← Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 2 of 7)

Part 2 of 7 · Dr. J. G. Schlimmer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #34955, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 2 of 7)

Athletae, athletai, athleteres, werden bij de Grieken diegenen genoemd, die bij de nationale spelen te Olympia of elders in den wedstrijd voor lichaamsoefening en spierkracht naar de overwinning dongen. Langzamerhand werd hiervan een beroep gemaakt en kreeg men athleten, die op hunne kunst reisden en voorstellingen gaven. Zulke worstelaars werden van jongs af geoefend en volgden een bepaalden leefregel. Ook bij de Romeinen vonden nu en dan bij de openbare spelen dergelijke voorstellingen plaats, waarvoor men dan tegen hoog loon (auctoramentum) grieksche athleten huurde. Bij het worstelen, dat geheel naakt geschiedde, smeerde men zich met olie in, om aan de tegenpartij minder vat te geven, wat deze dan weder nutteloos trachtte te maken, door zijn tegenstander met zand te werpen.

Athlothetai, oorspronkelijk zij, die bij de wedstrijden prijzen uitloofden, later bij de groote nationale feesten kamprechters en commissarissen. Zij werden tien maanden vóór het feest benoemd, ontvingen de aangiften van de mededingers in de wedstrijden en zorgden voor alles wat voor eene waardige feestviering noodig was. Door een plechtigen eed verbonden zij zich tot onpartijdigheid. Gedurende het feest droegen zij een purperen kleed, lauwerkrans en staf, ook werden zij begeleid door dienaars die staven droegen (rhabdouchoi). Te Athene werden om de vier jaar 10 athlothetae door het lot aangewezen, die bij de feesten, vooral de Panathenaea, het oppertoezicht hielden en uitspraak deden over de wedstrijden.

Athos, Athos, naam van een der Giganten, die den hemel wilden bestormen. Hij nam een berg uit Thracia op en slingerde dezen naar de goden. De bliksem van Zeus weerde echter het gevaar af en deed den bergklomp aan de macedonische kust neerstorten, waar hij zich nog als mons Athos (thans Monte Santo of Hagion Oros) op de chalcidische landtong Acte tot eene hoogte van 6350 voet verheft. Xerxes liet den hals der landtong bij Sane doorgraven. Oudtijds lagen tegen den berg een vijftal bloeiende steden; thans vindt men er slechts een aantal grieksch-katholieke kloosters, die in het bezit van belangrijke oude handschriften zijn.

Atii, zie Attii.

Atilia (lex) de dando tutore, onzeker van welk jaar, doch vóór 188. Waar een voogd noodig was en bij ontstentenis van nabestaanden geen voogd was en door den overledene ook geen voogd bij testament was aangewezen, werd volgens de lex Atilia een voogd benoemd door den praetor urbanus onder medewerking der volkstribunen.

Atilia Marcia (lex), 311, van de volkstribunen L. Atilius en C. Marcius, dat van de 24 krijgstribunen, die jaarlijks voor vier legioenen noodig waren, 16 door het volk zouden worden gekozen.

Atilii. Tot de gens Atilia behooren o. a. de familiën Bulbus, Calatinus, Longus, Regulus, Serranus.--1) A. Atilius Calatinus, consul in 258 en in 254, streed op Sicilia tegen de Carthagers en veroverde Panormus (Palermo). In het jaar 249 was hij als dictator op Sicilia, en was als zoodanig de eerste dictator, die buiten Italia eene rom. legermacht aanvoerde.--2) M. Atilius Regulus werd als consul in 294 door de Samnieten bij Luceria verslagen. Toch heeft hij een triumf gevierd.--3) M. Atilius Regulus, geen zoon van den vorigen, was consul in 267 en 256. In zijn eerste consulaat overwon hij de Sallentini in Calabria, hij veroverde Brundisium, en genoot de eer eener zegepraal; in zijn tweede, waarin hij consul suffectus was in plaats van den overleden Q. Caedicius, ondernam hij den voor hem noodlottigen tocht naar Carthago. Met zijn ambtgenoot L. Manlius Vulso met eene vloot van 330 schepen in zee gestoken, versloeg hij eerst de carthaagsche vloot bij Ecnomus aan de Zuidkust van Sicilia, landde toen in Africa, en veroverde de stad Aspis, die door de Romeinen in Clypea of Clupea werd verdoopt. Manlius keerde naar Rome terug; Regulus bleef in Africa en bracht Carthago zoo in het nauw, dat het om vrede vroeg. De hardheid zijner voorwaarden echter drong de Carthagers nog eenmaal het uiterste te beproeven, en onder aanvoering van den Spartaan Xanthippus behaalden zij de overwinning. Regulus werd gevangen genomen; 30000 der zijnen sneuvelden (255). In 250 zonden de Carthagers gezanten met Regulus naar Rome, in de verwachting, dat hij voor een vrede zou pleiten; in den senaat toegelaten, ontried hij den vrede ten sterkste. Overeenkomstig een door hem gezworen eed, keerde hij als gevangene naar Carthago terug, waar hij onder folteringen zou ter dood gebracht zijn. Het geheele verhaal van Regulus' zending naar Rome en zijn marteldood is onhistorisch.--4) C. Atilius Regulus, dikwijls ten onrechte Serranus (Saranus) bijgenaamd, versloeg als consul in 257 de carthaagsche vloot bij de Liparische eilanden en hield een zegetocht. In 250 was hij ten tweede male consul en sloeg hij het beleg voor Lilybaeum, maar kon de stad niet innemen.--5) M. Atilius Regulus, zoon van no. 3, was consul in 227, en consul suffectus in 217 in plaats van C. Flaminius, die bij het Trasimeensche meer gesneuveld was. Als censor in 214 was hij zeer streng tegen hen, die na den slag bij Cannae het plan hadden gehad, Italië te verlaten, verder die door woordbreuk zich aan Hannibal's gevangenschap hadden onttrokken, en ten slotte tegen hen, die in de laatste 4 jaren zich zonder voldoenden grond aan den krijgsdienst hadden onttrokken.--6) C. Atilius Regulus, misschien een broeder van no. 5, was consul in 225.--7) C. Atilius Serranus streed in 218 als praetor tegen de opgestane Bojers in Gallia Cisalpina en vereenigde zich vóór den slag aan den Ticinus met den consul P. Cornelius Scipio, die hem daarop naar Rome terugzond.--8) A. Atilius Serranus, praetor in 192, komt in den oorlog tegen Antiochus III van Syria voor. In 172 maakten hij en Q. Marcius Philippus (zie Marcii no. 15) het gezantschap uit, dat de Grieken moest weerhouden, gemeene zaak met Perseus te maken.--9) C. Atilius Serranus Gavianus, uit de gens Gavia geadopteerd, quaestor in 63, trachtte als volkstribuun in 57 Cicero's terugroeping te verhinderen.--10) M. Atilius, middelmatig tooneeldichter uit de tweede eeuw, schrijver van eene Electra.

Atimia, gemis van enkele (at. kata prostaxeis) of van alle (at. tou somatos) burgerlijke rechten. Deze rechten konden een burger bij rechterlijk vonnis ontnomen worden, of zij konden wegens het niet vervullen van zekere verplichtingen tegenover den staat verloren gaan. Hij die alle burgerlijke rechten mist (atimos), mag bijv. niet in rechten optreden, de volksvergadering of de markt niet bezoeken, enz. Hiermede ging soms nog verbeurdverklaring van goederen gepaard (at. tou somatos kai ton chrematon), vooral tegenover hen, die aan den staat verschuldigde gelden niet betaalden. Deze toestand van atimia hield op, zoodra de schuld betaald werd, maar ging anders bij den dood van den schuldenaar ook op zijne kinderen en kleinkinderen over. Te Sparta werden de burgerlijke rechten o.a. aan hen ontnomen, die zich uit lafheid aan een gevecht onttrokken hadden (tresantes).

Atina, volscische stad hoog in de bergen, ten N. van Casinum, in Latium, later rom. municipium.

Atinia (lex), van 197, een plebisciet van den volkstribuun C. Atinius Labeo, ut quinque coloniae in oram maritimam deducerentur, n.l. naar Puteoli, Vulturnum, Liternum, Salernum, en naar Buxentum.

Atinia (lex), een plebisciet (± 102), waardoor de volkstribunen zitting kregen in den senaat.

Atinia (lex), de rebus furtivis, onzeker van wanneer, bepaalde, dat verjaring geen eigendomsrecht opleverde van gestolen zaken.

Atintanes, Atintanes, volksstam in het N.-W. van Epirus.

Atlantes, Atlantes, volksstam in Africa bij het Atlasgebergte, het verst af wonende volk, dat bij Herodotus bekend was. Zij hadden in hun gebied zoutgroeven, en bouwden volgens het verhaal zelfs hutten van zout, daar in hun gebied nooit regen viel.

Atlantiades, Hermes en Hermaphroditus, kleinzoon en achterkleinzoon van Atlas.

Atlantides, Atlantiades, Atlantides, de Pleiaden en Hyaden, dochters van Atlas.

Atlantis, Atlantis. De overlevering bij de ouden gewaagde van een groot en heerlijk eiland ten Westen van de zuilen van Heracles, waarnaar de Atlantische oceaan zijn naam droeg. De vorsten van dit eiland zouden eenmaal zegevierend tot bij Griekenland zijn doorgedrongen. Om het zedenbederf der inwoners echter was het eiland door eene hevige aardbeving geteisterd en in één etmaal door de zee verzwolgen.

Atlas, Atlas, een Titan, zoon van Iapetus en Clymene of Asia, die met de andere Titanen de goden beoorloogde en tot straf daarvoor veroordeeld werd met hoofd en handen den hemel te steunen of de zuilen te dragen waarop de hemel rust.--V. a. een afrikaansch koning, die weigerde Perseus te ontvangen en wegens zijn gebrek aan gastvrijheid versteend en in den berg Atlas veranderd werd. V. a. een zeer oud arcadisch sterrenkundige die de eerste hemelglobe maakte.

Atlas, Atlas, (Adtla = sneeuwgebergte), het nog aldus genoemde noordafrikaansche hooggebergte.

Atossa, Atossa, dochter van den ouden Cyrus, eerst met Cambyses, later met Darius Hystaspis gehuwd.

Atrae, Hatra, Atrai, ta Atra, sterke vesting in een oase van Zuid-Mesopotamië door Traianus (117 n. C.) en Alexander Severus (198 n. C.) tevergeefs belegerd. De stad lag in eene woestijn; de inwoners, van arabischen stam, heetten Atreni.

Atratini, familienaam in de gens Sempronia z. Sempronii no. 1-5.

Atrax, Atrax, thessalische stad aan den Peneus, nabij Larissa. Atracius = thessalisch; atracia ars = tooverkunst.

Atrebates, Atrebatioi, belgische volksstam in het latere Artois. Hunne hoofdstad was Nemetacum of Nemetocenna, thans Arras.

Atreus, Atreus, zoon van Pelops en Hippodamea. Hij en zijn broeder Thyestes vermoordden hun stiefbroeder Chrysippus en werden daarom door Pelops weggejaagd. Zij werden opgenomen door hun zwager Sthenelus, koning van Mycenae, en nadat diens zoon Eurystheus in den strijd tegen de Heracliden gevallen was, volgde Atreus hem op. Hierop naijverig, verleidde Thyestes de vrouw van Atreus, Aërope, ten einde in het bezit te komen van het gouden lam, met welks bezit de heerschappij over Mycenae verbonden was. Hij werd uit het land verjaagd, maar om zich te wreken zond hij Plisthenes, een zoon van Atreus, die door Thyestes opgevoed was, naar Mycenae terug om Atreus te vermoorden, deze verijdelde echter dien aanslag door Plisthenes, dien hij niet herkende, te dooden. Thyestes werd nu teruggeroepen en schijnbaar weder in vriendschap opgenomen, maar bij een gastmaal liet Atreus diens beide zonen slachten en zette hij hun vader het vleesch en bloed als spijs en drank voor. Toen Thyestes deze gruwelijke daad vernam, vervloekte hij zijn broeder en verliet hij het land, dat na dien tijd door pest en hongersnood bezocht werd. Op bevel van een orakel gaat Atreus op reis om Thyestes terug te halen, en bij koning Thesprotus vindt hij Pelopea, de dochter van Thyestes, en neemt haar zonder haar te kennen tot vrouw. De zoon van Thyestes en Pelopea, Aegisthus, werd door Atreus als zijn eigen zoon opgevoed en later overgehaald Thyestes, die door Agamemnon en Menelaus teruggehaald en in de gevangenis gezet was, te vermoorden, maar vader en zoon herkenden elkander nog bij tijds en doodden nu te zamen Atreus, terwijl hij aan het offeren was.

Atria, zie Adria.

Atrides, Atreides, Agamemnon en Menelaus, zonen van Atreus.

Atriensis, slaaf, wien de zorg voor het atrium was opgedragen, en die, omdat het eene betrekking van vertrouwen was, tot de bevoorrechte slaven van het huis behoorde.

Atrium, eene der onmisbare deelen van een romeinsch huis, het woonvertrek, oudtijds het middelpunt van het huiselijk leven, waar het huwelijksbed, de huiselijke haard en de geldkist zich bevonden, alsmede de weefstoelen, waaraan de huisvrouw en hare slavinnen arbeidden. Met het toenemen der weelde evenwel werden deze voorwerpen naar andere gedeelten van het huis verbannen en werd het atrium meer eene receptiezaal. Het atrium was het eerste vertrek, als men den gang doorkwam (z. domus). Rondom waren kleine vertrekken of kabinetjes aangebracht, die licht en lucht alleen uit het atrium ontvingen, en cubicula heetten, wanneer zij door deuren, en alae, wanneer zij alleen door gordijnen waren afgesloten. Een dezer vertrekjes was het lararium, de huiskapel, waar het altaar der huisgoden stond en bij de nobiles de imagines maiorum bewaard werden. In het midden der zoldering was eene vierkante opening gelaten, waardoor het licht naar binnen viel en de rook van den haard naar buiten trok, en die compluvium werd geheeten, omdat zij ook den regen doorliet. Daaronder was in den vloer een soort regenbak, impluvium. Soms was het atrium met bloemen en beelden versierd. Op de eerste teekening ziet men achter het atrium een vertrek, dat aan de voorzijde open is, het tablinum, de werkkamer of het bureau van den heer des huizes, en daarachter een met eene gaanderij omgeven binnenplaats of cavaedium, ook peristylium geheeten. De tweede teekening stelt het atrium voor van een oud-italisch huis zonder peristylium; door het tablinum en de aansluitende porticus ziet men in den tuin. Oorspronkelijk behoorde het atrium geene zuilen te hebben, doch toen de afmetingen grooter werden, werd het dak aan de hoeken van het impluvium door kolommen gedragen.

Atropatene, Atropatene, het noord-westelijke deel van Media, dat door Alexander den Grooten in handen van den satraap Atropates werd gelaten. Hoofdstad Gazaca, nabij een groot zoutwatermeer.

Atropates, Atropates, satraap van Medië onder Darius Codomannus en later ook onder Alexander d. G. Zijne nakomelingen regeerden onafhankelijk in het N.W. van het land (Atropatene).

Atropus, Atropos, de onafwendbare, eene der drie Moerae.

Attalia, Attaleia, stad aan de kust van Pamphylia, door Attalus II gesticht, tgw. Adalia.

Attalus, Attalos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië. Bij diens dood stond hij met een leger aan den Hellespont om den veldtocht tegen Perzië te beginnen. Maar Alexander, die hem niet vertrouwde, liet hem, terstond na het aanvaarden der regeering vermoorden.--2) zoon van Andromenes, veldheer van Alexander den G., werd verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas (330), maar vrijgesproken. Na Alex. dood sloot hij zich bij Perdiccas aan, en toen deze vermoord was, ging hij met de vloot naar Tyrus om troepen te werven; hij werd echter door Antigonus verslagen (320) en sedert dien tijd gevangen gehouden, drie jaar later werd hij gedood.--3) Attalus I, regeerde 241-197 over Pergamus en nam na eene overwinning op de Galliërs den koningstitel aan. Hij vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, doch moest weldra de gemaakte veroveringen weder afstaan. Om zich tegen dit machtige rijk te kunnen verdedigen, verbond hij zich met de Romeinen en ondersteunde hen vooral met zijne vloot in den oorlog tegen Philippus van Macedonië. Hij stierf 72 jaar oud aan eene beroerte. Hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen en stichtte met groote kosten de beroemde bibliotheek van Pergamus.--4) Attalus II, Philadelphos, zoon van den vorigen, nam na den dood van zijn broeder Eumenes II (159), dien hij sedert 167 te Rome vertegenwoordigd had, als voogd over diens kinderen de regeering in handen en behield die tot zijn dood (138). Hij ondersteunde de Romeinen in hunne oorlogen tegen Macedonië en het achaeïsch verbond en trachtte Alexander Balas te helpen in zijn streven naar de regeering over Syrië. Van de Romeinen ontving hij hulp in zijne oorlogen tegen Bithynië. Ook hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen.--5) Attalus III, Philometor, zoon van Eumenes II en Stratonice, opvolger van den vorigen, was te zwak van geestvermogens om zelf te regeeren; hij leefde in afzondering en bracht zijn tijd met tuinbouw en beeldhouwen door. Hij stierf in 133 en liet bij testament zijn rijk en zijne bezittingen aan de Romeinen na.--6) romeinsch praefect, die tweemaal (409, 414 na C.) door de Westgothen tegenover Honorius tot keizer uitgeroepen werd. Hij werd beide keeren echter spoedig door zijne aanhangers verlaten en viel eindelijk in de handen van zijne vijanden, waarop hij naar Lipara verbannen werd.--7) stoicijnsch wijsgeer, leermeester van Seneca.

Atthis, geschied- en aardrijkskundige beschrijving van Attica, zooals in de vierde en derde eeuw in groot aantal geschreven werden. Van de meeste schrijvers zijn slechts fragmenten over. De bekendste zijn: Philochorus, Hellanicus, Clitodemus, Androtion, Phanodemus en Demon.

Attia (lex) of lex Labiena van den volkstribuun T. (Attius) Labienus, 63, tot wederinvoering der lex Domitia de sacerdotiis, die door eene lex Cornelia van L. Cornelius Sulla was opgeheven.

Attica, Attike, het oostelijkste landschap van Midden-Griekenland of Hellas, werd oudtijds Acte of Actica (Akte, Aktike) geheeten, omdat het zulke uitgebreide kusten bezit. Volgens Strabo is de naam Attica uit Actica ontstaan. Ook werd het vroeger wel Ionia genoemd. De natuur verdeelde het in drieën: 1) Diacria, het hoog- of bergland, het noordoostelijk gedeelte, waarin men den mons Pentelicus of Brilessus en den Parnes vond,--2) Pedias, het noordwestelijk vlakland,--3) Paralia, het westelijk en zuidelijk kustland. De Pentelicus leverde eene beroemde, witte marmersoort (pentelesios lithos), de Hymettus, meer naar het Zuiden, ten O. van Athenae, was met geurigen tijm begroeid en vermaard om zijn voortreffelijken honig. Ten Oosten van den Hymettus lag nog eene kleine binnenvlakte, Mesogaea en ten N. daarvan, in de Diacria, de vlakte van Marathon. De berg Laurium, geheel in het Zuiden, leverde zilvererts. Ook het attisch zout was beroemd, zoowel in letterlijken, als in overdrachtelijken zin. Over het algemeen was het land berg- en heuvelachtig; de vlakten, zooals die van Eleusis en van Athenae, waren niet groot. Koren werd er weinig verbouwd; de olijfboom en de vijg tierden er echter welig. Er werd veel aan schapen- en geitenfokkerij gedaan; voor de teelt van rundvee was de steenachtige bodem minder geschikt.

De bevolking van Attica was ionisch, doch vermengd met een oudere bevolking, die gewoonlijk als "pelasgisch" aangeduid wordt; maar tot welken stam die behoort, weten we niet. In elk geval heeft ook hier de "myceensche" beschaving geheerscht. De Atheners beschouwden zich als autochthonen wegens hun pelasgische afkomst, terwijl de Ioniërs ongeveer in 1000 over zee, waarschijnlijk uit het Noorden het land binnengetrokken zijn, en hun taal en eerediensten aan de oorspronkelijke bevolking hebben opgedrongen. Als stichter van den atheenschen staat geldt Theseus, die de twaalf verschillende gemeenten of demoi tot één geheel vereenigde, met Athenae als hoofdstad, ter gedachtenis waarvan het feest der Panathenaeën werd ingesteld. Athenae was to asty; twee andere plaatsen, Eleusis en Brauron, maakten aanspraak op den naam van polis. De bevolking was eerst verdeeld in 4 phylae (Geleontes, Argadeis, Aigikores, Hopletes) totdat door Clisthenes eene verdeeling in 10 phylae en meer dan 100 (later 174) demi werd ingevoerd (± 508). Na Theseus heerschten in Attica koningen, van welke Codrus de laatste was. Toen volgden er archonten, eerst één voor zijn leven, daarna één voor tien jaar, sedert 683 jaarlijks negen archonten (zie Archontes). Door Solon werden de burgers naar hunne inkomsten in vier klassen verdeeld: pentakosiomedimnoi, triakosiomedimnoi of hippes, zeugitai, en thetes. De volksvergadering bestond uit de burgers boven 20 jaar. De senaat, boule, bestond eerst uit 400 leden, 100 uit elke phyle, doch sedert Clisthenes uit 500 leden, n.l. uit elke der nieuwe phylae 50. De areopagus, he boule he en Areio pago, was door Solon ingesteld als wachter der wetten en als hoogste gerechtshof, doch werd later teruggebracht tot een gerechtshof in zaken van moord. De heliaea, heliaia, was een rechtbank van gezworenen, uit 6000 door het lot gekozen burgers bestaande. Meer bizonderheden zal men in de afzonderlijke artikels vinden.

In Attica behooren de mythen te huis van Cecrops en diens dochters Pandrosus, Herse en Aglaurus, van Erechtheus en vooral de sagen van Theseus. Ook Pandion, de vader van Philomele en Procne, wordt een Athener genoemd.

Atticistae, Attikistai, heeten de latere grieksche schrijvers, die niet in het toen gebruikelijke dialect (koine dialektos) schreven, maar zooveel mogelijk de oude attische schrijvers navolgden, bijv. Lucianus. Deze richting in de Grieksche literatuur begint ongeveer 200, als reactie tegen de willekeur der Aziatisch-Grieksche schrijvers, en bereikt haar hoogtepunt in den tijd van Cicero; men legt zich nu toe op de mimesis ton archaion. Ook worden zoo genoemd taalkundigen, die lijsten van echt attische woorden en uitdrukkingen gemaakt hebben.

Atticus, Cicero's vriend. Zie Pomponii no. 5.

Atticus Herodes (Tiberius Claudius), een schatrijk Marathoniër, leermeester van keizer Marcus Aurelius, een hooggeprezen redenaar, die veel heeft bijgedragen tot verfraaiing van Athene en o.a. een Odeum stichtte.

Attii, 1) Attius (of Attus) Navius, augur tijdens koning Tarquinius Priscus, verzette zich tegen de verdubbeling van het getal riddercenturiën en sneed, om zijne onfeilbaarheid te bewijzen, een slijpsteen met een scheermes door. Er stond een standbeeld van hem met omhuld hoofd (capite velato) op het Comitium, en daarbij de ficus Navia of Ruminalis, z. Rumina.--2) T. (Attius) Labienus zie Labieni no. 1).--3) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 2, zie Labieni no. 2).--4) P. Attius Varus, propraetor van Africa in ± 51, koos de partij van Pompeius, voor wien hij vruchteloos het landschap Picenum zocht te behouden, stak vervolgens naar Africa over, waar hij echter door Caesars legaat Curio (z. Scribonii no. 6) verslagen werd, en sneuvelde later bij Munda.--5) M. Attius Balbus, praetor vóór het jaar 59, gehuwd met Julia, de zuster van C. Julius Caesar, gaf zijne dochter Attia tot vrouw aan Cn. Octavius, den vader van den lateren keizer Augustus.--6) L. Attius (Accius), zoon van een vrijgelatene, beroemd rom. treurspeldichter, schrijver van talrijke stukken, ook nationale (als Decius, Brutus), naar grieksch model gevormd. Er zijn slechts fragmenten van overgebleven. Hij leefde van 170 tot ongeveer 94.--7) Attia, moeder van Octavianus, zie no. 5.

Attila, koning der Hunnen, bijgenaamd de geesel Gods, regeerde eerst (434 na C.) met zijn broeder Bleda, dien hij echter liet ombrengen (444). In 441 en 442 en later in 447 en 448 verwoestte hij het oost-romeinsche rijk en noodzaakte hij keizer Theodosius II hem om vrede te verzoeken en schatting te betalen. Vervolgens richtte hij zich naar het Westen, drong met een leger van 500000 man in Gallia door, doch werd in de Catalaunische velden (bij Châlons-sur-Marne, v.a. bij Troyes) verslagen door de vereenigde legers van den romeinschen veldheer Aëtius, den frankischen koning Meroveüs en den westgothischen koning Theodorik (451). Attila verloor in dezen slag een vierde van zijn leger. Met het overschot viel hij in Italië, veroverde en verwoestte o.a. het sterke Aquileia, doch spaarde Rome op de bede van paus Leo I (452). Naar Pannonia teruggekeerd, stierf hij in 453, waarop het rijk der Hunnen te niet ging.

Attuarii, germaansch volk aan den Rijn. Zie Chasuarii.

Attus Navius, z. Attii, no. 1.

Aturus, riv. in Aquitania, thans de Adour.

Atys, Atis, Attys, Attis, Attes, Attin, Atys, Attys, Attis, Attes, 1) een schoon jongeling, die door Rhea bemind werd, en toen hij eene sterfelijke vrouw wilde huwen, door haar razend gemaakt werd, zoodat hij zichzelven gruwelijk verminkte en aan zijne wonden stierf; na zijn dood werd hij onder de goden opgenomen. De dienst van Atys, die meer aziatisch dan grieksch was en altijd met dien van Rhea nauw verbonden bleef, geleek door buitensporige vertooning van droefheid en vreugde veel op dien van Adonis; de pijnboom was het zinnebeeld van zijn sterven, het viooltje dat van zijn herleven.--2) stamvader van de lydische dynastie der Atyaden.--3) zoon van Croesus, die door Adrastus (no. 2) bij ongeluk op de wilde zwijnenjacht gedood werd.

Auctio, in algemeenen zin elke openbare verkoop bij opbod; vandaar de naam, afgeleid van augere, omdat elke volgende bieder het bod verhoogt. In engeren zin is auctio eene private verkooping, in tegenstelling van sectio, verkooping bij executie van staatswege. Aanslagbilletten en catalogussen (album, tabula, libellus auctionis) had men oudtijds evengoed als thans. Men had ook venduhuizen, atria auctionaria. Een omroeper, praeco, vervulde de rol van afslager. Bieden was liceri, supra adicere. Het toeslaan van den koop heette addictio. De betaling geschiedde contant.

Auctor is zoowel degene, die eene zaak in het leven roept, als hij, die ze steunt en bevordert. Auctor legis kan dus synoniem zijn met lator legis, maar ook met suasor legis. Ook het bekrachtigen eener wet, b.v. door de patres is auctorem esse. In het ius civile is auctor de lastgever, de raadsman, de uitvoerder en dgl.

Auctoritas (patrum), zie Patres.

Aufidena, 1) stad in Noord-Samnium nabij de bronnen van den Sagrus.--2) stad in Apulia aan den mond van den Aufidus.

Aufidia (lex) de ambitu, plebisciet van Aufidius Lurco, 61, eene der vele wetten tot bestrijding van dit euvel, waarbij het beloven van geld niet strafbaar werd gesteld, doch het geven van geld met zware levenslange jaarlijksche geldboete werd gestraft. Dit wetsvoorstel is niet aangenomen.

Aufidia (lex) de feris Africanis, onzeker van welk jaar, waarbij de invoer van wilde dieren uit Africa voor de openbare spelen werd toegestaan.

Aufidii, 1) Cn. Aufidius, praetor in 104, schreef eene rom. geschiedenis in het grieksch. In zijn ouderdom was hij blind, doch bleef zich toch met staatszaken bemoeien.--2) Aufidius Lurco, volkstribuun in 61, bracht de gewoonte in zwang, pauwen te mesten.--3) Aufidius Bassus, onder Augustus en Tiberius, beschreef de burgeroorlogen en de oorlogen in Germania. Zijne werken zijn verloren.--4) Aufidius Luscus, hoogste magistraat te Fundi, door Horatius bespot.

Aufidum = Aufidena no. 2.

Aufidus, snelstroomende rivier van Apulia, waaraan Horatius' geboorteplaats Venusia lag. Ten Zuiden v. a. ten N. van deze rivier is de slag bij Cannae (z. a.) geleverd.

Auge, Auge, Augeia, dochter van Aleüs, koning van Tegea, en Neaera, werd bij Heracles moeder van Telephus. Daar een orakel voorspeld had dat haar kind de zonen van Aleüs zoude dooden, gaf deze haar, toen hij hare zwangerschap bemerkte, aan Nauplius over, met last om haar in zee te werpen; deze echter, getroffen door hare schoonheid, vluchtte met haar en bracht haar naar Teuthras, koning van Mysië, die haar tot vrouw nam. V. a. werd zij door Teuthras als dochter aangenomen en later door Telephus naar haar vaderland teruggebracht.

Augias, Augeias, zoon van Phorbas of van Helius, koning der Epeërs in Elis, had in een stal 3000 runderen staan, en daar deze stal in 30 jaren niet gereinigd was, scheen het onmogelijk den mest er uit te verwijderen. Daarom droeg Eurystheus aan Heracles op, die taak in één dag te volbrengen, en deze kweet zich van die opdracht door het water van de rivieren Alpheus en Peneus door den stal te leiden, zoodat de mest van zelf weggespoeld werd. Augias, die niet gedacht had dat de onderneming zoude gelukken, had eerst aan Heracles het tiende gedeelte zijner kudde beloofd, indien hij zoude slagen, maar toen hij later vernomen had dat de held op last van Eurystheus gehandeld had, weigerde hij zijne belofte te vervullen. Daarom deed Heracles hem later den oorlog aan, en ofschoon zijn leger eerst, terwijl hijzelf ziek was, door de Molioniden werd verslagen, verwoestte hij later, toen hij hersteld was, het land en doodde hij Augias met al zijne zonen, behalve Phyleus, die zijn goed recht erkend had en tot loon daarvoor met de regeering begiftigd werd.--Bij deze gelegenheid stichtte Heracles de olympische spelen.

Augila, ta Augila, oase in de libysche woestijn ten W. van Aegypte, met veel dadelpalmen, door een stam der Nasamones bewoond.

Augures, oionoskopoi, romeinsch priestercollegie, welks taak het was, volgens vaste regelen den wil der godheid op te sporen en als deskundigen voorteekenen te verklaren. Wanneer een der magistraten eene gewichtige handeling wilde verrichten, b. v. wanneer een consul de centuriaatcomitiën wilde bijeenroepen, dan moest hij zich vooraf vergewissen, of de goden zijn plan goedkeurden. Het recht om dit onderzoek te gelasten, heette spectio en kwam den overheidspersoon toe; het onderzoek zelf en de mededeeling van den uitslag heette nuntiatio en kwam den augur toe. Daar het den augurs niet verboden was, overheidsambten te bekleeden, kon zich het geval voordoen, dat spectio en nuntiatio in ééne hand waren, zonder eenige contrôle. De augurs konden aan vele zaken godsdienstige belemmeringen in den weg leggen, ja zelfs konden zij gehouden verkiezingen vernietigen door de verklaring, dat er bij de waarneming der teekenen een vitium, een verzuim of eene fout, had plaats gehad en dat dus de gekozenen vitio creati waren, hetgeen ten gevolge had, dat zij hun ambt weder moesten neerleggen en anderen gekozen moesten worden. De eenige waarborg tegen misbruik was, dat alle uitspraken door het geheele collegie éénstemmig moesten geschieden. Het augursambt was oorspronkelijk patricisch, eerst waren er drie, later vijf (v. a. zes). De keuze had plaats door coöptatie. In 300 evenwel bracht het plebisciet van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius het getal op negen, en wel vier uit de patriciërs en vijf uit de plebejers. Het plebisciet van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus van 104 bracht de keus aan het volk, en wel zoo, dat het lot de kleinste helft (17 van de 35) tribus zou aanwijzen, en dat hij, die door deze bij meerderheid van stemmen zou worden voorgedragen, door het collegie zou worden gecoöpteerd. Deze coöptatie was voor het leven. Al de priesters, die tot de sacerdotes populi Romani gerekend werden, en dus ook de augurs, moesten vóór de aanvaarding van hun ambt geïnaugureerd, d. i. door een augurium gewijd worden; doch hoe deze inauguratio plaats had, wordt niet in bizonderheden vermeld. Bij elke wijding, zoowel van personen als van plaatsen, was de hulp der augurs noodig. Tot de insignia der augurs behoorden de trabea, en de lituus.

Auguria. Wat de Grieken betreft, verwijzen wij naar het artikel manteia. Bij de Romeinen heeft zich de leer der voorteekenen op een geheel andere wijze, veel kunstmatiger, ontwikkeld dan bij de Grieken. Er zijn ongezochte voorteekenen, die zich van zelf voordoen, auguria of auspicia oblativa, en andere, die men van de goden afsmeekt, impetrativa. Tot de eerste soort behooren de ostenta, prodigia, monstra, portenta, omina. Hoewel het verschil niet altijd in acht wordt genomen, beteekenen prodigium en monstrum buitengewone verschijnselen in de menschen- en dierenwereld, portentum en ostentum in hetgeen daarbuiten ligt. Een monstrum is een verschijnsel, dat met de wetten der natuur in strijd is. Staan prodigia en omina tegenover elkander, dan is een prodigium een zichtbaar, omen een hoorbaar teeken. Doch de algemeene naam voor alle teekenen is signa. Hadden er nu buitengewone verschijnselen plaats, die de gemoederen verontrustten, dan bepaalde de senaat, wat behoorde te gebeuren; hij liet door de decemviri sacris faciundis (z. decemviri no. 4) de heilige orakelboeken raadplegen; hij ontbood uit Etruria buitengewone haruspices (z. a.) om de ingewanden der offerdieren te onderzoeken, enz. Doch zulke buitengewone voorvallen en verschijnselen worden niet tot de eigenlijke auguria gerekend. Hieronder verstaat men de teekenen, die niet buiten den gewonen kring der gebeurtenissen vallen.--1) Signa ex avibus. Wanneer een magistraat spectio wilde houden, begaf hij zich omstreeks middernacht met een der augurs naar het auguraculum of waarnemingspunt op den burg. Dáár gekomen trok de augur met zijn kromstaf of lituus op den grond een streep van het Noorden naar het Zuiden, cardo genoemd en een anderen van het Oosten naar het Westen, decumanus geheeten. Om het kruispunt heen beschreef hij een kwadraat en maakte door een formulier de ruimte daarbinnen tot eene gewijde plaats, een templum. Op dit templum nu sloeg hij een linnen tent op (tabernaculum capere) met de opening naar het zuiden. Dan ging hij in de opening staan, teekende met zijn staf vier denkbeeldige lijnen aan den hemel af, als het templum, waarbinnen hij zijne waarnemingen zou doen. Intusschen zat de overheidspersoon binnen in de tent, met een doek om de ooren gebonden, capite velato. Ook de augur omwond zich het hoofd, want het minste geraas--altijd, als men het hoorde--stoorde de waarneming. Zoo was de stoel, waarop de overheidspersoon zat, uit één stuk, opdat hij niet zou kraken. Wat nu de waarneming zelve der vogels betreft, die zich binnen het aan den hemel afgebakende templum vertoonden, had de augur te letten op de soort van vogels, de hoogte waarop, de richting waarin, en de wijze waarop zij vlogen. Vogels, die door hun geschreeuw of gezang den wil der goden uitdrukten, werden oscines genoemd; die het door hunne vlucht deden, alites. In den regel was wat van het Oosten, d.i. van de lichtzijde, dus van links, kwam, gunstig, wat van de Westzijde kwam, ongunstig. Niet voor alle vogels evenwel golden dezelfde regels; de kraai b.v. moest van de linkerzijde, de raaf van den rechterkant krassen. Sommige vogels waren bepaald ongeluksvogels; andere golden alleen voor bepaalde gevallen. Men kan hieruit zien, dat de leer der vogelwichelarij vrij ingewikkeld was. Waren nu de teekenen gunstig, dan zei de augur: aves addicunt; zoo niet, dan bezigde hij de woorden: alio die.--2) Signa ex caelo. Dit waren bliksem, fulmina--weerlicht, fulgura--donder, tonitrua. In de taal der augurs werden deze natuurverschijnselen manubiae geheeten. Zij werkten storend op volksvergaderingen, zóó zelfs, dat reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se servaturum de caelo esse, d. i. dat hij zou zoeken, of niet ergens een bliksemstraal of weerlicht te zien was, voldoende werd om de volksvergadering te storen. De leer van den bliksem was vooral in Etruria sterk ontwikkeld, waar men zelfs twaalf verschillende soorten er van onderscheidde.--3) Signa ex tripudiis. Bij de romeinsche legers voerde men in den regel een mand of hok heilige hoenders mede. Werden deze losgelaten en aten zij het toegeworpen voeder gretig op, zoo was dit een gunstig voorteeken; vielen zij er zóó gulzig op aan, dat de brokken hun uit den bek vielen, dan was het teeken zeer gunstig (tripudium sollistimum). Wilden zij echter niet vreten, dan was het voorteeken slecht.--4) Signa ex quadrupedibus. Deze behoorden tot de oblativa, de ongezochte voorteekenen, en konden slechts in zooverre tot de auguria behooren, als de augurs ze volgens vaste regels verklaarden. Wanneer men b.v. met eenig plan uitging en een hond, een vos of eenig ander viervoetig dier over den weg zag loopen, dan kon men dit als een voorteeken beschouwen.--5) Signa ex diris. Deze bestonden in het breken van een schoenriem, het stooten van den voet, het gekras van een uil en dergelijke toevalligheden. De augurs hadden er dan slechts mede te maken, wanneer ze hun ter verklaring werden medegedeeld.--6) Hoewel elk toevallig voorteeken een omen kan genoemd worden, verstond men onder omina toch vooral de hoorbare voorteekenen, en daarom vermeed men zooveel mogelijk onheilspellende woorden, vooral bij gewichtige gelegenheden, bij feesten, plechtigheden, enz. De eerst uitgebrachte stem bij eene verkiezing, het gevoelen van den eersten spreker in den senaat gold voor een omen. Men offerde met omwonden hoofd (capite velato), om niet toevallig een ongunstig woord, door een der omstanders onvoorzichtig uitgesproken, te moeten hooren. Hoewel ongezochte voorteekenen slechts waarde hadden voorzoover men ze zelf aannam, en men ze kon afwenden door woorden als: omen non accipio, non pertinet ad me, waren de Romeinen veel te angstvallig en bijgeloovig om dit middel dikwijls toe te passen. Dit bijgeloof heeft ook tot naamsveranderingen aanleiding gegeven. Evenals de Grieken pontos Axeinos in Euxeinos veranderden, hebben de Romeinen Maleventum in Beneventum veranderd en aan Epidamnus zijn ouden naam Dyrrhachium teruggegeven.

Augurinus, familienaam in de gens Genucia en de gens Minucia.

Augusta, naam van een aantal steden, hetzij op last van Augustus gesticht, hetzij door hem verfraaid of uitgebreid, o. a.:

Augusta Emerita, in Lusitania, aan den Anas (Guadiana), thans Merida.

Augusta Iulia Gaditana, vroeger Gades, in Baetica, thans Cadix.

Augusta Nemetum, vroeger Noviomagus, aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.

Augusta Praetoria, gesticht door de praetoriaansche bezetting in het land der Salassiërs, aan de Poenische Alpen, thans Aosta.

Augusta Rauracorum (Rauricorum), in Belgica, thans Augst bij Basel.

Augusta Suessionum, in Belgica, thans Soissons.

Augusta Taurinorum, vroeger Taurasia, aan den Padus (Po), thans Turijn.

Augusta Trevirorum, aan de Mosella, thans Trier.

Augusta Vindelicorum, aan den Licus (Lech), thans Augsburg.

Augusta Viromanduorum, in Belgica, thans St. Quentin.

Augustales, zie municipium.

Augustamnica. Verschillende beheerschers van Aegypte--Ramses II of Sesostris, Necho, Darius Hystaspis, Ptolemaeus I en II--hebben pogingen aangewend om de Arabische golf met de Nijldelta te verbinden. Telkens echter werd het kanaal aan zijn lot overgelaten en verzandde het weder. Onder Traianus werd het op nieuw uitgegraven en amnis Augustus genoemd, waarnaar de landstreek onder Diocletianus den naam Augustamnica kreeg.

Augustinus (Aurelius), de grootste kerkvader van het Westen, geboren te Tagaste (Thagaste) in Numidia in 354 n. C., zoon van Patricius en Monica, ontving zijne opvoeding te Madaura en te Carthago, was eerst leeraar te Tagaste, daarop leeraar in de welsprekendheid te Carthago, daarna te Rome (383) en te Milaan (384), waar hij onder invloed van Ambrosius tot het Katholicisme overging en zich in 387 liet doopen. Daarop keerde hij naar Africa terug, werd in 391 presbyter te Hippo Regius, en was van 396 tot zijn dood (430) bisschop van Hippo Regius. Van zijne theologische geschriften zijn de meest bekende: Confessionum libri XIII en de civitate Dei libri XXII.

Augustobona, stad der Tricassers in Gallia, aan de Sequana (Seine), thans Troyes.

Augustodunum, vroeger Bibracte, groote, volkrijke stad der Aeduers in Gallia, thans Autun.

Augustonemetum, vroeger Nemetum, Nemossus, hoofdstad der Arverners in Gallia, thans Clermont, naar een nabijgelegen berg, clarus mons.

Augustoeuphratensis of Euphratensis, naam van de onder Diocletianus en Constantijn tot ééne provincie vereenigde gewesten Commagene en Cyrrhestice.

Augustoritum, stad der Lemovicers in Gallia, thans Limoges.

Augustus, Augoustos, Sebastos, "de gewijde", ons "Majesteit", door de Romeinen afgeleid van augur, doch tevens in verband gebracht met augere, evenals de oud-duitsche keizers ook den titel van "Mehrer des Reiches" voerden. Deze titel werd aan C. Julius Caesar Octavianus, nadat het volk hem reeds als Augustus had begroet, in het begin van het jaar 27 door den senaat plechtig toegekend, op voorstel van L. Munatius Plancus, terwijl de keizer later bij testament zijne gemalin Livia tot Augusta verhief. De titel Augustus maakte den keizer tot een gewijd persoon en plaatste hem als het ware boven het overige menschdom. De titel ging daarna op de volgende keizers over, eerst bij senaatsbesluit, later vanzelf als iets wat bij de keizerlijke waardigheid behoorde. Hij werd evenwel alleen door regeerende keizers gedragen, nooit door den vermoedelijken troonopvolger.--Over het leven van keizer Augustus zie men Julii no. 14.

Aula, Aule, z. andron en gynaikeion.

Aulaeum, he aulaia, voorscherm van een tooneel. Wanneer de voorstelling begon, werd het scherm niet, zooals bij ons, opgehaald, doch men liet het omlaag zakken in eene sleuf, waaronder het dan tegelijkertijd op eene rol werd opgerold. Was de voorstelling ten einde, dan werd het scherm omhooggehaald.--Ook verstaat men onder aulaea tapijten, die als tochtschermen tusschen de zuilen eener galerij of van het atrium werden opgehangen, of dienden om in plaats van een deur een vertrek af te sluiten, en bij dichters ook wel de dekkleeden, die over de aanligsofa's bij den maaltijd werden uitgespreid.

Aulerci, voorname gallische volksstam, in vier takken verdeeld, waarvan drie tusschen Sequana (Seine) en Liger (Loire) woonden, n.l. de Aulerci Eburovices, z. Eburovices;--de Aul. Cenomani, met de hoofdstad Suindinum of Subdinum, thans Mans,--de Aul. Diablintes. Een vierde tak, de Aul. Brannovices, cliënten der Aeduers, woonde zuidelijk van deze laatsten, tusschen den Boven-Liger en den Arar (Saône). De Cenomani (z. a.) komen ook in Gallia Cisalpina voor.

Aulis, Aulis, havenstad in Boeotia aan den Euripus, verzamelplaats der grieksche vloot voor den trojaanschen oorlog.

Aulon, Aulon, 1) landstreek en stad in Messenia, n.m. het dal van de Neda, die Messenia van Triphylia scheidt, met een tempel van Asclepius.--2) vruchtbare, druivenrijke streek nabij Tarentum.--3) stad en dal in Macedonia, aan de strymonische golf.--4) havenstad in Illyria ten N. van Acroceraunia.

Aurelia (lex), iudiciaria van den praetor L. Aurelius Cotta (Aurelii no. 7), 70. Volgens deze wet moesten de gerechtshoven, die sedert Sulla alleen uit senatoren bestonden, samengesteld worden uit senatoren, ridders en tribuni aerarii (z. a.).

Aurelia (lex), tribunicia van den consul C. Aurelius Cotta (Aurelii no. 5), 75. Deze wet veroorloofde aan gewezen volkstribunen wederom naar hoogere ambten te dingen, wat hun door Sulla verboden was.

Aurelia (via). Deze weg liep van Rome uit langs de etruscische kust. Hare voortzetting vormt de via Aemilia Scauri.

Aureliani (civitas), latere naam voor Genabum, thans Orleans.

Aurelianus (L. Domitius), uit geringen stand geboren, werd in 270 n. C. door de legioenen aan den Donau tot keizer uitgeroepen, in een tijdperk, toen het romeinsche rijk door legeroproeren tot ontbinding dreigde over te gaan. Reeds had M. Aurelius Claudius Gothicus (268-270) de Gothen en Alemannen teruggeslagen; na zijn dood zette Aurelianus het werk voort, verdreef de Alemannen, Iuthungen en Marcomannen uit Italië, waarin zij een inval hadden gedaan, omringde Rome met een nieuwen vestingmuur, heroverde vervolgens de oostelijke gewesten, die door Zenobia, koningin van Palmyra, van het rom. rijk waren losgescheurd (272 n. C.), versloeg daarna den tegenkeizer Tetricus in Gallia en voerde hem en Zenobia als gevangenen mede naar Rome, waar zijn zegewagen door vier olifanten werd getrokken. Hij herstelde de krijgstucht in het leger, strafte nog eenige oproeren en werd met recht restitutor imperii genoemd. Hij was hard en ruw, doch met hart en ziel soldaat, en daardoor juist een geschikt keizer voor zijn tijd. Dacia, dat door Traianus veroverd was, werd door Aurelianus prijsgegeven, daar hij het veiliger achtte, den Donau als grensrivier te behouden. De rom. bevolking uit Dacia verplaatste hij naar een deel van Moesia, dat hiernaar den naam kreeg van Dacia Aureliani. In 275 werd Aurelianus, terwijl hij tegen de Perzen optrok, vermoord door een zijner vrijgelatenen.

Aurelii. De gens Aurelia was een plebejisch geslacht, waartoe o.a. de familiën der Scauri en der Cottae behoorden.--1) C. Aurelius Cotta, consul in 252 en 248, streed voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers.--2) C. Aurelius Cotta, consul in 200.--3) L. Aurelius Cotta, volkstribuun in 154, consul in 144, twistte met zijn ambtgenoot Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) heftig over de vraag, wie als veldheer tegen Viriathus naar Lusitania zou gezonden worden. Scipio Africanus minor (Aemilianus) bewerkte toen, dat geen van beiden werd gezonden, maar zijn eigen broeder Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii no. 18), die reeds in Spanje was, het commando behield.--4) L. Aurelius Cotta, consul in 119, verzette zich te vergeefs tegen de lex Maria de suffragiis ferendis (z.a.).--5) C. Aurelius Cotta, consul in 75, maker van de lex Aurelia tribunicia, door Cicero als redenaar geprezen, wordt door dezen sprekende ingevoerd in zijne boeken de oratore en de natura deorum. In 91 was hij na den moord van zijn vriend M. Livius Drusus in ballingschap gegaan, tengevolge der lex Varia de maiestate, die den bondgenooten-oorlog deed uitbarsten.--6) M. Aurelius Cotta, broeder van no. 5, consul in 74, voerde met L. Licinius Lucullus den oorlog tegen koning Mithradates VI van Pontus, door wien hij echter bij Chalcedon te land en ter zee verslagen werd. Cotta had het bestuur over Bithynië en het opperbevel ter zee, terwijl Lucullus met Asia en Cilicië het opperbevel te land had.--7) L. Aurelius Cotta, broeder van no. 5 en 6, opende als praetor in 70 door zijne lex iudiciaria voor de ridders weder den toegang tot de iudicia en nam ook de tribuni aerarii onder de rechters op. In 65 werd hij met L. Manlius Torquatus consul, daar de eerst gekozenen wegens ambitus veroordeeld werden.--8) M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus, een sterk aanhanger van keizer Tiberius. Hij was een zoon van den redenaar M. Valerius Messala Corvinus (z. Valerii no. 28 en 29), doch door de familie Cotta geadopteerd. Hij was een doorbrenger, die de rol van verklikker speelde. Ovidius heeft uit Tomi minstens drie gedichten tot hem gericht.--9) L. Aurelius Orestes, consul 126, ook als redenaar niet zonder naam, ging als consul naar Sardinia, en hield in 122 een zegetocht over de Sarden.--10) M. Aurelius Scaurus, consul in 108, streed in 105 als legatus van den consul Cn. Mallius Maximus ongelukkig tegen de Cimbren en viel door de hand van hun aanvoerder Boiorix.--11) L. Aurelius Verus, z. Verus.--12) S. Aurelius Victor, geschiedschrijver uit de vierde eeuw n. C., onder keizer Julianus stadhouder van Pannonia. Van hem bestaat nog een beknopt en zaakrijk werkje de Caesaribus, dat tot op Constantius loopt. Een paar andere werkjes (epitome de Caesaribus, origo gentis Romanae, en de viris illustribus) staan ten onrechte op zijn naam.--13) Aurelia, uit de familie Cotta, moeder van C. Julius Caesar.

Aurelius (Marcus), meer volledig M. Aurelius Antoninus, bijgenaamd Philosophus, was de zoon van den praetor L. Annius Verus (Annii no. 6), doch werd door keizer Antoninus Pius als zoon aangenomen, wiens dochter Faustina hij ook huwde. Hij was in 121 na C. te Rome geboren, had eene zeer zorgvuldige opvoeding genoten en kwam in 161 aan de regeering, waarop hij zijn jongeren broeder L. Aurelius Verus tot mederegent aannam. Terwijl Verus door zijne legaten de Parthen liet beoorlogen, waarbij Seleucia en Ctesiphon den Romeinen in handen vielen (164), had M. Aurelius te kampen met invallen der Marcomannen, Quaden en Sarmaten (Iazygen), die nu en dan ook nog door andere stammen, zooals de Hermunduren, Vandalen en Langobarden ondersteund werden. De barbaren drongen zelfs tot Aquileia door, terwijl nog daarenboven het leger van den keizer door pest werd geteisterd. Onderwijl stierf Verus in 169. In 175 trok M. Aurelius naar Azië, om den opstand te bedwingen van zijn stadhouder Avidius Cassius, die echter door zijn eigen officieren werd vermoord. In 179 en 180 streed hij wederom met geluk aan den Donau tegen de Marcomannen, toen hij onverwachts te Vindobona (Weenen) stierf. Zijne zedekundige geschriften, ta eis heauton, ademen een stoicijnschen geest, doch zijne zachtmoedigheid van karakter drong hem, de strengheid dezer leer tegenover anderen te verzachten. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Commodus.

Aureus, nummus aureus of solidus, rom. gouden munt van 25 denariën of 100 sestertiën. Onder Augustus, toen de munt nog onvervalscht was, had de aureus eene innerlijke waarde van ruim f12,50 van onze munt; men moet echter in het oog houden, dat destijds de waarde van het goud tegenover het zilver geringer was dan thans, hetgeen ook uit de gelijkstelling met 100 sestertiën = f10.--zilver blijkt. Sedert de derde eeuw na C. nam de vervalsching sterk toe.

Auriga, heniochos. Bij de Perzen, Aegyptenaren, Trojanen, Grieken, komen in den oorlog strijdwagens voor, waarop de eigenaar van het span als krijgsman staat, terwijl een mindere de paarden bestuurt. Natuurlijk moest dan de andere zijn wagenmenner met zijn schild dekken. Daarom trof het de Romeinen bij de verovering van Britannia, dat bij de Britten de hoofdpersoon zijn span mende en een dienaar voor zich liet vechten.--Bij wedrennen droeg elke wagen slechts één persoon. Bij de nationale spelen in Griekenland treden niet de eigenaars der paarden als menners op; zij lieten hunne twee- of vierspannen besturen door vrienden of door geoefende jongelingen, en niemand behoefde het zich tot oneer te rekenen, als wagenmenner dienst te doen. Anders was het bij de Romeinen. De aurigae of agitatores waren menschen, die van hunne kunst een beroep maakten. In den beginne waren het slaven of vrijgelatenen of menschen uit lageren stand; eerst toen een keizer als Nero het niet beneden zich achtte zelf als menner in het strijdperk te verschijnen, ging de slaafschheid zóóver, dat ook aanzienlijken als menners van hun eigen paarden optraden. De aurigae vormden vier clubs of factiones: alba, wit--russata, roodachtig,--veneta, blauw--prasina, zeegroen. Zij droegen eene tunica zonder mouwen en hadden het bovenlijf met riemen omsnoerd. Hun uniform, hun wagen, het tuig der paarden droeg de kleur hunner factio. Om de handen vrij te hebben tot het aanzetten der paarden, bonden de menners zich de teugels om het lichaam vast; om te vieren of strak te houden, hadden zij zich dus slechts vóór of achterover te buigen. Om ingeval van een ongeluk zich te kunnen vrijmaken, droegen zij een kort mes tot het doorsnijden der teugels. Bij elken wedren reed één wagen van elke factio mede. Keizer Domitianus voegde aan de vier bestaande factiones twee nieuwe toe: eene aurata en eene purpurea, die echter na zijn dood weder werden opgeheven. Over de wedrennen zelve zie men het artikel circus.

Aurora, z. Eos.

Aurunci, een der oude volken van Latium en Campania. In de laatste helft der vierde eeuw waren zij beperkt tot het zuidelijk deel van Latium, en in 314 werden zij door de Romeinen zoo goed als uitgeroeid. In hun land werden door de Romeinen aangelegd de Latijnsche coloniae: Cales, Suessa Aurunca en Pontia, en de coloniae civium Romanorum: Sinnessa en Minturnae. In hun gebied lagen de mons Massicus en de ager Caecubus, beide beroemd om den wijn, die er werd geteeld. Zie ook Ausones.

Ausci, Auskioi, volksstam in Aquitania, met de hoofdstad Elimberris, later Augusta, thans Auch.

Ausculum = Asculum Apulum.

Ausenses, Auseis, libysche stam, ten Zuiden van Numidia bij het meer Tritonis.

Ausetani, volksstam in het Noordoosten van Hispania Tarraconensis, met de stad Gerunda (Gerona).

Ausones, Ausonia, Ausones, Ausonia. De Ausoniërs vormden de oude, voor-rom. bevolking van Midden-Italië, van Apulia, Campania en het zuidelijk gedeelte van Latium. Zij worden ook Opici, Opikoi, en Osci, Oskoi, genoemd. De naam Ausones is dezelfde als Aurunci. Waarschijnlijk was de ausonische stam verwant met den umbrischen. Dichterlijk wordt Ausonia ook voor Italia gebezigd.

Ausonius (Decimus Magnus), romeinsch dichter uit Burdigala (Bordeaux) en leeraar in de welsprekendheid. Zijn vader was lijfarts van keizer Valentinianus I (364-375 n. C.), hij zelf werd de opvoeder van diens zoon Gratianus. Achtereenvolgens werd Ausonius quaestor, praefectus praetorio en consul (379) in Gallia; doch na Gratianus' dood (383) trok hij zich uit het staatsleven terug. Hij overleed in 392, ruim 80 jaar oud. Onder de gedichten van Ausonius is zijn stroomdicht Mosella, dat hij te Augusta Trevirorum schreef, het meest beroemde.

Auspicia. Oorspronkelijk duidt dit woord de vogelwichelarij aan, doch werd later ook toegepast op alle andere middelen om te zien of de goden hunne goedkeuring hechtten aan een beraamd plan. De wijze, waarop dit geschiedde, is onder het artikel auguria medegedeeld. Auspicia privata kon ieder voor zich nemen; doch auspicia publica ten behoeve van den staat konden slechts genomen worden door magistratus populi Romani. De volkstribunen, tribuni plebis, als zijnde slechts overheden van de plebs, en niet van den populus, hadden dus geen ius auspiciorum, en de door hen in het leven geroepen concilia plebis, waren niet aan voorafgaande auspiciën gebonden, wat met de centuriaatcomitiën wel het geval was. Toen echter de macht van het volkstribunaat overwegend werd en plebiscita met leges waren gelijkgesteld, achtte men het wenschelijk ook aan de volkstribunen auspiciën toe te kennen, minder als voorrecht, dan wel als middel tot beteugeling. Niet alle auspicia waren van gelijken rang; zoo stonden die der consuls en praetoren hooger dan die van andere overheden. Auspicium nu beteekent zoowel het waarnemen als het waargenomen teeken, doch bovendien ook het recht om den goden hun ja of neen af te vragen. Dit recht nam de overheidspersoon van zijn voorganger of van de patres (de patricische leden van den senaat) over, wanneer hij bij de aanvaarding van zijn ambt de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden vervulde. Had hij geen onmiddellijken opvolger, was hij vitio creatus, of kwam hij in zijn ambt te overlijden, dan keerden de auspicia tot de patres terug. Ook de veldheer, die met een leger uittrok, moest vooraf auspicia nemen en zich hierdoor het recht verschaffen, ook in het veld den wil der godheid uit te vorschen. Door het veronachtzamen van zekere vormen, b.v. bij het overtrekken eener rivier--want een water verbrak de auspicia, tenzij men een formulier uitsprak--kon hij zijne auspicia verliezen. Was hij nu in den strijd bij voortduring ongelukkig, dan ontstond het vermoeden, dat zijne auspicia door eenig verzuim vitiata waren, in welk geval hem niets anders restte, dan naar Rome terug te keeren om nieuwe auspicia te halen. Daar alleen de veldheer auspicia had, beteekent de uitdrukking sub auspiciis alicuius: onder iemands opperbevel.

Auster, de Zuidenwind, tgw. Scirocco genoemd, zie Windstreken.

Autariatae, Autariatai, volksstam in Dalmatia.

Autochthones, Aborigines, heetten de grieksche volken, die beweerden dat hunne voorouders niet uit den vreemde waren gekomen, maar in het land zelf, als het ware uit den grond (vandaar de spotnaam gegeneis) waren ontstaan. De Atheners en de Arcadiërs beroemden zich van zulke autochthonen af te stammen.

Autololes, Autololai, gaetulische volksstam op de Westkust van Afrika, buiten de zuilen van Heracles en ten Zuiden van den Atlas.

Autolycus, Autolykos, zoon van Hermes en Chione, van moederszijde grootvader van Odysseus, de sluwste dief en bedrieger der oudheid. Hij woonde op den Parnassus en ondernam van daar uit verscheiden rooftochten, van welke hij altijd rijken buit medebracht, terwijl hij nooit ontdekt werd, daar hij het vermogen bezat zichzelven en de gestolen goederen onzichtbaar te maken of van gedaante te doen veranderen. Maar de runderen van Sisyphus, die hij ook gestolen had, moest hij teruggeven, daar deze aan den hoef gemerkt waren en dus gemakkelijk herkend werden.--Autol. was ook zeer bekwaam in het worstelen en leerde Heracles deze kunst.

Automedon, Automedon, zoon van Diores, wagenmenner en strijdmakker van Achilles; de naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wagenmenner gebruikt.

Autonoe, Autonoe, dochter van Cadmus en Harmonia, moeder van Actaeon.

Autonomia, het recht van een staat om zichzelf wetten te geven, voornaamste kenmerk van politieke onafhankelijkheid; onder de Romeinen was hiermede verbonden het recht om eigen munten te slaan.

Autonous, Autonoos, een heros, die te Delphi vereerd werd en den delphischen tempel tegen de troepen van Xerxes verdedigde.

Autrigones, volksstam in Hispania Tarraconensis tusschen den Iberus (Ebro) en het mare Cantabricum (golf v. Biskaye).

Autronii.--P. Autronius Paetus, in 65 met P. Cornelius Sulla wegens ambitus veroordeeld, redenaar met sterke stem. Hij nam deel aan de Catilinarische samenzwering en werd in 62 volgens de lex Plautia de vi veroordeeld, en ging in ballingschap naar Epirus. Dit geslacht heeft bovendien een paar consuls opgeleverd.

Auxesia, Auxesia, godin van den wasdom, waarschijnlijk een bijnaam van Demeter. Z. Damia.

Auxilia, troepen, die door de Romeinen uit de provinciën werden getrokken of door verbonden volken en vorsten geleverd werden. De italische volken leverden geene auxilia; zij waren socii, omdat Italia geen provincie was. Toen Italia het burgerrecht kreeg, waren er geene socii meer in het leger.

Auximum, aanzienlijke stad, sedert 157 rom. kolonie, in Picenum, ten zuiden van Ancona.

Auxo, Auxo, eene van de Gratiën.

Auxume, Auxoume of Axome, Axome, thans Axoem, in Aethopia, nabij de bronnen van den Astaboras (Atbara), in den keizertijd hoofdstad van een machtigen handelsstaat. Volgens het geschiedverhaal zou onder de regeering van koning Psamtik of Psammeticus een deel van de kaste der krijgslieden, ten getale van 240000 man, Aegypte verlaten hebben en zich zóóver van Meroë gevestigd hebben, als Meroë van Syene ligt. Vermoedelijk is hierdoor het rijk van Auxume ontstaan. De bloei dateert eerst uit den tijd na den val van Meroë.

Avaricum, thans Bourges, ten Z. van den Liger (Loire) in Gallia, hoofdstad der Bituriges, in den grooten gallischen opstand (52) door Caesar veroverd, waarbij van de 40000 menschen, die er een toevlucht hadden gezocht, slechts 800 aan het bloedbad ontkwamen. Later was het de hoofdstad van Aquitania I.

Avella = Abella.

Avenio, aanzienlijke stad in Gallia Narbonensis, in het gebied der Cavari, thans Avignon, aan den Rhodanus (Rhone).

Avens (t.g.w. Velino), riviertje in het Sabijnsche land, zijtak van den Nar. In de nabijheid van Reate vormde het groote moerassen, paludes Reatinae, die de consul M.' Curius Dentatus in 290 grootendeels drooglegde door het dóórsteken van een berg (zie Reate), zoodat slechts een meertje, lacus Velinus, overbleef. Even beneden dien doorsteek stort de Avens zich langs den beroemden waterval van Terni (oudtijds Interamna), in het italiaansch le Cadute of le Cascate delle Marmore geheeten, in den Nar (t.g.w. Nera) uit.

Aventicum, hoofdstad der Helvetiërs, in de 4de eeuw n. Chr. reeds verlaten. Thans Avenches aan het meer v. Neufchâtel.

Aventinus (mons), een der zeven heuvels van het oude Rome, die, evenals de mons Capitolinus, wel binnen den stadsmuur, doch buiten het pomerium lag. Op dezen heuvel lag een tempel van Diana, door Tarquinius Priscus als gemeenschappelijk rom.-latijnsch heiligdom gesticht.

Avernus (lacus), Aornos limne, aan den sinus Cumanus (golf v. Napels), een uitgebrande krater, waarin zich een meer gevormd had, omgeven door een donker cypressenwoud. Zwaveldampen verpestten de lucht boven dit meer, waar geen visch in leefde en geen vogel over heen vloog (vandaar de naam). Bij Vergilius woont hier de sibylle van Cumae in eene grot, waardoor Aeneas in het schimmenrijk afdaalt. Onder de regeering van Augustus legde Agrippa hier in 37 de oorlogshaven portus Julius aan, die later vervangen werd door den portus Misenus. Sinds dien tijd behoort de lacus Avernus met den lacus Lucrinus tot de luxebadplaats Baiae. Aardbevingen hebben aan deze streek een ander voorkomen gegeven.

Averruncus, Apotropaios, bijnaam van iederen god, die onheil of gevaar afwendt, bijv. Apollo.

Avianus Flavius, rom. fabeldichter uit den tijd van Theodosius den Grooten.

Avidius (Cassius), z. Cassii no. 18.

Avienus (Rufus Festus), rom. dichter uit den tijd van Theodosius den Grooten, heeft vertalingen in dichtmaat geleverd van oude grieksche leerdichten. Vooral belangrijk om den inhoud is zijn ora maritima, een bewerking van een griekschen periplous uit de 4de eeuw v. C., waarvan echter slechts de grootste helft van het eerste boek over is.

Aviones, volk in Noord-Germania over den Albis (Elbe), een van de volkeren, die de godin Nerthus vereerden.

Axamenta, oude liederen in saturnische maat, die door de Salii bij hunne optochten werden gezongen. Zie ook ancile.

Axia, kasteel in Etruria, in het gebied van Tarquinii.

Axierus, Axiocersa en Axiocersus, Axieros, Axiokersa en Axiokersos, samothracische Cabiren, geïdentificeerd met Demeter, Persephone en Hades.

Axius, Axios, thans Vardar, voorname rivier van Macedonia, die zich in de Thermaeische golf ontlast.

Axona, rivier in Gallia, thans Aisne, zijtak van den Isara (Oise). Aan den Axona lag Augusta Suessionum (Soissons).

Axones, ook kyrbeis genoemd, witgemaakte houten borden, die om een as kunnen draaien, waarop de wetten van Solon geschreven waren. Zij waren opgesteld in het Prytaneum te Athene, v.s. hadden zij oudtijds op den burcht gestaan en waren zij eerst door Ephialtes verplaatst. V.a. zijn de kyrbeis te onderscheiden van de axones en zijn kyrbeis van boven afgestompte pyramiden van steen in de stoa basilike, waarop de voornaamste wetten ingebeiteld waren.

Axume of Axome = Auxume.

Axus, Axos, z. Oaxus.

Azan, Azan, zoon van Arcas en Erato; naar hem was Azania, een deel van Arcadië, genoemd.

Azania, Azania, 1) kustland van Afrika, bezuiden kaap Aromata (Guardafui), thans de kust der Somali.--2) zie Azan.

Aziris, Aziris, stad op de libysche kust, ten O. van Cyrene.

Azotus, Azotos, eene der vijf hoofdsteden van de Philistijnen, dicht bij de kust, tusschen Ascalon en Iamnia, in het O.T. Asdod.

B.

Babrius, Babrios, grieksch dichter, die de fabels van Aesopus in verzen bracht. Hij leefde onder Domitianus of later, in elk geval vóór het einde van de 2de eeuw n. C. Van de 224 fabels, die overgebleven zijn, wordt een groot gedeelte door sommigen niet als het werk van Babrius beschouwd.

Babylon, Babylon, 1) stad in Aegypte, stroomafwaarts van Memphis.--2) hoofdst. van Babylonia, zeer oude stad; in de 23ste eeuw maakt Chammurabi (Hammurabi), de beroemde wetgever, haar tot de hoofdstad van het nu geheel semietische Babylonia. Van de latere, lotgevallen weten we weinig, totdat Nebukadnesar I (omstreeks 1150) het wederom tot bloei bracht. In 728 nam Tiglathpilesar III van Assyria er bezit van, en in 689 werd het door Sanherib gesloopt, maar door zijn zoon Asarhaddon, die zijne residentie hierheen wilde verleggen, weer opgebouwd. In 648 werd de stad weer ingenomen en gedeeltelijk verwoest, doch herrees na den ondergang van het assyrische rijk door de zorg van den eersten koning van het nieuw-babylonische rijk, Nabopalassar, en vooral van zijn grooten opvolger Nebukadnesar II, die in 604 aan de regeering kwam, als eene stad, die hare wedergade niet had. Zij vormde een kwadraat, waarvan elke zijde 120 stadiën of 4 uren gaans lang was, en was omringd door een muur van gebakken steen van 100 koninklijke elleboogslengten (± 45 meter) boven den beganen grond en half zoo breed. Daaromheen liep eene gracht met gemetselde wanden, even zoo diep als de muur hoog was, en waarvan de uitgegraven klei de steenen had geleverd voor den muur. In den muur, die met 200 torens versterkt was, waren 100 poorten, waarvan de deuren, stijlen en bovendorpels van koper waren. De Euphraat, die de stad doorsneed, was ook ter weerszijden ingesloten door muren, waarin de zoogenaamde waterpoorten waren. In de stad vond men het koninklijk paleis, met drie muren omgeven, die een omtrek van 20, 40 en 60 stadiën hadden, alles in kwadraatvorm. Dáár waren ook de oploopende, op gewelven rustende terrassen, die onder den naam van hangende tuinen bekend zijn en die zoo dik met aarde bedekt waren, dat boomen er in konden wortelen. De beroemde tempel van Belus was een vierkante toren op een grondvlak van twee stadiën lang en even breed. Daarboven verhief zich een tweede kleinere toren, en zoo verder tot acht torens toe. In den bovensten toren was het slaapvertrek van den god met een gouden legerstede en een gouden tafel. De groote ruimte binnen de muren was natuurlijk niet geheel met huizen bebouwd, maar bevatte ook de noodige akkers en weidegronden, zoodat de bijna onneembare stad niet kon worden uitgehongerd. In 538 viel de stad in handen der Perzen. Darius Hystaspis liet na een opstand (519 of 516) een gedeelte der muren sloopen; toch bleef Babylon groot en schoon tot het uiteenspatten van het macedonische rijk, toen de nieuw gestichte steden Seleucia en Ctesiphon de bewoners tot zich trokken.

Babylonia, Babylonia, het land van Babylon, was de landstreek tusschen den Tigris ten O., de woestijnen van Arabië ten W. en den zoogenaamden medischen muur ten N. De bodem bestond uit aangeslibden kleigrond en was uiterst geschikt voor graanbouw. Het land was doorsneden door bevaarbare kanalen, die den Euphraat met den Tigris verbonden, en onderling weder verbonden waren door smallere vaarten, die weder door sloten met elkander gemeenschap hadden. Boomen vond men er bijna niet. De oudste bewoners zijn de Sumeriërs, op wie reeds kort na 4000 de Accadiërs, een semietische stam, volgen, die zich met de oorspronkelijke bevolking na veel strijd gemengd hebben. De bloeitijd van dit volk valt tusschen 3800 en 3700 en de meest bekende koning is Sargon. Later valt het rijk uiteen in verschillende stadstaten, die elk een afzonderlijke godheid vereeren, tot ± 2300 de stad Babylon (z.a.) op den voorgrond treedt. De babylonische nijverheid had een hoogen trap bereikt en bestond vooral in tapijtweverijen, lijnwaadweverijen, goudsmidswerk en het snijden in edelgesteenten. De godsdienst was het sabaeïsme, de vereering van zon, maan en sterren. Vooral de stam der Chaldaeërs, die zich in het zuid-oostelijk deel, Akkad, gevestigd hadden, had het ver gebracht in sterrenkunde en tijdrekenkunde en wiskunde, en verhief zich daardoor tot priesterkaste. Sterrenwichelarij ging daarmede hand aan hand. De Chaldaeërs waren oorspronkelijk een herdersvolk, dat bij den helderen babylonischen sterrenhemel, terwijl zij 's nachts wacht hielden bij hunne kudden, ruime gelegenheid had gehad den loop der sterren gade te slaan. Nadat het babylonische rijk in de 13de eeuw eene assyrische provincie was geworden, stond het meermalen op, doch werd weder onderworpen, totdat in 606 Nabopolassar het weder vrij maakte en Assyria eene provincie van Babylonia werd. In 538 veroverde Cyrus de stad Babylon, en het gewest werd nu perzisch, later macedonisch en daarna syrisch. Het babylonische stelsel van munten, maten en gewichten werd door verscheidene andere volken der oudheid overgenomen.

Babylonii numeri of Chaldaïcae rationes. Tegen en in den rom. keizerstijd kwamen dikwerf oosterlingen naar Rome als sterrenwichelaars en horoscooptrekkers. Bij hunne voorspellingen speelden kaarten met cijfers en getallen eene hoofdrol. Men heeft dus te denken aan iets als het kaartleggen in lateren tijd. Wel trachtte men dit soort menschen te weren, doch het bijgeloof te Rome was zóó sterk, dat men in weerwil van de verbodsbepalingen gretig van hunne zoogenaamde kunst gebruik maakte.

Bacchae, Bakchai, Bacchanten, vrouwen, die bij sommige feesten van Dionysus met geschreeuw en gegil, onder begeleiding van muziek, in de grootste opgewondenheid heinde en ver rondliepen om, zoo het heette, den god te zoeken. Zij waren in dierenhuiden gehuld en zwaaiden een thyrsusstaf; zij stelden het geleide voor, dat Dionysus op zijn veroveringstochten vergezeld had.

Bacchanalia heeten in Italië geheime feesten ter eere van Bacchus, die uit de grieksche steden ingevoerd waren. Zij werden met de luidruchtigheid der Dionysusfeesten gevierd, maar gingen hier met zulke schandalen, ja zelfs misdaden, gepaard, dat de senaat in 186 meende hieraan te moeten paal en perk stellen en elken nieuwen dienst van Bacchus verbood.

Bacchiadae, Bakchiadai, een adellijk geslacht, dat langen tijd te Corinthe regeerde en in 657 door Cypselus verdreven werd.

Bacchium, Bakchion, eiland tegenover de aziatisch-ionische kuststad Phocaea, welks prachtige tempels in den syrischen oorlog door de Romeinen en hunne bondgenooten in 190 geplunderd werden.

Bacchus, Bakchos, andere naam voor Dionysus, waarschijnlijk betrekking hebbend op het luidruchtige van zijn eeredienst. Door de Romeinen werd deze naam aan den god Liber gegeven.

Bacchylides, Bakchylides, lyrisch dichter van Ceos, neef van Simonides, met wien hij geruimen tijd te Syracuse aan het hof van Hiero leefde; later begaf hij zich naar de Peloponnesus. Van zijne gedichten zijn sedert 1897 ongeveer twintig min of meer in hun geheel bekend; overigens zijn ervan slechts eenige fragmenten over.

Bacenis silva, waarschijnlijk de Hohe Rhön met zijn uitloopers, grensscheiding tusschen de Cherusci en de Suebi.

Bacis, Bakis, was de naam voor profeten van wie verzamelingen orakels afkomstig waren, die in de 7de eeuw in omloop gebracht werden en bij velen groot gezag hadden, zoodat zelfs de verschillende staten van Griekenland zich soms bij hunne besluiten er door lieten leiden. Er was een Attische, Boeotische en een Arkadische Bacis.

Bactra, ta Baktra, vroeger Zariaspa, thans Balkh, hoofdstad van Bactria (Bactriane) en belangrijke handelsstad.

Bactria, Bactriane, Baktriane, gewest in het N.O. van het perzische rijk, door den Oxus (Amu-Daria) doorsneden. In overouden tijd bestond hier een bactrisch rijk, dat door de Mediërs werd veroverd, waarna de godsdienst van Zarathustra, die in Bactrië heerschte, staatsgodsdienst werd in Medië. Na Alexander d. Gr. kwam het onder Seleucus, den stichter van het Syrische rijk; doch in 250 scheurde Bactria zich van Syrië los onder zekeren Diodotus, een Griek. Onder hem en zijn opvolger breidde Bactria zich uit tot een grooten, bloeienden staat, die een duizendtal steden telde. Doch tweespalt werd de oorzaak, dat omstreeks 150 de Parthen samen met de Hunnen (Phaunoi) zich vóór en na van de bactrische provinciën meester maakten, en Bactria zelf in 140 door de scythische Sacers vermeesterd werd.

Baduhennae lucus, woudstreek in het land der Frisii, misschien de tegenw. streek Zevenwolden.

Baebia (lex), een plebisciet van 181 of 180. Het behelsde, dat niet jaarlijks zes praetoren zouden gekozen worden, zooals sedert 197 geschiedde, doch om het andere jaar slechts vier. De wet is spoedig weer afgeschaft.

Baebii, 1) M. Baebius Tamphilus, trok als propraetor, met Philippus van Macedonia verbonden, het eerst den syrischen koning Antiochus III in Griekenland tegemoet, in 191. In 181 was hij consul, toen de zoogenaamde 14 boeken van Numa gevonden werden, die echter onecht bevonden en openlijk verbrand werden. In 180 beoorloogde hij als proconsul met zijn ambtgenoot P. Cornelius Cethegus een ligurisch volk (de Apuani) dat zich vrijwillig overgaf en naar Samnium werd overgebracht.--2) C. Baebius, volkstribuun in 111, belette, toen Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome was gekomen om getuigenis af te leggen tegen hen, die zich hadden laten omkoopen, den koning te spreken.

Baecula of Baecyla, Baikoula, Baikyla, stad in Hispania Baetica, ten N. van den Baetis, bekend door de wapenfeiten van P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior) in den tweeden punischen oorlog. In het gebied der stad lagen rijke zilvermijnen. Ook schijnt er nog een stadje Baecula in het N.O. van Spanje te hebben gelegen, in het land der Ausetani.

Baenis, Bainis, z. Minius.

Baetasii = Betasii.

Baeterrae, thans Béziers, in het gebied der Volcae Arecomici, in Gallia Narbonensis, dicht bij de kust.

Baetica, Baitike, het zuidelijke en zuidwestelijke gedeelte van Hispania, aldus genoemd naar den Baetis (Guadalquivir), die er door stroomde. Het was het welvarendste deel van Hispania, met veel handel en nijverheid, waarin de vervaardiging van wollen stoffen en wapenen een hoofdrol speelde.

Baetis, Baitis, rivier in Baetica, thans Guadalquivir.

Baeturia, Baitouria, het gedeelte van Baetica, dat aan Lusitania grenst, tusschen den Baetis en den Anas (Guadiana).

Bagaudae, gallische boeren, die in 285 na C. wegens onderdrukking in opstand kwamen en een bloedigen boerenoorlog voerden.

Bagienni = Vagienni.

Bagistanus mons, Bagistanon oros (Baghastân = godenoord), beroemd om de verrukkelijke natuur, aan den heerweg van Ecbatana naar Babylon. Op de afgehakte en gladgeschuurde rotswanden waren in beeldwerk en spijkerschrift de wapenfeiten van Darius Hystaspis vermeld.

Bagoas, Bagoas, een Aegyptenaar, gunsteling van Artaxerxes Ochus, dien hij ten slotte vergiftigde. Daarna zette hij diens jongsten zoon Arses op den troon, doch ook dezen vermoordde hij na eenige jaren. Darius Codomannus, die eveneens door hem de regeering verkregen had, liet hem dooden (330).

Bagradas, Bagradas, 1) rivier in Africa, die tusschen Carthago en Utica in zee valt.--2) rivier aan de Zuidkust van Persis, dicht bij de grens van Carmania.

Baiae, Baiai, Baïai, beroemde rom. badplaats met warme zwavelbronnen, aan een inham van den sinus Cumanus (golf v. Napels) gelegen, een waar lustoord. De kust was als bezaaid met prachtige villa's en lusthuizen van aanzienlijke Romeinen. Zie ook Avernus (lacus) en Lucrinus (lacus). Er heerschte ontzaggelijke weelde en tevens eene groote losheid van zeden. Keizer Hadrianus is te Baiae gestorven. Thans is de plek door aardbevingen geheel verwoest, zoodat er slechts weinig sporen van de oudheid over zijn.

Baitylos, Baitylion, ook met den phoenicischen naam Abadir genoemd, uit den hemel gevallen steenen, die op vele plaatsen het voorwerp van bijgeloovige vereering waren. Bij den tempel van Delphi stond zulk een steen, die dagelijks met olie gezalfd en op feestdagen met wol omwonden werd. Men geloofde dat dit de steen was, dien Cronus (z. a.) in plaats van Zeus verslonden had.

Baius, Baios, de stuurman van Odysseus. De stad Baiae, waar hij begraven is, is naar hem genoemd.

Balbinus (D. Caelius Calvinus), romeinsch keizer in 238 n. C. samen met M. Clodius Pupien(i)us Maximus. Zij benoemden den jongen Gordianus (III) tot Caesar. Na drie maanden werden zij vermoord, en werd Gordianus keizer.

Balbus (= stotteraar), een rom. familienaam, die in de gentes Ampia, Attia, Cornelia, Lucilia, Octavia en Thoria voorkomt. De voornaamste Balbi zijn: 1) T. Ampius Balbus, een der makers van de lex Ampia Labiena.--2) M. Attius Balbus, grootvader van Augustus. Zie Attii no. 5.--3) L. Cornelius Balbus, z. Cornelii no. 28.--4) L. Cornelius Balbus minor, z. Cornelii no. 29.

Baleares insulae, Balearides nesoi, de bekende Balearische eilanden nabij de spaansche kust, maior en minor, thans Majorca en Minorca. De inwoners, ook Baleares geheeten, Baleares, waren bekend als uitstekende slingeraars. De hoofdplaatsen waren Palma en Mago (Port-Mahon). De naam Baleares beteekent volgens Grieksche schrijvers slingeraarseilanden; de Grieken noemden ze vroeger ook wel Gymnesiai, of naaktlooperseilanden. Wegens hun heulen met de zeeroovers werden zij in 123 door de Rom. onderworpen onder Q. Caecilius Metellus, die hiernaar den bijnaam Balearicus kreeg, z. Caecilii no. 8.

Balesium = Valentia no. 3.

Balius, Balios, en Xanthus, de onsterfelijke paarden van Achilles, die door Poseidon aan Peleus bij zijn huwelijk ten geschenke gegeven waren en die hij na den dood van Achilles terugnam. Zij waren gesproten uit de verbintenis van Zephyrus en Podarge. V. s. waren het oorspronkelijk Titanen geweest, die Zeus in den strijd tegen de andere Titanen hadden geholpen, en verzocht hadden in paarden veranderd te worden, om door hunne verwanten niet herkend te worden.

Ballista, lithobolos, een werptuig, waarmede zware steenen binnen eene belegerde stad werden geslingerd. De ballistae wierpen in boogvormige richting. Juiste duidelijke beschrijvingen van dit werpgeschut ontbreken.

Balneum, saamgetrokken uit balineum, badkamer. Om een badhuis aan te duiden gebruikte men oudtijds het plurale balneae, doch daar dit woord in de dactylische maat niet paste, ontstond in het augusteïsche tijdperk het plurale balnea. In zulk eene openbare badinrichting onderscheidde men: het apodyterium of (ont)kleedkamer, het frigidarium of vertrek voor koude baden, soms met kuipen, soms met een zwembassin of natatio,--het tepidarium, eene verwarmde ruimte, die tot overgang diende,--de ruimte voor het warme bad, caldarium. Deze laatste had een verwarmden bodem, terwijl later ook de zijwanden verwarmd werden door het inrichten van spouwmuren, die men vormde door het aanbrengen van tegulae mammatae, of het aanleggen van buizen, tubuli. Het verwarmen van den vloer bracht men tot stand door die op gemetselde porren of stutten te plaatsen, waaronder dan de heete lucht kon circuleeren. Men kan dit nog goed zien aan de overblijfselen van de Romeinsche baden te Trier (suspensura). Eene groote kuip voor warm water (alveus), vlak boven of dicht bij den haard, was in den vloer gemetseld. Aan de overzijde had men dan het labrum, een kuip met lauw water, om na te spoelen. Somwijlen komt ook nog een aparte zweetkamer voor, sudatorium of laconicum geheeten, voor het zweetbad, assa sudatio. Na een zweetbad werd men door de badslaven (aliptae), die men gewoonlijk zelf medebracht, met eene soort krabbers (strigiles) van zweet gereinigd, afgewreven, gezalfd. Dit laatste schijnt in het tepidarium verricht te zijn. Een goed voorbeeld van een eenvoudige badinrichting in den eersten keizertijd levert bijgaande plattegrond van de Thermae Stabianae te Pompeii. A hoofdingang van de afdeeling voor mannen, B zuilengangen, C palaestra met rechts een soort kegelbaan voor een spel met steenen ballen, F natatio. I-VIII afdeeling voor warme baden, waarvan IV doorgang, V frigidarium, VI apodyterium, VII tepidarium, VIII caldarium, IX stookplaats (praefurnium), die zoowel de mannen- als de vrouwenafdeeling van heet, lauw en koud water voorzag. 1-6 afdeeling van vrouwen, 1 en 5 ingangen, 2 apodyterium, 3 tepidarium, 4 caldarium; een frigidarium ontbreekt hier. De ruimten E en G, die aan de natatio aansluiten, dienden voor douchebad. D diende voor apodyterium of destrictarium. Nadat men zich uitgekleed had, hield men zich bezig met gymnastische oefeningen, dan keerde men naar D terug, waar olie en stof afgewreven werden, vervolgens reinigde men zich in E of G, en gebruikte dan de natatio. Onder de rom. keizers verrezen prachtige badhuizen, met wandelgalerijen, gymnastiekzaal, kaatsbaan, conversatiezalen, bibliotheken en derg. Zie thermae. De inrichting van een grieksch badhuis (balaneion) was over het geheel aan dat van het rom. gelijk.

Balteus of Balteum (in het meerv. bij voorkeur baltea), gordel of bandelier, hetzij om het lijf of over den schouder gedragen, om zwaard of schild of pijlkoker of wat dan ook te dragen. Ook wordt het woord gebezigd voor de ringmuren, die in een theatrum of amphitheatrum de drie rangen van elkander scheidden. Bijgaande teekening stelt een stuk voor van een theater in Pompeji. Men denke zich de muren met den overdekten gang onafgebroken doorloopende zoover als de zitplaatsen gaan.

Bambyce, Bambyke, oude naam van Hierapolis in Syria (Cyrrhestice), nabij den Euphraat, een van de fraaiste steden van Syrië.

Bandusia, bron in Apulia, nabij Venusia, de geboortestad van Horatius. Op diens landgoed Sabinum bevond zich ook eene bron, door den dichter Bandusia gedoopt.

Bantia, stadje in Apulia, nabij Venusia, in een boschrijke streek aan den mons Vultur. In de nabijheid zijn in 1793 fragmenten gevonden van een bronzen plaat, die aan beide zijden een opschrift heeft, de tabula Bantina. Het ééne opschrift is in het oscisch, het andere in het latijn.

Baphyras of -rus, Baphyras, riviertje in Pieria, dat op den Olympus ontspringt en langs Dium (z. Dium no. 3) stroomend, in de golf van Thermae valt.

Baptai heetten zij die deelnamen aan de feesten van Cotytto.

Barathrum, Barathron, een afgrond bij Athene, waarin sommige misdadigers geworpen werden.

Barbari, barbaroi, bij de Grieken alle volken die een vreemde taal spraken, en daar de Grieken zich als het voortreffelijkste volk beschouwden, dat geschikt was over alle andere te heerschen, hechtte men aan dit woord licht de beteekenis van laag, slaafsch. Toen de Romeinen het overnamen, zonderden zij zichzelf van de barbaren uit; bij hen beteekent het woord die volken, die de grieksche en romeinsche beschaving missen, het komt dus meer overeen met ons barbaarsch. Later werd het vooral van de Germanen en van de volken over den Euphraat gebruikt.

Barbaria (Barbarica), de noordelijke kust van Somali-land.

Barbitos, Barbiton, barbitos, barbiton, een muziekinstrument met zeven snaren, in vorm gelijk aan de lier, maar grooter; het werd met de vingers of met een plectrum bespeeld.

Barca, Barke, stad in Cyrenaïca, omstreeks 550 als mededingster van Cyrene gesticht door broeders van den cyrenaeïschen koning Arcesilas II, die zich aan het hoofd der opgestane Barcaeërs hadden gesteld. Na de verovering door de Perzen in 512 kwam Barca in verval. De Perzen brachten een gedeelte der inwoners naar Bactria over en de latere Ptolemaeën verhieven Barca's havenplaats tot eene zelfstandige stad Ptolemaïs.

Barcaei, Barkaioi, paardenfokkende nomadenstam, die het land van Barca bewoonde.

Barcani(i), parthische stam op de grenzen van Hyrcania, waarover Cyrus zijn grootvader Astyages, dien hij onttroond had, tot landvoogd aanstelde.

Barcas = de bliksem, bijnaam van Hannibals vader Hamilcar.

Barcino, aanzienlijke stad der Lacetani in het N.O. van Tarraconensis, later rom. kolonie, thans Barcelona.

Barcini, aanzienlijk karthaagsch geslacht, waartoe o.a. Hasdrubal en Hannibal behoorden. Ook de partij, waarvan deze familie het hoofd was, wordt zoo genoemd.

Bardi, Bardoi, dichters en zangers bij de Galliërs.

Bardiaei, Vardaei, Bardyaioi, illyrische slaven, berucht om hun bloeddorst, waarvan Marius zich bediende om de vogelvrijverklaarden uit den weg te ruimen. Toen zij in hun overmoed niets meer ontzagen, liet Sertorius na Marius' dood 4000 van hen neersabelen.

Bardylis, Bardylis, Illyrisch koning, die in 359 een groot deel van Macedonië veroverde, maar het volgende jaar in een slag tegen Philippus sneuvelde.

Barea Soranus, proconsul in Asia onder Nero. Door zijne rechtvaardigheid maakte hij zich zeer bemind, doch hij werd van eerzuchtige bedoelingen beschuldigd en met zijne dochter Servilia ter dood veroordeeld, 66 na C. Aanklager was zijn cliënt en vroegere leermeester, de stoicus P. Egnatius Celer uit Berytus.

Bargusii, volk in Tarraconensis tusschen den Iberus (Ebro) en de Pyrenaeën.

Bargylia, ta Bargylia, stad in Caria ten N. van Halicarnassus. In de nabijheid vond men een beroemd beeld van Artemis, dat nooit door regen nat werd, hoewel het onder den blooten hemel stond.

Barium, Barion, stad der Peucetii in Apulia aan de Adriatische zee, met veel vischvangst, thans Bari.

Barsine, Barsine, 1) ook Statira of Arsinoë genoemd, dochter van Darius Codomannus, huwde in 324 met Alexander d. Gr. en werd na diens dood door Roxane vermoord. Haar juiste naam was Statira; Barsine heet ze slechts door een vergissing van een der schrijvers, die haar met Barsine no. 2 verward heeft.--2) dochter van Artabazus, gehuwd met Memnon den Rhodiër. Bij Alexander d. Gr. werd zij moeder van Heracles.

Basanistes, een ambtenaar te Athene, ten overstaan van wien slaven als aangeklaagden of getuigen verhoord werden. De verklaringen van slaven waren alleen dan geldig, wanneer zij op de pijnbank (basanos) afgelegd waren. In vele gevallen lieten de partijen, na afloop van het verhoor, de beslissing over de zaak aan den basanist als scheidsrechter over.

Basileus, koning, in oude tijden de algemeene naam voor het hoofd van een griekschen staat; bij het toenemen van de macht van den adel werden ook de hoofden der adellijke geslachten zoo genoemd. In de historische tijden vindt men dien titel alleen nog te Sparta, waar twee koningen regeerden, een uit het geslacht der Procliden of Eurypontiden, een uit dat der Agiden. Zij waren voorzitters van den raad, opperpriesters, aanvoerders in den oorlog en in enkele zaken ook rechters; hun macht was echter zeer beperkt.--Te Athene, waar de koninklijke waardigheid sedert den dood van Codrus afgeschaft was, bleef de tweede archont den titel van basileus behouden (z. Archontes).

Basilicae waren ruime gebouwen voor het handelsverkeer, overdekte markten of beursgebouwen, groote rechthoekige zalen met of zonder halfrond aan de einden. Soms werd het dak door twee rijen zuilen gesteund, en vormden deze dus een middenschip en twee zijschepen. Ook werden de basilicae veel gebruikt voor rechtszittingen. Onder Constantijn den Grooten werden eenige basilieken aan de Christenen ingeruimd voor hunne godsdienstige bijeenkomsten. Vandaar dat de oudste christenkerken dezen vorm hadden.

Basilius de Groote, 329 na C. te Caesarea in Cappadocia geb., was eerst pleitbezorger, ging toen tot den geestelijken stand over en werd in 370 bisschop van Caesarea. Hij was een groot weldoener der armen, stichtte een groot hospitaal en besteedde zijn geheel vermogen tot weldadige doeleinden, terwijl hij zelf in armoede leefde. Hij was een groot voorstander der grieksche letterkunde. Behalve andere geschriften heeft hij ook brieven nagelaten, uitmuntende door stijl en logica. Hij bestreed het Arianisme. Het door hem gestichte klooster aan den Iris in Pontus werd een model voor latere inrichtingen van deze soort.

Baskania, fascinatio, betoovering door woord of blik. In overeenstemming met de bekende meening der ouden, dat de goden geen al te groot of al te langdurig geluk duldden, geloofde men ook dat hun aandacht op zulk een gelukkig persoon door een overmoedig woord of afgunstigen blik gevestigd konden worden, of dat zij daardoor bewogen konden worden aan den gelukkigen toestand een einde te maken. Daarom placht men, wanneer men zichzelf of zijn geluk prees, door bepaalde formules het vermoeden van overmoed van zich af te werpen, of driemaal te spuwen; tegen het "kwaadoog" vond men bescherming door het dragen van een talisman (probaskanion, fascinum).

Bassae, Bassai, een vlek in het Z. van Arcadia, in het gebied der stad Phigalia, met een tempel van Apollo Epicurius (den helper tegen de pest), door den beroemden Ictinus gebouwd. Met den Athena-tempel te Tegea gold deze Apollo-tempel voor den schoonsten van de Peloponnesus. Zie verder Phigalia.

Bassania, stad in Illyria in de nabijheid van Lissus.

Bassareus, Bassareus, bijnaam van Dionysus, naar het vossevel (bassara), waarmede hij omhuld was.

Bassaris, Bassaris, Bacchante.

Bassus, familienaam in de gentes Caecilia (Caecilii no. 28), Caesia, Pomponia (Pomponii no. 8), Ventidia.

Bastarnae, Bastarnai, een machtig, roofziek volk van Germaanschen stam tusschen den Vistula (Weichsel), den Tyras of Danastris (Dniester) en den Ister (Beneden-Donau), dat Perseus met 7000 strijdbare mannen had willen helpen, zoo hij niet te karig ware geweest (168). Herhaaldelijk deden zij strooptochten in Thracia. Een onderafdeeling van hen vormen de Peucini.

Basterna, gesloten draagstoel, door muilezels gedragen, voornamelijk ten gebruike van vrouwen.

Bastetani, iberische volksstam in het zuiden van Hispania Tarraconensis, verwant met de

Bastuli, een in het Oosten van Baetica aan zee wonende sterk met Phoeniciërs gemengde iberische stam. Bij oudere gr. schrijvers heeten ze met de Bastetani Mastiani (Mastianoi).

Batava castra, in Vindelicia op de grenzen van Rhaetia, thans Passau.

Batavi, de ons bekende Batavieren, omstreeks 40 uit Germania den Rijn afgezakt. Ze stammen af van de Chatten. De insula Batavorum strekte zich uit tusschen den Rhenus (Rijn) ten N., den Vahalis (Waal) en de monden van de Mosa (Maas) ten Z. en de zee ten W. Ze wonen ook ten Z. van den Rijn en de Waal. Batavodurum (z. a.), later vervangen door Ulpia Noviomagus, z. Noviomagus, en Forum Hadriani zijn de voornaamste plaatsen in hun gebied. De Romeinen sloten met hen een bondgenootschap, en in de germaansche oorlogen bewees vooral de uitstekende bataafsche ruiterij voortreffelijke diensten. Keizer Augustus nam de Batavieren onder zijne lijfwacht op. Zie Corporis Custodes. In 69 na C. echter barstte een opstand der Batavieren onder Claudius Civilis uit, daar de Romeinen hen meer als overwonnenen dan als bondgenooten behandelden. De opstand breidde zich ook buiten het eiland uit in zulk eene mate, dat hij voor de rom. heerschappij in het Noorden gevaarlijk dreigde te worden. De Romeinen wisten echter tusschen de Batavieren en hunne bondgenooten tweespalt te verwekken, zoodat de laatsten Civilis in den steek lieten, waarop deze met den rom. veldheer Cerealis vrede sloot. Het oude bondgenootschap werd hernieuwd. In de 3de eeuw n. C. dienen ze veel onder de equites singulares. In 300 n. C. wordt hun land overstroomd door de (Salische) Franken, en wat er van hen overschiet, zal zich wel bij de Franken hebben aangesloten.

Batavodurum of Oppidum Batavorum, stad der Batavi op het plateau boven Ubbergen, ten O. van Nijmegen gelegen, door Civilis in 70 n. C., vóór hij zich naar de Betuwe terugtrok, in brand gestoken. De stad is niet herbouwd. Zie Noviomagus no. 4.

Bathycles, Bathykles, van Magnesia, beeldhouwer omstreeks 550; van hem was de troon van Apollo te Amyclae, waarop in 42 vakken in relief verschillende mythen waren voorgesteld.

Bathyllus, Bathyllos, 1) schoon samisch jongeling, door Anacreon bemind.--2) van Alexandrië, vrijgelatene van Maecenas, beroemd als kluchtig balletdanser (pantomimus); zijne bekwaamheid in het nabootsen van teedere en vrouwelijke standen en gebaren gaf hem den bijnaam mollis. Hij is de eigenlijke stichter van den pantomimus.

Bato, naam van twee aanvoerders, een Pannoniër en een Dalmatiër, in den opstand dezer beide volken tegen Rome, 6-10 n. C.

Battiadae, Battiadai, afstammelingen van Battus, die 631-450 te Cyrene regeerden.

Battiades, Battiades, de dichter Callimachus, afstammende van het geslacht der Battiaden.

Battus, Battos, 1) van Thera, zoon van Polymnestus, uit een oud adellijk geslacht. Toen hij eens het orakel van Delphi om raad kwam vragen tegen het stotteren, kreeg hij bevel eene volksplanting naar Libye te voeren, waar hij genezing zou vinden; en inderdaad zoodra hij geland was, zag hij een grooten leeuw, van schrik begon hij te schreeuwen, en zijn gebrek was genezen. Hij vestigde zich toen met de zijnen op het eiland Platea, waar het hun echter niet goed ging, zoodat zij na twee jaar naar Griekenland terugkeerden; het delphische orakel beval hun echter opnieuw naar Libye te gaan. Zij bezetten nu de kust tegenover het eiland en zes jaar later stichtten zij, bij de aan Apollo gewijde bron Cyre of Cyrene, de stad Cyrene, waarover Battus (631-591) als een rechtvaardig en bemind vorst regeerde.--Volgens Herodotus is Battus het libysche woord voor koning.--2) Battus II Eudaimon, kleinzoon van den vorigen. Onder zijne regeering (575-570) werd het aantal inwoners door eene menigte Peloponnesiërs, Cretensers, e. a. vermeerderd, zoodat zij met goed gevolg weerstand konden bieden aan het groote leger, dat de aegyptische koning Apriës den Libyers tegen hen te hulp gezonden had.--3) Battus III Cholos, onder wiens regeering (550-530) de koninklijke macht aanmerkelijk beperkt werd.--4) herder van Neleus; hij had Hermes de runderen van Apollo zien stelen, maar beloofd dit te verzwijgen, toen echter Hermes zelf in eene andere gedaante tot hem kwam en naar de runderen vroeg, vertelde hij het gebeurde, waarop hij tot straf voor zijne trouweloosheid in een steen veranderd werd.

Batulum, stad in Campania, ligging onbekend.

Baucis, Baukis, z. Philemon.

Bauli, liefelijk oord tusschen Baiae en Misenum, met tal van buitenplaatsen. De redenaar Q. Hortensius had hier een landgoed, dat later in het bezit van de keizerlijke familie gekomen is. Hier werd Agrippina, de moeder van Nero, door haar zoon vermoord (Maart 59 n. C.).

Bavius en Maevius, twee rom. pruldichters, benijders en bedillers van Horatius en Vergilius.

Baxea of Baxa, meestal plur. baxeae, soort van schoeisel, soms als een sandaal, soms als een schoen, doch van zeer lichte stof vervaardigd, b.v. van papyrus of van palmbladeren.

Bazira, Bazira, vesting op den Paropamisus ten W. van de bergvesting Aornus.

Bebriacum = Bedriacum.

Bebryces, Bebrykes, mythisch volk in Bithynië, door de Argonauten bezocht. Het volk is ongeveer in de 8ste eeuw door de Bithyniërs uitgeroeid. Naar hen heette Bithynia vroeger Bebrycia.

Bedriacum, Betriakon, vlek in Gallia Cisalpina tusschen Verona en Cremona, waar in 69 n. C. eerst keizer Otho door de troepen van Vitellius verslagen werd, terwijl weinige maanden later tusschen Bedriacum en Cremona in een dubbelen slag het leger van Vitellius door Antonius Primus, veldheer van Vespasianus verslagen werd.

Belbina, Belbina, eilandje tusschen Attica en Argolis.

Belesys, Belesys, chaldeeuwsch priester, satraap van Babylon; z. Arbaces.

Belgae, Belgai, gezamenlijke naam voor de volksstammen, die ten tijde van Caesar het noordelijk gedeelte van Gallia Transalpina bewoonden, ten N. van den Matrona (Marne) en de Sequana (Seine). Ook in Britannia vindt men een volksstam van dien naam, die van de vastelandsche Belgae afstamt. Gedeeltelijk waren zij van germaanschen oorsprong. De Belgen waren krijgshaftiger dan de meer zuidelijk wonende gallische stammen, omdat zij in gedurigen strijd met de Germanen van over den Rijn leefden en door het weren van vreemde handelaars zich zochten te vrijwaren tegen den ontzenuwenden invloed der rom. weelde. Na zeven jaren strijds slaagde Caesar er in ze te onderwerpen.

Belgica, het land der Belgae, door den Rhenus van Germania, door Matrona en Sequana van eigenlijk Gallia gescheiden. Als provincie onder Augustus strekte Belgica (hoofdstad Durocortorum, thans Rheims) zich in zuidoostelijke richting over het gebied der Sequani en Helvetii heen tot aan de Alpen uit. Na de terugroeping van Germanicus (17 n. C.) werden de streken langs den Rijn, waar de legioenen lagen, van Belgica gescheiden, en in Germania Superior en Inferior ingedeeld. Toen in het tijdperk van Constantijn Gallia Transalpina in 17 kleinere provinciën was verdeeld, had men Belgica I met de civitas Trevirorum (Trier) en Belgica II met de civitas Remorum (Rheims) tot hoofdstad.

Belgium, het land der Belgae = Gallia Belgica.

Belias = Bilechas.

Belides, Beleides, Aegyptus en Danaüs, zonen van Belus; Lynceus, zijn kleinzoon; Palamedes, een van zijne afstammelingen.

Belides, Belides, de Danaïden, kleindochters van Belus.

Bellerophon, Bellerophontes, Bellerophon, Bellerophontes, zoon van Glaucus, koning van Corinthe, of van Poseidon. Zijn naam was oorspronkelijk Hipponoüs, en werd veranderd toen hij bij ongeluk zekeren Bellerus in een wedstrijd gedood had. Wegens dezen moord vluchtte hij naar Argos, waar hij door koning Proetus gastvrij ontvangen werd, maar diens gemalin Antea (of Stheneboea) vatte een hevige liefde voor hem op, en daar die liefde niet beantwoord werd, belasterde zij hem bij Proetus, als had hij haar tot ontrouw willen verleiden. Deze zond hem naar zijn schoonvader Iobates, koning van Lycië, met een brief, waarin de opdracht stond Bell. te dooden. Voordat Iobates echter den brief las, had Bell. zich reeds zoo bemind gemaakt, dat de koning hem niet zelf dooden wilde; hij gaf hem daarom last de Chimaera te gaan bestrijden, denkende dat hij bij die onderneming den dood wel vinden zou. Maar Athena stond Bell. bij, en zond hem uit den hemel het gevleugelde paard Pegasus, terwijl zij hem in den droom leerde hoe het te beteugelen. Op zijn paard gezeten doodde hij het monster uit de hoogte met zijne pijlen. Nog was Iobates niet tevreden, maar toen Bell. op zijn opdracht nog de Solymers en de Amazonen had overwonnen, en eindelijk bij zijn terugkomst de beste soldaten van Lycië verslagen had, die in hinderlaag gelegd waren om hem te dooden, erkende de koning in hem een gunsteling der goden; hij gaf hem zijne dochter tot vrouw en deelde zijn rijk met hem. Maar door zijn geluk overmoedig geworden en steunende op zijn wonderbaar paard, waagde Bell. nu ook eene poging om den Olympus te bestijgen, en dit was zijn ongeluk. Want Zeus maakte zijn paard door een bliksemstraal of door een paardenvlieg schichtig, zoodat het zijn ruiter afwierp, die nu blind en kreupel op de aarde neerviel, terwijl Pegasus naar den Olympus terugkeerde. Sedert dien tijd dwaalde Bell. somber en menschenschuw in de Aleïsche vlakte rond. Te Corinthe werd hij als halfgod hoog vereerd.

Bellocasses, z. Vell(i)ocasses.

Bellona, 1) eene oorlogsgodin, tot de Di Indigetes behoorende, later vereenzelvigd met de Grieksche Enyo. Zij vergezelt Mars, wiens zuster, dochter, vrouw, voedster, of wagenmenster zij genoemd wordt, in den strijd. In 296 werd haar door Ap. Claudius Caecus een tempel op het Marsveld gewijd. Hier werd vaak senaatszitting gehouden voor het ontvangen van gezanten van volken, die met Rome geen verbond hadden gesloten, en voor de onderhandelingen omtrent het toestaan van een triumphus aan overwinnende veldheeren (zie triumphus). Zij wordt beschreven als een godin die een speer, een fakkel of een geesel zwaait en op de trompet blaast.--2) eene aziatische godin, wier dienst tijdens de oorlogen met Mithradates uit Comana te Rome ingevoerd werd, en die daar sedert dien tijd op oostersche wijze vereerd werd. Op hare feesten trokken hare priesters (Bellonarii) in zwarte kleederen door de stad en brachten zichzelven in heiligen waanzin wonden aan armen en lendenen toe, waarbij zij onder het geraas van pauken en trompetten allerlei voorspellingen deden.

Bellovaci, krijgszuchtig volk in Belgica, met de aanzienlijke hoofdstad Bratuspantium, later Caesaromagus (Beauvais). Zij waren vrienden en cliënten der Aeduers, op wier bede Caesar hen spaarde.

Bellum sociale, z. Marsicum bellum.

Belus, Belos, 1) zoon van Poseidon en Libye, koning van Aegypte, vader van Aegyptus en Danaüs.--2) eerste koning van Babylon.--3) vader van Dido.

Belus, Belos, kustriviertje in Phoenice, op den Carmel ontspringende, welks fijn zand aanleiding zou gegeven hebben tot de vervaardiging van glas.

Benacus lacus, het grootste meer in Gallia Cisalpina, thans Garda-meer. De Mincius (Mincio) stroomt er door.

Bendis, Bendis of Bendis, thracische godin der maan, ook te Athene en elders in Griekenland vereerd, waar men haar met Artemis identificeerde. Haar tempel heette Bendideion, haar feest (19 en 20 Thargelion, begin Juni) Bendideia.

Beneficiarius (miles), een soldaat, die, door het beneficium zijner superieuren, tot belooning of onderscheiding de vacatio munerum castrensium gekregen had en dus vrijgesteld was van corveediensten, werken aan de wallen der legerplaats, het betrekken der gewone wachtposten en derg. De beneficiarii zijn toegevoegd aan de opperofficieren, en worden voor bureauwerk gebruikt. Onder de keizers ontaardde deze vrijstelling in misbruik, daar de centuriones door allerlei plagerij de soldaten zochten te dwingen, zulk een beneficium van hen te koopen, waardoor de dienst voor hen, die het niet konden betalen, des te zwaarder werd. Verslapping der tucht en oproeren waren hiervan het onvermijdelijk gevolg.

Beneventum, vroeger Maleventum geheeten, stad der Hirpini in Samnium, door Diomedes gesticht. V. s. werd hier Pyrrhus door M'. Curius Dentatus in 275 verslagen, v. a. werd die slag ergens in Lucanië geleverd. In 268 werd het latijnsche kolonie, waarop de naam boni ominis gratia in Beneventum veranderd werd. Onder de keizers werd het zeer begunstigd. Onder andere oudheden vindt men er nog een zegeboog van Traianus.

Berecyntus, Berekyntos, naam van een landstreek in Phrygia, op de grenzen van Caria en Lydia. De Berecyntes waren een phrygische stam. Bij de dichters is berecyntisch = phrygisch. De mater Berecyntia was Cybele, de heros Berecyntius was haar zoon Midas, de Berecyntia tibia is de dwarsfluit.--Ook op Creta wordt een berg Berecyntus vermeld.

Berenice, Berenike, 1) dochter van Lagus, gemalin van haar stiefbroeder Ptolemaeus Lagi.--2) dochter van Ptolemaeus II, gehuwd met Antiochus II (z. a.)--3) dochter van Magas van Cyrene, verloofd met Demetrius, huwde na diens dood (z. Apama no. 2) met Ptolemaeus III, met wien zij vroeger verloofd was geweest. Toen Ptolemaeus behouden van den veldtocht naar Syrië teruggekeerd was, wijdde zij uit dankbaarheid aan Aphrodite haar om zijn schoonheid beroemd haar; den volgenden dag was het echter reeds uit den tempel verdwenen, en de sterrenkundige Conon verklaarde, dat het door de goden als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst was. Haar zoon Ptolemaeus IV liet haar ter wille van zijn gunsteling Sosibius dooden (220).--4) z. Ptolemaeus no. 15.--5) werd door het volk van Aegypte tot koningin verheven, toen haar vader, Ptolemaeus XI verjaagd werd (58). Drie jaar later kwam Ptolemaeus echter met de hulp der Romeinen terug, en nu werd Berenice gedood (z. Archelaus no. 5).--6) zuster van Herodes den Grooten, moeder van Agrippa I.--7) dochter van Agrippa I, werd verdacht van bloedschande met haar broeder Agrippa II. Later werd Titus op haar verliefd; zijn plan om haar tot vrouw te nemen moest hij echter wegens de ontevredenheid der Romeinen opgeven.

Berenice, Berenike, naam van eenige steden uit het tijdperk der Ptolemaeën, als: 1) in het Zuiden van Aegypte aan de Arabische golf, eene belangrijke stapelplaats voor den handel tusschen Aegypte en het Oosten. Ptolemaeus II liet een karavaanweg aanleggen van daar naar Coptus aan den Nijl. Ter onderscheiding werd dit Berenice Troglodytice bijgenaamd, naar de half wilde Troglodyten of grotbewoners in den omtrek.--2) stad in Cyrenaïca, aan de groote Syrte, vroeger Hesperis of Hesperides; men plaatste hier de tuinen der Hesperiden.--3) stad in Aethiopia, aan de Arabische golf.

Begistani, een tak van het volk der Ilergetes, tusschen de Pyrenaeën en den Iberus (Ebro).

Bergomum, in het gebied der Orobii, municipium in Cisalpina, tusschen Comum (Como) en Brixia (Brescia). Thans Bergamo.

Bermius mons, Bermion oros, in zuidwestelijk Macedonia.

Beroea, Beroia, 1) stad in Syria, tusschen Antiochia en Hierapolis, door Seleucus vergroot, thans Aleppo.--2) stad in Macedonia, aan den Mons Bermius.

Berosus, Berossus, Berosos, Berossos, babylonisch priester, geboren ten tijde van Alexander den Grooten. Zijne babylonische geschiedenis, in het Grieksch geschreven (Babylonika e Chaldaïka), waarvan nog enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, stond bij de Grieken hoog aangeschreven.

Berytus, Berytos, ten Z. van het tegenwoordige Beiroet, overoude havenstad aan de phoenicische kust, tusschen Byblus en Sydon. Het wordt eerst belangrijk in den Romeinschen tijd. Sedert het midden van de 3de eeuw n. C. was hier een beroemde hoogeschool voor Romeinsch recht.

Bes, 2/3 deel van den as. Een muntstuk van deze waarde was er niet.

Bessi, Bessoi, machtig thracisch volk langs de geheele uitgestrektheid van den Haemus. Door M. Terentius Varro Lucullus (zie Licinii no. 25) werden zij in 72 en 71 aan de Rom. onderworpen. Ze stonden echter herhaaldelijk op, en werden eerst definitief door L. Piso in 11 onderworpen.

Bessus, Bessos, satraap van Bactrië onder Darius Codomannus. Toen deze na den slag bij Gaugamela voor Alexander vluchtte, werd hij door Bessus en eenige anderen, die den oorlog wilden voortzetten, gevangen genomen, en daar zij aan de snelle vervolging van Alexander niet konden ontkomen, brachten zij den koning een doodelijke wonde toe en lieten zij hem op weg achter. Bessus vluchtte nu verder naar de noordelijke provinciën en liet zich als Artaxerxes IV tot koning uitroepen, maar eindelijk werd hij door Alexander ingehaald, in Sogdiana door Ptolemaeus Lagi gevangen genomen, door eene rechtbank van Perzen en Meden ter dood veroordeeld en gevierendeeld (329).

Bestia, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 14-16).

Bestiarii werden zij genoemd, die zich verhuurden om in het amphitheater met wilde dieren te vechten. In het eerst bestonden hunne wapenen uit zwaard en schild, doch onder keizer Claudius werd het gebruikelijk, dat de bestiarii slechts met een jachtspriet gewapend waren en een hooggekleurden doek in de hand hadden, zooals in Spanje bij de stierengevechten het geval is. Zij, die tot straf aan de wilde beesten voorgeworpen werden, ad bestias damnati, waren in den regel ongewapend. Voor vrijen was deze straf in het republikeinsche tijdperk onbekend, doch onder de keizers werd zij vooral op de Christenen toegepast.

Betasii, germaansch volk in Belgica, in den omtrek van het tegenw. zuid-brabantsche dorp Beetz.

Betriacum = Bedriacum.

Bianor, zoon van Heracles of van Tiberis en Manto, de mythische stichter van Mantua.

Bias, Bias, 1) z. Melampus.--2) van Priene, en van de zeven wijzen. Hij hield Croesus terug van een zeeoorlog tegen de ionische steden; zijn raad, aan de Ioniërs bij de aanvallen der Perzen gegeven, om hunne steden in Azië te verlaten en een groot rijk op Sardinië te stichten, werd niet opgevolgd. Zijn spreuk was: hoi pleious kakoi, de meeste menschen deugen niet.

Bibaculus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 15).

Bibracte, later Augustodunum, thans Autun, groote volkrijke hoofdstad der Aeduers in Gallia Transalpina.

Bibrax, stad der Remi in Gallia Transalpina, waarschijnlijk Vieux-Laon bij Laon.

Bibulus, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 17 en 18).

Bidental. Wanneer bij de Romeinen de bliksem ergens in den grond was geslagen, dan moest de daar als het ware gestorven bliksemstraal plechtig ter aarde worden besteld. De aarde der getroffen plek werd dan begraven met een stuk vuursteen, als zinnebeeld van den bliksem, er bij. De getroffen plek was door den bliksemstraal tot een templum gewijd en werd met een muurtje omringd, doch van boven opengelaten, zoodat het geheel op een put geleek en ook puteal genoemd werd met het opschrift: fulgur conditum. Dan werd er een tweejarig offerdier, bidens, geofferd, en hiernaar heette de plek een bidental. Een bidens is een rund of zwijn, doch meestal een schaap, dat beide rijen tanden vol heeft, wat het geval is, als het twee jaar oud is.

Bideoi, Bidyoi, Bidiaioi, een collegie van vijf mannen te Sparta, die den paidonomos ter zijde stonden.

Bigati, de gewone benaming voor de Romeinsche zilverstukken (denarii) uit den tijd der Romeinsche republiek. Ze ontleenen hun naam aan het tweespan (bigae) van den beeldenaar; de godheid op het tweespan is eerst Luna (Diana), later gewoonlijk Victoria (Victoriati), maar men vindt ook andere goden. Sommige van deze munten hadden een kartelrand (serrati), om het snoeien tegen te gaan. Soms komt op de denarii een vierspan voor (quadrigati).

Bigerra, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis.

Bigerriones, volk in Aquitania, welks naam nog voortleeft in de pyreneesche badplaats Bagnères de Bigorre.

Bilbilis, Bilbilis, in Hispania Tarraconensis, geboortestad van den dichter Martialis, in het gebied der Celtiberiërs aan een zijtak van den Iberus (Ebro). De stad lag op eene rots en had eene belangrijke nijverheid van wapenfabrieken en goudsmidswerk.

Bilechas, zijrivier van den Scirtus.

Bingium, stad in Belgica, thans Bingen aan den Rijn.

Bion, Bion, 1) van Smyrna, navolger van Theocritus als bucolisch dichter, dien hij echter niet kon evenaren. Hij stierf omstreeks het einde van de 2de eeuw te Syracuse door vergift. Er zijn nog enkele gedichten in dorisch dialect van hem over.--2) van Borysthenes, beoefende in het laatst der derde eeuw te Athene de cyrenaeische wijsbegeerte en bracht langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas door. Hij is een leerling van Theophrastus. Hij was bekend om zijn vinnige uitvallen; den godsdienst verklaarde hij op dezelfde wijze als Euhemerus (z.a.).

Bisaltae, Bisaltai, thracisch herdersvolk in het macedonische landschap Bisaltia, ten W. van den Beneden-Strymon.

Bisanthe, Bisanthe, volkplanting van Samus aan de Noordkust der Propontis.

Bistones, Bistones, thracische volksstam tusschen den berg Rhodope en de zee, in den omtrek der stad Abdera, aan het meer Bistonis. Dichterlijk bistonisch = thracisch, Bistonides = Bacchanten, omdat de Bacchusdienst in Thracia te huis behoorde.

Bithynia, Bithynia, land aan de Zuidwestzijde van den Pontus Euxinus en de Oostzijde der Propontis, begrensd door Paphlagonia, Galatia en Phrygia. Het draagt zijn naam naar een der beide thracische stammen, die het bewoonden, de Bithyni ten O. en de Thyni ten W., wier gebied door de rivier Sangarius gescheiden was. V.s. zijn beide namen identisch. Noch aan de Perzen, noch aan Alexander d. G. gelukte het, Bithynia geheel of duurzaam te onderwerpen. Na den dood van Alex. behoorde Bithynia tot het gebied van Lysimachus, doch een der mindere legerhoofden, Nicomedes, slaagde er in, met behulp van keltische huurtroepen hier een koninkrijk te stichten (281-246). De zesde koning dezer dynastie, Nicomedes III, liet in 75 zijn land bij testament aan de Romeinen na. In 63 werd eene strook van Paphlagonia en van Pontus aan de provincie Bithynia toegevoegd, en in 7 na C. nog een stuk. Sedert 63 na C. komt de provincie voor onder den naam Bithynia-Pontus. Plinius de jongere, bekend door zijne Epistulae, werd in 111 door keizer Traianus tot stadhouder van Bithynia benoemd. Zijne ambtsbrieven aan den keizer en diens antwoorden zijn leerzaam om ons het destijds heerschende centralisatiestelsel te doen kennen. Ook geeft één van deze brieven een verrassenden kijk op de uitbreiding, die het Christendom toen reeds verkregen had. De oude hoofdstad was Bithynium; onder de grieksche vorsten had men drie residenties: Nicomedea, door Nicomedes I gesticht, Nicaea en Prusa.

Bithynium, Bithynion, de oudste hoofdstad der Bithyniërs, in het binnenland gelegen, later Claudiopolis geheeten.

Biton, Biton, z. Cleobis.

Bituriges, aanzienlijk volk in Gallia Transalpina. Zij werden onderscheiden in Bituriges Vibisci met de hoofdstad Burdigala (Bordeaux) aan den Garumna, en Bituriges Cubi met de hoofdstad Avaricum (Bourges).

Blandusia = Bandusia.

Blautai, Blautia, halve schoenen, die met riemen om de beenen vastgemaakt werden. Het was een voorname dracht.

Blemmyes, Blemmyes, een rooversvolk ten zuiden van Aegypte.

Blosius of Blossius (C.), stoicijnsch wijsgeer uit Cumae, een vriend van Tib. Gracchus en deelgenoot van diens plannen. Na Gracchus' dood vluchtte hij naar Asia, waar hij later zichzelf het leven benam.

Boadicca of juister Boudicca, koningin der Iceners in Britannia, die door de schandelijke hebzucht en handelingen der Romeinen tot opstand gedreven werd (62 v. a. 60 n. C.). Deze opstand breidde zich met groote snelheid uit, het belangrijke Londinium (Londen) en andere plaatsen werden door de woedende Britten veroverd, en meer dan 70000 romeinsche soldaten en burgers kwamen om het leven. Boadicca's tallooze benden werden echter in hetzelfde jaar door Nero's dapperen veldheer C. Suetonius Paulinus geheel verslagen, waarop de koningin zich door vergif het leven benam.

Bocchus, 1) koning in Mauretania, schoonvader van Jugurtha. Eerst was hij op de hand der Romeinen, tot Jugurtha hem door afstand van grondgebied voor zich won. Toen zijne troepen evenwel door Marius bij herhaling verslagen waren, liet hij zich bewegen zijn schoonzoon aan de Romeinen uit te leveren.--2) Bocchus II regeerde met zijn broeder Bogudes gezamenlijk over Mauretania. In den oorlog van Caesar tegen de partij van Pompeius kozen zij Caesars zijde en kregen tot belooning den titel van koningen. Bogudes droeg er later veel toe bij, om Caesar den slag bij Munda te doen winnen. In den strijd tusschen Antonius en Octavianus koos Bocchus de zijde van dezen, Bogudes die van Antonius. Bocchus kreeg nu geheel Mauretania, terwijl Bogudes kort na den slag bij Actium sneuvelde. Na Bocchus' dood (33) werd zijn land eene rom. provincie, maar in 25 werd het aan den jongen Juba afgestaan. (Zie Juba).

Bodotria of Boderia, Boderia eischysis, inham van de Noordzee tusschen Caledonia (Schotland) en Britannia, thans Firth of Forth. Vanhier liep het vallum Antonini tot aan het Clotae aestuarium aan de Iersche zee.

Boebe, Boibe, en Boebeis lacus, Boibeis limne, stad en meer tusschen de thessalische landschappen Pelasgiotis en Magnesia.

Boëdromia, Boedromia, feest ter eere van Apollo te Athene en Thebe in de maand Boëdromion gevierd. De Atheners herdachten daarbij de overwinning van Theseus op de Amazonen, of de hulp, die Ion of Xuthus hun tegen de Eleusiniërs verleend had, en sedert 490 ook den slag bij Marathon. In Thebe vierde men het feest ter gedachtenis aan den oorlog met Erginus, koning van Orchomenus.

Boëdromion, Boedromion, 3de maand van het Attische jaar (Sept.-Oct.), z. Annus.

Boeotia, Boiotia, landschap van Hellas, voor een groot gedeelte door bergen ingesloten, rijk aan bronnen en vruchtbare valleien, en met een aantal meertjes, die zich in den regentijd tot één groot meer (het meer Copaïs) vereenigden. De bewoners stonden bij de Atheners niet in den reuk van snuggerheid; men hield het er voor, dat de vochtige en dompige lucht benevelend op het verstand der Boeotiërs werkte. De bevolking was uit allerlei oude stammen dooreengemengd. Tot de oudste steden behooren: Orchomenus, dat reeds in den myceenschen en vóór myceenschen tijd bestaan heeft, Arne, dat met een paar andere steden in het meer Copaïs verdronken is, en Thebae. In historischen tijd bestond Boeotia uit een statenbond eerst van 7 steden: Acraephium, Coronea, Haliartus, Mycalessus, Plataeae (dat zich echter reeds vroeg bij Athenae aansloot), Tanagra, en Thebae, later van 14, na den peloponnesischen oorlog van 10 staatjes, meest met een aristocratisch bestuur. De jaarlijks aftredende overheidspersonen heetten Boeotarchen. Als hoofd van den bond gold Thebae; maar de tweespalt en de somtijds doodelijke haat, die tusschen de boeotische steden heerschte, verlamden de kracht van het volk. In Boeotia behooren de mythen te huis van Antiope en Dirce, van Amphion en Niobe, van Cadmus en diens dochters Ino en Semele en zijne kleinzonen Actaeon, Melicertes en Pentheus, van Dionysus of Bacchus, van Oedipus en diens geslacht, van de gebroeders Trophonius en Agamedes. Aan de Muzen was de berg Helicon gewijd, die met zijne rijkbegroeide hellingen scherp afstak bij den naakten Cithaeron, den ongeluksberg in de boeotische mythen.

Boeotus, Boiotos, z. Aeolus no. 2. Naar hem zouden de Boeotiërs genoemd zijn.

Boethus, Boethos, van Chalcedon, bekwaam beeldhouwer uit het begin van de 2e eeuw. Beroemd was onder zijne werken het beeld van een knaap, die een gans den hals omdraait.

Boeum, Boion, stad in het landschapje Doris, tot de dorische tetrapolis behoorende.

Bogudes, koning in Mauretania. Zie Bocchus II, wiens jongere broeder hij was.

Boii, Boioi, een groot keltisch volk uit meer dan 100 tribus bestaande, dat veel gezworven heeft en waarvan verschillende gedeelten in de Po- en Donaulanden voorkomen, ten N. en ten Z. der Alpen. De Bojers in de Po-vlakte verdreven de Etrusci en de Umbri uit de streek ten Z. van de Po, en namen de Etruscische stad Felsina in, die later als hun hoofdstad Bononia genoemd werd. Na hevigen strijd werden zij in 224 door de Romeinen ten onder gebracht, doch de inval van Hannibal in Italië bracht hen weder in opstand, en eerst in 191 werden zij door P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 19) voor goed onderworpen. De Bojers aan den Donau sloegen een aanval der Cimbren en Teutonen af; in Caesars tijd sloot zich een gedeelte, dat zijne woonplaatsen in Boiohaemum (Boheme) verlaten had (± 60) en naar Noricum was getrokken, bij de Helvetiërs aan.

Boiohaemum, Boheme, het land (die Heimath) der Boii.

Boiorix, 1) misschien slechts een titel = Boiorum of Boius rex, koning der Bojers, die volgens het niet geheel betrouwbare verhaal in 194 met de Romeinen gestreden heeft.--2) koning der Cimbren, versloeg en doodde in 105 M. Aurelius Scaurus (z. Aurelii no. 10), maar sneuvelde in 101 in den slag op de Raudische velden bij Vercellae tegen Marius.

Boiotarchai, de magistraten van het boeotisch verbond, die de uitvoerende macht hadden, in den oorlog het opperbevel voerden, en de besluiten der vier boeotische raden ten uitvoer brachten.

Bola, Bola, oude stad in Latium, die langen tijd in het bezit der Aequi geweest is, en reeds vroeg te gronde is gegaan.

Bolbe, Bolbe, meer in Macedonia, dat in de golf van den Strymon uitwatert.

Bolbitine, Bolbitine, thans Rosette, stad in de Nijldelta, waarnaar de westelijke hoofdmonding der rivier ostium Bolbitinum werd genoemd.

Bolissus, Bolissos, stad in het N.W. van Chius.

Bomienses, Bomies, volk in het O. van Aetolia, in het brongebied van den Euenus.

Bomilcar, Bomilkas, naam van twee carthaagsche veldheeren. De eerste komt voor in den strijd van Carthago tegen Syracusae, toen Agathocles omstreeks 310 eene landing in Africa deed en de carthaagsche generaals Hanno en Bomilcar versloeg. Later deed Bomilcar eene poging om zich te Carthago van het bewind meester te maken; doch zijn toeleg mislukte en hij stierf aan het kruis.--De andere komt voor in den tweeden punischen oorlog. Hij bracht in 215 versche troepen aan Hannibal en ondersteunde in 214 en 212 Syracusae tegen de Romeinen.--Ook de vertrouwde dienaar van Jugurtha, die voor dezen te Rome den moord op Massiva pleegde, heette Bomilcar. Toen hij later zijn meester poogde te verraden, werd hij door dezen met den dood gestraft (107).

Bomonikai, heetten de spartaansche knapen, die de geeseling voor het altaar van Artemis Orthia (z. a.) het langst en standvastigst verdroegen.

Bona Dea, eene godin wier eigenlijke aard reeds den Romeinen onduidelijk was, en die daarom soms voor dezelfde als Fauna, Maia, Ops, e. a. gehouden wordt; oorspronkelijk was de naam een attribuut van Fauna, maar daar deze godin uitsluitend door vrouwen vereerd werd, werd de Grieksche godin Damia, wier dienst reeds vroeg, waarschijnlijk 272, na de inneming van Tarente, in Rome werd ingevoerd, met haar vereenzelvigd. De 1e Mei was haar feestdag, maar het voornaamste feest te harer eer werd in het begin van December des nachts ten huize van den hoogsten overheidspersoon door voorname vrouwen en vestaalsche maagden gevierd. Tot beide feesten was de toegang aan mannen ten strengste verboden.

Bondgenootenoorlog, zie Marsicum bellum.

Bona (fide), te goeder trouw, komt als rechtsterm dikwijls voor. Bonae fidei possessio is het bezit te goeder trouw van eene zaak, waarvan men meent de rechtmatige bezitter te zijn.

Bonna, stad in het gebied der Ubii aan den Rhenus, thans Bonn. Drusus maakte er eene vesting van.

Bononia, Bononia, 1) thans Bologna, zeer oude Stad in Gallia Cisalpina. Eerst was Bononia de hoofdstad der aan den Po gevestigde Etruscers, en heette toen Felsina. Toen de Etruscers door de Galliërs verjaagd waren, werd Bononia de hoofdstad der Bojers. In 189 werd het lat. kolonie. Onder de keizers werd het eene aanzienlijke stad.--2) stad der Morini, aan het Kanaal, vroeger Gesoriacus portus, thans Boulogne.

Bonorum cessio, vrijwillige afstand van zijn vermogen door een insolventen schuldenaar aan zijne schuldeischers. Zie bonorum emptio.

Bonorum emptio. Wanneer een schuldenaar onwillig bleek zijne schuld te betalen, of wanneer iemand zich schuil hield om eene dagvaarding te ontgaan, konden de belanghebbenden van den praetor eene missio in bona, d. i. eene inbeslagneming van goederen vragen. Werd deze toegewezen, dan liet men nog een termijn voorbijgaan, om den onwillige in de gelegenheid te stellen aan zijne verplichtingen of aan het verlangen der eischers te voldoen; bleef hij in gebreke, dan had ten laatste de executie plaats. Werden iemands bezittingen voor schuld verkocht, dan werden zij in haar geheel bij opbod aan hem toegewezen, die aan de schuldeischers het grootste getal percenten bood. Deze executie had eerloosheid (infamia) tengevolge, die men kon ontgaan door eene bonorum cessio. Het oude recht kende echter deze cessie niet; zij werd eerst wettig ingevoerd onder Caesar, hoewel zij zeker onderhands ook vroeger zal hebben plaats gehad.

Bonorum possessio. Het oude strenge erfrecht bij de Romeinen sloot de cognati en de geëmancipeerde kinderen uit; doch het praetorische recht, dat meer op de aequitas was gegrond, nam deze op. Door dit nieuwe recht konden op grond van bloedverwantschap ook zij tot de erfenis geroepen worden, die door uittreding uit de patria potestas hun erfrecht volgens de lex XII tabularum hadden verloren. Men onderscheidt hierbij verschillende gevallen. Bonorum possessio contra tabulas (testamenti) kon door den praetor verleend worden, wanneer b. v. geëmancipeerde kinderen in het testament waren voorbijgegaan. Bon. poss. secundum tabulas kon toegewezen worden, wanneer b.v. het testament niet aan alle wettelijke vormen voldeed en dus strikt genomen niet geldig zou wezen,--tenzij zich erfgenamen opdeden, die een beter recht konden doen gelden dan de testamentaire erven. Bon. poss. intestati kon plaats grijpen, wanneer er geen testament was. De praetor maakte dan verschillende klassen van erfgenamen. In den eersten graad erfden de kinderen, ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de legitimi heredes, bij ontstentenis van deze, de naaste cognaten, enz., tot zeven graden toe.--Zij, die door het praetorische edict aldus tot de erfenis geroepen werden, werden nochtans eigenlijk geene heredes, want de praetor kon geene erfgenamen maken; zij werden loco heredum en hadden slechts de possessio, daar zij geen wettigen titel van eigendom konden doen gelden, tenzij later het recht van verjaring (usucapio).

Bonorum sectio, z. Sectio bonorum.

Bonus Eventus, z. Eventus.

Boonai, te Athene door het volk gekozen personen, die te zorgen hadden, dat het voor de offers en feesten noodige vee in voorraad was.

Bootes, Bootes, sterrenbeeld in de nabijheid van den Grooten Beer, daarom ook Arcturus of Arctophylax genoemd. Men zag in dit beeld Icarius of Arcas. V. a. was Bootes een zoon van Demeter en Iasion, die den ploeg had uitgevonden.

Borbetomagus, stad der Vangiones, aan den Rhenus, thans Worms.

Boreadae, Boreadai, Boreades, Zetes, Calaïs, Chione en Cleopatra, kinderen van Boreas en Orithyia.

Boreas, Boreas, Borras, N. O. of N. wind (zie Windstreken), mythologisch de zoon van Astraeus en Eos, die een hol van den thracischen Haemus bewoont. Hij schaakte behalve vele andere vrouwen Orithyia, de dochter van Erechtheus, daarom baden de Atheners tot hem, toen een orakel hun bij het naderen der Perzen bevolen had hun schoonzoon te hulp te roepen, en inderdaad werd een deel van Xerxes' vloot bij kaap Sepias door storm vernield. Uit dankbaarheid wijdde men hem een tempel aan den Ilissus.

Boreasmoi, feest ter eere van Boreas te Athene gevierd.

Borsippa, stad aan het Naärsareskanaal, even bezuiden Babylon, met beroemde linnenfabrieken.

Borysthenes, Borysthenes, rivier in Sarmatia, later Danapris, thans Dniepr. Aan zijn mond, waar hij zich met den Hypanis (Bug) vereenigt, lag de milesische kolonie Borysthenis of Olbia.

Bosporanum regnum, zie Bosporus.

Bosporus, Bosporos, naam van twee zeeëngten. De Bosporus Thracius heet de straat van Constantinopel; de Bosporus Cimmerius is de straat van Kaffa of Jenikale, de invaart der Palus Maeotis of zee van Azow. Met de palus Maeotis en den Tanaïs (Don) vormt ze in de oudheid de grensscheiding tusschen Europa en Asia. Uit de milesische kolonie Panticapaeum, ook Bosporus geheeten, thans Kertsch, aan de laatste zeeëngte gelegen, ontwikkelde zich een bosporaansch rijk, dat door Mithradates VI van Pontus met zijn rijk werd vereenigd en later door Pompeius aan diens zoon Pharnaces werd afgestaan. Als rom. vasalstaat bleef het bestaan tot aan de groote volksverhuizing.

Bostar, Bostar, naam van twee carthaagsche bevelhebbers. De eerste, door Regulus in 256 gevangen genomen, werd later als zoenoffer aan diens familie overgegeven en zou tengevolge van mishandelingen gestorven zijn. De andere, die onder Hasdrubal in den tweeden punischen oorlog in Spanje diende, liet zich door zekeren Spanjaard Abelux verleiden, om de Spaansche gijzelaar, hem door Hannibal ter bewaking toevertrouwd, vrij te laten. Een derde Carthager van dien naam, werd in 215 door Hannibal met een paar anderen als gezant naar Macedonia afgevaardigd; doch het schip, dat hen vervoerde, werd door de rom. vloot buit gemaakt.

Bostra, ta en he Bostra, stad ten Zuiden van Damascus, in eene oase der syrische woestijn. Het was oudtijds de hoofdstad van de landstreek Auranitis, in het N. O. van Palaestina, later hoofdstad van het koninkrijk der Nabataeërs, en werd ten slotte, bij de inlijving (105 of 106 n. C.) door Traianus tot hoofdstad der provincie Arabia verheven. Zie Arabia.

Bottia of Bottiaea, Bottia, -iaia, -iaiis, landstreek van Macedonia aan den Axius, (Vardar) en de Thermaeïsche golf. De oorspronkelijke bewoners, in de 7de of 6de eeuw door de Macedoniërs verdreven, verhuisden naar het noordelijk gedeelte van het schiereiland Chalcidice, dat zij Bottice noemden, terwijl de vroegere woonplaats den ouden naam Bottia of Bottiaea behield.

Bouai, afdeelingen, waarin de spartaansche jongelingschap gedurende de jaren hunner opvoeding verdeeld was. Aan het hoofd van zulk eene afdeeling stond een Bouagos of Bouagor.

Boudicca = Boadicca.

Boule, raad, een lichaam dat in democratische staten in de eerste plaats de staatsaangelegenheden aan eene voorafgaande behandeling heeft te onderwerpen, alvorens ze in de volksvergadering te brengen. Te Athene had de raad volgens de instellingen van Draco 401 leden, zij werden bij loting aangewezen uit de burgers, die ouder dan 30 jaar en in het volle bezit hunner burgerrechten waren. Niemand mocht voor de tweede maal lid van den raad zijn, voordat allen die ertoe gerechtigd waren een beurt gehad hadden. Onder de wet van Solon waren er 400, 100 per phyle, door loting aangewezen uit candidaten die door de phylen gekozen waren. Clisthenes vermeerderde het aantal leden tot 500 (vandaar de gewone naam he boule hoi pentakosioi), nl. 50 uit elke van de nieuwe 10 phylen; waarschijnlijk liet hij ook de verkiezing door loting (apo kyamou lachein) bestaan. De loting had ook toen plaats uit hen, die door de phylen als candidaten waren aangewezen. Bij de ontwikkeling der democratie werd ook aan de theten het recht toegekend om tot den raad te behooren. Met de vermeerdering van het aantal phylen in den macedonischen tijd vermeerderde ook het aantal raadsleden; Hadrianus verminderde het echter weder tot 500.--Tot de bevoegdheden van den raad behoorde o. a. dat de veldheeren hem verslag gaven van hunne verrichtingen, dat hij vreemde gezanten ontving en ze bij de volksvergadering inleidde, enz. Voorts had de raad het oppertoezicht over het beheer der financiën en beheerde ze gedeeltelijk zelf, leidde hij het onderzoek naar de bevoegdheid der archonten en van andere verkozen ambtenaars (dokimasia), en had hij in sommige minder belangrijke gevallen rechtspraak. De raad kon geldboeten opleggen en had het toezicht op alles wat tot de marine behoorde en op de openbare gebouwen. Dikwijls werd hem bovendien door het volk het afdoen van eene of andere aangelegenheid opgedragen; de besluiten, die hij zonder zulk een opdracht neemt, zijn slechts gedurende het loopende ambtsjaar geldig. Z. ook probouleuma en ekklesia.--De raad vergaderde dagelijks, behalve op feestdagen, in het raadhuis (bouleuterion), zijne vergaderingen waren gewoonlijk openbaar. Met het dagelijksch bestuur was echter altijd slechts eene bij loting aangewezen afdeeling van 50 raadsleden belast (z. Prytanis).--De leden van den raad waren vrijgesteld van den krijgsdienst, hadden een afzonderlijke plaats in den schouwburg en ontvingen, waarschijnlijk sedert de tijden van Pericles, een drachme of vijf obolen voor iedere vergadering (misthos bouleutikos). Wanneer de raad bij zijn aftreden voldoende rekenschap van zijne verrichtingen gegeven had, vereerde het volk hem met een gouden krans, die in een of anderen tempel bewaard werd. Ook in vele andere staten en statenbonden wordt eene boule vermeld, over welker samenstelling en bevoegdheden echter weinig of niets bekend is.

Bouphonia, z. Diipolia.

Bovianum, Boïanon, hoofdstad der Pentri in Samnium.

Bovillae, Boïllai, stadje in Latium aan de via Appia, bekend door de ontmoeting tusschen Milo en Clodius Pulcher, die Clodius het leven kostte.

Braccae. De Romeinen en Grieken omwonden wel de beenen met lange strooken lijnwaad (fasciae), en ook kousen waren in de oudheid niet onbekend, doch broeken waren eene kleederdracht der barbaren, o. a. van de oostersche volken en van de transalpijnsche Galliërs. Naar deze kleederdracht werd Gallia Transalpina dikwerf in de wandeling Gallia braccata genoemd. Hoewel in het tijdperk der keizers deze dracht ook tot Rome doordrong, is zij er nimmer nationaal geworden. Bij de Grieken heette het kleedingstuk anaxyrides, terwijl meer in het bizonder voor wijde broeken de naam thylakoi in gebruik was.

Brachmanae, Brachmanes, de priesterkaste bij de Indiërs, ook de stammen die den godsdienst van Brahma beleden. De Grieken hebben van deze zaken kennis gekregen door de expeditie van Alexander naar Indië; de Grieksche schrijvers uit dien tijd geven zeer betrouwbare berichten.

Bradanus, grensrivier tusschen Lucania en Apulia, die dicht bij Metapontum in de golf van Tarente uitloopt.

Branchidae, Branchidai, 1) afstammelingen van Branchus, een zoon van Smicrus of van Apollo, die uit Delphi naar Miletus verhuisde en te Didyma een tempel van Apollo stichtte. De Branchidae beheerden dezen later zeer rijken tempel, waarvan niet lang geleden belangrijke overblijfselen zijn opgegraven, en het daarmede verbonden orakel; daar zij echter aan Xerxes bij zijn tocht naar Griekenland de groote schatten van den tempel uitgeleverd hadden, verzochten zij hem na afloop van den veldtocht, uit vrees voor de wraak der Grieken, hun een andere woonplaats aan te wijzen. Sedert dien tijd woonden zij in Bactriana, waar Alexander hen vond, die hen, tot straf voor de misdaad hunner voorouders, allen liet dooden en hun stad met tempels en heiligdommen geheel liet verwoesten.--2) = Didyma.

Brannovices Aulerci, z. Aulerci.

Brasidas, Brasidas, zoon van Tellis, de dapperste en bekwaamste veldheer der Spartanen in den peloponnesischen oorlog. Nadat hij in het eerste jaar van den oorlog een aanval der Atheners op Methone had afgeslagen en zich sedert meermalen had onderscheiden, wist hij, gesteund door gezantschappen van Perdiccas en van eenige steden op Chalcidice, de ephoren te overreden dat men de Ath. in hun kolonies en bondgenooten moest aanvallen; in 424 trok hij aan het hoofd van een klein leger door Griekenland, en maakte hij, meer door overreding dan door geweld, vele belangrijke steden in Macedonië en Thracië, o. a. Amphipolis, van de Atheners afvallig. Wel heroverden zij, nadat onderhandelingen over een wapenstilstand mislukt waren, verscheiden steden, maar toen Cleon in 422 bij Amphipolis een slag waagde, behaalde Brasidas een schitterende overwinning, waarbij hijzelf echter doodelijk gewond werd. Hij werd na zijn dood te Amphipolis als heros vereerd.

Bratuspantium, hoofdst. der Bellovaci, tusschen de Sequana (Seine) en de Samara (Somme).

Brauron, Brauron, aanzienlijke plaats op de Oostkust van Attica, met een tempel van Artemis. Brauron en Eleusis maakten aanspraak op den naam van polis.

Brauronia, Brauronia, feest ter eere van Artemis Brauronia, dat om de vijf jaren gevierd werd en waarbij alle meisjes van vijf tot tien jaar aan de godin gewijd werden; waarschijnlijk een overblijfsel van vroegere menschenoffers.

Brenni of Breuni, Breunoi, volksstam in de Raetische Alpen, nabij den tegenw. Brenner.

Brennus, Brennos, naam van verschillende Gallische vorsten: 1) het opperhoofd der senonische Galliërs, die in 389 de Romeinen bij den Allia versloegen, Rome innamen en het Capitool belegerden. Volgens het verhaal was hij het, die bij het afwegen van het goud zijn zwaard in de weegschaal wierp, en het beroemde vae victis sprak. Het geheele verhaal omtrent hem is onhistorisch, en zijn naam ontleend aan den onder no. 2 genoemden.--2), die in 279 met 65000 of 40000 Galliërs in Macedonia viel, verwoestend tot in Griekenland doordrong, maar, toen hij op Delphi lostrok, door een grieksch legertje van 4000 man verslagen werd en zichzelf om het leven bracht. Een hevig onweder, met aardbeving gepaard, waardoor geheele rotsblokken op de Galliërs neerstortten, deed het verhaal ontstaan, dat de delphische god zelf voor zijn heiligdom gestreden had.

Bretones of Britones. Zie Britannia.

Briareos, Briareos, z. Aegaeon.

Brigantes, Brigantes, het machtigste volk van Britannia, ten oosten van den Abus (Humber), met de hoofdstad Eburacum of Eboracum (York). Zij werden door Cerealis onderworpen.

Brigantinus lacus, thans Bodensee of meer van Konstanz, door den Rijn gevormd. Het werd ook lacus Rheni, l. Venetus, l. Aeronius genoemd. In een scheepsgevecht op dit meer versloeg Tiberius de Vindeliciërs. De naam l. Brigantinus is ontleend aan de stad Brigantia (Bregenz).

Brilessus, Brilessos, berg in Attica = Pentelicus.

Briniates of Friniates, ligurische volksstam aan de N.-zijde van de Apennijnen, ten Z. van Mutina. Ze werden in 187 door de Romeinen onderworpen.

Brinio of Brinno, aanvoerder der Canninefaten bij den opstand van (Claudius) Civilis tegen Rome in 69 n. C.

Briseis, Briseis, dochter van Briseus, een priester in Lyrnessus; haar eigenlijke naam was Hippodamea. Zij was gehuwd geweest met koning Mynes, maar bij de verovering van Lyrnessus werd zij door Achilles gevankelijk medegevoerd. Zij was de oorzaak van zijn twist met Agamemnon, die in de Ilias beschreven wordt, want toen Agam., op aandringen van Achilles, genoodzaakt werd zijne slavin Chryseis (z. a.) vrij te laten, ten einde het leger van de pest te bevrijden, liet hij Briseis met geweld uit de tent van Achilles halen, en gaf haar eerst terug toen deze na den dood van Patroclus besloot weder aan den oorlog deel te nemen.

Britannia, Bretannia, het tegenw. Engeland en Schotland, met Hibernia (Ierland) en de kleinere bijliggende eilanden samen onder den naam insulae Brittannicae begrepen. Vóór Caesar kenden de Romeinen deze eilanden slechts bij geruchte, en deze geheimzinnigheid prikkelde hem om naar Britannia over te steken; doch zijne beide tochten (55 en 54) hadden weinig gevolg. Eerst ten tijde van keizer Claudius (sedert (43 n. C.) kregen de Romeinen vasten voet in het Zuiden van Engeland; doch er moest nog veel strijd gevoerd en meer dan één opstand gedempt worden (zie o. a. Boadicca), eer Iulius Agricola (78-85) er in slaagde, Engeland geheel tot een wingewest te maken. Daarnaar werd Engeland Britannia Romana, Schotland of Caledonia Britannia barbara geheeten. De naam Albion beteekent bergland. Ten einde de invallen der woeste bergstammen uit Caledonia te keeren, werden er in verschillende tijden twee versterkingsliniën dwars over het eil. aangelegd van den Oceanus Hibernicus (Iersche zee) naar den Oc. Germanicus (Noordzee). De oudste linie, meestal vallum Hadriani geheeten, liep van de Solway Firth in het W. naar de Tyne in het O., en werd aangelegd 122 n. C.; de latere linie, vallum Antonini genaamd, was veel kleiner, liep van Firth of Clyde (Clotae aestuarium) naar de Firth of Forth (Bodotriae of Boderiae aestuarium). Deze had keizer Antoninus Pius door zijn legaat Lollius Urbicus in 142 n. C. laten aanleggen. Onder keizer Septimius Severus werd het land tusschen de beide liniën weder prijs gegeven en trok men zich op de zuiderlijn terug, die nu versterkt werd door eene buitenlinie, uit een gemetselden muur bestaande, met poorten, torens en forten. De Romeinen hadden omtrent de ware ligging van Britannia geene juiste voorstelling en meenden, dat de Oostkust vrij wel evenwijdig aan de belgisch-nederlandsche kust liep. De bevolking was van keltischen oorsprong en werd Bretones of Britanni genoemd, doch was op sommige punten door belgische nederzettingen naar het binnenland teruggedrongen. De Britten waren gewoon lang hoofdhaar en knevels, doch geen baard te dragen en zich blauw te verven. Onder Constantijn vormde Britannia Romana vier provinciën: Britannia I en II in het Noorden, Maxima Caesariensis in het midden, Flavia Caesariensis in het Zuiden. Theodosius de Groote veroverde nogmaals Zuid-Schotland en maakte daarvan de provincie Valentia. Toen in den tijd der groote volksverhuizing de rom. legers uit Britannia teruggetrokken werden, waren de Britten niet meer tegen de Schotten opgewassen en riepen zij in 447 n. C. de hulp der Saksers en Angelen in, die het land wel van de Schotten verlosten, maar het tevens vermeesterden. In de 5de eeuw n. Chr. gaat de naam Britannia over op Bretagne, waar de door de Angelsaksen verdreven Britanni hun toevlucht zochten.

Britannica (arx), de Brittenburg, thans door de zee verzwolgen, een kasteel in het land der Batavieren, aan den middelsten Rijnmond (ten W. van Katwijk). Misschien heette de sterkte zoo, omdat men gewoon was van dáár naar Britannia over te steken.

Britannicus, eigenlijk Claudius Tiberius Britannicus Caesar, stiefbroeder van Nero. Zie Claudius (keizer) en Iulii aan het slot onder f 3.

Britomaris, opperhoofd der senonische Galliërs, liet, uit verbittering over zijns vaders dood, in 283 de rom. gezanten ombrengen en hunne ledematen verstrooien. Toen hij in handen van den consul P. Cornelius Dolabella (Cornelii no. 35) was gevallen, liet deze hem ter dood martelen. De Senones werden uit hun land verdreven, en op den ager Gallicus werd de kolonie Sena (Gallica) gesticht. Het verhaal zelf omtrent Britomaris (Brittomaris) is misschien verzonnen.

Britomartis, Britomartis, cretensische nimf, dochter van Zeus en Carme, gunstelinge van Artemis. Minos vervolgde haar negen maanden lang met zijn liefde, zij stortte zich eindelijk in zee, maar werd in visschersnetten gered. Daarop werd zij onder de godinnen opgenomen en onder den naam Dictynna vereerd.--V. a. vluchtte zij voor Minos naar Aegina, maar toen de visscher, die haar had overgezet, haar zelf wilde geweld aandoen, verdween zij in het heilige bosch van Artemis; hier kreeg zij den naam Aphaea.--Evenals Aphaea (z. a.) zijn waarschijnlijk ook Britom. en Dictynna andere namen voor Artemis.

Brixellum, stad aan den Padus (Po) dicht bij Parma, waar keizer Otho zich om het leven bracht.

Brixia, thans Brescia, hoofdstad der Cenomani, in Gallia Transpadana, later rom. municipium.

Brizo, Brizo, godin die op Delus, vooral door vrouwen, vereerd werd. Zij beschermde de schippers en gaf orakels.

Brogitarus, schoonzoon van den galatischen tetrarch Deiotarus, kocht van den volkstribuun P. Clodius (58) den koningstitel en het priesterschap van de Magna Mater te Pessinus voor geld.

Bromius, Bromios, bijnaam van Dionysus.

Bronteion, eene machine, waarmede men achter het tooneel het gerommel van den donder nabootste.

Brontes, Brontes, een der Cyclopen.

Brucheum of -ium, deel van Alexandrië in Aegypte. Z. a.

Bructeri, Broukteroi, machtig germaansch volk aan de Amisia (Eems) en de Luppia (Lippe). Tot dit volk behoorde de profetes Velleda. De Bructeren sloten zich in 69 n. C. bij den opstand der Batavieren aan.

Brundisium, minder juist Brundusium, Brentesion, thans Brindisi, belangrijke havenplaats aan de Adriatische zee, vanwaar men gewoonlijk naar Griekenland overstak. De stad, op de kust van Calabria gelegen, had eene voortreffelijke, altijd toegankelijke haven, door twee landtongen beschermd; vandaar waarschijnlijk de naam, die oud-italisch hertekop beteekent. Sedert 245 was het lat. kolonie.

Bruttii, ager Bruttius, Brettia, Z.W. uithoek van Italia, een bergachtig en ten deele boschrijk gewest, van de riviertjes Laüs en Sybaris tot aan het fretum Siculum (straat v. Messina). Alleen deze streek werd oorspronkelijk Italia geheeten (z. a.). Tegenwoordig heet het Calabrië. Het was sterk bezet met grieksche volksplantingen. In den tweeden punischen oorlog sloten de inwoners zich (in 214) meerendeels bij Hannibal aan. Later moesten zij dit ontgelden en het land geraakte in verval.

Brutus, familienaam in de gentes Iuniae, z. Iunii no. 2 en Iunii no. 1-9.

Bryges, Bryges, Brygoi, thracische volksstam in Emathia (Macedonië), verwant met de Phrygiërs. Ze komen ook in andere deelen van het Balkan-schiereiland, vooral in Epirus en Illyria voor.

Brygus, Brygos, beroemd Atheensch vazenschilder uit het begin van de 5de eeuw. Hij schildert in strengen roodfigurigen stijl. Zijn schoonste vazen heeft hij met zijn naam geteekend.

Bubassus, Bybassos, oude kustst. in Caria ten O. van Cnidus, op de Cnidische Chersonesus.

Bubastis, Boubastis, aegyptische godin, misschien zinnebeeld van het vuur, dochter van Osiris en Isis, door de Grieken voor dezelfde als Artemis gehouden. Hare beelden hadden een kattekop. Haar voornaamste tempel was te Bubastis, waar jaarlijks een feest gevierd werd, dat soms door 700000 vreemdelingen bezocht werd.

Bubastis of -tus, Boubastos, distrikt en hoofdstad in de Nijldelta, aan den oostelijken Nijlarm, de hoofdzetel van den dienst der godin Bubastis. Beneden deze stad woonden de karische en ionische huurtroepen, die door koning Psammetichus in dienst genomen waren.

Buccina, gebogen hoorn, door herders gebezigd en ook in gebruik bij het romeinsche leger tot het geven van signalen.

Bucephala, Boukephala, -lia, stad aan den Hydaspes, een der takken van den Indus, door Alexander gesticht ter gedachtenis aan zijn beroemd strijdros Bucephalus. In den slag tegen Porus (326) had dit paard, schoon zwaar gewond, Alexander, die zich te ver had gewaagd, behouden bij de zijnen teruggebracht, en was toen neergestort.

Bucolici, z. Theocritus.

Budini, Boudinoi, scythisch nomadenvolk, ten O. van den Tanaïs, volgens Herodotus met blauwe oogen en vuurroode kleur en in eene houten stad wonende.

Budorum, Boudoron, N.W.-kaap en kasteel op het eiland Salamis.

Bulgari, een onderafdeeling der Hunnen, die in de 5de eeuw n. C. voor het eerst optreedt.

Bulis, Boulis. Toen de Spartanen door het vermoorden van perzische gezanten den toorn van den heros Talthybius op zich geladen hadden en bij het offeren geen gunstige voorteekenen konden krijgen, boden Bulis en Sperthias zich aan om aan Xerxes uitgeleverd te worden, ten einde Talthybius te bevredigen. Xerxes zond hen echter terug en nu bleef de toorn van Talthybius op de geslachten van Bulis en Sperthias rusten, wier zonen Nicolaus en Anaristus in den peloponnesischen oorlog in handen der Atheners vielen en gedood werden.

Bulla, medaillon, dat door de kinderen aan een snoer om den hals werd gedragen en een amulet tegen betoovering bevatte. Bij de rijken was de bulla van goud, bij de armeren van leder.

Bulla regia, vesting in Numidia, in het dal van den Bagradas, later tot Africa proconsularis behoorend.

Bupalus, Boupalos, zoon van Archermus, beroemd beeldhouwer van Chius. Hij en zijn broeder Athenis stelden een beeld ten toon van Hipponax, waarin de kleine en leelijke man bespottelijk gemaakt werd; uit wraak hekelde Hipponax hen in zijne iamben zoo onbarmhartig, dat zij zich ophingen.

Buprasium, Bouprasion, eene stad uit het homerische tijdperk, later verdwenen. Zij lag in Elis aan den Larisus, en werd bewoond door Epeërs.

Bura, Boura, eene der twaalf oude achaeïsche steden, in 373 door aardbeving verwoest, maar later op een andere plaats herbouwd. De nieuwe stad, waarvan nog belangrijke stukken van den vestingmuur over zijn, lag ten Z. van Helice.

Burchana, Bourchanis, oudtijds het voornaamste der Noordzee-eilanden, tgw. Borkum. Het wordt reeds in de 4de eeuw als barnsteeneiland vermeld, onder den naam Abalus; het komt ook voor onder den naam Baunonia of Fabaria, boonen-eiland; zie verder Glaesariae insulae.

Burdigala, thans Bordeaux, aan den Garumna, in het gebied der Bituriges Vibisci, later hoofdstad der provincie Aquitania II. Het was eene aanzienlijke handelsplaats en een zetel der wetenschappen. Ausonius, de dichter der Mosella, was hier geboren.

Burgundi of Burgundiones, vandaalsche of gothische stam, die oorspronkelijk tusschen de Vistula (Weichsel) en de Viadus (Oder) woonde, later westelijk trok, in de 4de eeuw n. Chr. ten oosten van de Alamannen, buiten den vroegeren limes woonde, en zich omstreeks 465 tusschen den Rhodanus (Rhône) en Italië vestigde, waar Lugdunum (Lyon) en Genava (Genève) hunne hoofdsteden werden.

Burgus is de naam van een klein kasteel, dat tusschen de grootere Castra en Castella gelegen, met deze dient voor de grensverdediging. Het is een oud-germaansch woord, dat in de 2de eeuw n. C. in de latijnsche taal is opgenomen.

Burii, Bouroi, germaansch volk, waarschijnlijk in het tegenw. Moravië en Silezië gevestigd. Zij komen als bondgenooten van Traianus, Marcus Aurelius en Commodus voor, doch later met de Marcomannen en Quaden als vijanden der Romeinen.

Burrus (Afranius). Zie Afranii no. 3.

Bursa (T. Munatius Plancus), zie Munatii no. 3.

Busiris, Bousiris, zoon van Aegyptus of van Poseidon en Libye; hij was koning van Aegypte, en zooals de Grieken verhaalden, placht hij de vreemdelingen, die in zijn land kwamen, te offeren, totdat hij door Heracles gedood werd.

Bustum, bustuarii. Bustum is eigenlijk de uitgebrande brandstapel, doch beteekent ook de plaats, waar hij is opgericht, alsmede het graf of de begraafplaats. Wanneer het lijk op den brandstapel was neergelegd, werd deze door een der bloedverwanten met afgekeerd gelaat aangestoken. Was het lijk verteerd, dan werd het vuur met wijn en melk gebluscht en de beenderen werden in eene urn verzameld. Rijken wikkelden vaak de lijken hunner afgestorvenen in een kleed van asbest, opdat de asch zich niet met die van het hout zou vermengen. Evenals men bij vele oude en nog heden bij sommige wilde volken de gewoonte aantreft, op het graf menschen te offeren, hadden bij de Rom. dikwijls rondom den brandstapel gladiatorengevechten plaats. Zulke zwaardvechters die dáár op leven en dood met elkander streden werden bustuarii genoemd. Ten slotte zij opgemerkt, dat in de oudheid zoo wel begraven als verbranden gebruikelijk was.

Buteo, familienaam in de gens Fabia, z. Fabii no. 27.

Butes, Boutes, Boutas, 1) zoon van Pandion of Teleon en Zeuxippe, landman en stierenherder, priester van Athena en Poseidon, na zijn dood door de Atheners als heros vereerd. Hij was de stamvader van het geslacht der Butaden of Eteobutaden. Hij nam ook deel aan den tocht der Argonauten.--2) koning op Sicilië, die door Aphrodite bemind werd en bij haar een zoon, Eryx, had. Dikwijls wordt hij met den atheenschen Butes verward, en uit deze verwarring ontstond het verhaal, dat hij bij de terugreis der Argonauten, bekoord door het gezang der Sirenen, in zee gesprongen was, maar dat Aphrodite hem gered en naar Lilybaeum gebracht had.--3) zoon van Boreas, een Thraciër, die, door zijn broeder Lycurgus verbannen, het eiland Strongyle (oude naam voor Naxus) bezette. Bij een inval in Thessalië tijdens een feest van Dionysus roofde hij eene van de feestvierende vrouwen, Coronis, en dwong haar hem te huwen. Op Coronis' gebed strafte Dionysus hem met waanzin, zoodat hij zich in een put verdronk.

Buthrotum, Bouthroton, bloeiende zeestad in Epirus, tegenover Corcyra, volgens de sage gesticht door den Trojaan Helenus.

Buto, Bouto, stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm en aan eene lagune, Buto lacus genoemd. De stad had een tempel der godin Buto, met een orakel, dat zeer in eere stond. Buto was de voedster der beide kinderen van Isis en verborg hen op een drijvend eiland voor de vervolgingen van Typhon. De Grieken vereenzelvigden haar met Leto of Latona.

Buxentum, Pyxous, thans Pilocastro, kolonie der Messaners op de kust van Lucania aan de rivier Buxentius (Busento), gesticht 467, sedert 194 rom. kolonie.

Buzyges, Bouzyges, oud-attisch heros, die het eerst stieren voor den ploeg spande, v. a. bijnaam van Epimenides of van Triptolemus. Van hem leidde het geslacht der Buzygae, dat de heilige ploegfeesten te Athene bestuurde, zijn oorsprong af.

Byblis, Byblis, een meisje uit Miletus, die vurige liefde voor haar broeder Caunus had opgevat. Toen deze daarom het land verliet, stierf Byblis van verdriet; uit hare tranen ontstond een bron.

Bybassus = Bubassus.

Byblos, een aegyptische moerasplant, waaruit in de oudheid het papier vervaardigd werd (z. charta). Het grieksche woord voor boek is hiervan afgeleid. Een andere naam voor byblos is papyros, waarvan ons woord papier afgeleid is.

Byblus, Byblos, oude phoenicische zeestad ten N. van Berytus, bekend als zetel der Adonisvereering. De stad had eigen vorsten, waarvan de laatste op last van Pompeius werd ter dood gebracht.

Byrsa, waarschijnlijk = burg, Byrsa (vandaar de legende der ossenhuid), de burg van Carthago, op eene steile rots van omstreeks 60 meter hoog gebouwd.

Byssa, Byssa, z. Agron.

Byzacium of Byzacena, Byzakion, de zuidelijke helft der provincie Africa, onder Constantijn eene afzonderlijke provincie, met Hadrumetum tot hoofdstad.

Byzantium, Byzantion, later Constantinopolis. Volgens de sage zou Byzas, een zoon van Poseidon, van het delphische orakel den last hebben gekregen, eene stad te stichten tegenover de stad der blinden. Tegenover Chalcedon gekomen, stichtte hij toen Byzantium, omdat de stichters van Chalcedon blind waren geweest, toen zij voor hunne stad den aziatischen oever kozen. Byzantium was dan ook overheerlijk gelegen aan de zee en aan den inham die nog den naam van gouden hoorn draagt (chrysoun keras). Het was een dorische kolonie; gewoonlijk neemt men aan, dat de stad door Megarensers gesticht is. De stad was in de macht der Perzen sedert Darius' tocht naar het land der Scythen, en nam deel aan den Ionischen opstand, maar niet aan den slag bij Lade. Na de onderdrukking van den opstand, legden de inwoners van Byzantium samen met de Chalcedoniërs de stad Mesambria (Mesembria) aan (z. a.). Byzantium werd door de Perzen verwoest, maar later herbouwd. In 478 viel de plaats in handen van Pausanias, die haar 7 jaar in zijn macht hield. Nadat deze door de Atheners verdreven was, sloot B. zich aan bij den delisch-attischen bond, en kwam tot grooten bloei. In 411 viel de stad van Athene af, en werd in den winter van 409/408 door Alcibiades hernomen. Na den slag bij Aegospotamos werd ze door Lysander bezet, en bleef in de macht der Spartanen tot ± 390. In de 4de eeuw is Byz. vaak met Athene verbonden, vaak ook Athene vijandig gezind, tot het, door Philippus van Macedonia aangevallen, in den zomer van 341 zich in de armen der Atheners wierp, die de stad en het nabijgelegen Perinthus krachtdadig bijstonden. De stad dreef een uitgebreiden handel, vooral in koren. Onder de rom. heerschappij bleef B. eene civitas libera en nam nog in bloei toe; maar in den strijd tusschen keizer Septimius Severus en zijn tegenstander Pescennius Niger werd het na een belegering van 3 jaren (193-196 n. C.) door den eersten grootendeels verwoest. Onder Constantijn den Grooten herrees het met nieuwen luister. Het was op twee heuvels gebouwd; door er nieuwe heuvels aan toe te voegen, wilde de keizer het tot eene tweede stad der zeven heuvelen maken. Hij bracht er zijne residentie over en noemde het nova Roma (330), welke naam evenwel spoedig in Constantinopolis, Konstantinou polis, veranderd werd. De stad had toen een omvang gekregen van twee uren gaans, en werd met hooge muren versterkt en evenals Rome in 14 regiones verdeeld.

Byzas, Byzes, Byzas, zie Byzantium.

C.

C, aanwijzing in den rom. kalender van een dies comitialis.

Cabalia, Kabalia, klein gewest in Asia minor, ingesloten tusschen Caria, Lycia, Phrygia en Pisidia, en onder de perzische heerschappij ingedeeld bij de lydische satrapie. De Romeinen deelden het noordelijke deel bij Phrygia, het zuidelijke bij Lycia in. De voornaamste der vier steden was Cibyra, waarnaar het landschap ook Cibyratis werd genoemd.

Cabillonum, Kabyllinon, handelsstad der Aeduers in Gallia aan den Arar (Saône), thans Chalons-sur-Saône.

Cabira, ta Kabeira, later Diospolis of Sebaste, stad in oostelijk Pontus. Mithradates werd hier in 71 door Lucullus verslagen en redde ter nauwernood zijn leven door de vlucht.

Cabiri, Kabeiroi, "machtigen", goddelijke wezens, wier eeredienst in zeer oude tijden uit het Oosten is ingevoerd, doch die later op den achtergrond geraakt zijn en over wier aard en beteekenis dus weinig met zekerheid te zeggen is. Zij werden voornamelijk vereerd op Lemnus, Imbrus en Samothrace, waar hun dienst met dien van Hephaestus verbonden was, en ook in Boeotië; verder vindt men hen te Pergamus, in Phoenicië en in Aegypte. Later werden de drie Cabiri voor dezelfden gehouden als Demeter, Persephone en Hades, waarschijnlijk omdat zij eveneens met geheime plechtigheden (mysteriën) vereerd werden. Ook met de Corybanten, de Cureten en de Dioscuren worden zij in verband gebracht, en bij de Romeinen met de Penaten. Op hunne afbeeldingen hebben zij gewoonlijk een hamer in de hand. Zie Axierus. Met hen verbonden komt als vierde godheid voor Cadmilus of Casmilus, Kadmilos, Kasmilos.

Caca, zuster van Cacus. Wegens den dienst, dien zij Hercules bewezen had, genoot zij goddelijke eer (z. Cacus). In haar heiligdom brandde een eeuwig vuur. In werkelijkheid is Caca (evenals Cacus) een oud-italische godheid, van denzelfden aard als Vesta, maar ze is vroeg in vergetelheid geraakt.

Caci scalae, een oude steenen trap, die van uit het dal van den Circus Maximus naar één van de poorten van Roma quadrata op den Palatinus voerde.

Cacus, zoon van Vulcanus, een vuurspuwende reus, die in een hol van den Aventijnschen berg woonde en de omstreken door roof en moord teisterde. Toen Hercules met de runderen van Geryon daar aangekomen en van vermoeidheid in slaap gevallen was, ontstal Cacus hem eenige runderen, die hij, om den eigenaar het spoor bijster te maken, achterwaarts in zijn hol dreef. Toch ontdekte Hercules hun verblijfplaats, hetzij doordat hij ze in het voorbijgaan binnen hoorde loeien, hetzij door verraad van Caca, de zuster van Cacus, die liefde voor den vreemdeling had opgevat. Na een verschrikkelijk gevecht versloeg hij den roover. Uit dankbaarheid richtte koning Euander van Pallantium, die veel van Cacus te lijden had gehad, een altaar voor den held op, en zoo ontstond de dienst van Hercules, die later door de Romeinen overgenomen werd en aan de zorg van de Potitii en Pinarii toevertrouwd was. Z. Caca.

Cadi, Kadoi, stad in westelijk Phrygia, dicht bij den berg Dindymus.

Cadmea, Kadmeia, burcht van Thebae.

Cadmus, Kadmos, 1) zoon van den phoenicischen koning Agenor en Telephassa. Toen zijn zuster Europa door Zeus geschaakt was, zond zijn vader hem uit om haar te zoeken, met uitdrukkelijk bevel, niet zonder haar terug te komen. Na lang zwerven kwam hij te Delphi en kreeg daar een orakel, dat hij zijne zuster niet verder zoude zoeken, maar dat hij een koe moest volgen en op de plaats, waar zij zich zoude neerleggen, een stad moest stichten. In Phocis vond hij de bedoelde koe, hij volgde haar tot in Boeotië en stichtte op de aangewezen plaats de stad Thebae. Nu wilde hij de koe offeren en zond eenige van zijne tochtgenooten om water te halen uit eene naburige bron, die aan Ares gewijd was; zij werden echter gedood door een draak, die de bron bewaakte. Toen zij niet terugkwamen, ging Cadmus zelf naar de bron, hij vond den draak en doodde hem met de hulp van Athena. Op bevel der godin zaaide hij de tanden van het monster in den grond, uit dit zaad kwamen gewapende mannen te voorschijn, die elkander doodsloegen op vijf na, die Sparten (Spartoi) genoemd werden en de stamvaders der Thebanen werden. Wegens het dooden van den draak moest Cadmus acht jaar lang Ares dienen, daarna was de god bevredigd en gaf hij hem zijn dochter Harmonia (z. a.) ten huwelijk. Cadmus regeerde daarna vele jaren over Thebae; later trok hij met Harmonia naar Illyrië, waar hij koning der Encheleers werd; op hoogen leeftijd werden beide echtgenooten in draken veranderd en naar het Elysium overgebracht. De latere Grieken geloofden dat Cadmus de eerste was die vreemde beschaving in Griekenland had overgebracht; hij zou het phoenicisch letterschrift ingevoerd hebben, het bewerken van metaal geleerd en de eerste waterleiding aangelegd hebben.--2) van Miletus, een der oudste logografen; of hij werkelijk bestaan heeft, wordt echter betwijfeld.

Caduceus of caduceum, uit het aeolische karykeion = kerykeion ontstaan, in het algemeen de herautenstaf, een olijftak met een witten band omwonden. In het bizonder wordt daarmede de staf bedoeld, dien Hermes of Mercurius als bode der goden droeg. Deze staf was met twee slangen omstrengeld en wordt somtijds van boven met een paar vleugels voorzien. Mercurius wordt bij de dichters vaak caducifer genoemd.

Caducifer, bijnaam van Mercurius, als drager van den vredestaf (caduceus).

Cadurci, volk in Gallia Transalpina, met de hoofdstad Divona (Cahors) aan den Oltis (Lot), een zijtak van den Garumna.

Cadusii, Kadousioi, krijgszuchtig bergvolk in Media, ten Z.W. der Caspische zee.

Cadytis, Kadytis, de zuidelijkste van de vijf bondsteden van Syria Palaestina (het land der Philistijnen) = Gaza.

Caeadas = Ceadas.

Caecilia (lex), van den volkstribuun L. Caecilius Rufus (Caecilii no. 29) einde 64 voorgesteld, doch vóór de stemming weder ingetrokken, om aan P. Cornelius Sulla en P. Autronius Paetus, die in 65 wegens ambitus veroordeeld waren, amnestie te verleenen en hen weder in den senatorenstand te herstellen.

Caecilia (lex), van den consul Caecilius Metellus Pius Scipio (Caecilii no. 18) van 52, tot opheffing der lex Clodia de censoria notione, z. Clodiae (leges) no. 4.

Caeciliae (leges), van den volkstribuun Q. Caecilius Metellus Nepos, 62 (Caecilii no. 16). De wetsvoorstellen gingen echter niet door. Het waren de volgende: 1) dat Pompeius, die toen in Azië was, in zijne afwezigheid tot consul mocht verkozen worden;--2) dat Pompeius zou teruggeroepen worden om de beweging van Catilina te onderdrukken.

Caecilia Cornelia (lex) van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos (Caecilii no. 16) en P. Cornelius Lentulus Spinther (Cornelii no. 50), 57, waarbij aan Pompeius voor een tijdperk van vijf jaar de cura annonae werd opgedragen.

Caecilia Didia (lex) de modo legum promulgandarum van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos en T. Didius (98), dat 1º een wetsvoorstel ten minste drie nundina (24 dagen) vóór de stemming moest worden bekend gemaakt, 2º men geen twee verschillende zaken in één wetsvoorstel mocht vereenigen (de duabus rebus non una lege coniungendis), hetgeen gewoonlijk heet: per saturam ferre. V. a. zijn dit twee wetten.

Caecilii. De gens Caecilia, waarvan de familie Metellus de voornaamste is, was plebejisch. 1) Caecilius Metellus Denter, consul in 284.--2) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 1, consul in 251 en 247, was in 251 op Sicilia aan het hoofd van het rom. leger, doch durfde tegen Hasdrubal geen slag wagen uit vrees voor diens olifanten, maar Hasdrubal viel hem het volgend jaar bij Panormus aan, en werd verslagen, waarbij zijn olifanten in handen des overwinnaars vielen, en bij den triumf aan het volk getoond werden. In 249 was hij magister equitum van den dictator A. Atilius Calatinus. In 247 was hij voor de tweede maal consul, wederom op Sicilië. In 243 werd hij pontifex maximus; toen hij in 241 bij het afbranden van den Vesta-tempel Rome's penaten had gered en daarbij volgens de overlevering het gezicht had verloren, werd hem de onderscheiding toegekend, zich in een draagstoel naar den senaat te mogen begeven.--3) Q. Caecilius Metellus, oudste zoon van no. 2, was consul in 206, dictator comitiorum habendorum causa in 205, vervulde later (186-184) gezantschappen bij Philippus van Macedonia en bij de Achaeërs, en wordt door Cicero als redenaar geprezen. Hij is het, die zich op den dichter Naevius (z. a.) om diens vrijmoedigheid gewroken heeft.--4) L. Caecilius Metellus, tweede zoon van no. 2, deed in 216 na den slag bij Cannae het voorstel, Italië te verlaten, waarvoor hij door de censoren van het jaar 214 onder de aerarii werd gebracht.--5) M. Caecilius Metellus, derde zoon van no. 2, werd in 205 naar Azië gezonden om het beeld der Magna Mater uit Phrygia naar Rome over te brengen.--6) Q. Caecilius Metellus Macedonicus wordt gewoonlijk beschouwd als de oudste zoon, maar is misschien de kleinzoon van no. 3, consul in 143, overwon in 148 als propraetor den macedonischen kroon pretendent Andriscus, richtte Macedonia tot provincie in (147) en versloeg vervolgens in 146 de Achaeërs bij Scarphe (Scarphea) in Locris, en streed als consul en proconsul tegen de Celtiberiërs. Over Andriscus hield hij een zegetocht. In 131 werd hij de eerste plebejische censor, doch maakte zich door zijne gestrengheid vele vijanden, zoodat zelfs de volkstribuun C. Atinius Labeo, dien hij van de senaatslijst had geschrapt, hem van de tarpejische rots wilde laten werpen. Hij was ook in onmin met Scipio Africanus minor. Hij bestreed Tib. Gracchus in een heftige redevoering, en nam de wapenen op tegen C. Gracchus (121). Hij stierf in 115.--7) L. Caecilius Metellus Calvus, broeder van no. 6, consul in 142.--8) Q. Caecilius Metellus Balearicus, consul in 123, oudste zoon van no. 6, overwon de zeeroovers der Balearische eilanden, waar hij een groot bloedbad aanrichtte, en bracht rom. kolonisten daarheen. In 121 hield hij zijn zegetocht; in 120 was hij censor.--9) L. Caecilius Metellus Diadematus, aldus genaamd naar den haarband, dien hij droeg om een gezwel aan het hoofd te verbergen, tweede zoon van no. 6, was consul in 117.--10) M. Caecilius Metellus, derde zoon van no. 6, consul in 115, zegepraalde in 111 over de Sardiniërs.--11) C. Caecilius Metellus Caprarius, vierde zoon van no. 6, consul in 113, censor in 102, zegepraalde in 111 over de Thraciërs.--12) L. Caecilius Metellus Calvus Dalmaticus, oudste zoon van no. 7, consul in 119, hield in 117 een zegetocht over de Dalmatiërs en was in 115 censor met Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 4).--13) Q. Caecilius Metellus Numidicus, tweede zoon van no. 7, consul in 109, voerde den oorlog tegen Jugurtha en zou dezen vermoedelijk tot de overgaaf hebben genoodzaakt, zoo niet Marius uit Rome ware gekomen om het bevel over te nemen. De senaat kende Metellus de eer van een zegetocht toe. In 102 was hij censor, tegelijk met no. 11. Toen in het jaar 100 Appuleius Saturninus de bezwering zijner wetten door de senaatsleden eischte (zie Appuleiae leges), weigerde Numidicus en ging in ballingschap, waaruit hij evenwel een jaar later werd teruggeroepen door de lex Calidia. Hij stierf in 90, naar vermoed werd door vergif.--14) Q. Caecilius Metellus Nepos, zoon van no. 8, was consul in 98. Zie Caecilia Didia (lex).--15) Q. Caecilius Metellus Celer, zoon van no. 14, was in 66 legaat van Pompeius in den mithradatischen oorlog, in 63 praetor, in 60 consul. Als praetor redde hij Rabirius (zie Rabirii no. 1) van eene veroordeeling en vervolgde hij Catilina. Hij behoorde tot de tegenstanders van Pompeius en verzette zich tegen de akkerwetten van dezen, door L. Flavius voorgesteld (zie Agrariae leges), en van Caesar. Ook kantte hij zich tegen de adoptie van zijn zwager P. Clodius Pulcher door een plebejer. Hij stierf plotseling in 59, naar men vermoedde vergeven door zijne vrouw Claudia maior, zie Claudii no. 18.--16) Q. Caecilius Metellus Nepos, jongere broeder van no. 15, was in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Hij was een vinnig vijand van Cicero en dwarsboomde dezen zooveel mogelijk, o. a. door als volkstribuun (10 Dec. 63-10 Dec. 62), hem te beletten, op den laatsten dag van zijn consulaat, de gebruikelijke redevoering te houden; Cicero mocht alleen den gewonen eed afleggen, waarop hij zwoer, dat hij de republiek van den ondergang gered had. Zie verder Caeciliae (leges). Toen hij zijn voorgestelde wetten door den tegenstand van Cato (Porcii no. 8), die ook volkstribuun was, niet doorvoeren kon, begaf hij zich naar Azië tot Pompeius, waarop hij van zijn ambt ontzet werd. Als consul stemde hij in 57 er in toe, dat Cicero uit zijne ballingschap zou worden teruggeroepen. Zie ook Caecilia Cornelia (lex).--17) Q. Caecilius Metellus Pius, zoon van no. 13, aldus bijgenaamd om zijne ouderliefde, daar hij door zijne dringende beden de terugroeping van zijn vader uit de ballingschap bewerkte, versloeg in den bondgenootenoorlog den aanvoerder der Marsi, Q. Pompaedius Silo (88). Tijdens den burgeroorlog behoorde hij tot de senaatspartij; hij voegde zich bij Sulla, toen die uit het Oosten terugkeerde, en was met hem consul in 80; daarna werd hij naar Spanje tegen Sertorius gezonden, waar hij tot 72 bleef, sedert 76 door Pompeius ondersteund.--18) Caecilius Metellus Pius Scipio, aangenomen zoon van no. 17 (zie Cornelii no. 25), bij de schrijvers nu eens P. Scipio Nasica, dan weer Q. Metellus Scipio, ook wel P. Scipio Metellus genoemd. Zijn werkelijke vader was P. Cornelius Scipio Nasica, praetor in 94. Metellus Scipio was volkstribuun in 59. Zijne poging om zich voor 52 tot consul te doen verkiezen, mislukte, daar Pompeius consul zonder ambtgenoot werd. Toen echter Metellus aan Pompeius zijne dochter tot vrouw gaf, werd hij gedurende nog vijf maanden diens medeconsul. Later streed hij bij Pharsalus (48) en bij Thapsus (46) tegen Caesar. Bij Thapsus was hij opperbevelhebber, maar hoogst onbekwaam. Op de vlucht gevangen genomen, doodde hij zich zelf. Hij was roofzuchtig van karakter, zelfs tempels waren voor hem niet veilig.--19) Q. Caecilius Metellus Creticus, zoon van no. 11, was een van de drie gebroeders Metellus, die in het proces van Cicero tegen Verres den beklaagde steunden. Hij was het, die voor het jaar 69 met den redenaar Q. Hortensius tot consul werd gekozen. In 68 werd hij uitgezonden om Creta te onderwerpen, dat een broeinest was van de zeeroovers. Hij versloeg de Cretensers bij Cydonia, en nam daarop Cydonia, Cnossus, Lyctus en andere vestingen in en streed met veel geluk en volharding; hij legde hierbij echter zooveel wreedheid en ruwheid aan den dag, dat de inwoners hunne onderwerping aan Pompeius aanboden, die destijds, als opperbevelhebber in den zeerooveroorlog, in Azië was. Metellus ging koelbloedig zijn gang, behandelde de door Pompeius gezonden troepen als vijanden, onder wierp het eiland na vijf jaren strijds, en richtte het in als provincie (64). Door de catilinarische woelingen te Rome kon hij echter eerst in 62 zijn zegetocht houden.--20) L. Caecilius Metellus, broeder van no. 19, was Verres in 70 als stadhouder van Sicilia opgevolgd en trachtte wel, zooveel hij kon, den Siciliërs het doorgestane leed te vergoeden, maar bemoeielijkte toch Cicero's onderzoek op Sicilia. Hij was consul in 68.--21) M. Caecilius Metellus, broeder van no. 19 en 20, was voor het jaar 69 tot praetor gekozen. Daarom was er Verres zooveel aan gelegen, dat zijn proces op de lange baan geschoven werd tot in 69.--22) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 20, wilde als volkstribuun in 49 Caesar beletten het aerarium open te breken. Caesar liet hem later uit Rome verwijderen.--23) Caecilia Metella, dochter van no. 8, huwde met App. Claudius Pulcher (Claudii no. 14), en werd de moeder van den beruchten volkstribuun P. Clodius Pulcher.--24) Caecilia Metella, dochter van no. 12, huwde eerst met M. Aemilius Scaurus en hertrouwde als weduwe met L. Cornelius Sulla, die echter, toen zij ziek werd, van haar scheidde.--25) Caecilia Metella, dochter van no. 6, huwde met P. Cornelius Scipio Nasica Serapio (Cornelii no. 22).--26) Caecilia Metella, ook Cornelia Metella genaamd, dochter van no. 18, werd de vijfde vrouw van Cn. Pompeius.--27) Caecilia Metella, dochter van no. 19, echtgenoote van M. Crassus (Licinii no. 16). Van haar is het beroemde grafmonument aan de Via Appia, nu Capo di bove geheeten.--28) Q. Caecilius Bassus, vurig aanhanger van Pompeius, die na den slag bij Pharsalus naar Asia vlood en daar jaren lang te Apamea den strijd tegen de troepen van Caesar volhield. Na Caesar's dood sloten zijne troepen zich bij Cassius aan.--29) L. Caecilius Rufus, halfbroeder van P. Cornelius Sulla (Cornelii no. 54), trachtte dezen in zijne vorige rechten te herstellen; zie Caecilia (lex). Hij ondersteunde Cicero in diens verzet tegen de akkerwet van P. Servilius Rullus en werkte mede tot Cicero's terugroeping uit de ballingschap.--30) Q. Caecilius Niger, uit Sicilia, quaestor onder Verres. Tegen hem sprak Cicero zijne bekende divinatio uit.--31) Statius Caecilius, een Insubriër van groot talent, als slaaf naar Rome gekomen, was een beroemd blijspeldichter (180). Hij bewerkte Grieksche stukken (palliatae) vooral van Menander. Cicero, Horatius en Quinctilianus prijzen hem zeer. Wij hebben van zijne blijspelen slechts fragmenten.--32) Caecilius uit Calacte op Sicilia, beroemd grieksch rhetor en criticus ten tijde van Augustus.

Caecinae, eene gens, uit de etruscische stad Volaterrae afkomstig. 1) A. Caecina, door Cicero in 69 in een proces over de erfenis van een landgoed verdedigd.--2) A. Caecina, een zoon van no. 1, was bevriend met Pompeius en Cicero. Een beleedigend geschrift tegen Caesar was oorzaak van zijne verbanning, doch later verzoende hij zich met Caesar.--3) Caecina Volaterranus een vriend van Octavianus, werd door dezen gebruikt als onderhandelaar met Antonius (44).--4) A. Caecina Severus, een beproefd en dapper veldoverste, die met goed gevolg tegen de Bato's in den pannonisch-dalmatischen opstand streed (6 en 7 na C.). In 14 n. C. was hij legatus van Germania Inferior onder het opperbevel van Germanicus, en wist hij het oproer van het leger niet te beteugelen; eerst aan Germanicus gelukte dit door toegevendheid. Hij neemt deel aan alle veldtochten van Germanicus (14-16), en verwerft in 16 de triumphalia insignia.--5) A. Caecina Alienus, quaestor in Baetica (68 n. C.), sloot zich bij Galba aan, maar weldra wegens een veroordeeling op hem verbitterd, wist hij (Jan. 69) met Fabius Valens te bewerken, dat Vitellius door de soldaten aan den Rijn tot keizer werd uitgeroepen. Hij trekt daarop met 30.000 man naar Italia, terwijl hij onderweg de Helvetiërs tuchtigt. Bij Cremona wordt hij eerst door de Othoniani onder Suetonius Paulinus verslagen; toen later Fabius Valens met een ander leger zich bij hem gevoegd had, versloegen ze samen de Othoniani bij Bedriacum. Van Vitellius liep hij tot Vespasianus over, doch werd later, wegens samenzwering tegen dezen in 75 op last van Titus ter dood gebracht.--6) Caecina Paetus, zie Arria.

Caecubus ager, streek aan de zuidelijke grenzen van Latium, tusschen den lacus Fundanus en de zee, wel moerassig, doch beroemd om den voortreffelijken wijn, die er geteeld werd.

Caeculus, italiaansch heros, zoon van Vulcanus, stichter van Praeneste.

Caeles Vibenna, een etruscisch hoofd, die onder de regeering van Romulus (of later) naar Rome verhuisde en zich op den caelischen berg nederzette.

Caelia (lex), tabellaria van den volkstribuun L. Caelius, 107, z. Tabellariae (leges).

Caelii, plebejisch geslacht. 1) L. Caelius Antipater, tijdgenoot der Gracchen, rom. annalist, beschreef den tweeden punischen oorlog.--2) C. Caelius Caldus, volkstribuun in 107, was de maker der lex Caelia tabellaria. In 94 was hij consul. Later streed hij in Hispania tegen Sulla en Pompeius, die hem versloeg.--3) C. Caelius Caldus, kleinzoon van no. 2, volgde Cicero op als stadhouder van Cilicia.--4) M. Caelius Rufus, leerling van Cicero in de welsprekendheid, werd door dezen tegen eene aanklacht van ambitus met goed gevolg verdedigd (56). In 52 was hij volkstribuun en verzette zich krachtig tegen de democratische woelingen; zelfs bewerkte hij de verbanning van den woelzieken Q. Pompeius Rufus (zie Pompeii no. 5). Toen de burgeroorlog losbarstte, koos C. de zijde van Caesar; doch toen hij als praetor in 48 zich door dezen verongelijkt achtte, poogde hij in Zuid-Italië een oproer te verwekken, bij welke poging hij bij Thurii gedood werd. Hij was iemand van losse zeden (bekend is zijn liaison met Clodia), die wel eene aangevatte zaak met kracht kon doorzetten, maar verre van beginselvast was. Zijne briefwisseling met Cicero is zeer belangrijk voor de kennis van dit tijdperk. Als redenaar was hij niet zonder naam. Catullus valt hem heftig aan in zijn gedichten.--5) Caelius Aurelianus, geleerd rom. geneeskundige uit de 5de eeuw na C. te Sicca in Numidia geboren, van wien nog geschriften bestaan.--6) Caelius Apicius, zie Apicii.--7) D. Caelius Calvinus Balbinus, z. Balbinus.

Caelius mons, een der bergen, waarop Rome was gebouwd. Het was een der zeven bergen uit den tijd van het Septimontium, zie Roma. De tweede der veertien wijken of regiones, waarin Rome door Augustus werd verdeeld, heette naar dezen berg Caelimontium.

Caena = coena.

Caeneus, Caenis, Kaineus, Kainis, dochter van Elatus en Hippea; zij werd door Poseidon bemind, en op haar wensch, waarvan de god haar de vervulling vooraf had toegezegd, werd zij in een man veranderd en bovendien onkwetsbaar gemaakt. Caeneus was een van de Argonauten en van de calydonische jagers; in het gevecht tusschen de Centauren en Lapithen op de bruiloft van Pirithoüs werd hij door de Centauren, daar zij hem niet konden wonden, onder boomstammen bedolven en zoo gedood, v. a. vloog hij als een vogel van onder den houtstapel op.

Caeni, Kainoi, thracische volksstam aan de Propontis (zee v. Marmara).

Caenina, oude stad van Latium, tusschen Rome en Tibur, in ouden tijd bij Rome ingelijfd.

Caeparius (M.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, werd 5 Dec. 63 in den kerker ter dood gebracht.

Caepio, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 12-18). Aangaande Q. Caepio Brutus z. Junii no. 9.

Caere, door de Grieken Agylla genoemd, oude stad in het Z. van Etruria, eene der 12 etruscische bondssteden, reeds vroeg machtig en bloeiend. Toen de Galliërs in 390 op Rome lostrokken, verleende Caere een wijkplaats aan de vestaalsche maagden en de romeinsche priesters en verkreeg daarvoor het rom. gastrecht. In 353 evenwel met Rome in onmin geraakt, verloor het de helft van zijn gebied, terwijl aan de inwoners het mindere burgerrecht, zonder het ius suffragii en het ius honorum, opgedrongen werd. Zie ook het volgend artikel. Onder Sulla werd Caere eene soldatenkolonie.

Caerites, inwoners van Caere. Toen hun het mindere burgerrecht gegeven werd (zie Caere), werden zij in den toestand van aerarii gebracht. Vandaar zijn de uitdrukkingen in tabulas Caeritum referri, op de lijst der Caeriten gebracht worden, en aerarium fieri synoniem. De Caerites behoorden tot de minste klasse der municipes (zie Municipium), daar ze geen eigen bestuur en eigen ambtenaren hadden.

Caerosi, germaansche volksstam aan de Maas in Belgica.

Caesar, Kaisar, familienaam in de gens Iulia, zie Iulii. Na Augustus evenwel wordt deze naam een titel van de prinsen der keizerlijke familie, hetzij zij er door geboorte of adoptie toe behoorden. Hoewel de eerste keizers tot en met Nero door adoptie tot de gens Iulia kunnen gerekend worden, werd toch de gentielnaam Iulius slechts zelden door hen gebruikt. Tiberius begon er mede, den naam Caesar als titel te dragen en weigerde alle andere titels. Na Vitellius, die den titel Caesar weigerde, werd Caesar de vaste keizerstitel, die dan vóór den eigennaam werd geplaatst, terwijl de vermoedelijke erfgenaam van den troon sedert Hadrianus den titel achter zijn eigennaam voerde. Sedert de staatsregeling van Diocletianus (z. a.) is Caesar de naam van den onderkeizer (hulpkeizer).

Caesaraugusta, vroeger Salduba, thans Saragossa, stad der Edetani, aan den Iberus (Ebro), sedert Augustus rom. kolonie.

Caesarea, Kaisareia, naam van een aantal steden, ter eere van dezen of genen romeinschen keizer aldus genoemd. De voornaamste zijn: 1) Caesarea ad Argaeum, vroeger Mazaca, oude residentie der cappadocische koningen en door Tiberius tot hoofdstad der rom. provincie Cappadocia verklaard. Het lag aan den mons Argaeus.--2) Caesarea Palaestinae, op de kust gelegen, vroeger Stratonis turris, door Herodes vergroot en verfraaid en ter eere van Augustus Caesarea genoemd (10 of 9). Het was de zetel der romeinsche stadhouders en sedert de verwoesting van Jerusalem hoofdstad der provincie Judaea.--3) Caesarea Paneas of Philippi, door den viervorst Philippus, zoon van Herodes, nabij de bron van den Jordaan uitgebreid en vergroot, en sedert naar hem genoemd.--4) Caesarea ad Libanum, zie Arca.--5) Caesarea Mauretaniae, vroeger Iol, door koning Juba herdoopt ter eere van Augustus, later rom. kolonie en hoofdstad der provincie Mauretania Caesariensis.--6) Caesarea in Phrygia, vroeger Antiochia ad Pisidas (z. Antiochia no. 3).

Caesarion, Kaisarion, zoon van C. Julius Caesar en Cleopatra, in 47 geb. Toen Antonius hem tot zoon en erfgenaam van Caesar had verklaard en tot mederegent van Aegypte had benoemd, liet Octavianus na den slag bij Actium den jongen Caesarion ombrengen (30).

Caesarodunum, thans Tours, hoofdst. der Turones aan den Liger (Loire).

Caesennius Paetus (L.), veldheer van Nero, streed ongelukkig tegen de Parthen (62 n. C.).

Caesetius Flavus (L.), volkstribuun in 44. Hij was een tegenstander van Caesar, die hem hierom met zijn ambtgenoot L. Epidius Marullus uit den senaat stiet en uit zijn ambt ontzette.

Caesia silva, een bergachtige streek in Germania tusschen de Luppia (Lippe) en de Isala (Geld. IJsel).

Caesii. Uit de gens Caesia zijn geen beroemde mannen bekend. De lierdichter Caesius Bassus was een vriend van den satirendichter A. Persius Flaccus.

Caestus, lederen riemen met looden knoppen er in, waarmede men zich de handen omwond voor het vuistgevecht.

Caetra, zie Cetra.

Caicus, Kaikos, rivier in Mysia, ontspringt op den Temnus, stroomt op niet grooten afstand voorbij de stad Pergamus en valt in de Aegaeïsche zee.

Caieta, thans Gaëta, kaap en zeestad van Latium in het land der Aurunci, genaamd naar Caieta, Aeneas' voedster, die daar begraven werd. Hier had Cicero een villa.

Calabra (curia), z. Curia Calabra.

Calabria, Kalabria, niet het thans onder dezen naam bekende gewest, maar het zuidoostelijke schiereiland van Italia, tegenwoordig Terra d' Otrante genoemd. Iapygia Messapia, Sallentina zijn oude namen voor deze streek. De naam Calabria komt eerst op na de verovering door de Romeinen. Brundisium en Tarente zijn de noordelijkste steden. In ouden tijd was deze thans zoo verwaarloosde uithoek niet onvruchtbaar, hoewel men dikwijls met gebrek aan water had te kampen. Sedert de verovering door de Romeinen neemt de bevolking af. Augustus vereenigde Calabria met Apulia tot de tweede regio Italiae.

Calacte, Kale akte, stad op de Noordkust van Sicilia.

Calagurris Nasica, thans Calahorra, stad in Tarraconensis aan den Iberus (Ebro) in het land der Vascones, geboorteplaats van Quinctilianus.

Calais, Kalaïs, en Zetes, de gevleugelde zonen van Boreas en Orithyia (Boreadae, Boreadai). Op den Argonautentocht kwamen zij te Salmydessus en bevrijdden daar hunne zuster Cleopatra, die met hare kinderen door haar gemaal, koning Phineus, gevangen gehouden werd. V. a. bevrijdden zij Phineus van de Harpyiën en kwamen zij om terwijl zij deze vervolgden. Of zij werden door Heracles gedood, omdat zij voornamelijk bewerkt hadden, dat hij op den Argonautentocht in Mysië werd achtergelaten.

Calamis, Kalamis, beroemd atheensch beeldhouwer omstreeks 460; zijne beelden stelden zoowel goden als menschen en dieren voor, en muntten uit door kracht en tevens bevalligheid.

Calantica, calautica of calvatica, kredemnon, vrouwenmuts, voornamelijk gedragen door oude dames, die niet veel haar meer hadden.

Calanus, Kalanos, een gymnosophist, dien Alexander uit Indië medenam; toen hij te Susa ziek werd, maakte hij vrijwillig op den brandstapel een einde aan zijn leven. Zooals hij voorspeld had, stierf Alex. kort daarna.

Calaris = Caralis.

Calatia, stad in Campania tusschen Capua en Beneventum.

Calatores, eigenlijk roepers om iemand te ontbieden, in het bizonder dienaren der pontifices, die bij de godsdienstige plechtigheden de orde moesten handhaven en bij de comitia calata het volk opriepen. Later werden ze pontifices minores.

Calauria, -rea, Kalauria, -reia, eiland op de kust van Argolis, tegenover Troezen, met een beroemden Poseidon-tempel, waar de redenaar Demosthenes in 322 zich door vergif van het leven beroofde.

Calautica = Calantica.

Calchas, Kalchas, zoon van Thestor uit Mycenae of Megara, beroemd vogelwichelaar die de Grieken naar Troje vergezelde. Ingevolge zijne uitspraken werd Iphigenia aan Artemis geofferd en Chryseis aan haar vader teruggegeven, ook had hij den langen duur van den oorlog voorspeld. Na den oorlog ontmoette hij te Colophon Mopsus, die hem als wichelaar overtrof, waarom hij van verdriet stierf of zich uit spijt doodde. In Apulië had hij een heiligdom met een orakel.

Calchedon = Chalcedon.

Calceus. De ouden kenden sandalen, pantoffels, schoenen en laarzen. De calceus is een schoen, die vastgestrikt of geregen wordt. De calceus senatorius had kruisbanden, die om den voet en de kuit werden gebonden. Men vindt de uitdrukking calceos mutare wel gebruikt voor: senator worden. Vóór op den senatorsschoen was een halfmaantje van ivoor, lunula, aangebracht. De calceus behoorde bij de toga; wanneer men deze laatste aflegde en tegen huiskleeding verwisselde, trok men ook de schoenen uit en deed sandalen of pantoffels aan.

Calculus Minervae, de stem waarmede Athena, toen Orestes voor den Areopagus terechtstond en de stemmen staakten, zich ten gunste van den aangeklaagde verklaard had. Vandaar werd de uitdrukking gebruikt, wanneer een aangeklaagde bij staking van stemmen werd vrijgesproken.

Calda, warm water, dat, evenals frigida, koud water, steeds gereed gehouden werd, om onder den wijn te mengen.

Caldarium, de zweetkamer in eene badinrichting. Zie Balneum.

Cale, stad der Gallaeci aan den mond van den Durius (Duero), thans Oporto.

Caledonia, oude naam voor Schotland. Alleen het zuidelijke deel is eenigen tijd in het bezit der Romeinen geweest. Zie Britannia.

Calendae, meer gewoon Kalendae, de eerste dag der maand. Zie annus.

Calendarium, het renteboek, waarin de bankiers en geldschieters de renterekeningen met hunne klanten boekten. Hoewel de Romeinen ook kalenders of almanakken hadden, is het woord calendarium in deze laatste beteekenis niet klassiek.

Calenus, familienaam in de gens Fufia.

Cales, oude stad in het N. van Campania, latijnsche kolonie sedert 334. De wijn, vinum Calenum, die in de omstreken der stad, den ager Calenus, geteeld werd, behoorde tot de voortreffelijkste van Italië.

Caletes of Caleti, een volk aan de kust van Belgica, aan den mond der Sequana (Seine), met de steden Carocotinum (Hâvre de Grace) en Juliobona (Lillebonne).

Calidia (lex), 99, van den volkstribuun Q. Calidius (z. Calidii no. 1).

Calidii, plebejisch geslacht. 1) Q. Calidius bewerkte in 99 als volkstribuun de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii no. 13) uit de ballingschap. Uit dankbaarheid steunde de zoon van Numidicus, Metellus Pius, met alle kracht later (in 80) de candidatuur van Calidius voor het praetorschap.--2) M. Calidius, zoon van no. 1, ijverde als praetor in 57 voor de terugroeping van Cicero uit de verbanning. Later (begin 49) werd hij door Caesar aangesteld tot stadhouder in Gallia Cisalpina, waar hij weldra gestorven is. Hij was een zeer bekwaam redenaar.

Caligae, soldatenlaarzen, met dikke zolen met spijkers. Zij waren op den voet geheel gesloten.

Caligula, romeinsch keizer, 37-41 na C. Zijn eigenlijke naam was Gaius Caesar, maar van jongs af werd hij Caligula genoemd, omdat hij als kind in de legerplaats zijns vaders soldatenlaarsjes droeg. Zijn vader was de beroemde Germanicus, de zoon van Drusus; zijne moeder Agrippina was de dochter van M. Vipsanius Agrippa, die met Augustus' dochter Julia was gehuwd. Caligula regeerde gedurende de eerste acht maanden zacht en rechtvaardig, doch vervolgens als een waanzinnige wreedaard. Hij omgaf zijn lievelingspaard met een hofstoet en wilde het tot consul doen verkiezen, hij beschouwde zichzelf als een god, gaf zich aan dierlijken wellust over, moordde en plunderde rechts en links, tot hij eindelijk met zijne booze gemalin Caesonia en zijne dochter door Cassius Chaerea werd omgebracht (24 Jan. 41).

Callaïci = Gallaeci.

Callatis, Kallatis, grieksche volkplanting in Moesia aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee).

Callias, Kallias, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht, dat van Triptolemus heette af te stammen en waarin de waardigheid van fakkeldrager (dadouchos) bij de eleusinische mysteriën erfelijk was. Hiertoe behooren o. a. 1) Callias, zoon van Hipponicus no. 2, de rijkste Athener van zijn tijd; hij streed bij Marathon en onderhandelde in 449 met Perzië over den zgn. cimonischen vrede.--2) zijn kleinzoon Callias, zoon van Hipponicus no. 3, een lichtzinnig mensch, berucht door zijne zedelooze leefwijze, waardoor hij zijn groot vermogen verkwistte en in zijne laatste jaren gebrek leed. Ook aan het huisvesten en gastvrij onthalen van de sophisten, die Athene bezochten, moet hij veel geld besteed hebben. Hij diende in 391 onder Iphicrates en werd later (371) als gezant naar Sparta gezonden.--Niet tot dit geslacht behooren: 3) Callias, zoon van Calliades, die in 432 als veldheer voor Potidaea sneuvelde.--4) tyran van Chalcis omstreeks 350. Om zich van geheel Euboea meester te maken, wendde hij zich eerst om hulp tot Philippus van Macedonië, later tot Thebe, eindelijk tot Athene, waarmede hij vroeger in oorlog was geweest. Hier vond hij steun bij Demosthenes en inderdaad werd hem hulp gezonden, doch het plan gelukte niet. Later leefde hij te Athene, waar hij het burgerrecht kreeg.--5) atheensch blijspeldichter, jonger tijdgenoot van Cratinus, schrijver van zes blijspelen, waarvan enkele fragmenten bewaard zijn. Dezen Callias of een naamgenoot wordt een werk toegeschreven, grammatike tragodia genoemd, over welks inhoud niets bekend is.--6) van Syracusae, schrijver van een werk over het leven van Agathocles.

Callibius, Kallibios, bevelhebber der Spartanen, die tijdens de regeering der dertig te Athene in bezetting lagen.

Callicles, Kallikles, beroemd atheensch beeldgieter, tijdgenoot van Pericles.

Callicrates, Kallikrates, 1) een der bouwmeesters van het Parthenon. Ook de lange muren naar den Piraeus zijn door hem gebouwd.--2) syracusaansch veldheer, die in 415 in den oorlog tegen Athene sneuvelde.--3) van Tyrus, beschreef omstreeks 280 na C. het leven van keizer Aurelianus.

Callicratidas, Kallikratidas, volgde in 406 Lysander als opperbevelhebber der spartaansche vloot op. In karakter en in zijne opvatting van de wijze, waarop de oorlog behoorde gevoerd te worden, verschilde hij van zijn voorganger, daarom vond hij bij diens vrienden, ook bij Cyrus, in het begin veel tegenwerking. Toch wist hij spoedig de algemeene achting te verwerven en middelen te vinden om zijn vloot uit te breiden. Het gelukte hem, Conon met veertig schepen in de haven van Mytilene in te sluiten, nadat hij hem dertig ontnomen had. De Atheners zonden daarop honderd vijftig schepen om Conon te ontzetten, en in den beroemden slag bij de Arginusische eilanden viel Callicr. van zijn schip en verdronk.

Callicula, niet hooge berg in Campania, bij Casilinum, ten Z. of Z. O. van Cales.

Callidromus, Kallidromos, oostelijke tak van het Oeta-gebergte, met den bergpas Thermopylae.

Callifae, stad der Hirpini in Samnium, tegelijk met Rufrae en Allifae door Livius vermeld, maar verder niet bekend.

Callimachus, Kallimachos, 1) van Aphidnae, sneuvelde als polemarch bij Marathon.--2) van Corinthe, beroemd beeldhouwer, bouwmeester en schilder (omstreeks 400 of vroeger). Hem wordt de uitvinding van het corinthisch kapiteel toegeschreven.--3) van Cyrene (± 310-235), afstammeling der Battiaden, studeerde te Athene en leefde daarna te Alexandrië, waar hij waarschijnlijk gedurende eenigen tijd hoofd der koninklijke bibliotheek was. Door zijne veelomvattende geleerdheid en groote werkzaamheid heeft hij grooten invloed op de studiën zijner tijdgenooten en navolgers uitgeoefend; de voornaamste taalkundigen, Eratosthenes, Aristophanes van Byzantium, e. a., waren zijne leerlingen en het aantal zijner werken in proza en poëzie wordt op 800 geschat. Hoewel zijne gedichten vooral door de Romeinen ten zeerste bewonderd en dikwijls nagevolgd werden, toonen de weinige die overgebleven zijn meer geleerdheid dan kunst. Tot de meest bekende gedichten behoorden de Atia, waarin o. a. de beroemde roman van Acontius (z.a.) en Cydippe, nu gedeeltelijk teruggevonden, de Hecale, waarvan ook fragmenten gevonden zijn, en de coma Berenices, dat door Catullus vertaald is; geheel bewaard gebleven zijn 6 hymnen en vele epigrammen, opgenomen in de Anthologia Palatina. Onder zijn prozawerken is van beteekenis een beredeneerde catalogus der alexandrijnsche bibliotheek (Pinakes), waardoor de grondslag gelegd werd voor de beoefening van de geschiedenis der letterkunde.

Callimedon, Kallimedon, Athener, om zijne leelijkheid en zwelgerij dikwijls bespot. Hij behoorde tot de macedonische partij en vluchtte daarom na den dood van Alexander uit Athene, maar werd na afloop van den lamischen oorlog door Antipater teruggebracht. Toen Phocion veroordeeld werd, vond hij het echter geraden de stad voor goed te verlaten.

Callinicus, Kallinikos, bijnaam van Heracles, hem door Telamon gegeven toen zij te zamen Troje veroverd hadden.

Callinus, Kallinos, van Ephesus, de oudste elegische dichter der Grieken uit de eerste helft der zevende eeuw. Hij dichtte krijgsliederen.

Calliope, Kalliope, oudste der Muzen, godin der epische poëzie. Zij wordt afgebeeld met wastafeltjes in de eene en een schrijfstift in de andere hand.

Calliphon, Kalliphon, grieksch wijsgeer, die als het doel van het leven beschouwde, de vereeniging van genot en zedelijkheid. Hij leefde in de tweede eeuw en behoorde waarschijnlijk tot de peripatetische school.

Callipolis, Kallipolis, 1) stad op de Oostkust van Sicilia, nabij den Aetna, ten N. van Tauromenium.--2) stad op de thracische Chersonesus tegenover Lampsacus, thans Gallipoli. Nog meer steden droegen dezen naam. Zie ook Callium.

Callippus, Kallippos, Athener, vriend van Plato, was aanvankelijk een van de partijgenooten van Dio; later liet hij hem, steunend op de algemeene ontevredenheid met zijne regeering, verraderlijk vermoorden (353). Daarna nam hij zelf de regeering in handen, die hij echter slechts een jaar behield. Z. Dio.

Callipygus, Kallipygos, "met schoone billen", bijnaam van Aphrodite. De beelden van deze godin hadden de kleederen tot boven de heupen opgeschort.

Callirrhoë, Kallirroe, 1) dochter van Oceanus, moeder van Echidna en Geryon.--2) dochter van Achelous, z. Alcmaeon.--3) dochter van Scamandrus, moeder van Ilus. Assaracus en Ganymedes.--4) een calydonisch meisje; daar zij de liefde van Coresus, een priester van Dionysus, versmaadde, strafte deze god alle calydonische vrouwen met waanzin. Om deze ramp af te wenden moest Call. volgens een orakel door Coresus geofferd worden, doch deze doodde zichzelf in hare plaats, waarop Call. zich in eene bron stortte, die sedert haar naam droeg.--5) bron te Athene, in de nabijheid van het Olympieum, aan de overzijde van den Ilisus, die, sedert Pisistratus hier een brongebouw stichtte met 9 afzonderlijke waterkranen, ook Enneakrounos genoemd wordt. Anderen nemen aan, dat de Enneakrounos onderscheiden moet worden van de Callirrhoë, en aan de W.-zijde van de Acropolis gelegen heeft. Uit de Callirrhoë werd het water voor het bruidsbad gehaald.

Calliste, Kalliste, oude naam van het eiland Thera.

Callisthenes, Kallisthenes, 1) van Olynthus, bloedverwant van Aristoteles, die hem tegelijk met Alexander onderwijs gaf; later leefde hij te Athene, waar hij geschiedenis en natuurlijke historie beoefende. Hij voegde zich later bij Alexander op diens tocht door Azië, maar nam hem door zijne vrijmoedigheid zoo tegen zich in, dat deze hem zelfs van medeplichtigheid aan eene samenzwering betichtte en gevangen liet zetten (327) en hem v. s. liet ter dood brengen. Hij beschreef in verscheiden werken, waarvan de bekendste waren de Hellenika, de geschiedenis van zijn tijd en werd door latere schrijvers dikwijls geraadpleegd. Het eenige overgebleven werk dat zijn naam draagt, de bekende Alexanderroman, is zeker onecht.--2) atheensch redenaar van de anti-macedonische partij, die bij het einde van den heiligen oorlog (z. Phocis) maatregelen nam om de stad te verdedigen; hij was een van de redenaars, wier uitlevering door Alexander geëischt werd. Later werd hij genoemd als een van de personen, die zich door Harpalus hadden laten omkoopen.

Callisto, Kallisto, dochter van den arcadischen koning Lycaon, trouwe jachtgezellin van Artemis. Bij Zeus, die haar onder de gedaante van Artemis bezocht, werd zij moeder van Arcas, waarop zij in een berin veranderd werd, hetzij door Hera uit wraak, hetzij door Zeus om haar voor Hera te verbergen. Zie Arcas.--Ook Artemis zelve had in Arcadië den bijnaam van Callisto.

Callistratus, Kallistratos, 1) een tooneelspeler, die in de stukken van Aristophanes optrad. Onder zijn naam liet Arist. twee van zijn eerste stukken opvoeren. Vgl. Philonides.--2) van Aphidnae, een redenaar, die bij de Atheners in hoog aanzien stond en wiens roem Demosthenes bewoog zich op de studie der welsprekendheid toe te leggen. Hij was vooral werkzaam bij de organisatie van den tweeden attischen zeebond; zijne bekwaamheid als staatsman toonde hij ook in de tijden van de opkomst der thebaansche hegemonie. Als strateeg was hij in 377 de ambtgenoot van Timotheüs en Chabrias, in 373 van Chabrias en Iphicrates, ook was hij de voornaamste bewerker van den vrede, die in 371 tusschen de Atheners en Lacedaemoniërs gesloten werd. Later is hij door de Atheners ter dood veroordeeld, in ballingschap gegaan en bij zijne terugkomst ter dood gebracht (± 355).--3) leerling van Aristophanes van Byzantium, schrijver van eenige met roem genoemde werken over Homerus, Euripides, e. a. oude dichters. Hij leefde omstreeks 150.--4) sophist uit de derde eeuw na C., die in een smakeloos geschreven werk, ekphraseis, beschrijvingen gaf van eenige standbeelden.

Callistus (C. Julius), vrijgelatene van keizer Caligula, nam deel aan de samenzwering tegen hem, en was onder keizer Claudius een van de invloedrijke vrijgelatenen (a libellis). Hij was een tegenstander van Messalina. Een vermakelijk verhaal vertelt Seneca, hoe de vroegere eigenaar van Callistus, een aanzienlijk Romein, bij den nieuwen minister op audientie ging, maar aan de deur afgewezen werd.

Callium, Kallion, ook Callipolis geheeten, stad in het N. O. van Aetolia.

Calor, rivier in Samnium, waaraan Beneventum lag, zijtak van den Vulturnus.

Calpe, Kalpe, tgw. Gibraltar, kaap aan het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar), met den tegenoverliggenden berg Abyla, de zuilen van Hercules genoemd. Beide zijn oud-phoenicische nederzettingen.

Calpurnia (lex) van 121, van den volkstribuun L. Calpurnius Bestia (Calpurnii no. 14) tot terugroeping van P. Popillius Laenas uit zijne ballingschap.

Calpurnia (lex) de repetundis van 149, van den volkstribuun L. Calpurnius Piso Frugi (Calpurnii no. 2), de eerste wet tegen afpersingen, door rom. overheden in de provinciën gepleegd. Tevens werd door deze wet de eerste quaestio perpetua ingesteld.

Calpurnia (lex) de ambitu, van den consul C. Calpurnius Piso (67), bedreigt ambitus met boete en levenslange uitsluiting van ambten. Zie ook Acilia Calpurnia (rogatio).

Calpurnii, een plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Piso, Bestia, en Bibulus behoorden. 1) C. Calpurnius Piso overwon als propraetor (185) in Hispania de Lusitaniërs en Celtiberiërs en hield in 184 een triumftocht.--2) L. Calpurnius Piso, om zijne onkreukbare rechtschapenheid Frugi bijgenaamd, volkstribuun in 149, z. Calpurnia (lex) de repetundis. In 136 streed hij als praetor, in 133 als consul zonder veel gevolg tegen de opgestane slaven op Sicilia. Hij schreef annales, die Livius nog gekend heeft, en die de rom. geschiedenis van Aeneas' aankomst in Italia tot op zijn eigen tijd behelsden.--3) L. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 2, diende met eer onder zijn vader in den slavenoorlog (133), en stierf als stadhouder van Hispania (112).--4) Cn. Calpurnius Piso, aanhanger van Catilina, in 65 als quaestor pro praetore naar Hispania gezonden, werd door spaansche ruiters, die in zijn leger dienden, omgebracht (64).--5) M. Calpurnius Piso streed onder Pompeius tegen Mithradates en was in 61 consul. Hij was door zekeren Pupius geadopteerd en heette toen M. Pupius Piso Calpurnianus of M. Pupius Piso Frugi. Hij was een goed redenaar.--6) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 5, was een echt republikein en streed na Caesars dood onder Brutus en Cassius. In 23 was hij consul.--7) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 6, had met groote hardheid het stadhouderschap over Hispania gevoerd, en werd later (18 n. C.) door keizer Tiberius naar Syria gezonden, waar de dood van Germanicus (10 Oct. 19) op zijne rekening werd gesteld. Piso, die het bericht van Germanicus' dood te Cos ontving, keerde naar Syria terug, en wilde met geweld zich weder van de provincie meester maken. De beschuldiging, dat hij G. zou vergiftigd hebben, kon hij, voor den senaat ter verantwoording geroepen, gemakkelijk weerleggen, niet echter het feit, dat hij met geweld zich van de prov. Syria had willen meester maken. Derhalve vond men hem met afgesneden hals in zijn bed.--8) L. Calpurnius Piso Caesoninus, consul in 112, sneuvelde in 107 als legaat samen met den consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3) tegen de Tiguriners, een deel der Helvetiërs.--9) L. Calpurnius Piso Caesoninus, kleinzoon van no. 8, werd de schoonvader van Caesar, met wiens hulp hij in 58 consul werd. Hij was een tegenstander van Cicero, van wien nog eene redevoering in L. Pisonem bestaat.--10) L. Calpurnius Piso Frugi, een zeer rechtschapen man, praetor tegelijk met Verres, wiens tegenstander hij was. Hij was een vriend van Cicero.--11) C. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 10, verloofde zich in 66 met Cicero's dochter Tullia, en ijverde in 57 voor Cicero's terugroeping. Hij stierf nog voordat Cicero uit de ballingschap teruggekeerd was.--12) C. Calpurnius Piso, smeedde eene samenzwering tegen Nero en bracht zich zelf om, toen zij ontdekt was (65 n. C.)--13) C. Calpurnius Piso Licinianus, door keizer Galba tot zijn opvolger bestemd, werd door de lijfwacht vermoord.--14) L. Calpurnius Bestia, volkstribuun in 121, z. Calpurnia (lex). In 111 was hij consul; hij voerde in Africa oorlog tegen Jugurtha, maar liet zich weldra omkoopen, en sloot een onvoordeeligen vrede met hem. Hij werd hiervoor later veroordeeld.--15) L. Calpurnius Bestia, aanhanger van Catilina en Cicero's vijand.--16) Een andere L. Calpurnius Bestia werd in 56 door Cicero verdedigd tegen eene aanklacht wegens ambitus. De oratio pro Bestia is verloren.--17) M. Calpurnius Bibulus was tegelijk met Caesar aedilis in 65, praetor in 62, consul in 59. Hij was een van de voorvechters der aristocratie, doch tegen Caesar niet opgewassen. In 51 verwierf hij zich als stadhouder van Syria grooten naam door zijn uitstekend bestuur. In den burgeroorlog voerde hij het bevel over Pompeius' vloot.--18) M. Calpurnius Bibulus, jongste zoon van no. 17, streed bij Philippi onder Brutus, was later legaat van Antonius in Syria, waar hij stierf (32).

Calumnia, het opzettelijk doen eener valsche aanklacht tegen een onschuldige. Actio calumniae is de actie, die de vrijgesproken beklaagde tegen den valschen aanklager kan instellen, iusiurandum calumniae de eed van den aanklager, dat hij werkelijk zijne tegenpartij schuldig acht en de aanklacht te goeder trouw doet. Wie van calumnia overtuigd werd, kreeg een letter (waarschijnlijk K) op het voorhoofd ingebrand, volgens eene lex Remmia, onzeker van wien en van welk jaar.

Calva, bijnaam van Venus; onder dezen naam werd haar een tempel gewijd, toen in den gallischen oorlog de rom. vrouwen zich de haren afsneden om pezen voor de bogen te laten maken. V. a. beteekent Calva de grillige of bedriegelijke.

Calvatica = Calantica.

Calvinus, familienaam in meer dan ééne gens: 1) Cn. Domitius Calvinus, tijdgenoot van Caesar, zie Domitii no. 15.--2) C. Sextius Calvinus, zie Sextii no. 3.--3) T. Veturius Calvinus, zie Veturii no. 6.--4) D. Caelius Calvinus Balbinus, zie Balbinus.

Calvisii. 1) C. Calvisius Sabinus was in den burgeroorlog legaat van Caesar en bestuurde vervolgens Africa (45). Na Caesars dood zond Antonius hem naar zijn stadhouderschap terug, doch de senaat droeg Africa op aan Q. Cornificius, zoodat Calvisius van de provincie geen bezit kon nemen. In 39 was hij consul, in 38 admiraal van de vloot van Octavianus in den oorlog tegen S. Pompeius, maar werd in 37 afgezet.--2) een andere C. Calvisius Sabinus, oud-consul, komt onder de slachtoffers van Caligula voor (39 n. C.).

Calvus, familienaam in de gens Licinia. Voor den dichter Calvus z. Licinii no. 6. Ook komt Calvus (= kaal) als agnomen nog elders voor, b.v. in de familie der Metelli (Caecilii no. 7 en 12).

Calx, de witte streep in de renbaan, die het einde van den te doorloopen afstand aanwees. Dit woord wordt veel in figuurlijke uitdrukkingen gebezigd, b.v. ad calcem pervenire = zijn doel bereiken, extra calcem excurrere = zijn doel voorbijstreven, a calce ad carceres revocari = opnieuw van voren af moeten beginnen.

Calycadnus, Kalykadnos, rivier in Cilicia bij Corycus uitmondend.

Calydnae, Kalydnai, twee eilandjes op de kust van Troas. Ook eene groep eilanden aan de kust van Caria, waarvan het grootste, Calydna, later Calymna werd geheeten en om zijn geurigen honig bekend was.

Calydnus = Calycadnus.

Calydon, Kalydon, oude stad in Aetolia aan den Euenus, het meest bekend door de mythe van het calydonische everzwijn en Meleager. Bij de rom. dichters is Calydonis = Deïanira, de dochter van koning Oeneus, Calydonius heros = Oeneus' zoon Meleager, Calydonius amnis = de Achelous, Calydonia regna = Apulia in Italia, omdat Oeneus' kleinzoon Diomedes daar een rijk stichtte.

Calydonische jacht. Bij gelegenheid van een oogstfeest had Oeneus, koning van Calydon, aan alle goden en godinnen offers gebracht, maar Artemis vergeten. Deze zond daarop een reusachtig everzwijn, dat het land verwoestte en ook voor menschen onveilig maakte. Ten einde dit monster met vereende krachten te bestrijden, riep Meleager nu de helden van Griekenland op tot eene gemeenschappelijke jacht, en onder de velen, die aan zijne uitnoodiging gehoor gaven, waren de Dioscuren, Theseus met Pirithoüs, Telamon en Peleus, Iason, Atalante, enz. De eerste wonde werd het dier toegebracht door Atalante, daarna vielen echter verscheiden helden, totdat Meleager het zwijn door een speerworp doodelijk trof, waarna de overigen het afmaakten. Aan Meleager werden als eereprijs de kop en huid toegewezen.

Calymna, zie Calydnae.

Calynda, Kalynda, stad in Caria, dicht bij Lycia.

Calypso, Kalypso, dochter van Atlas of van Oceanus of van Nereus, eene nimf die ver van goden en menschen op het eiland Ogygia in een prachtige grot woonde. Aan Odysseus, die na een schipbreuk op haar eiland landde, beloofde zij de onsterfelijkheid en eeuwige jeugd, indien hij altijd bij haar wilde blijven, en inderdaad gelukte het haar hem zeven jaar lang bij zich te houden. Maar eindelijk kregen de goden medelijden met den held, die door heimwee verteerd werd, en Hermes bracht aan Calypso het bevel hem te laten gaan. Bij Odysseus had zij twee zonen: Nausithoüs en Nausinoüs.

Camalodunum (ook Camulod. en Camald.), hoofdstad der Trinobanten en eerste rom. kolonie in Britannia, thans Colchester.

Camarina, Kamarina, stad op de Zuidkust van Sicilia, kolonie van Syracusae, gesticht in 599. Aan de eene zijde was de stad gedekt door een moeras, dat denzelfden naam droeg als de stad. Uithoofde van de ongezonde uitwasemingen wilden de inwoners dit moeras droog leggen. Zij raadpleegden echter vooraf het orakel, dat het volgende antwoord gaf: me kinei Kamarinan, akinetos gar ameinon. De raad werd in den wind geslagen, en de stad werd spoedig daarna, juist van den kant waar vroeger het moeras gelegen had, door den vijand veroverd. Vandaar het spreekwoord me kinei Kamarinan, van zaken, waaraan men niet moet roeren. De stad is verscheidene malen vernietigd, maar weder opgebouwd. In 552 door de Syracusanen, omdat de stad zich onafhankelijk wilde maken; in 492 door Hippocrates van Gela herbouwd, in 484 door Gelo opgeheven; in 461 werden de verdreven burgers teruggebracht. Tijdens den Peloponnesischen oorlog verhuisde het grootste deel van de bevolking naar Leontini. In 399 herbouwd door Timoleon, werd C. in 258 voor goed vernietigd door de Romeinen.

Cambunii montes, Kambounia ore, bergketen op de grenzen van Macedonia en Thessalia.

Cambyses, Kambyses, zoon en opvolger van Cyrus, koning van Perzië, 529-522. Terstond na het aanvaarden der regeering trok hij naar Aegypte, dat hij in 527 onderwierp; op een tocht naar Aethiopië, dien hij van hier uit ondernam, werd wel Meroë onderworpen, de eigenlijke onderneming mislukte echter door gebrek aan levensmiddelen, terwijl een groot deel van zijn leger in de libysche woestijn door watergebrek omkwam of door zandstormen bedolven werd. Hoewel hij de Aegyptenaren aanvankelijk zachtmoedig behandeld en hun godsdienst geëerbiedigd had, kwam na het mislukken van zijne onderneming tegen Aethiopië zijn achterdochtige en wreede aard boven, en maakte hem tot een dwingeland, die in Aegypte een waar schrikbewind uitoefende, in dronkenschap aanzienlijke mannen en vooral priesters liet dooden, en den godsdienst van het volk voortdurend bespotte. Op het bericht van een opstand in Perzië, waar een magiër, zich uitgevend voor Smerdis, den broeder van Camb., dien deze bij het begin zijner regeering heimelijk had laten dooden, zich van de regeering had meester gemaakt, nam hij den terugtocht aan, maar te Hamath in Syrië had hij het ongeluk zich bij het bestijgen van zijn paard met zijn eigen zwaard een doodelijke wonde toe te brengen. V. a. had hij, bij het hooren dat de omwenteling in Perzië gelukt was, zichzelven gedood.

Camenae, Casmenae, Carmenae, waarzeggende bronnimfen in Italië, later geïdentificeerd met de Muzen. Oorspronkelijk schijnen het godinnen geweest te zijn, die door het zingen van tooverformulieren het baren der vrouwen gemakkelijk maakten. De dienst der Camenae, die te Rome samen met Egeria een heilig bosch voor de Porta Capena hadden, was, naar men meende, door Euander ingevoerd.

Cameria of -rium, oude, verdwenen stad in Latium.

Camerinum, vroeger Camers, Kamarinon, machtige umbrische bergstad op de grenzen van Picenum. De inwoners heetten Camertes.

Camerinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius. Ook komt Camerinus als familienaam voor o. a. in de gens Sulpicia, klaarblijkelijk ontleend aan Cameria als plaats van afkomst.

Camers = Clusium.

Camicus, Kamikos, stad op Sicilia dicht bij Agrigentum.

Camilla, dochter van koning Metabus uit de volscische stad Privernum, door haar vader opgeleid als oorlogsheldin en jageres. Zij stond Turnus bij in den oorlog tegen Aeneas en kwam in den strijd om.

Camilli en -lae, knapen en meisjes van aanzienlijken huize, die bij godsdienstige plechtigheden den flamen Dialis en misschien ook anderen priesters ter zijde stonden.

Camillus, familienaam, zie Furii no. 9-14.

Camirus, Kameiros, dorische stad op het eiland Rhodus. Zie ook Ialysus.

Campania, Kampania, landschap van Midden-Italia, aan de Tyrrheensche zee. De naam Campania beteekent vlakte, evenals in het Fransch de naam Champagne, en de tegenwoordige Campagna di Roma. Oorspronkelijk was de naam ager Campanus. Met uitzondering van het moerassige noordwestelijke kustland was het klimaat zacht en de bodem vruchtbaar. Als oudste bewoners worden de Osci, Opikoi, genoemd, tot hen hoorden ook de Aurunci (Ausones) en de Sidicini. Dan zetten Grieken zich neer in Cumae, Dicaearchia (later Puteoli), Neapolis en Pompeii. In de zesde eeuw (± 520) werd het land vermeesterd door de Etruscers, die daar een bond van steden stichtten, waarvan Capua en Nola de voornaamste waren; doch het heerlijke klimaat en de rijke bodem maakte de veroveraars verwijfd, en zij moesten zwichten voor de Samnieten, die in het midden van de vijfde eeuw Campania veroverden (Capua viel in 443, Cumae in 421 in hun handen), en zich met de oorspronkelijke bewoners vermengden. In de vijfde en vierde eeuw dienen deze Kampanoi als huursoldaten in de grieksche legers. Aan het hoofd van iedere bondsstad staat een meddix, aan het hoofd van den bond een meddix tuticus. De voornaamste stad was Capua. Ook deze veroveraars ondergingen den invloed van het klimaat en waren op hunne beurt niet meer opgewassen tegen een aanval van andere samnietische volken, zoodat Capua zich in 338 in de armen van Rome wierp. Zóó ontstonden de rom.-samnietische oorlogen, die in 272 met de onderwerping van Samnium eindigden. Vóór dien tijd was Campania reeds geheel ingelijfd; in 318 werd de ager Falernus onder rom. burgers verdeeld; verder werden er kolonisten gebracht naar Cales (334), Suessa (313), Sinuessa (296). Als bondgenoot van Rome genoot Capua met zijne omstreken, den ager Campanus (ten Zuiden van de rivier Volturnus), groote voorrechten, doch daar het met andere campaansche steden in den tweeden punischen oorlog de partij van Hannibal had gekozen (216), werd het na de herovering (211) uiterst zwaar gestraft en van alle zelfstandigheid beroofd. Campania telde een aantal van de fraaiste en schoonst gelegen steden van Italia en was als bezaaid met lustverblijven van aanzienlijke Romeinen, vooral aan de golf van Napels, waar men o. a. de steden Baiae, Neapolis, Herculaneum, Pompeii had, te midden van een lusthof van wijnbergen, olijfboschjes en korenvelden.

Campanus morbus, hoornachtige uitwassen of groote wratten, vooral aan het voorhoofd, die, naar het schijnt, in Campania veel voorkwamen en nog voorkomen.

Campe, Kampe, een monster, dat op bevel van Uranus de Cyclopen in de onderwereld bewaakte, en later door Zeus gedood werd, toen hij die gevangenen bevrijdde.

Campi Diomedis, vlakte in Apulia tusschen Arpi en Cannae.

Campi lapidei, vlakte in den omtrek van Massilia (Marseille), met keisteenen bedekt ter grootte van een vuist. Daartusschen wies gras.

Campi macri, Makroi Kampoi, vlakte in Cisalpina tusschen Parma en Mutina (Modena).

Campi Phlegraei, vulkanische vlakte in Campania tusschen Capua en Cumae.

Campi Raudii, vlakte in Transpadana, aan den Padus (Po), bij Vercellae. Hier versloeg Marius de Cimbren, in 101.

Campus Martius, ook wel kortweg Campus, het veld, genoemd, een groot veld buiten het oude Rome tusschen den collis Quirinalis, den mons Palatinus en den Tiber. Het was aan Mars geheiligd en werd gebruikt voor openbare spelen, monstering van troepen, lichaamsoefeningen, paardrijden, volksvergaderingen (de comitia centuriata werden hier gehouden) en dgl. Het lag eerst buiten de stad, doch werd allengs met prachtige gebouwen en uitspanningsplaatsen versierd, vooral onder de regeering van Augustus, die er de 9de stadswijk of regio van maakte. Aurelianus trok het Marsveld binnen den stadsmuur.

Campus Spartarius, de vlakte bij Carthago nova (Carthagena), aldus genoemd naar het daar groeiende esparto-gras, dat de Carthagers tot scheepstouw verwerkten.

Camulodunum, zie Camalodunum.

Canabae, de burgerlijke nederzetting die zich bij elk vast Romeinsch kamp bevindt, en dikwijls, vooral aan den Rijn, tot een stad uitgroeit.

Canace, Kanake, dochter van Aeolus en Enarete, werd door Poseidon bemind en baarde hem verscheiden zonen. Toen zij echter verliefd werd op haar eigen broeder Macareus, verliet Poseidon haar en werd zij door haar vader gedood of tot zelfmoord gedwongen.

Canachus, Kanachos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer uit de 6de eeuw, vooral zijn standbeeld van Apollo te Didyma wordt geprezen.

Canastraeum, Kanastron, kaap op Pallene, de westelijke landtong van Chalcidice.

Cancer, Karkinos, het sterrenbeeld de Kreeft; deze kreeft was door Hera onder de sterren verplaatst, omdat zij de hydra van Lerna tegen Heracles had geholpen, door dezen in den voet te bijten.

Candace, Kandake, koningin van Napata, die in 24 een inval in Aegypte deed, maar door den romeinschen stadhouder Petronius teruggeslagen werd. Zie verder Napata.

Candaules, Kandaules, de laatste lydische koning uit het geslacht der Heracliden, zie Gyges.

Candavia mons, bergstreek op de oostelijke grenzen van Illyria. De via Egnatia liep er door.

Candela, candelabrum. Voordat olielampen bekend waren, gebruikten de Romeinen kaarsen, candelae, waarvan de pit uit een bies bestond. De kandelaar heette candelabrum. Toen echter, althans in de huizen der gegoeden, de kaarsen door de lampen werden verdrongen, werden de candelabra ingericht om lampen op te zetten of aan kettinkjes op te hangen. Zij werden toen zóó hoog, dat men ze niet op tafel, maar op den grond plaatste. Deze lampenstandaards zijn in groote verscheidenheid van vorm en versiering bij opgravingen gevonden.

Candidatus. Wie te Rome naar eenig openbaar ambt wilde dingen, waarvan de begeving aan de volksvergadering stond, begaf zich naar den overheidspersoon, die de comitiën zou leiden en verzocht dezen, zijn naam op de lijst der mededingers te brengen. Deze aangifte heette nomen profiteri. De magistraat behoorde dan te onderzoeken, of de persoon, die zich aanmeldde, op dat oogenblik verkiesbaar was. Zoo ja, dan behoorde hij aan diens verzoek te voldoen, rationem eius habere. Het volk namelijk kon alleen geldige stemmen uitbrengen op hen, die op de lijst waren opgenomen. Dezen kleedden zich nu in eene toga, die in krijtwater gewasschen en dus helder wit was, toga candida, en werden hiernaar candidati genoemd, en bezochten van nu af dagelijks het forum, om zich bij de kiezers aan te bevelen. Zie ook nomenclator.

Candidatus principis. Evenals vroeger sommige ambtenaren door aanzienlijke personen werden aanbevolen, zoo placht Augustus sommige candidaten persoonlijk bij het volk aan te bevelen. Deze gewoonte werd ook door de volgende keizers in acht genomen; zij wezen dan onder de candidati enkelen aan, die moesten gekozen worden. De verkiezingen hadden sedert Tiberius in den senaat plaats. Van de quaestores wijst de keizer er twee aan, de quaestores Augusti, die geregeld candidati principis geheeten worden. Deze quaestoren waren zoo ongeveer secretarissen en adjudanten van den keizer en moesten o. a. de keizerlijke boodschappen en brieven in den senaat voorlezen.

Canephori, Kanephoroi, jonge meisjes uit de edelste familiën, die te Athene bij sommige processiën korfjes met heilige offergereedschappen, enz. op het hoofd droegen.

Canicula, zie Canis Maior.

Canidia, een tooverkol en giftmengster, die door Horatius in zijne gedichten (vooral de Epoden) bespot en aan de kaak gesteld wordt. Haar eigenlijke naam is Gratidia.

Canidius Crassus (P.), legaat van Lepidus, wist in 43 na Caesars dood het leger van Lepidus op de hand van Antonius te brengen. Later diende hij onder Antonius in Azië en in den slag bij Actium. Octavianus liet hem in Aegypte, waarheen hij gevlucht was, ter dood brengen.

Caninefates, een stam, die tot de Batavieren behoorde en aan de kust der tegenw. provincie Noord-Holland woonde, in het tegenwoordige Kennemerland. Zij namen ook deel aan den opstand onder Civilis. Zij werden niet tegelijk met de Batavieren in het rijk opgenomen, maar eerst onder keizer Tiberius onderworpen.

Caninii, plebejisch geslacht. 1) M. Caninius Rebilus was in 170 rom. gezant bij Perseus van Macedonia.--2) C. Caninius Rebilus diende onder Caesar in Gallia, in Africa, in Hispania. In 45 werd hij tot consul suffectus gekozen, juist tegen het einde van het jaar, zoodat hij nog één dag consul kon wezen. Cicero prijst daarom schertsend de waakzaamheid van Rebilus, die in zijn geheele consulaat niet geslapen had.--3) L. Caninius Gallus, volkstribuun in 56, komt als aanhanger van Pompeius voor.--4) Caninius Satrius, huisvriend van Cicero.

Canis, de vier éénen, de slechtste worp in het dobbelspel. Zie alea.

Canis Maior, Canicula, Sirius, Seirios, Kyon, het sterrenbeeld de Groote Hond, de voorbode der grootste zomerhitte; oorspronkelijk was deze hond een van de bewakers van Europa geweest, later kwam hij in handen van Cephalus en van Amphitryo (z. a.).--V. a. een hond van Orion of van Icarius.

Canis Minor, Antecanis, Prokyon, het sterrenbeeld de Kleine Hond, oorspronkelijk een van de honden van Orion, na diens dood onder de sterren geplaatst.

Cannae, Kannai, vlek in Apulia, aan den Aufidus, bekend door de vreeselijke nederlaag, die de rom. consuls C. Terentius Varro en L. Aemilius Paullus er in 216 leden. Of de slag op den noordelijken (rechter) oever of op den zuidelijken (linker) oever van den Aufidus heeft plaats gehad, daarover is men het niet eens. De rechtervleugel der Romeinen, en de linkervleugel der Carthagers sloot aan de rivier de Aufidus aan. Neemt men nu aan, dat de slag op den zuidelijken oever geleverd is, dan waren de Romeinen benedenstrooms van de Carthagers opgesteld. Plaatst men den slag op den noordelijken oever, zooals gewoonlijk geschiedt, dan komt voor het slagveld in aanmerking een veld, dat nu nog "Pezzo del Sangue" heet; de Romeinen hadden dan hun kleine legerplaats en verder de rivier in den rug. Een bezwaar tegen deze opvatting is, dat dan de Romeinen met het gezicht naar het N. staan, hetgeen met sommige berichten in strijd is.

Canobus, Kanobos, aanzienlijke, weelderige stad in de Nijldelta, aan den westelijken of canobischen hoofdmond der rivier. Vóór de stichting van Alexandria was Canobus de grootste koopstad van het westelijke deltagebied. Er was een beroemde Serapis-tempel.

Canon, Kanon, z. Alexandria no. 1 aan het slot.

Cantabri, Kantabroi, woest, oorlogzuchtig volk in Hispania, in het tegenw. Biscaye, eerst door Augustus (26-19) tot onderwerping gebracht.

Cantharus, Kantharos, drinkbeker met ooren; de beelden van Dionysus hebben meestal zulk een beker in de hand.

Cantium, gewest in het Z. O. van Britannia, thans Kent. De Cantii waren van de Britten het meest beschaafde volk.

Cantium promunturium, het zuidoostelijkste punt van Britannia, thans kaap Paperness in Kent.

Canuleia (lex), plebisciet van den volkstribuun C. Canuleius, 445. Het bepaalde, dat er conubium zou zijn tusschen patriciërs en plebejers. Een ander voorstel van denzelfden, dat één der consuls een plebejer zou kunnen zijn, werd ter zijde geschoven door de instelling van tribuni militum consulari potestate. Dit tweede wetsvoorstel is waarschijnlijk verzonnen, om de instelling van het krijgstribunaat te verklaren. Zie tribuni militum consulari potestate.

Canuleii, plebejisch geslacht. 1) C. Canuleius, volkstribuun in 445, de vader der lex Canuleia de conubio.--2) L. Canuleius Dives, praetor in Hispania in 171, vervolgde op last van den senaat eenige vorige stadhouders van dit gewest wegens afpersingen.

Canusium, Kanousion, stad in Apulia aan de via Appia nova, nabij den Aufidus, bekend door den driedaagschen strijd tusschen M. Marcellus en Hannibal (209), waaromtrent de berichten echter geen vertrouwen verdienen. De roode wol en de muilezels van C. waren beroemd. Horatius noemt de Canusiners bilingues, omdat in de stad een sterk grieksch element aanwezig was en men er dus zoowel Grieksch als Latijn sprak.

Capaneus, Kapaneus, zoon van Hipponoüs, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae ten strijde trokken. Om hem te straffen voor zijne overmoedige bewering, dat hij zelfs tegen den wil der goden den muur zou bestijgen, doodde Zeus hem, toen hij reeds op den stormladder stond, met den bliksem.

Capella, Capra, Aix, het sterrenbeeld de Geit, dat in het najaar met storm en onweder opkomt; oorspronkelijk de geit Amalthea, door Zeus onder de sterren geplaatst, omdat hare huid hem in den strijd tegen de Titanen tot schild gediend had.

Capena, oude stad in het Z.O. van Etruria, later rom. municipium, met een tempel en een grot van Feronia. De porta Capena te Rome voerde niet naar deze stad; ze was waarschijnlijk genoemd naar Capua, en heeft dus haar naam gekregen, toen de via Appia aangelegd is, die langs deze poort de stad verlaat. De overeenkomstige poort van Capua heet porta Romana.

Caphareus, Kaphereus, noordelijkste kaap aan de Zuidoostkust van Euboea, waar de grieksche vloot op haren terugkeer van Troje schipbreuk leed, en in 480 eene perzische vloot van 200 schepen, die Euboea wilde omvaren om de Grieken in den rug aan te vallen.

Capita aut navia, een spel, gelijk aan ons "kruis of munt", waarbij een geldstuk omhoog werd geworpen. De naam is hieraan ontleend, dat de oudste stempel van den as aan de eene zijde een Januskop, aan de andere de voorsteven van een schip was.

Capite censi. Zóó werden bij de indeeling van het rom. volk in klassen en centuriën diegenen genoemd, die òf niets bezaten òf te weinig om het bij den census in rekening te brengen en die dus alleen hun caput konden aangeven. Ze waren vrijgesteld van krijgsdienst. Zie ook proletarii.

Capitis deminutio is een vermindering van rechtspersoonlijkheid. Er waren drie graden. De cap. dem. minima had plaats, wanneer een romeinsch burger, die sui iuris was, zich tot zoon liet aannemen (arrogatio) en dus alieni iuris werd. Hij verloor dan den status familiae, daar hij ophield pater familias te zijn en als filius familias in de patria potestas van een ander trad.--De cap. dem. media sloot het verlies van het burgerrecht in zich. Zij had plaats door vrijwilligen afstand, reiectio civitatis of door aqua et igni interdictio. Een gewoon exsilium hief den status civitatis niet op, maar schorste dezen slechts. Hij die door deze deminutio getroffen was, kon door eene wet in zijne vorige rechten hersteld worden, restitutio in integrum.--De cap. dem. maxima was het verlies van den status libertatis; men werd dan slaaf. Zij werd o. a. toegepast op de incensi, d.w.z. op hen, die verzuimden zich bij de censoren aan te geven, met het doel, krijgsdienst en belasting te ontduiken, op den fur manifestus, den op heeterdaad betrapten dief, tenzij deze zich vrijkocht, op den schuldenaar (den addictus, niet den nexus, z. a.), die door zijne schuldeischers werd verkocht, in den tijd toen men nog met zijn lijf voor zijne schulden aansprakelijk was, wat in 326 door de lex Poetelia Papiria werd afgeschaft, op den veroordeelden burger, die gegrepen en ter dood gebracht werd, enz.

Capito, familienaam, zie Ateii en Fonteii.

Capitolinus, familienaam, zie Manlii no. 2, 6-10.

Capitolinus mons, een der bergen van het oude Rome. In het midden was deze berg lager dan aan de beide uiteinden. Op den Z.W. top was het Capitolium, op den N. top de arx met den tempel van Juno Moneta. Bij de derde uitbreiding der stad (zie Roma), toen de latijnsche gemeente van den Palatinus zich met de sabijnsche van den Quirinalis vereenigde, werd met het Forum ook de mons Capitolinus bij de stad getrokken en versterkt. Hij lag echter buiten het pomoerium. Op het Capitolium stond de groote driedubbele tempel van Jupiter Capitolinus, Juno en Minerva. Het was een tempel met drie cellae; die van den god was in het midden. Deze tempel werd door Tarquinius Priscus begonnen, door Tarquinius Superbus voltooid en in 509 door den consul M. Horatius Pulvillus ingewijd. Hij brandde driemaal af, in 83, 69 na C. en 80 na C., doch werd telkenmale herbouwd, de laatste maal door keizer Domitianus, die er 12000 talenten aan besteedde; z. Templum. Het Capitool was het heilige middelpunt van het rom. gebied; dáár brachten de nieuwe consuls hun eerste offer en deden geloften voor het welzijn van den staat; dáár offerde de zegepralende imperator, dáár waren de orakelboeken, de wettafels, de veroverde vaandels geborgen, enz. Behalve den reeds genoemden tempel worden op de daaromheen gelegen ruimte, area Capitolina, nog een aantal andere heiligdommen vermeld: de curia Calabra, vanwaar de pontifices maandelijks op de Kalendae den feestkalender afkondigden, de tempels of tempeltjes van Jupiter Feretrius, van Fides, Mens, Venus Erycina, Ops en andere, terwijl het aantal beelden en gedenkteekenen zóó groot was, dat het heette: in Capitolio deorum omnium simulacra colebantur. De inzinking tusschen de beide toppen wordt een asylum genoemd. Sedert 192 was hier een heiligdom van Veiovis, en aan de zijde van het forum vond men hier later het Tabularium (z. a.). Naar het Capitool voerde een oploopende weg, clivus Capitolinus, van het forum uit; doch men kon er ook van den zuidwestkant komen langs een trap, in den berg uitgehouwen en de centum gradus geheeten. Deze trap voerde naar een uitspringend gedeelte, saxum Tarpeium, of rupes Tarpeia genoemd, waar oudtijds de plebejische doodstraf werd voltrokken door de veroordeelden van de rots in eene daaronder liggende diepte te werpen.

Capitolium. Zie Capitolinus mons.

Cappadocia, Kappadokia, gewest van Asia minor. Het oudste Cappadocia strekte zich uit van den Halys tot aan Armenia langs den Pontus Euxinus. Onder het perzisch bestuur werden de landstreken Garsauritis en Cataonia er aan toegevoegd, zoodat het zich ten Z. tot aan het Taurusgebergte uitstrekte; doch daarentegen werd het noordelijke deel als afzonderlijke satrapie er af genomen, onder den naam Cappadocia ad Pontum, waaruit later het koninkrijk Pontus is ontstaan. Het binnenlandsche Cappadocia wist tijdens Alexander d. G. eene zekere onafhankelijkheid te handhaven en bleef als koninkrijk bestaan, tot het door Mithradates den Grooten, koning van Pontus, veroverd werd; doch Pompeius gaf het in 65 aan Ariobarzanes terug. Het werd nu een vasalstaat van Rome, tot Tiberius in 17 na C. er eene rom. provincie van maakte. Tot welken stam de Cappadociërs behooren, is nog niet uitgemaakt. Slechts weten we, dat reeds omstreeks 1800 de Cheta (Chatti), de Hittiten van het Oude Testament, in Cappadocië, in het tegenwoordige Boghazköi, ten O. van den Halys, het middelpunt van hun rijk hebben gehad. Het noordelijkste distrikt van C., aan de oevers van de rivieren Thermodon, Iris en Lycus, is door Assyriërs gekoloniseerd, bij de Grieksche schrijvers Syrioi of Syroi, of ook wel Leucosyriërs, Leukosyroi, genoemd, wegens hunne blanke kleur, terwijl de eigenlijke Syriërs bruin van tint waren. Aan de kust lagen vele grieksche volkplantingen, nederzettingen van Milete of faktorijen van Sinope; de voornaamste zijn van W. naar O.: Amisus, Themiscyra, Side (later Polemonium geheeten), Cotyora, twee steden Cerasus, Tripolis en Trapezus. Zie verder Pontus. Het eigenlijke Cappadocië was, evenals Armenia, een feudaalstaat. De hoofdstad was Mazaca aan den berg Argaeus; ter eere van Tiberius werd de naam veranderd in Caesarea (ad Argaeum).

Caprae of Capreae palus, de plaats op het Campus Martius, waar Romulus, terwijl hij bezig was een contio te houden, onder storm en onweer van de aarde was weggenomen (z. Quirinus). Ook later werden hier contiones gehouden.

Capraria, het geiteneiland, nabij de etruscische kust, thans Capraja.

Capreae, Kapreai, thans Capri, eil. ten Z. van den sinus Cumanus (golf v. Napels), het verblijf van keizer Tiberius in zijne laatste levensjaren. Volgens de sage is het oudtijds bewoond geweest door Teleboërs, onder koning Telon. Grieken uit Cumae hebben het gekoloniseerd, en tot diep in den keizertijd sprak de bevolking Grieksch.

Capricornus, Caper, Aigokeros, Pan, het sterrenbeeld de Steenbok, voorbode van storm, oorspronkelijk een afstammeling van Aegipan met horens, bokkepooten en een vischstaart, die met Zeus opgevoed was en hem later in den strijd tegen de Titanen hielp door in een schelp te blazen en zulk een vreeselijk geraas te maken, dat de vijanden verschrikt op de vlucht gingen.

Caprotina, Capratina, bijnaam van Juno, waaronder zij te Falerii e.e. vereerd werd. Te harer eere vierden de vrouwen op den 7den Juli (Nonae Caprotinae, ancillarum feriae) een feest, waaraan ook de slavinnen deelnamen, die zich daarbij vele vrijheden veroorloofden. Ter verklaring van dit feest dient het volgende verhaal, dat aan een fabula praetexta ontleend is: Kort na den gallischen oorlog trokken de Latijnen tegen de Romeinen op en eischten van hen vrouwen ten huwelijk. De Romeinen zonden hun slavinnen als vrije vrouwen gekleed, die nu de vijanden bij een feestmaal dronken maakten en daarna van den top van een wilden vijgeboom (Caprificus) een teeken gaven, waarop de Romeinen de legerplaats overvielen en de vijanden doodden.

Capsa, stad in Numidia midden in eene zandwoestijn. Hier waren Jugurtha's schatten geborgen. De plaats werd door Marius verwoest, doch later herbouwd en behoorde sedert tot Byzacium.

Capua, Kapye, vroeger Vulturnum geheeten, voornaamste stad van Campania. Door de Samnieten bedreigd, onderwierp het zich aan Rome (zie Campania). De burgers kregen toen de civitas sine suffragio, terwijl een gedeelte der rechtspraak in handen kwam van de praefecti Capuam Cumas (sedert 318). Na den slag bij Cannae (216) verbond het zich met Hannibal, doch werd na de inname (211) door de Romeinen bloedig gestraft. Zeventig der aanzienlijkste burgers werden ter dood gebracht, honderden in de gevangenis geworpen of als slaven verkocht, een deel der bevolking werd over andere steden verdeeld, en alle rechten en vrijheden aan de stad ontnomen. Het gemeentebestuur werd opgeheven, het grondgebied verbeurd verklaard; op het land langs zee werden twee col. civium Romanorum, Volturnum en Liternum, gesticht, het andere land, de ager Campanus (zie Agrariae leges) tot 59 geregeld verpacht. Door haar gunstige ligging bleef de stad een van de bloeiendste en grootste steden van Italië. Sedert 58 had zij weer een gemeentebestuur.

Caput is de rechtspersoonlijkheid van den rom. burger (zie capitis deminutio). Deze beteekenis heeft dit woord ook in de uitdrukking capite of capitis damnari.

Capys, 1) grootvader van Aeneas (z. Aeneas).--2) tochtgenoot van Aeneas, volgens de sage stichter van Capua.

Caracalla (M. Aurelius Antoninus Bassianus), sedert zijn benoeming tot Caesar in 196 n. C. ook M. Aurelius Antoninus geheeten, zoon van keizer Septimius Severus en Julia Domna, volgde met zijn broeder P. Septimius Antoninus Geta zijn vader in 211 op. Het leger had beide broeders slechts te zamen als keizers willen erkennen, hoewel reeds bij huns vaders leven een doodelijke haat tusschen hen heerschte. In 212 stak Caracalla zijn broeder in de armen hunner moeder dood, en veroordeelde den beroemden rechtsgeleerde Papinianus, die zijne afkeuring te kennen gaf, ook ter dood. Vervolgens trok hij op dolzinnige wijze het rijk door, hier oorlogende (z. Alemanni), daar zijn eigen onderdanen uitplunderende, tot hij eindelijk in 217 door zijn praefectus praetorio Macrinus te Edessa in Mesopotamia werd omgebracht. Caracalla gaf in 212 aan het geheele rijk het burgerrecht, ten einde ook in de provinciën de vicesima hereditatum, een successierecht van 5 pct., te kunnen innen en aldus de ontvangsten der keizerlijke schatkist te verhoogen. De bijnaam Caracalla is ontleend aan het kleedingstuk van dien naam, een gallischen mantel, dien de keizer droeg. Door Caracalla zijn de beroemde Thermae Antoninianae aangelegd, waarvan nog belangrijke ruïnen over zijn (zie Thermae).

Caractacus, een dapper vorst der Silures in Britannia, zoon van koning Cunobelinus, voerde oorlog met de Romeinen, en werd door de met hen bevriende Cartismandua, koningin der Brigantes, aan hen uitgeleverd. Keizer Claudius liet hem naar Rome voeren, doch schonk hem toen de vrijheid terug, 51 na C.

Caralis, Karalis, thans Cagliari, hoofdstad van het eiland Sardinia, aan den Zuidkant gelegen.

Carambis, Karambis, stad en kaap in Paphlagonia.

Caranus, Karanos, 1) Heraclide uit Argos, die omstreeks 750 met eene argivische kolonie Edessa innam en de stichter van het macedonische rijk werd; de latere koningen van dit rijk noemden hem hun stamvader.--2) zoon van Philippus en Cleopatra, die door Olympias gedood werd.--3) veldheer van Alexander in den oorlog tegen Perzië.

Caratacus = Caractacus.

Carausius, door Diocletianus belast met eene vloot de gallische kust tegen frankische en saksische zeeroovers te verdedigen, voer naar Britannia en liet zich daar tot Augustus uitroepen, 286 na C. Hij handhaafde zich, tot hij in 293 vermoord werd.

Carbatinae of Carpatinae, Karbatinai, Karpatinai, grove schoenen, uit één stuk leder vervaardigd en met kruisbanden om het been bevestigd.

Carbo, familienaam in de gens Papiria. Zie Papirii no. 11-14.

Carcaso, stad van de Volcae Tectosages in Gallia Narbonensis, thans Carcassonne.

Carcer. De carcer Mamertinus, te Rome aan het forum gelegen, bestond uit drie verdiepingen, waarvan slechts ééne boven den beganen grond was. Hier werden de licht gestrafte gevangenen in hechtenis gehouden (custodia communis). De middelste verdieping was een onderaardsch gewelf, waartoe slechts eene opening in de zoldering toegang verleende en waarin men geketend de zware gevangenisstraf onderging (custodia arcta). Daaronder lag een nog afgrijselijker kerkerhol, evenzeer alleen met eene opening van boven, waarin de doodstraf werd voltrokken. Dit gedeelte, dat het oudste was, werd ook Tullianum geheeten, omdat het vroeger gediend had als vergaarbak voor het water, dat daar uit de rotsen zijpelde. Dáár stierf Jugurtha den hongerdood. Daar werden ook Lentulus (Cornelii no. 48) en de 4 andere Catilinarii gewurgd. Ook in andere plaatsen schijnen de kerkers op deze wijze ingericht geweest te zijn; althans in dien van Herculaneum heeft men de sporen van twee ondergrondsche verdiepingen ontdekt.

Carceres, de stallen aan den ingang van den circus, waarin de wagenmenners, op de bespannen wagens staande, het sein tot den wedren afwachtten. Figuurlijk beteekent carceres ook het begin van iemands loopbaan: a carceribus = van den beginne af. Zie ook calx.

Carcinus, Karkinos, van Agrigentum, vestigde zich te Athene als treurspeldichter; zijne werken vonden echter evenmin bijval als die van zijne vier zonen. Zijn kleinzoon, de jongere Carcinus, leefde langen tijd aan het hof van Dionysius van Syracusae; met zijne 160 stukken behaalde hij elf maal een prijs.

Cardamyle, Kardamyle, 1º. stad aan de Oostzijde van de golf van Messene.--2º. stad in het N. van Chius.

Cardea, Carda, eene nimf die door Janus bemind werd, en door hem tot godin der deurhengsels, dus ook van huis en huisgezin, verheven werd. Ook beschermde zij kleine kinderen tegen den invloed van booze geesten.

Cardia, Kardia, stad van de thracische Chersonesus, aan den sinus Melas, kolonie van de Milesiërs, geboorteplaats van koning Eumenes. De bewoners werden met die van Pactye in 309/308 door Lysimachus naar zijn nieuwe hoofdstad Lysimachia (z. a.) overgebracht.

Cardo. De deuren der rom. huizen hingen niet in scharnieren, maar draaiden op uitstekende pennen, die in bussen sloten, welke in den boven- en den onderdorpel van het deurkozijn waren ingelaten. Deze pennen heetten cardines.--Cardo heet ook de lijn, die de augur bij het nemen der auspiciën van het N. naar het Z. trok. Zie auguria. De Rom. hadden ook eene godin der deurhengsels, Cardea.

Carduchi, Kardouchoi, thans Koerden, een machtig en krijgshaftig armenisch bergvolk, in welks bergen de Perzen zich niet waagden, toen de 10000 Grieken er binnentrokken.

Carfulenus (D.), rom. senator, aanhanger van Caesar en tegenstander van Antonius; hij streed samen met Pansa in den mutinensischen oorlog bij Forum Gallorum tegen Antonius; of hij, zooals het eerste bericht luidde, daar gesneuveld is, is niet zeker.

Caria, het zuidwestelijkste landschap van Klein-Azië, aan de kust bezet met grieksche volkplantingen, waarvan Halicarnassus en Cnidus de voornaamste waren. De Cariërs hadden oudtijds een groot gedeelte der eilanden van de Aegaeïsche zee in bezit en dreven zeeroof, totdat zij door de Grieken en vooral door koning Minos van Creta uit de eilandzee verdreven werden. Zij bleven echter een ruw, roofziek volk, wel geschikt voor huursoldaten, doch omkoopbaar. De Kares, Kretes, en Kappadokes werden door de Grieken ta tria Kappa kakista genoemd. De Westkust van Caria is bezet met ionische koloniën, waarvan Priene en Miletus de voornaamste zijn en Iassus de zuidelijkste is: de Zuidwestkust en de vóórliggende eilanden hebben een dorische bevolking. In de 4de eeuw maakte Mausolus, de vorst van Carië, zich onafhankelijk van Perzië, en verlegde zijne residentie van Mylasa naar Halicarnassus (z.a.).

Carinae, voorname wijk te Rome, tusschen den mons Esquilinus en den mons Caelius.

Carinus (M. Aurelius), keizer van Rome, 283-285 na C., zoon en opvolger van Carus. Hij was om zijne buitensporigheden en wreedheid gehaat en werd vermoord, na de nederlaag, die hij Diocletianus in Moesia toegebracht had.

Caristia (Charistia) of Cara Cognatio. Op den 22sten Februari, den dag na de feesten der Feralia (z. a.) of Parentalia, vierde men te Rome dit familiefeest, waarbij de bloedverwanten voor een feestmaaltijd bijeenkwamen.

Carmania, Karmania, thans Kerman, perzisch gewest aan de Perzische golf. Herodotus noemt de bewoners Germanioi.

Carmelus, Karmelos, thans Carmel = wijnberg, gebergte en kaap op de kust van Palaestina ten Z. van Ace (Ptolemaïs). Ook de hoogste top van den Antilibanus droeg dezen naam.

Carmenta, eene van de Camenae, moeder van Euander, wien zij de toekomstige grootheid van Rome voorspelde. Zij had een heiligdom aan de Porta Carmentalis, bloedige offers werden haar niet gebracht, en het was verboden iets van leder in den tempel te brengen. Op haar feest, de Carmentalia (11 en 15 Januari), werd zij als beschermster van barende vrouwen onder de namen Postvorta en Antevorta, Porrima of Prorsa aangeroepen.

Carmentalis (porta), poort te Rome aan den voet van den mons Capitolinus. Door den rechter doorgang (dexter Janus) van deze poort zijn de Fabii uitgetrokken naar de Cremera. Daarom gebruikte men dezen doorgang niet, en heet de poort scelerata.

Carmo of Carmona, stad in Baetica tusschen Hispalis (Sevilla) en Astigi.

Carna, eene godin, aan wie als doodenoffer boonenmeel geofferd werd op den 1sten Juni, die daarnaar Kalendae Fabariae genoemd wordt. Het feest heette Carnaria. Zie omtrent de andere doodenfeesten onder Lemures.

Carnabon, koning der Geten. Toen Triptolemus in zijn rijk kwam om er den landbouw in te voeren, behandelde C. hem vijandig en doodde hij een van zijne draken. Daarom veranderde Demeter hem in een slang.

Carneades, Karneades, van Cyrene, 213-129, stichter der derde of nieuwe academie en hevig bestrijder der stoicijnsche leer, waarvan hij vroeger een aanhanger was geweest. Volgens hem kan men door zinnelijke waarneming slechts waarschijnlijkheid, nooit waarheid, bereiken, en moesten dus de kenmerken der waarheid elders gezocht worden. In 155 werd hij met Critolaus en Diogenes door de Atheners naar Rome gezonden, om vrijstelling van eene opgelegde boete te vragen, en zijne scherpzinnigheid en welsprekendheid vond ook bij de Romeinen grooten bijval.

Carneus, Karneios, bijnaam van Apollo, onder welken hij bij verscheiden dorische stammen vereerd werd. De Spartanen geloofden, dat zij door dezen god naar de Peloponnesus teruggebracht waren en vierden ter herinnering daaraan jaarlijks in de maand Carneus (Aug.-Sept.) een groot feest (Karneia), waarbij zij steeds gewapend waren en over het geheel het leven in den oorlog nagebootst werd.

Carni, Karnoi, keltisch bergvolk in den N. O. hoek van Cisalpina, aan de Carnische Alpen. In hun gebied lagen de steden Julium Carnicum, Tergeste en Aquileia.

Carnifex of carnufex, de scherprechter, een servus publicus, die de doodstraf aan vreemdelingen en slaven voltrok. Aan rom. burgers werd deze straf voltrokken door een lictor.

Carnuntum, Karnous, Karnouton, aan den Donau, in Pannonia, belangrijk als vesting, garnizoensplaats en ligplaats der Donau-vloot.

Carnutes of Carnuti, machtige stam in het hart van Gallia, met de hoofdstad Genabum of Cenabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas. In het gebied der Carnuten hielden de Druïden jaarlijks hunne plechtige rechtszitting.

Carocotinum, z. Caletes.

Carpates of Alpes Bastarnicae, thans Karpathen.

Carpathus, Karpathos, eiland in de daarnaar genoemde Carpathische zee tusschen Creta en Rhodus. De zeegod Proteus hield daar verblijf en wordt bij dichters wel Carpathius vates genoemd.

Carpentum, een tweewielig rijtuig met een kap of huif voorzien. Een carpentum funebre was een tweewielige, rondom gesloten lijkwagen.

Carpesii of Carpetani, Karpetanoi, machtig volk in Hispania Tarraconensis, met de hoofdstad Toletum (Toledo).

Carpi, dacische volksstam tusschen den Donau en het westelijke gedeelte der Karpathen, die naar dit volk genoemd zijn. In de 3de eeuw n. C. treden ze meestal op aan den Beneden-Donau, en verwoesten vaak in vereeniging met de Gothen Moesia en Thracië.

Carrae of Carrhae, Karrai, in het O. T. Charan of Haran, stad in Mesopotamia, waar Crassus tegen de Parthen sneuvelde (53).

Carrinas, plebejische familie. 1) C. Carrinas komt in den eersten burgeroorlog 83/82 als een van de aanvoerders der Mariani voor. Na den slag bij de porta Collina (Nov.82) werd hij gevangen genomen en op last van Sulla ter dood gebracht.--2) C. Carrinas, consul in 43, zoon van no. 1, komt in den tweeden burgeroorlog als aanhanger van Caesar voor; later is hij een aanhanger van Octavianus, en voert o. a. oorlog tegen S. Pompeius (36); als proconsul van Gallië onderwerpt hij in 30 de Morini.--3) Carrinas Secundus, rhetor door Caligula in 39 n. C. verbannen, pleegde zelfmoord in de ballingschap te Athene, omdat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien.--4) C. Carrinas Secundus, zoon van no. 3, werd in 64 n. C. door Nero uitgezonden, om in Griekenland geld in te zamelen.

Carroballista, ballista of blijde op twee wielen en door paarden getrokken.

Carruca, vierwielig staatsierijtuig, ook wel als reisrijtuig gebruikt (fr. carrosse).

Carseoli of Carsioli, stad in het land der Aequi, sedert 298 latijnsche kolonie.

Carsulae, stad in het Zuiden van Umbria bij Ameria.

Carsus, Karsos, riviertje in het O. van Cilicië, bij de Syrische poorten, tusschen Issi (Issus) en Myriandus.

Carteia, Karteia, belangrijke phoenicische volksplanting nabij het fretum Gaditanum of Herculis (straat van Gibraltar), sedert 171 lat. kolonie. Bij Carteia versloeg Caesar in 45 de broeders Sextus en Cn. Pompeius.

Carthaea, Karthaia, stad aan de Z.-zijde van het eiland Ceos.

Carthago, Karchedon = Nieuwstad, 1) de beroemde stad in Africa, die met Rome de punische oorlogen (z. a.) heeft gevoerd. De stad was ± 800 door tyrische uitgewekenen gesticht, volgens de sage onder aanvoering van Dido of Elissa, zuster van den dwingeland Pygmalion. De stad lag op een schiereiland, door eene niet breede landengte met het vasteland verbonden. Zij had twee havens; de grootste diende voor de handelsvloot, de andere, Kothon (= beker) geheeten, was de oorlogshaven, door 220 scheepskappen omringd. De acropolis der stad heette Byrsa, Byrsa (= burcht), en lag op een heuvel van 60 meter hoog. Op den top stond de prachtige tempel van Esmûn of Aesculapius. Aan den burg sloten zich de muren der zoogenaamde oude stad aan, 50 voet hoog en 30 voet breed, verdiepingsgewijze gebouwd, zoodat beneden stalling voor 300 olifanten, daar boven voor 4000 paarden was, en wederom hierboven ruimte voor de soldaten. De hoofdstraten liepen recht op den burg aan en hadden hooge huizen, tot zelfs van zes verdiepingen. Later werd ook de meer noordelijk gelegen voorstad, Megara, Magalia (= hoogte) of Neapolis geheeten, binnen de muren getrokken, en dit gedeelte werd het fraaiste en rijkste der stad, met tempels en prachtige lustverblijven voorzien. Eene waterleiding, 13 uur gaans lang, voorzag Carthago van water. Tot aan de 5de eeuw was het vastelandsgebied van Carthago zeer klein. Eerst in de 5de eeuw onderwerpt en onderdrukt het de omliggende libysche stammen, en verkrijgt het de heerschappij over alle phoenicische nederzettingen en faktorijen in het Westen. Het heeft verscheidene malen getracht Sicilië te veroveren; de eerste poging mislukte in 480 (slag bij de Himera); dan volgen de veldtochten van 409-404, waarbij Selinus en Himera te gronde gegaan zijn. Dan volgen de oorlogen met Dionysius en de andere tyrannen van Syracusae, en eindelijk de oorlogen met Rome, die aan haar bestaan een einde hebben gemaakt.--Na de verwoesting in 146 bleef de stad in puin liggen, tot C. Sempronius Gracchus er in 121 de colonia Junonia stichtte; deze werd het volgend jaar weer opgeheven, maar de coloni mochten blijven wonen. Daarop heeft Caesar in 44 er eene nieuwe kolonie Carthago gesticht, die in 29 door Augustus versterkt is. Daarnaast bestond een punische stad Carthago, met een afzonderlijk gemeentebestuur, tot nog onder Augustus beide steden samengroeiden. Dit nieuwe Carthago, Colonia Iulia Carthago, ontwikkelde zich snel en werd nog grooter dan het oude, zoodat het na Rome en Constantinopel de meest bevolkte stad van het rijk werd. In 439 na C. werd het de hoofdstad der Vandalen, en na den val van het vandaalsche rijk weder de residentie der oost-rom. stadhouders. De regeeringsvorm van het oude punische Carthago, dat eenmaal 700000 inwoners telde, was oligarchisch. Aan het hoofd der zaken stond een senaat, terwijl de uitvoerende macht aan twee suffeten of rechters was opgedragen. Volksvergaderingen werden alleen in hoogen nood bijeengeroepen.--2) Carthago in Hispania, tot onderscheiding dikwijls Carthago nova genoemd, thans Carthagena, was ± 228 gesticht door Hasdrubal en werd in 209 door Scipio, den lateren Africanus maior, veroverd en tot rom. kolonie gemaakt. In de nabijheid lag de Campus Spartarius.

Cartismandua, koningin der Brigantes in Britannia, die Caractacus aan de Romeinen overleverde.

Carus (M. Aurelius), bevelhebber der praetorianen onder keizer Probus, werd na diens dood in 282 na C. door de troepen tot keizer uitgeroepen en verhief toen zijne beide zoons Carinus en Numerianus tot Caesars. Hij was een bekwaam veldheer. Op een tocht tegen de Perzen in 283 werd hij òf door den bliksem getroffen òf door Aper, den bevelhebber zijner lijfwacht, vermoord.

Carventum, oude stad in Latium, met een sterk kasteel. De stad was oorspronkelijk één van de 30 gemeenten van den albaanschen bond (zie Albenses), en later één van de leden van den ouden latijnschen bond, waarvan Aricia en Tusculum de leiding hadden.

Carvilii, 1) Sp. Carvilius Maximus, consul in 293 en 272, overwon de Samnieten in 293, de Lucaniërs en Tarentijnen in 272 en hield twee triumftochten. Van den op de Samnieten behaalden buit bouwde hij een tempel voor de godin Fortuna.--2) Sp. Carvilius Maximus was consul in 234 en 228 en zegevierde over de Corsen en Sarden. Hij was ook augur.

Caryae, Karyai, stad in Laconica, door de Spartanen aan de Arcadiërs ontnomen en bekend door een tempel van Artemis Caryatis, wier priesteressen, Caryatides genaamd, eigenaardige dansen uitvoerden.

Caryanda, Karyanda, kuststad van Caria.

Caryatides, Karyatides, 1) zie Caryae.--2) zuilen in den vorm van vrouwenbeelden, die op het hoofd een kapiteel droegen, waarop de balken rustten. De Caryatiden van het Erechtheion op de Acropolis te Athenae worden gewoonlijk Korai genoemd.

Carystus, Karystos, stad der Dryopes in het Z. van Euboea, beroemd door haar voortreffelijken wijn en door eene groene marmersoort.

Casca, familie in de gens Servilia. Z. Servilii no. 22.

Cascellius (A.), uitstekend jurist in den eersten tijd van Augustus' regeering en voorstander der republiek.

Casilinum, stad van Campania op beide oevers van den Volturnus gelegen, verdedigde zich met heldenmoed tegen Hannibal, totdat de honger zóó nijpend werd, dat de verdedigers zelfs het leder hunner schilden als voedsel trachtten te gebruiken. Eindelijk (215) viel het Hannibal in handen. Later rom. kolonie.

Casinum, volscische stad in Latium, aan de via Latina; op den berg daarboven ligt het beroemde klooster Monte Cassino.

Casiotis, Kasiotis, streek tusschen Arabia en Aegyptus, nabij Pelusium, met het graf van Pompeius.

Casius, Kasion oros, 1) berg in Casiotis.--2) gebergte aan de kust van Syria, ten Z. van Antiochia.

Casmena, Kasmene, stad op Sicilia, kolonie van Syracusae, ligging onzeker.

Casperia, oud stadje der Sabijnen.

Caspiae portae, Kaspiai pylai, bergpas ten Z. der Caspische zee, ten O. der stad Rhagae, in het N. van Media. De pas, die 8000 schreden lang en niet breed was, was door de Perzen met ijzeren poorten gesloten en werd door wachtposten bewaakt. Deze pas was van groot belang, omdat de verbindingsweg tusschen het N.W. en het N.O. van het perzische rijk er door liep.

Caspii, Kaspioi, volksstam aan de Westkust der Caspische zee, ten N. van den Cyrus. Ook meer in het algemeen de kustbewoners dezer zee.

Caspii montes, Kaspia ore, een deel van den Caucasus, tusschen Colchis en de Caspische zee.

Caspium mare, he Kaspia thalatta, de Caspische zee. Het zuidelijk deel heet Hyrcanum mare. Omtrent de ware ligging en de grootte dezer zee heerschten bij de ouden zeer uiteenloopende meeningen. Enkelen hielden haar zelfs voor een golf van den Oceaan.

Cassander, Kassandros, oudste zoon van Antipater, geb. omstreeks 350. Kort voor den dood van Alexander werd hij door zijn vader naar Azië gezonden, waar hij tot 319 bleef; toen keerde hij naar Europa terug om zich van het regentschap meester te maken, dat Antipater bij zijn sterven aan den ouden Polyperchon had opgedragen. Door de hulp van Ptolemaeus en Antigonus gelukte het hem vasten voet in Griekenland te krijgen; daarop deed hij een inval in Macedonië, wist het leger van Polyperchon afvallig te maken, liet Olympias, die met dezen verbonden was, dooden, hield Roxane met haar zoontje gevangen en huwde met Thessalonice, de zuster van Alexander. Na dien tijd voerde hij, met Ptolemaeus e. a. veldheeren van Alexander verbonden, bijna voortdurend oorlog tegen Antigonus, die hem belette zich van Griekenland meester te maken; hij had in dien oorlog echter weinig geluk en werd zelfs in Macedonië door Demetrius aangevallen, totdat de slag bij Ipsus (301) hem van dezen lastigen vijand bevrijdde. De vrouw en kinderen van Alexander had hij reeds vroeger laten vermoorden, en toen hem nu bij de nieuwe verdeeling der provinciën Macedonië toegewezen werd, kon hij zich tot aan zijn dood (296) ongestoord in het bezit ervan handhaven. In 306 had hij in navolging van Antigonus den titel van koning aangenomen.

Cassandra, Kassandra, of Alexandra, de schoonste van Priamus' dochters. Apollo verleende haar uit liefde het vermogen de toekomst te voorspellen, maar daar zijne liefde onbeantwoord bleef, wreekte hij zich door te veroorzaken, dat men haar algemeen voor krankzinnig hield en niemand hare voorspellingen geloofde. Bij de verovering van Troje zocht zij bescherming in den tempel van Athena, maar Aiax, de zoon van Oileus, die haar daar vond, onteerde en mishandelde haar. Bij de verdeeling van den buit werd zij aan Agamemnon toegewezen, die haar naar Mycenae medenam; na zijn dood werd zij met hare beide kinderen ook vermoord. Cass. had te Leuctra in Laconica een tempel, haar graf was te Mycenae of te Amyclae.

Cassandrea, Kassandreia, het vroegere Potidaea, door Philippus van Macedonia verwoest, door Cassander herbouwd.

Cassia (lex) agraria, van den consul Sp. Cassius Viscellinus, 468, zie Agrariae leges.

Cassia (lex) de senatu, van den volkstribuun L. Cassius Longinus, 104, dat zij, die door het volk veroordeeld of van hun imperium ontzet waren, geen zitting mochten hebben in den senaat.

Cassia (lex) tabellaria, van den volkstribuun L. Cassius Longinus, 137. Door deze wet werd de geheime stemming ingevoerd bij de iudicia populi, behalve in zaken van perduellio. Zie Tabellariae leges.

Cassia Terentia (lex) frumentaria van de consuls C. Cassius Longinus (Cassii no. 7) en M. Terentius Varro Lucullus, 73, tot herstel der korenuitdeelingen, die door Sulla waren opgeheven. Zie annona.

Cassia (via), van Rome over Clusium en Arretium naar Florentia. Van hier gaat een andere weg over de Apennijnen naar Bononia.

Cassii, 1) Sp. Cassius Viscellinus, voor zoover bekend de éénige patriciër onder de Cassii, was in 502 consul en hield als zoodanig een triumftocht over de Sabijnen. In 501 (v.a. 498) was hij magister equitum onder den eersten dictator, T. Larcius Flavus. Toen hij in 493 ten tweeden male consul was, hielp hij, volgens de traditie, de verzoening tot stand brengen tusschen de patriciërs en de uitgeweken plebejers. Hij heeft in dat jaar ook den tempel van Ceres, Liber en Libera in Aventino (z. Ceres) gewijd. Hij heeft toen ook het bondsverdrag met de Latijnen tot stand gebracht. In 486 was hij ten derden male consul en stelde toen de lex Cassia agraria voor, volgens welke de tot ager publicus gemaakte grond der Hernici zou verdeeld worden onder de behoeftige plebejers en de latijnsche bondgenooten. Deze laatste bijvoeging ontstemde de plebs, en het viel den adel niet moeielijk, Cassius verdacht te maken van naar het koningschap te streven; hij werd ter dood veroordeeld en van de Tarpejische rots geworpen, of volgens eene andere overlevering door zijn eigen vader ter dood gebracht. Het verhaal omtrent de akkerwet is onhistorisch, en is afkomstig uit den tijd na C. Gracchus (123-121) en M. Drusus (91). Vast staat alleen het feit, dat Cassius wegens het streven naar de heerschappij ter dood gebracht, en zijn huis afgebroken werd. De latere plebejische Cassii zijn als cliënten te beschouwen van de vroegere patricische gens Cassia.--2) Q. Cassius Longinus bracht als praetor in 167 koning Perseus als gevangene naar de bergvesting Alba Fucentia. Hij stierf als consul in 164.--3) L. Cassius Longinus, kleinzoon van no. 2, bracht in 111 als praetor koning Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome als getuige in zake de gepleegde omkoopingen. Als consul sneuvelde hij in 107 in Aquitanië tegen de Cimbren en de Helvetiërs (de Tigurini).--4) L. Cassius Longinus Ravilla (= grijsoog), volkstribuun in 137, was de vader der lex Cassia tabellaria. Hij was censor in 125. Als rechter was hij zeer gevreesd, en bekend om zijn: "Cui bono?"--5) L. Cassius Longinus, zoon van no. 4, kenmerkte zich als tegenstander der optimaten en bracht o. a. in 104 als volkstribuun de lex Cassia de senatu tot stand.--6) C. Cassius Longinus was consul in 171 en censor in 155/4, en wilde een vast theater bouwen; doch P. Scipio Nasica, die in 155 consul was, belette dit, en een senaatsbesluit van 154 verbood zelfs, de tooneelstukken anders dan staande te aanschouwen.--7) C. Cassius Longinus, consul in 73, hernieuwde de door Sulla gestaakte korenuitdeelingen (lex Cassia Terentia frumentaria). In den zwaardvechtersoorlog werd hij in 72 door Spartacus verslagen.--8) C. Cassius Longinus was quaestor van Crassus, toen deze in 53 tegen de Parthen omkwam, en redde door zijn beleid het overschot van het leger. Hij verdedigde Syria tegen de Parthen en bracht hun in 51 eene groote nederlaag toe. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos hij de partij van den laatsten en versloeg zelfs Caesars vloot bij Sicilia; doch na den slag bij Pharsalus verzoende hij zich met Caesar, die hem tot zijn legaat aanstelde, zonder hem echter een commando te geven, en hem in 44 de praetuur verschafte. Niettemin stelde Cassius zich met M. Junius Brutus aan het hoofd der samenzwering, die aan Caesar het leven kostte. Uit de briefwisseling tusschen Cicero en Cassius maakt men op, dat Cicero op de stemming van Cassius, en dus indirekt ook op het moordplan invloed heeft geoefend. Hierop vertrok hij naar de provincie Syria, hem door Caesar voor het volgende jaar toegezegd, verdreef den stadhouder Dolabella, aan wien de senaat Syria had toegewezen, nam bloedige wraak op de aanhangers van Caesar in Asia en trok, met Brutus vereenigd, naar Macedonia, waar beiden, na de nederlaag van Philippi (herfst van 42), zich om het leven lieten brengen. Juist zijn samengaan met den onbeduidenden Brutus schijnt zijn verderf geworden te zijn. Zie Junii no. 9.--9) Q. Cassius Longinus, berucht door zijne afpersingen in Hispania als legaat van Pompeius (54), was een der beide volkstribunen (de andere was Antonius), die 7 Jan. 49 uit Rome naar Caesar vluchtten. Caesar nam hem mede naar Hispania en liet hem daar achter als propraetor van H. ulterior, waar echter zijne willekeur een oproer onder het leger verwekte. Toen hij nu met zijne geroofde schatten naar Italië wilde oversteken, leed hij aan den mond van den Iberus schipbreuk en kwam om (begin 47). Hij heeft door zijn optreden Caesar's zaak zeer benadeeld, en den grond gelegd voor den opstand der Pompeiani, die in den slag bij Munda onderdrukt werd (45).--10) L. Cassius Longinus, broeder van no. 8, was legatus van Caesar in den oorlog tegen Pompeius, doch als broeder van den moordenaar van Caesar was hij bij Antonius verdacht. Deze belette hem dus het bezoek van de senaatszitting van 28 Nov. 44, waarin A. tegen Octavianus wilde optreden. Hij ging in 43 naar Azië, maar nam geen deel aan den oorlog, zoodat A. hem in 41 toestond in het vaderland terug te keeren.--11) L. Cassius Longinus, zoon van no. 10, sneuvelde bij Philippi in het leger van zijn oom.--12) L. Cassius Longinus, Cicero's mededinger naar het consulaat en deelgenoot van Catilina's samenzwering.--13) C. Cassius Parmensis (van Parma), een der deelnemers aan Caesars moord, vervolgens legaat van no. 8, vereenigde zich na den slag bij Philippi met Sex. Pompeius, ging na diens dood tot Antonius over en werd na den slag bij Actium op last van Octavianus ter dood gebracht. Hij schreef treurspelen en epigrammen.--14) C. Cassius Longinus, proconsul van Asia 40-41 n. C., stadhouder van Syria onder keizer Claudius tusschen 44 en 49, werd in 65 door Nero verbannen, omdat hij in zijn huis de beeltenis van no. 8 had. Vespasianus riep hem terug. Hij had grooten naam als rechtsgeleerde.--15) C. Cassius Chaerea, krijgstribuun bij de praetorianen onder Caligula en door dezen beleedigd, was het hoofd der saamgezworenen, die in 41 na C. den keizer om het leven brachten. De nieuwe keizer Claudius liet Chaerea terstond ter dood brengen.--16) L. Cassius Hemina, annalenschrijver omstreeks 150, schreef, naar het voorbeeld van Cato, in het Latijn.--17) T. Cassius Severus, redenaar van grooten naam onder de eerste twee keizers.--18) Cassius Avidius of Avidius Cassius, waarschijnlijk uit Syria afkomstig, streed onder Marcus Aurelius en L. Verus met veel beleid en geluk tegen de Parthen en elders. Hij veroverde in 163 n. C. Edessa, en joeg de Parthen over den Tigris terug, en zuidelijk trekkende veroverde en verwoestte hij Seleucia en Ctesiphon (164), maar moest later, door honger en pest gedwongen, terugkeeren. In 175 wierp hij zich zelf tot keizer op, doch werd drie maanden later door een zijner onderbevelhebbers vermoord.--19) Cassius Dio, geschiedschrijver, zie Dio Cassius.

Cassiope, -opea, -epea, Kassiepeia, -opeia, -ope, 1) moeder van Andromeda (z.a.). Zij werd met haar echtgenoot en dochter onder de sterren opgenomen.--2) stad en kaap aan de N. O. punt van Corcyra.

Cassis, 1) oorspronkelijk de helm van metaal in tegenstelling van den lederen helm, galea. Later evenwel werd de naam galea voor alle soorten van helmen gebezigd. Nevenvorm is cassida.--2) een jachtnet.

Cassiterides insulae, Kassiterides nesoi, de Scilly-eilanden ten Z. W. van Britannia. Hierheen brachten de inboorlingen van Cornwallis in met leer overtrokken booten het engelsche tin en lood, dat ze tegen aarde- en koperwerk en zout vooral aan de inwoners van Tartessus verkochten.

Cassivelaunus, aanvoerder der Britten tijdens de tweede landing van Caesar in Britannia.

Cassotis, Kassotis, bron in den delphischen tempel, zie Delphi. Ook de nimf van die bron.

Castalia, Kastalia, bron op den Parnassus, aan Apollo en de Muzen gewijd; wie van het water uit deze bron dronk, werd met dichterlijke geestdrift vervuld; ook werd het voor reinigingen, enz. in den delphischen tempel gebruikt.--Den naam Castalia had deze bron naar eene nimf, die er in gesprongen was, daar zij de liefde van Apollo niet beantwoordde en aan zijne vervolgingen niet konde ontkomen.

Castalides, Kastalides, de Muzen, zoo genoemd naar de bron Castalia.

Castellum, fort of kleine vesting. In den keizertijd zijn het de kleine wachtposten aan de grenzen, waarover sedert de 3de eeuw de grenssoldaten (de latere milites limitanei) verdeeld werden. Zie verder vicus no. 3. Castellum aquae, reservoir bij eene waterleiding, dikwijls een sierlijk gebouwde en met beeldwerk en zuilen versierde soort van watertoren, vanwaar het water dan naar verschillende fonteinen en gebouwen werd geleid.

Castolus, Kastolos, vermoedelijk eene stad in Lydia, in de nabijheid van Sardes, met eene vlakte, die tot verzamelplaats der troepen diende.

Castor, Kastor, 1) z. Dioscuri.--2) schoonzoon van Deiotarus, schreef een vervolg op de Chronika van Apollodorus (no. 1), dat tot het jaar 61 liep.

Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen, werd door een metator het kamp met vaantjes uitgebakend en hierop togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de aarde naar binnen werd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving, die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats aan voor twee legioenen met de daarbij behoorende socii. Het vormde een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen geeft. De wal had vier poorten: 1 porta praetoria, waardoor het leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2 porta decumana aan de achterzijde der legerplaats, 3 porta principalis sinistra, 4 porta principalis dextra. De weg a a, die deze beide uitgangen verbond, heette via principalis, waarschijnlijk omdat ze liep langs het principium, het achterste gedeelte van het kamp, waar het praetorium enz. stond, terwijl de weg b b, die achter de vijfde manipels heen liep, den naam van via quintana droeg. Dit wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking der verschillende wapens is aangegeven. Van het praetorium (P), het kwartier van den veldheer, liep de via decumana of praetoria (c c) naar de porta praetoria. Naast het praetorium had men aan de eene zijde het quaestorium (Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant het forum (F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de tenten van de tribuni militum en de praefecti sociorum (5), die der uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers, evocati et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam van extraordinarii pedites et equites uit de contingenten der bondgenooten uitgekozen (8), alsmede de auxilia van vreemde volken, wanneer deze aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte (intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls met palissaden voorzien. In de winterkwartieren, hiberna (sc. castra) werden de tenten door houten barakken vervangen.--Het legerkamp van den keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorende auxilia en de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Het praetorium bevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar de via principalis, die nu dichter bij de porta praetoria ligt. De via quintana loopt nu achter het praetorium, evenwijdig met de via principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op de latera praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae); het voorgedeelte van het kamp, door de via praetoria in tweeën gedeeld, heet praetentura, het achtergedeelte retentura.

Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene stad of een dorp vormde. Castra Cornelia (Corneliana) in het oude carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africanus maior, waar hij in den winter van 204-203 zijn kamp had, nabij Utica. Castra Batava, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn), thans Passau. Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii aan de O.-kust, nabij Scyllaceum. Castra Herculis, in de Betuwe, Kesteren. Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in het N. van Epirus. Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg. Castra Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam van het dorp Birten tegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra Vetera (de Canabae z. a.) ontstond een stad, die door Traianus onder de koloniën werd opgenomen, Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van het land der Cugerni, die daarnaar vaak Traianenses heeten. In de 4de eeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig Xanten a/Rhein. De uitgangen -cester, -chester bij vele plaatsen in Engeland zijn verbasteringen van castra of van castrum.

Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in 23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminalis gebouwd door den praefectus praetorio Aelius Seianus.

Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden droegen dezen naam. Castrum Inui, zie Inui castrum. Castrum novum, naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picenum, in het land der Praetutii. Castrum Verginum (Bergium), in het land der Bergistani (z. a.).

Castulo, Kastalon, bloeiende stad der Oretani in Hispania, aan den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren zilvermijnen. De saltus Castulonensis maakte een deel uit der tegenw. Sierra Morena.

Casystes, Kasystes, haven van Erythrae in Ionia.

Catabathmus, Katabathmos, bergstreek en dal aan de kust van Afrika, de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.

Catabothra, ta Katabothra, onderaardsche afwateringskanalen van een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.

Catadromus, katadromos, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers op- en afliepen.

Catadupa, ta Katadoupa, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische grenzen.

Catagogia, Katagogia, feest ter eere van Aphrodite op den berg Eryx gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche reis naar Libye terugkeerde. Vgl. anagogia.

Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag van Attila in 451 na C.

Catamitus = Ganymedes.

Catana, Katane, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725 aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontini overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000 Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad in Aetna veranderde. Na Hiero's dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403) en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.

Cataonia, Kataonia, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene bergvestingen, zeer vruchtbaar.

Cataphractus, kataphraktos, ruiter, wiens lichaam en paard met een schubbenpantser bedekt waren.

Catapulta, katapeltes, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen en steenen slingerde.

Catarractes of -ta, Katarraktes, ook met één r geschreven, rivier in Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom, vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.

Catasta, verbastering van katastasis, schavot of planken verhevenheid tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven ten verkoop.

Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe kon trekken.

Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij afdeelingen tegen elkander streden.

Cathaei, Kathaioi, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed, ten O. van den Acesines.

Catharsius, Katharsios, de reinigende, bijnaam van Zeus.

Cathedra, kathedra, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen, voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woord katheder.

Catilina, familienaam in de gens Sergia. Zie Sergii no. 5.

Catilius Severus (L.), staatsman onder keizer Hadrianus, viel in ongenade, omdat hij zich tegen de adoptio van Antoninus Pius verklaarde (138 n. C.). Hij was toen praefectus urbi.

Catillum of -lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.

Catil(l)us, zie Tiburtus.

Catina = Catana.

Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero's tijd.

Cato, familienaam in de gens Porcia. Zie ook Valerii no. 37.

Catreus, Creteus, Katreus, Kreteus, zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.

Catti of Chatti, Chattoi, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).

Catullus, rom. dichter. Zie Valerii no. 38.

Catulus, familienaam in de gens Lutatia.

Caturiges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia (Durance). Hoofdst. Eburodunum, thans Embrun.

Caucasa, ta Kaukasa, stad in het Z. van Chius.

Caucasus, Kaukasos, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden slechts zeer onvolkomen bekend. De Caucasiae portae, Kaukasiai pylai, waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Prometheus door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen reikten tot aan den hemel.

Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander dezen naam aan den Paropanisus.

Cauchi = Chauci.

Caucones, Kaukones, oud pelasgisch volk, later verdwenen, in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.

Caudex = Codex.

Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar Rome te vervoeren.

Caudium, oude stad in Samnium aan de via Appia nova. In de nabijheid, tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas, furculae Caudinae, waar in 321 de consuls T. Veturius Calvinus en Sp. Postumius Albinus door de Samnieten werden ingesloten.

Caulon of Caulonia, Kaulonia, stad aan de Oostkust van het land der Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In 389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.

Caunus, Kaunos, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria, geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef grooten handel in gedroogde vijgen, cauneae.

Caupona, kapeleion. In de steden en langs de groote wegen vond men oudtijds wel herbergen en logementen, ook deversoria genoemd, doch deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordt caupona gebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaak popinae.

Caurus = Corus.

Causia, kausia, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.

Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een waarborg geeft tegen mogelijke schade. Cautio de dolo, de gewaarborgde verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.

Cayster of -trus, Kaystros, rivier van Klein-Azië, die voorbij Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke zwanenvluchten, die er zich ophielden.

Cavari (Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever van de Rhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).

Cavarinus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).

Cavaedium, cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met de toeneming der weelde evenwel werd het cavaedium allengs herschapen in eene binnenzaal op de wijze van het atrium, met dakopening en regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen en beelden versierd.

Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering, meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld: ima, media en summa cavea. Zie ook balteus.

Cea, latijnsche naam voor het eiland Ceos.

Ceadas, Keadas, Kaiadas, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers (later hunne lijken) geworpen werden.

Cebenna mons, to Kemmenon oros, het woeste gebergte der Cévennes, in Gallia.

Cebes, Kebes, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek, Pinax, bevattende een allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1ste eeuw na C. dateert.

Cebren, Kebren, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen Scepsis en Neandria.

Cebrenis, Kebrenis, Oenone, dochter van den riviergod Cebren.

Cebriones, Kebriones, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner van Hector, viel door de hand van Patroclus.

Cecides, Kekeides, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste helft van de vijfde eeuw.

Cecropia, Kekropia, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters ook de stad zelve.

Cecropides, Kekropides, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.

Cecropis, Kekropis, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomela, de kleindochters van Cecrops.--2) = Attica.--3) een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Cecrops, Kekrops, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en Athena (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus, diphyes), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.

Cecryphalea, Kekryphaleia, eilandje in de Saronische golf, tot Argolis behoorende.

Cedalio, Kedalion, dienaar van Hephaestus.

Cedides, Kedeides = Cecides.

Cedreae, Kedreai, of Kedreiai, stad in Caria aan de Ceramische golf.

Cedrus, kedros, 1) de cederboom.--2) de olie of harst, die uit cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te vrijwaren tegen mot.

Celaenae, Kelainai, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia, aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.

Celaeno, Kelaino, eene van de Harpyiën.

Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus (Drau) en den Savus (Sau).

Celelates, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).

Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd door 3 tribuni celerum. Z. verder equites.

Celetrum, Keletron, stad in het macedonische landschap Orestis.

Celeüs, Keleos, koning van Eleusis, die Demeter gastvrij ontving toen zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader van Demophon en Triptolemus.

Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de tweede plaats zijn cellae kleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen, die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naam cella voor, b.v. cella caldaria = caldarium, enz. Ten vierde is cella het inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid stond.--Onder frumentum in cellam verstaat men het koren, dat de stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.

Celox, keles, keletion, snelvarend schip met eene sterke bemanning roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.

Celsus, 1) Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.--2) A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de schrijver van eene encyclopaedie de artibus in 20 boeken, waarvan nog 8 de medicina bestaan.--3) P. Iuventius Celsus, vader en zoon, waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasianus en Hadrianus.--4) Celsus, schrijver van den alethes logos (± 180 n. C.) de eerste, zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes, waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).

Celtae, Keltoi, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam van Galli, Galatai, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpina, in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche schrijvers staat Keltoi vaak voor Germani, tegenover Galatai = Galli.

Celtiberi, Keltiberes, dapper en vrijheidslievend volk, half van keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72 hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum 143-133) was een hunner steden.

Cena, zie Coena.

Cenabum of Genabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas.

Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den maaltijd gebruikt, zie Coena.

Cenaeum, Kenaion akron, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae, met een tempel van Zeus.

Cenchreae, Kenchreai, een der drie havens van Corinthus, aan de Saronische golf.

Cenomani, Kenomanoi, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw in Cisalpina vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van de Loire, zie Aulerci.

Cenotaphium, Kenotaphion, ook wel tumulus honorarius of inanis, grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.

Censor. Vóór 445 werd de census te Rome door de consuls gehouden, waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het plechtige reinigingsoffer of lustrum houden zou. Toen nu evenwel in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zie Canuleia (lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing van tribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van stand promiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op, dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van het lustrum zou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus het lustrum condere aan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren L. Papirius Mugillanus en L. Sempronius Atratinus. Eerst in 351 komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In 339 bepaalde de lex Publilia van den dictator Q. Publilius Philo, dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen, Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het door de lex Aemilia van den dictator Mam. Aemilius Mamercinus tot 1 1/2 jaar beperkt, zoodat de staat dan 3 1/2 jaar zonder censoren was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats had in comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten der potestas nog een bijzondere bevoegdheid noodig, de censoria potestas, die hun door een lex centuriata de censoria potestate werd verleend. Tot de werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.), vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht, uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken (opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht op de zeden, regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers hun stemrecht ontnemen (zie aerarii), ridders van de ridderlijsten schrappen (zie equites). Zulk eene vernedering en openbare berisping heette nota of animadversio censoria en de daaruit voortvloeiende schande was ignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld, doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten, die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en vervolgens ging de censoria potestas op den princeps over.

Censorinus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 8-10.

Censorinus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog een werk de die natali bestaat, waarin hij vooral over den invloed van sterren en geesten op 's menschen geboorte en levenslot handelt. Het werk berust op goede bronnen.

Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren aangeven, die hiertoe in de villa publica op den Campus Martius zitting hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom en vermogen op, en hiernaar werd men in de classis ingeschreven, waartoe men behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat men ex iure Quiritium bezat; de ager publicus die slechts in possessione was, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie verzuimde zich als burger aan te geven, was incensus; de straf was verlies der vrijheid, dus capitis deminutio maxima. Nadat de aangiften waren afgeloopen, moesten de scribae der censoren de verschillende burgerlijsten opmaken: 1º. de lijsten van de leden der tribus, met een lijst der aerarii (z. a.) als aanhangsel. 2º. de lijsten van de leden der centuriae. 3º. de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrent tributum, orbi et orbae en tribuni aerarii en verder: aerarii. 4º. de lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar, tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers straffen door hen uit eene tribus rustica in eene tribus urbana over te brengen of wel hen tot aerarii (z. a.) te maken. Met den census ging ook de lectio senatus voor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, zie equites. Een plechtig offer (zie lustrum) besloot den census.

Centauri, Kentauroi, een woest ruitervolk, dat in de bergen van Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar de grenzen van Epirus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.--Ook in Arcadië woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden, omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem bestemd had. Zie ook Pholus en Chiron.

Centimani, Ekatoncheires, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon, Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.

Centrites, Kentrites, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen Armenia en het land der Carduchen.

Centrones, min juiste lezing voor Ceutrones.

Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar Traianus eene villa had.

Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.

Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus, werden waarschijnlijk oudtijds door den praetor urbanus gekozen, later, toen het getal tot 180 steeg, uit een album door loting aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in decuriën verdeeld. Voorzitters waren de praetor urbanus, later oud-quaestoren en sedert Augustus de decemviri stlitibus iudicandis.

Centuria. In de eerste plaats zijn centuriae de onderafdeelingen, waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of hoogste klasse werden 18 centuriën ridders gekozen, elke van 100 man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000 as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40 centuriae iuniorum (onder 45 jaar) en 40 centuriae seniorum (boven 45 jaar). De tweede klasse (75000-100000 as) telde 10 centuriae iuniorum en 10 centuriae seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde (25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15 centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en werd men bij een eigendom van minstens 20 iugera in de eerste klasse geplaatst, bij een van 15 iugera in de tweede, bij 10 in de derde, bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van hoornblazers, cornicines, en ééne van bazuinblazers, tubicines, en ten slotte ééne C. accensi velati (zie accensus no. 2). Omtrent de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het stemrecht zie Comitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie onder aanvoering van een centurio. De tweede klasse was minder volledig gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. De capite censi waren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende, dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede, 98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. De iuniores waren beschikbaar voor den dienst te velde, de seniores voor de verdediging der stad. Zie verder comitia centuriata.

Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden de soldaten onderscheiden in hastati, principes en triarii. Ten tijde van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:

1200 hastati, flos iuvenum pubescentium, 1200 principes, robustior aetas, 600 triarii, veteranus miles spectatae virtutis,

terwijl 1200 velites of lichtgewapenden bij de verschillende afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen was minus roboris aetate factisque. Eene centurie hastati of principes bestond uit zes gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederen velites. Eene centurie triarii bestond uit drie gelederen triarii, dus 30 man, met twee gelederen velites. Aan het hoofd van elke centurie stond een centurio.

Centurio, hoofdman eener centurie. Twee centuriae in het leger vormden één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel was centurio prior, die der tweede centurio posterior. De prior stond boven den posterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de volgende. Eerst kwamen de 20 centuriones der triarii of pilani, en wel zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden, enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders der principes en daarna de 20 der hastati. De laagste in rang was derhalve de centurio posterior van den tienden manipel der hastati; de hoogste was de centurio prior van den eersten manipel der pilani. Deze werd primus pilus of primipilus genoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in 10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In iedere cohorte was de rangorde deze: pilanus prior, p. posterior, princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zes centuriones der eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als teeken van zijn rang had de centurio een wijngaardstok (vitis), dien hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links, terwijl de soldaten het rechts droegen.

Centuripae, ta Kentoripa, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele eiland hadden.

Ceos, Keos, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia, geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in zwang. Van de vier steden was Iulis de voornaamste.

Cephallenia, Kephallenia, bij Hom. ook Same of Samus genoemd en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.

Cephaloedis of -dium, Kephaloidis, -oidion, stad op de N.-kust van Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.

Cephalus, Kephalos, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon en Diomede, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd, toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij zich op haar beurt bekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning ontving.--2) van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447 op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van den redenaar Lysias.

Cepheis, Kepheis, Andromeda, dochter van Cepheus.

Cepheus, Kepheus, 1) zoon van Belus en Anchinoë, koning van Aethiopië, vader van Andromeda, werd met zijne vrouw en dochter onder de sterren verplaatst.--2) Arcadiër, zoon van Lycurgus, nam deel aan de calydonische jacht.--3) van Tegea, zoon van Aleüs en Neaera, een van de Argonauten.

Cephisodotus, Kephisodotos, 1) Athener, werd in 359 met eene vloot naar Thracië gezonden, waar hij zich door Charidemus liet overhalen tot het sluiten van een zoo schandelijken vrede, dat hij bijna ter dood veroordeeld werd; hij werd echter afgezet en voor vijf talenten beboet.--2) atheensch beeldhouwer, vader van Praxiteles, van wien nog een beeld, Vrede en Rijkdom, bestaat.

Cephis(s)us, Kephisos, ook wel Kephissos, naam van verscheidene rivieren, o. a. 1) in Phocis en Boeotia. Naar deze rivier, die in het meer Copaïs uitloopt, heet dit laatste bij Homerus ook Kephisis. De riviergod van dit stroompje was de vader van Narcissus.--2) riv. in Attica, die aan de Westzijde langs Athenae vloeide.--3) rivier in Argolis, die van links in den Inachus uitstroomt.

Cephren, = Chephren.

Cera, keros, was, werd door de ouden tot verschillende doeleinden gebruikt. Men bestreek er de houten schrijfplankjes mede, waarop men dan met een stalen schrijfstift of stilus schreef (tabulae ceratae). Soms waren eenige van zulke plankjes tot een boekje vereenigd, zooals bij ons wel met leitjes het geval is; zulk een boekje heette cerae; cera prima, secunda, enz. beteekende dan de eerste, tweede bladzijde. Voor geschriften, die bewaard moesten worden, om zoo noodig in rechten tot bewijsstuk te kunnen dienen, had men tafeltjes, welker inrichting uit nevenstaande afbeelding blijkt. Het eigenlijke stuk staat op de binnenzijde van het eerste en tweede tafeltje, deze twee zijn dichtgebonden met een touw, dat door een opzettelijk daarvoor gemaakte gleuf loopt, en dat bevestigd is door de zegels van getuigen, wier namen naast hun zegel geschreven zijn. Z. de afb. op blz. 162. Op de binnenzijde van het derde tafeltje staat een korte opgave van den inhoud van het document.--Ook werd het was gebezigd tot boetseeren, vooral voor de borstbeelden (of liever maskers) van beroemde voorzaten, imagines maiorum.--Ook schilderde men met wasverven, die vervolgens werden ingebrand, welke bewerking encaustiek heet, enkaustike, (z. encaustica).

Ceramicus, Kerameikos = pottenbakkersmarkt, plein en fraaie voorstad van Athenae, gedeeltelijk buiten, gedeeltelijk binnen den muur gelegen. In het buitengedeelte werden zij, die in den strijd gevallen waren, van staatswege begraven.

Ceramus, Keramos, stad in Caria, aan de golf, die naar haar sinus Ceramicus wordt genoemd.

Cerasus, Kerasous = het kersenrijke, de kersenstad, op de kust van Pontus, een kolonie van Sinope, vanwaar L. Licinius Lucullus in 74 de eerste kersen naar Rome overbracht. Een ander Cerasus, meer westelijk gelegen, is later verdoopt in Pharnacia (z. a.).

Ceraunii montes, Keraunia ore, gebergte op de kust van Epirus, berucht door de vele onweders (keraunos). Zie ook Acroceraunia.

Cerberus, Kerberos, zoon van Typhon en Echidna, een hond met drie, vijftig of honderd koppen, slangen in plaats van haren, en een staart met een drakekop. Hij hield verblijf in een hol aan gene zijde van de Styx en zorgde dat niemand de onderwereld verlaten konde; daarom moesten zij, die levend in de onderwereld afdaalden, dit monster bedwingen om zich den terugtocht te verzekeren. Orpheus deed hem door de tonen zijner lier in slaap vallen. Het laatste der twaalf werken van Heracles was dat hij den Cerberus naar de bovenwereld bracht, wat des te moeilijker was, daar hij van Pluto slechts verlof er toe gekregen had op die voorwaarde, dat hij hem ongewapend zoude vangen.

Cercasorum, Kerkasoron, stad aan den Nijl, juist waar deze zich in verschillende armen begint te splitsen.

Cercina, Kerkina of Kerkinna, twee door eene brug verbonden eilandjes met gelijknamige havenstad op de kust van Africa, in de kleine Syrte. Het kleinste eilandje wordt ook Cercinitis genoemd.

Cercine, Kerkine, gebergte in Macedonia tusschen den Axius (Vardar) en den Strymon (Karasu). Ook een meer, waardoor de Strymon loopt.

Cercinium, Kerkinion, sterkte in Thessalia aan het meer Boebeis.

Cercius = Circius.

Cercopes, Kerkopes, een soort kabouters, die bij de Thermopylae, op Euboea of in Lydië woonden. Zij ontstalen Heracles zijne wapenen en werden tot straf door hem aan een balk gebonden, maar hun berouw vermaakte den held zoo, dat hij hen weder losliet.--V.a. een volk dat het eiland Pithecusa bewoonde. Zij beloofden Zeus hun bijstand tegen de Titanen, maar toen zij het daarvoor bedongen loon ontvangen hadden, hielden zij hun woord niet. Tot straf werden zij in apen veranderd.--Een plaats te Athene, waar veelal gestolen goed verkocht werd, heette Kerkopon agora. Cercyon, Kerkyon, zoon van Poseidon of Hephaestus, vader van Alope. Hij woonde bij Eleusis en dwong alle vreemdelingen zich met hem in het vuistgevecht te meten; de overwonnenen bracht hij ter dood. Eerst Theseus gelukte het hem te overwinnen en te dooden.

Cerdiciates, volk in Liguria, ten Z. van den Padus.

Cerealia, feesten den 19den April te Rome ter eere van Ceres gevierd, met wedrennen en tooneelvertooningen. Sedert 202 begon het feest reeds den 12den April en duurde tot en met den 19den. Men ging in het wit gekleed, zond elkander bloemkransen en noodigde elkander ten maaltijd.

Cerealis, familienaam in de gens Petillia.

Ceres, eene italiaansche godin van den landbouw, die samen met Tellus (z. a.) vereerd werd, maar later door de Romeinen geïdentificeerd werd met Demeter. De eeredienst van de grieksche Ceres werd te Rome ingevoerd en haar eerste tempel gebouwd in 493 gedurende een door misgewas ontstanen hongersnood, en ingewijd door den consul Sp. Cassius Viscellinus. In dezen tempel, waarin zij te zamen met Liber (Dionysus) en Libera (Core) vereerd werd (men noemde den tempel aedes Cereris Liberi Liberaeque) en die de aandacht trok als eerste voorbeeld van griekschen bouwstijl, deden grieksche vrouwen, vooral uit Neapolis, dienst, en alle mythen, die op Demeter betrekking hebben, werden op Ceres overgedragen. Vooral den roof en het terugvinden van Proserpina herdachten de romeinsche vrouwen met groote plechtigheid in de maand Augustus en keizer Claudius trachtte zelfs de eleusinische mysteriën naar Rome over te brengen. Haar voornaamste feest bleef echter de Cerealia (z. a.). Ceres werd vooral als eene godin der plebejers beschouwd; haar tempel, waarin het plebejisch archief en afschriften van wetten en senaatsbesluiten bewaard werden, stond in een geheel plebejisch gedeelte van de stad (bij den Circus Maximus aan den kant van den Aventinus), haar dienst stond onder toezicht der aediles plebeii.

Cerinthus, Kerinthos, stad aan de O.-kust van Euboea, van Chalcis afhankelijk.

Cermalus, het N.W. gedeelte van den Palatinus. Het was een onderdeel van het Septimontium, zie Roma.

Cerretani, Kerretanoi, iberisch herdersvolk in de zuidelijke dalen der Pyrenaeën, in het tegenw. Cerdagne.

Cersobleptes, Kersobleptes, zoon van Cotys, werd in 358 koning der odrysische Thraciërs. De thracische Chersonesus, die door zijn vader veroverd was, moest hij aan de Atheners teruggeven; in 347 ontnam Philippus van Macedonië hem een deel van zijn rijk, en in 342 verloor hij het geheel en moest hij zich aan Philippus onderwerpen.

Cersus, Kersos = Carsus, Karsos.

Cervi, soort van palissaden of van zoogenaamde spaansche ruiters, uit boomstammen of zware takken bestaande, waaraan men andere takken had laten zitten als het gewei van een hert.

Cerynia, Keryneia, stad op de N.-kust van Cyprus.

Ceryx, Keryx, zoon van Hermes en Pandrosus, stamvader van het atheensche priestergeslacht der Ceryces (Kerykes of Kerykidai).

Cessio, overdracht van eene zaak of van een recht. Eene in iure cessio is eene formeele overdracht ten overstaan van den praetor. Zie ook bonorum cessio.

Cestius, naam van een rom. geslacht. 1) de bouwer van de brug, pons Cestius, die de insula Tiberina met de regio Transtiberina verbindt.--2) C. Cestius, rom. ridder, volkstribuun en praetor, tegenstander van Antonius, waarschijnlijk bij de proscriptiën van 43 omgekomen.--3) C. Cestius Epulo, de man tot wiens gedachtenis door eenige zijner erfgenamen de "pyramide van Cestius" werd opgericht, 37 meter hoog, op een grondvlak van 30 meter lang en breed. Het gevaarte, dat in 330 dagen voltooid werd, bevat slechts eene kleine lijkenkamer.--4) Cestius Gallus, onder Nero stadhouder van Syria, had in 66 na C. met een opstand der Joden te kampen, die de rom. onderdrukking moede waren.

Cestrine, Kestrine, landschap in Epirus tegenover Corcyra.

Cestus, kestos, de geborduurde gordel van Aphrodite, die onwederstaanbare bekoorlijkheid gaf.

Cetei, Keteioi, oude stam in Mysia aan de rivier Ceteus, die bij Pergamum in den Caïcus valt.

Cethegus, zeer oude familie in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 30-34.

Ceto, Keto, dochter van Pontus en Gaea, gehuwd met haar broeder Phorcys, en bij hem moeder van de Gorgonen, de Sirenen e. a. monsters.

Cetra, klein rond schild, met leder overtrokken, van spaanschen oorsprong, ten tijde van Caesar ook door lichtgewapende rom. troepen gebruikt.

Ceutrones, alpenvolk in de provincia Alpes Poeninae. De weg van Italia naar Lugdunum liep door hun gebied.

Cevenna, = Cebenna.

Ceyx, Keyx, 1) koning van Trachis, bij wien Heracles gastvrij opgenomen werd.--2) zoon van Hesperus en Philonis, gemaal van Alcyone (z. a.).

Chaboras, Chaboras, ook Aborras, rivier in Mesopotamia, ontspringt bij Resaïna, stroomt door Gauzanitis, neemt den Mygdonius en den Saocoras op, en valt bij Circesium in den Euphraat.

Chabrias, Chabrias, atheensch veldheer, die het bevel voerde over de troepen, welke de Atheners aan Euagoras van Cyprus te hulp zonden (388), en later (385) aan het hoofd stond van de grieksche huurlingen in dienst eerst van Acoris en daarna van Nectanebis van Aegypte. Op verlangen der Perzen door de Atheners teruggeroepen, verijdelde hij (378) een inval van Agesilaus in Boeotië door goed bedachte en geheel nieuwe manoeuvres, waardoor hij zich vooral grooten roem verwierf. Nadat hij in den zeeslag bij Naxus de Spartanen had overwonnen (376), werd hij naar Thracië gezonden, waar hij vele bondgenooten voor Athene won, en beschermde hij Abdera tegen de aanvallen van Charidemus. Na afloop van den thebaanschen oorlog voerde hij nog het bevel over de vloot van Tachos van Aegypte in diens oorlog tegen de Perzen. Hij sneuvelde in den bondgenootenoorlog bij het beleg van Chius (357), toen zijn schip in de haven van de vloot afgesneden en bijna reeds gezonken was.

Chaerea, hoofd der saamgezworenen tegen Caligula. Zie Cassii no. 15.

Chaeremon, Chairemon, 1) atheensch treurspeldichter, wiens werken, in weerwil van hunne letterkundige waarde, wegens hunne moeilijkheid meer geschikt werden geacht om gelezen, dan om opgevoerd te worden. Hij leefde omstreeks 375.--2) stoicijnsch wijsgeer van Alexandrië, hoofd der bibliotheek aldaar, kwam naar Rome en werd een der opvoeders van Nero. Van zijne geschied- en oudheidkundige werken is slechts weinig over.

Chaerephon, Chairephon, Athener, een van de vurigste vereerders van Socrates. Aan hem werd het bekende orakel gegeven, dat Socrates den wijsten aller menschen noemde. Ook als dichter van een treurspel wordt hij genoemd.

Chaeronea, Chaironeia, stad in Boeotia, geboorteplaats van Plutarchus, bekend door een drietal overwinningen: 1) van de Boeotiërs op de Atheners in 447;--2) van Philippus van Macedonia op de vereenigde Atheners en Thebanen in 338;--3) van Sulla op Mithradates' veldheer Archelaus, in 86. In de 5de eeuw behoorde het tot Orchomenos, later werd het een zelfstandig lid van den boeotischen bond (zie Boeotia).

Chalaeum, Chalaion, havenstad der Locri Ozolae aan de noordpunt van de Crisaeïsche golf.

Chalastra, Chalastra, stad in Macedonia aan den mond van den Axius (Vardar).

Chalce, Chalke, eilandje ten W. van Rhodus.

Chalcedon, Chalkedon, megarensische kolonie op de kust van Bithynia tegenover het jongere Byzantium, meermalen belegerd en veroverd. In haar gebied lag de havenstad Chrysopolis. Het was de geboortestad van den wijsgeer Xenocrates en had een beroemden Apollo-tempel. Eene andere schrijfwijze is Calchedon, Kalchedon.

Chalcidice, Chalkidike, groot schiereiland aan de macedonische kust, bezet met grieksche volksplantingen, vooral van de euboeïsche stad Chalcis (8ste eeuw). Het splitst zich in drie landtongen: Acte met den berg Athos, Sithonia en Pallene.

Chalcidicum, chalkidikon, overdekt, van voren open voorportaal of portiek, waarvan het dak door zuilen werd gedragen.

Chalcioecus, Chalkioikos, bijnaam van Athena te Sparta, naar haar met koper versierden tempel, waarin een koperen beeld van de godin stond en waar op de Chalcioecia (Chalkioikia) gewapende jongelingen offerden.

Chalcis, Chalkis, oude hoofdstad van Euboea, aan het smalste gedeelte van den Euripus gelegen, en sedert 411 door eene brug met het vasteland van Attica verbonden. Chalcis was eenmaal een bloeiende stad, die een groot aantal koloniën uitzond, o.a. naar Chalcidice, Cumae in Italia, Naxus op Sicilia, enz. Met Eretria, dat 3 uur ten Z. van Chalcis ligt, heeft het gedurende een halve eeuw (± 700-± 650) strijd gevoerd om de oppermacht op Euboea en het bezit van de Lelantische vlakte (zie Lelantius Campus), die met de nederlaag van Eretria eindigde. In dezen strijd werd Chalcis door Samus en Corinthe, Eretria door Milete en Megara geholpen. In 506 leed de adel van Chalcis, de hippobotai, een zware nederlaag tegen het democratische Athene, en Chalcis moest de Lelantische vlakte aan Athene afstaan, dat er 4000 kolonisten, klerouchoi, heenzond, die echter in 490, bij den aanval der Perzen op Eretria, naar hun land terugtrokken. Sedert 506 is de bloei van Chalcis voorbij, zie Euboea. In den tijd der Diadochen was Chalcis een der sterkste plaatsen van Griekenland, meestal in de macht van Macedonië. De Romeinen konden het in 207 niet innemen. Bij den vrede in 194 werd de stad vrij. In 146 werd ze na den opstand door de rom. troepen geplunderd en de muren gesloopt. Chalcis was de geboortestad van de dichters Lycophron en Euphorion en den redenaar Isaeus.--Ook in Aetolia en in Syria (Ch. ad Belum ten Z. van Beroea), vond men eene stad Chalcis.

Chaldaea, Chaldaia, het zuidelijke deel van Babylonia, later ook wel als algemeene naam voor het geheele land gebezigd. Zie overigens Babylonia en Chalybes.

Chaldaïcae rationes. Zie Babylonii numeri.

Chaleium, Chaleion = Chalaeum.

Chalus, Chalos, riviertje in N. Syria, waaraan Beroea en Chalcis lagen en dat in de woestijn wegsterft.

Chalybes, Chalybes, een volk van mijnwerkers in het O. van Pontus, onderdanen der Mossynoeci. Het Grieksche woord voor staal, chalyps, is aan hen ontleend. Hiervan moeten die Chalybes onderscheiden worden, die als een strijdhaftig en dapper volk geschilderd worden, en ook wel Chaldaei genoemd worden. Met de babylonische Chaldaei hebben ze niets te maken.

Chalybon, Chalybon, stad ten N. van Damascus in Syria, tgw. Helbun. De stad was beroemd om haar wijn.

Chamavi, Chamauoi, Chamaboi, germaansche stam, eerst aan den Rijn gevestigd en later aan den Visurgis (Weser). In de 4de eeuw n. Chr. wonen ze wederom aan den Rijn in het latere Hamaland, tusschen Ouden Yssel en Rijn, en behooren zij tot de Salische Franken.

Chaones, Chaones, ruwe volksstam in Epirus, wier land, Chaonia, zich langs de kust uitstrekte, van Acroceraunia tot aan de rivier de Thyamis. Bij romeinsche dichters is Chaonius pater = Zeus van Dodona, en columbae Chaoniae = de duiven van Dodona.

Chaos, Chaos, oorspronkelijk de onmetelijke ledige ruimte, die bestond voordat iets geschapen was; volgens lateren de vormlooze massa, waarin alles, wat later een afzonderlijk bestaan kreeg, verward dooreen lag. Chaos bracht Gaea, Tartarus en Eros, later nog Erebus en Nyx voort.

Characene, dat gedeelte van Susiana, dat boven Spasinu (Pasinu) Charax (zie Charax no. 1) ligt.

Charadra, Charadra, stad in het N.W. van Phocis, ten O. van Lilaea, aan het riviertje Charadrus, op een rots gelegen. Ook in Messenia en in Zuid-Epirus vond men eene stad van dezen naam.

Charax, Charax (= palissade, legerkamp), naam van onderscheiden steden. 1) stad in Susiane aan de monding van den Tigris, door Alexander den Gr. gesticht en Alexandria geheeten, vervolgens verdoopt in Antiochia naar den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes, en ten slotte Charax Spasinu (Pasinu) genoemd naar den arabischen vorst Spasines (Pasines), die de plaats door dammen tegen overstrooming beveiligde.--2) stad op Corsica.--3) stad in Media, nabij de Caspiae portae.

Chares, Chares, 1) atheensch veldheer, die door zijne hebzucht en onrechtvaardigheid zoowel als door zijn gebrek aan beleid in den oorlog dikwijls reden tot ontevredenheid gaf, maar zich toch door kunstgrepen en zelfs door omkooping wist staande te houden. Toen hij in den bondgenootenoorlog gedurende een hevigen storm bij een aanval op Samus de nederlaag geleden had (356), bewerkte hij door valsche berichten dat zijne ambtgenooten, Iphicrates en Timotheüs, die den aanval afgeraden hadden, teruggeroepen en beboet werden. Toen hij zich echter door geldgebrek tot een grooten rooftocht tegen eenige perzische steden genoodzaakt zag en bovendien den oproerigen satraap Artabazus tegen den koning van Perzië steunde, werd hij op verzoek van dezen teruggeroepen. Vruchteloos trachtte hij eenige malen Olynthus tegen Philippus te beschermen, en Byzantium, dat hij eveneens tegen Philippus verdedigen zoude, weigerde zelfs hem te ontvangen. Waarschijnlijk sneuvelde hij in den slag bij Chaeronea.--2) bronsgieter uit Lindus, maker van het beroemde kolossale beeld van den zonnegod op Rhodus, omstreeks 290. Reeds in 222 is het beeld, dat ± 30 Meter hoog was, tengevolge van een aardbeving ingestort, en zijn de overblijfselen blijven liggen, totdat ze in den byzantijnschen tijd door een arabisch generaal aan een Jood verkocht zijn, die voor het vervoer de beschikking noodig had over 900 kameellasten.

Charicles, Charikles, 1) admiraal in den peloponnesischen oorlog, later een van de dertig.--2) schoonzoon van Phocion, liet zich door Harpalus omkoopen en werd ter dood veroordeeld, doch vluchtte (319).

Charidemus, Charidemos, van Oreüs op Euboea, aanvoerder van huurlingen in atheenschen, perzischen en thracischen dienst. Door zijne verraderlijke handelingen kwam hij dikwijls in moeilijkheden, toch werd hij in Thracië onder de regeering van zijn schoonvader Cotys en van Cersobleptes een man van veel invloed. Hoewel hem door de Atheners het burgerrecht geschonken was, was zijn politiek hun in den regel vijandig; niettemin wist hij sommigen zoo omtrent zijne bedoelingen te misleiden, dat men zelfs voorstelde hem bij eene afzonderlijke wet buitengewone bescherming tegen zijne vijanden toe te zeggen, welk voorstel echter door den tegenstand van Demosthenes en anderen waarschijnlijk verworpen werd (352). Tegen Philippus strijdt hij in 351 in de Chersonesus, in 349 in Chalcidice, in 338 bij Chaeronea. Hij was een van de mannen wier uitlevering door Alexander na het bedwingen van den thebaanschen opstand geëischt werd. Toen Alexander zich op verzoek van het volk met zijne verbanning tevreden stelde, vluchtte hij naar Perzië, waar hij, wegens al te vrijmoedige afkeuring van de maatregelen van Darius, door dezen ter dood gebracht werd (333).

Charietto, Charietton, bandiet, die eerst op eigen houtje van Trier uit den strijd begon tegen de in het rijk ingevallen Franken, en daarna door den onderkeizer (Caesar) Julianus aangeworven, door hem gebruikt werd in een guerilla tegen de in de Betuwe en Noord-Braband ingevallen Chamaven, waarbij hij den zoon van hun koning gevangen nam (358 n. C.). Ook gebruikte Julianus hem als gids tegen de Alamannen. Als comes Germaniae utriusque sneuvelde hij in 365 n. C. tegen Alamannen, die wederom in Gallië waren ingevallen.

Charilaus, Charillus, Charilaos, -leos, Charillos, nageboren zoon van Polydectes, neef en pupil van den wetgever Lycurgus, koning van Sparta. Hij voerde oorlog tegen de Argiven en Tegeaten maar werd door laatstgenoemden gevangen genomen en niet vrijgelaten, voor hij hun beloofd had hen niet weder te bestrijden.

Charis, Charites, Charis, Charites, Gratiae, dochters van Zeus en Hera of de Oceanide Eurynome of van Helius en Aegle of van Dionysus en Aphrodite. Zij zijn de godinnen der bevalligheid, zonder wier medewerking ieder feest, ieder kunstwerk, alles wat vreugde en genot schenken kan, zijn rechte waarde mist. Daarom zijn zij de vriendinnen der Muzen, de gezellinnen van Aphrodite, Peitho, Hermes, Apollo en Dionysus, en worden zij dikwijls gemeenschappelijk met deze godheden in dezelfde tempels vereerd, hoewel zij ook op vele plaatsen eigen tempels hadden. Bij Homerus is Charis de gemalin van Hephaestus, de Atheners vereerden twee Chariten, Auxo en Hegemone, de Spartanen eveneens twee, Cleta en Phaënna, gewoonlijk vindt men echter drie genoemd, Euphrosyne, Aglaïa en Thalia. De dienst der Charites verbreidde zich uit het boeotische Orchomenus over geheel Griekenland; aldaar vierde men te harer eer een feest, de Charisia of Charitesia.--Te Athene werden zij met de Horen in verband gebracht en werd haar ook invloed op het weder toegeschreven.--In lateren tijd golden zij ook voor godinnen van dankbaarheid en weldoen.--Gewoonlijk worden de drie Charites met elkander afgebeeld, als schoone, slanke, jonge vrouwen, somtijds met muziekinstrumenten, dobbelsteenen, rozen en mirten als attributen.

Charisius (Flavius Sosipater), taalgeleerde uit Campania, schrijver van een werk, getiteld ars grammatica in vijf boeken, waarvan nog gedeelten van het 1ste, 4de en 5de boek overig zijn. Hij leefde waarschijnlijk in het midden van de vierde eeuw na C.

Charistia, z. Caristia.

Charito, Chariton, van Aphrodisias in Phrygië, schrijver van een griekschen roman in acht boeken: Chaereas en Callirrhoë (waarschijnlijk uit de 2de eeuw n. C.).

Charmadas, Charmadas, een academisch wijsgeer, leerling van Carneades, omstreeks 110 leeraar der wijsbegeerte en redekunst te Athene, v. s. stichter der vierde academie. Cicero roemt zijne welsprekendheid en zijn merkwaardig geheugen.

Charmande, Charmande, aanzienlijke stad in Mesopotamia aan den rechteroever van den Euphraat.

Charmides, Charmides, oom van Plato, sneuvelde in het voorjaar van 403 in een gevecht tegen Thrasybulus.

Charminus, Charminos, atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog, leed in 411 de nederlaag in een zeegevecht tegen Astyochus en steunde later de oligarchische bewegingen op Samus.

Charoeades, Charoiades, atheensch veldheer, ondersteunde Leontini met eene vloot in den oorlog tegen Syracusae, maar sneuvelde (427).

Charon, Charon, 1) zoon van Erebus en Nyx, de veerman der onderwereld, die de schimmen der afgestorvenen van Hermes in ontvangst nam en ze over Styx, Cocytus en Acheron naar het rijk der dooden bracht. Tot betaling van het veergeld legde men den dooden een obool in den mond. Slechts zij werden overgezet, wier lichamen behoorlijk begraven of verbrand waren, zoolang dit niet geschied was, bleven zij aan de oevers van de Styx zwerven. Levenden moesten, indien zij overgezet wilden worden, een gouden tak toonen, tot bewijs dat de goden het veroorloofden.--Charon wordt afgebeeld als een oud, vuil en armoedig gekleed man.--2) van Lampsacus, logograaf in de 5de eeuw.

Charondas, Charondas, beroemd wetgever te Catana op Sicilia (± 550), wiens veelgeprezen wetten in vele chalcidische volkplantingen van Sicilië en Beneden-Italië in zwang waren. Zij waren wel streng, doch rechtvaardig, kort en ondubbelzinnig. Niemand mocht daarin eene verandering voorstellen, tenzij met een strop om den hals, om terstond gewurgd te worden, indien het voorstel werd verworpen. Eens van de jacht komende, kwam hij in de volksvergadering, zonder er aan te denken, dat hij nog gewapend was, en toen een der burgers hem op de overtreding zijner eigene wetten opmerkzaam maakte, bezegelde hij zijne voorschriften met zijn bloed, door zich op staanden voet het zwaard in de borst te stooten.

Charta, chartes, papier. De ouden vervaardigden dit uit het merg der papyrusplant. Dit merg werd met een scherp voorwerp in zeer dunne lagen verdeeld, die zoo breed mogelijk genomen werden. De strooken, die men daardoor kreeg, werden op een vochtige plaat naast elkaar uitgespreid, en daarover dwarsstrooken met lijm vastgeplakt. Dan werd het geheel geperst, en in de zon gedroogd; daarop werden de verschillende bladen die men zoodoende kreeg, aan elkaar verbonden tot een rol, en wel zóó, dat de betere bladen aan den buitenkant, die het meest te lijden had, kwamen te liggen. Plinius onderscheidt acht soorten; de fijnste heette Augustea, de daaropvolgende Liviana, de minste soort was charta emporeutica of pakpapier. Bovendien vindt men nog vermeld: charta dentata, dat met een tand (misschien een stuk olifantstand of ivoor) was gladgewreven en gepolijst, en charta bibula, een doorschijnend soort vloeipapier. Naast papyrusrollen gebruikte men ook perkament, en in de 3de en 4de eeuw n. C. werd in het Westen de papyrusrol geheel door het perkament vervangen, terwijl in het Oosten eerst in de 8ste eeuw het katoen- en linnenpapier (charta bombycina) er voor in de plaats komt.

Charudes, Charoudes = Harudes.

Charybdis, Charybdis, z. Scylla.

Chasuarii of -ri, Chattouarioi, vermoedelijk dezelfden als de Chattuarii of Attuarii, een germaansch volk, eerst aan het Teutoburgerwoud, later aan den Beneden-Rijn en den IJsel woonachtig. Zij maakten later deel uit van het verbond der Franken.

Chatti = Catti.

Chauci, Chaukoi, onderscheiden in maiores en minores, een machtige germaansche stam aan de Noordzeekust tusschen de Amisia (Eems) en den Albis (Elbe). Drusus onderwierp ze; in 70 n. C. verbonden zij zich met de Batavieren onder Claudius Civilis. Later gaan ze op in de Saxones (z. a.).

Cheironomia, de beweging der handen, in het algemeen de mimische beweging van het lichaam volgens vaste regels bij het dansen; ook een soort spiegelgevecht.

Cheirotonia, het opsteken der handen, de meest gebruikelijke wijze van stemmen in de grieksche volksvergaderingen. De op deze wijze gekozen magistraten werden cheirotonetoi (ook hairetoi) genoemd.

Chelidoniae insulae, Chelidoniai nesoi = zwaluweilanden, vijf eilandjes tegenover kaap Chelidonium.

Chelidonium promunturium, Chelidonia akra ook Promunturium Sacrum genoemd, kaap in Lycia, ten Z. van Phaselis, uitlooper van den Taurus.

Chelonatas, Chelonatas, kaap in Elis, westelijkste punt der Peloponnesus, de eerste kaap ten Z. van Cyllene.

Cheops, Cheops, aegyptisch koning der 4de dynastie, omstreeks 2500, liet de grootste pyramide bouwen.

Chephren, Chephren, broeder of zoon en opvolger van Cheops, die eene pyramide liet bouwen, welke alleen door die van Cheops in grootte werd overtroffen.

Chersonesus, Chersonesos, schiereiland, van chersos of cherros, vast, en nesos, eiland. De meest bekende zijn de volgende: 1) Ch. Thracica, dikwerf kortweg Chersonesus geheeten, het smalle schiereiland tusschen den Hellespont ten O. en den sinus Melas ten W. De hals van het schiereiland was door een muur van 36 stadiën lengte verdedigd tegen invallen van thracische stammen. Er waren vele grieksche, vooral atheensche koloniën, die eerst onder de Perzen, daarna onder de Macedoniërs, ten laatste onder de Romeinen kwamen. Onder Augustus was de geheele Chersonesus in het bezit van M. Vipsanius Agrippa, en na diens dood van Augustus.--Ook een atheensche stad op de Chersonesus heet Chersonesus (of Agora).--2) Ch. Taurica, thans de Krim, waaruit Griekenland veel koren trok. Dit schiereil. werd ook wel Ch. Scythica of Cimmerica geheeten. In het Z.W. in de bergen woonden de Tauri; in het vlakke Noorden woonden Scythen. Op kaap Parthenium lag de tempel van Artemis Tauropolos, waar ook menschenoffers plaats vonden (mythe van Iphigenia en Orestes). Ook een stad aan de Zuidwestkust der Chersonesus heet Chersonesus, en werd door de inwoners van Heraclea Taurica gesticht.--3) Ch. Caria, waarvan het westelijk deel Ch. Cnidia of apo Knidou, het oostelijk X. tes Bybassies heet.--4) Ch. Thrachea of Rhodia tegenover Rhodus.--5) Ch. magna, op de kust van Cyrenaïca.--6) Ch. aurea, chryse, thans Malakka, in Achter-Indië.--7) Ch. Cimbrica, thans Jutland.--8) landtongen: in Argolis naar het N. gekeerd, tegenover Aegina (hierop lag Methana); verder: van Athos, bij Sinope, bij Carthago, enz.

Cherusci, Cherouskoi, machtig germaansch volk in den omtrek van het tegenw. Brunswijk, van den Albis (Elbe) tot over den Visurgis (Weser). Drusus sloot in 9 met hen een verbond, doch in 9 na C. vielen zij weder af en versloegen in het Teutoburgerwoud de legioenen van Quinctilius Varus. Inwendige verdeeldheden, vooral tusschen Arminius en diens schoonvader Segestes, verzwakten hen, evenwel hielden zij met de hulp van Longobarden en Semnonen den strijd vol tegen Maroboduus en de Marcomannen. In Tacitus' tijd (± 100 n. C.) waren ze door inwendige twisten zeer verzwakt.

Chiliarchus, Chiliarchos, Chiliarches, aanvoerder eener chiliarchia, eene afdeeling van 1000 of waarschijnlijk 1024 man, 64 man breed en 16 diep. Men vindt deze regeling bij het Macedonische leger en later bij de Ptolemaeën. Bij de Perzen de aanvoerder der koninklijke lijfwacht, de voornaamste persoon in het rijk na den koning. Het woord wordt ook gebruikt als vertaling van het latijnsche tribunus militum.

Chilo, Cheilon, spartaansch ephoor, als type van een spartaansch staatsman geroemd. Hij was ephoor in 560 of 556, en is misschien de eerste geweest, die dit ambt bekleed heeft. Als een van de zeven wijzen wordt hem de spreuk gnothi sauton of telos horan makrou biou toegeschreven.

Chimaera, Chimaira, een vuurspuwend monster, dochter van Typhon en Echidna, door den lycischen koning Amisodarus opgevoed, dat in Lycië groote verwoestingen aanrichtte en door Bellerophon met de hulp van Athena gedood werd. Haar lichaam was van voren dat van een leeuw, in het midden van een geit, van achteren van een draak; v. a. had zij drie koppen, namelijk die van de genoemde dieren.

Chione, Chione, 1) dochter van Boreas en Orithyia, moeder van Eumolpus.--2) dochter van Daedalion, werd door Hermes en Apollo bemind en, omdat zij op hare schoonheid trotsch was, door Artemis gedood.

Chionides, Chionides, 1) Eumolpus, zoon van Chione.--2) dichter der oude comedie, omstreeks 450.

Chiridota, cheiridotos, sc. chiton, tunica met lange mouwen, eene dracht, welke bij de Romeinen wel goed voor vrouwen, doch ongepast voor mannen werd geacht. Bij barbaren komen kleederen met lange mouwen zeer veel voor.

Chirisophus, Cheirisophos, Spartaan, streed in den slag bij Cunaxa onder Cyrus en was met Xenophon aanvoerder der Grieken op hun terugtocht.

Chiron, Cheiron, zoon van Cronus en Philyra, de voortreffelijkste der Centauren, uitmuntend door wijsheid, rechtvaardigheid en kennis. Hij was door Apollo en Artemis onderwezen en werd op zijne beurt de leermeester en opvoeder van vele jonge helden, zooals Iason, Theseus, Castor en Pollux, Achilles, e. a.; zelfs Asclepius had van hem de geneeskunst geleerd. Toen Heracles hem bij ongeluk met een zijner pijlen eene ongeneeslijke wonde had toegebracht, stond hij, opdat de dood een einde aan de ondragelijke pijn zou kunnen maken, zijne onsterfelijkheid aan Prometheus af, zoodat deze tevens, volgens eene vroegere belofte van Zeus, van zijn lijden bevrijd werd. Chiron werd als boogschutter onder de sterren geplaatst.

Chiton, het voornaamste kleedingstuk der Grieken, dat zoowel door mannen als vrouwen gedragen werd. De dorische ch. voor mannen was van wol, kort en zonder mouwen; de ionische van linnen, langer en met mouwen. Slaven en arbeiders droegen een ch. waaraan alleen voor den linkerarm een mouw was, (heteromaschalos, daarentegen wordt de gewone ch. amphimaschalos genoemd), of soms ontbrak ook deze en werden de twee losse slippen over den linkerschouder vastgeknoopt (exomis). De dorische ch. voor vrouwen was eveneens van wol, en niet zeer lang; de voorste en achterste helft waren eerst van onder de armen aan elkander vastgenaaid, terwijl de losse einden op de schouders met haken (peronai) werden vastgehouden; de ionische was van linnen, zeer lang, wijd en met wijde mouwen. De ch. werd door mannen op het bloote lichaam gedragen; vrouwen droegen gewoonlijk nog een onderhemd (chitonion).

Chius, Chios, Chios, thans Scio, groot en machtig eiland op de ionisch-aziatische kust. Als oorspronkelijke bewoners worden Lelegers en Pelasgen genoemd; later is het gekoloniseerd van uit Boeotië en Euboea. In den opstand der Ioniërs tegen de Perzen leverde het honderd schepen. In 494 door de Perzen onderworpen, bleef het 15 jaar schatplichtig, viel na den slag bij Lade (479) van Perzië af, en werd (477) als zelfstandig lid in het atheensche zeeverbond opgenomen. In 413 valt Chios van Athene af, en nu volgt voor het eiland een periode van oorlog, binnenlandschen strijd en verwoesting. Van 377-357 is het lid van den tweeden attischen zeebond; toen het van dezen bond was afgevallen, werd het weldra afhankelijk van den Cariër Mausolus. Het eiland leverde voortreffelijken wijn, mastik, marmer, vijgen en fijne porceleinaarde op. Het was de geboorteplaats van den treurspeldichter Ion, den geschiedschrijver Theopompus en beweerde ook het vaderland van Homerus te zijn. De hoofdstad aan de O.-zijde gelegen, heette ook Chius of Chios.

Chlamys, Chlamys, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg, oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.

Chloe, Chloe, bijnaam van Demeter.

Chloris, Chloris, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.--2) dochter van Amphion en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door Apollo en Artemis gespaard (z. Niobe), maar de dood van hare broeders en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.--3) dochter van een anderen Amphion, gehuwd met Neleus.--4) dochter van Tiresias.

Choaspes, Choaspes, 1) rivier in Susiane, die langs Susa stroomt, beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne reizen in zilveren kruiken medenamen.--2) stroom in het Indusgebied, zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës genoemd.

Choerades, Choirades, sc. nesoi, rotseilandjes voor de haven van Tarentum.

Choerilus, Choirilos, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters (omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.--2) van Samus, dichter van een historisch epos, Perseis (omstreeks 400).--3) van Iasus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een episch gedicht verheerlijkte.

Choes, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).

Chones, Chones, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.

Choragus, choregos, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken, muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën (z. Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000 drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der choreuten en van den chorodidaskalos, iemand die het koor oefende en de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen, enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won, richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op, dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.

Chorasmii, Chorasmioi, een arische volksstam, die de oase van Chiwa reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd, gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.

Choraules, choraules, iemand die den zang en dans van een koor op de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen tijd voor.

Choregia, z. Choragus.

Chorizontes werden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd, die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter waren.

Chorus, choros, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen, en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor, zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen, aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens, die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit 24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van het koor (choryphaios), of in enkele gevallen door de leiders der beide koorhelften (parastatai). De plaats van het koor was in de orchestra.

Chremonideïsche oorlog (± 265-263), zoo genoemd naar Chremonides, die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonatas had moeten overgeven.

Chrysa of -e, Chrysa, -e, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de Adramyttische golf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje is vroeg verwoest.

Chrysaor, Chrysaor, 1) zoon van Poseidon en Medusa, die te voorschijn kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.--2) "met een gouden zwaard", bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.

Chrysas, Chrysas, rivier op Sicilia nabij Assorus, een zijrivier van den Symaethus.

Chryse promunturium, Chryse cherronesos, het schiereiland Malakka.

Chryseis, Chryseis dochter van Chryses, den priester van Apollo te Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was, zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z. Briseis).

Chrysippus, Chrysippos, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.--2) van Soli of Tarsus (282-206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord: ei me gar en Chrysippos, ouk an en Stoa.

Chrysogonus (C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche aanklager bekend uit Cicero's oratio pro S. Roscio Amerino.

Chrysopolis, Chrysopolis, versterkte havenstad in het gebied van Chalcedon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.

Chrysothemis, Chrysothemis, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.

Chthonius, Chthonios, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z. Cadmus).--2) Chthonios, Chthonia, is een bijnaam van godheden, die met de onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demeter, Persephone e. a. Zeus Chthonios = Hades.

Chytroi, de derde dag der Anthesteria (z. a.).

Chytri, Chytroi, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.

Cia = Ceos.

Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager Licinius versloeg.

Cibyra, Kibyra, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyratis, 2 1/2 uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. Dit Cibyra werd maior bijgenaamd ter onderscheiding van Cibyra minor in Pamphylia.

Cicereius (C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den Albaanschen berg.

Cicero, familienaam in de gens Tullia, z. Tullii no. 3-9.

Cicones, Kikones, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdera en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de ionische stad Maronea, ook Orthagorea geheeten.

Cidaris, kidaris, kitaris, het hooge en stijve hoofddeksel der perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.

Cierium, Kierion, stad in Thessaliotis, vroeger Arne geheeten.

Cilicia, Kilikia, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amanus. Het westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werd Cil. aspera, tracheia, geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelte Cil. campestris, pedias, ook propria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken van den Amanus, onder den naam Eleutherokilikes. In de westelijke bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den naam of titel Syennesis (misschien = edel vorst) voerden. Alexanders verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en verschillende indeelingen gehad.

Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam men uit het N. Cilicia binnen. De portae Ciliciae et Syriae en de portae Amanides verleenden toegang uit het O.

Cilix, Kilix, zoon van Agenor, die door zijn vader uitgezonden werd om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden, keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde, werd Cilicia genoemd.

Cilla, Killa, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt van Antandros.

Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe behoorde C. Cilnius Maecenas (v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en is Maecenas het nomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman van Octavianus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31, droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel als privatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als onderhandelaar bewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.

Cimber, familienaam in de gens Tillia.

Cimbri, Kimbroi, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonesus Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113 versloegen zij bij Noreia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo (Papirii no. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef, eerst in 109 den consul M. Junius Silanus (Junii no. 16), en in 107 den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio (Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus en den proconsul Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) bijna tot den laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug, en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam was in het vaderland achtergebleven, en in de 2de eeuw na Chr. woont er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.

Ciminius mons en lacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten Z.O. van het Volsinische meer.

Cimmerii, Kimmerioi, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukking Cimmerii lacus voor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus Maeotis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië, drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650 Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.

Cimolus, Kimolos, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos, met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers als creta fullonica gebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals bij ons de zeep).

Cimon, Kimon, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.--2) zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde; daarvoor stond C. hem de schoone Elpinice af, die zijne halfzuster en tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee (468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonesus in het bezit der Atheners (476-468). Door deze overwinningen had hij ook in het staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen en Aristides gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij, en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen, werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich verbond geene oorlogsschepen in de Aegaeische zee te zenden, wordt alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid door Callias gesloten (z. Callias no. 1).--Behalve Cimon's groote talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.

Cinado, Kinadon, een Spartaan, die in het begin der regeering van Agesilaus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden ter dood gebracht.

Cinara, Kinara, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos, beroemd om zijne artisjokken, kinarai.

Cincia (lex) de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet, 204.

Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts de Alimenti bekend. 1) L. Cincius Alimentus was in 210 en 209 praetor op Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is de schrijver van annales in het Grieksch.--2) M. Cincius Alimentus, volkstribuun in 204, was de vader der lex Cincia.

Cincinnatus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 2-5.

Cinctus Gabinus = Gabinus cinctus.

Cineas, Kineas, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene wilden verjagen.--2) Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den koning van Epirus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus' overwinning bij Ausculum (279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat, die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen, zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt, gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.

Cinesias, Kinesias, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415, dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.

Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.

Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar, vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden tijd.

Cingulum, bergvesting in Picenum, in 63 door Labienus aangelegd.

Cinna, familienaam in de gens Cornelia (z. Cornelii no. 39-42) en de gens Helvia.

Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.

Cinyps, gen. -phis, Kinyps, rivier op de kust van Africa tusschen de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk is cinyphius = afrikaansch.

Cinyras, Kinyras, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van Aphrodite. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te kennen, den schoonen Adonis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich in zijn zwaard.

Cios = Cius.

Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen, van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, het pomoerium, de waterleidingen, en de area van een graf aan te wijzen.

Circe, Kirke, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid, dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand; zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum, Agrius en Latinus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere lotgevallen voorspeld te hebben. Zie Telemachus.

Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heette promunturium Circeium of Circeius mons. In de 5de eeuw was Circeii in de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. Onder Circaea moenia bij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z. Circe).

Circesium, Kirkesion, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de samenvloeiing van den Chaboras en den Euphraat. Hier was in 604 koning Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.

Circius, Thraskias, de noordwestenwind, zie Windstreken. Circius of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis, en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In andere streken heet hij Corus of Caurus.

Circumcelliones worden sedert de helft van de 4de eeuw n. C. die Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en tegen de bezittende klassen.

Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de stallen (carceres) zich bevonden. Deze carceres waren in een flauwen boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers, op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene verhevenheid, de spina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden der spina stonden de metae of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eene meta bestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op de spina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculum of spatium) werden een ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden een missus. Wie bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (zie calx) bereikte, was overwinnaar. Bij elken wedren of missus liepen in den regel vier wagens (zie auriga), terwijl verscheidene missus elkander opvolgden.

De circus maximus te Rome, gelegen tusschen den Palatinus en den Aventinus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en 150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, den circus Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius ten N.O. van den Capitolinus. De circus max. en de circus Flam. hebben hun naam gegeven aan de 11de en 9de der 14 regiones, waarin Augustus Rome verdeelde.

Cirphis, Kirphis, zie Parnassus.

Cirrha, zie Crissa.

Cirta, Kirta, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke residentie, later naar Constantijn den Gr. Constantina genaamd; tgw. Constantine.

Cisalpina (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadana, Gallia Transpadana, Venetia, Histria.

Cispadana (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden den Padus (Po).

Cispius (mons), een van de bergen van het Septimontium, zie Roma; hij behoorde tot de wijk Esquiliae, en was gelegen tusschen den Mons Oppius en den Collis Viminalis.

Cisseis, Kisseis, 1) Theano, dochter van den thracischen koning Cisses.--2) Hecabe, dochter van Cisseus.

Cissia, Kissia, oude naam voor de landstreek Susiane aan den Choaspes, met eene zeer heldhaftige bevolking.

Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater; open vergaarbakken heeten lacus.

Cistophorus, kistophoros, 1) degene, die bij sommige godsdienstige plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin zich offergereedschappen, enz. bevonden.--2) aziatische munt ter waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist, waaruit een slang te voorschijn kwam.

Cithaeron, Kithairon, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe's kinderen, Oedipus te vondeling gelegd).

Cithara, kithara, kitharis, een muziekinstrument, door Amphion of Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk 15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl men het op den linkerarm liet rusten.

Citium, Kition, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust gelegen. Cimon stierf hier (449).

Cius of Cios, Kios, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan den Cianus Sinus, kolonie van Miletus, door de Macedoniërs verwoest, maar door Prusias van Bithynia herbouwd en Prusias geheeten, niet te verwarren met het zuidelijker gelegen Prusa.

Civilis (Iulius, niet Claudius), Batavier van edele afkomst, die in de jaren 69-70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit, maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak, dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer Cerealis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen (z. ook Batavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome werd hersteld.

Civitas, burgerrecht (eigenlijk ius civitatis of ius Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten, die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden in iura privata en iura publica. Tot de iura privata behoorden vooral het conubium en het commercium; tot de iura publica in de eerste plaats het ius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Het ius suffragii en het ius honorum et sacerdotiorum maakten geen noodzakelijk bestanddeel van het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, waren cives optimo iure; die het niet hadden, heetten aerarii (z. a.). Keizer Caracalla schonk in 212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk, ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele rijk te kunnen heffen. Zie ook capitis deminutio en politeia.

Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan, en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het land in civitates te versnipperen. Hoever deze versnippering ging, blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63 civitates bestonden, ieder door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonder conubium of commercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester, en dit is het, wat men onder dividere et imperare te verstaan heeft.

Civitates foederatae, liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook vrije steden, civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak, waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in de iurisdictio dezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òf civitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig een foedus met Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van rechten,--òf wel alleen civitates liberae, waaraan de vrijheid door eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zij civitates liberae et immunes waren, waaraan alleen in buitengewone gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukking civitas foederata zonder bijvoeging van libera sluit geene vrijheid in. Wanneer men civitates foederatae naast socii gebezigd vindt, moeten onder de eerste de civitates in de provinciën, onder de laatste die in Italia verstaan worden. Zie echter socii.

Cladeus, Kladeos, beek die langs Olympia stroomend in den Alpheus valt.

Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.

Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn monding ook Liternus geheeten.

Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.

Clarus, Klaros, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en een orakel van Apollo Clarius.

Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot, classiarii, socii navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen genomen. In later tijd wordt ook de naam classici gebruikt.

Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de uitdrukking scriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook = classiarii.

Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen der comitia centuriata.

Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5 classes ingedeeld (zie centuria). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheid classis geheeten; vandaar de uitdrukking infra classem voor hen, die lager stonden. In het oudere Latijn is classis de onder de wapenen geroepen manschap; vandaar classis procincta, het slagvaardige leger. Ook = vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in 394 gaat een oorlogsschip naar Delphi. In 338 behalen de Romeinen een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden de duoviri navales classi ornandae et reficiendae voor het eerst vermeld. In den eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misenum, één te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte, en op den Donau en den Rijn.

Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadana, nabij den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zie Marcelli no. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomarus.

Claternae, stad in Gallia Cispadana aan de Via Aemilia ten O. van Bononia (Bologna).

Claudia (lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300 amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren voortaan hun geld in land belegden.

Claudia (lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking der latijnsche steden te voorkomen.

Claudia (lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen geld te leenen.

Claudianus (Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk, ± 400 na C., geb. te Alexandria, bezong in latijnsche verzen den lof en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten, brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet zonder talent en kracht.

Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1) Atta Clausus verhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had, met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs werd opgenomen en met de zijnen eene eigene tribus Claudia vormde. Te Rome werd zijn naam veranderd in Appius Claudius met den bijnaam Sabinus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.--2) App. Claudius Crassus Inregillensis Sabinus, zoon van no. 1, was consul in 471 en in 451, maar trad toen af, om decemvir legibus scribundis te worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471, en zijn tegenwerking van de volkstribunen en de lex Publilia, zijn verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451-449 zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde met Verginia (zie Verginii no. 6) in de gevangenis ter dood gebracht zijn of zich zelven het leven benomen hebben.--3) C. Claudius Sabinus, ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.--4) App. Claudius Crassus of Crassinus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in 349.--5) App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als zoodanig de beroemde via Appia en eene waterleiding, aqua Claudia, aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (zie Plautii no. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in den Herculesdienst zie men Pinarii. Overigens is deze censuur bekend geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven, alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischende lectio senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten, de patricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of 280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte dat de vredesvoorslagen van Pyrrhus van de hand werden gewezen.--6) App. Claudius Caudex streed als consul in 264 tegen de Carthagers op Sicilia.--7) P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in 249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders, die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.--8) App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en proconsul een werkzaam aandeel had. Z. Fulvii no. 4.--9) App. Claudius Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta, in 191 onder M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in 185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende gezantschappen waar.--10) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8, consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur door den tribunus plebis P. Rutilius van perduellio aangeklaagd, en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is de lex Claudia de sociis Latinis.--11) Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zie Rhea) uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip, en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal ongeschonden.--12) App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat, een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia, vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij was III vir agris iudicandis adsignandis (zie Agrariae leges), en wordt als zoodanig ook genoemd III vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij was princeps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met lof genoemd.--13) C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend, tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus in het jaar 100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op Sicilië.--14) App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79; later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15-19) in armoede achter.--15) App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradates in 74-72, en eischte in 72 van Tigranes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest, in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den slag bij Pharsalus.--16) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14, propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel hij zijn aanklager omgekocht had.--17) P. Clodius (= Claudius) Pulcher, derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun en doodsvijand van Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradates ruide hij ten bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van het feest der Bona Dea, dat in het huis van den pontifex maximus Caesar gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn, in vrouwenkleederen Caesar's woning binnen, maar werd ontdekt. Hij werd in 61 wegens incestus aangeklaagd, maar tengevolge van omkooping der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar, die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had, door een lex curiata, waarbij Clodius door een plebejer als zoon werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem, zie Comitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tot tribunus plebis kon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit Rome had verwijderd (zie Clodiae leges no. 7), ontzag hij niets of niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in 52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg van zijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verder Clodiae leges.--18) Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero, dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijne oratio pro Coelio, die door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van Q. Valerius Catullus (zie Valerii no. 38) en daarna van M. Caelius Rufus (Caelii no. 4).--19) Clodia minor, dochter van no. 14, was gehuwd met L. Licinius Lucullus.--20) C. Claudius Centho, komt in 200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.--21) App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.--22) C. Claudius Nero streed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia, veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul met zijn ambtgenoot M. Livius Salinator bij den Metaurus Hannibals broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere wijze kibbelden.--23) Tib. Claudius Nero was in 202 consul met Scipio Africanus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.--24) Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius, en stond vervolgens (38) aan Octavianus zijne vrouw Livia Drusilla af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).--25) Tib. Claudius Nero, zoon van no. 24, rom. keizer 14-37 na C. Zie Tiberius.--26) Nero Claudius Drusus, gewoonlijk Drusus genoemd, jongere zoon van no. 24 en dus broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octavianus getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincie Raetia et Vindelicia gevormd, waarbij de reeds onderworpen Vallis Poenina gevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13 legatus Augusti van de Tres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren (12-9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegraven fossa Drusiana (z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri, en legde twee castella aan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In 9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis (Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger van Varus (9 n. C.). Drusus' dood werd algemeen betreurd. Daar hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was, behoort zijn zoon Germanicus onder de Caesares, zie Iulii en Germanicus.--27) Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van Germanicus, rom. keizer, 41-54 na C. Zie Claudius (keizer).--28) Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27), geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalina. Hij werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zie Claudius (keizer).--29) Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer, 55-68 na C. Zie Nero (keizer).--30) M. Claudius Marcellus, een der uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia Cisalpina, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen aanvoerder Virdumarus de spolia opima behaalde. Na den slag bij Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hij vitio creatus zijn ambt neder, maar bleef pro consule in de nabijheid van Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctator Casilinum in, waarbij hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië, nam Leontini in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211 door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimedes omkwam. De stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208 was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De Rom. noemden hem "het zwaard van den staat" wegens zijne onversaagde dapperheid.--De Marcelli waren de eenige plebejische tak der gens Claudia; zij worden onder de patroni van Sicilia gerekend.--31) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als consul de Insubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.--32) M. Claudius Marcellus, consul in 183.--33) M. Claudius Marcellus, kleinzoon van no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152, en behaalde lauweren in Gallia Cisalpina, Liguria en Hispania.--34) M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat zijne oratio pro Marcello hield, was een aanhanger van Pompeius, minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome terug te keeren, doch onderweg werd hij te Athene omgebracht.--35) C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.--36) C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit, doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de zuster van Octavianus.--37) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36, werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling, in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI 861-887) verheerlijkt wordt: "Tu Marcellus eris".--38) Marcella, dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den drieman.--39) Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van Sisenna (Cornelii no. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van den gallischen brand tot aan Sulla's dood.--40) Claudius Didymus, grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.

Claudiopolis, zie Bithynium.

Claudius, voluit Tib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer, 41-54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudii no. 26) en Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdunum (Lyon) geboren. Na de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze Messalina gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde hij zijne nicht Agrippina, de dochter van zijn broeder Germanicus, wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina's zoon uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard, en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan zijn: Narcissus, ab epistulis, M. Antonius Pallas, a rationibus, C. Julius Callistus, a libellis, en Polybius, a studiis. Cl. ondernam een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania (z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan, en bouwde twee waterleidingen, de Anio novus en de aqua Claudia. Ook trachtte hij den Fucinus lacus (z. a.) een uitloop te geven. Hij beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield hij gaarne redevoeringen. Zie ook Iulii aan het slot, onder d en f.

Claudius II--M. Aurelius Claudius Gothicus--rom. keizer 268-270 na C., opvolger van Gallienus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers Decius en Valerianus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen, dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269 versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan de pest.

Clausus (Atta). Zie Claudii no. 1.

Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig waren, door een dictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van Sept. (13 Sept.).

Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus, tunica angusticlavia).

Clazomenae, Klazomenai, eene der 12 ionische steden op de kust van Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden werd. De stad bezat fraaie tempels.

Cleander, Kleandros, volksleider te Gela, die zich later tot tyran opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn broeder Hippocrates opgevolgd (498).

Cleandridas, Kleandridas, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met koning Plistoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii, waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn zoon was de beroemde Gylippus.

Cleanthes, Kleanthes, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche schilders.--2) van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd der stoicijnsche school op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen, en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op Zeus van hem is bewaard gebleven.

Clearchus, Klearchos, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en gedood.--2) leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclea, werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde te Heraclea eene bibliotheek.--3) van Soli op Cyprus, een van de beste leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.

Clearidas, Klearidas, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.

Cleides, Kleides, Kleides, oostkaap van het eiland Cyprus, met voorgelegen eilandjes.

Clemens (T. Flavius) Alexandrinus, presbyter van Alexandrië, waar hij ± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van Origenes.

Cleobis en Biton, Kleobis, Biton, zonen van Cydippe, priesteres van Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.

Cleobulus, Kleoboulos, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen (omstreeks 580); zijn spreuk was: metron ariston.

Cleombrotus, Kleombrotos, 1) Spartaan, jongste zoon van koning Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna stierf hij.--2) Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmea verdreven waren, deed hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra, 371.--3) Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot, zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin Chilonis, die met hem in ballingschap ging.

Cleomedes, Kleomedes, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athena en werd van daar als de laatste der heroën in den hemel opgenomen.--2) zoon van Lycomedes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.--3) schrijver over sterrenkunde (1ste eeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.

Cleomenes, Kleomenes, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning van Sparta (520-491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demaratus onverrichter zake aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen, zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen Aegina gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan zijn leven (489).--2) broeder van den spartaanschen koning Plistoanax en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger dat in 427 in Attica viel.--3) Cl. II, koning van Sparta, zoon en opvolger van Cleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371-310) zonder dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.--4) Cl. III, koning van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man, vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd door zijne moeder Cratesiclea en zijne gemalin Agiatis, de weduwe van Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond, en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, de Achaeërs bij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden; door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren, verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn broeder Euclidas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad, en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van Sparta in de Peloponnesus erkend werd, maar Aratus, vreezend dat het achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor, zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond, doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.--5) van Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.--6) atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.

Cleon, Kleon, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in 427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was, doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilene zouden gedood worden, een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in 425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias, die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken, en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de vlucht gedood werd. Zie ook dikastikon. Cl. wordt beschreven als een onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken, in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt; toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.

Cleonae, Kleonai, stad in Argolis; ten W. lag Nemea; vandaar Cleonaeus leo dichterlijk = nemeïsche leeuw. Ook eene stad aan den berg Athos op Chalcidice, met een gemengde bevolking.

Cleonymus, Kleonymos, 1) Athener, die om zijne lafheid dikwijls door Aristophanes bespot wordt.--2) zoon van Cleomenes II, werd bij den dood van zijn vader (310) wegens zijne vijandschap met den anderen koning Areus van de regeering uitgesloten en aan het hoofd van een troep huurlingen naar Italië gezonden, om de Tarentijnen tegen de Lucaniërs bij te staan. Hij voerde den oorlog over het geheel met geluk, maar toen de Tarentijnen vrede sloten, nam hij Corcyra en viel hij Thurii en andere steden in Beneden-Italië aan, totdat hij door de Romeinen verdreven werd. Bij zijne avontuurlijke tochten naar de kusten der Adriatische zee verloor hij leger en vloot. In 293 streed hij ongelukkig tegen Demetrius Poliorcetes en in 272 trachtte hij met Pyrrhus van Epirus zich te vergeefs van Sparta meester te maken.

Cleopatra, Kleopatra, 1) dochter van Boreas en Orithyia, z. Calaïs.--2) dochter van Idas en Marpessa, gehuwd met Meleager, na wiens dood zij zich van verdriet ophing.--3) tweede vrouw van Philippus van Macedonië, na wiens dood Olympias haar met hare kinderen liet vermoorden.--4) dochter van Philippus en Olympias, gehuwd met Alexander van Epirus, na diens dood met Perdiccas. Toen ook deze gestorven was, koos zij onder de macedonische veldheeren, die haar ten huwelijk vroegen, Ptolemaeus tot echtgenoot, maar Antigonus hield haar gevangen en liet haar waarschijnlijk vermoorden (308).--5) dochter van Antiochus III, z. Ptolemaeus no. 9 en 10.--6) dochter van Ptolemaeus V, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus VI, later met haar anderen broeder Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 10 en 11.--7) dochter van Ptolemaeus VI Philometor, gehuwd met Alexander Balas, daarna, toen deze van den troon gestooten was, met Demetrius Nicator, en nadat deze door de Parthen gevangen genomen was, met Antiochus Sidetes. Toen Demetrius terugkwam, liet zij hem en hun zoon Seleucus vermoorden, maar niet lang daarna werd zij door haar anderen zoon gedwongen den gifbeker te drinken.--8) jongere dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra no. 6, gemalin van Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 11, 12 en 13.--9) dochter van Ptolemaeus VII, gehuwd met Antiochus IX.--10) dochter van Ptolemaeus Auletes, geb. 69, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus XII. Spoedig werd zij door de voogden van Ptolemaeus, Achillas en Pothinus, wegens hare eerzuchtige plannen verdreven en reeds trachtte zij zich met geweld recht te verschaffen, toen Caesar te Alexandrië kwam en besliste, dat de beide echtgenooten gezamenlijk zouden regeeren. Wel veroorzaakte deze beslissing groote ontevredenheid en kwam Caesar zelfs in vrij groot gevaar, daar Ptolemaeus echter in een gevecht sneuvelde, bereikte Cl. haar doel. Op bevel van Caesar, die door hare buitengewone schoonheid geheel betooverd was, huwde zij met haar jongsten broeder Ptolemaeus XIII, ook kwam zij naar Rome, waar Caesar's liefde voor haar zoo groote ontevredenheid verwekte, dat zij na zijn dood moest vluchten. Na den slag bij Philippi ontmoette zij Antonius te Tarsus, en nam hem door hare bekoorlijkheden zoo voor zich in, dat hij haar naar Alexandrië volgde, haar op zijne tochten door Azië medenam en toeliet dat zij, na het vermoorden van haar broeder en zuster, alleen over Aegypte heerschte. Zoo groot was haar invloed op hem dat, toen zij in den slag bij Actium in het heetste van het gevecht de vlucht nam, Antonius haar volgde en daardoor de oorzaak was van de nederlaag der zijnen. Toen hij zich daarna gedood had en Cl. zag, dat Octavianus ongevoelig was voor hare schoonheid, en vreesde, dat hij haar in triumf naar Rome wilde voeren, doodde zij zich, naar men beweerde door den beet eener vergiftige slang (30).--11) bijgenaamd Selene, dochter van Antonius en Cleopatra, door haar vader met Cyrenaica begiftigd en door Octavianus aan Juba uitgehuwd.--12) dochter van Mithradates, gehuwd met Tigranes van Armenië.

Cleophantus, Kleophantos, een van de oudste grieksche schilders, de eerste die verf op zijne teekeningen aanbracht.

Cleophon, Kleophon, 1) invloedrijk volksleider te Athene in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog, verzette zich hardnekkig tegen den vrede en werd daarom door de oligarchische partij van het een of ander aangeklaagd en door een onder hun invloed staande rechtbank ter dood veroordeeld (404).--2) atheensch treurspeldichter, v. s. dezelfde als de vorige.

Clepsydra, klepsydra, 1) een wateruurwerk, in inrichting gelijk aan onze zandloopers, doch met water gevuld. Oorspronkelijk dienden zij om den tijd te meten, gedurende welken een redenaar voor het gerecht mocht spreken, men had echter ook grootere (horologia), die natuurlijk langer liepen en door eene indeeling of schaal den verloopen tijd aanwezen.--2) bron op de acropolis te Athene.--3) bron op den berg Ithome.

Cleruchia, klerouchia, eigenlijk een land, waar volgens het oorlogsrecht veroveraars de oorspronkelijke bevolking onderworpen en het grondbezit onder elkander verdeeld hadden; in het bizonder atheensche volkplantingen, waarvan de grondeigenaars atheensche burgers bleven, desverkiezende te Athene konden blijven wonen en hunne burgerrechten uitoefenen, maar ook tot den krijgsdienst en andere lasten verplicht waren en geen eigen rechtspraak hadden. Terwijl volkplantingen anders nieuwe staten vormen, blijven de cleruchiën, waarvan sedert 506 vele gesticht werden, deelen van den atheenschen staat. Ook in het rijk der Ptolemaeën vindt men klerouchoi; dit zijn actief dienende soldaten, die een stuk staatsland in bezit hebben, welk bezit dikwijls in eigendom overgaat. Deze worden ook katoikoi genoemd.

Cleta, Kleta, bij de Spartanen eene van de Chariten.

Clidemus, Clitodemus, Kleidemos, (Kleitodemos), schreef in de 4e eeuw eene attische geschiedenis (Atthis) e. a. geschiedkundige werken.

Clientes. Vóór het ontstaan der plebs vond men te Rome een stand van hoorigen of halfvrijen, die, naar het schijnt, volgens oud-italisch gebruik, onder de bescherming of het patronaat der burgers stonden en daarentegen ook zekere bepaalde verplichtingen tegenover hunne patroni hadden. Over de wederzijdsche verhouding dezer beide standen zie men het artikel patronus. Ook vreemden, die zich te Rome wilden vestigen, moesten in den oudsten tijd, daar zij geene rechtspersoonlijkheid bezaten, zich onder de rechtspersoonlijkheid van een burger stellen (applicatio), en derhalve zich in clientela begeven, indien zij de bescherming der wetten wilden genieten. In verloop van tijd loste het cliëntschap zich op in de plebs. Men neemt gewoonlijk aan, dat de cliënten van het platteland in 457, toen het aantal volkstribunen van 4 op 10 gebracht werd (zie tribuni plebis), vrij verklaard zijn. Anderen dateeren die vrijwording reeds van koning Servius Tullius. De cliënten moeten scherp onderscheiden worden zoowel van slaven als van plebejers.--In lateren tijd komt de naam cliënten terug voor de bezoldigde visitemakers bij de rom. grooten, bij wie zij ook wel als anteambulones dienst deden. Zij werden voor hunne bezoeken en diensten beloond, hetzij met een mandje eetwaren (sportula), hetzij met geld. De aanzienlijke Romein, wiens receptiën zij dus hielpen opluisteren, wordt dan tegenover hen rex geheeten.

Climax, Klimax, "trap", een berg in het O. van Lycia, het begin van den Taurus. Hij komt ook onder den semietischen naam Solyma voor (ook = trap). In de Ilias komen de Solymers als vijanden der Lyciërs voor. De naam van den berg komt van een trap, die in den bergpas is uitgehouwen. Ook een gebergte in Coelesyria heette Climax.

Climberris = Elimberris.

Clinias, Kleinias, 1) vader van Alcibiades, een zeer rijk man, sneuvelde bij Coronea (447); ook een jongere broeder en een neef van Alcibiades droegen dien naam.--2) pythagoreïsch wijsgeer, tijdgenoot van Plato.--3) verdienstelijk staatsman te Sicyon, omstreeks 264 vermoord. Hij was de vader van Aratus no. 1.

Clio, Kleio, de Muze der geschiedenis, wordt afgebeeld met een rol papier in de hand.

Clipeus, aspis, rond, dekselvormig schild, in den regel van op elkander gelegde lagen leder gemaakt en niet metaal bekleed, of wel uit teenen gevlochten en dan met leder en metaal bedekt.--Ook noemt men in de badhuizen aldus het deksel van den oven, waaruit de heete lucht uit de stookplaats in de heete badkamer stroomde.

Clisthenes, Kleisthenes, 1) tyran van Sicyon (596-565), uit het huis der Orthagoriden, trachtte den oud-ionischen stam, waartoe hij zelf behoorde, boven de Doriërs, die Sicyon vroeger van Argos uit veroverd hadden, te verheffen en over het geheel alle banden los te maken, die Sicyon met Argos verbonden. Daartoe trachtte hij in de eerste plaats den eeredienst van den argivischen heros Adrastus door dien van Dionysus te verdringen, hij verbood de voordrachten der rhapsoden, omdat zij Argos en argivische sagen bezongen en veranderde ook de namen der dorische stammen, die hij Hyaten, Oneaten en Choereaten noemde (met toespeling op hys, onos, choiros), terwijl zijn eigen stam den naam Archelai kreeg. Hij stond aan het hoofd van het leger der Amphictyonen, toen de inwoners van Crissa wegens hun heiligschennis gestraft werden. Zijn rijkdom toonde hij door de schitterende wijze, waarop hij allen, die zijne dochter Agariste tot vrouw begeerden, een jaar lang onthaalde.--2) Athener, kleinzoon van den vorigen, zoon van den Alcmaeonide Megacles en Agariste, stelde zich na den val der Pisistratiden aan het hoofd der volkspartij en hervormde de staatsregeling van Solon in democratischen geest. Wel gelukte het zijn aristocratischen tegenstander Isagoras door de hulp van Cleomenes I hem voor korten tijd te verdrijven, maar de gewelddadige handelingen van Cleomenes verwekten zoo groote verbittering, dat Cl. spoedig terugkeeren kon. Over zijne hervormingen z. Boule, Demoi, Ostracismus, Phyle. Later zoude hij, misschien met het oog op de vijandige houding van Sparta, getracht hebben met den perzischen satraap van Sardes betrekkingen aan te knoopen, en zou het volk hem daarom uit wantrouwen verjaagd hebben (505).

Clitarchus, Kleitarchos, 1) zoon van Dinon, beschreef de geschiedenis van Alexander d. G. in gezwollen stijl en met allerlei fabelachtige berichten doormengd; toch werd hij door latere schrijvers als Diodorus, Curtius e. a. veel gebruikt, daar men, waarschijnlijk ten onrechte, meende dat hij Alexander op zijn tochten vergezeld had.--2) tyran van Eretria onder bescherming van Philippus van Macedonië, werd door de Atheners onder Phocion verdreven.

Clitodemus = Clidemus.

Clitomachus, Kleitomachos, 1) beroemd om zijne vele overwinningen in de isthmische en pythische spelen, behaalde eens drie prijzen op één dag.--2) Carthager, eigenlijk Hasdrubal genaamd, leerling van Carneades, na wiens dood (129) hij ongeveer twintig jaar hoofd der academie was; zijne talrijke geschriften, v. s. 400, zijn verloren; Cicero heeft ze echter gebruikt o. a. in zijn werk: de divinatione.

Clitor, Kleitor, sterke stad en riviertje in het N. van Arcadia.

Clitumnus, riviertje in Umbria, met een tempel van den god Clitumnus.

Clitus, Kleitos, 1) zoon van Mantius, werd door Eos geschaakt.--2) bijgenaamd de Zwarte, veldheer van Alexander d. G., redde hem het leven in den slag bij den Granicus en was sedert een van zijne gunstelingen; hij werd bevelhebber van de lijfwacht en satraap van Bactrië. Alex. doodde hem in dronkenschap bij een drinkgelag, toen Cl. hem ergerde door zijne al te vrijmoedige taal.--3) bijgenaamd de Witte, voerde na Alex.'s dood de veteranen terug, overwon in den lamischen oorlog de Atheners ter zee, werd landvoogd van Lydië, van waar Antigonus hem na twee jaar verdreef, overwon, als admiraal van Polyperchon, Antigonus en Cassander bij Byzantium ter zee, maar sneuvelde den dag daarna (318).

Clivus Capitolinus, de weg, die van het Forum te Rome naar boven leidde naar den Mons Capitolinus.

Cloaca Maxima, het groote afvoerkanaal in Rome, dat oorspronkelijk diende om de lage gronden in den omtrek van het latere Forum droog te leggen, en later uitgebreid en overdekt, tevens het huiswater van een gedeelte van de stad naar den Tiber afvoerde. Het oudste gedeelte dateert nog uit den koningstijd. Het werk bestaat nog, en is weer in gebruik genomen. Het begint bij de laagte tusschen Oppius en Cispius, loopt dan onder het Argiletum door naar het Forum, en vervolgens door het Velabrum en het Forum Boarium, tot het tusschen den Pons Aemilius en den kleinen rondtempel in den Tiber mondt. Het woord is afgeleid van cloare = reinigen.

Cloacina, volgens de gewone opvatting een bijnaam van Venus, zij had een heiligdom bij het Comitium te Rome, dat naar men meende, reeds bestond sedert de vereeniging van Rom. en Sabijnen. In werkelijkheid is het de godin der Cloaca Maxima (z. a.) en heeft zij met Venus niets te maken.

Clodia (via). Deze weg liep van Rome door Etruria ten W. van den Lacus Sabatinus over Saturnia en Rusellae en sloot zich vervolgens aan de via Aurelia aan. V. a. vereenigt hij zich voorbij Blesa wederom met de via Cassia (z. a.) en loopt dan van Florentia naar Luca en Forum Clodii.

Clodiae (leges) van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, in 58. 1) lex frumentaria, dat de korenuitdeelingen om niet zouden plaats hebben.--2) lex de auspiciis, dat op de dagen, waarop wetgevende comitia gehouden werden, geene andere auspicia mochten genomen worden en dus geene obnuntiatio zou kunnen plaats grijpen. Bovendien werden de leges Aelia et Fufia opgeheven, zie servare de caelo.--3) lex de collegiis, tot herstel der in 64 bij senaatsbesluit opgeheven gilden en demagogische genootschappen, collegia compitalicia.--4) lex de censoria notione, dat de censoren niemand mochten bestraffen, die niet formeel bij hen was aangeklaagd en door beiden schuldig was bevonden.--5) lex de capite civis Romani, dat wie een rom. burger zonder rechterlijk vonnis had ter dood gebracht (gelijk Cicero met Catilina's eedgenooten had gedaan), zou verbannen worden. Deze wet werd nader uitgewerkt door een tweede, waarbij aan Cicero, nu met name genoemd, het verblijf binnen 400 mijlen van Rome werd ontzegd (aqua et igni interdictio).--6) lex de provinciis consularibus, waarbij aan den consul L. Calpurnius Piso Caesoninus Macedonia en Achaia, aan den consul A. Gabinius Syria werd opgedragen. Het doel was, hen gunstig te stemmen, opdat zij zich niet tegen Cicero's verbanning zouden verzetten.--7) lex de rege Ptolemaeo, dat koning Ptolemaeus van Cyprus zou onttroond worden en zijn land en bezittingen tot eigendom van het rom. volk zouden worden verklaard, en dat M. Porcius Cato (minor) deze wet zou ten uitvoer leggen. Het doel der wet was eigenlijk, Cato op eene fatsoenlijke manier uit Rome te verwijderen.--8) lex de suffragiis libertinorum, dat de vrijgelatenen ook in de tribus rusticae zouden kunnen stemmen. Deze wet kwam echter niet tot stand.

Clodii = Claudii. Eenige leden der gens Claudia schreven hun naam met o in plaats van au, zie Claudii no. 17-19.

Clodius Albinus. Zie Albinus.

Clodius Macer (L.), generaal van Nero in Africa, had zich bij den opstand van Vindex en Galba tegen Nero (voorjaar van 68) half onafhankelijk gemaakt, maar werd na Nero's dood wegens zijne roofzucht door Galba gevonnisd.

Cloelii of Cluilii, patricische gens, afkomstig uit Alba Longa. 1) C. Cloelius, volgens de overlevering koning van Alba Longa, voerde oorlog tegen Rome tijdens Tullus Hostilius en stierf gedurende den veldtocht, waarop Mettius Fuffetius dictator van Alba werd.--2) Cloelia, rom. maagd, die, onder de gijzelaars aan Porsena uitgeleverd, ontsnapte en over den Tiber naar Rome terugzwom. De senaat zond haar naar Porsena terug, doch deze stelde haar in vrijheid en schonk haar een fraai opgetuigd paard, terwijl hij ook nog een aantal andere gijzelaars te harer keuze losliet. De Rom. richtten voor haar een standbeeld te paard op.--3) Q. Cloelius Siculus, consul in 498, benoemde zijn ambtgenoot T. Larcius Flavus tot eersten dictator.

Clotae aestuarium, golf op de Westkust van Caledonia (Schotland), thans Firth of Clyde.

Clotho, Klotho, de spinster, eene van de Moerae, wordt voorgesteld met een haspel, waarmede zij 's menschen levensdraad spint.

Cluentii. 1) L. (v. a.) A. Cluentius, italiaansch generaal in den marsischen oorlog, bij Nola gesneuveld, in 89.--2) A. Cluentius Habitus, vader en zoon, bekend door de schitterende oratio pro Cluentio van Cicero in 66.

Cluilii = Cloelii.

Clupea, rom. naam voor de stad Aspis in Africa, z. a.

Clusium, Klousion, vroeger Camers geheeten, de voornaamste der 12 etrurische hoofdsteden, residentie van Porsena, wiens praalgraf in de nabijheid was. De stad was zeer sterk. De belegering van Clusium door de Galliërs gaf aanleiding tot hun tocht naar Rome in 390. Het speltmeel van Clusium (far Clusinum) was om zijne fijnheid zeer gezocht.

Clusius, bijnaam van Janus (z. a.).

Cluvii, een campaansch geslacht, dat zich te Rome vestigde.--1) Pacula Cluvia voorzag de Romeinen, die te Capua door Hannibal werden gevangen gehouden, van levensmiddelen.--2) M. Cluvius bestuurde Cicero's geldzaken.--3) Cluvius Rufus, geschiedschrijver, bekleedde onder Claudius en Galba verschillende ambten. In zijne geschiedenis beschreef hij den tijd van Caligula tot Vitellius. Tacitus heeft hem als bron gebruikt.

Clymene, Klymene, 1) Oceanide, gehuwd met Iapetus, moeder van Atlas, Menoetius, Prometheus, Epimetheus.--2) bij Prometheus moeder van Deucalion.--3) bij Helius moeder van Phaëthon, later gehuwd met den aethiopischen koning Merops.--4) dochter van Minyas, bij den arcadischen koning Iasius moeder van Atalante.--5) dochter van Catreus, werd op bevel van een orakel door haar vader verstooten en aan een zeeman Nauplius (no. 3) gegeven om haar te verwijderen, bij wien zij moeder werd van Palamedes en Oeax.--6) v. s. een bloedverwante van Menelaus, dienares van Helena, met wie zij naar Troje ging; na de inneming der stad werd zij aan Acamas gegeven.--7) bijnaam van Persephone.

Clymenus, Klymenos, 1) zoon van Cardys, stelde vijftig jaar na den zondvloed van Deucalion de olympische spelen weder in.--2) zoon van Presbon, koning van Orchomenus in Boeotië, schoonvader van Nestor, stierf aan eene wonde, die hem bij een wedren door een thebaanschen wagenmenner werd toegebracht.--3) bijnaam van Hades.

Clypea = Clupea.

Clypeus = clipeus.

Clysonymus, Klysonymos, zoon van Amphidamas, speelmakker van Patroclus, die eens bij het dobbelspel twist met hem kreeg en hem doodsloeg.

Clytaemnestra, Klytaimnestra, (waarschijnlijk beter Clytaemestra, Klytaimestra, dochter van Tyndareos en Leda, gemalin van Agamemnon (z. a.). Zij regeerde na diens dood met Aegisthus over Mycenae en Argos totdat Orestes, volwassen geworden, zijn vader wreekte en beiden doodde.

Clytia, Klytia, Oceanide, door Apollo bemind. Toen de god ook voor Leucothoë liefde had opgevat, verried Cl. dit uit jaloerschheid, waarop Leucothoë door haar vader levend begraven werd. Daarom kreeg Apollo een afkeer van haar, en uit verdriet onthield zij zich van spijs en drank en verkwijnde zij, totdat zij in een zonnebloem veranderd werd.

Clytius, Klytios, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Alcmaeon en de dochter van Phegeus, die na den dood van zijn vader naar Elis vluchtte; hij was de vader van Piraeus en de stamvader der Clytiaden, een beroemd waarzeggersgeslacht in Elis.--3) naam van eenige Trojanen.

Cnemides, Knemides, versterkte stad aan den Cnemis in het gebied der Locriërs.

Cnemis, Knemis, berg op de Zuidgrens der Epicnemidische Locriërs.

Cnidia, Knidia, bijnaam van Aphrodite naar de stad Cnidus, waar een beeld van die godin stond, dat door Praxiteles gemaakt was en voor een van de belangrijkste kunstwerken der oudheid gold.

Cnidus, Knidos, dorische stad tot de Hexapolis Dorica behoorende, op de uiterste punt van de Chersonesus Cnidia; de stad lag tusschen twee havens, die door een kanaal verbonden waren. Op de uiterste punt, het voorgebergte Triopium, lag de tempel van Apollo, waar de bondsvergaderingen der aziatische Doriërs plaats vonden, en hun gemeenschappelijke feesten gevierd werden. Cnidus zelf is in de heele oudheid beroemd om den tempel van Aphrodite Euploia, met het door Praxiteles vervaardigde beeld der godin.

Cnosus, later Cnossus, ook met Gn. geschreven, Knosos, stad op de Noordkust van Creta, in voorhistorische tijden (2400-1200) de koningszetel van een machtig volk met een zeer interessante, hoog ontwikkelde beschaving; wie de dragers waren dezer beschaving, weten we nog niet; we kunnen echter twee tijdperken onderscheiden, die van de vóór-grieksche, en die van de achaeische heerschappij. Omstreeks 1000 vervalt deze cretensisch-myceensche beschaving, en in den historischen tijd is de stad dorisch, met de havensteden Amnisus en Heracleum. Een herinnering aan den vroegeren glans en de vroegere heerlijkheid is bij het grieksche volk levendig gebleven door de sagen van Minos, den Minotaurus en het Labyrinth, van Daedalus en Icarus en van Ariadne. Cnosia tellus = Creta, Cnosia, Cnosis, Cnosias = Ariadne, Cnosia stella = het sterrenbeeld de kroon van Ariadne. De opgravingen der laatste jaren hebben het oude paleis der vorsten van Cnosus blootgelegd.

Coactores. Coactores agminis, soldaten van de achterhoede, die tegen desertie uit de gelederen moesten waken,--Coactores exactionum, of coactores argentarii, personen, wier werk het was, verschuldigde gelden te innen. De vader van Horatius was coactor.

Cocalus, Kokalos, koning op Sicilië, die Daedalus gastvrij opnam toen hij van Creta vluchtte, en Minos doodde toen hij hem kwam opeischen. Uit dankbaarheid versierde Daedalus zijn rijk met vele kunstwerken. V. a. had hij Daedalus willen uitleveren, waarop deze 's konings badkamer zoo overmatig liet verwarmen, dat deze stikte.

Cocceii, aanzienlijk geslacht, waarschijnlijk uit Umbria. 1) L. Cocceius Nerva, vriend van Octavianus, voerde de onderhandelingen tusschen dezen en Antonius. Later stelde hij met Maecenas en Asinius Pollio te Brundisium de voorwaarden op van de overeenkomst tusschen Antonius en Octavianus (herfst 40). In 37 werd hij wederom naar Brundisium gezonden met Maecenas en Fonteius Capito; Horatius en Vergilius maakten de reis mede. Tengevolge daarvan kwam het verdrag van Tarente tot stand.--2) M. Cocceius Nerva, bekwaam jurist, was een der weinigen, die het vertrouwen van Tiberius bezaten. Uit verdriet over diens handelingen liet hij zich doodhongeren (33).--3) M. Cocceius Nerva, rom. keizer, een kleinzoon van no. 2. Zie Nerva.

Coche, Koche, stad aan den Tigris nabij Ctesiphon.

Cocles, zie Horatii.

Cocosates, volksstam in Aquitania, aan den Aturus (Adour).

Cochlear, een soort eierlepel, waarvan de steel spits uitliep, om b. v. schelpdieren en slakken te eten. Een groot soort lepel heet ligula (z. a.).

Cocylium, Kokylion, aeolische stad in Mysia.

Cocytus, Kokytos, rivier in Epirus, tak van den Acheron. In de voorstellingen één van de rivieren in de onderwereld, evenals de Acheron, de Pyriphlegethon en de Styx. In de onderwereld is de Cocytus een arm van de Styx.

Codanus Sinus, het Kattegat. Soms ook wordt de geheele Oostzee zoo genoemd.

Codex, een blok hout, een strafblok aan het been. Ook eene verzameling wastafeltjes om op te schrijven, van achteren aaneengehecht, evenals onze leitjes. Vervolgens ook een boek van papier of perkament, ingenaaid. Ten slotte ook een wetboek, b.v. codex Iustinianeus. Codex accepti et expensi = kasboek.

Codicilli (zie codex), kleine wastafeltjes tot een notitieboekje vereenigd, om aanteekeningen te maken, ook om als brief verzonden te worden, toevoegsels tot een testament te maken, en dgl. Zie Cera.

Codrus, Kodros, zoon van Melanthus, laatste koning van Attica. Bij een inval van de Doriërs had een orakel den Atheners de overwinning voorspeld als hun koning sneuvelde, waarop C. zich verkleed in het kamp van de vijanden begaf, twist zocht en gedood werd. De Doriërs trokken toen ontmoedigd af, en de eupatriden schaften het koningschap af, onder voorwendsel dat niemand na C. de regeering waardig was.

Coela (plur.), ta Koila tes Euboias, het vlakke gedeelte van Euboea langs de Oostkust tusschen de kapen Caphareus en Chersonesus.

Coele, he Koile, zuidwestelijke voorstad van Athene, tusschen de lange muren.

Coelesyria, he koile Syria, sedert de macedonische verovering de dalstreek tusschen den Libanon en den Antilibanon, met de bronnen van den Orontes en de stad Heliopolis (Baälbek). In het rom. tijdperk breidde de naam Coelesyria zich uit over het land ten O. van den Antilibanon, waar Damascus lag, zelfs tot Palmyra.

Coelii = Caelii no. 1-3.

Coelius mons = Caelius mons.

Coelossa, Koilossa, berg in Sicyonia.

Coëmptio, eene der vormen, waaronder een rom. huwelijk kon worden gesloten. Zij berustte op het recht van den pater familias, om zijne kinderen te verkoopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een libripens, die de weegschaal hield, stond de vader zijne dochter aan den bruidegom af. Deze laatste tikte daarbij met een geldstuk tegen de schaal, eene zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den koopprijs. Door zulk een huwelijk kwam de vrouw in de manus van haar echtgenoot (zie manus). Vóór de eigenlijke handeling der coemptio plaats had, gaf de bruid op de vraag van haar aanstaanden echtgenoot haar toestemming tot het huwelijk, zoodat zij door den verkoop geen slavin werd, maar naast haar man eene vrije positie innam. Over de coëmptio cum extraneo fiduciae causa zie men het artikel tutela.

Coena, de hoofdmaaltijd der Rom., die gehouden werd na afloop der hoofdbezigheden van den dag, tusschen 2 en 4 uur volgens onze wijze van tijdverdeeling. In den oudsten tijd was de coena echter om 12 uur; het avondeten heette toen vesperna. Men gebruikte den maaltijd in den ouden tijd in het atrium, daarop een tijd lang op de bovenverdieping, die cenaculum heet, vervolgens in het triclinium. Oudtijds zat men aan tafel, daarop volgde een tijd, waarin de mannen op grieksche wijze aan tafel lagen, terwijl vrouwen en kinderen zaten. Tegen het eind van de republiek was het aanliggen (accubare), behalve voor de kinderen, algemeen in gebruik. In den ouden tijd bestond de maaltijd uit twee gangen; de tweede (mensae secundae) bestond uit vruchten: una carnis fuerat, altera pomorum; bij den tweeden gang werd gedronken: una epularum, altera poculorum. In den keizertijd bestond de coena van den gegoeden burger uit drie gangen (fercula): 1) een voorgerecht, gutus, gustatio, promulsis, uit eieren, schelpdieren, visch, radijs, olijven, of salade bestaande, alles eenigszins pikant toebereid om den eetlust op te wekken;--2) het caput coenae, gewoonlijk uit twee of drie gangen bestaande;--3) de mensae secundae, nagerecht of dessert, dat uit versche en gedroogde vruchten en gebak bestond. Ook bij den gewonen burgerstand had men drie fercula, maar eenvoudiger; er werd veel kool en varkensvleesch gegeten, ook jonge geiten en verder kippen. Tusschen de verschillende gerechten hield men gewoonlijk een kleine pauze, die besteed werd aan gezellig onderhoud of voorlezen of het uitvoeren van muziek of vertooningen door de slaven. Voor en na den maaltijd en ook tusschen de gangen wiesch men zich de handen, wat des te meer noodig was, omdat men geen vorken kende, en dus met de vingers at. Vóór de mensae secundae bad men tot en offerde men aan de Lares en den Genius van den pater familias, later ook aan den Genius van den keizer. Wat in later tijd de maaltijden der rijken zoo kostbaar maakte, was niet zoozeer de wijze van toebereiding als wel het opdisschen van spijzen, die zeldzaam of moeielijk te verkrijgen waren. Z. deipnon.

Coenus, Koinos, een van de dapperste generaals van Alexander d. G., schoonzoon van Parmenio, stierf op den terugtocht uit Indië (326).

Coërcitio is het recht, dat de ambtenaren behalve de quaestoren hebben, om de burgers tot eerbied en gehoorzaamheid aan hun verordeningen te dwingen. De dwangmiddelen waren: doodstraf, geeseling, boete (multae dictio), hechtenis en pignoris capio; alleen de magistratus cum imperio en de tribuni plebis konden, voor zoover de provocatie-wetten hierop geen inbreuk maakten, al deze straffen aanwenden; de censoren en aedilen hadden alleen de multae dictio en de pignoris capio. De magistratus cum imperio hadden de coërcitio tegen de magistraten, wier imperium geringer was dan het hunne, en tegen de mag. sine imperio. De tribunen hadden dit recht tegen alle magistraten, later zelfs tegen den dictator, terwijl zij aan niemands coërcitio onderworpen waren.

Uit de coërcitio, die ook in den keizertijd blijft bestaan, heeft zich door de provocatiewetten de eigenlijke strafrechtpleging (iudicatio) ontwikkeld, en de strafrechtpleging der stadhouders van de provinciën berust op het ius coërcitionis.

Coës, Koes, aanvoerder der Mitylenaeërs, die Darius op zijn tocht tegen de Scythen volgden. Hij was het die aanried de brug over den Donau niet af te breken, waarvoor hij later beloond werd met de tyrannie over Mytilene. Bij het uitbreken van den opstand der Ioniërs werd hij gedood.

Coetae, Koitai, volksstam in oostelijk Pontus, verkeerde lezing voor Taochoi.

Coeüs, Koios, een van de Titanen.

Cognatio, natuurlijke bloedverwantschap door gemeenschappelijke afstamming. Zie agnati.

Cognitio, gerechtelijk onderzoek door de overheid in eene rechtszaak, ook wel de beslissing.

Cognitor, 1o identiteitsgetuige, d.i. een Romeinsch burger, die in een vreemd land gerechtelijk van een ander verklaart, dat hij insgelijks een Rom. burger is, en de persoon is, voor wien hij zich uitgeeft.--2o zaakwaarnemer in privaatzaken.--3o in later tijd degene, aan wien de cognitio (z. a.) toekomt, rechter van instructie.

Cognomen. Zie nomen.

Cohors als krijgsterm beteekent in de eerste plaats eene vereeniging van troepen als afdeeling van een legioen. Twee centuriae van hetzelfde wapen vormden een manipulus. Sedert den tweeden punischen oorlog vereenigde men twee manipels tot eene cohorte. Omtrent de normale sterkte van een legioen z. Centuria. Was het noodig het legioen te versterken, dan werd het getal hastati en principes in elke centurie vermeerderd, niet echter dat der triarii of pilani. Ten gevolge van verschillende hervormingen deels van Marius afkomstig, deels van Caesar, bestond in Caesars tijd het legioen uit 10 cohorten, en elke cohorte uit 6 centuriën of 3 manipels, zooals de figuur aanwijst. Bij de opgaaf van de getalsterkte der cohorten worden de velites niet medegerekend, en wanneer men b.v. van cohortes quingenariae leest, moet men dit getal aldus verdeelen, dat elke cohorte uit het vaste getal van 60 triarii of pilani en verder uit 220 principes en 220 hastati bestaat. Onder Augustus werd de eerste cohorte van ieder legioen op de dubbele sterkte der overige gebracht: zij telde 1000 soldaten, 100 onderofficieren of decani en 5 centuriones, en werd cohors milliaria genoemd, terwijl de andere cohorten 555 man voetvolk hadden, n.l. 500 soldaten, 50 decani en ook 5 centuriones. Aan de eerste cohorte waren 132, aan elke der andere 66 geharnaste ruiters toegevoegd.--In lateren tijd wordt cohors ook van eene afdeeling ruiterij gebezigd.--Ook van de hulptroepen, door de bondgenooten geleverd, wordt meermalen het woord cohortes gebruikt.

Cohors praetoria, de garde of lijfwacht van den veldheer of stadhouder, ook wel met inbegrip van zijn staf en zijn geheele gevolg van officieren, ambtenaren, vrienden en dienaren. Het eerst heeft Scipio Africanus minor in den numantijnschen oorlog zoo'n lijfwacht opgericht.

Cohortes praetoriae. Augustus richtte een gardecorps op van 9 cohorten, elk 1000 man sterk, waarvan er echter niet meer dan 3 te Rome in garnizoen lagen, die bij de burgers ingekwartierd werden en buiten dienst de toga mochten dragen, weshalve zij ook wel cohortes togatae worden genoemd. Deze garde had hooger soldij en korter diensttijd dan de overige troepen. Hiervan onderscheiden is de bataafsche lijfwacht, de corporis custodes (z. a.). Op aansporing van Seianus liet keizer Tiberius voor de praetorische cohorten eene vaste legerplaats, castra praetoria, bouwen in den N.O. hoek van Rome. Vitellius ontbond de praetoriaansche garde, omdat zij voor Otho tegen hem had gestreden, en richtte eene nieuwe van 16 cohorten op. In de geschiedenis van Rome speelden de praetorianen eene groote rol: keizers werden door hen op den troon geplaatst en vermoord, éénmaal zelfs, in 193 na C., verkochten zij de keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende. Keizer L. Septimius Severus ontbond de garde in 194 en verving ze door een andere. Onder Constantijn werd zij afgeschaft en hare legerplaats afgebroken. In het eerst stond de garde onder twee praefecti praetorio, tijdens Tiberius onder één, later weder onder één of twee of drie.

Cohortes urbanae, eene soort van gendarmerie, door Augustus opgericht, om voor de openbare veiligheid te Rome te zorgen. Eerst waren er 3; Vitellius bracht het getal op 4. Zij stonden onder den praefectus urbi. Later smolten zij met de praetorianen samen.

Cohortes vigilum, zeven in getal, voor elk tweetal wijken één, eene soort van brandweer en politie, door Augustus ingesteld. Zij stonden onder een praefectus vigilum.

Colchis, Kolchis, landschap aan den O.-hoek van den Pontus Euxinus (Zwarte zee), ten Z. van den Caucasus, ten N. van Armenia, door den Phasis doorsneden. Het land was moerassig, zoodat de woningen voor een deel op palen moesten gebouwd worden, doch het was zeer vruchtbaar en leverde o.a. timmerhout, hennep, pek, honig, was, vooral vlas en linnen, en ook goud op. Van de boorden van den Phasis zijn de fazanten, aves Phasianae, afkomstig. De bewoners van de vlakte hadden een donkere huidkleur en kroeshaar, en leken op de Aethiopiërs, zoodat Herodotus vermoedt, dat ze uit Aegypte hierheen verplaatst zijn. Aan de kust lagen de milesische koloniën Phasis en Dioscurias. Mithradates VI maakte het gewest tot eene pontische provincie; daarna werd het aan Rome cijnsbaar. De mythe noemt het Aeaea of Aea en plaatst er de gouden ramsvacht, bekend uit de sagen van den Argonautentocht en van Iason en Medea. Bij dichters is Colchis meermalen = de Colchische vrouw, d. i. Medea.

Colias, Kolias, kaap op de Westkust van Attica dicht bij Phalerum, waar fijne porceleinaarde werd gevonden. Er stond een tempel van Aphrodite.

Collatia, latijnsche stad aan den Anio, door Tarquinius Priscus veroverd, de woonplaats van L. Tarquinius Collatinus en Lucretia.

Collatinus, zie Tarquinii no. 3.

Collegae zijn niet slechts ambtgenooten, maar ook overheden, die onder gelijke auspiciën gekozen zijn. Zoo zijn de praetoren collegae minores der consuls, de magister equitum een collega minor van den dictator. Op de par potestas der collegae berust het ius intercessionis, dat ze tegenover elkaar kunnen uitoefenen.

Collegium, 1) collegie van ambtgenooten, b.v. collegium pontificum.--2) corporatie tot eenig bepaald doel, b.v. collegia tenuiorum, begrafenisfondsen.--3) gilden van ambachtslieden, collegia opificum.

Collina, eene der vier regiones, waarin Servius Tullius de stad Rome verdeelde. Deze regio omvatte den collis Quirinalis en den collis Viminalis.

Collina (porta), noordoostelijkste poort van Rome in den muur van Servius Tullius.

Collybus, kollybos, agio bij de geldwisselaars.

Collytus, Kollytos, demus in Attica tot de phyle Aegeis behoorende.

Colonae, Kolonai, naam van twee steden, eene in Troas ten Z.W. van Neandria, en eene in Mysia.

Colonatus. Colonus beteekent oorspronkelijk boer, maar wordt later gewoonlijk in de beteekenis van pachtboer gebruikt. De boerderijtjes zijn klein; de pachttermijn is gewoonlijk 5 jaar, maar wordt dikwijls stilzwijgend vernieuwd; en daar de colonus gewoonlijk geen geld heeft, wordt de pacht in natura betaald. De groote landgoederen, die zich sinds den 2den Punischen oorlog in Italië vormden (z. Latifundia), lieten de eigenaars of bezitters liefst door slaven bewerken (z. Agrariae leges); de wet, die hen dwong een zeker aantal vrije daglooners in dienst te hebben, werd niet uitgevoerd of ontdoken. Toen echter door de slavenopstanden (z. Spartacus) de slaven in aantal ontzettend afnamen of onbetrouwbaar werden, namen de eigenaars weer een tijd lang hun toevlucht tot het pachtsysteem. In den keizertijd nam echter in Italië het gebruik van slaven, de uitbreiding der latifundia en de ontvolking, die daarmede gepaard pleegt te gaan, weer hand over hand toe. In de provinciën, vooral in Africa, waaromtrent wij het best zijn ingelicht, is het grootgrondbezit ook schrikbarend. Op de groote landgoederen (saltus) hetzij van particulieren, hetzij van den keizer, vindt men daar naast het huis en het bedrijf van den landheer uitsluitend kleine pachters, coloni, die tengevolge van de slechte ekonomische toestanden, daar anders het bedrijf niet meer loonend is, langzamerhand gedwongen worden op hun grond te blijven wonen (glaebae adstricti). Deze saltus of praedia worden tot groote distrikten (tractus) bijeengevoegd, en aan het verband met het municipium waartoe ze oorspronkelijk behoorden, onttrokken. Verschillende contracten, waaraan die coloni gebonden waren, zijn in de laatste twintig jaar in Africa teruggevonden. Het oudste contrakt, lex colonis fundi villae Magnae data ad exemplum legis Mancianae dateert van het jaar 116 of 117 n. C. In de 4de eeuw n. C. worden de verplichtingen van hoorigheid ook in de wetgeving opgenomen, en strenge strafbepalingen vastgesteld op het verlaten van de hofstede. Men werd colonus of door geboorte, of door vrijwillig zich aan te melden. Ook zwervers en landloopers werden aan een eigenaar uitgeleverd. Men werd slechts vrij door dienst te nemen, of, later, door priester of monnik te worden. Hun toestand wordt in den loop der eeuwen hoe langer slechter. Omtrent den oorsprong van het kolonaat tast men nog vrijwel in het duister. Sommige geleerden meenen, dat, al zijn de vormen, waaronder deze hoorigheid zich voordoet, ook niet oostersch, toch de oorsprong er van in de hellenistische wereld gezocht moet worden.

Colonia, 1) Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden, dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees eene zelfstandige stad, die wel in den beginne de bescherming der moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ook Cleruchia. De uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals het medenemen van vuur uit het prytaneum der moederstad, en ook werd geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.--2) Romeinsche koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit, en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren militaire posten, propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijke gemeente. Voor een klein deel waren het coloniae civium Romanorum, d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe behooren o. a. de coloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de verdediging der kust belast zijn, militiae vacationem sacrosanctam, waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden werd. De meeste coloniae waren col. latinae (zie hieronder); vaak werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden, zonder een bepaalde colonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur, te vormen; men spreekt dan van assignationes viritanae. Zie ook onder het artikel Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus. De oude inwoners, inquilini, werden als dediticii, overwonnelingen, beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als coloni te laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden de coloniae geen militaire beteekenis meer.--Deze gewoonte, koloniën als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340, d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In tegenstelling der vroegere coloniae latinae werden deze coloniae latinae populi romani geheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum, Brundisium, Cremona, Placentia, en hadden het ius Latii.--Een andere soort van coloniae waren die, welke nu en dan werden uitgezonden om Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octavianus in 41 en 40 acht steden in Gallia Transpadana, tot straf voor hunne gehechtheid aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijn coloniae veteranorum.--De uitzending van koloniën had volgens eene speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen commissarissen, meestal drie, III viri coloniae deducendae.

Colonia Agrippina, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50 n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus' dochter Agrippina. Het was de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den keizer. Thans Keulen aan den Rijn.

Colonus, Kolonos, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden en het graf van Oedipus.

Colophon, Kolophon, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke ruiterij. Vandaar het spreekwoord Kolophona epitithenai = eene zaak haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook aanspraak op Homerus.

Colossae, Kolossai, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd, in Strabo's tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste christelijke gemeenten.

Colosseum, zie Amphitheatrum.

Colotes, Kolotes, leerling van Epicurus, verdedigde in verscheiden werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren soms hevig aan.

Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd slechts voor slaven gebezigd.

Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene vermeld. Er waren algemeene columbaria, waarin men eene plaats kon koopen.--Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.

Columella (L. Iunius Moderatus) geboren te Gades, leefde in het midden der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven werk de re rustica in 12 boeken; hiervan is het 10de boek, over den tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.

Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische, ionische en corinthische zuilen. Bij de grieksch-dorische orde rijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven, cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel, capitulum, kephalaion. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals, hypotrachelion, een voortzetting der schacht door eene insnijding of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen versierd. Daarop rust de eierlijst, echinus, echinos, en op deze weder de vierkante dekplaat of abacus, abax. Op de dekplaten rust dan de draagbalk of architraaf van den bovenbouw. Bij de rom.-dorische zuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met bolronde kanten, torus.--De grieksch-ionische zuil bereikt gemiddeld eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de schacht rust op een voet van kussens, door holle randen, trochiloi, gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen, zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt den abacus en deze wederom den architraaf. De rom.-ionische krul mist de welving in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht, dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende: De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil is in den regel van steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in; men noemt dit de peristasis.--De corinthische zuil onderscheidt zich van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd, bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.

Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van de Columna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt het bellum Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172-173 n. C.), de bovenste helft het bellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten, Iazygen en Quaden (174-175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld van den apostel Paulus.

Columna bellica, kleine zuil voor den Bellona-tempel te Rome, ten N.W. van den mons Capitolinus. Bij deze zuil werd oudtijds het formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.

Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op, genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven, dieven en gemeene misdadigers gestraft.

Columna rostrata, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.

Columna Traiani. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117 voet hoog en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijze en relief tafereelen uit den dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.

Columnae Herculis, twee bergen aan het fretum Gaditanum (straat v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.

Colyttus, Kolyttos = Collytus.

Comaetho, Komaitho, dochter van Pterelaus, koning der Taphiërs. Uit liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing; Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl. Nisus.

Comana, ta Komana, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000 hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermodon de woonplaats der Amazonen te stellen.

Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats- en hofbeambten, als: comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester, comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ook Illustres. Er waren comites in actu, in dienst, vacantes, buiten dienst, en ook honorarii.

Cominii, plebejisch geslacht.

Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atina, door de Romeinen verwoest (293).

Comissatio, een drinkgelag als voortzetting der coena, meestal tot diep in den nacht.

Comitia zijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen der auspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij de com. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.

Comitia curiata calata zijn volksvergaderingen, die vroeger door den koning, later door den pontifex maximus werden bijeengeroepen (calare) tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen voor de Curia Calabra op het Capitool, en werden in de oudste tijden gehouden tot inauguratie van den koning, de flamines en later van den rex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis calatis factum), bij arrogatio uithoofde der detestatio sacrorum, tot afkondiging van den feestkalender, bij de transitio in plebem, enz.

Comitia curiata waren de oudste soort van volksvergadering op het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën, zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten, die het noodig hadden, het imperium door eene curiaatvergadering verleend (lex curiata de imperio).

Comitia centuriata waren die, waarin het volk naar classes en centuriae stemde. Zie centuria. Het kwam dus op den census aan, niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18 riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in den loop der tijden gedeeltelijk op de comitia tributa, gedeeltelijk op het concilium plebis over. Consuls brachten hun wetsvoorstellen steeds (behalve als ze in de oppositie waren) ex auctoritate senatus voor de com. cent. Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º. het recht om aan de censores na hun benoeming de potestas te verleenen (lex de censoria potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken, die haar echter sedert 149 door de quaestiones perpetuae meer en meer werd onttrokken.--Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën gesplitst, van elke klasse een cent. seniores boven 45 jaar, en een cent. iuniores van 17-45 jaar. Dit gaf voor de 35 tribus 350 centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders, 2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eerste classis in elke tribus in een centuria seniorum en een c. iuniorum gesplitst was.

Comitia tributa. Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle stemgerechtigde burgers tributim kunnen stemmen en elke tribus ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikel concilia plebis. Op het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van de gelegenheid gebruik, het volk tributim op te roepen, omdat de tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën gebonden waren en dus minder omslag vereischten. De lex Aternia Tarpeia droeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus minores opgedragen. De eerste wet in comitiis tributis aangenomen was de lex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius, in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen (Zie lex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in de com. trib. slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest bekend zijn de leges tributae praetoriae, wetten tot regeling van het privaatrecht, die ex auctoritate senatus door den praetor urbanus werden ingediend. De lex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten worden gecoöpteerd. Dit zijn de comitia sacerdotum.

Comitiales dies, de dagen, waarop comitia mochten gehouden worden (quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren de dies nefasti, de dies fasti, en de nundinae. In den kalender worden ze aangeduid met een C. Op de nundinae mochten wel vergaderingen van de plebs (concilium plebis) gehouden worden.

Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde, waar oudtijds de comitia curiata plaats hadden en, voor het Forum ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er de ambtszetels van de tribuni plebis. Later werd een groot gedeelte van het plein ingenomen door de nieuwe Curia Julia.

Commagene, Kommagene, het noordelijk gedeelte van Syria met de hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den Amanus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasianus maakte het weder tot rom. provincie. Onder Diocletianus en Constantijn droeg het, met Cyrrhestice vereenigd, den naam Euphratensis of Augustophratensis.

Commeatus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het recht om commeatus te verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer toekomt, schijnen de centuriones, evenals bij het verleenen van vacationes munerum (zie Beneficiarius miles), hierin handel gedreven te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio's eene jaarlijksche toelage te geven.

Commentarii, apomnemoneumata of hypomn., fr. mémoires, gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices, die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten, commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van den Gallischen en den burgeroorlog.

Commercium is de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel voor, dat de civitates (z. a.) in de onderworpen gewesten onderling geen commercium hadden.

Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.

Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180-192 n. C., zoon van Marcus Aurelius en diens gemalin Faustina, hoewel sommigen hem voor een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij eindelijk zelf vermoord werd.

Commodus (L. Ceionius), zie Verus.

Comoedia, komodia. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in kunstelooze liederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen, elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde, waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst, of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken; met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek, het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf, door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In het bizonder dient daartoe de parabasis (parabasis), een intermezzo, dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste aantrekkelijkheid der oude comedie (archaia kom.) ging verloren, toen omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen te noemen (onomasti komodein), tevens werden de stukken met veel minder luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen leggen de dichters der nieuwe komedie (nea kom.) zich meer op de eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping, in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden, enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt men den tijd der mese kom.--De rom. comedie is eene navolging van de nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was, bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in de fabulae palliatae komen zelfs grieksche, in de veel minder talrijke fabulae togatae romeinsche toestanden en kleederdrachten voor.

Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening den tweeden) dag daarna, in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede termijn van een proces comperendinatio genoemd, ook al viel deze niet op den derden dag.

Compitalia, feesten 3-5 Januari ter eere der Lares compitales, beschermgoden der compita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag voor de familia, de slaven, en op dien dag mag de vilicus offeren. Een compitum is een punt, waar twee of meer straten of wegen zich vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel of een altaar. De landelijke dienst der Lares compitales ging ook op de stad over, waar zich uit de wijken collegia compitalicia voor de viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan, en werd de Genius Augusti tusschen de twee Lares compitales vereerd.

Compluvium, vierkante opening in het dak van het atrium, waardoor het licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat dan beneden in het impluvium of den regenbak werd opgevangen. Zie de afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling geeft, onder domus.

Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende partijen, om hunne zaak aan de beslissing van een arbiter te onderwerpen.

Compsa, stad der Hirpini in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den Aufidus.

Comum, Komon, stad in Gallia Transpadana aan den lacus Larius (meer v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had beroemde ijzerfabrieken.

Concilia plebis. Een concilium is eene vergadering, niet van het geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu, die alleen overheden der plebs, maar geene magistratus populi Romani waren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben, de plebs tributim op te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers (zie hieromtrent onder tribuni plebis), eerst slechts de stedelijke bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457), ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk een concilium plebis waren geene leges, maar plebiscita, en alleen verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte der plebs, brachten het zóó ver, dat de plebiscita ook voor de patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling van plebiscita met leges tot stand: de lex Horatia Valeria in 449, ut quod tributim plebs iussisset, populum teneret, de lex Publilia in 339, ut plebiscita omnes Quirites tenerent, de lex Hortensia, in 287, ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. Zie Horatiae Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden de concilia plebis ook veelvuldig met den naam comitia tributa bestempeld, en worden de plebiscita ook leges genoemd. Het eenige verschil tusschen comitia tributa en concilium plebis is sedert de lex Hortensia gelegen in den voorzitter; is de voorzitter een magistratus populi, dan spreekt men van com. trib., is deze een mag. plebis, dan heet de vergadering concilium plebis. Concilia heeten in den keizertijd ook de provinciale landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers, den cultus Augusti.

Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten van een municipium hadden. Zie vicus no. 3.

Concio = Contio.

Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van overvloed en een olijftak of een schaal in de handen.

Concubinatus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke van conubium. Ook wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eene liberta van hem. Trouwbreuk der concubina was volgens de zienswijze der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen waren liberi naturales. Soms wordt concubina ook wel in den zin van pellex gebezigd.

Condate, keltische stedennaam = het latijnsche Confluentes. Er waren in Gallia Transalpina een aantal steden van dezen naam, aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied der Aeduërs, thans Cosne,--bij de Allobrogers, thans Seyssel,--bij de Redoners, thans Rennes,--bij de Santonen, thans Cognac,--bij de Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden, nl. Condate Aulercorum, thans Condé.

Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eene actio per condictionem de inleiding van een proces door eene dagvaarding om over 30 dagen voor den praetor te verschijnen ad iudicem capiendum. Later heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding achterwege bleef. Eene condictio had altijd een certum tot onderwerp, b.v. eene certa pecunia, eene bepaalde som gelds.

Condrusi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren onderhoorig aan de Treviri.

Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia).

Confarreatio was de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende den naam aan den speltkoek, panis farreus, dien het bruidspaar samen nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van den pontifex maximus, den flamen Dialis en tien getuigen en van de pronuba (z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: "ubi tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)". Door deze huwelijksvorm ontstond tevens de manus (z.a.). Zie ook nuptiae. Het kon alleen ontbonden worden door diffarreatio (z.a.). Voor de priesterwaardigheid van flamen Dialis, Martialis en Quirinalis en rex sacrificulus moest men uit een huwelijk per confarreationem gesproten, en wanneer de vrouw ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar de confarreatio langzamerhand in plaats van regel uitzondering werd, werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte personen te vinden.

Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag.

Congiarium, uitdeeling van een zeker aantal congii wijn, olie en dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats in tesserae of bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon ontvangen. In enkele gevallen werden deze tesserae onder de menigte te grabbelen geworpen.

Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen 8 congii op eene amphora.

Conisterium, konisterion, konistra, in het gymnasium de plaats, waar worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats, waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve.

Connubium, minder goed voor conubium.

Conon, Konon, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee verslagen en in de haven van Mytilene ingesloten; de overwinning der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander's overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische hof, en toen Agesilaus in Azië kwam, kreeg Conon het bevel over eene perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabazus geholpen, verjoeg hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribazus gezonden, werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.--2) van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimedes, gestorven ± 240.--3) taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde, schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud.

Conopeum, konopeion, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden.

Conquisitores, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen.

Conscripti, zie Patres Conscripti.

Consecratio, zie apotheosis.

Consentes dii zijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen der libri Sibyllini volgens Grieksch gebruik voor het eerst in 217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden: Jupiter en Juno, Neptunus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diana, Volcanus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote goden der Grieken. Er werden van hen statuae auratae op het forum opgesteld. In de 4de eeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst hernieuwd, en opgesteld in de porticus deorum Consentium aan den Clivus Capitolinus, die nog bestaat.

Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier stierf Alarik.

Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermelden C. Considius Longus die in 50 zijne provincie Africa verliet en aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumetum en verzette zich tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen soldaten vermoord werd.

Consilium. Wanneer iemand door den praetor als iudex was aangesteld om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat hij zich met een consilium van rechtskundige vrienden als adviseurs omgaf. Zoo behoorde ook de paterfamilias, wanneer hij als huisrechter in familiezaken optrad, een consilium van bloedverwanten en buren bijeen te roepen. Consilium principis is de kabinetsraad des keizers.

Consistorium principis is de naam, dien de keizerlijke staats- of kabinetsraad sedert Diocletianus droeg.

Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen, Constantinus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en Mauretania Tingitana. De tweede zoon Constantius kreeg het Oosten; de derde, Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia, Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten vermoord.

Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312 n. C. echtgenoote van Licinius.

Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zie Salamis.

Constantina, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine, en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius.

Constantinopolis, zie Byzantium.

Constantinus Magnus (Flavius Valerius), rom. keizer 306-337 na C., was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletianus en Galerius in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang van Augustus bezat, te Eboracum (York) op een tocht tegen de Picten, waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen, hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van Galerius tegen den ouden keizer Maximianus en diens zoon Maxentius mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus' dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij den pons Milvius, ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan (het Labarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op hun schilden. Hij was nu alleenheerscher van het Westen, terwijl zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximinus Daia (313) het Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen, waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae, verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk.

Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemde concilie gehouden, en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke ambtenaren zijn de 4 praefecti praetorio (z. a.), de praefectus urbi te Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren de magistri equitum en peditum of utriusque militiae, oorspronkelijk twee, later meer. De keizerlijke garde (de palatini van keizer Diocletianus) werd tot een veldleger uitgebreid, de comitatenses, terwijl de grenstroepen, de limitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier klassen met de titels van illustres, spectabiles, clarissimi en perfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustina en van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedea.

Constantinus II (Flavius Claudius), keizer 337-340 na C., oudste zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten, doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. Zie Constans.

Constantinus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot 411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen genomen en ter dood gebracht werd.

Constantius Chlorus (Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293-306 n. C., vader van Constantinus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletianus en Maximianus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In 306 stierf hij te Eboracum (York). Zie Constantinus Magnus.

Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zie Constans.--Na den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen, en Julianus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer, Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten, in 353 te Lugdunum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen.

Constantius (Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den overweldiger Constantinus III, huwde in 417 na C. 's keizers zuster Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd, doch stierf nog in datzelfde jaar.

Consualia, z. Consus.

Consulairtribunen = tribuni militum consulari potestate.

Consules, hypatoi. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne plaats een ander gekozen, consul suffectus. Zij werden gekozen in de centuriaatcomitiën. Hun titel, uit con en sul saamgesteld (op de wijze van ex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als erfgenamen der koninklijke macht hadden zij de insignia daarvan: toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door de provocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule: videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering der feriae Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius, werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn. Tweemaal is het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling der decemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling van tribuni militum consulari potestate. Door een der leges Liciniae Sextiae (z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15de Maart, sinds 153 (z. Fulvii no. 13) geregeld de 1ste Januari. Sulla bepaalde, dat de consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na afloop daarvan pro consule naar eene provincie mochten gaan. In de laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo werd in 52 Pompeius tot consul sine collega gekozen. Onder de keizers werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heetten consules ordinarii, de volgende suffecti. Macht was er niet meer aan verbonden; het was alleen om de eer te doen en om later den titel van consularis te kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers soms wel oud-consuls titulair, consulares honorarii.--Consul designatus was hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte der zaken te stellen.

Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in de schuren geborgen graan (van condere). Hij had een tempel op den Aventinus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste feestdag, de Consualia (21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het feest gevierd met ludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden geïdentificeerd met Neptunus Equester, Poseidon Hippios. Ook nam men aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn, en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen gevierd werd.

Contestatio litis = Litis contestatio.

Contio, saamgetrokken uit conventio, volksvergadering, door een overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen, in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in eene contio niet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende de contio met een gebed, sollemne precationis carmen. Het debat was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het woord verleenen, contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat sluiten, contionem summovere. In eene contio staat het volk niet gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevende comitia werd de stemming door een contio voorafgegaan. Ook het strafproces werd in eerste instantie viermaal in een contio behandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat (quaestor of duoviri perduellionis) den reus op, om zich op een bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derde contio, telkens door minstens één dag gescheiden (z. comperendinatio) volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij de quarta accusatio werd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk, dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst der comitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde.

Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering, wat bij een pactum of afspraak in den regel niet het geval is.

Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa).

Contubernales, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die zich vrijwillig als comites bij den veldheer aansloten, om zich in de krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, het praetorium, met den veldheer het middagmaal gebruikten.

Contubernium, de toestand van contubernales. Ook het huwelijk van of met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven geen conubium hadden.

Contumacia, van contemnere, niet voldoen aan de oproeping van den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde de aqua et igni interdictio.

Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk, matrimonium iustum of legitimum, te sluiten. Dit bestond in de oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome ook geen conubium tusschen patriciërs en plebejers; eerst de lex Canuleia stond dit toe. Was er conubium, dan volgden de kinderen den stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verder matrimonium.

Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne) aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdunum Convenarum.

Conventio in manum. Manus was de macht van den man over de vrouw, waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen. De vrouw kwam door huwelijk in manum mariti. Bij een huwelijk per confarreationem of per coëmptionem was de conventio in manum een onmiddellijk gevolg, bij usus echter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop van het jaar een trinoctium buitenshuis doorbracht. In den loop des tijds werd de conventio in manum door coëmptio ook in zwang gebracht, niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan, coëmptio cum extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikel tutela.

Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in arrondissementen of distrikten ingedeeld, conventus genaamd, en in de hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventum of forum agere). Conventus beteekent ook wel de saamgekomen menigte, de vergadering.--Onder conventus civium Romanorum verstaat men eene corporatie van in zulk een distrikt woonachtige cives Romani, de romeinsche gemeente aldaar.

Convivium, symposion, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot president aangewezen, arbiter of magister bibendi, rex vini, die omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder de aardigheden bij zoodanig convivium behoorde ook het ad numerum bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook de cottabus was een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zie deipnon.

Coos = Cos.

Copa, ook caupa en cupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene, die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte te lokken. Cupa is ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius toegeschreven.

Copae, Kopai, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copais.

Copaïs, Kopais, het meer van Copae, in Boeotia, bekend door zijn fluitenriet en zijne alen. Het riviertje Cephissus stroomde er door, terwijl onderaardsche kanalen, catabothra, het water afvoerden. In den zomer droogde het meer grootendeels uit en vormde dan een aantal kleine meertjes.

Cophen, Kophen, zijtak van den Indus, waaraan Cabura (Kabul) en Nagara liggen.

Copia, sedert 193 lat. kolonie in het gebied van het oude Thurii, z. a.

Copis, kopis, een licht gekromde sabel, vooral bij oostersche volken in gebruik.

Coponii, plebejisch geslacht uit Tibur afkomstig. Een hunner, C. Coponius, redde bij Carrhae het rom. leger na den dood van Crassus (53).

Copreus, Kopreus, zoon van Pelops, vluchtte wegens den moord van Iphitus uit Elis naar Eurystheus, die hem als heraut gebruikte om zijne bevelen aan Heracles over te brengen, daar hijzelf zich niet in diens tegenwoordigheid durfde wagen.

Coptus, Koptos, stad in Boven-Aegypte, door handel bloeiende, niet ver stroomafwaarts van Thebae.

Cora, Kore = Persephone.

Cora, Kora, oude latijnsche stad op den rand van het Volscisch gebergte, met cyclopische muren.

Coracesium, Korakesion, vesting en zeerooversnest in W. Cilicia.

Coras, zie Tiburtus.

Corassiae, Korassiai, eilandjes op de aziatisch-ionische kust, niet ver van Samus. Zie ook Corsiae.

Corax, Korax, een Siciliër, die na den dood van Hiero (467) over Syracuse regeerde, maar zich later van het staatsbestuur terugtrok. Hij beoefende vlijtig de wetenschap en was de eerste, die de leer der welsprekendheid theoretisch behandelde.

Corax, Korax, berg in het oosten van Aetolia.

Corbio, 1) vesting der Aequers in Latium op den berg Algidus, oorspronkelijk latijnsch.--2) stad der Suessetanen in Tarraconensis, nabij den Iberus (Ebro), thans Berga.

Corbulo, familienaam in de gens Domitia, z. Domitii no. 16.

Corcyra, Kerkyra, later Korkyra, waarschijnlijk het Scheria der Phaeaciërs bij Homerus, aanzienlijk eiland tegenover de epirotische kust in de ionische zee gelegen, sedert ongeveer 700 volkplanting van Corinthus. De toenemende bloei van Corcyra wekte den naijver van Corinthus op, en reeds in 660 waren de twee staten in oorlog; in dezen oorlog wordt het eerst van een geregelden zeeslag melding gemaakt. Toen in 436 de gebeurtenissen in Epidamnus eene botsing tusschen de beide staten hadden uitgelokt, zocht Corcyra, dat eene machtige vloot had, hulp bij Athene en verhaastte hierdoor de uitbarsting van den peloponnesischen oorlog. Na Alexander d. Gr. geraakte Corcyra door inwendige verdeeldheid in verval en stelde zich in 228 onder romeinsche bescherming. De hoofdstad heette ook Corcyra en had eene hooggelegen acropolis. De eilanders stonden in geen goeden reuk, en hadden den naam, brutaal en bedriegelijk te zijn.

Corcyra nigra, eiland aan de dalmatische kust, tusschen de eilanden Melite en Pharus tgw. Cursola.

Cordax, kordax, de dans van het koor in de oude attische comedie, over het algemeen een ontuchtige, onbetamelijke dans.

Corduba, Kordyba, thans Cordova, de eerste rom. kolonie in Baetica en hoofdplaats van dit gewest, geboorteplaats van M. en L. Annaeus Seneca en van M. Annaeus Lucanus.

Cordyene of Gordyene, Gordyene, het land der Carduchen in het Z.O. van Armenia, thans Kurdistan.

Coressus, Koresos, ook wel Koressos geschreven, berg in Ionia, nabij Ephesus en ook een voorstad van Ephesus, aan den voet van dien berg gelegen.

Coresus, Koresos, z. Callirrhoë no. 4.

Corfinium, stad der Paeligni in Samnium, in den marsischen oorlog (90) onder den naam Italia tot hoofdstad der tegen Rome opgestane bondgenooten gekozen.

Corinna, Korinna, beroemde lyrische dichteres van Tanagra, die zich echter gewoonlijk te Thebe ophield. Zij zou Pindarus de dichtkunst geleerd en hem vijfmaal in wedstrijden den prijs afgewonnen hebben. Haar bloeitijd valt omstreeks 500.

Corinthia, Korinthia, landschap van de Peloponnesus, gedeeltelijk op den Isthmus gelegen, aan de eene zijde door den sinus Corinthiacus, aan de andere door den sinus Saronicus bespoeld.--Als oudste bewoners werden Aeoliërs genoemd; de stad heette toen Ephyra. Bij de dorische verovering viel C. aan zekeren Aletes ten deel; omstreeks 950 verhief zich het geslacht der Bacchiaden, dat in 657 door zekeren Cypselus verdreven werd. Deze veranderde de oligarchie in eene tyrannis. Hij heerschte gematigd en verfraaide de stad (657-628). Zijn zoon Periander (628-585) wordt onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend; hij regeerde echter willekeurig en zocht den adel uit te roeien. Zijn zoon Psammetichus werd verdreven en de republikeinsche staatsvorm hersteld. Corinthe had een aanzienlijke vloot en dreef een zeer uitgebreiden zeehandel, die echter geweldig achteruit ging sedert Athene als zeemogendheid optrad; na den peloponnesischen oorlog begon het aanzien van den staat te tanen; het sloot zich vervolgens aan bij de Macedoniërs en later bij het achaeïsch verbond, ten gevolge waarvan het in 146 door den rom. consul L. Mummius veroverd en de stad Corinthus ingenomen en verwoest werd. In Corinthia behooren de mythen te huis van Sisyphus en Bellerophon. Zie verder Isthmus en Isthmia.

Corinthische oorlog wordt de oorlog genoemd, dien de verbonden Atheners, Thebanen, Corinthiërs en Argiven van 395 tot 387 tegen Sparta voerden, waarbij zij van Perzië uit met geld ondersteund werden. De oorlog begon met den aanval der Spartanen op Haliartus, die echter mislukte en waarbij Lysander sneuvelde; deze ongelukkige uitslag noodzaakte de Spartanen Agesilaus uit Azië terug te roepen. Nog voor zijne terugkomst wonnen zij den slag bij Nemea, en ook de bloedige slag bij Coronea, waarin Agesilaus vele wonden kreeg, liep in hun voordeel af; daarentegen werd hun vloot bij Cnidus door Conon geheel vernietigd (394). De Corinthische oorlog, zoo genoemd omdat de legers van beide partijen zich meestal bij Corinthe bevonden, levert na deze slagen weinig belangrijke gebeurtenissen op, maar is merkwaardig wegens het optreden van Pharnabazus als bondgenoot van Sparta's vijanden, en omdat toen voor het eerst door Iphicrates uit huurtroepen een goed georganiseerd corps peltasten gevormd werd. De oorlog eindigde met den vrede van Antalcidas (z. a.).

Corinthus, Korinthos, in zijn bloeitijd de prachtigste stad van Griekenland, aan den voet van een berg, waarop ter hoogte van 1900 voet de burcht Akrokorinthos stond. Het had drie havens: Schoenus en Cenchreae aan de saronische golf, Lechaeum (waarmede het door een dubbelen muur verbonden was) aan de golf van Corinthe. Nabij de stad lag het cypressenbosch Craneum, waar de wijsgeer Diogenes zijn zomerverblijf hield. De ligging der stad was overheerlijk; in tal van prachtige gebouwen overtrof zij Athene, doch tevens was Corinthus de meest weelderige en zedelooze stad van Griekenland. Vooral voor vreemdelingen was het verblijf er kostbaar en vol verleiding; vandaar het spreekwoord: ou pantos andros es Korinthon esth' ho plous. Beroemd was de Aphrodite-tempel met zijne 1000 hierodouloi.--Door L. Mummius werd de stad in 146 veroverd en verwoest. Caesar liet ze herbouwen (46), en dank zij hare ligging, begon zij opnieuw te bloeien. Z. Corinthia.

Coriolanus (C. of Cn. Marcius), zie Marcii no. 3.

Corioli, latijnsche stad, die van den latijnschen bond naar de Volscen overging, in 493 heroverd door C. Marcius, die hiernaar den bijnaam Coriolanus kreeg. De stad is in den strijd tusschen Romeinen en Volscen vroeg te gronde gegaan; ze lag dicht bij Lanuvium.

Cormasa, stad in Pisidia.

Cornelia (lex) de senatu cooptando Agrigentinorum van P. Cornelius Scipio Africanus maior, die in 205 praetor van Sicilia was.

Cornelia (lex) van den consul Cn. Cornelius Lentulus Clodianus (Cornelii no. 49) in 72, tot invordering der gelden, die Sulla aan de koopers van verbeurdverklaarde goederen had kwijtgescholden.

Cornelia (lex) de restituendo Cicerone, tot terugroeping van Cicero uit zijne ballingschap, van den consul P. Cornelius Lentulus Spinther in 57 (Cornelii no. 50).

Corneliae (leges) van L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 39) van 87. 1) de novorum civium et libertinorum suffragiis, waarbij de nieuwe burgers en de vrijgelatenen over alle tribus werden verdeeld.--2) de exsulibus revocandis. Tot deze ballingen behoorde in de eerste plaats Marius. Deze wetten werden voorgesteld, nadat Sulla naar het Oosten was vertrokken.

Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, van 88, die hij liet aannemen, nadat hij zich met geweld van de stad had meester gemaakt. 1) tot afschaffing van de leges Sulpiciae van P. Sulpicius Rufus.--2) dat geen wetsvoorstel door een volkstribuun aan het volk mocht voorgesteld worden zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat, z. lex Hortensia. Deze wet is hernieuwd in 81.--3) dat het volk bij de verkiezingen niet meer tributim, zooals sedert 241 gebruikelijk was (zie Comitia Centuriata), maar volgens de ouderwetsche centuriënindeeling van Servius Tullius moest stemmen.--4) dat het aantal senatoren met 300 leden uit de nobilitas moest versterkt worden.--5) een lex de coloniis deducendis.--6) eene lex unciaria, waarbij de wettelijke rente op eene uncia per 10 maanden, dus op 10% per jaar werd vastgesteld, zie Fenus.

Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla, van 81. 1) lex de proscriptione, dat de goederen der vogelvrijverklaarden zouden worden verbeurd verklaard, evenals van hen, die in den strijd voor de partij van Marius en Cinna gevallen waren; bovendien werden de zonen en kleinzonen van het recht om eerambten te bekleeden uitgesloten.--2) lex tribunicia, die aan de volkstribunen het recht ontnam wetten voor te stellen, zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat (zie ook Corneliae (leges) van 88), zoodat het eenige recht, dat ze behielden, het ius auxilii ferendi was, en hen onbevoegd verklaarde verder eenig ambt te bekleeden.--3) lex de magistratibus, dat men eerst aediel moest geweest zijn om praetor, en praetor om consul te kunnen worden, en niet tweemaal binnen tien jaar hetzelfde ambt mocht bekleeden, eene hernieuwing van de lex Villia annalis.--4) lex iudiciaria, die de iudicia aan den ridderstand ontnam en aan de senatoren teruggaf.--5) lex de sacerdotiis, waarbij het getal der pontifices en der augurs op 15 werd gebracht; tevens werd de lex Domitia de sacerdotiis afgeschaft (zie Attia (lex)), en ook de verkiezing van den pontifex maximus en den curio maximus door cooptatio vervangen.--6) leges agrariae en lex de civitate, om aan de inwoners van een aantal democratischgezinde municipia het burgerrecht te ontnemen en hun grond onder de soldaten van Sulla te verdeelen, zie ook onder Agrariae (leges).--7) lex de provinciis ordinandis, dat de stadhouders in de provinciën ook zonder lex curiata het imperium zouden hebben en de aftredende stadhouder binnen 30 dagen na de aankomst van zijn opvolger de provincie moest verlaten.--8) lex sumptuaria, waarbij de som bepaald werd, die op gewone dagen en op feestdagen voor het middagmaal besteed mocht worden.--Verder gaf Sulla nog eenige wetten betreffende de quaestiones perpetuae, waarbij niet zoozeer nieuwigheden werden ingevoerd, als wel eene nauwkeuriger omschrijving van de verschillende misdrijven, en hier en daar wellicht eenige verscherping van straf. Vermeld worden de volgende wetten: lex de repetundis, lex de maiestate, lex de sicariis et veneficiis, lex nummaria (tegen valsche munters), lex testamentaria (tegen testamentvervalsching) sive de falsis, lex de iniuriis e.a. Zie verder iudex. Sulla's lex iudiciaria werd in 70 afgeschaft door de lex Aurelia van den praetor L. Aurelius Cotta, de lex tribunicia in hetzelfde jaar door de lex Pompeia, de lex de civitate geraakte nog veel eerder in vergetelheid. Tot de lex de magistratibus behoorde misschien ook de afschaffing der censuur en de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren, die in den senaat zitting namen, waardoor deze vanzelf voltallig werd gehouden. Vooraf had Sulla het aantal senatoren op 600 gebracht, door de ontbrekende bij volkskeuze te laten benoemen.

Corneliae (leges) van den volkstribuun C. Cornelius (Cornelii no. 55), in 67. 1) dat aan niemand in eene senaatszitting dispensatie van eenige wet zou verleend worden, tenzij 200 leden aanwezig waren, en dat geene intercessio zou gelden, wanneer daartoe een wetsvoorstel aan het volk werd gedaan.--2) ut praetores ex edictis suis perpetuis ius dicerent.

Cornelia Baebia (lex) de ambitu van de consuls P. Cornelius Cethegus en M. Baebius Tamphilus, 181. Omtrent den inhoud van deze wet is niets bekend.

Cornelia Caecilia (lex) de Cn. Pompeio, van de consuls P. Cornelius Lentulus Spinther en Q. Caecilius Metellus Nepos, 57, strekkende om Pompeius gedurende vijf jaar met de cura annonae in het geheele rom. rijk te belasten.

Cornelia Gellia (lex) van de consuls Cn. Cornelius Lentulus Clodianus en L. Gellius Poplicola, in 72, tot bekrachtiging der schenkingen van het burgerrecht door Pompeius.

Cornelii. De gens Cornelia was de beroemdste der rom. gentes. O. a. behoorden tot haar de patricische familiën Cethegus, Cinna, Cossus, Dolabella, Lentulus, Scipio, Sulla, en de plebejische familiën Balbus, Gallus, Merula. 1) Ser. Cornelius Maluginensis, de eerste consul uit de gens Cornelia, 485.--2) L. Corn. Maluginensis Uritinus, consul in 459, veroverde v. s. de zeestad Antium op de Volscen; v. a. streed hij met zijn ambtgenoot Fabius tegen de Aequi.--3) A. Corn. Cossus, consul in 428, behaalde de tweede spolia opima op den vejentischen koning Lars Tolumnius. In 426 was hij consulairtribuun en magister equitum van den dictator Mam. Aemilius Marmercinus.--4) A. Corn. Cossus, dictator in 385, bedwong zoowel den buitenlandschen vijand, de Volscen, als de binnenlandsche onlusten, door M. Manlius Capitolinus verwekt.--5) A. Corn. Cossus Arvina, consul in 343, werd bij het begin der samnietische oorlogen door den vijand hij den berg Gaurus ingesloten, doch behaalde door het beleid van zijn krijgstribuun P. Decius Mus toch nog eene schitterende overwinning. Dit verhaal is geheel verzonnen, evenals de geheele zoogenaamde eerste samnietische oorlog. In 332 was hij andermaal consul, in 322 dictator (ludorum Rom. causa).--6) P. Corn. Scipio komt in 395 onder de consulairtribunen voor. Hij was de eerste, die het cognomen Scipio had.--7) L. Corn. Scipio Barbatus, consul in 298, streed tegen de Etruscen in Etrurië, en vooral tegen de Samnieten in Lucania; zijn sarcophaag met een opschrift in verzen uit ± 200 is nog bewaard gebleven.--8) Cn. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 7, consul in 260, stak met zijn ambtgenoot C. Duillius in zee, doch geraakte te Lipara in carthaagsche gevangenschap, waaruit hij later vrijgekocht werd. In 254 was hij andermaal consul en veroverde toen Panormus (Palermo). Den spotnaam Asina kreeg hij, naar men zegt, omdat hij als landrot, om zijn watervrees bespot werd; watervrees werd door de Romeinen als een kenmerkende eigenschap van de ezelin beschouwd.--9) L. Corn. Scipio, ook een zoon van no. 7, consul in 259, nam Aleria op Corsica in, en onderwierp het eiland. Zijn grafschrift is nog bewaard gebleven.--10) P. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 8, consul in 221, streed voorspoedig tegen de istrische zeeroovers.--11) P. Corn. Scipio, zoon van no. 9, verloor als consul in 218 tegen Hannibal den slag aan den Ticinus bij Victumalae, waarin hij zwaar gewond door zijn zoon gered werd. Vervolgens terugtrekkend over de Po, leed hij met zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Longus de nederlaag aan de Trebia. In 216 stak hij naar Hispania over, waar zijn broeder (no. 12) reeds vasten voet had verkregen. Na herhaalde overwinningen behaald te hebben op Hasdrubal en Mago, sneuvelde Publius in 212 met zijn geheele leger, waarop ook Cnaeus, die terugtrok, door de Carthagers achterhaald, omsingeld en afgemaakt werd.--12) Cn. Corn. Scipio Calvus, ook een zoon van no. 9, consul in 222, voerde met M. Claudius Marcellus (zie Claudii no. 29), oorlog tegen de Insubriërs, en veroverde Mediolanium (Milaan), ging in 218 als legaat van zijn broeder naar Hispania, waar hij Hanno versloeg en in 217 aan den mond van den Iberus (Ebro) eene carthaagsche vloot vernielde. Zie verder bij no. 11.--13) P. Corn. Scipio Africanus maior, zoon van no. 11, redde zijn vader bij den Ticinus het leven, streed, schoon eerst 19 jaar oud, in 216 met den rang van krijgstribuun bij Cannae en onderscheidde zich ook na den slag door zijn onwrikbaren moed. In 211 na den ondergang van zijn vader en zijn oom werd de jonge Scipio door het volk pro consule naar Spanje gezonden, waar hij in 210 den Carthagers een zwaren slag toebracht door de verovering van Carthago Nova; in 209 kon hij Hasdrubal niet verhinderen, Spanje te verlaten en zijn broeder Hannibal te hulp te komen; of hij Hasdrubal werkelijk bij Baecula verslagen heeft, staat niet vast. Hij veroverde na Hasdrubals vertrek geheel Hispania, zoodat hij in 206 naar Rome kon terugkeeren, waar hij in 205 het consulaat bekleedde. In 204 stak hij naar Africa over, waar Masinissa zich onmiddellijk bij hem aansloot; Scipio bracht nu de Carthagers zóó in het nauw, dat zij einde 203 Hannibal uit Italia terugriepen. Door den slag bij Zama in den herfst van 202 dwong hij Carthago tot een smadelijken vrede. Hij hield in 201 een luisterrijken intocht binnen Rome en verwierf den eernaam Africanus. In 199 was hij censor en in 194 andermaal consul. In 190 ging hij als legaat met zijn broeder (no. 14) naar Asia; aan den slag bij Magnesia (190), waarin Lucius Scipio Antiochus III van Syria versloeg, nam hij echter geen deel, daar hij toen ziek was. Na hun terugkeer in 188 werden de beide broeders in de volgende jaren meermalen door partijgenooten van M. Cato en Flamininus voor de volksvergadering gedaagd wegens omkoopbaarheid en verduistering van gelden. Eens trof het zóó, dat het juist de verjaardag van den slag bij Zama was, waarop P. Scipio, in plaats van zich te verdedigen, in wegslepende taal het volk naar het Capitool opriep, om den goden voor die overwinning dank te brengen. Toch werden beide broeders veroordeeld, en Publius verliet Rome, ging naar Liternum om niet meer terug te keeren, en stierf vermoedelijk in 183.--14) L. Corn. Scipio Asiaticus (v. a. Asiagenus), ook een zoon van no. 11, diende onder zijn broeder (no. 13) in Hispania, was in 193 praetor in Sicilia, en in 190 consul. In deze hoedanigheid voerde hij den syrischen oorlog en verwierf zich den bijnaam Asiaticus, doch werd na zijn terugkeer wegens verduistering van gelden veroordeeld (zie bij no. 13). Hij bezat op verre na niet de veldheerstalenten van zijn broeder.--15) P. Corn. Scipio, zoon van no. 13, een man van edel karakter, onttrok zich om redenen van gezondheid aan de staatszaken. Hij was het, die no. 18 tot zoon aannam.--16) L. Corn. Scipio, broeder van no. 15, een onwaardige zoon zijns vaders, kwam in den oorlog met Antiochus in handen van den vijand, maar werd later zonder losgeld vrijgelaten; hij werd in 174 uit den senaat gestooten.--17) Cornelia, de edele dochter van no. 13, moeder van Tib. en C. Sempronius Gracchus, beroemd om hare deugden.--18) P. Corn. Scipio Aemilianus Africanus minor, zoon van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar van Perseus, door no. 15 geadopteerd. Hij verwierf zijne eerste lauweren onder zijn vader Paullus in den slag bij Pydna (168), diende later (151) in Hispania onder L. Licinius Lucullus (Licinii no. 22) en in Africa onder M'. Manilius (149). Hij verwierf zich zóóveel roem, dat hij, schoon eerst 37 jaar oud, in 148 tot consul werd gekozen, om den derden punischen oorlog ten einde te brengen. Na een zwaar beleg vermeesterde hij in 146 het uitgeputte Carthago, vernietigde de stad, en verkocht de inwoners als slaven, doch beweende op de puinhoopen het jammerlijk lot der stad. Met groote eer werd hij te Rome ontvangen, en hem de overgeërfde naam Africanus als loon voor eigen verdiensten toegekend. In 142 was hij censor, en trachtte als zoodanig het toenemend zedenbederf en de binnendringende oostersche weelde met klem te keer te gaan. De rampspoedige numantijnsche oorlog verschafte hem in 134 zijn tweede consulaat. Na eerst de verslapte krijgstucht hersteld te hebben, veroverde hij (herfst 132) het hardnekkig verdedigde Numantia en kreeg den eernaam Numantinus. Zijne tegenkanting tegen de hervormingsplannen van zijn zwager Tib. Gracchus, wiens zuster Sempronia hij gehuwd had, deed hem de volksgunst verbeuren. In eene stormachtige senaatszitting in 131 betuigde Scipio, dat z.i. Gracchus terecht was omgebracht, waarop de volkstribuun C. Papirius Carbo hem een landverrader noemde en het volk hem onder scheldwoorden en verwenschingen naar huis begeleidde. Later, in April of Mei 129, wist hij te bewerken, dat aan de III viri, gekozen ter uitvoering van de lex Sempronia agraria van Tib. Gracchus, de rechtspraak onttrokken werd (zie Agrariae leges), en na een senaatszitting door senatoren, volk en bondgenooten naar huis begeleid, werd hij den volgenden morgen in zijn bed dood gevonden. Scipio was een zeer geletterd man, die met Lucilius, Terentius, en vooral met Polybius vertrouwelijken omgang had. De innige vriendschapsband tusschen hem en C. Laelius Sapiens vormt de inleiding van Cicero's geschrift de amicitia.--19) P. Corn. Scipio Nasica, zoon van no. 12, had den naam de rechtschapenste burger van Rome te zijn. Reeds als jongeling werd hem in 204 de eervolle zending opgedragen, het beeld der mater Idaea, dat uit Pessinus in Galatia te Ostia was aangebracht, van daar naar Rome over te brengen. In 194 streed hij als praetor in Hispania, in 191 als consul tegen de Boiers, die zich onderwierpen. Hij stond bekend als een groot rechtsgeleerde. De bijnaam Nasica, die in de familie bleef, beteekent kromneus.--20) P. Corn. Scipio Nasica Corculum, zoon van no. 19 en schoonzoon van no. 13, diende onder Aemilius Paullus in Macedonia. Hij was consul in 162, maar moest toen, evenals zijn ambtgenoot C. Marcius Figulus (zie Marcii no. 12), als vitio factus aftreden; in 155 was hij wederom consul en versloeg en onderwierp toen de Dalmatiërs. In 159 was hij censor, in 150 werd hij pontifex maximus. Hij verzette zich in het belang van Rome tegen de verwoesting van Carthago. Zijn bijnaam Corculum had hij aan zijne rechtskennis en scherpzinnigheid te danken; hij beteekent zooveel als: een man van geest en hart. Deze Scipio stelde het eerste wateruurwerk te Rome op.--21) P. Corn. Scipio, bijgenaamd Serapio wegens zijne gelijkenis op een veekooper van dien naam, consul in 138, voerde in 133 de senaatspartij tot den gewapenden aanval op Tib. Gracchus aan. Om hem voor de volkswoede te beveiligen, droeg de senaat hem eene zending op naar Asia, waar hij overleed. Hij was een zoon van no. 20.--22) P. Corn. Scipio Nasica Serapio, zoon van no. 21, stierf in 111 tijdens zijn consulaat.--23) P. Corn. Scipio Nasica, praetor in 93, zoon van no. 22, gehuwd met de dochter van den redenaar L. Licinius Crassus.--24) L. Corn. Scipio Nasica, zoon van no. 23, geadopteerd door zijn grootvader, den redenaar L. Crassus (Licinii no. 12), en daarom L. Licinius Crassus Scipio genoemd.--25) P. Corn. Scipio Nasica, ook een zoon van no. 23, gewoonlijk Metellus Scipio genoemd, schoonvader van Pompeius. Zie Caecilii no. 18.--26) L. Corn. Scipio Asiaticus (Asiagenus), consul in 83, een afstammeling van no. 14, streed tegen Sulla, werd door dezen gevangen genomen, doch weder vrijgelaten. Hij hernieuwde echter den oorlog tegen Sulla, moest vluchten en stierf te Massilia. Hij was de schoonvader van P. Sestius, dien Cicero verdedigd heeft (Sextii no. 5).--27) Cn. Corn. Blasio, consul in 270 en 257, censor in 265.--28) L. Corn. Balbus, afkomstig uit Gades (Cadix), diende in den strijd tegen Sertorius, eerst onder Q. Metellus Pius, daarna onder Pompeius, van wien hij het burgerrecht verkreeg (72). Later vergezelde hij Caesar, toen deze propraetor in Spanje was. Tijdens het driemanschap werd hem het burgerrecht betwist, maar Cicero, die tijdens zijn ongeluk den steun van Balbus had genoten, verdedigde hem (56) met goed gevolg. Hoewel Balbus vervolgens te Rome in het belang van Caesar werkzaam was en ook pogingen aanwendde om Cicero voor dezen te winnen, was hij toch niet ondankbaar tegen Pompeius, maar deed moeite om door bemiddeling van invloedrijke personen eene schikking tot stand te brengen. Later werkte hij mede om Caesar met Cicero te verzoenen. Ook met Octavianus stond hij op goeden voet; in 40 was hij consul.--29) L. Corn. Balbus minor, neef van no. 28, kreeg ook in 72 het burgerrecht, nam aan Caesars veldtochten in Aegypte en Hispania deel. Als quaestor (43) vergrootte hij de haven van Gades, maar maakte zich door strengheid zeer gehaat. Als proconsul van Africa, 21-20, overwon hij de Garamantes; hij was de laatste privaatman, die triumfeerde (19), en de eerste, die geen Romein was van geboorte. Het theatrum Balbi is door hem gebouwd (13).--30) M. Corn. Cethegus, consul 204, pontifex maximus en begaafd redenaar, versloeg in 203 Hannibals broeder Mago in het land der Insubriërs (in Cisalpina).--31) C. Corn. Cethegus, consul 197, versloeg de Insubriërs en Cenomanen in Cisalpina. Later werd hij naar Africa gezonden om de geschillen tusschen Masinissa en Carthago te vereffenen.--32) P. Corn. Cethegus, consul 181, bracht als proconsul in 180 met zijn ambtgenoot M. Baebius Tamphilus 40000 Liguriërs met hun vrouwen en kinderen naar Samnium over (z. Apuani), en triumfeerde zonder oorlog gevoerd te hebben.--33) P. Corn. Cethegus, door Sulla vogelvrij verklaard, maar later weder in genade aangenomen, werd na Sulla's dood, niettegenstaande zijn verdorven karakter, een man van grooten invloed.--34) C. Corn. Cethegus, deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, behoorde onder hen, die door Cicero werden ter dood gebracht.--35) P. Corn. Dolabella, consul in 283, overwon bij het Vadimonische meer de Boiers en de Etruriërs.--36) Cn. Corn. Dolabella, aanhanger van Sulla, consul in 81, overwon de Thraciërs als proconsul in Macedonia (79). In 77 werd hij door Caesar aangeklaagd wegens afpersingen, doch vrijgesproken.--37) Cn. Corn. Dolabella, praetor in 81, propraetor in 80 en 79 in Cilicia, zoog de provincie uit. Zijn legaat C. Verres hielp hem hierbij, doch verschafte later de bewijzen om hem te doen veroordeelen. Hij ging in ballingschap.--38) P. Corn. Dolabella, berucht om zijne uitspattingen, was met Cicero's dochter Tullia gehuwd tegen diens zin. In den burgeroorlog liep hij van Pompeius tot Caesar over, streed onder hem bij Pharsalus (48), liet zich vervolgens, om volkstribuun te kunnen worden, door een plebejer Lentulus tot zoon aannemen, was in 47 een zeer woelig volkstribuun, vergezelde hierna Caesar naar Africa en Hispania en werd door diens toedoen tot consul voor het jaar 44 verkozen. Na Caesars dood sloot Dolabella zich bij diens moordenaars aan, tot Antonius hem met de provincie Syria tevreden stelde, waardoor hij met Cassius weder in onmin geraakte. Op reis naar Syria beging hij in Griekenland en Klein-Azië verschillende buitensporigheden, zoodat de senaat hem vogelvrij verklaarde. Door Cassius aangevallen en geen uitweg ziende, bracht hij zichzelf in 43 te Laodicea ad mare om het leven.--39) L. Corn. Cinna, de bekende aanhanger van Marius, was consul in 87, toen Sulla naar Asia vertrok. Hoewel hij aan Sulla onder eede beloofd had de bestaande instellingen te zullen handhaven, trad hij op met een aantal daarmede strijdige wetsvoorstellen, doch werd door zijn medeconsul Cn. Octavius uit Rome verdreven. Met Marius aan het hoofd eener aanzienlijke strijdmacht teruggekeerd, richtte hij met hem een bloedbad aan onder de aanhangers van Sulla; doch toen de door Marius in dienst genomen slaven niets meer ontzagen, lieten Q. Sertorius en Cinna een groot aantal van hen neersabelen. Cinna was nog driemaal consul, in 86, 85 en 84. In dit laatste jaar keerde Sulla naar Italia terug, en werd Cinna door zijne eigene soldaten te Ancona gedood.--40) L. Corn. Cinna, zoon van no. 39, sloot zich na Sulla's dood bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan, streed vervolgens onder Q. Sertorius, mocht in 73 ten gevolge van de lex Plautia terugkeeren, en werd onder Caesar praetor (44). Na Caesars dood hield hij eene lofspraak op diens moordenaars, doch werd bijna gesteenigd, terwijl zekere C. Helvius Cinna, dien men voor hem aanzag, door het volk vermoord werd.--41) Cn. Corn. Cinna Magnus nam deel aan eene samenzwering tegen Augustus, toen deze in Gallia was (16-13), maar kreeg vergiffenis en werd later zelfs consul (5 na C.).--42) Cornelia, dochter van no. 39, was gehuwd met Caesar, die in weerwil van Sulla's aandrang weigerde haar te verstooten.--43) L. Corn. Merula, consul in 193, leverde een bloedigen slag tegen de Boiers, waarvan 17000 sneuvelden, terwijl 212 veldteekens in zijne handen vielen. Daar hij echter ook 5000 man verloren had, werd hem geen zegetocht toegestaan.--44) L. Corn. Merula werd in 87 consul in plaats van den verdreven Cinna (no. 39). Toen deze evenwel terugkeerde, liet Merula zich de aderen openen en doodbloeden. Hij was flamen Dialis, welk ambt na zijn dood 75 jaar onbezet bleef.--45) L. Corn. Lentulus, consul in 327, gaf bij Caudium in 321 den raad, door vrijwillige overgaaf het rom. leger voor geheelen ondergang te behoeden. Deze raad legde te meer gewicht in de schaal, daar Lentulus een der dappersten was. Ten onrechte wordt hem de bijnaam Caudinus gegeven. De naam Lentulus is ontleend aan het verbouwen van linzen.--46) Cn. Corn. Lentulus, consul in 201, had zeer verlangd, in Africa tegen Carthago oorlog te voeren, maar voor hij uit Sicilië naar Africa kon oversteken, was de vrede geteekend (201).--47) P. Corn. Lentulus onthaalde in 169 het eerst het rom. volk op gevechten van wilde dieren. In 162 was hij consul suffectus. Hij was princeps senatus. Hij was een tegenstander van de Gracchen, en streed op hoogen leeftijd nog in 121 in de rijen der optimaten tegen C. Gracchus.--48) P. Corn. Lentulus Sura, een man van laag karakter, algemeen geminacht. Niettemin was hij in 75 praetor, in 71 consul, en hoewel hij in 64 uit den senaat werd gestooten, in 63 andermaal praetor. In dit jaar werd hij wegens deelneming aan de samenzwering van Catilina door Cicero ter dood gebracht.--49) Cn. Corn. Lentulus Clodianus, consul in 72, streed met zijn ambtgenoot L. Gellius Poplicola ongelukkig tegen de zwaardvechters onder Spartacus. Beiden waren censors in 70, toen de censuur, door Sulla afgeschaft, weder hersteld werd. Zie ook lex Cornelia Gellia. Hij was een goed redenaar. Hij was ook een der legaten van Pompeius in den zeerooversoorlog.--50) P. Corn. Lentulus Spinther, consul in 57, een warm vriend van Cicero, voor wiens terugroeping uit de ballingschap hij sterk ijverde. (Zie Cornelia (lex) de restituendo Cicerone). Zie verder omtrent hem Caecilia Cornelia (lex). In den burgeroorlog was hij op de zijde van Pompeius; hij werd door Caesar gevangen genomen en gedood.--51) L. Corn. Lentulus Crus, tegenstander van Clodius en van Caesar, consul in 49, volgde Pompeius en werd in Aegypte vermoord.--52) L. Corn. Sulla Felix, geb. in 138, stamde uit eene arme familie, en legde zich met ijver op de wetenschappen toe, vooral op de grieksche taal- en letterkunde. Hij was een man van fijne beschaving, doch losbandig en zedeloos. In 107 vergezelde hij Marius als quaestor en leidde als zoodanig met veel takt de onderhandelingen met koning Bocchus over de uitlevering van Jugurtha. Vervolgens diende hij als legaat in de oorlogen tegen de Cimbren en Teutonen (104-101). In 93 was hij praetor, in 92 propraetor in Cilicia. Hij slaagde er in, Ariobarzanes, die door Mithradates verdreven was, op den troon van Cappadocia te herstellen. Bij deze gelegenheid kwam hij in het Cappadocische Comana, waar zijne soldaten den eeredienst van Mâ-Bellona leerden kennen. In den bondgenootenoorlog diende Sulla als legaat in 90 onder den consul L. Julius Caesar, in 89 onder den consul L. Porcius Cato. In 90 had hij geen succes, maar in 89 veroverde hij Stabiae en Pompeii, verdreef de Samnieten uit Campania, onderwierp de Hirpini, drong daarop in Samnium door, en veroverde de hoofdstad Bovianum. Met onmenschelijke wreedheid woedde Sulla tegen de gevangenen. Hierop werd hij consul (88) en kreeg Asia tot provincie met het opperbevel in den mithradatischen oorlog. Sulla verzette zich te vergeefs tegen de wetgeving van P. Sulpicius Rufus (z. Sulpiciae leges), en vluchtte toen uit Rome naar zijn leger in Campania. Daarop werd op voorstel van P. Sulpicius het bevel aan Marius opgedragen. Op het bericht hiervan trok Sulla met zijn leger naar Rome terug; Sulpicius werd gedood, Marius en anderen vogelvrij verklaard. Na eenige wetten te hebben gegeven, stak Sulla naar Griekenland over, waar hij eerst Athene na een hardnekkige verdediging van vele maanden in Maart 87 bijna geheel uitmoordde, en den Piraeus slechtte; daarna versloeg hij den mithradatischen veldheer Archelaus bij Chaeronea, en een tweede leger bij Orchomenos (86), en trok vervolgens naar Azië, waar hij in het voorjaar van 85 met den koning vrede sloot, om de handen tegen Fimbria (zie Flavii no. 4) en de democraten in Italië vrij te krijgen. Voordat hij naar Italië vertrok, strafte hij Asia vreeselijk voor haar afval. Intusschen was Marius naar Rome teruggekeerd en woedde met L. Corn. Cinna (no. 39) tegen de aristocratische partij. In 83 kwam Sulla terug en nu ontbrandde de vreeselijke burgeroorlog, die geheele streken van Italië ontvolkte en met Sulla's zegepraal eindigde. De belangrijkste slag in dezen oorlog is die bij de Porta Collina (1 Nov. 82), waarbij de Samnieten, die op Rome losgetrokken waren, onder Pontius Telesinus en den jongen Marius door Sulla verslagen werden; de krijgsgevangenen liet hij daarna afmaken. Door den interrex L. Valerius Flaccus liet hij eene wet voorstellen, waarbij hem de levenslange dictatuur werd opgedragen, z. Valeria (lex) de Sulla dictatore. Het regende nu vogelvrij- en verbeurdverklaringen; duizende landerijen werden aan zijne soldaten toegewezen, hij omringde zich met eene lijfwacht van 10000 vrijgelatenen, en door een geheel stel wetten trachtte hij de heerschappij van den senaat blijvend te bevestigen. Hij had echter zelf het voorbeeld gegeven, hoe een veldheer alles vermocht omver te werpen, als hij slechts zich van de genegenheid van zijn leger wist te verzekeren, eene kunst, die Sulla in hooge mate verstond. Zie verder Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla van 81. Na twee jaar (79) legde Sulla de dictatuur neder en trok zich terug op zijn landgoed bij Puteoli, waar hij gedenkschriften begon op te stellen, die echter niet door hem voltooid werden. Hij stierf reeds in 78 aan de gevolgen van zijn losbandig leven. Hij was de eerste uit de gens Cornelia, wiens lijk niet begraven, maar verbrand werd.--53) Faustus Corn. Sulla, zoon van no. 52, diende onder Pompeius in het Oosten, o.a. in 63 voor Jerusalem, welks muur hij het eerst beklom. Later streed hij ook bij Pharsalus en bij Thapsus, en werd op de vlucht door P. Sittius gevangen genomen en door Caesars soldaten omgebracht. Hij was de schoonzoon van Pompeius.--54) P. Corn. Sulla, was voor 65 tot consul gekozen, doch werd met zijn ambtgenoot P. Autronius Paetus wegens ambitus veroordeeld. In 62 werd hij door den jongen L. Manlius Torquatus (Manlii no. 14) beschuldigd van deelgenootschap aan de tweede samenzwering van Catilina, waartegen Cicero hem verdedigde, nadat Q. Hortensius Hortalus hem reeds verdedigd had tegen eene aanklacht van Torquatus wegens deelneming aan de eerste samenzwering. Hij streed ook bij Pharsalus, doch voor Caesar. In 45 werd hij waarschijnlijk door roovers vermoord.--55) C. Cornelius, volkstribuun in 76. Zie Corneliae (leges).--56) L. Cornelius Sisenna, praetor in 78, stierf in 67 als legaat van Pompeius op Creta. Hij was een geleerd man, en schreef annales van zijn tijd, en gaf eene vertaling uit der milesische vertellingen van Aristides.--56 b) Cornelia Metella = Caecilia Metella, z. Caecilii no. 26.--57) Verder vindt men nog de familienamen Merenda, Rufinus, Scapula. Onder de Rufini verdient genoemd te worden: P. Cornelius Rufinus, consul 290 met M' Curius Dentatus; zij maakten samen een einde aan den Samnietischen oorlog. In 277 was hij weder consul en streed toen tegen Pyrrhus. In 275 werd hij door den censor C. Fabricius uit den senaat gestooten, omdat hij meer dan 10 pond aan tafelzilver bezat. Hij was berucht om zijn hebzucht.--58) Cornelius Nepos, geschiedschrijver, in Gallia Transpadana geboren, bevriend met Catullus en Atticus en door dezen ook met Cicero. Hij heeft verschillende werken geschreven van historischen en geographischen aard, maar zeer oppervlakkig. 1º. 3 boeken Chronica. 2º. een werk Exempla getiteld, waaruit Valerius Maximus (z. a.) geput heeft. 3º. een Chorographia. 4º. zijn hoofdwerk is echter de viris illustribus libri XVI, waarin op oppervlakkige wijze naast grieksche beroemdheden romeinsche behandeld waren, en waarvan nog enkele stukken, het boek over de buitenlandsche veldheeren (Cornelii Nepotis vitae excellentium imperatorum), het bekende schoolboek, en verder twee biographieën uit het boek de latinis historicis, n.m. een kleine van Cato en een uitgebreide van Atticus, over zijn.--59) C. Cornelius Gallus, te Forum Julii (Fréjus) uit een nederigen stand geboren, dichter en bevriend met Ovidius, Vergilius, e.a. Hij werd door Augustus in 30 tot praefectus van Aegypte aangesteld. Later in ongenade gevallen, benam hij zichzelf het leven (26). Zijne gedichten zijn verloren.--60) A. Cornelius Celsus, zie Celsus.--61) C. Cornelius Chrysogonus, zie Chrysogonus.--62) M. Cornelius Fronto, zie Fronto (M. Cornelius).--63) Cornelius Severus, zie Severi no. 1.--64) P. Cornelius Tacitus, zie Tacitus (P. Cornelius).

Corniculum, latijnsche stad ten N. van den Anio; ze is vroeg verdwenen.

Cornificii, plebejisch geslacht. 1) Q. Cornificius, onder wiens bewaking de Catilinariër C. Cornelius Cethegus werd gesteld. Hij was het, die het eerst in den senaat de heiligschennis van P. Clodius Pulcher ter sprake bracht. Met Cicero dong hij, maar te vergeefs, naar het consulaat.--2) Q. Cornificius, zoon van no. 1, aanhanger van Caesar, na diens dood stadhouder van Africa vetus, en aanhanger van den senaat en van Sextus Pompeius, sneuvelde in 41 in een slag tegen het driemanschap bij Hadrumetum. Evenals zijn vader had hij met Cicero omgang. Hij was redenaar en dichter.--3) L. Cornificius, aanhanger van Octavianus.--4) Cornificius, een rhetor, wordt ten onrechte voor den schrijver gehouden van de Rhetorica ad C. Herennium, een werk uit den tijd van Sulla, dat in 4 boeken uitvoerig de rhetorica behandelt.

Cornu copiae, horen van overvloed, zie Amalthea.

Cornus, versterkte hoofdplaats der Sarden aan de Westkust van Sardinia.

Cornuti, plebejisch geslacht. 1) C. Caecilius Cornutus, een man van strenge zeden en hierom Pseudo-Cato genoemd, volkstribuun in 61 en praetor in 57, ijverde voor de terugroeping van Cicero uit diens ballingschap.--2) M. Caecilius Cornutus, praetor urbanus in 43, werd na den dood der beide consuls A. Hirtius en C. Vibius Pansa door zijne troepen verlaten en sloeg de hand aan zich zelven.--3) Cornutus (L. Annaeus). Zie Annaei.

Coroebus, Koroibos, 1) zoon van Mygdon, koning van Phrygië, die uit liefde voor Cassandra Priamus te hulp kwam. Hij muntte uit door dapperheid en was een van de weinige strijders, die onder Aeneas nog een laatsten uitval waagden, terwijl de stad reeds brandde; bij deze gelegenheid sneuvelde hij.--2) overwinnaar in de olympische spelen in 776, het jaar waarmede de telling der Olympiaden begint.

Corollarium, krans met bladeren van goud, zilver of ander metaal, die men aan geliefde tooneelspelers placht toe te werpen, vandaar = toegift, fooi.

Corona. De Rom. maakten veel werk van bloemkransen, bij feestmalen hadden zij dikwerf lange kransen om den hals, die op de borst afhingen, en wel liefst van geurende rozen. Ook als militaire eerbewijzen waren coronae in gebruik, doch alsdan van anderen aard. De corona triumphalis, een laurierkrans, soms ook van goud vervaardigd, werd door den zegepralenden veldheer en later door de keizers gedragen. De corona ovalis, bij eene ovatio gedragen, was een myrtenkrans. De corona obsidionalis of graminea, de eenvoudigste doch eervolste van alle, viel den generaal ten deel, die een ingesloten rom. leger had ontzet. Zij werd gevlochten uit gras, op de plaats zelve geplukt. De corona civica, van eikenloof, zoo mogelijk met de eikels er aan en met het devies ob civem servatum, werd gegeven voor het redden van een kameraad in den slag. De corona muralis, in den vorm van een wal, was voor hem, die het eerst de muren eener belegerde stad beklom. Evenzoo werd degene, die het eerst in een vijandelijk kamp doordrong, beloond met de corona vallaris of castrensis, die met kleine gouden palissaden was versierd. De corona navalis of rostrata was versierd met gouden scheepssnebjes. Goden en heroën en later ook wel de keizers vindt men dikwerf met eene corona radiata, waarin reeds meer het begin eener kroon is te zien. Ook is er een sterrenbeeld corona = de krans van Ariadne.

Corone, Korone, stad in Messina aan de Messenische golf, in 371 door de Messeniërs met behulp van Boeotiërs uit Coronea, op de plaats van het vroegere Aepea gesticht, thans Coron.

Coronea, Koroneia, stad in Boeotia, bekend door de overwinning der Boeotiërs op de Atheners in 447, en door die der Spartanen onder Agesilaus in 394 in den corinthischen oorlog.

Coronides, Koronides, Asclepius, zoon van Coronis.

Coronis, Koronis, 1) dochter van Phlegyas, koning van Thessalië, bij Apollo moeder van Asclepius. Nog voordat deze geboren was, schonk zij hare liefde aan een gast van haar vader, den Arcadiër Ischys; tot straf doodde Apollo haar, doch haar nog niet geboren kind werd door hem gered.--2) dochter van Coroneus, koning van Phocis, werd, terwijl zij den verliefden Poseidon ontvluchtte, door Athena in een kraai veranderd.

Coronta, ta Koronta, stad in het Z. van Acarnania.

Coronus, Koronos, 1) zoon van Caeneus, koning der Lapithen, een van de Argonauten, werd in den oorlog tegen Aegimius door Heracles gedood.--2) zoon van Thersander, mythisch stichter van Coronea.

Corporis Custodes of Corpore Custodes, naam van de door Augustus ingerichte, door Galba ontbonden, germaansche lijfwacht der Julisch-Claudische Keizers. Onder hen vormen de Batavi de meerderheid. Het zijn geen eigenlijke soldaten, toch zijn het allen vrijen of vrijgelatenen, geen slaven. Men moet ze scherp onderscheiden van de praetoriani, die steeds romeinsche burgers zijn (zie cohortes praetoriae).

Corsiae, Korsiai, eilandjes bij Samos, waarschijnlijk = Corassiae.

Corsica, Korsike, doch bij de ouderen gewoonlijk Kyrnos geheeten, het bekende eiland; de bewoners heeten Corsi. De bodem was onvruchtbaar, de bevolking ruw en roofzuchtig. Na den eersten punischen oorlog kwam het onder Rome met Sardinia, waarmede het ook verder als ééne provincie vereenigd bleef.

Corsote, Korsote, stad in Mesopotamia, op een eilandje in den Euphraat, in Xenophon's tijd reeds verlaten.

Cortona, Kortona, eene der twaalf hoofdsteden van Etruria, even ten N. van het Trasimeensche meer, met pelasgische muren.

Coru pedion, Korou pedion, vlakte in Lydia bij Sardes.

Coruncanii, plebejisch geslacht. 1) Tib. Coruncanius, consul 280, was de eerste plebejische pontifex maximus, een man van groote rechtskennis en vroomheid. Hij was de eerste jurist, die bij zijn adviezen auditores toeliet.--2) C. en L. Coruncanius, rom. gezanten, in 230 tot koningin Teuta naar Scodra in Illyria gezonden, verbitterden haar zoozeer door hunne vrijmoedige taal, dat zij één hunner liet ombrengen.

Corus, de Noordwestenwind, zie Windstreken.

Corvinus, bijnaam in de gens Valeria (Valerii no. 28).

Corvus, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 13). Ook de naam van een belegeringswerktuig, enterhaak op de schepen.

Corvus, een raaf, die door Apollo gezonden werd om water uit een bron te halen; bij de bron gekomen, zag hij een vijgeboom en bleef nu eenige dagen wachten tot de vijgen rijp waren. Om zijn lang uitblijven te verontschuldigen, nam hij een waterslang mede en beweerde, dat deze iederen dag de bron had leeggedronken. Tot straf voor dit bedrog verbood Apollo hem gedurende eenigen tijd te drinken, en ter herinnering hieraan staat aan den hemel het sterrenbeeld Corvus tusschen Hydra en Crater.

Corybantes, Korybantes, z. Rhea (Cybele).

Corycides nymphae, de Muzen, zoo genoemd naar de corycische grot in Phocis.

Corycium antrum, Korykion antron, grot aan de zuidelijke helling van den Parnassus, in Phocis. Zie ook Corycus no. 1.

Corycus, Korykos, 1) kaap en stad in Cilicia, dicht bij de monding van den Calycadnus. In den omtrek groeide de beste saffraan. In de nabijheid vond men de corycische grot (mythe van Typhon en Zeus).--2) kaap in Ionia tusschen Teos en Erythrae.--3) kaap en stad in Pamphylia.

Corymbus, korymbos, ouderwetsch kapsel der atheensche vrouwen of der Atheners in het algemeen, waarbij het haar op de kruin van het hoofd saamgebonden werd; ook naam voor iemand, die het haar zoo draagt.

Corynetes, Korynetes, "knotsdrager", bijnaam van Periphetes en Areïthoüs.

Coryphaeus, koryphaios, in het bizonder de leider van den koorzang en dans in de tragedie en comedie, die ook uit naam van het koor het woord voert, wanneer het niet zingt, maar spreekt.

Coryphasium, Koryphasion, kaap en stad op de Westkust van Messenia.

Corythus, Korythos, 1) zoon van Zeus, gehuwd met de Pleiade Electra, stichter van Corythus, later Cortona.--2) zoon van Paris en Oenone, werd door zijne moeder naar Helena gezonden, om de jaloerschheid van Paris op te wekken; toen deze hem bij Helena aantrof, doodde hij hem zonder hem te herkennen.--3) een van de Lapithen.--4) een van de gasten op de bruiloft van Perseus.

Cos, Kos, ook Coos, Cous, Koos, grieksch eiland op de aziatische kust, met eene gelijknamige hoofdstad, die een heerlijk panorama opleverde, wanneer men uit zee kwam. De bevolking was dorisch. Het eiland leverde voortreffelijken wijn, aardewerk, zalven en beroemd lijnwaad op (Coae vestes). Asclepios of Aesculapius, aan wien het geheiligd was, had hier een schoonen tempel, waarmede een beroemde medische school verbonden was; Hippocrates en Apelles waren op Cos geboren. Van den laatste was op het eiland eene Venus anadyomene, die later door Augustus voor 100 talenten werd gekocht.

Cosa, ook Cossa, kuststad van Etruria, in 273 als latijnsche kolonie aangelegd in het gebied van Volci (z.a.). Het was een sterke vesting, waarvan de muren nog bestaan. In 199 kreeg de stad nieuwe kolonisten. De haven heette portus Herculis of portus Cosanus.

Cosconii, plebejisch geslacht, waarvan enkele leden in verschillende oorlogen en betrekkingen voorkomen.--1) C. Cosconius, praetor in 89, versloeg in den bondgenooten-oorlog de Samnieten.--2) C. Cosconius, bevriend met Cicero, tribunus plebis in 59, in 56 rechter in het proces van P. Sestius.

Cossaea, Kossaia, landstreek op de grenzen van Susiana en Media, door eene roofzieke en woeste bevolking bewoond.

Cossus, familienaam in de gens Cornelia. Z. Cornelii no. 3-5.

Cossyra, Kossyra, eil. tusschen Sicilia en Africa.

Cothon, Kothon, eene haven van Carthago.

Cothurnus, kothornos, een tot het midden van het been reikende laars, van voren met riemen vastgemaakt. Deze laarzen werden vooral door jagers gebruikt; later werden zij ook op het tooneel gedragen, waar zij, van dikke zolen voorzien, den tooneelspelers in het treurspel een hoogere gestalte gaven; vandaar wordt het woord ook metonymisch gebruikt voor treurspel. Daar iedere laars zoowel aan den linker- als aan den rechtervoet paste, wordt de naam ook gegeven aan iemand die alle politieke partijen bevredigen wil.

Cotini, een keltisch volk in Germania, ten N. van de Donau, aan den bovenloop van de rivier de Gran wonende.

Cotiso, koning der Geten in Dacia, die tijdens den burgeroorlog tusschen Octavianus en Antonius over den Donau was gevallen, maar later overwonnen werd.

Cotta, familienaam in de gens Aurelia, z. Aurelii no. 1-8.--In den gallischen oorlog komt ook nog als legaat van Caesar zekere L. Aurunculeius Cotta voor, die in den opstand der Eburones onder Ambiorix (winter van 54/53) sneuvelde.

Cottabus, kottabos, een waarschijnlijk oorspronkelijk sicilisch spel, dat door de Atheners dikwijls na den eten gespeeld werd. Het bestond daarin, dat men op een bepaalden afstand een weinig wijn uit een beker in kleine schaaltjes moest werpen, die in evenwicht ophingen en door het gewicht zakkend op een of ander metalen voorwerp stieten en daardoor geluid gaven, of die op water dreven en door het gewicht zonken; in het al of niet gelukken van den worp of in den meer of minder helderen klank van het metaal zag men dikwijls ook een liefdeorakel.

Cottiae Alpes, zie Alpes. Dit berglandje werd onder keizer Nero met Liguria tot eene provincie Alpes Cottiae vereenigd. Hoofdstad: Segusio (Susa).

Cottius, opperhoofd van ligurische stammen om en bij het naar hem genoemde Cottische Alpenland. Octavianus stelde hem als vorst aan met den titel praefectus. Zijn zoon, ook Cottius geheeten, kreeg van keizer Claudius den koningstitel. Onder Nero werd het vasalstaatje als provincie ingelijfd.

Cottus, Kottos, een van de Centimani.

Cotyla, kotyle, inhoudsmaat, de helft van een sextarius, vooral voor het meten van geneesmiddelen gebruikt.

Cotyora, Kotyora, kolonie van Sinope op de kust van Pontus, vanwaar Xenophon en de 10000 Grieken zich inscheepten naar Sinope.

Cotys, Kotys, 1) koning van Thracië (383-359), om zijne wreedheid berucht, schoonvader van Iphicrates. Ofschoon hij atheensch burger was, was zijne politiek altijd den Atheners vijandig, en toen hij door sluipmoord uit den weg geruimd was, werden zijne moordenaars door de Atheners met het burgerrecht en gouden kransen begiftigd.--2) koning der Odrysen, ondersteunde Perseus van Macedonië tegen de Rom.--3) regeerde onder Augustus (12 n. C.-± 18 n. C.) over de helft van Thracië, doch werd door zijn broeder Rhescuporis, die de andere helft beheerschte, gevangen genomen en gedood.--4) zoon van den vorigen, kreeg van Caligula Klein-Armenië, daar Thracië gedurende zijne minderjarigheid rom. provincie geworden was. Tusschen 37/38 en 46 n. C. was Thracië weer zelfstandig onder de drie broers Rhoemetalces, Cotys en Polemo.

Cotys, Cotytto, Kotys, Kotytto, thracische of phrygische godin, die ook door Grieken en Rom. vereerd werd. Hare feesten, Cotyttia, Kotyttia, die des nachts gevierd werden, kenmerkten zich door luidruchtigheid en buitensporigheid. De dienaren van Cotys heetten Baptai.

Cous = Cos.

Cragus, Kragos, vulkanisch gebergte in Lycia, waar de mythe der Chimaera tehuis behoort. Evenwijdig met den Cragus liep de Anticragus.

Cranaë, Kranae, eil. op de laconische kust bij Gytheum of bij Attica, waar Paris en Helena op hunne vlucht overnachtten.

Cranaea, Kranaia, bijnaam van Athena te Elatea in Phocis.

Cranaüs, Kranaos, koning van Attica na Cecrops, ten tijde van Deucalion en den zondvloed. Hij werd door zijn schoonzoon Amphictyon van den troon gestooten. Naar hem heeten de oude Atheners Cranaï (Kranaoi) en Athene Cranaa (Kranaa, Kranaai); zijne dochter Atthis gaf haar naam aan Attica.

Craneum, Kraneion, cypressenbosch en uitspanningsoord bij Corinthe, waar ook de cynische wijsgeer Diogenes des zomers placht te vertoeven.

Cranii, -ium, Kranioi, -ion, stadje aan de Westkust van het eil. Cephallenia.

Cranon, Crannon, Kranon, Krannon, vroeger Ephyra, stad in Thessalia in het gewest Pelasgiotis. Bij Crannon behaalde Antipater in den lamischen oorlog de beslissende overwinning op de Grieken en Thessaliërs (322).

Crantor, Krantor, van Soli in Cilicië, academisch wijsgeer, leerling van Xenocrates en Polemo; zijne werken worden door Cicero met lof vermeld. Hij was de eerste, die commentaren op de werken van Plato schreef, en bestreed de stoicijnsche leer.

Crassus, familienaam, vooral in de gens Licinia (Licinii no. 7-17). Hij komt ook voor bij de Canidii, Otacilii, Papirii (Papirii no. 1-4).

Crater, krater, een groote vaas, die in de eetzaal stond, waarin wijn met water vermengd werd en waaruit dit mengsel in de bekers der gasten geschept werd.

Craterus, Krateros, 1) veldheer onder Alexander d. G., aanvoerder van het landleger op den terugtocht uit Indië, voerde de veteranen uit Azië naar hun vaderland terug (324), en zou Antipater als regent van Macedonië vervangen, toen Alex. stierf. In den lamischen oorlog besliste zijne komst den slag bij Crannon ten gunste van Antipater, met wien hij daarna Perdiccas en Eumenes bestreed; in een slag tegen laatstgenoemde sneuvelde hij (321).--2) Macedoniër, v. s. zoon van den vorigen, schrijver eener Psephismaton Synagoge, verzameld uit de te Athene bewaarde origineelen, van welk werk nog enkele overblijfsels bestaan.--3) beroemd geneesheer, tijdgenoot van Cicero.

Crates, Krates, 1) atheensch blijspeldichter omstreeks 450, een van de grondleggers der oude attische comedie; men schreef hem 14 stukken toe.--2) Athener, leerling van Polemo en na diens dood gedurende korten tijd hoofd der academie.--3) Thebaan, de voornaamste leerling van den cynicus Diogenes en gedurende eenigen tijd leeraar van Zeno.--4) van Mallus, te Tarsus opgevoed, werd aan het hof van Attalus de stichter der pergameensche school van taalgeleerden; in zijne werken over Homerus bestreed hij Aristarchus. In 167 begeleidde hij Attalus II naar Rome en bleef daar wegens ziekte langen tijd. Hij is de eerste van de Stoici, die Homerus vooral op het gebied van de geographie voor onfeilbaar verklaart, en door allegorische uitlegging alles wat men weet, bij Homerus meent terug te vinden. Zoodoende is hij de schepper geweest van een nieuwe denkrichting, die ook op latere geslachten grooten invloed heeft geoefend en nog oefent. Zie o. a. Philo Judaeus.

Crates, Cratis, vlechtwerk, horde, schanskorf en dgl. Enkele malen komt de uitdrukking voor: sub crate necari. De veroordeelde werd op den grond uitgestrekt onder eene teenen horde, die zóólang met steenen werd bezwaard, tot de ongelukkige onder het gewicht den geest gaf.

Crathis, Krathis, rivier in het land der Bruttii, die bij Thurii in den sinus Tarentinus uitstroomt. De Sybaris is een zijriviertje hiervan, maar stroomde oorspronkelijk ten N. van de Crathis in zee. Ook een kuststroompje in Achaia.

Cratinus, Kratinos, 1) Athener (520-423), de eigenlijke schepper der oude attische comedie. Hij was de eerste die in zijne stukken een politieke strekking legde en drie acteurs liet optreden. Hij trad tamelijk laat als dichter op en behaalde met 21 stukken negenmaal de overwinning, o. a. met zijn laatste stuk Pytine (de wijnflesch), kort voor zijn dood opgevoerd, waarin hij zijn eigen gebrek, dronkenschap, aan de bespotting van het publiek prijsgaf.--2) atheensch blijspeldichter, die ongeveer eene eeuw later leefde dan de vorige; van hem worden 8 stukken genoemd.

Cratippus, Kratippos, 1) schreef een vervolg op de geschiedenis van Thucydides, tot welk werk, naar men meent, een onlangs in Egypte gevonden fragment behoort. Zie Theopompus.--2) van Mytilene, peripatetisch wijsgeer te Athene, leermeester van Cicero's zoon.

Cratis = Crates.

Cratylus, Kratylos, leerling van Heraclitus en van Protagoras, leermeester van Plato, die een zijner werken naar hem noemde.

Cremaste, Kremaste, goudhoudende streek in Troas nabij Abydus.--Zie ook Larissa no. 2.

Cremera, zijtak van den Tiber in Etruria, die langs Veii stroomt, en bij wiens uitmonding in den Tiber in 479 de 306 Fabii sneuvelden.

Cremni, Kremnoi, scythische koopstad aan den mond van den Tanaïs (Don) in de Maeotis.

Cremona, Kremone, romeinsche kolonie met latijnsch recht, in 219 aan den linkeroever van den Padus (Po) aangelegd, in 190 versterkt met 6000 nieuwe kolonisten, een van de rijkste steden van Gallia Cisalpina. Behalve tal van prachtige gebouwen had Cr. het grootste amphitheater van Italië. In 41 leed het door de soldaten van Antonius, in 69 na C. werd het door die van Vespasianus verwoest. Hoewel Vespasianus de stad herbouwde, keerde de oude welstand niet terug.

Cremonis iugum, een berg der Alpen, thans Cramont of Grammont, tusschen den Mont Blanc en den kleinen St. Bernard, ten Z. van Courmayeur.

Cremutius Cordus, geschiedschrijver ten tijde van Augustus en Tiberius, die zijne vrijmoedige taal met den dood moest boeten, en wiens geschiedwerken verbrand werden (25 n. C.).

Crenides, Krenides, zie Philippi.

Creon, Kreon, 1) koning van Corinthe, vader van Creusa.--2) zoon van Menoeceus, regeerde over Thebe van den dood van zijn zwager Laius tot de troonsbestijging van Oedipus en wederom na den dood van Eteocles en Polynices; z. Antigone.--3) koning van Thebe, schoonvader van Heracles, z. Amphitryo.

Creophylus, Kreophylos, cyclisch dichter van Samus of Chius, wordt de vriend, leermeester of schoonzoon van Homerus genoemd. Een van zijne nakomelingen zou de gedichten van Homerus naar Sparta gebracht en aan Lycurgus gegeven hebben.

Crepida, een zool met of zonder hakleder, die op den voet werd vastgeregen. Ne sutor ultra crepidam = schoenmaker, houd u bij uw leest.

Crepundia (plur.), kleine stukjes kinderspeelgoed, die soms den kinderen om den hals werden gehangen, hetzij als talisman, hetzij als herkenningsteeken.

Cresilas, Kresilas, uit Cydonia op Creta, een van de beroemdste bronsgieters van de 5de eeuw. Tot zijn beroemdste werken behoorden een stervende gewonde, een gewonde Amazone (wedstrijd tusschen Phidias, Polycletus en Cresilas) en een portretstatue van Pericles. Van de laatste zijn nog een paar replieken over.

Cresphontes, Kresphontes, een van de drie zonen van Aristomachus, den achterkleinzoon van Heracles, die de Peloponnesus heroverden; bij de verdeeling kreeg hij Messenia, waar hij later bij een opstand met twee van zijne zonen gedood werd.

Cressa, Kressa, cretensische vrouw, bijnaam van Ariadne en Aërope; Cressa bos = Pasiphaë.

Crestonia, Krestonia, met de hoofdstad Crestone of Creston, Krestone, Kreston, streek in Macedonia tusschen den Strymon en den Axius.

Creta, Krete, thans Candia of Creta, het grootste der grieksche eilanden, van havens ruim voorzien, vruchtbaar, gezond van klimaat, was reeds vroeg (zie Cnossus en Phaestus) het middelpunt van een zeer hoog ontwikkelde beschaving, die men tegenwoordig in een vóórgrieksch en een achaeisch tijdperk pleegt te onderscheiden. Na het verval der myceensche beschaving dringen de Doriërs het eiland binnen. Bij Homerus heet Creta nog hekatompolis en vooral in de Odyssea vindt men nog vele herinneringen aan de vroegere macht en rijkdom van het eiland. De bevolking was zeer gemengd, doch de dorische stam had het overwicht. De dorische bevolking vormde de heerschende kaste, de burgers. De hypekooi, eene vrije, doch onderworpen bevolking, kwamen overeen met de perioikoi in Laconica. Dan volgden twee klassen van lijfeigenen: de mnoitai, lijfeigenen van den staat, en de klarotai of aphamiotai, lijfeigenen op de goederen van particulieren. Opvoeding der jeugd vanwege den staat en gemeenschappelijke maaltijden waren ook op Creta wet. Na de afschaffing van het koningschap had men 10 archonten met een senaat en een collegie van ephoren. Allengs splitste Creta zich in verschillende republieken (de belangrijkste steden zijn dan: Cnosus, Gortyn, Lyttus of Lyctus, Praesus, later Hierapytna, en in het W. Cydonia), totdat Q. Caecilius Metellus Creticus 68-64 het eiland onderwierp en als provincie inrichtte. Sedert kwam Creta, ook zedelijk, in diep verval, zoodat de bewoners met de Capadociërs, Ciliciërs of Cariërs onder de kappa kaka gerekend werden: Kretes aei pseustai, kaka theria, gasteres argai. Op Creta behooren de mythen te huis van Minos, Daedalus, den Minotaurus, den cretensischen Zeus, wiens graf men er liet zien, e. a. Naar Creta is het krijt creta genoemd; de cretische aarde is echter niet krijt, maar porseleinaarde.

Creteus = Catreus.

Cretheus, Kretheus, 1) zoon van Aeolus en Enarete, stichter van Iolcus, vader van Aeson, Pheres, Amythaon en Hippolyte.--2) een zanger, die Aeneas op zijne tochten vergezelde en door Turnus gedood werd.--3) vader van Neleus.

Cretio. Cretio hereditatis is de uitdrukkelijke verklaring, dat men eene erfenis aanvaardt.

Creusa, Kreousa, 1) dochter van Oceanus en Gaea, bij Peneus moeder van Hypseus.--2) dochter van Erechtheus, echtgenoote van Xuthus, moeder van Achaeus en Ion.--3) dochter van Priamus, gemalin van Aeneas, moeder van Ascanius; zij zoude in den nacht, waarin Troje genomen werd, met Aeneas vluchten, maar zij raakte in de verwarring verloren en werd door de moeder der goden op wonderbare wijze van de aarde weggenomen.--4) dochter van Creon, onder wiens regeering Iason en Medea te Corinthe kwamen. Om met Creusa te trouwen erstiet Iason Medea, die zich wreekte door aan hare mededingster een vergiftigd kleed te zenden, dat zich aan het lichaam vasthechtte en haar onder vreeselijke pijnen deed omkomen.

Crimissus of Crimisus, Krimissos, Krimisos, rivier in het W. van Sicilia, zijrivier van den Hypsus, bekend door de overwinning van Timoleon op de Carthagers in 339.

Criobolia, zie Rhea (Cybele).

Crisa, Krisa = Crissa.

Crispus, (= kroeskop), rom. familienaam in verscheidene geslachten. Zie Marcii (no. 11), Salustii, Vibii (no. 6).--Flavius Julius Crispus, oudste zoon van Constantijn den Gr., een rijk begaafd jongeling, zoowel in vrede als in den oorlog uitstekend, werd in 326 na C. te Pola in Istria, op bevel zijns vaders vermoord.

Crissa, Krissa, oude handelsstad in Phocis, met de haven Cirrha, werd in 590 op last der Amphictyonen verwoest, daar het van de bedevaartgangers naar Delphi tollen hief. Cirrha werd later als havenstad van Delphi herbouwd.

Crithote, Krithote, stad in het N. van de thracische Chersonesus, aan den Hellespont gelegen.

Critias, Kritias, 1) zoon van Dropides, vriend van Solon, overgrootvader van Plato.--2) achterkleinzoon van den vorigen, leerling van Gorgias en Socrates, verdienstelijk dichter en redenaar, dikwijls in de werken van Plato vermeld, die een van zijne gesprekken naar hem noemde. Aanvankelijk aanhanger der democratie, werd hij later om onbekende redenen verbannen en kwam hij eerst na afloop van den peloponnesischen oorlog naar Athene terug, waar hij zich als hoofd van de dertigmannen zeer gehaat maakte door zijne gewelddadige handelingen. Hij sneuvelde in 403 in een gevecht tegen Thrasybulus.

Crito, Kriton, 1) leerling en vriend van Socrates, naar wien Plato een van zijne werken noemde.--2) dichter der nieuwe comedie; één zijner stukken is in 168/7 opgevoerd.

Critolaus, Kritolaos, 1) van Phaselis, opvolger van Ariston als hoofd der peripatetische school, een van de drie wijsgeeren, die in 155 door de Atheners als gezanten naar Rome gezonden werden en die het eerst de Rom. met grieksche welsprekendheid en wijsbegeerte bekend maakten. Hij bleef te Rome, waar hij in hoogen ouderdom stierf.--2) strateeg van het achaeisch verbond, heftig tegenstander der Romeinen, werd in 146 door Metellus bij Scarphe verslagen en verdween daarna spoorloos.

Crius, Krios, Kreios, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen.

Crobylus, krobylos, ouderwetsch kapsel der Atheners, in het bizonder der atheensche mannen, en van eenige barbaarsche volken, overigens = Corymbus.

Crocodilopolis, Krokodeilon polis, stad in Midden-Aegypte aan het meer Moeris, later Arsinoë geheeten.

Croesus, Kroisos, zoon van Alyattes, laatste koning der Lydiërs, regeerde 560-546. Hij maakte de aziatische Grieken schatplichtig, sloot een verbond met de grieksche eilandbewoners, en strekte zijn rijk oostwaarts tot den Halys uit. Toen zijn zwager Astyages door Cyrus onttroond was, verbond hij zich met de koningen van Aegypte en Babylon tot een oorlog tegen het jonge perzische rijk, doch voordat zijne bondgenooten hem hulp hadden kunnen zenden, trok Croesus, door dubbelzinnige orakels misleid, over den Halys; na een onbeslisten slag evenwel trok hij terug naar Sardes om zich beter tot den oorlog voor te bereiden, maar Cyrus volgde hem, belegerde de stad en nam haar na veertien dagen in. Croesus verloor zijn rijk, maar behield het leven, naar het heette door goddelijke tusschenkomst; Cyrus behandelde hem altijd met achting, hield hem steeds als een vriend en raadsman bij zich en beval hem bij zijn dood ook aan Cambyses aan. De rijkdom van Croesus is spreekwoordelijk geworden en zijne geschiedenis werd beschouwd als een treffend voorbeeld van de onbestendigheid van het geluk, waarop Solon hem reeds zou gewezen hebben, toen hij hem in zijne gelukkigste dagen te Sardes bezocht.

Crommyon, Krommyon, stad op de Corinthische landengte, aan de Saronische golf. Hier doodde Theseus het beruchte everzwijn.

Cromnus, Kromnos, stadje in het Z. van Arcadia, bij Megalopolis.

Cronides, Cronion, Kronides, Kronion, Zeus, de zoon van Cronus.

Cronium mare, het noordelijkste gedeelte van de Noordzee, ook wel de zee ten Noorden van Schotland. De oude schrijvers bevatten allerlei phantastische verhalen hieromtrent; volgens sommigen is ze gestold, volgens anderen zoo drabbig, dat men er met de roeispanen nauwelijks door kan komen. Al deze verhalen zijn een gevolg van de ontdekkingsvaart van Pytheas van Massilia.

Cronus, Kronos, Saturnus (z. a.), de jongste der Titanen, zonen van Uranus en Gaea. Op aansporing zijner moeder, die verbitterd was omdat Uranus zijne jongere zonen, de Cyclopen en Hecatonchiren, in den Tartarus geworpen had, overviel hij zijn vader, verminkte hem met een sikkel op gruwelijke wijze, en dwong hem van de wereldheerschappij afstand te doen. Sedert dien tijd regeerde Cr. met de Titanen gedurende de gouden eeuw, hij huwde zijne zuster Rhea, maar daar zijn vader hem voorspeld had, dat ook hij eens door een zijner kinderen onttroond zou worden, verslond hij hen terstond na hunne geboorte; alleen Zeus werd door zijne moeder gered, terwijl Cr. in plaats van hem een grooten in doeken gewikkelden steen verslond. Toen Zeus opgegroeid was, kwam hij in opstand tegen zijn vader; door Gaea en Metis ondersteund, dwong hij hem eerst de verslonden kinderen uit te braken en daarop begon hij den oorlog, waarvan de uitslag was dat Cr. met de Titanen, die zijne partij gekozen hadden, in den Tartarus geworpen werd. Later kwam echter eene verzoening tusschen vader en zoon tot stand, en sedert dien tijd heerscht Cr. op de eilanden der gelukzaligen. Te Athene vierde men zijn feest, de Kronia, onder gebruiken, die aan den gouden tijd moesten doen denken, z. Saturnalia.--Cr. wordt algemeen beschouwd als een oogstgod, door sommigen als een god van den tijd. Hij wordt afgebeeld als een oud man, met langen baard, gezeten op een troon, met het kleed over het hoofd getrokken en een sikkel in de hand.

Crossaea, Krossaia, streek op de grens van Chalcidice aan de golf van Thermae.

Croton, Kroton, thans Crotone, welvarende en machtige stad in het land der Bruttii, tusschen 700 en 650 door Achaeërs gesticht. De stad was beroemd door hare wetgeving, door reinheid van zeden, door de school van Pythagoras, en door voorliefde der inwoners voor lichaamsoefeningen. Zij was de geboorteplaats van den kampvechter Milo. Wel leden omstreeks 550 de Crotoniaten eene zware nederlaag door de bewoners van Locri Epizephyrii, doch Croton herstelde zich en kon nog in 510 het verwijfde Sybaris ten val brengen. Verdeeldheid was evenwel oorzaak, dat de grieksche steden in Zuid-Italië zich op den duur niet konden handhaven tegen de Syracusanen aan den éénen en de Lucaniërs aan den anderen kant.--In den tweeden punischen oorlog maakte Hannibal Croton tot een steunpunt zijner krijgsoperatiën, waarop de Romeinen er in 194 eene rom. kolonie van maakten.

Crotona = Cortona.

Crustae, 1) goud- of zilverbeslag (ciseleerwerk), dat op zilveren of bronzen vaatwerk werd opgelegd, in tegenstelling van emblemata, inlegwerk.--2) marmeren platen, waarmede de wanden bekleed werden.

Crustumerium, oude latijnsche stad, reeds vroeg door de Romeinen veroverd. Op het veroverde land werd de tribus Crustumina ingericht.

Crux, het kruis, een paal met een dwarshout er aan. De veroordeelde werd eerst gegeeseld, vervolgens aan touwen omhoog geheschen en dan aan handen en voeten aan het kruis vastgenageld, waarna men hem liet hangen tot hij gestorven was. Deze straf werd alleen toegepast op slaven, vreemdelingen en burgers van lagen stand.

Crypta, krypte. Hieronder moet men niet een ondergrondsche ruimte van eenig gebouw verstaan, zooals wij onder eene crypte doen; maar een lange gang met lichtopeningen of vensters in de muren, bij groote hitte of slecht weder tot wandelplaats dienende. Meestal liep zulk eene crypta om eenig groot gebouw of om eene binnenplaats heen. Zie ook cryptoporticus.

Cryptoporticus, overdekte gaanderij, aan ééne zijde gesloten, aan de andere zijde open in den vorm eener kolonnade, terwijl eene crypta ter weerszijden muren had.

Cteatus, Kteatos, z. Actoriones.

Ctesias, Ktesias, van Cnidus, uit het geslacht der Asclepiaden, van 404/401 tot 387/4 lijfarts aan het perzische hof, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde. Ook in 397 had hij een tijd in zijn vaderstad vertoefd. Hij is de schrijver van verscheiden werken; zijne perzische geschiedenis, Persika, in 23 boeken, wordt veel door oude schrijvers gebruikt, ofschoon hem dikwijls gebrek aan waarheidsliefde verweten wordt. Van dit werk zijn, evenals van een ander, Indika, slechts eenige fragmenten bewaard gebleven. Ctesias is meer een op sensatie belust romanschrijver (vandaar zijn populariteit) dan een ernstig historicus. Zijn Indika zijn belangrijker, omdat daarin de eerste berichten omtrent Indië, vooral de dieren- en plantenwereld, voorkomen.

Ctesibius, Ktesibios, beroemd werktuigkundige te Alexandrië onder Ptolemaeus Euergetes, leermeester van Hero, met wien hij o. a. verscheiden toepassingen van luchtdruk uitvond. Hij of een naamgenoot, die omstreeks 125 leefde, was de uitvinder van het orgel.

Ctesiphon, Ktesiphon, z. Demosthenes.

Ctesiphon, Ktesiphon, stad aan den Tigris, na den dood van Alexander d. Gr. gesticht, tegenover Seleucia. Ctesiphon was lang het winterverblijf der parthische koningen en eene sterke grensvesting. In den keizertijd werd het bij herhaling door de Rom. veroverd, n.m. in 116 door keizer Traianus, in 165 door de legaten van Lucius Verus, in 198 door Septimius Severus.

Cuberni = Gugerni.

Cubi, zie Bituriges.

Cubiculum, klein vertrek, van een rustbed of eene slaapstede voorzien. Men onderscheidde de cubicula in diurna en nocturna. Lezen, studeeren, zelfs schrijven geschiedde bij de Rom. veeltijds in liggende houding.--De latere keizers namen ook de gewoonte aan, bij de openbare spelen niet op een podium of balkon te zitten, maar in eene soort loge of cubiculum op een rustbed liggende de spelen gade te slaan.

Cubitus, rom. lengtemaat = 1 1/2 rom. voet = bijna 45 centimeter.

Cucullus, kap aan een mantel, om bij slecht weder over het hoofd te trekken.

Cugerni = Gugerni.

Cularo, zie Gratianopolis.

Culex, titel van een klein gedicht, dat op naam van Vergilius staat en waarin de schim eener gedoode mug om eene begrafenis vraagt.

Culleus, 1) lederen zak, waarin de parricidae genaaid en in het water geworpen werden.--2) rom. maat voor vloeistoffen = ruim 500 liter.

Cumae, Kyme, stad in Campania, de oudste grieksche volkplanting in Italia, in de 8ste eeuw (737?) door de Chalcidiërs van Euboea, met medewerking van kolonisten uit Eretria en uit Cyme (aan de Oostkust van Euboea), waaraan de naam ontleend is, en van de Grai (z. a.) uit Boeotië, gesticht. Vooral door toedoen van Cumae is de grieksche beschaving in Italië doorgedrongen. Dáár hield volgens de sage de beroemde Sibylle haar verblijf; dáár landde Aeneas en stierf Tarquinius Superbus. Dicaearchia, later Puteoli geheeten, was de havenstad van Cumae. In 474/3 kwam Hiero van Syracusae de stad tegen de Etruscers te hulp, en versloeg hen in een bloedigen zeeslag. Toen tusschen 443 en 415 de Samnieten Campania veroverden, viel ook Cumae in hunne handen (421). De inwoners werden grootendeels als slaven verkocht. In 338 werd de stad met Capua en andere Campaansche steden civitas sine suffragio. Z. Praefecti Capuam Cumas.

Cunaxa, Kounaxa, stadje in Babylonia aan den Euphraat, waarbij Cyrus de jongere sneuvelde in den slag tegen zijn broeder Artaxerxes Mnemon (401).

Cuneus, wig. In den circus, het amphitheater en het theater zijn cunei de wigvormige afdeelingen, waarin de zitplaatsen der toeschouwers door de gangpaden verdeeld worden. In den oorlog is de cuneus eene wigvormige slagorde, om door de gelederen van den vijand heen te breken. De soldaten noemden ze ook wel caput porcinum, zwijnskop. Zie verder: forceps (forfex). Later beteekent cuneus dikwijls slechts eene kolonne, zonder dat men daarbij aan den wigvorm behoeft te denken, ook wel een dichtgesloten vierkant.

Cuneus, de Zuidkust van Lusitania.

Cunobelinus, ten tijde van keizer Caligula, koning van de Trinobantes, vader van Caratacus.

Cupido, z. Eros.

Cupra maritima, belangrijke zeestad in Picenum, tusschen Castrum Firmanorum en Truentum, met een tempel van de in Picenum vereerde godin Cupra mater = Juno.

Cupressus. De cipres, uit Creta afkomstig, was aan Pluto geheiligd. Een cipres, vóór een huis in den grond geplaatst, gaf te kennen, dat er een doode was. Evenzoo plaatste men hem bij brandstapels en plantte men hem op graven. In de tuinen werden zij dikwijls, evenals palmen, in allerlei vormen gesnoeid.

Cura of curatio, curateele. Deze werd uitgeoefend over krankzinnigen en verkwisters. De curator had dan het beheer over het vermogen. Volgens eene lex Plaetoria (z. a.) werd er ook een cura minorum ingesteld, om jongelieden, die sui iuris geworden en de voogdij reeds ontwassen, maar nog geen 25 jaar oud waren, in bescherming te nemen tegen aanslagen op hunne onervarenheid. Voor zekere rechtsgeldige verrichtingen, b.v. het voeren van een proces, was de medewerking van den curator noodig.

Curator is in het algemeen hij, die eene cura uitoefent. Curatores noemde men ook zekere ondergeschikte beambten, opzieners, b.v. curatores aquarum, cloacarum, viarum, monumentorum publicorum tuendorum, enz. Zoo was o.a. Q. Catulus curator restituendi Capitolii.

Cures, Kyreis, oude hoofdstad der Sabijnen in het zuidelijkste gedeelte van het Sabijnsche land, dat reeds vroeg bij Rome is ingelijfd, geboorteplaats van Titus Tatius en Numa Pompilius. De inwoners heeten Curenses of Curenses Sabini. De naam Quirites is dus niet van Cures afgeleid, zooals men wel eens vermoed heeft.

Curetes, Kouretes, 1) de oudste inwoners van Acarnanië en Aetolië, werden in een oorlog tegen Calydon door Meleager overwonnen.--2) z. Rhea (Cybele).

Curia, vergaderzaal, in het bijzonder voor de vergaderingen van den rom. senaat. De oudste was de curia Hostilia, waarvan de eerste bouw aan Tullus Hostilius werd toegeschreven. Ze had een hooge vooruitspringende stoep. Ze werd vergroot door Sulla, maar brandde in 52 af bij de begrafenis van Clodius. De nieuwe Curia, door Caesar begonnen, door Augustus voltooid en gewijd, Curia Julia geheeten, nam een groot gedeelte van het vroegere Comitium in beslag. Verder had men de curia Pompeia. De curia Calabra op het Capitolium (z. Capitolinus (mons)) diende tot priesterlijk gebruik. Vóór dit gebouw hadden de comitia curiata calata plaats.

Curiae. Elke der drie oude rom. stamtribus, Tities, Ramnes en Luceres, was in 10 afdeelingen verdeeld, die elk haar eigen vergaderlokaal, curia, haar eigen sacra, en haar eigen priester, curio, hadden. Bij de comitia curiata bracht elke curie ééne stem uit. Acht der curiae zijn ons met name bekend: Foriensis, Rapta, Veliensis, Velitia, Titia, Faucia, Acculeia en Tifata. De leden eener curia waren curiales. Ze vierden twee feesten: de Fornacalia (z. a.) en de Fordicidia.

Curiata (lex), zie Comitia Curiata.

Curiatii, de drie albaansche gebroeders, die, volgens het bekende poëtische verhaal, in den oorlog tusschen Alba Longa en Rome met de drie rom. Horatii streden. In het Albaansch gebergte, aan den weg van Albano naar Aricia, vindt men een etruscisch grafmonument, dat langen tijd voor het graf der Horatii en Curiatii gehouden is. Later komt deze naam ook te Rome voor. In 453 vindt men in een overigens geheel ongeloofwaardig verhaal een consul P. Curiatius Fistus Trigeminus vermeld, die in 451 een der tienmannen was, en in 188 een volkstribuun C. Curiatius, die de beide consuls van dat jaar in hechtenis liet nemen.

Curiatius Maternus, redenaar en dichter tijdens Domitianus, van wiens geschriften echter niets meer overig is. Hij is de hoofdpersoon in Tacitus' Dialogus de Oratoribus, in 77 n. C. ten zijnen huize gehouden.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us