangrijker is.

Abyla, Abile, kaap in Afrika aan den ingang der middellandsche zee (tgw. Ceuta), met den tegenoverliggenden berg Calpe de zuilen van Hercules genoemd.

Academia, Akademeia, 1) wandelplaats en worstelperk aan den Cephisus bij Athene, waar door Plato en zijn opvolgers (Academici, Akademikoi, hoi apo tes Akademeias) onderwijs gegeven werd. Cimon had aan de verfraaiing der Ac. veel ten koste gelegd. De naam wordt afgeleid van den heros Academus.--2) villa van Cicero hij Puteoli, zoo genoemd naar de Academica, die hij daar schreef.

Acamantis, Akamantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Acamas, Akamas, 1) zoon van Theseus en Phaedra, die met Diomedes als gezant naar Troje gezonden werd om Helena terug te vragen. Later nam hij deel aan den tocht tegen Troje en was hij een van hen, die met het houten paard in de stad kwamen. Bij de verovering vond hij zijne grootmoeder Aethra en bracht haar naar Athene terug, waar hij later de heerschappij in handen kreeg. Hij stierf op Cyprus, waarheen hij een atheensche kolonie geleid had.--2) zoon van Antenor, een van de dapperste Trojanen.--3) zoon van Eüssorus, aanvoerder van de thracische hulptroepen der Trojanen.--4) een Cycloop.

Acanthus, akanthos, bereklauw, een plant die in het zuiden zeer veel in het wild voorkomt. Haar bladeren hebben tot voorbeeld gediend voor het kapiteel der Corinthische zuil, zie Columna.

Acanthus, Akanthos, stad op Chalcidice, aan de noordzijde van de doorvaart, die Xerxes voor zijne vloot liet graven.

Acarnan, Akarnan, zoon van Alcmaeon en Callirrhoë; hij en zijn broeder Amphoterus waren nog zeer jong toen hun vader vermoord werd, maar op het gebed van hun moeder liet Zeus hen buitengewoon snel tot mannen opgroeien. Daarop doodden zij de moordenaars van Alcmaeon (z. Phegeus) en vluchtten zij uit Arcadië naar Epirus, waarvan zij later een deel onder den naam van Acarnania beheerschten.

Acarnania, Akarnania, het meest westelijke landschap van eigenlijk Hellas (zoogen. Midden-Griekenland), in den mythischen tijd bewoond door allerlei stammen: Taphiërs, Teleboeërs, Lelegers, Cureten, later aan de kusten door Corinthiërs bevolkt. Voor de geschiedenis heeft Ac. geen belang. De Acarnaniërs waren een ruw, kloek volk, berucht om hunne rooftochten te land en ter zee.

Acastus, Akastos, 1) zoon van Pelias, nam deel aan de jacht op het calydonische zwijn en aan den tocht der Argonauten. Bij de spelen, die hij gaf ter gelegenheid van de begrafenis zijns vaders, zag zijne gemalin Hippolyte of Astydamea voor het eerst Peleus en werd op hem verliefd, doch daar hare liefde onbeantwoord bleef, beschuldigde zij hem bij haar echtgenoot, dat hij haar had willen verleiden. Hierover vertoornd nam Ac. Peleus mede naar een jachtpartij op den Pelion, en toen P. vermoeid was ingeslapen, liet hij dezen alleen achter, na hem zijn zwaard te hebben ontnomen, in de meening, dat hij dus moest omkomen. En inderdaad werd hij door de Centauren aangevallen; hij werd echter door Hermes (v. a. Hephaestus of Chiron) gered, trok naar Iolcus en doodde Ac. en zijne gemalin.--2) koning van Dulichium.

Acatus, Acatium, akatos, akation, 1) klein en snelzeilend schip, als passagiers- en transportschip en vooral bij zeeroovers in gebruik; de achtersteven was binnenwaarts gekromd, de voorsteven van een snebbe voorzien. Ook de boot van Charon (z. a.) heette akatos.--2) de 2de mast op een schip.--3) een soort drinkschaal in den vorm van een boot.

Acca Larentia of Larentina, volgens de sage de vrouw van den herder Faustulus en de voedster en pleegmoeder van Romulus en Remus; oorspronkelijk eene godin, aan wie op de Larentalia (z. a.) geofferd werd.

Accensus. 1) Oorspronkelijk hadden niet beide consuls te Rome gelijktijdig lictores cum fascibus et securibus. Degene, die ze niet had, liet zich dan voorafgaan door een accensus of ordonnans. Later echter werd het gebruikelijk, dat de magistratus cum imperio behalve hun lictoren toch nog een accensus hadden. Tusschen de accensi en de overige apparitores of dienaren der magistraten is dit onderscheid, dat de accensus niet in vasten staatsdienst was, maar door den ambtenaar persoonlijk in dienst genomen werd, en bij diens aftreden ook ophield accensus te zijn. De accensi werden vooral gebruikt tot het doen van dagvaardingen. Meestal waren het vrijgelatenen.--2) Bij de legerorganisatie van Servius Tullius waren accensi eene reserve, die een afzonderlijke centuria vormde, en evenals de twee centuriae fabrum en de twee centuriae tubicinum et cornicinum, buiten de classes stond. Zij vochten als ongeregelde troepen, niet in linie, maar tirailleursgewijze, en deden dikwerf dienst als steenwerpers. Ook namen zij in den strijd de plaats der gesneuvelden in de slaglinie in en streden dan met de wapenen van hen, die zij vervingen. Velati heeten zij in tegenstelling met de eigenlijke soldaten, die sagati (= met een krijgsmantel bekleed) zijn. Ze hebben dus gewone burgerkleeding en zijn ongewapend. Uit deze accensi werden oorspronkelijk de burgerlijke accensi gekozen.

Accius, romeinsch treurspeldichter, z. Attius no. 6.

Ace, Ake, beroemde vesting in Phoenice, door Ptolemaeus I verfraaid en in Ptolemaïs verdoopt, in de geschiedenis der kruistochten bekend als St. Jean d'Acre.

Acerra, 1) een doos of kistje tot het bewaren van wierook.--2) een klein, draagbaar altaar, waarop wierook gebrand werd bij een lijk.

Acerrae, stad in Campania, door Hannibal verwoest, later herbouwd.

Aceruntia, stadje op de grens van Apulia en Lucania, op den berg Vultur gelegen, tgw. Acerenza.

Acesines, Akesines, 1) rivier op de oostkust van Sicilië, ten Noorden van den Aetna.--2) rivier in Pendschab, die den Hydaspes opneemt, en zelf in den Indus uitstroomt.

Acestes, Aegestes, Egestes, Akestes, Aigestes, zoon van een Trojaan of van den riviergod Crimisus en Segesta of Egesta. Hij was op Sicilië geboren, waar hij zich na afloop van den trojaanschen oorlog ging vestigen. De stad Segesta of Egesta was door hem gesticht of naar hem genoemd. Aeneas werd bij zijn komst op Sicilië gastvrij door hem ontvangen.

Acetabulum, kleine rom. inhoudsmaat = 0.067 liter. Eigenlijk beteekent het woord in de eerste plaats een azijnfleschje, ook wordt het gebezigd van een beker voor goocheltoeren.

Achaei, Achivi, Achaioi, een van de hoofdstammen der Grieken (z. Hellenes). Uit Thessalia gekomen, vermeesterden zij de Peloponnesus, met uitzondering van Arcadia en Ionia en bovendien een deel van Creta. Bij Homerus en in navolging van hem ook bij latere gr. en rom. dichters worden de gezamenlijke Grieken voor Troje meestal Ach. genoemd. Toen de Doriërs de Peloponnesus binnendrongen, werden de Achaeërs voor een gedeelte onderworpen, een gedeelte echter verdreef de Ioniërs en gaf aan Ionia den haam Achaia.

Achaeisch verbond. De twaalf democratisch bestuurde steden van Achaia vormden van oudsher een verbond, dat echter alleen bij gemeenschappelijke offers als zoodanig optrad. Dit verbond viel onder Alexander d. Gr. uiteen, doch omstreeks 280 sloten de ach. steden, in dien tijd tien in getal, zich opnieuw bij elkander aan. Van toen af werden geregeld jaarlijks minstens twee gewone bondsvergaderingen gehouden, terwijl in bizondere gevallen een algemeene vergadering bijeengeroepen werd, waaraan ieder burger boven 30 jaar kon deelnemen, terwijl het bestuur aan twee strategen (sedert 256 slechts één), een grammateus, en tien damiurgi was opgedragen. Door de bekwaamheid zijner strategen (Aratus, Philopoemen) kreeg het verbond weldra groote macht en kon het ook buiten Achaia verschillende peloponnesische staten tot bondgenooten maken of aan zich onderwerpen (Sicyon 249, Corinthe 242); zelfs Sparta werd in 188 veroverd. Doch dit streven naar de hegemonie in de Peloponnesus, vooral door het aetolisch verbond tegengewerkt, bracht het verbond soms in groote moeilijkheden en daardoor werd weldra het oorspronkelijke doel, handhaving der grieksche vrijheid tegenover Macedonië, uit het oog verloren; in 223 zag Aratus zich zelfs genoodzaakt de hulp van den macedonischen koning tegen Sparta in te roepen. Sedert dien tijd was het verbond steeds min of meer afhankelijk van Macedonië, en had het zijn behoud alleen te danken aan de twisten met Rome, waarin dit rijk weldra geraakte. Toen na den slag bij Cynoscephalae (197) het verbond tot de romeinsche zijde overging, steeg zijne macht weldra ten top; maar toen in 148 Macedonië een romeinsche provincie geworden was, bestond er voor de Romeinen geen reden meer het te sparen, en in het volgende jaar werd, naar aanleiding van een geschil met Sparta, de eisch gedaan, dat de voornaamste steden van het verbond losgemaakt en autonoom gelaten zouden worden. Dit deed het verbitterde volk naar de wapenen grijpen; maar in 146 werden zij eerst onder aanvoering van Critolaus door Metellus (z. Caecilii no. 6) bij Scarphe, en daarna onder aanvoering van Diaeus bij Leucopetra op den Isthmus door L. Mummius verslagen, waarop het verbond door den senaat opgeheven en Griekenland onder den naam Achaia een romeinsche provincie werd. Corinthe werd door Mummius gesloopt.

Achaemenes, Achaimenes, 1) stamvader van het eerste perzische koningsgeslacht, de Achaemeniden.--2) vorst van Persis onder Phraortes (omstreeks 640).--3) broeder van Xerxes en stadhouder van Aegypte, werd bij den opstand van Inarus tegen Artaxerxes gedood (462).

Achaeus, Achaios, 1) zoon van Xuthus en Creusa, mythisch stamvader der Achaeërs. In Aegialus geboren, keerde hij later naar Thessalië terug, van waar zijn vader verdreven was, en kwam daar na den dood van zijn oom Aeolus aan de regeering.--2) treurspeldichter, te Eretria geboren, jongere tijdgenoot van Sophocles, maker van 24 (of 44) treurspelen, waarvan slechts één den prijs behaalde. Hij werd in den alexandrijnschen canon als eerste na de drie groote tragici opgenomen.--3) stadhouder van koning Antiochus III, heroverde de aan Attalus verloren deelen van het syrische rijk, doch toen hij zich in Kl.-Azië onafhankelijk wilde maken, werd hij te Sardes gevangen genomen en gedood (214).

Achaia, Achaïa, 1) landschap langs de noordkust van de Peloponnesus, in ouden tijd Aigialos, kustland, geheeten. Voordat het land door de Achaeërs (z. a.) veroverd werd, was het door Ioniërs bewoond, die zich nu genoodzaakt zagen uit te wijken en deels naar Attica, deels naar de aziatische kust trokken. Het land was arm aan havens. In den omtrek van de stad Patrae bloeide de teelt van den byssusstruik, weshalve men er vele weverijen aantrof.--2) stamland der Achaeërs, in het zuiden van Thessalia, gewl. ter onderscheiding van no. 1 Achaïa Phthiotis genoemd.--3) naam van Griekenland (Peloponnesus en Hellas) als rom. provincie, sedert 146, na de verwoesting van Corinthus door den rom. veldheer L. Mummius.

Acharnae, hai Acharnai, ook Acharne, Acharne, vlek in Attica, op drie uur afstands ten noorden van Athenae gelegen. De bevolking leefde van wijn- en olijventeelt en vooral van kolenbranderijen. Het was een krachtig, doch ruw slag van menschen. Een der stukken van Aristophanes is Acharnes getiteld.

Achates, Achates, 1) de trouwe makker van Aeneas, fidus Achates.--2) riviertje op de zuidkust van Sicilia, waarnaar de achaatsteen genoemd is.

Acheloïades, Acheloides, de Sirenen, dochters van Achelous; alg. riviernimfen.

Achelous, Acheloos, 1) nu Aspropotamo, de grootste rivier van Griekenland, ontspringt op den Pindus, loopt met snellen stroom zuidwaarts, scheidt Acarnania en Aetolia, en stort zich tegenover de Echinadische eil. in zee.--2) de god van bovengenoemde rivier, de oudste der 3000 rivieren, zonen van Oceanus en Thetys, v. a. zoon van Helius en Gaea, en vorst aller rivieren; vandaar wordt de naam Ach. soms voor water, Acheloia pocula voor drinkwater gebruikt. Hij vocht met Heracles om het bezit van Deianira; bij dit gevecht maakte hij gebruik van zijn vermogen om zich in een slang of in een stier te veranderen, maar in alle drie gedaanten moest hij het onderspit delven; zelfs verloor hij als stier een horen, die, door de Najaden met bloemen en vruchten gevuld, de hoorn van overvloed werd. V. a. behield Heracles den horen, totdat Ach. dien van Amalthea er voor in ruil gaf. Hij was de vader der Sirenen en van Dirce.

Acheron, Acheron, rivier in Epirus, die voor een gedeelte onder den grond en dan volgens de meening der ouden rondom de onderwereld stroomt en over welke Charon de zielen der afgestorvenen voerde. Hij stroomt door de Acherusia palus. Een zijrivier hiervan was de Cocytus (z. a.).

Acheruntici libri, godsdienstige boeken, afkomstig van een etrurischen god of koning Tages, en handelende over de uitvaart en vereering der afgestorvenen.

Acherusia, sc. palus, he Acherousia limne, meer in Epirus, waardoor de Acheron stroomde. Ook andere meren en diepten, welke men meende dat met de onderwereld gemeenschap hadden, komen onder dezen naam voor, zoo o.a. ten zuiden van Cumae in Campanië (tgw. Lago del Fusaro), wel te onderscheiden van het lacus Avernus, dat ten oosten van Cumae ligt.

Achillas, Achillas, voogd van Ptolemaeus XII, de moordenaar van Pompeius. Bij de onlusten, die kort daarna ia Alexandrië ontstonden, streed hij niet zonder geluk tegen Caesar, maar spoedig ruimden zijne tegenstanders hem door sluipmoord uit den weg.

Achilles, Achil(l)eus, zoon van Peleus en Thetis, de dapperste, schoonste, vlugste, in het algemeen de voortreffelijkste aller grieksche helden voor Troje. Door zijne moeder werd hij zorgvuldig opgevoed, zelfs poogde zij hem onsterfelijk te maken en tot dat einde zalfde zij hem bij dag met ambrosia, terwijl zij hem bij nacht in het vuur legde, maar toen eens zijn vader hem zoo vond en hem uit de vlammen wilde redden, moest zij hare pogingen opgeven; zij verliet haar echtgenoot en keerde naar de zee terug. Daarna werd hij door Phoenix in de welsprekendheid en krijgskunde, door Chiron in de geneeskunde onderwezen en was hij met Patroclus reeds als kind bevriend. Van zijne moeder wist Ach. dat hem een lang en roemloos of een kort en roemvol leven beschoren was; hij koos het laatste en nam dan ook gaarne deel aan den tocht tegen Troje, waartoe Nestor en Odysseus hem kwamen uitnoodigen. V. a. had zijne moeder hem van den tocht willen terughouden, daar zij voorzag dat hij daarbij zoude omkomen; toen dus voorspeld was dat Troje zonder hem niet kon worden ingenomen, en Odysseus uitgezonden werd om hem te halen, zond zij hem naar Scyrus, waar hij in vrouwenkleeren te midden van de dochters van koning Lycomedes verborgen gehouden werd. Maar Odysseus vond hem ook hier en herkende hem door list; hij kwam namelijk als koopman verkleed en liet voor de meisjes allerlei sieraden uitstallen, maar daarnevens ook wapenen; terwijl zij nu bezig waren dit alles te bezien, hoorde men plotseling schreeuwen en vechten, waarop de meisjes verschrikt vluchtten, maar Ach. de wapenen greep om zich te verdedigen. Voor Troje verrichtte hij onder bescherming van Hera en Athena groote heldendaden; hij verwoestte 12 steden ter zee en 11 te land. In het tiende jaar van den oorlog echter trok hij zich, door Agamemnon beleedigd (z. Briseis), terug en Thetis wist van Zeus te verkrijgen dat de krijgskans den Trojanen gunstig zou zijn, totdat aan Ach. voldoening gegeven zou zijn. Deze wijst, hoe hoog de nood ook bij de Grieken stijgt, ieder aanbod tot verzoening af; eerst toen de Trojanen in het leger gedrongen waren en begonnen waren de schepen in brand te steken, gaf hij gehoor aan de beden van Patroclus en stond hij toe dat deze zich aan het hoofd van de Myrmidonen in het gevecht mengde. Om den Trojanen schrik aan te jagen bekleedt Patroclus zich met de wapenrusting van Ach., maar hij wordt door Hector gedood en de wapenrusting valt in de handen der vijanden. Verdriet over het verlies van zijn vriend en de zucht om daarover wraak te nemen, bewegen Ach. nu zich met Agamemnon te verzoenen, en van dezen tijd af neemt hij weer deel aan den strijd. Reeds den eersten dag daarna wordt een hevig gevecht geleverd, waaraan verscheiden goden deelnemen, en waarin Hector door Ach. gedood wordt. Niet lang daarna werd ook Ach. door Paris en Apollo gedood, hetzij in een gevecht, hetzij in een tempel van Apollo, waar hij gekomen was om met Polyxena, de dochter van Priamus, te trouwen; hij werd door het geheele leger, door zijne moeder, de muzen en de zeenimfen 17 dagen lang beweend; aan het strand van den Hellespont werd een grafteeken opgericht, waarin zijne beenderen met die van Patroclus en Antilochus begraven werden. Latere dichters verhaalden nog, dat Thetis, om Ach. onkwetsbaar te maken, hem in den Styx doopte en dat dit het gewenschte gevolg had voor het geheele lichaam met uitzondering van den hiel, waaraan zij hem had vastgehouden en waaraan hij ook later doodelijk gewond werd. Ach. werd op vele plaatsen van Griekenland als halfgod vereerd, het eiland Leuce was hem geheel gewijd, en naar men meende, was hij daar gehuwd met Helena en leidde hij er een gelukzalig leven in gezelschap van andere helden en heldinnen.

Achilles Tatius, Achilleus Tatios, geb. te Alexandrië, schreef vóór het begin van de 4de eeuw n. C. den roman ta kata Leukippen kai Kleitophonta.

Achilleum, Achilleion, 1) stadje bij kaap Sigeum in Troas, met den grafheuvel van Achilles.--2) stadje bij Smyrna.

Achilleus dromos, Achilleios dromos, landtong aan den N-kant van de Zwarte zee, ten N.W. van

Achillis insula of Leuce, eiland aan den mond van den Borysthenes. Men nam aan, dat hier de verblijfplaats van Achilles en andere helden na hun dood was.

Achillides, Achilleides, Neoptolemus (Pyrrhus), zoon van Achilles.

Achivi, Achaioi, z. Achaei.

Achradina, Achradine, een der vijf deelen, waaruit de stad Syracusae bestond.

Acidalia mater, Venus, zoo genoemd naar de bron Acidalia bij Orchomenus in Boeotië, waar zij en de Gratiën zich plachten te baden.

Acies, Taxis, slagorde, opstelling van het leger voor den slag. 1) Bij de Grieken, zie Taxis.--2) Bij de Romeinen moet men voor de opstelling drie perioden onderscheiden; voor de oudste periode tot op den tijd van Camillus zie men Centuria. Het leger werd toen in ééne aaneengeschakelde (grieksche) phalanx opgesteld, waarvan de kern gevormd werd door de zwaargewapende burgers van de drie eerste klassen der serviaansche indeeling; achter hen waren de lichtgewapenden opgesteld, terwijl de ruiterij op de flanken stond. Deze slagorde was in de gevechten met de Galliërs ondoelmatig gebleken, en vervangen door een indeeling in manipels, waarvan de artikelen centuria, cohors, hastati en legio een voorstelling geven. Elk legioen werd in drie liniën in slagorde geschaard; vooraan stonden de manipels der hastati, dan die der principes, eindelijk die der triarii. Tusschen de verschillende manipels werd eenige ruimte gelaten, zoodat ieder manipel op zichzelf een geheel vormde, terwijl zij zich zoo noodig elk oogenblik konden aaneensluiten; hierdoor kreeg het leger een groote gemakkelijkheid van beweging. In den slag stonden meestal de beide legioenen in het centrum, de socii en de ruiters op de flanken. Oudtijds stond het leger in ééne lange lijn (fronte longa). Later vindt men o.a. de acies obliqua, waarbij een deel van het leger aanvalt en het andere voorloopig buiten gevecht blijft, de acies sinuata, wanneer de vleugels den aanval beginnen en het centrum achterblijft; zie ook cuneus en forceps. De oorlogen met de Cimbren en Teutonen gaven Marius aanleiding, deze indeeling te vervangen door eene in cohorten, waarbij telkens één manipel der hastati, principes en triarii tot eene cohors van 600 man vereenigd werd; tien cohorten vormden eene legio; zie verder cohors. De Romeinsche ruiterij werd nu afgeschaft; zij komt het laatst voor in den oorlog tegen Jugurtha.--Onder Caesar telde het legioen 3000 à 3600 man, ingedeeld in 10 cohorten van 3 manipels, ieder van twee centuriae. Gewoonlijk was de slagorde de acies triplex. Vier cohorten van ieder legioen vormden de prima acies, drie de secunda acies, en drie de tertia acies. Vóór Camillus is dus de taktische eenheid de centuria, in den tijd van Polybius de manipulus, na Marius de cohors.

Acilia (lex) de repetundis van 122, van den volkstribuun M'. Acilius Glabrio, den vader van den bij de gens Acilia onder no. 3 genoemden consul. Omtrent den inhoud dezer wet is weinig zekers bekend. Slechts weten we, dat bij de quaestiones perpetuae door deze wet de verplichting werd opgelegd tot ampliatio (z.a.), zoodra meer dan 1/3 der rechters N. L. (non liquet) stemde, en dat hieruit langzamerhand de comperendinatio (z. a.) ontstaan is. Zie verder Servilia (lex).

Acilia Calpurnia (rogatio), de ambitu van de consuls M'. Acilius Glabrio en C. Calpurnius Piso (67). Zie Calpurnia (lex) de ambitu. Daar M'. Acilius Glabrio zich vóór de aanneming der wet teruggetrokken had, wordt de wet alleen naar den tweeden voorsteller genoemd.

Acilii, plebejisch geslacht, waartoe familia Glabrionum behoorde. Dit was de beroemdste familie dezer gens, waartoe ook nog de familiën der Aviolae en Balbi behoorden. 1) M'. Acilius Balbus, consul 150.--2) M'. Acilius Glabrio, consul 191, versloeg den syrischen koning Antiochus III bij de Thermopylae en verdreef hem uit Griekenland. Vervolgens wendde hij zich tegen de Aetoliërs, die zich bij Antiochus hadden aangesloten, overwon hen en hield over hen te Rome een zegetocht. In den slag bij de Thermopylae had hij een tempel aan de Pietas beloofd, die in 181 door zijn zoon M'. Acilius Glabrio gewijd werd, waarbij deze voor zijn vader een standbeeld oprichtte, het eerste vergulde standbeeld in Italia.--3) M'. Acilius Glabrio was in 70 als praetor repetundarum voorzitter van het gerechtshof in het proces van Cicero tegen Verres. In 67 was hij consul met C. Calpurnius Piso, met wien hij de lex Acilia Calpurnia de ambitu voorstelde (z. a.). Hij bestreed in dit jaar, doch vergeefs, het wetsvoorstel van Gabinius, om aan Pompeius de uitroeiing der zeerooverij op te dragen. Daarop ging hij naar de provincie Bithynia, met de bestemming Lucullus in het opperbevel in den mithradatischen oorlog op te volgen. Hij verrichtte echter niets en werd door de komst van Pompeius spoedig van zijne taak ontheven. Zijn zoon M'. Acilius Glabrio komt als legaat van Caesar voor, en werd tweemaal in eene res capitalis door Cicero verdedigd.--4) Livius maakt melding van een annalist C. Acilius die in het Grieksch annales schreef, welke althans tot het jaar 184 liepen.

Acinaces, akinakes, korte, rechte dolk, die door Perzen e. a. barbaren aan de rechterzijde gedragen werd, dikwijls met goud en edelgesteenten bezet.

Acis, Akis, zoon van Faunus en Symaethis. Hij beminde Galatea en werd door haar bemind; toen zijn medeminnaar Polyphemus hen eens met elkander verraste, vluchtte A.; maar Polyphemus wierp naar hem met een rotsblok, dat hij van den Aetna had afgebroken en waardoor A. verpletterd werd; zijn bloed veranderde in een rivier, Acis genaamd, die onder dit rotsblok ontspringt.

Aclys (aclis), een korte werpspies, met uitstekende, scherpe punten, waaraan een riem bevestigd was om de spies na den worp weer naar zich toe te trekken, een zeer ouderwetsch wapen van de oude bewoners van Campania (de Osci).

Acmonia, Akmonia, stad in Phrygia ten Z. van het gebergte Dindymus.

Acmonides, Akmonides, naam van een Cycloop.

Acoetes, Akoites, zoon van een maeonisch visscher. Toen eens de matrozen van het schip waarop hij stuurman was, op Chius aan land gegaan waren, brachten zij aan boord een schoonen knaap, dien zij slapend gevonden hadden en als slaaf wilden wegvoeren. Ac. die in den knaap een god herkende, verzette zich daartegen, maar te vergeefs, de matrozen ontnamen hem het bestuur van het schip en voeren weg. Plotseling werd schip, tuig, riemen, enz., door wijnranken omgeven, het bleef onbeweeglijk liggen, en in plaats van den knaap stond Dionysus, bekranst en den thyrsusstaf zwaaiend, te midden van tijgers, lynxen, enz., die zich aan zijne voeten neervlijden. De matrozen sprongen in zee en veranderden in dolfijnen. Ac. alleen bleef gespaard en werd op Naxus priester van Dionysus. Later door Pentheus gevangen genomen, werd hij op wonderdadige wijze gered.

Acontius, Akontios, van Ceos. Eens reisde hij naar het feest van Artemis op Delus en zag daar de schoone Cydippe, de dochter van een zeer voornaam Athener. Hij werd op haar verliefd, maar daar hij zich niet aanzienlijk genoeg achtte om haar ten huwelijk te vragen, bedacht hij een list om haar tot vrouw te krijgen. Toen zij eens in den tempel zat, wierp hij haar een appel toe, waarop geschreven stond: Ik zweer bij het heiligdom van Artemis, dat ik met Acontius zal trouwen. Het meisje nam den appel op, las het geschrevene overluid, en wierp hem daarna weder weg, waarop Ac. naar Ceos terugkeerde om den loop der gebeurtenissen af te wachten. Later wilde Cydippe's vader haar aan een ander uithuwen, maar het meisje werd kort voor den voor het huwelijk bepaalden dag ziek, en daar zich ditzelfde driemaal herhaalde, vroeg haar vader het delphische orakel om raad. Tot antwoord werd hem gegeven dat de woorden, in den tempel gesproken, door Artemis gehoord waren, en dat zij geen ander huwelijk kon aangaan zonder zich aan meineed tegenover de godin schuldig te maken. Daarop gaf de vader zijne toestemming tot haar huwelijk met Ac.

Acra, Acrae, Akra, Akrai, naam van een aantal op hoogten gelegen steden in Acarnamia, op Sicilia en elders. Ook een heuvel bij Jerusalem heette aldus.

Acraephia, Akraiphia, of Acraephium, Akraiphion, stad in Boeotia, aan de oostzijde van het meer Copaïs; in de nabijheid de beroemde tempel van Apollo Ptoos, zie Ptoum.

Acragas, Akragas, -antos, grieksche naam van Agrigentum op Sicilia z. a.

Acrisione, Akrisione, Danaë, dochter van Acrisius.

Acrisioniades, Akrisioniades, Perseus, kleinzoon van Acrisius.

Acrisius, Akrisios, zoon van Abas en Ocalea of Aglaïa, koning van Argos. Hij verdreef zijn tweelingbroeder Proetus, maar werd later door diens schoonvader Iobates gedwongen zijn rijk met hem te deelen, zoodat hij Argos behield en Proetus Tiryns kreeg. Daar hem voorspeld was, dat de zoon zijner dochter Danaë hem zou dooden, hield hij haar in een onderaardsch vertrek of in een ijzeren toren opgesloten; maar Zeus wist toch als gouden regen toegang tot haar te krijgen, en Danaë werd bij hem moeder van Perseus. Eenige jaren werd het kind in den kerker verborgen gehouden; toen verried het zich door geschreeuw, en Acr. liet moeder en kind in een kist in zee werpen. De kist werd bij Seriphus door Dictys uit het water gehaald en later keerde Perseus met zijne moeder naar Argos terug. Zich het orakel herinnerende, vluchtte Acr. naar Larisa, maar Perseus trof hem daar aan en bij de lijkspelen des konings wierp hij toevallig zijn discus op den voet van zijn grootvader, die aan de gevolgen hiervan overleed.

Acroama, virtuoos, die aan tafel de gasten onderhield, hetzij door voorlezingen, hetzij door muziek en zang of door grappen.

Acroceraunia, ta Akrokeraunia, kaap der montes Ceraunii (Keraunia ore) aan de noordpunt der epirotische kust, berucht door de zich aldaar samenpakkende onweders en losbrekende stormen.

Acrocorinthus, Akrokorinthos, de burcht van Corinthus.

Acropolis, Akropolis, akra polis, burcht of citadel, altijd een steile of van nature sterke heuvel, in overeenstemming met de plaatselijke gesteldheid bebouwd en bevestigd. Op de atheensche acropolis vond men de heiligdommen der voornaamste beschermgoden van den staat. Zie verder Athenae.

Acrorea, he Akroreia, bergachtige landstreek in Elis, in het noordoosten, rondom de bronnen van den Peneus en den Ladon.

Acrotatus, Akrotatos, 1) zoon van Cleomenes II. Hij was de eenige die zich verzette tegen het volksbesluit, volgens hetwelk de gevluchte Spartanen uit den slag bij Megalopolis (331) van alle straffen zouden vrijgesteld worden. Daardoor maakte hij zich zeer gehaat, en toen in 314 Agrigentum om een spartaansch aanvoerder verzocht tegen Agathocles van Syracuse, nam hij vrijwillig die taak op zich. Wegens zijn gewelddadige handelwijze moest hij echter spoedig weder naar Sparta vluchten, waar hij kort daarna stierf.--2) kleinzoon van den bovengenoemde. Hij volgde op jeugdigen leeftijd, in 265 zijn vader Areus I als koning van Sparta op, maar sneuvelde reeds spoedig (± 260) tegen Aristodemus van Megalopolis.

Acrothoi, Akrothooi, stad op den berg Athos.

Acta. Over het algemeen verstaat men onder acta de officieele aanteekeningen, notulen, protocollen omtrent hetgeen gebeurd of verhandeld is, b.v. acta fori, gerechtelijke protocollen, acta militaria, verslag van militaire zaken, acta triumphorum, relaas van zegetochten. Op twee soorten van acta echter moeten wij in het bijzonder de aandacht vestigen.

Acta diurna urbis of populi, of ook wel kortweg diurna geheeten, eene soort van dagblad, allerlei dingen bevattende, die voor het publiek belangrijk konden zijn, als: geboorte-, huwelijks- en doodsberichten, marktprijzen, aankondigingen van feesten, verkoopingen, aanbestedingen, enz., en voorzeker ook belangrijke nieuwstijdingen. Deze diurna werden op openbare plaatsen tentoongesteld, waar men ze kon gaan lezen of laten afschrijven.

Acta senatus, officieele notulen van het in den senaat verhandelde, eerst slechts kort, later ook met vermelding der discussiën. C. Julius Caesar gaf aan deze acta eene groote openbaarheid, die echter door Augustus weer afgeschaft werd. Ze werden echter geregeld door de geschiedschrijvers, vooral door Tacitus, geraadpleegd. In den lateren keizertijd verloren zij hoe langer hoe meer van hun belang, en ontstond uit de samensmelting met de diurna de officieele hof- en staatscourant, voor welker verbreiding tot in de verst afgelegen provinciën van het rom. rijk van regeeringswege gezorgd werd.

Actaeon, Aktaion, zoon van Aristaeus en Autonoë, werd door Chiron in de jacht onderwezen, waarvan hij zulk een groot minnaar was, dat hij 50 honden hield. Hij werd, omdat hij Artemis met hare nimfen bespied had, terwijl zij zich in het dal Gargaphia bij Plataeae baadden, door de vertoornde godin in een hert veranderd, waarop hij door zijn eigen honden verscheurd werd. V. a. trof deze straf Actaeon, omdat hij zich beroemd had een beter jager te zijn dan Artemis. Nog laat werd de rots getoond, van waar Act. de godin gezien zou hebben. Reeds de ouden zagen in de mythe van Act. een toespeling op de alles verterende hitte der hondsdagen; vandaar dat zijn beeld op rotsen en bergen geplaatst werd, om de nadeelige gevolgen daarvan af te wenden.

Acte, Akte, in het algemeen kustland; meer in het bijzonder oude naam voor Attica (= Actica). Ook de landtong met den berg Athos.

Actia, Aktia, spelen ter eere van Apollo Actius te Actium, door Augustus na den slag bij Actium uitgebreid en overgebracht naar Nicopolis. Het feest werd in den keizertijd om de 4 jaren gevierd, evenals de Olympische en andere spelen, ter eere van de overwinning door Augustus behaald. Ook te Rome zijn een tijd lang Actia gevierd.

Actio, in juridischen zin de behandeling eener zaak voor den rechter, het proces, ook wel reeds alleen de aanklacht. Ook de pleitrede wordt actio genoemd. Zie Legis actio.

Actium, Aktion, noordelijkste kaap van Acarnania aan den ingang der ambracische golf, Octavianus won hier in Sept. 31 den zeeslag op Antonius en Cleopatra. Ter herinnering hieraan stichtte hij later aan de overzijde, in Epirus, de stad Nicopolis.

Actor of petitor, de eischer of klager in een iudicium privatum, ook de aanklager in een causa publica; daar de vormen van het privaatproces op het quaestionenproces worden overgebracht, neemt men ook verschillende woorden daarvan over.--Actor is ook de slaaf of vrijgelatene, die de zaken zijns meesters bestuurt, zooveel als rentmeester.--Actores publici waren onder de keizers de rentmeesters der staatsdomeinen.

Actoriones of Actoridae, Aktoriones, Aktoridai, ook Moliones, Molionidae, Molione, Molionidai, en Aktorione Molione genoemd, Eurytus en Cteatus, tweelingzonen van Poseidon en Molione, die met Actor gehuwd was. Nog zeer jong namen zij deel aan den krijgstocht van de Epeërs tegen Pylus. Ook onder de deelnemers aan de calydonische jacht worden zij genoemd. Bij de lijkfeesten van Amarynceus overwonnen zij Nestor in den wedren, in een gevecht tegen Heracles vonden zij den dood; hun graf was te Cleonae in Argolis. Soms worden de twee broeders voorgesteld als aaneengegroeid (diphyeis, symphyeis) met twee hoofden, vier handen en vier voeten.--Ook Patroclus als kleinzoon van een anderen Actor wordt Actorides genoemd.

Actuaria (navis), snel varend schip, snelzeiler, schip met laag boord, met slechts ééne rij roeibanken.

Actuarius, snelschrijver, verslaggever van het gesprokene in eene vergadering; in het leger van den keizertijd ook: foerier of kwartiermeester.

Aculeo, zie Furii no. 15.

Acusilaus, Akousilaos, van Argos, logograaf uit de 5de eeuw.

Acypha, Akyphas, zie Pindus no. 2.

Ada, Ada, dochter van Hecatomnus, zuster van Maussolus en Artemisia en met haar broeder Idrieus gehuwd. Na zijn dood (343) bleef de regeering over Caria slechts vier jaar in handen van Ada; daarna werd zij door haar jongsten broeder Pixodarus met perzische hulp van den troon gestooten, en na diens dood werd zijn schoonzoon Orontobates door den koning van Perzië in de regeering bevestigd. Ada behield slechts de vesting Alinda, die zij vrijwillig aan Alexander d. G. overgaf, toen hij in 334 tegen Halicarnassus oprukte, terwijl zij hem tot zoon aannam; daarvoor gaf Alexander haar na de verovering dezer stad (333) de regeering over geheel Carië terug.

Adamas, adamas, stof waarvan, naar men zich voorstelde, verschillende voorwerpen ten gebruike van goden en goddelijke wezens gemaakt waren; later ook diamant.

Addicere, addictio, addictus. Addicere beteekent in de taal der augurs: toestemmen, een gunstig voorteeken geven. Het werd gebezigd van de auguria ex avibus. Waren de teekenen gunstig, dan sprak de augur: aves addicunt; zoo niet, dan zeide hij: alio die. Als rechtsterm wordt addicere gebezigd, wanneer de praetor het betwiste voorwerp aan een der twistende partijen toewijst. Deze handeling heet addictio. Addictus was oudtijds degene, die zijne schulden niet kon betalen en derhalve door den praetor ten gevolge van een vonnis (addictio) aan den schuldeischer werd toegewezen. Betaalde de addictus niet binnen 60 dagen, dan kon de schuldeischer hem trans Tiberim verkoopen en zelfs dooden. Waren er meer schuldeischers, dan mochten zij het lichaam van den addictus verdeelen (corpus secare); zie ook nexum. Toen in 326 de lex Poetelia Papiria de persoonlijke inbeslagneming des schuldenaars had afgeschaft, werd de naam addictus gewoonlijk gebezigd van iemand, die veroordeeld was om te betalen.

Addua, rivier in Gallia Cisalpina, thans Adda, die door den lacus Larius (meer van Como) stroomt, en in den Padus (Po) uitloopt.

Adeia, waarborg tegen de nadeelige gevolgen, die men door het verrichten van eene of andere gevaarlijke of verboden handeling zou kunnen ondervinden; het is dus bijv. een vrijgeleide, verlof tot het doen van voorstellen die bij de wet verboden zijn, e. dgl. De adeia werd door het volk verleend. Adeia aan vreemdelingen verleend = asylia.

Adherbal, Atarbas. 1) Deze naam droegen enkele carthaagsche veldheeren in den eersten en tweeden punischen oorlog.--2) Adherbal was de oudste zoon van den numidischen koning Micipsa. Hij en zijn broeder Hiëmpsal werden door hun neef Jugurtha omgebracht, hetgeen aanleiding gaf tot den Jurgurthijnschen oorlog (112-106).

Adiabene, Adiabene, landschap in het N.O. van Assyria, ten oosten van den Tigris.

Adimantus, Adeimantos, 1) Corinthiër, aanvoerder der corinthische schepen in den oorlog tegen Xerxes. Themistocles bewoog hem door geschenken, bij Artemisium te blijven, hoewel hij zich wilde terugtrekken. Later verzette hij zich dikwijls tegen de voorstellen van Themistocles, en, naar het zeggen der Atheners, dat echter door anderen tegengesproken werd, zouden de corinthische schepen aan den slag bij Salamis geen deel genomen hebben.--2) atheensch admiraal in den slag bij Aegospotami, waarin hij, naar men zeide, verraad gepleegd had; hij was de eenige der atheensche admiraals, die door Lysander in het leven gelaten werd.--3) broeder van Plato.

Adlecti, 1) in het algemeen degenen, die in een collegie nog bij- of nagekozen worden, om het voltallig te maken.--2) = conscripti. Z. Patres.

Admete, Admete, dochter van Eurystheus; voor haar haalde Heracles den gordel der Amazonenkoningin Hippolyte.

Admetus, Admetos, 1) zoon van Pheres, koning van Pherae. In zijn jeugd nam hij deel aan de calydonische jacht en aan den Argonautentocht. Hij was een gastvriend van Heracles en een gunsteling van Apollo, die, uit den hemel verbannen, negen jaar als herder bij Admetus diende. Toen Adm. naar de hand van Alcestis dong, beloofde haar vader Pelias zijne toestemming te geven als hij haar kwam halen in een wagen met leeuwen en evers bespannen; door de hulp van Apollo gelukte hem dit. Onder andere weldaden die deze god hem bewees, was ook deze, dat hij van de Moerae de gunst verwierf dat, wanneer Adm.'s levensdraad afgesponnen was, een ander in zijne plaats zou mogen sterven. Toen nu het noodlottig uur gekomen was, begaf Alcestis zich vrijwillig voor hem in den dood; maar juist toen Adm. dit vernam en zich aan de grootste wanhoop overgaf, kwam Heracles toevallig bij hem en haalde haar terug. V. a. zou Persephone haar vrijwillig teruggezonden hebben.--2) koning der Molossers, bij wien Themistocles op zijne vlucht uit Athene eenigen tijd vertoefde (± 466). Hoewel Adm. rechtmatige grieven tegen hem had, weigerde hij hem aan de Atheners uit te leveren en zorgde hij, dat hij veilig naar Pydna kwam.

Admissio, onder de rom. keizers de toelating tot den vorst, de audiëntie. Officium admissionis, het ambt van den ceremoniemeester, die de audientiën regelt. Prima, secunda admissio, eerste, tweede klasse van audiëntie, naarmate men een hoogeren of lageren rang bekleedde.

Adonia, Adonia, feest ter eere van Adonis, dat in het oosten bij het begin der lente, maar in Griekenland en later ook te Rome bij het begin van den zomer gevierd werd. Het duurde twee dagen; op den eersten werd met veel klachten en gejammer het verdwijnen van Adonis naar de onderwereld, op den tweeden met buitensporige vreugde zijn terugkomst herdacht. Onder het zingen van klaagliederen, Adoniasmos, die Aphrodite's liefde voor Adonis en haar smart bij het vernemen van zijn dood en bij het vinden van den stervende bezongen, liepen vrouwen naar het beeld van Adonis te zoeken; nadat dit gevonden was, werd het met het beeld der godin op een pronkbed ten toon gesteld en eindelijk onder luide jammerklachten begraven of in zee geworpen. Ook plaatste men potten met kort bloeiende planten in de deuren der huizen en in de voorhoven der tempels (tuinen van Adonis, Adonidos kepoi).

Adonis, Adonis, zoon van Cinyras en Myrrha of van Phoenix en Alphesiboea, van Cinyras en Metharme, van Theas en Myrrha. Om zijne buitengewone schoonheid werd hij door Aphrodite, die vandaar Adonias, Adonia heet, bemind. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood was, verkreeg deze godin van Zeus, dat hij slechts de helft van het jaar bij Persephone behoefde te blijven, de andere helft brengt hij bij de andere goden op den Olympus door. Uit zijn bloed ontstond de teedere en kort bloeiende anemone. V. a. zou Aphrodite hem als knaap aan Persephone te bewaren gegeven hebben; doch deze, eveneens op hem verliefd geworden, weigerde hem terug te geven. Toen besliste Zeus dat Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar bij Persephone zou blijven, terwijl hij over een derde vrij zou kunnen beschikken. Ad. verkoos ook dien tijd met Aphrodite door te brengen.

Adoptio, aanneming als kind van iemand, die nog niet sui iuris was. Het middel hiertoe was eene driemaal herhaalde mancipatio. De werkelijke vader stond door een driemaal herhaalden schijnverkoop zijn zoon af aan een tusschenpersoon, die hem de eerste twee keeren weder aan den vader teruggaf. De vader had namelijk het recht zijne kinderen te verkoopen; doch als hij een zoon driemaal verkocht had, was de patria potestas verbroken. Na den derden schijnverkoop werd de zoon door dengene, die hem nu in handen had, ten overstaan van den praetor afgestaan aan den adoptiefvader en aan dezen door den praetor toegewezen (addictio). Hij gold nu voor een wettigen zoon van zijn adoptiefvader en voerde voortaan diens familie- en geslachtsnaam. De aanneming als zoon van iemand, die sui iuris was, werd arrogatio geheeten (z. a.) en ging met andere vormen gepaard. Een bijzondere vorm van adoptio was deze, dat een erflater bij testament iemand tot erfgenaam en tevens tot zoon aannam. Onder welken vorm de pater naturalis dan zijne toestemming gaf, wordt niet gemeld.

Adoratio, proskynesis, 1) Vereering der goden. Bij Grieken en Romeinen bestond de adoratio hierin, dat men de hand naar het beeld der godheid uitstrekte, ze vervolgens aan den mond bracht (ad os, vandaar adorare) en met halfgebogen knie het beeld een kushand toewierp. Ook werd het beeld vaak gekust.--2) Vereering der vorsten, z. adulatio.

Adramyttium, Adramyttion, atheensche volkplanting aan de golf van dien naam, tegenover het eiland Lesbos.

Adrana, rivier in Germania, thans de Eder, een zijtak van de Fulda.

Adranum, Adranon, stad op Sicilia, aan den voet van den Aetna, in 400 door Dionysius gesticht. In de nabijheid was een tempel voor den vuurgod Adranus, waar volgens het verhaal duizend tempelhonden gehouden werden, bestemd om beschonken lieden naar huis te brengen.

Adrastea, Adrasteia, bijnaam van de phrygische godin Cybele en van Nemesis. Ook eene nimf, die met hare zuster Ida op Creta den jongen Zeus opvoedde.

Adrastus, Adrastos, 1) zoon van Talaüs en Lysimache. Toen zijn vader gedood werd, werd hij door Amphiaraus uit Argos verjaagd en vluchtte hij naar zijn grootvader Polybus, dien hij in de regeering over Sicyon opvolgde. Later verzoende hij zich met Amphiaraus, kreeg aandeel aan de regeering over Argos, en gaf hem zijne zuster Eriphyle tot vrouw. Een orakel had hem gezegd, dat hij zijne dochters aan een leeuw en een wild zwijn moest uithuwen; toen nu Tydeus en Polynices, de een uit Calydon, de ander uit Thebe voortvluchtig, in een stormachtigen nacht voor zijn paleis kwamen en daar in twist geraakten, kwam Adr. op het geraas aanloopen, en daar ieder van hen met de huid van een der genoemde dieren bekleed was, of het afbeeldsel van een dier dieren óp zijn schild had, zag Adr. daarin de vervulling van het orakel en gaf hij hun zijne beide dochters, terwijl hij beloofde hen weder naar hun vaderland terug te brengen. Met zijne bondgenooten ondernam hij nu eerst een krijgstocht tegen Thebe (den tocht der zeven tegen Th.), die echter ongelukkig afliep: alle aanvoerders sneuvelden, behalve Adr., die het aan de snelheid van zijn paard te danken had dat hij naar Attica kon vluchten. Tien jaar later ondernam hij voornamelijk ondersteund door de zonen der gesneuvelden (epigonen), een tweeden tocht tegen Thebe, die een gunstiger uitslag had; in dezen oorlog verloor hij echter zijn zoon Aegialeus en uit verdriet hierover stierf hij op den terugtocht te Megara. Adr. werd te Athene, Sicyon en Megara als halfgod vereerd.--2) zoon van den phrygischen koning Gordias, die wegens een onvrijwilligen moord naar Lydië vluchtte, en daar door Croesus vriendelijk ontvangen werd; bij ongeluk doodde hij echter op de jacht ook diens zoon, en uit wanhoop hierover bracht hij zichzelf om het leven.--3) naam van verschillende trojaansche aanvoerders in de Ilias.

Adria of Hadria, Adria, naam van twee steden: de eene, waaraan de adriatische zee haren naam ontleende, lag in het gebied der Veneters, nabij den Padus; het was oudtijds een belangrijke stad der Etruscers en de uitvoerhaven voor het van het Noorden komende barnsteen, zie Eridanus; de andere lag in Picenum. Ook de genoemde zee zelve komt onder den naam Adria, Adrias, voor. Ook de spelling Hatria wordt gevonden.

Adrianus, zie Hadrianus.

Adrumetum of Hadrumetum, Adrymeton of Adrymes, -etos, stad in het gebied van Carthago, en wel in het gewest Byzacene of Byzacium, waarvan het onder de keizers de hoofdstad werd. Het lag aan de kust.

Aduatuca, eene sterkte in het gebied der Eburonen, z. Tungri. Het lag misschien bij Limburg in het dal van de Vesdre.

Aduatuci, germaansche volksstam aan de linkerzijde van de Maas, afstammelingen van de Cimbern en Teutonen, later met andere stammen onder den naam van Tungri saamgesmolten.

Adulatio, proskynesis, kruipende vereering der vorsten. Zij bestond hierin, dat men zich met het aangezicht ter aarde wierp en den grond kuste. Deze gewoonte, bij oostersche volken te huis behoorende en door lage vleiers ook tegenover de rom. keizers in praktijk gebracht, werd onder keizer Diocletianus voorschrift.

Adula mons, een berggroep in Oostelijk Zwitserland, brongebied van den Rijn en den Addua.

Adule, Adoulis, voorname handelsplaats in Aethiopia, aan een inham der arabische golf gelegen, bekend om het monumentum Adulinanum, brokstukken van twee opschriften, door Cosmas Indicopleustes, een grieksch zeevaarder uit den tijd van keizer Justinus, afgeschreven. Het eerste stuk heeft betrekking op een Ptolemeus Euergetes, het tweede op een later inheemsch vorst.

Adynatoi zwakken of gebrekkigen, die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien. Te Athene werd in den regel aan zulke menschen bij volksbesluit eene ondersteuning van 1 of 2 obolen per dag toegekend.

Adversaria (scil. scripta), aanteekenboek of journaal, waarin men voorloopig ontvangsten en uitgaven opteekende, om ze later in het kasboek (tabulae of codex accepti et expensi) over te brengen.

Advocatus, iemand, die bij een rechtsgeding ten behoeve van een der partijen tegenwoordig is, niet om te pleiten, maar om door zijne aanwezigheid eenigen invloed uit te oefenen en, zoo noodig, raad te geven. De pleiters werden causarum patroni geheeten, (z. Patronus no. 2). Onder de keizers verdween dit onderscheid.

Adyrmachidae, Hadyrmachidai, een volk van Libya, dat ten westen van Aegypte langs de kust woonde.

Adytum, adyton, penetrale, een geheim, voor de leeken verborgen vertrek achter in een tempel, somtijds gedeeltelijk onder den grond. Niet aan alle tempels was een adytum aangebracht, maar vooral aan die, waar godspraken werden gegeven. Het adytum had dikwijls een geheimen ingang, terwijl naar de tempelruimte verborgen spreekbuizen liepen, waardoor de woorden drongen, welke de geloovigen voor de stem der godheid hielden.

Aea of Aeaea, Aia, Aiaia, het (verre) land. Men stelde zich voor dat zoowel aan het westelijk als aan het oostelijk einde der aarde een Aea lag; het eerste was het fabelachtige eiland van Circe, het laatste het land van waar de Argonauten het gouden vlies haalden. Volgens de meening der latere Grieken was het westelijke Aea = Circeii in Latium, het oostelijke = Colchis.

Aeaces, Aiakes, 1) vader van Polycrates, Pantagnotus en Syloson.--2) zoon van Syloson, tyran van Samus. Door Aristagoras van Milete verjaagd, wist hij de Samiërs te overreden om in den slag bij Lade (497) de vloot der ionische Grieken te verlaten; daarvoor gaven de Perzen hem na het onderdrukken van den Ionischen opstand (494) de regeering over Samus weder.

Aeacides, Aiakides, Peleus, Achilles, Neoptolemus e.a. als afstammelingen van Aeacus.

Aeacus, Aiakos, zoon van Zeus en Aegina, koning van Aegina, stond om zijne vroomheid in hooge gunst bij de goden. Toen Aegina door de pest ontvolkt was, liet Zeus op het gebed van Ae. een hoop mieren in menschen veranderen, die vandaar Myrmidonen genoemd werden. Ook bewerkte hij eens door zijn gebed het ophouden van eene langdurige droogte, die geheel Griekenland teisterde. Hij hielp Apollo en Poseidon bij het opbouwen van de muren van Troje, en daardoor kon later de stad veroverd worden, wat niet het geval zou geweest zijn, indien het werk geheel door die goden verricht was; ook gaf reeds dadelijk bij het voleindigen van den bouw een wonderteeken te kennen dat het door Ae. gebouwde gedeelte door zijn zoon (z. Telamon) en door zijn achterkleinzoon (z. Neoptolemus) zou bestegen worden. Hij was de vader van Telamon en Peleus. Na zijn dood werd hij door Zeus als rechter in de onderwereld geplaatst en op Aegina en te Athene als halfgod vereerd.

Aeaea, z. Aea.

Aeantis, Aiantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Aebutia (lex) de formulis, plebisciet, van ± 200, tot invoering van het formulierproces. Zie formula.

Aebutia (lex), dat, wanneer bij eene opzettelijke wet aan iemand een last werd opgedragen, noch de ontwerper der wet noch een zijner bloedverwanten of ambtgenooten daarbij benoembaar was. Dit plebisciet is van onzekeren tijd.

Aebutii, patricisch geslacht, dat in de eerste eeuw der republiek enkele consuls leverde. Het cognomen Elva of Helva is later in de fasti bijgevoegd.

Aeculanum, stad der Hirpini in Samnium, niet ver van Beneventum.

Aedepsus, Aidepsos, stad in het N. van Euboea, met warme baden.

Aedes. Terwijl dit woord als plurale een woonhuis aanduidt, wordt het enkelvoud gebezigd in den zin van godshuis, tempel. In het meervoud zegt men voor tempels aedes sacrae. Evenmin als elk templum een aedes is, evenmin is elke aedes een templum. Daartoe moet de aedes met een bepaald formulier volgens vaste regels aan de godheid opgedragen (dedicatio) en door een augur gewijd worden (consecratio).

Aediles, agoranomoi. De aediles zijn oorspronkelijk geweest opzichters, men zou kunnen zeggen kerkvoogden, van den in 493 door Sp. Cassius Viscellinus gestichten tempel (aedes) van Ceres (z. a.). Waarschijnlijk hebben ze sedert 471, toen de plebs haar vertegenwoordiging kreeg in de 4 tribuni plebis, naast de priesterlijke ook politieke functies vervuld, en zijn tot aediles plebis geworden. Ze waren helpers deels van de consuls, deels van de volkstribunen, en hadden het toezicht over het plebejisch archief in aede Cereris. Zij werden gekozen uit de plebs. Bij de reorganisatie van den staat, in 366, werden er naast de twee plebejische aedilen twee patricische aedilen (aediles curules) gekozen, die ongeveer denzelfden werkkring hadden als de plebejische, maar niet met hen één collegium vormden. Het verhaal van Livius, dat, toen in 366 de ludi Romani ter eere der verzoening tusschen de patriciërs en de plebs met een dag verlengd waren en de plebejische aedilen weigerden, zich de kosten te laten welgevallen, zich patriciërs daartoe aangeboden hadden, en zoo de curulische aediliteit is ontstaan, is onjuist. De aed. cur. hadden de toga praetexta, de sella curulis, en later het ius imaginum. Reeds vrij spoedig werd het ambt afwisselend door patriciërs en plebejers bekleed. De aedilen hebben steeds in rang boven de tribuni plebis gestaan.

Werkkring der aedilen. In de eerste plaats behoorde hiertoe de cura urbis, waartoe te rekenen zijn het algemeen politietoezicht op de openbare veiligheid, het toezicht op gebouwen, op de reinheid en het onderhoud, van wegen en waterleidingen en dgl. Ten tweede ging hun de cura annonae aan, welke cura zich niet tot den graanhandel bepaalde, maar het geheele handelsverkeer en marktwezen omvatte. Het derde gedeelte was de cura ludorum, n.l. de zorg voor zekere spelen, waarvoor de senaat wel eene bijdrage uit de staatskas toestond, die echter niet toereikend was om aan de steeds klimmende eischen van het volk te voldoen, zoodat eerzuchtige mannen zich vaak te gronde richtten, om de volksgunst te verwerven. De aedilen kunnen voor sommige misdrijven van niet-politieken aard boeten opleggen; overschrijdt de boete de provocatiegrens, dan brengen de aediles curules de zaak voor de comitia tributa, de aed. plebis voor het concilium plebis. De aediles curules hebben ook rechtspraak in handelsgeschillen.

De aediles plebis werden onder voorzitterschap der volkstribunen in de concilia plebis, de aediles curules in de comitia tributa onder voorzitterschap van een consul of praetor gekozen. Onder de keizers werd hun werkkring zeer beperkt, tot zij ten laatste ophielden te bestaan.

Aediles Cereales. C. Julius Caesar droeg de cura annonae, meer bepaald de zorg voor den korenaanvoer, aan twee aedilen op en belastte hen tevens met het geven der Cerealische feesten.

Aediles municipales. Ook in de municipia vindt men stedelijke overheden met den naam van aedilen.

Aedituus, naophylax, hierophylax, neokoros (z. a.), tempelwachter, belast met de bewaking en het toezicht op het schoonhouden van het gebouw.

Aedon, Aedon, dochter van Pandareüs, gehuwd met koning Zethus. Daar zij slechts één zoon had, was zij naijverig op Niobe, die rijk met kinderen gezegend was, en wilde zij den oudsten zoon van deze dooden, doch bij vergissing doodde zij haar eigen zoon. Zij werd daarop door Zeus in een nachtegaal veranderd, die steeds om haar zoon jammert.

Aedui, Aidouioi, een machtige gallische volksstam, tusschen den Liger (Loire) en den Arar (Saône) gevestigd, het eerste volk in Gallia, dat met de Romeinen een vriendschapsbond sloot en hiervoor den titel van fratres et consanguinei populi Romani verwierf. Caesar bevrijdde hen van de overheersching van den Germaan Ariovistus. Later lieten de Aeduërs zich overhalen om deel te nemen aan den grooten gallischen opstand onder Vercingetorix, doch werden door Caesar niet daarvoor gestraft. In 21 n. C. stonden ze op onder Sacrovir (z. a.). In hun gebied lagen de steden Bibracte, de hoofdstad, later verdoopt in Augustodunum (Autun), Noviodunum (Nevers), Cabillonum (Châlons sur Saône).

Aeetes, Aietes, zoon van Helius en Perseïs of Antiope, koning van Colchis. Onder zijne regeering kwam Phrixus het gulden vlies naar Colchis brengen en kwamen de Argonauten het weder halen.

Aeëtias, Aietis, Medea, dochter van Aeetes.

Aefula, hoog gelegen stadje ten Z. van Tibur.

Aegae, Aigai, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Achaia, met een beroemden Poseidontempel;--2) op de westkust van Euboea;--3) in het macedonische landschap Emathia, oude hoofdstad en begraafplaats der macedonische koningen, later Edessa geheeten, z. a.;--4) in Aeolis op de kust van Klein-Azië, ook Aegaeae, Aigaiai geheeten;--5) belangrijke havenstad in Cilicia, aan de golf van Issus.

Aegaeisch tijdperk noemt men het oudste tijdperk der grieksche geschiedenis, waarvan wij slechts kennis hebben door overblijfselen, welke men langs de kusten en op de eilanden der Aegaeïsche zee vindt. Deze overblijfselen leeren ons dat reeds toen tusschen al deze landen verkeer bestond, zoodat de beschaving, hoewel nog op een lagen trap staande (er worden bijv. meest steenen gereedschappen gebruikt), overal ongeveer dezelfde was. Het aeg. tijdperk wordt geacht omstreeks 1500 te eindigen.

Aegaeon, Aigaion, door de goden Briareos genoemd, een van de Centimani. Toen Hera, Poseidon en Athena of Apollo eens Zeus wilden boeien, riep Thetis Aeg. te hulp, en door hem werden zij genoodzaakt van hun plan af te zien.

Aegaeum mare, Aigaion pelagos, welke naam in de middeleeuwen door de Venetianen tot Archipelago is misvormd, vanwaar ons woord Archipel, de zee tusschen Griekenland en Klein-Azië, met tal van eilanden. De oorsprong van den naam is onzeker; de mythe brengt dien in verband met koning Aegeus, den vader van Theseus.

Aegaleos, Aigaleos, berg op de kust tegenover Salamis, vanwaar Xerxes in 480 de nederlaag zijner vloot aanschouwde. De Aegaleos scheidt de Atheensche vlakte van de Thriasische, waarin Eleusis ligt.

Aegates, hai Aigoussai, de geiteneilanden, eilandengroep ten westen van Sicilia. Bij een van deze eilanden, Aegusa, won de rom. consul C. Lutatius Catulus in 241 den laatsten beslissenden zeeslag in den eersten punischen oorlog.

Aegeis, Aigeis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Aegestes, Aigestes = Acestes.

Aegeus, Aigeus, zoon van Pandion no. 3. Na den dood van zijn vader heroverde hij Athene met de hulp van zijne broeders en kreeg hij daar de regeering. Later door de zonen van zijn broeder Pallas verjaagd, werd hij door zijn zoon Theseus weder op den troon gebracht. De Panathenaeën werden door hem ingesteld of uitgebreid. Toen eens bij deze feesten Androgeos, de zoon van Minos, alle prijzen behaalde, liet Aeg. hem uit afgunst dooden. Minos deed hem den oorlog aan en dwong hem op gezette tijden zeven jongelingen en zeven jonge meisjes naar Creta te zenden om aan den Minotaurus tot spijs gegeven te worden. Van dezen smaad werd Athene spoedig door Theseus bevrijd, maar daar hij bij zijne terugkomst van Creta verzuimde het zwarte zeil, waarmede het schip was uitgegaan, door een wit te vervangen, wat volgens afspraak voor zijn vader het teeken van den gunstigen afloop der onderneming zoude zijn, meende Aeg. dat ook zijn zoon het offer van den Minotaurus geworden was en stortte hij zich in de zee, die hiernaar de Aegaeïsche zee genoemd wordt.--Aegeus is ook een bijnaam van Poseidon en oorspronkelijk niemand anders dan deze god zelf.

Aegiale, Aegialea, Aigiale, -aleia, dochter van Adrastus en Amphithea, gemalin van Diomedes (z. a.).

Aegialos, Aigialos, het kustland, oude naam voor Achaia.

Aegialeus, Aigialeus, zoon van Adrastus, sneuvelde bij de onderneming der epigonen.

Aegides, Aigeides, 1) Theseus, zoon van Aegeus.--2) burger van de attische phyle Aegeis.

Aegilia, Aigilia, 1) attische demos.--2) eilandje tusschen Creta en Cythera.--3) eilandje tusschen Attica en Euboea.

Aegimius, Aigimios, de mythische stamvader der Doriërs, aan den Pindus woonachtig. In een oorlog tegen de Lapithen riep hij de hulp van Heracles in en beloofde hem daarvoor een derde van zijn land. Heracles versloeg de Lapithen, maar nam de toegezegde belooning niet aan. Uit dankbaarheid nam Aeg., die twee zonen had, Pamphylus en Dymas, ook den zoon van Heracles, Hyllus, tot zoon aan, en van deze drie personen hebben de dorische phylen hare namen: Pamphyli, Dymanes, Hylles.

Aegina, Aigine, Aigina, dochter van den riviergod Asopus, die door Zeus naar het eiland Oenone gebracht werd en daar Aeacus (z. a.) ter wereld bracht. Naar haar werd het eil. sedert dien tijd Aegina genoemd. Dit kleine en vruchtbare eiland in de saronische golf werd daarna met Myrmidonen, die tot den achaeischen stam behooren, bevolkt en door Aeacus geregeerd; toen echter diens zonen het eiland verlaten hadden, werd de bevolking grootelijks vermeerderd door epidaurische kolonisten (Doriërs) en bleef Aeg. langen tijd in nauwe betrekking tot Epidaurus staan. In oude tijden bereikte Aeg. door handel, nijverheid en kunst een hoogen trap van bloei (bekend is de tempel van Aphaia, waarvan het beeldwerk (de zoogenaamde Aegineten) te München bewaard wordt); na 480 werd het echter door Athene overvleugeld en de langdurige vijandelijkheden eindigden hiermede, dat in 456 Aeg. schatplichtig werd, de muren der stad afbreken en de schepen uitleveren moest; in 429 werden zelfs de oude inwoners geheel verdreven en hoewel zij na den slag bij Aegospotami door Lysander teruggebracht werden, kwam de oude macht en welvaart toch nooit terug. Sedert 318 behoorde Aeg. tot Macedonië, sedert 229 wordt het genoemd als een lid van het achaeïsch verbond, sedert 196 als een deel van het gebied van Attalus van Pergamus; in 129 kwam het onder de Romeinen.

Aegiplanctus, Aigiplankton oros, kaap in Megaris, aan de corinthische golf.

Aegira, Aigeira, stad in het oostelijk gedeelte van Achaia, waarvan nog bouwvallen bestaan.

Aegirusa, Aigiroussa, aeolische stad in Klein-Azië.

Aegis, Aigis, schild van Zeus met honderd gouden kwasten versierd. Hij gebruikte dit schild om door eene beweging er mede den menschen schrik in te boezemen; men stelde zich voor dat het het Medusahoofd en schrikwekkend beeldwerk droeg. V. a. was de aeg. een mantel, gemaakt van het vel der geit, die Zeus gezoogd had. Bij Homerus staat Zeus de aeg. dikwijls aan Athena, eens ook aan Apollo ten gebruike af, later echter kende men aan Athena zelve een aeg. toe, nu eens als mantel, dan als harnas gedacht, altijd met het Medusahoofd, met slangen omkranst, enz. V. a. was deze aegis het vel van een vuurspuwend monster, dat door Athena gedood was.

Aegisthus, Aigisthos, zoon van Thyestes en diens dochter Pelopea. Hij werd door zijne moeder te vondeling gelegd en door herders gevonden, die hem door een geit lieten zoogen. Hij werd verder door Atreus opgevoed, die hem, toen hij volwassen was, opdroeg Thyestes te vermoorden; maar Aeg., die nog tijdig vernam, dat Thyestes zijn vader was, doodde Atreus bij een offer en maakte zich met Thyestes van de regeering over Mycenae meester, waaruit hij evenwel na den dood van Thyestes door Agamemnon weder verdreven werd. Terwijl Agamemnon met het leger voor Troje was, wist Aeg. diens echtgenoote Clytaemnestra te verleiden, en toen Ag. terugkwam ging Aeg. hem te gemoet, noodigde hem tot een maaltijd, maar doodde hem met behulp van Clytaemnestra in het bad. Hij zelf werd zeven jaar later, zooals hem voorspeld was, door Agamemnons zoon Orestes gedood.

Aegium, Aigion, stad in Achaia, na de vernieling van Helice door de zee (373) de hoofdplaats van het achaeïsch verbond. Aratus van Sicyon stierf hier, 213.

Aegle, Aigle, 1) de schoonste der Naiaden, moeder der Gratiën.--2) gemalin van Theseus.

Aegon, Aigon, koning van Argos, die na het uitsterven der Heracliden deze waardigheid kreeg.

Aegospotamos, Aigos potamoi, geitenrivier, riviertje en stad in de Chersonesus Thracica, aan den Hellespont, tegenover Percote, waar in den peloponnesischen oorlog de laatste atheensche vloot in den herfst van 405 door Lysander genomen werd.

Aegosthena, ta Aigosthena, vlek in Megaris, aan de NW.-kust gelegen.

Aegusa, Aigoussa, een der Aegatische eil., ten westen van Sicilia, z. Aegates.

Aegyptus, he Aigyptos, het bekende Nijlland. Van Syene en Philae op ongeveer 24° N.B. tot omstreeks 27 1/2° N.B. strekte zich Opper-Aegypte of Thebaïs, het land van Thebe, uit; vandaar tot even beneden Memphis Midden-Aegypte of Heptanomis, het land der zeven distrikten; dan volgde het naar zee breed uitloopende Delta-land. De geschiedenis van het land kan in vier hoofdtijdperken worden gesplitst: 1) Het aegyptische tijdperk, van de oudste tijden af tot aan de verovering van het rijk door den perzischen koning Cambyses in 525.--2) Het perzische tijdperk, tot aan de onderwerping des lands aan Alexander den Gr. in 332.--3) Het macedonische tijdperk, tot de inlijving bij het rom. rijk door Octavianus (Augustus) in 30. Dit is het tijdvak der Ptolemaeën, die grieksche beschaving, zeden, gewoonten en godsdienst zochten in te voeren en onder wie Aegypte een tijdperk van grooten bloei en welvaart beleefde.--4) Het rom. tijdperk, tot aan de verovering door de Arabieren, 638 na C. Als rom. provincie had Aegypte eene bijzondere organisatie. In de plaats der koningen trad een stadhouder, praefectus Aegypti, doch de vorm van bestuur, plechtigheden en ceremoniën, alles bleef, zooals het te voren onder de Ptolemaeën was geweest; zelfs bleef het Grieksch de officieele taal. De stadhouder had ook niet, zooals overal elders, lictoren met bijlbundels. Alexandrië bleef de residentie.

Aegyptus, Aigyptos, zoon van Belus en Anchinoë. Hij onderwierp zich het land der Melampoden en noemde dit Aegyptus. Hij was de vader van vijftig zonen, waarvan 49 in één nacht door de Danaïden (z. Danaüs) gedood werden. Aeg. kwam daarop naar Argos om den dood zijner zonen te wreken, maar door zijn eenig overgebleven zoon Lynceus overreed, zag hij hiervan af. V. a. stierf hij van verdriet.

Aeinautai, magistraten te Milete. De afleiding van den naam is onzeker.

Aeisitoi, heetten te Athene de personen, die krachtens hun ambt of eene bijzondere vergunning dagelijks op kosten van den staat in het Prytaneum (later in den Tholus) hun maaltijd hielden. De prytanen (z. prytaneis) zijn niet onder dien naam begrepen.

Aelana, ta Ailana, handelsstad in Arabia Petraea, aan den noordoostelijken inham der arabische golf (de Roode Zee), welke inham naar de stad sinus Aelanites of Aelaniticus werd geheeten. Hier werden onder koning Salomo de joodsche handelsvloten naar het land Ophir uitgerust.

Aelia (leges) et Fufia, de auspiciis, twee wetten van de volkstribunen Q. Aelius Paetus en M. Fufius, omstreeks 156. Zie servare de caelo.

Aelia Sentia (lex), van de consuls Sex. Aelius Catus en C. Sentius Saturninus, 4 n. C. Deze wet bepaalde, dat vrijgelatenen, die als slaven onteerende straffen hadden ondergaan, geen cives, maar dediticii zouden zijn. Ook onderwierp zij het burgerschap van vrijgelatenen beneden 30 jaar aan zekere voorwaarden.

Aelia Capitolina, naam dien keizer P. Aelius Hadrianus aan Jerusalem gaf, waarheen hij eene rom. kolonie zond (130 n. C.). Een geweldige opstand was hiervan het gevolg (zie Hadrianus). Jerusalem werd door de keizerlijke troepen ingenomen en verwoest, doch op 's keizers last herbouwd.

Aelianus, 1) Ailianos ho taktikos, leefde tijdens de regeering van keizer Hadrianus, en schreef een werk over taktiek.--2) Claudius Aelianus, geboren te Praeneste, leefde in het begin der derde eeuw na C. en schreef o. a. onder den titel Poikile hiotoria, Varia Historia, in 14 boeken een verzameling verhalen en anecdoten. Meer waarde heeft een ander werk van hem: Peri zoon in 17 boeken, eveneens eene verzameling verhalen, die alle betrekking hebben op het leven der dieren.

Aelii, een aanzienlijk geslacht, waarvan de Paeti en de Tuberones de meest bekende familiën zijn. O. a. behoorden nog tot de Aelia gens de familiën Catus, Lamia, Ligur, Staienus. 1) P. en Sex. Aelius Paetus, twee broeders, beiden als rechtsgeleerden beroemd, vooral de laatste, die hierdoor den bijnaam Catus verkreeg. P. Aelius was consul in 201, Sex. Aelius in 198. Sextus Aelius heeft een werk geschreven, Tripertita geheeten, waarvan nog fragmenten over zijn. Het bevatte 1o den tekst der XII tafelen, 2o de verklaring daarvan, 3o de legis actiones, een uitbreiding van het ius Flavianum.--2) Q. Aelius Tubero, schoonzoon van L. Aemilius Paullus, nam onder dezen aan den oorlog tegen Perseus deel.--3) Q. Aelius Tubero, zoon van no. 2, zusterszoon van Scipio Africanus minor, rechtsgeleerde en aanhanger der stoïcijnsche wijsbegeerte, staatkundig tegenstander der Gracchen, is dezelfde, die in Cicero's geschrift de republica sprekende wordt ingevoerd.--4) L. Aelius Tubero, boezemvriend van Cicero, met wien hij samen onderricht had ontvangen, koos evenals Cicero de partij van Pompeius, doch verzoende zich later met Caesar.--5) Q. Aelius Tubero, zoon van no. 4, had aan den slag bij Pharsalus tegen Caesar deelgenomen, doch zich ook met dezen verzoend. Het was tegen zijne aanklacht dat Cicero de oratio pro Q. Ligario hield. Hij was redenaar, schrijver over rechtskundige onderwerpen en annalist. Zijn geschiedwerk reikte van de oudste tijden tot aan de oorlogen van Caesar en Pompeius.--6) L. Aelius Lamia, rom. ridder, werd in 58 verbannen, omdat hij Cicero durfde verdedigen; zijne beide zoons Q. en L. behoorden tot de vrienden van den dichter Horatius. Van dezen is L. (consul 3 n. C.) de meest bekende.--7) L. Aelius Stilo Praeconinus, uit Lanuvium, beroemd taalgeleerde en leermeester van Varro en ook van Cicero. Vooral maakte hij studie van het oud-Latijn.--8) L. Aelius Seianus, zoon van L. Seius Strabo, door adoptie in de gens Aelia opgenomen, was praefectus praetorio van 14 tot 31 na C. onder Tiberius, eerst met zijn vader, na diens dood alleen. In 23 n. C. legde hij voor de cohortes praetoriae, die tot nu toe in de stad verspreid waren, een vast kamp aan buiten de porta Viminalis, ten N.O. van de stad, de Castra praetoria (z. a). Toen Tiberius hem te Rome de vrije hand liet, heerschte Seianus als eigenmachtig tyran. Ten einde zichzelven den weg tot den troon te banen, liet hij 's keizers zoon Drusus Caesar door toedoen van diens vrouw Livia door vergif uit den weg ruimen (23). Ook Agrippina, de weduwe van Germanicus, en hare beide zonen vielen als offers zijner eerzucht (29). Ten slotte echter werden Tiberius door Antonia minor (Antonii no. 11) de oogen geopend; Seianus werd in hechtenis genomen, door den senaat gevonnisd en met zoon, dochter en een aantal vrienden ter dood gebracht.--9) Aelius Gallus, rom. ridder en onder Augustus praefectus van Aegypte; hij ondernam op bevel van Augustus een expeditie tegen Arabia Felix (25-24), die mislukte.--10) P. Aelius Aristides, beroemd grieksch redenaar, geb. te Hadriani in Mysia in 129 n. Chr. Van hem zijn 55 veel bewonderde redevoeringen overgebleven, die echter voor een groot deel niet bestemd waren voorgedragen te worden. Hij volgt daarin met voorliefde Isocrates en Demosthenes na. Hij reisde veel en kwam ook te Rome, doch bij voorkeur hield hij zich te Smyrna op, waar hij ± 189 stierf. Toen deze stad door een aardbeving verwoest was, wist hij keizer Marcus Aurelius te bewegen haar te laten herbouwen, daarom werd te Smyrna een standbeeld voor hem opgericht, dat nog bestaat.--11) P. Aelius Hadrianus, keizer, zie Hadrianus.--12) Aelius Donatus, zie Donatus (Aelius).

Aëllo, Aëllopus, Aello, Aellopous, een van de Harpyiën.

Aemilia (lex) de censura, van den dictator Mamercus Aemilius 434 (Aemilii no. 6) beperkte den duur van het censorschap tot achttien maanden. Zie echter onder Censor.

Aemilia (lex) sumptuaria, van den consul M. Aemilius Scaurus (Aemilii no. 11), van 115. Zij beperkte de tafelweelde, door het verbod van sommige als lekkernij beschouwde spijzen, o.a. veldmuizen, schelpdieren en vreemde vogels.

Aemilia (lex) de libertinorum suffragiis, van denzelfden, eveneens van 115, bepaalde, dat de vrijgelatenen in de 4 tribus urbanae moesten ingeschreven worden.

Aemilia (via). Deze weg, in 187 aangelegd door den consul M. Aemilius Lepidus (Aemilii no. 2), liep van Ariminum in rechte lijn naar Placentia aan de Po. Deze weg heeft zijn naam gegeven aan de VIII regio Italiae (tgw. Emilia). Een andere weg van gelijken naam, in 109 aangelegd door den censor M. Aemilius Scaurus (Aemilii no. 11), liep van Pisa langs zee tot aan Vada, en van daar over de Apennijnen naar Dertona. Het eerste gedeelte van dezen weg wordt later, omdat het een voortzetting der via Aurelia is, ook Aurelia genoemd.

Aemilianus (M. Aemilius), stadhouder van Pannonia en Moesia, werd in 253 na C. door zijne legioenen tot keizer uitgeroepen. Hij overwon keizer Gallus, doch werd op zijn beurt verslagen door Valerianus en hierop door zijne eigene troepen om het leven gebracht.

Aemilii, een oud, beroemd, patricisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Lepidus, Mamercinus, Paullus, Scaurus, Barbula, Papus behoorden. 1) M. Aemilius Lepidus, zoon van no. 2, bracht door zijn moed veel bij tot het winnen van den slag bij Magnesia (190) tegen Antiochus III van Syrië.--2) M. Aemilius Lepidus, consul in 187 en 175, censor in 179, streed gelukkig tegen de Liguriërs. Als consul legde hij de via Aemilia, van Ariminum naar Placentia, aan. Als censor bouwde hij met zijn ambtgenoot M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11), de basilica Aemilia et Fulvia, die gewoonlijk Aemilia genoemd wordt. Zijne krachten wijdde hij aan den staat tot zijn dood toe. Twee zoons van hem bekleedden ook het consulaat, in 137 en 126. Een kleinzoon was--3) M. Aemilius Lepidus, consul in 78, het jaar van Sulla's dood. Uit gegronde vrees, dat hij zou pogen, zich van het gezag meester te maken, had de Senaat hem Gallia opgedragen, doch Lepidus verzamelde een leger in Etruria om tegen Rome op te trekken. Hij werd echter door Pompeius en den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) verslagen en vluchtte naar Sardinia, waar hij in 77 stierf. Zijn onderbevelhebber M. Perperna week naar Hispania en sloot zich daar bij Sertorius aan.--4) M. Aemilius Lepidus, de bekende drieman, was een zoon van no. 3. Hij was een aanhanger van Caesar, door wiens toedoen hij in 49 praetor en in 46 Caesars medeconsul werd. Hij bezorgde in 49 aan Caesar de dictatuur en werd zelf in 45 magister equitum. In 44 droeg Caesar hem het kommando op in Hispania citerior en zuidelijk Gallia. Na Caesars vermoording vereenigde Lepidus zich met Antonius, werd pontifex maximus en in 43 met Antonius en Octavianus lid van het driemanschap, waarbij hij voor zijn deel Africa kreeg. Toen hij echter in 36 Sextus Pompeius uit Sicilia had helpen verdrijven, doch zelf de hand naar dit eiland uitstak, werd hij door zijn leger verlaten en door Octavianus genoodzaakt, zich geheel uit het staatsbestuur terug te trekken; alleen de waardigheid van pontifex maximus behield hij. Hij leefde nog tot 13 op een landgoed te Circeii, onder bewaking, in eene vermomde gevangenschap.--5) M. Aemilius Lepidus Porcina, consul in 137, wordt als redenaar geroemd. Als proconsul van Hispania citerior ondernam hij in 136 tegen den wil des senaats een hoogst onrechtvaardigen oorlog tegen de Vaccaeërs, doch leed een zware nederlaag. In 125 werd hij wegens geldverkwisting door de censoren tot eene boete veroordeeld.--6) Mamercus Aemilius, dictator in 437, 434 en 426. Uit zijn tweede dictatorschap is de lex Aemilia de censura afkomstig, welke den duur van het censorschap tot achttien maanden beperkte. Zie echter onder Censor. Uit wraak brachten de eerstvolgende censoren hem onder de aerarii.--7) L. Aemilius Mamercinus Privernas, consul in 341 en 329, dictator 335 en 316. Zijn bijnaam Privernas had hij te danken aan de inneming der stad Privernum in het gebied der Volscen.--8) M. Aemilius Paullus, consul 302, versloeg bij Thurii den spartaanschen avonturier Cleonymus, die eene landing in Italië beproefde.--9) M. Aemilius Paullus, consul in 219 en 216, versloeg in 219 Demetrius van Pharus en onderwierp het illyrische kustland. In 216 verloor hij met zijn ambtgenoot C. Terentius Varro den noodlottigen slag tegen Hannibal bij Cannae, waarin hij sneuvelde. Hij had den slag ontraden, doch Varro, die op dien dag het opperbevel voerde, luisterde niet naar hem. Aemilius Paullus viel, omdat hij te hooghartig was om zich door de vlucht te redden. Hierom wordt hij door Horatius magnae animae prodigus genoemd.--10) L. Aemilius Paullus, zoon van no. 9, tuchtigde in 182 als consul de Liguriërs, en overwon in zijn tweede consulaat, 168, bij Pydna koning Perseus van Macedonië, dien hij gevangen naar Rome medevoerde. Deze oorlog, waarin hij ook Epirus op vreeselijke wijze verwoestte, verschafte hem den bijnaam Macedonicus. Hij stortte na den oorlog zooveel geld uit den buit in het aerarium, dat het tributum (z. a.) afgeschaft werd. Hij hield eene schitterende zegepraal te midden van grievend huiselijk leed, daar een zijner zoons vijf dagen vóór, en een ander drie dagen na den triumftocht overleed. Twee andere zoons waren door adoptie in andere geslachten overgegaan, n.l. Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii no. 18) en P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor, de veroveraar van Carthago (Cornelii no. 18).--11) M. Aemilius Scaurus, consul in 115, streed gelukkig tegen volksstammen in de Alpen en werd in 112 als gezant naar Jugurtha, koning der Numidiërs gezonden. In 111 was hij legaat van den consul L. Calpurnius Bestia in den jugurthijnschen oorlog. Beiden lieten zich door Jugurtha omkoopen; doch alleen L. Calpurnius werd aangeklaagd; Scaurus wist zich niet alleen aan eene vervolging te onttrekken, maar werd zelfs lid der commissie van onderzoek in deze zaak. Als censor liet hij in 109 de Milvische brug herstellen en eene via Aemilia over de Appennijnen naar Dertona aanleggen.--12) M. Aemilius Scaurus, zoon van no. 11, was quaestor van Pompeius in den laatsten mithradatischen oorlog (66). Later was hij (in 55) propraetor van Sardinia en werd in 54 van afpersingen aangeklaagd. Cicero en Hortensius verdedigden hem en pleitten hem vrij; doch in 52 van omkooping aangeklaagd, werd hij overeenkomstig Pompeius wensch veroordeeld.--13) M. Aemilius Scaurus, zoon van no. 12, volgde zijn halfbroeder Sex. Pompeius naar Azië, doch leverde hem aan Antonius' legaten C. Furnius en M. Titius in handen.--14) Mam. Aemilius Scaurus, zoon van no. 13, een talentvol dichter en redenaar, doch zeer loszinnig, werd onder de regeering van keizer Tiberius wegens verschillende misdaden vervolgd, en benam zich met zijne vrouw Sextia op hare aansporing het leven.--15) Aemilius Macer, zie Macer.--16) Aemilia Lepida, echtgenoote van P. Sulpicius Quirinius (Sulpicii no. 21).

Aenaria, Ainaria, ook Pithecusa, Pithekoussa, (aapjeseiland) en door Virgilius Inarime geheeten, vulkanisch eiland met warme bronnen, in den sinus Cumanus (golf van Napels), tgw. Ischia.

Aenea, Aineia, stad in het westen van Chalcidice, aan de Thermaeische golf.

Aeneadae, Aineadai, patronymicum voor de tochtgenooten van Aeneas, ook voor de Romeinen als afstammelingen daarvan.

Aeneades, Aineades, patronymicum voor Aeneas' zoon Ascanius.

Zeus. | Dardanus. | Erichtonius. | Tros. /-----^----\ Assaracus. Ilus. | | Capys. Laomedon. | | Anchises. Priamus. | Aeneas.

Genealogie van Aeneas.

Aeneas, Aineias, 1) de bekende trojaansche held, zoon van Anchises en de godin Aphrodite (Venus), op den berg Ida geboren en te Dardanus, bij Alcathoüs, den man zijner zuster Hippodamea, opgevoed, nam eerst geen deel aan den strijd tusschen Trojanen en Grieken, totdat hij bij zijne kudden op den Ida door Achilles werd overvallen en beroofd. Sedert dezen tijd was hij met Hector de steun der Trojanen, onversaagd, door goden en menschen bemind en geëerd om zijn vroomheid en wijsheid. Evenals Achilles is Aeneas de zoon eener godin en heeft hij goddelijke paarden; hij wordt door Priamus gehaat, gelijk Achilles door Agamemnon. Homerus ziet in Aeneas den toekomstigen beheerscher van het herbouwde Troje, en de rom. sage, welke Aeneas na tal van omzwervingen en lotgevallen in Italië laat landen, is dus van lateren tijd dan de Ilias. De wijze, waarop Aeneas uit het brandende Troje ontkwam, wordt verschillend verhaald. Livius laat hem bij verdrag aftrekken. Virgilius laat hem vluchten met de Penaten van Troje in de eene en zijn jeugdigen zoon Ascanius of Iulus aan de andere hand, zijn ouden vader op de schouders dragende en gevolgd door zijne vrouw Creusa, die hij echter bij de nachtelijke vlucht verliest. Zijne lotgevallen zijn uitvoerig geschilderd in de Aeneïs. Het eerste boek van dit epos verplaatst ons in het zevende jaar van Aeneas' zwerftochten, op het oogenblik dat de wraakzuchtige Juno den god der winden, Aeolus, verzoekt, de vloot van Aeneas door een hevigen storm te doen vergaan. Doch Neptunus brengt golven en winden tot bedaren en met verlies van slechts één enkel schip landt Aeneas op de afrikaansche kust, waar hij bij Dido, de stichteres van Carthago, een gastvrij onthaal vindt. In boek 2 en 3 verhaalt Aeneas den ondergang van Troje en zijn eigene redding, hoe hij met 20 schepen het trojaansche gebied verliet, eerst in Thracia eene stad wilde stichten, doch door ijselijke wonderteekenen werd afgeschrikt, hoe het delische orakel hem beval, het oude moederland der Dardaniden op te zoeken, en hoe zij toen op Anchises' raad den steven naar Creta wendden, vanwaar Teucer, de schoonvader van Dardanus en dus een van de stamvaders der Trojanen, afkomstig was (volgens een andere mythe werd Teucer de schoonzoon van Dardanus). Eene pestziekte verdrijft de Trojanen weder van Creta, terwijl de Penaten in een droom aan Aeneas verkondigen, dat Italia het bedoelde moederland is, vanwaar Dardanus gekomen was. Het verhaal der verdere lotgevallen, tot het vertrek van Sicilia, waar Anchises stierf, en den storm, vullen verder het derde boek. Boek 4 behelst de door Venus opgewekte liefde van Dido voor Aeneas, diens overhaast vertrek op bevel van Jupiter, en Dido's zelfmoord. In boek 5 en 6 wordt de tocht naar Italië en de afdaling van Aeneas in de onderwereld beschreven, waar hij tal van oude trojaansche helden weerziet, die voorbeschikt zijn om later als Romeinen weder op de aarde te verschijnen. De volgende boeken behelzen de lotgevallen van Aeneas in Latium, zijn voorgenomen huwelijk met Lavinia, dochter van koning Latinus, den daarop gevolgden oorlog met zijn medeminnaar Turnus, koning der Rutuliërs, en eindelijk het tweegevecht, waarin Turnus door de hand van Aeneas valt. Hiermede eindigt de Aeneïs. De sage laat vervolgens Aeneas in den Numicus verdrinken of onder donder en bliksem ten hemel varen, waarna hij vereerd werd als Iupiter indiges.--2) Aen. Tacticus, Ain. ho Taktikos, tijdgenoot van Xenophon, schrijver van een werk over taktiek, waarvan een uittreksel bestaat onder den titel taktikon hypomnema.

Aenesidemus, Ainesidemos, of Aines. 1) sceptisch philosoof uit Cnossus, tijdgenoot van Cicero. In zijne werken, logoi Pyrroneioi, verdedigde hij de leer van Pyrrho; hij vond echter, naar het schijnt, weinig aanhangers.--2) vader van Theron van Agrigentum.

Aenianes, Ainianes, oude grieksche volksstam, die op verschillende plaatsen gewoond heeft in Thessalia, later in het dal van den Spercheus en op de hellingen van het Oetagebergte.

Aenus, Ainos, 1) oude aeolische stad op de thracische kust, aan de monding van den Hebrus, waarvan de stichting door Virgilius aan Aeneas wordt toegeschreven. In de Ilias wordt zij reeds genoemd, en onder de Rom. was zij eene belangrijke handelsstad.--2) berg in het zuiden van het eiland Cephallenia.--3) rivier in Raetia, thans de Inn, met Aeni pons, bij Rosenheim in het Z. van Beieren gelegen.

Aeoles of Aeolii, Aioles, heet de bevolking van Lesbus, Tenedus en Aeolis (z. a.); hun hoofdzetel schijnt oudtijds Thessalia geweest te zijn. Vandaar zijn ze gedeeltelijk naar Boeotia, en over Aulis naar Klein-Azië getrokken. De dialekten dezer drie streken zijn dan ook nauw verwant. Uit de omstandigheid, dat de stamheros Aeolus als vader van een talrijk kroost wordt voorgesteld, ontstond bij de Grieken het vermoeden, dat de Aeoliërs eene verzameling van verschillende kleine stammen waren, die oudtijds in verschillende deelen van Griekenland werden aangetroffen.

Aeolia, bij Hom. Aiolie, het mythische eil., waar Aeolus, de god der winden, zijn zetel had.

Aeoliae insulae, de Liparische of Vulcanische eilanden, ten noorden van Sicilia, tien in getal.

Aeolis, Aiolis, 1) oude naam van Thessaliotis, waar de Aeoles oorspronkelijk woonden, hoofdplaats Arne.--2) kuststreek van Klein-Azië, van den Hellespont zuidwaarts tot aan de Hermaeische golf, bevolkt door Grieken van aeolischen stam. De voornaamste aeolische steden in Troas zijn: Ilium, Assus, Gargara, Antandrus, Cebren, Scepsis, Neandrea. Het aeolische bondgenootschap was beperkt tot een kring van 12 kleine steden, die dicht opeenlagen in de heuvels tusschen de mondingen van den Caïcus en den Hermus. Het waren de volgende: Cyme, Larisa, Neontichos, Temnus, Cilla, Notium, Aegirusa, Pitane, Aegae, Myrina, Grynea, Smyrna; doch de laatstgenoemde stad werd in 688 door de aangrenzende Ioniërs vermeesterd. Ook de eilanden Lesbus en Tenedus behoorden tot Aeolis. Nadat de aeolische steden achtereenvolgens door de koningen van Lydië waren onderworpen, deelden zij ook in de lotswisselingen van Voor-Azië.

Aeolus, Aiolos, 1) oudste zoon van Hellen en de nimf Orseis, beheerscher van Magnesia in Thessalië, stamvader der Aeoliërs. Bij zijne gemalin Enarete had hij zeven zoons en vijf dochters. De zonen vestigden zich in verschillende plaatsen, vandaar dat de aeolische stam zich verder verbreidde dan een van de andere grieksche stammen.--2) Aeolus Hippotades (Hippotades), zoon van Hippotes, afstammeling van den bovengenoemden, koning van een der Aeolische eilanden. Hij was een vroom en menschlievend man, die den menschen het gebruik van zeilen leerde en het waaien van den wind voorspelde; daarom was hij een lieveling der goden en kreeg hij, vooral door voorspraak van Hera, het recht om deel te nemen aan hunne maaltijden en tevens het bestuur over de winden. Op zijn met hooge rotsen en metalen muren omgeven eiland leeft hij gelukkig met zijn vrouw, zes zonen en zes dochters, die met elkander gehuwd zijn; hij zit op een hooge rots, waarbinnen in een groot hol de winden opgesloten zijn. V. a. waren deze Aeolus en zijn tweelingbroeder Boeotus zonen van Poseidon en Arne, een achterkleindochter van den eerstgenoemden Aeolus. Haar vader, vertoornd over de geboorte van deze kinderen, gaf haar aan een vreemdeling, die haar medenam naar Metapontum en de kinderen op bevel van een orakel als de zijne opvoedde. Toen zij volwassen waren, maakten zij zich van de heerschappij over Metapontum meester, en later doodden zij Autolyce, hun pleegmoeder, die met Arne in twist leefde. Uit vrees voor de wraak van hun pleegvader vluchtte nu Aeolus naar de Aeolische eilanden, die van hem hun naam ontvingen. V. a. was de moeder van Aeolus en Boeotus Melanippe, de dochter van Desmontes of van een anderen Aeolus, en werden de kinderen te vondeling gelegd en door herders gevonden. Toen nu Metapontus, de koning van Icarië, zijne gemalin Theano wilde verstooten, omdat zij geen kinderen kreeg, nam zij de knaapjes van de herders over en gaf ze aan Metapontus als haar eigen kinderen. Maar dit berouwde haar, toen zij zelve twee zonen baarde, vooral daar Metapontus de vondelingen wegens hun schoonheid met voorliefde behandelde. Toen dus hare zonen volwassen waren, verhaalde zij hun wat er gebeurd was en spoorde hen aan Aeolus en Boeotus te dooden. Maar in het gevecht, dat nu volgde, vielen de zonen van Theano en zij doodde zichzelve. Aeolus en Boeotus vluchtten, maar nu ontdekte Poseidon hun ware afkomst en deelde hen mede, dat hun moeder door haar vader van het gezicht beroofd en in de gevangenis geworpen was. Daarop doodden zij ook hun grootvader, bevrijdden Melanippe, en keerden met haar naar Metapontus terug, die haar tot vrouw nam.

Aepea, Aipeia, stad in Messenia, aan zee, op de plaats van het latere Corone.

Aepytus, Aipytos, 1) zoon van Elatus, koning van Phaesana. Na den dood van Clitor regeerde hij over Arcadië; hij stierf aan een slangebeet.--2) zoon van Hippothoüs, koning van Arcadië; hij betrad den tempel van Poseidon te Mantinea, wat aan geen sterveling geoorloofd was, dientengevolge werd hij blind en stierf hij kort daarna.--3) zoon van Cresphontes en Merope. Zijn vader en broeders werden bij een opstand gedood, terwijl hij bij zijn grootvader in Arcadië was. Later veroverde hij echter met de hulp der Arcadiërs en Doriërs Messenië weder.--4) zoon van Neleus, stichter van Priene.

Aequi, ook Aequicoli (Aequicolani) geheeten, een landbouwende, doch tevens krijgszuchtige stam ten N.-O. van Latium, in de dalen van den Boven-Anio, de Himella en den Tolenus, verwant met de Volsci, met wie ze samen in de 5de en 4de eeuw geregeld tegen de Romeinen en het Latijnsch verbond oorlog gevoerd hebben. In de 5de eeuw is een gedeelte van Latium o.a. de steden Bola en Labici en vooral de berg Algidus een tijdlang in hun bezit geweest. In 304 wordt de stam door den consul P. Sempronius Sophus (Sempronii no. 16) geheel onderworpen en het grootste gedeelte van het gebied aan de militaire kolonies (col. Latinae) Alba Fucens (Fucentia) en Carseoli toegewezen. Wat er overschiet van het volk, komt als civitas sine suffragio voortaan voor onder den naam Aequicoli (Aequiculani).

Aequicoli (Aequiculani), zie Aequi.

Aequimaelium. Een plein aan de zuidzijde van het Capitool, beneden den tempel van Jupiter Capitolinus, waar eenmaal het huis van Sp. Maelius had gestaan. Zie Maelii.

Aequum Faliscum, zie Falerii.

Aerarii waren zulke rom. burgers, die niet in eene tribus waren ingeschreven en wien dus het stemrecht ontzegd was. Om namelijk dit recht uit te oefenen, moest men tot eene tribus behooren. Zij betaalden geen tributum (z. a.), maar een hoofdgeld (aera, vandaar hun naam), en waren van den dienstplicht uitgesloten. Onder de aerariërs gebracht te worden, was eene straf, die dikwerf door de censoren werd toegepast. Dan werd men ook niet belast naar den gewonen maatstaf, maar willekeurig hoog in de belasting aangeslagen. Inter aerarios referri en in tabulas Caeritum referri zijn synonieme uitdrukkingen, omdat de inwoners der etruscische stad Caere (z. a.) de eersten waren, die als burgers zonder stemrecht onder bezwarende voorwaarden bij Rome werden ingelijfd.

Aerarium was de schatkist van den rom. staat, ook de plaats waar de kas bewaard werd en waar tevens het staatsarchief was geborgen, tot dat hiervoor door Q. Lutatius Catulus het tabularium (z. a.) gebouwd werd. Tijdens de republiek was het aerarium in den tempel van Saturnus. Het stond onder beheer der quaestores urbani, die echter geene uitgaven mochten doen dan op last van de consuls of van den senaat. De keizers echter droegen het beheer ook aan anderen op, b.v. aan praetoren of aan praefecti aerario, terwijl het aerarium zelf meer en meer tegenover den door Augustus ingestelden fiscus (z. a.) of bijzondere kas des keizers aan beteekenis verloor. In de 3de eeuw n. C. werd het de kas van de stad Rome.

Aerarium sanctius, reserve-kas voor tijden van grooten nood, waarin o. a. de vicesima manumissionum (5% der waarde van vrijgelaten slaven) werd gestort.

Aerarium militare, door Augustus ingesteld en gevoed door nieuwe belastingen, zooals de centesima rerum venalium, diende voor het onderhoud van het leger.

Aërope, Aerope, dochter van Catreus, gehuwd met Atreus en v. s. ook met Plisthenes. Zij maakte zich schuldig aan overspel met Thyestes, en gaf hem zelfs het gouden lam, dat hem de heerschappij over Mycenae moest verschaffen. Toen Thyestes nu, eenmaal door Atreus verdreven, toch terugkeerde en met hulp van Aërope zijn broeder van den troon trachtte te stooten, werd zij door Atreus in zee geworpen.

Aerugo, eene soort van roest van schitterend groene kleur (patina), welke zich door den tijd op het brons vormde en de waarde der beeldwerken zeer verhoogde. Om al te sterke oxydeering tegen te gaan, bestreek men de koperen voorwerpen met olie of vloeibaar pek of asphalt.

Aes is oorspronkelijk koper en wat daarvan vervaardigd is; ook het uit koper en tin gemengde brons heet aes. Daar de oudste munt uit koper geslagen was, werd het woord ook voor munt gebezigd. Aes signatum = gemunt geld. Aes grave is de zware oude rom. munt, toen de as, zijnde de waarde van een pond koper, nog het volle gewicht had (as libratis), z. as. Aes alienum is schuld, het passief vermogen, in tegenstelling van aes suum, actief vermogen.

Aes Corinthium, eene legeering van koper met verschillende andere metalen, zoo genoemd naar Corinthe, waar het bronsgieten op den hoogsten trap stond.

Aes equestre, de toelage, die de equites equo publico uit de schatkist ontvingen tot aankoop van een paard.

Aes hordearium, toelage aan de equites tot onderhoud van hun paard. Het aes equestre en het aes hordearium werden opgebracht door de orbi et orbae (z. a.). Zie ook tribuni aerarii.

Aes militare, soldij. Aere dirutus is degene, wien tot straf soldij wordt onthouden.

Aes uxorium, belasting op de ongehuwden.

Aesacus, Aisakos, zoon van Priamus en Arisbe. Toen Hecabe droomde dat zij een brandend stuk hout ter wereld bracht, voorspelde Aes. dat zij een zoon zou baren, die den ondergang van Troje zou veroorzaken; op zijn raad werd het kind (Paris), zoodra het geboren was, te vondeling gelegd. Na den dood zijner echtgenoote Asterope was hij ontroostbaar en werd hij in een vogel veranderd. V. a. heet zijne moeder Alexirrhoë, en wordt hij verliefd op Hesperia, de dochter van een riviergod; toen zij voor hem vluchtte en hij haar vervolgde, werd haar door een adder een doodelijke wonde toegebracht. Uit smart wierp Aes. zich in zee, maar werd door Tethys in een duiker veranderd.

Aeschines, Aischines, 1) Athener, een zoon van arme ouders, leefde zelf ook voortdurend in groote armoede, maar was een ijverig leerling van Socrates en voorstander van diens leer, die hij in zeven, bijna geheel verloren gegane, dialogen nader trachtte te ontwikkelen. Na Socrates' dood leefde hij eenigen tijd aan het hof van Dionysius van Syracuse, maar na diens val (356) keerde hij naar Athene terug, waar hij zich bezighield met het geven van onderwijs en het schrijven van pleitredenen.--2) Athener, geb. omstreeks 390. Zijne ouders Atrometus en Glaucothea waren menschen van geringen stand en Aesch. werd slechts met moeite onder de burgers opgenomen. Hij begon zijn loopbaan als klerk (grammateus) bij Aristophon en Eubulus, trad later zonder bijval te vinden als tooneelspeler (tritagonist) op, en nam deel aan de veldslagen bij Mantinea en Tamynae. Spoedig trad hij ook als redenaar op; door zijn groote welsprekendheid speelde hij sedert dien tijd in de politiek eene voorname rol als hoofd der vredespartij en tegenstander van Demosthenes. Toen hij namelijk in 347 met Demosthenes e.a. als gezant gezonden was om met Philippus over vrede te onderhandelen, wist deze hem door zijn innemend gedrag voor zich te winnen, en reeds dadelijk bij het tweede gezantschap, dat Philippus den vrede moest laten bezweren, was Aesch. door zijn talmen de oorzaak, dat Philippus, voordat de eeden afgelegd waren, zich verscheiden belangrijke voordeelen wist te verzekeren. Hierom door Demosthenes en Timarchus aangeklaagd, bracht hij eerst een tegenaanklacht tegen Timarchus in, die wegens onzedelijkheid veroordeeld werd en dus onbevoegd werd als aanklager op te treden, maar Demosthenes nam de aanklacht weder op en Aeschines' redevoering (peri parapresbeias), schijnt de rechters niet volkomen van zijn onschuld overtuigd te hebben; toch werd hij, mede door den invloed van Eubulus, vrijgesproken (343). Later (339) gaf Aesch. door zijn gedrag als afgezant bij de vergadering der Amphictyonen (pylagoras) aanleiding tot den tweeden heiligen oorlog, waarvan een gevolg was dat Philippus tot in het binnenste van Griekenland kon doordringen en door de overwinning bij Chaeronea (338) aan Athene de macht kon ontnemen, hem in zijne verdere plannen tegen te werken. Grievend was het voor Aesch. dat, in weerwil van zijn tegenstreven, aan Dem. het houden van de lijkrede over de in dien slag gevallenen werd opgedragen; nog iets ergers was hem vroeger gebeurd, toen het volk hem als vertegenwoordiger bij een geschil met Delus verkozen had, maar de Areopagus weigerde die keuze te bekrachtigen, omdat men aan zijne welgezindheid twijfelde. En toen in 336 zekere Ctesiphon het voorstel deed, dat Demosthenes wegens zijne verdiensten met een gouden krans vereerd zou worden, verzette Aesch. zich hiertegen als tegen een onwettig voorstel. Door omstandigheden bleef de zaak tot 330 hangende; toen had het geluk der Macedoniërs en daarmee ook de invloed der macedonische partij te Athene zijn toppunt bereikt, en achtte Aesch. het oogenblik gekomen om eene beslissing uit te lokken in dit proces, dat in naam tegen Ctesiphon gericht was, maar waarvan de uitslag inderdaad een van de twee groote tegenstanders voor goed uit het openbare leven moest doen wijken. En in weerwil van de voortreffelijke rede door Aesch. bij deze gelegenheid gehouden, behaalde Demosthenes, die als verdediger van Ctesiphon optrad, zulk eene schitterende overwinning, dat Aesch. een langer verblijf te Athene onmogelijk vond en zich naar Rhodus begaf, waar hij, naar men zegt, onderwijs in de welsprekendheid gaf en op 75-jarigen leeftijd stierf. Als redenaar wordt Aesch. door de ouden zeer hoog geschat, zijne drie redevoeringen werden de Gratiën, zijne negen brieven de Muzen genoemd. De brieven zijn onecht, de redevoeringen zijn: 1º. kata Timarchou, 2º. peri parapresbeias, 3º. kata Ktesiphontos.--3) geb. te Neapolis, leefde omstreeks het einde der 2e eeuw als leeraar der academische wijsbegeerte te Athene.

Aeschrion, Aischrion, van Samus, iambendichter omstreeks 322.

Aeschylus, Aischylos, zoon van Euphorion, de eerste der drie groote atheensche treurspeldichters. Hij werd geb. 525, behoorde tot een adellijk geslacht en streed mede bij Marathon, Salamis en Plataeae. In 477 ging hij, waarschijnlijk op uitnoodiging van Hiero, naar Syracuse, en sedert bracht hij een groot deel van zijn leven op Sicilië door; hij stierf in 456 te Gela. Men meent, dat hij zich niet ongaarne buiten Athene ophield, daar hij zich niet kon schikken in de nieuwe politieke en maatschappelijke toestanden, en zich niet kon vereenigen met de richting, door de bovendrijvende partij in de latere jaren van zijn leven ingeslagen; daarop zou dan ook het verhaal doelen, dat hij eens wegens ontheiliging van de mysteriën zou aangeklaagd zijn. Hoe dit zij, na zijn dood werd hij als kunstenaar hoog geëerd, zijn standbeeld werd in den schouwburg geplaatst en zijne stukken werden ook na zijn dood menigmaal opgevoerd, terwijl de staat, hoewel waarschijnlijk zonder gevolg, trachtte ze tegen vervalsching te bewaren. Inderdaad was het treurspel, sedert Aesch. niet veel ouder dan 25 jaar voor het eerst als dramatisch dichter was opgetreden, door zijn invloed zoozeer vooruitgegaan, dat men hem niet zonder reden vader en schepper van die dichtsoort genoemd heeft; in ieder geval heeft hij haar de eervolle plaats verschaft, die zij sedert in het openbare leven innam, en den overwegenden invloed, dien zij op de verstandelijke en aesthetische ontwikkeling der Atheners had. Door het invoeren van een tweeden tooneelspeler maakte hij een dialoog en ten minste een begin van handeling mogelijk, weldra trad de dialoog geheel op den voorgrond, en werden de koorliederen niet slechts in omvang beperkt, maar ook met de handeling in nauw verband gebracht en aan den voortgang er van dienstbaar gemaakt. Ook maakte hij het eerst gebruik van decoraties en machinerieën, terwijl hij door eigenaardige kleeding, schoeisel en maskers aan zijne tooneelspelers een indrukwekkend uiterlijk wist te geven. Volgens gewoonte trad hij in zijne stukken zelf als tooneelspeler op, bovendien oefende hij (als chorodidaskalos) zijne koren in zang en dans, en leidde hij de geheele voorbereiding voor de opvoering zijner stukken. Van zijne werken--meer dan 70 titels worden genoemd--zijn 7 bewaard gebleven; het zijn chronologisch gerangschikt de volgende: Supplices, Persae (opgevoerd in 472), Septem adversus Thebas, Prometheus vinctus, en de trilogie Agamemnon, Choephoroe, Eumenides, waarmede Aeschylus in 458 den eersten prijs won; zij munten uit door ernst en verhevenheid, de karakters zijn edel en waardig, de taal is daarmede in overeenstemming, en de toestanden zijn zoo gekozen, dat ieders eigenschappen ten volle aan den dag komen; de inhoud wijst overal op de onverbiddelijke heerschappij der goddelijke macht over den mensch.

Aesculapius = Asclepius. Toen in 293 te Rome de pest woedde, en op bevel der sybillijnsche boeken gezanten naar Epidaurus gezonden waren om Aesc. van daar te halen, kwam de god in de gedaante van een slang uit eigen beweging op hun schip, en ging eveneens uit eigen beweging op het Tibereiland aan land, waar hij sedert een tempel had.

Aesepus, Aisepos, rivier in Mysia, die op den berg Ida ontspringt en zich bij Cyzicus in de Propontis stort. Hij vormt de oostgrens van het landschap Troas.

Aesernia, stad in Samnium, dicht bij de bronnen van den Volturnus, sedert 263 rom. kolonie.

Aeserninus, beroemd zwaardvechter evenals Pacideianus. Vandaar spreekwoordelijk: Aeserninus cum Pacideiano van twee even groote, met elkaar wedijverende mannen.

Aesis, rivier en stad op de grenzen van Umbria en Picenum.

Aeson, Aison, zoon van Cretheus en Tyro, vader van Iason. Pelias beroofde hem van zijn aandeel in de regeering van Iolcus, en doodde hem later, terwijl Iason op zijn tocht naar Colchis was, of Aes. voorkwam hem door zich zelf van het leven te berooven. V. a. leefde Aes. nog bij de terugkomst der Argonauten, en werd hij door de tooverkunsten van Medea verjongd.

Aesonides, Aisonides, Iason, zoon van Aeson.

Aesopus, Aisopos, grieksch fabeldichter, tijdgenoot van Solon, een mismaakte dwerg, in Thracië of Phrygië geboren. Hij diende als slaaf verschillende heeren, doch kreeg later de vrijheid en ging reizen. Zoo kwam hij o. a. ook bij Croesus, die hem met eene zending naar Delphi belastte, waar hij wegens godslastering van een rots geworpen werd. Wegens dezen moord werden de Delphiërs door allerlei rampen getroffen. De meeste berichten over Aes. komen echter eerst bij late schrijvers voor en verdienen weinig geloof, zelfs twijfelt men of hij inderdaad bestaan heeft; zeker zullen de fabels, die zijn naam dragen (mythoi of logoi Aisopeioi), en die wegens hunne lessen van praktische levenswijsheid zeer populair waren, niet alle van hem afkomstig zijn. Deze fabels waren oorspronkelijk in proza geschreven, maar werden later meermalen in verzen omgezet, o. a. hield Socrates zich in de gevangenis met zulk een omzetting bezig. Dientengevolge is het zeer onzeker, hoeveel van den oorspronkelijken vorm nog over is in de bewerkingen, die wij nu nog er van hebben. De voornaamste bewerkingen in dichtvorm zijn van Phaedrus (z. a.), Babrius (z. a.) en Avianus (z. a.).

Aesopus (Claudius), beroemd tooneelspeler ten tijde van Cicero, die veel van hem leerde wat voordracht betreft. In 55 verloor hij, bij de inwijding van het theatrum Pompei, onder het spelen op eenmaal zijn stem. Hij liet een groot vermogen na, dat door zijn zoon spoedig werd doorgebracht.

Aestii, een aan de Oostzee, van de monden van den Weichsel tot aan de Finsche Golf wonend volk, de stamvaders der latere Letten en Lithauers.

Aesula, verschrijving voor Aefula (z. a.).

Aesymnetes, Aisymnetes, iemand, die met onbeperkte macht, maar op wettige wijze, aan het hoofd van den staat gesteld wordt. Dit geschiedde vooral in tijden van burgertwisten, en het was dan de taak van den Aes. pogingen te doen om de partijen te verzoenen, de geschilpunten uit den weg te ruimen, de noodige veranderingen in de wetten te maken, enz.--In sommige staten werd daarna de naam voor een van de gewone overheden behouden.

Aethalia, Aithalia, of Ilva, eiland in de tyrrheensche zee, thans Elba. Het hoorde tot de etruscische stad Populonia, die de rijke ijzermijnen van het eiland exploiteerde.

Aethalides, Aithalides, zoon van Hermes en Eupolemea, heraut der Argonauten. Hij had een zeer sterk geheugen, dat hem ook in de onderwereld bijbleef, zoodat, toen zijne ziel na vele omzwervingen in het lichaam van Pythagoras terechtkwam, zij zich nog alles wist te herinneren, wat zij had ondervonden in de verschillende lichamen, waarin zij gehuisd had.

Aether, Aither, de hoogere lucht, die de hemelruimte en de woning der goden vult, in tegenstelling van de lagere lucht (aër), die de aarde omgeeft. De aether werd beschouwd als een der grondstoffen van het heelal, in de orphische hymnen als de wereldziel, waaruit alle leven ontstaan is. Bij dichters is Aether de zoon van Erebus en Nyx of van Chaos en Caligo, en de vader van Aarde, Hemel, Zee, e. a. Als schenker van den vruchtbaren regen is soms Aether = Zeus.

Aethiopes, Aithiopes, oorspronkelijk alle donkerkleurige menschen, zoowel in Azië als in Afrika; zij wonen aan het einde der aarde, en verheugen zich om hun vroomheid in de bizondere gunst der goden, die hen dikwijls bezoeken om plechtige offers in ontvangst te nemen. Later onderscheidde men de oostelijke Aeth. met sluike haren (in Gedrosia e. e.) van de westelijke met krullend haar, die in Aethiopië woonden en meer in het bijzonder met dien naam aangeduid werden.

Aethiopia, Aithiopia, aan den Nijl. Het lag ten zuiden van Aegypte en was beroemd door zijne beschaving, die van Aegypte uit zich dáár verbreidde. In de oudheid wordt op verschillende tijden van verschillende rijken melding gemaakt. In het noorden lag Napata, tijdens keizer Augustus het rijk der oorlogzuchtige koningin Candace. Tusschen de Nijlarmen Astapus en Astaboras had men in overoude tijden den priesterstaat Meroë, die over talrijke negerstammen heerschte. Nog meer zuidelijk lag het rijk van Axoma of Auxume (z.a.), waarschijnlijk ontstaan door de 240,000 krijgslieden, die onder de regeering van koning Psammetichus of Psamtik uit Aegypte uittogen.

Aethra, Aithre, dochter van Pittheus, gemalin van Aegeus, moeder van Theseus. Toen Theseus Helena geschaakt had, plaatste hij haar te Aphidnae onder de hoede van zijne moeder, maar toen Helena door de Dioscuren teruggehaald werd, namen zij ook Aethra mede. Sedert leefde zij als slavin van Helena, en zoo kwam zij later met haar te Troje; na de inneming van deze stad werd zij echter door haar kleinzonen Acamas en Demophon herkend en naar Attica teruggebracht.

Aëtion, Aetion, beroemd schilder in den tijd van Alexander den Gr.; onder zijne werken muntte vooral uit de schilderij, voorstellende de bruiloft van Alexander en Roxane.

Aëtius, rom. veldheer, die in 451 n. C., verbonden met Franken, Westgothen en Burgundiërs, in de Catalaunische velden (de vlakte van Châlons-sur-Marne) de Hunnen onder Attila versloeg. Hij werd later door keizer Valentinianus III uit achterdocht omgebracht (454).

Aetna, Aitne, de bekende vulkaan op Sicilia, waaronder volgens de mythe de Gigant Typhon of Enceladus bedolven lag en waarbinnen Hephaestus of Vulcanus met zijne Cyclopen de bliksems voor Jupiter smeedde. In den Aetna wierp zich de wijsgeer Empedocles (z. a.). Aan den voet van den berg lag de stad Aetna, door de uit Catana verdreven Syracusanen en Peloponnesiërs gesticht op de plaats van het vroegere Inessa (461).

Aetolia, Aitolia, landschap in Hellas, met ruwen bodem, rijk aan bergen en bosschen, met eene half barbaarsche, uit allerlei bestanddeelen saamgesmolten, roofzuchtige bevolking. Onder de oudste inwoners worden Cureten, Lelegers, Hyanten genoemd, waarbij zich Eleërs voegden. Er waren veel wilde dieren. De inwoners spraken een voor Grieken onverstaanbaar patois, en leefden meestal in dorpen verspreid. Onder den invloed van corinthische volksplantingen op de kust verspreidde zich de beschaving, hoewel eerst laat. Na Alexander den Gr. hebben de Aetoliërs nog eene rol in de geschiedenis gespeeld (zie Aetolisch verbond). In Aetolia behooren de mythen te huis van Meleager en het calydonische zwijn, den strijd tusschen Heracles en den riviergod Achelous, de straf der Echinaden. Men onderscheidde Oud-Aetolia (ten archaian Ait.), zijnde de grootste westelijke helft, en ten epikteton Ait., het later bijgevoegde.

Aetolisch verbond. De steden van Aetolië waren tengevolge van hun afgesloten ligging wel altijd vreemd gebleven aan de grieksche beschaving, zoodat de inw. zelfs veelal barbaren genoemd werden, maar hadden zich door dezelfde oorzaak ook altijd van vreemde overheersching vrijgehouden. Na den dood van Alexander den Gr. sloten zij zich nauwer hij elkander aan en vormden zij een verbond (to koinon ton Aitolon) onder leiding van een strateeg en een grammateus, bijgestaan door een raad van synedroi, of apokletoi, terwijl minstens eenmaal in het jaar een algemeene vergadering werd gehouden. Hun hoofdstad was Thermum, Thermon (z. a.). Toen nu Antipater en Craterus tevergeefs getracht hadden hen voor hunne deelneming aan den lamischen oorlog te tuchtigen, begon het aet. verbond naar uitbreiding te streven. Dit gelukte: het maakte zich meester van Locris, Phocis, enz., en zelfs verscheiden peloponnesische staten behoorden tot het verbond; ook veroverden zij Delphi (290), wat aanleiding gaf tot den laatsten oorlog der Amphictyonen. Aanvankelijk met Macedonië verbonden, verbraken de Aet. dit bondgenootschap weldra en vooral sedert het achaeisch verbond zich aan Macedonië had aangesloten, hielden zij de zijde der Lacedaemoniërs. Toen de Romeinen begonnen te trachten invloed in Griekenland te krijgen, sloten ook zij zich aan bij den vrede van Naupactus (217 z. Philippus no. 5), doch door Philippus in hun verwachtingen teleurgesteld, zochten zij later nu en dan de vriendschap der Romeinen en in den slag bij Cynoscephalae (197) streden zij met dezen tegen Philippus. Door hen met ondank behandeld, riepen zij Antiochus d. G. ter bevrijding van Griekenland op, en na diens nederlaag moesten zij zich onvoorwaardelijk aan den consul M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) overgeven (189). Sedert 146 waren de aetolische steden een deel der provincie Achaia.

Aetolus, Aitolos, 1) zoon van Endymion en Asterodia of Chromia of Hyperippe. Hij volgde zijn broeder Epeus in de regeering over Elis op, maar nadat hij door onvoorzichtigheid Apis gedood had, vluchtte hij naar de omstreken van den Achelous, die door de Cureten bewoond werden; sedert dien tijd heet dit land naar hem Aetolië.--2) zoon van Oxylus en Pieria, die jong stierf, en wien de gymnasiarch te Olympia jaarlijks een lijkoffer bracht.

Afer (Domitius), uit Nemausus (Nîmes) in Gallia, een zeer beroemd redenaar ten tijde van Tiberius en Caligula. Hij trad meermalen als beschuldiger op. Hij behoorde niet tot de rom. gens Domitia.

Afranii. Er zijn verschillende personen van dezen naam bekend. Eene gens Afrania wordt niet genoemd. 1) L. Afranius, blijspeldichter, omstreeks 150 geboren, wordt voor den voornaamsten dichter der comoedia togata gehouden. Er zijn slechts fragmenten van hem overgebleven.--2) L. Afranius, een man van geringe afkomst, had onder Pompeius in Spanje en Azië gediend, en werd door diens invloed in 60 tot consul verkozen. Later was hij Pompeius' legaat in Spanje, en streed aldaar in den burgeroorlog tegen Caesar. Toen hij genoodzaakt werd, den strijd in Spanje op te geven, begaf hij zich met zijn medelegaat Petreius tot Pompeius en woonde den slag bij Pharsalus bij, waar Pompeius door Caesar werd verslagen. Afranius vluchtte naar Africa, nam dáár in 46 deel aan den slag bij Thapsus, werd door P. Sittius (z. Sittii) gevangen genomen en door de soldaten van Caesar gedood.--3) Sex. Afranius Burrus, meest onder den naam Burrus bekend, was onder keizer Claudius, sedert 51 n. C. praefectus praetorio, en bewerkte na diens dood de verheffing van Nero. Met den wijsgeer L. Annaeus Seneca trachtte hij op Nero steeds een invloed ten goede uit te oefenen, en weigerde standvastig, aan den moord op Agrippina en Octavia deel te nemen. Naar men beweerde, heeft Nero hem door vergif uit den weg geruimd (62 n. C.). De Romeinen betreurden hem zeer.

Africa. Het werelddeel Afrika was bij de ouden bekend als Libya, Libye, en eerst onder de rom. heerschappij ging de naam van de provincie Africa (het vroegere gebied van Carthago) op het geheele werelddeel over, althans voorzoover dit bekend was. Tot in de vijfde eeuw vóór Chr. werd Afrika niet als een afzonderlijk werelddeel beschouwd, maar nu eens tot Europa, dan weder tot Azië gerekend. Alleen het noordelijkste gedeelte was bekend. Hoewel de aegyptische koning Necho Afrika door phoenicische zeevaarders liet omzeilen, ging de hierdoor verworven kennis niet op de lateren over; men verbeeldde zich, dat Afrika naar het zuiden steeds breeder werd, en Claudius Ptolemaeus, de beroemde geograaf uit den tijd der Antonijnen, laat zelfs de afrikaansche kust bezuiden den indischen oceaan omloopen en zich, achter den indischen archipel om, met de kust van China vereenigen, waardoor de indische zee tot eene groote binnenzee wordt. De verschillende deelen der noordkust, van het W. naar het O. gaande, waren, volgens de indeeling van Ptolemaeus, de volgende: Mauretania, Numidia, Africa, Tripolis, Cyrenaïca, Marmarica, Aegyptus. Het Nijldal werd dikwijls nog tot Azië gerekend. Bij Herodotus wordt Afrika verdeeld in Aegyptus, Aethiopia en Libya, welk laatste weder onderscheiden wordt in het door menschen bevolkte (oikoumene), het door wilde dieren bewoonde (theriodes), en de woestijn (he psammos).

Africa propria, of alleen Africa, dat na de verwoesting van Carthago rom. provincie werd (146), omvatte ongeveer het tegenwoordige Tunis. Het werd verdeeld in twee districten: Zeugitana, de noordelijke, en Byzacium, de zuidelijke helft. De Rom. trokken er veel koren uit.

Africa nova = de Romeinsche provincie Numidia, zie Ampsaga en Numidia.

Africanus, bijnaam zoowel van P. Cornelius Scipio, die in 202 Hannibal bij Zama versloeg en Carthago tot den vrede dwong, als van P. Cornelius Scipio Aemilianus, die in 146 Carthago innam en verwoestte. De eerste wordt Africanus maior, de andere minor geheeten.

Africus, Lips, de Zuidwestenwind, is meestal stormachtig, zie Windstreken.

Agamedes, Agamedes, zoon van den orchomenischen koning Erginus. Hij en zijn broeder Trophonius waren zeer bekwame bouwmeesters, o. a. bouwden zij voor Hyrieus, koning van Hyria of voor Augias, koning van Elis, een schatkamer, die zij zoo maakten, dat zij van buiten een steen uit den muur konden nemen, en dus binnen konden komen zonder de sloten te verbreken. Toen zij nu eenigen tijd van de daar bewaarde schatten gestolen hadden, werd Ag. in een strik gevangen en uit vrees voor ontdekking sneed Trophonius hem het hoofd af en nam het mede. Tot straf voor dezen moord werd hij in het bosch van Lebadea bij het graf van Ag. door de aarde verzwolgen. Hier was later het orakel van Trophonius (z. a.). V. a. waren Ag. en Trophonius de bouwmeesters van den delphischen tempel; toen zij dit werk voltooid hadden, vroegen zij Apollo om eene belooning, en de god antwoordde, dat zij zeven dagen in vroolijkheid moesten doorbrengen en daarna hun loon zouden ontvangen; op den achtsten dag werden de beide broeders dood gevonden.

Agamemnon, Agamemnon, zoon van Atreus of Plisthenes en Aërope. Toen Thyestes Atreus vermoord en zich van de regeering over Mycenae meester gemaakt had, vluchtte Ag. met zijn broeder Menelaus naar Sparta bij Tyndareos, en huwden zij met de dochters van dezen: Ag. met Clytaemnestra, Menelaus met Helena. Later verdreef Ag. Thyestes weder of hij volgde hem na zijn dood op; door veroveringen breidde hij zijn rijk uit en werd hij de machtigste vorst van Griekenland. In den trojaanschen oorlog, waarvoor hij 100 schepen leverde, werd hij tot opperbevelhebber gekozen; in deze hoedanigheid betoonde hij zich zoowel een goed vorst, als een dapper strijder. Toch hadden zijne daden dikwijls voor het leger nadeelige gevolgen. Te Aulis doodde hij door onvoorzichtigheid een hinde van Artemis, waarover deze godin zich wreekte door windstilte te zenden, waaraan eerst een einde kwam, toen Ag. haar zijne dochter Iphigenia als offer had aangeboden. Voor Troje beleedigde hij den priester Chryses, waarvoor Apollo het leger met pest strafte. Bizonder noodlottig voor de Grieken was zijn twist met Achilles (z. Briseis). Na de verovering van Troje keerde hij, na lang op zee rondgezworven te hebben, naar zijn rijk terug, maar Aegisthus, die gedurende de afwezigheid van Ag. diens vrouw Clytaemnestra tot overspel verleid had, doodde hem terstond na zijne aankomst bij een maaltijd, of Clytaemnestra wierp een net over hem, toen hij in het bad was, waarop Aegisthus hem doodde. Hij werd op verscheiden plaatsen in Griekenland als halfgod vereerd. De kinderen van Ag. en Clytaemnestra zijn: Iphianassa (Iphigenia), Chrysothemis, Laodice (Electra) en Orestes.

Agamemnonides, Agamemnonides, Orestes, zoon van Agamemnon.

Agamiou graphe, aanklacht wegens het niet aangaan van een huwelijk. Straffen op het niet aangaan van een huwelijk komen, voorzoover wij na kunnen gaan, alleen voor in Sparta en Creta. Zij, die na een zekeren leeftijd ongehuwd bleven waren atimoi, waren uitgesloten van de Gymnopaediae (z. a.) en hadden ook overigens veel smaad te verduren.

Aganippe, Aganippe, 1) dochter van den riviergod Termessus, nimf van de bron Aganippe bij Thespiae, die door den hoefslag van Pegasus ontstaan was, en waarvan het water dichterlijke bezieling gaf.--2) = Eurydice no. 2.

Aganippides heeten de Muzen, naar de bron Aganippe.

Agasias, Agasias, beeldhouwer uit Ephesus, die op het einde der 2de eeuw te Rome werkte. Een van zijne werken, een zwaardvechter voorstellend, is nog bewaard gebleven.

Agatharchides, Agatharchides, grieksch geschiedschrijver en geograaf uit de 2de eeuw. Van zijne historische werken is weinig over: van zijn werk over de Roode Zee is nog een uittreksel bewaard van het 1ste en 5de boek.

Agatharchus, Agatharchos, van Samus, zoon van Eudemus, leefde te Athene omstreeks het midden der 5de eeuw. Hij was een zeer gezocht schilder, hielp Aeschylus bij het inrichten van zijn tooneel, en was de eerste tooneelschilder. Over tooneelschilderwerk (skenographia) zou hij een werkje geschreven hebben.

Agathemerus, Agathemeros, grieksch geograaf, die waarschijnlijk in de 4de eeuw na C. leefde; van zijn werk bestaan nog fragmenten.

Agathocles, Agathokles, 1) zoon van Carcinus, een pottenbakker te Thermae op Sicilië, waar Ag. in 360 geboren werd. Daar deze stad toen aan de Carthagers behoorde, en een orakel verkondigd had, dat deze knaap eens groot onheil over Carthago brengen zou, vluchtte zijn vader, toen dit orakel bekend geworden was, met hem naar Syracuse, en werd daar burger. In den krijgsdienst getreden, onderscheidde Ag. zich reeds vroeg, hij werd de gunsteling van den rijken Damas, en na diens dood volgde hij hem als veldheer op en trouwde hij met diens weduwe. De oligarchische partij, die toen aan het roer was, wantrouwde hem echter en bewerkte zijne verbanning, daarop trad hij in tarentijnschen dienst, en daar hij alle ontevredenen uit Syracuse tot zich wist te trekken, was hij weldra sterk genoeg om aan de oligarchische heerschappij een einde te maken. Reeds toen verdacht men hem echter van het streven naar de alleenheerschappij, en spoedig werd hij weder verbannen; toen hij echter eenmaal door geweld verkregen had dat hij teruggeroepen werd, kreeg hij door zijn verstandig gedrag in korten tijd de macht om zijne plannen uit te voeren. Hij zocht de gunst van het leger te verwerven, en daarop steunende, liet hij een groot aantal oligarchen dooden, een nog grooter aantal verjoeg hij, en daarop liet hij zich het oppergezag opdragen (317). Door Tarentum ondersteund, kon hij het hoofd bieden aan de moeilijkheden, waarin de verbannenen hem wikkelden, en Agrigentum, dat hen hielp, werd tot vrede gedwongen (313). Twee jaar later geraakte hij in oorlog met Carthago; hij voerde dien oorlog in het begin niet zonder geluk, maar in 310 leed hij een groote nederlaag bij de Himera, waarna de carthaagsche veldheer Hamilcar hem in Syracuse kwam belegeren. In deze omstandigheden had Ag. nog de vermetelheid den oorlog naar Afrika over te brengen; met 60 schepen, voornamelijk met huurtroepen bemand, sloeg hij zich door de vijandelijke vloot heen en landde hij op de afrikaansche kust. Daarop drong hij met zijne troepen het land in, en versloeg hij een driemaal sterker leger der Carthagers, zoodat Hamilcar van Sicilië uit hulp moest zenden; door beleid, wreedheid en trouweloosheid wist hij zich bondgenooten te verschaffen en zich te gelegener tijd weder van hen te ontslaan (z. Ophellas), ook een gevaarlijken opstand in zijn leger onderdrukte hij, en eindelijk zou hij Carthago zelf aanvallen, toen berichten van de toestanden op Sicilië hem noopten terug te keeren. Maar de aristocratische partij, door Agrigentum gesteund, had zich gedurende zijne afwezigheid zoo versterkt, dat hij toen niets kon uitrichten, daarom keerde hij spoedig naar Afrika terug, waar zijn zoon intusschen ook groote verliezen geleden had, en waar hij het leger in den uitersten nood vond. Het gelukte hem niet het verlorene te herwinnen, en toen het gerucht zich in het leger verspreidde, dat hij van plan was te vluchten, werd hij door zijn eigen soldaten gevangen gehouden; weldra werd hij echter vrijgelaten, en toen vluchtte hij inderdaad naar Sicilië (306), waarop de verbitterde soldaten zijne zonen vermoordden en grootendeels tot de Carthagers overliepen. Nu vond Ag. het geraden vrede te sluiten met de Carthagers; voor een som geld liet hij hen de sicilische steden behouden, waarop zij aanspraak maakten, en ook met de aristocraten kwam het tot een verstandhouding. Daarna nam hij den titel van koning der Siciliërs aan en sedert schijnt hij minder hard geregeerd te hebben; hij bevestigde zijne macht door oorlogen in Italië, veroverde ook Corcyra (298) en dacht er altijd over, ook den strijd tegen Carthago te hernieuwen, maar voordat hij zijne plannen ten uitvoer kon brengen, stierf hij (289) na een regeering van 28 jaar. Men verhaalde, dat hij een door zijn kleinzoon vergiftigden tandenstoker gebruikt had, en dat hij, om zich te bevrijden van de daardoor veroorzaakte ondragelijke pijnen, zich levend had laten verbranden. Hij was een man van groote gaven, en een groot veldheer, en hoewel hij, om zijn doel te bereiken, voor geen wreedheid terugdeinsde, was hij toch bij het volk zeer geliefd.--2) zoon van Lysimachus, onderscheidde zich in de oorlogen door zijn vader gevoerd. Door zijne stiefmoeder belasterd, werd hij op last van zijn vader door Ptolemaeus Ceraunus vermoord (284).

Agathon, Agathon, zoon van Tisamenus, atheensch treurspeldichter, geb. vóór 436. Hij was een schoon, rijk en fijnbeschaafd man, opgevoed in de school der sophisten, en bevriend met Plato en Euripides; een gedeelte van zijn leven (na 407) bracht hij aan het hof van Archelaus van Macedonië door. Van zijne werken bestaan nog slechts eenige fragmenten.

Agathyrna of Agathyrnum, Agathyrna of -non, stad op de noordkust van Sicilia, tusschen Tyndaris en Calacte.

Agathyrsi, Agathyrsoi, vreedzaam en rijk sarmatisch volk aan de rivier Maris, afstammelingen van Agathyrsus, zoon van Heracles. Het is een thracisch volk, dat in den Romeinschen tijd onder den naam Dakoi, Daci optreedt, z. Dacia. Zij plachten zich te tatoueeren (picti).

Agave, Agaue, dochter van Cadmus, moeder van Pentheus.

Agbatana, ta Agbatana = Ecbatana.

Agdistis, Angdistis, een te gelijk mannelijk en vrouwelijk monster, uit Zeus gesproten. Later werden de twee helften van elkander gescheiden, en ontstond uit het mannelijk gedeelte een amandel- of granaatboom, die door een wonder de vader werd van Atys. De vrouwelijke helft werd Cybele.

Agedincum, thans Sens, ten Z.O. van Parijs, hoofdstad der Senones.

Ageladas, Ageladas, naam van twee beeldhouwers uit Argos; de eerste leefde omstreeks het einde der 6de, de andere omstreeks het midden der 5de eeuw.

Agele, in dorische staten, vooral op Creta, vereenigingen, waarvan jongelingen boven 17 jaar tot hun huwelijk leden waren. De leden (agelastoi of agelatai) woonden bij dag, en gewoonlijk ook bij nacht, in een gemeenschappelijk gebouw, en hielden met elkander spelen, oefeningen, jachtpartijen, enz. Bij hun intreden in de ag. legden zij den eed af, dat zij de staatsregeling trouw zouden verdedigen; zij stonden onder de leiding van den vader van den oprichter der ag., gewoonlijk een aanzienlijk man.

Agema, Agema, koninklijke lijfwacht, keurbende der macedonische ruiterij, gevormd uit jongelieden van voorname familiën, die als pages (paides basilikoi) aan het hof opgevoed waren. Een ander agema (pezikon, basilikon) z. hypaspistes.

Agennum = Aginnum.

Agenor, Agenor, 1) zoon van Poseidon en Libye, vader van Cadmus en Europa, stamvader der Phoeniciërs en dus ook der Carthagers.--2) zoon van Antenor en Theano, een van de dapperste trojaansche helden, door Neoptolemus gedood.

Agenorides, Agenorides, zoon of afstammeling van Agenor, bijv. Cadmus, Perseus, e.a.

Agentes in rebus, in de 4de eeuw n. C. een corps bereden boodschappers van den keizer, staande onder den magister officiorum. Ze moesten de bevelen des keizers naar de provincies overbrengen, hadden het toezicht over de postdienst, en waren berucht als spionnen van de keizerlijke regeering en om hun afpersingen.

Ager publicus. Wanneer de Romeinen eene landstreek onderworpen hadden, werd gewoonlijk een gedeelte, meestal een derde, van den veroverden bodem door den rom. staat in beslag genomen en tot staatsdomein, ager publicus, gemaakt. Met dezen grond werd zeer verschillend gehandeld. Een gedeelte werd door de quaestoren ten bate der schatkist verkocht, ager quaestorius. Andere stukken werden aan rom. burgers weggeschonken, soms in persoonlijken eigendom (ager assignatus of ager viritanus), soms in gemeenschap, b.v. aan eene kolonie (ager colonicus). Weder andere gedeelten, met name weiland, ager compascuus, werden tegen eene jaarlijksche vaste pacht, aan de oude bewoners in gebruik afgestaan of tegen een bepaald weidegeld (scriptura) aan publicani verpacht (ager scripturarius). Doch het belangrijkste deel werd afgestaan aan rom. burgers, tegen eene erfpacht. In den beginne waren het alleen patriciërs, die perceelen van het staatsdomein in bezit konden nemen, en later alleen de meervermogenden, daar de perceelen te groot waren en te veel bedrijfskapitaal vereischten, om door den kleinen man te kunnen worden aanvaard. Zulke gronden werden agri occupatorii of arcifinales geheeten. Het bezit er van was geen dominium, maar slechts possessio. In naam werden zij uitgegeven tot wederopzeggens toe; doch daar de staat van zijn recht van opzegging geen gebruik maakte, werd de possessio langzamerhand als eene soort van eigendom beschouwd, vooral wanneer zij eenige malen door erfenis in andere handen was overgegaan. In overeenstemming met dit begrip was op deze gronden veel ontgonnen en verbeterd, en wanneer nu door enkele wetten het bezit van groote perceelen er van verboden en de teruggave gelast werd van hetgeen men te veel bezat, ten einde den minderen man te gemoet te komen, dan lag in die plotselinge opzegging eene hardheid. Vandaar de tegenstand, dien zulke leges agrariae vonden. Zie verder agrariae leges.

Ager Gallicus, het land, dat de Senonische Galliërs (zie Senones) in Umbrië bezeten hadden, en dat na hun vernietiging met Rom. kolonies bevolkt werd.

Agesander, Agesandros, rhodisch beeldhouwer uit de 2de helft der 1ste eeuw, die medewerkte aan de beroemde Laocoöngroep.

Agesilaus, Agesilaos, naam van eenige spartaansche koningen. Beroemd is: 1) de zoon van Archidamus II, geb. 444, die na den dood van Agis I, daar diens zoon Leotychides als onecht beschouwd werd, tot koning verheven werd (398). Op het gerucht van krijgstoerustingen van den kant der Perzen, ging hij met een leger naar Azië (396). De satraap Tissaphernes, die nog niet voor den oorlog gereed was, stelde een wapenstilstand van drie maanden voor, Ag. nam dit voorstel aan, en maakte zich dien tijd ten nutte om de verwarde toestanden in de aziatische steden te regelen, waarbij hij zich door zijn innemend, vastberaden en vooral streng eerlijk gedrag algemeen bemind maakte; zoowel toen als later gaf hij aan zijne soldaten een uitstekend voorbeeld van gehardheid tegen de ongemakken van het soldatenleven, wat te meer indruk maakte, daar hij klein van gestalte en mank was. Toen nu Tissaphernes, wien het slechts te doen was geweest om tijd te winnen, den wapenstilstand brak, trad Ag. aanvallend op, en versloeg hem na eenige kleinere gevechten in een grooten slag bij den Pactolus (395). Terwijl nu Ag. in Azië overwinnend verder trok, stelde Tithraustes, de opvolger van Tissaphernes, (v. a. Pharnabazus (z. Tithraustes)), de vele vijanden der Spartanen in Griekenland door aanzienlijke geldzendingen in staat den oorlog tegen hen te beginnen. Athene, Thebe, Corinthe en Argos vereenigden zich, en na den slag bij Haliartus zag men zich te Sparta genoodzaakt Ag. terug te roepen. Terstond na zijne terugkomst in Griekenland won hij den slag bij Coronea (394). Met roem streed hij in den hierop volgenden corinthischen oorlog, maar toen deze in 387 met den vrede van Antalcidas geëindigd was, en door dien vrede de vrijheid der aziatische Grieken was opgeofferd, bepaalde zich zijne werkzaamheid tot het behartigen van de belangen zijner vaderstad. Met gestrengheid handhaafde hij tegenover anderen de bepaling van den vrede, dat iedere staat autonoom moest zijn; daarentegen vond de partij, die kort daarna door de bezetting van de Cadmea meende Thebe aan Sparta te onderwerpen, in hem een steun. Zoo duidelijk toonde hij altijd zijn vijandige gezindheid tegen Thebe, dat hij, toen in 378 de oorlog tusschen beide staten uitbrak, niet terstond het opperbevel op zich wilde nemen, uit vrees dat men hem als de aanleiding van den geheelen oorlog zou beschouwen. Later echter, toen de loop van zaken Sparta niet gunstig was, liet hij zich overreden weder handelend op te treden, en ofschoon hij in het veld niet gelukkig was, had men toch aan zijne verstandige maatregelen te danken, dat de Thebanen tweemaal (369, 362) na een inval in Lacedaemon onverrichter zake moesten terugtrekken. Aan den slag bij Mantinea (362) nam hij geen deel en de vrede, die daarop volgde, werd zeer tegen zijn zin gesloten. Ontevreden over den toestand, waarin Sparta door al deze gebeurtenissen gebracht was, ging hij nog in het volgende jaar, in weerwil van zijn hoogen leeftijd, naar Aegypte, om Tachos en na dezen Nectanabis tegen Artaxerxes te helpen. Met rijke geschenken beladen verliet hij Aegypte, maar voordat hij Sparta bereikte, overleed hij, 84 jaar oud (360).--2) z. Agis no. 4.

Agesipolis, Agesipolis, 1) Ag. I, zoon van Pausanias II, werd na de vlucht van zijn vader koning van Sparta (395). In 388 of 387 deed hij een inval in Argolis, in 385 werd hem opgedragen Mantinea te kastijden, en door het afdammen van de rivier Ophis, die door de stad stroomde, dwong hij de inwoners tot overgave. Nadat Teleutias bij het beleg van Olynthus gesneuveld was, werd Ag. gezonden om de stad tot onderwerping te dwingen, maar kort na zijne aankomst stierf hij (380).--2) Ag. II, kleinzoon van den vorigen, koning van Sparta (371-370).--3) Ag. III, volgde zijn oom Cleomenes III als koning van Sparta op, maar werd door zijn ambtgenoot Lycurgus van de regeering ontzet (219). In 195 was hij het hoofd der Spartaansche ballingen, die in den oorlog der Romeinen en Achaeërs tegen Nabis op terugkeer in het vaderland hoopten, hetgeen echter niet gelukte. In 183 werd hij op reis naar Rome door zeeroovers vermoord.

Agger, Choma, is de naam van elke door menschenhanden opgeworpen hoogte, hetzij deze tot dam, wal of iets anders dient. In het bijzonder is de agger een oploopende dam tegen den muur eener belegerde stad, met het doel om daarop belegeringstorens (turres ambulatoriae) en geschut (ballistae, catapultae, enz.) te plaatsen. Ten einde het werk te bespoedigen, werd tot het opwerpen van zulk een agger niet enkel aarde, maar veel hout en takkenbossen gebezigd, zoodat de belegerden er soms in slaagden, het werk door brand te vernielen. Binnen in den agger kon men, zoo noodig, gangen uitsparen en trappen aanbrengen.

Aginnum, thans Agen, voornaamste stad der Nitiobriges, aan de Garumna of Garonne.

Agis, Agis, 1) zoon van Eurysthenes, stamvader van het spartaansche koningshuis der Agiden (Agidai, Agiadai).--2) Ag. I, zoon van Archidamus II, koning van Sparta (427-401), deed in het begin van den peloponnesischen oorlog eenige malen een inval in Attica. In den oorlog tegen Argos had hij eens, naar men meende, eene zeer voordeelige positie ingenomen, toen hij zich tot een wapenstilstand liet overreden; hierdoor haalde hij zich het misnoegen zijner medeburgers op den hals, maar in het volgende jaar (418) maakte hij de begane fout weder goed door de schitterende overwinning bij Mantinea. Gedurende het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog (sedert 413) hield hij Decelea bezet tot groot nadeel van Athene, en toen Lysander Athene belegerde, vereenigde Ag. zich met hem. In 402 ondernam hij een veldtocht tegen Elis, dat zich in het volgend jaar, toen Agis wederom tegen Elis op wilde trekken onderwierp. Kort daarop stierf hij. Hij was een van de beste koningen van Sparta.--3) Ag. II, zoon van Archidamus III, werd in 338 koning van Sparta. Gedurende Alexanders tochten in Azië vatte hij het plan op de Macedoniërs uit de Peloponnesus te verdrijven; hij zocht daartoe steun bij eenige perzische satrapen, die hem ook met geld en schepen hielpen. Met een leger van 8000 huurlingen maakte hij zich eerst van Creta meester, daarna viel hij in de Peloponnesus en bemachtigde hij een groot deel daarvan. Eindelijk kwam Antipater, stadhouder van Macedonië, met een leger opdagen; bij Megalopolis, voor welke stad Ag. het beleg geslagen had, werd een bloedige slag geleverd, waarin de Macedoniërs overwonnen en Ag. na eene heldhaftige verdediging sneuvelde (331).--4) Ag. III volgde in 245 zijn vader Eudamidas als koning van Sparta op, en wijdde zich terstond aan het wegnemen der misbruiken, die te Sparta in den loop der tijden in staat en maatschappij waren ingeslopen. Het aantal burgers was tot 700 verminderd, die alle grondbezit in handen hadden; uit hen werden de ephoren gekozen, zoodat de staatsregeling geheel oligarchisch geworden was; bovendien waren de oude wetten en instellingen grootendeels vergeten. Door eenige weinige aanzienlijke mannen en vrouwen gesteund, trachtte Ag. met jeugdig vuur en groote zelfopoffering aan dien toestand een einde te maken; nadat eenige zijner aanhangers ephoren geworden waren, deed hij het voorstel het aantal burgers tot 4500 te vermeerderen en het land onder die burgers en 15000 perioeken te verdeelen, tevens zouden alle schuldbrieven vernietigd en de wetten van Lycurgus hersteld worden. Hijzelf bood om te beginnen zijn aanzienlijk vermogen ter verdeeling aan. Maar de tegenstand van zijn ambtgenoot Leonidas en de onwil van den raad deden het plan mislukken, en het onverstandig gedrag van zijn oom Agesilaus, die bekend stond als de eerste zijner partijgenooten, nam het volk zoozeer tegen hem in, dat de ephoren hem, toen hij van een ongelukkigen veldtocht tegen de Aetoliërs terugkeerde, ter dood konden veroordeelen, 240. Met hem werden ook zijne moeder en grootmoeder ter dood gebracht, die met geestdrift aan de beweging hadden deelgenomen.

Aglaïa, Aglaïa, 1) eene van de drie Chariten.--2) dochter van Mantineus, moeder van Acrisius en Proetus.

Aglaophon, Aglaophon, 1) beroemd schilder, vader van Polygnotus.--2) kleinzoon van den vorigen, eveneens schilder van naam.

Aglaurus, Aglauros = Agraulus.

Agmen is de naam van het leger in marschorde. De voorhoede wordt primum agmen, de achterhoede novissimum agmen genoemd. Agmen quadratum is eene marschorde, waarbij het leger zoo opgesteld was, dat het bij een aanval onmiddellijk front tegen den vijand maken kon, met den legertros, impedimenta, in het midden, òf wel de verschillende legerafdeelingen, elke met haren tros, zoo opgesteld waren.

Agnati en cognati. Terwijl cognatio de natuurlijke bloedverwantschap is, beteekent agnatio de verwantschap, voor zoover zij in het romeinsche burgerlijk recht geldig is, en omvat de door mannen verwekte of geadopteerde leden der familie. Iemands agnati zijn degenen, met wie hij onder dezelfde patria potestas staat, dus moeders, broeders, zusters en in sommige gevallen nog neven en nichten. Treedt hij echter vóór 's vaders dood uit de patria potestas uit, dan gaat het agnaatschap verloren, terwijl de geadopteerde de leden zijner adoptieffamilie tot agnaten krijgt. Daar bij het ontbreken van nadere erfgenamen de agnaten tot de erfenis konden geroepen worden, is het agnaatschap in het romeinsch recht een belangrijk punt. Agnati zijn ook de later geboren kinderen, d. w. z. die kinderen, die geboren worden na den dood des vaders, of nadat hij reeds zijn testament gemaakt heeft.

Agnomen, zie nomen.

Agones, wedstrijden. Het houden van wedstrijden op elk denkbaar gebied is voor de Grieken een levensbehoefte; het is één van de meest in het oog vallende karaktertrekken van het Grieksche volk. De raad, dien Hippolochus zijn zoon Glaucus, en Peleus zijn zoon Achilles medegeeft, als ze ten oorlog trekken: aien aristeuein kai hypeirochon emmenai allon was elken Griek naar het hart gesproken. Zelfs de oorlog wordt door hen als een wedstrijd beschouwd, en de voordeelen van de overwinning zijn dan de altha, de kampprijzen. Wanneer Xenophon in de Anabasis de officieren van Proxenus aanvuurt, om den ongelijken strijd tegen de Perzen vol te houden, zegt hij, na al de rijkdommen en de overvloedige levensmiddelen in Perzië te hebben opgesomd: Al dat goede ligt nu als kampprijzen ten toon gesteld voor wie van ons beiden (Grieken en Perzen) het dapperst zich gedragen, en kamprechters zijn de Goden (agonothetai d' hoi theoi eisin). Bij alle feestelijke aangelegenheden worden wedstrijden georganiseerd, maar als oudsten vorm vindt men ze als spelen ter eere van een afgestorvene; de bekendste zijn die ter eere van Patroclus, door Achilles gehouden. Overigens vindt men ze overal in de mythologie vermeld, waarbij het soms ruw toeging. Ook in Etrurië, dat sterk onder Griekschen invloed staat, vindt men deze lijkfeesten, z. ook gladiatores.

Verder vormen de spelen een hoofdbestanddeel der Grieksche godsdienstige feesten. De oude schrijvers onderscheiden hierbij: ag. gymnikoi, hippikoi en mousikoi. De vier groote nationale feesten zijn die te Olympia (z. a.), Delphi (z. Pythia), Corinthe (z. Isthmia), en Nemea (z. a.), waarbij dan in den Romeinschen tijd nog de Actia (z. a.) komen. Zie verder Ludi.

Agonium of Agonale. Er zijn vier dagen in den kalender, die dezen naam dragen: 9 Januari, 17 Maart, 21 Mei en 11 December. De beteekenis van het woord is onbekend.

Agora, markt, oorspronkelijk de plaats, waar volksvergaderingen gehouden werden, verder het middelpunt van het openbare leven en vooral van het handelsverkeer, lag in zeesteden meestal aan het strand, in andere steden aan den voet van de acropolis. Markten, die in lateren tijd aangelegd waren, waren gewoonlijk vierkant, door zuilengangen omgeven, en met tempels, standbeelden e. dgl. versierd.

Agoracritus, Agorakritos, beeldhouwer van Parus, leerling van Phidias. Onder zijne werken was vooral beroemd een kolossaal beeld van Nemesis, te Rhamnus geplaatst en, naar men zeide, gehouwen uit een blok marmer, dat de Perzen naar Marathon hadden meegebracht, om een zegeteeken er van op te richten.

Agoranomoi, tien beambten te Athene, van welke vijf in de stad en vijf in den Piraeüs met de marktpolitie belast waren; zij hielden het toezicht op de te koop geboden goederen en op maten en gewichten, ontvingen de marktgelden, enz. Voor kleinere overtredingen konden zij boeten opleggen. Ook de rom. aediles worden door gr. schrijvers ag. genoemd.

Agraphiou graphe, aanklacht tegen iemand, die den staat geld schuldig is en, zonder zijne schuld betaald te hebben, zich van de lijst der staatsschuldenaars heeft laten schrappen. De aanklacht werd bij de thesmotheten ingediend, de straf is onbekend.

Agrariae (leges). Deze wetten kunnen in twee rubrieken verdeeld worden; 1º. de talrijke wetten betreffende het uitvoeren van coloniae, aan wier bevolking dan in den omtrek hunner nieuwe woonplaats de noodige akkergrond ter bebouwing werd aangewezen, 2º. de eigenlijke akkerwetten, om het genot van den ager publicus (zie aldaar) meer algemeen te maken. De voornaamste dezer wetten volgen hier. De uitvoering evenwel werd vaak verijdeld, nu eens door geweld en moord, dan weder door de zaak op de lange baan te schuiven.

Lex Cassia agraria, in 486 voorgesteld door Sp. Cassius Viscellinus, die toen ten derden male consul was. Zij beoogde de toewijzing van staatsgrond aan de plebejers; doch Sp. Cassius werd in het volgende jaar beschuldigd van perduellio, en ter dood gebracht. Het bericht omtrent dit wetsvoorstel is onhistorisch, zie Cassii no. 1. Slechts staat vast, dat Cassius wegens perduellio veroordeeld is.

Lex Licinia Sextia agraria, 367, van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius, dat niemand meer dan 500 iugera staatsdomein in erfpacht mocht bezitten (één iugerum = omstreeks 1/4 hectare), of meer dan 100 stuks groot vee of 500 stuks klein vee op de gemeene weide mocht hebben; de grondbezitters zouden verder een aantal vrije daglooners in dienst moeten hebben, geëvenredigd aan het aantal hunner slaven. Deze wet, die slechts korten tijd toegepast is, is niet van Licinius en Sextius, maar dateert uit de 2de eeuw; ze wordt vermeld in het jaar 167, en is waarschijnlijk uit het jaar 196, toen C. Licinius Lucullus (Licinii no. 21) tribunus plebis was.--Sommige geleerden meenen, dat de wet wel uit 367 dateert; in dat geval moet men aannemen, dat de wet in het begin van de 2de eeuw hernieuwd is.

Lex Flaminia de agro Gallico viritim dividendo, strekkende om grond in Picenum en Cisalpina onder het volk te verdeelen, in 232 door den volkstribuun C. Flaminius voorgesteld en in 228 tot uitvoering gekomen.

Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Ti. Gracchus van 133, tot uitvoering der lex Licinia Sextia, met deze verzachting evenwel, dat men voor een zoon in potestate patris nog 250, en voor een tweeden evenzoo nog 250 iugera zou mogen bezitten. Bovendien werd voor verbeteringen en voor gebouwen, op de ingetrokken landerijen aangebracht, aan de vroegere possessores een schadeloosstelling toegestaan. Een commissie van drie elk jaar opnieuw te kiezen leden (IIIviri agris iudicandis adsignandis) zou uitmaken, wat ager publicus en wat particulier eigendom was (ut triumviri iudicarent, qua publicus ager, qua privatus esset), en tevens de vrijgevallen gronden in stukken van 30 iugera tegen een kleine erfpacht toedeelen aan arme burgers, met de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren. Voor de eerste maal (in 133) werden gekozen: Tib. Gracchus, die spoedig vermoord werd, zijn broer C. Gracchus, en zijn schoonvader Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 12). De wet werd werkelijk uitgevoerd, en werkte heilzaam. In 131 wilden de toenmalige IIIviri M. Fulvius Flaccus (zie Fulvii no. 7) en C. Papirius Carbo ook den ager publicus, die in handen der socii was, aan de bepalingen der wet onderwerpen (waarschijnlijk omdat het andere land reeds opraakte), hetgeen onaangenaamheden met de socii tot gevolg had. In 129 werd de rechtspraak (zie hierboven) van de IIIviri overgebracht op de consuls, waardoor de wet feitelijk buiten werking werd gesteld.

Lex Sempronia agraria van C. Gracchus, volkstribuun in 123, een hernieuwing van de wet van zijn broer, waarbij de iurisdictio aan de commissie teruggegeven werd. Deze wet is meer voor den vorm ingediend en aangenomen, daar feitelijk alle ager occupatorius reeds verdeeld was. Daarnevens liet C. Gracchus een nieuwe wet op den ager publicus aannemen, waarbij het staatsland in Italië, dat tot nu toe verpacht werd (zie ager publicus), bestemd werd tot het stichten van koloniën (ager colonicus), en wel te Capua en te Tarentum; verder bracht hij 6000 Italianen over naar Carthago, die daar eene colonia civium Romanorum, colonia Junonia geheeten, zouden vormen. Het verschil tusschen de boeren, volgens de akkerwet van Tiberius Gracchus op staatsland geplaatst, en deze kolonisten bestaat daarin, dat de eersten afzonderlijk stonden (men spreekt dan van assignationes viritanae), de tweeden daarentegen te zamen een gemeente vormden (zie colonia no. 2). Na Gracchus' dood werden Carthago en Capua weder opgeheven; het eigen gemeentebestuur verviel dus, maar de boeren mochten op hun land blijven; Tarente werd bij de oude Grieksche gemeente ingedeeld.

Rogationes Liviae agrariae van den volkstribuun M. Livius Drusus 122 v. C. ingediend om de macht van C. Gracchus te breken:

1º een wetsvoorstel, waarbij aan de eigenaars van agri assignati (zie lex Sempronia agraria) de erfpacht werd kwijtgescholden, en de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren, werd opgeheven.

2º een wetsvoorstel tot het stichten van 12 coloniae in Italië.

Het tweede wetsvoorstel is òf niet aangenomen òf ingetrokken; van het eerste is de tweede bepaling al spoedig wet geworden, de eerste eerst bij de

Lex Thoria agraria van 118 of 114 doorgevoerd, terwijl tegelijkertijd verdere assignatio van ager publicus verboden werd.

Nu volgde eene

Lex agraria van 111, waarbij zoowel de ager assignatus als de ager occupatus tot privaateigendom werd verklaard, zoodat de vroegere possessores nu niets meer te vreezen hadden.

Lex Appuleia agraria van 103 en

Lex Appuleia agraria van 100, van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus. Van de eerste wet is niets bekend; de tweede bepaalde, dat het land, dat in Gallia Cisalpina door de Cimbern in bezit genomen, maar hun door den slag bij Vercellae weer ontnomen was, aan arme burgers, vooral aan de veteranen van Marius, en aan arme italiaansche bondgenooten zou uitgedeeld worden. De wet is aangenomen, maar na den dood van Appuleius ongeldig verklaard. Misschien is echter de stichting van Eporedia, in het land der Salassers in 100, een gevolg van deze wet. Zie ook Appuleiae (leges) no. 2.

Lex Titia agraria van 99, van den volkstribuun Sex. Titius, een hernieuwing van de wet van Appuleius. Deze wet had geen gevolg; misschien werd ze niet eens aangenomen.

Leges Liviae agraria et de coloniis deducendis van 91, van den volkstribuun M. Livius Drusus. Het land, dat men voor de kolonies in Italië noodig had, zouden de socii moeten afstaan, die als vergoeding het burgerrecht zouden krijgen. Na Livius' dood werden zijn wetten door den senaat ongeldig verklaard.

Leges Corneliae agrariae van 81, van den dictator L. Cornelius Sulla, waarbij aan de inwoners van een aantal democratisch gezinde municipia hun land ontnomen werd, en aan de soldaten van Sulla werd toegewezen. De tengevolge van deze wetten gestichte kolonies worden gewoonlijk militaire kolonies genoemd.

Rogatio Servilia agraria van 63, van den volkstribuun P. Servilius Rullus, tot aankoop van grond, om dien onder de arme burgers te verdeelen. Waarschijnlijk wilde men vooral de veteranen van Pompeius, die weldra terug verwacht werd, met land voorzien. Vooral de ager Campanus, tot nu toe gespaard, was hiervoor aangewezen. Cicero, die consul was, maakte in drie redevoeringen (de lege agraria contra P. Servilium Rullum) het wetsvoorstel zoozeer af, dat het niet in behandeling kwam, en door den voorsteller werd ingetrokken. Vooral viel Cicero het voorstel aan om het beginsel, dat een commissie van 10 mannen voor vijf jaar met uitgebreide volmacht tot uitvoering der wet zou gekozen worden, decem reges.... orbis terrarum domini, zooals Cicero zich uitdrukt.

Lex Plautia of Plotia agraria, van onbekenden datum, van dezelfde strekking als de volgende.

Lex Flavia agraria van 60, van den volkstribuun L. Flavius, een herhaling in zachteren vorm van de lex Servilia van 63. L. Flavius stelde de wet voor in opdracht van Pompeius; de bedoeling was, de soldaten van Pompeius aan land te helpen. De wet werd niet aangenomen.

Lex Julia agraria van 59, ook lex Campana geheeten, van den consul C. Julius Caesar, tot verdeeling van den Campus Stellas of Stellatis bij Cales, en van het gebied van Capua (den ager Campanus) onder arme burgers, die minstens drie kinderen hadden. Verder werd bepaald, dat ook elders in Italië de nog aanwezige ager publicus zou gebruikt worden, en men uit de staatskas land ter verdeeling moest aankoopen. Deze wet werd door Caesar doorgedreven, en tengevolge daarvan verhuisden 20.000 arme romeinsche burgers naar den ager Campanus. Capua werd nu wederom een municipium.

Lex Antonia agraria van 44 van M. Antonius, waarvan de inhoud niet juist bekend is, maar die ten doel schijnt gehad te hebben, in Italia een aantal landbouwkolonies te stichten ten behoeve van arme burgers. Deze wet werd in het volgend jaar weer opgeheven.

Dit is de laatste eigenlijke lex agraria, want de volgende hebben uitsluitend betrekking op militaire koloniën, waarbij het land van gezeten burgers aan oudgedienden werd gegeven.

Agraulus, Aglaurus, Agraulos, Aglauros, 1) dochter van Actaeus, gemalin van Cecrops.--2) dochter van Cecrops, stortte zich, om Athene te bevrijden van een langdurigen oorlog, waardoor het geteisterd werd, vrijwillig van de acropolis, daar een orakel voorspeld had, dat zulk een offer een einde aan den oorlog zoude maken. V. a. was Hermes verliefd op hare zuster Herse, en toen Agr. hem eens uit jaloerschheid wilde beletten Herse te bezoeken, veranderde hij haar in een steen. V. a. had Athena aan haar en hare zusters een kistje toevertrouwd, waarin de jonge Erichthonius bewaard was; uit nieuwsgierigheid opende Agr. met Herse het kistje, maar nauwelijks was dit geschied, of beide zusters werden waanzinnig, en wierpen zich van de acropolis in de diepte. Agr. werd als een goddelijk wezen vereerd. Men bracht haar zoenoffers, en in haar tempel deden de achttienjarige Atheners bij het ontvangen hunner wapenen den eed van trouw aan het vaderland. Haar dienst hangt nauw samen met dien van Athena zelve, die ook den bijnaam Agr. heeft.

Agri decumates. Onder dezen naam verstaat men de streek land, begrepen tusschen den Rijn, den Main en den Neckar, die door keizer Domitianus bij het rijk werd gevoegd, en aan gallische boeren tegen betaling van tienden ter bewoning werd overgelaten. Later komt dit gebied binnen den germaansch-raetischen limes (z. a.) te liggen.

Agrianes, Agrianes, thracisch volk aan den Strymon. In het leger van Alexander d. G. bewezen zij als lichtgewapenden of boogschutters voortreffelijke diensten.

Agricola (Cn. Iulius), te Forum Iulii (Fréjus) in 40 na C. geboren, was de zoon van Julius Graecinus, die op last van Caligula werd ter dood gebracht, en Julia Procilla. Onder de leiding zijner verstandige moeder genoot hij in Massilia eene zorgvuldige en wetenschappelijke opleiding. In 59 ging hij als jong soldaat onder Suetonius Paullinus naar Britannia, keerde in 61 naar Rome terug, waar hij met eene dame van aanzien huwde, werd in 63 quaestor in Asia, later (74-76) legaat in Aquitania, consul suffectus (77) en ten slotte in 77 stadhouder van Britannia. Daar streed hij met goed gevolg tegen de Caledoniërs, en veroverde Schotland tot aan de Tava (Tay). Door keizer Domitianus uit argwaan teruggeroepen, leefde hij van 85 tot aan zijn dood in 93 in stille afzondering. Volgens sommiger meening zou hij op last van den keizer vergiftigd zijn. Zijne wapenfeiten en voortreffelijke eigenschappen zijn door zijn schoonzoon, den geschiedschrijver Tacitus, in eene meesterlijke beschrijving vereeuwigd.

Agrigentum, Akragas, thans Girgenti, een der belangrijkste en fraaiste steden van Sicilia, met Syracusae de oogen des lands genoemd, werd door Doriërs uit Gela omstreeks 582 gesticht, in 405 door de Carthagers verwoest, doch later (338) door Timoleon herbouwd. De wijsgeer Empedocles was hier geboren. Te Agrigentum heerschte omstreeks 500 de tyran Phalaris, en omstreeks 480 de om zijne rechtvaardigheid beroemde Theron. Het nieuwe Agrigentum heeft nimmer het oude in luister geëvenaard. In 261 viel de stad in handen der Romeinen en moest met hen een bondgenootschap aangaan. In 255 werd het weer ingenomen en geplunderd door de Carthagers onder Carthalo. Na den val van Syracusae in 212 werd Agr. in 210 veroverd en de burgers als slaven verkocht; in 207 werd de stad opnieuw van kolonisten uit andere steden voorzien.

Agrionia, Agrionia, feest ter eere van Dionysus Agrionius, dat ieder jaar des winters te Thebe, Argos en vooral te Orchomenus in Boeotië gevierd werd, en zich door groote woestheid kenmerkte. In de oudste tijden moest de priester van den god een maagd uit het geslacht van koning Minyas naloopen en, als hij haar inhaalde, haar dooden; in lateren tijd vermeed men dit.

Agrippa (Herodes), zie Herodes.

Agrippa (Menenius), zie Menenii.

Agrippa (Vipsanius), zie Vipsanii.

Agrippina. In het huis van Augustus komen drie vrouwen van dezen naam voor (zie Iulii):

1) Vipsania Agrippina, z. Vipsanii no. 5.

2) Agrippina, de vrouw van Germanicus. Zij was de dochter van M. Vipsanius Agrippa en Julia, de dochter van Augustus. Zij vergezelde steeds haren echtgenoot op diens veldtochten. Na zijn dood (19 n. C.) uit Syria naar Rome teruggekeerd, werkte zij Tiberius voortdurend tegen. Eindelijk werd zij door den invloed van Seianus in 29 naar Pandataria verbannen, waar zij in 33 den hongerdood gestorven is.

3) Agrippina, de moeder van keizer Nero, de zuster van Caligula. Zij was de dochter van Germanicus en Agrippina (no. 2) en geboren in het Oppidum Ubiorum, dat later te harer eer verdoopt werd in Colonia Agrippina (Keulen). Zij huwde driemaal, eerst met Cn. Domitius Ahenobarbus, bij wien zij een zoon kreeg, den beruchten Nero, vervolgens met zekeren Crispus Passienus en voor de derde maal met haar vaders broeder, keizer Claudius (50 n. C.). Dezen laatsten bracht zij door vergif om het leven (54), om haar zoon Nero in plaats van Claudius' eigen zoon Britannicus op den troon te brengen. Zij bedroog zich echter in hare verwachting, dat zij over Nero zou kunnen heerschen. Integendeel, de keizer, hare heerschzucht moede, liet zijne moeder ombrengen (in Maart 59).

Agrippinenses = Ubii. Zie ook Agrippina no. 3.

Agrius, Agrios, 1) zoon van Portheus of Porthaon en Eryte, broeder van Oeneus, die te Calydon regeerde. Zijn zonen ontnamen Oeneus de regeering en gaven die aan hun vader, doch later werden zij allen door Diomedes gedood.--2) zoon van Odysseus en Circe, broeder van Latinus, heerscher over de eilanden van de Tyrrheensche zee.

Agron, Agron, 1) zoon van Eumelus, leefde met zijne zusters Byssa en Meropis op het eiland Cos. Zij vereerden Gaea, doch behandelden de overige goden met minachting, en werden daarom met hun vader door Hermes, Athena en Artemis, die gepoogd hadden hen te overreden aan een offerfeest deel te nemen, maar met scheldwoorden en bedreigingen beantwoord waren, in vogels veranderd.--2) koning van Illyrië, ondersteunde Demetrius II in den oorlog tegen de Aetoliërs; kort daarna stierf hij aan de gevolgen zijner onmatigheid (231). Hij werd opgevolgd door zijne gemalin Teuta (z. a.).

Agrotera, Agrotera, bijnaam van Artemis als jachtgodin.

Agyrtes, bedelaar of kwakzalver, in het bijzonder iemand die horoskopen en orakelspreuken verkoopt, of iemand die geld inzamelt voor den dienst van niet erkende godheden. Z. metragyrtes.

Agyieus, Aguieus, bijnaam van Apollo als beschermer van straten en wegen; ook de naam van de fetisch, voor de Grieksche huizen opgesteld, soms in den vorm van een steen, soms als statue; verder het huisaltaar vóór het huis: Aguieus bomos.

Agylla, Agylla, oude naam van de etrurische stad Caere (z. a.).

Agyrium, Agyrion, zeer oude stad in het binnenland van Sicilië, in de buurt van Henna; geboorteplaats van den geschiedschrijver Diodorus Siculus, die ten tijde van Caesar leefde.

Agyrrhius, Agyrrios, atheensch demagoog, die wegens oneerlijkheid gevangenisstraf onderging, maar later veel invloed kreeg, en na den dood van Thrasybulus (389) zelfs vlootvoogd werd, in welke hoedanigheid hij echter niets van belang verrichtte. Onder de door hem ingevoerde nieuwigheden wordt genoemd de invoering of verhooging van het ekklesiastikon en de vermindering van de belooning der dramatische dichters.

Ahalae, zie Servilii.

Aharna = Arna.

Ahenobarbi, zie Domitii.

Aiax, Aias, 1) de kleine, zoon van Oileus, koning van Locris, gedroeg zich bij de belegering van Troje als een van de dapperste helden, was een voortreffelijk boogschutter en werd in vlugheid alleen door Achilles overtroffen. Bij de verovering der stad drong hij in den tempel van Athena, en sleepte hij Cassandra, die bij het altaar bescherming had gezocht, met geweld mede; daarom liet Athena hem op de terugreis bij de rots Gyrae in het zuiden van Euboea schipbreuk lijden. Door de hulp van Poseidon redde hij zich op de rots, maar toen hij daarop in zijn overmoed uitriep: daar ben ik ontsnapt in weerwil van de goden, greep Poseidon zijn drietand en verbrijzelde de rots. Door de opuntische Locriërs werd hij als heros vereerd, en lang bleef het bij hen de gewoonte een plaats in de gelederen voor hem open te laten.--2) de groote, zoon van Telamon, koning van Salamis, en Eriboea, nam mede aan den tocht tegen Troje deel. Hij was de sterkste en meest geduchte der helden na Achilles, en toen deze zich aan den strijd had onttrokken, muntte hij in dapperheid boven allen uit; zelfs hield hij alleen de Trojanen tegen, toen zij in de grieksche legerplaats gedrongen waren en de schepen poogden in brand te steken. Toen dus na den dood van Achilles diens wapenen door Thetis werden uitgeloofd aan dengene die ze het meest waardig was, maakte Aiax er aanspraak op, en alleen Odysseus durfde ze hem betwisten. Door zijne welsprekendheid en door den steun van Athena was Odysseus overwinnaar, en dit ergerde Aiax zoozeer, dat hij zich in zijn zwaard stortte. V. a. werd hij van woede waanzinnig, en viel hij des nachts op het vee aan, waaronder hij een vreeselijke slachting aanrichtte in de meening dat hij met de Atriden, die bij den wedstrijd rechters geweest waren, en met Odysseus te doen had; tot bezinning gekomen, doodde hij zich van schaamte. Uit zijn bloed ontsproot de hyacinth. De Salaminiërs eerden hem als halfgod met een tempel en met een feest Aiantia, de Atheners noemden naar hem de phyle Aeantis.

Aïdes, Aidoneas, Aides, Aidoneus, z. Hades.

Aigikores, zij die tot de derde der vier oude attische phylae behoorden.

Aigophagos. Onder dezen bijnaam werd Hera te Sparta en Corinthe met geitenoffers vereerd. Toen de altijd door Hera vervolgde Heracles bij eene van zijne ondernemingen geen tegenwerking van haar ondervond, wilde hij haar daarvoor zijne dankbaarheid betuigen, en daar hij niets anders had, offerde hij eene geit en stichtte hij den tempel van Hera Aigophagos.

Aikias dike, aanklacht wegens het opzettelijk mishandelen van een vrije; de aanklager schatte het toegebrachte letsel in een geldsom, die hem bij veroordeeling door den aangeklaagde betaald moest worden.

Aiora, z. Erigone.

Aisa, z. Moera.

Aius Locutius. Toen de Galliërs in 389 op Rome lostrokken, hoorde men in het holle van den nacht eene geheimzinnige stem, die de nadering der vijanden aankondigde. Na den aftocht der Galliërs bouwde men een tempel ter eere van den onbekenden god, die gewaarschuwd had en dien men Aius Locutius noemde (van aio en loquor).

Ala. 1) Onder alae verstaat men afdeelingen krijgsvolk, die op de vleugels van het leger geplaatst waren en door de bondgenooten of de provinciën geleverd werden. Zij bestonden hoofdzakelijk uit ruiterij en stonden somtijds onder aanvoerders uit hun eigen volk.--2) Alae zijn kleine kabinetjes in de romeinsche huizen ter zijde van het atrium, waarvan zij niet door deuren, maar door voorhangsels of gordijnen gescheiden waren.

Alabanda, genit. -ae en -orum, ta Alabanda, bloeiende stad in Caria, doch berucht om de weelde en de losse zeden die er heerschten.

Alalcomenae, Alalkomenai, oude boeotische stad, dicht bij den zuidoever van het meer Copaïs, met een tempel van de godin Athena, die, naar men zeide, hier geboren was. Er waren nog meer steden van dezen naam.

Alalia, zie Aleria.

Alamanni, zie Alemanni.

Alani, Alanoi, een nomadenvolk, dat sedert het begin van den keizertijd ten N. van de Caspische zee en den Caucasus de plaats der voormalige Scythen innam. Er hooren verschillende scythische stammen toe, o. a. de Aorsi. Uit de woestijn Gobi komend, hebben de Hunnen hen voor zich uitgedreven, en tegen het einde der 3de eeuw n. C. onderworpen. Gedeeltelijk smolten zij met de Hunnen samen, gedeeltelijk trokken zij met Vandalen en Sueven naar Hispania en later met de Vandalen naar Africa (429 n. C.).

Alaricus, Alarik, bijgenaamd Baltha (de Stoute), aanvoerder (dux) der Westgothen, die eerst Macedonië, Thessalië en Griekenland verwoestte (395/98 n. C.) en vervolgens in 401 voor de eerste maal naar Italië trok, maar door Stilicho genoodzaakt werd naar Illyricum terug te keeren. Na de vermoording van Stilicho (408) kwam hij in Italië terug. Keizer Honorius sloot zich in het sterke Ravenna op; doch Alarik trok regelrecht op Rome aan en sloot de stad in, die zich ditmaal van plundering vrijkocht, doch in het volgende jaar, omdat Honorius niet naar Alariks voorstellen wilde luisteren, vermeesterd en drie dagen lang geplunderd werd. De christenkerken bleven echter gespaard. Kort daarna stierf Alarik te Consentia in Bruttium en werd in de bedding van den Busento begraven (410 n. C.).

Alarii, troepen, tot de alae behoorende.

Alastor, Alastor, wraakgeest in het leven geroepen door het plegen eener misdaad; door wraak te vorderen voor de bedreven misdaad drijft hij tot nieuwe misdaden, die op hare beurt gewroken moeten worden. Meer algemeen een booze geest, die tot zonde verleidt en daardoor onheil sticht. Ook bijnaam der Erinyen en van Zeus als wreker van onrecht.

Alatrium of Aletrium, oude stad in Latium in het gebied der Hernici, later municipium.

Alba, Albas, mythisch koning van Alba Longa.

Alba, naam van verschillende steden, waarvan de volgende de belangrijkste zijn. 1) Alba Fucens, op eene rots aan het meer Fucinus gelegen, in het land der Aequi, latijnsche kolonie (in 303 aangelegd) en staatsgevangenis. Koning Perseus van Macedonia werd hierheen gebracht.--2) Alba Longa, in Latium, aan den voet van den mons Albanus, de hoofdstad van den ouden Latijnschen bond en de moederstad van Rome, volgens de overlevering door Aeneas' zoon Ascanius gesticht en door Tullus Hostilius verwoest.--3) Alba Pompeia, in Liguria, geboorteplaats van keizer Pertinax.

Albani, 1) inwoners van Alba Longa.--2) inwoners van het caucasische landschap Albania.

Albania, Albania, bergland van den Caucasus, aan de Caspische zee gelegen, met eene krijgszuchtige bevolking, die in den mithradatischen oorlog troepen tegen Pompeius leverde. Men houdt de bewoners van deze landstreek ten onrechte voor de latere Alanen. De hoofdstad heette Albana.

Albaniae portae, bergpas, die toegang tot Albania verleende.

Albanum, thans Albano. Aan den Z.W. kant van den Albanus lacus op de helling van het gebergte lagen een aantal buitenverblijven van aanzienlijke Romeinen, o.a. van Pompeius, Brutus, later ook van Nero, Domitianus. Naar romeinsche gewoonte werd zulk een buitenverblijf naar de plaats Albanum geheeten. Hieruit ontstond aldaar een municipium van dien naam.

Albanus lacus, een klein, maar zeer diep; en bekoorlijk meer aan den voet van den albaanschen berg. Het uitwateringskanaal, indertijd door Camillus, v. a. in 97 aangelegd, bestaat nog.

Albanus mons, berg in Latium, thans Monte Cavo, aan welks helling eenmaal Alba Longa lag. Op den top stond de tempel van Jupiter Latiaris. Op dezen berg werden jaarlijks de groote feriae Latinae gevierd.

Albenses, de inwoners van alle steden, die Alba heetten, behalve van Alba Longa, die Albani genoemd werden. Populi Albenses zijn de 30 gemeenten, die tot den oudsten Albaanschen bond gehoord hebben, en die ook in later tijd bij de feriae Latinae werden opgeroepen voor het in ontvangst nemen van het offervleesch. De meeste zijn onbekend, maar waarschijnlijk hebben alle in het binnenland rondom het Albaansch gebergte gelegen, en zijn later opgegaan in de steden: Rome, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia en Gabii.

Albici, Albioikoi, een ruw herdersvolk, in de bergstreken benoorden Massilia (Marseille).

Albii. Tot dit geslacht behoorde de dichter Albius Tibullus, vriend en tijdgenoot van Ovidius. Hij werd omstreeks 54 uit eene rijke ridderfamilie geboren, maakte met zijn beschermer M. Valerius Messala Corvinus een veldtocht in Aquitania mede, doch leefde verder meestal stil op zijn landgoed. Zijne dichtsoort was de elegie, doch van de vier boeken, die op zijn naam staan, kunnen slechts de eerste twee geheel aan hem worden toegekend. Het 3de boek is van een onbekenden dichter Lygdamus, van het 4de is het 1ste gedicht een loflied op Messalla, van een onbekenden dichter, 4, 2-6 hebben tot onderwerp de liefde van Sulpicia, een jong meisje van goeden stand (z. Sulpicii no. 23) voor Cerinthus, 4, 7-12 zijn van Sulpicia zelf. De verzen van Tibullus zelf (de 2 eerste boeken) zijn aan twee minnaressen gewijd, Delia en Nemesis. Zijn stijl is natuurlijk en eenvoudig, meer liefelijk dan verheven. Hij stierf in 19.

Albini, zie Postumii.

Albinovanus, zie Celsus en Pedo.

Albinus (Clodius) was bij den dood van keizer Commodus (192 na C.) stadhouder in Britannia. Dit bleef hij onder Pertinax. Na diens dood weigerde hij Didius Julianus als keizer te erkennen, doch wees zelf het keizerschap, hem door zijne legioenen aangeboden, van de hand. Septimius Severus, die eerst zijn mededinger Pescennius Niger wilde ten onder brengen, benoemde Clodius Albinus tot mederegent, doch zocht na Nigers dood ook Albinus uit den weg te ruimen. Hierop trok deze tegen Severus op. Bij Lugdunum (Lyon) kwam het tot een slag. Albinus werd verslagen en op de vlucht achterhaald en gedood (197.)

Albion, Alouion, Albion, oude inheemsche naam voor Britannia = bergland.

Albis, rivier, thans Elbe geheeten. De Rom. leerden haar (9) onder Drusus kennen en zagen ze voor het laatst onder Tiberius (5 n. C.).

Albogalerus, wit bonten of vilten muts van den flamen Dialis en andere priesters, uit het vel van een offerdier vervaardigd. Bovenaan zat eene soort van pompoen, bestaande uit een olijftakje, met een witten draad omwonden.

Albula, oude naam van den Tiber.

Albulae Aquae, zwavelbronnen in de vlakte halverwege tusschen Rome en Tibur, als herstellingsoord veel bezocht; v. s. was de voornaamste gewijd aan Albunea of Albuna (z. a.).

Album, wit gekalkt of geverfd bord, bestemd om beschreven en tentoongesteld te worden. De merkwaardigste zijn: 1) album pontificum, waarop de annales maximi of kroniek van Rome werd geschreven (z. annales),--2) het album praetoris, waarop de praetor zijn edictum schreef,--3) het album senatorum, de senatorenlijst,--4) het album iudicum, waarop de jaarlijksche lijst der iudices was vermeld.

Album Ingaunum en Album Intimilium, twee steden aan de ligurische kust, beide in later tijd municipia; het eerste = Albenga, het tweede ten oosten van Ventimiglia.

Albunea, nymph van een zwavelbron bij Tibur, in wier heilig bosch zich een droomorakel van Faunus bevond. De domus Albuneae van Horatius is waarschijnlijk de Grotta di Nettuno, onder aan de watervallen van Tibur (Tivoli); de hoofdstroom van den Anio liep hier vroeger door. Albunea werd ook tot de Sibyllae gerekend. V. a. is zij de nymph van een der zwavelbronnen van Aquae Albulae (z. a.).

Alburnus mons, boschrijk, woest gebergte achter Paestum, in Lucania.

Albus Notus, Leukonotos Phoinikias, de Zuid-Oostenwind, zie Windstreken.

Alcaeus, Alkaios, 1) zoon van Perseus en Andromeda, vader van Amphitryo.--2) = Alcides.--3) van Mytilene, lyrisch dichter omstreeks het einde der 7e eeuw. Hij streed mede in den oorlog tegen Athene om het bezit van Sigeum, maar liet eens zijne wapenen op het slagveld achter. Met meer standvastigheid, maar met weinig geluk, voerde hij, als lid van een edel geslacht en van de aristocratische partij, oppositie tegen de toen in zijne vaderstad heerschende democratie, en tegen de tyrannen Melanchrus (z. a.) en Myrsilus (z. a.), en toen Pittacus tot aisymnetes (z. a.) was aangesteld, moest hij met vele partijgenooten jaren in ballingschap leven, van welken tijd hij een deel in vreemden krijgsdienst doorbracht. Eene poging om met geweld terug te keeren mislukte; zelfs viel hij daarbij in handen van Pittacus, die hem echter vergiffenis en de vrijheid schonk; de laatste jaren van zijn leven heeft hij in Mytilene doorgebracht. Zijne gedichten, meestal in de naar hem genoemde alcaeïsche strophe geschreven, zijn grootendeels verloren; zooals de overblijfsels toonen, gaven zij met groote bevalligheid getuigenis van het hartstochtelijk karakter en de welgevestigde staatkundige overtuiging van den dichter; zij worden verdeeld in politieke gedichten, drink- en minneliedjes (stasiotika, sympotika, erotika) en hymnen op de goden. Horatius volgt hem bij voorkeur na.

Alcamenes, Alkamenes, van Athene of Lemnus, beroemd beeldhouwer en bronsgieter, naar veler meening slechts door zijn leermeester Phidias overtroffen. Bij de opgravingen aan den tempel van Zeus te Olympia zijn belangrijke fragmenten van standbeelden gevonden, die vroeger ten onrechte voor werk van Alc. gehouden werden.

Alcathoë, Alkathoe, 1) dochter van Minyas, koning van Orchomenus, z. Minyades.--2) z. Alcathoüs.

Alcathoüs, Alkathoos, zoon van Pelops en Hippodamea, doodde op den Cithaeron een leeuw, die den zoon van koning Megareus verscheurd had; tot belooning hiervoor gaf de koning hem zijne dochter Euaechme tot vrouw en benoemde hij hem tot zijn opvolger. Hij herbouwde de muren van Megara, die door de Cretensers geslecht waren, met behulp van Apollo, die bij dit werk eens zijn lier op een steen nederlegde, waaruit sedert dien tijd bij elke aanraking de klank van het goddelijk instrument gehoord werd. Naar hem wordt de burcht van Megara Alcathoë, moenia Alcathoi genoemd. Alc. doodde later door een misverstand zijn zoon Callipolis, dien hij ten onrechte van gebrek aan eerbied voor de goden beschuldigde. Te Megara werd hij als halfgod vereerd, en werden te zijner eer spelen gevierd, Alkathoia genoemd.--2) Trojaan, die met een dochter van Anchises getrouwd was en Aeneas opvoedde. Bij de bestorming van het grieksche kamp werd hij door Idomeneus gedood.

Alcestis, Alkestis, dochter van Pelias, de eenige die zich verzette tegen het plan van Medea om Pelias te verjongen. Later werd zij de vrouw van Admetus (z. a.), voor wien zij vrijwillig stierf. Om hare kinderlijke liefde en huwelijkstrouw, wordt zij als voorbeeld voor alle vrouwen genoemd.

Alcetas, Alketas, naam van verscheiden Macedoniërs, o.a. van: 1) veldheer van Alexander d. G., broeder van Perdiccas. Toen deze gedood was (321), wist Alc. de Pisidiërs te bewegen hem in den strijd tegen de vijanden van het koninklijk huis bij te staan; bij den eersten slag leed hij echter de nederlaag en werd hij door eenige burgers van Termessus aan zijne vijanden verraden; om niet in hunne handen te vallen doodde hij zich zelf.--2) koning van Epirus (313-307). Hij werd door Cassander gesteund, maar zijne woestheid en wreedheid, waarom zijn vader hem van de regeering had willen uitsluiten, verbitterden zijn volk zoozeer, dat men hem doodde, en zijn neef Pyrrhus tot koning uitriep.

Alcibiades, Alkibiades, Athener, zoon van Clinias en Dinomache, geb. omstreeks 450; nadat hij op driejarigen leeftijd zijn vader verloren had (gesneuveld bij Coronea, 447), werd hij door zijn voogd, den beroemden Pericles, opgevoed. Hij was een man van buitengewone schoonheid en geestesgaven, uiterst beminnelijk in den omgang en welsprekend, bovendien zeer rijk; in deze omstandigheden gaf hij aan zijn zucht om altijd op den voorgrond te treden in zijn jeugd toe door allerlei buitensporige en moedwillige streken. Zijn omgang met Socrates kon evenmin als zijn huwelijk met Hipparete, de dochter van den rijken Hipponicus, aan zijn losbandig leven een einde maken. Gedurende het eerste gedeelte van den peloponnesischen oorlog diende hij als ruiter; men verhaalt dat Socrates hem bij het beleg van Potidaea (432), hij daarentegen Socrates in den slag bij Delium (424) het leven gered had. Na den vrede van Nicias was hij het vooral, die steeds tot het hervatten der vijandelijkheden dreef, hetzij omdat hij inderdaad het voortzetten van den oorlog voor Athene voordeelig achtte, hetzij omdat hij het voor zijn eigen belangen meer geraden vond zich bij de oorlogspartij aan te sluiten, die sedert den dood van Cleon zonder leider was, terwijl Nicias aan het hoofd van de vredespartij stond. Door zijn toedoen dan sloot Athene een verbond met Argos, Mantinea en Elis (420), maar nadat de troepen dier bondgenooten bij Mantinea door de Lacedaemoniërs verslagen waren (418), kwam de oligarchische partij in de peloponnesische staten weder aan het roer, en werd het bondgenootschap met Athene opgezegd; twee jaar later werd het echter door bemiddeling van Alc. hernieuwd. Intusschen was uit Segesta een verzoek tot Athene gericht om bijstand tegen Syracuse, en Alc. die van zulk eene onderneming veel roem en voordeel verwachtte en misschien nog van verdere veroveringen droomde, wist het volk tot een krijgstocht tegen Sicilië over te halen in weerwil van den tegenstand van Nicias; hijzelf, Nicias en Lamachus werden tot strategen benoemd. Maar kort voor den dag, waarop de vloot zoude vertrekken, werden in een nacht al de Hermesbeelden in Athene omvergeworpen en, te recht of ten onrechte, Alc. werd van medeplichtigheid aan die daad, later ook van ontwijding der eleusinische mysteriën, beschuldigd. Hij verlangde dringend dat de zaak (Hermocopidenproces) nog voor zijn vertrek zoude behandeld worden, maar zijne vijanden, die zijn invloed vreesden, dreven door dat het gerechtelijk onderzoek tot na zijn terugkomst zou uitgesteld worden; zoodra hij echter vertrokken was (415), werden opnieuw geruchten verspreid, die weldra zulk een onrust bij het volk te weeg brachten, dat tot een onmiddellijk onderzoek besloten werd, en een schip werd uitgezonden om Alc. terug te halen. Hij begaf zich eerst aan boord, maar te Thurii gekomen, wist hij te ontsnappen. Toen hij nu vernam, dat hij in zijne afwezigheid ter dood veroordeeld was en zijne goederen verbeurd verklaard waren, begaf hij zich naar Sparta, waar hij weldra grooten invloed kreeg. Hij bewerkte dat van daar uit een leger onder aanvoering van Gylippus aan de Syracusanen te hulp gezonden werd (414), dat Decelea versterkt en door een spartaansch leger bezet werd (413), en bovenal dat een vloot werd uitgerust, waarmede hij zelf naar Azië zeilde om een verbond tusschen de Spartanen en Tissaphernes tot stand te brengen en de ionische steden tot afval van Athene te bewegen. Het duurde echter niet lang of zijn overwicht wekte de afgunst der spartaansche veldheeren op, vooral van koning Agis, die bovendien vermoedde dat hij zijne echtgenoote Timaea tot overspel verleid had, en spoedig wist men hem zoo verdacht te maken, dat hij naar Tissaphernes moest vluchten om zijn leven te redden (412). Hier bracht hij het door zijne raadgevingen zoo ver, dat Tissaphernes niet slechts veel minder ijver voor zijne lacedaemonische bondgenooten aan den dag legde, maar zelfs geneigd scheen de zijde van Athene te kiezen, terwijl Alc. onderhandelingen aanknoopte met de atheensche vloot die bij Samus lag, en beloofde een verbond met Tissaphernes, ja zelfs met den koning van Perzië tot stand te brengen, indien de democratische regeeringsvorm te Athene door eene oligarchische vervangen werd. Deze omwenteling had inderdaad plaats (z. tetrakosioi), maar was zoo weinig naar den zin van het leger op Samus, dat het in opstand kwam, Alc. uit de ballingschap terug riep, en hem met Thrasyllus en Thrasybulus tot aanvoerder verkoos. Alc., die intusschen had ingezien, dat hij weinig kans had zijne beloften te kunnen nakomen, was met dezen loop van zaken zeer tevreden, en maakte zich reeds dadelijk verdienstelijk door te beletten dat men naar Athene trok om de oligarchen te verdrijven, die trouwens spoedig genoeg weder voor de democratie moesten plaats maken. Met Alc. scheen het geluk bij de atheensche wapenen teruggekeerd te zijn; hij overwon de Spartanen in verscheidene kleinere gevechten en in twee groote slagen bij Abydus en Cyzicus (411, 410), ontnam hun 200 schepen, en veroverde Byzantium, Chalcedon e. a. steden. Tissaphernes koos nu spoedig weder beslist de zijde der Spartanen en liet Alc. zelfs gevankelijk naar Sardes voeren, vanwaar deze echter na korten tijd ontsnapte. Eindelijk keerde hij naar Athene terug (407), waar hij met gejuich ontvangen en, na vernietiging van het over hem gevelde vonnis, tot opperbevelhebber van leger en vloot benoemd werd. Na dien tijd was hij echter minder gelukkig. Niet alleen mislukte hem een poging om Andrus te onderwerpen, maar zelfs verloor in zijne afwezigheid zijn onderbevelhebber Antiochus een zeeslag tegen Lysander, en het volk, dit aan de nalatigheid van Alc. toeschrijvend, verkoos andere strategen in zijn plaats. Alc. verdedigde zich niet en trok zich terug naar zijne bezittingen in de thracische Chersonesus. Toch bleef hij den loop der gebeurtenissen met belangstelling gadeslaan, en toen eenige jaren later de Spartanen oppermachtig geworden waren, achtten zij hem nog zoo gevaarlijk, dat hij reden had voor zijn leven te vreezen; hij begaf zich dus naar Pharnabazus om dezen, en zoo mogelijk den koning van Perzië, voor Athene te winnen, maar Pharnabazus, die eerst veel vriendschap voor hem getoond, had, gaf eindelijk, bevreesd voor de bedreigingen van Lysander, bevel hem te vermoorden. Zijn huis werd in brand gestoken en omsingeld, en toen hij zich uit de vlammen wilde redden, werd hij van alle kanten met pijlen neergeschoten (404).

Alcidamas, Alkidamas, van Elaea, in Aeolis, tijdgenoot van Isocrates, leerling van Gorgias en leeraar der welsprekendheid. Eene redevoering van hem en enkele fragmenten zijn bewaard.

Alcides, Alkeides, oorspronkelijke naam van Heracles (z. a.).

Alcimede, Alkimede, dochter van Phylacus en Clymene, moeder van Iason.

Alcinous, Alkinoos, kleinzoon van Poseidon, koning der Phaeaciërs op het eiland Scheria of Drepane. Hij nam Odysseus gastvrij op en zond hem met vele geschenken naar zijn vaderland terug. Ook de Argonauten werden op hun terugtocht zeer goed door hem ontvangen, en hij weigerde Medea uit te leveren aan de Colchiërs, die haar uit naam van haar vader kwamen opeischen. Daar zij niet naar hun vaderland durfden terugkeeren, bleven de colchische afgezanten toen bij de Phaeaciërs wonen.

Alciphron, Alkiphron, grieksch sophist, die in het laatste gedeelte der 2de eeuw n. C. leefde. In den vorm van brieven, die door taal en stijl uitmunten, heeft hij belangrijke schetsen van de toenmalige toestanden te Athene nagelaten.

Alcmaeon, Alkmaion, Alkmeon, 1) zoon van Amphiaraus en Eriphyle. Evenals Eriphyle zich door het halssnoer van Harmonia had laten omkoopen om Amphiaraus te bewegen aan den tocht der zeven tegen Thebe deel te nemen, zoo was de peplos van Harmonia de prijs, waarvoor zij Alcm. overreedde met de Epigonen mede te trekken. Als een der aanvoerders verrichtte Alcm. vele dappere daden en Thebe moest dezen keer vallen. Zijn vader, die zijn eigen lot voorzien had, had echter voor hij ten strijde trok aan zijne zonen Alcm. en Amphilochus opgedragen hem op hun moeder te wreken, en nadat Alcm. zelf uit den oorlog teruggekomen was en een orakel hem bevolen had de opdracht zijns vaders uit te voeren, te meer daar zijne moeder ook hem aan hetzelfde gevaar had blootgesteld, doodde hij Eriphyle. Terstond maakten zich de wraakgodinnen van hem meester; door haar vervolgd, zwierf hij in waanzin rond, zonder ergens rust te vinden. Eindelijk kwam hij in Psophis bij koning Phegeus, die hem van zijne schuld trachtte te zuiveren en hem zijne dochter Alphesiboea of Arsinoë tot vrouw gaf. Doch de middelen door Phegeus aangewend, vermochten op den duur niet de wraakgodinnen van Alcm. af te houden, zijn waanzin keerde terug en weder zwierf hij rond, nu zonder hoop ooit rust te vinden, daar een orakel hem gezegd had, dat dit alleen zou kunnen geschieden wanneer hij een plek vond, die tijdens zijn misdaad nog niet door de zon beschenen was. Eindelijk echter vond hij die plek, het was de grond, die sedert den moord aan de monding van den Achelous aangeslibd was, de Echinades. Hier vestigde hij zich en trouwde hij met Callirrhoë, de dochter van den riviergod. Nadat hij eenigen tijd hier rustig geleefd had, verzocht zijne gemalin hem het halssnoer en den sluier voor haar te halen, die op zijn leven van zooveel invloed geweest waren. Hij gaf toe aan haar dringend verlangen en trok naar Psophis, waar hij die sieraden van zijn eerste vrouw terugnam, zeggende dat hij ze aan Apollo wilde wijden. Nauwelijks had Phegeus echter bemerkt dat dit slechts een voorwendsel was, of hij zond zijne zonen om Alcm. te vervolgen; zij haalden hem in en doodden hem. De zonen van Alcm. en Callirrhoë, Acarnan en Amphoterus, wreekten later den moord van hun vader. V. s. had Alcm. bij Manto, de dochter van Tiresias, een zoon en een dochter, die hij aan Creon, den koning van Corinthe, gaf om op te voeden. Uit jaloerschheid liet de vrouw van Creon het meisje, toen zij volwassen was, als slavin verkoopen en zoo kwam zij onbekend toevallig bij haar vader. Alcm. had te Thebe een tempel waar hij als halfgod vereerd werd.--2) achterkleinzoon van Nestor, die bij den inval der Doriërs in de Peloponnesus naar Athene uitweek; hij was de stamvader der Alcmaeoniden.--3) atheensch archont, de laatste die voor zijn leven tot deze betrekking verkozen werd (752).--4) van Croton, schrijver van geneeskundige werken in de 5de eeuw.

Alcmaeonidae, Alkmaionidai, Alkmeonidai, een rijke en aanzienlijke familie in Athene, afstammend van Alcmaeon no. 2. Zij zijn vooral bekend door de oppositie, die zij voerden tegen de alleenheerschappij der Pisistratiden, waarbij Megacles hun aanvoerder was. Toen zij door Pisistratus verbannen waren, wisten zij de priesters van Delphi voor hunne belangen te winnen door den herbouw van den tempel, die kort te voren was afgebrand, aan te nemen, en hem, gedeeltelijk op hun eigen kosten, veel prachtiger te herstellen, dan hij te voren geweest was. Van Delphi ging dan ook sedert herhaaldelijk eene aansporing tot de Spartanen uit, om Athene van de tyrannen te bevrijden, waaraan eindelijk ook gehoor gegeven werd (z. Cleomenes en Hippias). Ook te voren hadden de Alcmaeoniden eenigen tijd in ballingschap doorgebracht, omdat zij, naar men beweerde, eenige aanhangers van Cylon bij de altaren der goden gedood hadden. Hoewel deze ballingschap niet van langen duur geweest kan zijn, werd de familie toch altijd door die heiligschennis bezoedeld geacht, en werd den Atheners meermalen hun verblijf in de stad verweten. Ook Clisthenes was een Alcmaeonide en Alcibiades en Pericles waren van moederszijde met hen verwant.

Alcman, Alkman, een der oudste grieksche lierdichters, Ioniër uit Sardes, werd krijgsgevangene en kwam als slaaf naar Sparta, maar werd daar vrijgelaten en schijnt zelfs onder de burgers opgenomen te zijn. Hij leefde omstreeks 620. Van zijne gedichten, die in een met aeolische en epische vormen gemengd dorisch dialect geschreven waren, is slechts weinig over. Hij is vooral bekend om zijne Parthenia, liederen voor meisjeskoren, waarvan er één bewaard is.

Alcmene, Alkmene, Alcumena, dochter van Electryon, koning van Mycenae. Zij was gehuwd met Amphitryo, en terwijl deze buitenslands oorlog voerde, werd zij door Zeus, die de gedaante van haar echtgenoot had aangenomen, bezocht en zoo werd zij moeder van Heracles; bij Amphitryo, die den volgenden dag terugkeerde, kreeg zij een zoon Iphicles. Bij de geboorte van Heracles, had zij veel van den haat van Hera te lijden. Na den dood van Amphitryo huwde zij met Rhadamanthys, met wien zij ook op de eilanden der gelukzaligen vereenigd gedacht wordt. Toen haar zoon gestorven was, moest zij voor Eurystheus vluchten, zij kwam naar Athene, maar ging later naar Thebe terug waar zij in hoogen ouderdom stierf. Te Thebe en ook te Athene genoot zij goddelijke eer.

Alcyone, Alkyone, 1) dochter van Aeolus en Enarete, gehuwd met Ceyx. Dit huwelijk was zeer gelukkig, maar in hun trots noemden zij elkander Zeus en Hera; tot straf hiervoor werd hij in een zeemeeuw, zij in een ijsvogel veranderd.--V. a. kwam Ceyx bij een schipbreuk om, en stortte Alc. zich uit wanhoop in zee, waarop beiden in ijsvogels veranderd werden. Wanneer deze vogel broedt, omstreeks een week voor en een week na den kortsten dag, laat Aeolus alle winden rusten, vandaar heeten die dagen Alcyonii dies, Alkyonides hemerai, welke naam overdrachtelijk gegeven wordt aan een rustigen, gelukkigen tijd.--2) eene van de Pleiaden, bij Poseidon moeder van Hyrieus.

Alcyoneus, Alkyoneus, 1) een van de Giganten, die Heracles op de landengte van Corinthe of op het schiereiland Pallene aanviel, toen hij met de runderen van Geryones daar langs kwam. Met een rotsblok verpletterde hij 24 van Heracles' makkers en 12 van zijne wagens, maar toen hij het rotsblok tegen hemzelf slingerde, sloeg Heracles het met zijn knots terug, en doodde hem met denzelfden slag.--2) zoon van Diomus en Meganira. Hij werd door het lot aangewezen om volgens een orakel ten offer gebracht te worden aan een monster, dat de omstreken van den Parnassus verwoestte, maar toen hij bekranst naar het hol van het monster gebracht werd, ontmoette hem Eurybatus, die, door zijne schoonheid getroffen, besloot zich in zijne plaats op te offeren. Hij ging in het hol, greep het monster en stortte het in de diepte.

Alcyonium mare, Alkyonis thalatta, ook Alcyonius sinus genoemd, noordoostelijke inham der Corinthische golf.

Alea, Alea, bijnaam der godin Athena, onder welken naam zij vooral in de stad Alea, in Arcadia, ten Z. van Stymphalus gelegen, maar ook elders vereerd werd.

Alea. Het dobbelspel was bij de Romeinen zeer in zwang. Men speelde met tesserae en met tali. De tesserae waren gewone dobbelsteenen; men wierp met drie steenen tegelijk. De tali waren aan twee zijden afgerond, en vertoonden alleen de getallen 1, 3, 4, 6. Men wierp met vier zulke steenen. De beste worp was de iactus Venereus, wanneer al de steenen verschillende cijfers aanwezen. De slechtste worp was alle éénen en werd canis genoemd.

Alecto, Alekto, eene der drie Erinyen.

Alectryon, Alektryon, dienaar van Ares, die op den uitkijk stond als de god Aphrodite bezocht. Eens viel hij in slaap, zoodat de minnenden door Helius ontdekt konden worden. Tot straf hiervoor werd hij in een haan veranderd.

Aleïus campus, Aleion pedion, waar Bellerophon in zijne zwaarmoedigheid ronddoolde. Homerus plaatst deze uitgestrekte vlakte in Lycia; zij ligt echter tusschen den Sarus en den Pyramus, twee rivieren van Cilicia.

Alemanni, Alamanoi, groote volkerenbond, uit germaansche stammen van zuidwestelijk Duitschland bestaande, waarvan de Suevi (Zwaben) het hoofdvolk waren. In 213 na C. kwamen zij onder dezen bondsnaam voor het eerst met de Romeinen in botsing en liet keizer Caracalla zich v. s. den bijnaam Alemannicus geven naar de overwinning, die hij over hen behaald had. In werkelijkheid nam hij den bijnaam Germanicus aan. Sedert hadden de Romeinen veel last van hunne invallen in de agri decumates. In de tweede helft van de 3de eeuw bezetten zij de geheele streek binnen den limes (z.a.), en in de 4de eeuw ook den Elzas.

Aleria, Aleria, vroeger Alalia, Alalie geheeten, volksplanting der Phocaeërs op Corsica (565), in den eersten punischen oorlog door de Romeinen veroverd (259), onder Sulla kolonie.

Alesa, zie Halesa.

Alesia, vesting in het kleine gebied der Mandubii, aan den zuidkant van het tegenwoordige plateau van Langres. Zij is bekend door het beroemde beleg in den strijd van Caesar tegen den grooten gallischen aanvoerder Vercingetorix (in 52). Na de inneming verwoestten de Romeinen de stad; zij werd echter later herbouwd (thans Alise-Ste-Reine).

Alesus, zie Halesus.

Aletes, Aletes, 1) zoon van Aegisthus. Op het bericht dat Orestes in het land der Tauri aan Artemis geofferd was, maakte hij zich van de regeering over Mycenae meester, maar bij de terugkomst van Orestes werd hij gedood.--2) zoon van Hippotas, die bij den inval der Heracliden de Sisyphiden uit Corinthe verdreef en daar zelf koning werd.

Aletrium, zie Alatrium.

Aleuadae, Aleuadai, afstammelingen van Aleuas, een Heraclide, die zich van de heerschappij over Larissa meester maakte en om zijne wreedheid door zijn eigen volk gedood werd. De Aleuaden waren lang het machtigste vorstengeslacht van Thessalië (tagoi, z. tagos), totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven; in de twisten die tusschen de beide familiën ontstonden, werd nu eens de hulp der Macedoniërs, dan die der Thebanen ingeroepen, totdat Philippus in 356 Thessalië tot een macedonische provincie maakte, waarbij hij de Aleuaden door vele onderscheidingen voor zich won.

Alexander, Alexandros, 1) = Paris.--2) neef van den tyran Polyphron van Pherae, dien hij doodde en wiens opvolger hij werd, 369. Zijne wreedheid en trouweloosheid noodzaakte de thessalische steden meermalen de hulp van Macedonië en Thebe in te roepen. Eerst werd hij door Pelopidas tot een meer gematigde regeering gedwongen; later, toen hij Pelopidas en andere Thebanen trouweloos gevangen genomen had, dwong Epaminondas hem de gevangenen los te laten; ten derden male trok Pelopidas tegen hem op en overwon hem in den slag bij Cynoscephalae (364). In 358 werd hij op aandrijven zijner gemalin Thebe door hare broeders vermoord.--3) Al. I, koning van Epirus. Met behulp van zijn zwager Philippus van Macedonië verdreef hij zijn oom en zijn neef (342) en maakte hij zich van de regeering meester. Toen zijne zuster Olympias door Philippus verstooten was, vluchtte zij tot hem en trachtte zij hem tot een oorlog aan te sporen, maar Philippus bevredigde hem door hem zijne dochter Cleopatra tot vrouw te geven. In 332 werd hij door de Tarentijnen tegen de Bruttiërs en Lucaniërs te hulp geroepen, in 331/330 verloor hij een slag bij Pandosia en kwam hij in de rivier Acheron om.--4) Al. II, koning van Epirus, zoon en opvolger van Pyrrhus 272-ong. 250; hij maakte zich voor korten tijd van Macedonië meester, maar werd spoedig door Demetrius, een broeder van Antigonus Gonatas van daar en zelfs uit Epirus verdreven, totdat hij bij een opstand der Epiroten teruggeroepen werd. Hij stierf omstreeks 250.--5) Al. I, koning van Macedonië 498-454, zoon en opvolger van Amyntas I. Bij Xerxes' inval in Griekenland werd Al. gedwongen zich bij diens leger aan te sluiten; toch trachtte hij heimelijk de Grieken te helpen.--6) Al. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Amyntas II. Na eene regeering van twee jaren werd hij door zijn stiefbroeder Ptolemaeus Alorites gedood (369).--7) Al. III de Groote, koning van Macedonië, geb. 356, volgde zijn vader Philippus in 336 op. Hij was opgevoed eerst door den ruwen krijgsman Leonidas, daarna door den hoveling Lysimachus, eindelijk sedert zijn 13de jaar door den beroemden wijsgeer Aristoteles. Reeds vroeg had Al. blijken gegeven van ontembare eerzucht, van streven naar het buitengewone en bovenal van grooten persoonlijken moed; Homerus was zijn geliefkoosde dichter en Achilles zijn ideaal. Geen wonder, dat de twintigjarige jongeling, die zich reeds bij het leven van Philippus o. a. in den slag bij Chaeronea onderscheiden had, zoodra hij den troon besteeg, besloot het plan van zijn vader, de verovering van het perzische rijk, tot uitvoering te brengen, al moest hij ook voorshands zijne krachten wijden aan de bevestiging zijner regeering tegen binnen- en buitenlandsche vijanden. Terwijl hij zijn oom Attalus en anderen, die hem de heerschappij konden betwisten, uit den weg liet ruimen, trok hij kort na den dood van zijn vader naar Griekenland, waar in verschillende steden anti-macedonische bewegingen hadden plaats gehad, en bewerkte hij door zijn krachtig optreden, dat hij door de Amphictyonen en later op een congres op de landengte van Corinthe door alle grieksche staten, behalve Sparta, erkend en tot opperbevelhebber in den oorlog tegen Perzië verkozen werd. Na zijn terugkomst in Macedonië hield Al. zich bezig met de onderwerping der ten noorden van zijn rijk wonende barbaren, Triballers, Geten, Illyriërs, enz., die op het bericht van den dood van Philippus opgestaan waren. Velen in Griekenland koesterden de hoop dat Al. nooit van deze moeielijke en gevaarlijke tochten naar ver verwijderde landen zou terugkeeren, en toen het gerucht van zijn dood verspreid werd, vond het dan ook gereedelijk geloof. Maar toen op dit gerucht in de meeste staten nieuwe bewegingen ontstonden, verscheen Al. plotseling, voordat iemand het mogelijk had geacht, in Griekenland, en rukte voor Thebe, van waar de macedonische bezetting verdreven was; na een kort beleg werd de stad bestormd, ingenomen en volgens besluit der boeotische steden verwoest, waarbij alleen de tempels en het huis van Pindarus gespaard werden. Daarop onderwierpen zich ook de andere grieksche staten (335). In Macedonië teruggekeerd, besteedde de koning den winter met ijverige toerustingen voor den tocht naar Azië, en in het voorjaar van 334 trok hij over den Hellespont met een klein, doch geoefend leger (± 40.000 man), aangevoerd door bekwame officieren, en met een vloot van 160 schepen, terwijl Antipater in Macedonië achtergelaten werd om Griekenland en de noordelijke barbaren in bedwang te houden. De eerste ontmoeting met de vijanden had plaats aan de rivier den Granicus, waarvan de overzijde door een aanzienlijke perzische macht bezet gehouden werd; niettemin trok Al. met geweld er over, versloeg de Perzen en ook hunne grieksche huurtroepen en won met dien slag geheel Klein-Azië tot het Taurusgebergte; wel verdedigde Miletus zich eenigen tijd en vorderde de inneming van Halicarnassus zelfs een vrij lang beleg, maar de overige grieksche steden ontvingen Al. vrijwillig of na korten tegenstand, toen hij langs de kust naar het Zuiden en terug door Lycië, Pamphylië en Pisidië naar Gordium, de oude hoofdstad van Phrygië, trok. In het voorjaar van 333 van daar opgebroken, ging hij door Paphlagonië en Cappadocië naar Cilicië, en toen Darius zelf hem daar trachtte tegen te houden, versloeg hij in November bij Issus diens leger van 600,000 (?) man, nog versterkt door 30,000 grieksche huurlingen, in weerwil van hun dapperen tegenstand. Na deze overwinning, waarbij een rijke buit en ontelbare gevangenen, o.a. de moeder, vrouw en twee dochters van Darius in handen der Macedoniërs vielen, veroverde Al. Syrië en Phoenicië, waar Tyrus hem echter hardnekkig weerstand bood, zoodat hij die stad eerst na een merkwaardig beleg van zeven maanden kon innemen (332); evenzoo verdedigde zich Gaza geruimen tijd. In Aegypte werd Al. daarentegen met open armen ontvangen. Van hier ondernam hij een tocht door de libysche woestijn naar het orakel van Zeus Ammon, wiens priester hem als een zoon van dien god begroette, en trok daarna naar Azië terug. Zonder moeilijkheden ging hij over den Euphraat en den Tigris, maar in de vlakte van Babylon ontmoette hij weder Darius met zijn leger, dat nu uit 1,000,000 (?) man voetvolk en 40.000 ruiters bestond; hoewel Al.'s leger nog geen 50,000 man sterk was, waagde hij den aanval en behaalde hij in den slag bij Arbela en Gaugamela (30 Sept. 331) de beslissende overwinning, die hem tot heer van Azië maakte. Darius vluchtte naar Ecbatana, en toen verscheiden satrapen zich bij den overwinnaar aansloten, en Al., na de onderwerping van Susiana, de Uxiërs en Persis, ook naar Medië oprukte, trok hij zich terug naar Bactrië, maar werd op weg door een van zijne satrapen, Bessus, die den titel van koning en den naam van Artaxerxes IV aannam, gevangen genomen. Toen Al. dit vernam, vervolgde hij Bessus met versnelde marschen, en daar deze zich niet in staat zag met den gevangen koning snel genoeg weg te komen, liet hij Darius, na hem doodelijk verwond te hebben, op weg achter. De meeste perzische en medische satrapen onderwierpen zich nu, en nadat Al. nog een tocht naar Hyrcanië ondernomen en een opstand in Aria bedwongen had, vervolgde hij Bessus, die eerst naar Sogdiana, later over den Oxus gevlucht was, maar daar gevangen genomen en later aan een rechtbank ter veroordeeling gegeven werd. De verovering van Bactrië en Sogdiana, waar een groot aantal sterke vestingen één voor één genomen moesten worden, nam nog geruimen tijd in beslag, en eerst in 327 kon Al. den veldtocht naar Indië ondernemen. In weerwil van groote moeilijkheden trok hij met een leger van 120,000 man, waaronder vele Aziaten, over den Indus, Hydaspes, Acesines en Hydraotes, en ofschoon hij menigmaal hevig verzet moest overwinnen, onderwierp hij alles op zijn weg. Eindelijk bereikte hij den Hyphasis; hijzelf had gaarne zijne tochten nog verder uitgestrekt, maar nu bleek het onmogelijk den onwil van zijn leger tegen verdere ondernemingen te overwinnen; zelfs zijne bedreiging, dat hij alleen met de goedgezinden over de rivier zou gaan en de anderen aan hun lot overlaten zou, had geene uitwerking, en toen nu ook de offerteekenen ongunstig waren, gaf hij toe. Nadat hij tot den Hydaspes teruggetrokken was, ging hij verder met een vloot van 2000 schepen, die onder het bevel van Nearchus stond, de rivier af, tot aan den mond van den Indus, terwijl het grootste gedeelte van het leger langs de beide oevers marcheerde. De aan de rivier wonende volken onderwierpen zich, alleen bij de Malli vond Al. tegenstand, die eerst door de bestorming hunner hoofdstad gebroken werd. Nadat in Augustus 325 de mond van den Indus bereikt was, zeilde de vloot naar de perzische golf, terwijl de koning met het leger door Gedrosia naar Carmania trok, waar hij na een tocht van zestig dagen door de gloeiende zandwoestijn, en nadat een niet gering deel van het leger ten gevolge van hitte, vermoeienissen en gebrek omgekomen was, behouden aankwam, en waar hij ook Nearchus met de vloot aantrof. Hier zoowel als in Persis, te Susa, Ecbatana en Babylon werden groote feesten gegeven, de soldaten rijk begiftigd, de satrapen bestraft, die zich veelal, daar niemand gedacht had, dat Al. ooit uit Indië terug zou komen, aan onderdrukking en afpersing schuldig gemaakt hadden, kortom alles gedaan wat Al. dienstig achtte tot de bevestiging der eenheid tusschen de door hem geregeerde volken. Maar terwijl hij zich te Babylon met groote plannen voor de toekomst bezig hield,--hij wilde Arabië en ook Italië veroveren, groote vloten bouwen, enz.--werd hij door een ziekte overvallen, die in weinige dagen (Juni 323) een einde aan zijn leven maakte. Hij was slechts 33 jaar oud geworden, en stierf zonder een rechtstreekschen opvolger na te laten. Zijn uitgestrekt rijk werd na zijn dood de twistappel tusschen zijn voornaamste veldheeren en werd eindelijk onder hen verdeeld, wat te gemakkelijker was, daar Al. zijn ideaal, de versmelting van Grieken en barbaren tot één volk, slechts voor een klein gedeelte bereikt had. Met dit oogmerk waren door hem in verschillende deelen van het rijk nieuwe steden gesticht, meest Alexandria genaamd, die, door Grieken en Macedoniërs bevolkt, zoowel moesten dienen om het overwonnen land in bedwang te houden, als om grieksche beschaving onder de onderworpen volken te verspreiden. De voornaamste van deze, Alexandrië in Aegypte, werd na den val van Tyrus spoedig, zooals de stichter ook bedoeld had, een middelpunt van den wereldhandel en bleef lang eene van de belangrijkste steden der oude wereld. Eveneens om de gelijkheid tusschen zijne onderdanen tot stand te brengen, liet Al. reeds kort na den dood van Darius Aziaten in zijne legers inlijven en op dezelfde wijze als de Macedoniërs wapenen en oefenen, een maatregel die, zooals te begrijpen is, bij Grieken en Macedoniërs hevige ontevredenheid verwekte, en toen kort voor Al.'s dood te Opis van alle kanten van deze nieuwe troepen aangebracht werden en de oude en onbruikbaar geworden soldaten naar huis teruggezonden zouden worden, kwam het tot openlijk verzet (324), waarbij de koning groote vastheid moest toonen om den weerspannigen tot onderwerping aan zijn wil te brengen. In weerwil van dit voorval en van de weigering der troepen om hun aanvoerder ook over den Hyphasis te volgen, kan men zeggen dat Al. bij zijne soldaten zeer bemind en hoog geëerd was. Niet in dezelfde mate was dit echter het geval bij de hoogere officieren, die meer persoonlijk met hem in aanraking kwamen, daardoor de minder aangename zijden van zijn karakter beter kenden, en zich bovendien door Al.'s streven meermalen in hun trots en in hunne belangen gekrenkt achtten. Inderdaad valt het niet te ontkennen, dat Al., in zijn ijver om zijne nieuwe onderdanen niet bij de oude achter te stellen, dikwijls meer aandacht aan de nieuwe dan aan de oude schonk; het kon Grieken en Macedoniërs niet anders dan onaangenaam aandoen, dat Al., die vroeger steeds de grieksche afkomst van het macedonische koningshuis op den voorgrond gesteld had, later de perzische teekenen der koninklijke waardigheid aannam; zijne beweerde afkomst van Zeus Ammon kon door hen niet worden aangenomen, zijne pogingen tot invoering der proskynesis konden bij hen geen gunstig onthaal vinden. Zoo ontstond er dikwijls ontevredenheid in de omgeving des konings, ja zelfs hoorde men nu en dan van samenzweringen, die dan met gestrengheid onderdrukt en met den dood der verdachten bestraft werden. Ten gevolge van zulke geruchten werden in 330 Philotas en zijn oude vader Parmenio, beiden zeer verdienstelijke officieren, in 327 verscheiden adellijke jongelieden en de wijsgeer Callisthenes gedood. Doch in het veld wist Al. door zijn persoonlijken moed en door zijn dikwijls grootmoedig gedrag tegenover overwonnen vijanden aller liefde en bewondering te winnen, en meer dan eens bleek het, dat zijne vrienden niet schroomden, wanneer hij zich al te zeer in gevaar begeven had, hun leven voor het zijne te wagen. Want het is licht te begrijpen, dat Al. bij zijne vele veldtochten dikwijls in levensgevaar kwam; reeds bij den Granicus redde Clitus, dezelfde dien hij later in dronkenschap doodde, hem het leven, door een perzisch ruiter den arm af te houwen, die reeds het zwaard boven Al.'s hoofd opgeheven had; bij het beleg van Gaza kreeg hij een vrij zware wond in den schouder, en bij de bestorming van de hoofdstad der Malli, toen hij bij het breken van een stormladder zich met slechts zeer enkelen boven op den muur der vijanden bevond en, van alle kanten beschoten, geen andere keus had, dan van den muur in de stad te springen, kreeg hij een zeer gevaarlijke wonde in de borst en werd hij door Peucestes en Leonnatus nauwelijks levend uit de handen der vijanden gered. Van zijn kant gaf Al. menigmaal aan zijne vrienden blijken van gehechtheid en waardeering; het is zelfs niet onmogelijk dat het wel wat overdreven verdriet, waarvan hij blijken gaf na den dood van Hephaestion, die kort voor hem overleed, zijn eigen dood verhaast heeft. Maar meer dan dit, en misschien meer dan de buitengewone vermoeienissen, waaronder Al. bijna zijn geheel leven had doorgebracht, hadden de zwelgpartijen, waaraan hij zich in zijne latere levensjaren meer en meer overgaf, zijne lichaamskracht ondermijnd, en zoo stierf hij in den bloei van zijn leven aan eene ziekte, die aanvankelijk blijkbaar niet van ernstigen aard was. Hij had drie aziatische vrouwen: Roxane, Barsine, de oudste dochter van Darius, en Parysatis; van deze bracht eerstgenoemde eenige maanden na zijn dood een zoon ter wereld, die naar zijn vader Alexander genoemd werd.--8) Al. Aegus, zoon van Alex. den G. en Roxane, eenige maanden na den dood van zijn vader geboren. Hij werd tot koning uitgeroepen, en onder voogdij van Perdiccas, daarna van Pithon, eindelijk van Antipater geplaatst. Antipater leverde in 320 hem met zijne moeder aan Philippus Arrhidaeus uit. In het volgende jaar stierf Antipater en vluchtte Roxane met haar zoontje naar Epirus tot hare schoonmoeder Olympias, maar later vielen zij weder in handen van Cassander, die in 311 beiden in de gevangenis liet vermoorden.--9) Al. Lyncestes, schoonzoon van Antipater, de eenige der deelnemers aan de samenzwering tegen Philippus, die, door Alexander terstond als koning te huldigen, zijn leven redde. Toen Al. naar Azië trok, werd hij aanvoerder der thessalische ruiterij. Toch werd hij ook later betrapt op onderhandelingen met Darius en van 334 gevangen gehouden, totdat hij in 330, naar men zeide op aandringen van het leger, gedood werd.--10) zoon van Cassander en Thessalonica, vluchtte nadat zijne moeder door zijn broeder Antipater gedood was, naar Pyrrhus van Epirus; met diens hulp en met die van Demetrius Poliorcetes verjoeg hij Antipater. Toen Demetrius echter ook na Antipater's dood Macedonië niet wilde verlaten, trachtte Al. hem uit den weg te ruimen, maar Demetrius was vlugger en doodde hem in 294 bij een gastmaal.--11) Al. I Balas, een man van lage afkomst, gaf zich voor een zoon van Antiochus IV Epiphanes uit en nam, met goedvinden van den romeinschen senaat, in 150 den troon van Syrië in bezit, nadat hij Demetrius Soter, een neef van Antiochus, overwonnen had. In 145 werd hij echter door diens zoon, Demetrius Nicator, verdreven en kort daarna vermoord.--12) Alexander II Zabina (de slaaf), zoon van een aegyptisch koopman, gaf zich voor een aangenomen zoon van Antiochus Sidetes uit en maakte zich in 128 van den syrischen troon meester, maar werd in 122 door Antiochus Grypus verslagen, door zijn volk verlaten en op last van den overwinnaar gedood.--13) Al. Helius, zoon van M. Antonius en Cleopatra, met zijne zuster Cleopatra door Octavia, de verlaten gemalin van Antonius, opgevoed.--14) Al. Aetolus, treurspeldichter uit Pleuron, de eenige aetolische dichter (bloeitijd ongeveer 280); hij was onder Ptolemaeus Philadelphus aan de alexandrijnsche bibliotheek geplaatst en werd onder de tragische pleias opgenomen. Ook dichtte hij elegieën, waarvan nog eenige schoone fragmenten bestaan.--15) Al. Polyhistor, geb. te Myndus in Carië, onderwezen te Pergamus, kwam als krijgsgevangene naar Rome, doch werd door Cornelius Lentulus, v. a. door Sulla, vrijgelaten (82), later werd hij de leermeester van M. Crassus, dien hij op al zijne tochten vergezelde. Van zijne zeer talrijke geschriften, voornamelijk van geschied- en aardrijkskundigen inhoud, is niets behouden.--16) peripatetisch wijsgeer, geb. te Aegae, leermeester van Nero.--17) van Abonitichos (z. a.), de leugenprofeet door Lucianus gehekeld.--18) ho exegetes, zoo genoemd als verklaarder en verdediger der leer van Aristoteles. Hij was geboren te Aphrodisias in Carië en leefde onder Septimius Severus. Zijne werken zijn grootendeels in latijnsche vertaling bewaard gebleven.--19) Alexander Severus, Romeinsch keizer, z. Severi no. 2.

Alexandra = Cassandra.

Alexandria, Alexandreia. Er zijn niet minder dan tien steden van dezen naam bekend, die alle haar ontstaan aan Alexander den Grooten te danken hebben. De beroemdste is

1) Alexandria in Aegypte, volgens het plan van den bouwmeester Dinocrates (v. a. Dinochares) in den winter van 332/1 op de smalle landtong tusschen het mareotische meer en de middellandsche zee gebouwd en dus uitstekend voor handel en verkeer gelegen. De stad had een langwerpigen vorm, met rechte straten, die elkander rechthoekig kruisten. De beide hoofdstraten, met vierdubbele zuilengangen versierd, waren 14 meter breed. Hoewel in Aegypte gelegen en onder de Ptolemaeën tot den zetel der regeering verheven, was Alexandrië volstrekt geene aegyptische stad, maar eene wereldstad, waar het grieksche en het joodsche element het meest vertegenwoordigd waren. In het zuidwestelijke gedeelte, Rhacotis geheeten, woonde de lagere volksklasse; daar vond men de acropolis en den beroemden Serapis-tempel. De joden woonden meest in het noordoostelijk gedeelte, terwijl het middengedeelte, Bruchium, het grieksche kwartier was, waar men het koninklijk paleis, het gymnasium, het stadium, het museum en andere openbare gebouwen vond. Een dam van zeven stadiën lengte, heptastadion, liep van de stad naar het eilandje Pharus, op welks ééne punt de beroemde vuurtoren stond, die in 283 door Ptolemaeus Philadelphus was gebouwd en voor een van de zeven wonderen der wereld gold. Ter weerszijden van het Heptastadium lagen twee havens: de westelijke werd Portus Eunostus (Eunostos, haven der behouden terugkomst) geheeten, en had nog eene binnenkom, kibotos (kast); een kanaal voerde naar het mareotische meer. De oostelijke haven heette de groote haven, portus maior. In het heptastadium waren twee overbrugde doorvaarten. Eene binnenkom der groote haven heette de kleine haven en diende tot ligplaats der koninklijke galeien. Alexandrië was ook een brandpunt van wetenschap en geleerdheid. De beroemde bibliotheek in Bruchium bevatte 90000 werken, met de dubbele exemplaren 400000 rollen uitmakende. Eene tweede bibliotheek in het Serapeum telde 42800 rollen. Bij den alexandrijnschen oorlog, dien Caesar na Pompeius' dood hier te voeren had, ging de bibliotheek in het Serapeum door brand te niet. Dit verlies werd later hersteld door de 200000 rollen uit de bibliotheek van Pergamus, die Antonius aan Cleopatra ten geschenke gaf. Doch ook deze verzameling ging met den tempel te gronde, toen in 389 de christenen, door den aartsbisschop Theophilus tegen de overblijfselen van het heidendom opgeruid, het Serapeum bestormden en in brand staken. De groote boekerij werd in een vleugel van het koninklijk paleis bewaard, en is waarschijnlijk in de troebelen der jaren 272 en vv. voor een groot gedeelte vernield. Het nabijgelegen Museum was een gebouw, waar beroemde geleerden in alle vakken van wetenschap kosteloos huisvesting en onderhoud vonden en zich bezig hielden met het ordenen, verklaren en verbeteren der handschriften en met het verwerken der rijke stof, die in de bibliotheken lag opgehoopt. Dit zijn de alexandrijnsche geleerden. Uit het streven naar classificatie ontstonden de zoogenaamde canones (kanones) of lijsten van de voortreffelijkste schrijvers en dichters op elk gebied, wier werken tot richtsnoer moesten strekken voor het nageslacht. Zoo omvatte b.v. de canon der tragische dichters de volgende namen: Aeschylus, Sophocles, Euripides, Ion en Achaeus, die der geschiedschrijvers: Herodotus, Thucydides, Xenophon, Theopompus, Ephorus, Anaximenes, Callisthenes; die der redenaars: Antiphon, Andocides, Lysias, Isocrates, Isaeus, Aeschines, Lycurgus, Demosthenes, Hyperides, Dinarchus.

2) Alexandria in Arachosia, thans Kandahar.

3) Alexandria in Aria, thans Herat.

4) Alexandria aan den Caucasus d.w.z. aan den indischen Caucasus, thans het gebergte Hindoe-koh.

5) Alexandria aan den Indus.

6) Alexandria bij Issus, op de syrisch-cilicische grenzen.

7) Alexandria aan den Oxus, in Bactria.

8) Alexandria in Sogdiane, het noordelijkste, daarom eschate genoemd, aan den Iaxartes.

9) Alexandria in Susiane, later verdoopt in Antiochia, ten slotte na een lateren herbouw Spasinu Charax geheeten, nabij de monding van den Tigris. Zie Charax no. 1.

10) Alexandria Troas, op de kust van het vroegere trojaansche rijk, tegenover het eiland Tenedos. De stad was door Antigonus vergroot en heette toen een tijd lang Antigonia. Later werd zij eene bloeiende romeinsche kolonie, die om hare ligging in het vermeende stamland der Romeinen zeer begunstigd werd. Caesar en Constantijn de Groote moeten er zelfs aan gedacht hebben, den zetel van het rijk daarheen over te brengen.

Alexikakos, onheil afwerend, bijnaam van Apollo, soms ook aan andere goden en heroën gegeven.

Alexis, Alexis, geb. omstreeks 372 te Thurii, doch atheensch burger. Hij zou 106 jaar oud geworden zijn en 245 blijspelen geschreven hebben, die natuurlijk niet alle even hoog gesteld kunnen worden, maar over het algemeen, zooals de talrijk overgebleven fragmenten aantoonen, geestig en smaakvol zijn. De in de nieuwe comedie zoo belangrijke rol van den parasiet kwam, naar men zegt, het eerst in een van zijne stukken voor.

Alfen(i)us Varus, uit Cremona, een rechtsgeleerde van grooten naam, die eerst in zijne geboorteplaats het bedrijf van schoenmaker had uitgeoefend. Waarschijnlijk is hij dezelfde, die, door Octavianus met de akkerverdeeling in Transpadana belast, Vergilius zijn landgoed liet behouden.

Algidus mons, een ruw en boschrijk gebergte in Latium, tusschen Velletri en Tusculum, met eene bergvesting, Algidum, op een der toppen. Zie Aequi.

Alimenti, zie Cincii.

Alipes, met gevleugelde voeten, bijnaam van Mercurius.

Aliphera, Alipheira of Aliphera, bergstad in het landschap Cynuria, in het Zuidwesten van Arcadia, bezuiden den Alpheus. De inw. namen deel aan den bouw van Megalopolis.

Aliptes, aleiptes, badknecht. Zie balneum.

Aliso, vesting, door Drusus aan de Luppia (Lippe) gesticht in het jaar 11; v. s. heeft het gelegen bij Haltern, v. a. bij Oberaden, ten W. van Hamm; in beide plaatsen is een Romeinsch kamp opgegraven.

Allia of Alia, van links invallend zijriviertje van den Tiber, waarbij de Romeinen in 390, v. a. in 387, de beruchte nederlaag door de Galliërs leden. Waarschijnlijk moet men het slagveld tegenover de Allia, op den rechter Tiberoever zoeken. De dies Alliensis (18 Juli) bleef steeds een dies ater.

Allifae, stad in Samnium aan den Volturnus, in eene vruchtbare streek gelegen. Door de Romeinen ingenomen in 310, werd het eene praefectura. Naar het schijnt was het bekend door de wijde bekers, die men er vervaardigde.

Allobroges, oorlogzuchtig volk in Gallia Narbonensis, tusschen den Rhodanus (Rhône) en de Alpen. Hunne hoofdstad was Vienna (Vienne). Na harden tegenstand werden zij in 121 door Q. Fabius Maximus onderworpen, die den bijnaam Allobrogicus kreeg. Het kostte echter voortdurend moeite hen in onderwerping te houden.

Almo, beek, die even beneden Rome van links in den Tiber vloeit, en waarin de priesters van Cybele jaarlijks het beeld der godin reinigden.

Almopi, Almopoi, of -pes, volksstam in het Noorden van Macedonia.

Aloadae, Aloidae, Aloadai, Aloeidai, Otus en Ephialtes, de zonen van Iphimedea en Poseidon of Aloeus. Zij waren geweldige reuzen, die op hun negende jaar 9 el dik en 27 el lang waren, en traden vijandig tegen de goden op. Ares hielden zij eens dertien maanden in ketenen, totdat Hermes, door hun stiefmoeder Eriboea gewaarschuwd, hem bevrijdde. Zij dreigden den Ossa op den Olympus en den Pelion op den Ossa te stapelen en zoo den hemel te bestormen; toen echter Otus de hand van Artemis en Ephialtes die van Hera eischte, werden zij door Apollo met pijlen doorboord.--V. a. bewerkte Artemis hun dood door in de gedaante eener hinde tusschen hen heen te springen, toen namelijk beiden te gelijk hunne speren naar dit dier wierpen, troffen zij elkander doodelijk. In de onderwereld stonden zij ruggelings met slangen aan een zuil gebonden, waarop een uil zit, die hen door zijn aanhoudend gekrijsch kwelt. In een ander verhaal komen zij voor als beschaving verbreidende heroën, die den muzendienst aan den Helicon ingevoerd, en Ascra e. a. steden gesticht zouden hebben.

Alociae, Alokiai, eilanden aan de Sleeswijksche Westkust, de tegenwoordige Halligen.

Aloeus, Aloeus, zoon van Poseidon en Canace, met Iphimedea gehuwd. De Aloadae zijn naar hem genoemd.

Alogiou graphe, aanklacht tegen beambten, die geen rekening en verantwoording van hun beheer hadden afgelegd (z. Euthynai). De aanklacht werd waarschijnlijk bij de logisten ingediend, de straf is onbekend.

Alope, Alope, dochter van Cercyon, werd bij Poseidon moeder van Hippothoon. Het kind werd te vondeling gelegd en door herders opgenomen; toen deze echter twist kregen over het kleed, waarin het kind gewikkeld was, riepen zij Cercyon als scheidsrechter in, die het kleed zijner dochter herkende en dus de geheele zaak ontdekte. Vertoornd liet hij zijn dochter levend begraven, maar Poseidon veranderde haar in de bron Alope in Eleusis.

Alope, Alope, 1) stad in Locris tegenover Euboea.--2) stad in Thessalia, aan de Zuidkust van Achaia Phthiotis, tusschen Larisa Cremaste en Echinus.--3) bron bij Eleusis, genoemd naar de schoone Alope (z.a.).

Alopece, Alopeke, Alopekai, demus van Attica ten oosten van Athene. Uit dezen demus stamde Socrates.

Alopeconnesus, Alopekonnesos (vosseneil.), stad op de westzijde van de thracische Chersonesus.

Alpenus, Alpenos, Alpenoi, stad in Locris ten oosten van de Thermopylae.

Alpes, Alpeis, van het keltische alb = hoog, de bekende bergmassa, die nog dezen naam draagt. Toppen schijnen de ouden slechts zeer weinige bij naam gekend te hebben. De verschillende takken vindt men nu eens met het enkelvoud Alpis, dan weder met het meervoud Alpes aangewezen. De zuidelijke hellingen der Alpen werden eerst bij Italië ingelijfd onder Augustus, die tegen sommige bergvolken een zwaren strijd voerde.

Alpes maritimae, parathalassidiai, de Zeealpen, tot aan den mons Vesulus (M. Viso).

Alpes Cottiae, aldus genoemd naar koning Cottius, die daar een rijkje had en zich aan Augustus onderwierp. Zij liepen tot den mons Cenisius (M. Cenis). Alpis Cottia = Mont Genèvre.

Alpes Graiae, waarover waarschijnlijk Hannibal trok. De naam hangt samen met dien der Graioceli, die aan de westzijde woonden. Alpis Graia = kleine St. Bernhard.

Alpes Poeninae, aldus genoemd naar een keltischen god Poeninus, die op den mons Poeninus, ook Alpis Poenina geheeten (grooten St. Bernhard) een tempel had en door de Romeinen met Jupiter werd vereenzelvigd.

Alpes Lepontiae, tot aan den mons Adula (z.a.), naar het volk der Lepontii genoemd.

Alpes Tridentinae, de Tiroler en Tridentinische Alpen, naar de stad Tridentum (Trente of Trient).

Alpes Raeticae en Noricae, naar de landschappen Raetia en Noricum.

Alpes Carniae, naar het volk der Carni, ten O. van de Alpes Tridentinae.

Alpes Venetae, waarover Caesar een weg baande, naar wien zij ook Alpes Iuliae geheeten worden.

Alpes Dalmaticae, langs de Adriatische zee.

De Romeinen hadden verscheidene wegen over de Alpen aangelegd; de meest bezochte was die, welke over de Cottische Alpen en de Alpis Cottia (mont Genèvre) naar Gallia Transalpina voerde.

Alphesiboea, Alphesiboia, ook Arsinoë genaamd, dochter van Phegeus, gemalin van Alcmaeon. Toen Alcmaeon door hare broeders gedood was, en zij hun deze daad telkens verweet, werd zij door hen aan Agapenor van Tegea overgegeven met de beschuldiging, dat zij den moord gepleegd had. Hier vond zij den dood. V. a. doodde zij hare broeders uit wraak.--2) moeder van Adonis.--3) ook Anaxibia genoemd, dochter van Bias en Pero, gemalin van Pelias.--4) indische nimf, die door Dionysus bemind werd, maar hem weerstand bood tot hij zich in een tijger veranderde en haar zoo beangstigde, dat zij zich over de rivier, die daarnaar Tigris heet, liet dragen.

Alpheus, Alpheios, de voornaamste rivier in de Peloponnesus, die in Arcadië ontspringt, door Elis en langs Olympia naar zee stroomt. Mythisch is Alph. een zoon van Oceanus en Tethys. De omstandigheid dat het water der rivier gedurende haar loop eenige malen onder de aarde verdwijnt en verderop weder te voorschijn komt, gaf aanleiding tot de meening, dat de god zich ook onder de zee een weg wist te banen naar Ortygia, om daar zijne wateren met die van de bron Arethusa te vereenigen. Deze bron zou namelijk vroeger een Nereïde geweest zijn, voor welke Alph. een vurige liefde opvatte, die echter onbeantwoord bleef; toen nu eens Alph. uit zijne wateren oprees en haar vervolgde, vluchtte zij zoolang zij kon, maar toen de krachten haar begaven, riep zij Artemis om hulp aan, die haar in een bron veranderde en naar Ortygia verplaatste.--V. a. vervolgde Alph. Artemis zelve tot Ortygia of tot Letrini in Elis, waar zij zich met slijk besmeerde om zich onkenbaar te maken; op beide plaatsen was een tempel van Artemis Alpheaea, te Letrini met een beeld van zwart marmer.

Alsium, oude etrurische stad, haven van Caere, later rom. kolonie, met een landgoed van Pompeius, Alsiense.

Altare, zie Ara.

Althaea, Althaia, dochter van Thestius en Eurythemis, echtgenoote van Oeneus, moeder van Meleager (z.a.), na wiens dood zij zichzelve om het leven bracht.

Althaemenes, Althaimenes, zoon van Catreus, koning van Creta; daar een orakel voorspeld had dat hij zijn vader zou dooden, verliet hij met zijn zuster Apemosyne zijn vaderland en begaf hij zich naar Rhodus. Daar leefde hij geruimen tijd rustig en door zijn medeburgers geacht. Intusschen kon zijn vader zijn gemis niet verdragen, en ging hij eindelijk zelf naar Rhodus om hem te halen en hem de regeering over te geven. Toen hij nu met zijn gevolg des nachts op Rhodus wilde landen, hielden de inwoners hen voor vijanden en trachtten zij hun het landen te beletten; er ontstond een gevecht, waaraan ook Alth. deelnam en waarbij hij zijn vader doodde zonder hem te kennen. Toen hij nu merkte dat het orakel vervuld was, zwierf hij op eenzame plaatsen rond, totdat hij van droefheid stierf.--V. a. zoude op zijn gebed de aarde zich geopend en hem verzwolgen hebben. De Rhodiërs vereerden hem later als heros.

Altinum, welvarende koopstad in het land der Veneti, aan de adriatische zee. Het was de stapelplaats voor den handel tusschen Italië en het Noorden, en was omringd door tal van prachtige villa's, weshalve het het Baiae van het Noorden werd genoemd. Toen Attila in 452 n. C. Altinum en Aquileia verwoestte, stichtten de vluchtelingen op de eilandjes aan den mond van den Medoacus (Brenta) de latere stad Venetië.

Altis, Altis, het heilige bosch bij Olympia.

Aluntium of Haluntium, stad aan de noordkust van Sicilia op een hoogte gelegen, met veel wijnteelt.

Alveus. Dit woord geeft in het algemeen een uitgehold of buikvormig voorwerp te kennen: een bak, het hol eener boot of schuit, een bekken, een bijenkorf, enz. Het beteekent ook een speelbord of speeltafel met opstaanden rand, alsmede een badkuip. In de badhuizen vond men groote in den vloer gemetselde badkuipen voor warme baden met zitplaatsen aan het eene einde, zóó dat het water tot aan den hals kwam.

Alyattes, Alyattes, zoon van Sadyattes, vader van Croesus, koning van Lydië (612-563). Evenals zijn vader beoorloogde hij Miletus, maar hij moest vrede sluiten om zich te kunnen verdedigen tegen de Mediërs, die onder koning Cyaxares uit het oosten voorwaarts drongen. De oorlog werd echter, voor het tot een slag kwam, ten gevolge eener zonsverduistering, die van 28 Mei 585, door Thales voorspeld, door een verdrag geëindigd. In de laatste jaren zijner regeering hervatte hij zijne aanvallen op de grieksche steden in Kl.-Azië en veroverde hij Smyrna en Colophon. Zijn kolossaal graf bij Sardes bestaat, naar men meent, nog.

Alyzia, Alyzia, acarnanisch zeestadje.

Amafinius (C.), epicureïsch wijsgeer vóór Cicero's tijd en een der eerste schrijvers bij de Romeinen over wijsbegeerte. Hij wordt door Cicero ongunstig beoordeeld wegens zijn slechten stijl.

Amalthea, Amaltheia, 1) de geit die Zeus op Creta zoogde. Toen zij eens door tegen een boom te stooten een hoorn brak, nam een nimf dien op, vulde hem met vruchten, omwond hem met versche kruiden en gaf hem aan Zeus; deze gaf haar echter den horen terug met de belofte dat zij alles wat zij wenschte er uit zou kunnen krijgen.--V. a. is Amalthea de naam van deze nimf, die Zeus met de melk der geit zou opgevoed hebben. De horen werd zoo de beroemde horen van overvloed (cornu copiae). Later gaf Amalthea hem aan Achelous, die zijn eigen horen, in een gevecht met Heracles afgebroken, daartegen inruilde.--2) een Sibylle van Cumae.

Amaltheum, ook Amalthea, landgoed van T. Pomponius Atticus in Epirus, aldus geheeten naar een vroeger daar aanwezig heiligdom der nimf Amalthea. Het was rijk aan plataanboomen. Naar het model van Atticus legde Cicero te Arpinum een dergelijk zomerverblijf aan.

Amanicae portae, Amanikai pylai, naam van twee bergpassen in het Amanusgebergte, z. Amanus.

Amantia, Amantia, stad in het Noorden van Epirus, nabij Oricum.

Amanus, Amanos, een hoog en steil gebergte, dat zich in het noordoosten van Cilicia van den Taurus afscheidt en in twee takken het dal aan de golf van Issus insluit. De bergpas in den westelijken tak, waardoor Alexander de Groote uit de cilicische vlakte het dal van Issus binnentrok heet pylai Amanikai of Amanides. In den oostelijken tak lagen de pylai Kilikias kai Syrias, die Cyrus de jongere op zijn tocht tegen Artaxerxes Mnemon doortrok, en die van weerszijden versterkt waren, waarop, indien men als Alexander den weg naar Phoenice insloeg, nog een pas, portae Syriae, volgde. Noordelijker in den oostketen lag de pas, waardoor koning Darius in den rug van Alexanders leger kwam, zoodat deze terug moest trekken om den vijand te ontmoeten. Deze noordelijke pas wordt ook slechts aangewezen door den naam portae Amanicae. De Amanus was een waar rooversnest, waar zich in den romeinschen tijd de zoogenaamde Eleutherocilices of vrije Ciliciërs ophielden. Cicero voerde als stadhouder van Cilicia strijd tegen hen en verwierf zich den titel van imperator.

Amardi of Mardi, Amardoi, Mardoi, een oorlogzuchtige en machtige stam in Media, ten Z. van de Caspische zee.

Amarynceus, Amarynkeus, zoon van Onesimachus of Alector of Pyttius, koning der Epeërs. Hij stond Augias bij in zijn strijd tegen Heracles en werd daarvoor door hem tot mederegent aangenomen.

Amarynthus, Amarynthos, vlek aan de W.-kust van Euboea, behoorende tot het gebied van Eretria, met een beroemden Artemistempel.

Amasenus, riviertje in Latium, dat door de pontijnsche moerassen liep en zich in den Ufens (z.a.) ontlastte.

Amasia, beter Amasea, Amaseia, versterkte stad in Pontus, residentie der pontische koningen, geboorteplaats van den geograaf Strabo. Door de stad stroomde de Iris. De hooggelegen burcht werd voor onneembaar gehouden.

Amasis, 1) Amosis, eerste koning van de 18de aegyptische dynastie, die de Hyksos uit Aegypte verdreven heeft. Daar men de Hyksos als stamvaders der Israëlieten beschouwde, wordt Amasis (Amosis) vaak bij Joodsche en Christelijke schrijvers genoemd.--2) Amasis, een Aegyptenaar van lage afkomst, vertrouwde van koning Apriës. Toen hij eens door dezen was uitgezonden om een opstand in het leger te dempen, vereenigde hij zich met de opstandelingen; Apriës werd onttroond en Am. tot koning verheven (569). Hij bevorderde de vestiging der Grieken in Aegypte, gaf hun Naucratis, en trouwde zelfs met eene cyrenaeïsche vrouw. Onder hem bereikte Aegypte den hoogsten bloei, aan een oorlog met Nebucadnesar wist hij zonder verlies een einde te maken, maar daar hij zijn bondgenoot Croesus tegen Cyrus had geholpen of had willen helpen, haalde hij zich de vijandschap van dezen op den hals, en ook om deze reden viel Cambyses later Aegypte aan. Am. stierf echter nog voor dien tijd (526).--3) Schilder van zwartfigurige vazen, omstreeks het midden van de 6de eeuw, te Athene.

Amastris, Amestris, Amestrine, Amastris, Amestris, Amastrine, 1) gemalin van Xerxes, moeder van Artaxerxes I, om haar wreedheid berucht.--2; dochter van een broeder van Darius Codomannus. Bij de groote bruiloft te Susa werd zij aan Craterus tot vrouw gegeven. In 322 scheidde zij van hem en huwde zij met Dionysius, den tyran van Heraclea, en na diens dood (306) met Lysimachus van Thracië (302). Toen deze haar twee jaar later verstooten had, regeerde zij over Heraclea, totdat zij door haar eigen zoons vermoord werd (285). De groote schoone stad Sesamus, op eene landengte in Paphlagonië gelegen, werd door haar tot residentie gekozen, vergroot en naar haar Amastris genoemd.

Amastris, Amastris, stad in Paphlagonië, vroeger Sesamus, door Amastris no. 2 (z. a.) tot residentie gekozen.

Amata, echtgenoote van koning Latinus, had hare dochter Lavinia aan Turnus, koning der Rutuliërs, toegezegd en verzette zich tegen Lavinia's huwelijk met Aeneas. Na Turnus' dood hing Amata zich op. Zie Aeneas.

Amathus, genit. -untis, Amathous, 1) overoude phoenicische stad op de zuidkust van Cyprus, met een beroemden tempel voor Aphrodite en Adonis, en met kopermijnen in de nabijheid.--2) plaats in Palaestina, van den stam Gad, in Peraea.

Amatius, zie Marii no. 5.

Amazones, Amazones, Amazonides, een mythisch volk van krijgshaftige vrouwen, in en om de stad Themiscyra gevestigd. Zij duldden geen mannen bij zich dan voorzoover dit voor de instandhouding van haar geslacht noodzakelijk was, de mannelijke kinderen werden gedood of aan hun vaders gezonden. Soms worden zij dochters van Ares genoemd; of zij zouden hare mannen deels gedood, deels verjaagd hebben, of zij worden beschouwd als de overgebleven vrouwen van een scythisch volk, waarvan de mannen allen in den oorlog omgekomen waren. Nevens Ares vereerden zij alleen Artemis Tauropolus. In zeer oude tijden deden de Amazonen groote veroveringstochten naar Thracië, Syrië en Klein-Azië, waar zij ook verscheiden steden stichtten, zooals Ephesus e. a. Het graf van een harer koninginnen, Myrina, was bij de stad Troje te vinden. Met de grieksche heroën kwamen zij dikwijls in aanraking. Bij een veldtocht naar Lycië werden zij door Bellerophon verslagen, en toen zij in Phrygië een inval gedaan hadden, streed Priamus, toen nog een jong man, als bondgenoot der Phrygiërs tegen haar. Een van de werken van Heracles was dat hij den gordel van Hippolyte, de koningin der Amazonen, haalde, waarbij hij met het geheele volk te strijden had. Ook Theseus beoorloogde de Amazonen, hetzij op eigen hand, hetzij als bondgenoot van Heracles; bij die gelegenheid won hij de liefde van Antiope, de zuster van Hippolyte, en voerde haar mede naar Athene. De andere Amazonen deden daarop een inval in Attica, maar werden teruggeslagen. Na den dood van Hector kwamen zij Priamus te hulp en streden zij dikwijls dapper tegen de Grieken, totdat de koningin Penthesilea door Achilles gedood werd.--Nog ten tijde van Alexander den G. wordt eene koningin der Amazonen, Thalestris, genoemd. Overigens komen zij in den historischen tijd niet voor; men verhaalde dat zij, niet bestand tegen de aanvallen der grieksche helden, naar Libye verhuisd waren, of dat zij eindelijk hun eigenaardige leefwijze hadden laten varen, zich met scythische jongelingen verbonden en met hen het volk der Sauromaten voortgebracht hadden. Zij worden dikwijls in oude beeldhouwwerken voorgesteld als sterke vrouwen met een krijgshaftig uiterlijk, gewapend met speer, strijdbijl, schild, pijl en boog, een gordel om de heupen en een zwaard aan een bandelier over de borst hangend, maar nergens vindt men het verhaal bevestigd dat zij de jonggeboren meisjes de rechterborst zouden afgebrand hebben, opdat zij later gemakkelijker den boog zouden kunnen spannen, zoodat dit verhaal slechts als een mislukte poging tot verklaring van den naam Amazonen (als = amazoi) kan beschouwd worden.

Ambarri, volk in Gallia Transpadana ten W. van de Rhône, en aan beide zijden van den Arar (Saône). Lugdunum (Lyon) lag in hun gebied.

Ambarvalia, een jaarlijksch landelijk feest, in Mei, waarbij de landlieden een offer aan Ceres (vroeger aan Mars) brachten voor het goed gedijen der veldvruchten. Het offerdier werd, alvorens geslacht te worden, de velden rondgeleid; vandaar de naam. Zie ook Arvales fratres.

Ambiani, volk in Belgica. Hun naam is nog te herkennen in het tegenwoordig Amiens, vroeger Samarobriva, aan de Samara (Somme).

Ambibarii, gallisch volk aan het Kanaal.

Ambiorix, aanvoerder der Eburones, die langs de Mosa (Maas) woonden (van Namen tot Roermond). In den winter van 54/53 bewerkte Ambiorix een opstand der Eburonen tegen Caesar en sleepte ook de Nerviërs hierin mede.

Ambilareti, zie Ambivareti.

Ambitus. Oorspronkelijk beteekent dit woord alleen het rondgaan en het aanspreken der menschen, ten einde hen om hunne stem te verzoeken; doch allengs kreeg het de beteekenis van stemmenwerving door ongeoorloofde, strafbare middelen. Omkooping bij verkiezingen werd te Rome op groote schaal gedreven. Er waren geheime stemmenmakelaars, divisores, interpretes, die tegen betaling op zich namen een zeker aantal stemmen voor dezen of genen candidaat te leveren, en ook de politieke clubs, sodalicia, speelden in de omkoopingen eene groote rol. Strenge wetten hielpen niet; of de schuldigen bedreigd werden met zware boeten, met verbanning, met uitsluiting van alle ambten, het kwaad bleef voortwoekeren, totdat de monarchie aan de verkiezingen door het volk een einde maakte. Wel hadden er toen nog bij den senaat en later bij de keizerlijke ambtenaren en gunstelingen kuiperijen plaats om een of ander ambt te verkrijgen, doch deze ambitus was niet stelselmatig georganiseerd, zooals onder de republiek.

Ambivareti, Ambilareti of Ambluareti, gallisch volk, cliënten der Aeduërs.

Ambivariti, belgisch volk aan de Maas, in den omtrek van het tegenw. Namen.

Ambivius Turpio (L.), beroemd tooneelspeler ten tijde van Terentius.

Ambracia, Ambrakia, en Ambracius sinus. De ambracische golf, thans golf van Arta, is een inham der ionische zee, tusschen Acarnania en Epirus. Ten noorden daarvan, aan den Arachthus, lag de stad Ambracia (Arta), eene Corinthische volksplanting, ± 660 gesticht. De stad kwam spoedig tot bloei, en beheerschte den omtrek, maar in 426 leden de inwoners een zware nederlaag tegen de verbonden Acarnaniërs en Atheners. Koning Pyrrhus van Epirus verhief Ambracia tot residentie en versierde het met fraaie gebouwen. In 189 werd de stad door M. Fulvius Nobilior (zie Fulvii no. 11) veroverd, en werden de kunstwerken naar Athene vervoerd. Augustus bracht de bevolking van Ambracia gedeeltelijk over naar Nicopolis, dat door hem aan de kust gesticht werd ter gedachtenis aan den zeeslag bij Actium.

Ambrones, Ambrones, waarschijnlijk een germaansche stam, die zich bij de Teutones aansloot en met dezen door C. Marius in 102 bij Aquae Sextiae verslagen werd.

Ambrosia, Ambrosia. 1) Evenals ambrosios als bepaling wordt toegevoegd aan allerlei zelfstandigheden die ten gebruike der goden of van goddelijke wezens dienen, zoo worden sommige van die zelfstandigheden zelve ambrosia genoemd, bijv. zalfolie der goden, voeder voor hunne paarden, enz. Later was ambrosia in het bijzonder de spijs der goden, terwijl zij volgens oudere begrippen alleen den godendrank, nectar, gebruikten, die ook soms ambrosia genoemd wordt.--2) eene der Hyaden, die Dionysus te Dodona opvoedden.

Ambrosus, Ambrysus, Ambrosos, Ambrysos, Amphrysos, stad in Phocis, ten zuiden van den Parnassus. Niet ver vandaar lag de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde.

Ambubaiae, vrouwelijke muzikanten, tevens danseressen, die in herbergen en publieke plaatsen optraden en niet in den besten reuk stonden. De naam schijnt uit het Syrisch te zijn afgeleid.

Ambulatio, een wandelweg, hetzij overdekt (= porticus) in particuliere huizen, en in de stad, hetzij onoverdekt, op buitenplaatsen (= xystum, z. a.). In het krijgswezen beteekent het de oefening in het marcheeren. De gewone pas heet plenus gradus, de versnelde pas decursio.

Amburbium, een reinigingsfeest, waarbij, evenals bij de Ambarvalia (z. a.) de akkers, de stad gereinigd werd door de offers er om heen te dragen, en dan te slachten. Het feest komt nog in den laten keizerstijd voor, en wordt gewoonlijk op den 2den Febr. gevierd.

Ambusti, zie Fabii no. 8-13.

Amenanus, Amenanos, riviertje op Sicilia, dat door Catana stroomde en nu en dan uitdroogde.

Ameria, oude stad in Umbria, romeinsch municipium, met wijnbergen, de geboorteplaats van S. Roscius (z. Roscii no. 1).

Amestratus, Amestratos, stad op de noordkust van Sicilia, dicht bij Calacte.

Amida, thans Diarbekir, stad in Armenia in het landschap Sophene nabij de bronnen van den Tigris. Onder keizer Constantius werd het een belangrijke vesting. In 359 na Chr. werd de stad door Sapor, den koning van het Nieuw-Perzische rijk ingenomen.

Aminias, Ameinias, Athener, die na den slag bij Salamis met den prijs der dapperheid bekroond werd. V. s. was hij een broeder van Aeschylus.

Amipsias, Ameipsias, atheensch blijspeldichter; ofschoon Aristophanes, wiens tijdgenoot hij was, met minachting over hem spreekt, behaalde hij in 414 den eersten prijs.

Amisia, thans de Eems. De Bructeri werden in 12 door Drusus in een scheepsgevecht op deze rivier verslagen.

Amisus, Amisos, aanzienlijke pontische stad, aan den sinus Amisenus, eene golf der Zwarte zee. De stad was eene der residentiën van koning Mithradates VI.

Amiternum, oude stad der Sabijnen, geboorteplaats van den geschiedschrijver Sallustius.

Ammianus Marcellinus, een Griek uit Antiochia in Syria, die tot omstreeks 400 na C. leefde. Tijdens keizer Constantius diende hij in het aanzienlijke corps der protectores domestici, en maakte als adjudant van den magister equitum Ursicinus al diens veldtochten (353-360) mede; in 363 nam hij deel aan den Perzischen veldtocht van keizer Julianus. Daarna woonde hij langen tijd ambteloos te Antiochia, tot hij ten slotte na lange reizen zich te Rome vestigde. Daar schreef hij een zeer belangrijk en uitvoerig verhaal der gebeurtenissen van den dood van Domitianus tot op dien van Valens (96-378), rerum gestarum libri XXXI, waarvan echter de eerste 13 boeken verloren zijn. Hetgeen over is, omvat den tijd van 353 tot 378.

Ammon, Ammon, een aegyptisch god, die later door Grieken en Romeinen als Zeus of Jupiter vereerd werd. Zijn voornaamste tempel met orakel, in de oase Ammonium in de woestijn Sahara gelegen, werd door Alex. d. G. bezocht. Hij werd voorgesteld als een ram, of met een ramskop op een mannelijk lichaam. Wanneer het orakel geraadpleegd werd, droegen de priesters het beeld van den god rond in een verguld scheepje, waarin aan beide kanten zilveren schalen hingen, terwijl vrouwen en meisjes het volgden en in een eenvoudig lied den god om een duidelijk antwoord smeekten.

Ammonium, Ammoneion, de oase der libysche woestijn, waar de tempel van Jupiter Ammon stond.

Ammonius, Ammonios, 1) academisch wijsgeer uit de 2de helft van de eerste eeuw na C., leeraar van Plutarchus.--2) gewoonlijk naar zijn vroeger beroep Sakkas, (zakkendrager), door anderen Theodidaktos genoemd, leefde tusschen 175 en 250 na C. te Alexandrië. Om het christendom, waartoe hij aanvankelijk zelf behoord had, te bestrijden, vereenigde hij de leerstellingen der oude wijsgeeren, vooral van Plato en Aristoteles, tot een nieuw stelsel, de zoogenaamde nieuw-platonische leer. Hij vormde vele leerlingen, die later naam verworven hebben, o.a. Plotinus en Longinus. Ook Origenes behoorde tot zijn leerlingen.--3) grammaticus, leefde omstreeks 400 na C. te Alexandrië; hij schreef een werk over synonymen, dat bewaard gebleven is. Waarschijnlijk is het werk oorspronkelijk van Herennius Philo (zie Philo no. 8), en heeft Ammonius het slechts overgewerkt.

Amnestia, lex oblivionis, eene verklaring die soms na eene omwenteling door de overwinnende partij gegeven werd, waarbij zij beloofde het kwaad, haar door de tegenpartij aangedaan, niet te gedenken (me mnesikakesein), zoodat niemand voor hetgeen hij in dien tijd als staatsman gedaan had vervolgd konde worden. Vooral wordt dikwijls de amnestie genoemd die, op raad van Thrasybulus, na de verdrijving der dertig uit Athene (403) gegeven werd.

Amnisus, Amnisos, havenstad van Cnossus, op Creta.

Amompharetus, Amompharetos, een spartaansch lochaag, die in den slag bij Plataeae roemrijk sneuvelde, nadat hij door zijn onwil om tegenover de vijanden zijn plaats te verlaten de bewegingen der Spart. vertraagd had.

Amor, z. Eros.

Amorgus, Amorgos, een der Sporadische eilanden in de Aegaeische zee, geboorteplaats van den iambendichter Simonides (de lierdichter was van Ceos). Onder de Romeinsche keizers was Amorgus een verbanningsoord.

Ampelius (L.), schrijver uit den keizertijd van een boek, getiteld liber memorialis, dat in het kort handelt over kosmographie, geographie, mythologie en geschiedenis.

Ampelus, Ampelos, Satyr uit het gevolg van Dionysus, die in een wijnstok veranderd werd.

Ampelus, Ampelos, naam van drie kapen, op Chalcidice, op Samus en op de oostkust van Creta.

Ampelusia, kaap van Mauretania nabij het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar).

Amphea, Ampheia, grensstad van Messenia. De roof van laconische meisjes, in den nabijgelegen tempel van Artemis door messenische jongelingen gepleegd, deed den eersten messenischen oorlog uitbreken.

Amphianax, Amphianax, koning van Lycië. Hij gaf aan Proetus, die door Acrisius uit Argolis verdreven was, zijne dochter tot vrouw en voerde hem naar zijn vaderland terug. Sedert bleef hij in Tiryns wonen, dat de Cyclopen voor hem met een muur omgaven.

Amphiaraides, Amphiaraïdes, Alcmaeon, de zoon van Amphiaraus.

Amphiaraus, Amphiaraos, zoon van Oïcles of Apollo en Hypermnestra, beroemd argivisch profeet en dapper held, zooals hij bij de calydonische jacht en bij den Argonautentocht toonde. Hij had eerst Adrastus uit Argos verdreven, maar later verzoenden zij zich en huwde Amph. met Eriphyle, de zuster van Adrastus, bij wie hij twee zoons, Alcmaeon en Amphilochus, en twee dochters, Eurydice en Demoanassa, had. Toen Adrastus den tocht tegen Thebe ging ondernemen, hield Amph. zich schuil, daar hij voorzag dat hij zou omkomen, indien hij aan dien tocht deel nam. Maar Eriphyle, omgekocht door het gouden halssnoer van Harmonia, verried hem en dus was hij genoodzaakt mede te gaan. Voor zijn vertrek droeg hij aan zijn zonen op hem te wreken. In weerwil van zijne heldendaden werd Amph. toch bij de vlucht van de belegeraars meegesleept en zou hij in de handen der vijanden gevallen zijn, zoo niet Zeus de aarde door een bliksemstraal had doen opensplijten, zoodat de vrome held door de opening verzwolgen werd. Bij Oropus, waar hij als god uit de aarde opgestegen zou zijn, was later een zeer rijke tempel, waarbij de bron van Amph. gelegen was, met een beroemd orakel. Zij die dit orakel kwamen raadplegen, offerden een zwarten ram en sliepen 's nachts in den tempel op de vacht daarvan; in hunne droomen ontvingen zij dan de mededeelingen van den god. Ook bij Thebe waar hij in de aarde verdwenen was, en op andere plaatsen waren tempels van Amph.

Amphicaea, Amphiclea, Amphikaia, Amphikleia, stadje in Phocis, aan den noordelijken voet van den Parnassus gelegen.

Amphictyon, Amphiktyon, 1) koning van Athene. Hij huwde met eene dochter van den attischen koning Cranaüs en verdreef zijn schoonvader om in zijne plaats te regeeren, maar na twaalf jaren werd hij op zijne beurt door Erichthonius verjaagd. Aan de gastvrije ontvangst die Dionysus bij hem ten deel viel, schreef men de verplaatsing van den Dionysusdienst van Eleutherae naar Athene toe.--2) zoon van Deucalion en Pyrrha, de stichter van het Amphictyonenverbond.

Amphictyones, Amphiktyones, zooals gewoonlijk geschreven wordt, of Amphiktiones, zooals waarschijnlijk de juistere spelling is, heetten de volken, die rondom een voornamen tempel woonden, wanneer zij zich tot een verbond (Amphictyonie, Amphiktyonia) vereenigd hadden, waarvan het doel was dit heiligdom te beschermen. Uit zulk eene overeenkomst ontstonden licht weder andere betrekkingen, vooral verbonden zich de leden der Amphictyonie tegenover elkander zekere regels van het volkenrecht in acht te nemen. De beroemdste Amphictyonie is die van Delphi en Thermopylae, die dikwijls kortweg de Amphictyonie genoemd wordt. Zij bestond uit twaalf volken met hunne koloniën, (Thessaliërs, Boeotiërs, Doriërs, Ioniërs, Perrhaeben, Magneten, Locriërs, Oetaeërs of Aenianen, phthiotische Achaeërs, Maliërs, Phocensers, Dolopen). Dit zeer oude verbond belastte zich voornamelijk met het beheer en de verdediging van den delphischen tempel en later ook van de pythische spelen; ter bespreking van de gemeenschappelijke aangelegenheden hield het jaarlijks twee vergaderingen, in het voorjaar en in het najaar, te Delphi en te Anthela bij den tempel van Demeter Amphictyonis. Elk der twaalf leden van het verbond zond naar zulk eene vergadering (synedrion) zijne afgevaardigden, die deels hieromnemones, deels pylagorai genoemd worden, hoewel het niet bekend is, in welke betrekking die twee soorten van afgevaardigden tot elkander stonden. Misschien vormden de eerstgenoemden een soort permanent bestuur, terwijl de pylagorai alleen als afgevaardigden de vergaderingen bezochten. Gehoorzaamheid aan de besluiten der vergadering werd, zoo noodig, door de verbonden staten met geweld afgedwongen, en meer dan eens in den loop der geschiedenis werden zij tot den zoog. heiligen oorlog opgeroepen (z. Phocis en Amphissa). Sedert den macedonischen tijd schijnt het aanzien van het verbond gedaald te zijn, en Augustus voerde eene nieuwe organisatie in, waarbij de stemmen geheel willekeurig verdeeld werden.--Verder worden nog genoemd de Amphictyonieën van Calauria, van Onchestus en van Delus.

Amphidamas, Amphidamas = Iphidamas no. 1.

Amphidromia, een huiselijk feest, dat eenige dagen na de geboorte van een kind gevierd werd. Na verschillende reinigingsplechtigheden werd de jonggeborene door een van de vrouwen, gevolgd door de andere feestgenooten, in snellen pas rondom den haard gedragen, waarop een maaltijd volgde, waartoe vrienden en bloedverwanten bijdragen plachten te zenden. Bij deze gelegenheid verklaarde de vader of hij zich al of niet met de opvoeding van het kind wilde belasten.

Amphilochia, Amphilochia, berglandschap ten Oosten der ambracische golf, eerst tot Acarnania, later tot Aetolia behoorende, en bewoond door een epirotischen stam. De hoofdstad heette Argus Amphilochicum.

Amphilochus, Amphilochos, zoon van Amphiaraus en Eriphyle. Hij trok met de Epigonen tegen Thebe op, hielp Alcmaeon bij het dooden hunner moeder en nam ook deel aan den tocht tegen Troje. Hij was een beroemd waarzegger en deed na afloop van den trojaanschen oorlog met Calchas en Mopsus een reis door Klein-Azië, waar zij verscheiden orakels stichten, o.a. dat te Mallus in Cilicië, waar Amph. Mopsus achterliet, toen hij naar Argos terugkeerde. Doch toen hij later terugkwam en aandeel aan de regeering verlangde, ontstond er tusschen hen een strijd waarbij beiden vielen. Hij of een andere Amph., zoon van Alcmaeon, wordt de stichter van Argos Amphilochicum genoemd. Na zijn dood werd hij te Athene, Sparta, Oropus, Mallus en andere plaatsen als halfgod vereerd.

Amphion, Amphion, zoon van Zeus en Antiope. Met zijn tweelingbroeder Zethus werd hij op den Cithaeron te vondeling gelegd en door herders opgevoed. Later, toen Antiope door haar oom Lycus gevangen gehouden en door Dirce, zijne gemalin, mishandeld werd, zocht zij hare zonen op, die haar wreekten door Dirce aan de horens van een woedenden stier te binden, een lot, dat zij Antiope had toegedacht; op bevel van Hermes spaarden zij Lycus echter, die nu de heerschappij over Thebe aan Amph. afstond. Deze regeerde sedert dien tijd gelukkig en huwde met Niobe (z. a.). V. a. moest hij echter na den dood van Dirce Thebe verlaten en zich naar Athene begeven. Amph. was een beroemd zanger, hij had van Apollo, Hermes of de Muzen een gouden lier gekregen, die hij zoo meesterlijk bespeelde, dat op het geluid de steenen zich van zelven tot een muur vormden, die de stad Thebe omgaf. Hij en Zethus liggen te Thebe in hetzelfde graf en worden daar op gelijke wijze vereerd als de Dioscuren te Sparta. Op verscheidene plaatsen in Boeotië zouden zij steden en orakels gesticht hebben.

Amphipolis, Amphipolis, stad in dat deel van Macedonië, dat vroeger tot Thracië gerekend werd, op een heuvel in een bocht van de rivier den Strymon gelegen, waaraan de naam ontleend is. Aan den mond van den Strymon lag de haven Eïon. Oorspronkelijk heette het ennea hodoi, en schijnt toen reeds eene belangrijke plaats van het landschap Edonis te zijn geweest. Althans, zoowel van Miletus als van Athenae uit, werden herhaalde pogingen aangewend, om daar eene volksplanting te stichten; doch de krijgshaftige Edoniërs sloegen de aanvallen af, totdat het in 437 aan de Atheners gelukte, zich van de stad der negen wegen meester te maken. De band tusschen Amphipolis en Athene was echter nooit sterk, daar onder de volksplanters betrekkelijk weinig geboren Atheners waren. In 424 viel het in handen van den Spartaan Brasidas, die in 422 met den Athener Cleon hier sneuvelde. In 358 kwam Amphipolis in het bezit van Philippus van Macedonië, voor wien het door het bezit der rijke goud- en zilvermijnen in den nabijgelegen mons Pangaeus eene groote aanwinst was; onder de Romeinen werd de stad hoofdplaats van eene der vier republieken, waarin Macedonia na Perseus' nederlaag tijdelijk werd verdeeld.

Amphiprostylus, amphiprostylos, tempel of ander gebouw met een open portaal vóór en achter zooals op nevenstaande teekening is aangegeven.

Amphis, Amphis, blijspeldichter uit het middelste tijdperk der comedie, die in zijne 26 stukken meerendeels maatschappelijke toestanden tot onderwerpen koos.

Amphissa, Amphissa, stad der ozolische Locriërs op eene door bosschen ingesloten hoogvlakte. Doordat de inwoners beschuldigd werden, landerijen in bezit genomen te hebben, die aan den delphischen tempel toebehoorden, ontstond de laatste heilige oorlog (340-339), waarin Philippus van Macedonië Amphissa verwoestte, doch zich tevens van de phocensische bergvesting Elatea meester maakte. Later werd Amphissa herbouwd en onder de romeinsche heerschappij was het eene civitas libera.

Amphitheatrum, amphitheatron, rond of ovaalrond gebouw, met open binnenruimte, voornamelijk bestemd voor dieren- en gladiatorengevechten. De buitenmuur bestond uit twee of meer rijen bogen of arcaden boven elkander, meestal zóó, dat de verschillende verdiepingen door zuilen van verschillende bouworden gedragen werden. In het midden van de binnenruimte was de arena, het strijdperk, omgeven door de zitplaatsen voor de toeschouwers. Deze arena was door een muur omringd, waarin verschillende deuren, die toegang gaven tot de hokken der wilde dieren en tot het lijkenhok, waarheen de lijken der gedoode zwaardvechters werden gesleept. Deze laatste deur werd porta Libitina geheeten, naar Libitina, de oud-italische doodsgodin. Boven den ringmuur verhief zich veiligheidshalve nog een stevig traliewerk. Onmiddellijk achter dit traliewerk had men het podium (A), een balcon of loge voor overheden en senatoren en vreemdelingen van rang. Hierachter kwamen gewoonlijk in drie rangen, caveae, de overige zitplaatsen, trapsgewijze opklimmende. Deze rangen verhieven zich weder verdiepingsgewijze boven elkander en werden gescheiden door muren (baltei), die ze als gordels omgaven, zoo dat in elken balteus de poorten (B, C) waren, die toegang verleenden tot den daarvoor gelegen rang. Geheel in de hoogte achteraan was nog eene overdekte galerij (D) voor vrouwen. Overigens waren de zitplaatsen onder den blooten hemel; doch tot beschutting tegen zonneschijn en regen werden boven de hoofden zeilen (vela, velaria) uitgespannen, die door masten omhoog werden gehouden. De zitplaatsen werden door gangpaden in wigvormige afdeelingen, cunei, gesneden. Wij hebben hierboven voor de duidelijkheid gesproken van rangen; daarbij denke men slechts aan verschil van plaats, niet van stand of prijs; want de spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden, en de toegang was derhalve kosteloos.--De amphitheaters dagteekenen uit de eerste eeuw v. Chr.; het eerste van steen werd eerst tijdens Augustus opgericht door Statilius Taurus. Het grootste is het amphitheatrum Flavium, door Vespasianus begonnen en in 80 na Chr. door Titus ingewijd, met 50000 zitplaatsen. Een gedeelte er van is nog te Rome in wezen en bekend als il Colosseo (onderste gravure).

Amphitrite, Amphitrite, eene Nereïde. Poseidon dong naar hare hand, maar daar zij ongehuwd wilde blijven, vluchtte zij naar Atlas, die haar verborg. De dolfijn van Poseidon spoorde haar echter op en zoo werd zij de gemalin van den god, wien zij drie kinderen baarde, Triton, Rhode en Benthesicyme. Haar naam wordt dikwijls als personificatie van de zee gebruikt.

Amphitryo, Amphitryon, zoon van koning Alcaeus van Tiryns. Toen de Taphiërs de kudde van zijn oom Electryon geroofd hadden en deze ten strijde trok om ze terug te halen, gaf hij zijn rijk aan Amph. met de belofte, dat hij hem, wanneer de roof gewroken zou zijn, zijne dochter Alcmene tot vrouw zoude geven. Door een noodlottig toeval doodde Amph. zijn oom voordat de oorlog beslist was, waarom hij door Sthenelus uit Tiryns verjaagd werd; hij ging naar Thebe en Alcmene volgde hem. Creon, zijn moeders broeder, reinigde hem van zijn bloedschuld en beloofde hem hulp tegen de Taphiërs, wanneer hij den wilden vos, die toen het land verwoestte, wist te vangen of te dooden. Hoewel de vos volgens een orakel niet ingehaald konde worden, nam Amph. die taak op zich en leende van een Athener, Cephalus, een hond, die alles konde inhalen. Zeus veranderde beide dieren in steenen, waarop Creon de toegezegde hulp verleende. Amph. veroverde Taphus en schonk het rijk aan Cephalus, terwijl hij naar Thebe terugkeerde en met Alcmene huwde, bij wie hij vader werd van Iphicles. Hij sneuvelde in een slag tegen de Minyers.

Amphitryoniades, Amphitryoniades, Heracles, als zoon van Alcmene, de gemalin van Amphitryo.

Amphora, amphoreus, amphiphoreus, soort van groote kruik met twee ooren, van onder in een punt uitloopende, zoodat zij niet kon blijven staan zonder steun. Wilde men eene kostbare amphora op een pronktafeltje zetten, dan moest er in het blad een gat of eene uitholling zijn. Voornamelijk dienden de amphorae tot bewaring van wijn. Ook werd amphora gebruikt als maat voor natte waren = ruim 1/4 hectoliter, waaruit blijkt, dat men zich de amphora niet te klein moet voorstellen. Soms heeft zij een tuit.

Amphoterus, Amphoteros, 1) z. Acarnan.--2) broeder van Craterus, bevelhebber op de vloot van Alexander.

Amphrysus, Amphrysos, 1) riviertje in Z.O. Thessalia, dat in de Pagasaeische golf uitstroomt, en aan welks oevers Apollo de kudden van Admetus weidde. Daarom spreekt Vergilius van Amphrysia vates = Sibylla.--2) = Ambrosus.

Ampia Labiena (lex) de Cn. Pompeio, 63, een plebisciet van de volkstribunen T. Ampius Balbus en T. Labienus, waarbij aan Pompeius werd toegestaan, bij de openbare spelen een lauwerkrans te dragen en zich bij de circensische spelen in liet gewaad van een zegepralend veldheer te vertoonen.

Ampii, plebejisch geslacht.

Ampliatio, verdaging van de verdere behandeling eener rechtzaak. Zie Acilia (lex) de repetundis.

Ampsaga, kustrivier in Noord-Africa, waaraan Cirta lag. Sedert 25 vormde ze de westgrens van de nieuwe provincie Numidia of Africa Nova.

Ampsanctus lacus, meertje bij Aeculanum in Samnium. Er stegen verpestende dampen uit op; daarom hield men het voor een van de ingangen tot de onderwereld.

Ampsivarii, volk aan de Beneden-Eems. Ten tijde van Nero werden ze door de Chauken uit hun land gejaagd, en wilden toen een strook lands aan den rechter oever van den Rijn in bezit nemen, dien eerst de Chamaven, daarna de Tubanten en Usipii en ten slotte de Friezen voor een korten tijd bezet hadden. Dit stonden de Romeinen niet toe, en na lang ronddolen werden nu de Ampsivarii door de omwonende stammen bijna geheel vernietigd. Wat er van over bleef, vormde later een onderdeel van de Franken.

Ampulla, flesch of karaf. Men vond ze evenals nu in allerlei vormen of fatsoenen, tot de met leder omwonden jacht- of reisflesch toe. Ook het latijnsche woord voor lekythos (z.a.).

Ampycides, Ampykides, Mopsus, zoon van den Lapithe Ampyx.

Amulius, de broeder van Numitor, die dezen van de regeering over Alba Longa beroofde en Romulus en Remus in den Tiber liet werpen.

Amyclae, Amyklai, 1) stad in Laconica, ten Z.O. van Sparta. Ook na de dorische verovering bleef te Amyclae nog bijna twee eeuwen lang een achaeïsch staatje gevestigd, tot eindelijk de Spartanen bij verrassing de stad bezetten. Hier behoort de mythe te huis van Leda en de zwaan; de Dioscuren worden ook wel Amyclaei fratres genoemd.--2) stad in Latium, ook Amunclae geheeten, in het gebied van Fundi, tusschen Tarracina en Caieta (Gaëta) aan de kust gelegen, in eene moerassige streek, doch door de inwoners verlaten wegens de menigte slangen of adders. Vandaar de woorden tacitae Amyclae.

Amyclaeus, Amyklaios, bijnaam van Apollo, onder welken hij te Amyclae vereerd werd. Daar was een overoud, zeer hoog standbeeld van den god, bestaande uit een rechte metalen zuil, waaraan een met een helm bedekt hoofd, voeten en handen met een boog en lans gezet waren. Later werd het beeld met een kunstig gebouwde kapel omgeven.

Amyclides, Amykleides, Hyacinthus, de zoon van Amyclas, koning in Laconië, den stichter van Amyclae.

Amycus, Amykos, de zoon van Poseidon en de nimf Melië, koning der Bebrycen, dwong alle vreemdelingen, die in zijn gebied kwamen, zich in het vuistgevecht, dat hij had uitgevonden en waarin hij zeer ervaren was, met hem te meten. Door Polydeuces, die met de Argonauten in zijn rijk landde, werd hij overwonnen en gedood of aan een boom gebonden; v. a. kocht hij zijn leven door te zweren, dat hij een bron, die hij tot nu toe voor vreemdelingen gesloten had gehouden, voor ieders gebruik zou openstellen.

Amymone, Amymone, dochter van Danaüs. Toen zij door haar vader, na zijne aankomst te Argos, werd uitgezonden om water te halen, werd zij door een Satyr aangevallen en door Poseidon gered. Zij vatte liefde voor haar redder op en werd bij hem moeder van Nauplius. De bron Amymone bij Argos was naar haar genoemd.

Amynander, Amynandros, koning der Athamanen, bondgenoot van de Romeinen en Aetoliërs in de oorlogen tegen Philippus III, (208-205, 200-197). Gedurende den oorlog der Romeinen tegen Antiochus d. G. werd hij door Philippus uit zijn rijk verjaagd (191); hij vluchtte naar de Aetoliërs, die hem eenige jaren later de regeering terug bezorgden. Hoewel hij de partij van Antiochus gekozen had en de consul M'. Acilius Glabrio zijne uitlevering van de Aetoliërs geëischt had, schijnt hij later met de Romeinen weder op vriendschappelijken voet gekomen te zijn.

Amyntas, Amyntas, 1) naam van eenige macedonische koningen, o.a. van den vader van Philippus (Am. III), die in 393 den overweldiger Pausanias van den troon stiet. Hij stierf in 370.--2) bevelhebber eener taxis in het leger van Alexander d. G., die zich meermalen door dapperheid onderscheidde. Hij werd met zijne drie broeders verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas, maar vrijgesproken; kort daarna sneuvelde hij (330).--3) een Macedoniër, die bij Darius Codomannus in dienst ging en na den slag bij Issus naar Aegypte vluchtte, waar hij spoedig met de Aegyptenaren twist kreeg en gedood werd.--4) schrijver, later veldheer van koning Deiotarus van Galatië. Na den dood van Cassius liep hij met zijne troepen tot Antonius over, die hem tot belooning koning over Galatië maakte (36), welke waardigheid ook Octavianus hem na den slag bij Actium liet behouden. Hij stierf in 25.

Amyntiades, Amyntiades, Philippus van Macedonië, zoon van Amyntas.

Amyntor, Amyntor, koning van Eleon in Thessalië, of van de Dolopen, vader van Phoenix, dien hij uit minnenijd vervloekte en verjoeg. Heracles, wien hij den toegang tot zijn gebied geweigerd had, doodde hem.

Amyrtaeus, Amyrtaios, de moeraskoning, die zich, nadat de opstand van Aegypte tegen Artaxerxes (z. Inarus) bedwongen was, nog geruimen tijd in de moerassen staande hield. Zijn zoon Pausiris behield later de regeering onder perzische heerschappij.

Amythaon, Amythaon, zoon van Cretheus en Tyro, stichter van Pylus in Messenië, vader van Bias en Melampus.

Amythaonidae, Amythaonidai, zonen en afstammelingen van Amythaon.

Anabathmoi, eene rij zitplaatsen, die bij wijze van een trap oploopen, ook eene zaal met zulke zitplaatsen, die voor voordrachten, muziekuitvoeringen en dgl. verhuurd werd.

Anacea, Anakeia, feest, dat in de meeste achaeïsche en dorische staten en ook te Athene, ter eere der Dioscuren gevierd werd. De Lacedaemoniërs vierden het zelfs wanneer zij in het veld waren.

Anaceum, Anakeion, tempel der Dioscuren, zooals men in zeer vele steden, ook te Athene, vond.

Anacharsis, Anacharsis, een scythisch prins, die uit weetgierigheid groote reizen ondernam, ook in Griekenland kwam, en te Athene met Solon kennis maakte. Hij wijdde zich daar aan de studie der wijsbegeerte en trok de algemeene aandacht door zijn vernuft en zijne eenvoudige leefwijze. In zijn vaderland teruggekeerd, wilde hij griekschen godsdienst en zeden invoeren en werd hij daarom door zijn broeder, koning Saulius, gedood. De brieven en gedichten die zijn naam dragen zijn onecht.

Anacreon, Anakreon, lyrisch dichter uit Teos. Nadat Ionië door Harpagus onderworpen was (545), begaf hij zich naar Abdera en later naar Samus, waar hij tot aan den dood van den tyran Polycrates (522) aan diens hof bleef. Vervolgens werd hij door Hipparchus naar Athene geroepen en bleef daar tot den val der Pisistratiden. Waarheen hij later gegaan is, is onzeker; hij stierf 85 jaar oud, te Teos of Abdera. Van zijne liederen, die door bevalligheid en eenvoudige taal uitmunten en door de ouden hoog geroemd en nog lang na zijn dood veel gezongen werden, bestaan nog slechts eenige overblijfselen; de zoogenaamde anacreontische liedjes (Anakreontika, -teia) zijn uit den alexandrijnschen tijd afkomstig.

Anactorium, Anaktorion, kaap en havenstad in Acarnania, aan de invaart der ambracische golf. De stad was een corinthische kolonie. Evenals de bevolking van Ambracia, werd ook die van Anactorium door Augustus naar het door hem gestichte Nicopolis gelokt.

Anadikia = palindikia.

Anadyomene, Anadyomene, de "uit zee opstijgende," bijnaam der uit het schuim der zee geborene Aphrodite. Zoo werd zij voorgesteld op een schilderij, die voor het meesterstuk van Apelles gold en in den tempel van Asclepius op het eiland Cos hing, waar zij door Augustus voor 100 talenten gekocht en naar Rome medegenomen werd.

Anaea, Anaia, stad in Ionia, ten Z. van Ephesus, tegenover Samus.

Anagnia, Anagnia, hoofdstad der Hernici in Latium, op een berg gelegen met schoone omstreken. In 306 viel de stad van Rome af, en werd, na het bedwingen van den opstand door den consul Q. Marcius Tremulus (Marcii no. 18), tot een praefectura gemaakt. Cicero had hier een landgoed, Anagnium.

Anagnostes, Anagnostes, een slaaf, die zijn heer aan tafel, in het bad en in ledige uren voorlas. Ook iemand die in het openbaar voordrachten houdt. In den christelijken tijd een kerkelijk ambt (= lector).

Anagogia, Anagogia, een feest dat op den berg Eryx op Sicilië ter eere van Aphrodite gevierd werd bij gelegenheid van hare jaarlijksche reis naar Libye, vanwaar zij na negen dagen terugkeerde, vgl. Catagogia. Ook op Delus werd een dergelijk feest ter eere van Apollo gevierd.

Anaitis, Anaiitis, eene godin, die in verscheiden aziatische landen vereerd werd. Hare priesters waren tot een afgesloten stand met eigen bezittingen verbonden. De Grieken zagen in haar een maangodin en identificeerden haar met Aphrodite of Artemis.

Anakalypteria, de tweede of derde dag van het huwelijk, waarop de vrouw zich het eerst ongesluierd vertoonde. Ook de geschenken, die op dien dag aan de jonggehuwden gegeven en met een plechtigen optocht naar hunne woning gebracht werden. Ter eere van het huwelijk van Hades en Core werden op Sicilië en elders anakalypteria gevierd.

Anakrisis, voorloopig onderzoek, in het bizonder de instructie in een proces, die aan de behandeling voor de rechtbank voorafging en door een magistraat geleid werd. Bij de anakrisis werden getuigen gehoord, bewijzen onderzocht enz. Wanneer de aanklager hierbij niet verscheen, verviel de aanklacht, terwijl hij, indien het eene graphe betrof, 1000 drachmen verloor en het recht om later zulke aanklachten te doen; de aangeklaagde werd, wanneer hij wegbleef, in contumaciam veroordeeld.

Anaphe, Anaphe, eilandje in de Aegaeische zee, tot de Sporaden behoorende, ten oosten van Thera gelegen.

Anaphlystus, Anaphlystos, attische demus behoorende tot de phyle Antiochis, in het zuidoosten van Attica gelegen, met een versterkte haven.

Anapus, Anapos, naam van twee rivieren, waarvan de eene in Acarnania lag, een zijtak van den Achelous, en de andere op Sicilia, die ten zuiden van Syracusae zich door moerassen in zee stort. Als riviergod komt laatstgenoemde stroom bij Ovidius o. a. voor als de minnaar der bronnimf Cyane.

Anarrysis, de tweede dag der Apaturia.

Anartes, volksstam in Dacia, aan beide oevers van den bovenloop van den Theiss.

Anas, rivier in Hispania, thans Guadiana. Ze vormt de grens tusschen de provincies Baetica en Lusitania.

Anathema, anathema, heet alles wat aan een god gewijd en in zijn tempel of heiligdom nedergezet wordt, dikwijls voorwerpen van groote kostbaarheid en kunstwaarde.

Anatocismus, anatokismos, het berekenen van rente op rente. Had dit plaats telkens na afloop van een jaar, dan sprak men van anatocismus anniversarius.

Anaumachiou graphe of dike, aanklacht wegens het niet deelnemen aan een zeeslag. De zaak werd voor de strategen behandeld, de straf was atimie.

Anava, ta Anaua, stad in Phrygia, tusschen Celaenae en Colossae, aan het zoutmeer Ascania.

Anax, Anax, vorst, heer; met dien bijnaam worden ook verschillende goden genoemd; de Dioscuren dragen dikwijls kortweg den naam Anactes, ook Anaces (Anaktes, Anakes).

Anaxagoras, Anaxagoras, geb. te Clazomenae omstreeks 500, kwam, na vele landen bezocht te hebben, in 456 te Athene, waar hij als leeraar der wijsbegeerte optrad. Tot zijne leerlingen behoorden Euripides en Thucydides, terwijl hij met Pericles zeer bevriend werd. Volgens An. bestaat de stof, zelfs in hare kleinste deelen, uit een oneindig aantal soorten, de stofdeeltjes van elke soort zijn echter gelijk, zoowel aan elkander, als aan de lichamen die er uit bestaan. De stof lag oorspronkelijk onbewegelijk in eene verwarde massa, totdat de geest (nous) er op werkte en eene scheiding (diakrisis) van ongelijksoortige en vereeniging (synkrisis) van gelijksoortige stofdeeltjes veroorzaakte. De hierdoor ontstane lichamen kan men dus homoiomere noemen, hoewel nooit eene volkomen scheiding of vereeniging tot stand komt en dus ieder lichaam vreemde stofdeelen bevat; alleen de onstoffelijke nous is eenvoudig, onvermengd, zuiver. De stofdeeltjes zelve noemde An. spermata of chremata, lateren homoiomereiai. Wegens deze leer werd An. kort voor den peloponnesischen oorlog, naar men zegt door politieke tegenstanders van Pericles, van goddeloosheid aangeklaagd. V. s. werd hij ter dood veroordeeld, maar door Pericles in staat gesteld te vluchten, v. a. werd hij verbannen, of hij werd vrijgesproken, maar verliet uit ontevredenheid de stad. Zooveel is zeker dat hij zich na dit proces naar Lampsacus begaf, waar hij, 72 jaar oud, stierf.

Anaxander, Anaxandros, koning van Sparta, hij leefde tijdens den tweeden messenischen oorlog.

Anaxandridas, Anaxandridas, 1) naam van eenige spartaansche koningen, o. a. van den vader van Leonidas.--2) geb. te Camirus, leefde omstreeks 375 als blijspeldichter te Athene, waar hij in hoog aanzien stond als een aangenaam en verstandig mensch en fijn opmerker. Van zijne 65 stukken, de eerste waarin liefdesavonturen voorkomen, is bijna niets over.

Anaxarchus, Anaxarchos, van Abdera, leerling van Democritus, vergezelde Alex. d. G. op zijne veldtochten en werd eudaimonikos bijgenaamd. Volgens het verhaal zou hij door den tyran Nicocreon van Cyprus, wegens een hem aangedane beleediging, in een vijzel verpletterd zijn.

Anaxarete, Anaxarete, een cyprisch meisje, dat door den herder Iphis bemind werd, maar hem zoo koel behandelde, dat hij zich voor hare deur ophing. Toen zij zelfs bij het zien van zijn lijk niet getroffen werd, veranderde Aphrodite haar in een steenen beeld. Hetzelfde wordt verhaald van Arsinoë en haar minnaar Arceophon.

Anaxibia, Anaxibia, 1) dochter van Plisthenes, gemalin van Strophius, moeder van Pylades.--2) eene nimf die door Helius bemind en vervolgd werd, en naar den tempel van Artemis Orthia aan den Ganges vluchtte, waar zij verdween. Sedert dien tijd gaat de zon van die plaats, voortaan Anatole genaamd, op.--3) Zie Alphesiboea.

Anaxibius, Anaxibios, bevelhebber der spartaansche vloot in Byzantium, toen Xenophon met de rest van de 10000 daar aankwam. Daar hij het leger door beloften misleidde, veroorzaakte hij groote verwarring, en kwam hij persoonlijk in groot gevaar. In 389 werd hij als harmost naar Abydus gezonden, maar het volgende jaar viel hij in een hinderlaag, hem door Iphicrates gelegd, en sneuvelde hij.

Anaxilaus, Anaxilaos, 1) tyran van Rhegium (494-476), uit Messenië afkomstig, die omstreeks 480, met hulp van Samiërs en Milesiërs, Zancle op Sicilië veroverde, welke stad hij met Messeniërs bevolkte en Messana noemde. Hij stierf in 476 en liet twee zonen na, die gedurende hun minderjarigheid onder voogdij van een getrouwen slaaf, Micythus, bleven, in 467 aan de regeering kwamen, en na zes jaren verdreven werden.--2) dichter van achttien blijspelen, waarvan nog eenige fragmenten bestaan, die van het geheel geen zeer hoogen dunk geven.--3) pythagoreïsch wijsgeer uit Larisa, door Augustus in 28 wegens tooverij uit Italië verbannen.

Anaximander, Anaximandros, geb. te Miletus in 610, de eerste grieksche schrijver over wijsbegeerte, was een vriend en leerling van Thales, leefde aan het hof van Polycrates van Samus en stierf in of kort na 547. In zijn werk peri physeos neemt hij als grondstof van het heelal iets oneindigs (apeiron) aan, dat hij niet nader bepaalt, maar dat hij goddelijk, onsterfelijk en onvergankelijk noemt. Hij zoude het eerst een zonnewijzer, een hemelbol, enz. gemaakt hebben.

Anaximenes, Anaximenes, 1) geb. te Miletus, waarschijnlijk tusschen 560 en 550, door sommigen een leerling van Anaximander genoemd, nam als grondstof van het heelal de zich in het oneindige uitstrekkende lucht aan, waaruit door verdikking (pyknosis) en verdunning (manosis, araiosis) alles ontstaan zou zijn, en die de geheele wereld omgeeft en bijeenhoudt.--2) geschiedschrijver uit Lampsacus, vriend van Alexander d. G., schreef Hellenika, eene soort algemeene geschiedenis, en Philippika, de geschiedenis van Philippus, ta peri Alexandron, die van Alexander bevattende. Als rhetor was hij een tegenstander van Isocrates. De rhetorike pros Alexandron, die onder de werken van Aristoteles is opgenomen, wordt te recht aan hem toegeschreven. Van zijne andere werken is slechts weinig bewaard gebleven.

Anaxo, Anaxo, dochter van Alcaeus en Hipponome, gemalin van Electryon, moeder van Alcmene.

Anazarbus, Anazarbos, aanzienlijke stad hij een gelijknamigen berg in Cilicia, aan den Pyramus, door Augustus Caesarea (ad Anazarbum) genoemd. De beroemde arts Dioscorides Pedanius, die waarschijnlijk onder de regeering van Nero leefde, was hier geboren. Evenzoo Appianus.

Ancaeus, Ankaios, 1) zoon van den arcadischen koning Lycurgus en Eurynome, een van de Argonauten en calydonische jagers. Hij werd door het Calydonische zwijn gedood.--2) zoon van Poseidon en Astypalaea, koning der Lelegers op Samus, na den dood van Tiphys stuurman der Argonauten. Eens werd hem door een waarzegger voorspeld, dat hij van druiven, die hij bezig was te planten, geen wijn zou drinken. Toen hij nu den beker met den wijn gevuld in de hand hield en den waarzegger bespotte, sprak deze het later tot een spreekwoord gewordene: polla metaxy pelei kylikos kai cheileos akrou. Op hetzelfde oogenblik werd de tijding gebracht dat een ever het land verwoestte, de koning zette den beker neder, snelde naar buiten, en werd door den ever gedood.--3) een Aetoliër, bij de begrafenis van Amarynceus door Nestor in een vuistgevecht overwonnen.

Anchesmus, Anchesmos, berg ten N. O. van Athene, met een tempel van Zeus.

Anchiale, Anchiale, naam van twee steden, in Thracia aan den Pontus Euxinus, en op de kust van Cilicia tusschen Tarsus en Soli. Ook de vorm Anchialus komt voor.

Anchises, Anchises, was de zoon van Capys en van Themis, de dochter van koning Ilus. Bij Aphrodite, die hem om zijne schoonheid liefhad, verwekte hij den beroemden held Aeneas. Toen hij zich eenmaal op zijne verbintenis met Aphrodite verhoovaardigde, sloeg Zeus hem met blindheid of met verlamming. Bij Vergilius draagt Aeneas zijn verlamden vader op de schouders uit het brandende Troje weg. Anchises vergezelde zijn zoon op diens lange omzwervingen, tot hij eindelijk op Sicilia stierf en op den berg Eryx begraven werd.

Anchisiades, Anchisiades, patron. = Aeneas.

Ancile, heilig schild, volgens de sage uit den hemel gevallen tijdens het koningschap van Numa Pompilius. Daar de nimf Egeria den koning verkondigde, dat het lot en het voortbestaan van Rome aan het behoud van dit schild verbonden was, liet Numa door den bekwamen wapensmid Mamurius Veturius nog elf andere ancilia vervaardigen, die alle zoo nauwkeurig nagemaakt waren, dat men het echte niet van de overige kon onderscheiden. De bewaring was toevertrouwd aan het priestercollegie der Salii, die op bepaalde tijden een rondgang door Rome hielden, waarbij sommige de schilden aan stokken over den schouder droegen, en andere al dansende met metalen staafjes tegen de schilden sloegen. De ancilia waren langwerpig rond, in het midden aan weerszijden uitgesneden op de wijze eener viool, doch zonder hoeken of punten.

Ancona, he Ankon, belangrijke havenstad in Picenum aan de adriatische zee. Het droeg zijn naam, omdat het in eene door twee kapen gevormde elleboogvormige bocht lag. Ancona was in 390 door syracusaansche uitgewekenen gesticht; onder de Romeinen werd het kolonie. Het had eene voortreffelijke haven, een beroemden Venustempel, een zegeboog van Traianus, purperververijen, wijn- en graanteelt in de omstreken.

Ancora, ankyra. Voordat de ijzeren ankers in gebruik kwamen, gebruikte men groote steenen (eunai) als zoodanig. De oudste ijzeren ankers hadden slechts één tand (ankyra heterostomos); de latere waren, evenals de onze, tweetandig (amphistomoi). Het noodanker, dat voor het uiterste gevaar bewaard werd, werd het heilige geheeten; vandaar sacram ancoram solvere = tot het laatste redmiddel zijn toevlucht nemen.

Ancus Marcius, vierde koning van Rome (641-617) van wien de romeinsche geschiedschrijvers het volgende vertellen: Hij was een zoon van Numa's dochter. In zijne oorlogen met de Latijnen lijfde hij een deel van hun gebied bij Rome in en bracht de bevolking van een viertal steden geheel of gedeeltelijk naar Rome over, waar hun de mons Aventinus ter bewoning werd ingeruimd. Uit deze ingelijfde Latijnen ontstond de plebs. Hij versterkte den mons Ianiculus, over den Tiber gelegen, en verbond dezen met de stad door een houten paalbrug, pons sublicius. Ook stichtte hij aan den mond van den Tiber de havenstad Ostia. Hoewel hij meermalen de wapenen tegen zijne naburen moest voeren, legde hij zich toch bij voorkeur op de werken des vredes toe.

Ancyra, Ankyra, naam van eene stad in Phrygia en van eene in Galatia. De eerste ligt in Phygia Abbaitis, aan den Macestus, ten N. van het gebergte Temnus. De laatstgenoemde is nog tegenwoordig onder den naam Angora bekend. Zij was door een der Midassen gesticht; hare ligging aan den grooten karavanenweg door Galatia bracht haar tot groote bloei. Augustus verfraaide de stad, die uit erkentelijkheid een kostbaren tempel voor hem stichtte, onder welks overblijfselen men sedert 1553 het marmor Ancyranum ontdekt heeft, een in latijnschen en griekschen tekst in marmer gebeitelde opgaaf van 's keizers regeeringsdaden, zooals hij er eene aan de Vestaalsche maagden had ter hand gesteld, en zooals er eene in zijn mausoleum werd aangetroffen.

Andabatae, een soort van zwaardvechters, die een gesloten helm zonder vizier droegen en dus in den blinde op elkaar lossloegen, hetgeen tot menig komisch tooneel aanleiding gaf.

Andania, Andania, oude residentiestad der messenische koningen, in het N. van Messenië gelegen.

Andecavi, gallisch volk aan den benedenloop van den Liger (Loire), in het latere Anjou. Hunne hoofdstad was Iuliomagus, thans Angers.

Andes, 1) = Andecavi.--2) vlek bij Mantua, geboorteplaats van Vergilius.

Andocides, Andokides, 1) zoon van Leogoras, geb. te Athene omstreeks 440, de tweede in de rij der 10 attische redenaars. Hij behoorde tot de aristocratische partij en voerde het bevel over de vloot, die in het begin van den peloponnesischen oorlog door de Atheners uitgezonden werd om Corcyra te helpen. Van medeplichtigheid aan de verminking der Hermesbeelden verdacht en gevangen genomen (415), redde hij zich door de namen der ware of gewaande schuldigen, o.a. zijn vader en vier broeders op te geven. Hij werd echter met atimie gestraft en zag zich genoodzaakt, Athene te verlaten. Sedert woonde hij als koopman op Cyprus en in Elis; wel trachtte hij onder de regeering der 400 in Athene terug te keeren, maar toen moest hij terstond weder vluchten; beter werd hij ontvangen na den val der 30, en zelfs kreeg hij toen spoedig weder invloed op de staatszaken, maar in 391 werd hij op nieuw verbannen. Hij zou 44 redevoeringen geschreven hebben, waarvan 4 bewaard gebleven zijn. Hiervan zijn zeker echt: peri tes heautou kathodou (uit 407) en peri ton mysterion (uit 399); waarschijnlijk echt is ook peri tes pros Lakedaimonion eirenes (uit 392/391); onecht is de rede kat' Alkibiadou.--2) Attisch vazenschilder uit de 2de helft van de 6de eeuw. Hij heeft zoowel in den zwartfigurigen als in den roodfigurigen stijl geschilderd.

Andraemon, Andraimon, 1) echtgenoot van Gorge, de dochter van Oeneus, dien hij in de regeering over Calydon opvolgde.--2) zoon van Oxylus, echtgenoot van Dryope.

Andrapodismou graphe, aanklacht wegens het verkoopen van vrije menschen als slaven, eene misdaad waarop de doodstraf stond. De zaak werd behandeld door de elfmannen.

Andreia = syssitia. Ook de groepen, waarin de tafelgenooten verdeeld waren, heetten andreia.

Andriscus, Andriskos, gaf zich uit voor een natuurlijken zoon van koning Perseus, met name Philippus, en wordt daarom ook wel Pseudo-Philippus geheeten. Hij verwekte in 149 in Macedonia een opstand tegen de Romeinen en behaalde aanvankelijk vele voordeelen, doch werd overwonnen en gevangen genomen (148), en moest den zegetocht van Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 6) opluisteren.

Androcles, Androkles, een demagoog, die na den val van Alcibiades leider der volkspartij te Athene werd; bij de omwenteling van 410 werd hij door de oligarchische partij vermoord.

Androclidas, Androkleidas, een Thebaan die, door Perzië met geld ondersteund, in 395 Thebe tot oorlog tegen Sparta aanzette, waardoor de terugkomst van Agesilaus uit Azië noodzakelijk werd.

Androclus, Androklos, weggeloopen slaaf van een romeinsch proconsul in Africa, die door een leeuw, uit wiens poot hij een splinter had getrokken, van voedsel werd voorzien. Toen hij later gevangen was genomen en veroordeeld om voor de wilde dieren te worden geworpen, gebeurde het, dat hij toevallig in het amphitheater zijn ouden makker tegenover zich kreeg. De leeuw herkende hem, begroette hem kwispelstaartend en likte hem. Voor den keizer geroepen, verhaalde hij zijn wedervaren, waarop hij in vrijheid werd gesteld en den leeuw ten geschenke kreeg, die nu weder zijn trouwe metgezel werd.

Androgeos, Androgeos, zoon van Minos en Pasiphaë. Hij was te Athene, toen voor het eerst de Panathenaea gevierd werden, en behaalde daarbij alle prijzen; uit afgunst hierover liet Aegeus hem verraderlijk vermoorden.

Androlepsia. Wanneer een Athener in een vreemde staat vermoord was, en die staat weigerde daarvoor voldoening te geven, dan hadden de bloedverwanten van den vermoorde het recht zich van hoogstens drie personen uit dien staat meester te maken en hen te Athene voor de rechtbank te brengen. Dit recht heette androlepsia. Hoe het proces verder gevoerd werd, is onbekend.

Andromache, Andromache, dochter van Eëtion, de edele en liefhebbende gemalin van Hector. Na het einde van den troj. oorlog werd zij door Neoptolemus naar Epirus medegenomen, waar zij bij hem drie zonen kreeg. Toen Neoptolemus gedood was, huwde zij volgens zijne beschikking met haar zwager Helenus, die tevens voogd over haar kinderen werd. Na den dood van Helenus ging zij met haar jongsten zoon Pergamus naar Azië; zij stierf in de door hem gestichte stad Pergamus, waar zij later een heiligdom had. V. a. had zij bij Neoptolemus slechts één zoon, Molossus, en wil Hermione met hulp van Menelaus haar uit jaloerschheid dooden; Peleus redt haar echter, waarna zij op bevel van Thetis met haar kind en Helenus naar Molossië vertrekt.

Andromeda, Andromeda, dochter van Cepheus en Cassiopea. Daar hare moeder zich beroemd had schooner te zijn dan de Nereïden, zond Poseidon een zeemonster, dat het land verwoestte, en waarvan men zich, volgens een orakel, alleen kon bevrijden door Andr. op te offeren. Toen zij aan een rots gebonden was in afwachting dat het monster haar kwam verslinden, verscheen Perseus, die het monster doodde. Na een hevigen strijd met Phineus, wien zij vroeger tot vrouw beloofd was, voerde Perseus haar met toestemming van haar vader mede naar Griekenland, waar zij de moeder werd der beroemde Perseïden. Andr. werd later onder de sterrenbeelden geplaatst.

Andron, Andronitis, dat gedeelte van het huis waar ook vreemde mannen, bij bezoeken, symposia, enz., toegelaten werden. De hiertoe behoorende vertrekken, meer in het bizonder andrones genoemd, lagen rondom een open plaats (aule), die aan alle vier zijden met overdekte zuilengangen omgeven was. Van de voordeur kwam men door een gang terstond in deze aule. De Romeinen noemen andron een gang, waarschijnlijk de gang, die naast het tablinum het atrium met het peristylium verbindt.

Andronicus (Livius), rom. dichter. Zie Livii no. 11.

Androsthenes, Androsthenes, admiraal van Alexander d. Gr., beschreef een tocht langs de arabische kust.

Androtion, Androtion, leerling van Isocrates, schrijver eener geschiedenis van Athene, die door lateren veel gebruikt is.

Andrus, he Andros, het noordelijkste eiland der Cycladen, met eene gelijknamige stad en eene voortreffelijke haven, om zijn wijnteelt aan den god Dionysus geheiligd. Reeds vroeg bezat het eene aanzienlijke zeemacht en zond het een aantal volkplantingen uit.

Anemorea, Anemoreia, stad ten O. van Delphi.

Anemurium, Anemourion, kaap en stad in West-Cilicia.

Angitia of Anguitia, slangengodin of ook "wurgster," oud-italische godheid, in het bijzonder door de Marsen en Marruciners te Lucus Angitiae aan den Fucinus lacus vereerd. Vergilius maakte ze tot eene zuster van Medea.

Anglii of Angili, Angeilai, germaansche volksstam, van de Elbe tot in de Chersonesus Cimbrica (Sleeswijk en Jutland), van waar zij in de vijfde eeuw na Chr., met Saksers en Jutten vereenigd, naar Britannia overstaken. De Anglii behoorden tot die volksstammen, die de godin Nerthus vereerden.

Angrivarii (Engeren), germaansch volk aan den Visurgis (Weser), in den regel bevriend met de Romeinen.

Anguis. De slang gold in Oud-Italia als zinnebeeld van den genius loci. Men vond dikwerf slangen op de muren geschilderd, als waarschuwing om die plaats niet te verontreinigen. Ook als zinnebeeld der geneeskunst en gezondheidsleer komt de slang voor, zoo kronkelt zich b.v. eene slang om den staf van Aesculapius. Ten tijde van keizer Traianus werd de anguis of draco bij de rom. legers als veldteeken der cohorte ingevoerd. Het bestond uit een nauwen langen zak, met een slangekop met open muil en zilveren tong, op een lansschacht bevestigd. Wanneer de wind nu in den geopenden muil blies, maakte het lichaam allerlei kronkelingen en wendingen. Dit veldteeken was, naar men zegt, overgenomen van de Parthen.

Anguitia, zie Angitia.

Anicii, plebejisch geslacht.

Anigrus, Anigros, bij Hom. Minyeios geheeten, klein stinkend kustriviertje in Triphylia.

Anio, g. enis, Anion, rivier in Latium, die bij Tibur de beroemde watervallen vormt en zich boven Rome bij Antemnae in den Tiber stort. Twee waterleidingen, de Anio vetus en de Anio novus voerden het water dezer rivier naar Rome. De eerste leiding was in 272 door de censoren M'. Curius Dentatus en L. Papirius Cursor gebouwd uit den op Pyrrhus behaalden buit; de andere was begonnen onder Caligula en onder Claudius voltooid.

Anius, Anios, zoon van Apollo en Creusa of Rhoeo, op Delus geboren, waar Apollo hem tot zijn priester en tot koning over het eiland maakte. Aeneas werd op zijn tocht vriendschappelijk door hem ontvangen. Zie Lavinia.

Anna, dochter van Belus, vluchtte met hare zuster Dido uit Tyrus naar Africa, waar Dido Carthago stichtte. Volgens een rom. verhaal zou Anna na Dido's dood door den numidischen koning Iarbas uit Carthago verdreven zijn, op hare vlucht op de kust van Latium schipbreuk hebben geleden en door Aeneas opgenomen en aan de vriendschap zijner echtgenoote Lavinia aanbevolen zijn. Door Dido echter in den droom gewaarschuwd tegen Lavinia's ijverzucht, stortte Anna zich in het riviertje Numicius en verdronk, waarna zij als stroomnimf onder den naam Anna Perenna werd vereerd. Perenna zou dan uit per en amnis moeten gevormd zijn.

Anna Perenna, oud-romeinsche godin van het jaar, wier feest de Romeinen op de idus van Maart vierden, met de bede, ut annare perennareque commode liceret, d.w.z. dat men het jaar goed mocht beginnen en ten einde brengen. Anna heet de godin dus met betrekking tot het begin, Perenna met het oog op het einde van het jaar. Zie ook Anna.

Annaei, 1) L. Annaeus Seneca, ter onderscheiding van zijn gelijknamigen zoon gewoonlijk pater of rhetor genoemd, te Corduba in Hispania (± 54) geboren, had te Rome het onderwijs der beroemdste redenaars van zijn tijd genoten en had zelf grooten naam als rhetor. Hij stierf ± 39 n. C. Van hem bestaan nog Controversiae (5 boeken) en Suasoriae (1 boek), declamaties in den vorm van verdichte pleidooien en verhandelingen over verdichte gevallen.--2) L. Annaeus Seneca, zoon van den vorigen, aanhanger der stoicijnsche wijsbegeerte, geboren te Corduba in 4; kwam vroeg naar Rome en wijdde zich aan den staatsdienst. Onder keizer Claudius moest hij een achttal jaren (41-49 n. C.) als balling op Corsica doorbrengen. Teruggeroepen zijnde, werd hij door Agrippina tot leermeester van haar zoon Nero aangesteld. In den beginne had hij op Nero grooten invloed; zoodoende heeft Seneca met den praef. praet. Burrus eenige jaren lang den staat voortreffelijk kunnen besturen; doch allengs werd de keizer ook jegens Seneca wantrouwend, deze werd in eene samenzwering betrokken en ter dood veroordeeld, waarbij hem de keuze van zijn dood werd gelaten. Hij liet zich de aderen openen (65 n. C.) Een aantal werken zijn nog van hem overig: 124 epistolae ad Lucilium, de ira (3 b.), de clementia (2 b.), de beneficiis (7 b.), naturalium quaestionum l. VII, ad Helviam matrem de consolatione, enz. Ook zijn er acht treurspelen van hem bewaard gebleven: Hercules furens, Thyestes, Phaedra, Oedipus, Troades, Medea, Agamemno, Hercules Oetaeus, en een paar fragmenten. Ze hebben grooten invloed uitgeoefend op het moderne tooneel, vooral op Vondel. Niet van Seneca is de praetexta Octavia. Verder heeft Seneca een bijtende satyre op keizer Claudius kort na diens dood uitgegeven, de apokolokyntosis. Door zijn geschriften, waarin hij de denkbeelden der Stoa verdedigt, heeft Seneca grooten invloed geoefend, ook op volgende geslachten.--3) M. Annaeus Lucanus, kleinzoon van den rhetor Seneca, ook van Corduba geboortig (39 n. C.), was eerst als episch dichter bij Nero in aanzien, totdat diens naijver werd opgewekt. Lucanus nam toen deel aan eene samenzwering en werd met anderen gedwongen de hand aan zichzelf te slaan (65). Van hem is niets overgebleven dan het epos Pharsalia (10 b.), eene beschrijving van den tweeden burgeroorlog tot aan den alexandrijnschen oorlog.--4) L. Annaeus Cornutus, geb. te Leptis in Africa, stoicijn onder Nero, die hem haatte en verbande (65 n. C). Er zijn van hem geschriften over in het Grieksch en in het Latijn. Cornutus was een vriend van den satirendichter Persius.--5) Annaeus (Anneus) Florus, zie Florus.

Annales, chronika. Oudtijds werden ook te Rome de namen der overheidspersonen en enkele gedenkwaardige gebeurtenissen door de pontifices kroniekmatig opgeteekend. Deze opteekeningen gingen bij de verwoesting van Rome door de Galliërs verloren, zoodat de latere annales maximi, ook wel annales of commentarii pontificum geheeten, die aan het einde van de 2de eeuw waarschijnlijk door den pontifex maximus P. Mucius Scaevola in 80 boeken zijn uitgegeven, slechts weinig omtrent den oudsten tijd van Rome vermeld kunnen hebben. Later legden zich een groot aantal schrijvers op het schrijven van jaarboeken toe en worden hiernaar annalisten geheeten. De oudsten, Q. Fabius Pictor, L. Cincius Alimentus, C. Acilius, A. Postumius Albinus, schrijven hun jaarboeken nog in het Grieksch. Eerst met M. Porcius Cato (234-149) en diens Origines begint de romeinsche historiografie. Op hem volgen L. Cassius Hemina, Q. Fabius Maximus Servilianus (consul 142), L. Calpurnius Piso (c. 133), C. Sempronius Tuditanus (c. 129), S. Fannius (c. 122), Cn. Gellius, Vennonius, allen tijdgenooten. In eenigszins anderen geest schrijft Sempronius Asellio, en dan komen de annalisten uit den tijd van Sulla, die allen de oudere geschiedenis vervalschen in een bepaalde richting, en hun werken opsmukken door invoeging van tallooze redevoeringen. Het zijn Q. Claudius Quadrigarius, Valerius Antias, C. Licinius Macer, Aelius Tubero. Op hun werken berust grootendeels onze kennis der oudste romeinsche geschiedenis.

Annalis (lex), zie Villia lex (annalis).

Anniceris, Annikeris, cyrenaeïsch wijsgeer, ongeveer gelijktijdig met Epicurus; hij trachtte de leer van Aristippus te veredelen en zocht het hoogste geluk in het genoegen, dat men vindt in vriendschap, gezellig verkeer, streven naar eer en dgl. Zijn aanhangers heetten Annikereioi.

Annii, waartoe o.a. de. Aselli, de Bellieni, de Lusci, de Milones behoorden. 1) T. Annius Luscus, consul 153, als redenaar bekend. Hij trad in 133 heftig op tegen Ti. Gracchus.--2) T. Annius Luscus Rufus, consul 128.--3) T. Annius Milo Papianus, zoon van C. Papius Celsus uit Lanuvium, doch door zijn grootvader van moederszijde tot zoon aangenomen. Hij was in 57 volkstribuun, en geraakte met P. Clodius (z. Claudii no. 17) in hevigen strijd, omdat hij diens vijandschap tegen Cicero niet deelde. Daar beiden zich met benden zwaardvechters omgaven, kwam het tot openbare gewelddadigheden. Intusschen begunstigde Milo Cicero's terugroeping uit de ballingschap. In 52 ontmoette Milo, die op reis naar Lanuvium was, bij Bovillae aan de via Appia Clodius, die van zijn landgoed naar Rome terugkeerde. Tusschen beider gewapend gevolg ontspon zich een strijd, waarbij Clodius, die toesnelde, door een van Milo's slaven gewond en vervolgens op last van Milo zelf gedood werd. Groote opgewondenheid te Rome en oproerige tooneelen volgden, waarbij zelfs de curia Hostilia afbrandde. Milo, de vi aangeklaagd, werd veroordeeld en ging in ballingschap naar Massilia. Cicero was door de buitengewone maatregelen van den consul Pompeius tot handhaving der orde zoo in verwarring gebracht, dat hij Milo slechts zwak verdedigde. De oratio pro Milone, welke wij bezitten, is niet die, welke in werkelijkheid door Cicero is uitgesproken.--4) A. Annius Gallus, veldheer van keizer Otho, streed in den slag bij Bedriacum tegen Vitellius. Later komt hij voor in den oorlog tegen Claudius Civilis en de Batavieren.--5) P. Annius Florus, zie Florus.--6) L. Annius Verus, praetor in Hispania, werd door keizer Hadrianus tot zoon aangenomen en heette toen L. Aelius Verus, doch stierf nog vóór Hadrianus. Hij had twee zoons, die beiden door keizer Antoninus Pius werden aangenomen, en dus tot de Aureliussen overgingen, z. Marcus Aurelius en Verus.

Annona, de jaarlijksche opbrengst der akkers, als godin afgebeeld met den hoorn des overvloeds in de eene en korenaren in de andere hand. In het bizonder werd aldus het koren genoemd, dat de senaat in Sicilia en Africa op staatskosten liet opkoopen, om aan minvermogende burgers om niet of tegen lage prijzen uit te deelen. De cura annonae was aan de aedilen opgedragen; Caesar stelde zelfs eene nieuwe aediliteit in door twee aediles Cereales te doen benoemen, terwijl Augustus de administratie van aanvoer en uitdeeling van koren opdroeg aan een praefectus annonae. In den beginne verkochten de aedilen het koren slechts tot zulk een prijs, dat de graanhandelaars er door verhinderd werden woekerwinst te maken en dat in tijden van schaarschte hongersnood werd geweerd. Doch in 123 riep C. Sempronius Gracchus de eerste lex frumentaria in het leven, volgens welke een paterfamilias uit de korenmagazijnen van den staat eene bepaalde hoeveelheid koren per maand zou kunnen koopen tegen 6 1/3 as den modius, ongeveer den halven marktprijs. Eene lex Appuleia van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus verlaagde den prijs tot 5/6 as, doch werd weder opgeheven, daar de schatkist dit niet kon dragen. Eene lex Octavia van onbekenden datum bracht den prijs meer in overeenstemming met de marktwaarde. Sulla hief de korenuitdeelingen op, maar in 73 riep de lex Terentia et Cassia ze weder in het leven en stelde den prijs per modius opnieuw op 6 1/3 as. De lex Clodia, 58, beval de uitdeelingen om niet. Wanneer men nagaat, dat het aantal bedeelden, hoewel door Pompeius beperkt, in den burgeroorlog tot minstens 300000 aangroeide, door Caesar tot 150000 werd teruggebracht en sedert op dit cijfer bleef, dan kan men begrijpen, hoe drukkend deze uitdeelingen voor de schatkist waren. De gerechtigden ontvingen eene tessera frumentaria, een abonnementsplankje. Zoodanige tessera was alleen te verkrijgen, wanneer men als burger in eene tribus was ingeschreven. Toen het volk alle staatkundige rechten had prijsgegeven en de kans om, zoo er eene plaats openviel, eene tessera te bekomen, het eenige voorrecht der tribus was, werden in den mond van het volk beide woorden van gelijke beteekenis en zeide men zoowel tribum emere als tesseram frumentariam emere.

Annulus, beter anulus, daktylios, sphragis. Aan den ringvinger der linkerhand droeg de Romein een zegelring; senatoren, ridders en overheden droegen hem van goud. Onder de keizers werd met het ius anuli (aurei) zeer lichtvaardig omgesprongen, en werd het zelfs aan vrijgelatenen toegestaan, die hierdoor met vrijgeborenen werden gelijkgesteld. Ten laatste droeg elk fatsoenlijk man een of meer gouden ringen, dikwijls met kostbare edelgesteenten.--Ook voor huishoudelijke zaken had men allerlei ringen, evenals bij ons, b.v. gordijnringen, anuli velares, enz.

Annus, to etos. Het grieksche jaar was verdeeld in 12 maanmaanden, gerekend van de eene nieuwe maan tot de andere, en telde dus 354 dagen, terwijl de maanden afwisselend 29 en 30 telden. Die van 30 heetten menes plereis, de andere koiloi. Om de 3 jaren schoof men eene schrikkelmaand in (men embolimaios); het schrikkeljaar heette daarom trieteris. De namen der maanden en de indeeling van het jaar zijn in de meeste Grieksche staten verschillend. Het attische jaar telde de volgende 12 maanden: 1) Hekatombaion (van midden Juli-midden Aug.), genoemd naar het feest der hecatomben.--2) Metageitnion (Aug.-Sept.), de verhuismaand (waarin men van geitones, buren, verwisselde).--3) Boedromion (Sept.-Oct.), naar het feest der Boedromia, ingesteld ter gedachtenis aan de overwinning van Theseus op de Amazonen.--4) Pyanepsion (Oct.-Nov.), naar het feest der Pyanepsia, het boonenfeest, ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van boonen of peulvruchten at.--5) Maimakterion (Nov.-Dec), naar het feest der Maimaktreria, ter eere van Zeus Maimaktes (= de razende, de god der stormen).--6) Poseideon (Dec.-Jan.), naar Poseidon.--6*) In een schrikkeljaar werd een tweede Poseideon ingeschoven.--7) Gamelion (Jan.-Febr.), huwelijksmaand.--8) Anthesterion (Febr.-Mrt.), naar de Anthesteria, een driedaagsch bloemenfeest ter eere van Dionysus.--9) Elaphebolion (Mrt.-Apr.), naar de Elaphebolia, het hertenjachtfeest, ter eere van Artemis.--10) Mounychion (Apr.-Mei), naar het feest der munychische Artemis.--11) Thargelion (Mei-Juni), naar de Thargelia, een feest ter eere van Apollo en Artemis.--12) Skirophorion (Juni-Juli), naar de Skirophoria, een feest ter eere van Athena Sciras (skiron is een witte parasol, dien de priesteressen van Athena bij dit feest droegen). De maand werd verdeeld in drie dekaden, waarvan de laatste naar omstandigheden 10 of 9 dagen telde. De eerste dekade heette men histamenos of archomenos, de tweede men meson, de derde men phthinon, apion, legon of pauomenos. De dagen der beide eerste dekaden werden van 1 tot 10 geteld, die der laatste echter omgekeerd. Hoe men dan bij maanden van 29 dagen deed, of dan de 21ste dag enate of dekate phthinontos heette, is niet zeker. In het laatste geval moest de deutera phthinontos worden uitgelaten; want de laatste dag der maand heet altijd hene kai nea, als zijnde de dag, waarop oud en nieuw elkander raakten, omdat eigenlijk op het oogenblik, waarop de nieuwe maan inviel, ook de nieuwe maand begon. Hene kai nea is dus de dag, die voor een deel de laatste dag der maand is (de eerste van achteren af gerekend) en tevens voor een deel reeds tot de nieuwe maand behoort.--Het romeinsche jaar was evenzeer een maanjaar van 354 dagen. Het telde sedert Numa twaalf maanden, waarvan oorspronkelijk Maart de eerste was, later Januari. De namen zijn adiectiva. 1) mensis Ianuarius, naar den god Janus.--2) m. Februarius, van de februa of doodenoffers, waarmede oudtijds het jaar werd besloten.--3) m. Martius, aan Mars gewijd.--4) m. Aprilis, van aperire, het openen der bloemknoppen.--5) m. Maius, naar Maia.--6) m. Iunius, aan Juno geheiligd.--7) m. Quinctilis, oorspronkelijk de vijfde maand, later ter eere van Caesar verdoopt tot m. Iulius.--8) m. Sextilis, ter eere van Augustus tot m. Augustus verdoopt.--9-12) m. September, October, November, December. Om de twee jaar schoof men een schrikkelmaand in, mensis mercedonius of intercalarius, die echter niet in het midden van het jaar, maar midden in de tweede helft van Februari werd ingevoegd. Door onachtzaamheid van de pontifices, die voor de tijdrekening moesten zorgen, en ook wel doordat men om politieke bijoogmerken het invoegen van een schrikkelmaand achterwege liet, waren ten tijde van Caesar de maanden niet minder dan 80 dagen verschoven, weshalve hij als pontifex maximus het jaar 46 op 445 dagen stelde en verder het jaar op 365 dagen met één schrikkeldag om de vier jaren. Eene groote verwarring in de rom. chronologie is ook hierdoor ontstaan, dat eerst sedert 153 het burgerlijk jaar op 1 Jan. begint. Vóór dien tijd begon het met de ambtsaanvaarding der consuls, en wanneer nu door eene of andere stoornis deze aanvaarding werd vertraagd of ook wel door omstandigheden vervroegd, dan versprong het begin van het burgerlijk jaar, totdat eene nieuwe storing het weder op een anderen datum bracht.

In elke maand had men drie dagen, die een bijzonderen naam droegen: Kalendae, Idus, Nonae. De Kalendae waren de eerste dag, aldus geheeten, omdat op dien dag een der pontifices van de curia Calabra de nieuwe maand afkondigde, die oorspronkelijk met de nieuwe maan samenviel. De Idus (van iduare = dividere) vielen in Maart, Mei, Juli en October op den 15den, anders op den 13den der maand en deelden dus de maand in tweeën. De Nonae vielen negen (volgens onze telling acht) dagen vóór de Idus, dus op den 5den of 7den. Men telde nu bij de vermelding van een datum terug van de eerstvolgende Kalendae, Nonae, Idus. Zoo was b.v. 24 Febr. volgens rom. telling de zesde dag vóór 1 Maart, en dus ante diem sextum Kalendas Martias. Deze zesde dag werd in een schrikkeljaar verdubbeld en telde dan 2 maal 24 uren, die onderscheiden werden in bissextilis prior en posterior. De laatste was dus de schrikkeldag.

Anquisitio, de aanklacht met opgaaf der geëischte straf, wanneer een der overheden een beschuldigde voor de comitiën daagde.

Anser, romeinsch dichter ten tijde van Augustus, die bij Antonius in gunst stond en van hem een landgoed ten geschenke kreeg. Hij was een bediller van Vergilius en wordt door Ovidius procax genoemd.

Antae, parastades, vierkante pilasters, waarin de zijmuren van een gebouw uitloopen, wanneer deze met het dak vooruitspringen, zoodat zij vóór den ingang een open voorportaal vormen. Een tempel met zulke antae werd een templum in antis (en parastasi) genoemd.

Antaeus, Antaios, zoon van Poseidon en Gaea, een geweldige reus, die over Libye regeerde en alle vreemdelingen dwong met hem te worstelen. Daar hij bij iedere aanraking met zijne moeder (de aarde) nieuwe kracht kreeg, was hij onoverwinnelijk en versloeg hij zooveel tegenstanders, dat hij van hun schedels een tempel voor Poseidon konde bouwen. Ook Heracles weerstond hij lang, maar toen deze zijn geheim ontdekte, hief hij hem van den grond op en worgde hem zoo. Als men aarde van zijn graf, dat bij Tingis was, afnam, begon het terstond te regenen.

Antalcidas, Antalkidas, een Spartaan, die in 393 naar den perzischen generaal Tiribazus gezonden werd, om te trachten door zijn tusschenkomst den perzischen koning te bewegen zijne hulp aan de Atheners te onttrekken. Dit gelukte echter eerst toen de Atheners den koning vertoornden door Euagoras van Cyprus te ondersteunen; toen bewerkte Ant. dat Artaxerxes den Spartanen hulp beloofde, indien de Atheners en hunne bondgenooten hunne vredesvoorstellen niet aannamen. Zoo werd in 387/386 de Koningsvrede of vrede van Antalcidas aan de oorlogvoerende staten voorgeschreven, waarbij bepaald werd, dat iedere staat in Griekenland autonoom zoude zijn, de grieksche steden in Azië aan de Perzen overgelaten werden, en ieder die zich niet aan deze voorwaarden onderwierp, voor algemeen vijand verklaard werd. Ant. zou later, geërgerd door de smadelijke bejegening hem door Artaxerxes aangedaan, vrijwillig den hongerdood gestorven zijn.

Antandrus, Antandros, stad in Troas of in Mysia, aan de golf van Adramyttium. Aeneas zou hier scheep zijn gegaan. Hier werd na den slag bij Cyzicus (410) met perzisch geld een nieuwe vloot voor Sparta gebouwd.

Antaradus, Antarados, havenstad van Aradus, in het Noorden van Phoenicië. Aradus zelf lag op een eilandje in zee, Antaradus er tegenover op de kust.

Anteambulones, cliënten (in de latere beteekenis van het woord), die voor aanzienlijke personen uitgingen, om in het straatgewoel ruim baan voor hen te maken.

Antea, Anteia, dochter van Iobates, z. Bellerophon. Na het vertrek van Bellerophon bracht zij zichzelve van verdriet om het leven. V.a. komt Bellerophon later weder bij haar, beweegt haar met hem te vluchten, en werpt haar bij het eiland Melos in zee.

Antecessores of antecursores, lichte troepen, vooral ruiterij, die de spits van het leger op marsch uitmaakten en op verkenning vooruitgingen.--Ook overdrachtelijk: baanbrekers, wegwijzers in eenig vak van wetenschap, vooral in de rechtsgeleerdheid, exegetai.

Anteius (P), gunsteling van Agrippina, doch om deze reden door Nero gehaat. Beschuldigd zijnde, dat hij de sterren had geraadpleegd aangaande Nero's dood, en eene veroordeeling voorziende, nam hij eerst vergif in; toen dit echter te langzaam werkte, opende hij zich de aderen (66 n. C.).

Antemnae, oude latijnsche stad, dáár gelegen, waar de Anio zich in den Tiber stort. De stad is reeds spoedig bij Rome ingelijfd.

Antenor, Antenor, zoon van Aesyetes en Cleomestra, zwager van Priamus, die gedurende den trojaanschen oorlog altijd op inwilliging van de billijke eischen der Grieken aandrong. Daarom werd later verhaald, dat hij de stad aan de Grieken verraden zou hebben en daarvoor zijn leven en zijne bezittingen bij de plundering gespaard zouden zijn. Over zijne verdere lotgevallen vindt men verschillende berichten. Hij zou de helft van Priamus' bezittingen gekregen en op den Ida een nieuw rijk gesticht hebben, of met Menelaus scheep gegaan en te Cyrene gebleven zijn, waar de Antenoriden als halfgoden vereerd werden, of met de Heneti, een paphlagonisch volk, naar Thracië en vervolgens naar Italië gegaan zijn en daar de stad Patavium gesticht hebben.

Antepilani. Voordat door Marius de verdeeling van het legioen in tien cohorten werd ingevoerd, vormde het drie slagliniën, zóó, dat in de eerste de hastati, in de tweede de principes, in de derde de triarii of pilani stonden. Hierom werden de beide eerste liniën ook antepilani genoemd. Zie voor het geheel onder Acies.

Anteros, Anteros, de god der wederliefde, broeder van Eros. Daar Eros niet groeien wilde, gaf Aphrodite hem op raad van Themis dezen broeder tot speelmakker, en nu werd Eros krachtig en gezond; miste hij hem echter, dan was hij weder treurig als vroeger. Ant. treedt ook op als wrekend god, die het versmaden van liefde straft.

Antesignani, 1) = antepilani, omdat de standaard van het legioen, de adelaar, bij de triariërs was.--2) In Caesars tijd was antesignani de naam eener vaste keurbende bij ieder legioen, zonder bagage en dus altijd slagvaardig.

Antestatio. Wanneer een Romein zijne tegenpartij op straat ontmoette en hem uitnoodigde naar den praetor te gaan (in ius venire, in ius ambulare), en de tegenpartij dan onwillig was, dan kon de eischer hem met geweld voor den praetor brengen, mits hij den betoonden onwil door de verklaring van een getuige kon staven. Daarom nam men den een of anderen voorbijganger tot getuige, met de vraag: licetne antestari? Stemde de gevraagde toe, dan raakte de vrager even diens oorlel (auricula) aan, omdat men dáár den zetel van het geheugen zocht.

Anthedon, Anthedon, stad aan de noordkust van Boeotia. De bewoners leefden vooral van vischvangst en purperschelpvisscherij. Anthedon, de vader van den onder de zeegoden opgenomen Glaucus, zou hier geleefd hebben.

Anthele, Anthele, plaatsje aan den ingang der Thermopylae, met een tempel van Demeter, waar de vergaderingen der Amphictyonen werden gehouden.

Anthemus, he Anthemous, stad op Chalcidice, door Philippus van Macedonië aan de Olynthiërs afgestaan.

Anthemusia, Anthemousia, stad en landschap in het mesopotamische gewest Osroene, ten Z.W. van Edessa.

Anthene, Anthene, vlek in Thyreatis of Cynuria.

Anthesteria, Anthesteria, een van de groote feesten ter eere van Dionysus, te Athene den 11-13 Anthesterion (Februari-Maart) gevierd. Den eersten dag (Pithoigia, opening der vaten) vierde men het aftappen van den jongen wijn; op den tweeden dag, het kannenfeest (Choes), werd een openbare maaltijd gehouden, waarbij men om het hardst van den nieuwen wijn dronk; wie het eerst zijn kan geledigd had, kreeg een prijs. Dit was de voornaamste dag van het feest, waarop zelfs jonge kinderen zich met bloemen bekransten, en waarop de vrouw van den archon basileus onder geheime plechtigheden en offers in het Lenaeum aan den god uitgehuwd werd. De derde dag heette Chytroi, pottenfeest, omdat men dan potten met peulvruchten als offer voor den chthonischen Hermes en de zielen der afgestorvenen gereed zette.

Anthesterion, Anthesterion, 8ste maand van het Attische jaar (Febr.-Maart), z. Annus.

Anthylla, Anthylla, stad in de Nijldelta tusschen Canopus en Naucratis.

Antias, zie Valerii no. 36.

Anticlea, Antikleia, dochter van Autolycus, gemalin van Laërtes, moeder van Odysseus; zij stierf van smart over de lange afwezigheid van haar zoon, die, volgens een later verhaal, niet Laërtes, maar Sisyphus tot vader had.

Anticirrha of -cyra, Antikirra, -kyra, naam van twee steden, de eene in Phocis, de andere in het landschap Malis, aan den Spercheus. Beide steden, doch vooral die in Phocis, waren in de oudheid bekend om de teelt van nieskruid, dat als geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en krankzinnigheid werd aangewend.

Antidosis, ruiling. Te Athene kon iemand, wien naar zijne meening ten onrechte een kostbare liturgie opgedragen was, eischen dat een ander, die eerder daarvoor in aanmerking moest komen, de liturgie van hem overnam, of dat hij anders zijn geheel vermogen met hem zou ruilen. Wanneer deze eisch gedaan was, werden terstond de bezittingen van beide partijen verzegeld, en binnen drie dagen werd een beëedigde inventaris (apophasis) overgelegd, waarnaar de rechters te beslissen hadden, ofschoon niet uitsluitend het verschil in vermogen in aanmerking kwam, maar ook o.a. de vraag wie van beide partijen reeds vroeger liturgieën bekostigd had, hoeveel geld daaraan besteed was, enz. Indien de eisch werd toegewezen, nam de verliezende partij de liturgie op zich; voor zoover ons bekend is, heeft eene werkelijke ruiling nooit plaats gehad.

Antigone, Antigone, 1) dochter van Oedipus en Iocaste of Euryganea. Toen haar blinde vader in ballingschap ging, vergezelde zij hem bij al zijne omzwervingen en deelde geduldig zijn ongelukkig lot, totdat hij in Attica stierf. Naar Thebe teruggekeerd gedurende de twisten tusschen hare broeders Eteocles en Polynices, waagde zij het, in weerwil van Creon's verbod, den gesneuvelden Polynices te begraven. In het grafgewelf der Labdaciden, waar zij wegens die daad werd opgesloten, hing Ant. zich op, waarna haar bruidegom Haemon, Creon's zoon, zich aan haar zijde van het leven beroofde.--V. a. ontkwam zij door de hulp van Haemon en leefde zij nog jaren lang op het land in geheimen echt met hem, totdat Creon haar ontdekte en Haemon haar en zichzelf doodde. Haar edel gedrag tegenover vader en broeder wordt dikwijls door attische treurspeldichters vermeld.--2) dochter van Eurytion, gemalin van Peleus. Toen Peleus de liefde van Astydamea onbeantwoord liet, zond deze aan Ant. het onware bericht, dat hij op het punt was met Sterope in het huwelijk te treden. Hierdoor misleid, hing Ant. zich op.--3) dochter van Laomedon. Zij was zoo trotsch op haar schoone lokken, dat Hera haar strafte door ze in slangen te veranderen, waarop de goden medelijden met haar kregen en haar in een ooievaar veranderden.

Antigonea, -nia, Antigoneia, -nia, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Syria aan den Orontes, residentie van Antigonus, den gewezen veldheer van Alexander den Grooten. Later bracht Seleucus Nicator het grootste gedeelte der inwoners naar het door hem in de nabijheid gestichte Antiochia over.--2) in Macedonia aan den Axius.--3) in Chalcidice.--4) in Epirus aan den Aous. Ook Alexandria Troas en Nicaea in Bithynia hebben een tijd lang dezen naam gedragen.

Antigonus, Antigonos, 1) Kyklops of Monophthalmos, afstammend van de vorsten van Elymiotis, een man van een heerschzuchtig, maar vast karakter, een van de voortreffelijkste veldheeren van Alex. d. G., die hem in 333 tot satraap van Phrygië aanstelde. Bij de verdeeling van het rijk na den dood van Alex. (323), kreeg Ant. Groot-Phrygië, Lycië en Pamphylië, maar daar hij zich tegen de bevelen van Perdiccas verzette, was hij genoodzaakt naar Antipater te vluchten. Toen deze na den dood van Perdiccas rijksbestuurder werd, kreeg Ant. zijne landen terug (321) en werd hem tevens het opperbevel opgedragen tegen Eumenes, den standvastigen verdediger der rechten van het huis van Alex. Na den dood van Antipater (319) vereenigde Ant. zich met Cassander, Ptolemaeus en Seleucus tegen Polyperchon, en toen Eumenes door verraad in de handen van zijn vijand gevallen was, was Ant. heer over geheel Voor-Azië en Syrië (316). Maar deze groote macht wekte bij zijne bondgenooten wantrouwen op, en toen Ant. nu ook Seleucus van het stadhouderschap over Babylonië beroofde, vereenigden zij zich met Lysimachus tegen hem (315). Nu ontstond een lange oorlog, die in Azië, Griekenland en Aegypte met afwisselend geluk gevoerd werd, en waarin Ant. door zijn dapperen zoon Demetrius Poliorcetes bijgestaan werd. De nederlaag door dezen in 312 bij Gaza geleden, dwong Ant. wel vrede te sluiten, doch spoedig werd de oorlog hervat, en in 306 behaalde Demetrius in den zeeslag bij Salamis op Cyprus eene groote overwinning op Ptolemaeus, waarna Ant. den titel van koning aannam, welk voorbeeld weldra door zijn tegenstanders gevolgd werd. Eindelijk werd in den grooten slag bij Ipsus (301), waarin Ant. sneuvelde en Demetrius op de vlucht gejaagd werd, het lot van Azië ten gunste der verbondenen beslist.--2) Gonatas (zoo genoemd naar zijn geboorteplaats Goni of Gonnus of naar een ijzeren band, dien hij om de knie droeg), zoon van Demetrius Poliorcetes, wist zich in de Peloponnesus te handhaven, toen zijn vader uit Macedonië verdreven werd (287). Na diens dood (283) werd hij koning van Macedonië, ofschoon hij tot 276 eerst door Seleucus, later door Ptolemaeus Ceraunus verhinderd werd de regeering te aanvaarden. Later werd hij nog tweemaal uit zijn rijk verjaagd, eerst door Pyrrhus, vervolgens door Alexander van Epirus, maar telkens keerde hij terug en eindelijk onderwierp hij zich ook Epirus. In 277 overwon hij de Galliërs in een grooten slag bij Lysimachia, later bestreed hij het achaeïsch verbond, maar zonder gevolg. Hij stierf in 240.--3) Doson (die altijd geven zal, maar nooit geeft) of Epitropos, kleinzoon van Demetrius Poliorcetes, bestuurde Macedonië na den dood van Demetrius II (229), met wiens weduwe hij later trouwde, als voogd van Philippus III en later als koning. In het begin van zijn regeering was hij genoodzaakt een oorlog tegen verschillende grieksche staten te beëindigen door een vrede, waarbij de onafhankelijkheid van bijna geheel Griekenland erkend werd. In 224 werd zijn hulp ingeroepen door Aratus, die het achaeïsch verbond onder macedonische bescherming stelde. Ant. trok naar de Peloponnesus, overwon Cleomenes (z. a. no. 4) in den slag bij Sellasia (221), dwong Sparta tot het achaeïsch verbond toe te treden en vestigde door zijne overwinningen opnieuw den macedonischen invloed in Griekenland. Spoedig na zijn terugkomst in Macedonië overleed hij.--4) van Carystus, leefde aan het hof van Attalus I en was schrijver van een aantal werken over geschiedenis, biografie, kunst, enz. Bewaard gebleven is een verzameling van merkwaardigheden op natuurhistorisch gebied.

Antigrapheus, controleur over het geldelijk beheer van den raad (ant. tes boules) of van den schatmeester (ant. tes dioikeseos), in beide gevallen door het volk verkozen.

Antigraphe, verweerschrift, eigenlijk antwoord op eene graphe; de antigraphe bevatte echter niet altijd eene verdediging tegen de aanklacht, maar konde ook de bevoegdheid van rechtbank of aanklager betwisten, enz. Aanklacht en verweerschrift worden soms te zamen antigraphai genoemd.

Antilibanus, Antilibanos, bergketen ten Oosten van en evenwijdig met den Libanon of Libanus.

Antilochus, Antilochos, zoon van Nestor en Eurydice of Anaxibia, een van de dapperste helden voor Troje, en na Patroclus de dierbaarste vriend van Achilles. Hij werd door Memnon verslagen, terwijl hij zijn vader uit een groot gevaar redde, daarom wordt hij Philopator genoemd. Zijn asch werd bij die van Achilles en Patroclus bijgezet.

Antimachus, Antimachos, 1) atheensch volksredenaar, tijdgenoot van Aristophanes.--2) dichter en grammaticus uit Colophon, omstreeks 400, door Plato hoog geschat. Zijne voornaamste werken waren een epos Thebaïs, waarin hij de thebaansche oorlogen, en een elegisch gedicht Aude, waarin hij eene reeks heldengeschiedenissen behandelde. De Alexandrijnen noemden hem den grootsten epischen dichter na Homerus.

Antinoöpolis, Antinoou polis, prachtige stad aan den Nijl, in het Zuiden van Midden-Aegyptus, door keizer Hadrianus gesticht ter gedachtenis aan zijn lieveling Antinoüs, die hier verdronk.

Antinoüs, Antinoos, 1) zoon van Eupithes, de overmoedigste en onbeschaamdste onder Penelope's vrijers, ook de eerste, die door Odysseus' pijlen werd getroffen.--2) een beeldschoon jongeling, de lieveling van keizer Hadrianus, dien hij op diens reizen vergezelde. Hij verdronk in den Nijl. De keizer stichtte op de plaats van het ongeluk de stad Antinoöpolis, liet te Mantinea voor hem een tempel bouwen en hem nog andere eer bewijzen. Hij werd door tal van stand- en borstbeelden vereeuwigd; ook een sterrenbeeld werd naar hem genoemd.

Antiochia, -ea, Antiocheia, naam van een aantal steden. 1) Ant. Epidaphnes (he epi Daphnes), aldus naar een naburig laurierbosch genoemd, de prachtige hoofdstad van het syrische rijk, omstreeks 300 door Seleucus Nicator gesticht en naar zijn vader Antiochus genoemd. Door zijne opvolgers nog verfraaid en uitgebreid, bestond het ten laatste uit vier afzonderlijk ommuurde steden. Prachtige zuilengangen, ter lengte van een uur gaans, doorsneden de stad in rechte lijn. Handel en wetenschappen bloeiden er. De stad lag aan den Orontes. Hier kwam voor het eerst de naam van Christenen in gebruik, later werd het de zetel van een patriarch. In 260 na C. werd A. door den nieuw-perzischen koning Sapores I gedeeltelijk verwoest, en in 538 door Chosroës. Keizer Justinianus liet het op kleiner schaal herbouwen en zóó komt het nog voor in de geschiedenis der kruistochten.--2) Ant. ad Maeandrum, in Caria, met eene beroemde brug over de rivier, door Antiochus I Soter (281-261) gesticht.--3) Ant. ad Pisidas, in Phrygia nabij de pisidische grens, later Caesarea (z. a. no. 7).--4) Ant. Margiana, thans Merw, in Margiane.--Ook andere steden, zooals Adana aan den Sarus, in Cilicia, Nisibis in Mesopotamia, Edessa, hebben tijdelijk den naam Antiochia gedragen.

Antiochis, Antiochis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd. De meeste van de demen, die er toe behoorden, lagen in het oosten van Attica.

Antiochus, Antiochos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië, vader van Seleucus Nicator.--2) Ant. I, Soter bijgenaamd na eene overwinning op de Galliërs behaald, zoon en opvolger van Seleucus Nicator, geb. 324, regeerde van 281-261, maar voor dien tijd was hij reeds sedert 293 mederegent zijns vaders geweest, en had toen het oostelijk gedeelte van het groote Seleucidenrijk bestuurd. Verliefd op zijne stiefmoeder Stratonice en die liefde voor hopeloos houdende, werd hij ernstig ziek, maar toen zijn vader de oorzaak zijner ziekte vernomen had, stemde hij in het huwelijk met Stratonice toe (293). Gedurende zijne regeering had hij dikwijls met de Galliërs te kampen, die hij meermalen overwon, maar eindelijk sneuvelde hij in een slag tegen hen bij Ephesus, 261. Ook tegen Eumenes I van Pergamus voerde hij oorlog, maar zonder gevolg.--3) Ant. II, na de verdrijving van den milesischen tyran Timarchus Theos bijgenaamd, zoon en opvolger van Ant. I. Een ongelukkige oorlog, dien hij tegen Aegypte voerde, eindigde daarmede, dat hij zijne gemalin Laodice verstiet, Berenice, de dochter van Ptolemaeus Philadelphus, tot vrouw nam (250), en beloofde dat, wanneer uit dit huwelijk een zoon geboren werd, deze hem zou opvolgen. Toen echter na den dood van Ptolemaeus Laodice teruggeroepen werd, vergiftigde zij hem, Berenice en hun kind (246). Onder zijn regeering begonnen één voor één de oostelijke provinciën van het Seleucidenrijk af te vallen en maakten zich onafhankelijk. Zie Arsaces.--4) Ant. Hierax, jongere zoon van Ant. II, betwistte zijn broeder Seleucus II de regeering; na verscheidene nederlagen moest hij vluchten en werd hij na vele omzwervingen door roovers gedood (227).--5) Ant. III de Groote, geb. 242, zoon van Seleucus II Callinicus, kwam, na de korte regeering van zijn broeder Seleucus III Ceraunus, in 223 aan de regeering (223-187). In 219 begon hij een oorlog tegen Ptolemaeus Philopator, die hem Phoenicië en Coele-Syrië ontnomen had, maar opstanden van verschillende stadhouders in het Oosten, die gedeeltelijk door Ptolemaeus ondersteund werden, beletten hem den oorlog met kracht te voeren. Eerst in 217 had hij alle binnenlandsche vijanden overwonnen en konde hij zich weder tegen Aegypte wenden, hij verloor echter den slag bij Raphia en werd genoodzaakt vrede te sluiten. In 209 ondernam hij een oorlog tegen de Parthen en Bactriërs, dien hij met geluk voerde, ofschoon hij hen niet konde onderwerpen; sedert dien oorlog werd hij "de Groote" bijgenaamd. Na den dood van Ptolemaeus IV Philopator (z. Ptolemaeus no. 8) (205), die door een zoon van nog geen 5 jaar opgevolgd werd, meende Ant. dat de kans schoon was om zijn verloren gebied te hernemen, en verbonden met Philippus III van Macedonië slaagde hij inderdaad hierin door de overwinning bij Panion aan den Jordaan (200). waarop een vrede volgde, die later door het huwelijk van zijne dochter Cleopatra met Ptolemaeus Epiphanes bevestigd werd. Door de Romeinen misleid, die hem van een krijgstocht tegen Eumenes van Pergamus hadden teruggehouden, besloot hij Philippus in den oorlog tegen hen te ondersteunen; hij stak naar Europa over (196), maar vond den oorlog reeds ten gunste der Romeinen beslist, die nu van hem eischten, dat hij de reeds bezette steden aan den Hellespont en in de Chersonesus zoude ontruimen en aan Ptolemaeus het veroverde land zoude teruggeven. Door deze eischen verbitterd en door Hannibal, die uit Carthago tot hem gevlucht was, tegen de Romeinen opgezet, bereidde hij zich tot den oorlog voor, en toen eindelijk zijne hulp door de Aetoliërs ingeroepen werd, trok hij met een groot leger naar Griekenland (192); hier vond hij echter weinig steun, terwijl hij de raadgevingen van Hannibal niet opvolgde, Philippus door zijn overmoedig gedrag beleedigde en geruimen tijd werkeloos op Euboea bleef. In 191 werd hij door M'. Acilius Glabrio bij de Thermopylae verslagen en zag hij zich genoodzaakt naar Azië terug te keeren. Met zijn vloot was hij niet gelukkiger, zoodat L. Cornelius Scipio, na een groote overwinning ter zee bij Myonnesus, in Azië kon landen en Ant. in den slag bij Magnesia aan den Sipylus zulk een nederlaag toebracht, dat hij om vrede moest vragen (190); deze werd hem gegeven, maar ten koste van al het land aan deze zijde van den Taurus, al zijne oorlogsschepen en olifanten en eene oorlogsbelasting van 15000 talenten. Toen Ant. nu in zijne geldverlegenheid een inval in het land der Elymaeërs deed en daar een tempel van Zeus plunderde, werd hij door het volk gedood (187).--6) Ant. IV Epiphanes (spottend noemden velen hem epimanes, zoon van Ant. III, volgde in 175 zijn broeder Seleucus Philopator op, nadat hij 14 jaar te Rome als gijzelaar had doorgebracht. Ook hij begon spoedig een oorlog tegen Aegypte, en bemachtigde ook weder Phoenicië, Palaestina en Coele Syrië; ook in Aegypte zelf, waar twee broeders elkander de regeering betwistten (z. Ptolemaeus no. 10), drong hij door, eerst om een van hen te helpen, en toen zij zich later verzoend hadden, als vijand van beiden. Reeds was hij met zijn leger Alexandrië genaderd, toen de rom. gezant C. Popillius Laenas hem het bevel van den senaat kwam brengen den oorlog te staken en Aegypte te verlaten, aan welk bevel Ant., verschrikt door het ruwe optreden van den gezant, (z. Popilii no. 3) gehoorzaamde (168). Den Joden trachtte hij tevergeefs den griekschen godsdienst op te dringen, zijne wreede vervolgingen dreven hen integendeel tot openlijken opstand, en aangevoerd door de heldhaftige Maccabaeërs, wisten zij zich zelfs tegen het leger van Ant. staande te houden. In 165 stierf Ant. te. Tabae in Perzië.--7) Ant. V Eupator, zoon van den vorigen, was bij den dood van zijn vader nog zeer jong. De veldheer Lysias en de gunsteling van Ant. IV, Philippus, betwistten elkander met de wapenen de voogdij over den knaap, maar nauwelijks had Lysias zijn tegenstander overwonnen, toen Demetrius, zoon van Seleucus Philopator, die tot nu toe als gijzelaar te Rome geweest was, de regeering kwam opeischen, Ant. en Lysias gevangen nam en hen ter dood liet brengen (162).--8) Ant. VI Theos, zoon van Alexander Balas, wierp zich in 144 tegen Demetrius Nicator als koning op en maakte zich bijna van het geheele rijk meester; hij werd echter in 142 vermoord door Tryphon, die toen zelf den troon besteeg.--9) Ant. VII Sidetes (te Side opgevoed) verdreef Tryphon (137), dwong den joodschen vorst Johannes Hyrcanus tot onderwerping (132) en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (129).--10) Ant. VIII Philometor of Grypos (haviksneus) moest na den dood van zijn vader, Demetrius Nicator, eenige jaren met diens tegenstander, Alexander Zabina (z. Alexander no. 12), om de regeering strijd voeren; eindelijk verjoeg hij hem door de hulp van Aegypte. Later (sinds 117) betwistte zijn halfbroeder, Ant. Cyzicenus, hem de regeering; eer deze langdurige twist beslecht was, werd Ant. vermoord (97). Deze broedertwisten en die der volgende vorsten zijn grootendeels de oorzaak van het verval en den ondergang van het rijk der Seleuciden geworden.--11) Ant. IX Kyzikenos (hij had te Cyzicus gewoond) moest na den dood van Ant. VIII den oorlog tegen diens zoon, Seleucus Epiphanes voortzetten en sneuvelde reeds in 95.--12) Ant. X Heusebes, zoon van Ant. IX, overwon Seleucus Epiphanes, versloeg bij den Orontes (94) Antiochus Philadelphus en Philippus, twee andere zonen van Ant. Grypus, die een opstand tegen hem verwekt hadden, en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (na 83).--13) Ant. XI Philadelphos, z. no. 12. Na den ongelukkigen slag aan den Orontes verdronk hij op de vlucht in die rivier (94).--14) Ant. XII Lionysos vatte de wapenen op tegen zijn broeder Philippus (86), maar sneuvelde spoedig in den strijd tegen een arabischen volksstam.--15) Ant. XIII Asiaticus, zoon van Ant. X, de laatste der Seleuciden. Nadat het syrische rijk sedert den dood van Ant. XII bij Armenië ingelijfd was geweest, werd het door Lucullus hersteld en Ant. XIII op den troon geplaatst (68). Pompeius ontnam hem echter weldra de regeering weder en maakte Syrië tot een rom. provincie (64). Deze Antiochus is het, die als prins op zijn reis van Rome naar Antiochia door Verres te Syracuse beroofd werd.--15a) Antiochus I, koning van Commagene, zoon van Mithradates I van Commagene, regeerde 69-34. Hij hielp Pompeius met troepen tegen Caesar; hij stierf kort voor 31.--16) Ant. II, koning van Commagene, die wegens een moord door Augustus met den dood gestraft werd (29).--17) Ant. III, koning van Commagene, die in 17 na C. stierf, waarop zijn rijk tot 38 een rom. provincie werd.--18) Ant. IV Epiphanes, kreeg in 38 n. C. van Caligula weder de regeering over Commagene; hij hielp Nero tegen de Parthen en Vespasianus tegen de Joden, in 72 rezen er echter vermoedens tegen hem en werd hem de regeering ontnomen. Commagene werd weder ingelijfd en met Syria vereenigd.--19) stuurman onder Alcibiades, die hem tijdelijk het bevel over de vloot opdroeg. In strijd met zijne bevelen, gaf Ant. door zijne roekeloosheid aanleiding tot het ongelukkige zeegevecht bij Notium, waarin Lysander de atheensche vloot op de vlucht joeg en 15 schepen buit maakte (407).--20) Ant. van Syracuse, ouder tijdgenoot van Thucydides, schreef eene geschiedenis van Italië en Sicilië, die met lof genoemd wordt.--21) Ant. van Ascalon, leerling van Philo no. 6, stichter der zoogen. vijfde academie, die de leer der academie met die der stoa tracht in overeenstemming te brengen. Hij erkent, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, maar beweert dat voor eene vita beatissima nog andere dingen noodig zijn. Cicero en Varro behoorden tot zijne leerlingen.

Antiope, Antiope, 1) dochter van Asopus of van Nycteus, om hare schoonheid door Zeus bemind, wien zij Amphion en Zethus baarde. Toen zij gevoelde dat zij moeder worden zoude, vluchtte zij uit vrees voor den toorn van haar vader naar Sicyon. Nycteus doodde zich uit verdriet hierover, en droeg aan zijn broeder Lycus op hem te wreken. Deze haalde Ant. terug, die intusschen met Epopeus, koning van Sicyon, gehuwd was, en gaf haar als slavin aan zijne gemalin Dirce, die haar twintig jaren lang de wreedste behandeling liet ondergaan. Eindelijk vluchtte zij naar hare zonen, die op Dirce wraak namen (z. Amphion), maar daardoor het misnoegen van Dionysus opwekten; deze liet Ant. in waanzin rondzwerven, totdat Phocus, een kleinzoon van Sisyphus, haar genas en tot vrouw nam.--2) z. Amazones. Zij werd bij Theseus moeder van Hippolytus. In den strijd dien de Amazonen tegen Athene voerden, werd Ant. gedood, of v. a. wist zij een vrede te bewerken.

Antipater, Antipatros, 1) een van de veldheeren van Philippus van Macedonië. In die hoedanigheid had hij zooveel bewijzen van bekwaamheid en trouw gegeven, dat Alexander hem gedurende zijne buitenlandsche veldtochten als stadhouder van Macedonië en Griekenland achterliet. Ook deze betrekking bekleedde hij met roem, hij dempte een opstand der Thraciërs en versloeg de Lacedaemoniërs, die onder Agis II Griekenland van de macedonische heerschappij trachtten te bevrijden, in den slag bij Megalopolis (330). In 324 riep Alexander, ongeduldig geworden door de herhaalde klachten van zijne moeder, die steeds met Ant. in onmin was, hem naar Azië, maar door zijn spoedig daarop gevolgden dood bleef dit bevel onuitgevoerd, vandaar het verhaal dat Ant. Alex. door vergif zou hebben laten dooden. Terstond na den dood van Alexander vereenigden de Grieken zich weder om zich van Macedonië los te maken; Ant. werd in Lamia ingesloten (323), maar de komst van Leonnatus noodzaakte de belegeraars hem uit de stad te laten trekken, en door Craterus geholpen, versloeg hij het grieksche leger bij Crannon en maakte daarmede aan den oorlog een einde (322). Tegen het streven van Perdiccas om zich van de regeering over het geheele rijk meester te maken, vereenigde zich Ant. met Antigonus, Craterus en Ptolemaeus, en toen Perdiccas vermoord was, werd hij tot rijksbestuurder benoemd (320). In het volgende jaar stierf hij, nadat hij Polyperchon als zijn opvolger had aangewezen.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van Cassander, werd in 296 koning van Macedonië. Hij doodde zijne moeder Thessalonica, omdat hij meende dat zij zijn broeder Alexander begunstigde; deze verjoeg hem daarop met de hulp van Demetrius Poliorcetes; hij vluchtte naar zijn schoonvader Lysimachus, die hem in 287 liet ter dood brengen.--3) Ant. van Tarsus, opvolger van Diogenes den Babyloniër als hoofd der stoicijnsche school. Hij leefde in het midden van de 2de eeuw. Hij was de leermeester van Panaetius.--4) Ant. van Tyrus, hoofd der stoicijnsche school, leermeester en vriend van den jongen Cato, stierf te Athene omstreeks 45.--5) Caelius Ant. z. Caelii no. 1.

Antiphanes, Antiphanes, geb. op Rhodus, een geestig en bekwaam attisch blijspeldichter, wien 260 stukken worden toegeschreven. Zijne eerste werken verschenen omstreeks 387.

Antiphates, Antiphates, de wreede vorst der Laestrygonen, die een van de gezellen van Odysseus verslond, en elf van diens schepen door zijn volk liet verbrijzelen, zoodat slechts één schip konde ontkomen. Zijn naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wreedaard gebruikt.

Antiphilus, Antiphilos, 1) schilder, tijdgenoot van Apelles.--2) na den dood van Leosthenes (323) aanvoerder van het grieksche leger in den lamischen oorlog.

Antiphon, Antiphon, 1) geb. te Athene omstreeks 480. Hij ontving van zijn vader Sophilus, een sophist, het eerste onderwijs in de welsprekendheid, waarin hij later uitmuntte, zoodat hem in den alexandrijnschen canon der attische redenaars de eerste plaats gegeven werd. Slechts eenmaal trad hij zelf als redenaar op, en wel om zichzelven te verdedigen. Daar hij n.l. ijverig deelgenomen had aan de invoering van de regeering der 400, werd hij, nadat de democratie hersteld was, door Theramenes van hoogverraad aangeklaagd en in weerwil van zijn meesterlijke verdediging ter dood veroordeeld (411). Hoewel wegens zijn aristocratische gezindheid niet populair, was hij zeer gezocht als schrijver van pleitredenen (logographos). Van deze zijn drie bewaard gebleven; bovendien hebben wij nog van hem twaalf ontwerpen van redevoeringen, verdeeld in drie tetralogieën, ieder bevattend aanklacht, verdediging en beiderzijdsche replieken in een gefingeerde moordzaak. Hij gaf ook onderwijs in de redekunst en schreef eene techne rhetorike, die verloren is.--2) treurspeldichter, die eerst te Athene en later aan het hof van den tyran Dionysius leefde; hij hielp dezen bij het maken zijner treurspelen, maar werd wegens zijne vrijmoedigheid gedood.

Antipolis, Antipolis, stad op de Zuidkust van Gallia Narbonensis, nabij de grenzen van Italië, thans Antibes.

Antiquo. Bij het stemmen in de volksvergadering over wetsvoorstellen beteekende de letter A: antiquo = ik ben voor het oude, dus: ik ben tegen het voorstel.

Antirrhium en Rhium, Antirrion en Rhion, twee kapen tegenover elkander, de eerste ten N., de andere ten Z., aan de invaart der corinthische golf.

Antissa, Antissa, havenstad aan den N. W. kant van Lesbus.

Antisthenes, Antisthenes, Athener, geb. omstreeks 444 en gestorven op den leeftijd van 70 jaar. Nadat hij in zijne jeugd van den sophist Gorgias onderwijs had gehad en later zelf sophistisch onderwijs had gegeven, leerde hij Socrates kennen en bleef hij tot diens dood zijn leerling. Na dien tijd trad hij weder als leeraar op en stichtte hij eene nieuwe school, die de cynische genoemd wordt naar het gymnasium Cynosarges, waar hij onderwijs gaf. Zijne vrij eenzijdige opvatting van de leer van Socrates was, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, dat zij bestaat in het onafhankelijk zijn van behoeften en in het vermijden van het kwaad, dat genot op zichzelf een kwaad is, omdat het ongeschikt maakt te streven naar het bereiken van deugd. Door zijne leefwijze, waarin hij deze leer streng in praktijk bracht, en door zijne overredingskracht verwierf hij zich vele aanhangers. Van zijne talrijke geschriften zijn twee onbeduidende werkjes bewaard gebleven, aan welker echtheid door velen getwijfeld wordt.

Antistii, een plebejisch geslacht. 1) P. Antistius, op last van den jongen Marius omgebracht (82), was een goed redenaar en pleiter.--2) Pacuvius Antistius Labeo, een van Caesars moordenaars, bracht na den slag bij Philippi zich zelf om.--3) M. Antistius Labeo, zoon van no. 2, vurig republikein, weigerde het consulaat, hem door Augustus aangeboden. Hij was een groot rechtsgeleerde en stichtte eene beroemde school, die den geest der wetten van het oude Rome huldigde. (Zie Proculi no. 2.) Tegenover zijne philosophische richting stond de historische richting van den niet minder beroemden Ateius Capito.

Antitaurus, Antitauros, bergketen, die zich van den Taurus afscheidt en zich midden door Armenia minor in N. O. richting uitstrekt.

Antitimasthai z. timema no. 3.

Antium, Antion, oude stad in Latium, op eene ver vooruitspringende landtong gesticht en door zeeroof zeer berucht. Toen na den koningstijd de Volsci de vlakte ten W. van hun bergen veroverden, kwam Antium in hun bezit, en werd nu hoofdstad van het Volscische land, en handelsconcurrent van Ostia. In 340 sloot het zich bij de afgevallen latijnsche steden aan, en moest in 338 zich overgeven en zijne vloot uitleveren, terwijl eene nieuwe kolonie er heen gezonden werd. De snebben der zes overgeleverde schepen werden als zegeteeken aan het spreekgestoelte op het romeinsche forum bevestigd (rostra). Sedert werd Antium volkomen machteloos gehouden; doch tegen het einde der republiek was het een geliefkoosd verblijf der romeinsche grooten, die hier paleizen en buitenverblijven hadden. Onder de tempels was vooral de Fortuna-tempel beroemd door een orakel (sortes Antiatinae). Antium was de geboorteplaats van de keizers Caligula en Nero.

Antomosia, de eed, waarmede de aanklager en de aangeklaagde in een proces hunne verklaringen bekrachtigen.

Antoniae (leges), van den drieman M. Antonius, 44. Het eerste tweetal der hieronder genoemde wetten werd nog bij Caesars leven aangenomen, de overige na zijn dood. 1) lex de Quinctili mense Iulio appellando, ter eere van Caesar (zie annus).--2) dat aan de circensische spelen ter eere van Caesar een vijfde dag zou worden toegevoegd.--3) de dictatura in perpetuum tollenda, tot afschaffing der dictatuur.--4) lex agraria zie agrariae (leges).--5) lex iudiciaria tot wederinvoering eener derde decuria van rechters, zonder census (zie iudex).--6) lex de provocatione, dat zij, die de vi en de maiestate veroordeeld waren, in hooger beroep bij het volk konden komen (zie provocatio).--7) lex de provinciis, waardoor het stadhouderschap over de consulaire provinciën op 6 jaar werd vastgesteld.--8) lex de provinciarum permutatione, dat o.a. Antonius in plaats van Macedonia Gallia Cisalpina zou krijgen, dat aan D. Brutus ontnomen werd, terwijl C. Antonius (z. Antonii no. 5) Macedonia kreeg.--9) lex de actis Caesaris confirmandis, waarbij alle verordeningen van Caesar rechtsgeldig werden verklaard.

Antonii. 1) M. Antonius orator, een der beste redenaars van zijn tijd, die in Cicero's werk de oratore een der hoofdpersonen van het gesprek is. In 143 geboren, was hij in 99 consul, in 97 censor. In den burgeroorlog koos hij de partij van Sulla en werd in 87 op last van Marius en China omgebracht, waarna zijn hoofd op de rostra werd tentoongesteld. Hij was de grootvader van den lateren triumvir.--2) M. Antonius Creticus, zoon van no. 1, voerde, althans in naam, in 74 als propraetor oorlog tegen de zeeroovers. Hoewel met buitengewone macht bekleed, voerde hij weinig meer uit, dan dat hij Sicilia plunderde. Een aanval op Creta mislukte; Antonius leed eene schandelijke nederlaag, die hem den spotnaam Creticus bezorgde, en stierf van hartzeer in 71.--3) O. Antonius, bijgenaamd Hybrida, ook een zoon van no. 1, was in 63 Cicero's ambtgenoot in het consulaat. Hij was sinds 87 met Sulla in Asia, pleegde op den terugweg rooverijen in Griekenland, wist met Sulla's vogelvrijverklaringen zijn voordeel te doen, doch werd in 70 om zijne roofzucht uit den senaat gezet door de censoren L. Gellius Poplicola en Cn. Cornelius Lentulus Clodianus. Hij was in het geheim deelgenoot van Catilina's samenzwering, doch Cicero wist hem door eene ruiling van provinciën daarvan af te trekken. Antonius trok echter niet zelf tegen Catilina op, maar zond, onder voorwendsel van voeteuvel, zijn legaat A. Petreius. Als proconsul van Macedonia leed hij eene nederlaag tegen de bergvolken, en werd in 59 aangeklaagd en niettegenstaande de verdediging van Cicero veroordeeld. De punten van aanklacht, en de quaestio, waarbij de aanklacht in behandeling kwam, staan niet vast. Hij ging naar het eiland Cephallenia, eene civitas libera, in ballingschap, maar werd in 44 door Caesar teruggeroepen.--4) M. Antonius, zoon van no. 2, werd in 82 geb., diende onder A. Gabinius in 58-55 in Syria en sloot zich in 54 bij Caesar aan, door wiens toedoen hij in 52 quaestor en in 50 augur en volkstribuun werd. Bij de toenemende spanning tusschen Caesar en Pompeius was hij een ijverig kampioen voor Caesar en trotseerde de woede van diens vijanden in den senaat, zoo zelfs, dat hij en zijn medetribuun Cassius vermomd uit Rome moesten vluchten (Jan. 49). Dit was voor Caesar een voorwendsel om den oorlog te beginnen. Toen Caesar bezit van Rome had genomen en naar Hispania vertrok, liet hij Antonius als legatus pro praetore in Italia achter. In den slag bij Pharsalus (48) voerde Antonius het bevel over den linkervleugel van Caesars leger. Later geraakte hij echter met Caesar in onmin, doch verzoende zich in 45 met hem en werd in 44 consul. Hij was het ook, die aan Caesar (15 Febr. bij het feest der Lupercalia) den koningsdiadeem aanbood. Zijn eigenlijke rol begon hij na Caesars dood te spelen. Hij wilde de erfgenaam worden van Caesars macht, maakte zich meester van Caesars papieren, wond door eene hartstochtelijke lijkrede het volk op, en wist van den senaat de wettigverklaring te verkrijgen van alle besluiten en verordeningen, die nog onder Caesars nagelaten papieren gevonden werden. Antonius bracht nu allerlei beschikkingen voor den dag, waarmede hij zelfs handel dreef. In plaats van de provincie Macedonia, die aan M. Brutus ontnomen, en hem toegewezen was, verlangde hij van den senaat Gallia Cisalpina, doch deze, meer en meer verbitterd en aangevuurd door Cicero's zoogen. philippische redevoeringen, weigerde, waarop Antonius eene wet uitlokte, waarbij D. Junius Brutus als stadhouder van Cisalpina door hem vervangen werd. Intusschen was, zeer te onpas voor Antonius, Caesars neef en aangenomen zoon Octavianus op het tooneel verschenen. Een derde persoon was M. Aemilius Lepidus, die als Caesars magister equitum op den dag van diens moord aan het hoofd van een leger stond, dat naar Hispania zou uittrekken. Toen nu Antonius tegen D. Brutus was opgetrokken en dezen in Mutina (Modena) belegerde, zond de senaat een leger uit onder de beide consuls C. Vibius Pansa en A. Hirtius en den negentienjarigen Octavianus. Antonius werd verslagen (43); Hirtius en Pansa kwamen in den strijd om. Antonius, inziende dat hij Octavianus te licht had geteld, verbond zich met Lepidus en verzoende zich vervolgens met Octavianus. Toen kwam het driemanschap tot stand; onder den naam van triumviri reipublicae constituendae lieten zich de drie bondgenooten voor den tijd van vijf jaren met alle gezag bekleeden. Hun eerste zorg was de uitroeiing der republikeinsche partij. Meer dan 2000 ridders en senatoren werden vogelvrij en hunne goederen verbeurd verklaard. Onder de slachtoffers was ook Cicero, tegen wien Antonius een doodelijken haat koesterde, zoowel om diens hevige bestrijding, alsook omdat Antonius' stiefvader, P. Cornelius Lentulus Sura, als eedgenoot van Catilina, op Cicero's last ter dood was gebracht. Na vervolgens met Octavianus het republikeinsche leger onder Brutus en Cassius bij Philippi in Macedonia te hebben verslagen (Nov. 42), begaf Antonius zich naar Azië en leerde te Tarsus in Cilicia de schoone Cleopatra kennen, die hij weldra naar Aegypte volgde (herfst van 41). Inmiddels zocht zijne gemalin Fulvia in Italië het gezag van Octavianus te ondermijnen en zette haren zwager L. Antonius tot een oorlog aan (bellum Perusinum 41), terwijl Sex. Pompeius met eene vloot den korenaanvoer naar Rome onderschepte en vasten voet in Italië en op de nabijgelegen eilanden zocht te verkrijgen. Antonius, hoewel bedreigd door een inval van de Parthen, begaf zich naar Italië, doch weifelde, of hij zich bij Sex. Pompeius zou aansluiten of niet. Onder den drang der verschillende legers kwam toen te Brundisium (Sept. 40) en later met Pompeius te Misenum (39) de vrede tot stand. Antonius kreeg het Oosten, Octavianus het Westen, Lepidus Africa, Pompeius Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus. Daar Fulvia inmiddels overleden was, sloot Antonius een tweede huwelijk met Octavianus' zuster Octavia. Het triumviraat werd in den herfst van 37 te Brundisium voor vijf jaren (tot einde 33) hernieuwd. Toen echter S. Pompeius vermoord (36) en Lepidus op zijde gezet was, kon de band tusschen Octavianus en Antonius niet lang meer bestaan. In de armen van Cleopatra vergat Antonius zijne vrouw, de edele Octavia, en zijne waardigheid. Steeds tot genot en uitspattingen geneigd, werd hij nu een schandvlek voor den romeinschen naam. Aan Cleopatra en hare kinderen schonk hij provinciën, de pergameensche bibliotheek werd naar Alexandrië overgebracht; hij gaf het ongehoorde feit te aanschouwen, dat hij binnen deze stad een triomftocht hield over den onttroonden koning Artavasdes van Armenia (34); hij bedreigde ook rechtstreeks de belangen van Octavianus, door Caesarion, den zoon van Cleopatra en Caesar, tot erfgenaam zijns vaders te verklaren. Toen werd de breuk onvermijdelijk (begin 32). Bij Actium ontmoetten de mededingers elkander (2 Sept 31). De vloot van Antonius had bijna de dubbele sterkte van die zijner tegenpartij, die door M. Vipsanius Agrippa werd aangevoerd; doch reeds in het begin van den strijd ging Cleopatra met de aegyptische schepen op de vlucht. Antonius, die niet buiten zijn geliefde kon, volgde haar. Ten laatste, door bijna allen verlaten en misleid door een valsch bericht van Cleopatra's dood, stortte hij zich in zijn zwaard (1 Aug. 30).--5) C. Antonius, broeder van no. 4, diende als legaat onder Caesar (49) en kreeg vervolgens het stadhouderschap over Macedonia (44), dat eerst aan zijn broeder Marcus was gegeven. Macedonia was echter reeds in handen van Brutus. C. Antonius werd (begin 43) te Apollonia ingesloten en moest zich overgeven. Hij werd gevangen gehouden, maar na de vermoording van Cicero in het begin van 42 op last van Brutus gedood.--6) L. Antonius, ook een broeder van no. 4, liet zich in 41, tijdens zijn consulaat, door zijne schoonzuster Fulvia overhalen, den oorlog met Octavianus te beginnen (bellum Perusinum). Diens veldheeren M. Vipsanius Agrippa en Q. Salvidienus Rufus sloten hem echter binnen Perusia op. Door honger gedwongen moest de stad zich overgeven (winter van 41/40). Octavianus schonk aan L. Antonius genade en benoemde hem zelfs tot praetor in Hispania. Zijn verdere levensloop is niet bekend.--7) M. Antonius, zoon van no. 4 uit diens huwelijk met Fulvia, werd in 30, na den dood van zijn vader, door Octavianus ter dood veroordeeld. Bij de Grieksche schrijvers heet hij gewoonlijk Antyllos.--8) Iulus Antonius, jongere zoon van no. 4 en Octavia, werd door Augustus vriendelijk behandeld en zelfs tot consul verheven (10). Later werd hij in eene liefdesgeschiedenis verwikkeld met Julia, de zedelooze dochter van Augustus, en ter dood gebracht (2); v. s. voorkwam hij zijn terechtstelling door zelfmoord te plegen.--9) L. Antonius, zoon van no. 8, stierf als balling te Massilia (Marseille) in 25 na C.--10) Antonia maior, oudste dochter van no. 4 en Octavia, huwde L. Domitius Ahenobarbus en was de grootmoeder van Nero.--11) Antonia minor, zuster van no. 10, beroemd door deugd en schoonheid, huwde met Drusus en was de moeder van Germanicus en keizer Claudius.--12) Antonia, dochter van keizer Claudius, werd door Nero ter dood gebracht (tusschen 66 en 68 n. C.).

Niet tot de familie der Antonii behooren:--13) M. Antonius Felix, vrijgelatene van Antonia minor, gehuwd met eene kleindochter van M. Antonius en Cleopatra. Onder Claudius en Nero was hij procurator van Iudaea (52-60 n. C.), dat veel van zijne hebzucht te lijden had. In 58 liet hij den Apostel Paulus gevangen nemen, en hij hield hem gevangen. Pallas, de invloedrijke vrijgelatene onder keizer Claudius, was zijn broeder.--14) Antonius Musa, lijfarts van Augustus, dien hij (23) door eene koudwaterkuur van een zware ziekte genas.--15) M. Antonius Primus, uit Gallia, diende onder Galba en koos daarna de partij van Vespasianus en versloeg de troepen van Vitellius tweemaal bij Cremona (einde Oct. 69 n. C.). Hierop (20 Dec.) nam hij Rome in en liet Vitellius smadelijk ombrengen.--16) Antonius Polemo, uit Laodicea, beroemd rhetor onder Traianus en later, stichtte te Smyrna eene rhetorenschool. Toen de jicht hem het leven ondragelijk maakte, liet hij zich doodhongeren.

Antoninus Pius, keizer van het rom. rijk werd in 86 n. C. te Lanuvium in Latium geboren uit eene familie, die uit het Zuiden van Gallia afstamde. Zijn volledige naam was T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antoninus, naar zijn vader T. Aurelius Fulvus en zijne beide grootouders van moederszijde, Boionia Procilla en Arrius Antoninus. Hij werd door keizer Hadrianus tot zoon en opvolger aangenomen (begin 138) zonder dat hij evenwel diens geslachtsnaam Aelius aannam. Hij had Hadrianus innig lief en hield dezen in zijne laatste levensjaren van meer dan ééne wreede daad terug. Na 's keizers dood (10 Juli 138) verdedigde hij diens nagedachtenis in den verbitterden senaat en eerde hem ook door het stichten van tempels, hetgeen hem den bijnaam Pius bezorgde. Hij was een der beste keizers, zachtmoedig, rechtvaardig, mild, eenvoudig en huiselijk. Zijne regeering (138-161) wordt als een tijdperk van vrede en welvaart geroemd, toch zijn er ook duidelijke teekenen waar te nemen van verarming, vooral van Italië, en van verval van het rijk. Slechts een paar maal moest hij oorlog voeren, in Britannia (142), waar hij de grenzen van het rijk uitbreidde, door een nieuwen grenswal in Schotland aan te leggen (z. Vallum Antonini), en tegen de Mauren in Afrika; een oproer in Iudaea werd met weinig moeite onderdrukt. Overeenkomstig Hadrianus' verlangen nam hij M. Aelius Verus (keizer M. Aurelius) en diens broeder L. Verus tot zoons en opvolgers aan, zie Annii no. 6.

Antron, Antron, stad in Phthiotis (Thessalia), aan den mond der malische golf.

Antyllos z. Antonii no. 7.

Anubis, Anoubis, aegyptische godheid, als een jakhals of als een mensch met den kop van een jakhals voorgesteld. De Grieken maakten daarvan een hondekop, en daar hij de zielen der afgestorvenen naar de onderwereld geleidde, stelden zij hem gelijk met Hermes. Bij de Romeinen werd hij als helhond vereerd.

Anulus = Annulus.

Anxur, later Tarracina geheeten, oude stad der Volscen, aan zee en aan de via Appia gelegen, nabij de pomptijnsche moerassen, in 406 door de Romeinen veroverd, maar in 402 weer verloren gegaan, 400 weer heroverd, sedert 329 romeinsche kolonie. Op eene steile kalkrots lag het kasteel, en nabij de stad een tempel der godin Feronia.

Anytus, Anytos, rijk leerkooper te Athene, een van de leiders der democratische partij bij de verdrijving der 30, die hem verbannen hadden. Hoewel lang met Socrates bevriend, trad hij later als een van zijne aanklagers op. Waarschijnlijk werd hij later weder verbannen, hij stierf te Heraclea in Pontus.

Aoede, Aoide, z. Musae.

Aones, Aones, oude volksstam in Boeotia, in de streek Aonia, aan den Helicon. De Muzen, aan wie de Helicon geheiligd was, worden meermalen Aoniae sorores of Aonides genoemd, en de wateren der bron Aganippe Aoniae aquae. Als stamvader der Aoniërs wordt Aon, Aon, een zoon van Poseidon, genoemd.

Aornus, Aornos, naam van eenige hooggelegen plaatsen, als: 1o. stad in Bactria, 2o. bergvesting aan den Indus, ten N. van de uitmonding van den Cophen in den Indus. Zie ook Avernus lacus.

Aorsi, Aorsoi, machtig handelsvolk ten Noorden en Westen der Caspische zee.

Aous, Aoos, Aoos, rivier in het Zuiden van Illyria, die zich ten Z. van Apollonia in de ionische zee stort.

Apagoge. Te Athene had in sommige gevallen ieder, die als aanklager wilde optreden van een misdadiger, die op heeterdaad betrapt was of aan wiens schuld geen twijfel bestond, het recht den misdadiger zelf te vatten en voor den magistraat te brengen, die het proces moest leiden, meestal de elfmannen. Deze handeling heette apagoge, evenals de schriftelijke aanklacht die tegelijkertijd ingediend moest worden. Werd de aanklacht door den magistraat aangenomen, dan moest de beschuldigde drie borgen stellen of hij werd gedurende de behandeling der zaak gevangen gehouden.

Apame, Apama, Apame, 1) eerste echtgenoote van Seleucus I Nicator, moeder van Antiochus I.--2) v. s. Arsinoe geheeten, dochter van Antiochus I, echtgenoote van Magas, stadhouder van Cyrene. Na diens dood (258) ontbood zij den zoon van Demetrius Poliorcetes, om met hare dochter Berenice (z. a. no. 3) te trouwen, die reeds met Ptolemaeus III verloofd was. Zij werd echter zelve op Demetrius' zoon verliefd, en verwekte daardoor zooveel misnoegen bij het volk, dat het hem in hare armen doodde, en haar alle macht ontnam.

Apamea, Apameia, naam van onderscheiden steden, meest aldus geheeten naar Apama, de echtgenoote van Seleucus Nicator, den stichter van het Seleucidenrijk.--1) Apamea ad Orontem, vroeger Pella geheeten, door Seleucus vergroot en verfraaid, waarnaar het omliggende landschap Apamene werd geheeten.--2) Apamea Cibotus (he Kibotos = kast, stapelplaats), de belangrijkste stad van Groot-Phrygia, in de onmiddellijke nabijheid van Celaenae gelegen.--3) Ap. in Bithynia vroeger Myrlea aan de Propontis, door Prusias I vergroot en naar zijne gemalin Apama genoemd.--Verder had men nog steden van dezen naam aan den Boven Euphraat, in Osroene, aan de samenvloeiing van Euphraat en Tigris, en in Media.

Apaturia, Apatouria, een feest dat in alle ionische staten gevierd werd. Te Athene viel het in de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) en duurde het drie dagen, die dorpia, anarrysis en koureotis heetten. Op den derden dag werden de jonge kinderen op de lijsten der phratriën ingeschreven, na aan de leden der phratrie te zijn voorgesteld; voor ieder kind werd door den vader een schaap of bok geofferd. Gestemd werd over de opneming alleen wanneer iemand er tegen protesteerde, wat men doen kon door het offerdier van het altaar weg te leiden. Op den derden dag gaven ook jongens, die de school bezochten, proeven van hunne vorderingen, vooral in het declameeren; zij die daarin uitmuntten kregen prijzen.

Apeleutheros, vrijgelaten slaaf. Slaven, die aan den staat een of anderen gewichtigen dienst bewezen hadden, werden dikwijls van staatswege tegen vergoeding aan hun heer vrijgelaten. Had een slaaf geld om zich zelf vrij te koopen, waartoe de toestemming van den heer noodig was, dan was daarbij de medewerking van een burger noodig; meestal trad een priester als tusschenpersoon op. Natuurlijk stond het den heer vrij zijne slaven ook zonder losprijs de vrijheid te geven. Aan de vrijlating waren dikwijls zekere voorwaarden verbonden, z. apostasiou dike.

Apeliotes, Apeliotes, de Oostenwind. Zie Windstreken.

Apella, naar het schijnt, een te Rome veelvuldig voorkomende of althans zeer bekende jodennaam.

Apelles, Apelles, de beroemdste schilder der oudheid (356-308), geb. te Colophon of te Ephesus, leerling van Pamphilus. Zijne werken muntten uit door waarheid en bevalligheid, vooral in de laatste eigenschap was hij onovertroffen. Alex. d. G. schatte hem zeer hoog; onder de vele portretten die hij van dien vorst schilderde, was vooral beroemd de "bliksemslingerende Alexander", die in den tempel van Artemis te Ephesus hing. Als het meesterstuk van Ap. gold de Aphrodite Anadyomene (z. Anadyomene).

Apellicon, Apellikon, van Teos, vond omstreeks 100 een aantal onuitgegeven handschriften van Aristoteles en bezorgde een uitgave daarvan. Bij de inneming van Athene (87) viel zijn kostbare bibliotheek in handen van Sulla, die haar naar Rome overbracht.

Apenninus mons, Apenninos, de Apennijnen, de bekende bergketen, die Italië doorsnijdt. V. s. beter Appenninus.

Apex, een met wol omwonden olijftakje, dat op de punt der vilten priestermuts was bevestigd (zie albogalerus). Ook wordt het woord wel voor het geheele hoofddeksel gebezigd. Soms wordt apex gebruikt voor de spits toeloopende tiara der perzische koningen en beteekent in figuurlijken zin de kroon, het teeken der hoogste waardigheid.

Aphaca, ta Aphaka, stad in Phoenice, op de helling van den Libanon, met een tempel en een orakel van Aphrodite.

Aphaea, Aphaia, eene aan de Cretensische Dictynna verwante godin, die op Aegina vereerd werd. Aan haar was de beroemde tempel gewijd, waarvan het beeldhouwwerk in München bewaard wordt. De naam wordt afgeleid van het verdwijnen der godin, toen Andromedes, een visscher die haar van Creta overgebracht had, haar met zijn liefde vervolgde. Zie Britomartis.

Aphaireseos dike. Wanneer een slaaf weggeloopen was, dan konde zijn heer of ieder ander belanghebbende hem vatten waar hij hem vond, en naar zijn huis medenemen. Tegen dengene, die zich daartegen verzette, konde de aphair. d. ingebracht worden, en wanneer hij in het ongelijk gesteld werd, moest hij den aanklager eene schadevergoeding en den staat eene boete betalen.

Aphamiotai = klarotai.

Apharetidae, Apharetidai, Idas en Lynceus, de zonen van Aphareus, koning van Messenië, namen deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten. Zij waren met de Dioscuren opgegroeid, maar kregen eens twist met hen over de verdeeling eener kudde, of om de dochters van Leucippus, die met de Apharetiden verloofd waren en door de Dioscuren ontvoerd werden. Het kwam tot een gevecht, waarbij Castor door Idas, Lynceus door Polydeuces verslagen werd. Idas werd daarop echter door Zeus met den bliksem gedood. Hun graf werd later te Sparta getoond.

Aphareus, Aphareus, 1) zoon van Perieres, vader der Apharetidae.--2) zoon van den sophist Hippias, door Isocrates als zoon aangenomen, redenaar en treurspeldichter. Hij schreef 37 treurspelen, waarvan 4 den eersten prijs behaalden. Zijne werken vallen tusschen 369 en 342.

Aphetae, Aphetai, stad in Zuid-Thessalia, ten O. van de invaart in de Pagasaeische golf.

Aphetoi hemerai heetten te Athene dagen, waarop geene raadsvergaderingen of rechtszittingen gehouden werden, zooals feestdagen en aopophrades hemerai.

Aphidna, Aphidnae, Aphidna, Aphidnai, versterkte stad in Attica, ten N. van Marathon gelegen. Toen Theseus met Pirithous naar de onderwereld ging, gaf hij Helena en Aethra aan zijn vriend Aphidnus, die te Aphidna woonde, ter bewaring. De Dioscuren namen de stad in en voerden de beide vrouwen weg.

Aphrodisia, ta Aphrodisia, feesten ter eere van Aphrodite door geheel Griekenland en het plechtigst te Paphus op Cyprus gevierd.

Aphrodisias, Aphrodisias, naam van steden, aan Aphrodite geheiligd. 1) In Caria, met een prachtigen tempel, waarvan nog overblijfselen aanwezig zijn. In den burgeroorlog omhelsde de stad de zaak van Caesar en werd eene civitas libera.--2) In Cilicia tracheia, met een ruime haven.--Ook een eiland op de kust van Cyrenaïca heette zoo.

Aphrodite, Aphrodite, Venus, dochter van Zeus en Dione, of van Uranus en Hemera of, volgens het meest bekende verhaal, uit het schuim der zee geboren en bij Cyprus geland (Aphrogeneia, Anadyomene, Kyprogeneia), oorspronkelijk godin der lente, der vruchtbaarheid en der algemeene voortplantingskracht in de natuur (Ourania), vandaar ook godin van het huwelijk, van het huisgezin en dus van de grondvesten van den staat (Pandemos), eindelijk en voornamelijk van liefde en schoonheid; deze laatste hoedanigheden traden mettertijd zoozeer op den voorgrond, dat men ook de namen Ourania en Pandemos daarmede in betrekking bracht, en haar den eersten gaf als beschermster der reine, kuische liefde en van het huwelijk, den anderen als godin van zinnelijk liefdegenot. Zij is het, die de lente met bloemen tooit en haar bekoorlijkheid verleent, die den menschen schoonheid geeft en die hun al of niet liefde voor elkaar inboezemt Epistrophia, Apostrophia. Zij wordt door de dichtkunst en de beeldende kunsten voorgesteld als een ideaal van schoonheid en lieftalligheid, Chryseie, Philomeides; zij draagt den gordel, die alle toovermiddelen der liefde bevat en die goden en menschen aan hare macht onderwerpt; steeds vergezellen haar de Horen en Chariten, Peitho, Eros, Pothus en Himerus. Haar eeredienst, hoezeer door de Grieken veredeld, bleef altijd toch nog vele sporen van oostersche afkomst vertoonen, en kenmerkte zich veelal aan den eenen kant door uitgelaten vroolijkheid, aan den anderen door buitensporige smart (zie Adonia). De duif, de haas, de dolfijn, de roos, de papaver, de myrte, de appel waren haar gewijd. In vele tempels van Aphrodite mochten geene bloedige offers gebracht worden. Hoewel gemalin van Hephaestus, maakte zij toch vele andere goden en menschen door hare liefde gelukkig; Ares, Hermes, Adonis, Anchises, e.a. Door hare verhouding tot Ares wordt zij ook in zekeren zin eene oorlogsgodin Areia, ofschoon de werken van den oorlog haar vreemd zijn en zij eenmaal, toen zij ter verdediging van Troje zelve op het slagveld verscheen, door Diomedes gewond werd. Vooral in zeeplaatsen werd zij hoog vereerd en daar men gewoon was haar om een gelukkige vaart te bidden, kreeg zij den naam van Euploia. Eindelijk had zij nog vele bijnamen naar de plaatsen waar hare heiligdommen stonden: Kypris, Paphia, Kythereia, Erykine, e.a.

Aphroditopolis, Aphrodites polis, naam van verschillende steden in Boven-, Midden- en Neder-Aegypte.

Aphthonius, Aphthonios, een sophist, die in de vierde eeuw n. C. te Antiochië leefde; hij was een leerling van Libanius en schreef een handboek der redekunst, Progymnasmata, dat nog tot de 17e eeuw bij het onderwijs gebruikt werd.

Aphytis, Aphytis, stad op het macedonische schiereiland Pallene, met een tempel van Zeus Ammon.

Apia, Apie, Apia ge, oude naam voor de Peloponnesus, afgeleid van een oud-argivisch koning Apis.

Apicius, naam van een drietal groote lekkerbekken, tijdens Sulla, Tiberius en Traianus. De tijdgenoot van Tiberius, M. Gabius Apicius, nam, toen hij het grootste deel van zijn vermogen door de keel had gejaagd, vergif in, uit vrees te moeten verhongeren, wanneer hij niet meer naar hartelust kon smullen. Op naam van Caelius Apicius bestaat nog een kookboek, uit de derde eeuw na C., de re culinaria.

Apidanus, Apidanos, rivier in Thessalia, zijtak van den Enipeus, die in den Peneus uitstroomt.

Apion, Apion, alexandrijnsch grammaticus, die onder Tiberius, Caligula en Claudius te Alexandria en Rome onderwijs gaf, een pronkerige en ijdele zwetser, vandaar Mochthos geheeten. Als hoofd van de anti-semitische partij te Alexandria, voerde hij het woord als afgezant van deze partij bij keizer Caligula (40 n. C.) (zie ook Flavius Josephus). Hoofd van de tegenpartij was Philo (z. a. no. 7). Van zijne talrijke werken is bijna niets overgebleven, want de Glossai Homerikai, die zijn naam dragen, zijn slechts een uittreksel uit een werk van hem.

Apis, Apis, 1) zoon van Phoroneus en Teledice of Laodice: hij was koning van Argos en trachtte zich van de heerschappij over de Peloponnesus meester te maken. Naar hem zou de Peloponnesus Apia (Apia ge) heeten.--2) zoon van Azan, werd bij de lijkfeesten voor zijn vader bij ongeluk door Aetolus gedood.--3) de heilige stier der Aegyptenaren, die vooral te Memphis een prachtigen tempel had, waar hij door zijne priesters op koninklijke wijze verzorgd werd en uit gouden vaatwerk at en dronk. Elk jaar was er ongeveer een maand lang te zijner eere een feest, dat met zijn verjaardag eindigde. Als hij 25 jaar oud werd, werd hij op een geheime plaats verdronken, gebalsemd en in een gouden kist bijgezet; stierf hij vroeger, dan was geheel Aegypte in rouw, totdat eene nieuwe stier gevonden was, die de vereischte eigenaardigheden van kleur enz., had; deze werd dan met groote feesten en plechtigheden naar Memphis gebracht. De Aegyptenaren meenden dat de Apis door een lichtstraal voortgebracht was en dat hij de drager was van de ziel van Osiris.

Apocleti, apokletoi, z. Aetolisch verbond.

Apodektai, ontvangers, te Athene tien ambtenaars, die de meeste staatsinkomsten moesten innen en aan de verschillende bestuursdepartementen overdragen.

Apodoti, Apodotoi, een half barbaarsche volksstam in Aetolia op de grenzen van Locris.

Apodyterium, apodyterion, ontkleedkamer in de openbare badhuizen, waar men zijne kleederen in bewaring gaf en zich na het baden weder aankleedde. In de badvertrekken begaf men zich slechts ongekleed.

Apographe, iedere officiëele opgave van personen, gelden, goederen, enz., in het bizonder: 1) kadaster ten behoeve van den census en de verdeeling in klassen aangelegd. Dit kadaster werd jaarlijks of om de twee of vier jaar naar eene nieuwe schatting vernieuwd; het was bij de demarchen in bewaring.--2) inventaris van aan den staat behoorende goederen en aanklacht tegen hen, die zulke goederen aan den staat trachtten te onthouden.

Apoikia, eene nederzetting van Grieken in een vreemd land, colonia, die een zelfstandigen staat vormt, onafhankelijk van de moederstad, in tegenstelling met emporion, handelsfactorij, die geen eigen gemeente vormde, en met klerouchia, een kolonie, waarin de burgers hun oude burgerrecht behielden. Worden de kolonisten opgenomen in een reeds bestaande stad, dan spreekt men van epoikia (z. epoikoi).

Apollinares (ludi), in den tweeden punischen oorlog ingesteld (212), om van Apollo de afwering van verdere oorlogsrampen, v. a. van ziekten te verkrijgen. Zij werden onder leiding van den praetor urbanus in den circus maximus gevierd, in Juli.

Apollinis promunturium, Apollonos akron, ook prom. pulchrum genoemd, op de kust van Africa, ten Noorden van Carthago.

Apollinopolis, Apollonos polis, naam van twee steden aan den Nijl, waar de aegyptische god Horus = Apollo bijzonder vereerd werd. De eene, maior bijgenaamd, lag boven Thebae, aan den linker oever der rivier; de andere, minor, aan den rechteroever stroomafwaarts van Thebae.

Apollo, Apollon, zoon van Zeus en Leto, geboren op Delus (Delios) aan den voet van den berg Cynthus (Kynthios), te gelijk met Artemis. Oorspronkelijk was hij een zonnegod (Phoibos, de lichte, reine); later ging deze beteekenis van Apollo nagenoeg verloren en werd hij beschouwd als de beschermer van het goede en schoone, de handhaver van wet en orde. Als zoodanig straft hij, de vertreffende boogschutter, met de pijlen van zijn zilveren boog (Hek(at)ebolos, Hekaergos, Argyrotoxos, Klytotoxos, Arcipotens, Arcitenens) de slechten en overmoedigen, maar brengt aan den anderen kant heil aan en weert het verderf af (Alexikakos, Soter). De geneeskunde, later aan zijn zoon Asclepius toegeschreven, behoorde oorspronkelijk tot zijn wezen (Akesios, Paion, Paian, Medicus). Zijne zorg strekt zich ook over het vee en de veldvruchten uit; hij beschermt niet slechts de kudden tegen de aanvallen van den wolf (Lykoktonos), maar dient ook zelf als herder (Nomios) bij Laomedon en Admetus; ook de jagers bidden hem om geluk op de jacht (Agreus). Hij voltrekt niet alleen de besluiten van Zeus, maar verkondigt den menschen ook diens wil als orakelgevend god, hoewel zijne uitspraken dikwijls voor het beperkte menschenverstand duister zijn (Loxias). Door zijn orakels heeft hij den grootsten invloed op het openbare leven der Grieken, en heeft hij vooral dikwijls den eersten stoot gegeven tot de stichting van volksplantingen (Archegetes, Ktistes); hij beschermt de openbare orde in de steden (Aguieus, Agoraios) en over het algemeen het geordende stadsleven; hijzelf heeft de muren van Troja en Megara gebouwd en tal van steden, waarvan vele naar hem Apollonia genoemd werden, beschouwden hem als haar stichter. Ook de zedelijke wereldorde staat in zekeren zin onder zijn hoede: reinigingsoffers aan Apollo gebracht ontlasten den mensch van de schuld der zonde, vooral bloedschuld, en bevrijden hem van de onvermijdelijk daaropvolgende straf; hijzelf boette het dooden van den draak Python (Pythios) of den moord der Cyclopen door geruimen tijd als herder te dienen, voordat hij zich van zijn schuld reinigen konde. Vandaar het gebruik zich op gezette tijden en in het bizonder na zware misdaden en algemeene rampen, die het bestaan van schuld doen vermoeden, door reinigingsoffers met den god te verzoenen, wat zoowel door enkele personen als door vereenigingen, ja door geheele staten gedaan werd.--Nadat Hermes de lier had uitgevonden, gaf hij die aan Ap. in ruil voor kudden, die hij hem ontvreemd had; sedert dien tijd bespeelt Ap. dit instrument in de vergaderingen der goden en daardoor wordt hij de god der muziek, later van gezang en dichtkunst, eindelijk stelt hij zich als beschermer van alle schoone kunsten aan het hoofd van de Muzen (Mousagetes). De dienst van Apollo was door geheel Griekenland verbreid; naar de verschillende plaatsen, waar hij heiligdommen en orakels had, en waarvan Delphi de voornaamste was, heet hij Amyklaios, Abaios, Ismenios, Klarios, enz. In Attica werd hij als Ap. Patroos nevens Zeus Herkeios als beschermer van het familieleven vereerd. De zwaan, de dolfijn, de wolf, de olijfboom, de palmboom en de laurier waren hem gewijd.--Door de Romeinen werd het delphische orakel reeds vroeg geraadpleegd, en onder den invloed der sibyllijnsche boeken werd de dienst van Ap. ook bij hen ingevoerd. Na de pest van 433 werd de eerste tempel voor Ap. Medicus te Rome gewijd; in 399 werden, mede bij gelegenheid van eene pest, voor het eerst lectisternia ter eere van Ap., Latona en Diana gehouden. Augustus beschouwde zich als een beschermeling van den god en geloofde dat hij door zijne gunst den slag bij Actium had gewonnen, daarom vergrootte en verrijkte hij zijn tempel op dat voorgebergte, verhoogde den luister waarmede zijne feesten daar gevierd werden en bracht die feesten ook naar Rome over; bovendien stichtte hij ook op den Palatijnschen berg een prachtigen tempel voor Ap. Palatinus.--De beelden van Ap. stellen hem gewoonlijk voor als jeugdig, hoog van gestalte, met edele trekken en schoone, golvende lokken (Akersekomes).

Apollodorus, Apollodoros, 1) Athener, wiens bloeitijd omstreeks 144 valt, stoicijnsch wijsgeer en geleerde, een zeer vruchtbaar schrijver. Zijne werken, die van wijsgeerigen en geschiedkundigen inhoud waren en waaronder eene wereldgeschiedenis in verzen, waaruit latere schrijvers veel geput hebben, zijn verloren gegaan. Een mythologisch werk onder den titel Bibliotheke, dat zijn naam draagt, is òf een uittreksel uit een werk van Ap. òf het heeft een lateren naamgenoot tot schrijver. Het is uit de 2e eeuw n. C.--2) van Pergamus, als rhetor te Apollonia onderwijzer van Octavianus, met wien hij naar Rome kwam, waar hij een eigen school stichtte.--3) twee blijspeldichters, de oudste, een tijdgenoot van Menander, van Gela, de andere geb. te Carystus; twee stukken van een van hen zijn door Terentius in het Latijn bewerkt.--4) van Tarsus, treurspeldichter.--5) van Tarsus, grammaticus.--6) beroemd atheensch schilder, omstreeks 400, een van de eersten die perspectief in hun werk brachten.--7) van Damascus, beroemd bouwmeester, die de meeste groote bouwwerken van Traianus uitvoerde; later viel hij bij Hadrianus in ongenade. Hij was ook schrijver van een werk over belegeringskunst.--8) Ephillus, stoicijn, omstreeks 100.--9) Epicurist, die meer dan 400 boeken schreef, omstreeks 140-100.

Apollonia, Apollonia, naam van verschillende steden, als 1) in het land der ozolische Locriërs;--2) op Chalcidice;--3) niet ver vandaar in Macedonia;--4) de havenstad van Cyrene, eene van de vijf steden der pentapolis Cyrenaïca;--5) op de Noordkust van Sicilia, onzeker waar;--6) op de Zuidkust van Creta;--7) in Mysia, aan het meer Apolloniatis, waardoor de Rhyndacus stroomt;--8) in Zuid-Phrygia;--9) op de kust van Palaestina;--10) in Lycia;--11) in Lydia, halverwege tusschen Sardes en Pergamum;--12) en 13) op de kust van Thracia, waarvan een aan de Strymongolf en een aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), de laatste met een beroemden tempel en een reuzenbeeld van Apollo.--14) Het meest beroemd echter was Apollonia op de illyrische kust, aan den Aous, he kat' Epidamnon, kolonie van Corinthus en Corcyra, eene bloeiende handelsstad, uitmuntende door voortreffelijke wetten en nauwgezette handhaving van het recht en liefde voor wetenschap.

Apollonis, Apollonis = Apollonia no. 11.

Apollonius, Apollonios, 1) van Alexandrië, tijdgenoot, v.s. leerling van Callimachus, met wien hij later wegens verschil van richting in ernstigen twist geraakte. Ap. streefde n.l. er naar, den eenvoud van Homerus in zijne werken te doen herleven, terwijl de werken van Callimachus meer door geleerdheid dan door dichterlijke waarde uitmuntten. De invloed van Callimachus was echter zoo groot, dat Ap., toen hij zijn groot epos Argonautika voordroeg, geen bijval vond. Hij begaf zich daarop naar Rhodus, waar hij na lezing van zijn gedicht het burgerrecht kreeg (vandaar wordt hij Rhodius genoemd) en waar hij geruimen tijd als rhetor onderwijs gaf. Later keerde hij echter naar Alexandrië terug, en nu viel zijn werk, dat hij op Rhodus omgewerkt had, zoo in den smaak, dat hij op zeer hoogen leeftijd (± 200) tot bibliothecaris benoemd werd, welke betrekking hij tot zijn dood behield. Een ander groot werk van Ap., Ktiseis, benevens zijne kleinere gedichten zijn verloren gegaan. Zijne Argonautica werd door romeinsche dichters dikwijls nagevolgd. Bewaard gebleven is die van C. Valerius Flaccus, zie Valerii no. 41.--2) van Alabanda, omstreeks 120 leeraar der welsprekendheid op Rhodus.--3) Ap. Molon, eveneens geb. te Alabanda, gaf op Rhodus onderwijs in de welsprekendheid. In 87 en 81 kwam hij als gezant der Rhodiërs te Rome, waar Cicero toen reeds van zijn onderwijs genoot. In 78 heeft Cicero op Rhodus zijn lessen gevolgd; ook andere Romeinen, o.a. Caesar, hebben hem bezocht.--4) Ap. Sophista, alexandrijnsch grammaticus, tijdgenoot van Augustus. Het Lexikon met verklaringen van woorden uit Homerus, dat op zijn naam staat, is uit later tijd.--5) Ap. ho dyskolos, van Alexandrië, een zeer geleerd en scherpzinnig grammaticus, de eerste die taalstudie wetenschappelijk behandelde. Hij leefde eenigen tijd te Rome onder Marcus Aurelius, later keerde hij naar Alexandrië terug. Vier van zijne werken over verschillende hoofdstukken van vormleer en syntaxis zijn bewaard gebleven.--6) van Perga, reeds door de ouden "de groote wiskundige" genoemd, was 250-220 leeraar te Alexandrië en Pergamus, en schreef o.a. een werk over kegelsneden, dat nu nog wetenschappelijke waarde heeft. Ook uit taalkundig oogpunt is zijn werk van belang, omdat het het eerste werk is, dat in de Koine (z.a.) geschreven is. Hij was een leerling van Archimedes.--7) van Tyana, leefde in de 1ste eeuw n. C. Nadat hij zijn vermogen aan de armen gegeven had, trok hij als leeraar der wijsbegeerte de geheele wereld door en kwam zoowel in Indië als in Spanje en Aethiopië, tweemaal kwam hij naar Rome, eindelijk vestigde hij zich als leeraar te Ephesus, waar hij in hoogen ouderdom stierf. Zijn leer, grootendeels aan Pythagoras ontleend, maar sterk doortrokken met nieuwplatonische en oostersche begrippen, zijne vele avonturen, zijne buitengewoon strenge levenswijze en de wonderen die hij, naar men zeide, verrichtte, baarden veel opzien, zoo zelfs, dat hij in den strijd tusschen den ouden godsdienst en het Christendom menigmaal als een tegenhanger van Christus voorgesteld is. Zijne levensbeschrijving door Philostratus schijnt meer romantisch dan historisch te zijn.--8) z. Tauriscus.

Apomagdalia, broodkruimels, tot deeg gekneed, die de Grieken bij gebrek aan servetten gebruikten om zich bij het eten de vingers af te vegen.

Aponi fons of Aponus fons, badplaats met zwavelbronnen bij Patavium (Padua), ook aquae Pativinae geheeten. Er was een orakel.

Apopempein. Wanneer te Athene een man echtscheiding verlangde, behoefde hij slechts zijne vrouw met hare huwelijksgift naar het huis van haar vader of voogd terug te zenden. Dit heette apopempein, apopompe, apopempsis. Eene vrouw, die echtscheiding wenschte, verliet het huis van haar man, (apoleipein, apoleipsis), doch moest bij den archont een met redenen omkleedde schriftelijke verklaring daarvan geven (apoleipsin graphesthai). Daar ook processen apopempseos en apoleipseos vermeld worden, schijnt het dat, in weerwil van deze eenvoudige vormen, de echtscheiding niet geheel van den wil van eene der beide partijen afhing; misschien betroffen deze processen echter alleen geldzaken. Het onderscheid tusschen apopempein en apoleipein, enz., wordt niet altijd streng in het oog gehouden.

Apophasis, aangifte, aanwijzing; de aangifte van gevaarlijke personen bij den Areopagus; inventaris (z. Antidosis); ook rechterlijk vonnis.

Apophora, 1) de bijdrage, die iedere staat aan Sparta gaf, zoolang deze staat in den perzischen oorlog de hegemonie had.--2) de belasting, die de heloot aan zijn heer geven moest, bestaande in eene bij de wet bepaalde hoeveelheid gerst, wijn en olie.--3) de huur, die te Athene de slaven dagelijks aan hunne heeren betaalden, wanneer zij voor eigen rekening mochten werken.

Apophoreta, Apophoreta, lekkernijen, die de gasten van een maaltijd mede naar huis kregen, verder ook andere geschenken. Het veertiende boek epigrammen van Martialis, waarmede hij geschenken aan zijne vrienden begeleidde, draagt tot titel Apophoreta.

Apophrades hemerai, dagen die om een of andere reden voor ongeluksdagen gehouden werden, waarop geen rechtszittingen waren, en waarop men geen zaak van eenig gewicht begon. In het bizonder de dagen waarop men aan de dooden offerde.

Aporreta, verboden dingen; 1) handelsartikelen, die niet van Athene uitgevoerd mochten worden.--2) sommige scheldwoorden, waarvan men zich op boete van 500 drachmen onthouden moest.--3) godsdienstige mysteriën, die niet verraden mochten worden.

Apostasiou dike, aanklacht tegen een vrijgelatene, die zijne plichten tegenover zijn vroegeren heer niet vervulde; zulke aanklachten werden bij den polemarch ingediend. Bij veroordeeling verviel de aangeklaagde weder in slavernij, bij vrijspraak werd hij van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren meester ontslagen.

Apostoles, tien ambtenaren te Athene, die te zorgen hadden dat de triërarchen hunne verplichtingen als zoodanig nakwamen; zij hadden zelfs het recht hen, die daarin te kort schoten, gevangen te nemen.

Apostropeia, z. Aphrodite.

Apotheca, apotheke, magazijn of bergplaats, vooral voor fijne wijnsoorten, die reeds afgetapt waren. De apotheca was bij de Rom. meestal op de bovenverdieping van het huis, veeltijds boven de badkamer, zoo dat de rook van het vuur er in kon doordringen, waardoor de wijn en de kruiken of flesschen spoediger het merk van ouderdom kregen.

Apotheosis, apotheosis, vergoding van menschen. Het eigenlijk latijnsche woord is consecratio. Reeds vroeg geloofde men, dat helden onder de goden konden worden opgenomen en dacht men eenvoudig aan eene verplaatsing, waardoor het sterfelijk lichaam onsterfelijk werd. Later evenwel meende men, dat het stoffelijk overschot door het vuur van den brandstapel zoo werd gelouterd, dat het onsterfelijk gedeelte van het sterfelijke werd afgescheiden en opwaarts steeg naar de goden. In het historisch tijdperk nam de apotheose dezen vorm aan, dat door eene godspraak of door de uitspraak van eenig bevoegd priestercollegie aan den afgestorvene goddelijke eerbewijzen werden toegekend en altaren voor hem werden opgericht, zooals b.v. na Lycurgus' dood te zijner eer geschiedde. Eén stap verder en men deed hetzelfde voor den levende; Lysander was de eerste Griek, voor wien nog bij zijn leven altaren werden opgericht. Alexander de Groote en de Diadochen, vooral de Ptolemaeën, lieten zich als god vereeren; voor hen werden eerediensten ingesteld. In Aegypte heet de koning reeds bij zijn leven Theos, in Azië eerst na zijn dood.--De consecratio van romeinsche keizers en soms van keizerinnen had op de volgende wijze plaats, en geschiedde volgens het besluit van den senaat of van den troonsopvolger. Een wassen borstbeeld van den overledene werd plechtig zeven dagen lang in het paleis tentoongesteld. Dan werd op den campus Martius een brandstapel opgericht in den vorm van een altaar met drie of vier verdiepingen (rogus). Te midden van reukwerk werd het borstbeeld op den brandstapel geplaatst, die door den nieuwen keizer werd aangestoken. Te gelijker tijd werd van den top van den toestel een adelaar losgelaten, die de ziel des overledenen hemelwaarts moest voeren. Van nu af was hij divus. Doch de kruipende vleierij van den romeinschen senaat tegenover dwingelanden was oorzaak, dat aan sommige keizers reeds bij hun leven goddelijke vereering ten deel viel.

Apotropaios, afwerende; bijnaam dien men iederen god gaf, wanneer men hem aanriep met de bede ramp of gevaar af te wenden.

Apparitores. Onder dezen naam verstaat men de bezoldigde dienaren der rom. magistraten, als scribae, lictores, viatores, praecones en accensi. De eerstgenoemde vier soorten waren voortdurend in dienst van den staat; over de accensi z. accensus no. 1. Voor apparitores boden zich slechts mingegoede burgers of vrijgelatenen aan. De scribae of bureauschrijvers waren het meest in aanzien. Cicero noemt hen een ordo honestus.

Appellatio is het beroep op de hulp van een overheidspersoon, om door zijne tusschenkomst (intercessio) beveiligd te worden tegen een dreigend onrecht. De intercessio kon aangewend worden tegen alle overheden van gelijken of minderen rang, en door de volkstribunen tegen alle andere overheden behalve den dictator. De appellatio moet wel onderscheiden worden van de provocatio of het beroep op de volksvergadering als hoogsten rechter. Onder de keizers ontstond eene reeks van lagere en hoogere rechtbanken en dus ook van appellen in verschillende instanties, terwijl ten slotte de keizer zelf de hoogste rechtsmacht vormde, die alle vonnissen kon wijzigen of vernietigen. Dit geldt evengoed voor civiele zaken als voor strafzaken.

Appianus, Appianos, van Alexandrië, leefde omstreeks het midden der 2e eeuw n. C. te Rome, en werd later procurator van den fiscus in Aegypte. Onder den titel Rhomaïka schreef hij eene geschiedenis, waarin ieder volk afzonderlijk behandeld wordt tot zijn opgaan in het rom. rijk, en waarin bovendien de geschiedenis van de rom. burgertwisten beschreven wordt. Van de 24 boeken, waaruit dit werk bestaan heeft, zijn nog bewaard gebleven: Iberike (l. 6), Annibaïke (l. 7), Libyke (l. 8), Syriake (l. 11), Mithridateios (l. 12), Illyrike (2de deel van l. 9), en de 5 boeken Emphylia, de burgeroorlogen (l. 13-17), benevens fragmenten van eenige andere.

Appia (via). Deze weg liep van Rome over Aricia, Anxur of Tarracina, Minturnae en Formiae naar Capua, en was de eerste heerbaan, die van Rome uit werd aangelegd (312). Hij was zóó breed, dat twee wagens elkander zonder moeite konden voorbijrijden, en was geplaveid met groote vierhoekige steenen, zóó zorgvuldig zonder gapingen aaneengevoegd, dat hij in de zesde eeuw na Chr. nog in goeden toestand was. Met recht werd deze weg, door den censor Appius Claudius Caecus gebouwd, de regina viarum geheeten. Eene latere verlenging van Capua over Caudium, Beneventum, Aquilonia, Canusium, Barium naar Brundisium heette via Appia Nova.

Appias, de nimf der Appische fontein te Rome.

Appii, zie Claudii no. 1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 12, 14, 15, 21.

Appuleiae (leges) van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus, 100. 1) lex agraria, zie onder agrariae leges.--2) lex de coloniis deducendis, hangt nauw samen met de lex agraria en maakt er misschien een deel van uit. Er zouden koloniën gesticht worden in Sicilia, Africa, Achaia en Macedonia. De wet is niet uitgevoerd. Deze wet (van 100) is met de lex agraria eene uitbreiding van eene lex agraria van denzelfden Saturninus uit het jaar 103.--3) lex frumentaria, waarbij de prijs van het door den staat verkochte koren (zie annona) op 5/6 as werd gesteld. Op het betoog van den quaestor Q. Servilius Caepio, dat dit de kracht der schatkist te boven ging, besloot de senaat, dat Saturninus, ingeval hij de wet in stemming bracht, tegen den staat handelde. De overige volkstribunen intercedeerden nu, doch Saturninus ging zijn gang. Hierop kwam Caepio met eenige vastberaden mannen, wierp de stembussen om en belette den voortgang der stemming.--4) lex de maiestate minuta, tegen degenen, die de onschendbaarheid der volkstribunen aantastten.

Appuleii. Behalve een consul Q. Appuleius Pansa in 300, behooren de leden van dit geslacht, die in de geschiedenis van Rome voorkomen, tot de familie der Saturnini of hebben geen cognomen. 1) L. Appuleius Saturninus was de beruchte volksmenner te Rome ten tijde van Marius. Hij was tweemaal volkstribuun (103 en 100). Langs allerlei wegen trachtte hij de optimates te krenken en te vernederen en zich aanhang te verwerven bij den grooten hoop (zie Appuleiae leges). Na zijn eerste tribunaat wilde de censor Q. Caecilius Metellus Numidicus hem uit den senaat stooten, hetgeen zijn ambtgenoot C. Caecilius Caprarius belette. Toen hij in het jaar 100 zijne lex agraria met geweld had doorgedreven, en bij deze (of bij eene andere) wet de bepaling had gevoegd, dat alle senatoren binnen vijf dagen de wet moesten bezweren, was de genoemde Metellus het eenige senaatslid, dat weigerde, waarvoor hij dan ook in ballingschap moest gaan. Toen Saturninus, die voor geen geweld terugdeinsde, ter wille van zijn medestander, den praetor C. Servilius Glaucia, diens mededinger naar het consulaat, C. Memmius, in de volle volksvergadering liet overhoop steken, werd zelfs het volk verbitterd. Door den senaat tot vijand des vaderlands verklaard, door Marius (toen ten zesden male consul) verlaten, week hij naar het Capitool, terwijl de senaat met de gewone formule videant consules (z. senatus consultum ultimum) den staat aan de bijzondere hoede der consuls aanbeval. Daar de consuls nu de buizen der waterleiding lieten afsnijden, kon Saturninus zich op het Capitool niet staande houden; hij wist nog naar de curia Hostilia aan het forum te wijken, waar hij echter met zijne trawanten bestormd en door het woedende volk onder de dakpannen van het gebouw bedolven werd (10 Dec. 100).--2) L. Appuleius Saturninus, uit Atina, was in 58 praetor in Macedonia. Diens zoon Cn. Saturninus diende in 68/67 onder Q. Caecilius Metellus (zie Caecilii no. 19) op Creta.--3) Sex. Appuleius, consul in 29, hield in 26 een zegetocht over de Hispaniërs.--4) C. Appuleius Decianus, volkstribuun in 99, aanhanger van Saturninus, bekend door zijne aanklacht tegen den aedilis L. Valerius Flaccus (zie Valerii no. 24).--5) Appuleius Decianus, zoon van no. 4, aanklager van den jongen Valerius Flaccus (z. Valerii no. 25), die door Cicero verdedigd werd (59).

Buiten dit geslacht staat--6) de schrijver L. Appuleius, te Madaura in Africa geboren onder de regeering van keizer Hadrianus. Hij had te Carthago en te Athene zijne opleiding genoten en later veel gereisd. Met voorliefde beoefende hij wijsbegeerte en letteren. Hij schreef eenige wijsgeerige werken, doch het meest bekend is zijn romantisch verhaal Metamorphoseon sive de asino aureo libri XI, waarin zekere Lucius tot straf voor zijne ondeugden in een ezel wordt veranderd, doch door de mysteriën (waarvan App. een warm voorstander was) in een beter mensch wordt herschapen. Onder de vele episoden in dit werk is die van Amor en Psyche de meest bekende. Eene nederlandsche bewerking van deze ezelsgeschiedenis vindt men in de geschriften van Mr. P. van Limburg Brouwer. Van de andere werken is van belang: Apologia sive de magia, waarin hij zich verdedigt tegen de beschuldiging van tooverij, en veel aangaande zijn leven vertelt. Het werkje de herbarum virtutibus, dat op zijn naam staat, is uit de 5de eeuw n. C.

Apriës, Apries, in het O. T. Hophra, koning van Aegypte. Hij ondernam een krijgstocht tegen Cyrene, en toen deze ongelukkig afliep, beschuldigde men hem dat hij de kaste der krijgslieden had willen vernietigen, en werd hij door Amasis onttroond. Hij regeerde 588-569.

Apronii. 1) Q. Apronius, handlanger en medeplichtige van C. Verres bij zijne afpersingen op Sicilia.--2) L. Apronius, een romeinsch ridder, legatus van Germanicus in 15 n. C., in Germania, in welke betrekking hij de signa triumphalia verwierf, en proconsul van Africa 18-21 n. C. Onder zijn bewind versloeg zijn zoon L. Apronius Caesianus in 20 den Numidiër Tacfarinas. In 28 werd de vader als stadhouder van Germania inferior door de Friezen verslagen.

Aprostasiou graphe, aanklacht die men bij den polemarch kon indienen tegen een metoikos, die zich geen burger tot patroon gekozen had, of zijn metoikion niet betaalde.

Apsis = Absis.

Apsorus, Apsoros, z. Absyrtides insulae.

Apsus, Apsos, rivier en stad in Illyria ten N. v. Apollonia.

Apsyrtus of Absyrtus, Apsyrtos, zoontje van Aeetes. Toen Iason met Medea vluchtte sneed Medea het lichaam van het kind in stukken, opdat Aeetes, die hen vervolgde, door het opzoeken van de stukken tijd zou verliezen. De bijeengeraapte leden werden te Tomi begraven, dat daaraan, naar men zegt, zijn naam (van temnein) ontleend heeft.

Apteros, ongevleugeld, naam van een beeld van de godin der overwinning (eigenlijk van Athena Nike), dat in haar tempel op de acropolis te Athene stond. V. s. had de kunstenaar haar tegen de gewoonte zonder vleugels voorgesteld, om aan te duiden dat zij de stad nooit zou verlaten.

Apuani, volksstam in zuidoostelijk Liguria, op de grens van Midden-Italië, door de Romeinen na dapperen tegenstand overwonnen en in 180 gedeeltelijk naar Samnium overgebracht. Hunne stad heette Apua.

Apuleii, zie Appuleii.

Apulia, Apoulia, omvatte in ruimeren zin het zuidoostelijke gedeelte van Italia, met inbegrip van Calabria, in engeren zin alleen de landstreken Daunia en Peucetia. De oude bevolking, Apuli, bij de Grieken Iapyges genoemd, waren van illyrischen stam, terwijl grieksche kolonisten zich aan de kust vestigden en er reeds vroeg de grieksche taal en grieksche kunst en kunstnijverheid inheemsch maakten. Het klimaat was heet, en in sommige tijden van het jaar had men last van den Sirocco, hier Atabulus genoemd. Over het algemeen is het land niet onvruchtbaar, de vlakten zijn echter arm aan water. De bewoners stonden als niet bizonder schrander bekend. In de samnitische oorlogen werd Apulia door de Romeinen onderworpen (317). Ten gevolge van den tweeden Punischen en den bondgenootenoorlog werd het land, dat vroeger door handel en industrie gebloeid had, ontvolkt. Augustus vereenigde Apulia met Calabria en Zuid-Samnium tot de tweede regio Italiae.

Apulum, belangrijke stad in Dacia, sinds 107 n. C. standplaats van de legio XIII gemina, onder M. Aurelius municipium en colonia.

Aquae, naam van een aantal geneeskrachtige bronnen en badplaatsen. Vele dezer gezondheidsoorden zijn genoemd naar eene nabijgelegen stad, zooals de aquae Cumanae (later Baiae) bij Cumae in Campania, de aquae Patavinae (Aponi fons) bij Patavium in Cisalpina, de aquae Vetuloniae bij Vetulonia in Etruria, de aquae Pisanae in Etruria, de aquae Segestanae op Sicilia e. a. Andere hebben hun naam naar het volk, b.v. aquae Statiellae bij de Statielli in Liguria, aquae Mattiacae (thans Wiesbaden) bij de Mattiaci. Merkwaardig waren de aquae Cutiliae, nabij de reeds vroeg verwoeste stad Cutilia (z. a.) in het sabijnsche land.--Geschiedkundig bekend door de nederlaag der Teutonen zijn de aquae Sextiae (thans Aix in Provence), in Gallia Narbonensis, gesticht door C. Sextius Calvinus. Onder de tegenwoordig meest bekende badplaatsen zijn er verscheidene, die ook onder de Romeinen bezocht waren, zooals Baden-Baden, aquae Aureliae, Vichy, aquae calidae Arvernorum, Bagnères de Bigorre, aquae Convenarum, Bath, aquae Sulis, Aken, Aquae Grani, enz.

Aqua et igni interdictio. Het doodvonnis, te Rome over een burger uitgesproken, had den vorm van een ban. Binnen Rome was de veroordeelde vogelvrij; niemand mocht hem huisvesting of voedsel verstrekken, ieder mocht hem straffeloos dooden, de overheden waren er zelfs toe verplicht. De ban kon nog verzwaard worden, door hem tot geheel Italië uit te strekken, of zelfs wel tot het geheele romeinsche rijk, zooals bij de proscripties tijdens de burgeroorlogen het geval was. Daar de ban inging op hetzelfde oogenblik, waarop het vonnis werd uitgesproken, moest men, om zijn leven te redden, vooraf Rome verlaten en in vrijwillige ballingschap gaan (in liberum exsilium ire). Aanzienlijke en rijke Romeinen vonden dan licht een toevluchtsoord in eene of andere civitas foederata; doch minder gegoeden hadden een ondragelijk leven; iedereen kon zich aan hen vergrijpen, terwijl zij tegen niemand eene aanklacht konden inbrengen.

Aquaeductus, hydragogeion. De oudste Grieksche waterleidingen zijn die van Pisistratus te Athene, en uit denzelfden tijd die door Polycrates op Samos was aangelegd; de architekt van deze laatste leiding was Eupalinus. Ten einde Rome van goed en overvloedig water te voorzien, werden in verschillende tijden een aantal waterleidingen aangelegd. De oudste was de aqua Appia, in 312 aangelegd door denzelfden censor Appius Claudius, die de via Appia liet bouwen. Deze waterleiding liep grootendeels door onderaardsche buizen, evenals de Anio vetus, die het water uit den Anio aanvoerde, en de Virgo, die het koudste water had en onder de regeering van Augustus door Agrippa was aangelegd, om de door hem gebouwde badinrichtingen van water te voorzien. De langste leiding was de Anio novus, die omstreeks 16 uren gaans lang was en over de dalen gedragen werd door bogen, soms ter hoogte van meer dan 100 voet. Soms liepen twee aanvoerkanalen een eind verdiepingsgewijze boven elkander, b.v. de Anio novus boven de aqua Claudia; zelfs komt eene vereeniging van drie leidingen voor: de Marcia beneden, de Tepula in het midden, de Iulia boven. De Marcia was om haar heerlijk water beroemd: het slechtste water voerde de Alsietina aan. Ook vele aanzienlijke steden van Italia en de provinciën werden op gelijke wijze van water voorzien. Van den trotschen bogenbouw kunnen o.a. nog de overblijfselen bij Nîmes (Pont du Gard), bij Tarragona en Segovia getuigen. Bij sommige leidingen was aan het boveneind een groot bekken aangebracht, waar men het water liet bezinken, alvorens het naar de stad te voeren. In de stad werd het water in reservoirs (castella aquae) verzameld, vanwaar het door buizen (fistulae, tubi) naar de lacus of groote waterkommen, fontes salientes of fonteinen, piscinae of vijvers, badhuizen en bijzondere woningen werd geleid. Ook op verscheidene plaatsen in Griekenland zijn overblijfselen van oude waterleidingen gevonden.

Aquaeductus en aquaehaustus, erfdienstbaarheid, waarbij de rechthebbende over eens anders grond water mocht leiden of uit eens anders bron water mocht putten.

Aquarii, werklieden bij den dienst der waterleidingen, meest servi publici. Ook slaven in de openbare badhuizen, die water aandroegen om de baders af te spoelen en de waschbekkens te vullen.

Aquarius, Hydrochoos, het sterrenbeeld de Waterman, waarin men Ganymedes, Deucalion of Cecrops meende terug te vinden. Hij maakt, naar het heet, het jaargetijde somber, want als de zon in dit teeken komt, begint de regentijd.

Aquila, aetos. Oudtijds hadden de verschillende afdeelingen voetvolk en de ruiterij in de Romeinsche legers verschillende standaarden, als: een wolf, een everzwijn, een minotaurus, een paard, een hond, e. a. Deze voorwerpen waren boven op een stok bevestigd. Sedert Marius was de legioenstandaard een adelaar met uitgespreide vlerken, uit zilver of brons, onder de keizers ook wel uit goud vervaardigd. Hij stond onder de bijzondere hoede van den primipilus of eersten centurio van het legioen. In de legerplaats stond de standaard naast de veldheerstent in den grond geplant. Ging het leger op marsch of in den slag, dan trok de primipilus den adelaar uit den grond en overhandigde hem aan den aquilifer of standaarddrager. Ging dit uittrekken met moeite gepaard, dan was dat een slecht voorteeken.

Aquila. 1) Iulius Aquila, romeinsch jurist, van wien brokstukken in de Pandecten voorkomen.--2) Aquila Romanus, rhetor en taalgeleerde uit de derde eeuw na C., schrijver van een boek de figuris sententiarum et elocutionis.--3) Aquila, een Griek uit Pontus uit de tweede eeuw na C., die eene zeer geroemde vertaling van het O. T. in het Grieksch schreef.

Aquilaria, stad op de Oostkust van Zeugitana, nabij de golf van Carthago.

Aquileia, Akyleia, romeinsche kolonie aan het noordelijkste gedeelte der Adriatische zee, op de grenzen van het land der Veneters en van Histria, in 181 als bolwerk tegen invallen uit het Noordoosten gesticht. Het was eene sterke vesting en ontwikkelde zich door zijne ligging spoedig tot eene bloeiende handelsplaats. Als sleutel van Italië vervulde het eene belangrijke rol tegen de barbaren, die Italië zochten binnen te dringen, tot het in 452 na C. door Attila werd ingenomen en verwoest. De vluchtelingen uit Aquileia en Altinum legden den grondslag tot de tegenwoordige stad Venetië.

Aquillia (lex), plebiscitum van onbekenden datum, misschien tusschen 289 en 286, wijzigde de bepalingen omtrent damnum iniuria datum, die reeds in de leges XII tabularum voorkomen.

Aquillii. 1) M'. Aquillius, consul in 129, maakte een einde aan den opstand van Aristonicus in Pergamus, door de bronnen te vergiftigen. Door de Romeinen zelven werd deze handelwijze als een nefas beschouwd. Daartoe omgekocht, had hij Groot-Phrygië aan Mithradates Euergetes afgestaan, maar deze afstand werd door den Senaat niet bekrachtigd.--2) M'. Aquillius, zoon van no. 1, consul in 101, bedwong in 100 den slavenopstand op Sicilia onder Athenio. In 98 werd hij wegens afpersingen aangeklaagd; toen zijn verdediger M. Antonius (orator) te midden zijner pleitreden op eenmaal hem de tunica openscheurde en de litteekenen op de borst van Aquillius toonde, werd deze om zijne dapperheid vrijgesproken. In 88, bij den inval van Mithradates VI in de romeinsche provincie Asia, viel Aquillius, die destijds legaat van den proconsul Q. Oppius was, in handen van den pontischen koning. Deze liet hem eerst, op een ezel gebonden, onder zweepslagen in de voornaamste steden rondleiden en vervolgens gesmolten goud in den mond gieten.--3) C. Aquillius Gallus, een vriend van Cicero, redenaar en beroemd rechtsgeleerde.

Aquilo, de Noordoostenwind, soms ook = de Noordenwind, zie Windstreken.

Aquilonia, stad in het N. van Samnium, in 293 door de Romeinen onder L. Papirius Cursor verwoest. De stad lag niet ver van Cominium, en dicht bij het dal van den Sagrus. Een ander Aquilonia ligt in Zuid-Samnium in het land van de Hirpini.

Aquinum, stad in het land der Volscen in Latium, rom. municipium, geboorteplaats van den dichter Juvenalis, met purperververijen.

Aquitania, gewest in Gallia. Tijdens Caesars komst in Gallia verstond men onder dezen naam slechts het zuidwestelijk gedeelte, tusschen de Pyrenaeën en den Garumna (Garonne). De bewoners waren van iberischen stam, verwant met de Vascones (Basken), die zich later onder hen mengden en naar wie de landstreek later ook Vasconia (Gascogne) werd geheeten. Volgens Plinius heette deze streek vroeger Aremorica.--Onder Augustus (tusschen 16 en 13) onderging de indeeling van Gallia eene geheele verandering, en strekte Aquitania zich uit tot aan den Liger (Loire) en den mons Cebenna (Cevennes). Na Constantijn vindt men deze streek tot drie provinciën verknipt. Het zuidwestelijke deel, van de Pyrenaeën tot nabij den Garumna vormde de provincie Novempopulana, met de hoofdstad Elimberris (Auch) (v. a. Elusatium civitas, tgw. Eauze). De streek tusschen den Garumna en den Liger was verdeeld in een oostelijk en westelijk deel: Aquitanica I, met de hoofdstad civitas Biturigum, vroeger Avaricum (Bourges), en Aquitanica II, hoofdstad Burdigala (Bordeaux). Deze twee noordelijke deelen behouden nog lang den naam Aquitania, die dan later in Guyenne overgaat.

Ara, bomos. Een altaar was van aarde, zoden of steen, vaak van marmer gemaakt, hetzij in ronden, hetzij in vierhoekigen vorm, van boven eenigszins hol en met eene opening op zijde of aan den voet, om het vocht der plengoffers of het bloed der offerdieren te laten wegvloeien. Altaria is eigenlijk het bovenste gedeelte van het altaar, doch gewoonlijk worden de woorden dooréén gebruikt, waarbij de naam altaria meer in verheven stijl en bij dichters voorkomt.--Ook een sterrebeeld in het zuiderhalfrond.

Ara Ubiorum, oorspronkelijk een altaar in het land der Ubii, ter eere van Augustus opgericht = oppidum Ubiorum; zie Ubii en Colonia Agrippina.

Arabia, Arabia, het thans nog onder dien naam bekende schiereiland. De ouden verdeelden het in drie deelen: 1) Arabia Petraea, he kata Petran (niet vertalen door: steenachtig Arabië), de streek ten O. van Palaestina zuidwaarts tot aan de beide inhammen, die de Arabische golf (thans Roode zee) in het Noorden vormt. Daar lag, aan den Oostkant, halverwege tusschen de Doodezee (Asphaltites lacus) en den Aelaniticus sinus, de stad Sela (= rots), door de Grieken Petra genoemd, de hoofdstad van Idumaea of Edom, en aan dit Petra is de naam ontleend. In het Zuiden vond men het granietgebergte Sinaï.--2) Arabia deserta, he eremos Arabia, omvatte de noordelijke zandwoestijnen, tusschen Syria en Babylonia.--3) het overige, verreweg grootste gedeelte, het eigenlijke schiereiland, was alleen aan de kusten bekend, en daar de Westkust zeer vruchtbaar was, werd dit geheele land Arabia felix, he eudaimon Arabia, geheeten, hoewel het binnenland slechts eene dorre zandzee is. De bewoners, Arabes, Arabes, waren van semietischen stam en dreven reeds vroeg een levendigen handel met Indië. Talrijke karavanen met wierook, goud, edelgesteenten, ivoor, oostersche specerijen, trokken uit Arabië door de woestijnen noord- en noordwestwaarts. Arabia Petraea is voor een gedeelte in 105 na C. door Traianus in bezit genomen en vormde toen de provincie Arabia, later Palaestina III; doch overigens bleef Arabia vrij van vreemde overheersching. Eene expeditie, door Augustus in 25 onder Aelius Gallus uitgezonden, mislukte (z. Saba).--Onder de stammen, die Arabia bewoonden, verdienen vermeld te worden: de Minaei met de steden Macoraba (Mekka) en Jathrippa (Medina), de Sabaei, in het tegenw. Yemen, met de steden Mariana en Saba, van waar veel wierook werd aangevoerd, de Nabataei in Petraea, die de vroegere Edomieten, Midianieten, Amalekieten, enz., vervingen, en de Saraceni in de nabijheid van Syria.

Arabicus sinus, kolpos Arabikos, thans Roode zee geheeten, terwijl de Roode zee der ouden, mare Erythraeum, thans den naam van Indische zee draagt. In het Noorden verdeelt de Arabische golf zich in twee kleine inhammen, den sinus Heroöpolites of Heroöpoliticus ten W., den sinus Aelanites of Aelaniticus ten O., aldus geheeten naar de steden Heroöpolis (op de landengte van Suez) en Aïla of Aelana.

Arabis of Arabius, Arabis, Arabios potamos, rivier in Gedrosia, ten W. van den Indus. In hare nabijheid woonden de Arabitae, Arabitai, Arbies.

Arachnaeum, Arachnaion, berg in oostelijk Argolis, tusschen Argos en Epidaurus.

Arachne, Arachne, een lydisch meisje, dochter van een purperverver te Colophon. Zij had van Athena weven geleerd en bereikte in die kunst zulk eene hoogte, dat zij haar leermeesteres zelve tot een wedstrijd durfde uitdagen. Toen die uitdaging aangenomen was, vervaardigde zij een weefsel, waarin zij de liefdesavonturen der goden voorstelde en dat Athena niet kon overtreffen; uit spijt hierover en uit toorn over het onderwerp, dat Ar. had gekozen, verbrak de godin haar werk, waarop Ar. zich van verdriet ophing. Athene riep haar in het leven terug en veranderde haar in een spin.

Arachosia, Arachosia, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk, ten Oosten door den Indus begrensd. Zij ontleende haren naam aan de rivier Arachotus. In het tijdperk der Seleuciden was de hoofdstad Alexandria Arachoton, Al. Arachoton, thans Kandahar.

Arachthus, Arachthos, rivier in Epirus, die zich in de golf van Ambracia stort, thans de Arta.

Aracynthus, Arakynthos, gebergte in het Z.W. van Aetolia.

Aradus, Arados, door ballingen uit Sidon op een klein, rotsachtig eiland nabij de phoenicische kust gesticht. De naam (phoen. Arvad) beteekent toevluchtsoord. De stad dreef een bloeienden handel en wedijverde met Sidon en Tyrus. Haar grootsten bloei bereikte ze in den tijd van het verval van het rijk der Seleuciden. Daar het kleine eilandje op den duur te klein was, ontstond op het vaste land eene voorstad, Antaradus, die later op hare beurt weder het oude Aradus in de schaduw stelde.

Arae Philaenorum, hoi Philainon bomoi, de grens tusschen Cyrene en Carthago. Tot regeling van een grensgeschil tusschen de republiek Cyrene en Carthago waren beide staten overeengekomen, dat uit beide steden een gezantschap op denzelfden tijd zou vertrekken, en dat de plaats der ontmoeting als grenspunt zou worden aangenomen. De carthaagsche gezanten echter, de beide gebroeders Philaeni, werden door die van Cyrene beschuldigd, dat zij vroeger van huis waren gegaan, dan de afspraak was. Om het daardoor verkregen voordeel echter te behouden, lieten zij zich levend begraven op de plaats der ontmoeting, aan de kleine Syrte, waar ter gedachtenis aan hunne vaderlandslievende zelfopoffering twee altaren werden opgericht. Ook later is dit de grens tusschen Cyrenaïca en Tripolis.

Arai, wrekende godinnen, opgeroepen door den vloek van het slachtoffer eener misdaad = Erinyes.

Arar, Arar, rivier in Gallia, later Sauconna, thans de Saône, die bij Lugdunum (Lyon) in den Rhodanus (Rhône) valt.

Aratus, Aratos, 1) zoon van Clinias, geboren 271 te Sicyon en te Argos opgevoed. 20 jaar oud stelde hij zich aan het hoofd der ballingen uit zijn vaderstad en verdreef hij met hunne hulp den tyran Nicocles; daarop bewerkte hij dat de stad tot het achaeïsch verbond toetrad. Door Antigonus Gonatas tegengewerkt, zocht hij hulp bij Ptolemaeus Philadelphus, die hem inderdaad met aanzienlijke geldsommen steunde. In 245 werd hij tot strateeg van het verbond gekozen, dat onder zijne leiding tot hoogen bloei geraakte, terwijl vele peloponnesische steden vrijwillig of gedwongen zich als leden lieten opnemen. Toch was Ar., hoewel kleingeestig en voor iedere mededinging bevreesd, meer staatsman dan veldheer. Toen dus Sparta door het krachtig streven van Cleomenes III de hegemonie in de Peloponnesus scheen te zullen herwinnen, schroomde hij niet, in strijd met de beginselen van het verbond, de hulp van den macedonischen koning Antigonus Doson in te roepen (224). De nederlaag, die deze aan Sparta toebracht, deed den invloed van Ar. ten top stijgen; niet alleen werd hij herhaaldelijk als strateeg herkozen,--in het geheel heeft hij deze betrekking 17 maal waargenomen--, maar ook liet de opvolger van Antigonus, Philippus III, zich langen tijd geheel door zijne raadgevingen leiden, totdat hij bevond dat Ar. aan zijne verdere plannen in den weg stond, waarop hij hem door vergift liet uit den weg ruimen (213). Te Corinthe werd een standbeeld voor hem opgericht en te Sicyon werd jaarlijks op zijn sterfdag een lijkfeest gevierd. Zijne gedenkschriften (Hypomnemata), door Polybius e. a. dikwijls als bronnen gebruikt, zijn verloren gegaan.--2) van Soli, leefde langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas en schreef (tusschen 276 en 274) een leerdicht in hexameters, Phainomena kai Liosemeiai, dat nog bewaard is gebleven en door de ouden hoog geprezen werd. Cicero, Germanicus e. a. vertaalden het in het latijn.

Arausio, stad der Cavares, aan den Rhodanus (Rhône), thans Orange. Bij deze stad verloren de Romeinen in 105 een bloedigen slag tegen de Cimbren. Twee legers werden vernietigd. Uit den romeinschen tijd zijn nog belangrijke bouwwerken over, o.a. een theater. NB. Hiernaar wordt de titel prins van Oranje in het Latijn vertaald door princeps Arausiacus.

Aravisci, keltische volksstam in Neder-Pannonië, verwant met de Osi.

Araxenus campus, Araxenon pedion, de vruchtbare vlakte, waardoor de armenische Araxes stroomde.

Araxes, Araxes, 1) rivier in Armenia, die zich in de Caspische zee stort. In zijn benedenloop is hij door een zijarm met den Cyrus verbonden. Hij vormt de noordelijke grens van Medië. Herodotus verwart hem met den Oxus (z. a.), die vroeger ook Araxes heette.--2) riv. in Persis, nabij Persepolis.--3) zijtak van den Euphraat, ook wel Chaboras of Aborrhas genoemd, in Mesopotamia.

Arbaces, Arbakes, z. Sardanapalus. Hij wordt de stichter der medische dynastie genoemd, die met Astyages eindigt.

Arbela, ta Arbela, stad in Assyria, waarbij de laatste en beslissende veldslag tusschen Alex. d. G. en Darius Codomannus plaats vond (331).

Arbiter, een scheidsrechter. Terwijl de iudex in zijne beslissing aan het strenge recht gebonden was, kon de arbiter uitspraak doen volgens de aequitas. Zie ook het art. iudex op het einde.

Arbiter bibendi, ook wel magister bibendi, rex convivii, de door het lot gekozen voorzitter bij een feestmaal, die de tafelwetten vaststelde en zijne voorschriften gaf omtrent het aanmengen van den wijn en het getal schepjes, dat in de bekers moest worden gedaan, omdat men niet, als bij ons, inschonk, maar met een lepel of schepje, cyathus, de bekers uit het mengvat vulde.

Arca, Arka, oude stad in Phoenice aan den voet van den Libanon, ten N. van Tripolis, geboorteplaats van keizer Alex. Severus; ter eere van hem werd de stad Caesarea ad Libanum genoemd.

Arca, kibotos, in het algemeen kist of koffer, meer in het bijzonder de geldkist, hetzij van metaal, hetzij met ijzer of brons beslagen. Ook doodkist, alsmede strafcel voor slaven.

Arcadia, Arkadia, landschap in het midden der Peloponnesus gelegen, door bergen omgeven en doorsneden, het grieksche Zwitserland. De inwoners, Arcades, Arkades, beschouwden zichzelven als het oudste volk der aarde, ja zelfs als ouder dan de maan (proselenoi). De afgesloten ligging van hun land behoedde hen voor vreemde overheersching, daar vooral in het Noorden en Oosten slechts weinige hoofdwegen naar de naburige landschappen voerden. Het land stond eerst onder koningen, doch loste zich in de zevende eeuw in een aantal kleine republieken op, waarvan Mantinea, Tegea, Orchomenus de voornaamste zijn. De Arcadiërs waren een vroolijk, krachtig bergvolk, liefhebbers van muziek, doch stonden, wat hunne verstandelijke ontwikkeling betreft, niet hoog aangeschreven, zoodat de uitdrukkingen iuvenis Arcadius, Arkadikon blastema, gebezigd worden voor een onnoozelen hals. Onderlinge naijver en veeten verdeelen hen; vandaar dat de poging van Epaminondas tot stichting eener groote bondsstad Megalopolis op den duur mislukte. Na den dood van Alex. d. G. voegden zij zich bij het achaeïsch verbond, waarbij zelfs hun landgenoot Philopoemen van 208 tot 183 achtmaal de hoogste waardigheid, die van strateeg, bekleedde.--Arcadia is rijk aan mythen. Het sneeuwgebergte Cyllene in het N. O. is bekend als de geboortegrond van Hermes; dicht daarbij vond men het Stymphalische meer, de verblijfplaats der vogels, die Heracles verjoeg, alsmede de Styx. Op den berg Erymanthus in het N. ving Heracles het groote everzwijn; op den berg Maenalus zetelde Pan. Verder behooren in Arcadia de mythen te huis van Lycaon en van Callisto en haar zoon Arcas.

Arcadius, Arkadios, 1) taalgeleerde uit de vijfde eeuw na C., schrijver van een werk over de accenten, peri tonon.--2) de oudste zoon van Theodosius den Grooten, kreeg bij de deeling van het rom. rijk in 395 n. C. de oostelijke helft. Hij was geheel en al het werktuig zijner gunstelingen (Rufinus, Eutropius, Gainas), en later zijner frankische gemalin Eudoxia. Hij stierf, 30 jaar oud, in 408.

Arcanum, landgoed van Q. Cicero, halverwege tusschen Aquinum en Arpinum in Latium gelegen.

Arcas, Arkas, zoon van Zeus en Callisto. Toen Zeus eens bij Lycaon gast was, wilde deze beproeven of de god werkelijk alwetend was; hij slachtte daarom Arcas en zette zijn vleesch aan Zeus voor. Maar deze veranderde Lycaon in een wolf, doodde al zijne zonen en riep Arcas in het leven terug. Later ontmoette Arcas op de jacht zijne moeder, die in een beer veranderd was, en wilde haar dooden, maar zij ontvluchtte hem tot in den tempel van den Lycaeischen Zeus, die beiden van de aarde wegnam en onder de sterren plaatste; Callisto werd de groote beer, Arcas de kleine. V. a. werd Arcas koning der Arcadiërs, wien hij het gebruik van wol en het bakken van brood leerde; aan hem ontleenden het volk en het land hun naam.

Arceophon, Arkeophon, Arkeophron, z. Anaxarete.

Arcera, overdekte wagen, waarin men rechtuit op eene matras kon liggen, tot vervoer van zieken en ouden van dagen.

Arcesiades, Arkeisiades, Laërtes, de zoon van Arcesius.

Arcesilaus, Arkesilaos, 1) naam van vier koningen van Cyrene uit het geslacht der Battiaden: Arc. I 591-575; Arc. II Chalepos 570-550, die zijne broeders verdreef en later zelf gedood werd; Arc. III 530-514, die wegens zijne pogingen om de koninklijke macht weder uit te breiden (z. Battus no. 3) verdreven werd; Arc. IV gestorven omstreeks 450; na zijn dood werd Cyrene een republiek.--2) van Pitane, geb. 315, kwam na den dood van zijn vader naar Athene en woonde de lessen van Theophrastus en Polemo bij. Hij volgde Crates als hoofd der academie op en werd de stichter der tweede academie. Hij bestreed vooral het dogmatische der stoicijnsche leer en ging daarbij zoo ver, dat hij eindelijk alle zeker weten ontkende en alleen zekeren graad van waarschijnlijkheid aannam, zoodat hij door de ouden somtijds tot de sceptici gerekend wordt. Hij stierf in 241.

Archagathus, Archagathos, de eerste grieksche geneeskundige die zich te Rome kwam vestigen (219).

Archairesiai, te Athene verkiezing der magistraten, ook de vergadering waarin zij gekozen werden, z. Cheirotonia. Behalve de ambtenaren, die met de defensie en de financiën belast waren, werden de meeste overheden door loting aangewezen.

Archandropolis, Archandrou polis, stad in Beneden-Aegyptus, aan den canobischen Nijlarm.

Arche, algemeene naam der overheden in een republikeinschen staat. Te Athene werden zij door het volk gekozen, later in vele gevallen door het lot aangewezen. Voordat zij hun ambt aanvaardden, werd een onderzoek (dokimasia) ingesteld, waaruit blijken moest dat zij waren van echt atheensche geboorte, zonder lichaamsgebreken en in het volle genot hunner burgerrechten. Ook mocht niemand twee overheidsambten te gelijk of tweemaal hetzelfde ambt bekleeden. De overheden werden in den regel niet bezoldigd, waren gedurende hun ambtsjaar onschendbaar, maar moesten na afloop daarvan rekenschap (euthynai) van hun beheer afleggen.

Archegetes, z. Apollo.

Archeion heet ieder gebouw waar overheden zitting hielden, in het bijzonder het archief.

Archelaus, Archelaos, 1) Heraclide, zoon van Temenus, die voor zijne broeders naar Macedonia vluchtte en daar de stad Aegae stichtte.--2) koning van Sparta, tijdgenoot van Lycurgus.--3) koning van Macedonia (413-399), zoon van Perdiccas II. Hoewel hij door broedermoord zich den weg tot den troon had gebaand, regeerde hij verdienstelijk, zocht het land te beschaven, liet wegen aanleggen en steden stichten, en lokte grieksche letterkundigen en kunstenaars aan zijn hof, o.a. Euripides en Zeuxis. Ook was hij de eerste, die een soort legerorganisatie inrichtte.--4) een Cappadociër, veldheer van den pontischen koning Mithradates VI. In 87 viel hij met een groot leger in Griekenland, doch werd in 86 door Sulla verslagen, eerst bij Chaeronea en daarna bij Orchomenus in Boeotia. Hij was het, die den vrede tusschen den koning en Sulla tot stand bracht, doch daar Mithradates meende dat hij daarbij te veel aan Sulla had toegegeven, viel hij in ongenade en ging hij (83) tot de Romeinen over.--5) zoon van no. 4. Pompeius stelde hem in 63 tot opperpriester van Comana in Pontus aan; doch in 56 ging hij, terwijl hij zich voor een zoon van Mithradates uitgaf, naar Aegypte, huwde de aegyptische prinses Berenice, die haren vader, den algemeen gehaten Ptolemaeus XI Auletes, had verdreven, en werd zóó koning van Aegypte, doch sneuvelde in den strijd tegen den romeinschen proconsul A. Gabinius, die Auletes op den troon kwam herstellen (55).--6) zoon van no. 5, volgde zijn vader als opperpriester van Comana op, doch werd door Caesar in 47 afgezet.--7) zoon van no. 6, werd door M. Antonius, om der wille zijner schoone moeder Glaphyra, tot vorst van Cappadocia verheven (41) en later (36) door Octavianus in de regeering bevestigd, doch na een regeering van 50 jaar door Tiberius afgezet en naar Rome ontboden, waar hij weldra stierf (14 n. C.). Aan zijn zoon, die eveneens Arch. heette, werd slechts een klein deel van het rijk zijns vaders gelaten.--8) zoon van Herodes den Grooten (z. a.). Van zijns vaders rijk kreeg hij (4 v. C.) met den titel van ethnarch de landschappen Samaria, Judaea en Idumaea; doch om zijne wreedheid werd hij door Augustus afgezet en naar Vienna in Gallia verbannen (6 n. C.).--9) leerling van Anaxagoras, volgens sommigen leermeester van Socrates.

Archemorus, Archemoros, eigenlijk Opheltes, het zoontje van Lycurgus, koning van Nemea, en Eurydice. Toen de zeven vorsten tegen Thebe optrokken en in de nabijheid van Nemea water zochten, lieten zij zich door Hypsipyle, die op het kind passen moest, den weg wijzen. In hare afwezigheid werd Opheltes door een draak gedood. Daar Amphiaraus deze gebeurtenis als een slecht voorteeken beschouwde, noemde men den knaap Archemorus (voorganger in den dood); de zeven vorsten begroeven hem plechtig en stelden tot zijne nagedachtenis de nemeïsche spelen in.

Archermus, Archermos, van Chius, beeldhouwer uit 600-550. Men vertelt, dat hij het eerst de Nike gevleugeld voorgesteld heeft; of echter de gevleugelde godin, die bij de opgravingen op Delus gevonden is, van hem is, wordt tegenwoordig betwijfeld.

Archestratus, Archestratos, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, sneuvelde in 406 bij Mytilene.--2) van Gela, tijdgenoot van den jongen Dionysius. Zijn leerdicht in hexameters, Hedypatheia, over kookkunst en gastronomie, werd wegens zijne wetenschappelijke waarde door Aristoteles als bron voor zijne natuurlijke historie der visschen gebruikt.

Archias, Archias, 1) een Heraclide uit Corinthe, stichter van Syracusae (734).--2) een Thebaan, die mede de Cadmea aan de Spartanen overgaf (382) en door hun invloed polemarch werd. Bij de terugkomst der verbannenen werd hij met de zijnen aan tafel gedood (379).--3) A. Licinius Archias z. Licinii no. 37.

Archidamus, Archidamos, naam van vijf spartaansche koningen: 1) Arch. I regeerde tijdens den tweeden messenischen oorlog.--2) Arch. II, zoon van Zeuxidamus (468-427). Na langen strijd bedwong hij den opstand der Messeniërs en Heloten, die op de aardbeving van 465 volgde. Bij het begin van den peloponnesischen oorlog, dien hij tevergeefs ontraden had, voerde hij jaarlijks het spartaansche leger naar Attica. Naar hem wordt dikwijls het eerste tijdperk van dien oorlog (431-421) archidamische oorlog genoemd.--3) Arch. III, kleinzoon van den vorigen, voerde nog voordat hij aan de regeering kwam (361) dikwijls het leger der Spartanen aan, in 368 versloeg hij de Arcadiërs en Argiven bij Midea; daarentegen leed hij in 364, toen hij trachtte de Arcadiërs het beleg van Cromnus te doen opbreken, eene nederlaag; ook verdedigde hij in 362 Sparta tegen den aanval van Epaminondas. In 338 sneuvelde hij in een bloedig gevecht tegen de Lucaniërs, tegen welke de Tarentijnen zijne hulp hadden ingeroepen.--4) Arch. IV, kleinzoon van den vorigen, werd in 294 door Demetrius Poliorcetes verslagen.--5) Arch. V, kleinzoon van den vorigen, broeder en opvolger van Agis III, trachtte Cleomenes III in zijn strijd tegen de ephoren te steunen, maar werd reeds bij het begin zijner regeering (227) gedood.

Archilochus, Archilochos, van Parus, bloeide omstreeks 650. In zijn jeugd leefde hij grootendeels op Thasus, waarheen zijn voorvader Telesicles eene kolonie gebracht had. Zijn later leven bracht hij meestal in armoede onder allerlei avonturen en onaangenaamheden in vreemden krijgsdienst door. Later keerde hij echter naar zijn vaderland terug en sneuvelde hij in een gevecht tegen de Naxiërs. Arch. kan als de eigenlijke schepper der iambische poëzie beschouwd worden, hij was de uitvinder van den iambischen trimeter en van verscheiden andere metra, en voerde ook een nieuwe wijze van voordragen in. Onrustig en prikkelbaar van aard, leefde hij met zijne tijdgenooten op gespannen voet, en zeide hij hun in zijne hekeldichten, menigmaal met groote bitterheid, harde waarheden. Vooral de familie van Lycambes, die zijne dochter Neobule aan Arch. tot vrouw beloofd, maar later zijn woord gebroken had, werd zoo zonder genade door hem bespot en gehoond, dat zij, naar men zegt, zich allen uit schaamte en wanhoop ophingen. Van de gedichten van Arch., die door de ouden zeer hoog geschat werden en die Horatius meermalen nagevolgd heeft, zijn slechts weinige fragmenten bewaard gebleven.

Archimedes, Archimedes in 287 te Syracusae geboren, een van de meest beroemde wis- en werktuigkundigen der oudheid, heeft zijn naam door tal van ontdekkingen vereeuwigd. Hij was een leerling van den beroemden alexandrijnschen wiskundige Euclides. Op wiskundig gebied vond hij de verhouding van de middellijn tot den cirkelomtrek, de inhoudsformules voor den bol en den cylinder, enz., en schreef verschillende werken, die ten deele bewaard gebleven zijn. Op het gebied van waterweegkunde ontdekte hij de naar hem genoemde wet, dat een lichaam, in eene vloeistof gedompeld, zooveel aan zwaarte verliest, als het gewicht der verplaatste vloeistof bedraagt. In de werktuigkunde vond hij de katrol uit, de naar hem genoemde archimedische schroef of schroef zonder einde en de waterschroef tot het uitmalen van water. Tijdens het beleg van Syracusae door de Romeinen wendde hij zijne bekwaamheden aan om door vernuftig uitgedachte werktuigen den Romeinen afbreuk te doen. Toen eindelijk in 212 de stad door Marcellus werd ingenomen, had deze wel uitdrukkelijk last gegeven, Archimedes te sparen, doch een soldaat, die den beroemden man niet kende en in diens woning doordrong, vond hem verdiept in meetkundige berekeningen, terwijl hij een aantal figuren op den grond getrokken had. Verstoord over de waarschuwing om niet door zijne figuren heen te loopen, doorstak de soldaat hem. Op zijn graf werd, overeenkomstig zijn verlangen, een cylinder met een bol geplaatst, doch in Cicero's tijd lag het vergeten in een wildernis van struiken.

Archimimus, directeur of hoofdacteur van een gezelschap mimi of kluchtspelers.

Archinus, Archinos, een Athener, die Thrasybulus hielp bij het bestrijden van de dertig en bij de wederinvoering der democratie. Hij stelde voor, het ionische alphabet in Athene in te voeren, en schreef daarover ook een brochure.

Archippus, Archippos, atheensch blijspeldichter, omstreeks 410. Hij is een navolger van Aristophanes.

Architheoria, Architheoria, een liturgie, bestaande in het dragen van een deel der onkosten van de feestgezantschappen, die naar Olympia, Delus e. e. gezonden werden.

Archontes eigl. de naam van alle overheden en officieren, in het biz. die van de hoogste overheid der atheensche republiek. Oorspronkelijk was waarschijnlijk de archon een ambtenaar, die evenals de polemarchos onder den koning stond, langzamerhand gingen rechten en bevoegdheden van laatstgenoemden op de beide anderen over, zoodat ten slotte alle drie in rang en macht gelijk stonden. Onder het koningschap van de Medontiden werden deze ambten voor het geheele leven gegeven, sedert 752 voor tien jaar, omstreeks 682 werd de duur ervan tot een jaar beperkt, en tegelijk werd het aantal archonten door toevoeging van zes thesmothetai op negen gebracht, zooals het sedert dien tijd gebleven is. Aanvankelijk waren alleen eupatriden verkiesbaar, sedert Solon pentakosiomedimnen, in verloop van tijd werd het archontaat toegankelijk voor alle burgers, misschien met uitzondering van de theten. De archonten werden oudtijds door den Areopagus benoemd en werden na afloop van hun ambtsjaar leden daarvan, sedert Solon werden zij bij loting aangewezen uit candidaten (ek prokriton), van welke iedere phyle 10 verkoos, en tot deze methode keerde men, nadat een proef met directe verkiezing door de volksvergadering genomen was, na korten tijd terug; sedert 487 werden de candidaten aangewezen uit de demen, en het geheele aantal candidaten tot 500 uitgebreid; in lateren tijd, waarschijnlijk in de 4de eeuw, toen het aantal candidaten weer tot 100 teruggebracht was, wees zelfs het lot in iedere phyle de candidaten aan, die om het archontaat moesten loten. De loting was zoo ingericht dat uit iedere phyle een persoon uitkwam; de laatst uitgekomene was grammateus.--De macht en bevoegdheid dezer overheden zijn in den loop der tijden zeer verminderd en in den tijd der onbeperkte democratie is hun niet veel meer opgedragen dan het bezorgen van offers en feesten en het voorzitterschap van sommige rechtbanken. Toch worden de archonten altijd als de eerste overheden beschouwd, en werden zij, voordat zij de gewone dokimasia mochten ondergaan, aan een onderzoek door den raad onderworpen. De eerste archont, gewoonlijk alleen archon, ook wel, omdat het jaar met zijn naam aangeduid werd, archon eponymos genoemd, leidde processen over familie- en erfrecht, benoemde voogden, enz. De tweede, op wien de priesterlijke waardigheid van den koning was overgegaan, en die daarom den naam basileus behouden had, had in overeenstemming daarmede toezicht en leiding bij al wat den godsdienst betreft, en had ook kennis te nemen van alle aanklachten die op godsdienstige aangelegenheden betrekking hadden. De derde, polemarchos genoemd, wien oudtijds zonder twijfel de zorg voor het krijgswezen was opgedragen, komt na den slag bij Marathon niet meer in die betrekking voor; als rechter is hij voor vreemdelingen en metoiken, wat de eerste archont voor burgers is. De overige zes archonten dragen gezamenlijk den naam van thesmothetai; zij zijn voorzitters bij alle rechtzaken, die niet voor andere magistraten behooren.--Nog in den rom. tijd vindt men ath. archonten vermeld.

Archytas, Archytas, van Tarente, pythagoreïsch wijsgeer, waarschijnlijk leerling van Philolaus. Als staatsman zeer verdienstelijk, als veldheer onoverwonnen, als wis- en werktuigkundige beroemd, werd hij bovendien om zijn edel karakter door zijne medeburgers hoog geëerd, zoodat hij in strijd met de wet telkens weder tot strateeg benoemd werd. Zijn invloed redde Plato, toen deze door het wantrouwen van Dionysius van Syracuse in levensgevaar verkeerde. Naar men verhaalde, zou hij bij een schipbreuk nabij het voorgebergte Matinus het leven verloren hebben. Zijn bloeitijd was 400-365.

Arcitenens, bijnaam van Apollo en Diana.

Arconnesus, Arkonnesos, 1) eiland op de kust van Ionia, westwaarts van Colophon.--2) eilandje voor de haven van Halicarnassus.

Arctinus, Arktinos, van Miletus, cyclisch dichter omstreeks 776, behandelde in een episch gedicht, Aithiopis, de heldendaden van Penthesileia en Memnon, den dood van Achilles en Aiax, enz.

Arcturus, Arctophylax, Arktouros, Arktophylax. Zie Bootes.

Arctus, Ursa, Plaustrum, Currus, Septentrio, Arktos, Hamaxa, naam van twee sterrenbeelden, door de toevoegsels maior en minor, megale en mikra onderscheiden: de Groote en de Kleine Beer, beide van groot belang voor de scheepvaart, daar zij nooit ondergaan. In den grooten beer herkende men gewoonlijk Callisto, in den kleinen haar zoon Arcas. V. a. waren het twee berinnen, die Zeus op Creta een jaar lang verborgen en gevoed hadden, en tot belooning onder de sterren verplaatst waren.

Arculas of -lum, een rondgevouwen doek of draagkussen op het hoofd, ten einde met meer gemak een mand er op te kunnen dragen. Ook een tak van den granaatappelboom, om het hoofd gebogen bij wijze van krans, waarvan de einden door een wit wollen band waren saamgebonden; deze werd door de flaminica Dialis gedragen bij alle offerplechtigheden, soms ook door de vrouw van den rex sacrificulus.

Arcus, 1) het bekende schietwapen, toxon, waarvan hier geene verdere verklaring noodig is. Wij geven hierboven twee afbeeldingen van bogen; de onderste wordt arcus sinuatus geheeten.--2) in de bouwkunde elke uit bouwstoffen vervaardigde boog, meer in het bijzonder eerepoorten en eerebogen. Onder de republiek waren zij meestal slechts tijdelijk, of van gewonen gehouwen of gebakken steen opgetrokken, en werden fornices genoemd; doch onder de keizers werden zij met de meest mogelijke pracht van marmer en beeldhouwwerk als blijvende gedenkteekenen opgericht. Vijf zulke triumfbogen zijn te Rome bewaard gebleven: de arcus Drusi, de a. Titi (zie bovenstaande afbeelding) de a. Septimii Severi. de a. Gallieni en de a. Constantini.

Ardea, Ardea, in Latium, oude hoofdstad der Rutuliërs, sedert 442 romeinsche kolonie, later vervallen.

Ardeas, zoon van Odysseus en Circe, stichter van Ardea in Italië; v. a. echter was deze stad door Danaë gesticht.

Ardericca, Arderikka, plaats aan den Euphraat, ook eene plaats nabij Susa, waarheen Darius de gevangene Eretriërs overbracht.

Ardescus, Ardeskos, onbekende zijrivier van den Ister in europeesch Sarmatië, mythologisch een zoon van Oceanus en Tethys.

Ardettus, Ardettos, heuvel ten Z. O. van Athene, bij het Stadion, waar de heliasten jaarlijks hun eed aflegden.

Arduenna silva, in Belgica, thans de Ardennen en de Eifel.

Ardys, Ardys, zoon en opvolger van Gyges, koning van Lydië, 654-617. In het begin van zijn regeering valt de inval der Cimmerii (z. a.). Gedurende de laatste jaren van zijn leven veroverde hij Priene en voerde hij met kracht oorlog tegen Miletus, zonder dat het hem gelukte die stad in te nemen.

Area, in het algemeen eene open ruimte, vooral eene opzettelijk vrijgelaten ruimte, zooals het voorplein vóór een tempel, waar het altaar stond, de voorhof van een huis, en dgl.--Vooral werd de uit leem vastgestampte, soms ook geplaveide dorschvloer, halos, aloe, aldus geheeten. Hij lag nabij de boerderij, in de open lucht, eenigszins hoog ten behoeve eener goede afwatering. Het koren werd uitgetreden door vee of door zware blokken (tribula), waarvoor een trekdier was gespannen, of met knuppels en dorschvlegels uitgedorscht.

Area, Areia, 1) z. Aphrodite. De dienst van Aphrodite Area was te Sparta inheemsch, waar zij een tempel met een gewapend beeld had, en werd later naar Corinthe, Cythera en Cyprus overgebracht.--2) bijnaam van Athene. Onder dien naam had zij een gewapend beeld in den tempel van Ares. Orestes zou na zijne vrijspraak voor het eerst een altaar voor haar hebben opgericht.

Areïthous, Areithoos, koning van Arne, geducht strijder, om zijn ijzeren knots korynetes bijgenaamd. De arcadische koning Lycurgus doodde hem en ontnam hem zijne wapenen.

Arelas, Arelate of -tum, Arelate, thans Arles, stad in Narbonensis, ter weerszijden van den Rhodanus (Rhône) gelegen, met belangrijke overblijfselen uit den rom. tijd, sedert 46 rom. kolonie. Arelas was eene bloeiende koopstad.

Aremorica, de kuststreek van Gallia ten N. van den Liger (Loire) en langs den Oceanus Britannicus (het kanaal). De naam wordt afgeleid van het keltische ar = aan, bij, en môr = zee. Bij Plinius is het de oude naam voor Aquitania in engeren zin (z. a.).

Arena, het met zand bestrooide strijdperk in het amphitheater, waar de gevechten van dieren en van zwaardvechters plaats vonden. Bloedvlekken werden telkens onzichtbaar gemaakt door er nieuw zand over te strooien. Overdrachtelijk wordt arena ook gebruikt voor het geheele amphitheater, voor den strijd zelf en ook voor elke soort van wedstrijd en van oefenplaats.

Arenacum, Arenatium, Arenatio, stad in het gebied der Batavieren, aan den weg tusschen Castra Vetera (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen), misschien het dorp Rindern bij Kleef.

Areopagus, Areios pagos, heuvel in Athene, waar de oudste en beroemdste rechtbank (he en Areio pago of ex Ar. p. boule) zitting hield. Deze rechtbank, volgens het meest bekende verhaal samengesteld bij het proces van Orestes en volgens beschikking van de godin Athena ook voor het vervolg behouden, behandelde onder indrukwekkende formaliteiten de zwaarste misdaden, zooals opzettelijken moord, brandstichting en dgl., waarop doodstraf of verbanning stond. De aangeklaagde had gedurende de vier maanden, die tusschen de aanklacht en het vonnis moesten verloopen, geen toegang tot publieke plaatsen; hij kon zich echter, behalve in geval van vadermoord, vrijwillig in ballingschap begeven. Wanneer over het vonnis de stemmen staakten, volgde vrijspraak, daar Athena dan verondersteld werd, evenals bij het proces van Orestes, voor vrijspraak gestemd te hebben (calculus Minervae).--Sedert 683 wordt de Areop. jaarlijks aangevuld uit de gewezen archonten, die voldoende verantwoording van hun beheer gegeven hadden en voor hun leven zitting hadden; hij had het toezicht over de geheele staatsregeling en over de wetten, zeden en tucht. Solon maakte hem tot een politiek gerechtshof, waarbij men klachten kon indienen tegen de ambtenaren. Welke bevoegdheden met het toezicht op de wetten verbonden waren, vindt men nergens nauwkeuriger omschreven; ook zijn de gevallen waarin de Areop., hetzij uit eigen beweging, hetzij volgens opdracht van het volk, optrad, van zeer verscheiden aard; overal ziet men echter dat hij, wanneer hij optrad, door het groote vertrouwen, dat hij genoot, grooten invloed kon uitoefenen. Doch met zijne uit den aard der zaak conservatieve gezindheid schijnt dit lichaam de volkomen ontwikkeling der democratie in den weg te hebben gestaan, en omstreeks 462 werd het door Themistocles en Ephialtes, later nog door Pericles, van zijne politieke macht beroofd. Sedert dien tijd is de Areopagus bijna uitsluitend gerechtshof in gevallen van moord en doodslag. In den rom. tijd is het weder het voornaamste regeeringslichaam.

Ares, Ares, Mars, zoon van Zeus en Hera, god van het krijgsgewoel en van bloedige gevechten. In gezelschap van zijne kinderen Deimos en Phobos, van zijne zuster Eris en van de moordgodin Enyo, begeeft hij zich in den strijd, waar hij zich evenmin bekommert om orde en regelmaat, als om het recht der strijdende partijen. Om zijn onstuimigheid en zijn bloeddorstigen aard is hij zelfs bij Zeus meer dan eenig ander god gehaat. Telkens geraakt hij in strijd met Athena, de godin van het krijgsbeleid, en telkens moet hij het onderspit delven; zelfs aan stervelingen gelukt het door hare hulp den god te wonden.--De eeredienst van Ares was waarschijnlijk uit Thracië ingevoerd en werd in Griekenland nooit algemeen. De wolf, het paard en de haan waren hem heilig. Zijne beelden vertoonen gewoonlijk eene jeugdige, gespierde gestalte, donkere gelaatstrekken, kleine oogen, wijd geopende neusgaten en kort haar.

Arestorides, Arestorides, Argos, de zoon van Arestor.

Aretaeus, Aretaios, uit Cappadocia, beroemd geneesheer te Rome uit de 2de helft van de 2de eeuw na C.

Aretalogus, een persoon, die den kost verdiende door bij feestmalen de dischgenooten te vermaken, vermoedelijk door, als een soort van nar, te zwetsen en te bluffen. Oorspronkelijk is het echter iemand, die op eentonige wijs de deugden en de macht van de een of andere oostersche godheid verkondigt, of van allerlei wonderen opsnijdt.

Aretas, naam van eenige vorsten der Nabataeërs in Arabia Petraea. Een hunner, die zich in de joodsche zaken mengde, werd op bevel van Pompeius door diens quaestor M. Aemilius Scaurus verdreven en in de stad Petra belegerd (64). Een andere Aretas, wiens dochter met Herodes II Antipas gehuwd, doch ter wille van Herodias verstooten was, viel in Judaea ten tijde van Tiberius. Diens overlijden (37 n. C.) verhinderde het uitbarsten van een oorlog. Toen Paulus uit Damascus ontsnapte, stond de stad onder het bevel van den stadhouder (ethnarches) van Aretas.

Arete, Arete, 1) gemalin van Alcinoüs. Zoowel Odysseus als Medea werden door haar gastvrij ontvangen en in bescherming genomen.--2) dochter van Aristippus, den stichter der cyrenaïsche school; zij beoefende zelve ijverig de wijsbegeerte en onderrichtte haar zoon daarin.--3) dochter van Dionysius I van Syracuse, gehuwd met Dio, en gedurende zijne afwezigheid aan Democrates tot vrouw gegeven. Na zijne terugkomst nam Dio haar weder tot zich, en nadat hij vermoord was, werd zij eerst gevangen gehouden en toen in zee geworpen.

Aretho, Araithos, Aratthos = Arachthus, rivier in Epirus.

Arethusa, Arethousa, 1) bron op Ortygia (z. Alpheus).--2) bron in Elis.--3) bron op Ithaca.--4) bron op Euboea.--5) bron bij Thebae.--6) stad in Syrië aan den Orontes.

Areus, Areus, koning van Sparta (310-265). Met Ptolemaeus II verbonden, voerde hij oorlog tegen de Aetoliërs, maar leed bij Cirrha een volkomen nederlaag. In 272 sloeg hij den aanval van Pyrrhus op Sparta af, ook verleende hij hulp aan Argos tegen hem. Hij sneuvelde in den Chremonideïschen oorlog in een gevecht bij Corinthe.

Arevaci en -cae, machtige en dappere volksstam in Hispania Tarraconensis, tot wier gebied de stad Numantia aan den Boven-Durius (Douro) behoorde.

Argadeis, naam van de laatste der vier oude attische phylae, naar Argades, een zoon van Ion.

Argaeus, Argaios, 1) koning van Macedonië, zoon van Perdiccas I.--2) koning van Macedonië, die in 393 aan Amyntas III de regeering ontnam en deze twee jaar behield.--3) zoon van Ptolemaeus Lagi, werd door zijn broeder Ptolemaeus Philadelphus gedood.

Argaeus mons, Argaion oros, sneeuwgebergte in het midden van Cappadocia.

Arganthonius, Arganthonios, koning van Tartessus in Hispania, die 120 jaar leefde, waarvan hij 80 jaar regeerde. Zeelieden uit Phocaea, die omstreeks 550 bij hem kwamen, werden zeer goed door hem ontvangen, zelfs trachtte hij hen te overreden met al hunne landgenooten in zijn rijk te komen wonen.

Arganthonius mons, Arganthonion oros, berg in Bithynia, op eene landtong, die tusschen twee golven in de Propontis (zee van Marmara) vooruitspringt. In de nabijheid zou Hylas door de nimfen geroofd zijn.

Argea, Argeia, 1) dochter van Adrastus, gehuwd met Polynices.--2) zuster van Theras, gehuwd met Aristodemus no. 1.

Argei, naam van 27 offerplaatsen te Rome, volgens de overlevering door Numa gewijd, waar, naar het schijnt, door of vanwege de pontifices op zekere tijden offers werden gebracht. Ook verstaat men onder Argei aangekleede poppen, opgevuld met stroo of met biezen, die ten getale van 27 op 15 Mei van de houten paalbrug (pons sublicius) in den Tiber werden geworpen, ten overstaan van de pontifices, de vestaalsche maagden en den praetor urbanus. Men gelooft vrij algemeen hier te doen te hebben met een zoenoffer aan de rivier, oorspronkelijk waarschijnlijk een menschenoffer. Argei zijn namelijk oorspronkelijk Grieken, die als landsvijanden jaarlijks sedert de 2de helft der 3de eeuw volgens de aanwijzing der Sibyllijnsche boeken Graeco ritu gedood werden; men vergelijke het herhaaldelijk dooden van een Gallus en eene Galla, eveneens volgens aanwijzing dier boeken. Spoedig echter zijn deze bloedige offers door het afwerpen van stroopoppen (simulacra hominum scirpea) vervangen. Bij senaatsbesluit van het jaar 97 werd elk menschenoffer verboden.

Argentarius. De werkkring der argentarii was tamelijk veelzijdig. Zij bezorgden geld- en handelszaken voor anderen, belastten zich met koop en verkoop en vervulden alzoo de rol van makelaars, van wisselaars en van bankiers. In deze laatste hoedanigheid gaven zij ook wissels af op andere plaatsen, namen geld voor anderen in ontvangst en deden op last hunner lastgevers uitbetalingen. De uitdrukking per mensam solvere beteekent dus: eene aanwijzing op zijn bankier geven. Hunne zaken deden zij meest in de tabernae argentariae veteres en novae aan het forum, die door den staat gebouwd en aan hen verhuurd werden.

Argentoratum, rom. municipium aan den Rijn in het land der Triboci, met groote wapenfabrieken, thans Straatsburg. In de nabijheid van deze stad versloeg Julianus als Caesar (onderkeizer) in 357 n. C. de Alamannen, die in den Elzas gevallen waren, en een groot gedeelte van Gallië plunderden.

Arges, Arges, een cycloop.

Argi, oorspronkelijke latijnsche naam voor de stad Argos.

Argias graphe, aanklacht, die men oorspronkelijk bij den Areopagus, later bij den archon eponymos kon indienen tegen iemand, die geen beroep uitoefende en daardoor zijn nabestaanden tot last was. Dit werd eerst met eene boete, bij herhaling met atimie gestraft.

Argiletum, eene buurt in Rome, tusschen den mons Quirinalis en het forum. In deze buurt waren vooral boekwinkels en winkels van handwerksnijverheid. De naam wordt zoowel afgeleid van argilla (dus zooveel als kleibuurt), als verklaard door den dood van Evander, die hier zou vermoord zijn.

Argilus, stad op de macedonische kust aan de golf van den Strymon, kolonie van Andrus.

Arginusae, Arginoussai, groep van drie eilandjes tusschen Lesbus en de kust van Aeolis. Hier behaalde de atheensche vloot in den peloponnesischen oorlog hare laatste overwinning op de Spartanen (406); doch niettemin werden de atheensche veldheeren te Athene ter dood gebracht, omdat zij verzuimd hadden de drenkelingen op te visschen.

Argiphontes, Argeiphontes, Argusdooder, bijnaam van Hermes.

Argippaei, Argippaioi, stompneuzige en kaalhoofdige nomadenstam in Sarmatia. Het is waarschijnlijk een turksch volk, dat ten Z. van het Altaïgebergte woonde. De oost-aziatische handelsweg naar den Pontus liep door hun land.

Argissa, Argissa, stad in Pelasgiotis in Thessalia, later Argura genaamd.

Argiva, Argeia, bijnaam van Hera.

Argivi, Argeioi, zie Argos.

Argo, Argo, het schip, waarmede Iason en zijne metgezellen (de Argonauten) naar Aea voeren. Het was gebouwd van hout dat op den Pelion gegroeid was, en werd door vijftig roeiers in beweging gebracht. Athena zelve hielp bij het bouwen en voegde er een stuk van den sprekenden eik van Dodona in. Bij zijne terugkomst wijdde Iason het schip op de landengte van Corinthe aan Poseidon, later werd het onder de sterren geplaatst.

Argolis, Argolis, oude en door de Romeinen op nieuw in zwang gebrachte naam van het landschap Argos in de Peloponnesus (zie Argos).

Argonautae, Argonautai, Iason en zijne metgezellen, die met het schip Argo naar Aea voeren, om het gouden vlies terug te halen, dat daar door Phrixus in een woud van Ares was opgehangen. Ofschoon de sage van den Argonautentocht bij de Minyers ontstaan is, was hare groote vermaardheid oorzaak, dat in verloop van tijd de meeste helden die in dien tijd geleefd konden hebben, ook uit andere grieksche stammen, onder de vijftig deelnemers aan den tocht geteld werden, o.a. Heracles, Castor en Polydeuces, Peleus, Theseus, Tydeus, Meleager, Orpheus. De Argonauten stonden onder de bizondere bescherming van Hera en Athena; zij bereikten dan ook hun doel, in weerwil van vele gevaren en avonturen. De heenreis gaat van Iolcus over Lemnus, door den Hellespont, langs Cyzicus, door de Symplegadische rotsen en verder langs de kust van de Zwarte zee; op de terugreis werd v. s. dezelfde weg genomen; doch volgens de meeste verhalen werd het schip door storm op een verkeerden weg gedreven en kwamen de reizigers eerst na lange omzwervingen in Iolcus terug. Er is dan ook bijna geen land, of de Argonauten zijn er volgens een of ander verhaal geweest, zelfs zouden zij in twaalf dagen door de libysche woestijn getrokken zijn, terwijl zij het schip Argo op hunne schouders droegen; ook bezochten zij Circe, voeren voorbij de Sirenen, Scylla en Charybdis, enz.--Men gelooft dat de sage van den Argonautentocht, die zeer oud is, herinneringen bevat aan de vroegste zeetochten, die door de Minyers, een zeevarend volk, ten behoeve van handel en kolonisatie werden ondernomen.

Argos, to Argos. De naam beteekent volgens Strabo vlakte en wordt dus bij meer dan ééne plaats gevonden. Het homerische pelasgikon Argos is de vlakte bij Larissa aan den Peneus in Thessalia, en in ruimeren zin ook wel het geheele thessalische vlakland. To Achaiikon Argos bij Homerus is òf de stad Argos in de Peloponnesus, de woonplaats van Diomedes, òf het landschap Argos, ook wel Argolis geheeten, òf ook wel de geheele Peloponnesus, evenals de naam Argivi bij de dichters nu eens voor de Argoliërs, dan weder voor de gezamenlijke Grieken wordt gebezigd, omdat hun aanvoerder in den trojaanschen krijg, Agamemnon, koning te Mycenae in Argos was. Het landschap Argos was het oostelijkste van de Peloponnesus. Het was bergachtig en niet zeer vruchtbaar, omdat het arm was aan water. De vlakte, waarin de steden Argos, Mycenae en Tiryns lagen, was vruchtbaarder en geschikt voor paardenfokkerij, hippoboton Argos bij Homerus. Ook Argos werd, evenals Messene en Laconica, door de Doriërs veroverd, doch dezen waren hier minder sterk, zoodat de oud-achaeische elementen minder onderdrukt werden en de regeering minder aristocratisch werd dan te Sparta. In Argos behooren de mythen te huis van de Danaïden, van Danaë en Perseus, van Heracles, van de gruwelen der Atridenfamilie. De stad Argos lag aan het riviertje den Inachus, op een steilen heuvel lag de burg Larissa. Na den trojaanschen oorlog was nu eens Argos, dan weder Mycenae de zetel van het bestuur, de Doriërs maakten Argos voor goed tot hoofdstad. Aan den perzischen oorlog kon Argos geen deel nemen, ten gevolge eener vreeselijke nederlaag, die het kort te voren van de Spartanen had ondergaan bij Tiryns. De beroemde beeldhouwer Polycletus was te Argos (of te Sicyon) geboren. In den tempel van Hera, tusschen Argos en Mycenae gelegen, stond het beroemde, door hem gemaakte beeld der godin.--Ook in het landschap Amphilochia tusschen Aetolia en Epirus lag eene stad Argos, ter onderscheiding Amphilochicum geheeten.--Nog een ander Argos, Hippium bijgenaamd, zou na den trojaanschen oorlog in Apulia gesticht zijn en uit Argos hippion zou dan de naam Arpi zijn ontstaan.

Argura, Argoura = Argissa.

Argus, Argos, 1) zoon van Zeus en Niobe, volgde zijn grootvader Phoroneus als koning van Argos op.--2) zoon van Agenor, Arestor of Inachus, wiens geheele lichaam met oogen bezaaid was (panoptes). Toen Io in eene koe veranderd was, plaatste Hera hem als wachter bij haar, maar Hermes deed hem door zijn fluitspel inslapen en doodde hem daarna. Zijne oogen plaatste Hera daarna in den staart van den pauw.--3) zoon van Phrixus en Chalciope. Hij keerde uit Aea naar Orchomenus terug en bouwde voor Iason de Argo. V. a. leed hij met zijne broeders schipbreuk bij het eiland Aretias, waar de Argonauten hen later vonden en medenamen naar Aea.

Argyraspides, Argyraspides, eene keurbende van zware infanterie in het macedonische leger, zoo genoemd naar hunne met zilver beslagen schilden. Na Alexanders tocht door Indië werd dit corps opgericht of v. a. werden alle overblijfsels zijner oude grieksche troepen toen erin opgenomen. Later werden zij door Polyperchon onder bevel van Eumenes geplaatst, zij kwamen in opstand en verrieden hun veldheer aan Antigonus, die weldra het corps wegens zijne aanmatigingen ontbond.--Ook de lijfwacht der Syrische koningen bestond uit Argyraspides.

Argyripa, oude naam voor de stad Arpi in Apulia.

Aria, Areia, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk, een vruchtbaar bergland, waardoor de Arius, die bij Herodotus Aces, Akes, heet, stroomde. De bewoners heetten Arii, Areioi, welke naam niets te maken heeft met den naam Ariërs, waarmede de Indo-Germanen worden aangeduid. De hoofdstad was Artacoana. Op hare plaats of in de nabijheid er van werd later een Alexandria gesticht, Areion bijgenaamd, thans Herât.

Ariadne, Ariadne, dochter van Minos en Pasiphaë. Zij vluchtte met Theseus uit Creta, nadat zij hem door een kluwen touw in staat gesteld had zijn weg in het labyrinth te vinden en den Minotaurus te dooden. Terwijl zij op het eiland Naxus ingeslapen was, liet Theseus haar achter en vervolgde alleen de reis naar Athene. Toen zij ontwaakte en zag wat er gebeurd was, wilde zij zich in zee storten, maar juist op dat oogenblik landde Dionysus, van zijn tocht naar Indië terugkeerend, op Naxus en, door hare schoonheid getroffen, nam hij haar tot zijne bruid. Sedert dien tijd vergezelde zij den god altijd, en nam zij, op een panther of een olifant zittende, de eerste plaats onder zijn gevolg in. Haar bruidskrans werd onder de sterren opgenomen en v. s. kreeg zij zelve een plaats op den Olympus.--V. a. was zij op Naxus door Artemis gedood, of had Dionysus Theseus bewogen haar te verlaten. Bij vele feesten van Dionysus werd ook Ariadne vereerd. Z. afbeelding.

Ariaeus, Ariaios, voerde in den slag bij Cunaxa het bevel over den linkervleugel van Cyrus' leger. Na diens dood ging hij tot Artaxerxes over, en gedeeltelijk door zijn toedoen vielen de grieksche strategen, die onder Cyrus gediend hadden, in de handen van Tissaphernes.

Ariana. Deze naam, waaronder men het oostelijk gedeelte van het perzische rijk verstaat, was aan de oude Grieken onbekend. Door bergranden van Armenia en van de Euphraat-Tigrislanden gescheiden, strekt Ariana zich uit tot aan den Indus, en omvat dus ongeveer het tegenw. Irân, Afghanistân en Beludchistân. De scherpe afwisseling van gloeiende zomerhitte met felle winterkoude en het gebrek aan water maakten, dat het land schaars bevolkt was. Behalve nomadenstammen van elders, was de bevolking arisch. Behalve Media en Persis, die niet altijd onder Ariana begrepen worden, maar toch door hunne ligging er toe behooren, omvat Ar. de landstreken Carmania, Gedrosia, Arachosia, Drangiane, Aria, het Paropanisadenland, Bactriane, Sogdiane, Parthyaea, Hyrcania.

Ariarathes, Ariarathes, cappadocische koningsnaam. Ariarathes I werd in 322 door Perdiccas, den rijksbestuurder na Alexander den Grooten, verslagen en ter dood gebracht. Zijn zoon, Ar. II, herwon het vaderlijk gebied (302). Ar. IV hielp zijn schoonvader Antiochus III van Syria in den oorlog tegen de Romeinen, doch sloot later met hen een verbond van vriendschap (188). Ar. V had zijne opvoeding te Rome ontvangen. Bij den dood zijns vaders (162) betwistte een ondergeschoven zoon van dezen, Holophernes, hem met syrische hulp het rijk, zoodat hij naar Rome moest vluchten, waar men eene verdeeling tot stand bracht. Later hielp hij de Romeinen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamus, waarbij hij sneuvelde (130). Onder de volgende Ariarathessen maakte Mithradates van Pontus zich van Cappadocia meester en zette er zijn eigen zoon Ariarathes op den troon, terwijl de Romeinen Ariobarzanes I tot koning aanstelden (95). Een latere Ariarathes, zoon van Ariobarzanes III, werd door den drieman M. Antonius afgezet (zie Archelaüs no. 7).

Ariaspae, Ariaspai, ruitervolk in Drangiane. Zij zijn ook bekend om hun korenbouw, en hadden hun land vruchtbaar gemaakt door talrijke bevloeiïngen.

Aricia, Arikia, zeer oude stad van Latium aan den appischen weg, ten Z. van den Albanus lacus, sedert 338 civitas sine suffragio, vervolgens een bloeiend municipium. In de buurt vond men den lacus Nemorensis (tgw. Lago di Nemi), aan welks oever een Diana-tempel stond. Hiernaar werd het meer ook speculum Dianae genoemd. De priester van dezen tempel, met den titel rex Nemorensis, was in later tijd een weggeloopen slaaf, die zijn ambt zoolang bekleedde, tot er een sterkere kwam, die hem in een gevecht overwon. De Diana Aricina is eene in Latium inheemsche godin, die de vrouwen in verschillende omstandigheden haars levens steunt.

Aries, stormram of muurbreker, bestaande uit een zwaren balk, van voren met een zwaren metalen ramskop voorzien. Hij hing op de wijze van een schommel aan touwen of kettingen, werd dan achteruitgetrokken en losgelaten, zoodat hij met kracht tegen den vijandelijken muur beukte. Om de kracht te vermeerderen, waren de arietes geweldig zwaar en soms aan het achtereinde nog van zware gewichten voorzien, zoodat er dikwijls 1500 manschappen noodig waren om ze te bedienen. Bij het beleg van Carthago gebruikte Scipio twee rammen voor welks bediening hij 6000 man noodig had. De gewone lengte van den balk was 80 tot 100 voet. Flavius Josephus beschrijft een stormram, waarvan de kop eene dikte van tien mannen en elk der beide horens eene mansdikte had. De aries stond, ter beveiliging der manschappen onder een sterk schutdak, testudo arietaria. Wilde de belegerde stad voorwaarden van overgave bedingen, dan moest zij dit doen, voordat de stormram de muren had aangeraakt.

Arima, ta Arima, een berg ergens in Klein-Azië, waaronder de reus Typhoëus bedolven lag. De bewoners heetten Arimi. De woorden ein Arimois als één woord gelezen, hebben aanleiding gegeven tot de meening, dat het eiland Inarime of Aenaria in de golf van Napels was bedoeld.

Arimaspi, Arimaspoi, fabelachtig volk in het verre Noordoosten van Europa of in Libye. De Grieken stellen hen voor als eenoogige menschen, die om het goud in hun bergen een eeuwigen strijd met de griffioenen voeren. Sommigen zien hierin een dichterlijke inkleeding van geruchten aangaande den mijnbouw in den Oeral.

Ariminum, Ariminon, bloeiende zeestad in Umbria, door de via Flaminia met Rome, en door de via Aemilia met Cisalpina verbonden. Een tijd lang was het in bezit der senonische Galliërs, doch na hunne verdrijving keerde de umbrische bevolking terug en werd de plaats in 268 rom. kolonie. Thans Rimini.

Ariobarzanes, Ariobarzanes, veldheer van den perzischen koning Darius III Codomannus, die nog eene laatste vruchtelooze poging deed om den voortgang der Macedoniërs te stuiten; hij werd, nadat hij zich had overgegeven, door Alexander eervol behandeld.--Ook werd deze naam gedragen door een drietal koningen van Cappadocia. Ar. I werd in 95 door de Romeinen als koning aangesteld, doch meermalen door Mithradates van Pontus verdreven. Als spotnaam noemde men hem Philoromaeus of Romeinenvriend. Hij werd in 63 opgevolgd door zijn zoon Ar. II, en deze in 51 door Ar. III, die in den burgeroorlog eerst de partij van Pompeius, maar later die van Caesar koos, en in 43 door Cassius werd omgebracht.

Arion, 1) Arion, van Methymna, beroemd dichter, zanger en citherspeler, die het eerst bij de Dionysusfeesten den dithyrambus door koren liet voordragen. Hij leefde langen tijd aan het hof van Periander van Corinthe, bij wien hij in hooge gunst stond. Toen hij van eene reis door Italië en Sicilië naar Corinthe terugvoer, besloten de matrozen, begeerig naar de schatten die hij bij zich had, hem te dooden. Op zijn verzoek werd hem toegestaan voor zijn dood een lied te zingen; hij trad naar den voorsteven, van waar hij zich bij het einde van zijn gezang in zee stortte. Maar een van de dolfijnen, die door de heerlijke muziek aangelokt waren, nam hem op den rug en bracht hem behouden naar Taenarum, van waar hij zijne reis naar Corinthe voortzette. Kort daarna kwam ook het schip te Corinthe aan en Periander, reeds van het gebeurde op de hoogte, liet de matrozen gevangen nemen en voor zich brengen. Eerst loochenden zij alle schuld en beweerden dat Arion te Tarente gebleven was, maar toen deze plotseling zelf verscheen, bekenden zij alles, waarop Periander hen liet ter dood brengen. Op kaap Taenarum stond eeuwen lang een bronzen beeld van Arion, op een dolfijn zittende. De lier en de dolfijn werden onder de sterren geplaatst.--2) Areion, het bliksemsnelle, met spraak begaafde paard van Adrastus, door Poseidon bij Demeter verwekt.

Ariovistus, germaansch aanvoerder, die in 71 met 15000 Germanen den Rijn overtrok, om in Gallia de Arverners en Sequaners tegen de Aeduers te ondersteunen. Hij versloeg eerst zijne vijanden en onderwierp toen zijne bondgenooten. De rom. senaat verleende hem den titel van vriend en bondgenoot. Toen echter in 58 de onderdrukte gallische volken Caesars hulp hadden ingeroepen en Ariovistus Caesars eischen afwees, bracht Caesar hem in den Boven-Elzass eene zóó afdoende nederlaag toe, dat Ariovistus over den Rijn naar Germania terugvluchtte.

Ariphron, Ariphron, van Sicyon, dithyrambendichter uit de vierde eeuw.

Arisbe, Arisbe, 1) dochter van Merops, echtgenoote van Priamus, moeder van Aesacus.--2) trojaansche stad nabij Abydus, waarbij Alexander na den overtocht van den Hellespont zijn leger opsloeg.--3) stad op Lesbus, ten Z. van Methymna, die door eene aardbeving verwoest werd.

Aristaenetus, Aristainetos, van Nicaea in Bithynië, grammaticus en rhetor, verloor het leven bij eene aardbeving te Nicomedea (358 na C.). De vijftig brieven vol avontuurlijke liefdesgeschiedenissen, die zijn naam dragen, zijn van veel lateren tijd.

Aristaeus, Aristaios, zoon van Uranus en Ge of van Apollo en Cyrene, een god der oudste Grieken, wiens wezen later met dat van Zeus en Apollo samensmolt. Hij was de beschermer van den landbouw, van de kudden (Nomios), de jacht (Agreus), de bijen (Melisseus), enz. Hij werd vooral in Thessalië, in Cyrene en op het eiland Ceos vereerd.

Aristagoras, Aristagoras, volgde zijn schoonvader Histiaeus als tyran van Miletus op, toen deze naar Susa aan het hof van Darius geroepen was. Op verzoek van eenige ballingen uit Naxus, bewoog hij Artaphernes, en door diens tusschenkomst Darius, eene vloot uit te zenden om dat eiland te veroveren en de ballingen terug te brengen; de onderneming mislukte echter, daar de perzische admiraal met Aristagoras twist kreeg en de Naxiërs waarschuwde. Uit vrees voor de ontevredenheid van Darius en aangespoord door een bode van zijn schoonvader, bewerkte Arist. nu een opstand van de ionische steden, die omstreeks 500 uitbrak en waarbij de Ioniërs door de Atheners en Eretriërs met schepen ondersteund werden. Hoewel aanvankelijk voorspoedig, werden de Grieken weldra weder door de Perzen bedwongen en Arist., het ergste vreezende, verliet met anderen Miletus om te Myrcinus in Thracië eene volksplanting te stichten; reeds het volgende jaar sneuvelde hij echter in een gevecht tegen de thracische Edoni.

Aristarchus, Aristarchos, 1) van Athene, een van de hevigste oligarchen ten tijde van de regeering der vierhonderd (411), die met anderen van pogingen tot verraad verdacht werd. Toen de democratie hersteld werd, vluchtte hij en maakte hij op de vlucht van zijne betrekking als strateeg gebruik om Oenoë aan de Boeotiërs over te geven.--2) van Tegea, treurspeldichter, tijdgenoot van Euripides.--3) van Samus, alexandrijnsch wis- en sterrenkundige omstreeks 280. Hij leerde dat de aarde zich om de zon en om haar eigen as beweegt. Een werk van hem over de grootte en de afstanden van zon en maan is bewaard gebleven.--4) van Samothrace, de beroemdste taalkundige der oudheid, onderwijzer van een zoon van Ptolemaeus Philometor (Ptolemaeus no. 10). Door Ptolemaeus Physcon (z. Ptolemaeus no. 11) vervolgd, ging hij naar Cyprus, waar hij, 72 jaar oud, stierf (± 144). Van de vele oudere grieksche dichters, die hij grammatisch en critisch behandelde, besteedde hij de meeste zorg aan Homerus, wiens werken hij met verbeterden tekst en met voortreffelijke verklaringen uitgaf. In de scholiën op Homerus vindt men eenige overblijfsels van zijn werk.

Aristeas, Aristeas, 1) van Proconnesus, schreef een gedicht over de Arimaspen, vol fabelen. Men verhaalde van hem, dat hij van tijd tot tijd van de aarde verdween en na een lang tijdsverloop weder verscheen. Te Metapontum had hij den dienst van Apollo ingevoerd.--2) een andere Ar. werd door Ptolemaeus Philadelphus naar Jeruzalem gezonden, om de zeventig vertalers van het Oude Testament te halen. Dit verhaal staat te lezen in een brief, die uit de eerste helft der 1ste eeuw v. C. dateert.

Aristides, Aristeides, 1) Athener, zoon van Lysimachus, geb. omstreeks 540, bijgenaamd de Rechtvaardige. Hij werkte mede aan de hervormingen van Clisthenes, en streed bij Marathon. Na de daar behaalde overwinning was hij archont. Als voorstander eener meer behoudende politiek verzette hij zich tegen de voorstellen van Themistocles, vooral tegen die betreffende de uitbreiding der zeemacht, en zoo scherp stonden de beide tegenstanders tegenover elkander, dat in 482 het ostracismus toegepast moest worden, en Ar. voor tien jaar verbannen werd. In den slag bij Salamis vervoegde hij zich echter weder bij de atheensche vloot en na de overwinning werd hij uit zijne ballingschap teruggeroepen. Bij Plataeae voerde hij de Atheners aan en later voerde hij het bevel over de vloot. Zijn gedrag was mede oorzaak, dat de hegemonie door de Grieken aan de Atheners aangeboden werd. Zoo algemeen was het vertrouwen dat hij genoot, dat hem de inrichting van de nieuwe symmachie werd opgedragen; hij bepaalde hoeveel ieder voor de vloot moest bijdragen en maakte Delus tot bewaarplaats van de bondskas. De groote gebeurtenissen van zijn tijd hadden hem ook in de binnenlandsche politiek van inzicht doen veranderen, en ook onder zijne medewerking werden de burgerlijke rechten, benoembaarheid tot verschillende ambten, enz., aan een grooter deel der bevolking gegeven. Hij stierf in 467 zeer arm; de staat bekostigde zijne begrafenis, zorgde voor zijn zoon en gaf aan zijne dochters een huwelijksgift.--2) van Thebae, beroemd schilder uit den tijd van Alexander d. G.; hij muntte vooral uit in groote en uitvoerige stukken, die veldslagen of veroveringen voorstelden.--3) van Miletus, in de voorlaatste en laatste eeuw v. C., schrijver van Milesiaka, fabulae Milesiae, romantische verhalen uit het leven te Miletus. Het werk was bij de Romeinen zeer gezocht, Sisenna (Cornelii no. 56) leverde eene latijnsche vertaling ervan. Slechts weinige fragmenten zijn overgebleven.--3) grieksch redenaar, zie Aelius Aristides (Aelii no. 10).

Aristion, Aristion, een epicureïsch wijsgeer, die zich met behulp van Archelaus no. 4 tot tyran van Athene opwierp; toen Sulla de stad veroverd had, liet deze hem ter dood brengen (86).

Aristippus, Aristippos, 1) van Cyrene, geb. omstreeks 435, werd in 416 door zijn vader naar Athene gezonden om het onderwijs van Socrates te genieten; na diens dood trad hij eerst te Aegina, later aan het hof van den jongeren Dionysius, vervolgens ook in verscheiden andere steden, o. a. in zijn vaderstad en te Athene als leeraar op. Hij stierf op hoogen leeftijd, misschien op het eiland Lipara. De leer van Aristippus, die de cyrenaeïsche of hedonische genoemd wordt, noemde als hoogste goed het genot, mits men zich niet erdoor liet beheerschen (to kratein kai me hettasthai hedones). Verstand en geestbeschaving stellen den mensch daartoe in staat. Genot is eene zachte beweging, die men met bewustheid ondergaat.--Aristippus was de eenige onder de leerlingen van Socrates, die zich voor zijn onderwijs liet betalen, vandaar dat hij soms sophist genoemd wordt.--2) kleinzoon van den vorigen, door zijne moeder Arete in de wijsbegeerte van zijn grootvader onderwezen (metrodidaktos).

Aristius Fuscus, rom. tooneeldichter en taalgeleerde, vriend van den dichter Horatius.

Aristobulus, Aristoboulos, 1) tochtgenoot van Alexander d. Gr., stelde diens daden te boek; zijn werk was een van de voornaamste bronnen waaruit Arrianus geput heeft.--2) joodsch peripatetisch wijsgeer (± 150), die in verscheiden werken trachtte aan te toonen, dat de grieksche philosophie aan joodsche e. a. oostersche bronnen ontleend was.--3) zoon van den joodschen vorst-hoogepriester Alexander Jannaeus, leefde sedert den dood zijner moeder (69) in oorlog met zijn broeder Hyrcanus, die door Aretas, koning der Nabataeërs, werd ondersteund. Aristobulus riep de hulp in van Pompeius (64); doch toen hij dezen zocht te misleiden, werd hij zelf gevangen genomen en Hyrcanus op den troon geplaatst. Later ontkwam Aristobulus wel, doch hij werd opnieuw gevangen, en toen eindelijk Caesar hem in vrijheid had gesteld en hem troepen had gegeven om Judaea te vermeesteren (49), werd Ar. door zijne vijanden door vergif uit den weg geruimd.

Aristocrates, Aristokrates, 1) koning van Arcadië, die in den tweeden messenischen oorlog de Messeniërs helpen zoude, maar zich door de Spartanen liet omkoopen om hen te verraden. Als verrader werd hij door de Arcadiërs gesteenigd, waarna zij de koninklijke waardigheid afschaften (668).--2) Athener, een van de admiraals die den slag bij de Arginusen wonnen en ter dood veroordeeld werden (406). Vroeger had hij tot de 400 behoord.--3) Spartaan, schrijver van Lakonika, phantastische verhalen. Hij leefde waarschijnlijk in de 1ste eeuw v. C.

Aristodemus, Aristodemos, 1) een Heraclide, vader van Eurysthenes en Procles, die bij den terugtocht naar de Peloponnesus te Naupactus door den bliksem gedood werd. De Lacedaemoniërs verhaalden echter dat hij nog in Lacedaemon geregeerd had en dat zijne beide zonen in Lacedaemon geboren waren.--2) de held van den eersten messenischen oorlog, die ingevolge een orakel zijne dochter voor het vaderland opofferde. Later werd hij tot koning verkozen en voerde hij den oorlog langen tijd met groote dapperheid; toen echter de verdere verdediging hopeloos was, beroofde hij zich bij het graf zijner dochter van het leven (724).--3) tyran van Cumae in Campanië, erfgenaam van Tarquinius Superbus, die zijne laatste levensjaren bij hem doorbracht.--4) de eenige Spartaan die bij de Thermopylae niet sneuvelde; in Sparta werd hij daarom als een lafaard geschuwd, later sneuvelde hij echter roemrijk bij Plataeae.

Aristogiton, Aristogeiton, 1) z. Harmodius.--2) atheensch redenaar, bijgenaamd kyon, tegenstander van Demosthenes, Dinarchus, Lycurgus en Hyperides.

Aristoi, een van de namen, waarmede de edele geslachten in aristocratische republieken zich noemden. De naam berust op vooronderstelde voortreffelijkheid in deugd, beschaving, krijgskunst, enz.

Aristomachus, Aristomachos, zoon van Cleodaeus, achterkleinzoon van Heracles. Steunende op een orakel, deed hij eene poging om de Peloponnesus te heroveren, maar daar hij het orakel verkeerd uitgelegd had, mislukte de onderneming en hijzelf sneuvelde door de hand van Tisamenus.

Aristomenes, Aristomenes, 1) Messeniër, die zijne landgenooten tot een opstand tegen Sparta aanspoorde (684), waarvan de tweede messenische oorlog het gevolg was. De koninklijke waardigheid, die hem wegens zijne uitmuntende dapperheid werd aangeboden, wees hij af; toch was hij de ziel van den oorlog en bracht hij de vijanden meer dan eens in het nauw. Meermalen geraakte hij in het grootste levensgevaar, driemaal viel hij in handen der Spartanen, maar telkens ontkwam hij den dood op wonderdadige wijze, zelfs toen hij reeds te Sparta in den Caeadas geworpen was. Toen met den val der vesting dra de oorlog ten nadeele der Messeniërs eindigde, ging Arist. naar Ialysus, waar hij na zijn dood als heros vereerd werd.--2) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes.--3) Acarnaniër, die onder Ptolemaeus Epiphanes minister was en Aegypte verstandig bestuurde (202-192); aanvankelijk zeer door den koning bemind, werd hij, toen zijne vrijmoedigheid dezen lastig begon te worden, vergiftigd.

Ariston, ontbijt, werd in de oudste tijden vroeg in den morgen, later tegen den middag gebruikt (= prandium). Wat men 's morgens vroeg nuttigde, heette akratisma of ariston proinon of ook wel alleen ariston.

Ariston, Ariston, 1) van Chius, stoicijnsch wijsgeer omstreeks 275. Ofschoon hij een leerling van Zeno was, liet hij een groot deel van diens leer als nutteloos vallen; volgens hem bestaat er niets tusschen deugd en ondeugd; de deugd is het hoogste goed, al het andere is den wijze onverschillig. Om hem van zijn naamgenoot te onderscheiden wordt hij soms Seiren of Phalanthos bijgenaamd.--2) van Ceus, volgde omstreeks 226 zijn leermeester Lyco als hoofd der peripatetische school op.

Aristonicus, Aristonikos, 1) atheensch redenaar, aanhanger van Demosthenes, werd in 322 door Antipatrus gedood.--2) tyran van Methymna op Lesbus, door Alexander den Gr. gevangen genomen en aan de verbitterde Methymnaeërs uitgeleverd, die hem den marteldood deden ondergaan.--3) natuurlijke zoon van Eumenes II van Pergamus. Toen zijn broeder Attalus III in 133 zijn rijk aan de Romeinen naliet, beproefde Aristonicus zich met de wapenen tegen de uitvoering van het testament te verzetten, doch hij werd ten slotte door M. Perperna overwonnen, in zegepraal door Rome gevoerd en vervolgens in de gevangenis gewurgd.--4) alexandrijnsch taalgeleerde, tijdgenoot van Cicero, die zich vooral met de studie van Homerus bezig hield.

Aristophanes, Aristophanes, 1) de grootste der atheensche blijspeldichters, waarschijnlijk geb. in 444, gest. in 385. Over zijn leven is weinig bekend. In zijne stukken, die zich bijna alle op politiek gebied bewegen, kiest hij zeer beslist partij tegen het rustelooze drijven van de oorlogspartij en tegen de demagogen en de door hen meer en meer ontaardende democratie. Misschien beoordeelt hij in zijne bewondering voor het voorgeslacht zijn eigen tijd wel wat al te streng, in ieder geval spreekt uit zijne werken oprechte vaderlandsliefde, en kan het niet verwonderen dat hij vurig verlangde naar rustiger en gelukkiger tijden dan die, waarin hij werkzaam was. Hij werkte voor het tooneel van 427-388, in dien tijd schreef hij 40 (v. a. 50) stukken, terwijl nog vier door sommigen aan hem, door anderen aan Archippus toegeschreven werden. Hiervan bestaan, behalve een groot aantal fragmenten, nog elf, de eenige overblijfsels der oude attische comedie die in hun geheel bewaard zijn. Het zijn de Acharnes, opgevoerd bij de Lenaia (Jan.-Febr.) van het jaar 425, Hippes (Lenaea 424), Nephelai, (oorspronkelijk opgevoerd bij de Dionysia van het jaar 423, toen het stuk gevallen is; over is slechts de omwerking), Sphekes (opgevoerd Lenaea 422), Eirene (Dionysia 421), Ornithes (Dionysia 414), Lysistrate (Lenaea 411), Thesmophoriazousai (Dionysia 411), Batrachoi (Lenaea 405), Ekklesiazousai (389, v. s. 392), Ploutos (388). Zij munten uit door taal en versbouw, vinding en geest, al moge de scherts ons dikwijls wat ruw toeschijnen.--2) van Byzantium, geb. omstreeks 260, studeerde te Alexandrië onder Zenodotus en Callimachus en werd een uitstekend taalgeleerde. Hij bezorgde uitgaven van Homerus en andere dichters en voerde het gebruik van accenten in. Hij stierf, 77 jaar oud, als bibliothecaris te Alexandrië.

Aristophon, Aristophon, 1) atheensch redenaar en staatsman na de verdrijving van de dertig.--2) ho Azenieus, invloedrijk redenaar en staatsman, bij wien Aeschines schrijver was.

Aristoteles, Aristoteles van Stagirus, zoon van den arts Nicomachus, geb. 384, ging in 367 naar Athene, waar hij tot den dood van Plato diens leerling bleef. Toen deze in 347 gestorven was, begaf hij zich naar zijn vriend Hermeas, vorst van Atarneus, en na diens val (345) naar Mytilene, van waar hij echter spoedig (342) naar Macedonië geroepen werd om de opvoeding van Alexander op zich te nemen. Deze toonde ook in later jaren steeds de hoogste achting voor zijn leermeester; Stagirus, dat door Philippus verwoest was, werd weder opgebouwd en ontving eene staatsregeling, die Ar. ontworpen had; ook bij zijne natuurkundige studiën ontving de wijsgeer veel steun van den koning, die hem met groote kosten het noodige materiaal verschafte. In 335 kwam hij weder te Athene en trad hij als leeraar der wijsbegeerte op; reeds bij zijn eerste verblijf aldaar had hij onderwijs gegeven in de welsprekendheid en had hij zich als een tegenstander van Isocrates doen kennen. Na den dood van Alex. werd hij door de antimacedonische partij van godslastering aangeklaagd en vluchtte hij naar Chalcis op Euboea, waar hij spoedig stierf (322).--Zijne voordrachten hield Arist. al wandelend in de schaduwrijke dreven (peripatoi, vandaar de peripatetische school) van het Lyceum voor eene talrijke schare toehoorders, en wel des morgens voor zijne eigenlijke leerlingen over meer bepaald wijsgeerige vraagpunten (akroamatika of esoterika), des avonds voor een groot publiek over populaire onderwerpen (exoterika). Zoo waren ook zijne buitengewoon talrijke werken (minstens 146 titels zijn bekend) deels populair, deels streng wetenschappelijk. Van de laatste soort zijn er genoeg bewaard gebleven om ons zijn veelomvattende kennis zoowel als zijne wetenschappelijke methode te doen bewonderen. Volgens Ar. is de wijsbegeerte het onderzoek naar de eerste oorzaken van het bestaande, en om met vrucht aan zulk een onderzoek te kunnen beginnen is eene uitgebreide kennis van het bestaande, berustend op nauwkeurige waarneming, noodig; tot het opbouwen van een wijsgeerig stelsel moeten dus alle wetenschappen te hulp geroepen worden, en inderdaad behandelen zijne werken zoowel logica, rhetorica, poëzie en kunst in het algemeen, als wiskunde, botanie, zoölogie, physiologie en psychologie, om eindelijk te komen tot ethica, staatswetenschap en, wat hij de eerste philosophie noemt, methaphysica. Al wat bestaat heeft stof en vorm, in de stof ligt de mogelijkheid, kiem, aanleg (potentieel bestaan, dynamis), van de individuen, maar eerst de vorm geeft hun individueel wezen (actueel bestaan, energeia, entelecheia), daarom staat vorm hooger dan stof, en is het volmaakste dat men zich kan voorstellen, d. i. de godheid, volstrekt onstoffelijke vorm of geest. Voor den mensch ligt het grootste geluk in verstandige en deugdzame werkzaamheid, die uit den aard der zaak door genot bekroond wordt.--Ar. heeft bij zijn leven slechts weinige wetenschappelijke werken uitgegeven; de meeste van zijne handschriften met zijn geheele bibliotheek liet hij aan zijn leerling Theophrastus na; eerst door Apellicon van Teos werden zij gevonden en uitgegeven. Een van zijne werken is eerst 1890 in Egypte gevonden. De leer van Ar. schijnt bij de Romeinen niet veel beoefenaars gevonden te hebben, in de middeleeuwen echter en nog tot het midden der 17e eeuw werd zij aan alle hoogescholen als de eenige ware onderwezen, totdat zij door nieuwere stelsels verdrongen werd.

Aristoxenus, Aristoxenos, van Tarente, een van de beste leerlingen van Aristoteles; van zijne werken is eene verhandeling over de muziek bewaard gebleven. Bovendien beschreef hij de levens van wijsgeeren, dichters enz.

Aristus, Aristos, 1) van Salamis op Cyprus, beschreef, in de eerste helft der 2de eeuw, de geschiedenis van Alexander d. G.--2) van Ascalon, omstreeks het midden der eerste eeuw hoofd der academie te Athene, vriend van Cicero en onderwijzer van M. Brutus.

Arius, omstreeks 260 n. C. in Cyrenaïca geboren, was onder de regeering van Constantijn den Grooten presbyter te Alexandrië en begon in die hoedanigheid een strijd, welke de christelijke kerk in twee vijandige kampen verdeelde. Volgens hem was Christus door den goddelijken wil uit niets geschapen en had alzoo niet van eeuwigheid af bestaan, en was dus niet gelijk aan (homoios), maar eenswezend (homoiousios) met God. Tegenover hem hielden Alexander, bisschop van Alexandrië, en diens opvolger Athanasius staande, dat Vader en Zoon gelijk waren en beiden van alle eeuwigheid af hadden bestaan. Op het concilie van Nicaea (325 n. C.) werd de leer van Arius veroordeeld en hijzelf uit de kerk gestooten. De keizer evenwel, gebelgd dat men een vonnis had geveld buiten hem om, en willende toonen, dat hij heer was ook over de kerk, verleende Arius gratie, riep hem later naar Constantinopel en verbande daarentegen Athanasius. Bij eene processie in Constantinopel kwam Arius plotseling op raadselachtige manier om het leven (336 n. C.). De strijd in de kerk tusschen het Arianisme en de orthodoxe leer werd omstreeks twee eeuwen lang met groote heftigheid gevoerd. De Gothen waren Arianen.

Ariusia, Ariousia chora, kuststreek aan den N. W. kant van het eiland Chius, waar de beste wijn groeide.

Armene, Armene, stad aan de kust van Paphlagonia, ten W. van Sinope.

Armenia, Armenia, uitgestrekt bergland ten Z. en Z. W. van de Caucasusgewesten, met de bronnen van den Euphraat en den Tigris, terwijl de Araxes en de Cyrus naar de Caspische zee stroomen. Ten W. van dit land, door den noordelijken Euphraat-arm er van gescheiden, lag Armenia minor, dat somtijds tot Cappadocia werd gerekend, ook een tijd lang met Pontus was vereenigd, en later ook als zelfstandige staat voorkomt. De bevolking van Armenia bestond uit twee standen, den armenischen adel, die van arischen stam was, en lijfeigene boeren, afstammelingen eener vroegere bevolking. Het land was een soort van feudaalstaat en omvatte een aantal gouwen en vorstendommen, als Chorzianene, Sophene, Arzanene, Moxoene, Gordyene, enz., die ten deele slechts middellijk onder den koning stonden. Buiten de vorstelijke residentiën, als Armauria, Artaxata, Tigranocerta, bevatte het land weinig belangrijke steden. Armenia maakte achtereenvolgens deel uit van het assyrische, het babylonische, het perzische, het macedonische, het syrische rijk, tot het, omstreeks twee eeuwen v. C. zich van dit laatste losscheurde. De eerste koning van Armenia maior was Artaxias, een gewezen veldheer van Antiochus III, terwijl een ander generaal, Zariadres, Klein-Armenië in bezit nam. De armenische koning Tigranes (97-56) breidde zijne heerschappij zelfs over Syria uit, dat hem echter door de Romeinen weder werd ontrukt. Sedert werd Armenia van Rome afhankelijk, doch werd nu en dan overheerd door de Parthen. Traianus maakte er, 114 na C., eene rom. provincie van, doch Hadrianus liet het weder los. Marcus Aurelius heroverde het in 163, doch slechts voor korten tijd. Wanneer in lateren tijd van eene provincie Armenia sprake is, moet hieronder Armenia minor worden verstaan.

Armilla, armband. Vooral bij de oostersche volken werden zij door personen van rang en aanzien gedragen, ook bij de Galliërs. In Griekenland waren de armillae hoofdzakelijk een sieraad voor vrouwen; bij de Romeinen komen zij ook voor als eereblijken voor krijgslieden. Men vond ze in verschillende fatsoenen, zoowel in spiraalvorm, als in den gewonen ringvorm. Als sieraad droeg men ze zoowel om den pols en den benedenarm (psellion, perikarpion), als om den bovenarm, en ook wel om de enkels (perisphyrion).

Armillum, eene soort van wijnkruik. Het spreekwoord anus ad armillum wordt gebezigd voor personen, die gedurig weder tot hunne oude gebreken of gewoonten vervallen.

Armilustrium, een jaarlijksch wapenfeest, op 19 Oct. door de Romeinen gevierd op het Armilustrum, aan den voet van den mons Aventinus.

Arminius, zoon van Segimer, opperhoofd der Cheruscers, had in de rom. legers gediend en was door Augustus met het burgerrecht en het ridderschap vereerd. Hij was het, die in 9 n. C. de drie legioenen van den rom. veldheer Quinctilius Varus in het Teutoburgerwoud in eene hinderlaag lokte en vernietigde. Door Germanicus werd hij bij herhaling verslagen (15 en 16 n. C.); zijne vrouw Thusnelda en zijn zoon Thumelicus vielen den Romeinen in handen en moesten den zegetocht des overwinnaars opluisteren. Thumelicus stierf later als zwaardvechter. Arminius zelf streed daarna met geluk tegen de Marcomannen onder Maroboduus, maar viel in 19 (v. a. in 21) door sluipmoord, door zijn eigen bloedverwanten beschuldigd dat hij naar de heerschappij stond.

Armorica = Aremorica.

Arna, Arna, stad in Umbria ten O. van Perusia.

Arnae, Arnai, stad op Chalcidice.

Arne, Arne, z. Aeolus.

Arne, Arne, 1) stad in Thessaliotis, later Cierium geheeten.--2) stad in Boeotia, in het Copaïsche meer verzonken.

Arnissa, Arnissa, stad in het macedonische landschap Eordaea.

Arnobius, te Sicca in Numidia geboren en hierom Afer bijgenaamd, was een geacht rhetor ten tijde van Diocletianus. Hij omhelsde het christendom en is bekend als schrijver van een werk in zeven boeken, adversus gentes (ethne = heidenen).

Arnon, Arnon, rivier in Palaestina ten O. van den Jordaan, die zich in de Doode zee stort.

Arnus, voornaamste rivier van Etruria, thans Arno.

Aromata, ta Aromata, kaap en stad aan de invaart der Arabische golf, de oostelijke punt van Afrika, thans kaap Guardafui.

Arpi, stad in Apulia, volgens de sage gesticht door Diomedes, toen deze op zijn terugtocht uit Troje door storm op de daunische kust was geworpen. De plaats zou toen eerst Argos hippion hebben geheeten, welke naam verbasterd zou zijn tot Argyripa en vervolgens tot Arpi. Het was eene bloeiende handelsstad tot in den tweeden punischen oorlog. Na den slag bij Cannae namelijk koos Arpi de zijde van Hannibal (216), doch werd drie jaar later door de Romeinen heroverd en met het verlies zijner vrijheid gestraft, waarna het spoedig in verval kwam.

Arpinum, volscische stad in Latium ten N. van Fregellae, sedert 303 met de civitas sine suffragio, in 188 ook met het stemrecht begiftigd, geboorteplaats van Marius en van Cicero, wiens vaderlijke woning en landhuis dáár lag, waar de bergbeek Fibrenus in den Liris stroomt.

Arretium, thans Arezzo, eene der oude 12 hoofdsteden van Etruria, aan den voet der Apennijnen gelegen, nabij de bronnen van den Tiberis en den Arnus, in eene vruchtbare streek. De stad bloeide door industrie en was beroemd door hare wapenfabrieken en vooral sedert de eerste eeuw v. Chr. door hare vazen, uit fijne, roode porceleinaarde gebakken en smaakvol met figuren en relief versierd. Deze vazen werden niet op de schijf gedraaid, maar in vormen geperst.

Arrha of arrhabo, arrabon, ook arra en arrabo geschreven, handgift, godspenning, bij het sluiten eener overeenkomst gegeven, ook wel bij contracten van koop en verkoop. Ook bruidsgeschenk bij eene verloving.

Arrhephoria, Arrephoria, feest dat jaarlijks in de maand Scirophorion (Juni-Juli) te Athene ter eere van Athena gevierd werd. Twee meisjes van 7 tot 11 jaar, die een jaar te voren door den Archon Basileus benoemd waren, en het geheele jaar op de Acropolis vertoefd hadden en aan den dienst van Athena Polias verbonden waren geweest (arrephoroi), brachten des nachts uit den tempel der godin een korf, waarvan de inhoud aan niemand bekend was, naar een naburige grot en brachten van daar een pak terug, waarvan men evenmin den inhoud wist. Daarop werden zij ontslagen.

Arrhidaeus, Arridaios, zoon van Philippus van Macedonië en de danseres Philine. Na den dood van Alexander d. G. werd hij onder den naam van Philippus tot koning uitgeroepen, hij was echter wegens zijne zwakke geestvermogens niet in staat zelf te regeeren, zoodat in werkelijkheid de veldheeren van Alexander alle macht in handen hielden. In 317 werd hij met zijne gemalin Eurydice door Olympias vermoord.

Arria, echtgenoote van Caecina Paetus. Toen deze onder de regeering van keizer Claudius wegens samenzwering ter dood was veroordeeld (42 n. C.), en aarzelde zichzelf om het leven te brengen, stiet Arria zich eerst den dolk in de borst en reikte hem toen haren echtgenoot toe met de woorden: "Paetus, het doet geen pijn." Hare dochter Arria was gehuwd met Paetus Thrasea, die op last van Nero moest sterven, omdat hij te onverholen zijn afkeer van diens daden te kennen gaf.

Arrianus (Flavius), Arrianos, van Nicomedië, stoicijnsch wijsgeer en geschiedschrijver, leerling van Epictetus. Door de gunst van keizer Hadrianus werd hij, hoewel Griek, senator en tusschen 121 en 124 n. C. consul suffectus, daarna (131-137 n. C.) stadhouder van Cappadocië, in welke betrekking hij met roem tegen de Alanen streed. Na 147 woonde hij te Athene, waar hij het burgerrecht, archontaat e. a. eerambten kreeg. Van zijne geschiedkundige, krijgskundige en wijsgeerige geschriften zijn eenige bewaard gebleven, daaronder zijn voornaamste werk, de geschiedenis der veldtochten van Alexander, Anabasis Alexandrou, in stijl en bewerking een navolging van Xenophon, dat reeds bij de ouden voor het beste boek over dit onderwerp gehouden werd. Zie ook Epictetus.

Arrius (Q.), een man van geringe afkomst, die het echter tot praetor had weten te brengen, is bekend door het prachtige feestmaal, dat hij bij zijns vaders uitvaart gaf, in 59, om daardoor stemmen te werven voor zijne verkiezing tot consul. Hiervan onderscheiden is een andere Q. Arrius, die als rom. veldheer in den zwaardvechtersoorlog voorkomt, in 72, toen hij Crixus versloeg, en die eigenlijk Verres als pro-praetor van Sicilië had moeten opvolgen, hetgeen door de moeilijkheden van den zwaardvechtersoorlog verhinderd werd.

Arrogatio heette de aanneming tot zoon van iemand, die sui iuris was. Dit was voor hem, die zich liet arrogeeren, eene capitis deminutio (z. a.). Hij verloor den status familiae; er ging dus eene familia verloren. Uit dien hoofde werd hiertoe telkens eene wet vereischt, die door de curiën moest worden goedgekeurd. Daar elke familia hare sacra had, zoo moest aan de stemming eene verklaring der pontifices voorafgaan, dat uit het oogpunt van godsdienst geen bezwaar tegen de arrogatio was. Hoewel nu de aangenomen zoon den geslachts- en den familienaam van zijn adoptiefvader aannam, zoo werden toch mannen, die reeds op rijperen leeftijd zich tot zoon lieten aannemen, dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Zie ook adoptio.

Arruns = Aruns.

Arruntii, plebejisch geslacht.

Arsaces, Arsakes. In het midden der derde eeuw kwam zekere Arsaces, volgens sommigen van scythische, volgens anderen van perzische afkomst, in opstand tegen den syrischen koning Antiochus II. Het gelukte hem, rondom de stad Hecatompylos een klein rijk te stichten, dat onder zijne opvolgers door veroveringen zich uitbreidde tot het later zoo machtige parthische rijk. De door Arsaces I gestichte dynastie wordt die der Arsaciden genoemd. De eigenlijke grondlegger van de macht der Parthen was de broeder en opvolger van Arsaces I, Arsaces II Tiridates (248-211), die na eene schitterende overwinning op de Syriërs (238) zijne regeering over Hyrcania, Aria, Drangiana en Sogdiana uitbreidde. Na hem regeerden nog acht of negen en twintig koningen, die allen, behalve hun anderen naam, ook den naam of titel Arsaces hebben gevoerd. De laatste, Artabanus IV, kwam in 227 na C. om, toen, in plaats van het parthische, een nieuw-perzisch rijk verrees, onder de dynastie der Sassaniden.

Arsacia, Arsakia, stad in Media, door Arsaces, den stichter van het parthische rijk, gebouwd, hetzij op de plaats, waar de door eene aardbeving verwoeste stad Rhagae of Europus had gestaan, hetzij op weinige uren afstands van daar.

Arsamosata, sterke vesting in het armenische landschap Sophene.

Arsanias, naam van den zuidelijksten der beide rivierarmen, die te zamen den Euphraat vormen.

Arses, Arses, jongste zoon van Artaxerxes Ochus, werd door Bagoas na het vergiftigen van zijn vader op den troon gezet (338), doch werd op zijne beurt na eene regeering van drie jaar door denzelfden Bagoas vermoord.

Arsia, grensrivier tusschen Histria en Liburnia, sedert Augustus, die Histria bij Italië gevoegd heeft, grensrivier tusschen Italië en Liburnia.

Arsia silva, woudstreek op de grenzen van Etruria en Latium, waar L. Junius Brutus in den slag tegen de Tarquiniussen sneuvelde (509).

Arsinoe, Arsinoe, 1) voedster van Orestes, die hem uit de handen van Clytaemnestra redde.--2) z. Anaxarete.--3) z. Alphesiboea.--4) z. Asclepius.--5) z. Barsine.--6) moeder van Ptolemaeus I.--7) dochter van Ptolemaeus I en Berenice, huwde met Lysimachus (z. a.). Na diens dood leefde zij eerst te Ephesus, daarna te Cassandrea in Macedonië, van waar zij door haar stiefbroeder Ptolemaeus Ceraunus verjaagd werd. Later (tusschen 278 en 274), nadat zij Arsinoe no. 8 had laten verbannen, huwde zij met haar broeder Ptolemaeus II, die haar naam aan vele steden en aan een district in Aegypte gaf en na haar dood groote gedenkteekenen te harer eere liet oprichten. Zij was een buitengewoon heerschzuchtige vrouw.--8) dochter van Lysimachus, gehuwd met Ptolemaeus II, smeedde een aanslag tegen hem uit haat tegen zijne zuster Arsinoë, en werd daarom naar Coptus in Boven-Aegypte verbannen.--9) ook, maar ten onrechte, Eurydice of Cleopatra genoemd, dochter van Ptolemaeus III, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus IV. Zij nam deel aan den slag bij Raphia (217). Later (tusschen 210 en 205) liet haar echtgenoot haar om onbekende redenen vermoorden.--10) dochter van Ptolemaeus XI Auletes, gedurende de gevangenschap van haar broeder koningin van Aegypte, werd later door Caesar in triomf naar Rome gevoerd; zij werd daarna vrijgelaten, maar op aanstoken van Cleopatra liet Antonius haar te Ephesus (41) vermoorden.--11) echtgenoote van Magas, verschrijving voor Apama (z. a. no. 2).

Arsinoe, Arsinoe, naam van verschillende steden, waaronder ééne op Cyprus (z. Marium), ééne in Cilicia, ééne in Cyrenaica, die vroeger Tauchira heette, en twee in Aegyptus. Van deze laatste lag de eene, te voren Crocodilopolis geheeten, aan het meer Moeris, ten W. van den Nijl; de andere lag aan den noordwestelijken inham der Arabische golf.

Artabanus, Artabanos, broeder van den perzischen koning Darius Hystaspis, en dus oom van Xerxes, ontried vruchteloos aan beide vorsten den tocht tegen Griekenland.--Een andere Artabanus, een Hyrcaniër, bevelhebber van Xerxes' lijfwacht, wilde het koningshuis uitroeien en bracht in 465 den koning en diens oudsten zoon om het leven; de tweede zoon evenwel, Artaxerxes I, voorkwam den moordenaar, die nu zelf ter dood werd gebracht.--Onder de parthische Arsaciden vindt men een viertal koningen, die den naam Artabanus dragen.

Artabazanes, Artabazanes, oudste zoon van Darius Hystaspis, die voor zijn halfbroeder Xerxes van zijne aanspraken op de troonopvolging moest afzien, omdat hij geboren was voordat Darius aan de regeering kwam. Hij sneuvelde in den slag bij Salamis.

Artabazes, Artabazes = Artavasdes.

Artabazus, Artabazos, 1) perzisch veldheer, die Xerxes naar Griekenland volgde, Olynthus veroverde en na den slag bij Plataeae onder de grootste moeilijkheden met 40000 man over land naar Byzantium terugtrok. Hij diende als tusschenpersoon bij de onderhandelingen tusschen Xerxes en Pausanias.--2) veldheer onder Artaxerxes II en satraap van Lydië en Phrygië onder Artaxerxes III. Tegen laatstgenoemde kwam hij in 356 in opstand, maar hoewel hij gevangen genomen werd, schonk de koning hem genade. De buitengewone getrouwheid, waarmede hij Darius Codomannus diende, bewoog Alexander, hem satraap van Bactrië te maken, welke waardigheid hij om zijn hoogen leeftijd echter slechts kort behield.

Artace, Artake, stad en haven ten W. van Cyzicus. Ook een eilandje daar vlak bij.

Artaphernes of Artaphrenes, Artaphernes, -phrenes, 1) broeder van Darius Hystaspis, satraap van Lydië, z. Aristagoras.--2) zoon van den vorigen, een van de aanvoerders der Perzen in den slag bij Marathon, en van de lydische en mysische troepen in den slag bij Salamis.

Artaunum, vesting, door Drusus aangelegd en door Germanicus versterkt, vermoedelijk ergens in het Taunusgebergte.

Artavasdes of Artabazes, Artabazes, Artabasdes, 1) koning van Armenia, zoon van Tigranes I, koos in de oorlogen der Romeinen tegen de Parthen tijdens Crassus en later tijdens Antonius (36) de zijde der Romeinen, doch verliet hen weder. Antonius maakte zich van zijn persoon meester en liet hem geboeid te Alexandrië voor zijn triumfwagen uitgaan. Na den slag bij Actium werd hij op last van Cleopatra omgebracht (30).--2) zoon van no. 1, gewoonlijk Artaxes geheeten, moest voor de Romeinen vluchten en week naar de Parthen, die hem op den troon herstelden. Later riepen de Armeniërs zelven de hulp der Romeinen tegen hem in; doch voordat nog het rom. leger het armenische gebied had bereikt, was de koning reeds door samenzweerders vermoord (20).--3) koning van Media Atropatene, was een bondgenoot van Antonius tegen zijn armenischen naamgenoot, doch werd later zelf door de verbonden Parthen en Armeniërs uit zijn eigen rijk verjaagd.

Artaxata, ta Artaxata, sterke vesting en hoofdstad van Armenia, door den eersten armenischen koning Artaxias aan den Araxes gebouwd (189) volgens een ontwerp van Hannibal, die een poos bij hem verblijf hield. De stad werd in 58 n. C. door de Romeinen onder Corbulo veroverd en verbrand, maar kort daarop door koning Tiridates onder den naam Neronia herbouwd. Ook in later tijd heet de stad echter gewoonlijk Artaxata.

Artaxerxes, Artaxerxes, naam van perzische koningen: 1) Art. I Makrocheir (Longimanus), zoon van Xerxes (z. Artabanus), reg. 465-425, gedurende welken tijd hij met vele opstanden te kampen had. Vooral gevaarlijk en moeilijk te onderdrukken was de opstand der Aegyptenaren onder Inaros, die door de Atheners met schepen ondersteund werd. Omtrent den Cimonischen vrede z. Cimon a. h. e.--2) Art. II Mnemon, zoon en opvolger van Darius II, reg. 404-358. Reeds dadelijk bij het begin zijner regeering trachtte zijn jongere broeder Cyrus, satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië hem van den troon te stooten, hij sneuvelde echter in den slag bij Cunaxa (401). In 400 zonden de Spartanen, die door de aziatische Grieken te hulp geroepen waren, een leger naar Azië, dat, vooral onder Agesilaus, aanmerkelijke voordeelen behaalde op de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus, zoodat Agesilaus reeds hoop voedde op de verovering van het geheele perzische rijk, welks inwendige zwakheid in dezen oorlog duidelijk gebleken was. Het gelukte Art. echter in Griekenland zelf een oorlog tegen de Spartanen te verwekken, waardoor zij genoodzaakt waren Agesilaus terug te roepen. Ook tegen Aegypte, dat onder Nectanebis weder opgestaan was, tegen Euagoras van Cyprus en tegen vele afvallige satrapen moest Art. langdurige en moeilijke oorlogen voeren. Even ongelukkig was hij in zijn familieleven. Bij de vele hofintriges, die dikwijls een bloedig einde hadden, kwam nog het slechte gedrag zijner zonen, waarvan de oudste, Darius, tot troonopvolger bestemd, een zamenzwering smeedde om zijn vader te laten vermoorden, en daarom op diens bevel ter dood gebracht werd.--3) Art. III Ochos, zoon van Art. II, reg. 358-338, een wreed tiran, die bijna zijne geheele familie liet vermoorden. Met de hulp van grieksche huurtroepen onderwierp hij Aegypte en Phoenicië en bedwong hij den opstand van Artabazus. Hij regeerde geheel onder den invloed van zijn gunsteling, den Aegyptenaar Bagoas, die hem eindelijk vergiftigde.--4) Artaxerxes I, stichter van het nieuw-perzische rijk 227 n. C. (v. s. 224 n. C.) en van de dynastie der Sassaniden. Hij regeerde in Perzië sedert 211, maar versloeg den laatsten koning der Parthen, Artabanus, in 227, en noemde zich sedert dien tijd "koning der koningen van Iran." Hij stierf in 241 of 242 en werd opgevolgd door zijn zoon Sapores I. In 223 voerde hij oorlog met den romeinschen keizer Severus Alexander. Zie verder Sassanidae.

Artaxes = Artavasdes no. 2.

Artaxias, Artaxias, generaal van den syrischen koning Antiochus III, en stadhouder van Armenia, maakte zich omstreeks 188 onafhankelijk en stichtte het armenische rijk. Antiochus IV Epiphanes versloeg hem wel en nam hem zelfs gevangen, doch kon Armenia niet heroveren. Ook de volgende koningen van Armenia maior komen, behalve onder hun eigen naam, ook onder den naam of titel Artaxias voor.

Artemidorus, Artemidoros, 1) alexandrijnsch taalgeleerde uit de 1ste eeuw v. C., leerling van Aristophanes. Hij schreef over het dorisch dialect en gaf de bucolici uit.--2) van Ephesus, beschreef omstreeks 100 zijne reizen in een geographisch werk, dat door latere schrijvers veel gebruikt werd en waarvan nog een uittreksel bestaat.--3) van Ephesus, leefde te Rome onder Hadrianus en schreef een Droomboek (Oneirokritika), dat zoowel over de mythologie als over de zeden van zijn tijd belangrijke bizonderheden bevat.

Artemis, Artemis, Diana, dochter van Zeus en Leto, tweelingzuster van Apollo, met wien zij vele punten van overeenkomst heeft. Evenals hij, brengt ook zij met hare pijlen een plotselingen dood, vooral aan vrouwen, en straft zij hen, die de wetten en het recht overtreden, maar ook eveneens is zij eene ongelukafwerende, heilaanbrengende godin (Soteira). Vooral vrouwen neemt zij onder hare bescherming, geeft schoonheid en gezondheid aan jonge meisjes en staat de vrouwen bij in barensnood (Eileithuia); ook doet zij jonge kinderen opgroeien (Kourotrophos), zooals zij hare zorgen uitstrekt over alles wat in de natuur jong en zwak is. Hier en daar komt zij voor als verzoenende en orakelgevende godin, of als godin der schoone kunsten; zelve vermaakt zij zich met hare nimfen gaarne met den dans, en ook op den Olympus voert zij den reidans aan. Bijzonder treedt zij op den voorgrond als godin der jacht (Agrotera), zij begunstigt de jagers en geeft hun goede vangst, en zelve maakt zij van hare nimfen vergezeld, op het wild jacht, vooral in de wouden en op de bergen van Arcadië en Lacedaemon. Voor liefde is zij ontoegankelijk, zij is en blijft de maagdelijke godin (Earthenos), die alle aanslagen op hare eerbaarheid streng bestraft en ook bij sterfelijke vrouwen de kuischheid beschermt. Oorspronkelijk was Artemis eene maangodin en ook later wordt zij dikwijls voor dezelfde gehouden als Hecate en Bendis. In de oudste tijden werden haar menschenoffers gebracht, die later wel afgeschaft werden, maar waarvan op enkele plaatsen altijd sporen overbleven. Te Sparta bijv. werden jaarlijks voor het altaar van Artemis Orthia knapen gegeeseld, tot hun bloed op het altaar spatte. De Grieken zelf beweerden dat de Artemis, die zulke bloedige offers eischte, de taurische was (Tauropolos), in wier dienst Iphigenia in Tauris priesteres geweest was en wier beeld en eeredienst Orestes vandaar naar Griekenland had medegebracht. De ephesische Artemis was eene aziatische godin, een verpersoonlijking van de voortbrengende en voedende kracht der natuur. De dienst van Artemis was, evenals die van Apollo, door geheel Griekenland verbreid. De hond, het hert, het zwijn, de beer en de kwartel zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk voorgesteld als eene slanke en vlugge jageres, met hoog opgeschorte kleederen, hooge schoenen, pijl en boog; in hare tempels stonden echter ook beelden met lange kleederen, die behalve den boog nog een fakkel droegen. Bij de beelden der ephesische Artemis daarentegen was het geheele lichaam ingewikkeld als eene mummie en geheel met borsten bezet, zinnebeeld van de voedende kracht der godin.

Artemisia, Artemisia, feesten van Artemis.

Artemisia, Artemisia, 1) dochter van Lygdamis, koningin van Halicarnassus, nam met vijf schepen deel aan den tocht van Xerxes tegen Griekenland, en toonde in den slag bij Salamis veel moed en beleid.--2) dochter van Hecatomnus, zuster en gemalin van Mausolus, wiens nagedachtenis zij eerde door de oprichting van een grafmonument, het Mausoleum, dat onder de zeven wonderwerken der oudheid gerekend werd. Zij volgde hem in de regeering over Carië op en stierf in 351.

Artemisium, Artemision, kaap en kuststreek in het Noorden van het eiland Euboea, bekend door den zeeslag tusschen Perzen en Grieken in 480.

Artolaganum, artolaganon, broodkoek, een gebak, dat bereid werd uit meel, wijn, melk, olie en peper, en als lekkernij geprezen wordt.

Aruns, Arrouns, etruscisch woord = jongere zoon, bij de Romeinen eenigszins tot eigennaam geworden. Aldus worden genoemd: een broeder van Tarquinius Priscus, een broeder en een zoon van Tarquinius Superbus, een zoon van Porsenna.

Arvales fratres, een romeinsch priestercollegie van twaalf priesters, wier ambt levenslang was en zelfs door gevangenis of verbanning niet kon verloren worden. Aan hun hoofd stond een magister collegii, die voor den tijd van een jaar uit hun midden werd gekozen. In Mei hielden zij ter eere der Dea Dia (waarschijnlijk Ceres of Tellus), een plechtig offerfeest, de Ambarvalia (z. a.) waarbij een oud lied in saturnische versmaat werd gezongen, en dat met een kostbaren maaltijd werd besloten. Daarbij had een plechtige omgang plaats. Hunne taak was, zooals Varro zegt: sacra facere propterea ut fruges ferant arva. Volgens de sage zou Romulus' pleegmoeder, Acca Larentia, twaalf zonen hebben gehad, en zou Romulus, na den dood van een hunner, diens plaats hebben ingenomen en de broederschap gesticht hebben. In het laatst van de republiek hield het college op te bestaan, maar nadat de dienst een tijdlang door de pontifices was waargenomen, werd het door Augustus in 21 hersteld. Sinds dien tijd bepaalde de plechtigheid zich tot een heilig terrein om een tempeltje van Dea Dia, 5 mijlen ten Z. van Rome aan de via Campana gelegen. Hier zijn in 1570 n. C. en later de verslagen van 96 jaarfeesten op marmer gegrift gevonden, de z.g. acta fratrum arvalium. De fratres droegen bij hun feest kransen van korenaren.

Arverni, welke naam nog voortleeft in Auvergne, waren een der hoofdvolken van Gallia. Ze woonden aan den Elaver (Allier) en in de omliggende bergen, en beheerschten ten tijde van Caesar geheel westelijk Gallia tusschen Liger en Garumna. Hunne hoofdstad was Nemossus, later in Augustonemetum herdoopt (z. a.). Het sterke Gergovia, door Caesar in den strijd tegen Vercingetorix tevergeefs belegerd, lag ook in hun gebied. Vercingetorix zelf was ook een Arverner. Bij de reorganisatie onder Augustus werd hun land bij Aquitania (z. a.) gevoegd.

Arx, akropolis. In ouden tijd had elke aanzienlijke stad eene arx of acropolis, binnen de muren op eene hoogte gelegen, ten einde bij eene overrompeling den inwoners een toevluchtsoord te verschaffen. Over de meeste dezer akropoleis valt niets bizonders te zeggen. Waar iets bizonders er van te vermelden is, zooals bij die van Athene en Rome, zie men de plaatsbeschrijving dezer steden.

Arybas of Arybbas, Arybas, vorst der Molossiërs, oom van Olympias, werd in 342 door zijn neef Alexander van Epirus met de hulp van Philippus verjaagd. De Atheners beloofden hem hulp, maar konden die niet verschaffen. Hij heeft lang in Athene geleefd en stierf in ballingschap. V. a. is hij later naar Epirus teruggekeerd.

Arzanene, Arzanene, landschap van Armenia maior, ten zuiden door den Tigris begrensd.

As, afgeleid van heis, rom. munt, de waarde van een rom. pond (= ongeveer 1/3 kilo) koper voorstellende. Oorspronkelijk gebruikte men vee (pecus) als ruilmiddel. Later kwam het koper in gebruik, eerst in den vorm van gewichten. Een pond koper (pondo aeris) noemde men as (één); dit was verdeeld in 12 unciae. Zoo kon het koper, vooral in kleinere bedragen, het daarvoor minder geschikte vee als ruilmiddel vervangen. Men noemde het daarom pecunia. De overlevering wil, dat men reeds in den koningstijd een in een vorm gegoten hoeveelheid koper van staatswege met een teeken kon laten voorzien, als het gewicht juist was (aes signatum), zoodat het dan niet meer telkens behoefde te worden nagewogen. In 430 bepaalde de lex Julia Papiria (z. a.), dat bij betalingen aan den staat een schaap door tien as (d. i. 10 pond koper) en een koe door 100 as zou worden vervangen; vroeger hing de waardebepaling (aestimatio) van het goedvinden der ambtenaren af. Omstreeks 375 werd de eerste munt te Rome gemaakt, bestaande in groote koperen schijven, nagenoeg een Romeinsch pond zwaar, as libralis geheeten. Ze vertoonden op de eene zijde den voorsteven van een schip, op de andere den kop eener godheid (Janus). De halve as was meest met een Jupiterskop en aan de keerzijde weder met een voorsteven gestempeld, en droeg de letter S (semissis) tot onderscheidingsteeken, terwijl op den geheelen as het merk I was aangebracht. De overige onderdeelen van den as droegen verschillende stempels en zooveel ronde knopjes, als zij unciae waard waren. Het waren de triens = 4 unciae, de quadrans of teruncius = 3 unciae, de sextans = 2 unciae en de uncia. Omstreeks 268 begon men zilveren munten te slaan en wel in drie waarden, den denarius (10 as), den quinarius (5 as), den sestertius (2 1/2 as) z. a.; tot voorbeeld diende de Attische drachme, waarmede de denarius altijd is gelijk gesteld. Tevens muntte men een nieuwen as, die slechts een derde (triens) woog van den oude, den z.g. as trientalis. In 250 werd de as sextantarius ingevoerd, die een zesde (sextans) van het oude gewicht bedroeg = 2 unciae, maar den as trientalis moest vervangen, zoodat er ook van dezen as tien in een denarius gingen. De as werd dus sinds dezen tijd teekenmunt. In 217 werd het gewicht van den as op 1 ons gebracht (as uncialis) en gelijk gesteld met 1/16 van een denarius en 1/4 van een sestertius. Inmiddels werden de oude stukken (aes grave), zoolang ze bestonden, voor een hoogeren prijs verhandeld. Waar in oude wetten, dus ook in boeten, het woord as voorkwam, werd die niet gelijkgesteld met den as uncialis, maar als een sestertius (4 as) berekend. Later werd de as tot op een half ons verkleind, maar de waarde bleef dezelfde = 1/4 sestertius. Hij diende voortaan als pasmunt.--Hoewel de as de oorspronkelijke munteenheid was, werden geldsommen berekend met sestertii. De sestertius (= semistertius, derdehalf) was eerst, overeenkomstig zijn naam, gelijk aan 2 1/2 as, doch werd later (in 217) aan 4 as gelijkgesteld. Z. sestertius.

Asander, Asandros, zoon van Philotas, veldheer van Alexander d. G. Hij werd in 334 stadhouder van Lydië en voltooide de verovering van Halicarnassus door een grooten slag, waarin hij met Ptolemaeus aan Orontobates de nederlaag toebracht.--2) zoon van Agathon. Na den dood van Alex. werd hij stadhouder van Carië, en daar Perdiccas hem die provincie wilde afnemen, ging hij tot de partij van Antigonus over (321). Later sloot hij zich weder bij de vijanden van Antigonus aan, maar moest zich in 313 aan hem onderwerpen.--3) veldheer van Pharnaces II, koning van Bosporus, dien hij bij de nadering van Caesar liet dooden om in zijne plaats te regeeren (47). Caesar liet hem afzetten, doch Augustus gaf hem later de regeering terug.

Asarotum, asaroton, vloer van mozaiekwerk voor een eetzaal, zóó ingelegd, dat het den schijn had, alsof er allerlei overblijfselen van een maaltijd op lagen en hij niet was aangeveegd (sairo). Wanneer dan een der dischgenooten werkelijk iets morste, viel dit niet in het oog.

Asbestus, asbestos (onbrandbaar), asbest of amiant, eene delfstof, waarvan de vezels zich als vlas laten verwerken en waarvan men in de oudheid het asbestinum linum vervaardigde, om er de dooden in te wikkelen, alvorens zij op den brandstapel werden gelegd, opdat hunne asch niet zou verontreinigd worden door die van het hout. Daar zulke lijkwaden zeer kostbaar waren, konden slechts de gegoeden zich deze weelde veroorloven.

Asbolus, Asbolos, een Centaur, die op de bruiloft van Pirithoüs met de Lapithen vocht en later door Heracles gekruisigd werd.

Ascalaphus, Askalaphos, 1) zoon van Ares en Astyoche, koning der Orchomeniërs, nam deel aan den Argonautentocht en sneuvelde voor Troje. V. a. werd hij na de verovering van Troje koning van het eiland Aretias in de Zwarte zee.--2) zoon van Acheron en Gorgyra of Orphne. Toen Persephone uit de onderwereld zou vrijgelaten worden, indien zij er nog niets genuttigd had, verried hij dat zij van een granaatappel geproefd had. Tot straf begroef Demeter hem onder een zwaren steen, en toen Heracles hem later daarvan bevrijdde, veranderde zij hem in een nachtuil.

Ascalon, Askalon, voorname vesting der Philistijnen, later een belangrijke hellenistische stad, op de kust van Palaestina.

Ascania, Askania, 1) meer en omgeving in Bithynia, bij de stad Nicaea.--2) zoutmeer in zuidelijk Phrygia tusschen Colossae en Celaenae.

Ascanius, Askanios, zoon van Aeneas en Creusa, door Vergilius en anderen ook Ilus of Iulus genoemd, ten einde de afstamming van Augustus en de gens Iulia uit Aeneas aan te wijzen, werd door zijn vader uit Trojes ondergang gered en kwam met hem in Latium aan, waar hij Alba Longa stichtte.

Asciburgium, stad aan den linkeroever van den Rijn, in het gebied der Gugerni in Belgica. Het ligt tusschen Vetera en Gelduba.

Asciburgius mons, thans het Reuzengebergte.

Asclepiadae, Asklepiadai, priesters en, naar men meende, afstammelingen van Asclepius. Op Cos, te Cnidus e.e. vormden zij vereenigingen voor de bestudeering en uitoefening der geneeskunde. Te Rome was het de algemeene naam voor geneeskundigen.

Asclepiades, Asklepiades, 1) naam van verscheiden geneeskundigen. Beroemd is de geleerde Ascl. van Prusa in Bithynië, die omstreeks 50 te Rome zijne kunst uitoefende.--2) van Myrlea, beroemd grieksch rhetor te Alexandria, en later te Rome (150-50). Hij heeft een theorie der geschiedbeschrijving samengesteld, waarvan de grondslag is een soortgelijke indeeling in drieën, als men bij de rhetorica vindt, en b.v. door Cicero is uitgewerkt en toegepast. Ook in den keizertijd blijft dit systeem in gebruik.

Asclepiodorus, Asklepiodoros, beroemd schilder, tijdgenoot van Apelles.

Asclepius, Asklepios, Aesculapius, zoon van Apollo en Coronis, dochter van Phlegyas, of Arsinoë, dochter van Leucippus, geb. in Thessalië, te Epidaurus of in Messenië. In de oudste gedichten wordt hij voorgesteld als een heros, die, door Apollo aan Chiron toevertrouwd, door dezen opgevoed werd en van hem o. a. de geneeskunde leerde, waarin hij het zoover bracht dat hij niet alleen vele zieken genas, maar zelfs dooden deed herleven. Toen echter werd hij door Zeus, die niet wilde dat de menschen geheel van de vrees voor den dood bevrijd zouden worden, met den bliksem getroffen en, op verzoek van Apollo, als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst. Later werd Ascl. algemeen vereerd als de genezende god, eene hoedanigheid die eigenlijk tot het wezen van Apollo behoort, en had hij heiligdommen in verscheiden plaatsen, vooral zulke die wegens schoone en gezonde ligging, bronnen e. dgl. veel bezocht werden door hen die genezing van ziekten zochten. Daartoe legde men zich, na het vervullen van nauwkeurig omschreven plechtigheden, in of bij den tempel neer, waarop men in den slaap de gewenschte voorschriften van den god ontving, die echter meestal door de priesters verduidelijkt moesten worden. Vooral beroemd was zijn tempel te Epidaurus, rijk begiftigd met de geschenken van herstelde zieken, waar om de vijf jaar te zijner eer een groot feest, Asklepieia, gevierd werd; later was Pergamum de hoofdzetel van zijn eeredienst. De haan, de hond en de geit waren hem gewijd, maar bovenal de slang, waarmede hij steeds afgebeeld wordt en onder welker gedaante de god zelf zich soms vertoont. Z. Aesculapius.

Asconius Pedianus (Q.), geboren te Patavium weinige jaren v. C., overleden 88 na C., v. a. 76 n. C., schrijver van belangrijke aanteekeningen op Cicero's redevoeringen. In 1416 heeft men te St. Gallen een (thans verloren) handschrift gevonden met een gedeelte zijner aanteekeningen, waaronder echter ook van jonger hand.

Ascra, Askra, stadje in Boeotia, aan den voet van den Helicon, geboorte- of verblijfplaats van Hesiodus.

Asculum, naam van twee steden in Italia. 1) Asculum (Ausculum) Apulum, op de grenzen van Apulia en Samnium, waar de Romeinen in 279 door Pyrrhus, koning van Epirus, werden verslagen. (Zie Decii no. 3). Horatius duidt het plaatsje aan door de woorden: oppidulum quod versu dicere non est.--2) Asculum Picenum, hoofdstad van Picenum en romeinsch municipium, in den bondgenootenoorlog verwoest, doch weder opgebouwd.

Asebeias graphe, aanklacht wegens beleediging en bespotting van door den staat erkende goden of wegens heiligschennis. Zulke zaken werden door den archon basileus voor den Areopagus, soms voor de Heliaea gebracht. De straf was niet bij de wet bepaald.

Asia, Asia, Oceanide, moeder van Prometheus.

Asia, Asia. Deze naam heeft verschillende beteekenissen. Vooreerst verstaat men er het werelddeel onder, dat van Europa door den Tanaïs (Don), de Palus Maeotis (zee van Azow) en verder door zeeën was gescheiden, en slechts voor een klein gedeelte bekend was. Als scheiding tusschen de werelddeelen Azië en Afrika werd eerst het Nijldal, later de Arabische golf beschouwd. De ouden spraken van Beneden- en Boven-Azië, en namen dan als scheiding den stroomloop van den Halys of wel het Taurusgebergte met den Antitaurus aan (ta kato en ta ano Asias, Asia he entos en ektos tou Halyos of tou Taurou). Het oudst bekende gedeelte omvatte niet veel meer dan het oude perzische rijk; de tochten van Alexander den Grooten brachten eenige meerdere kennis omtrent India aan. In de vierde eeuw na C. sprak men van Asia minor en maior. Asia minor, thans Anatolië of Natolië, omvatte het groote vooruitspringende schiereiland, dat ten N. door den Pontus Euxinus, ten W. door de Aegaeïsche zee, ten Z. door de Middellandsche zee tot aan de golf van Issus werd omspoeld. Al wat daarachter lag, was Asia maior.

De romeinsche provincie Asia was ontstaan door het testament van den laatsten koning van Pergamus, Attalus III, die in 133 zijn rijk en zijne schatten aan het romeinsche volk naliet. Zij omvatte in het eerst de volgende landschappen: Mysia met Aeolis, Lydia met Ionia, Caria met Doris (129). Eenige jaren later (116) werd Phrygia er aan toegevoegd, dat wel tot Pergamus had behoord, doch eerst aan Mithradates V van Pontus was afgestaan. Onder keizer Vespasianus werden ook Rhodus en Lycia ingelijfd. Asia werd eerst door propraetors bestuurd, doch werd later eene proconsulaire provincie. Ephesus was de hoofdstad.

Tijdens keizer Traianus omvatte het romeinsche gebied in Azië de volgende gewesten: 1 de bovengenoemde provincie Asia, 2 Bithynia, 3 Paphlagonia, 4 Galatia, 5 Lycaonia, 6 Pisidia, 7 Lycia, 8 Pamphylia, 9 Cilicia, 10 Cyprus, 11 Cappadocia, 12 Pontus, 13 Armenia minor, 14 Armenia, 15 Mesopotamia (noordwestelijk gedeelte), 16 Commagene, 17 Syria met inbegrip van Phoenice en Judaea, 18 Arabia Petraea, die echter niet alle afzonderlijke provinciën vormden. Bij de latere indeeling van het rom. rijk in 116 provinciën werd de oude provincie Asia in zeven deelen gesplitst, waarvan Asia proconsularis de westkust bevatte van de golf van Adramyttium af tot aan den Maeander.

Asia prata, Asios leimon, ook wel Asia palus geheeten, de vruchtbare vlakte in Lydia, die door den Cayster doorsneden wordt, ten Zuiden van den berg Tmolus.

Asinarus, Asinaros, rivier op Sicilia, een eind bezuiden Syracusae, bij welke de Atheners in 413 door de Syracusanen en den Spartaan Gylippus verslagen werden en Nicias zich moest overgeven.

Asine, Asine, 1) stad aan de Argolische golf.--2) stad aan de Messenische golf, gesticht door de dryopische bewoners van no. 1, die uit hunne woonplaats waren verdreven.--3) kustplaats in Laconia, bij Gytheum.

Asinii, 1) C. Asinius Pollio, uit Teate Marrucinorum afkomstig, geboren 75 v. en gestorven 5 n. C., was als geschiedschrijver, als treurspeldichter, als redenaar en als criticus een der meest gevierde mannen van zijn tijd. Het meest bekende en belangrijkste was zijn werk over de burgeroorlogen, waarin hij nu en dan belangrijk schijnt afgeweken te zijn van de officieele lezing. In den burgeroorlog tusschen Pompeius en Caesar had hij de partij van den laatste omhelsd, en bij Pharsalus, in Africa en Hispania gestreden. Na Caesars dood behoorde hij tot de republikeinsche partij en sloot hij zich noch rechtstreeks bij Antonius, noch bij Octavianus aan, maar poogde door zijne bemiddeling botsingen te voorkomen. In Gallia Cisalpina belast met de landverdeeling onder de veteranen van Octavianus, bezorgde hij aan zijn vriend Vergilius tijdelijk diens landgoed terug. In 39 behaalde hij als proconsul eene overwinning op de Parthini in Illyria, doch onttrok zich na zijn zegetocht aan het staatkundig leven, hoewel hij als lid van den senaat aan diens werkzaamheden ijverig deel bleef nemen. Pollio stichtte te Rome de eerste openbare bibliotheek, en evenals Maecenas trad hij op als beschermer van jeugdige talenten. Van zijne vele werken is niets tot ons gekomen.--2) C. Asinius Gallus, zoon van den vorigen, huwde met Vipsania Agrippina, de gescheiden echtgenoote van Tiberius. Door zijne vrijmoedigheid beleedigde hij den keizer, werd gevangen genomen en stierf in 33 n. C., vrijwillig of gedwongen, den hongerdood. Hoewel hij niet zijns vaders talenten schijnt te hebben bezeten, had hij toch eene groote voorliefde voor de beoefening der wetenschappen.

Asisium, tgw. Assisi, klein plaatsje in Umbria, ten O. van Perusia, geboorteplaats van Propertius.

Asius, Asios, van Samus, een van de oudste grieksche elegische dichters.

Askolia, een spel dat op den tweeden dag der kleine Dionysusfeesten in Attica gespeeld werd; het bestond daarin, dat men op een opgeblazen en met olie glibberig gemaakten zak hinkte (askolizein, askoliazein), die van het vel van een aan Dionysus geofferden bok gemaakt was.

Asopiades, Aeacus, de kleinz. van Asopus.

Asopis, Asopis, Aegma, de dochter van Asopus.

Asopus, Asopos, 1) rivier die bij Phlius ontspringt, door de vlakte van Sicyon loopt en in de Corinthische golf valt.--2) rivier die bij Plataeae ontspringt, door Boeotië loopt en op attisch gebied in de Euboeïsche zee valt, de grens tusschen het gebied van Plataeae en van Thebae.--3) riviertje bij de Thermopylae.--4) stad in Laconica, aan den oostkant van de Laconische golf, met een beroemden tempel van Asclepius.--5) de stroomgod van een der beide eerstgenoemde rivieren. Hij was de zoon van Oceanus en Tethys en bij Metope de vader van twee zoons en twaalf of twintig dochters, die bijna allen namen dragen van steden, in de nabijheid dier rivieren gelegen. Vele zijner dochters werden door goden ontvoerd, bijv. Aegina door Zeus. Toen Asopus deze dochter zocht en van Sisyphus vernomen had, wie haar geroofd had, vervolgde hij Zeus en wilde hij met hem strijden, maar Zeus verjoeg hem met den bliksem, waardoor hij in zijn bedding werd teruggedreven.

Asparagium, stad in Illyria, nabij Dyrrhachium,

Aspasia, Aspasia, 1) van Miletus, dochter van Axiochus, kwam naar Athene en wist daar door hare schoonheid, verstand, geestigheid en bekwaamheden ieders aandacht te trekken. De voornaamste mannen, ook Socrates, zochten haar omgang, en Pericles verstiet om harentwille zijne gemalin. Door hem oefende zij, naar men zeide, ook op de staatszaken grooten invloed uit, het is echter slechts scherts wanneer Aristophanes beweert dat zij den oorlog met Samus en den peloponnesischen oorlog veroorzaakt zou hebben. De vijanden van Pericles klaagden haar aan van asebeia, maar zijne welsprekendheid, die zich bij deze gelegenheid in al hare kracht vertoonde, bewerkte dat zij vrijgesproken werd. Na zijn dood huwde zij met den demagoog Lysicles, die door haar grooten invloed kreeg.--2) van Phocaea, dochter van Hermotimus, eigenlijk Milto geheeten, minnares van den jongeren Cyrus, die haar om hare schoonheid en verstand den naam Aspasia gaf. Na den slag bij Cunaxa viel zij in handen van Artaxerxes, en toen zijn zoon Darius haar aan hem betwistte, maakte hij haar priesteres van Anaitis. V. s. was dit de reden waarom Darius tegen zijn vader opstond, wat hij met zijn leven boette.

Aspasii, Aspasioi, indisch volk ten N. van den Cophen, daar, waar de Choaspes er in uitstroomt.

Aspendus, Aspendos, welvarende stad in Pamphylia, aan den Eurymedon, oorspronkelijk eene argivische volksplanting.

Asphaltites lacus, de Doode zee in het zuiden van Palaestina, waarin zich de Jordaan stort.

Asphodelus, asphodelos, een plant met kleine knollen aan den wortel, die in de oudste tijden, en later nog door de armen, gegeten werden. Men plantte ze op de graven en meende dat zich door de onderwereld een groot stuk land uitstrekte dat daarmede beplant was.

Aspis, z. Clipeus.

Aspis, Aspis, kaap en stad, oostelijk van Carthago, gesticht door Agathocles, den tyran van Syracuse, in den eersten punischen oorlog tijdelijk door de Romeinen bezet (256) en sedert Clupea genoemd. In 46 werd het tegelijk met Carthago Romeinsche kolonie.

Aspledon, Aspledon, oude stad der Minyers in Boeotia, ten Noorden van het meer Copaïs.

Asprenas (L. Nonius), schoonzoon van Varus en een der weinigen, die uit den slag in het Teutoburgerwoud ontkwamen. Later (in 14 n. C.) was hij proconsul van Africa. Hij was een groot vriend van Augustus.

Assa, Assera, Assa, Assera, stad op Chalcidice, aan de Singitische golf.

Assaceni, Assakenoi, indische stam in het Indus-gebied, aan de Westzijde, ten N. van den Cophen, verwant met de Astaceni.

Assaracus, Assarakos, zoon van Tros, overgrootvader van Aeneas.

Asser, in het algemeen een balk of boom of dikke lat, b.v. de draagboomen van een draagstoel, doch altijd een bewerkt en geen ruw stuk hout. De asser in den zeestrijd was een aries in het klein, een balk, die aan touwen in het want hing en door zijn beuken het want of den romp van het vijandelijk schip moest vernielen.

Assertor. In eene causa liberalis, d.i. een geding over de vraag, of iemand vrij of slaaf was, kon de persoon, wiens vrijheid betwist werd, niet als zijn eigen verdediger optreden. Hiertoe was een assertor noodig, iemand, die rechtspersoonlijkheid bezat en staande hield, dat de betwiste persoon een vrije was, bij welke verklaring hij zijne hand of een staf (festuca of vindicta geheeten) op diens hoofd legde. Dit komt voor bij de manumissio vindicta; voor assertor fungeerde vaak een lictor (zie manumissio no. 1). Vanhier de uitdrukking aliquem manu asserere in libertatem = iemands vrijheid verdedigen. Ook asserere in servitutem, een als vrij beschouwd man als zijn slaaf opeischen.

Assessor. Wanneer te Rome aan iemand werd opgedragen, als iudex in eene rechtzaak uitspraak te doen, eischte de gewoonte, dat hij eenige vrienden uitnoodigde, de zitting bij te wonen en hem als consilium met hun raad bij te staan. Evenzoo vormden de stadhouders in de provinciën bij hunne rechtspraak een consilium uit hunne officieren. Onder de keizers evenwel kwam meer en meer de geheele rechtspraak in handen der overheden, die geregeld een vasten bijzitter kozen, assessor geheeten, gewoonlijk een rechtskundige, die de geheele zaak instrueerde, en het vonnis opstelde.

Assesus, Assesos, stad in Ionia, bij Miletus, met een Athena-tempel.

Assidui, gezeten burgers, werden te Rome die burgers geheeten, die in eene der vijf classes waren ingeschreven, in tegenstelling der proletarii.

Assignationes viritanae, zie Colonia no. 2.

Assorus, Assoros, stad op Sicilia, ten N.O. van Henna.

Assus, Assos, aeolische stad aan de Zuidkust van Troas, beroemd door voortreffelijke tarwe en door eene steensoort, lapis Assius, die de voorwerpen deed versteenen en daarom sarkophagos genoemd werd. Men maakte er o. a. lijkkisten van.

Assyria, Assyria. Onder dezen naam kan men vooreerst het groote oud-assyrische rijk verstaan, dat eenmaal zich over Armenia, Media, Persis, Babylonia, Mesopotamia, Syria, Phoenice en Palaestina uitstrekte en 672-656 zelfs over Aegypte heerschte, doch vervolgens uiteenspatte en omstreeks 606 met de verwoesting der hoofdstad Niniveh te gronde ging. Zie Ninus.--Het landschap Assyria in engeren zin omvatte ongeveer de streek tusschen den Tigris en het Zagrus- of Choatrasgebergte ten W. en ten O., en Babylonia en Armenia ten Z. en ten N. Na den val van het oud-assyrische rijk maakte het achtereenvolgens een deel uit der medische, perzische, macedonische, syrische, parthische en nieuw-perzische rijken.

Asta, 1) stad in Liguria, rom. kolonie, aan den Tanarus, een zijtak van den Padus (Po). Tegenwoordig Asti.--2) rom. kolonie in Baetica, nabij Gades (Cadix).

Astaboras, Astaboras, thans Atbara, zijtak van den Nijl, in Aethiopia.

Astaceni, Astakenoi, indisch volk, aan den benedenloop van den Cophen, verwant met de Assaceni.

Astacus, Astakos, 1) stad in Acarnania aan de Ionische zee.--2) megarensische kolonie in Bithynia, aan een inham der Propontis; zij werd door de Atheners versterkt en Olbia genoemd, door Lysimachus verwoest, doch door Nicomedes I herbouwd en onder den naam van Nicomedea tot de prachtige hoofdstad van Bithynia gemaakt.

Astapa, Astapa = Ostippo.

Astapus, Astapous, zijtak van den Nijl in Aethiopia. Tusschen dezen en den Astaboras ligt het schiereiland Meroe.

Astarte, Syria dea, Astarte, Syria theos, phoenicische godin, die in het Oosten hoog vereerd werd; vooral bekend is haar tempel te Tyrus. De Grieken vergeleken haar met Aphrodite.

Asteria, Asteria, dochter van Coeüs en Phoebe. Om aan de liefkoozingen van Zeus te ontkomen, stortte zij zich, in de gedaante van een kwartel, in zee en veranderde in een eiland, dat eerst haar naam droeg, later Ortygia, en eindelijk Delus genoemd werd.

Asterion, Asterion, zoon van Teutamus, koning van Creta, die met Europa huwde en hare kinderen, Minos, Radamanthys en Sarpedon, als de zijne opvoedde.

Asterope, Asterope, z. Aesacus.

Astrabacus, Astrabakos, een oud-laconisch heros. De spartaansche koning Demaratus was, volgens het verhaal zijner moeder, een zoon van Astrabacus of van Aristo.

Astraea, Astraia, dochter van Zeus en Themis of van Astraeus en Eos, godin der gerechtigheid, die in de gouden eeuw op aarde onder de menschen leefde. In de zilveren eeuw verscheen zij nog nu en dan, maar toen de verdorvenheid der menschen toenam, verliet zij, hoewel later dan alle andere goden, eindelijk ook de aarde en bleef sedert, als het sterrenbeeld de Maagd, aan den hemel.

Astraeus, Astraios, zoon van Crius en Eurybia, echtgenoot van Eos, vader der winden en sterren.

Astragaloi, dobbelsteenen met vier vlakke zijden en aan twee kanten rond. De vlakke zijden waren met oogen gemerkt, zoodat 1 en 6, 3 en 4 tegenover elkander stonden. Men wierp met vier steenen; de beste worp, wanneer 1, 3, 4 en 6 boven lagen, heette Aphrodite, Midas, Herakles, de slechtste, wanneer alle vier éénen boven lagen, heette kyon. Zie Alea.

Astynomoi, overheidspersonen die te zorgen hadden voor politie, straatreiniging, handhaving der bouwverordeningen, enz. Te Athene waren er tien, vijf voor de stad en vijf voor den Piraeus. Ze komen sinds de 4de eeuw voor.--Ook bijnaam van verschillende goden als beschermers der steden.

Astura, riviertje in Latium, met eene gelijknamige stad aan den mond er van.

Asturia, Astouria, landstreek in het Noorden van Tarraconensis, met de hoofdstad Asturica Augusta (Astorga). De Astures waren een woest bergvolk, in het tegenw. Asturië en noordelijk Leon.

Astyages, Astyages, zoon van Cyaxares, laatste koning der Mediërs (585-550), grootvader van Cyrus, die hem van den troon stiet en het perzische rijk stichtte, z. Alyattes.

Astyanax, Astyanax, zoon van Hector en Andromache. Zijn eigenlijke naam was Scamandrius, maar ter eere van zijn vader noemde het volk hem Astyanax (heer der stad). Na de verovering van Troje werd hij, hoewel nog een kind, van den muur geworpen.

Astydamas, Astydamas, 1) zoon van Morsimus. Hij zou 240 treurspelen gedicht hebben, waarvan 15 den eersten prijs behaalden. In zijn jeugd was hij een leerling van Isocrates.--2) zoon van den vorigen, treurspeldichter.

Astydamea, Astydameia, gemalin van Acastus.

Astyoche, Astyoche, dochter van Actor, moeder van Ascalaphus en Ialmenus.--2) dochter van Laomedon, gehuwd met Telephus. Omgekocht door een gouden wijnstok, overreedde zij haar zoon Eurypylus, aan de verdediging van Troje deel te nemen.

Astypalaea, Astypalaia, stad en eiland der Sporaden, in de Aegeïsche zee ten O. der Cycladen.

Astyra (gen. ae), ta Astyra, stad in Mysia bij Antandrus, aan de golf van Adramyttium met een tempel van Artemis Astyrene. Ook een plaatsje bij Abydus.

Asylia, door de wet gewaarborgde veiligheid voor slaven en misdadigers, gewl. verbonden aan het verblijf in zekere tempels of heiligdommen. In den keizertijd werd dit recht, dat aan vele tempels toekwam, omdat het tot misbruiken aanleiding gaf, beperkt en gedeeltelijk opgeheven. Ook werd soms van staatswege aan vreemdelingen asylia verzekerd, waardoor zij evenzeer als de burgers tegen aanvallen op hun persoon en eigendom beschermd waren.

Atabulus, naam in Apulia voor den uit Afrika overwaaienden verzengenden Sirocco (Zuidenwind).

Atabyris, Atabyrius, Atabyris, Atabyrion oros, hooge berg op het eiland Rhodus, met een beroemden tempel van Zeus Atabyrius.

Atagis, zie Athesis.

Atalante, Atalante, uit Arcadië, dochter van Iasus en Clymene. Haar vader, die liever een zoon gehad had, liet haar terstond bij hare geboorte te vondeling leggen; zij werd door eene berin gezoogd, groeide op te midden van jagers en werd zelve eene buitengewoon vlugge, sterke en moedige jageres. Zij nam deel aan de calydonische jacht en bracht aan het zwijn de eerste wond toe; op grond daarvan kende Meleager, die door hare schoonheid getroffen was, haar den prijs der overwinning toe, en Atalante, hierdoor gestreeld, stemde er in toe zijne vrouw te worden, terwijl zij vroeger tal van huwelijksaanzoeken had van de hand gewezen. Ook aan den Argonautentocht zou zij hebben deelgenomen of willen deelnemen.--V. a. was het niet Meleager, maar Milanion, die door zijn trouwe liefde haar hart wist te winnen, hoewel zij ook voor hem lang koud bleef.--V. a. was Atalante de dochter van den boeotischen koning Schoeneus, en had zij verklaard alleen hem te zullen huwen, die haar in den wedloop zou overwinnen. Reeds velen hadden den strijd gewaagd, maar waren overwonnen en gedood, totdat Milanion of Hippomenes door de hulp van Aphrodite de overwinning behaalde. De godin had hem namelijk drie gouden appels gegeven, waarvan hij onder het loopen telkens een voor de voeten van Atalante wierp; deze bukte om de prachtige kleinoden op te rapen, maar verloor daardoor zooveel tijd, dat haar minnaar, voor wien zij intusschen zelve ook liefde had opgevat, het eerst het doel bereikte.--Atalante en haar echtgenoot werden later in leeuwen veranderd, omdat zij een aan Cybele gewijd bosch ontheiligd hadden. Hun zoon was Parthenopaeus.

Atalante, Atalante, 1) eilandje op de kust van Locris, nabij de stad Opus.--2) rotseilandje ten Oosten van Salamis.--3) stad in Macedonia aan den Axius.

Atanagrum, stad der Ilergetes in Tarraconensis, door Scipio in 218 verwoest.

Atarantes, Atarantes, volksstam in het midden van Africa, tusschen de Garamantes en de Atlantes.

Atarbechis, Atarbechis, stad in Beneden-Aegyptus, in de landstreek Prosopitis, met een beroemden tempel der aegyptische Aphrodite (Hathor).

Atargatis, z. Dercetis.

Atarneus, Atarneus, stad op de kust van Aeolis tegenover Lesbus, op den berg Cane. Aristoteles vertoefde hier eenigen tijd (348-345) bij den tyran Hermeas.

Atax, Atax, thans Aude, een kustriviertje, dat zich in den sinus Gallicus (golf v. Lyon) stort. Aan den Atax lagen de steden Carcaso (Carcassonne) en Narbo Martius (Narbonne). De bewoners, die tot de Volcae Tectosages behoorden, werden naar de rivier ook Atacini genoemd, zooals de letterkundige P. Terentius Varro Atacinus, die in 82 te Narbo geboren werd.

Ate, Ate, dochter van Zeus of van Eris, godin der blinde drift, die eens zelfs Zeus tot een onberaden eed verleidde. Tot straf werd zij van den Olympus op aarde geslingerd, waar zij met lichten tred over de hoofden der menschen zweeft, terwijl zij hen tot kwaad verleidt, maar hen straft wanneer zij het bedreven hebben.

Ateii. 1) C. Ateius Capito, naam van een volkstribuun, die het den consuls C. Pompeius en M. Licinius Crassus in hun tweede consulaat (55) zeer lastig maakte en later door den censor App. Claudius Pulcher (zie Claudii no. 15) berispt werd wegens leugenachtige auspicia.--2) C. Ateius Capito, beroemd rechtsgeleerde te Rome ten tijde van Augustus en Tiberius. Hij stichtte eene rechtsgeleerde school, die niet minder vermaard werd dan die van zijn tegenstander Q. Antistius Labeo. Terwijl Labeo aan de rechtsstudie eene meer philosophische richting gaf en den strengen geest der oud-rom. wetgeving huldigde, was Capito's richting meer historisch en nam hij meer het gewoonterecht tot grondslag, zooals het zich in den loop der tijden had ontwikkeld. Zie Sabiniani.--3) Ateius, bijgenaamd Praetextatus, een atheensch letterkundige van naam, een vriend van Asinius Pollio en van Sallustius.

Ateleia, vrijstelling van alle of van bepaald aangewezen diensten of betalingen ten behoeve van den staat, vooral van liturgieën.

Atella, oud-oscische stad in Campania tusschen Capua en Neapolis, later romeinsch municipium, vooral bekend door de Atellanae fabulae.

Atellanae fabulae, ook wel Osci ludi genoemd, eene soort van landelijke kluchtspelen, waarin boert en spot den boventoon voerden. Zij werden meestal opgevoerd in de volkstaal of in een plattelandsdialect, dikwerf grof en plomp; het doel was dan ook niet fijn of geestig te wezen, maar de toeschouwers te laten lachen. Zij kunnen vergeleken worden met Jan Klaassen- of Harlekijnskluchten. Er kwamen eenige vaste rollen in voor, zooals Maccus, een domme, vraatzieke hansworst of Pierrot, Pappus, een soort van vader Pantalon, enz. In den beginne waren het slechts schetsen, die op het tooneel door improvisatie verder werden uitgewerkt; later werden ook uitgewerkte stukjes geschreven. Soms werden zij ook als nastukjes (exodia) na een drama gegeven. In de Atellanae als speler op te treden, werd den rom. burger niet onwaardig geacht; zij werden opgevoerd door vrijgeboren rom. jongelieden.

Aternia Tarpeia (lex) de multis, 454, van de consuls M. Aternius Varus Fontinalis en Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, dat het aan alle magistraten zou vrijstaan, boeten tot een zeker bedrag in vee op te leggen, terwijl hoogere boeten alleen door de comitia tributa konden worden opgelegd. De multa suprema was 2 schapen en 30 ossen. Voor de boete in vee werd in 430 door de lex Iulia Papiria (z. a.) eene evenredige geldboete in de plaats gesteld.

Aternum (ook Ostia Aterni geheeten) aan de Adriatische zee, havenstad der Marrucini, Vestini en Peligni, drie kleine stammen tusschen Picenum en Samnium.

Aternus, riviertje, dat bij Aternum in zee valt.

Atesis = Athesis.

Ateste, rom. kolonie in het land der Veneti, aan de Athesis (Etsch) gelegen. Thans Este.

Athamania, Athamania, landstreek in Epirus op de grenzen van Thessalia, met de hoofdstad Argithea. De Athamanes, Athamanes, stonden op een zeer lagen trap van beschaving.

Athamantiades, Athamantiades, Palaemon, zoon van Athamas.

Athamantis, Athamantis, Helle, dochter van Athamas.

Athamas, Athamas, zoon van den thessalischen Aeolus, koning van Orchomenus in Boeotië. Hij was gehuwd met de godin Nephele en had bij haar twee kinderen, Phrixus en Helle; hij nam echter nog eene andere vrouw, Ino, de dochter van Cadmus, waarom Nephele hem verliet. Ook Ino kreeg bij Ath. twee kinderen, Learchus en Melicertes, voor de kinderen van Nephele was zij echter eene slechte stiefmoeder en zelfs bewoog zij Ath. hen aan Zeus Laphystius te offeren, maar Nephele zond hun een ram met gouden vacht, waarmede zij uit het land vluchtten. Toen dit offer alzoo mislukt was, zoude Ath. zelf geofferd worden, maar ook dit werd door Heracles belet (z. Cytissorus). Later werd hij door Hera, die vertoornd was op Ino, omdat zij Dionysus had opgevoed, zoo razend gemaakt, dat hij Learchus doodsloeg en Ino voor hem moest vluchten en zich met Melicertes in zee stortte. Met bloedschuld beladen moest Ath. vluchten, hij vestigde zich in Phthiotis, huwde met Themisto, die hem vier kinderen schonk, en stichtte de stad Halus.

Athanagia = Atanagrum.

Athanasius, geb. te Alexandrië in 295 n. C., nam aan het concilie van Nicaea (325 na C.) een zóó werkzaam aandeel, dat hij in 326 benoemd werd tot opvolger van Alexander als bisschop van Alexandrië. Toen hij tegen het bevel van keizer Constantijn den tot ketter verklaarden Arius uit de kerk weerde, werd hij verbannen. Na 's keizers dood keerde hij naar Alexandrië terug, doch werd door den nieuwen keizer Constantius andermaal in ballingschap gezonden. Door bemiddeling van den bisschop van Rome, Julius I, werd hij in zijn ambt hersteld, doch later voor de derde maal gebannen, tot hij eindelijk, onder Jovianus, voor goed terugkwam (366 n. C.). Hij stierf te Alexandrië in 373. Hij heeft vele geschriften nagelaten, waarvan sommige voor de geschiedenis van zijn tijd belangrijk zijn.

Athanatoi, eene keurbende van 10,000 man in het perzische leger, zoo genoemd omdat zij, wanneer er iemand aan ontviel, terstond weder voltallig gemaakt werd door anderen, die te voren daarvoor waren aangewezen.

Athena, Athenaia, Athena, Pallas Athene, Minerva, oorspronkelijk waarschijnlijk eene godin van den aether, wier dienst in verband stond met dien van Poseidon, en die uit het meer of de rivier Triton ontstaan was (Tritogeneia). Volgens de gewone voorstelling was zij de dochter van Zeus, uit wiens hoofd zij volwassen en gewapend te voorschijn kwam, nadat hij zijne eerste gemalin, Metis, verslonden had. Als een van de machtigste wezens der godenwereld, oefent zij op velerlei wijze een heilrijken invloed op het menschdom uit. Vooreerst is zij de onoverwinnelijke godin van den oorlog (Atrytone), die staten en individuen in den rechtvaardigen strijd helpt; zij geeft haren beschermelingen den moed en het beleid, die hun de overwinning verzekeren, en betreedt in het heetste van het gevecht dikwijls zelve het slagveld, waar dan alles voor haar moet wijken, en zelfs andere godheden, die het wagen haar te weerstreven, het veld voor haar moeten ruimen. De grootste helden staan onder hare bescherming en de steden verdedigt zij tegen de aanvallen der vijanden (Rhysiptolis, Promachos, Polias, Akraia). De krijgstrompet, de fluit en de wapendans Pyrriche zijn door haar uitgevonden. Vervolgens is zij de godin van alle wetenschappen, kunsten en handwerken (Ergane), en bevordert zij landbouw en nijverheid door allerlei vindingen. Zoo is de ploeg en de hark door haar uitgevonden, zoo heeft zij den menschen geleerd hoe zij het vuur moeten gebruiken, hoe zij paarden kunnen temmen en voor den wagen spannen (Hippia), zoo bouwt zij voor Danaus het schip waarmede hij naar Griekenland vlucht en is zij behulpzaam in het bouwen van de Argo; ook het spinnen en weven behoort tot hare werken, en het grootste geschenk, dat de Atheners haar jaarlijks brengen, is een kunstig bewerkt kleed (peplos). Alles wat eene beschaafde maatschappij kenmerkt staat onder hare hoede; den staat, zijne onderdeelen en grondslagen, recht en wet, beschermt zij, en vandaar ook rechtbanken en volksvergaderingen (Boulaia, Agoraia, Phratria); zij zelve heeft te Athene de rechtbank van den Areopagus ingesteld.--Over het algemeen is zij de beschermgodin van hen die door verstand, bekwaamheid en overleg uitmunten; zij zelve bezit die eigenschappen in de hoogste mate, daar zij als het ware de gepersonifiëerde wijsheid van Zeus is.--Eindelijk geeft zij, als godin van den zuiveren aether, gezondheid en weert zij ziekten af (Hygieia, Paionia).--De dienst van Athena was door geheel Griekenland verbreid, maar nergens werd zij hooger vereerd dan te Athene, de naar haar genoemde stad, waar alle instellingen of van haar afkomstig waren, of tenminste door haar in stand gehouden werden. Zelfs wordt het geheele land Attica als het eigendom der godin beschouwd. Wel had aanvankelijk ook Poseidon erop aanspraak gemaakt, maar toen Zeus beslist had dat het land gegeven zou worden aan dengene, die het met het nuttigste geschenk zou begiftigen, schiep Poseidon het paard, Athena den olijfboom, en de goden kenden haar de overwinning toe. Sedert dien tijd is de olijfboom haar boven alles geheiligd, van de dieren zijn de uil, de haan en de slang aan haar gewijd.--Zij wordt meestal afgebeeld met eene eenigszins mannelijke gestalte, met heldere en ernstige gelaatstrekken, dikwijls draagt zij schild, helm en lans en is zij met de Aegis bekleed.

Athenae, Athenai, hoofdstad van Attica, door de Atheners to asty geheeten, tegenover he polis (akropolis), de burcht. De oudste nederzetting is waarschijnlijk op de acropolis geweest. Daar zijn nog de overblijfselen gevonden van een koningspaleis uit den Myceenschen tijd. De burcht zelf was versterkt met een muur, uit onbewerkte rotsblokken opgetrokken. De stad breidde zich eerst uit ten Zuiden (Kydathenaion), en ten Westen (z. Pelasgikon, Pelargikon, (teichos)), en sedert den tijd der Pisistratiden ten Noorden van de Acropolis, in den Kerameikos, waar door Pisistratus de nieuwe markt ten Noorden van den Areopagus werd aangelegd (de oude markt lag ten Z. daarvan). Hoe de stad er overigens vóór de perzische oorlogen uitzag, is ons onbekend; doch zelfs in zijn bloeitijd was Athene niet, wat wij eene fraaie stad zouden noemen. De straten waren niet breed, niet regelmatig, en de huizen muntten niet uit door prachtige gevels. Er was echter te Athene aan openbare gebouwen meer schoons te zien, dan in eenige andere stad van Griekenland. De stad zelve was in onregelmatig ronden vorm gebouwd. In het midden lag de akropolis, de oude burcht, oudtijds Kranae, de ruwe rots, later Kekropia, vervolgens eenvoudig acropolis geheeten. Deze rots, ongeveer 150 voet hoog, was slechts aan de Westzijde toegankelijk, overigens steil en nog bovendien aan den Noordkant door de zoogenaamde pelasgische muren, aan de Zuidzijde door den muur van Cimon versterkt. Om op de acropolis te komen, moest men eerst twee poorten doorgaan, dan stond men voor de prachtige Propylaea, ta Propylaia, op voorstel van Pericles door den bouwmeester Mnesicles gebouwd. In het midden liep een rijweg opwaarts, aan weerszijden daarvan een marmeren trap van 64 treden. Zóó kwam men in het voorportaal van den burcht. De voorgevel van dit portaalgebouw werd gedragen door zes reusachtige dorische zuilen, die vijf doorgangen vormden, terwijl ter weerszijden van den middenweg drie ionische zuilen de zoldering schraagden. Vijf deuren scheidden dit eerste portaal van een tweede, dat iets hooger lag en kleiner was en weder in eene rij van zes dorische zuilen eindigde en zóó tot het vlak van den heuvel toegang gaf. Dit prachtwerk, geheel van marmer, kostte meer dan 2000 talenten en vijf jaren tijds. Op het heuvelvlak had men dan aan de rechterhand het Parthenon, den tempel der maagdelijke Pallas Athena, onder opzicht van Pericles door Callicrates en Ictinus gebouwd, ruim 200 voet lang en 100 voet breed, met acht dorische zuilen in het front en zeventien in de lange zijden (z. fig. vorige pag.). Gevelveld en friezen waren met heerlijk beeldhouwwerk versierd, dat tafereelen uit het leven der godin en den grooten optocht bij de feesten der Panathenaeën voorstelde. De hier bijgevoegde plattegrond geeft eene voorstelling van de inrichting des tempels. (A) is de omringende zuilengang, het peristylium, peristasis, (B) de pronaos, tusschen welks zes zuilen ijzeren hekken aangebracht waren, waarachter wellicht tempelgeschenken werden tentoongesteld, (C) is de 100 voet lange cella, hekatompedos neos waar in (a) het beeld der godin stond, terwijl men niet alleen aan de twee lange zijden, maar ook aan de achterzijde (op de teekening niet aangegeven) ionische zuilen vond in twee stellingen boven elkaar. Het beeld der godin, 12 meter hoog, uit goud en ivoor bewerkt, was het meesterwerk van Phidias. Op de uitgestrekte rechterhand droeg zij het zes voet hooge gevleugelde beeld der Overwinning. De gouden mantel der godin werd omstreeks 300 door zekeren Lachares, volksmenner en vervolgens tyran te Athene, geroofd. Afgesloten van de cella (de twee deuren, op de teekening aangegeven, zijn uit het christelijk tijdperk) was het opisthodomos, dat verdeeld was in het eigenlijke Parthenon (D), ook Megaron genoemd, waarin de schatten van de godin en van de andere goden bewaard werden, en het eigenlijke opisthodomos (E), waarin zich de staatsschat bevond. Het Parthenon werd in het christelijk tijdperk in een kerk der maagd Maria en door de Turken in eene moskee herschapen. In 1687, in den oorlog tusschen de Turken en de republiek Venetië, vloog een gedeelte van den tempel, door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, door eene bom uit de venetiaansche batterijen in de lucht. In 1799 liet de britsche gezant bij de Porte, lord Elgin, met goedvinden der turksche regeering, het nog overgebleven beeldhouwwerk uitbreken en met tal van andere kunstwerken naar Engeland overvoeren. Door het vergaan van een der schepen bij Cerigo ging een deel dezer kunstschatten verloren; het overige ging in 1816 voor 35000 L.st. aan het Britsch Museum over, waar het nog onder den naam van Elgin marbles prijkt. Tegenover het Parthenon ligt het Erechtheum, aan Poseidon Erechtheus geheiligd, met den daartegenaan gebouwden tempel van Athena Polias, waarin het oude houten beeld der godin stond, dat éénmaal 's jaars gereinigd werd. Deze tempel werd in 407 voleindigd. (A) is de pronaos van Athena Polias, (B) de cella; aan de andere zijde kwam men langs een trap in het voorportaal (F) van den Erechtheustempel; het is een open hal, waarvan het dak door caryatiden (Korai) werd gedragen; (D) is de pronaos, (C) de cella van den tempel, terwijl (E) de noordelijke uitbouw is, waarin zich het drietandteeken van Poseidon bevindt; (G), (H) en (I) zijn doorgangen. Onder den pronaos was de zoutbron, en ter zijde daarvan de heilige olijf, door Athena geplant. Een derde standbeeld van Athena was nog de Athena Promachos, een door Phidias gegoten metalen reuzenbeeld. Reeds bij het omvaren van kaap Sunium kon men de gouden punt harer speer in de zon zien schitteren. Het tempeltje der Nike apteros lag wel op de acropolis, doch buiten de Propylaeën. Ten slotte vermelden wij, dat er voor de Perzische oorlogen dichtbij het Erechtheum een andere tempel van Athena gestaan heeft, die gewoonlijk Hecatompedon of archaios neos genoemd wordt. Wanneer men van de acropolis in noordwestelijke richting ging, kwam men op de markt, agora, vanwaar een weg naar den Pnyx voerde, een heuvel, die tot plaats voor de volksvergadering diende. Langs de markt liepen zuilengangen, waarvan de stoa poikile of beschilderde galerij de meest beroemde was. Op hare wanden prijkten tafereelen uit den slag bij Marathon en andere veld- en zeeslagen, waarin de Atheners roem hadden ingeoogst. Aan de markt lag het bouleuterion, waar de raad, de boule, zitting hield, benevens de tholos of rotonde, waar de prytanen hun maaltijden gebruikten. Niet ver van de markt verhief zich de vrij steile Aresheuvel of Areopagus, Areios pagos. Onder de openbare gebouwen en monumenten in de stad verdienen vermelding: het Prytaneum, het theater van Dionysus, dat tegen de Zuidzijde van de Acropolis aangebouwd was, het Museum, het Theseum, het Odeum van Pericles voor muzikale wedstrijden. Een ander Odeum van later tijd was dat van Herodes Atticus. Het choragisch monument van Lysicrates, van omstreeks 330, ook wel met den naam van lantaarn van Diogenes bestempeld, is een sierlijk gebouwtje met zes corinthische zuiltjes, die op een vierkanten onderbouw rusten en een marmeren dekstuk dragen, met beeldwerk versierd en waaruit eene acanthusplant oprijst. Het gebouwtje, 34 voet hoog, diende om den drievoet (choregikos tripsys) te dragen, dien Lysicrates als prijs in den choragischen wedstrijd had gewonnen. Eene straat in de stad heette de straat der drievoeten, omdat daar een aantal zulke gedenkteekenen stonden. De toren der winden was een fraai achthoekig gebouw, waarin een wateruurwerk was aangebracht en waarop een windwijzer stond. Hij dagteekent uit de 1ste eeuw. Vele aanzienlijke mannen, zelfs vorsten lieten te Athenae praalgebouwen oprichten, om hun eigen naam te verheerlijken.

Buiten de stadsmuren vond men nog beroemde plaatsen, als: de Academia, Akademeia of -mia, een wandelpark met gymnasium, waar Plato zijn onderwijs gaf, het Lyceum, ook een park met een tempel van Apollo Lycius, waar Aristoteles zijne peripatetische lessen gaf, den heuvel Cynosarges, met een gymnasium, in een van welks zalen Antisthenes, de stichter der cynische school, als leeraar optrad.

Ten Westen van de stad stroomde de Cephisus, in het Z.O. de Ilisus. Van de stad liepen de lange muren, ta makra teiche, ook wel de beenen van Athenae genoemd, ta skele ton Athenon, ter lengte van omstreeks anderhalf uur gaans naar de havens. De havens Phalerus en Munychia waren klein; maar de Piraeus (Peiraieus) vormde eene kleine stad op zichzelve, met scheepswerven, tuighuis, magazijnen, handelshaven, oorlogshaven, ja zelfs met een theater. De muren waren in zee vooruitgebouwd; de invaart, die met kettingen kon worden afgesloten, liep met eene sterke kromming tusschen twee muren door. Voor de geschiedenis van Athenae moeten wij naar de geschiedboeken verwijzen. Ook onder rom. heerschappij bleef Athenae nog lang eene civitas libera met een betrekkelijk uitgebreid gebied, waartoe, behalve Attica, ook een deel der cycladische eilanden behoorde. Het bleef ook lang een zetel van kunst en wetenschap, en tal van jonge aanzienlijke Romeinen gingen erheen, om hunne opleiding te voltooien. De stad leed in 86 veel door Sulla's belegering; bij die gelegenheid ging de Piraeus te gronde; keizer Hadrianus zocht in later tijd de stad te doen herleven door aan de verfraaiing ervan veel ten koste te leggen. Het aantal inwoners van Athenae wordt tegen het einde van de regeering der Pisistratiden op 20,000 à 25,000 geschat; bij het uitbreken van den Peloponnesischen oorlog bedroeg de bevolking van stad en havens ruim 100,000; een eeuw later evenveel, maar toen was de Piraeus meer bewoond, en begon de stad reeds verlaten te worden.

Behalve de talrijke tempels, waarvan wij slechts zeer enkele konden vermelden, was de stad zeer rijk aan standbeelden.

Athenaeum, Athenaion, in het algemeen elke aan Athena gewijde plaats. In het bizonder verstond men hieronder de door keizer Hadrianus te Rome opgerichte school voor hoogere vorming. Hoewel enkele uitstekende onderwijzers reeds onder Augustus en Vespasianus eene toelage uit de schatkist genoten, was er te Rome toch alleen bizonder onderwijs; Hadrianus voerde het openbaar onderwijs in met onderwijzers, die door den staat werden bezoldigd, teneinde invloed op den geest van het onderwijs te kunnen uitoefenen en eene niet gewenschte republikeinsche richting te keeren.

Athenaeus, Athenaios, 1) sicilisch werktuigkundige, tijdgenoot van Archimedes.--2) taalgeleerde uit Naucratis, omstreeks 230 na C., die eerst te Alexandrië, later te Rome leefde. Zijn uitvoerig werk Deipnosophistai, dat bijna geheel bewaard gebleven is, behandelt in den vorm van gesprekken allerlei bizonderheden uit het dagelijksch leven der ouden, en heeft vooral groote waarde door de talrijke aanhalingen uit oudere schrijvers, wier werken verloren gegaan zijn.

Athenagoras, Athenagoras, van Athene, leeraar der academische wijsbegeerte te Alexandrië in de 2e eeuw n. C.; later ging hij tot het Christendom over, dat hij ijverig en op wijsgeerige gronden verdedigde.

Athenais, Athenais, 1) bijgenaamd Philostorgos, gemalin van den cappadocischen koning Ariobarzanes II.--2) dochter van den sophist Leontius, de schoone en bekwame gemalin van keizer Theodosius II; na hare bekeering tot het Christendom noemde zij zich Eudocia. Zij heeft verschillende epische gedichten gemaakt, die oud-testamentische en christelijke onderwerpen behandelen.

Athenio, een herder, aanvoerder der opgestane slaven op Sicilia in 102 en 101. De consul M.' Aquillius versloeg hem in 100 met eigen hand. Cicero gaf aan Sext. Clodius, den vrijgelatene van P. Clodius (Claudii no. 17) den schimpnaam Athenio, omdat laatstgenoemde aan het hoofd van een troep slaven te Rome onlusten verwekte.

Athenis, z. Bupalus.

Athenodorus, Athenodoros, 1) een Griek, die door Alexander d. G. met eene kolonie naar Bactra gezonden werd en zich den titel van koning wilde aanmatigen, maar door Bito vermoord werd.--2) bijgenaamd Kordylion, van Tarsus, stoicijnsch wijsgeer, opzichter der bibliotheek te Pergamus. Hij zou getracht hebben de werken der oudere stoicijnen te zuiveren van alles wat hem minder goed voorkwam, maar zijn toeleg werd ontdekt. De jongere Cato nam hem in 70 mede naar Rome, waar hij stierf.--3) van Tarsus, zoon van Sandon, waarschijnlijk leerling van Posidonius van Rhodus, leeraar der stoicijnsche wijsbegeerte te Apollonia in Epirus, waar Octavianus hem leerde kennen. Deze nam hem mede naar Rome, echter keerde hij later naar Tarsus terug, waar hij de gedurende zijne afwezigheid uitgebroken burgertwisten bijlegde en de wetten verbeterde.--4) een van de drie beeldhouwers van de Laocoongroep z. Laocoon.

Athesis, Atesinos, thans de Adige of Etsch, die op de Rhaetische Alpen ontspringt en zich in de Adriatische zee stort. In zijn bovenloop neemt hij (bij Bozen) den Atagis Atagis, of Isarcus (Eisach) op. V. s. is Atagis een andere naam voor den Athesis.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us